Home

Fjodor Dostojewsky

Aantekeningen uit het Ondergrondse

Uit het Russisch naar het Engels vertaald door Constance Garnett, 1861-1946

De schrijver van het dagboek, en het dagboek zelf, zijn natuurlijk denkbeeldig. Het is niettemin duidelijk dat personen zoals de schrijver van deze aantekeningen, in onze maatschappij niet alleen kunnen, maar zelfs moeten voorkomen, als we de omstandigheden in ogenschouw nemen, temidden waarvan onze maatschappij gevormd is. Ik heb, duidelijker dan gewoonlijk gedaan wordt, gepoogd, een van de karakters uit het recente verleden, aan het publiek ter beoordeling voor te leggen. Hij is een van de vertegenwoordigers van een nog levende generatie. In dit fragment, met de titel “Het Ondergrondse”, stel deze persoon zichzelf en zijn ideeën voor, en probeert als het ware de oorzaken te verklaren als gevolg waarvan hij zijn optreden in ons midden heeft gemaakt en moest maken. In het tweede fragment zijn de feitelijke aantekeningen van deze persoon, betreffende bepaalde gebeurtenissen in zijn leven, bijgevoegd. 

NOOT VAN DE SCHRIJVER.

DEEL I

I

Ik ben een ziek mens... Ik ben een boosaardig mens... Ik ben een weerzinwekkend mens. Ik geloof dat mijn lever aangetast is. Overigens begrijp ik niets van mijn ziekte en ik weet niet eens zeker wat ik mankeer. Ik ga daarvoor niet naar de dokter en ik heb dat ook nooit gedaan, hoewel ik de medische wetenschap en de doktoren hoogacht. Bovendien ben ik uitermate bijgelovig, in elk geval voldoende om ontzag voor de medische wetenschap te hebben. (Ik ben ontwikkeld genoeg om niet bijgelovig te zijn, maar ik ben het toch). Nee, ik weiger om uit wrok naar de dokter te gaan. Dat zult u misschien niet begrijpen. Maar ik begrijp het wel. Ik kan u natuurlijk niet duidelijk maken, wie ik in dit geval door mijn kwaadaardigheid wil straffen, ik begrijp best, dat ik de doktoren er niet mee heb als ik ze niet consulteer; ik weet beter dan wie ook, dat ik alleen mezelf, en niemand anders, benadeel. Maar toch, als ik geen dokter consulteer dan is dat alleen uit kwaadaardigheid. Mijn lever deugt niet – nou, laat het maar erger worden!
Ik leef nu al een hele tijd op die manier – twintig jaar. Ik ben nu veertig. Ik was vroeger in rijksbetrekking, maar dat ben ik nu niet meer. Ik was een kwaadaardige ambtenaar. Ik was bars en daar genoot ik van. Ik liet me niet omkopen, weet je, en ik moest me daar op z’n minst dus op een andere manier voor schadeloos stellen. (Een flauwe grap, maar ik laat hem toch staan. Toen ik hem neerschreef dacht ik dat het geestig zou klinken; maar nu ik zelf gezien heb, dat ik me alleen maar op een zielige manier heb willen aanstellen, schrap ik hem expres niet). Wanneer ik aan mijn bureau zat en er mensen met verzoeken bij me kwamen, dan knarsetandde ik tegen hen en voelde een intens genot als het me lukte ze ongelukkig te maken.
En dat lukte me bijna altijd. Het waren merendeels bedeesde mensen – vanzelfsprekend, want ze hadden een verzoek. Maar onder de praatjesmakers was met name een officier, die ik niet kon uitstaan. Hij wilde gewoon niet onderdanig zijn en rinkelde walgelijk met zijn sabel. Om die sabel heb ik anderhalf jaar met hem geruzied. Ten slotte heb ik van hem gewonnen. Hij hield op met rinkelen. Dat is trouwens nog in mijn jonge jaren gebeurd. Maar weet u, heren, wat de voornaamste reden van mijn kwaadaardigheid was? Nou, ’t hele punt, de echte pijn, lag in het feit dat ik me doorlopend, zelfs in de momenten van mijn hevigste ongenoegen, van binnen met schaamte bewust was van het feit dat ik niet alleen geen kwaadaardig, maar zelfs geen verbitterd mens was, maar dat ik de mensen zomaar angst aanjoeg, en dat ik daar plezier in had. Al schuimbek ik, maar als u me een pop brengt, als u me een kop thee met suiker geeft, dan wordt ik waarschijnlijk rustig. Het zou me misschien zelfs echt raken, hoewel ik naderhand waarschijnlijk om mijzelf zou knarsetanden van woede en maandenlang van schaamte wakker zou liggen. Zo ben ik nu eenmaal.
Ik heb dus net over me zelf gelogen toen ik zei, dat ik een kwaadaardige ambtenaar ben geweest. Ik heb uit kwaadaardigheid gelogen. Ik heb me gewoon vermaakt met die rekwestranten en met die officier, maar in werkelijkheid heb ik nooit kwaadaardig kunnen worden. Ik was mij ieder ogenblik van veel, heel veel factoren bewust die daar volstrekt tegengesteld aan waren. Ik voelde ze in me rondwoelen, die tegenstrijdige factoren. Ik wist, dat zij mijn hele leven lang in me rondgewoeld hadden, dat ze smeekten om losgelaten te worden, maar ik liet ze niet gaan, neen ik liet ze niet gaan, ik liet ze expres niet los. Ze kwelden me tot ik me ervoor schaamde: ze dreven me tot stuiptrekkingen – ze maakten me tenslotte ziek, o wat maakten ze me ziek! Denkt u, heren, dat ik op dit moment ergens berouw over heb, dat ik u voor het een of ander om vergeving vraag? Ik ben er vast van overtuigd, dat u dat denkt... Trouwens, ik kan u verzekeren, dat het me echt niets doet, als u dat denkt….
Niet alleen dat ik niet kwaadaardig kon worden, ik wist helemaal niet hoe ik iets moest worden; ik kon niet kwaadaardig en niet goedaardig, ik kon geen schurk en geen eerlijk man, ik kon geen held en geen insect worden. Ik slijt nu mijn leven in mijn hoekje, ik veracht me zelf, met de kwaadaardige en nutteloze troost dat een verstandig mens echt nooit iets kan worden, maar dat alleen de dwaas iets wordt.
Ja, een mens van de negentiende eeuw is zelfs zedelijk verplicht om een bij uitstek karakterloos wezen te zijn; iemand met karakter, een man van de daad, is bij uitstek bekrompen. Dat is mijn veertigjarige overtuiging. Ik ben nu veertig en u weet dat veertig jaar een heel leven is, dat het echt oud is. Een leven van meer dan veertig jaar is onbehoorlijk, vulgair en immoreel. Wie leeft er nu langer dan veertig jaar? Antwoordt u daar nu eens serieus en eerlijk op. Ik zal u zeggen dat alleen dwazen en waardeloze lieden ouder dan veertig worden. Dat zeg ik alle grijsaards recht in het gezicht, al die eerbiedwaardige oudjes, al die zilverharige en eerwaarde senioren! Ik zeg het de hele wereld recht in het gezicht. Ik heb het recht om dat te zeggen, want ik zal zelf tot mijn zestigste leven. Tot mijn zeventigste! tot mijn tachtigste! zal ik leven... Wacht even. Laat me even bijkomen...
U denkt ongetwijfeld, heren, dat ik u wil amuseren. Maar ook daarin vergist u zich. Ik ben helemaal niet zo’n vrolijk mens als u denkt, of zoals u zou kunnen denken; trouwens als u, geïrriteerd door mijn geleuter (en ik voel al, dat u geïrriteerd bent) mij de vraag zou willen stellen, wie ik ben - dan zou ik u ten antwoord geven, dat ik een assessor van de achtste rang ben. Ik was ambtenaar om aan de kost te komen (dit was de enige reden), maar toen verleden jaar een van mijn verre familieleden me in zijn testament zes duizend roebel vermaakte, heb ik meteen ontslag genomen en me in mijn hoek teruggetrokken. Ik heb al eerder in deze hoek gewoond, maar nu heb ik er me definitief gevestigd. Mijn kamer is een ellendig, miserabel hok in een uithoek van de stad. Mijn werkster is een oude vrouw van het platteland, zo dom dat ze kwaadaardig is, en bovendien verspreidt ze doorlopend een onaangename geur.
Ze hadden me verteld, dat het Petersburgse klimaat schadelijk voor me is en dat met mijn armzalige inkomsten Petersburg veel te duur was. Dat weet ik allemaal veel beter dan al die wijze en ervaren raadgevers en adviseurs…….. Maar toch blijf ik in Petersburg; ik ga er niet vandaan! Ik ga niet weg omdat…..! Och! Het maakt absoluut niets uit, of ik nou wegga of niet.
Maar waar kan een fatsoenlijk mens met het allergrootste plezier over vertellen?
Antwoord: "Over zich zelf."
Nou, dan zal ik dus over me zelf gaan vertellen.

II

Nu zal ik u vertellen, heren, of u het wil horen of niet, waarom ik zelfs geen insect kon worden. Ik kan u in ernst verzekeren, dat ik vaak geprobeerd heb een insect te worden. Maar ook dat lukte me niet. Ik zweer u, heren, dat teveel bewustzijn een ziekte, een echte, fundamentele ziekte is. Voor de dagelijkse menselijke behoefte is een gewone hoeveelheid menselijk bewustzijn al meer dan genoeg, dus ongeveer de helft, of een vierde van de hoeveelheid, die een beschaafd mens van onze ongelukkige negentiende eeuw toevalt, met name degene die ook nog de pech heeft om in Petersburg, de meest theoretische, de meest voorbedachte stad ter wereld te wonen. (Er zijn voorbedachte en niet voorbedachte steden). Men zou ruim voldoende hebben aan de hoeveelheid bewustheid, waarmee alle zogenaamde spontane mensen en alle daadkrachtige mensen leven. Ik wed, dat u denkt, dat ik dat allemaal uit aanstellerij neerschrijf, om geestig te zijn ten koste van die daadkrachtige mensen; en vanuit die lompe aanstellerij rinkel ik dus net als die officier met mijn sabel. Maar heren, wie gaat er nu prat op zijn eigen ziekten en wie schept daar dan ook nog over op?
Eigenlijk doet iedereen dat. Mensen gaan prat op hun ziekten en ik misschien nog wel meer dan wie dan ook. Laten we er niet over twisten, mijn bewering is onzinnig. Maar toch ben ik er vast van overtuigd, dat een groot gedeelte van het bewustzijn, neen dat alle bewustzijn eigenlijk een ziekte is. Daar blijf ik bij. Maar laten we dit een ogenblik laten rusten. Vertelt u me nu eens hoe het komt, dat ik juist op die ogenblikken, waarop ik meer dan ooit in staat ben om alle verfijning "van al het verhevene en schone" zoals ze dat wel eens noemen, op zulke ogenblikken als het ware opzettelijk niet alleen de meest stuitende dingen voel, maar ook doe, zodat... nou ja om het kort te gaan, alle die dingen doe. Hoe meer ik me bewust was van het goede en van alles dat “verheven en schoon” was, hoe dieper ik in mijn modderpoel zonk en hoe meer ik bereid was er helemaal in weg te zinken. Maar het belangrijkste punt was dat me dit allemaal niet per ongeluk overkwam, maar alsof het zo was voorbestemd.
Het leek wel, alsof dit mijn meest normale toestand was en allesbehalve een ziekte of verdorvenheid, zodat op het laatst alle verlangen om tegen die verdorvenheid te vechten verdwenen was. Het eind van het liedje was, dat ik bijna geloofde (ja misschien geloofde ik het echt), dat dit misschien toch mijn normale toestand was. Maar wat heb ik in het begin van die worsteling een doodsangsten uitgestaan! Ik kon niet geloven, dat het bij anderen ook zo was, en ik hen dit feit over mijzelf mijn hele leven lang geheimgehouden. Ik schaamde me (ja misschien schaam ik me zelfs nu nog) want het ging zover, dat ik er een soort geheim, abnormaal, verachtelijk genot in smaakte om in een naargeestige Petersburgse nacht terug te kruipen in mijn hol om me daar meteen voor de geest te halen, dat ik ook die dag weer een walgelijke daad had begaan en dat ik wat ik gedaan had op geen enkele manier ongedaan kon maken, en dan knaagde het stiekem in mijn binnenste, knaagde aan mijzelf en dan huilde ik en vrat mijzelf op, tot op het laatst de bitterheid in een soort beschamende vervloekte zoetheid omsloeg, en tot slot…..in een zeker en echt genot. Daar blijf ik bij.
Ik ben daarover begonnen omdat ik zeker wil weten of andere mensen ook zo’n genot kennen. Ik zal het uitleggen: dat genot lag juist in het te intense besef van mijn eigen vernedering; omdat je zelf voelt dat je de laatste grens bereikt hebt en dat dit weliswaar vreselijk is, maar dat het niet anders kan; dat er geen uitweg voor je is; dat je nooit een ander mens zult kunnen worden; dat je, ook al had je tijd en geloof om iets anders te worden, je beslist zelf niet zou willen veranderen; of als je dat wel zou willen, dat je het ook dan niet zou doen; omdat er in werkelijkheid inderdaad niets is waar je in zou kunnen veranderen. Maar het ergste en de oorsprong van dit allemaal was, dat het helemaal in overeenstemming was met de normale en fundamentele wetten van een verhoogd bewustzijn en met de traagheid die het directe resultaat van die wetten was, en dat daaruit voortvloeide dat je niet alleen niet kon veranderen, maar dat je in feite helemaal niets kon doen. Daaruit zou dus volgen dat, omdat dat het  resultaat van een verhoogd bewustzijn is, je niet verweten kan worden dat je een schurk bent; alsof het een schurk zou opbeuren, als hij inderdaad begrepen heeft dat hij een schurk is. Maar genoeg... Ik heb nou wel een hoop onzin verkondigd, maar wat heb ik eigenlijk duidelijk gemaakt? Hoe kan men hier dat genot verklaren? Maar ik zál het verklaren. Ik zal tot de bodem gaan. Daarom heb ik naar de pen gegrepen.
Ik bezit bijvoorbeeld een hoop eigenliefde. Ik ben zo achterdochtig en zo licht geraakt als een bochel of een dwerg. Maar op mijn woord, ik heb ook momenten gekend, waarop ik misschien blij zou zijn geweest als men mij een klap in het gezicht had gegeven. Ik zeg in alle ernst, dat ik waarschijnlijk zelfs daarin een merkwaardig soort genot had kunnen ontdekken – het genot van wanhoop natuurlijk; maar in wanhoop schuilen de meest intense genietingen, voornamelijk wanneer men zich van het hopeloze van zijn situatie volledig bewust is. En als je in het gezicht geslagen wordt – waarom zou je dan het gevoel krijgen dat je echt tot moes geslagen bent? En bij zo’n oorvijg, duwt het besef, tot wat voor smerigheid men je heeft laten zinken, je helemaal de put in. Maar het ergste is, dat hoe ik het ook wend of keer, toch altijd blijkt, dat ik steeds en bij alles als meest schuldige tevoorschijn kom. En het meest vernederend van alles is nog, dat ikzelfom zo te zeggen onschuldig ben, maar wel schuldig ben volgens de natuurwetten. Op de eerste plaats ben ik schuldig omdat ik knapper ben dan alle mensen om mij heen. (Ik heb mezelf altijd knapper gevonden dan de mensen om mij heen en u kunt het geloven of niet, maar ik heb me daar echt over geschaamd. In ieder geval heb ik mijn hele leven als het ware mijn ogen afgewend en mensen heb ik nooit in de ogen kunnen kijken.) En ten tweede ben ik schuldig omdat ik, zelfs al was ik grootmoedig geweest, daarvan alleen nog maar meer verdriet zou hebben gehad, in het besef dat het zinloos was. Ik zou er toch zeker nooit iets mee hebben kunnen doen, ik zou daardoor niet hebben kunnen vergeven, want mijn aanvaller zou me misschien als gevolg van de natuurwetten geslagen hebben, en je kunt de natuurwetten niet vergeven; het had me evenmin in staat gesteld om te vergeten, want ook al had het aan de natuurwetten gelegen, het is even beledigend.
Tenslotte, zelfs al had ik iets anders willen zijn dan grootmoedig, en me toch op mijn aanvaller had willen wreken, dan had ik mijzelf op niets en niemand kunnen wreken, omdat ik nooit had kunnen besluiten iets te doen, zelfs al had ik het gekund. Waarom ik niet had kunnen besluiten? Met name daarover wil ik nu nog wel een paar woorden zeggen.

III

Maar hoe gaat dat dan bij mensen, die weten hoe ze zich moeten wreken en die zich doorgaans kunnen handhaven? Laten we nou eens aannemen, dat ze zijn bezeten door wraakzucht, dan is er al die tijd in hun hele wezen niets anders dan dat. Zo'n mens stormt dan net als een woedende stier met gebogen hoorns op zijn doel af, en alleen een muur kan hem tot staan brengen. (À propos, door zo'n muur geven zulke mensen, dat zijn dus de spontane mensen en de daadkrachtige mensen, het meteen op. Voor hen betekent zo’n muur geen koersverandering, zoals dit voor ons mensen die nadenken en daarom dus niets doen wel is; het is voor hen geen excuus om rechtsomkeert te maken, een excuus waar wij altijd erg blij om zijn, hoewel we er zelf als regel, nauwelijks in geloven. Nee, zij worden serieus in verlegenheid gebracht. Die muur heeft voor hen iets kalmerends, iets moreel sussends, iets definitiefs, ja misschien zelfs wel iets mysterieus… maar over die muur later meer. Nou dan, zo’n spontaan persoon beschouw ik als een echt, normaal mens, zoals de tere moeder natuur hem wilde zien, toen ze hem genadig op deze aarde neerzette. Zo'n mens benijd ik tot in het diepst van mijn hart. Hij is onnozel. Daarover wil ik niet met u twisten, maar het zou misschien kunnen dat juist de normale mens onnozel is, wie weet? Misschien is dat eigenlijk wel heel mooi. En ik neig met name tot deze – als je het zo zou kunnen noemen - verdenking, omdat als je bijvoorbeeld de tegenpool van die normale mens neemt, dat is dus de mens met dat verhoogde bewustzijn, de mens die natuurlijk niet uit de schoot der natuur, maar uit de distilleerkolf te voorschijn gekomen is (dat is al bijna mystiek, heren, maar ook ik vind dat verdacht) omdat deze distilleerkolf-mens soms in de aanwezigheid van zijn tegenpool zo beduusd is dat hij, met heel zijn opgeklopte bewustzijn echt denkt dat hij zelf een muis is en geen mens. Het mag dan een extreem bewuste muis zijn, maar toch is het een muis, terwijl de ander een mens is, en daarom, etcetera, etcetera. Maar het ergste is, dat hij zich zelf voor een muis houdt, dat doet hij echt uit zich zelf, niemand vraagt hem er om; en dat is juist een heel belangrijk punt. Laten we nu eens die muis in actie bekijken. Laten we bijvoorbeeld aannemen, dat die zich ook beledigd voelt (die pleegt namelijk bijna altijd beledigd te zijn) en dat die zich ook wil wreken. Dat kan dan misschien een nog grotere hoop kwaadaardigheid opleveren dan I'homme de la nature et de la vérité (grafschrift van Jean Jacques Rousseau in het Pantheon, noot vd vertaler) Het lage en onsmakelijke verlangen om die kwaadaardigheid op zijn aanvallers af te reageren, is bij de muis wellicht nog onsmakelijker dan bij l'homme de la nature et de la vérité. Want door diens aangeboren domheid houdt de laatste zijn wraak voor zuivere en eenvoudige rechtvaardigheid en in zijn aangeboren onnozelheid voor een heel eenvoudig rechtvaardig iets, terwijl de muis, als gevolg van haar superbewustzijn, niet in de rechtvaardigheid ervan gelooft. Nu komen we eindelijk bij de daad zelf, de echte wrekende daad. Afgezien van die ene fundamentele walgelijkheid, slaagt de muis erin zoveel walgelijkheid in de vorm van twijfels en vragen daaromheen te verzamelen, ze koppelt namelijk aan die ene vraag zoveel andere onzekere vragen, dat er onvermijdelijk een soort fataal brouwsel opborrelt, een stinkende rotzooi, samengesteld uit zijn twijfels, emoties, en uit de door spontane krachtdadige mensen, die er als rechters en scheidsrechters plechtig omheen staan, daar nog op gespuugde verachting, en die schaterlachen tot ze pijn in hun buik krijgen. Het enige wat er natuurlijk nog voor haar overblijft is om dat allemaal met een wenk van haar pootje af te wijzen, en met een glimlach van gespeelde minachting, waar zij zelf niet in gelooft, smadelijk in haar hol terug te kruipen. Daar, in haar walgelijke, stinkende onderaardse hol vervalt onze beledigde, vertrapte en gehoonde muis dadelijk in een ijzige, kwaadaardige, maar vooral eeuwigdurende boosaardigheid. Veertig jaar lang zal zij zich tot in de kleinste, smadelijkste finesses de kwetsing herinneren, en elke keer zal ze er zelf nieuwe, nog meer kwetsende détails aan toevoegen, en ze zal zichzelf met haar eigen verbeelding kwaadaardig pesten en folteren en met haar eigen fantasieën tergen en prikkelen. Ze zal zichzelf voor die fantasieën schamen, maar ze zal het toch allemaal in haar herinnering terugroepen, ze zal alles opnieuw omspitten, uit zich zelf allerlei niet gebeurde dingen bij verzinnen, onder het mom dat die wel hadden kunnen gebeuren en zal ze niets vergeven. Ze zal er misschien toe overgaan om zich te wreken, maar dat beetje bij beetje doen, op onbeduidende manieren, vanachter het fornuis, incognito, zonder in haar eigen recht op wraak te geloven, noch op de doeltreffendheid van die wraak, in het besef dat zijzelf van al haar pogingen tot wraak honderd keer meer zal lijden dan degene voor wie de wraak bestemd is, terwijl hij, neem ik aan, niet eens zijn kont zal krabben. Op haar sterfbed zal zij zich opnieuw alles herinneren met daarboven op nog eens de in al die tijd opgehoopte rente en...
Maar juist in deze koude, afgrijselijke half-wanhoop, in dit half-geloof, in dit zichzelf van verdriet bewust veertig jaar lang levend in de onderwereld begraven hebben, in deze scherp onderkende en toch deels twijfelachtige hopeloosheid van zijn toestand, in zichzelf gekeerd in die hel van onbevredigde verlangens, in die koorts van trillingen, van voor eeuwig genomen besluiten en er een minuut later weer spijt van hebben – ligt de aantrekkingskracht van dat vreemde genot waar ik het over gehad heb. Dit genot is zo subtiel en zo moeilijk te ontrafelen, dat lichtelijk bekrompen mensen of zelfs eenvoudige mensen met sterke zenuwen er absoluut niets van begrijpen.
"Misschien begrijpen dié mensen er evenmin iets van,” voegt u er grijnzend - als iemand die er verstand van heeft - uit uzelf aan toe, "die nog nooit een klap in hun gezicht hebben gekregen". Ik wed, dat u dit denkt. Maar u kunt gerust zijn, heren, ik heb nooit een klap in mijn gezicht gekregen, ofschoon het me geen fluit kan schelen wat u daarover denkt. Ik heb er misschien spijt van, dat ik in mijn leven zo weinig klappen in het gezicht heb uitgedeeld.
Maar genoeg….geen woord meer over dit voor u zo uiterst interessante thema.

Ik zal rustig mijn uiteenzetting over mensen met sterke zenuwen, die een bepaald verfijnd genot niet begrijpen, voortzetten. Hoewel dit soort mensen, onder bepaalde omstandigheden als stieren keihard zullen brullen, omdat hen dat, veronderstellen we, tot de hoogste eer strekt, zullen ze, zoals ik reeds zei, wanneer ze met het onmogelijke geconfronteerd worden, onmiddellijk bedaren.
Het onmogelijke is dus die stenen muur. Wat voor stenen muur? Wel, dat spreekt toch van zelf: de natuurwetten, de resultaten van exacte wetenschappen en de wiskunde. Zo gauw ze u bijvoorbeeld bewijzen dat u van de aap afstamt, moet u niet uw voorhoofd fronsen, maar het als een feit accepteren. Of als men u bewijst, dat één druppeltje van uw eigen vet u dierbaarder moet zijn dan honderdduizend van uw medemensen, en dat met dit resultaat alle zogenaamde deugden, plichten en dergelijke onnozele vooroordelen volledig zijn verdwenen, dan moet u dit ook gewoon accepteren, er is nu eenmaal niets tegen te doen, want tweemaal twee is vier is de wet van de wiskunde. Probeert u dat maar eens te weerleggen.
"Hou toch op,” zullen ze u toeschreeuwen, “het heeft geen zin om te protesteren, het is een zaak van twee maal twee is vier. De natuur vraagt u geen toestemming, ze heeft niets te maken met uw verlangens en of haar wetten u al dan niet bevallen. U bent verplicht haar te nemen, zoals zij is, en daarom ook al haar gevolgen. De muur, ziet u, blijft dus een muur enz. enz.”
Maar grote God, wat heb ik met de natuurwetten en met die wiskunde te maken, als mij om de een of andere reden die wetten en het feit dat twee maal twee is vier niet bevallen?
Het spreekt vanzelf, dat ik niet door de muur heen kan door er met mijn hoofd tegenaan te beuken, als me echt de kracht ontbreekt om hem te verpletteren, maar ik zal me er toch niet bij neerleggen, enkel en alleen omdat het een stenen muur is en ik de kracht niet heb.
Alsof zo'n stenen muur werkelijk iets troostends zou hebben, alsof hij werkelijk woorden van verzoening zou bevatten, alleen maar omdat twee maal twee vier is. O absurditeit der absurditeiten..
Hoeveel beter is het om alles te begrijpen, om je van alles bewust te zijn, van alle onmogelijkheden en van de stenen muur; om je bij geen enkele van die onmogelijkheden en stenen muren neer te leggen, als je van die overgave walgt; om langs de weg van de meest stringente logische combinaties tot de meest weerzinwekkende conclusies te komen over het eeuwigdurende thema, waar zelfs de stenen muur en jijzelf op een of andere manier schuldig aan zijn, ofschoon het aan de andere kant zo duidelijk als wat is, dat je absoluut niet schuldig bent en dat je daarom zwijgend en machteloos knarsetandend, in een weelderige futloosheid verzinkt, piekerend over het feit dat er voor jou zelfs niemand is waar je je wraak op kunt botvieren, dat je geen object voor je wraakzuchtigheid hebt en waarschijnlijk nooit zult hebben, dat het een goocheltoer is, dat het alleen maar wat gejongleer is, een truc van een valsspeler, dat het gewoon een rotzooi is, dat je niet weet waarmee en met wie je te maken hebt, maar ondanks al die onzekerheden en gejongleer, doet het je toch pijn, en hoe minder je weet, hoe meer pijn je hebt.

IV

"Ha, ha, ha. Dan zult u in het vervolg ook in kiespijn genot vinden," roep je lachend uit.
"Nou, zelfs in kiespijn ligt genot," antwoord ik dan. Ik heb eens een hele maand kiespijn gehad, ik weet dus wat dat is. In dat geval ben je niet in stilte kwaadaardig, maar je kermt; maar dat is geen oprecht gekerm, het is kwaadaardig gekerm en die kwaadaardigheid, daar gaat het om. In dit gekerm drukt het genot van de lijder zich uit; want als je geen genot zou voelen, zou je niet kermen. Dat is een goed voorbeeld, heren, ik wil dat verder uitwerken. Dat gekerm drukt op de eerste plaats de doelloosheid van je pijn uit, die zo vernederend voor je geest is; de gehele wetmatigheid van de natuur, waar je natuurlijk op kunt kotsen, maar waardoor je niettemin lijdt, terwijl zij van dit lijden verschoond blijft. Ten tweede drukt zich in deze pijn het besef uit, datje geen vijand hebt om te straffen, maar wel pijn hebt; het bewustzijn dat je ondanks alle mogelijke Wagenheims (bekende tandarts,noot vd vertaler) volledig slaaf van je tanden bent, dat je tanden niet langer pijn zullen doen als iemand dat wil, maar dat die pijn nog drie maanden zal duren, als hij dat niet wil, en eindelijk dat, als je nog altijd niet gedwee bent en nog steeds blijft tegenspartelen, alles wat er voor je eigen vertroosting rest alleen nog jezelf afranselen of met je vuist zo hard mogelijk tegen de muur slaan, is en echt niks anders. Welnu, deze dodelijke beledigingen, deze bespottingen van de kant van een onbekende, eindigen tenslotte in genot, dat soms de hoogste graad van geilheid bereikt. Ik vraag u, heren, luister eens naar het gekerm van een ontwikkeld mens uit de negentiende eeuw, die aan kiespijn lijdt, op de tweede of derde dag van zijn aanval, wanneer hij dus anders begint te kermen dan op de eerste dag, dat wil zeggen, dat hij dus niet meer kermt, omdat hij gewoon kiespijn heeft, zoals een gewone onbeschaafde boer dat doet, maar dat hij kermt als iemand, die de invloed van de ontwikkeling van de Europese civilisatie heeft ondergaan, als de man, die "van volk en vaderland ontworteld is", zoals men dat tegenwoordig zegt. Zijn gekerm wordt walgelijk, onsmakelijk boosaardig en gaat dag en nacht door. Hij weet zelf heel goed, dat hij zichzelf met dit gekerm geen goed doet, hij weet beter dan wie ook, dat hij daarmee zichzelf en anderen alleen maar kwelt en lastig valt, hij weet dat zelfs zijn publiek, waar hij zich zo voor inspant, zijn hele familie, met grootste weerzin naar dit gekerm luistert, ze geloven er geen snars van, ze begrijpen heel goed dat hij heel anders, eenvoudiger, zonder trillers of versieringen zou kunnen kermen, maar dat hij alleen maar uit nijd zo bezig is, uit kwaadaardigheid. Welnu, juist in dit opzicht ligt in die kwellingen een geil genot.
Alsof hij wil zeggen "Ik ben jullie tot last, ik scheur jullie hart uiteen, ik hou iedereen in huis wakker. Nou, blijven jullie dan ook maar wakker, voel maar elke minuut dat ik kiespijn heb. Ik ben zoals je weet niet de held, waarvoor ik me vroeger heb uitgeven, maar een eenvoudig walgelijk mannetje, een bedrieger. Nu goed dan. Ik ben heel blij, dat jullie me doorhebben. Het is weerzinwekkend voor jullie om naar mijn verachtelijk gekerm te luisteren: dan is het maar weerzinwekkend; dan zal ik dadelijk nog een veel smeriger fanfare laten horen!" Begrijpt u het nog steeds niet, heren? Nee, het schijnt dat onze ontwikkeling en bewustzijn nog verder moeten gaan om alle kronkels van dit genot te begrijpen. U lacht, hè? Daar ben ik echt blij om. Mijn grappen, heren, getuigen vanzelfsprekend van een slechte smaak, gaan van de hak op de tak en zijn ingewikkeld en gespeend van elk zelfvertrouwen. Maar dat komt omdat ik geen zelfrespect heb. Kan iemand die zichzelf doorheeft eigenlijk wel zelfrespect hebben?

V

Kom heren, kan iemand die genot probeert te vinden in het gevoel van zijn eigen vernedering, nog een greintje zelfrespect hebben?
Ik zeg dat nou niet uit het een of andere halfzacht berouw. Ik heb altijd al een hekel gehad aan dat: "Vergeef me papa, ik zal het nooit meer doen" niet omdat ik niet in staat zou zijn om dat te zeggen, integendeel, maar misschien omdat er, op wat voor manier dan ook, te zeer toe in staat was. Alsof ik meestal expres in de problemen kwam, ook in gevallen waarin mij niets te verwijten viel. Dat was dus echt het meest afschuwelijke van alles. Tegelijkertijd was ik echt geraakt en schuldbewust, ik vergoot natuurlijk tranen met tuiten en hield me zelf voor de gek, al stelde ik me absoluut niet aan, en er was een misselijk gevoel in mijn hart op het moment dat …... Daar kon ik niet eens de natuurwetten de schuld van geven, ofschoon die natuurwetten me mijn hele leven het meest dwars gezeten hebben. Het is afschuwelijk om je dat allemaal te herinneren, maar toen was het ook afschuwelijk. Want razend begreep ik natuurlijk al na een minuut, dat het allemaal een leugen was, een misselijke leugen, een gehuichelde leugen, dus ook al dat berouw, die emotie en die beloften om mijn leven te beteren. U zult me vragen waarom ik me zorgen maakte over dergelijke grappen: het antwoord? omdat het zo vervelend is om met gevouwen handen te zitten, en daarom begon ik me in allerlei bochten te wringen.
Zo ging het echt. Kijk nu eens wat beter naar uzelf, heren, dan zult u begrijpen, dat het echt zo is. Ik had voor mezelf avonturen verzonnen, ik had mijn leven opgebouwd, om in ieder geval op een of andere manier toch te leven. Hoe vaak is het me niet overkomen, dat ik me, bijvoorbeeld, zomaar expres beledigd voelde; en je weet natuurlijk ook, dat je om niets beledigd kunt worden; dat je het jezelf aandoet, maar dat je jezelf ook zover kunt opnaaien dat je je echt beledigd voelt. Mijn leven lang heb ik de drang gehad om zulke streken uit te halen, zodat ik mezelf op het laatst niet meer in de hand had. Een andere keer, neen zelfs twee keer, heb ik met alle geweld geprobeerd verliefd te worden. Ook daar heb ik onder geleden, heren, ik verzeker het u. In het diepst van mijn hart geloofde ik niet in mijn lijden, daar zat een glimp van spotlust in, maar toch leed ik en nog wel op de echte en orthodoxe manier; ik was jaloers en buiten mezelf… en dat kwam alleen van verveling, heren, ja van verveling; ik werd overmand door een gebrek aan fut. U weet dat de onmiddellijke en wettige vrucht van het bewustzijn, de futloosheid is, dat wil zeggen, bewust met-de-handen-gevouwen-op-de-schoot-zitten. Ik heb het daar al eerder over gehad. Ik zeg het nog een keer, ik zeg het nog een keer nadrukkelijk: alle “spontane” mensen en daadkrachtige mensen zijn alleen maar actief omdat ze dom en bekrompen zijn. Hoe je dat kunt verklaren? Ik zal het u uitleggen: als gevolg van hun bekrompenheid beschouwen ze de onmiddellijke (onmiddellijke oorzaak = “God”. noot vd vertaler) en de secundaire oorzaak als eerste oorzaak, en op die manier overtuigen ze zichzelf sneller en gemakkelijker dan andere mensen van het feit dat ze een onfeilbare grondslag voor hun handelen gevonden hebben en dan is hun hoofd gerust en u weet dat dat de hoofdzaak is. Want u weet toch dat je vóór je begint, eerst je hoofd volmaakt rustig moet hebben en zonder spoor van twijfel. Nou, hoe kan ik bijvoorbeeld zelf mijn hoofd tot rust brengen? Wat zijn de eerste oorzaken waarop ik kan bouwen? Wat zijn mijn grondslagen? Waar kan ik die vandaan halen? Ik oefen mijzelf in nadenken en daarom sleept bij mij elke eerste oorzaak meteen een nog meer eerste oorzaak achter zich aan, en zo tot in het oneindige. Dat is juist het wezenlijke van elk soort bewustzijn en van al dat nadenken. Daar heb je dus weer de natuurwetten. En wat is dan uiteindelijk het resultaat? Precies hetzelfde. U weet toch nog dat ik het zojuist over wraak gehad heb. (U heeft het vast niet begrepen.) Ik zei dus dat de mens zich wreekt, omdat hij daarin rechtvaardigheid ziet. Dat betekent dus, dat hij een allereerste oorzaak gevonden heeft, namelijk rechtvaardigheid
Hij heeft zich dus aan alle kanten gerustgesteld, en daarom kan hij zijn wraak kalm en met goed gevolg voltrekken, omdat hij er van overtuigd is, dat hij iets rechtvaardigs en eerlijks doet.
Maar ik zie daar niets rechtvaardigs in, ik vind dat absoluut niet fatsoenlijk; als ik me dus probeer te wreken, doe ik dat uitsluitend uit kwaadaardigheid. Kwaadaardigheid zou natuurlijk alles, al mijn twijfels, kunnen overwinnen, en zou zo dus heel best als eerste oorzaak kunnen dienen, juist omdat het geen oorzaak is. Maar wat moet ik doen als ik zelf boosaardig ben? (je weet dat ik daar zojuist mee begonnen ben).
Alweer als gevolg van die vervloekte natuurwetten, is die woede in mij aan chemische ontbinding onderworpen. Je kijkt in je hoofd, het onderwerp vliegt de lucht in, je verstand verdampt, de dader is niet te vinden, het kwaad wordt geen kwaad maar een hersenspinsel, zoiets als kiespijn, waar niemand schuldig aan is en weer resteert dus slechts dezelfde uitlaatklep, dat wil zeggen: je kop zo hard als je kunt tegen de muur beuken. Dus geef je het maar op en wuift het weg, omdat je geen eerste oorzaak hebt gevonden.
Maar probeer het eens, laat je eens blindelings door je gevoel meesleuren, zonder na te denken, zonder eerste oorzaak, stuur dat bewustzijn, al is het maar voor een ogenblik, weg; haat of bemin, als je niet alleen maar met gevouwen handen wil zitten. Overmorgen, op zijn allerlaatst, dan begin je je zelf weer te verachten, omdat je jezelf bewust belazerd hebt. Het resultaat? een zeepbel en de fut eruit. O heren, weet u, misschien hou ik mezelf voor een verstandig man, alleen omdat ik mijn hele leven lang nergens aan begonnen ben en niets heb afgemaakt. Toegegeven, ik ben een ouwehoer, een onschadelijke hinderlijke ouwehoer, zoals iedereen overigens.
Maar wat kunnen we er aan doen als de enige, en onmiddellijke roeping van ieder verstandig mens is om te ouwehoeren, om opzettelijk water naar de zee te dragen?

VI

O, had ik maar gewoon uit luiheid niets gedaan. Goeie God, wat zou ik me dan zelf gerespecteerd hebben. Ik zou mezelf gerespecteerd hebben, omdat het me ten minste gelukt was om lui te zijn; dan had ik als het ware ten minste één eigenschap gehad, waarin ik zelf had kunnen geloven. Vraag: Wat is hij? Antwoord: een luiwammes; wat zou dat heerlijk geweest zijn, om dat over jezelf te horen! Het zou betekenen dat ik positief geëtiketteerd was, het zou betekenen dat er iets over me te vertellen valt. “Luiwammes”- nou, dat is een ambitie en roeping, het is een carrière. Neen zonder gekheid, dat is zo. Ik zou dan terecht lid van de allerbeste club zijn, en ik zou er mijn beroep van maken om mijzelf voortdurend te respecteren. Ik heb een heer gekend, die er zijn hele leven prat op ging, dat hij kenner van Lafitte (een wijnmerk) was. Hij beschouwde dit als een echte deugd en hij twijfelde nooit aan zichzelf. Hij stierf niet alleen vredig, maar ook met een triomfantelijk besef, en dat was nog terecht ook. Met een gevoel van zegepraal, en hij had volkomen gelijk. Als ik dan toch een carrière voor mezelf uit had mogen kiezen, dan zou ik een luiwammes en een gulzigaard geweest zijn, geen gewone, maar bijvoorbeeld een met gevoel voor al het verhevene en schone. Wat vindt u daarvan? Ik heb daar lang visioenen over gehad. Dat "schone en verhevene" drukt op mijn veertigste zwaar op me. Maar dat is bij veertig; daarna…o, daarna zou het anders geweest zijn. Ik zou voor mijzelf een daarbij passende bezigheid hebben gezocht, om precies te zijn, drinken op de gezondheid van al het “verhevene en schone”. Ik zou iedere gelegenheid hebben aangegrepen om een traan in mijn glas te plengen om die dan op al het “verhevene en schone” leeg te drinken. Ik zou dan alles in het schone en verhevene veranderd hebben; in de walgelijkste onbetwistbare rotzooi, zou ik het schone en verhevene opgespoord hebben. Ik zou gejankt hebben als een natte spons. Een kunstenaar schildert bijvoorbeeld een fleurig schilderij. Ik zou meteen op de gezondheid van die schilder die een fleurig schilderij geschilderd heeft drinken, want ik hou van al het verhevene en schone. Een auteur heeft een ontroerend boek geschreven: meteen drink ik op de gezondheid van alles wat ontroert, want ik hou van alles wat “verheven en schoon” is.
Ik zou respect hebben gevraagd omdat ik dat zo doe. Ik zou iedereen die mij geen respect zou betonen vervolgen. Ik zou een vredig leven hebben en waardig sterven; nou, dat is verrukkelijk, absoluut verrukkelijk! En wat zou ik een buik hebben gefokt, wat een driedubbele onderkin zou ik hebben gekweekt, wat een purperneus zou ik voor mezelf hebben gekleurd, zodat iedereen me zou aankijken en zou zeggen: “Wat een bezit! Dit is iets echts en stevigs!” En u mag zeggen wat u wil, heren, maar het is zeer aangenaam om zo’n opmerkingen over jezelf te horen maken in deze negatieve tijd.”

VII

Maar dit zijn alleen maar gouden dromen.
O vertel me, wie heeft het eerst verkondigd, wie heeft het eerst uitgeroepen, dat de mens slechts lelijke dingen doet, omdat hij zijn eigenbelang niet kent; dat, als hij op de hoogte zou zijn, als zijn ogen geopend zouden worden voor deze echte en normale belangen, hij onmiddellijk zou ophouden die lelijke dingen te doen, dat hij dan meteen goed en edel zou worden, omdat hij eenmaal voorgelicht en op de hoogte van zijn echte belang, dadelijk zou inzien dat dit belang alleen in het goede en nergens anders ligt, en we weten allemaal dat niemand bewust tegen zijn eigen belang in kan handelen, en daaruit volgt zogezegd, dat hij uit noodzaak zou beginnen goed te doen.
O zuigeling. O rein, onschuldig kind! Nou op de eerste plaats: wanneer is er in al die duizenden jaren een tijd geweest waarin de mens alleen uit zijn eigen belang heeft gehandeld? Wat moeten we dan met al die miljoenen feiten, die aantonen dat mensen bewust, dat wil zeggen met volledig begrip van hun ware belangen, die ware belangen op de achtergrond geplaatst hebben en halsoverkop een andere weg ingeslagen zijn, waar hen dreiging en gevaar wachtte, door niets en niemand in die richting gedwongen, maar als het ware, gewoon omdat ze niet van het gebaande pad hielden, en halsstarrig, wetens en willens zich, vrijwel in het duister, een andere moeilijke en absurde weg hebben gezocht en gebaand. Ik veronderstel dus, dat die hardnekkigheid en perversiteit prettiger voor hen waren dan welk belang dan ook….Belang! Wat is belang? Zou u het op u willen nemen om heel nauwkeurig aan te geven, waarin het belang van de mens bestaat? Maar wat, als het zo is dat het belang van de mens, soms niet alleen kan, maar zelfs moet bestaan uit zijn verlangen naar bepaalde zaken die schadelijk voor hem zijn en hem niet tot voordeel strekken? dat het menselijk voordeel vaak niet alleen kan bestaan, maar wel degelijk moet bestaan, om het slechte en niet het nuttige te wensen? Maar als dit zo is, als zoiets het geval kan zijn, dan valt het hele principe in duigen. Wat denkt u, komen er zo’n gevallen voor? U lacht; lacht u maar, heren, maar geef me alleen maar antwoord: zijn de menselijke belangen echt nauwkeurig geteld en gewogen? Of zijn er nog die niet alleen nog niet zijn meegeteld, maar die mogelijk niet meegeteld kunnen worden, omdat ze niet geclassificeerd kunnen worden? U heeft toch heren, naar mijn beste weten, uw hele lijst van menselijke belangen aan het gemiddelde van de statische cijfers en wetenschappelijk-economische formules ontleend?
Uw belangen zijn toch, voorspoed, rijkdom, vrijheid, vrede enz. enz.? Dus de man, die bijvoorbeeld openlijk en welbewust tegen deze hele lijst in zou gaan, zou volgens uw mening, en inderdaad ook de mijne natuurlijk een obscurantist of een volslagen krankzinnige zijn: waar of niet? Maar weet u, dit is toch wel verrassend: hoe komt het namelijk, dat al die statistici, dat al die wijzen en mensenvrienden bij hun opsomming van de menselijke belangen er steeds ééntje weggelaten hebben? Ze nemen die zelfs niet in hun lijst op, althans niet op de manier, waarop het zou moeten, en de hele lijst hangt echt van dit ene punt af. Dat zou nou niet zo verschrikkelijk zijn, want men zou dit belangl kunnen nemen en het eenvoudigweg aan de lijst kunnen toevoegen. Maar het probleem is, dat dit merkwaardige belangl onder geen enkele classificatie valt en zich dus op geen enkele lijst laat onderbrengen.
Ik heb bijvoorbeeld een vriend…. Och heren, maar natuurlijk is hij ook uw vriend; en er is inderdaad niemand wiens vriend hij niet is! Als die vriend nu een zaak voorbereidt, zal deze heer u meteen, stijlvol en helder, precies uitleggen hoe hij volgens de wetten van de ratio en de waarheid moet handelen. Sterker nog, hij zal opgewonden en hartstochtelijk met u over de echte, normale, menselijke belangen gaan spreken; hij zal spottend de kortzichtige dwazen verwijten maken, die noch hun eigen belangen, noch de echte betekenis van de deugd begrijpen; maar binnen een kwartier zal hij zonder enige plotselinge aanleiding niet van buiten, maar gewoon uit iets dat in hem zit, dat sterker is dan al zijn belangen, een heel andere toon aanslaan: hij zal openlijk tegen alles ingaan, wat hij net over zichzelf gezegd heeft, tegen de wetten van de ratio, tegen zijn eigen belang, om kort te gaan tegen alles in... Maar ik waarschuw u, mijn vriend is een gecompliceerde persoonlijkheid en daarom is het moeilijk om alleen hem de schuld te geven.
Het feit is, heren, dat er echt iets moet zijn, dat voor vrijwel ieder mens dierbaarder is dan zijn grootste belangen, of (om niet onlogisch te zijn) bestaat er een allerbelangrijkst belang (juist datgene dat weggelaten wordt en waar we het net over gehad hebben) dat belangrijker en gunstiger is dan alle andere belangen, en waarvoor een mens als het nodig is bereid is om, tegen alle wetten in, voor op te komen: dat wil zeggen, tegen de ratio, tegen de eer, tegen de vrede en tegen de voorspoed - kortom tegen al die uitnemende en nuttige dingen, als hij maar dat fundamentele, allerbelangrijkst belang dat hem dierbaarder is dan alles, kan bereiken.
"Maar het is toch altijd nog een belang," zult u mij antwoorden.
Staat u mij toe dat ik het zal verduidelijken, en het gaat niet om woordspelletjes. Waar het om gaat is dat dit belang opmerkelijk is, juist om het feit dat het al onze classificaties omvergooit en dat het doorlopend elk systeem dat door mensenvrienden voor het welzijn van de mensheid geconstrueerd is, verbrijzelt. In feite gooit het alles overhoop. Maar voor ik het noem, wil ik me zelf toch nog even compromitteren en daarom verklaar ik nu onomwonden, dat al die prachtige systemen, al die theorieën, om aan het mensdom haar wezenlijke, normale belangen te verduidelijken, opdat het onontkoombaar naar de verwezenlijking daarvan streeft en dan opeens goed en edel wordt – zijn naar mijn mening tot nu toe slechts oefeningen in de logica geweest. Ja, oefeningen in de logica! Nou, om deze theorie, over de regeneratie van het mensdom door middel van het streven naar zijn eigen belang, te handhaven is voor mij bijna hetzelfde als…als te bevestigen dat, bijvoorbeeld volgens Buckle, door de beschaving het mensdom zachtaardiger wordt, en dientengevolge minder bloeddorstig en minder geschikt wordt om oorlog te voeren.
Het schijnt dat dat logisch uit deze argumenten voortvloeit. Maar de mens heeft zo’n voorliefde voor systemen en voor de abstracte gevolgtrekkingen, dat hij bereid is de waarheid opzettelijk te verdraaien en het bewijs van zijn zintuigen te negeren, alleen maar om zijn logica te rechtvaardigen. Ik noem dit voorbeeld omdat dat het meest duidelijke voorbeeld daarvan is. Kijk alleen maar eens om u heen: het bloed wordt in stromen vergoten en op de meest vreugdevolle wijze, alsof het champagne is. Neem de hele negentiende eeuw, waarin Buckle geleefd heeft. Neem Napoleon de Grote en ook de hedendaagse. Neem Noord-Amerika, de eeuwige unie. Neem de farce van Sleeswijk-Holstein…..
En wat heeft de beschaving dan zachtaardiger in ons gemaakt?
De enige winst voor de mensheid van de beschaving is de grotere verscheidenheid van gevoelens – en echt niet meer dan dat. En door de ontwikkeling van die veelzijdigheid kan de mens ertoe komen om genot in het bloedvergieten te vinden. In feite is dat allang met hem gebeurd. Is het u nooit opgevallen, dat de meest beschaafde mensen de meest subtiele slachters zijn geweest, bij wie de Attila's en de Stenjka Rasin's (Kozakkenhoofdman, die plm. 1670 een opstand heeft veroorzaakt) eenvoudig in het niet vallen, en als zij niet zoals de Attila's en de Stenjka Rasin’s opvallen, dan komt dit alleen maar, omdat je ze te vaak tegenkomt, omdat zij zo gewoon zijn, en omdat we er zo aan gewend zijn. In ieder geval is de mens door de civilisatie zo al niet bloeddorstiger, dan toch in ieder geval slechter en gemener bloeddorstig geworden. Vroeger zag hij nog rechtvaardigheid in het bloedvergieten en hij roeide met een gerust geweten iedereen uit, waarvan hij dacht dat hij hem uit moest roeien. Tegenwoordig vinden we bloedvergieten afschuwelijk, maar houden ons toch met die afschuwelijkheid bezig, en we doen dat nog voortvarender dan vroeger.
Wat is er nu erger? Oordeelt u zelf maar. Ze zeggen dat Cleopatra, (neemt u me niet kwalijk, dat ik met een voorbeeld uit de Romeinse geschiedenis aan kom) er verzot op was, om gouden spelden in de borsten van haar slavinnen te steken en dat ze in hun gesteun en gekerm behagen schepte. U zult zeggen, dat dit in betrekkelijk barbaarse tijden is gebeurd en dat we ook nu nog in barbaarse tijden leven, want ook nu nog, alweer weer betrekkelijk gesproken, steekt men met spelden; dat dit komt omdat de mens, ofschoon hij geleerd heeft helderder te zien dan die in barbaarse tijden, nog allesbehalve geleerd heeft om te handelen zoals zijn verstand en de wetenschappen hem dit leren. Maar toch bent u er niettemin volledig van overtuigd, dat hij dat zeker zal leren, wanneer hij maar eenmaal die oude en slechte gewoonten afgeleerd heeft, en wanneer het gezond verstand en de wetenschap de menselijke natuur heropgevoed en het de normale richting opgestuurd zal hebben. U bent er van overtuigd, dat de mens dan met zijn OPZETTELIJKE vergissingen zal ophouden en zogezegd vanzelf zal ophouden om zijn wil tegen zijn normale belangen te keren. Dat is nog niet alles. Dan, zegt u, zal de wetenschap zelf de mens leren, (ofschoon dit volgens mij dan een overbodige luxe is) dat hij in werkelijkheid nooit een gril of wil van zichzelf gehad heeft, en dat hij niet meer is dan een soort pianotoets of orgelpijp en dat er bovendien nog zoiets als natuurwetten bestaan, zodat alles wat hij doet niet door zijn wil geschiedt, maar dat dit helemaal vanzelf, volgens de natuurwetten, gebeurt. We hoeven dus alleen nog maar die natuurwetten te ontdekken en dan is de mens niet langer voor zijn daden verantwoordelijk en zal het leven voor hem buitengewoon gemakkelijk worden. Alle menselijke handelingen worden dan natuurlijk mathematisch, als logaritmetabellen tot 108.000, volgens deze wetten berekend en in een alfabetisch register ondergebracht; of beter nog, er zullen stichtelijke boeken gepubliceerd worden, zoals onze huidige encyclopedische lexicons, waarin alles zo precies berekend en uitgelegd wordt, dat er in de wereld vervolgens geen incidenten of avonturen meer zullen voorkomen.
Dan zullen er, zoals u zegt, nieuwe economische verhoudingen intreden, allemaal pasklaar en met mathematische nauwkeurigheid uitgewerkt, zodat alle mogelijke vragen in een oogwenk zullen verdwijnen, gewoon omdat elk mogelijk antwoord gegeven kan worden. Dan zal het Crystal Palace worden gebouwd. Dan... ja, dat zullen eindelijk vredige tijden zijn. Natuurlijk kan men op geen enkele manier garanderen, (dit is mijn kanttekening!), dat het dan niet bijvoorbeeld vreselijk saai zal zijn, (want wat valt er nog te doen als alles uitgerekend en geclassificeerd wordt), maar aan de andere kant zal alles buitgewoon rationeel zijn. Natuurlijk kan verveling je ergens toe aanzetten. Het is verveling die de mens aanzet om gouden spelden in mensen te prikken, maar dat maakt allemaal niets uit. Maar wat wel erg is, (opnieuw mijn kanttekening) is dat ik durf te zeggen dat mensen dan dankbaar zullen zijn voor die gouden spelden. De mens is dom, fenomenaal dom; of liever, hij is helemaal niet dom, maar hij is zo ondankbaar dat je in de schepping geen ander zoals hij kan vinden.
Zo zou het mij bijvoorbeeld niet in het minst verrassen, wanneer er plotseling, als uit het niets, te midden van die welvaart, een of andere heer op zou staan, die met een onedel of liever gezegd, met een reactionair en spottend gezicht, en met zijn handen in zijn zij tot ons allemaal zou zeggen:
"Welnu heren, zouden we niet beter de hele voorstelling op kunnen doeken en het rationalisme met de wind verstrooien, deze logaritmen gewoon naar de duivel sturen en het ons weer mogelijk maken opnieuw naar onze eigen dwaze wil te leven?” Dat zou niks uitrichten, maar wat lastig is dat hij zeker volgelingen zou vinden, want zo is de menselijke natuur. En dat allemaal om de meest dwaze reden die, zoals men zal begrijpen, het vermelden niet eens waard is: namelijk dat de mens onder alle omstandigheden en ten allen tijde en wie hij ook moge zijn, verkozen heeft om te handelen zoals hij wil, en hoegenaamd niet zoals zijn ratio en belang voorschrijft en dat men tegen zijn eigen belangen in kan kiezen en dat soms echt moet (dat vind ik!). Je eigen vrije ontketende wil, je eigen grillen, hoe wild dan ook, je bij tijden tot waanzin opgewonden eigen verbeelding, is nou net dat allerbelangrijkste belang, wat we over het hoofd hebben gezien, dat onder geen enkele classificatie valt en waartegen alle systemen en theorieën in gruzelementen uiteenspatten. En hoe weten al die betweters dat de mens een normale en deugdzame wil wil? Hoe zijn ze erbij gekomen dat de mens een rationele en nuttige wil moet willen? Wat de mens wil is gewoon een onafhankelijke wil, wat die afhankelijkheid ook moge kosten en waartoe die ook zou kunnen leiden. Nou wil, natuurlijk weet alleen de duivel wat voor wil.

VIII

"Ha!ha! ha! Maar je weet dat er in werkelijkheid niet zoiets als een vrije wil is, je kunt zeggen wat je wil.” zult u gniffelend tegenwerpen. “De wetenschap is er in zoverre in geslaagd de mens te analyseren dat we al weten dat wil en wat de vrije wil genoemd wordt niets anders is dan....”
Wacht u even, heren, ik moet bekennen dat ik daar zelf over wilde beginnen, maar ik was nogal geschrokken. Ik wou juist zeggen dat alleen de duivel weet waar de wil van afhangt, en dat dat heel goed is, maar toen moest ik denken aan wat de wetenschap leert…en toen hield ik me in. En nu begint u er zelf weer over.
Inderdaad, als er echt ooit een formule ontdekt wordt voor al onze verlangens en grillen, dat wil zeggen, een verklaring waar die van afhangen en uit welke wetten ze voortspruiten, hoe ze zich ontwikkelen, wat ze in het ene en wat ze in het andere geval bedoelen enzovoort, een echte wiskundige formule, dan zal de mens naar alle waarschijnlijkheid meteen ophouden te willen. En terecht. Want wie zou er nou volgens een vaste regel willen willen? Bovendien zal hij meteen transformeren van een mens in een orgelpijp of zoiets; want wat is een mens zonder verlangens, zonder vrije wil en zonder keuze, meer dan een orgelpijp? Wat denkt u? Laten we eens de kans berekenen. Zou zoiets kunnen gebeuren of niet?
"Hm,"concludeert u, "onze keuze wordt doorgaans abusievelijk vanuit een onjuist idee van ons belangl gezien. Soms kiezen we voor absolute onzin omdat we in onze dwaasheid die onzin beschouwen als het meest eenvoudige middel om een vermeend belang te behalen. Maar wanneer dat allemaal verklaard en op papier uitgewerkt is (wat uitstekend kan, want het is verachtelijk en zinloos te veronderstellen dat de mens sommige natuurwetten nooit zal begrijpen) dan zullen ongetwijfeld zogenaamde verlangens niet langer bestaan. Want als een verlangen in conflict met de ratio zal komen, dan zullen we gaan redeneren en niet gaan verlangen, omdat het onmogelijk zal zijn vol te houden dat in onze verlangens onze ratio zinloos is, want dat we op die manier willens en wetens tegen de rede en de wil in handelen, waardoor we onszelf schaden. En als elke keuze en redenering echt uitgerekend kan worden – omdat op een dag de wetten van onze zogenaamde vrije wil ontdekt zullen worden – dan zal er, zonder gekheid, op zekere dag zoiets als een tabel van gemaakt worden, zodat we echt overeenkomstig die tabel kunnen kiezen. Als ze bijvoorbeeld op zekere dag voor me uitrekenen en me bewijzen dat ik een lange neus naar iemand gemaakt heb, omdat ik het niet kon helpen een lange neus naar hem te maken en dat ik het op die manier heb moeten doen, wat voor vrijheid rest mij dan nog, met name als ik een ontwikkeld man ben en ergens een academische graad gehaald heb? Dan zou ik in staat zijn mijn hele leven dertig jaar vooruit te berekenen. Om kort te gaan, als dat geregeld zou kunnen worden, zou er niets meer voor ons overblijven. Dat zouden we in ieder geval moeten begrijpen. En eigenlijk moeten we bij onszelf onvermoeibaar herhalen dat op zus en zo’n moment en onder zus en zo’n omstandigheden de natuur ons geen toestemming vraagt; dat wij haar moeten nemen zoals ze is en haar niet moeten kneden naar ons beeld, en als we werkelijk streven naar formules, tabellen en regels, en ja zelfs…. naar de destilleerkolf, ja, dan moeten we die kolf ook accepteren, want anders zal die zonder onze instemming geaccepteerd worden.
Maar nou hou ik op! Heren, excuseert u mij dat ik dat ik te filosofisch ben geweest; het is het resultaat van veertig jaar ondergronds! Staat u mij toe dat ik aan mijn verbeelding toegeef. Ziet u, heren, de ratio is een uitmuntend iets, dat zal niemand bestrijden, maar de ratio is niets anders dan de ratio en bevredigt slechts de rationele kant van de menselijke natuur, terwijl het een manifestatie is van het hele leven, dat wil zeggen, van het hele menselijke leven, de ratio en alle drijfveren incluis. En hoewel ons leven, in deze manifestatie, vaak waardeloos is, is dit toch het leven en niet gewoon worteltrekken. Ik wil bijvoorbeeld volstrekt ongedwongen leven, om in mijn leven al mijn talenten te bevredigen en niet alleen mijn redeneertalent, dat wil zeggen, niet gewoon eentwintigste van mijn talenten. Maar wat weet de ratio? De ratio weet alleen wat het heeft kunnen leren (sommige dingen zal het wellicht nooit leren; dat is een magere troost, maar waarom zou ik dat niet ruiterlijk toegeven?) en de menselijke natuur handelt als een geheel, met alles wat erin zit, bewust of onbewust, en zelfs als het fout loopt, leeft het. Ik vermoed, heren, dat u met mededogen naar me kijkt; u vertelt me weer dat een voorgelicht en ontwikkeld mens, om kort te gaan, zoals de toekomstige mens zal zijn, voor zichzelf niet bewust iets ongunstigs kan wensen en dat dat wiskundig bewezen kan worden. Ik ben het er volledig mee eens dat dat kan – wiskundig. Maar ik herhaal voor de honderdste keer, dat er één geval is, echt maar één, waarin een mens bewust, doelbewust, iets kan willen wat schadelijk voor hem is, wat dom, heel dom is – gewoon omdat hij het recht heeft voor zichzelf zelfs iets dat heel dom is te willen en om niet beperkt te worden door een verplichting om alleen iets te willen wat zinnig is. Maar in werkelijkheid kan dit vreselijk domme, die gril van ons, heren, natuurlijk misschien gunstiger voor ons zijn dan wat dan ook op aarde, met name in bepaalde gevallen. En met name kan het gunstiger zijn dan welk belang dan ook, zelfs wanneer het ons kennelijk niet schaadt en de meest verantwoorde conclusies van onze ratio over ons belang tegenspreekt – want onder alle omstandigheden bewaart het voor ons wat het kostbaarste en belangrijkste is – namelijk onze persoonlijkheid, onze individualiteit. Want er zijn er, die volhouden, dat dit voor de mens werkelijk het allerkostbaarste is; de wil kan natuurlijk, als die wil, in overeenstemming met de ratio zijn; en voornamelijk als er geen misbruik van wordt gemaakt, maar binnen bepaalde grenzen blijft. Dat is nuttig en soms zelfs prijzenswaard. Maar heel vaak, en zelfs het vaakst, gaat de wil uiterst en hardnekkig tegen de ratio in….en….en…weet u dat ook dat zeer nuttig en soms zelf prijzenswaard is? Heren, laten we ons eens voorstellen dat de mens niet dom is. (men kan dat inderdaad niet weigeren, al is het maar uit die ene overweging, dat als de mens dom is, wie is er dan wijs?) Maar als hij niet dom is, is hij monsterachtig ondankbaar. Fenomenaal ondankbaar. Eigenlijk geloof ik dat de beste definitie van de mens de ondankbare tweevoeter is. Maar dat is niet alles, dat is niet zijn ergste tekortkoming; zijn ergste tekortkoming is zijn eeuwige morele perversie – van de dagen van de Zondvloed tot het tijdperk van Sleeswijk-Holstein. Morele perversie en derhalve een gemis aan gezond verstand; want men heeft lange tijd aangenomen dat het gemis aan gezond verstand nergens anders aan te wijten is dan aan morele perversiteit. Probeer het maar eens, werpt u maar eens een blik op de geschiedenis van de mensheid. Wat ziet u dan? Is het een groots schouwspel? Misschien groots, als je ervan houdt. Neem bijvoorbeeld de Kolossus van Rhodos, dat is nog eens wat. Met redenen omkleed, beweert de heer Anaevsky daarover dat sommigen zeggen dat het mensenwerk is, terwijl anderen volhouden dat het door de natuur zelf is geschapen.
Is het veelkleurig? Misschien is het ook wel veelkleurig, als je de militaire en burger-uitgaanstenues van alle mensen van alle tijden neemt – dat alleen al is de moeite waard, en als je de kleine tenues neemt komt er helemaal geen einde aan; geen enkele historicus zou dat aankunnen. Is het eentonig? Misschien is het wel eentonig: het is vechten en vechten; ze vechten nu, ze vochten eerst en ze vechten laatst – u zult toch toe moeten geven dat ook dat eentonig is. Om kort te gaan, je kunt alles van de wereldgeschiedenis zeggen, alles wat de meest ziekelijke verbeeldingskracht maar verzinnen kan. Slechts één ding kun je niet zeggen, namelijk dat deze geschiedenis redelijk is. Dat woord krijg je je strot niet uit. En inderdaad is dat het merkwaardige wat doorlopend gebeurt: steeds staan er morele en rationele personen op, wijzen en minnaars van het mensdom die zich ten doel stellen om hun hele leven lang zo zedelijk en redelijk mogelijk te leven, om zogezegd een licht voor hun medemensen te zijn, gewoon om hen te laten zien dat het mogelijk is om in deze wereld zedelijk en rationeel te leven. En toch weten we allemaal dat juist die mensen vroeg of laat ontrouw aan zichzelf zijn geweest en een raar spelletje gespeeld hebben, vaak een niet fraai spelletje. En nu vraag ik u, wat kan men van de mens verwachten, aangezien hij met zulke zonderlinge eigenschappen behept is? Overstelp hem met alle aardse zegeningen, verdrink hem in een zee van geluk, zodat je slechts bellen van gelukzaligheid aan de oppervlakte kunt zien; geef hem economische voorspoed, zodat hij niets anders te doen heeft dan slapen, koekjes eten en bezig zijn met de voortzetting van zijn soort, en zelfs dan zal hij u uit louter ondankbaarheid en kwaadaardigheid, een loer draaien. Hij zal er zelfs zijn koekjes voor op het spel zetten, en opzettelijk de meest rampzalige rotzooi willen, de meest oneconomische absurditeit, alleen maar om zijn rampzalige en denkbeeldige inbreng in dat gezonde verstand te hebben. Hij wil gewoon zijn denkbeeldige dromen, zijn vulgaire gekte vasthouden om zichzelf te bewijzen – alsof dat nou zo nodig is – dat mensen toch nog mensen zijn en geen pianotoetsen, die dreigen de natuurwetten zo volkomen naar hun hand te zetten, dat men weldra in staat zal zijn niet anders dan volgens de kalender te willen. En dat is niet alles: zelfs als de mens niets anders dan een pianotoets is, zelfs als dit hem door de natuurwetenschappen en wiskunde bewezen zou worden, zelfs dan zou hij niet redelijk worden, maar zou hij eenvoudig uit ondankbaarheid expres iets pervers doen, gewoon om gelijk te krijgen. En als hij daar geen middelen voor vindt, zal hij vernietiging en chaos teweegbrengen en allerlei soorten ellende, alleen maar om gelijk te krijgen. Hij zal de wereld vervloeken, zoals alleen de mens dat kan (dat is zijn privilege, het primaire onderscheid tussen hem en andere dieren), en misschien kan hij, door die vloek alleen, zijn doel bereiken – namelijk zichzelf ervan overtuigen dat hij een mens is en geen pianotoets! Als u zegt dat dit ook allemaal uitgerekend en geclassificeerd kan worden – chaos, duisternis en vervloekingen, zodat alleen al de mogelijkheid dit allemaal vooraf te berekenen het allemaal zou stoppen, en de ratio zich weer zou doen gelden, dan zou de mens opzettelijk gek worden om zich van zijn ratio te ontdoen en zijn gelijk te krijgen. Ik geloof echt, ik sta er zelfs voor in, dat het hele mensenwerk uit niets anders schijnt te bestaan dan het zichzelf elke minuut bewijzen dat hij een mens is en geen pianotoets! Al moet hij zijn huid ervoor verkopen of zijn medemensen voor opvreten. En als dat zo is, kun je het dan helpen dat je in de verleiding komt blij te zijn dat het nog niet gebeurd is, en dat het willen nog steeds afhangt van iets dat we niet kennen?
U zult me toeschreeuwen (dat wil zeggen, als u zich daartoe verwaardigd) dat niemand aan mijn vrije wil mag komen, en dat zij zich alleen maar druk maken over het feit dat mijn wil uit zichzelf, uit zijn eigen vrije wil, samenvalt met mijn eigen normale belangen en met de natuurwetten en de wiskunde.
Lieve hemel, heren, wat blijft er nog aan vrije wil over als het op classificatie en wiskunde uitdraait, als het allemaal een zaak van twee maal twee is vier is? Twee maal twee is vier gaat buiten mijn wil om. Alsof dat de bedoeling van de vrije wil is!

IX.

Heren, ik maak een grap, en ik weet zelf ook wel, dat mijn grappen niet briljant zijn, maar u weet dat je alles als grap kunt opvatten. Ik scherts misschien tegen de draad in. Heren, ik wordt gekweld door vragen; beantwoordt u ze dan alstublieft voor me. U wilt bijvoorbeeld mensen van hun oude gewoonten genezen en hun wil hervormen in overeenstemming met de wetenschap en het gezond verstand. Maar hoe weet u niet alleen dat dat mogelijk is, maar ook dat het wenselijk is om mensen op die manier te hervormen? En wat leidt u tot de conclusie dat de neigingen van de mens hervorming behoeven? Om kort te gaan, hoe weet u dat zo’n hervorming de mens ten goede zal komen? En om tot de kern van de zaak te komen: hoe komt het dat u er zo absoluut van overtuigd bent, dat zonder te twijfelen niet tegen de echte normale belangen in handelen, bevestigd door de conclusies van ratio en wiskunde, altijd voordelig voor de mens is en altijd een regel voor het mensdom moet zijn? U weet dat het tot dusver uw eigen veronderstelling is. Het mag dan wel een wet van de logica zijn, maar niet de wet van de menselijkheid. U denkt misschien, heren, dat ik gek ben. Sta mij toe mijzelf te verdedigen. Ik ben het met u eens dat de mens een bij uitstek creatief dier is, voorbestemd om bewust een doel na te streven en zich met weg- en waterbouwkunde bezig te houden – dat wil zeggen voortdurend en eeuwig nieuwe wegen aanleggen, waar die ook naartoe mogen leiden. Maar de reden waarom hij soms opeens van koers wil veranderen zou gewoon kunnen zijn, dat hij voorbestemd is om een weg aan te leggen, en misschien ook dat, hoe dom de “spontane” en “praktische” mens ook mag zijn, soms de gedachte bij hem op zal komen dat een weg altijd ergens naartoe moet leiden, en dat de bestemming waar die naartoe leidt, minder belangrijk is dan het aanleggen van de weg, en dat het meest belangrijke is het welopgevoede kind ervoor te behoeden dat het de weg- en waterbouwkunde veracht en op die manier zal toegeven aan rampzalige ijdelheid, die zoals we allemaal weten, de moeder van alle ondeugden is. De mens houdt van wegen aanleggen en van scheppen, dat staat buiten kijf, maar waarom heeft hij dan ook zo’n hartstochtelijk liefde voor vernietiging en chaos? Vertel me dat eens! Maar daarover wil ik zelf nog een paar woorden zeggen. Zou het niet kunnen dat hij van chaos en vernietiging houdt (er kan geen misverstand over bestaan dat hij daar soms van houdt) omdat hij instinctief bang is om zijn doel te bereiken en het bouwsel dat hij construeert af te maken? Wie weet. Misschien houdt hij alleen op afstand van dat bouwsel en houdt hij er van dichtbij helemaal niet van.
Wat weet u er nou van? Misschien houdt hij alleen maar van dit huis vanuit de verte en niet van dichtbij. Misschien houdt hij er alleen maar van om het te bouwen, maar niet om er in te wonen, maar wil hij het aan les animaux domestiques, overlaten, aan de mieren, de schapen enzovoort. De mieren hebben echter een hele andere smaak. Zij hebben een magnifiek bouwwerk, dat het eeuwig uithoudt – namelijk de mierenhoop.
Met de mierenhoop zijn de achtenswaardige mieren begonnen, met de mierenhoop zullen zij waarschijnlijk ook eindigen, wat hun volharding en hun gezond verstand tot grote eer strekt. Maar de mens is een lichtzinnig en tegenstrijdig wezen; hij houdt misschien, net als een schaakspeler, alleen maar van het spel en niet van het eind. En wie weet (je kunt niets met zekerheid zeggen) ligt het enige doel waar het mensdom op aarde naar streeft juist in het onophoudelijk streven, met andere woorden, in het leven zelf, en niet in hetgeen waarnaar gestreefd en altijd in een formule uitgedrukt moet worden, net zozeer als twee maal twee vier is. Zo’n zekerheid is het leven niet, maar dat is het begin van de dood. In ieder geval is de mens altijd bang geweest voor deze mathematische zekerheid en ik ben er nu ook bang voor. Laten we eens aannemen, dat de mens niets anders doet dan dit zoeken van twee maal twee is vier, dat hij daarvoor oceanen doorkruist, dat hij zijn leven opoffert om het te zoeken, maar dat hij, bij God, echt bang is om het te vinden. Hij voelt, dat als hij gevonden heeft er niets meer overblijft om naar te zoeken. Als arbeiders klaar zijn met hun werk krijgen ze tenminste nog geld, gaan naar de kroeg en worden vervolgens meegenomen naar het politie-bureau – en dan is hun week weer gevuld. Maar waar kan de mens naar toe? In elk geval kan men elke keer als hij weer zijn doelen bereikt heeft iets van gêne aan hem merken. Hij houdt van het streven naar doelen, maar van het bereiken moet hij niets hebben en dat is natuurlijk uitermate absurd. Eigenlijk is de mens dus een komisch schepsel; het heeft allemaal iets grappigs. Maar toch is een mathematische zekerheid uiteindelijk iets ondraaglijks. Tweemaal twee is vier heeft voor mij gewoon iets schaamteloos. Tweemaal twee is vier is een pretentieuze pedante kwibus, die met zijn armen in zijn zij je pad verspert en spuugt. Ik geef toe dat tweemaal twee is vier iets fantastisch is, maar als we overal een punt van maken is tweemaal twee is vijf ook best aantrekkelijk.
Maar waarom bent u er zo vast, zo triomfantelijk van overtuigd, dat alleen maar het normale en positieve, met andere woorden, alleen datgene wat de welvaart bevordert, de mens tot voordeel strekt? Vergist het denken zich niet als het om belang gaat? Houdt de mens behalve van welzijn, misschien nog van iets anders? Misschien is hij net zo dol op ellende. Misschien heeft hij net zoveel baat bij ellende als bij welzijn. De mens houdt soms ongewoon hartstochtelijk veel van ellende, dat is een feit. Daarvoor hoef je niet eens naar de wereldgeschiedenis te kijken; kijk alleen maar naar jezelf, als je tenminste een mens bent en echt geleefd hebt.
Wat nu mijn persoonlijke mening betreft, vind ik dat, je alleen maar om het welzijn bekommeren, echt niet kan. Of het nu goed of slecht is, soms is het heel prettig om de boel kort en klein te slaan. Ik ben eigenlijk niet voor ellende, maar ook niet voor geluk. Ik ben voor …mijn gril, ik ben ervoor, dat ik daarop kan rekenen als het nodig is. Ellende zou bijvoorbeeld niet in het theater mogen thuishoren, dat weet ik. In “Het Kristallen Paleis” is het ondenkbaar; ellende betekent twijfel, ontkenning, en wat voor nut zou “Het Kristallen Paleis” hebben, als er enige twijfel over zou kunnen bestaan? En toch denk ik, dat de mens nooit echt afstand zal doen van zijn ellende, dat wil zeggen, van zijn vernietiging en chaos. Ellende is namelijk de enige bron van het bewustzijn. Ik heb in het begin wel beweerd dat het bewustzijn voor de mens de grootste ramp is, maar toch weet ik dat de mens het zeer op prijs stelt en voor niets zou willen ruilen. Het bewustzijn staat bijvoorbeeld oneindig veel hoger dan tweemaal twee is vier. Als je eenmaal een wiskundige zekerheid bereikt hebt, is er niets meer over om te doen of te begrijpen. Je hebt niets meer overgehouden om je vijf zintuigen te beheersen en je in beschouwing in onder te dompelen. Terwijl, als je aan je bewustzijn vasthoudt, hoewel je bij hetzelfde uitkomt, je jezelf tenminste nog af en toe kan afranselen en dat zal je dan in ieder geval opbeuren. Hoe reactionair het ook is, je lijf straffen is beter dan niks.

X.

U gelooft in een onverwoestbaar kristallen paleis, een paleis waar je nooit je tong tegen uit kan steken of stiekem een lange neus naar kan maken. En misschien is dat het juist wat mij zo bang voor dat bouwsel maakt, dat het van kristal is en niet vernietigd kan worden en dat je er nooit je tong naar uit kan steken, zelfs niet stiekem. Ziet u, als het in plaats van een paleis een kippenhok was geweest, zou ik er misschien inkruipen om niet nat te worden, maar dan zou ik uit dank dat het me droog gehouden heeft, dit kippenhok toch echt geen paleis noemen. Nou lacht u en zegt dat onder zo’n omstandigheden een kippenhok net zo goed is als een herenhuis. Was het maar zo, antwoord ik u dan, dat je alleen maar hoefde te leven om de regen buiten te houden. Maar wat moet ik beginnen, als ik nu eenmaal in mijn hoofd gehaald heb, dat dat niet het enige doel in het leven is, maar dat je, als je dan toch leeft, dat beter in een herenhuis kan doen. Dat is mijn keuze, dat wil ik. U kunt dat pas uitroeien als u mijn voorkeur hebt veranderd. Nou doe dat dan, paai me met wat anders, geef me een ander ideaal. Maar tot die tijd zal ik nooit een kippenhok voor een paleis houden. Het kan zijn dat kristallen paleis een ijdele droom is, het kan zijn dat het onverenigbaar is met de natuurwetten en dat ik het louter door mijn dwaasheid heb uitgevonden, door de achterhaalde irrationele gewoonten van mijn generatie. Maar wat maakt het uit, dat het irrationeel is? Het maakt niets uit omdat het in mijn willen bestaat, of liever gezegd, dat het bestaat zolang als mijn wil bestaat. Misschien moet u nu weer lachen. Gaat u gang. Ik zal er nog eerder een grap over maken dan doen alsof ik verzadigd ben, terwijl ik honger heb. Ik weet zeker dat ik geen genoegen neem met een compromis, met een steeds terugkerende nul, enkel en alleen omdat het in overeenstemming met de natuurwetten is en echt bestaat. Ik zal niet als bekroning van mijn willen een huizenblok met appartementen voor de armen, met een huurcontract voor duizend jaar en misschien met een uithangbord van een tandarts, accepteren.
Vernietig mijn wil, roei mijn idealen uit, toon mij iets beters, en ik zal u volgen. U zal misschien zeggen, dat het niet de moeite waard is, maar in dat geval zal ik u hetzelfde antwoord geven. We moeten het serieus houden; maar als ik uw aandacht niet waard ben, zal ik van uw gezelschap afzien. Ik heb mijn ondergronds hol nog.
Maar omdat ik leef en wil, zou ik liever hebben dat mijn hand verschrompelt, dan dat ik ook maar één steen aan zo’n gebouw zou bijdragen. Vergeet niet dat ik dat kristallen paleis net verworpen heb, enkel en alleen omdat je er niet je tong naar uit kunt steken. Ik heb dat niet gezegd, omdat ik er zo dol op ben om mijn tong uit te steken. Misschien was ik alleen maar boos, omdat er onder al die bouwsels van u geen een is waar je nou eens lekker je tong tegen uit kunt steken. Integendeel zelfs, ik zou uit pure dankbaarheid mijn tong willen af laten snijden als alles zo geregeld zou kunnen worden dat ik geen enkele behoefte meer zou hebben om mijn tong uit te steken. Het is mijn schuld niet, dat dat niet zo geregeld kan worden en dat men genoegen moet nemen met modelflatgebouwen. Waarom ben ik toch met dat willen geboren? Ben ik dan alleen maar gemaakt, om tot de conclusie te komen, dat mijn hele constructie één gigantische verlakkerij is? Is dat nou de hele bedoeling? Dat geloof in niet.
Trouwens weet u, ik ben er vast van overtuigd dat, wij ondergrondsen, in bedwang gehouden moeten worden. Al zouden we veertig jaar zwijgend ondergronds zitten, als we aan het licht treden dan zullen we praten en praten en praten…..

XI

Heren, het komt er allemaal op neer, dat het beter is om niets te doen. Liever een bewust far niente. En dus: Hoera voor het ondergrondse!!!
Hoewel ik gezegd heb dat ik de normalen tot mijn laatste druppel gal benijd, zou ik toch niet graag zoals zij zijn (hoewel ik ze blijf benijden). Nee, o nee, het ondergrondse leven is hoe dan ook veel prettiger. Daar kun je in ieder geval….O, zelfs nu lieg ik weer. Ik lieg omdat ik zelf wel weet, dat het niet het ondergrondse is dat beter is, maar iets anders, iets heel anders, waar ik naar hunker, maar wat ik niet kan vinden! Dat verdomde ondergrondse!

Ik zal u nog iets beters vertellen, als ik tenminste zelf ook maar iets van alles, wat ik heb opgeschreven, zou geloven Maar ik zweer u, heren, dat er helemaal niets is, geen woord van wat ik opgeschreven heb, waar ik echt in geloof. Misschien is dat zo, geloof ik, maar tegelijkertijd voel en vermoed ik dat ik lieg als een schoenlapper.
"Waarom heeft u dat dan allemaal opgeschreven?" zult u me, laatdunkend uw hoofd schuddend, vragen. "U snakt naar het leven en probeert de levensvragen met een logische warboel op te lossen. Wat een hardnekkige en schaamteloze uitvallen en wat bent u tegelijkertijd toch bang. U vertelt onzin en hebt daar ook nog plezier in; u zegt schaamteloze dingen en bent daardoor continu op uw hoede en excuseert zich daar ook nog voor. U beweert dat u nergens bang voor bent en tegelijkertijd bedelt u om onze goedkeuring. U beweert dat u tandenknarst en tegelijkertijd probeert u geestig te zijn om ons te amuseren. U weet dat uw geestigheden niet geestig zijn, maar u bent kennelijk zeer tevreden over hun litteraire waarde. U hebt misschien echt geleden, maar u hebt geen ontzag voor uw eigen lijden. U bent misschien eerlijk maar u heeft geen fatsoen en gedreven door een absoluut kleinzielige ijdelheid stelt u uw eerlijkheid bloot aan publiciteit en smaad.U wilongetwijfeld wat zeggen, maar uit angst laat u niet het achterste van uw tong zien, omdat u niet vastberaden genoeg bent om te zeggen wat u moet zeggen, gewoon uit schaamteloze lafheid. U gaat prat op uw kennis, maar bent onzeker over uw onderbouwing, want hoewel u brein werkt, is uw hart toch verduisterd en verdorven en je kunt geen volledig en oprecht bewustzijn hebben zonder rein hart. En wat bent u opdringerig, wat dramt u toch en wat grijnst u nou.Leugens, leugens, leugens!"
Natuurlijk heb ik alles wat u zegt zelf verzonnen. Dat komt ook uit het ondergrondse. Ik heb veertig jaar lang door een scheur in de vloer naar u geluisterd. Ik heb het zelf bedacht, dat is echt alles, want daar kon ik niets anders bedenken. Het is niet gek dat ik het allemaal uit mijn hoofd geleerd heb, en het heeft een literaire vorm…… Maar bent u nu heus zo lichtgelovig, dat u denkt, dat ik dat ook allemaal zal laten drukken en het u te lezen zal geven? En dan nog een probleem: waarom noem ik u eigenlijk "heren", waarom richt ik mij tot u, alsof u werkelijk mijn lezers bent? Bekentenissen, zoals ik wil afleggen, worden nooit gedrukt of aan anderen te lezen gegeven. Ik ben daarvoor in ieder geval niet flink genoeg voor aangelegd, en ik zou ook niet weten waarom ik dat zou zijn. Maar ziet u, ik heb een fantastische inval gekregen, en die wil ik kost wat kost wil realiseren. De zaak is namelijk deze:
Iedereen heeft herinneringen, die hij niet aan iedereen, maar hoogstens aan zijn vrienden wil vertellen. En dan zijn er dingen, die hij zelfs niet aan zijn vrienden maar alleen aan zich zelf, en dan nog in het diepste geheim, zou durven onthullen. En tot slot zijn er nog dingen, die iemand zelfs niet aan zichzelf durft te vertellen en ieder fatsoenlijk mens heeft een aantal van die dingen in zijn hoofd weggestopt. Hoe fatsoenlijker hij is, hoe groter het aantal van die dingen in zijn hoofd. In ieder geval heb ik pas onlangs besloten me een aantal van mijn vroegere avonturen te herinneren. Tot voor kort ben ik die, met een zeker onbehagen zelfs, uit de weg gegaan. Nu ik ze mij echter niet alleen weer herinner, maar werkelijk besloten heb er verslag van te doen, wil ik de volgende proef nemen: kun je zelfs tegenover jezelf helemaal eerlijk zijn, zonder bang te worden voor de waarheid?
Ik zal, tussen twee haakjes, in acht nemen dat Heine zegt, dat een eerlijke autobiografie bijna onmogelijk is, en dat de mens over zich zelf wel moet liegen. Hij denkt dat Rousseau in zijn Confessions ongetwijfeld leugens over zichzelf verteld heeft en uit ijdelheid zelfs bewust gelogen heeft. Ik ben er van overtuigd, dat Heine gelijk heeft, ik begrijp volkomen, hoe iemand louter uit ijdelheid, regelmatig misdaden aan zichzelf kan toeschrijven en ik kan me zo’n soort ijdelheid inderdaad goed voorstellen. Maar Heine oordeelde over de mens, die voor het publiek zijn schuldbelijdenis doet. Ik schrijf alleen voor mezelf, en ik verklaar hierbij voor eens en voor altijd, dat ik, als ik schrijf alsof ik tot lezers spreek, dit gewoon alleen doe, omdat ik het gemakkelijker vind om op die manier te schrijven. Dat is een vorm, een lege vorm, lezers zal ik nooit krijgen. Ik heb dat al eens duidelijk gemaakt...
Ik zal me bij het verzamelen van mijn herinneringen door niets laten beperken. Ik zal geen enkel systeem of methode gebruiken. Ik zal alles neerschrijven zoals ik me dat herinner.Maar hier zou wellicht iemand mij op mijn eigen woorden kunnen pakken, en mij kunnen vragen: als u werkelijk niet op lezers rekent, waarom maakt u dan zo’n afspraken met uzelf – en ook nog op papier – dat u namelijk geen enkel systeem of methode zult gebruiken, dat u alles op zal schrijven zoals u het zich zult herinneren, enzovoort, enzovoort. Waarom legt u dat allemaal uit? Waarom verontschuldigt u zich zo?
"Daar heb je het nou," antwoord ik daarop.
Hier zit toch een gehele psychologie achter. Misschien is het omdat ik gewoon een lafaard ben. Het is ook best mogelijk, dat ik met opzet een publiek verzin, om mezelf tijdens mijn schrijven, meer te eren. Er zijn misschien wel duizenden redenen. Nogmaals, wat is nou precies mijn bedoeling met het schrijven?
Als het niet voor een publiek is, waarom zou ik me dan niet gewoon deze gebeurtenissen in mijn hoofd herinneren, zonder ze op papier te zetten?
Volkomen juist, maar toch ziet het er op papier indrukwekkender uit. Er zit iets indrukwekkenders in; ik zal beter in staat zijn mijzelf te bekritiseren en mijn stijl te verbeteren. En dan nog dit: Misschien zal dit schrijven mij ook werkelijk opluchten. Vandaag bijvoorbeeld, voel ik me bijzonder terneergeslagen door een herinnering uit een ver verleden. Het dook een paar dagen geleden levendig in mijn hoofd op en is me als een ergerlijk deuntje, waar je niet vanaf kan komen, blijven achtervolgen. En toch moet ik daar hoe dan ook van af. Ik heb honderden van zulke herinneringen, maar af en toe springt er een van de honderd bovenuit, die me dan terneer drukt. Om een of andere reden geloof ik dat als ik het opschrijf, ik ervan af kan komen. Waarom zou ik het niet proberen?
En bovendien verveel ik me, want ik heb niets te doen. Schrijven is in ieder geval zoiets als werk. Men zegt dat de mens door werken goed en eerlijk wordt. Nou, dan heb ik tenminste nog een kans.
Het sneeuwt vandaag, gele groezelige sneeuw. Gisteren ook al, net als een paar dagen geleden. Ik verbeeld me dat het de natte sneeuw is die me aan die gebeurtenis die ik niet van mij af kan zetten herinnerd heeft. Laat ik er dus maar een verhaal over vallende sneeuw van maken.

Naar boven