Home


BARTHOLOMEO DE LAS CASAS

Potret Bartholomeo de Las Casas

NAAR HET HOOGDUITSCH

VAN

CHRISTIAAN GEORG FRIEDRICH WEISE

Evangelieprediker te Wansleben en Amsdorf bij Halle.



Te Amsterdam, bij

Johannes van der Hey en Zoon

1835



Bartholomeo de las Casas was oorspronkelijk van Fransche afkomst. Uit Frankrijk was onder de regering van Ferdinand III (den Heilige) een zekere Casaus naar Spanje gekomen. Deze onderscheidde zich in den langdurigen krijg tegen de Mooren, vooral bij de inneming der stad Sevilië, welke Ferdinand in 1247 veroverde, door buitengewone daden. Van den Koning, die hem daarvoor beloonde, bekwam hij verlof in dezelve zijn verblijf te kiezen. Zijne nakomelingen, die den adelstand verwierven, lieten, om hunnen naam meer naar de Spaansche uitspraak te vormen, de letter u daaruit weg.

Bartholomeo werd in het, jaar 1474 te Sevilië, in het begin der regering van Ferdinand V (den Katholieken) en Isabella geboren. Daar hij tot den geestelijken stand bestemd werd, zoo studeerde hij in zijne vaderstad inde Wijsbegeerte en Godgeleerdheid, en bezocht hij daarna de Hoogeschool te Salamanca, Dat hij, als een jongeling van negentien jaren, zijnen vader Antonio in het jaar 1493, inhet gevolg van Columbus, op diens tweede Ontdekkingsreis, naar Amerika vergezeld zou hebben, en met hem in 1498 naar Spanje zou zijn teruggekeerd, is hoogst onwaarschijnlijk, daar hij toen in het midden zijner studiën was. Kort daarna werd hij tot het verhevene beroep van eenen Zendeling onder de Indianen bestemd (1).

Reeds lang had Columbus aan den Koning en nog meer aan de zacht gestemde en gevoelige Koningin den wensen geuit, dat er Geestelijken naar Hispaniola mogten komen, om zich het zielenheil van deze kinderen der Natuur aan te trekken, terwijl hij zich tegen het doopen der Indianen, alvorens dat zij onderrigt in de godsdienst ontvingen, als een misbruik van het Sacrament, verklaarde. Ook waren reeds in 1496 Roman Pané, een arme Kluizenaar, gelijk hij zich noemde, van de Orde der Hieronijmiten, en Juan Borgognon, een Franciskaner Monnik, tot dat einde naar Hispaniola gekomen. Maar derzelver ongeschiktheid was verderfelijk voor de goede zaak. De Cazike Guarionex, op wien zij het voornamelijk gerigt hadden, wilde in zijn oud geloof volharden, en de Indianen traden de Christelijke beelden met den voet. Men maakte denarmen onwetenden,als hadden zij reeds van kindsbeen af, onder Naamchristenen geleefd, hun proces op, en zij eindigden hun leven op den brandstapel. Izabella uitte bij herhaling den wensch, ja zij gebood, dat men de ingezetenen in de nieuw ontdekte landen met zachtmoedigheid behandelen zou, en zij bewilligde niet dan met grooten tegenzin (in 1497) in de slavernij der oorspronkelijke bewoners, zelfs dergenen, die in openlijken strijd waren gevangen genomen. Zij deed dit, ongeacht de drogredenen, met welke hunne onderdrukking en slavernij tot voorwerpen van menschelijk en goddelijk regt gemaakt en van de staatzuchtige Geestelijken van dien tijd bekrachtigd werden. Doch toen meer naauwkeurige narigten uit de nieuw-ontdekte landen weldra deden blijken, dat reeds in 1494 vele duizenden inboorlingen op Domingo, van honden opgejaagd, door de buskogels der Spanjaarden neergeveld, door derzelver paarden verschrikt, waren omgekomen, terwijl de nog levenden het niet meer waagden Utia's (2) te jagen, te visschen en wortelen en kruiden voor hunne voeding te verzamelen, dat zij daardoor eenen jammerlijken dood van honger, afmatting, schrikken en aanstekende krankheden waren te gemoet gegaan; dat een opstandeling tegen Columbus,Francisco Rolden genaamd (in 1499) eene menigte wilden had te zamen gesleept, om ze op de slavenmarkt te Cadix te verkoopen, terwijl Columbus zelf, door hebzuchtige onruststokers in het naauw gebragt, die enkel op gewin en genot uit waren, zich gedrongen had gevoeld het onzalige begrip van de verdeeling der inboorlingen (Repartimientos)ten uitvoer te brengen; zoo vond zich de Koningin gekrenkt, dat Columbus tegen haar, dikwijls geuit verlangen, de inboorlingen tot slaven had gemaakt. Maar toen de schepen, welke de metgezellen van Rolden (in 1500) terugbragten, eene groote menigte slaven van dat slag aan boord hadden, ook zelfs dochters van Caziken, die door die ellendelingen vervoerd en onteerd, zich in de vernederendste omstandigheden bevonden, toen werd Izabella als Koningin en als vrouw ontroerd, gelijk iedere edele met haar. Zij beval dat alle Indianen, ook die reeds vroeger waren opgezonden, aan hunne woonsteden zouden worden terug gegeven. Zij gebood (in 1501) aan Orando y Lares, de Caziken te verzamelen en hun te verklaren, dat zij allen onder de bescherming van hunnen Koninklijken Gebieder stonden. Ook verordende zij, dat twaalf Franciskanen, onder Antonio de Apinal, zouden mede reizen, om voor de Ongelukkigen door leer en onderrigt van belang en nut te zijn.

Met vreugde schonk Bartholomeo de lasCasas aan de Indianen, die zijn vader hem in October 1498 had medegebragt, de vrijheid, en zond hen, met geschenken voorzien, naar hun vaderland terug. Want, toen hij de gruwzaamheden vernam, welke men zich tegen de Indianen veroorloofd had, en zich overtuigd had dat zij, wat ook de Spanjaards daartegen inbragten, van natuur goedhartige, zachte menschen waren, die den Spanjaarden alleen met geschenken, om hunne gunst te winnen, tegenkwamen, met vruchten hunner velden en schattinge, hun alles ten gevalle deden, bij voorbeeld: hunne vaten rolden, hun water schepten, gaarne bestonden wat men van hen vorderde, zich met alles, ook met datgene niet de minste waarde had, te vreden toonden; eene hand vol stofgoud voor een schelletje ruilden; als hij verder van zijnen vader naauwkeuriger en meer in bijzonderheden, dan van iemand anders, te weten kwam, dat de arme inboorlingen, ongeacht de bevelen van columbus "om hen met de grootste zachtmoedigheid te behandelen, iedere gewelddadigheid te vermijden, ook de rieten heiningen der Wilden te ontzien," terwijl deze naar Europa stevende, met hardheid en wreedheid behandeld werden; terwijl de door Columbus aangestelde stadhouder Margarite de hem gegevens voorschriften en regelen gansch veronachtzaamde; toen ging in zijne borst de star der liefde op, die gedurig helderder, glansrijker en schitterender aan zijnen Hemel blonk, en eindelijk tot de zon zijns levens werd. In den aanvang werd hij slechts in het verkeer de voorstander hunner regten, maar ook spoedig daarop door het, Geschrift: Principia quaedam, ex quibus procedendum est in disputationc ad manifestandam et defendendam justitiam Indorum. Hij bragt in het midden, dat de armen, die, aan geenen zwaren arbeid gewoon, naauwelijks den Tuca-wortel wisten aan te bouwen en geene kleederen konden naaijen, tevreden met Utia's, visschen, vogelen en kruiden, toch altijd gastvriendschap oefenden en den menschen, die kwamen om hen te onderdrukken, hunne kostbaarheden aanboden. Maar toen Don Nicholao de Orando y I.ares, Ridder van Alcantara, benoemd Gouverneur van Hispaniola in het jaar 1502 naar dat eiland vertrok; nevens een aantal gierige speculanten, ligtgeloovigc droomers, die gelijk Las Casas zegt, geloofden "dat het goud zich even zoo ligt en snel, als de vrucht van de boomen, plukken liet," en die allen te gelijk naar de mijnen liepen; toen stond onzen Bartholomeo, die deze vergezeld had, een schooner doel voor oogen. Op Cuba werd hij Priester en sloot zich aan de Dominikanen. De beide genoemde eilanden Hispaniola en Cuba beschrijft Las Casas in het gemelde schrift als bekoorlijke landen, de bewoners als menschen van eene zwakke ligchaamsgesteldheid, levende in kommerlijke, armzalige omstandigheden, maar daarbij hoogst deemoedig, geduldig, vredelievend, rustig, zonder erg of list. Des te meer ontgloeide in hem de billijkste toorn, toen hij op het eerstgenoemde eiland "de woede ontwaarde, waarmede de Spanjaarden onder deze zachte schapen te werk gingen, als wolven, tijgers en leeuwen, dagen aaneen door eenen onverzadelijken honger gekweld."

Het is reeds gezegd, dat Columbus in het jaar 1499 door den opstand van Rolden gedwongen werd hem en zijnen aanhangers Landerijen aan te wijzen. Hij had met dit inzigt bevolen, dat de Caziken, in stede der van hen gevorderde schatting, een aantal onderdanen leveren moesten om den Spanjaarden in het bebouwen hunner velden en voor hunne bergwerken behulpzaam te zijn. Dit was het begin van het onheilspellende grondbeginsel der Repartimientos of verdeeling der inboorlingen. Toen Bovabilla het stadhouderschap verkreeg, dwong hij de Caziken aan iederen Spanjaard een aantal Indianen ter bearbeiding hunner bergwerken toe te staan, waarin zij als lastdieren gebruikt werden. Hij verordende eene telling der inwoners, om hunne vlugt te beletten, scheidde ze in klassen en verdeelde ze onder de verhuisde Spanjaarden. Deze onderdrukkingen verwekten, gelijk ook reeds gezegd is, den onwil van Izabella; en Orando ontving, door bemiddeling dier Vorstin, op den 20 December 1503 het meest bepaald bevel om de Indianen voor vrije lieden te verklaren. Nu weigerden dan ook deze langer in de bergwerken te arbeiden. Maar Orando stelde den Spaanschen Koning en der Koninginne voor, dat deze bevrijding de Inboorlingen daartoe brengen zou, om den Spanjaarden de gehoorzaamheid op te zeggen, en alle onderrigting in het Christelijk geloof te versmaden. Deze voordragt maakte indruk op de Koningin en bewerkte een schrijven, waarin Orando bevel bekwam geene moeite te sparen om de inboorlingen aan de Spanjaarden en aan het Katholiek Geloof te verbinden. Hij moest hun "matigen arbeid opleggen, maar de bevelen der oppermagt door overreding en goedheid verzachten; hun regelmatige en behoorlijke betaling schenken en op bestemde dagen in de godsdienst laten onderrigten."

Met deze volmagt voorzien, kende hij nu aan iederen Kastiliaan een bepaald aantal Indianen toe, naar het aanzien der persoon, de soort van bezigheden, of naar willekeur, alzoo aan menigeen 30, 40, 100 tot 200, "naar mate hij bij den Oppertiran, dien men Gouverneur noemde, in gunst mogt staan." Het was eene soort van Feudal-verband of Leenregering, waarbij aan de bezitters land en luiden werden toegedaan, maar waartegen zij verbonden waren gewapenden te onderhouden en aan de Kroon een deel van het goud, dat zij gewinnen mogten af te staan. Orando zond zijne bevelen aan de Caziken, volgens welke zij de gevorderde manschap leveren moesten, die daarentegen van hunne dwangheeren betaald en in het Katholiek Geloof onderwezen zouden worden. Doch de betaling was zóó gering, dat zij naauwelijks noemenswaardig scheen; het onderrigt zoo onbeduidend, dat het weinig meer dan de enkele plegtigheid van den Doop en het Ave Maria betrof. Het doel van der Indianen arbeid werd in den aanvang op zes, naderhand op acht maanden in het jaar bepaald. Onder den naam eener beschaving, die hun ten nutte van ligchaam en ziel verstrekte, werden hun ondragelijke lasten opgelegd en moesten zij de schrikkelijkste plagen, als in den ergsten tijd van Bovadilla, lijden. Las Casas geeft daarvan in het aangehaalde werk en in eene verhandeling, getiteld: Entre los Remedios env. Razon, XI., eene ontzettende beschrijving. De ongelukkigen werden dikwijls tot op eenen afstand van vele dagreizen van hunne vrouwen en kinderen afgescheurd, tot onregelmatigen, ondragelijken arbeid van allerhande aard gedoemd (bij voorbeeld, om de gebergten door te woelen, rotsen te doorklieven, dagen lang in het water en daarbij gebukt te staan; terwijl de vrouwen de aarde moesten ophoopen, broodwortelen planten, grebben maken enzv.) De teisterende zweep was daarbij het algemeene dwangmiddel. Tot spijs diende hun hiertegen het Casavabrood of eene soort van wortelen, gelijk aan onze rapen, een krachteloos voedsel voor menschen, die tot zoo harden, zwaren arbeid verbonden waren. Bij tijden gaven zij, die als milddadige lieden wilden beschouwd worden, eene kleine gift van varkensvleesch, waarvan naauwelijks den stukje ter grootte van het gewijde brood der kerke, zoo als Las Casas zegt, aan ieder toekwam. Wanneer de Spanjaarden, voegt hij hierbij, aan tafel zaten, kropen de uitgehongerde inboorlingen als honden onder de tafel rond, wachtende, dat hun een beentje mogt worden toegeworpen. Als zij dit dan afgeknaagd en uitgezogen hadden, wreven zij het tusschen steenen fijn en vermengden het alzoo met hun Casavabrood. — Onder zulk eene behandeling droogde de melk in de borst der zogende moeders op, en in korten tijd stierven alle kindertjes weg. — Wilde ik, vaart onze zegsman voort, nog de zweepstriemen, stok- en vuistslagen, oorvijgen, vloeken en andere mishandelingen vermelden, zoo zoude ik daartoe inderdaad even zoo veel tijd als papier behoeven, dan nog niet alles beschrijven kunnen en slechts de menschheid doen versagen. Wanneer de Indianen, om deze gedurige kwellingen en dwangmiddelen te ontkomen, in de gebergten ontvloden, werden zij als wilde dieren daaruit opgejaagd, op de onmenschelijkste wijze gezweept, en om hun verder ontvlugten te verhoeden, met ketenen beladen. Velen stierven lang voor het einde van hunnen opgelegden arbeid. Altijd hadden de ongelukkigen van de hun opgelegde lasten, welke zij dikwijls tien tot twaalf mijlen moesten voortliepen, zware wonden op den rug en op de schouders, even als het trek vee, dat zich heeft opgereten. Velen vond ik op den landweg gestorven, anderen, die onder boomen steunden, weder anderen, die, in de stuiptrekkingen van den dood, met eene zwakke stem honger, honger riepen. Zij, die den tijd van zes of acht maanden overleefden, mogten naar hunne woningen terugkeeren. Maar deze lagen dikwijls 40, 60 en 80 mijlen ver verwijderd. Na al hunne geledene inspanning hadden zij niets dan wortelen op de reis.

Las Casas beschrijft het bloedbad van het jaar 1503 in Xaragua, (Xiragua) een land, waar het algemeene Hofleger van Hispaniola zich bevond, en merkt uitdrukkelijk aan, dat dit Paradijs van Orando (ongeacht hij van de naakte Indianen tegen zijne wél toegeruste en geoefende Europesche oorlogslieden zeker niets te vreezen had) op eene even arglistige als onmenschelijke wijze van zijne bewoners werd beroofd. De Koningin Anacaona, die van hare onderdanen werd aangebeden, had de aan haar onderworpene Caziken, volgens Las Casas 80, volgens Navarette 84 in getal, bijeengebragt, om met dansen en spelen hare gasten, Orando en die hem omgaven, te vermaken. Op een sein van Orando viel nu eene bende moordenaars het gevolg der Koningin aan, boeide de Caziken, liet hen op de pijnbank brengen en verbranden, terwijl de Koningin zelve werd opgehangen. Daarmede nog niet tevreden, bleef Orando op de gruwzaamste wijs tegen de overgeblevene inwoners woeden. Op dit bloedbad volgde in 1504 dat van Higney, aan de oostzijde van het eiland Hispaniola. De Koning van dit gebied, Catabanarra genaamd, werd op eene arglistige wijs gevangen genomen, naar Domingo gebragt en openlijk opgehangen. Zijn volk werd onder het juk gebragt, verjaagd, en, naar het schrijven van Las Casas, voor zes zevendeelen uitgeroeid. Even eens ging het met het gewest Cibao, welks Koning Guacanagan heette en met de Provincie Maguana. De Koning van het laatstgenoemde land, Caonabo, werd van de Spanjaarden geboeid op een schip gebragt, dat, van eenen geweldigen storm beloopen, met zes andere schepen in zee verging.

Gingen de verdrukkingen en wreedheden tegen de inboorlingen, die, wanneer zij, verbitterd over zoo vele onregtvaardigheden, zich verdedigden, evenwel slechts hun regt en hun eigendom vóórstonden, nu reeds boven alle maat en peil; zoo verergerde nogtans de geheele staat van zaken, toen 1504 het berigt inkwam van den dood der Koningin. De onregtvaardige krijgvoeringen en mishandelingen waren haar lang verborgen gehouden. Toen zij de bloedige handelwijs van Orando, de teregtstelling der Koningin Anacaona en den moord van Xaragua vernam, lag zij op haar sterfbed. Met hare laatste zuchten dwong zij nog den Koning Ferdinand de belofte af, dat Orando op staanden voet van zijne Landvoogdij zou worden terug geroepen. Dit evenwel geschiedde eerst vier jaren later.

Naar St. Juan en Jamaica, welke eilanden, volgens Las Casas, naar eenen tuin geleken, waarin bijen zwermden, kwamen dc Spanjaarden met hetzelfde opzet. Ook daar pleegden zij in 1509 aan de schuldelooze, ongelukkige Indianen de ongehoordste wreedheden. Men vermoordde, verbrandde, braadde velen hunner, of hitste de grimmigste honden tegen hen op. De overgeblevenen werden met de ondragelijkste lasten gekweld, bijzonder in de bergwerken, waar men hen zoodanig folterde, dat zij bijkans geheel werden uitgeroeid. Van de 600,000 zielen bleven naauwelijks 200 in ieder eiland over. Deze zijn de eigene woorden van Las Casas.

Te Cuba, hetwelk Columbus in 1492 ontdekt had, trad in 1511 de Veroveraar Velasquez op. Las Casas was bij dezen togt tegenwoordig. Als ooggetuige verhaalt hij ons daarvan het volgende: "Nadat een Cazike Hatney, met zijne lieden van Hispaniola naar Cuba was gevlugt, om de onmenschelijke behandeling der Christenen te ontgaan, kwam er berigt, dat zij ook tegen dit eiland in aantogt waren. Hatney vergaderde nu de zijnen en sprakhen in dezer voege aan: "Gij weet reeds, dat de Christenen in aantogt zijn. Zij hebben eenen God, dien zij aanbidden en dien zij willen, dat ook wij aanbidden zullen. Ziet"— voegde hij hierbij, terwijl hij op een korfje met goud en edelgesteenten wees, dat nevens hem stond: "dit isder Christenen God. Ziet, wanneer wij hem bij ons houden, zoo nemen zij hem ons toch af, wij mogen het maken, hoe wij willen, en slaan ons daarna dood. Laat ons hem dan liever in het water werpen." Dit geschiedde. (3)

Toen de Christenen landden, vlugtte deze Cazike, als iemand, die hen kende. Evenwel werd hij hun gevangen. Zij besloten om hem te verbranden. Toen hij reeds aan den paal gebonden was, sprak een Geestelijke der Orde van den Heiligen Franciscus veel tegen hem van God en van het Katholijk Geloof, hem verzekerende, dat, nam hij dit geloof aan, hij in den Hemel; zoo niet; hij in de Hel zou komen. De Cazike vroeg den Geestelijke, of er ook Christenen in den Hemel waren. Toen deze hierop bevestigend antwoordde, deed hij de bekende verklaring, dat hij dan liever in de Hel wilde

(3). Met het oogmerk om zulke toen weggeworpene schatten weder te vinden, zijn in latere tijden twee meren, het eene Guatowita genoemd, in de Republiek Columbia  9 - 10,000 voeten boven de oppervlakte der zee, het andere, eenigzins dieper liggend, doorzocht geworden, nadat men beproefd had dezelve af te tappen. De burger Pepe Parisch bestuurde deze onderneming der hebzucht. Men vond eene groote menigte gouden afgodsbeelden, ook eenen smaragd, die naar Madrid gebragt en voor 70,000 Piasters verkocht werd. Kapitein Alexander Cochrane had het grootste aandeel aan de winst. Uit het slijk van het eerstgenoemde meer bekwam men goudzand.

"Eens — dus vaart hier Las Casas voort — "toen wij ons nog tien mijlen wegs van een groot vlek bevonden, kwamen ons de Indianen om ons te ontvangen, te gemoet, en bragten ons levensmiddelen en andere geschenken. Hunne afgevaardigden hadden eene groote menigte visschen, brood en andere spijzen bij zich en gaven ons van alles, zoo veel zij maar konden. Maar eensklaps voer de Duivel in de Christenen, zoodat zij in mijn bijzijn, zonder de minste oorzaak of aanleiding, meer dan 3000 menschen, mannen, vrouwen en kinderen nederhieuwen, die rondom ons heen op den grond zaten. Hier aanschouwde ik zulke onbeschrijfelijke gruwelen, als andere menschen wel niet ligt gezien zullen hebben of voor mogelijk zouden houden. Weinige dagen later zond ik Boden aan al de Grooten der Provincie Havana; want ik stond bij hen in een goed gerucht. Ik liet hun zeggen, dat zij noch vreezen, noch vlugten moesten, maar ons veelmeer te gemoet gaan en verwelkomen; wijl niemand van hen eenig leed zou wedervaren. Ik deed die belofte met uitdrukkelijke bewilliging van den Bevelhebber; want de begane moorden hadden het geheele land met vrees en schrik vervuld. Toen wij nu in dit gewest kwamen, werden wij onderweg van deszelfs 21 Caziken en andere Caziken ontvangen, welke de Bevelhebber aanstonds in bewaring nemen liet, in weerwil van het vrij geleide, dat ik hun in zijnen naam beloofd had. Daags daaraan wilde men hen te zamen verbranden, meenende hieraan wél te doen, vermits zij ons dan op geene wijze konden schaden. Het kostte mij zeer veel moeite de ongelukkigen van de houtmijt te redden en het zoo ver te brengen, dat zij ontvlugten konden. Toen de Spanjaarden de meeste inwoners van het eiland onder het juk gebragt hadden en de overigen zagen, dat zij zonder redding verloren waren; zoo ontvloden eenige in het gebergte; andere hingen zich uit vertwijfeling met vrouwen en kinderen op. Twee honderd Indianen deden dit, om de wreedheid van eenen, mij wel bekenden, Spanjaard te ontgaan, andere uit honger en harteleed. Nu begonnen ook hier de Verdeelingen. Een zeker Koninklijk Beambte verkreeg 300 Indianen. In den tijd van drie maanden had hij er 270 in de bergwerken doen omkomen. Men gaf er hem weder even zoo vele. Zij stierven op nieuw. Hij bekwam ten derden male een gelijk getal, wanneer de dood (de Duivel zegt Las Casas) hem zelven haalde. Gedurende mijn verblijf stierven in drie of vier maanden 7000 kinderen van honger, daar hunne ouders hun ontrukt waren. Daarna maakte men jagt op de Indianen, die zich in het gebergte verscholen hielden en woedde schrikkelijk tegen hen. In het kort, de Spanjaarden ontvolkten en verwoestten ook dit eiland."

De volgorde, van Las Casas bewaarde overlevering mag dienen om de oorspronkelijke bewoners van hetzelve te leeren kennen. Daar reeds 10 April 1495 alle Spanjaarden de vergunning verkregen hadden, op ontdekkingen uit te gaan, wanneer zij maar twee derden van het goud, dat zij vinden mogten, aan den Koning afstonden; zoo hadden zich velen van die vergunning bediend. Vooral sedert de gezellen van Colon naar Spanje waren terug gekeerd. Onder anderen, die voor hunne eigene rekening op ontdekkingen uitgingen, was Alonza de Ojedo, na het doorstaan van menigerlei bezwaren, met zijne makkers in 1509 te Cuba gekomen. Hij doorwaadde op dat eiland een moeras, hetwelk zich 30 zeemijlen ver uitstrekte. Nadat hij op dezen togt velen zijner reisgenooten verloren had, deed hij eene gelofte van een beeld der Maagd Maria, dat hij zeer in eere hield, in eene kapel te plaatsen, wanneer hij, zoo veel nood gelukkig mogt te boven komen. Dit geschied zijnde, zoo bouwde hij in een Dorp van het genoemde eiland een kluis; daarop ontbood hij den Cazike bij zich, verklaarde hem, zoo goed zijne beperkte kennis der taal en de hulp van tolken dit toelieten, de hoofdstukken van het Christelijk Katholijk geloof en de geschiedenis der Heilige Maagd, toonde hem derzelver gedachte beeldtenis en besloot met hem voor de gestichte Godshutte en vooral voor het heilige beeld zijne bescherming en zijnen schut te vragen. De Cazike hoorde hem met eene zwijgende aandacht aan, en, hoewel hij de voor hem nieuwe leer niet klaar verstond, zoo schonk hij met de zijnen toch eene groote vereering aan het Beeld. Zij hielden de kleine hut altijd schoon, versierden dezelve met een behangsel van boomwol, dat zij zelven bewerkt hadden, dichtten liederen ter eere der Maagd (Arcyto's), en zongen die met begeleiding van nieuwe muzijk-instrumenten, terwijl zij daarbij dansten. Kort na het vertrek van Ojedo, kwam de Eerwaardige Man, aan wien deze bladen zijn gewijd, in het dorp Cucybas aan, vond de hut, als eene heilige plaats, met den zorgvuldigsten eerbied onderhouden en het Beeld met Godsdienstige naauwgezetheid behandeld. De arme Indianen droegen zich om hem henen om de Mis en zijne vaderlijke vermaningen te hooren. Las Casas had zoo veel van het heilige beeld van Ojedo gehoord, dat hij den Cazike eene ruiling voor hetzelve aanbood. Deze kwam, door dit aanbod in verlegenheid en verscheen den volgenden morgen niet. Las Casas ging in de Hut, waarin hij ook nu het beeld niet meer vond. Op zijne navraag verkreeg hij ten antwoord, dat de Cazike het beeld had weggenomen. Te vergeefs zond hem Las Casas eenen bode na, met de verzekering, dat hij hem van zijn kleinood niet berooven, maar integendeel het nieuwe Beeld hem daarbij schenken zou. De Cazike weigerde uit zijne schuilplaats te voorschijn te komen, en verscheen niet weder in het Dorp, voor dat de Spanjaarden vertrokken waren. Toen eerst plaatste hij het beeld weder in de Hut. Welke trouw! Welke gezetheid in het houden van zijn woord! "Zoo handelen" — voegt I.as Casas hierbij — "deze goede kinderen der natuur altijd, wanneer zij maar door geene slechte behandeling getergd worden."

Zijne nadere bekendschap met de Indianen vermeerderde voor heil de achting van onzen Held; en nu verklaarde hij zich luid tegen die genen, die deze ongelukkige slagtoffers op het onmenschelijkste behandelden. Op het ijverigste liet zich in het jaar 1511 onder de Dominikanen Montelino in de Kerk te St. Domingo tegen de gedachte Repartimientos of Verdeelingen hooren, waardoor men de inboorlingen als slaven aan de verwinnaars prijs gaf. Hij sprak daarvan, als van eene handeling, welke evenzeer streed tegen de billijkheid, als tegen de voorschriften van het Christendom en de regelen eener gezonde staatkunde. Wel trad Don Diego Colon met de Officieren der Kolonie tegen zoodanige voorstellingen op, en beklaagde zich over de vrijmoedige en edele Monniken bij hunne Oversten. Doch deze billijkten niet alleen de leer en de werking der Dominikanen, maar ondersteunden hen ook. Nu lieten dan ook deze hunnen ernst niet varen, maar weigerden zelfs de Absolutie in de Biecht en de toelating tot het H. Avondmaal, aan diegenen, onder hunne Landslieden, die Indianen in de gemelde slavernij hielden. Van wederzijde wendde men zich nu aan den Koning Ferdinand. De uitspraak, welke van ‘s Konings gevolmagtigde bijeenkomst van Staatsmannen-, Regts- en Godsgeleerden, die met het onderzoek dezer zaak belast waren, gegeven werd, viel gunstig voor de Dominikanen, en luidde aldus: "De Indianen worden voor een vrij volk verklaard, hetwelk geschapen is om alle natuurlijke regten der menschheid te genieten."

Wat kon duidelijker, meer bepaald, dan deze beslissing zijn? Maar, in weerwil derzelve, zette men de verdeeling voort. Ja, wat meer is, de Spanjaards wisten in 1513 een nieuw bevel bij ferdinand te bewerken, dat, volgens een besluit van zijnen Geheimen Raad, na rijpe overweging der Bulle van Alexander VI zoowel als de overige bewijsstukken, welke de regten der Kroon van Kastilie op de bezittingen der Nieuwe Wereld verzekerden, bepaalde: "dat de slavernij der Indianen gegrond was op Goddelijke en menschelijke geboden; want wanneer men hen den Spanjaarden niet ten eigendom gaf, zoo kon men derzelve aan de Afgoderij niet onttrekken: men had daarom geenen gewetens-angst over de regtmatigheid der Repartimientos te voeden; de Koning zoowel als zij Raad namen alle zorg daarvan op hun geweten; de Dominikanen behoorden zich alzoo van alle bestraffing te onthouden."

Ferdinand nogtans kondigde te gelijker tijd wetten af, die de Indianen van eene zachte behandeling onder het juk moesten verzekeren. Hij bepaalde daarin den arbeid, die hun alleen mogt worden opgelegd, gelijk ook de soort van hunnen voeding en kleeding. Hij gaf ook voorschriften omtrent de wijs, waarop men hen in de gronden van het Christendom zou hebben te onderrigten.

Maar het laatste gedeelte diens Bevels werd van de gierige Spanjaarden in het geheel niet in acht genomen. Niet aan het bekeeren, verzekert Las Casas; alleen aan het verrijken dachten zijne landslieden. Ook te meer nu, daar zij daartoe een regt meenden te hebben, oefenden zij de zwaarste verdrukkingen. De Dominikanen zagen nu, dat al wat de Koning ten beste der onderdrukten verordend had, zonder gevolg bleef. Eenige, hierdoor ontmoedigd, baden om verlof zich naar het vaste Land te begeven, waar, zoo als zij voorgaven, de Indianen nog niet zoo bedorven waren, als op de Eilanden. Maar ook in het jaar 1514 was, naar het schrijven van Las Casas een beruchte Stadhouder in dat Land gekomen, naar Terra Firma, die dat Gewest als een schrikkelijk tiran met vele Spanjaarden bezette. Zijne verwoestingen strekten zich tot op vele mijlen van Darië tot aan gene zijde van Nicaragua uit, eene voor zijne aankomst onschatbare landstreek, maar door hem spoedig een verwoest gewest. Naar het verhaal van Las Casas, dat hij van eene Monnik, Francisco de Sant Roman verkreeg, liet de Stadhouder 40,000 menschen, deels verbranden, deels van honden (4) verscheuren, of op eene andere wijs doodmartelen. Hij liet den armen Indianen zijne bevelen toekomen om zich tot het Christendom te bekeeren en aan den Koning van Kastilië te onderwerpen. Bij gebreke aan dien zoude men hen tot slaven maken en verworgen. Om daarbij evenwel eene schijn van regt te behouden, gelastte hij, daar zijne zendelingen zich des Nachts naar de Plaats begeven en die bevelen zouden voorlezen. Nu stormden tegen de morgen, als de ongelukkigen nog sliepen, hunnen moordenaars op de Plaats in, wierpen vuur in hunnen hutten, verbrandden de vrouwen en kinderen, sloegen dood wie te ontkomen zocht en deden den overblijvenden alle mogelijke pijnigingen aan om goud te verschaffen of aan te wijzen. Op deze wijze hield hij huis tot in het jaar 1521 en roofden meer dan een Millioen Kastilianen bij een, waarvan de Koning slechts f 3000 bekwam. Naar de opgave van Las Casas werden er meer dan 800,000 menschen verworgd.

Door zulke afschuwelijkheden in zijn binnenste vergramd, verklaarde Las Casas zich mannelijk tegen den Stadhouder. Daar deze evenwel ongestoord in zijnde barbaarsche maatregelen voortvoer, zoo reisde hij in 1515 naar Spanje. Wel vond hij Koning Ferdinand krank, maar waagde het niettemin zijne bescherming tegen de onderdrukten van hem te vorderen. Met groote schranderheid, vrijmoedigheid en kracht sprak hij tegen den kranken Vorst, en verkreeg van hem, dat in het lot der Amerikanen voorzien zou worden. Ferdinands dood verhinderde de uitvoering. Karel die later, onder de naam van Karel V, den Duitschen Keizerstroon besteeg, was zijn opvolger. Las Casas wilde zich bij hem naar Vlaanderen begeven, om hem zelf zijn klagt voor te stellen. Maar de Kardinaal Ximenes, die tot Intendant des Rijks was benoemd geworden, verhinderde hem in die reis; maar hoorde zijne, met welsprekendheid voorgedragene bezwaren en klagten, opmerkzaam aan. Hij overwoog dezelve en koos uit de Orde der Hieronijmiten drie mannen bij den Regtsgleerden Zuazo, een zeer billijk man, als Scheidsrigter, die Las Casas als Beschermer der Indianen moest verzellen. Wel kanten zich de Ministers tegen de volvoering van dit verstandige besluit. Maar Ximenes was de man niet, die zich de wet liet stellen. Zijne verordening ging door. Zuazo en Las Casas reisden af met de benoemde Broederen van de H. Hieronymus. Bij hunnen aankomst maakten zij een krachtig gebruik van hunne volmagt, terwijl zij aan alle Indianen de vrijheid gaven, welke men aan Spaansche hovelingen, of aan wie ook anders, had weggeschonken. Deze krachtige maatregel verwekte eene algemeene ontroering. De planters geloofden, dat men er op had toegelegd hun alle helpende handen te ontnemen, terwijl hun ondergang daardoor onvermijdelijk zou worden. De Vaders van de H. Hieronymus onderzochten nu, hoorden met gematigdheid en wijsheid van beide zijden aan, en beslisten nu, na rijp overleg: "dat de toestand der koloniën niet kon blijven, wanneer men het plan van Las Casas volgde."  Zij waren, zeiden zij, overtuigd geworden, dat de verhuisde Spanjaarden in de nieuw-ontdekte landen te weinig in getal waren, om de reeds ontgonnene mijnen te bewerken, dat zij alzoo de hulp der Indianen niet ontberen konden, zonder derzelve alzoo de koloniën verlaten, of voor het minst derzelver winst opgeven moesten, dat men daarbij de Indianen, zonder gestrengheid, niet zóó ver kon brengen, dat zij, bij hunne natuurlijke traagheid, uit vrijen wil het onderwijs in het Christendom zouden aannemen, of de geboden van het Evangelie betrachten. Op al die gronden hielden zij het voor noodzakelijk de Verdeeling te dulden. Maar zij zochten den Indianen de beste behandeling te verschaffen, en gaven deswege nieuwe voorschriften. Zij bedienden zich ook van hun aanzien, hun voorbeeld en hunne vermaningen om hunne landslieden met gevoelens van regtvaardigheid en zachtmoedigheid te bezielen. Zuazo verbeterde daarenbovende Geregtshoven en maakte menigerlei weldadige bepalingen. Alle Spanjaards verwonderden zich over het gedrag van Zuazo en over de schranderheid van Ximenes in de keus van zoodanige personen.

Maar Las Casas was over de uitspraak van het Hooge Gezantschap ontevreden, en hij moest dit zijn, in zoover hij van de gedachte uitging, dat de Indianen vrije menschen waren en de tegenpartij slechts op gewin en verkeerde bekeeringszucht was afgerigt. Hij zag het duidelijk in, vooreerst, dat eigenbaat en hebzucht gelijk zijn aan het nest van den Arend, waarin de sterkste zijne bloedverwanten over den rand van het nest henenwipt, totdat hij alléén Heer is en niemand hem meer in zijne magt beperkt; en voorts, dat voor het geroep van Algemeen Belang, of om den wil der heilige Religie! alle andere betrekkingen moesten wijken. De Opperlandvoogd hoorde zijne duchtigste aanmerkingen met koelheid, of met zijne tegenbedenkingen wegens het belang des Konings, aan. Las Casas reisde in het jaar 1517 weder naar Europa, om zijne klagten en den jammer der Verdrukten voor den troon des jeugdigen Konings Karel luide te verkonden. Hij vond den Rijksverzorger Ximenes doodelijk krank en ging uit dien hoofde voorzigtig te werk. Anders zoude hij van hem, die vast in zijne besluiten, ook met gestrenge naauwkeurigheid de beslissing der van hem Gevolmagtigden gevolgd wilde hebben, niet wél ontvangen zijn. Doch, daar hij wel inzag, dat deze zich op zijne aanzoeken niet verder konde verstaan, zoo begaf hij, zich naar Valladolid, om aldaar de aankomst van Karel uit de Nederlanden af te wachten. Dezen gaf hij kort daarop meerdere voorslagen ter gunste zijner ongelukkige beschermelingen in handen. Doch hij vond onoverkomelijke hinderpalen. Want, hoezeer hij zich ook beijverde om de genegenheid der Nederlandsche Grooten, die Karel naar Spanje vergezeld hadden, en vooral bij den Groot-Kanselier, Doctor Juan de Salvagio, zijn doel zocht te bereiken; zoo vonden toch zijne ontwerpen overal tegenspraak, daar vele aanzienlijke Spanjaards goederen en Repartimiento's in de Koloniën bezaten en deswege voor de slavernij der Indianen stemden; gelijk dit zelfs de Bisschop van Burgos, Juan Rodriguez de Fonseca deed, die President van den Raad van West-Indië was. Hij kon uit dien hoofde verder niets verwerven, dan dat, op voordragt der Nederlanders, die, uit haat tegen Ferdinand en het Bewind van Ximenes, in overeenstemming met vele onvergenoegde Spanjaarden, zijnen afkeer van de gevolgde maatregelen ondersteunden, de Hieronymiten met hunnen Medehelper Zuazo teruggeroepen en de Regtsgeleerde Rodrigo de Figuerra als Opperregter tot het zorgvuldigste onderzoek der zake en tot alle mogelijke verzachting van het lot der Indianen gezonden werd.

In dit tijdvak komt de handeling voor, welke men aan LasCasas ten verwijt heeft willen doen strekken. Maar, op de weegschaal der Geschiedenis en in aanmerking der omstandigheden zoowel, als in verband met de zeden en gewoonten der volken, zal het onzen Held, indien al aan volle regtvaardiging, aan billijke verschooning niet ontbreken. Niet slechts had reeds Antonio Gonzalez in het jaar 1440 van de kusten van Afrika menschen geroofd, en in het jaar 1442 verhandeld; maar ook waren de Spanjaarden door onvermoeide kampstrijden met de Moorsche indringers op hun schiereiland, acht eeuwen lang, aan buit en gevangenneming zoo gewoon, dat zij bij hunne godsdienst, welke steeds eene groote magt over hun gemoed behield, geloofden Gode eene dienst te doen, wanneer zij vroeger hunne Mohammedaansche naburen gevangen maakten en tot het Katholieke geloof bragten, en later de Wilden op dezelfde wijs tot hunne zaligheid voerden. Wanneer zich al eenige weinige betergevormde geesten, gelijk Izabella, eenige Dominikanen en vooral Las Casas tot het hoogere begrip verheven hadden, dat men, om den diamant te slijpen, hem niet rooven of wel vernietigen moest; zoo was deze gezuiverde vrijzinnige denkwijs slechts eene uitzondering. Na het onzinnige verminderen der oorspronkelijke bewoners (op vele eilanden en landen van het nieuw ontdekte werelddeel, kon men het reeds eene verdelging noemen) ontbrak het aan arbeidende handen. Was het dan nu te verwonderen, dat men naar andere omzag? Reeds in het jaar 1501 had eene Koninklijke verordening den invoer van Negerslaven in Amerika toegestaan, wanneer dezelve onder Christenen geboren waren; en de Portugeezen zonden in het jaar 1503 vele Negers derwaarts. Dat men er toen reeds eene menigte van te Hispaniola vond, blijkt, uit eenen brief van den Stadhouder Orando van datzelfde jaar, waarin hij verzoekt, dat men niet vergunnen zou om nog meer Negers daarheen over te brengen. Wel wilde de Spaansche Regering in 1506 geene Negerslaven uit de Levant, of de zoodanige ingevoerd hebben, welke de Mooren te zamen bragten. Nogtans bepaalde dezelve, dat zij van Sevilla, wanneer zij in het Christendom onderwezen waren, naar de Koloniën mogten worden ingescheept, om tevens tot de bekering der Indianen te kunnen bijdragen. Ja, de Koning Ferdinand liet niet slechts in het jaar 1510 op het narigt van de zwakheid der Indianen, 50 Negers van Sevilla naar de bergwerken van Hispaniola brengen; maar beval ook in het jaar 1511 eene grootere menigte in Guinea te koopen en die eveneens derwaarts te zenden, daar hij gehoord had, dat één Zwarte even zoo veel als vier Indianen, kon arbeiden. Meerdere Besluiten betrekkelijk dit onderwerp werden in de jaren 1512 en 1513 van hem uitgevaardigd. Zijn opvolger, Koning Karel, schonk eveneens, in het jaar 1516, nog eer hij Vlaanderen verliet, aan de Nederlanders de vrijheid om Afrikaansche slaven in de Koloniën in te voeren; een maatregel, waartegen Ximenes, als Rijksbestierder, zich kort te voren verzet had, hetzij dan uit menschelijkheid, hetzij ook uit vrees, dat de verspreiding der Negers in de Nieuwe Wereld den Spanjaarden te eeniger tijd verderfelijk mogt worden.

Daar alzoo de Negerhandel reeds gedreven werd, zoo kan Las Casas onmogelijk als deszelfs Bewerker beschouwd worden. Eerst nadat al zijne pogingen tot verzachting van het lot der Indianen verijdeld waren, nam hij zijne toevlugt tot eenen halven maatregel en billijkte den reeds bestaanden Negerhandel, door in het jaar 1517 den voorslag te doen, dat men aan de Spanjaarden in de Koloniën de vrijheid verleenen mogt, om van de plaatsen, in het bezit der Portugezen, aan de Afrikaansche kust, Negers te koopen, om die in de bergwerken, voor den landbouw en tot anderen zwaren arbeid te gebruiken, waartegen de Indianen niet bestand waren. Zoo ging het hem, even als de teederminnende moeder, welke, om haars kranken kinds, haars geliefden zuigelingswille, minder aan hare gezonde oudere, of verwijderde kinderen denkt. Ook mag hij de Indianen wel voor eene betere of edeler, althans voor eene zachtere menschensoort gehouden hebben voor wier behoud en welvaart men vooral te zorgen had, en zijn geweten met het algemeene begrip van dien tijd hebben gerustgesteld, dat één Neger, zonder schade voor zijne gezondheid, den arbeid van vele Indianen kon overnemen, waardoor dan de menschelijke ellende toch eenigermate verminderd werd; vooral, daar de Negers, in hun eigen land reeds aan de slavernij gewoon, met deze ruil niet eens veel aan hunne tijdelijke welvaart schenen te verliezen. Herrera althans merkt uitdrukkelijk aan, dat de Negers zich in Hispaniola zoo wél bevonden, dat het de heerschende meening was, dat een Neger niet kon sterven, of hij moest gehangen worden. Ook scheen daar het luchtsgestel hun veel verdragelijker, dan dat van hun eigen Vaderland.

Zoo weinig ook de voorslag van Las Casas gegrond was op juiste begrippen van menschenregt, zoo kwam dezelve evenwel, als het laatste redmiddel voor zijne lievelingen, uit eene goede bedoeling voort. Hij vond dan ook bij de meest welgezinde menschen van den toenmaligen tijd, zelfs bij den Leermeester van Karel, later Paus Adriaan VI, alle goedkeuring. Maar Karel schonk aan één zijner Nederlandsche gunstelingen, Le Bressa, het uitsluitende voorregt om jaarlijks 4000 Negers, als noodwendige behoefte, naar Amerika te mogen voeren. Genuesche kooplieden kochten van Le Bressa de verleende vergunning voor 25,000 dukaten, en zij gaven aan dezen schandelijken handel, zoo al geenen regtmatigen en ordelijken vorm, toch de houding en den naam van koopmanschap (3). Sedert nu is die onzalige waar Negerhandel tot op onze tijden blijven bestaan. Velen mogen nog altijd de schuld van deze schande der menschheid op Las Casas laden. Zijn naam nogtans blinkt in den heerlijksten glans, als de Geschiedschrijver de namen dier vermetelen vermeldt, die door het zwaard, het vuur, door folteringen en slavendiensten duizenden ongelukkige Indianen vermoordden. Om evenwel regtvaardig te zijn, moet men het zeggen: de onzinnige verdelging der oorspronkelijke bewoners verwekte dien gruwelijken handel. Doch deze verdelging was een gevolg van den dweepzieken geloofsijver, en deze weder een steun der poging, om alle volken van het nieuw-ontdekte werelddeel aan den zoogenaamden Stadhouder van Christus te onderwerpen, die dezelve, onder dat beding, aan de Koningen van Spanje en Portugal, uit kracht van zijn Pauselijk Leengebied en zijne volle Oppermagt had afgestaan. Zoo komt dan ook dit, de menschheid onteerende ontwerp, als een gevolg van het Pausdom vóór. Het is eerst de winst der, over de ontvolking van een werelddeel verdwenen, eeuwen welke Madison, Oud-President der Noord-Amerikaansche Staten kon doen zeggen:
"De regten der Menschen ten aanzien van godsdienst kunnen op geene wijze door eenig Maatschappelijk Verdrag beperkt worden, even zoo weinig, als ooit ergens een Wijze van eenige Magt afhankelijk gemaakt kan worden.


Daar Las Casas tot zijne groote droefheid bespeurde, dat zijn voorslag aan de ongelukkige Indianen op Hispaniola niet eens eene groote veiligheid schonk, vermits de Genuesche kooplieden de Negers in den beginne op eenen te zwaren prijs hielden, zoodat er niet genoeg gekocht konden worden, om den arbeid der Indianen te kunnen ontberen; zoo drong hij er in het jaar 1518 op aan, om een toereikend getal landbouwers en arbeidslieden naar de Koloniën te zenden, om zich daar neder te zetten, terwijl deze, aan den arbeid reeds gewoon, dan al de verrigtingen konden overnemen, welke de krachten der zwakke Indianen te boven gingen. Doch ook dit ontwerp, hoezeer door de Nederlandsche staatsdienaars ondersteund, verging voor de tegenspraak van den Bisschop van Burgos.

Na al die beschikkingen der hebzucht twijfelde Las Casas er aan, of het hem wel ooit gelukken zou door zijne plannen van dien aard aan de Indianen in hunne, reeds gevestigde, woonsteden hulp toe te brengen. Doch, daar men dagelijks nieuwe ontdekkingen deed, zoo verkreeg zijn gloeijende ijver een nieuw voedsel en zag hij een wijd veld voor zijne bemoeijing geopend. Deswege verzocht hij voor zich een stuk land, dat zich langs de kust uitstrekt, van den zeeboezem van Paria tot aan de westelijke grens van dat gewest, dat wij onder den naam van St. Martha kennen (thans eene Provincie in het Departement Magdalena van den Zuid-Amerikaanschen Vrijstaat Columbia, aan de Caraïbische zee en de Provincie Cauca gelegen, waarvan de hoofdstad is Santa Martha, aan de baai Boca grande). Hij vormde het ontwerp om daar eene Kolonie te stichten, die uit Akkerlieden, kundige Handwerkers en Priesters zou bestaan, en verbond zich, in twee jaren, 10,000 Indianen bekwaam te maken, door hen in nutte kunsten te onderwijzen. Zoo wilde hij jaarlijks aan de kroon 15,000 dukaten en daarenboven, in tien jaren, 60,000 dukaten doen toekomen. Maar daarentegen bedong hij, dat geen zee- of krijgsman, of eenig Spanjaard in dit toevlugtsoord mogt komen. De Bisschop van Burgos en de Hooge Raad van Indië noemden den edelen ontwerper van dit plan eenen Dweeper en zijn ontwerp zelf hersenschimmig en buitengewoon gevaarlijk. Maar Las Casas, door het verlangen om goed te stichten geleid, wendde zich tot de Nederlandsche gunstelingen, die zijnen ijver bij den toenmaligen Keizer Karel ondersteunden. Deze verleende hem in het jaar 1520 bij een Patent een Landschap in Cumena, thans in den omtrek van Orinaco gelegen, met volmagt om daar eene Kolonie naar zijnen wensch te stichten. Hij werd Stadhouder van dat Land, en ging met 200 Uitgewekenen onder zeil. Maar wat kon een zoo gering getal op eene uitgestrektheid lands van 300 mijlen ten uitvoer brengen? Het hoopje vermogt niet eens het land zelf in bezit te nemen. Maar ook nog een magtiger beletsel, afkomstig van den wortel alles kwaads, de hebzucht namelijk, moest zijn plan te gronde rigten, alvorens hij nog op Cumena landde.

De eerste plaats, welke hij op zijne vaart derwaarts aandeed, was het eiland Portorico, een der groote Antilles. Hier was Gonzalo Ocampo Gezagvoerder. Deze weigerde Las Casas in zijne waardigheid als Stadhouder van Cumena te, erkennen; waarschijnlijk omdat hij ook zich zelven van groote en schreeuwende onregtvaardigheden tegen de inboorlingen was bewust; want Las Casas zegt, dat Portorico, in 1493 door Columbus ontdekt en 1508 door Ponce de Leon in bezit genomen, toen Santa Juan genoemd, 150 mijlen lang, van 40 tot 50 mijlen breed, anders hoogst vruchtbaar en bekoorlijk, nu in eene dorre woestenij was omgekeerd. Slechts langs den zeeboezem van Darië (Panama) dreven de Spanjaards eenigen handel. Maar alle bezigheden waren zoo wel op de eilanden, als op het tot dus ver ontdekte vaste land, gestremd door gebrek aan arbeiders. Ook op Hispaniola, Portorico en Cuba gingen de openlijke ondernemingen te niet, wijl het Land van bewoners ontbloot was. De Aankomelingen misten de noodige armen om de aangevangene werkzaamheden voort te zetten. Deze dringende behoefte gaf aanleiding, dat zij tot alle denkbare middelen ter tegemoetkoming hunne toevlugt namen. Men had hun Negers toegevoerd, maar de prijs voor dezelve was te hoog en ging boven hunne krachten. Om zich nu goedkoopere slaven aan te schaffen, bewapenden de Spanjaarden schepen, en kruisten, gelijk de latere Flibustiers en de Algerijnen, langs de kusten van het vaste Land. Aan de plaatsen, waar zij geene overmagt konden doen gelden, handelden zij met de inboorlingen, boden hun speelgoed en andere snuisterijen aan. Maar, waar zij de Indianen konden overvallen, roofden zij dezelve, sleepten ze naar hunne schepen en verkochten ze in Hispaniola tot slavendiensten. Geen wonder, dat men op alle punten van het vaste Land den naam der Spanjaarden vloekte. Zoodra men slechts een schip in de verte zag, vloden de bewoners in de wouden en gebergten, of zij ijlden gewapend naar het strand, om de wreede vijanden hunner rust te verjagen. Enkele malen. sloegen de aangevallenen de roovers ook werkelijk op de vlugt, of doodden hen, terwijl zij hun den terugtogt afsneden. In de woede hunner regtvaardige verbittering vielen de Wilden ook op twee Zendelingen aan, die zij ombragten. Juist waren het ongelukkig Dominikanen, die zich, uit zucht voor de ongelukkige inboorlingen, in de Provincie Cumena hadden nedergezet. De moord van deze hoog-geëerde personen bragt nieuwe verbittering te weeg; en men meende dien te moeten wreken. De planters van Hispaniola gaven daartoe vijf schepen en 300 man. Diego Ocampo bekwam den last om dit stuk te volvoeren, het land te vuur- en te zwaard te verwoesten, de inwoners op Hispaniola te verkoopen. Juist vond Las Casas het eskader op Portorico gereed om, tot de uitvoering van dezen wreeden last, naar het Vaste Land te stevenen. Ocampo, van alle betere gevoelens ontbloot, weigerde trotschelijk het vertrek op teschorten.

Onder zoodanige omstandigheden begreep Las Casas, dat van zijn ontwerp, hetwelk vrede op den voorgrond zette en vrede medebragt, niets kon komen. In de hoop om het dreigende gevaar nog eenigermate het hoofd te bieden, scheepte hij zich naar Hispaniola in en liet zijn gevolg, verdeeld onder de planters van Portorico, achter. Meerdere oorzaken bereidden hem ook daar eenen slechten ontvangst. Terwijl hij vóór de veiligheid, gelijk ook tot hulp en ondersteuning der Indianen al zijne krachten aanbood, moest hij het gedrag zijner landslieden tegen de inboorlingen op het strengste wraken. Zoo werd hij dan bij hen gehaat. Ja, zij beschouwden het gelukken van zijn Ontwerp als de zekerde voorbode van hunnen ondergang. Juist verwachtten zij uit Cumena groote hoopen slaven voor hunne dringendste behoeften. Maar hunne hoop daarop moest verdwijnen, als Las Casas zijn plan van vrijwillige verhuizing mogt bereiken. Deshalve werkten hem de aangekomenen, zoowel als de Stadhouder, tegen.

Ook de bovengenoemde Roderico Figuerra, die nogtans den duidelijksten en meest bepaalden last ontvangen had om de onderdrukten te helpen, weigerde onzen menschenvriend iedere ondersteuning. Hij had, naar een, in Spanje ontworpen plan, om de mate der geestvermogens van de Indianen te bepalen, eene proeve genomen, waarvan het gevolg de grondstellingen van Las Casas scheen te beschamen. Hij had namelijk een aanmerkelijk getal van die onschuldige kinderen der Natuur op Hispaniola bijééngebragt en in drie Dorpscholen verdeeld, terwijl hij hun de volle vrijheid liet en het gansch en al van hunne willekeur deed afhangen, de velden te bebouwen te zaaijen, te planten en anderen arbeid te verrigten. Deze Natuurkinderen, aan hunne wouden, hunne bergen en hutten, gelijk aan hunne genoegelijke gewoonten ontrukt, waren, met de werkzaamheden der beschaving niet bekend, mistrouwend geworden. Wat wonder, dat zij zich geene moeite gaven het aardrijk te verzorgen en van die orde en die regelmatigheid vreemd bleven, welke de Spanjaarden kenden of meenden te kennen. Daaruit nu besloten de laatsten, dat de Indianen van de natuur veronachtzaamd waren en zoo diep beneden hen stonden, dat zij bestendig in eenen staat van onmondigheid moesten gehouden worden. Las Casas evenwel verkreeg door zijne volharding, door eenige toegevendheid en door vele bedreigingen, een klein aantal oorlogslieden, om zijne planting in den eersten tijd van hare stichting te beschermen. Hij zeilde, hoewel vele zijner landslieden door krankheden waren weggeraapt, naar Cumena, waar hij hen vooreerst in gepallisadeerde sterkten onderbragt. Ocampo had intusschen zijn afschuwelijk werk uitgevoerd, eene groote menigte Indianen nedergehouwen en velen tot slavendienst, geboeid, naar Hispaniola gezonden. De overigen waren in hunne wouden ontvlugt.

De omtrek, waar Las Casas landde, was verdord, en ook de kleine Kolonie der Spanjaarden, welke Ocampo had achtergelaten, leed gebrek aan de dringendste behoeften. Nu keerde hij, om aan zijne zwervelingen eenen beteren bijstand te verschaffen, naar Hispaniola weder. Maar naauwelijks was hij heengetogen, of de Indianen, de zwakheid der Spanjaarden bemerkende, versloegen een groot getal derzelve en joegen de overige naar de eilanden. Dit noodlot trof ook zijne aangekomenen. Ten laatste was er niet een enkele Spanjaard meer op geheel het vaste Land te vinden, noch ook op de aangrenzende eilanden langs de kustlinie van Paria tot aan Darië toe.

Het volgende verhaalt Las Casas van de wijze, hoe de Spanjaards de inboorlingen van hunne woonsteden en eigendommen haar verre oorden bragten. "Het is eene uitgemaakte waarheid, dat de Spanjaarden nooit een schip vol Indianen wegvoerden, die zij op de boven beschrevene manier geroofd hadden, zonder dat daarbij een derde der lading in zee geworpen werd. Dit kwam, door dat zij veel manschap noodig hadden, als zij hun doel bereiken zouden om vele slaven te halen, veel geld te rantsoeneren. Zij zijn gierig op spijs en drank, om den tirannen, welke zij Armadores (Reeders) noemen, kosten te besparen. Van daar is beide, spijs en drank, dikwijls voor de Spanjaarden zelven, die op den roof uitgaan, naauwelijks toereikende. De ongelukkige Indianen bekomen daarvan in dat geval geheel niets; zij sterven van honger en dorst; alzoo —voort met hen in zee. Een Spanjaard verhaalde mij voor waarheid, dat er een schip van de Lukadische eilanden, waar dergelijke onmenschelijkheden bij menigten gepleegd werden, tot naar Hispaniola, hetwelk tusschen de 66en 70 mijlen van daar ligt, zonder kompas en zeekaarten was gezeild, wijl de koers, welken het had te nemen, aan hetzelve genoeg gewezen werd door de ligchamen der Indianen, die men uit de schepen had in zee geworpen. Wanneer nu deze ongelukkigen op de eilanden, waar men ze verkoopen wil, ontladen werden, dan moet aan ieder, die slechts een vonkje van gevoel bezit, het hart bloeden, als hij die naakte, hongerige menschen ziet, en daarbij bespeurt, hoe kinderen en grijsaards, mannen en vrouwen, van honger ontzenuwd, op den grond neder zinken. Dan scheidt men ze, als schapen, van één, scheurt de moeder van hare kinderen, de vrouwen van hare mannen, deelt ze in hoopen van tien tot twintig personen en werpt het lot over hen. Hierop bekomen de roekelooze Armadores, zij, die het schip hebben uitgerust, hun aandeel. Valt nu ook eens het lot op eenen hoop, waaronder zich een grijsaard, of een kranke bevindt, zoo is het niet ongewoon den tiran, wien hij wordt toebedeeld, te hooren zeggen: "Loop heen met dien ouden vent! Waartoe zal hij mij dienen? Moet ik misschien voor zijne begrafenis zorgen? Of wilt gij ook van mij eenen ziekenoppasser maken?" — "Zoo ziet men" — voegt Las Casas hierbij — "hoe de Indianen van de Spanjaarden geacht worden; hoe deze Gods gebod omtrent de liefde des Naasten opvolgen: God evenwel is ook "der Indianen God.""

Van deze onheilen ter neder gedrukt en gebogen onder den last van zijne mislukte ontwerpen, begaf zich de onverschrokken man in het jaar 1522 in het klooster, der Dominikanen op St. Domingo, en nam spoedig daarop het ordeskleed aan, om, met vernieuwde werkzaamheid, als Zendeling, de lasten der Verdrukten te verligten. Zijn ijver werd door geene hindernissen verzwakt. De nachten bragt hij in gebeden door, en des daags zocht hij de Indianen in de wouden en rotsholen op, om hen te onderrigten en te troosten. Hij zegt met opzigt tot dit tijdperk: "De Spanjaards zetten, van hunne eerste intrede in Nieuw-Spanje (thans het Mexikaansche Staten-verbond) van 18 April 1518 tot aan het jaar 1530 het wurgen en moorden voort en oefenden dit goddelooze handwerk, in de stad Mexico en de omstreken, 450 mijlen in de rondte. In dezen omtrek lagen vier of vijf koningrijken, die zoo groot als en nog veel vruchtbaarder, dan Spanje, zijn. Ja al deze streken waren ongelijk sterker bevolkt en bevatten veel meer menschen, dan de volkrijkste provinciën van Spanje. Maar in de genoemde twaalf jaren en binnen den gezegden omvang vermoordden de Spanjaarden over de vier millioen menschen, die zij met zwaard en lans nederstieten, of levend verbrandden, en dat zonder eenig aanzien van kunne of jaren. Geene menschelijke taal kan al de schrikkelijkheden malen, die te gelijker tijd in verschillende streken, op eene bijzondere of op allerhande wijze, van deze doodvijanden des menschelijken geslachts zijn bestaan en gepleegd geworden."

In deze tijdruimte vinden wij Las Casas in de genoemde schoone en weldadige bemoeijing, in vele landschappen van Peru en Mexico, als een barmhartig Samaritaan, die, in de eigenlijke beteekenis des woords, de wonden der, van de zweepslagen ontvleeschte, Indianen uitwaschte, de builen uitdrukte, de lastige, hier zoo menigvuldige insekten van hen hield, met zachtmoedigheid, deelneming en echte broederliefde hen zocht te bevredigen, hunne beulen van hen af te houden en, van tijd tot tijd, door een echt Apostolisch gedrag, hunne gemoederen met het Heilige bekend en vertrouwd te maken. In die bemoeijingen doorleefde hij vele jaren en nam daarbij nog altijd de strenge regelen der Dominikanen zorgvuldig in acht. Daar zijne vijanden, dat is, de vijanden des regts, der menschelijkheid, der matiging en der billijkheid hem, als een onruststoker, lasterden; omdat hij zich overal de Indianen tegen hunne onderdrukkers aantrok; zoo toog hij in het jaar 1542 nogmaals naar Spanje om zich te regtvaardigen. Ja zelfs de vriendschap van den Onderkoning van Mexico, Don Mendoza, hield hem niet terug van over de Soldaten-dartelheid der Bevelhebbers, over den moordlust en de gruwzaamheid dergenen, die hunne bevelen ten uitvoer bragten, aan het Spaansche hof zijne klagten in te brengen en nieuwe beschermende wetten voor de Amerikanen te bewerken. Met de treffendste welsprekendheid schilderde hij voor eene Vergadering van Godgeleerden en Regtsgeleerden, door den Keizer tot onderzoek der zaak te Valladolid  'zamengeroepen, de schrikkelijke verwoesting der nieuw-ontdekte landen; de geheele uitroeijing der Indianen op de eilanden in gewis minder dan vijftig jaren en derzelver even zoo snelle verdelging op het vaste land. Wie zou denken, dat hij in die schildering tegenspraak ontmoeten kon? Dit evenwel geschiedde. Johann Genesius de Sepulveda,Canonicus te Salamanca en Geschiedschrijver van Keizer Karel V, wedersprak hem niet slechts, maar schreef ook, om de mishandelingen der Indianen naar goddelijke én menschelijke regten te regtvaardigen, een boek onder den titel: Democrates Secundus, seu de justis belli causis; an liceat bello Indos prosequi, auferendo ab eis dominia, possessionesque et bonet temporalia et occidendo eos, si resistentiam opposuerint, ut sic spoliati et subjecti facilius per praedicatores suadeatur eis fides. (Herdrukt te Sevilla in 1552.)

Wie siddert niet bij deze hier uitgedrukte gedachte — bij dit alleen-zaligmakende begrip der alleen-zaligmakende Kerk? Hoe is deze zich toch wel steeds gelijk gebleven en tevens als verstaald geworden in zoodanige menschlievende gezindheden en bedoelingen, ook in latere tijden! De vrome Aartsbisschop van Sevilla, Johann van Zugniga, vond onder de regering van Philippus II een krachtig middel van verdelging uit, dat in 1570 werd ingevoerd onder de naam van Mita, in Nieuw-Spanje Tanda geheeten; hetwelk in eene jaarlijksche opligting van zoo vele manspersonen bestond, als voor het hardste slavenwerk in de bergwerken, bij de parel-visscherijen en tot anderen arbeid noodig waren. Honderd jaren lang was die maatregel in trein. Een waarlijk menschlievend Onderkoning, de Graaf van Lemos, drong in het jaar 1670 op deszelfs afschaffing aan. Dit had een goed gevolg. Alleen een andere vrome Bisschop, Melchior de Linnan, voerde denzelven op zaligmakende gronden weder in. Deze namelijk schreef aan den Koning van Spanje, "dat, zonder gedwongen arbeid, aan het zielenheil van dit, van alle deugden ontbloote en tot alle zonden en goddeloosheden geneigde volk niet was te denken. Dit bleek duidelijk uit de ervaringen der Priesters, (die ook groote voordeelen van de Mita trokken) aan welke gewoonlijk in de Biecht van die Indianen, die in de Mita arbeidden, slechts zoodanige kleinigheden, die naauwelijks absolutie behoefden, maar van de overige de onchristelijkste gruwelen waren voorgekomen. De Mita werd in het jaar 1682 weder ingesteld, en van zes millioen Indianen waren in het jaar 1796 nog slechts 600,000 overig. De waarheid dezer bevinding wordt bevestigd door het werk van Don Juan en Don Antonio de Ulloa,Geheime Narigten van Amerika. Naar de Christelijke inzigten van den vromen Aartsbisschop de Linnan, zoude alzoo de slavernij van het menschelijke geslacht het zekerste middel tegen vervoering, zonde en verdoemenis, gelijk ook de Oorbiecht daarentegen het meest toereikende zijn om deszelfs zedelijk bederf grondig uit te vorschen en hetzelve door dwangwegen voor te komen.

Las Casas moet wel van de meening diens onzinnigen Geloofsijveraars niet zijn geweest; want hij wederlegde het schrift van Sepulveda door zijn boek, hetwelk zijnen zin, zijnen ijver, zijne deugd en zijn streven uitdrukt, drukt, in den reeds aangevoerden titel: Brevissima relacion de la destruccion de las Indias. Zijne berigten daarin zijn schrikverwekkend, en men mogt wenschen te durven gelooven, dat zij overdreven zijn. De Keizer, door deze berigten getroffen, ging tot de begrippen van den Menschenvriend over en gaf in 1543 eene Bewindsbepaling, welke de menschelijkheid ingaf, maar die helaas niet werd uitgevoerd. Las Casas verklaarde in zijn Geschrift openbaar en uitdrukkelijk, dat men de ontvolking van Amerika niet anders kon voorkomen, dan door de inboorlingen voor vrije lieden te erkennen en hen niet meer als slaven, maar als onderdanen, te behandelen. Karel was met den Voorspraak der verdrukten zoo ingenomen, dat hij hem het rijke Bisdom Cuzco in Peru wilde opdragen. Maar Las Casas — en dit verleent aan zijne denkwijs de heerlijkste kroon — nam dit, met vele inkomsten verbondene, ambt niet aan, maar koos zich daarvoor het Bisdom van Chiapa, de hoofdstad der Provincie van denzelfden naam, hetwelk veel te doen, maar slechts een bekrompen inkomen gaf. Sepulveda ging voort, niettegenstaande hij het schrijven van Las Casas, door de daarover ingekomene berigten voor waar moest houden, de verdrukkingen der Indianen naar goddelijke en menschelijke wetten te verdedigen; maar werd daarin nu ook door onzen held krachtig wederlegd. De Keizer droeg aan zijnen Biechtvader Dominico Soto op deze twistvraag te onderzoeken; maar gaf daarover, door andere bezigheden belemmerd, zelf geene beslissing. Intusschen scheepte zich de reeds bejaarde Voorspraak der Amerikanen, zoodra de nieuwe Bewindsbepaling was uitgevaardigd, met vele monniken van zijne Orde naar St. Domingo in. Van daar doortrok hij spoedig, met de bevelen des Keizers in zijne hand, de landen van Mexico, Peru en Granada. Ook naar dit laatste land togen in 1539, zoo als Las  Casas schrijft, meer tirannen, wijl hetzelve edelgesteenten bevatte, en gedroegen zich daar op eene zoo helsche wijze, dat al wat zij en de overigen in andere landen bedreven hadden, hiertegen als niets geacht kon worden. Zijne berigten wegens deze schanddaden zijn intusschen gewis niet overdreven, daar dezelve ook door andere schrijvers in haar geheel bevestigd worden. De grootste Vorsten der nieuwe Wereld stierven door de hand der Spaansche beulen: Guatimozin van Mexico en Atahualpe van Peru, beide aan de galg, Bogota van Granada op den brandstapel. Geene menschen, maar tijgers en hyenaas waren het, die deze landen verwoestten, hunne koningen en inwoners vermoordden, op de oude troonen nieuwe galgen en brandstapels oprigtten en het Paradijs der aarde in een woest gelaten Golgotha verkeerden. Wat konden de arme Indianen dan ook nu nog verder wachten? Paus Paulus III verklaarde hen wel, schoon eerst in zijne Bul van 2 Junij 1537, voor vrijgeborenen, veros homines, fidei Catholicae et Sacramentorum capaces. Maar ook deze, niet meer dan billijke handeling, werd bij den Keizer, die door zijnen invloed weder op het Opperhoofd der Kerke werkte, van Las Casas voortgebragt.

Frans Pizarro— wie siddert niet bij dezen naam? — in zijne jeugd een zwijnenhoeder, die niet kon lezen, wat hem zelfs door eenen Wilden werd verweten, kwam, door Vasco Nunnez de Balbao opmerkzaam gemaakt, in 1525 met zijne bende naar Pachucamak in Peru. Hij verstoorde hier den tempel van de Godin des Lands, liet tegen de inwoners en hunne Vorsten alle bedenkelijke wreedheden bestaan, de maagden, aan de Zon gewijd, door zijne soldaten onteeren, waartoe hij zelf opentlijk het voorbeeld gaf, nam, in 1534, onder het plegen van alle onmenschelijkheden, de schoone hoofdstad Casco in, welke Inka Garcillasso in zijne Geschiedenis der Inka's met Rome vergelijkt en bouwde Lima. Wel liet Keizer Karel V, om meer afschuwelijkheden voor te komen, een eigen Wetboek voor de Amerikaansche Landen zamenstellen en een Koninklijk Geregtshof te Lima oprigten, waarvan hij het Voorzitterschap aan den, van hem aangestelden Onderkoning, Vasco Nunnez Vela, in 1543 opdroeg. Doch deze was in het geheel de man niet, om de razernij der hebzuchtige bende van Pizarro te bedwingen. Gomara zegt, dat de broeder van Pizarro,Gonzalez, dien hij tot Stadhouder van Quito had benoemd, het goud en zilver, dat men had bijeen geroofd, versmelten liet, en dat men 252,000 pond zilver en 13,205,100 pond goud had te zamen geraapt. Een vijfde deel van hetzelve kwam den Keizer toe. Het overige werd onder de Hoplieden, Ruiters en het Voetvolk verdeeld. Een gemeen Soldaat bekwam van 30,000 tot 40,000 dukaten. Voor het arme, door zoodanige bloedhonden verwoeste Land was de Hopman Baco een tijdlang een beschermer, gelijk aan onzen Las Casas. Maar hij werd bij den Onderkoning Vela belasterd en keerde in 1544 naar Spanje terug.

 

In deze zee van onregtvaardigheid, wreedheid en gruwelstukken, welke deze landen, voorheen velden des geluks en des vredes, thans plaatsen van vloek en van verderf, als eene pest dóórtoog, was ook de slechts dropsgewijze toegebragte verligting van den algemeenen nood en eener, jaren en jaren achtereen heerschende ellende, lavend en verkwikkend. Mogt onze edele Menschenvriend ook slechts eene geringe bijdrage, aan het penningsken der weduwe gelijk, daaraan kunnen toevoegen; hij alléén deed toch meer, dan alle anderen te zamen. Wat hij hier echter leed en nog meer, wat hij hier deed: hoe zijne ziel tot eene werkzaamheid werd opgewakkerd, welke ook nog in zijne grijsheid haren gloed behield; hoe hij, vol van den heiligsten moed, in het gevoel van zijn regt, zelfs de wraak des Magtigen trotseerde en luide zijnen vloek uitsprak over den gouddorst, die pijnigde en moordde; over de geloofswoede, die dat lagchend aanzag; en over de staatzucht, die zulks duldde; terwijl zij zelve een onpeilbare afgrond der hebzucht was geworden; daarvan getuigen zijne nagelatene schriften, gelijk ook die van de besten onder zijne tijdgenooten. Bij de grootheid en den omvang zijner bemoeijingen met de offers, welke hij daaronder bragt, willen wij dan ook zijne bezwaarlijke reizen, die hij ten beste der lijdende menschheid ondernam, niet vergeten. Twaalf maal stevende hij in zijne edele bedoeling over den Grooten Oceaan. Deze evenwel was toen nog in het geheel niet, gelijk thans, bekend. Er gingen toen geene geregelde postvaartuigen voor brieven en reizigers heen en weder. Men had toen niet, dan zwaar gebouwde, morsige en vochtige schepen, waarin men slechts van gezouten vleesch leefde en waarop de scheurbuik woedde. Geen Scheepskapitein was toen nog op allerlei gemakken en uitspanningen voor zijne togtgenooten bedacht. Toen beuzelde men ook nog van de zwarte hand des Satans, die over de nog ongekende zee zweefde, de schepen des nachts aangreep en in den afgrond sleepte. Mogten ook latere zeevaarders, als Barrow, Schouten en andere geene woorden genoeg kunnen vinden, om de onbeschrijfelijke woede van den Oceaan, dien Typhon onder de zeeën, te schilderen; dit alles was te vergeefs tegen den stalen moed van onzen Menschenvriend. Wel mag hem ook somwijlen het schrikbarende element zacht en vriendelijk zijn vóórgekomen. Dan, over het geheel genomen, had hij gewis, bij de nog gebrekkige kennis der winden, gelijk bij de toen nog heersende onbedrevenheid in de zeevaartkunde, vreeselijke dagen en nog vreeselijker nachten. Maar tegen dat alles was hij wél toegerust, door tot die Poolstar op te zien, welke nooit verduistert. Zijn schip lag aan het vaste anker van het vertrouwen, dat nooit wankelt, veilig. Hij was met zijn schild en borstharnas steeds wél omgord; en deze beschutten hem in allen strijd, die alléén het ligchaam schaden kon. Ook in den ondoordringbaarsten nacht bleef het Geloof aan God en zijne goede zaak, op elken togt, zijn licht en baken.

Ook in de hemelsche bemoeijing, waaraan hij zich in zijne laatste levensjaren wijdde, wanneer hij over zijne bedrogene verwachtingen luide tegen den Hemel schreidde, maar zich ook weder telkens hervatte en, als man vol moed en kracht, staande bleef en weder voortbouwde aan het gebouw der menschenliefde, om aan verlatenen, geplaagden en gewonden, zoo veel mogelijk, hulp toe te brengen en hun nieuw vertrouwen in te storten, — ook toen traden hem vele en groote zwarigheden in den weg. Aan den éénen kant had hij de Indianen te winnen, die, zoo bitter van de Spanjaarden misleid, tegen iederen vreemdeling mistrouwen, haat en vijandschap koesterden. Aan den anderen kant had hij met de Spanjaarden te doen, die elkeen lasterden en vervolgden, die zich tegen hunne gierigheid en wreedheid kantte. Daarbij kwamen nog de schrikken der Natuur. Juist toch in die landen, in welke Las Casas, bij de wegzinkende zon zijner laatste hoop, arbeidde, woelden 61 vulkanen; en menigmaal verspreidden ook daar aardbevingen en andere vreeselijke natuurverschijnselen angst en ontzetting. Maar niets was in staat den standvastigen strijder te verschrikken, of den vromen lijder in zijnen heiligen ijver af te matten. Wanneer wij ons den edelen Bisschop van Chiapa voorstellen, hoe hij nu eens in eene ontoegankelijke savanne, of in eene rotskloof, of in eene, van de woeste Spanjaards nog niet ontdekte wildernis, van het woud of het gebergte, in eene hut, op palen van essen of tulpenhout, door Lianen vast te zamen gevoegd, onder een dak met zeebladen bedekt, de wonden van eenen ongelukkigen vader met Molubaren-bladenverbindt, arak daarin giet en dan, onder het vervaardigen van matten uit kokos-ranken, de droevige, weenende familie troost; dan weder, van andere Indianen gewenkt, zich tegen een nieuw schurkenstuk der Spanjaarden met kracht verzet, terwijl de schelmen voor zijnen aanblik vlieden; hoe hij eenen ouden naakten Indiaan, wien het bloed van zijn ontvleescht ligchaam stroomt, terwijl zijne pijnigers hem aan eenen boomstam gebonden en aan eene oneindige menigte kleine insekten, wier steek eene onverdragelijke pijn verwekt, prijs gegeven hebben, losbindt, reinigt, op zijne schouders legt en naar zijne hut draagt; hoe hij ook dan weder den om hem verzamelden Indianen, die hem Vader noemen, het Woord des Levens verkondigt en hun zegt, dat de Eeuwige, dien zij onder het beeld der Zon gewoon zijn aan te bidden ook zijn en aller menschen God en Vader is; dat, wie hem regt leent en bemint, ook den doodvijand met verschoonende, vreedzame en grootmoedige gevoelens tegenkomt en hem vergeeft, terwijl hij belijden moet, dat hij zelf vol gebreken en zonden is; wanneer wij ons voorstellen, hoe Las Casas met hulp der zachtmoedige leer van het Evangelie rust en troost aan veler Indianen harten schenkt, hun leert, dat zij door het bittere gevoel van haat hun lijden verzwaren, en hun het uitzigt in een beter leven opent, in hetwelk geen haat, geen nijd, geene vervolging plaats zal vinden; waar de ziel van eenen armen bergwerker niet minder waard zal zijn, dan die van eenen koning; wanneer wij ons daarbij voorstellen, hoe hij, als een echte Priester des Allerhoogsten, de gebogene Indianen in eene eenvoudige kerk, van hout gebouwd, met Barula-bladeren bedekt, met zich voert en hun Dien kennen leert, van wien alle goede èn volkomene gaven afdalen; dan buigen wij ons voor de grootheid des Mans, die, als een waardige Navolger zijns Heeren, als een Apostel, als een Bevrijder van velen der ongelukkigste menschen, die ooit bestonden, veel hooger stond, dan ook de Vorsten van zijnen tijd. .

Maar ook van anderen verlangde hij dezelfde pogingen. Om tegen het slavenlot der Indianen iets krachtigs te bestaan, vermaande hij in een geschrift de Biechtvaders, (el Confessionario) aan geenen Spanjaard absolutie te geven, die aan zijne Amerikaansche slaven de vrijheid weigerde. De gezamenlijke Bisschoppen der nieuwe wereld bevestigden op eene, te Mexico gehoudene bijeenkomst, dit besluit; en de Hooge Raad van Indië vond hetzelve, op een ingewonnen goedachten der Geestelijken, niet onbillijk. Maar des te heviger ontbrandde de haat dergenen, tegen wie het van Las Casas uitgevaardigde besluit gerigt was. Er ontstonden onrustige bewegingen, zelfs in Chiapa, en van alle de daaruit te wachtene gevolgen moest de Bisschop Las Casas de schuld dragen. Albornez, Hoogleeraar in de Regten te Mexico, schreef tegen hem, en, ofschoon zelfs de Inquisitie aldaar het schrijven van dezen Man veroordeelde, zoo verminderde evenwel de haat tegen den edelen Bisschop niet. Veelmeer werd hij over het stichten van oproer en verkorting der Koninklijke regten over Amerika verklaagd en gevangen naar Spanje gevoerd. Met zegevierende gronden verdedigde hij zich voor den Raad van Indië, en bekwam hij de voldoening, dat de Keizer en zijn Raad hem van alle schuld vrijspraken. Daar zijn hooge ouderdom (hij was 77 jaren) hem nietmeer veroorloofde naar Amerika terug te keeren, zoo legde hij, nadat, hij voor zijn toenmalig Bisdom Chiapa, gelijk ook voor de oude Indiaansche stad Los Indos en de Spaansche hoofdstad Ciudad Real (4) de vrijheid erlangd had, welke hij zoo gaarne voor allen zou verkregen hebben, die hij in zijn menschlievend harte sloot, zijne bisschoppelijke waardigheid in het jaar 1551 neder en leefde van nu af aan te Valladolid. Maar ook toen nog hield hij niet op voor de ongelukkige Indianen te spreken, te bidden, te werken en te schrijven. Toen Karel V in het jaar 1556 de Spaansche kroon aan zijnen zoon Philippus II had overgegeven, begaf Las Casas zich tot dezen naar Madrid, om hem gunstige gezindheden jegens de Amerikanen aan te prijzen. In zijn negentigste levensjaar schreef hij zijn laatste boek. Twee jaren daarna stierf hij, den 31 Julij 1566, te Madrid, in het twee en negentigste jaar van zijnen ouderdom. Hij werd aldaar in de kerk van het klooster der Dominikanen van Atocha begraven, tot wier Broederschap hij behoorde. Doch de monniken van hetzelve weten niet, waar zijn gebeente rust.

Het grootste deel van zijn lang leven offerde hij op aan de poging om zich de Amerikanen tegen hunne onderdrukkers aan te nemen en geregtigheid, billijkheid en barmhartigheid voor hen af te smeeken. Voor het aangezigt der Bewindslieden, die de Amerikaansche schatten onder zich verdeeld hadden, verdedigde hij de van hen verdrukte onschuld met een vuur, met eene schranderheid en

volharding, welke hem de achting van alle tijden verzekeren; ja hij deed dit zelfs voor den troon van den magtigsten Keizer. Waar ook thans nog eenige afkomelingen van de ongelukkige slagtoffers der Spaansche geldzucht voor handen zijn, daar verhalen zij met eenen steeds vernieuwden gloed van welsprekendheid, wat aan hunne voorvaderen is geschied; hoe zij gepijnigd en gemarteld zijn. Ja nog verhalen zij het van geslachte tot geslachte, hoe de Beulsknecht Pizarro er duizenden slagtte, en zich, als op zijne schoonste daad, op den brand van Ecya beroemde, toen hij de stad met brandstapels omgaf, dezelve liet aansteken en 25,000 inwoners in den walm verslikken, omdat zij geene Christenen wilden worden. Maar zij voegen er dan ook, met tranen in de oogen bij, wat deze Menschenvriend, hun Beschermer en Vader, voor hen deed, leed en ondernam, en hoe door hem alleen de donkerste nacht des jammers, niet starrenloos gebleven is. Ofschoon hij zijne bedoelingen slechts zeer onvolkomen bereikte, zoo zijn toch zijn ijver, zijne volharding en standvastigheid, gelijk ook zijn gevoelen, zoover het geheel instemde met het gebod der Christelijke liefde en slechts dat geloof, hetwelk zich door liefde werkzaam betoont, het regte is, op het hoogst te bewonderen en te prijzen. Daarmede zijn dan ook zij, die het regte zaligmakende geloof slechts in den mond voeren, vooral wanneer het zich in geloofsdwang, vervolging en dweeperij werkzaam betoont, gewogen en te ligt bevonden. Mogen dan ook al in zijn, meermaal aangehaald, hoofdwerk hier en daar ligte overdrijvingen voorkomen (Gregoire evenwel Apologie de B. de las Casas, in 4deelen, van zijne Memoires en Llorento in zijn bekend werk over de Spaansche Inquisitie verdedigen hem in zijn hoofdwerk ook in dit opzigt) zoo behoort hij nogtans buiten twijfel totde barmhartige Samaritanen, . van welke Jezus zegt: "ga heen en doe desgelijks." Hem komt eene plaats onder de Heiligen der menschheid toe, en zijn naam schittert boven duizenden in het groote boek der eeuwige Regtvaardigheid.

Behalve zijn hoofdwerk liet hij nog meerdere, tot gelijk oogmerk vervaardigde schriften, na, bij voorbeeld: "Explicatio quaestiones utrum reges vel principes jure aliquo vel titulo, et salva conscientia, cives ac subditos a regia corona alienare et alterius domini particularis ditioni subjicere possint."

Ookzijn er eenige godgeleerde en zedekundige schriften van hem gedrukt, en worden er in de Bibliotheek van Mexico drie foliobanden met handschriften van hem gevonden, van welke de Bibliotheek der Akademie te Madrid een afschrift bezit. Het zijn Gedenkschriften, officiële en vriendschappelijke brieven, staatkundige en godgeleerde verhandelingen.

Tot verdediging van onzen Held en tot bevestiging van het reeds door ons gezegde moge nu nog alleen het eene en andere uit de geheime narigten van Juan de Ulloa over Amerika dienen, welke de Engelschman Barry eerst voor korten tijd heeft aan het licht gebragt. Zijn schrijver namelijk stelt in deszelfs tweede deel het despotismus voor, hetwelk nog in de jaren 1735 tot 1744, toen die reiziger zich daar bevond, op deze landen drukte. Wanneer men zijne hartbrekende schildering daarvan in aanmerking neemt, dan valt het niet meer te verwonderen, dat de bevolking der inboorlingen van Peru, die zes millioenen bedroeg, tot op eene halve millioen versmolten is. De onregtvaardigheden, welke de, op hunne beschaving, trotsche Spanjaarden zich veroorloofden, verschijnen hier nog honderdmaal afschuwelijker, dan die der wildste Barbarenhorden. De slechtheid van het regeringstelsel en vooral de bedorvenheid der beambten was zoo groot, zoo, diep ingeworteld, dat dat men wel vragen mag, hoe zulk een hoogst onzinnig bestaan ook maar één enkel jaar heeft kunnen voortduren. En evenwel duurde het eeuwen lang. Eene en dezelfde aanbidding, die namelijk van het Gouden Kalf, vond men bij al de tirannen van dat ongelukkige land. De Onderkoning gaf daar het voorbeeld van; en Peru was voor zijne hebzucht eene onuitputtelijke mijn. Liepen er Bevelschriften van den Koning in, om der onverzadelijkheid paal en perk te stellen, zoo kuste hij, die het bevel in handen kreeg, hetzelve, en zeide: "ik gehoorzaam; maar ik protesteer tegen dat bevel en zal het niet uitvoeren." Alle ambten en eereposten, gelijk ook de geregtigheid zelve, waren voor geld te koop. De monniken gaven zich even zoo onbeschaamd, als de wereldlijken aan alle losbandigheden over; want men zoekt — zegt Barry, die daar was opgevoed, — de monniken voor Zuid-Amerika uit de zoodanige, die uit de kloosters van Spanje zijn weggejaagd. Naar hetgene hier de Berigtgevers verder aanmerken, was het gedrag der Spanjaarden omtrent de Kreolen, hoe afschuwelijk op zich zelve, toch, in vergelijking met dat omtrent de oorspronkelijke bewoners, nog een voorbeeld van zachtmoedigheid. "Men weet, (dus leest men in een Uitttreksel van dat Berigt in de Unterhaltungsblättern für Welt- und Menschenkunde, 4 Jahrgang, 1827. bl. 336 enz.) dat de onverzadelijke hebzucht der Spanjaarden in het bezit van Amerika slechts het doel voor oogen had om deszelfs schatten te ledigen. Men kent ook het middel, dat zij daartoe langen tijd bij voorkeur hebben aangewend. Het bestond daarin, om alle Indianen, van 18 tot 56 jaren aan een jaarlijksch hoofdgeld van acht piasters te onderwerpen. Met deze afpersing was langen tijd nog eene andere verbonden, waarvan de gruwzaamheid zelfs de Oostersche willekeur te boven ging, die namelijk der zoogenaamde Repartimiento’s, wat men door gedwongen aankoop kan overzetten." Nu gaan de Berigtgevers aldus voort: "De Corregidoren (Overheidspersonen) kwamen dikwijls in eenen zeer jammerlijken toestand naar Peru. Maar de kooplieden van Lima gaven hun alle mogelijk krediet. Zij raapten dan bij die kooplieden alles te zamen, wat deze niet meer konden afzetten en voerden het naar de hoofdplaats hunner distrikten. Daarop bezochten zij in persoon al de dorpen onder hun bereik, schreven de namen van de hoofden der gezinnen op, en verdeelden de waren onder dezelve, zonder zich er om te bekommeren, of zij die al of niet behoefden (bij voorbeeld: scheermessen voor menschen, aan welke de Natuur den baard geweigerd had; boeken in talen, die zij niet verstonden; papier, landkaarten, brillen, knoopen enz.; zonder over het tal en de waarde met hen overeen te komen, waaromtrent zich de onverzadelijke hebzucht alleen de bepaling voorbehield.) Men kan zich de vertwijfeling der ongelukkigen voorstellen, die nu deze waren verkregen en betalen moesten. Zij mogten door hunne Caziken zoo vele tegenbedenkingen maken, als zij wilden, op hunne armoede wijzen en zweren, dat zij in waarheid niet het geringde gebruik van de hun toegekomene artikelen maken konden; de Corregidor beantwoorde hunne klagten met de bedreiging van hen gevangen te zetten, wanneer de gevorderde som niet op eenen bepaalden dag was afbetaald.

"Maar de Repartimiento's — varen de Berigtgevers voort — zijn niets in vergelijking der Mita of van den dwangdienst der Indianen. Ieder dorp wordt genoodzaakt jaarlijks zijn contingent te leveren, dat onder de Spaansche zweep, in de mijnen en meijerijen der Regering en in de fabrijken moet arbeiden." Geheele volksstammen worden daardoor verdelgd. Men dreef ze bij duizenden te zamen; maar gaf hun geene of althans geene toereikende levensmiddelen. De levenden moesten de verhongerden begraven, tot dat ook de beurt aan hen kwam om den hongerdood te sterven. Deze ongelukkigen— heette het — hadden maar één jaar te dienen. Doch onder verschillende voorwendels verlangde men hunne slavernij tot op eenen onbestemden tijd. Ieder van hen zou voor 300 werkdagen (de Zon- en Feestdagen maakten de overige 65 uit) van 14 tot 18 piasters loon ontvangen. Die krank werd moest zoo vele dagen, als hij daardoor verzuimd had, inhalen. Op de 18 piasters werden 8 tot betaling van het hoofdgeld, 2½ voor kleeding, en 7¾ voor voeding afgetrokken; zoodat er ten laatste niets overig bleef.

Maar dit is nog alles niet. Daar de kleine hoek gronds, welke men den Indiaan ten eigen nutte aanwijst, niet toereikende is, om zoo veel maïs, als hem voor zijne behoeften dienen moet, voort te brengen, zoo is hij genoodzaakt eene halve Fanega (een schepel zaaikoorn) buitendien van zijnen Heer te koopen, die hem dezelve voor zes realen, dat is tweemaal zoo duur, als zij werkelijk waard is, toerekent, waardoor hij hem, aan het einde des jaars, negen piasters (alzoo anderhalf piaster meer, dan hij gewonnen heeft), schuldig is. Voor de betaling daarvan moet hij dan ook nog het geheele tweede jaar dóór werken, waardoor hij evenwel nog niet vrij wordt en zich ten slotte tot eene eeuwige slavernij veroordeeld ziet. Om nu eindelijk dit schandstuk de kroon op te zetten, moet de schuld van den vader ook nog op de kinderen overgaan. Deze blijven dan ook nog zoo lang onder het juk, tot dat hun tiran door buitengewone omstandigheden gedwongen wordt hun de vrijheid te geven; wat evenwel maar zeer zelden plaats vindt. De Indiaan (hem evenwel en hem alleen behoorde het Land, waarvan hij voorheen heer en eigenaar was, nu slaaf is) de Indiaan, die zich naar de mijnen of de manufakturen moet begeven, verlaat zijn gezin eveneens, alsof men hem tot eenen zekeren dood voerde. Hij mag niet hopen hetzelve ooit weder te zien. Nog meer. Ook de Priesters, wier heilige pligt het was hen te beschermen of althans te troosten, vermeerderen den ijzingwekkenden toestand dier ongelukkigen. Zij vinden nieuwe Heiligen uit om de feestdagen uit te breiden, laten de inboorlingen de Missen, de Processiën, den wierook, de kaarsen, zoo wel als de eijeren en het gevogelte betalen, terwijl die arme lieden zich met kruiden en wortelen moeten behelpen. Laat de Indiaan bij zijnen dood geen geld genoeg na om de beaarding en de gebruiken daarbij te kunnen voldoen, zoo wordt zijn ligchaam aan de honden en de gieren overgelaten. Blijft er eenig eigendom van den verstorvene over, zoo maakt de Geestelijke, ongeacht alle tegenspraak der naastbestaanden, de prachtigste beaarding en brengt daarvoor zijne rekening in; welke meesttijds de geheele nalatenschap verslindt. En welke weldaad schonken daarvoor de Spanjaarden en die Priesters aan de Nieuwe Wereld? Verre er van daan, dat men den Indiaan de Zedeleer of de Heilige Verborgenheden zou verklaren, laat men hen dagelijks, een half uur lang, Spaansche verzen opzingen, waaraan zij geenen zin verbinden kunnen, omdat zij dezelve niet verstaan." De zedelijke en godsdienstige toestand is, sedert de verovering van Peru, in niets verbeterd. Zoo is de Spaansche tirannij, welke drie eeuwen lang op Zuid-Amerika drukte, ontsluijerd, niet slechts door het Geschrift van Ulloa, maar ook door het voor korten tijd uitgekomene werk van Navarette. Mag de Geschiedschrijver na zoodanige, van onpartijdige mannen voorgelegde bewijzen, niet met vollen grond beweren: Las Casas heeft toch wel niet te veel gezegd; niet te veel van den druk, welke op de helft lag van dit werelddeel; niet te veel, als hij schrijft, "dat alle ondeugden, welke door eigenbaat hebzucht, vadzigheid en overdaad kunnen verwekt worden, zich hier in volle kracht vertoonden; zoodat de vrome Priester Gods de Spanjaarden, reeds 16 jaren na hunne aankomst, als het uitvaagsel en het schuim des menschdoms mogt beschrijven. Wanneer in lateren tijd Spaansche beulsknechten de tabaksplantingen der Indianen nog verstoren en henzelven als slaven wegvoeren, wijl de aanplanting van dit kruid als een voorregt der Koninklijke beambten, gelijk de aanbouw van het suikerriet, hun verboden is; wanneer men voorbedacht, ook in nog latere tijden, niets deed, om de Indianen uit hunne groote onkunde te trekken, maar hen steeds dieper daarin dompelde (het was verboden scholen of universiteiten te stichten; het was verboden zonder allerhoogste bewilliging naar Europa te komen,) wanneer Karel V en zijne opvolgers spoedig de Leenbezittingen (Encomiendo’s) introkken en verdrongen, die alle vóór en na met de kroon vereenigden en daaraan alle zoodanige middelen van bestaan toekenden, welke winst aanbragten; wanneer personen, die ter verdediging van het regt, de waarheid en de onschuld zijn aangesteld, het ongestraft mede aanzien, hoe een Spaansche aterling, een nabuur eener ongelukkige familie van Indiaanschen stam, welke met haar zweet den grond van eenen kleinen eigendom aan het woud ontwoekerd en denzelven vruchtbaar gemaakt heeft, de leden van dit arbeidzaam gezin, achter eene haag liggende en loerende opwacht en hen met een vuurschot, als waren het dolle honden, nedervelt, hen dan niet eens onder de aarde delft, maar den Jaguaren overlaat, en dan nog over het, door zulk een gruwelstuk verworvene, armzalige bezit niet in het minst bekommerd, den volgenden zondag zijne daad biecht, met penitentie van twee of drie Piasters met de kerkekas afrekent, vrijgesproken wordt, een zoo goed Christen (ja een zoo goed,) als voorheen is en blijft; hoe kan dan de onderzoeker der Geschiedenis, na alle zoodanige en dergelijke schanddaden anders oordeelen, dan: "Hoewel reeds vele, oude en nieuwe geweldigen en veroveraars hunne rijken en bezittingen op bloedig onregt grondden; zoo wijst toch de geschiedenis niets gruwzamer en schrikkelijker aan, dan de verovering en magtvoering der ongelukkige landen, voor welke Las Casas al zijne krachten, geheel zijn langdurend leven heeft besteed."

Wanneer nu in onze dagen juist in Hayti, (Hispaniola, Domingo) waar Columbus in 1498 de eerste kolonie stichtte en de Spanjaarden in korten, tijd een millioen inwoners verdelgden, uit Frankrijk, aan hetwelk in 1697 het westelijk deel van dit eiland, door Spanje was afgestaan, overeenkomstig het besluit der Nationale Conventie van 4 Februarij 1794, eerst de vrijheid der Negers verklaard, de Engelschen, die zich tegen de omwenteling verzetten, verdreven, alle Blanken gedood of op de vlugt gejaagd werden, Toussaint l'Ouverture den 9den Mei 1801 aan het eiland eene Constitutie gaf, welke de slavernij afschafte en sedert dien tijd de onafhankelijkheid van Hayti is erkend; wanneer, in de daaraan volgende jaren, Portugeesche, Spaansche, Fransche en Engelsche volkplantingen, deeene na de andere, tegen hunne dwangheeren opstaan, in Caracas, juist het eerst onder de kolonisten van het vaste land, den 24sten November 1808 de stem der onafhankelijkheid voor de zeven Vereenigde Staten van Venezuela klonk en, na den, voor ondoenlijk gehouden, togt van Bolivar in Junij 1819, over den 12,000 voet hoogen Parama de Chita en het daardoor te eer wél gelukken van den slag bij Bayaca op den 7den Augustus, reeds den 17den December 1819 deze verklaring van onafhankelijkheid uitgebreid en in 1821 de nieuwe republiek Columbia gevestigd werd; wanneer in 1816 de republiek La Plata, in 1818 Chili, 1821 Peru, van 1810 tot 1823 Mexico, in 1823 Guatimala, 1831 Brazilië ontstonden en de Spanjaards bijkans geheel van het vaste land van Amerika zijn weggedreven: zoo verneemt de wijze Geschiedkenner, die niet slechts op het tegenwoordige ziet, maar ook het schrikkelijk verledene, waarop wij een blik geslagen hebben, met onpartijdigheid en bedachtzaamheid overpeinst, niet minder dan uit de verwarringen, de onrust en den betreurenswaardigen toestand, waarin vele, anders hoogst vruchtbare rijken van ons werelddeel, zich sedert lang bevinden, na de weeklagt der onschuld, na de zuchten van menig gebroken menschenhart, na den jammer veler volken, de stem der wereldgeest: Ik zal het vergelden.


Noten:


(1) Men noemde de inwoners van Amerika langen tijd Indianen, omdat de ontdekkers en veroveraars van dat werelddeel langen tijd waanden, dat het een deel van Indië was.


(2) Eene soort van konijnen, naar de eigene woorden van Columbus, smakelijker dan de gewone en zoo talrijk, dat een Indiaansche knecht met zijnen hond er dagelijks van 15 tot 20 aan zijnen Heer levert.


(3) Nog tot op dezen tijd beschermt Frankrijk op zijnen eigen grond dezen schandelijken handel. Hiervan spreken opentlijk de Akten van het Engelsche Parlement. (Zie Parliamentary Papers Class A. p. 13 en de Memoriën van Andrada,) Vooral bloeit deze schandelijke handel in Nantes, waar de namen der Handelaars in slaven openlijk genoemd worden. Het Gouvernement van dat Land neemt wel de houding aan, als wierd daardoor aan deszelfs vlag schade toegebragt, voor zoover de Engelschen de schepen, met Negers bevracht, nemen en naar Siërra Leona voeren. Het ergste intusschen is, dat de Slavenhandelaars van andere volken dezen handel onder Fransche vlag voortgaan te voeren. In West-Indië drijven de Franschen, die in het (den 30sten Mei 1814) tusschen hen en Engeland geslotene Vredesverdrag, gelijk ook in het Toevoegsel van 20 November 1815 de afschaffing van den verworpen slavenhandel beloofden, dien handel, even zoo ijverig als de Spanjaarden, met dezelfde woede als voorheen. Ziedaar het volk, dat zoo luid, zoo schreeuwend, zoo beleedigend dikwijls van menschenregten durft gewagen. Tachtig schepen dienen in Nantes voor den slavenhandel. Zoo vindt men altijd en overal menschen, die de woorden godsdienst en deugd telkens in den mond voeren, maar door hunne daden bestendig wedersproken worden.


(4) De inwoners dezer landstreek, welke tot de Provincie Quatimala behoort, vervaardigden toen reeds kleederstukken uit vederen en bonte wollen stoffen, waren schilders, toonkunstenaars, en zijn een sprekend bewijs, welke voordeden de Spanjaarden van hen getrokken zouden hebben, wanneer zij hen rnenschelijk behandeld hadden.


* * *

Naar boven