Home

Titelpagina Bekentenissen van een Engelse opiumslikker

Portret Thomas de Quincey

BEKENTENISSEN VAN EEN ENGELSE OPIUMSLIKKER


Uit het "London Magazine" van September 1821.

AAN DE LEZER

Ik doe u hier, welwillende lezer, verslag van een opmerkelijke periode uit mijn leven: ik vertrouw erop dat het, zoals ik die heb beschreven, niet alleen een interessant verslag zal zijn, maar ook in grote mate nuttig en leerzaam is. Met die hoop heb ik het opgeschreven; en dat moet mijn verontschuldiging zijn voor het verbreken van dat broze en achtenswaardige voorbehoud dat ons grotendeels weerhoudt van het openbaar maken van onze eigen dwalingen en zwakheden. Voor het gevoel van de Engelsman is eigenlijk niets zo stuitend als het tafereel van iemand die opdringerig onze aandacht vraagt voor zijn morele etterbuilen en littekens, en dat "keurige gordijn" wegtrekt dat tijd of toegeeflijkheid voor de menselijke zwakheid daar voor zou hebben kunnen schuiven; vandaar dat het grootste gedeelte van onze bekentenissen (dat wil zeggen, spontane en niet voor de rechtbank afgelegde bekentenissen) kennelijk gedaan wordt door wereldse lieden, avonturiers of zwendelaars. Voor al die nodeloze zelfvernederende uitingen van mensen van wie verondersteld kan worden dat zij welwillend staan tegenover het fatsoenlijke en zichzelf respecterende deel van de maatschappij, moeten we kijken naar de Franse literatuur of naar het deel van de Duitse, dat aangetast is door de onechte en gebrekkige sentimentaliteit van de Fransen. Ik heb daar zoveel last van en ben zo gevoelig voor het verwijt dat ik me daar ook schuldig aan zou kunnen maken, dat ik maandenlang geaarzeld heb of het wel gepast is als dit of een ander gedeelte van mijn relaas het publiek nu al onder ogen zou komen, of pas na mijn dood (als het in zijn geheel om uiteenlopende redenen gepubliceerd zal worden); en niet zonder angstvallige afweging van de argumenten voor en tegen deze stap, heb ik tenslotte toch besloten die te nemen.


Uit een natuurlijk instinct schrikken schuld en ellende terug voor de aandacht van het publiek: ze vragen om geheimhouding en eenzaamheid; en zelfs bij het kiezen van hun graf zullen zij zich af en toe afzonderen van de gewone bevolking van het kerkhof, alsof ze de aanspraak op het lidmaatschap van de grote mensenfamilie afwijzen en (in de aangrijpende woorden van Wordsworth)


Nederig uiting willen geven

Aan boetvaardige eenzaamheid.


Dat is over het geheel genomen goed en in ons aller belang moet dat ook zo zijn: zelf zou ik niet graag voorbij willen gaan aan dergelijke heilzame gevoelens, en ook niet in woord of daad iets doen om ze te verzwakken; maar omdat enerzijds mijn zelfverwijt niet een bekennen van schuld inhoudt is het anderzijds mogelijk dat, als ik dat wel zou doen, het voordeel dat voor anderen zou voortvloeien uit een verslag van een zo duur betaalde ervaring, door een groot overwicht, al het van de door mij vermelde gevoelens aangedane geweld zou kunnen goedmaken en het overtreden van de algemene regel zou kunnen rechtvaardigen. Zwakheid en ellende houden niet noodzakelijkerwijs schuld in. Zij komen voort of wijken terug uit schaduwen van dat duistere verbond, afhankelijk met de waarschijnlijke motieven en verwachtingen van de overtreder en de, bekende of verborgen, verzachtende omstandigheden van de overtreding; naar gelang waarin vanaf het begin de verleidingen ertoe krachtig en de weerstand ertegen, in daad of inspanning, tot het laatst toe oprecht waren. Wat mijzelf betreft zou ik, zonder waarheid of fatsoen geweld aan te doen, kunnen bevestigen dat mijn leven alles bij elkaar genomen dat van een filosoof is geweest: vanaf mijn geboorte ben ik gekneed tot een intellectueel en mijn bezigheden en genietingen zijn, zelfs vanaf mijn schooljaren, altijd intellectueel in de beste zin van het woord geweest. Al is opiumslikken een zinnelijk genot en moet ik toegeven dat ik mij daaraan zo overmatig te buiten ben gegaan als nog nooit eerder van iemand is beschreven [1], toch is het niet minder waar dat ik met een religieuze ijver gevochten heb tegen deze fascinerende betovering en ten slotte iets heb volbracht dat ik nog nooit aan iemand anders heb horen toeschrijven—en de vervloekte keten die mij boeide bijna tot de laatste schakel heb verbroken. Een dergelijke zelfoverwinning zou redelijkerwijs op kunnen wegen tegen elk soort of mate van buitensporigheid. Ik hoef niet te benadrukken dat in mijn geval de zelfoverwinning onbetwistbaar was en ik mijn onmatigheid spitsvondig aan twijfels onderwierp, voor zover de betekenis van dat woord óf uitgebreid kan worden tot handelingen die louter gericht zijn op verlichting van pijn, óf beperkt moet worden tot het opzettelijk gericht zijn op genot.


Daarom beken ik geen schuld en als ik het wel zou doen, zou ik misschien toch nog besluiten door te gaan met deze bekentenissen vanwege de dienst die ik daarmee zou kunnen bewijzen ten behoeve van de hele groep opiumslikkers. Maar wie zijn dat? Lezer, het spijt me te moeten zeggen dat het er inderdaad heel veel zijn. Dat werd me een paar jaar geleden duidelijk toen ik in een kleine groep in de Engelse samenleving (de groep die zich onderscheidde door talent of hoge positie) een opsomming maakte van de mensen van wie ik, direct of indirect, wist dat ze opiumslikker waren; zoals bijvoorbeeld de welbespraakte en vrijgevige…., wijlen de Deken van…., Lord…., de filosoof …., een voormalig staatssecretaris (die mij, in precies dezelfde bewoordingen als de Deken van…., het gevoel beschreef dat hem voor het eerst tot het gebruik van opium aanzette, namelijk "dat hij het gevoel had dat er ratten aan zijn maagwand knaagden en vraten"), de heer…., en vele andere nauwelijks minder bekende personen, maar het vermelden van hen zou een saaie opsomming worden. Als, met andere woorden, een enkele zo betrekkelijk kleine groep al een zo groot aantal gevallen zou kunnen opleveren (en dat ook nog voor zover een enkele onderzoeker dat weet), zou daar vanzelfsprekend uit afgeleid kunnen worden dat de hele bevolking van Engeland een evenredig aantal zou opleveren. Ik twijfelde echter aan de juistheid van die conclusie, totdat mij een aantal feiten ter ore kwamen, die mij ervan overtuigden dat ik het bij het rechte eind had. Ik zal er twee noemen. Ten eerste: drie achtenswaardige Londens drogisten, gevestigd in ver uiteenliggende wijken in Londen, bij wie ik toevallig onlangs kleine hoeveelheden opium had gekocht, verzekerden me dat het aantal niet-professionele opiumslikkers (zoals ik ze zou willen noemen) in die tijd enorm was; en dat het probleem om onderscheid te maken tussen mensen voor wie door verslaving opium noodzakelijk was geworden en degenen die het aanschaften omdat ze zelfmoord wilden plegen, hen elke dag weer zorgen en ruzies opleverden. Dat gold alleen voor Londen. Maar ten tweede,—wat de lezer misschien nog meer zal verbazen—een paar jaar geleden werd mij, op doorreis in Manchester, door een paar katoenfabrikanten verteld dat hun arbeiders zich in snel tempo overgaven aan het opiumslikken, zozeer dat op zaterdagmiddag de toonbanken van de drogisten bezaaid lagen met pillen van een, twee of drie grein, die daar al klaar lagen voor de bekende vraag van die avond. De directe aanleiding voor die gang van zaken waren de lage lonen, waardoor de arbeiders zich destijds niet konden permitteren zich te buiten te gaan aan bier of sterke drank, en het viel te verwachten dat aan die praktijk een einde zou komen als de lonen stegen; maar omdat ik niet zomaar geloof dat iemand, die een keer de goddelijke weelde van opium heeft geproefd, daarna weer zal terugvallen op de banale en sterfelijke genoegens van alcohol, is het voor mij vanzelfsprekend


Dat zij, die nooit eerder slikten, nu wel slikken

En zij die altijd al slikten, nu des te meer slikken


In feite wordt de fascinerende kracht van opium zelfs onderkend door medische auteurs, die daar de grootste vijand van zijn. Vandaar dat bijvoorbeeld Awsiter, de apotheker van het Greenwich-ziekenhuis, in zijn "Essay over de Werking van Opium" (gepubliceerd in 1763), toen hij probeerde uit te leggen waarom Mead onvoldoende duidelijk was geweest over de eigenschappen, tegengiften enz., van dat medicijn, zich uitdrukte in de volgende geheimzinnige bewoordingen (φωναντα συνετοισι): "Misschien dacht hij dat de aard van het onderwerp te gevoelig lag om openbaar te maken; en mensen het dan lukraak zouden gaan gebruiken, waardoor het ontdaan zou worden van de noodzakelijke angst en voorzichtigheid, die hen ervan zou weerhouden van het ervaren van de grote kracht van dit medicijn. Als het namelijk algemeen bekend zou worden hoeveel mogelijkheden in die drug schuilen, zou dat kunnen leiden tot verslaving en bij ons tot een grotere vraag dan bij de Turken zelf; "het gevolg van die kennis," voegt hij daaraan toe, "zal ongetwijfeld een grote ramp betekenen." Ik ben het er niet helemaal mee eens dat die conclusie onvermijdelijk is; maar aan het slot van mijn bekentenissen zal ik van de gelegenheid gebruik maken om op dit punt terug te komen. Dan zal ik de lezer de moraal van mijn verhaal uit de doeken doen.

INLEIDENDE BEKENTENISSEN

De schrijver heeft het om de volgende drie verschillende redenen gepast geacht om deze inleidende bekentenissen of het relaas van de voorvallen uit zijn jeugd, die de basis legden voor zijn latere verslaving aan opium, vooraf te laten gaan:


1. Om vooruit te lopen en een afdoende antwoord te geven op de vraag, die zich anders op een pijnlijke manier zou opdringen in de loop van de Opiumbekentenissen—namelijk "Hoe een weldenkend iemand ertoe gekomen is zichzelf aan zo’n juk van ellende te onderwerpen; zichzelf vrijwillig zo’n slaafse gevangenschap op de hals heeft kunnen halen en zich doelbewust heeft kunnen kluisteren met die zevenvoudige ketens?"—een vraag die, als die niet op een of andere manier geloofwaardig beantwoord wordt, door de verontwaardiging die zo’n daad van lichtzinnige dwaasheid zou kunnen oproepen, ongetwijfeld afbreuk zou doen aan de mate van welwillendheid die hoe dan ook onmisbaar is voor de bedoelingen van een schrijver.


2. Om de lezer een sleutel te verschaffen voor sommige gedeelten van de fantastische taferelen die later de dromen van de Opiumslikker bevolkten.


3. Om bij voorbaat al wat belangstelling van persoonlijke aard te kweken voor de aflegger van deze bekentenissen, afgezien van de bekentenissen zelf, waardoor die alleen maar interessanter kunnen worden. Als iemand, "die alleen maar over koeien praat," een opiumslikker zou worden, zal hij waarschijnlijk (als hij maar niet zo saai is dat hij helemaal niet droomt) over koeien dromen; terwijl de lezer in het onderhavige geval zal ontdekken dat de Opiumslikker er prat op gaat dat hij filosoof is en dat zodoende het schimmenspel dat in zijn dromen wordt opgevoerd (wakend of slapend, dag- of nachtdromen), behoort bij iemand bij wie als zodanig niets menselijks vreemd is.


Onder de voorwaarden die schrijver dezes onmisbaar acht om enige aanspraak te kunnen blijven maken op de benaming filosoof, valt niet alleen het beschikken over een voortreffelijk analytisch functionerend verstand (wat dat betreft kan Engeland echter al een paar generaties maar een paar mensen laten zien die daar aanspraak op kunnen maken; hij heeft in ieder geval geen weet van ook maar één bekende gegadigde voor die eer, iemand die duidelijk een scherpzinnige denker genoemd kan worden, met uitzondering van Samuel Taylor Coleridge en, binnen een beperkter denkraam, de sinds kort befaamde [2] David Ricardo) maar ook over een zodanig geheel van morele eigenschappen, dat die hem een innerlijk oog en de intuïtieve kracht geeft voor het doorzien van de geheimen van onze menselijke natuur. Kortom, de eigenschappen die onze Engelse dichters (van alle mensengeslachten die op deze planeet, van den beginne als het ware deel van het leven hebben uitgemaakt) het meest hebben bezeten en de Schotse professoren [3] het minst.


Mij is vaak gevraagd hoe ik eigenlijk een verstokte opiumslikker ben geworden en zeer onterecht heb ik geleden onder de mening van mijn omgeving die vond dat ik mij alle ellende, die ik nog zal schetsen, zelf op de hals had gehaald, doordat ik mij zolang te buiten ben gegaan aan die praktijken, ter wille van het teweegbrengen van een kunstmatige toestand van aangename opwinding. Dat is echter in mijn geval een onjuiste voorstelling van zaken. Het klopt dat ik bijna tien jaar lang af en toe opium heb genomen, ter wille van het heerlijke genot dat het mij verschafte; maar zolang ik het om die reden nam, was ik afdoende beschermd tegen alle materieel kwalijke gevolgen, door de noodzaak om tussen de verschillende uitspattingen lang pauzes in te lassen, als ik dat aangename gevoel opnieuw wilde beleven. Niet om een aangenaam gevoel teweeg te brengen, maar om de uiterst hevige pijn te verzachten, begon ik voor het eerst opium te gebruiken als dagelijkse kost. Op mijn achtentwintigste kreeg ik een hevige aanval van een vreselijk pijnlijke maagaandoening, waar ik tien jaar daarvoor ook al last van had gehad. Die kwaal was oorspronkelijk veroorzaakt door perioden van hevige honger, waar ik in mijn jeugd al aan had geleden. In de tijd van hoop en overvloedig geluk die daarop volgde (van mijn achttiende tot mijn vierentwintigste) had die gesluimerd; in de drie daaropvolgende jaren had zij bij tijd en wijle weer de kop opgestoken; en nu, onder ongunstige omstandigheden, als gevolg van neerslachtige buien, kreeg ik een aanval te verduren die zo hevig was, dat die alleen maar op opium reageerde. Omdat de ellende uit mijn jeugd, die deze maagstoornis voor het eerst teweegbracht, en de daarmee gepaard gaande omstandigheden op zich interessant zijn, zal ik die hier in het kort schetsen.


Mijn vader stierf toen ik ongeveer zeven jaar oud was en vertrouwde mij toe aan de zorg van vier voogden. Ik werd naar verschillende scholen gestuurd, grote en kleine en blonk al heel snel uit door mijn resultaten in de klassieke talen, vooral door mijn kennis van Grieks. Toen ik dertien was schreef ik met gemak Grieks en op mijn vijftiende beheerste ik die taal zo goed dat ik niet alleen Griekse gedichten in lyrische versmaat schreef, maar ook vloeiend en probleemloos Grieks kon spreken—een vaardigheid die ik sindsdien bij geen enkele geleerde uit mijn tijd heb aangetroffen en in mijn geval te danken was aan de gewoonte om elke dag voor de vuist weg de kranten in het beste Grieks, dat ik bij de hand had, hardop voor te lezen. De noodzaak om mijn geheugen en vindingrijkheid uit te kammen op zoek naar allerlei manieren en combinaties van beschrijvende uitdrukkingen, die gelijkwaardig zijn aan hedendaagse ideeën, beelden, verbanden tussen dingen, enz., gaven mij een richtlijn voor het gebruik van de taal, die ik door een saai vertalen van zedenkundige verhandelingen enz., nooit had kunnen verwerven. "Die jongen," zei een van mijn leermeesters, terwijl hij de aandacht van een onbekende op mij vestigde, "die jongen zou een menigte Atheners beter hebben kunnen toespreken dan jij of ik een Engelse." Degene die mij vereerde met die lofprijzing was een geleerde, "een wijze en goede," en was van al mijn leraren de enige van wie ik hield of ontzag voor had. Helaas voor mij (en, zoals ik later begreep, tot grote verontwaardiging van die achtenswaardige man) werd ik eerst overgeleverd aan de zorg van een domkop, die doorlopend in angst verkeerde dat ik zijn domheid aan het licht zou brengen en ten slotte aan de zorg van een achtenswaardige geleerde die aan het hoofd stond van een grote school, op klassieke grondslag. Deze man was in die functie benoemd door het …..College in Oxford, en was een degelijke en goedontwikkelde geleerde, maar (zoals de meesten die ik van dat college heb gekend) platvloers, stuntelig en onelegant. Hij bood in mijn ogen een schril contrast met het Etoniaanse briljante van mijn lievelingsleraar en daarnaast kon hij zijn armzalige en magere kennis niet verborgen houden voor mijn doorlopende oplettendheid. Het is niet goed voor een jongen als hij in kennis of geestkracht ver boven zijn leraren uitsteekt en dat ook nog weet. Dat gold, in ieder geval wat betreft kennis, niet alleen voor mij, want de twee jongen die samen met mij in de eerste klas zaten, waren ook betere hellenisten dan de bovenmeester, hoewel ze geen betere leerlingen waren en doorgaans helemaal niet meer aan de Muzen offerden. Ik herinner me dat wij, toen ik daar begon, Sofokles lazen en dat het voor ons, het erudiete driemanschap van de eerste klas, steeds weer een triomf was om te merken dat onze "Archididascalus" (zoals hij graag genoemd wilde worden) onze lessen uit het hoofd had geleerd, voordat wij er zelf mee begonnen en met zijn woordenschat en grammatica een lopend vuurtje aanlegde om als het ware alle problemen die hij ontdekte in de reizangen op te blazen en uit de weg te ruimen, terwijl wij ons nooit verwaardigden om onze boeken eerder open te slaan dan we begonnen en meestal bezig waren met het schrijven van puntdichten op zijn pruik of iets anders belangrijks. Mijn twee klasgenoten waren arm en voor hun vooruitzichten aan de universiteit afhankelijk van de aanbevelingen van de bovenmeester; maar ik beschikte over een klein erfdeel, dat mij voldoende inkomsten bood om mij op school te ondersteunen en wilde rechtstreeks naar de universiteit gestuurd worden. Ik drong daar ernstig op aan bij mijn voogden, maar allemaal tevergeefs. Een van hen, die redelijker was en meer op de hoogte was van de wereld dan de rest, woonde ver weg. Twee van de drie hadden afstand gedaan van heel hun zeggenschap en het in handen gelegd van de vierde, met wie ik moest onderhandelen. Hij was op zijn manier een achtenswaardig man, maar hooghartig, koppig en onverdraagzaam voor alles wat tegen zijn wil indruiste. Na een aantal brieven en persoonlijke gesprekken, kwam ik er achter dat ik in deze zaak niets van mijn voogd te verwachten had, zelfs geen compromis. Onvoorwaardelijke onderdanigheid was wat hij eiste en daarom zon ik op andere maatregelen. De zomer kwam nu met rasse schreden naderbij en het zou niet lang meer duren voordat ik mijn zeventiende verjaardag zou vieren. Ik had mijzelf bezworen dat ik mijzelf na die dag niet langer onder de leerlingen zou scharen. Omdat ik vooral geld nodig had, schreef ik een brief aan een welgestelde dame die zelf nog jong was, mij van kinds af aan had gekend en mij kort daarvoor nog zeer voorkomend had bejegend. Ik vroeg haar daarin vijf guineas "te leen." Meer dan een week kwam er geen antwoord en ik begon al te wanhopen, toen een bediende mij uiteindelijk een dikke brief overhandigde met een kroontje op het zegel. Het was een vriendelijke en hoffelijke brief. De aardige schrijfster was aan zee en daardoor was de vertraging ontstaan. Zij had het dubbele bijgesloten van wat ik gevraagd had en wees mij er goedhartig op dat het haar absoluut niet zou ruïneren, als ik het nooit zou terugbetalen. Nu was ik dus klaar voor mijn plan. Tien guineas, gevoegd bij de ongeveer twee die ik over had van mijn zakgeld, leek mij toereikend voor een eeuwigheid. Als aan je kracht op die gelukkige leeftijd geen eindige begrenzing gesteld kan worden, maakt een verwachtingsvolle en opgeruimde instelling die in feite oneindig.


Dr. Johnson merkt terecht op (een zeer invoelende opmerking, wat niet vaak gezegd kan worden van zijn uitspraken) dat we nooit iets bewust voor het laatst doen (dat wil zeggen, dingen die wij lang gewend waren te doen) zonder hartzeer. Die waarheid ondervond ik hartgrondig toen ik ….ging verlaten, een plek waar ik niet van hield en niet gelukkig geweest was. Op de avond dat ik voor altijd….verliet, was ik verdrietig toen in het oude en hoge schoollokaal de avonddienst weergalmde, die voor het laatst in mijn aanwezigheid gehouden werd. En die avond liep ik, toen de lijst met namen werd opgelezen, en de mijne (zoals gewoonlijk) het eerst werd afgeroepen, naar voren en toen ik de bovenmeester voorbijliep, die erbij stond, boog ik naar hem en keek hem diep in zijn ogen, terwijl ik bij mijzelf dacht. "Hij is oud en zwak en ik zal hem in deze wereld nooit meer zien." Ik had gelijk, want ik heb hem nooit meer gezien en zal hem nooit meer zien. Hij keek mij zelfgenoegzaam aan, glimlachte vriendelijk, beantwoordde mijn groet (of liever mijn vaarwel) en onze wegen scheidden zich (hoewel hij dat niet wist) voorgoed. Ik kon wat betreft zijn intellect geen achting voor hem opbrengen, maar hij was steeds toegeeflijk voor mij geweest en het deed mij verdriet als ik bedacht hoe ik hem daarmee zou kwetsen.


De ochtend brak aan die mij de wereld in zou sturen en waaraan mijn hele volgende leven op veel punten zijn kleur heeft ontleend. Ik woonde in het huis van de bovenmeester en vanaf de eerste dag genoot ik het voorrecht van een eigen kamer, die ik als slaapkamer en studeerkamer gebruikte. Om half drie stond ik op en staarde hevig geëmotioneerd naar de "in het eerste ochtendlicht gehulde" oude torens van de….., die al karmozijnrood begonnen te kleuren in de stralende pracht van een wolkenloze julimorgen. Maar ondanks het feit dat mijn plannen stevig en onwrikbaar vaststonden, raakte ik opgewonden door het vooruitzicht op onbestemde gevaren en problemen en als ik de heilloze orkanen en hagelbuien, die binnen korte tijd op mij zouden neerdalen zou hebben kunnen voorzien, zou ik nog veel onrustiger geweest zijn. De innige vredigheid van de ochtend bood een aangrijpende tegenstelling met die onrust en werkte in zekere zin als medicijn. De stilte was dieper dan die van het middernachtelijk uur. Voor mij is de stilte van een zomerochtend ontroerender dan elke andere stilte, omdat, hoewel het licht even weids en krachtig is als dat van het middaguur in de andere jaargetijden, het toch anders lijkt te zijn dan van een volmaakte dag, vooral omdat er nog niemand op straat is. Het lijkt dus alsof de vredigheid van de natuur en de onschuldige schepselen Gods slechts zolang gewaarborgd en diep is, als de aanwezigheid van de mens en zijn ongedurige en rusteloze geest die heiligheid niet verstoort. Ik kleedde mij aan, pakte mijn hoed en handschoenen en bleef even dralen in mijn kamertje. De afgelopen anderhalf jaar was dit vertrek mijn "denkburcht" geweest. Hier had ik al die nachtelijke uren gelezen en gestudeerd, en hoewel het ook waar was dat ik, die voor liefde en zachtaardige genegenheid was geschapen, de laatste tijd mijn vrolijkheid en geluk was kwijtgeraakt, door de ruzies en koortsachtige twistgesprekken met mijn voogd, heb ik daar anderzijds, als een jongen die zo dol op boeken was, en zich zo toegewijd inzette voor zijn intellectuele ontwikkeling, ongetwijfeld vele gelukkige uren doorgebracht te midden van een algehele neerslachtigheid. Ik moest huilen toen ik om mij heen keek, naar de stoel, de haard, de schrijftafel en andere vertrouwde voorwerpen, omdat ik maar al te goed wist dat ik daar voor het laatst naar keek. Terwijl ik dit opschrijf is het achttien jaar geleden en toch zie ik, als de dag van gisteren, de trekken en uitdrukking van het voorwerp waarop ik mijn afscheidsblik richtte. Het was een schilderij van de lieflijke….., dat boven de schoorsteenmantel hing. Haar ogen en mond waren zo prachtig, en haar hele gezicht straalde zo van welwillendheid en goddelijke rust, dat ik wel duizend keer mijn pen of boek had neergelegd om daar troost bij putten, zoals een gelovige bij zijn schutsheilige. Terwijl ik er nog naar staarde, kondigden de donkere klanken van de klok van de…..aan dat het vier uur was. Ik liep naar het schilderij toe, kuste het, liep toen rustig naar buiten en sloot de deur voorgoed.


* * * * *


Aanleidingen tot lach en traan zijn in dit leven zo met elkaar versmolten en verweven, dat ik niet zonder glimlach kan terugdenken aan een voorval dat op dat moment plaatsvond en bijna een eind had gemaakt aan de onmiddellijke uitvoer van mijn plan. Ik had een koffer met een enorm gewicht, omdat er naast mijn kleren ook bijna al mijn boeken in zaten. Het probleem was hoe ik die bij de vrachtrijder kon krijgen. Mijn kamer bevond zich op de bovenverdieping van het huis en (wat nog erger was) de trap die in verbinding stond met deze kant van het gebouw, was alleen toegankelijk via een galerij, die langs de kamerdeur van de bovenmeester liep. Ik was geliefd bij alle bedienden en omdat ik dus wist dat zij mij allemaal de hand boven het hoofd zouden houden en alles vertrouwelijk zou blijven, vertelde ik mijn probleem aan de kamerdienaar van de bovenmeester. De kamerdienaar bezwoer me dat hij alles zou doen wat ik wilde en liep toen het zover was naar boven om de koffer naar beneden te brengen. Ik was bang dat het de kracht van wie dan ook te boven zou gaan, maar de kamerdienaar was iemand


Met schouders als een Atlas, die het gewicht

Van de machtigste koninkrijken kon torsen.


en had een rug zo breed als de Vlakte van Salisbury. Daarom stond hij erop dat hij de koffer alleen naar beneden zou dragen, terwijl ik, ongerust over de afloop, onder aan de trap stond te wachten. Een tijd lang hoorde ik hem met trage en ferme tred naar beneden komen, maar toen hij op een gevaarlijk stuk kwam, een paar passen van de galerij, gleed helaas zijn voet uit en viel het enorme gevaarte van zijn schouders, dat naar beneden stuiterend met elke tree zo’n vaart kreeg dat het, toen het onder aan de trap aanlandde, verder schoof, of liever, sprong met het lawaai van twintig duivels, precies tegen de slaapkamerdeur van de Archididascalus. Mijn eerste gedachte was dat alles verloren was en dat mijn enige mogelijkheid om de aftocht te blazen was als ik mij bagage opofferde. Bij nader inzien besloot ik mij echter bij de zaak neer te leggen. De kamerdienaar was in alle staten, zowel om zichzelf als om mij, maar desondanks had het lachwekkende van deze ongelukkige tegenvaller zozeer bezit genomen van zijn verbeelding, dat hij uitbarstte in zo’n lange, luidruchtige en galmende lachbui, dat die de Zeven Slapers zou hebben kunnen wekken. Toen ik die weergalmende vrolijkheid hoorde, en dat ook nog binnen gehoorsafstand van de gekwetste gezagdrager, kon ik het niet laten mee te schateren. Ik moest daar niet zozeer aan geloven door de ongelukkige onbezonnenheid met de koffer, als wel door de uitwerking die dat op de kamerdienaar had. Wij verwachtten allebei natuurlijk dat Dr……uit zou kamer zou komen stormen, want doorgaans sprong hij, als er zich maar een muisje verroerde, naar buiten als een buldog uit zijn hok. Vreemd genoeg klonk er echter bij deze gelegenheid, toen het lawaai van ons gelach weggestorven was, geen geluid of ook maar geritsel uit zijn slaapkamer. Dr……leed aan een pijnlijke kwaal, die hem soms uit de slaap hield, maar als hij toch in slaap viel die alleen maar dieper maakte. De kamerdienaar putte moed uit de stilte, hees zijn last weer op zijn schouders en voltooide de rest van zijn afdaling zonder ongelukken. Ik wachtte tot ik zag dat de koffer op een kruiwagen werd geladen en op weg ging naar de vrachtrijder. Daarna ging ik "met de Voorzienigheid als mijn gids" te voet verder, met een klein pakketje kleren onder mijn arm, een geliefde Engelse dichter in de ene zak en een klein handboekje met ongeveer negen toneelstukken van Euripides in de andere.


Aanvankelijk was het mijn bedoeling naar Westmoreland te gaan, omdat ik die streek een warm hart toedroeg, maar ook om andere persoonlijke redenen. Het toeval gaf echter een andere koers aan mijn omzwervingen en ik richtte mijn schreden naar Noord-Wales.


Nadat ik enige tijd rondgezworven had in Denbighshire, Merionethshire en Carnarvonshire, nam ik mijn intrek in een keurig huisje in B…. Daar zou ik wekenlang zeer aangenaam hebben kunnen doorbrengen, want de levensmiddelen waren daar heel goedkoop…., doordat er een gering afzetgebied was voor de overproductie van een uitgestrekte landbouwstreek. Door een toeval, waarbij misschien geen kwade opzet in het spel was, werd ik echter gedwongen verder te trekken. Ik weet niet of mijn lezer het misschien al opgemerkt heeft, maar ik heb er vaak op gewezen dat de hooghartigste klasse in Engeland (of in ieder geval de klasse waarbij dat het opvallendst is) bestaat uit de bisschopsfamilies. Bij edellieden en hun kinderen is alleen al in hun titel een voldoende aanduiding voor hun rang. Ja, zelfs hun naam (en dat geldt ook voor de kinderen van veel titelloze adellijke geslachten) klinkt vaak in Engelse oren al als een toereikend bewijs van adellijke geboorte of afstamming. Sackville, Manners, Fitzroy, Paulet, Cavendish en tientallen anderen, vertellen allemaal hun eigen verhaal. Daarom vinden dergelijke personen overal een terechte weerklank voor hun al gevestigde aanspraken, behalve bij degenen die vanwege hun eigen onwetendheid niet op de hoogte zijn van wat er in de wereld te koop is: "Hen niet kennen, betekent zelf onbekend zijn." Hun manieren nemen een passende klank en kleur aan en tegenover die ene keer dat zij het nodig vinden bij anderen de indruk te geven van een gevoel van belangrijkheid, staan duizend andere gevallen waarbij zij dat gevoel matigen en temperen door zich hoffelijk minzaam te gedragen. Bij de bisschoppenfamilies ligt dat anders; bij hen is het allemaal een hels karwei om hun pretenties waar te maken, omdat het aandeel van de bisschoppelijke magistratuur dat wordt geleverd door adellijke families nooit erg groot is geweest en die hoogwaardigheidsbekleders elkaar zo snel opvolgen dat het publiek zelden de tijd heeft om hen te leren kennen, tenzij ze in verband gebracht worden met een of andere literaire reputatie. Vandaar dat kinderen van bisschoppen een stug en kil voorkomen hebben, een aanwijzing voor nog algemeen aanvaarde aanspraken, een soort noli me tangere-manier, gespannen en beducht voor een te vertrouwelijke benadering, en met de gevoeligheid van een jichtlijder terugdeinzend voor elk contact met de οι πολλοι. Ongetwijfeld zal een groot intellect of ongewone goedaardigheid iemand voor een dergelijke zwakheid behoeden, maar in het algemeen zal de juistheid van mijn beschrijving erkend worden. In ieder geval komt hooghartigheid, zo die niet diep geworteld is in dergelijke families, meer tevoorschijn aan de buitenkant van hun doen en laten. De intentie van dat soort gedrag wordt vanzelfsprekend overgedragen op hun bedienden en andere ondergeschikten. Het geval wilde dat mijn hospita kamer- of kindermeisje was geweest in het gezin van de bisschop van…., en daar vanwege haar huwelijk onlangs vertrokken was en zich (zoals dergelijke mensen dat uitdrukken) "gesetteld" had. In een kleine stad als B…., bracht alleen al het feit dat zij bij het gezin van de bisschop had gewoond een bepaald onderscheid met zich mee en mijn brave hospita had, voor zover ik dat wat dat betreft heb gemerkt, eigenlijk meer dan haar deel van die hooghartigheid overgenomen. Wat "mijnheer" zei en wat "mijnheer" deed, hoe belangrijk hij was in het Parlement en hoe onmisbaar in Oxford, vormde het dagelijkse refrein van haar gesprekken. Dat kon ik allemaal heel goed verdragen, omdat ik te goedaardig was om iemand in zijn gezicht uit te lachen en voor dat geklets van een oude dienstbode heel toegeeflijk was. Het kan echter niet anders dan dat ik in haar ogen veel te weinig onder de indruk was van de belangrijkheid van de bisschop, en op zekere dag, misschien om mij te straffen voor mijn onverschilligheid, of mogelijk bij toeval, herhaalde zij tegenover mij een gesprek waarmee ik indirect iets te maken had. Zij was naar het paleis gegaan om haar opwachting te maken bij de familie en werd, nadat de maaltijd was beëindigd, in de eetkamer ontboden. Toen ze verslag deed van haar huishoudelijke bezigheden vermeldde ze terloops dat ze haar kamers had verhuurd. Daarop had de bisschop (kennelijk) de gelegenheid te baat genomen om haar te waarschuwen voor de keuze van haar huurders, "want," zei hij, "je moet bedenken dat deze stad aan de grote weg naar The Head ligt, zodat grote groepen Ierse zwendelaars die voor hun schulden op de vlucht slaan naar Engeland en benden Engelse zwendelaars die voor hun schulden naar het eiland Man vluchten, waarschijnlijk onderweg daar langs komen." Dat advies was ongetwijfeld niet ongegrond, maar meer geëigend om opgeslagen te worden voor Mevr. Betty’s eigen overwegingen dan nou net aan mij overgebriefd te worden. Wat volgde was echter nog wat erger. "O, monseigneur," antwoordde mijn hospita (volgens haar eigen invulling van het gesprek), "ik denk echt niet dat deze jongeman een oplichter is, omdat …." "Denkt u soms dat ik een oplichter ben?" onderbrak ik haar uiterst verontwaardigd, "ik zal u verder de moeite besparen om daar over na te hoeven denken." En zonder dralen trof ik voorbereidingen voor mijn vertrek. De goede vrouw leek wat toeschietelijker te worden; maar de onbarmhartige en laatdunkende opmerking die ik, naar ik vrees, had gebezigd voor de geleerde hoogwaardigheidsbekleder, wekte op zijn beurt weer haar verontwaardiging en maakte een verzoening onmogelijk. Ik was inderdaad zeer gegriefd door de suggestie van de bisschop dat er, hoewel onder voorbehoud, enige grond zou zijn om iemand te verdenken die hij nog nooit had gezien, en overwoog hem in het Grieks te laten weten wat ik daarvan vond, wat niet alleen een bewijs zou kunnen zijn dat ik geen oplichter was, maar de bisschop tegelijkertijd zou dwingen (hoopte ik) in dezelfde taal te antwoorden; ik twijfelde er niet aan dat ik in dat geval duidelijk kon maken dat ik, ook al was ik niet zo rijk als hij, in ieder geval een veel betere hellenist was. Mijn gedachten bedaarden en daardoor verdween dat kwajongensplan uit mijn hoofd; want ik bedacht dat de bisschop gelijk had om een oude dienstbode raad te geven; dat hij niet voorzien kon hebben dat zijn advies aan mij doorverteld zou worden en dat dezelfde onbehouwenheid die ertoe geleid had dat Mevr. Betty het advies herhaald had, het misschien zo gekleurd had dat het meer in overeenstemming was met haar eigen manier van denken, dan met wat de eerwaarde bisschop in werkelijkheid had gezegd.


Nog hetzelfde uur verliet ik het kosthuis en dat bleek voor mij een zeer ongelukkige beslissing, omdat ik voortaan in herbergen moest logeren en snel door mijn geld heen was. Binnen veertien dag stond ik op rantsoen, dat wil zeggen dat ik mij maar één maaltijd per dag kon veroorloven. Na de uitstekende eetlust, veroorzaakt door onafgebroken lichaamsbeweging en berglucht, die invloed hebben op een jeugdige maag, begon ik al snel last te krijgen van dit karige dieet, want het enige voedsel dat ik durfde te bestellen was koffie of thee. Zelfs dat kon er echter op den duur niet meer van af; en later, zolang ik Wales verbleef, leefde ik of op bramen, rozenbottels, haagdoornbessen, enz., of van toevallige gastvrijheid, die ik af en toe genoot in ruil voor kleine diensten, als ik daar de kans toe had. Soms schreef ik zakelijke brieven voor dorpelingen die familie hadden in Liverpool of Londen; maar vaker schreef ik liefdesbrieven aan hun geliefden, voor jongedames die als dienstmeiden hadden gewerkt in Shrewsbury of andere steden aan de Engelse grens. Bij al die gelegenheden waren mijn eenvoudige vrienden zeer tevreden over me en werd ik doorgaans gastvrij bejegend; vooral een keer in de buurt van het dorp Llan-y-styndw (of zoiets), in een afgelegen deel van Merionethshire, waar ik ooit meer dan drie dagen onthaald werd door een huishouden van jongelui, met een hartelijke en broederlijke vriendelijkheid, die in mijn hart een onvergetelijke indruk achterliet. Het gezin bestond destijds uit vier zusters en drie broers, allemaal volwassen en opmerkelijk elegant en goedgemanierd. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit eerder zoveel schoonheid, zoveel aangeboren goede manieren en verfijning heb gezien in één huishouden, behalve een of twee keer in Westmoreland en Devonshire. Ze spraken Engels, een vaardigheid die niet vaak voorkomt bij zoveel leden van één gezin, vooral niet in ver van de grote weg gelegen dorpen. Daar schreef ik na mijn eerste kennismaking, een brief over zijn soldij, voor een van de broers, die aan boord van een Engels oorlogsschip had gediend; en, meer vertrouwelijk, twee liefdesbrieven voor twee van de zusters. Het waren twee aantrekkelijke meisjes, en een van beiden was buitengewoon aardig. Terwijl zij mij, verward en met blosjes, hun brieven dicteerden, of liever, algemene aanwijzingen gaven, hoefde ik niet veel moeite te doen om te begrijpen, dat zij wilden dat hun brieven in overeenstemming waren met een gepaste jongedamestrots. Ik zag de kans om mijn taal zo te matigen dat het aan beide gevoelens tegemoetkwam; en ze waren net zo ingenomen met de manier waarop ik hun gedachten verwoordde als dat zij er (in hun onbevangenheid) over verbaasd waren dat ik die zo moeiteloos geraden had. De manier waarop iemand ontvangen wordt door de vrouwen van een gezin, bepaalt doorgaans het hele verloop van zijn onthaal. In dit geval had ik mij zo tot algemene tevredenheid gekweten van mijn vertrouwelijke diensten als secretaris, en hen misschien ook vermaakt met mijn gesprekken, dat zij er bij mij met zo’n hartelijkheid op aandrongen te blijven, dat ik nauwelijks de neiging voelde om daar tegenin te gaan. Hoewel het enige vrije bed in de kamer stond van de jongedames, sliep ik bij de broers; maar in alle andere opzichten behandelden ze me met een respect dat doorgaans niet betoond wordt aan een beurs zo plat als de mijne — alsof mijn geleerdheid voldoende bewijs was van "goede komaf." Zo bleef ik drie dagen bij hen en een groot deel van de vierde; en gezien de onverminderde vriendelijkheid waarmee zij mij bejegenden, geloof ik dat ik, als ze gekund hadden wat ze wilden, misschien wel tot op de dag van vandaag bij hen gebleven was. De laatste ochtend merkte ik, terwijl ze aan het ontbijt zaten, aan hun gezichten dat er een onaangename mededeling op komst was; en kort daarop legde een van de broers me uit dat hun ouders, een dag voor mijn komst, naar de jaarlijkse bijeenkomst waren gegaan van de Methodisten in Carnavon, en dat ze verwachtten dat ze die dag terug zouden komen; "en als ze niet zo beleefd leken, als ze zouden moeten zijn," verzocht hij mij, mede namens alle anderen, dat niet verkeerd op te vatten. De ouders kwamen thuis met een stuurse blik en "Dym Sassenach" (vert.: Ik begrijp het niet) (geen Engels) als antwoord op alles wat ik zei. Ik begreep hoe de zaken ervoor stonden; en dus vertrok ik, nadat ik hartelijk afscheid had genomen van mijn aardige en interessante jonge gastheren en –vrouwen; want hoewel zij voor mij een goed woordje deden bij hun ouders en zich herhaaldelijk verontschuldigden voor het gedrag van de oude mensen, door te zeggen dat dat "nu eenmaal hun manier was," begreep ik toch best dat mijn talent voor het schrijven van liefdesbrieven evenmin een aanbeveling voor mij was bij de zware Methodistische zestigers als mijn Griekse sapphische en alcaïsche verzen; en dat wat gastvrijheid was, toen het mij geboden werd met de vriendelijke hoffelijkheid van mijn jonge vrienden, onder het stuurse gedrag van deze oude mensen liefdadigheid zou worden. Shelley heeft zonder meer gelijk als hij opmerkt over ouderdom: als die niet krachtig bestreden wordt met alle mogelijk tegenkrachten, is het een armzalige bederver en verzieker van de gulle vrijgevigheid van het menselijk hart.


Kort hierna zag ik kans, op een manier die ik wegens plaatsgebrek hier niet kan vertellen, in Londen te komen. En nu begon de laatste en bitterste etappe van mijn lange lijdensweg; het is niet teveel gezegd als ik dat mijn doodstrijd zou noemen. Meer dan zestien weken lang onderging ik nu de kwellingen van fysieke honger in allerlei graden van hevigheid, maar hoewel die misschien even schrijnend was als ooit iemand, die het heeft overleefd, heeft kunnen lijden, zou ik toch niet de gevoelens van mijn lezer nodeloos op de proef willen stellen met een gedetailleerde beschrijving van alles wat ik doorstaan heb; want dergelijke extreme toestanden, zelfs in geval van wangedrag of eigen schuld, kunnen niet gadegeslagen worden zonder een zeker leedvermaak, dat kwetsend is voor de natuurlijke goedheid van het menselijk hart. Laat ik, ten minste in dit geval, volstaan met te zeggen dat mijn enige voedsel en dan ook nog ongeregeld, wat broodkruimels waren die overbleven van de ontbijtdis van een zeker iemand (die dacht dat ik ziek was, maar niet wist dat ik ten einde raad was). Tijdens de eerste periode van mijn lijdensweg (dat wil zeggen, voor het grootste gedeelte in Wales en de hele eerste twee maanden in Londen) was ik ontheemd en sliep heel zelden onder een dak. Aan die doorlopende blootstelling aan de open lucht schrijf ik hoofdzakelijk toe, dat ik niet onderdoorging aan mijn beproevingen. Later echter, toen het kouder en guurder werd en ik door de duur van mijn kwellingen in een nog zorgelijkere toestand begon weg te zinken, was het zonder twijfel voor mij een geluk dat dezelfde man, bij wie ik aan de ontbijttafel mocht aanschuiven, mij toestond te overnachten in een leegstaand huis, waarvan hij de huurder was. Ik noem het onbewoond, omdat er geen gezin of personeel in woonde; en er dus ook helemaal geen meubilair in was, behalve een tafel en een paar stoelen. Toen ik mijn intrek nam in mijn nieuwe verblijf, ontdekte ik echter dat het huis al een bewoner had, een arm in de steek gelaten kind, van een jaar of tien; maar ze leek verzwakt door de honger en dat soort narigheden zorgt er vaak voor dat kinderen er ouder uitzien dan ze zijn. Van dit eenzame kind hoorde ik dat ze daar al enige tijd, vóór ik kwam, had geslapen en gewoond, en het arme schepsel liet zien hoe blij ze was toen ze ontdekte dat ik haar voortaan gezelschap zou houden in de donkere uren. Het was een groot huis en omdat het meubilair ontbrak werd het onheilspellende geluid van de ratten weerkaatst door het ruime trappenhuis en de hal; en te midden van die echte, aardse beproevingen van kou en (ben ik bang) honger, had het van-god-verlaten kind ook nog de tijd gevonden om nog meer te verduren (leek het) door zelf de beproeving ‘spoken’ te bedenken. Ik beloofde haar te beschermen tegen alle mogelijke spoken, maar kon haar helaas! geen andere hulp bieden. We lagen op vloer met een stapel vervloekte wetboeken als kussen en alleen maar een soort grote ruitermantel als deken; later ontdekten we in een zolderkamertje een oud sofakleed, een stukje tapijt en een paar andere lappen, die een beetje bijdroegen aan onze warmte. Het arme kind kroop dicht tegen me aan voor de warmte en om zich te beschermen tegen haar spookachtige vijanden. Als ik me niet beroerder voelde dan normaal, nam ik haar in mijn armen, zodat ze helemaal warm genoeg werd en vaak sliep, als ik dat niet kon; want de laatste twee maanden van mijn beproevingen sliep ik veel overdag en kon op elk uur van de dag een dutje doen. Maar slapen putte me meer uit dan wakker zijn, want behalve de onstuimigheid van mijn dromen (die echter niet zo verschrikkelijk waren als de door opium teweeggebrachte dromen, die later nog zal beschrijven), was mijn slaap nooit meer dan wat een hazenslaapje wordt genoemd, zodat ik mij zelf kon horen kreunen en kennelijk vaak  plotseling wakker werd van mijn eigen stem; en rond die tijd begon ik, zodra ik insluimerde, last te krijgen van een afschuwelijk verschijnsel, dat sindsdien in verschillende perioden van mij leven is teruggekomen — namelijk een soort krampen (ik weet niet waar, maar schijnbaar in de maagstreek) waardoor ik me genoodzaakt voelde mijn voeten met kracht uit te strekken, waardoor de krampen dan afnamen. Dat gevoel trad op zo gauw ik in slaap viel en de pogingen om er van af te komen maakten me de hele tijd wakker, zodat ik op het laatst van uitputting in slaap viel; daarnaast viel ik (zoals ik al eerder heb gezegd) ook nog door mijn zwakte steeds in slaap en werd dan weer wakker. Ondertussen viel af en toe de huisbaas opeens bij ons binnen, nu eens heel vroeg, dan weer niet voor tienen ’s avonds en soms helemaal niet. Hij was doorlopend bang voor deurwaarders en deed het nog slimmer dan Cromwell, door elke nacht in een andere buurt van Londen te slapen; en het viel me op dat hij telkens eerst stiekem door een raam keek om te zien wie er aan de deur had geklopt, voordat hij die open liet maken. Hij ontbeet alleen, want hij zou niet eens een tweede persoon hebben durven uitnodigen, omdat zijn theeservies daarvoor nauwelijks toereikend was, evenmin als de hoeveelheid eetbaar matériel, dat meestal niet meer was dan een broodje of een paar beschuiten, die hij op de terugweg van zijn slaapverblijf had gekocht. En mocht hij ooit gasten uitnodigen dan zouden die — zoals ik een keer erudiet en geestig tegen hem opmerkte — als een opeenvolgende reeks in verhouding tot elkaar moeten staan (en in ieder geval niet zitten), zoals de metafysici dat doen, en niet naast elkaar; zoals de eenheden van tijd en niet van ruimte. Als hij zat te ontbijten bedacht ik doorgaans een reden om bij hem binnen te lopen om dan zo onverschillig mogelijk de restjes te pikken die hij had laten liggen; soms lag er echter helemaal niets meer. Daarmee beging ik geen diefstal, behalve van de man zelf, die zodoende (volgens mij) ‘s middags af en toe wat extra beschuit moest laten halen; het arme kind werd echter nooit toegelaten in zijn studeerkamer (als ik zijn belangrijkste bergruimte voor papieren, akten, enz., zo mag noemen); die kamer was voor haar Blauwbaards torenkamer van het huis, omdat hij die altijd afsloot als hij rond zes uur, dat ’s avonds doorgaans het tijdstip van vertrek was, voor het avondeten vertrok. Ik kon er niet achterkomen of dit meisje een buitenechtelijk kind was van Mr……, of alleen maar een dienstmeisje; ze wist het zelf ook niet; maar in ieder geval werd ze in alle opzichten als zodanig behandeld. Zo gauw Mr….verscheen liep ze naar beneden, poetste zijn schoenen, borstelde zijn jas af, enz.; en behalve als ze ontboden werd voor een boodschap, kwam ze alleen de mistroostige Tartarus van de keuken uit, naar boven, als ’s avonds mijn welkome kloppen haar bibberende voetjes naar de voordeur riepen. Maar van haar leven overdag wist ik alleen maar wat zij daar zelf ‘s avonds over vertelde, want zo gauw de kantoren weer opengingen, begreep ik dat mijn afwezigheid voor haar weer te verdragen was en ging ik meestal weg en zat dan tot de avond in het park of ergens anders.


Maar wie of wat was die heer des huizes eigenlijk? Lezer, hij was een van die merkwaardige ambtenaren uit de lagere regionen van de rechterlijke macht, die — wat zal ik zeggen? — voorzichtigheidshalve of noodgedwongen, zichzelf de weelde ontzeggen van een te fijngevoelig geweten, (een omschrijving die aanzienlijk ingekort kan worden, maar dat laat ik over aan de smaak van de lezer); in veel beroepen is een geweten een duurdere last dan een vrouw of rijtuig; en net zoals mensen het hebben over "het stallen" van hun rijtuig, denk ik dat mijn vriend Mr…..zijn geweten voor een tijdje "gestald" had, zonder twijfel met de bedoeling het weer op te pakken, zo gauw hij zich dat weer kon veroorloven. De innerlijke boekhouding van het dagelijkse leven van zo iemand zou een uiterst merkwaardig beeld opleveren, als ik het over mijn hart zou kunnen verkrijgen de lezer ten koste van hem te vermaken. Zelfs met mijn beperkte mogelijkheden om te ontdekken wat er gaande was, zag ik bij hem toch veel voorbeelden van Londense intriges en ingewikkelde chicanes, "cyclus en epicyclus, cirkel in cirkel," waarover ik tot op de dag van vandaag soms nog steeds moet glimlachen, en destijds ook deed, ondanks mijn ellende. Door mijn situatie in die tijd merkte ik echter bij Mr…. weinig van andere karaktertrekken, dan van die hem tot eer strekten; en van zijn hele gedrag moet ik verder maar alles vergeten, behalve dat hij voorkomend voor me was en, voor zover hij kon, ook vrijgevig.


Dat laatste was hij overigens niet erg; maar net als de ratten hoefde ik geen huur te betalen; en zoals dr. Johnson heeft vermeldt dat hij maar één keer in zijn leven net zoveel vruchten aan zijn leibomen had als hij op kon, moet ik ook dankbaar zijn dat ik bij die ene gelegenheid een even grote keuze had aan kamers in een Londens huis, als ik mij maar kon wensen. Behalve de kamer van Blauwbaard, waarvan het arme kind dacht dat het daarin spookte, stonden alle andere, van zolder tot kelder, tot onze beschikking; "de hele wereld was voor ons," en wij sloegen voor de nacht ons kampement op, waar we maar wilden. Uit mijn beschrijving is al gebleken dat het een groot huis was; het staat op een opvallende plek en in een bekend deel van Londen. Ik twijfel er niet aan dat veel van mijn lezers, binnen een paar uur nadat ze dit hebben gelezen, er langs gelopen zijn. Zelf bezoek ik het altijd als ik voor zaken in Londen moet zijn; vanavond nog, 15 augustus 1821 — mijn verjaardag — ben ik, tijdens mijn avondwandeling door Oxford-street, even omgelopen om er een blik op te werpen; het wordt nu bewoond door een keurige familie, en in het licht van de salon aan de voorkant zag ik een huiselijke gezelschap bijeen, misschien voor de thee, en duidelijk opgewekt en uitgelaten. In mijn ogen een wonderlijk contrast, vergeleken met het donkere, koude, stille en verlatene van datzelfde huis achttien haar daarvoor, toen haar nachtelijke bewoners slechts een hongerende student en een verwaarloosd kind waren. Haar heb ik overigens in latere jaren vergeefs proberen op te sporen. Afgezien van haar situatie, was het niet wat je noemt een interessant kind; ze was niet knap, niet snel van begrip en ook niet opmerkelijk aangenaam in de omgang. Maar Godzijdank! zelfs in die jaren had ik niet bijkomstige uiterlijkheden nodig om mijn genegenheid te laten blijken: de gewone menselijke natuur, in haar eenvoudigste en alledaagse tooi, was voor mij voldoende, en ik hield van het kind omdat zij mijn metgezel was in de ellende. Als ze nu nog leeft, is ze waarschijnlijk moeder, met eigen kinderen; maar, zoals ik al heb gezegd, ik heb haar nooit meer gevonden.


Dat betreur ik; maar er was in die tijd nog een andere persoon die ik sindsdien nog veel gedrevener geprobeerd heb op te sporen en met veel meer verdriet toen dat niet lukte. Dat was een jonge vrouw, uit die tragische klasse die leeft van de inkomsten van de prostitutie. Ik schaam me er niet voor en heb daar ook geen enkele reden voor op te biechten dat ik destijds op vertrouwelijke en vriendschappelijke voet stond met veel vrouwen, die zich in die beklagenswaardige situatie bevonden. De lezer hoeft niet te lachen om deze bekentenis of zijn wenkbrauwen te fronsen; want zonder mijn klassiek geschoolde lezers te herinneren aan het oude Latijnse gezegde, "Sine cerere," enz., (vert.: Sine Cerere et Baccho friget Venus: zonder Ceres en Bacchus kan Venus niets uitrichten) kan toch wel bedacht worden dat, gezien mijn destijds bestaande financiële situatie, mijn omgang met die vrouwen niet onzuiver kan zijn geweest. Maar de waarheid is dat ik in mijn leven nooit iemand ben geweest die vond dat hij bezoedeld werd door aanraking of contact met enig schepsel met een menselijke gedaante; vanaf mijn vroegste jeugd ben ik er altijd trots op geweest dat ik vertrouwelijk, more Socratio, omging met alle mensen, mannen, vrouwen en kinderen, die toevallig mijn pad kruisten; een manier van doen die gunstig is voor de kennis van de menselijke natuur, een goed gevoel en de openhartigheid die iemand past, die door wil gaan voor filosoof. Want een filosoof moet niet kijken met de ogen van de armzalige en bekrompen figuur, die zich een man van de wereld noemt, en vol zit met kleingeestige en egocentrische vooroordelen over afkomst en opvoeding, maar moet zichzelf zien als een ruimdenkend mens en als iemand die op gelijke voet staat met hoog en laag, ontwikkelden en onontwikkelden, met schuldigen en onschuldigen. Omdat ik destijds noodgedwongen een peripateticus was, dat wil zeggen iemand die veel over straat loopt, kwam ik vanzelfsprekend vaker die vrouwelijke peripatetici tegen die met een technische term tippelaarster worden genoemd. Veel van die vrouwen hadden het regelmatig voor mij opgenomen tegen bewakers die mij wilden wegjagen van de trappen van huizen waar ik zat. Maar een van hen, degene voor wie ik dit onderwerp eigenlijk heb aangesneden — maar nee! ik moet de, O! edelmoedige Ann, niet onder die vrouwen scharen. Als het kan moet ik een aardigere naam bedenken om de situatie te beschrijven van iemand aan wie ik, door haar vrijgevigheid en mededogen, waarmee zij voorzag in mijn eerste levensbehoeften toen de hele wereld mij in de steek gelaten had, te danken heb dat ik nu nog in leven ben. Weken lang had ik met dit arme eenzame meisje ‘s avonds op en neer gelopen over Oxford-street, of samen met haar uitgerust op trappen en me verscholen in portieken. Ze kon niet even oud zijn als ik; ze vertelde me inderdaad dat ze nog geen zestien was. Door dergelijke vragen, die mij werden ingegeven omdat ik belangstelling voor haar had, was ik langzamerhand haar eenvoudige verhaal te weten gekomen. Het was een standaardverhaal (zoals ik sindsdien begrepen heb) en een waarbij de arm der wet, als de Londense liefdadigheid wat beter toegerust was om daarmee om te gaan, vaker ingegrepen zou moeten hebben om haar te beschermen en te wreken. Maar de Londense liefdadigheid stroomt door een kanaal dat wel diep en machtig is, maar geluidloos ondergronds loopt; niet zichtbaar of toegankelijk voor arme dakloze zwervers; en het kan niet ontkend worden dat buitenkant en structuur van de Londense maatschappij harteloos, wreed en weerzinwekkend zijn. Maar in ieder geval begreep ik dat een deel van het haar aangedane onrecht eenvoudig rechtgezet zou kunnen worden en ik drong er vaak en ernstig bij haar op aan haar klachten aan de rechter voor te leggen. Ik verzekerde haar dat er, ondanks dat ze geen vrienden had, meteen aandacht aan haar zaak geschonken zou worden, en dat de Engelse justitie haar, zonder aanziens des persoons, onverwijld en ruimschoots zou wreken bij de genadeloze bruut, die haar van haar armzalige bezit beroofd had. Vaak beloofde ze me dat ze het zou doen, maar steeds weer stelde ze het nemen van stappen uit, die ik voor haar uitzette, om dat ze zo verlegen en moedeloos was, waaruit bleek hoezeer het verdriet haar jonge hart in zijn greep had gekregen; en misschien ging ze er terecht vanuit dat zelfs de onkreukbaarste rechter en rechtvaardigste rechtbank niets konden doen om het grootste van het haar aangedane onrecht weer goed te maken. Maar misschien zou er toch iets aan gedaan zijn, want uiteindelijk hadden we met elkaar afgesproken, helaas de allerlaatste keer dat ik haar ooit nog zag, dat we een dag of twee later samen naar de rechter zouden gaan en dat ik dan namens haar het woord zou voeren. Het was echter voorbeschikt dat ik haar die kleine dienst nooit zou bewijzen. Ondertussen had zij mij er wel een bewezen, groter dan ik haar ooit zou kunnen vergelden, namelijk de volgende: — Op een avond hadden we langzaam over Oxford-street geslenterd en na een dag waarop ik mij meer dan gewoonlijk ziek en zwak gevoeld had, vroeg ik haar samen met mij terug te lopen naar Soho-square. We liepen daar naartoe en gingen zitten op de trappen van een huis, dat ik tot op de dag van vandaag niet voorbij kan lopen zonder een plotselinge opwelling van verdriet en een innerlijke huldeblijk aan moed van dat ongelukkige meisje, in herinnering aan de edelmoedige daad die zij daar verrichtte. Toen wij daar zaten, voelde ik me steeds beroerder worden. Ik leunde met mijn hoofd tegen haar borst, zakte opeens uit haar armen en viel achterover op de trappen. Door wat ik toen voelde, was ik er zelf heilig van overtuigd dat ik zonder krachtige en reanimerende prikkel óf ter plekke doodgegaan, óf zo uitgeput geraakt zou zijn dat, onder mijn van godverlaten omstandigheden, alle hoop om weer bij te komen vervlogen was. Toen reikte, tijdens die noodlottige crisis, mijn arme van haar ouders beroofde metgezel, die zelf in deze wereld alleen maar onrecht had meegemaakt, mij haar reddende hand. Ze slaakte een angstkreet, maar zonder een moment van aarzeling rende ze Oxford-street in en was weer binnen de kortste keren bij me terug met een glas port met kruiden, dat op mijn lege maag, die in die tijd alle vaste voedsel geweigerd zou hebben, meteen een heilzame werking had; en dit glas betaalde die vrijgevige meisje zonder morren uit haar eigen krappe beurs, in een tijd — let wel! — waarin zij nauwelijks over middelen beschikte om in het allernodigste levensonderhoud te voorzien en geen reden had te verwachten dat ik haar ooit zou kunnen terugbetalen.


O, jeugdige weldoenster! hoe vaak heb ik in de jaren daarop niet aan je gedacht, op eenzame plekken en met hartzeer en volmaakte liefde — hoe vaak heb niet gewenst dat, zoals in oude tijden geloofd werd dat de vloek der vader een bovennatuurlijke kracht had, en haar slachtoffer achtervolgde met een zichzelf vervullende noodlottige noodwendigheid, een met dankbaarheid gezegend hart eenzelfde voorrecht had, van boven de kracht gekregen had je te achtervolgen, lastig te vallen, te belagen, te overrompelen en na te zitten tot midden in de duisternis van een Londens bordeel, of (zo mogelijk) tot in de duisternis van het graf, om je daar te wekken met een oprechte boodschap van vrede en vergeving en een laatste verzoening!


Ik huil niet vaak: want mijn gedachten over onderwerpen die te maken hebben met de belangrijkste lotgevallen van de mens, reiken elke dag, zelfs elk uur duizend vadem "te diep voor tranen;" niet alleen is de onverzettelijkheid van mijn denkgewoonten tegenstrijdig met gevoelens die tranen oproepen — een onvermijdelijk gebrek bij mensen die, doorgaans beschermd door hun oppervlakkigheid, geen enkele neiging hebben stil te blijven staan bij hun verdriet en door diezelfde oppervlakkigheid niet in staat zouden zijn weerstand te bieden tegen elke toevallige opwelling van dergelijke gevoelens — maar ik geloof ook dat alle mensen die dat soort dingen even diep hebben overdacht als ik, om zichzelf te beschermen tegen uiterste wanhoop, al vroeg een soort rustgevend geloof aangemoedigd en gekoesterd hebben, over het vereffenen en de ondoorgrondelijke betekenis van de menselijke beproevingen. Daarom ben ik tot op heden opgewekt en huil ik, zoals ik al heb gezegd, niet vaak. Toch zijn sommige gevoelens, hoewel niet dieper of hartstochtelijker, brozer dan andere; en als ik tegenwoordig bij het dromerige licht van de lantaarns over Oxford-street wandel en van die deuntjes hoor spelen op een draaiorgel, die mij en mijn dierbare metgezellin (zoals ik haar altijd wel moet noemen) jaren daarvoor getroost hebben, lopen mij vaak de tranen over de wangen en mijmer ik over de geheimzinnige lotsbeschikking, die ons zo plotseling en onherroepelijk voor altijd van elkaar scheidde. Hoe dat gebeurde zal de lezer te weten komen uit de rest van dit inleidende verhaal.


Ik heb opgeschreven dat ik kort na dit laatste voorval in Albemarle-street een heer ontmoette uit de hofhouding van wijlen zijne Majesteit. Deze heer was bij verschillende gelegenheden gastvrij ontvangen door mijn familie en hield mij nu staande en vroeg uitleg over mijn sterke familiegelijkenis. Ik probeerde niets te verbloemen en gaf hem onbevangen antwoord op zijn vragen en op zijn woord van eer dat hij mij niet zou verraden aan mijn voogden, gaf ik hem het adres van mijn bevriende advocaat. De dag daarop ontving ik van hem een bankbiljet van tien pond. De bijgesloten brief werd afgeleverd met een paar zakelijke brieven aan de advocaat, maar hoewel ik uit zijn blik en gedrag opmaakte dat hij vermoedde wat erin zat, overhandigde brenger ze me keurig en zonder aarzeling.


De bijzondere bestemming die aan dit geschenk werd gegeven, brengt mij er als vanzelfsprekend toe het nu te gaan hebben over het doel dat mij naar Londen had gelokt en waar ik (om een fraai woord te gebruiken), vanaf de dag van mijn aankomst in Londen tot die van mijn definitieve vertrek, naar gereikhalsd heb.


Het zal mijn lezers verbazen dat ik in een zo enorme gemeenschap als Londen niet een of andere manier had gevonden om een eind te maken aan mijn ergste armoede; en het moet hen vast opvallen dat ten minste twee mogelijkheden voor mij open lagen — namelijk of hulp zoeken bij vrienden van mijn familie, of mijn jeugdige talenten en vaardigheden aanwenden om wat inkomsten te verwerven. Wat de eerste mogelijkheid betreft, moet ik in het algemeen opmerken dat er, waar ik meer dan alle andere kwaden bang voor was, de kans bestond dat mijn voogden zich weer met mij zouden gaan bemoeien; en ik twijfelde er niet aan dat dan elke macht, die de wet hen verschafte, zoveel mogelijk tegen mij in het geweer gebracht zou worden — dat wil zeggen dat ze zover zouden gaan dat ze mij weer zouden dwingen naar de school te gaan, waar ik weg was gelopen, iets dat in mijn ogen een schande zou zijn dat, zelfs als ik mij daar vrijwillig aan had onderworpen, voor mij een grotere vernedering moest betekenen dan de dood en daarmee ook vast zou eindigen, als mij dat afgedwongen werd zonder rekening te houden met mijn eigen wensen en doen en laten. Ik was dus heel terughoudend in het vragen om hulp, zelfs in kringen waar ik die zeker zou krijgen, omdat ik bang was dat ik dan mijn voogden een aanwijzing zou geven, zodat ze me zouden kunnen opsporen. Maar in Londen zelf kan ik mij, hoewel mijn vader daar tijdens zijn leven zonder twijfel veel vrienden had, toch (omdat er al tien jaar verstreken waren sinds zijn dood) maar weinigen van hen zelfs maar bij naam herinneren; en omdat ik niet eerder in Londen was geweest, afgezien van een paar uur, wist ik zelfs van die paar mensen geen adres. Deels omdat ik het moeilijk vond, maar nog veel meer door de allesoverheersende angst die ik al heb genoemd, had ik doorgaans een hekel aan die manier van hulp vragen. Wat betreft de andere manier, ben ik bereid deels mee te gaan met mijn lezer, als hij zich erover verbaasd dat ik die over het hoofd heb gezien. Als corrector van Griekse drukproeven (of zoiets) zou ik zondert twijfel genoeg hebben kunnen verdienen voor mijn bescheiden behoeften. Ik zou een dergelijke functie met zo’n voorbeeldige en punctuele nauwgezetheid hebben kunnen uitoefenen, dat ik al gauw het vertrouwen van mijn werkgevers zou winnen. Daarbij moet niet vergeten worden dat ik, zelfs voor een functie als die, op de eerste plaats een aanbeveling nodig had voor een uitgever, en daar kon ik op geen enkele manier aankomen. Om de waarheid te zeggen, was het eigenlijk nooit bij me opgekomen literaire bezigheden als bron van inkomsten te zien. Ik had nooit een andere manier bedacht om snel aan geld te komen dan het te lenen, met mijn toekomstige aanspraken en verwachtingen als onderpand. Die methode probeerde ik op elke manier uit, onder andere ook bij een jood, D…genaamd. [4]


Bij deze jood en andere geldschieters (van wie sommigen volgens mij ook jood waren) had ik mijzelf geïntroduceerd met een overzicht van mijn vooruitzichten; door bij het Register het testament van mijn vader in te zien, hadden zij zich ervan vergewist dat het verhaal klopte. De daarin als tweede zoon van …..vermelde persoon, bleek alle aanspraken (of meer dan alle) te kunnen doen gelden, waar ik recht op dacht te hebben; maar van het gezicht van de joden viel duidelijk af te lezen dat hen nog één vraag restte — was ik wel die persoon? Het was nooit in me opgekomen dat daaraan getwijfeld kon worden; ik was, telkens als mijn joodse vrienden mij kritisch opnamen, eerder bang geweest dat het maar al te bekend was dat ik die persoon was en dat zij misschien een of ander plan in hun hoofd hadden om mij in de val te laten lopen en aan mijn voogden te verkopen. Ik vond het een vreemd idee dat ik materialiter werd gezien (zo zei ik dat, want ik was verzot op het nauwgezet onderscheid maken van de logica), en werd beschuldigd of op zijn minst verdacht van het, formaliter gezien, mij voordoen als mijzelf. Om echter tegemoet te komen aan hun bedenkingen, koos ik de enige voor mij mogelijke weg. Toen ik in Wales verbleef had ik van jonge vrienden meerdere brieven gekregen; die liet ik zien, want ik droeg ze altijd bij me, omdat ze in die tijd bijna de enige restanten waren van mijn persoonlijke ballast (naast de kleren die ik droeg), waar ik me niet op een of andere manier van had ontdaan. De meeste van die brieven waren afkomstig van Graaf….., die destijds mijn belangrijkste (of liever de enige) hartsvriend was. Deze brieven waren gedagtekend in Eton. Ik had er ook een paar van zijn vader, de Markies van ….. , die, hoewel hij volledig in beslag werd genomen door werkzaamheden in de landbouw, zelf ook op Eton had gezeten en, zoals een geletterd edelman betaamt, nog steeds belangstelling had behouden voor klassieke talen en jonge studenten. Vandaar dat hij sinds mijn vijftiende met mij gecorrespondeerd had; soms over de grote verbeteringen die had doorgevoerd of van plan was door te voeren in de graafschappen M… en S…., sinds ik daar was geweest, soms over de verdiensten van een Latijnse dichter, en andere keren droeg hij onderwerpen aan waarover hij wilde dat ik gedichten schreef.


Nadat hij de brieven had gelezen, was een van mijn joodse vrienden bereid mij twee- of driehonderd pond te leveren, op mijn persoonlijke borgtocht en op voorwaarde dat ik de jonge Graaf…— die overigens niet ouder was dan ik — kon overhalen garant te staan voor de betaling, op het moment dat we meerderjarig werden; het uiteindelijke doel van de jood, denk ik nu, was niet de onbeduidende winst die hij op mij verwachtte te maken, maar de kans in contact te kunnen komen met mijn adellijke vriend, van wie de grandioze vooruitzichten hem welbekend waren. Gehoor gevend aan het voorstel van de jood trof ik, acht of negen dagen nadat ik de tien pond had ontvangen, voorbereidingen om af te reizen naar Eton. Bijna drie pond van het bedrag had ik aan mijn geldschietende vriend gegeven, omdat hij beweerde dat er zegels gekocht moesten worden, zodat de papieren in orde konden worden gemaakt terwijl ik weg was uit Londen. In mijn hart dacht ik dat hij loog; maar ik wilde hem geen enkel excuus geven om zijn eigen vertragingen op mijn bord te kunnen schuiven. Een kleiner bedrag had ik gegeven aan mijn vriend, de advocaat (die als juridisch adviseur contact had met de geldschieters) waarop hij namelijk recht had vanwege het aan mij verhuren van zijn ongemeubileerde woning. Ongeveer vijftien shilling had ik besteed aan het fatsoeneren (zij het heel bescheiden) van mijn kleding. Van de rest gaf ik een kwart aan Ann, met de bedoeling bij terugkomst, wat er dan overgebleven was, met haar te delen. Nadat ik dat allemaal geregeld had, vertrok ik op een donkere winteravond, meteen na zessen, samen met Ann naar Piccadilly; want het was mijn bedoeling, met de postkoets naar Bath en Bristol, mee te rijden tot Salthill. Onze tocht voerde door een stadsdeel dat nu helemaal is verdwenen, zodat ik de oude grenzen niet meer kan vinden — volgens mij werd het Swallow-street genoemd. Maar omdat we tijd genoeg hadden, sloegen we linksaf tot we op Golden-square kwamen; daar gingen we zitten, in de buurt van de hoek van Sherrard-street, omdat we ons niet in de drukte en het gewoel van Piccadilly wilden storten. Enige tijd daarvoor had ik haar verteld van mijn plannen en nu verzekerde ik haar opnieuw dat zij zou delen in mijn voorspoed, als mij die ten deel zou vallen en dat ik haar nooit meer in de steek zou laten, zo gauw ik sterk genoeg was om haar te beschermen. Dat was ik echt van plan, zowel uit welwillendheid als uit plichtsgevoel; want afgezien van dankbaarheid, waardoor ik in ieder geval levenslang bij haar in het krijt stond, hield ik even teder van haar alsof ze mijn zuster was; en op dat moment met een zevenvoudige tederheid, uit medelijden, omdat ik zag hoe vreselijk verdrietig ze was. Ik had eigenlijk de meeste reden om verdrietig te zijn, omdat ik de redster van mijn leven verliet; toch was ik, ondanks de klap die mijn gezondheid had opgelopen, opgewekt en vol goede hoop. Zij daarentegen, die afscheid nam van iemand die maar over weinig middelen had beschikt om haar behulpzaam te zijn, behalve een vriendelijke en broederlijke bejegening, was door verdriet overmand; zodat zij, toen ik haar kuste bij ons laatste afscheid, haar armen om mijn nek sloeg en zonder woorden huilde. Ik hoopte uiterlijk over een week terug te komen en sprak met haar af dat zij op de vijfde avond vanaf dan, en elke avond daarna, om zes uur op mij zou wachten aan het einde van de Great Titchfield-street, dat als het ware onze veilige haven was geweest, waar we steeds met elkaar afspraken, om te voorkomen dat we elkaar mis zouden lopen in de grote Middellandze zee van Oxford-street. Deze en andere voorzorgsmaatregelen nam ik, maar ik vergat er één. Zij had mij nooit haar achternaam verteld, of ik was die (als iets onbelangrijks) vergeten. Het is namelijk de algemene gang van zaken, dat meisjes van nederige afkomst in hun ongelukkige situatie, zichzelf niet (zoals romannetjes lezende vrouwen met meer pretenties) Miss Douglas, Miss Montague, enz. noemen, maar gewoon met hun voornaam — Mary, Jane, Frances, enz. Als de zekerste manier om haar later op te kunnen sporen, had ik nu dus haar achternaam moeten vragen; maar omdat ik geen reden had te denken dat onze ontmoeting door een korte onderbreking moeilijker of onzekerder zou worden dan het al zoveel weken was geweest, had ik in werkelijkheid nauwelijks een moment gedacht dat het nodig was, of het bij de dingen gezet die ik niet moest vergeten bij dit afscheidsgesprek; en omdat mijn laatste zorgen werden besteed aan haar met hoopvolle gedachten te troosten, en te benadrukken dat ze wat medicijnen moest halen voor haar hevige hoest en heesheid, waar ze last van had, vergat ik het helemaal totdat het te laat was om haar terug te roepen.


Het was al over achten toen ik aankwam bij het koffiehuis van Gloucester en omdat de poskoets naar Bristol op punt van vertrek stond, klom ik op het dak. De heerlijke vloeiende beweging [5] van deze postkoets wiegde me al snel in slaap: het is vrij opmerkelijk dat de eerste probleemloze en verkwikkende slaap die ik in een paar maanden had genoten, boven op een postkoets was — een bed dat ik tegenwoordig nogal ongemakkelijk vind. Er was een verband tussen die slaap en een voorvalletjes dat, net als honderden andere in die tijd, diende om mij te laten zien hoe gemakkelijk iemand, die nooit in grote moeilijkheden heeft verkeerd, door het leven kan gaan zonder iets te weten, ten minste wat hem zelf betreft, van de mogelijke goedheid van het menselijke hart — of, zoals ik daar met een zucht aan toe moet voegen, van zijn mogelijke laagheid. Er is zo’n dik gordijn van manieren gelegd over de eigenschappen en uitingen van de menselijke natuur, dat voor de gewone toeschouwer de twee uitersten en het eindeloze gebied van varianten dat daar tussen ligt, één grote warboel is; het uitgestrekte en veelsoortige bereik van hun diverse harmonieën wordt teruggebracht tot een pover schema van verschillen, uitgedrukt in het gamma of alfabet van elementaire geluiden. De zaak was als volgt: gedurende de eerste vier of vijf mijl na Londen, viel ik mijn medepassagier op het dak lastig door af en toe tegen hem aan te vallen als de koets een plotselinge beweging naar zijn kant maakte; en als de weg minder vlak en egaal was geweest zou ik er inderdaad van zwakte afgevallen zijn. Hij klaagde hevig over die hinder, wat de meeste mensen onder die omstandigheden zouden doen; maar gaf echter veel korzeliger uiting aan zijn klacht dan het geval leekt te rechtvaardigen, en als ik op dat moment afscheid van hem had genomen zou ik een beeld van hem hebben overgehouden (ten minste als ik het de moeite waard zou vinden om dat te maken) van een norse en bijna gevoelloze kerel. Ik besefte echter dat ik hem een reden tot klagen had gegeven en daarvoor verontschuldigde ik me en verzekerde hem dat ik mijn uiterste best zou doen om verder niet meer in slaap te vallen; en tegelijkertijd legde ik hem zo beknopt mogelijk uit dat ik ziek was en verzwakt door langdurige ontberingen en dat ik mij op dat moment een plaats ín de koets niet kon veroorloven. Toen hij dat gehoord had veranderde de houding van de man ogenblikkelijk; en toen ik de keer daarop weer even wakker werd door het geluid en de lichten van Hounslow (want ondanks mijn goede voornemens en inspanningen was ik twee minuten nadat ik met hem had gesproken weer in slaap gevallen) merkte ik dat hij zijn arm om mij heen had geslagen om te voorkomen dat ik naar beneden zou vallen en gedurende de rest van mijn reis bejegende hij me met de zachtzinnigheid van een vrouw, zodat ik uiteindelijk bijna in zijn armen lag; en dat was des te aardiger omdat hij niet kon weten dat ik niet helemaal tot Bath of Bristol mee zou rijden. Helaas ging ik een stuk verder mee dan de bedoeling was, want mijn slaap was zo aangenaam en verkwikkend, dat de keer dat ik na Hounslow helemaal wakker werd was op het moment dat de postkoets opeens stopte (mogelijk bij een postkantoor) en ik bij navraag ontdekte dat we al in Maidenhead waren — volgens mij zes of zeven mijl voorbij Salthill. Daar stapte ik uit en in die halve minuut dat de postkoets stopte werd mij door mijn vriendelijke medereiziger (die uit de vluchtige glimp die ik van hem opgevangen had in Piccadilly mij een herenknecht leek, of iets dergelijks) op het hart gedrukt meteen naar bed te gaan. Dat beloofde ik, maar was niet van plan dat te doen; en in werkelijkheid ging ik meteen te voet verder, of liever, terug. Het moet toen rond middernacht geweest zijn, maar ik vorderde zo langzaam dat ik in een huisje de klok vier uur hoorde slaan, voordat ik de weg insloeg van Slough naar Eton. De buitenlucht en slaap hadden me verkwikt; maar toch was ik moe. Ik herinner me een uitspraak (heel toepasselijk en aardig verwoord door een Romeins dichter) die mij toen in mijn armzalige toestand wat troost bood. Even daarvoor was er een moord gepleegd op of in de buurt van de Hounslower heide. Ik denk dat ik me niet vergis als ik zeg dat de naam van de vermoorde Steele was, en dat hij de eigenaar was van een lavendelplantage in de buurt. Elke stap bracht mij dichter bij de heide en natuurlijk kwam het bij me op dat ik en de van moord beschuldigde man, als hij die nacht op pad was, elkaar onbewust in de duisternis elk moment naderbij kwamen; in dat geval, zei ik — ervan uitgaand dat ik ik ben en niet (wat ik feitelijk ben) gewoon maar een paria — als ik


Eigenaar van mijn kennis, maar zonder land—


zou zijn, zoals mijn vriend Lord…., van wie algemeen bekend is dat hij erfgenaam is van 70.000 pond per jaar, wat een paniek zou mij dan op dit moment naar de strot vliegen! Het was echter waarschijnlijk dat Lord….nooit in mijn situatie zou verkeren. Maar toch blijft de strekking van de opmerking juist — namelijk dat veel macht en bezittingen iemand beschamend bang maken voor de dood; en ik ben ervan overtuigd dat bij veel van de onverschrokkenste avonturiers die, doordat ze het geluk hebben arm te zijn, volledig gebruik kunnen maken van hun natuurlijke moed, als ze, op het moment dat ze in actie zouden komen, het bericht zouden krijgen dat ze onverwacht in Engeland een erfenis hadden gekregen van 50.000 pond per jaar, de afkeer van kogels aanzienlijk groter zou worden, [6] en hun streven naar gelijkmoedigheid en zelfbeheersing evenredig problematisch. Het is dus waar dat, in de woorden van een wijs man die uit eigen ervaring kennis had gemaakt met beide kanten van het lot, rijken eerder geneigd zijn om


In deugd te verslappen en de scherpe kantjes eraf te slijpen

Dan haar te verleiden tot het doen van iets

Dat de verdienste tot eer zou strekken.

Paradise Regained.


Ik zit hier wat te knoeien met mijn onderwerp, omdat de herinnering aan die tijd voor mij heel boeiend is. Maar mijn lezer zal verder geen reden tot klagen hebben, want ik zal mij nu reppen naar het einde van het verhaal. Onderweg tussen Slough en Eton viel ik in slaap en toen de morgen aanbrak werd ik gewekt door de stem van een man die over me heen gebogen stond en naar me keek. Ik weet niet wat hij was: hij zag er onvriendelijk uit, maar dat wil nog niet zeggen dat hij iets onvriendelijks van zins was; en als dat wel zo zou zijn, kan ik me toch niet voorstellen dat iemand die ’s winters buiten slaapt de moeite van het beroven waard is. Mocht hij zich echter onder mijn lezers bevinden, dan wil ik hem verzekeren dat hij zich wat mij betreft vergiste. Na een terloopse opmerking verdween hij; en ik vond het niet erg dat hij mij gestoord had, omdat ik nu door Eton kon lopen voordat de meeste mensen op waren. ’s Nachts was het somber en betrokken geweest, maar tegen de morgen was dat overgegaan in een lichte vorst en waren grond en bomen bedekt met rijp. Ik sloop onopgemerkt door Eton, waste mezelf en fatsoeneerde mij kleren zo goed mogelijk in een kleine herberg in Windsor; en om acht uur liep ik naar beneden naar de winkel van Pote. Onderweg kwam ik een paar studenten tegen, bij wie ik inlichtingen inwon. Een student van Eton is altijd een heer; en ondanks mijn sjofele kledij gaven ze me beleefd antwoord. Mijn vriend, Lord…., was vertrokken naar de Universiteit van …… "Ibi omnis effusus labor! (vert.: "Daar is alle werk mateloos," Virgilius, Georgica)." Ik had echter nog andere vrienden op Eton; maar iemand die in de problemen zit maakt niet graag zijn opwachting bij iedereen die de naam vriend draagt en geslaagd is. Ik vermande me echter en vroeg naar Graaf van….., bij wie ik (hoewel mijn omgang met hem niet zo vertrouwelijk was als met anderen) er niet voor zou terugschrikken mij in welke toestand dan ook te vertonen. Hij was nog op Eton, hoewel hij, geloof ik, bezig was met Cambridge. Ik ging bij hem langs, werd vriendelijk ontvangen en uitgenodigd voor het ontbijt.


Ik moet hier even ophouden om te voorkomen dat mijn lezer een verkeerde conclusie trekt. Omdat ik af en toe een aanleiding zie om iets te zeggen over verschillende adellijke vrienden, moet daaruit niet opgemaakt worden dat ik enige pretentie heb om mij te scharen onder de gegoede klasse of mensen van hoge afkomst. Godzijdank hoor ik daar niet bij. Ik ben de zoon van een gewone Engelse koopman, die tijdens zijn leven gewaardeerd werd vanwege zijn grote onkreukbaarheid en zeer gehecht was aan literaire bezigheden (hij schreef zelf ook, maar anoniem). Als hij was blijven leven, was hij naar verwachting nu heel rijk geweest; maar omdat hij vroegtijdig stierf liet hij maar 30.000 pond na, verdeeld over zeven erfgenamen. Met trots zou ik willen vermelden dat mijn moeder nog veel begaafder was; want hoewel zij geen aanspraak maakte op de titel en het aanzien van een literaire vrouw, ben ik zo vrij haar (wat veel literaire vrouwen niet zijn) een intellectuele vrouw te noemen; en ik denk dat als haar brieven ooit verzameld en gepubliceerd worden, men algemeen zal vinden dat zij een even krachtige en mannelijke toon aanslaan, en dan ook nog opgeschreven in een even zuivere "moedertaal," geestig en helder en met stijlbloempjes, als al het andere in onze taal — misschien met uitzondering van wat Lady M. W. Montague geschreven heeft. Dat zijn de eretekenen van mijn afkomst, ik heb geen andere; en ik heb God oprecht bedankt dat ik die niet heb want dat zijn, volgens mij, niet de meest gunstige voor morele of intellectuele eigenschappen.


Lord D….liet een schitterend ontbijt voor mij neerzetten. Dat was het echt, maar in mijn ogen leek het nog drie keer zo schitterend, omdat het mijn eerste gewone maaltijd was, de eerste "feestmaaltijd," waar ik sinds maanden bij aanzat. Vreemd genoeg kon ik echter nauwelijks iets naar binnen krijgen. Op de dag waarop ik mijn biljet van tien pond kreeg, was ik naar de bakker gegaan en had een paar broodjes gekocht; twee maanden of zes weken eerder had ik zo hunkerend naar die winkel gekeken dat het bijna gênant is om daaraan terug te denken. Ik herinnerde me het verhaal over Thomas Otway [7], en was bang dat te snel eten misschien gevaarlijk was. Maar ik hoefde me niet ongerust te maken; mijn eetlust was helemaal verdwenen en ik werd al beroerd voordat ik de helft van wat ik gekocht had, op had. Deze uitwerking van het eten van alles wat ook maar op een maaltijd leek, bleef ik wekenlang voelen; als ik er niet misselijk van werd, kwam een deel van wat ik at weer terug, soms met het zuur, soms meteen en zonder zuur. In dit geval, aan de tafel van Lord D…., voelde ik mij helemaal niet beter dan gewoonlijk, en te midden van die overvloed had ik geen eetlust. Maar ik had wel de hele tijd vreselijk veel zin in wijn; daarom deed ik voor Lord D….mijn situatie uit de doeken en gaf hem een beknopt verslag van mijn recente ontberingen, waarop hij uitgebreid zijn medeleven betoonde en wijn liet aanrukken. Die gaf mij tijdelijk verlichting en een aangenaam gevoel; als ik er de gelegenheid voor had, kon ik het nooit nalaten wijn te drinken, die ik toen evenzeer aanbad als ik later met opium heb gedaan. Ik ben er echter van overtuigd dat dat overmatige gebruik van wijn bijdroeg aan het verergeren van mijn ziekte, want mijn maag was duidelijk helemaal verslapt en zou bij een beter dieet sneller en misschien afdoende hersteld zijn. Ik hoop dat het niet door die voorliefde voor wijn was dat ik bleef hangen in de buurt van mijn vrienden van Eton; destijds hield ik mezelf voor dat het kwam omdat ik aarzelde Lord D…, van wie ik wist dat ik nauwelijks iets van hem te vorderen had, de speciale dienst te vragen waarvoor ik naar Eton was gekomen. Ik wilde echter niet dat mijn reis helemaal tevergeefs was geweest, en — ik vroeg het. Lord D…, die grenzeloos beminnelijk was, wat ten aanzien van mij misschien meer te maken had met zijn medeleven met mijn toestand en omdat hij op de hoogte was van met vertrouwelijke omgang met een paar van zijn familieleden, dan door een al te zorgvuldig onderzoek naar in hoeverre ik rechtstreekse vorderingen op hem had, aarzelde echter bij dat verzoek. Hij erkende dat hij liever niets te maken had met geldschieters en bang was dat zijn verwanten een dergelijke transactie ter ore zou komen. Bovendien betwijfelde hij of zijn handtekening, iemand van wie de vooruitzichten zoveel beperkter waren dan die van….., iets zou uithalen bij mijn niet-christelijke vrienden. Hij wilde me echter kennelijk niet kwetsen met een absolute weigering; want na enige overweging beloofde hij me borg te willen staan, onder bepaalde voorwaarden die hij te berde bracht. Lord D….was destijds nog geen achttien; maar ik heb vaak betwijfeld, als ik later terugdacht aan het gezonde verstand en de behoedzaamheid die hij bij die gelegenheid paarde aan zoveel hoffelijkheid (een hoffelijkheid die bij hem de charme vertoonde van jeugdige oprechtheid), of enig staatsman — zelfs de oudste en diplomatiekste — zich onder dezelfde omstandigheden beter van zijn taak gekweten had. De meeste mensen kun je inderdaad niet met zoiets lastig vallen zonder dat ze je opnemen met een even norse en ongunstige blik als van een Saracenenkop.


Weer opgebeurd door die belofte, die niet helemaal gelijk was aan de beste, maar veel beter dan de slechtste die ik voor mogelijk had gehouden, keerde ik in een Windsor-rijtuig terug naar Londen, drie dagen nadat ik daar was vertrokken. En nu kom ik bij het einde van mijn verhaal. De joden gingen niet akkoord met de voorwaarden van Lord D…; ik weet niet of zij die uiteindelijk toch aanvaard zouden hebben en alleen maar tijd wilden om dienaangaande inlichtingen in te winnen; maar het werd telkens uitgesteld, de tijd verstreek, het restje van mijn bankbiljet was net verdampt en voordat er ook maar enige uitspraak kon worden gedaan in de zaak, moet ik in mijn vroegere ellendige toestand zijn teruggevallen. Maar plotseling werd er tijdens dat kritieke stadium bijna bij toeval een opening gemaakt om mij weer te kunnen verzoenen met mijn vrienden; in allerijl vertrok ik vanuit Londen naar een afgelegen streek in Engeland; enige tijd later begon ik op de universiteit en pas na vele maanden was ik in staat de plaats weer te bezoeken die zo boeiend voor me was geworden en dat tot de dag van vandaag is gebleven, omdat het het belangrijkste toneel van de beproevingen in mijn jeugd is.


Wat was er ondertussen terechtgekomen van Ann? Voor haar heb ik mijn slotwoord bewaard. Volgens onze afspraak zocht ik haar dagelijks naar haar en wachtte, zolang ik in Londen was, elke avond op haar op de hoek van Titchfield-street. Ik deed navraag naar haar bij iedereen die haar mogelijk kende en tijdens de laatste uren van mijn verblijf in Londen stelde ik alles, wat mijn bekendheid met Londen mij ingaf en mijn beperkte kracht mogelijk maakte, in het werk om haar op te sporen. Ik wist in welk straat ze had gewoond, maar niet in welk huis; en ten slotte herinnerde ik me een verhaal dat ze me verteld had over de slechte behandeling door haar huisbaas, wat het waarschijnlijk maakte dat ze die woning verlaten had voor we afscheid van elkaar namen. Ze had weinig kennissen; bovendien dachten de meeste mensen dat de gedrevenheid van mijn zoeken voortkwam uit motieven, die hun lachlust of minachting opwekten; en anderen, die dachten dat ik op jacht was naar een meisje dat mij wat kleinigheden afhandig had gemaakt, waren vanzelfsprekend en begrijpelijk niet bereid om mij enige inlichting over haar te verschaffen, als zij al iets wisten. Ten slotte gaf ik op de dag dat ik uit Londen vertrok, als mijn wanhopige laatste redmiddel, de enige persoon die (daar was ik zeker van) Ann van gezicht moest kennen, doordat hij een of twee keer in gezelschap van ons was geweest, het adres van….in ….-shire, waar in die tijd mijn familie verbleef. Maar tot op de dag van vandaag heb ik nooit meer iets van haar gehoord. Van alle tegenslagen waar de meeste mensen in dit leven mee te maken krijgen, is dit mijn grootste geweest. Als ze nog in leven was, zouden wij vast en zeker af en toe, in de reusachtige labyrinten van Londen, naar elkaar op zoek zijn geweest; misschien zijn wij zelfs wel eens een paar stappen van elkaar vandaan geweest — een hindernis, niet breder dan een Londense straat, die vaak uiteindelijk een scheiding voor eeuwig betekent! Een aantal jaren hoopte ik dat ze nog leefde; en ga ervan uit, dat ik, tijdens mijn meerdere bezoeken aan Londen , in de letterlijke en niet-retorische betekenis van het woord myriaden, ik mag wel zeggen naar vele, vele myriaden vrouwengezichten heb gekeken, in de hoop haar tegen te komen. Ik zou haar uit duizenden herkennen, als ik haar maar even zou zien; want hoewel ze niet knap was, had ze een innemende gelaatsuitdrukking en droeg haar hoofd op een eigenaardige en bevallige manier. Zoals ik al gezegd heb zocht ik haar in de hoop haar te vinden. Dat heb ik jaren gedaan, maar nu zou ik er tegenop zien haar weer te ontmoeten en haar hoesten, dat mij pijn deed toen ik afscheid van haar nam, is nu mijn troost. Ik wil haar nu niet meer zien; maar ik denk liever aan haar, als aan iemand die lang geleden in het graf is gelegd, naar ik hoop als een Maria Magdalena; weggenomen, voordat vernederingen en wreedheid haar onschuldige karakter hadden weggevaagd en misvormd, of de gruwelijkheden van de beulen de afbraak, waarmee ze begonnen waren, hadden voltooid.


[De rest van dit zeer interessante artikel zal in het volgende nummer verschijnen.—ED.]

Deel II

Uit het London Magazine van oktober 1821.


Dus Oxford-street, stiefmoeder met een hart van steen! gij die het zuchten van de wezen aanhoort en kindertranen drinkt, eindelijk was ik van u af; eindelijk was de tijd gekomen dat ik niet langer gepijnigd op en neer zou lopen langs uw eindeloze huizenblokken, niet meer zou dromen en waken, bevangen door een knagende honger. Teveel mensen, erfgenamen van onze beproevingen, zijn, na Ann en mij, sindsdien in onze voetstappen getreden; andere wezen dan Ann hebben gezucht; tranen zijn geplengd door andere kinderen; en gij, Oxford-street, hebt sindsdien zonder twijfel het gekreun van ontelbare harten weerkaatst. Voor mijzelf leek de storm, die ik had overleefd, echter de belofte in te houden van een lange periode van mooi weer — de te vroegtijdige beproevingen die ik had afbetaald, leken aanvaard te zijn als losgeld voor vele komende jaren, als een prijs voor een langdurige vrijwaring voor verdriet; en als ik dan weer door Londen liep, als een eenzame en bedachtzame man (wat ik vaak deed), deed ik dat meestal met een sereen en vredig gemoed. En hoewel het waar is dat de rampzaligheden van mijn inwijdingsperiode in Londen zich zo diep hadden geworteld in mijn lichamelijke gestel, dat zij later weer opschoten, opnieuw tot bloei kwamen, en uitgroeiden tot een giftig gebladerte, dat mijn latere jaren heeft overschaduwd en verduisterd, ben ik toch deze tweede aanvalsgolf van beproevingen tegemoetgetreden met een overtuigdere vastberadenheid, met hulp van een rijper verstand en met verzachting door meelevende genegenheid — O hoe innig en liefdevol!


Hoe die beproevingen ook verzacht werden, de jaren die ver uiteenlagen waren met elkaar verbonden door ragfijne lijntjes van leed, ontsproten uit een gemeenschappelijk bron. En ik zie een voorbeeld van de kortzichtigheid van menselijke verlangens in het feit dat het op maanverlichte nachten, tijdens mijn eerste treurige verblijf in Londen, mij vaak tot troost was (als zoiets denkbaar zou zijn) om vanaf Oxford-street de zijwegen die het hart van Marylebone doorkruisen, straat na straat door te kijken naar de velden en bossen; "dat," zei ik dan, terwijl ik met mijn ogen langs de lange lanen reisde, die deels in het licht, deels in de schaduw lagen, "dat is de weg naar het Noorden en dus naar Grasmere, en als ik de vleugels van een duif had, zou ik die richting in vliegen voor vertroosting." Dat zei ik en daarnaar verlangde ik, in mijn blindheid. Toch was het zelfs juist naar dat Noorden, zelfs naar dat dal, ja zelfs naar dat huis waarnaar mijn verkeerde verlangens zich richtten en waar deze tweede geboorte van mijn beproevingen aanving en opnieuw de burcht van leven en hoop dreigden in te nemen. Daar was het dat ik jarenlang achtervolgd werd door visioenen, spookbeelden even afzichtelijk en verschrikkelijk als die ooit de ligbank van iemand als Orestes hebben bezocht; en daarin ongelukkiger dan hij, werd ik als mijn bitterste gesel bezocht door de slaap, die voor iedereen als adempauze en herstel komt en in het bijzonder voor hem als zalige [8] balsem voor zijn gewonde hart. Zo blind was ik in mijn verlangens; maar als er een sluier hangt tussen de kortzichtigheid van de mens en zijn toekomstige rampen, verbergt diezelfde sluier voor hem alles wat verlichting kan brengen. Een verdriet dat niet gevreesd wordt, ontmoet troost waarop niet gehoopt is. Ik die als het ware deel had aan Orestes’ beproevingen (met uitzondering van zijn verontruste geweten), deelde niet minder in alles wat hem tot steun diende. Mijn Eumeniden stonden net als de zijne, aan het voeteinde van mijn bed, en staarden me aan door de gordijnen; maar wakend bij mijn kussen, of zichzelf de slaap onthoudend om mij gezelschap te kunnen houden tijdens de zware slapeloze uren van de nacht, zat mijn Elektra; want jij, geliefde M., dierbare metgezellin van mijn latere jaren, jij was mijn Elektra! en noch in zieleadel, noch in lankmoedigheid zou jij toelaten dat een Griekse zuster zou uitmunten boven een Engelse vrouw. Want jij vond het vanzelfsprekend je te verlagen tot bescheiden liefdadigheid en dienstbare [9] hulp van de tederste genegenheid — door jarenlang de verderfelijke zweetdroppels van mijn voorhoofd te wissen, of mijn door koorts uitgedroogde en verschroeide lippen te verkwikken; zelfs niet toen jouw eigen vredig sluimer door langdurig medeleven was besmet met het schouwspel van mijn angstaanjagende gevecht met spoken en schimmige vijanden, die mij vaak bevalen: "niet meer slapen!" — zelfs toen kwam er geen klacht of gemor over je lippen, behield je je engelachtige glimlach en deinsde je niet terug voor jouw liefdesdienst, nog getrouwer dan Elektra lang geleden. Want ook zij, hoewel ze een Griekse was en dochter van de koning [10] der mensen, huilde bij tijd en wijle en verborg dan haar gezicht [11] in haar gewaad.


Maar die ellende behoort tot het verleden; en jij zult de optekeningen lezen van een voor ons beiden zo smartelijke periode, als de overlevering van een afschuwelijke droom die nooit weer kan terugkeren. Inmiddels ben ik weer in Londen en weer loop ik ‘s avonds langs de huizenblokken in Oxford-street; en vaak als ik terneergedrukt wordt door angsten die steun zoeken door een beroep te doen op heel mijn levenswijsheid en de troostende gedachte van jouw aanwezigheid, en bedenk dat ik van jou gescheiden ben door driehonderd mijl en de tijdspanne van drie sombere maanden, kijk ik op maanverlichte nachten door de straten heen die vanaf Oxford-street naar het Noorden lopen en herinner mij weer de angstkreet uit mijn jeugd; en dan bedenk ik dat jij helemaal alleen zit in datzelfde dal, de vrouw des huizes van de woning waarnaar mijn hart zich negentien jaar geleden in zijn verblinding wendde; dan denk ik dat de aansporingen van mijn hart, hoewel blind en onlangs verstrooid door de winden, toch hebben verwezen naar een veel eerdere tijd en gerechtvaardigd zouden kunnen worden als daar een andere bedoeling aan toegekend wordt; en als ik mij zelf zou kunnen vergunnen weer af te dalen naar de machteloze verlangens van mijn kindertijd, zou ik tegen me zelf zeggen, als ik naar het Noorden kijk, "O, had ik maar de vleugels van een duif—" en met een terecht vertrouwen in jouw goede en beminnelijke karakter zou ik daar de andere helft van mijn eerdere kreet aan toe kunnen voegen—"En daarheen zou ik vliegen ter vertroosting!"

DE GENEUGTEN VAN OPIUM

Het is zo lang geleden dat ik voor het eerst opium nam dat ik, als het in mijn leven een onbeduidende gebeurtenis was geweest, misschien de datum vergeten zou zijn; maar kardinale gebeurtenissen mogen niet vergeten worden en, aan de hand van daarmee verbonden omstandigheden, herinner ik me dat het plaatsgevonden moet hebben in de herfst van 1804. In die periode verbleef ik in Londen, waar ik voor het eerst naartoe gegaan was sinds ik met mijn studie begonnen was. Mijn kennismaking met opium verliep als volgt. Van jongs af aan was ik gewend mijn hoofd minstens eenmaal per dag met koud water te wassen. Toen ik kiespijn kreeg schreef ik dat dus toe aan een soort verslapping ten gevolge van een onopzettelijk nalaten van dat ritueel, omdat ik uit bed gesprongen was, mijn hoofd in een bekken met koud water had gedompeld en met natte haren weer was gaan slapen. Ik hoef nauwelijks te vertellen dat ik de ochtend daarop wakker werd met verschrikkelijke reumatische pijnen aan mijn hoofd en gezicht, die ongeveer twintig dagen vrijwel onophoudelijk aanhielden. Ik denk dat het de eenentwintigste dag was, op een zondag, dat ik de straat op ging, meer om zo mogelijk mijn kwellingen te ontvluchten dan met een bepaald doel. Toevallig kwam ik een studiegenoot tegen, die mij opium aanraadde. Opium! Die vreselijke brenger van onvoorstelbaar genot en pijn! Ik had erover gehoord zoals over manna of ambrozijn, maar niet meer. Hoe betekenisloos was die klank nog in die tijd; welke plechtige akkoorden slaat het tegenwoordig op mijn hart! wat voor hartverscheurende trillingen van droeve en blijde herinneringen! Als ik daar even aan terugdenk, heb ik het gevoel dat er een mystieke lading kleeft aan de onbeduidendste omstandigheden, die te maken hebben met de tijd,  plaats en de man (als hij wel een mens was) die voor het eerst het Paradijs van de Opiumslikkers voor mij openden. Het was op een zondagmiddag, nat en triest. Er bestaat op onze aarde geen saaier schouwspel dan een regenachtige zondag in Londen. Mijn weg naar huis voerde door Oxford-street en in de buurt van "het statige Pantheon" (zoals Wordsworth dat zo hoffelijk noemde) zag ik een drogisterij. De drogist—onbewuste leverancier van hemelse vreugden!—zag er, als het ware in overeenstemming met de regenachtige zondag, doodsaai en onnozel uit, precies zoals van elke sterfelijke drogist op een zondag verwacht mag worden. En toen ik hem om opiumtinctuur vroeg, reikte hij die me aan zoals ieder ander zou hebben gedaan, en bovendien gaf hij me van mijn shilling iets terug wat een echte koperen halve penny bleek te zijn, die hij uit een echte houten lade pakte. Ondanks een dergelijk blijk van menselijkheid, is hij sindsdien altijd in mijn hoofd aanwezig geweest als het gelukzalige visioen van een onsterfelijke drogist, op aarde neergezonden met een speciale opdracht voor mij. Een bevestiging van dat idee kreeg ik toen ik de keer daarop in de buurt van het statige Pantheon naar hem op zoek ging en niet vond. Voor mij, die zijn naam (als hij er al een had) niet wist, leek hij eerder verdwenen uit Oxford-street, dan verhuisd in lichamelijke zin. De lezer mag zelf weten of hij mogelijk toch niet gewoon een ondermaanse drogist geweest is; het is mogelijk, maar mijn geloof is groter—ik geloof dat hij vervluchtigd [12] of verdampt is. Met zoveel tegenzin zou ik ook maar enige herinnering willen verbinden aan dat tijdstip, die plek en dat wezen, dat mij voor het eerst liet kennismaken met dat hemelse medicijn.


Je zou kunnen denken dat ik eenmaal thuisgekomen geen moment verloor om de voorgeschreven hoeveelheid te kunnen innemen. Ik wist natuurlijk niets van de hele kunst en het geheim van het opiumslikken, en wat ik innam, nam ik in onder de allerongunstigste omstandigheden. Maar ik nam het in—en na een uur—o, goeie hemel! wat een verandering! wat een omhoogkolken vanuit het allerdiepste van mijn gemoed! wat een apocalyps in mijn binnenwereld! Dat mijn pijnen waren verdwenen was nu in mijn ogen een kleinigheidje. Dit negatieve effect werd verzwolgen in de onmetelijkheid van de positieve effecten die zich voor mij openden—in de afgrond van het goddelijke genot dat zodoende plotselinge werd onthuld. Dit was een panacee, een φαρμακον voor alle menselijke smarten; dit was het geheim van het geluk, waarover de filosofen zoveel eeuwen geredetwist hadden, opeens ontdekt; geluk zou nu voor een penny gekocht en meegenomen kunnen worden in je vestzak; draagbare extases zouden in een flesje gekurkt en gemoedsrust in liters met de postkoets verstuurd kunnen worden. Maar als ik op die manier spreek zal de lezer denken dat ik er de draak mee steek, maar ik kan hem verzekeren dat iemand die veel met opium te maken heeft het lachen zal vergaan. Zelfs de genoegens van opium zijn ernstig en plechtig van aard en zelfs in zijn gelukkigste toestand kan de opiumslikker niet de rol van L’Allegro [13] spelen; zelfs dan spreekt en denkt hij zoals Il Penseroso betaamt. Toch kan ik te midden van mijn ellende op een verwerpelijke manier grappen maken en ben bang dat ik, als mij niet een halt wordt toegeroepen door sterkere gevoelens, mij zelfs in dit relaas van smart of vreugde schuldig zal maken aan onfatsoenlijk gedrag. De lezer moet wat dat betreft enigszins rekening houden met mijn broze aard en op een paar van dat soort uitspattinkjes na, zal ik proberen zo ernstig, zo niet slaapverwekkend te zijn als past bij een onderwerp als opium, hoe anti-onrust het in werkelijkheid ook is en hoe onterecht het als slaapverwekkend bekend staat.


Eerst dan een enkel woord over de lichamelijke effecten ervan, want op alles wat tot nu toe geschreven is over het onderwerp opium, hetzij door reizigers uit Turkije (die zich kunnen beroepen op hun sinds onheuglijke tijden bestaande voorrecht te mogen liegen), hetzij door ex cathedra schrijvende professoren in de geneeskunde, heb ik maar een enkel welgemeend woord van kritiek te geven—Leugens! leugens! leugens! Ik herinner me ooit terloops in een boekenstalletje de volgende woorden te hebben opgevangen van een satirische schrijver: "Toen raakte ik ervan overtuigd dat de Londense kranten minstens twee keer per week de waarheid spraken, namelijk op dinsdag en op zaterdag; dan kon je er veilig op vertrouwen—namelijk de lijst van faillissementen." Evenzeer ontken ik geenszins dat wat betreft opium de wereld een aantal waarheden zijn opgediend. Zo is door de geleerden herhaaldelijk bevestigd dat opium donkerbruin van kleur is en let wel, daar ben ik het mee eens. Ten tweede, dat het vrij prijzig is, wat ik ook beaam, want in mijn tijd deed Oost-Indische opium drie guineas het pond en de Turkse acht. En ten derde, dat als je er flink wat van slikt, je ongetwijfeld zult doen wat bijzonder onaangenaam is voor iemand met vaste gewoonten, namelijk sterven. [13] Deze zwaarwegende beweringen zijn allemaal stuk voor stuk juist. Ik kan ze niet tegenspreken en de waarheid is altijd prijzenswaardig geweest en zal dat altijd blijven. Maar ik denk dat we met deze drie stellingen de tot nu toe verzamelde kennis over het onderwerp opium wel uitgeput hebben.


En daarom, waarde heren doktoren, omdat er geen ruimte meer lijkt te zijn voor verdere ontdekkingen, bemoei je er niet meer mee en laat het verder aan mij over om hierover het een en ander te vertellen.


Op de eerste plaats wordt door alle mensen die het ooit doelbewust of toevallig over opium hebben gehad, niet alleen bevestigd maar ook als vanzelfsprekend aangenomen, dat het geen roes veroorzaakt of kan veroorzaken. Welnu lezer, neem op mijn verantwoording maar aan dat geen enkele hoeveelheid ooit een roes heeft veroorzaakt of kan veroorzaken. Opiumtinctuur (doorgaans laudanum genoemd) kan echter zonder twijfel een roes teweegbrengen, als je er maar genoeg van in zou kunnen nemen. Maar waarom? Omdat er zoveel alcohol in zit en niet omdat het zoveel opium bevat. Maar ruwe opium en dat beweer ik nadrukkelijk, kan op geen enkele manier een lichamelijke toestand teweegbrengen, die lijkt op de toestand die door alcohol wordt veroorzaakt, niet alleen in die mate, maar ook niet iets dat daar mee overeenkomt. Het is dus niet alleen door de mate van hun werking, maar vooral in de hoedanigheid, dat ze volmaakt verschillend zijn. Het door wijn verschafte genot neemt geleidelijk toe, leidt tot een crisis en zakt dan weer af. Dat van opium houdt, als het eenmaal is ontstaan, acht tot tien uur aan. Bij het eerste is er, om een technisch onderscheid uit de geneeskunde aan te halen, sprake van een acuut, bij het tweede van een chronisch genot. Het eerste is als een vlam, het andere als een aanhoudend en gelijkmatig gloeien. Maar het belangrijkste onderscheid ligt in het feit dat, terwijl wijn de geestelijke vermogens ontregelt, opium daarentegen (als het op een juiste manier wordt ingenomen) daarin de meest subtiele ordening, systeem en harmonie aanbrengt. Wijn berooft iemand van zijn zelfbeheersing, opium versterkt die in grote mate. Wijn verwart en benevelt het oordeelsvermogen, en geeft een onnatuurlijke en levendige glans aan minachting en bewondering, afkeur en voorkeur van de drinker. Opium daarentegen schenkt actief of passief aan alle vermogens helderheid en evenwicht, en wat betreft stemming en morele gevoelens geeft het over het algemeen gewoon de levenswarmte, die redelijkerwijs op prijs gesteld wordt en waarschijnlijk altijd al de oorspronkelijke en paradijselijke gezonde lichamelijke gesteldheid vergezeld heeft. Opium geeft dus net als wijn bijvoorbeeld een toename van hartelijke en vriendelijke gevoelens, maar met het opmerkelijke verschil, dat in dat plotselinge optreden van de met dronkenschap vergezelde aardigheid altijd min of meer iets overdreven sentimenteels schuilt, dat op de omstanders een pijnlijke indruk maakt. Mannen schudden handen, zweren elkaar eeuwige vriendschap en plengen tranen en geen sterveling weet waarom. Het is duidelijk dat het gevoel hoogtij viert. Maar het toenemen van de vriendelijkere gevoelens dat gepaard gaat met het gebruik van opium is geen koortsachtig gebeuren, maar een gezonde terugkeer naar de toestand waarin het gemoed uit zichzelf al terecht zou komen, bij het verdwijnen van een diepverankerde pijn, die de oorspronkelijk rechtvaardige en goed drijfveren van het hart hadden verstoord en bevochten. Het is waar dat wijn, tot op zekere hoogte en bij bepaalde mensen, de neiging heeft het verstand te versterken en te kalmeren; ik zelf, die nooit een grote wijndrinker ben geweest, merkte dat een half dozijn glazen wijn meestal een gunstige invloed had op mijn geestelijke vermogens—ze verhelderden en verhoogden het bewustzijn en gaven mijn geest het gevoel dat zij ponderibus liberata suis waren. Het is dus volstrekt absurd dat in de volksmond wordt gezegd dat iedereen die drank op heeft een masker opzet, terwijl het juist omgekeerd is en de meeste mensen iemand anders zijn als ze nuchter zijn en dat als ze drinken (zoals de oude man in Athenæus zegt) dat mensen εαυτους εμφανιζουσιν οιτινες εισιν—dan pas hun ingewikkelde karakter tonen, wat echt iets anders is dan een masker opzetten. Maar voorbij een bepaalde grens verdampt en verjaagt zij alle verstandelijke vermogens. Opium lijkt echter altijd te kalmeren wat opgewonden en bijeen te brengen wat verstrooid geraakt is. Kortom, dat alles in één zin samengevat, iemand die dronken is of dronken begint te worden, bevindt zich of denkt zich in een toestand te bevinden, die de louter menselijke, en al te vaak onmenselijke kant van zijn karakter de boventoon laat voeren. De opiumslikker (ik bedoel dan iemand die niet ziek is of lijdt aan andere nawerkingen van opium) voelt echter dat de goddelijke kant van zijn karakter de heerschappij voert, dat wil zeggen dat zijn morele gevoelens in een toestand verkeren van wolkenloze helderheid en over alles het grote licht schijnt van het majestueuze intellect.


Dat is de leer van de ware opiumkerk, de kerk waarvan ik mijzelf uitroep tot enig lid—de alfa en de omega, maar vervolgens moet men wel bedenken dat ik spreek op grond van een uitgebreide en grondige ervaring, terwijl de meeste niet-wetenschappelijke [14] schrijvers die allemaal beschouwingen gewijd hebben aan opium, en zelfs degenen die uitgesproken de medische kant van de zaak hebben belicht, door de afschuw die zij daarover uitspreken, duidelijk laten blijken dat hun proefondervindelijke kennis van de werking nul komma nul is. Ik wil echter eerlijk toegeven dat ik één persoon ben tegengekomen die zo goed op de hoogte was van het roesverwekkende vermogen van opium, dat het mijn eigen ongeloof deed wankelen. Hij was namelijk arts en had zelf uitgebreid opium gebruikt. Ik vertelde hem terloops dat zijn vijanden (zoals ik gehoord had) hem aanwreven dat hij onzin uitsloeg over politiek en dat zijn vrienden het voor hem opnamen door te suggereren dat hij doorlopend in een opiumroes verkeerde. Ik zei dus dat de beschuldiging op het eerste gezicht niet perse onzinnig was, maar de verdediging wel. Tot mijn verbazing beweerde hij echter dat zowel zijn vrienden als zijn vijanden gelijk hadden. "Ik zal blijven beweren," zei hij, "op de eerste plaats dat ik onzin vertel en op de tweede plaats dat ik dat niet uit principe doe, of met het oog op enig voordeel, maar louter en alleen," zei hij, "louter en alleen—louter en alleen (wat hij drie keer herhaalde) omdat ik dronken van opium ben en dat iedere dag." Ik antwoordde dat het, gezien de aantijging van zijn vijanden, scheen te berusten op een degelijke getuigenverklaring, omdat ik begreep dat de drie betrokken partijen het daarover allemaal eens waren, en het niet in mij opkwam om dat te betwijfelen, maar dat ik wel bedenkingen koesterde over de aangevoerde verdediging. Hij bleef er maar mee doorgaan en zijn redenen aanvoeren, maar het leek mij zo ongepast een argument te berde te brengen dat het idee zou geven dat iemand zich in iets had vergist dat tot zijn eigen vak behoorde, dat ik geen druk op hem uitoefende, zelfs niet als zijn betoog ruimte liet voor een tegenargument, nog afgezien van het feit dat iemand die onzin uitkraamt, zelfs als hij dat niet doet ‘met de bedoeling daar beter van te worden,’ nou niet echt de meest aangename gesprekspartner is, noch als tegenstander, noch als verdediger. Ik geef echter toe dat het zou kunnen lijken dat het gezag van een arts en dan ook nog iemand die goed stond aangeschreven, een groot gewicht in de schaal legt tegenover mijn vooringenomenheid. Toch kan ik mij dan nog steeds beroepen op mijn eigen ervaring, die zijn grootste overtrof met 7.000 druppels per dag. En hoewel het onmogelijk was te veronderstellen dat een dokter niet op de hoogte was met de kenmerkende symptomen van een door wijn teweeggebrachte dronkenschap, viel het mij toch op dat hij kennelijk voortborduurde op een denkfout door het woord dronkenschap met een te grote armslag te gebruiken en het als een soortnaam uit te breiden tot allerlei nerveuze toestanden, in plaats van het te beperken tot een uitdrukking voor een specifiek soort opwinding, met bepaalde symptomen.


Ik heb sommige mensen horen beweren dat ze dronken waren geworden van groene thee en een medisch student in Londen,—en ik heb redenen om zijn vakkennis zeer hoog te achten—verzekerde me onlangs nog dat een patiënt die van een ziekte herstellende was, dronken was geworden van een biefstuk.


Nu ik zo lang heb uitgeweid over deze eerste en belangrijkste dwaling wat betreft opium, zal ik heel in het kort een tweede en derde opnoemen, namelijk dat de door opium teweeggebrachte uitbundigheid onherroepelijk gevolgd wordt door een daarmee evenredige neerslachtigheid, en dat het normale en zelfs rechtstreekse gevolg van opium apathie en stilstand is, geestelijk en lichamelijk. Ik zal volstaan met de eerste van die misvattingen gewoon te ontkennen en mijn lezer te verzekeren dat gedurende de tien jaar dat ik met tussenpozen opium heb genomen, de dag nadat ik mij die luxe had veroorloofd altijd buitengewoon opgewekt was.


Wat betreft de vermeende daarop volgende, of liever (als we de talrijke afbeeldingen van Turkse opiumslikkers zouden moeten geloven) de met opiumslikken gepaard gaande apathie: ook dat ontken ik. Natuurlijk wordt opium ingedeeld onder het hoofdstuk verdovende middelen en iets van die werking kan het uiteindelijk ook wel hebben, maar de belangrijkste werking van opium is dat het altijd en uitermate het geheel prikkelt en stimuleert. Tijdens mijn inwijdingsperiode duurde bij mij dat eerste werkzame stadium tot meer dan acht uur, zodat het de fout van de opiumslikker zelf is als hij het moment van zijn blootstelling aan de dosis (in medische terminologie) niet zodanig kiest dat het zwaartepunt van de bedwelmende invloed tijdens zijn slaap valt. Turkse opiumslikkers zijn naar het schijnt zo dwaas om als zoveel ruiterstandbeelden, die even dom zijn als zijzelf, op houtblokken te blijven zitten. Maar om de lezer zelf te laten oordelen over de mate waarin opium de geestelijke vermogens van een Engelsman kan afstompen, zal ik (door het vraagstuk meer als voorbeeld dan als bewijs te behandelen) de manier beschrijven waarop ik in de periode tussen 1804 en 1812 in Londen vaak mijn opiumavond doorbracht. Daaruit zal blijken dat het in ieder geval niet de opium was die mij ertoe bewoog de eenzaamheid, laat staan ledigheid op te zoeken, of die apathische toestand waarin naar men zegt de Turken zichzelf terugtrekken. Ik doe dit verslag op het gevaar af te worden uitgemaakt voor een krankzinnige enthousiasteling of dromer, maar daar heb ik weinig last van. Ik moet mijn lezer verzoeken te bedenken dat ik een ijverige student was, mijn leven lang hard gestudeerd heb en net als andere mensen af en toe recht had op een verzetje. Dat stond ik mijzelf echter maar zelden toe.


Guiseppina GrassiniWijlen de hertog van….placht te zeggen, "Komende vrijdag, als hemels’ zegen daarop rust, neem ik mij voor dronken te worden," en op dezelfde manier stelde ik meestal van tevoren vast hoe vaak en wanneer ik mij binnen een bepaalde periode aan opium te buiten zou gaan. Dat was zelden meer dan eens in de drie weken, want in die tijd durfde ik niet, zoals later, elke dag een glas laudanum in warme wijn, zonder suiker te vragen. Nee, zoals ik al heb gezegd dronk ik in die tijd zelden meer dan eens in de drie weken laudanum. Dat was gewoonlijk op dinsdag- of zaterdagavond en mijn reden daarvoor was de volgende. In die tijd zong Guiseppina Grassini in de Opera en haar stem was heerlijker dan alles wat ik ooit gehoord had. Ik weet niet hoe het Operagebouw er nu bij staat, omdat ik al zeven of acht jaar niet meer binnen zijn muren heb vertoefd, maar in die tijd was het in Londen de aangenaamste openbare gelegenheid om een avond door te brengen. Vijf shilling gaf toegang tot de galerij, die veel minder ergernis opleverde dan de parterre van theaters. Het orkest onderscheidde zich door zijn zoetgevooisde en melodieuze pracht van alle andere Engelse orkesten, waarvan ik moet toegeven dat de samenstelling door het overwicht van de schreeuwerige instrumenten en absolute tirannie van de viool, onverdraaglijk voor mijn oren is. De koren waren goddelijk om naar te luisteren en als Grassini in een intermezzo ten tonele verscheen, wat ze vaak deed, en haar hartstochtelijke ziel uitstortte als Andromache bij het graf van Hector en dergelijke, dan vraag ik mij af of er wel één Turk is geweest, van allen die ooit het Paradijs van de Opiumslikkers hebben betreden, die ook maar de helft van mijn plezier heeft beleefd. Maar eigenlijk geef ik de barbaren teveel eer door te veronderstellen dat zij in staat zijn tot geneugten die ook maar enigszins in de buurt komen van de intellectuele genoegens van een Engelsman. Muziek is namelijk een intellectueel en zinnelijk genieten in overeenstemming met het temperament van de luisteraar. Overigens kan ik me, afgezien van fantastische muziekstuk in de "Twelfth Night" dienaangaande, wat dat betreft in de hele literatuur maar een enkele zinnige opmerking herinneren. Het is een passage in de Religio Medici [15] van Sir T. Brown, en hoewel die voornamelijk opmerkelijk is vanwege haar voortreffelijkheid, is zij filosofisch ook waardevol, voor zover zij wijst op de juiste theorie over de werking van muziek. De door de meeste mensen gemaakte vergissing is dat zij veronderstellen dat zij via hun oren contact maken met muziek en dat zij daarom zuiver passief op haar reageren. Maar dat is niet zo; het is juist de reactie van het brein op de boodschappen van het oor, (de inhoud komt via de zintuigen naar binnen, de vorm wordt bepaald door het brein) waardoor het genieten tot stand wordt gebracht en daarom verschillen op dit punt mensen met even goede oren zoveel van elkaar. Dat wil dus zeggen dat opium over het algemeen, door het zeer sterk doen toenemen van de geestelijke activiteit, noodzakelijkerwijs dat soort activiteit opvoert, waardoor wij in staat zijn uit het ruwe materiaal van organisch geluid een doorwrocht intellectueel genot te construeren. Maar, zegt een vriend, een opeenvolging van muzikale geluiden is voor mij zoiets als een verzameling Arabische tekens; daar kan ik geen ideeën aan ophangen. Ideeën, beste man! die hebben hier niets te zoeken; al dat soort ideeën, die in een dergelijk geval bruikbaar kunnen, spreken de taal van overeenkomstige gevoelens. Maar dat is een onderwerp dat met mijn huidige opzet niets te maken heeft. Ik wil alleen maar zeggen dat een koorgezang, enz., met een als in een wandtapijt tot in detail uitgewerkte harmonie, mijn hele voorbije leven tentoonspreidde—niet alsof het weer werd opgeroepen vanuit mijn geheugen, maar alsof het aanwezig en belichaamd werd in de muziek. Niet langer pijnlijk om bij stil te blijven staan, maar de bijzonderheden van de voorvallen waren verdwenen of samengesmolten tot een soort wazige abstractie. En dat allemaal voor vijf shilling. En buiten en boven de muziek van toneel en orkest, bevond zich overal rondom mij, in de pauzes van de voorstelling, de muziek van het Italiaans, gesproken door Italiaanse dames,—want de galerij zat doorgaans vol Italianen—en ik luisterde met hetzelfde genoegen waarmee de ontdekkingsreiziger Weld in Canada zat te luisteren naar het beminnelijk lachen van Indiaanse vrouwen. Want hoe minder iemand van een taal verstaat, hoe gevoeliger hij is voor het melodieuze of rauwe van haar klanken. Daarom kwam het me goed uit dat ik een slechte leerling Italiaans was, het nauwelijks kon lezen en helemaal niet kon spreken, en nog geen tiende kon verstaan wat ik hoorde spreken.

Guiseppina Grassini


Dat waren mijn opera-genoegens, maar ik vermaakte nog op een andere manier die, omdat dat alleen op zaterdagavond kon, af en toe in conflict kwam met mijn liefde voor de Opera, want in die tijd waren dinsdag en zaterdag de gebruikelijke opera-avonden. Ik ben bang dat ik mij hierover nogal op de vlakte zal houden, maar kan de lezer verzekeren dat ik dat niet meer zal doen dan Marinus in zijn Leven van Proclus, of vele andere biografen en autobiografen met een goede naam. Dat pleziertje kon dus, zoals ik al zei, alleen op zaterdagavond genoten worden. Was zaterdagavond voor mij dan belangrijker dan al die andere avonden? Ik had geen werk om van uit te rusten, geen loon om te ontvangen. Wat restte mij anders voor de zaterdagavond dan die als een aansporing te zien om Grassini te gaan horen? Ach, zeer logisch denkende lezer, ik heb inderdaad geen antwoord op wat u zegt. En toch was en is het zo dat, terwijl verschillende mensen hun gevoelens op verschillende manieren uiten en de meesten geneigd zijn hun belangstelling voor de zorgen van de armen voornamelijk tentoon te spreiden door op een of andere manier medeleven te tonen met hun kommer en kwel, ik in die tijd geneigd was uiting te geven aan mijn belangstelling door medeleven te tonen met hun genietingen. De ellende van armoede had ik kort daarvoor al teveel gezien, meer dan ik me wilde herinneren. Maar het gadeslaan van de genoegens van de armen, hun geestelijke vertroosting en hun uitrusten van het lichamelijke geploeter, kan nooit deprimerend zijn. Zaterdagavond is dus het moment voor de belangrijkste, regelmatig terugkerende rustperiode van de armen. Wat dat betreft bundelen zelfs de vijandigste sekten zich, en beantwoorden aan een gemeenschappelijke broederschapsband. Vrijwel het gehele Christendom rust na gedane arbeid. Het is een rust die leidt tot een tweede rust en door een hele dag en twee nachten gescheiden is van het hervatten van het gezwoeg. Daarom heb ik op zaterdagavond altijd het gevoel alsof ik bevrijd ben van een soort arbeidsjuk, wat loon in ontvangst moet nemen en de luxe van wat rust moet genieten. Om dus zo uitgebreid mogelijk getuige te kunnen zijn van een schouwspel waar ik zo op gesteld was, zwierf ik vaak op zaterdagavond, nadat ik mijn opium had ingenomen, zonder veel acht te slaan op richting en afstand, rond over alle markten en door andere wijken van Londen, waar de armen op zaterdagavond in grote getale naartoe komen om hun loon uit te geven. Heel wat gezinnen, bestaande uit man, vrouw en soms een of twee van hun kinderen heb ik horen overleggen over hun voornemens en middelen, of de vulling van de kas en de prijs van huishoudelijke artikelen. Langzamerhand raakte ik vertrouwd met hun wensen, problemen en opvattingen. Soms was er ontevreden gemor te horen, maar veel vaker in gelaatsuitdrukking of geuit in woorden, uitdrukkingen van geduld, hoop en vredigheid. Ik moet zeggen dat de armen over het algemeen, in ieder geval wat dat betreft, filosofischer zijn dan de rijken—dat zij zich bereidwilliger en opgewekter onderwerpen aan wat zij beschouwen als ongeneeslijk kwaad of onherstelbaar verlies. Telkens als ik een mogelijkheid zag, of het kon doen zonder opdringerig te lijken, mengde ik me onder hen en gaf dan mijn mening over het besproken onderwerp die, hoewel niet altijd ter zake kundig, altijd welwillend ontvangen werd. Als de lonen wat stegen of zouden stijgen, het vierpondsbrood wat in prijs zakte, of aangekondigd werd dat de verwachting was dat uien en boter goedkoper zouden worden, deed mij dat goed. Maar als het tegenovergestelde het geval was, vond ik in opium een manier om mijzelf te troosten. Opium kan namelijk (net als de bij die, niet kieskeurig, haar voedsel uit rozen en schoorsteenroet haalt) alle gevoelens overstemmen en als met een loper toegankelijk maken. Sommige van die zwerftochten voerden mij ver weg, want een opiumslikker is te gelukkig om de tijd in de gaten te houden. En soms, als ik met behulp van zeevaartkundige theorieën weer op huis aan probeerde te stevenen, door mijn ogen naar de poolster te richten en ijverig de Noordwest-passage te zoeken, in plaats van alle kapen en landtongen te omzeilen die ik op mijn heenweg had gerond, stuitte ik plotseling op zo’n warwinkel van steegjes, geheimzinnige poortjes en ondoorgrondelijke doodlopende stratenpuzzels, dat die volgens mij zelfs de onverschrokkenheid van kruiers van de wijs zou brengen of het hoofd van de aapjeskoetsiers van streek zou maken. Af en toe zou ik bijna geloofd hebben dat ik vast de eerste ontdekkingsreiziger van sommige van die terræ incognitæ was, en betwijfelde of die al op de huidige kaarten van Londen stonden. Voor dat alles betaalde ik echter in latere jaren een hoge prijs, toen menselijke tronies mijn dromen tiranniseerden, en mijn verwarrende stappen door Londen terugkeerden en in mijn slaap rondspookten, met het gevoel van morele en verstandelijke verbijstering, dat mijn hersenen verwarde en mijn geweten angstig en berouwvol maakte.


Ik heb dus laten zien dat opium niet noodzakelijkerwijs lusteloosheid of apathie teweegbrengt, maar dat het mij juist vaak naar marktplaatsen en theaters voerde. Toch moet ik eerlijk toegeven dat markten en theaters niet een geschikte ontmoetingsplaats vormen voor de opiumslikker, als hij in de goddelijkste toestand verkeert die bij zijn genot hoort. In die toestand krijgt hij het benauwd van menigten en is zelfs muziek te zinnelijk en grof. Uit zichzelf zoekt hij eenzaamheid en stilte, de onontbeerlijke voorwaarden voor trances of peilloze droomtoestanden, die bekroning en hoogtepunt vormen van wat opium voor de menselijke natuur kan betekenen. Mijn ziekte was dat ik teveel nadacht en te weinig observeerde en meteen al bij mijn toelating aan de universiteit bijna in een ernstige zwaarmoedigheid verviel, omdat ik teveel piekerde over de ellende waarvan ik in Londen getuige was geweest en ik was me voldoende bewust van de neiging van mijn gedachten om in te gaan tegen alles wat ik deed. Ik leek eigenlijk op iemand die, volgens de oude legende, de grot van Trofonius was binnengegaan en de uitweg die ik zocht was dat ik probeerde mijzelf te dwingen gezelschap op te zoeken en mijn verstand voortdurend bezig te houden met wetenschappelijke zaken. Zonder die hulpmiddelen zou ik echter ongetwijfeld een hypochondere zwartkijker geworden zijn. Later, toen mijn opgewektheid voldoende teruggekomen was, zwichtte ik toch weer voor mijn natuurlijke neiging naar een teruggetrokken leven. En in die tijd verviel ik na het innemen van opium vaak in die dagdromen, en meer dan eens is het me overkomen dat ik, op een zomeravond zittend voor een open venster, in een kamer van waaruit ik kon uitkijken over de zee een mijl onder me en op ongeveer eenzelfde afstand uitzicht had op de grote stad L…., daar van zonsopgang tot zonsondergang, zonder te willen bewegen, roerloos bleef zitten.


Ze zullen me vast beschuldigen van mystiek, Boehmisme, quietisme, enz., maar dat kan me niets schelen. Sir H. Vane, junior, was een van onze wijste mensen en mijn lezer moet maar uitmaken of hij in zijn mystieke werken niet half zo mystiek is als ik. Ik zei dus dat het me vaak is opgevallen dat het tafereel zelf op een of andere manier kenmerkend was voor wat er in mijn dagdromen plaatsvond. De stad L….stelde de wereld voor, met haar achter mij gelaten zorgen en graven, maar niet helemaal uit het zicht, niet helemaal vergeten. De oceaan met haar eeuwige maar trage deining, waar laag een vredige kalmte over hing, zou dan een goed beeld geven van de daarmee heen en weer deinende gemoedstoestand. Want ik had het gevoel dat ik toen voor het eerst ver weg en afzijdig van het roerige leven stond, alsof rumoer, koortsachtigheid en jachten verdaagd waren, een adempauze voor de geheime lasten van het hart, een sabbat van rust, een uitrusten van alle menselijke zwoegen. Hier was de hoop die langs het levenspad bloeit, verzoend met de vrede van het graf, waren gedachtegangen even onvermoeibaar als het firmament, en was er toch voor alle zorgen een vredige rust, een niet uit loomheid voortkomende rust, maar als het ware het gevolg van krachtige en gelijkwaardige tegenstellingen, grenzeloze bedrijvigheid, grenzeloze rust.


O, rechtvaardige, fijnbesnaarde en machtige opium! gij die een verzachtende balsem biedt voor hart van arm en rijk, voor nooit helende wonden, en voor "pijnscheuten die de geest in opstand doen komen;" welsprekende opium! die met uw machtige retoriek heimelijk de redenen voor gramschap wegneemt en de schuldige voor één nacht de hoop van zijn jeugd teruggeeft, zijn handen schoonwast van zuiver bloed; hooghartige en kortstondige vergetelheid voor onvereffend onrecht en ongewroken smaad, die valse getuigen oproept voor het hooggerechtshof der dromen, om de lijdende onschuld te laten zegevieren; die meineed beschaamt en het vonnis van de onrechtvaardige rechters doet herroepen;—gij die in de boezem der duisternis, uit de fantastische verbeelding van het brein, steden en tempels bouwt, die de kunst van Phidias en Praxiteles overstijgen—groter dan de pracht van Babylon en Hekatómpylos, en "vanuit de anarchie van de droomslaap" naar het zonnige licht de gezichten roept van lang geleden begraven schoonheden en gezegende, van de "schande van het graf" gereinigde, vertrouwde gelaatstrekken. Gij alleen geeft de mens deze gaven en gij beheert de sleutels van het Paradijs, o, rechtvaardige, fijnbesnaarde en machtige opium!

INLEIDING TOT DE ELLENDE VAN OPIUM

Welwillende en naar ik hoop ruimhartige lezer (want al mijn lezers moeten ruimhartig zijn, want anders ben ik bang dat ik ze te zeer zal doen schrikken om nog langer op hun hoffelijkheid te kunnen rekenen), ik wil u vragen, nu u mij tot hier toe hebt vergezeld, ongeveer acht jaar over te slaan, dat wil zeggen van 1804 (toen, zoals ik al heb gezegd, mijn kennismaking met opium begon) tot 1812. De jaren van mijn verblijf aan de universiteit zijn nu voorbij en verdwenen—bijna vergeten. De studentenbaret rust niet meer op mijn slapen en als mijn baret nog bestaat, rust hij op die van een jonge student, hopelijk even gelukkig als ik zelf, en een even hartstochtelijke minnaar van kennis. Tegen die tijd verkeert mijn toga, neem ik aan, in dezelfde staat als vele duizenden uitmuntende boeken in de Bodleian-bibliotheek, dat wil zeggen, ijverig uitgeplozen door ongetwijfeld leergierige motten en wormen, of misschien (het enige wat ik van haar lot weet) vertrokken naar die grote vergaarbak van ergens, waar alle theekopjes, theeblikken, theepotten en theeketels, enz., in terecht zijn gekomen (om maar te zwijgen over het nog breekbaardere vaatwerk als glazen, karaffen, kamermeisjes, enz.) die mij door hun toevallige gelijkenis met de huidige generatie theekopjes, enz., doen terugdenken aan alles wat ik ooit zelf had, maar over hun verdwijnen en uiteindelijke lot zou ik volgens mij, net als over de togadragers van beide universiteiten, niet meer dan een duister en vermoedelijk verhaal kunnen ophangen. Niet langer wordt mijn gesluimer verstoord door de kwelling van de kapelklok, met haar onwelkome gebeier om zes uur ‘s ochtends. De portier over wiens prachtige neus (brons, ingelegd met koper) ik als wraak zoveel Griekse epigrammen schreef tijdens het aankleden, is dood en valt nu niemand meer lastig. En ik, en vele anderen die zozeer hebben geleden onder zijn voorliefde voor geklingel, hebben nu besloten zijn fouten door de vingers te zien en hebben hem vergeven. Zelfs over de klok ben ik tegenwoordig heel mild. Die luidt volgens mij nog steeds zoals voorheen drie keer per dag en ergert zonder twijfel nog steeds onbarmhartig veel achtenswaardige heren en verstoort hun gemoedsrust. Maar in dit jaar 1812 let ik zelf niet meer op haar verraderlijke geluid (ik noem het verraderlijk omdat zij uit een soort kwaadaardig raffinement klanken liet horen die zo zoetgevooisd en zilverachtig waren dat het leek alsof ze je uitnodigden voor een feest). Haar klanken zijn niet krachtig genoeg meer om mij te kunnen bereiken, hoe gunstig de kwaadaardigheid van de klok de windrichting ook zou willen wensen, want ik bevind me 250 mijl verderop, begraven in het holst van de bergen. Wat doe ik in die bergen? Opium slikken. Inderdaad, maar wat nog meer? Welnu, lezer, in 1812, het jaar waar wij nu in terechtgekomen zijn ben ik, net als een paar jaar geleden, voornamelijk bezig geweest met het bestuderen van de Duitse metafysica in de geschriften van Kant, Fichte, Schelling, enz. En hoe en op welke manier breng ik mijn leven door?—kortom, tot welke klasse of soort mensen behoor ik? Ik woon op dat moment—dat wil zeggen, in 1812—in een huisje op het platteland, met een vrouwelijke vrijgezelle bediende (honi soit qui mal y pense), die bij mijn buren doorgaat onder de naam "mijn huishoudster." En erudiet en ontwikkeld als ik ben, en in die zin een heer van stand, mag ik aannemen dat ik mij zelf kan beschouwen als een onwaardig lid van de onbestemde groepering, die doorgaat voor heren van stand. Deels misschien op grond van wat ik al heb aangegeven, deels omdat ik geen aanwijsbaar beroep of bezigheden uitoefen, wordt terecht verondersteld dat ik vast van mijn eigen vermogen leef. Dat is het hokje waar mijn buren mij ingestopt hebben en door het huidige Engeland wordt ik beleefdheidshalve op brieven, enz., aangesproken met Weledelgeboren, maar ik ben bang dat ik door de onverbiddelijke eisen van de Raad van Adel, nauwelijks aanspraak kan maken op die eervolle onderscheiding. In de ogen van het volk ben ik dan wel de Weledelgeboren X. Y. Z., maar geen kantonrechter of staatsarchivaris. Ben ik getrouwd? Nog niet. En slik ik nog steeds opium? Op zaterdagavond. En ben ik dat dan schaamteloos blijven gebruiken sinds "die regenachtige zondag," het statige Pantheon en de "gelukzalige drogist" van 1804? Zelfs dat. En hoe staat het met mijn gezondheid na al dat opiumslikken? Kortom, hoe gaat het met me? Welnu, heel goed, bedankt lezer. In de woorden van vrouwen in het kraambed, "naar omstandigheden wel." Als ik zou durven de naakte en eenvoudige waarheid te zeggen, zou ik om te beantwoorden aan de theorieën van de doktoren eigenlijk ziek moeten zijn, maar ik heb me in het voorjaar van 1812 van mijn leven nog nooit zo goed gevoeld. En ik hoop oprecht, beste lezer, dat de hoeveelheid rode wijn, port, of "uitzonderlijke Madeira," die u naar alle waarschijnlijkheid heeft gedronken en van plan bent uw leven lang elke tijdspanne van acht jaar te blijven drinken, evenmin uw gezondheid zal verstoren als de mijne door opium werd verstoord. Daarom moet u begrijpen hoe gevaarlijk het is te luisteren naar de medische adviezen van Anastasius. [14] Voor zover ik weet is hij misschien wel een goede raadsman in de theologie of rechtsgeleerdheid, maar niet in de geneeskunde. Nee, het is veel beter te rade te gaan bij Dr. Buchan, zoals ik heb gedaan, want ik ben nooit het uitstekende advies van die achtenswaardige man vergeten, en ben "zo voorzichtig geweest om nooit meer dan anderhalf ounce (± 40 ml.) laudanum te nemen." Aan dit matig en bescheiden gebruik van het spul heb ik het volgens mij in ieder geval te danken dat ik tot nu toe (d.w.z. in 1812), niet op de hoogte ben en geen flauw vermoeden heb van de wraakzuchtige gruwelen die opium in petto heeft voor degenen die misbruik maken van haar barmhartigheid. Tegelijkertijd moet niet vergeten worden dat ik tot nu toe slechts een niet professionele opiumslikker ben geweest. Zelfs acht jaar lang gebruik, met als enige voorzorg het in acht houden van een voldoende pauze tussen de uitspattingen, is onvoldoende geweest om voor mij van opium een dagelijkse behoefte te maken. Maar nu breekt een nieuw tijdperk aan. Ik vraag u, lezer, verder te gaan naar 1813. In de zomer van het jaar dat wij net achter ons hebben gelaten, had mijn lichamelijke gezondheid sterk geleden onder een geestelijke uitputting, die te maken had met een droevige gebeurtenis. Omdat die gebeurtenis op geen enkele manier in verband staat met het huidige onderwerp, behalve dan door de daardoor teweeggebrachte lichamelijke kwaal, hoef ik daar verder geen bijzondere aandacht aan te besteden. Ik weet niet of de aandoening uit 1812 iets te maken had met die van 1813, maar in dat laatste jaar kreeg ik last van een vreselijk branderig gevoel in mijn maag, in alle opzichten hetzelfde als die mij in mijn jeugd zoveel ellende had opgeleverd en die vergezeld ging van het herleven van alle vroegere dromen.


Dit is het punt in mijn relaas waar omheen, wat betreft mijn zelfrechtvaardiging, als het ware heel het volgende draait. En dat betekent voor mij een overrompelend dilemma. Of ik moet enerzijds een aanslag doen op het geduld van de lezer door verder in te gaan op mijn kwaal of mijn gevecht daarmee, waaruit voldoende mijn onvermogen zou kunnen blijken om nog langer weerstand te bieden tegen de ergernis en voortdurende ellende, of anderzijds door luchtig over dat wezenlijke gedeelte van mijn verhaal heen te stappen, het voordeel voorbij te laten gaan om een grotere indruk bij de lezer achter te laten, en mijzelf bloot te stellen aan de misvatting dat ik, zoals een onmatig iemand eigen is, via gemakzuchtige en geleidelijke stappen afgezakt ben van het eerste tot het laatste stadium van opiumslikken (een misvatting die door mijn eerdere bekentenissen bij de lezer toch al op de loer lijkt te liggen). Dit is het dilemma en alleen al de eerste hoorn daarvan zou een hele colonne lezers door de lucht kunnen laten vliegen en spietsen, al stonden ze zestien rijen dik en zouden ze doorlopend aangevuld worden met verse manschappen. Daar valt dus niet aan te denken. Rest mij dat ik zoveel veronderstel, als nodig is voor mijn opzet. Verder, beste lezer, moet u evenveel geloof hechten aan wat ik beweer als wanneer ik het, ten koste van uw en mijn geduld, bewezen had. Wees daarom niet zo onvriendelijk, vanwege mijn eigen toegeeflijkheid en rekening houdend met uw gemoedsrust, mij uw instemming te onthouden. Meer nog, ik vraag u alles te geloven, dat wil zeggen alles waar ik niet langer weerstand aan kon bieden. Geloof het onbevooroordeeld en als een gunst, of anders louter uit behoedzaamheid. Zo niet, dan zal ik u in de volgende, herziene en vermeerderde uitgave van mijn Bekentenissen pas echt laten geloven en huiveren en door al mijn lezers alleen maar lastig te vallen met slaapverwekkende verhalen, afschrikken om nog ooit een volgens mij zinnige bewering in twijfel te trekken.


Dus nogmaals, ik beweer dat ik, toen ik elke dag opium ging gebruiken, geen andere mogelijkheid had. Of ik later niet met die gewoonte had kunnen breken, zelfs toen alle pogingen mij vergeefs leken, en veel van de ontelbare pogingen die ik heb gedaan en mijn geleidelijke herovering van het verloren terrein misschien energieker had moeten doorzetten—zijn vragen die ik af moet wijzen. Misschien zou ik verzachtende omstandigheden kunnen aanvoeren; maar ben ik dan wel eerlijk? Ik geeft toe, dat het een hardnekkige zwakte is, dat ik teveel een eudemonist ben. Ik hunker te zeer naar een toestand van geluk, zowel voor mijzelf als voor anderen. Ik kan niet met droge ogen ellende aanzien, al dan niet mijn eigen en nu geen pijn verdragen ter wille van een voordeel later. In wat andere zaken ben ik het eens met de heren van de katoenhandel [16] in Manchester, die de Stoïcijnse filosofie aanhangen, maar niet hierin. Hier neem ik de vrijheid van een eclectische filosoof en kijk uit naar een hoffelijke en voorkomende sekte die minder neerbuigend doet over de beroerde toestand van een opiumslikker. Van die "aardige mensen," zoals Chaucer zegt, "die je het niet kwalijk nemen," en enig geweten tonen bij de straffen die ze opleggen en de pogingen tot onthouding die zij eisen van arme zondaars zoals ik. In mijn nerveuze toestand kan ik onmenselijke moralisten evenmin velen als niet gekookte opium. In ieder geval moet iemand die van mij verwacht dat ik een grote hoeveelheid zelfverloochening en zelfkastijding uitstraal op een kruistocht naar morele zelfverbetering, mij wel duidelijk kunnen maken dat het geen hopeloze onderneming is. Op mijn leeftijd (zesendertig jaar) kan van mij niet verwacht worden dat ik nog veel energie over heb. Eigenlijk is het allemaal net genoeg voor de intellectuele arbeid die ik onder handen heb, en daarom moet niemand verwachten dat hij me met harde woorden zo bang kan maken dat ik daarvan ook maar een deel zal besteden aan uitzichtloze morele avonturen.


Uitzichtloos of niet, maar de afloop van het gevecht in 1883 was zoals ik dat verteld heb en vanaf dat tijdstip moet de lezer me zien als een geregelde en verstokte opiumslikker, bij wie vragen of hij op een bepaalde dag al dan niet opium had genomen, hetzelfde zou zijn als vragen of zijn longen wel geademd hadden en zijn hart wel had geklopt. Nu begrijpt u, lezer, wat ik ben en inmiddels beseft u dat geen enkele oude heer "met een sneeuwwitte baard" [14] enige kans maakt om mij over te halen "het kleine gouden kokertje met het verderfelijke medicijn" af te geven. Nee; ik laat ze allemaal weten, of het nu moralisten of artsen zijn, of wat hun pretenties of kundigheden op hun eigen vakgebied ook mogen zijn, dat ze van mij geen enkele steun kunnen verwachten, als zij ook maar één barbaars voorstel willen doen voor een Vasten of Ramadan zonder opium. Als we dat helemaal met elkaar eens zijn, zullen we verder voor de wind zeilen. Zo, lezer, sta nu alstublieft op uit 1813, waar we al die tijd hebben zitten treuzelen, en loop ongeveer drie jaar verder. Haal het doek op en aanschouw me in een nieuwe rol.


Als iemand, rijk of arm, zou willen vertellen wat de gelukkigste dag van zijn leven was, en hoe en waarom, denk ik dat we allemaal zouden roepen—Luister! Luister! Voor elk wijs mens zou het noemen van de gelukkigste dag nog een heel probleem zijn, omdat elke gebeurtenis die zo’n belangrijke plaats zou kunnen innemen in een terugblik op iemands leven, of waarvan gezegd zou kunnen worden dat die een uitzonderlijk gelukkige glans aan die dag heeft gegeven, zo bestendig moet zijn dat (afgezien van ongelukken) die dezelfde of een niet duidelijk minder gelukkige glans zou moeten geven aan vele jaren aaneen. Het gelukkigste lustrum of zelfs het gelukkigste jaar kan iedereen wel aanwijzen zonder de wijsheid geweld aan te doen. In mijn geval, lezer, was dat jaar het jaar waarin wij nu zijn aangeland, hoewel ik toegeef dat het wel als een intermezzo tussen twee mistroosterige in zat. Het was een jaar met de helderheid van een briljant (om op zijn juweliers te spreken) als het ware afzonderlijk gezet in de naargeestige en duistere zwaarmoedigheid van opium. Hoe vreemd het ook klinkt, maar ik was kort daarvoor opeens en zonder noemenswaardige inspanning geminderd van 320 grein opium (d.w.z. achtduizend druppels laudanum [17]) per dag naar veertig grein, dus eenachtste. Van het ene moment op het andere, als bij toverslag, trok de wolk van uiterste zwaarmoedigheid die mijn hersenen omhulde, binnen één dag (νυχθημερον) weg, als donkergrijze nevelslierten die ik ooit van de bergtoppen zag afrollen, en verdween met haar duistere vaandels even plotseling als een gestrand schip dat vlotgetrokken wordt door de vloed—


Als het gaat, gaat het ook helemaal.


Nu was ik dus weer gelukkig. Ik nam nog maar 1000 druppels laudanum per dag en wat stelde dat eigenlijk nog voor? Een laatste lente was aangebroken als afsluiting van mijn jeugd. Mijn hersenen werkten weer even gezond als ooit tevoren. Ik las Kant opnieuw en weer begreep ik hem, of verbeeldde me dat ik hem begreep. Opnieuw breidde mijn aangename gevoelens zich uit overal om mij heen, en ik zou iedereen uit Oxford of Cambridge of elders, die zijn opwachting zou maken in mijn bescheiden huisje, hebben verwelkomd met een zo overvloedig onthaal als een armoedzaaier maar kon bieden. Als laudanum het enige was dat aan het geluk van een wijze zou ontbreken, zou ik hem net zoveel gegeven hebben als hij wilde en ook nog in een gouden kopje. En tussen haakjes, nu ik het toch heb over laudanum weggeven, herinner ik me uit die tijd een voorvalletje, dat ik vermeld omdat de lezer het, hoe beduidend het ook was, binnenkort weer zal tegenkomen in mijn dromen, die daardoor onvoorstelbaar hevig aangeslagen waren. Op een dag klopte een Maleier aan mijn deur. Wat een Maleier te zoeken had in de Engelse Bergen, is voor mij een raadsel, maar mogelijk was hij onderweg naar een zeehaven ongeveer veertig mijl verderop.


De dienstbode die opendeed was een jong meisje, geboren en opgegroeid in de bergen, die nog nooit ook maar één Aziatisch gewaad gezien had. Daarom schrok ze erg van zijn tulband, en toen bleek dat hij net zoveel van Engels wist als zij van Maleis, leek er een onoverkomelijke hindernis op te rijzen voor elke overdracht van gedachten, als ze die al hadden. In deze ingewikkelde situatie schoot het meisje de befaamde lessen van haar meester te binnen (en zonder twijfel geloofde ze dat ik alle wereldtalen kende en daarnaast misschien nog een paar van de maan), kwam naar me toe en gaf me te kennen dat er een soort duivel beneden stond, die ik wel even met mijn toverkunsten het huis uit zou kunnen drijven. Ik liep niet meteen de trap af, maar toen ik eenmaal beneden was, nam het als het ware toevallig zo ontstane tafereel dat ik ontwaarde zich zodanig meester van mijn verbeelding zoals nog nooit ook maar een van die standbeeldachtige houdingen bij de balletten in de Opera had gedaan, hoe opzichtig ingewikkeld ze ook waren. Daar stond de Maleier dan in de keuken van een huisje op het platteland, die door de donkerhouten, door ouderdom en slijtage op eiken lijkende, betimmering op de muren, meer deed denken aan een rustieke ontvangsthal—zodat zijn tulband en wijde, groezeligwitte broek afstaken tegen de donkere lambrizering. Hij stond dichter bij het meisje dan haar lief leek, maar haar aangeboren onverschrokkenheid van het volk uit de bergen, worstelde met het gevoel van natuurlijk ontzag dat haar gezicht uitstraalde terwijl ze naar de tijgerkat staarde die voor haar stond. Was er een aangrijpender beeld voorstelbaar dan het prachtige Engelse meisjesgezicht met haar fijne trekken en rechte en zelfverzekerde houding, naast de door zeelucht mahoniekleurig geëmailleerde of geverniste vale en geelachtige huidskleur van de Maleier, met zijn kleine, woeste en rusteloze ogen, dunne lippen en slaafse gebaren en buigingen. Halfverscholen achter de woestuitziende Maleier stond een klein kind, uit een naburig huisje, dat na hem binnen was geglipt, zijn hoofdje optilde en naar de tulband en de woeste ogen daaronder omhoogstaarde, terwijl het ter bescherming met een handje de rok van de jonge vrouw vastgreep. Mijn kennis van de Oosterse talen is niet erg groot en bestaat eigenlijk maar uit twee woorden—het Arabische woord voor gerst en het Turkse voor opium (madjoen), die ik van Anastasius had geleerd en omdat ik geen Maleis woordenboek had en zelfs niet Adelungs Mithridates, dat mij aan een paar woorden had kunnen helpen, sprak ik hem toe met een paar regels uit de Ilias, omdat ik bedacht dat van de talen die ik meester was, Grieks, wat betreft lengtegraad, geografisch het dichtst in de buurt van een Oosterse taal kwam. Hij begroette mij uiterst vriendelijk en antwoordde me in wat volgens mij Maleis was. Zo redde ik mijn reputatie voor mijn buren, want de Maleier kon hoe dan ook mijn geheim niet verraden. Hij bleef ongeveer een uur op de grond liggen en vervolgde toen zijn reis. Bij zijn vertrek bood ik hem een stuk opium aan. Ik had bedacht dat hij als oosterling wel bekend zou zijn met opium, en zijn gezichtsuitdrukking overtuigde mij ervan dat dat het geval was. Toch schrok ik wel even toen ik hem opeens zijn hand naar zijn mond zag brengen en, zoals schooljongens dat zeggen, de hele brok, in drie stukken tegelijk in zijn mond propte. De hoeveelheid was voldoende om drie dragonders met paard en al om het leven te brengen en ik maakte me wat zorgen om de arme man; maar wat kon ik doen? Ik had hem de opium gegeven uit medelijden met zijn eenzame bestaan, want ik had bedacht dat hij, als hij te voet vanuit Londen was gekomen. bijna drie weken met niemand van gedachten had kunnen wisselen. Het kwam niet in mij op om de wetten van de gastvrijheid te breken door hem op te laten pakken, een braakmiddel toe te laten dienen en hem zodoende bang te maken dat wij hem gingen offeren aan een of andere Engelse afgod. Nee; er viel duidelijk niets aan te doen. Hij nam afscheid en ik maakte me een paar dagen zorgen, maar omdat ik er niets over hoorde dat er ergens een Maleier dood aangetroffen was, raakte ik ervan overtuigd dat hij gewend was [18] aan opium en bedacht dat ik hem vast een dienst had bewezen door hem één nacht respijt te geven van dat ellendige zwerven.


Ik heb wat langer uitgewijd over dit voorval, omdat deze Maleier (deels door het schilderachtige tafereel waaraan hij zijn bijdrage had geleverd, deels door de zorgen die zijn beeld een aantal dagen bij mij opriep) zich vastzette in mijn dromen en andere Maleiers met zich meebracht, die nog erger waren dan hij, als bezetenen tegen me te keer gingen [19] en mij een wereld vol gevaren insleepten. Maar genoeg van deze periode en terug naar dat ene jaar dat ik gelukkig was. Ik heb al gezegd dat wij over een voor ons allen zo belangrijk onderwerp als geluk, graag zouden moeten willen luisteren naar ieders ervaringen of experimenten, al was het maar van een boerenjongen, van wie niet verwacht kan worden dat hij heel diep geploegd heeft in een zo weerbarstige grond als die van menselijke ellende en genot, of zijn onderzoek heeft verricht met zeer verlichte principes. Maar ik, die het geluk tot mij genomen heb in zowel vaste als vloeibare toestand, gekookt en ongekookt, Oost-Indisch en Turks — mijn experimenten over dit interessante onderwerp heb uitgevoerd met een soort galvanische batterij, en mijzelf, voor het heil van de wereld, als het ware heb ingeënt met het vergif van 8000 druppels laudanum per dag (om dezelfde reden waarom een Franse arts zichzelf onlangs inentte met kanker, een Engelse twintig jaar geleden met de pest en een derde, ik weet niet waar vandaan, met hondsdolheid), als iemand moet weten wat geluk is, dan moet toegegeven worden dat ik dat ben. En daarom zal ik hier een analyse opschrijven van geluk; en om dat zo boeiend mogelijk te houden, zal ik dat niet schoolmeesterachtig doen, maar verpakt en verweven in de beschrijving van een enkele avond, zoals ik avond na avond doorbracht in dat tussenjaar toen laudanum, hoewel ik dat dagelijks innam, voor mij meer gewoon het wondermiddel voor genot was. Als ik dat gedaan heb zal ik het onderwerp geluk verder helemaal laten rusten en overgaan tot iets heel anders — de ellende van opium.


Stel je een huisje voor, gelegen in een dal, achttien mijl van de dichtstbijzijnde stad — geen uitgestrekt dal, maar ongeveer twee mijl lang en gemiddeld driekwart mijl breed; het voordeel van dat gegeven is dat alle families die binnen dat gebied wonen als het ware één groot gezin vormen, op het oog vertrouwd met je zijn en min of meer belangstelling voor je koesteren en voor het gevoel in elkaar geïnteresseerd zijn. Stel verder dat het echte bergen zijn, tussen de 3000 en 4000 voet hoog, en het huisje een echt huisje en niet (zoals een gevatte schrijver vermeldt) "een huisje met een dubbel koetshuis;" het is dus (want ik moet me aan feitelijke situatie houden) inderdaad een wit huisje, overgroeid door bloeiende struiken, zo uitgekozen dat zich tijdens alle maanden van lente, zomer en herfst achtereenvolgens bloemen ontvouwen op muren en rond vensters — te beginnen met meirozen en eindigend met jasmijn. Maar het is geen lente, geen zomer en geen herfst, maar winter op zijn strengst. Dat is een heel belangrijk gegeven in de wetenschap van het geluk en ik verbaas me erover dat mensen dat over het hoofd zien en denken dat ze zich gelukkig moeten prijzen omdat de winter voorbij is of, als hij in aantocht is, dat het geen strenge winter wordt. Elk jaar ik smeek juist om zoveel mogelijk sneeuw, hagel, vorst of stormen, het een of het ander, zoveel als de luchten ons maar kunnen leveren. Iedereen weet wel hoe goddelijk aangenaam het is om ‘s winters bij de open haard te zitten, kaarsen die om vier uur aangestoken worden, een warme plaid, thee, een aardige theeschenkster, gesloten luiken en gordijnen die met ruime plooien over de grond vallen, terwijl buiten hoorbaar wind en regen razen,


En aan deuren en ramen lijken te roepen,
Terwijl hemel aarde als het ware samensmelten;
Toch vinden zij nergens een ingang, zodat
Wij ons in de grote hal steeds veiliger voelen.

Het Kasteel der Traagheid. (James Thompson, 1748)


Dat zijn allemaal facetten van de beschrijving van een winteravond, die ongetwijfeld bekend zijn bij iedereen die op een hoge breedtegraad geboren is. En het is duidelijk dat het tot stand komen van de meeste van die heerlijkheden, net als ijs, een zeer lage temperatuur vragen; het zijn vruchten die niet kunnen rijpen zonder stormachtig of guur weer. Ik ben niet ‘kieskeurig,’ zoals de dat mensen zeggen; of het nou sneeuwt, vriest dat het kraakt of de wind zo sterk is dat (zoals de heer…zegt) ‘dat je er tegen aan kunt leunen als tegen een pilaar.’ Van mij mag het zelfs regenen, als het dan maar giet; maar zoiets moet ik echt hebben en als het niet zo is, voel ik me tekort gedaan; want waarom moet ik zoveel betalen voor de winter, in kolen en kaarsen en allerlei ontberingen die zelfs elke heer van stand overkomen, als ik daar niet het beste in zijn soort voor terugkrijg? Nee, wat mij betreft dan maar een Canadese winter of een Russische, waarin iedereen slechts samen met de noordenwind enig eigenaar van zijn eigen oren is. Wat dat betreft ben ik inderdaad zo’n fijnproever dat ik niet volop kan genieten van een winteravond, als die na de kortste dag ontaardt tot weerzinwekkende voorjaarsstemmingen. Nee, de winteravond moet door een dikke muur van donkere nachten gescheiden zijn van de hele terugkeer van licht en zonneschijn. Van de laatste weken van oktober tot kerstavond is dus de periode waarin het geluk hoogtij viert, dat naar mijn mening de kamer binnentreedt met het theeblad; want thee zal altijd de favoriete drank van de intellectueel blijven, hoewel er de spot mee wordt gedreven door mensen die van nature grofbesnaard zijn of dat geworden zijn door het drinken van wijn en niet bevattelijk zijn voor de invloed van een zo verfijnd opwekkend middel; en wat mij betreft zou ik mij geschaard hebben achter Dr. Johnson in een bellum internecinum ( vert.: oorlog op leven en dood) tegen elk goddeloos individu, dat het lef zou hebben zich daar geringschattend over uit te laten. Maar om mij de moeite te besparen daar teveel woorden aan vuil te maken, zal ik een schilder ten tonele voeren, en hem aanwijzingen geven voor de rest van het schilderij. Schilders houden niet van witte huisjes, tenzij ze behoorlijk verweerd zijn; maar omdat de lezer inmiddels begrepen heeft dat het een winteravond is, hoeft van zijn diensten alleen maar gebruik gemaakt te worden voor de binnenkant van het huis.


Schilder dan voor me een kamer van ongeveer zeventien bij twaalf voet, en niet hoger dan zeveneneenhalve voet. Dit, beste lezer, is in ons gezin een ietwat grootse betiteling van de salon; maar omdat het twee in een zijn wordt het ook, en meer terecht, de bibliotheek genoemd, want boeken zijn nu eenmaal het enige waarin ik rijker ben dan mijn buren. Ik heb er ongeveer vijfduizend, die ik vanaf mijn achttiende geleidelijk aan verzameld heb. Zet er daarom, schilder, zoveel van als je kunt in die kamer. Bevolk de kamer met boeken en schilder dan een fraai haardvuur en eenvoudige en bescheiden meubels, die passen bij de eenvoudige woning van een geleerde. En schilder bij het vuur een theetafel en zet daar (omdat het vanzelfsprekend is dat op zo’n stormachtige avond niemand op bezoek zal komen) maar twee kopjes en schoteltjes op; en als je zoiets symbolisch of anderszins kunt uitbeelden, schilder dan een eeuwige theepot voor me — eeuwig a parte ante en a parte post— want ik drink gewoonlijk thee van acht uur ’s avonds tot vier uur in de morgen. En schilder, omdat het heel onaangenaam is zelf thee te zetten en in te schenken, een mooie jonge vrouw voor me, zittend aan de tafel. Schilder haar met armen als van Aurora en glimlach als van Hebe. Maar nee, beste M., ik moet zelfs niet als grap laten doorschemeren dat jouw vermogen om licht te brengen in mijn huisje op iets zo vergankelijks berust als louter persoonlijke schoonheid, of dat de magie van een engelachtige glimlach binnen het domein ligt van een aardse penseel. Ga dan, mijn beste schilder, maar over naar iets dat meer in je macht ligt; en het volgende opgediende onderwerp moet ik natuurlijk zelf zijn — een afbeelding van de Opiumslikker, met zijn "gouden flaconnetje met het verderfelijke medicijn" dat naast hem op tafel staat. Ik heb er geen bezwaar tegen een afbeelding van de opium te zien, hoewel ik de voorkeur geef aan het origineel. Je mag het best schilderen als je dat wil, maar ik waarschuw je dat zelfs in 1816 geen enkel "klein" flaconnetje beantwoordde aan mijn behoefte, terwijl ik zo ver af was van het "statige Pantheon" en alle drogisten (al dan niet sterfelijk). Nee, je kunt net zo goed het echte flaconnetje schilderen, dat niet van goud was, maar van glas en zo goed mogelijk op een wijnkaraf moet lijken. Daarin mag je een liter robijnrode laudanum gieten; dat en een boek over de Duitse Metafysica daarnaast geplaatst, zal voldoende aangeven dat ik in de buurt ben. Maar ik zelf? — daar teken ik bezwaar tegen aan. Ik geef toe dat ik op het schilderij natuurlijk op de voorgrond zou moeten staan; als hoofdpersoon van het stuk, of (zo je wilt) de misdadiger voor het gerecht, zou ik lijfelijk in de rechtszaal aanwezig moeten zijn. Dat lijkt redelijk; maar waarom zou ik in dit geval voor een schilder mijn bekentenis afleggen? of zou ik het eigenlijk wel moeten doen? Als het publiek (waarbij ik vertrouwelijk mijn bekentenissen in het oor fluister en niet in dat van zomaar een schilder) misschien voor zichzelf een bepaald aardig beeld van de buitenkant van de Opiumslikker heeft kunnen bedenken, hem romantisch een elegante gestalte of knap gezicht heeft toebedeeld, waarom zou ik het dan die zo aangename illusie moeten ontnemen — die zowel voor het publiek als voor mij prettig is? Nee, als het dan toch moet, schilder me dan naar je eigen fantasie en omdat de fantasie van een schilder moet wemelen van prachtige scheppingen, kan ik op die manier alleen maar winnen. En nu, beste lezer, hebben we alle tien stadia van mijn toestand in de periode 1816-17 doorlopen, waarbij ik me tot het midden van het laatste jaar als een gelukkig man beschouwde, en heb ik geprobeerd, in de hierboven gegeven beschrijving van het interieur van de bibliotheek van een ontwikkeld man, voor u de elementen van dat geluk te schetsen, in een huisje in de bergen op een stormachtige winteravond.


Maar nu het afscheid — een lang afscheid van geluk, winter en zomer! Afscheid van glimlach en lach! Afscheid van gemoedrust! Afscheid van hoop en vredige dromen, en de gezegende troost van de slaap. Al meer dan drieëneenhalf jaar wordt mij dat ontzegd. Ik ben nu aangekomen bij een Ilias van smarten, want ik moet het nu gaan hebben over


de ellende van opium
Als doopt een grote schrijver zijn penseel
In duisternis van aardbeving en zonsverduistering.
Opstand der Islam, Shelley.

Van de lezer, die mij tot dusver vergezeld heeft, moet ik nu aandacht vragen voor een korte uiteenzetting op drie punten:


1. Om diverse redenen heb ik de aantekeningen over dit gedeelte van mijn relaas niet in een gebruikelijke en samenhangende vorm kunnen gieten. Ik geef ze afzonderlijk weer zoals ik ze aantref, of diep ze meteen uit mijn geheugen op. Sommige verwijzen naar hun eigen dagtekening, andere heb ik zelf van een datum voorzien en weer andere zijn niet gedateerd. Overal waar het aan mijn doel beantwoordde ze van de gewone over te zetten naar de chronologische volgorde, heb ik daarin niet geaarzeld. Soms spreek ik in de tegenwoordige, soms in de verleden tijd. Misschien zijn maar weinig van de aantekeningen precies opschreven in de periode waarnaar ze verwijzen; maar dat kan weinig afdoen aan hun nauwgezetheid, omdat de indrukken zodanig waren dat ze nooit uit mijn geheugen kunnen verdwijnen. Veel is weggelaten. Het lukte mij niet, me zonder moeite te beperken tot de taak de hele vracht aan verschrikkingen die mij bedrukte weer op te roepen of daar een geordend relaas van te maken. Dit gevoel is één kant waarvoor ik mij verontschuldig en de andere kant is dat ik mij op dit moment in Londen bevind en een nogal hulpeloos iemand ben, die zonder steun niet eens zijn eigen papieren kan ordenen; en ik mis de handen die gewend zijn de taak te vervullen van een particulier secretaris.


2. U zult misschien denken dat ik te vertrouwelijk en mededeelzaam ben over mijn eigen geschiedenis. Het zij zo. Maar mijn manier van schrijven is eerder hardop denken en mijn stemmingen volgen, dan veel rekening houden met wie naar mij luistert; en als ik ophoud te bedenken wat tegen deze of gene gezegd moet worden, zal ik er binnen de kortste keren over gaan twijfelen of er ook maar iets geschikt is. In feite verplaats ik me zelf vijftien of twintig jaar verder in de tijd en hou me voor dat ik schrijf voor mensen die dan nog in mij geïnteresseerd zijn; en omdat ik toch een zoiets als een tijdsverslag wil hebben van de hele geschiedenis waar niemand behalve ikzelf van op de hoogte is, doe ik dat zo volledig mogelijk, met alle inspanningen waartoe ik nu in staat ben, omdat ik niet weet of ik ooit nog de tijd zal vinden om het weer te doen.


3. U zult zich vaak afvragen waarom ik mijzelf niet bevrijd heb van de verschrikkingen van de opium door ermee te stoppen of het te verminderen. Daar kan ik kort over zijn: er zou verondersteld kunnen worden dat ik te gemakkelijk gezwicht ben voor de bekoringen van opium; maar het is niet aannemelijk dat ook maar iemand bekoord kan worden door de verschrikkingen ervan. De lezer kan er dus verzekerd van zijn dat ik ontelbare pogingen heb ondernomen om de hoeveelheid te minderen. Ik voeg daaraan toe dat het de mensen zijn geweest die getuige waren van de ondraaglijke kwellingen van die pogingen, en niet ik zelf, die de eerste waren die me smeekten daarmee te stoppen. Maar had ik het dan niet kunnen minderen met een druppel per dag of een druppel in tweeën of drieën te delen door er water aan toe te voegen? Het halveren van duizend druppels zou dan bijna zes jaar in beslag hebben genomen en die manier zou dus ongetwijfeld niet de oplossing zijn geweest. Maar dat is een gangbare vergissing van mensen die uit eigen ervaring niets van opium afweten; maar ik vraag degenen die er wel mee bekend zijn, of het niet altijd zo is dat het tot een bepaald punt eenvoudig en aangenaam geminderd kan worden, maar dat verdere mindering hevige kwellingen veroorzaakt? Ja, zeggen veel onnadenkende mensen, die niet weten waar ze het over hebben, je hebt dan gewoon een paar dagen wat last van neerslachtigheid en lusteloosheid. Ik antwoord, nee; er is geen sprake van zoiets als neerslachtigheid; de levenskrachten nemen dan juist ongewoon toe: de polsslag verbetert en de gezondheid neemt toe. Daarin ligt de kwelling niet. Het lijkt niet op de kwellingen die veroorzaakt worden door het stoppen met wijn. Het is een toestand met een onbeschrijfelijke maagpijn (die dus helemaal niets te maken heeft met lusteloosheid), gepaard met hevig zweten en gevoelens die ik niet eens kan beschrijven als ik niet meer ruimte ter beschikking heb.


Ik zal nu dus midden in het verhaal vallen en, vanaf de tijd waarop gezegd zou kunnen worden dat mijn opiumkwellingen op zijn hoogtepunt waren, vooruitlopen op het verslag van hun verlammende uitwerking op de intellectuele vermogens.


* * * * *


Mijn studie heb ik al lang geleden onderbroken. Ik kan niet meer met plezier lezen, ik kan het nauwelijks een moment volhouden. Toch lees ik soms hardop voor, voor het plezier van anderen, omdat lezen een van mijn talenten is — en in de volkstaal betekent dat woord "talent" een oppervlakkige en louter decoratieve verworvenheid — en bijna het enige dat ik bezit; en als ik vroeger dan al enigermate ijdel was door enige gave of verworvenheid, dan was het hierdoor, omdat ik gemerkt had dat geen enkel talent zo dun gezaaid was. Toneelspelers zijn de slechtste voorlezers van allemaal: …..leest beroerd; en zijn vrouw….., die zo geroemd wordt, kan alleen maar toneelstukken lezen: wat ze met Milton doet is niet te pruimen. In het algemeen lezen mensen poëzie zonder enige hartstocht, of anders baan ze de natuurlijke ingetogenheid te buiten en lezen niet als een ontwikkeld iemand. Als iets mij de laatste tijd heeft aangegrepen waren dat de klaagzangen van Samson Agonistes, of de grootse harmonieën van de toespraken van Satan in Paradise Regained, als ik ze voor mijzelf hardop lees. Af en toe komt er een jongedame op bezoek en drinkt thee met ons: op haar verzoek en dat van M., lees ik nu en dan W’s gedichten voor. (W., is overigens de enige dichter die ik ooit heb ontmoet, die zijn eigen gedichten kon voordragen: vaak inderdaad bewonderenswaardig.)


Volgens mij heb ik al bijna twee jaar geen boek meer gelezen, behalve één; en ik ben de schrijver zoveel dank verschuldigd dat ik mij verplicht voel te vertellen welk boek het was. Zo nu en dan lees ik, zoals ik al heb gezegd, bij gelegenheid betere en hartstochtelijkere dichters. Maar ik besef heel goed dat mijn ware roeping ligt in het beoefenen van mijn analytische begripsvermogen. Het grootste gedeelte van analytische studies moet echter onafgebroken zijn en niet te hooi en te gras beoefend worden. Wiskunde, rationele filosofie enz., waren allemaal ondraaglijk voor me geworden; ik deinsde daarvoor terug met een gevoel van machteloosheid en kinderlijke zwakheid, wat de te pijnlijker voor me was als ik terugdacht aan de tijd dat ik daarmee met plezier dagelijks uren worstelde; en ook omdat ik daar mijn hele levenswerk van had willen maken en de bloesem en vruchten van mijn verstand had gewijd aan het stapsgewijze en uitvoerige werken aan het samenstellen van een enkel boek, waaraan ik bedacht had te titel te geven van een onvoltooid werk van Spinoza — namelijk De Emendatione Humani Intellectus. (Over de Verbetering van het Menselijke Verstand). Dat lag nu stil, als bevroren, als een Spaanse brug of aquaduct, te groots opgezet voor de mogelijkheden van de architect; en in plaats van dat het mij ten minste deed herleven als een schoolvoorbeeld van wensen en ambities, en van een werkzaam leven gewijd aan de verheffing van de menselijke natuur met de middelen waarmee God mij op zijn best had toegerust om een zo groots onderwerp ten uitvoer te brengen, leek het er meer op dat het voor mijn kinderen een gedenkteken zou worden van verloren hoop, vergeefse inspanningen, zinloos bijeengegaard materiaal, van gelegde grondvesten die nooit een bovenbouw zouden dragen — van het verdriet en het mislukken van de architect. In die toestand van dwaasheid had ik ter verpozing mijn aandacht gericht op de politieke economie; ik nam aan dat mijn verstand, dat vroeger zo actief en rusteloos geweest was als een hyena, (zolang ik ten minste leefde) niet helemaal in een toestand van lethargie kon verzinken; in mijn toestand heeft politieke economie het voordeel dat, hoewel het een organische wetenschap bij uitstek is (dat wil zeggen dat ieder deel invloed heeft op het geheel en het geheel op de delen) de verschillende delen toch uiteengehaald en afzonderlijk bestudeerd kunnen worden. Hoe zeer mijn krachten ook waren uitgeput in die tijd, toch kon ik mijn kennis niet vergeten; en ik had mij al teveel jaren bezig gehouden met grote denkers, logica en de grote geleerde meesters, om niet de volslagen vaagheid te onderkennen van de grote kudde van de huidige economen. In 1811 was ik begonnen met het doornemen van vrachten boeken en pamfletten in vele takken van de economie; en op mijn verzoek las M. mij soms hoofdstukken voor uit meer recentere werken, of gedeelten van parlementaire debatten. Ik merkte dat die in het algemeen de droesem en drab van het menselijke verstand bevatten; en dat iedereen met gezond verstand, die met een scholastieke behendigheid de logica kon hanteren, de hele academie van moderne economen tussen hemel en aarde op zou kunnen pakken en tussen duim en wijsvinger fijnknijpen, of hun zwamhoofden verpulveren met een vrouwenwaaier. Lang daarna, in 1819, stuurde een vriend uit Edinburg mij het boek van Ricardo; en terugkomend op mijn eigen voorspelling van de komst van een wetgever in deze wetenschap, zei ik, nog voor ik het eerste hoofdstuk uit had, "Gij zijt die man!" Verwondering en nieuwsgierigheid waren gevoelens die al lang geleden in mij gestorven waren. Toch verbaasde ik me weer: ik verbaasde me erover dat ik weer geprikkeld kon worden door de inspanning van het lezen en nog meer door het boek zelf. Was dat diepzinnige boek echt geschreven in Engeland, in de negentiende eeuw? Was dat mogelijk? Ik ging ervan uit dat het denken in Engeland uitgestorven was. [20] Kon het zijn dat een Engelsman, en niet eens in de academische luwte, maar overstelpt met bezigheden als handelsman en senator, iets tot stand had gebracht waar zelfs alle Europese universiteiten en een eeuw denken geen haarbreed mee verder gekomen waren? Alle andere schrijvers waren verpletterd en bedolven onder een enorme vracht feiten en documenten. De heer Ricardo had a priori, uit het verstand zelf wetten afgeleid, die voor het eerst een sprankje licht wierpen in de logge chaos van materiaal en had, van wat slechts een verzameling was van aarzelende discussies, een wetenschap van gangbare afmetingen gemaakt, die nu voor het eerst een onvergankelijk fundament had gekregen.


Dit ene diepzinnige werk was dus voldoende om mij het plezier en de bedrijvigheid weer terug te geven die ik al jaren niet meer gekend had. Het zette me zelfs aan het schrijven of in ieder geval dicteren, wat M. dan voor me opschreef. Ik had het idee dat zelfs aan het "onverbiddelijke oog" van de heer Ricardo een paar belangrijke waarheden waren ontsnapt; omdat die grotendeels van dien aard waren dat ik ze bondiger en eleganter kon uitdrukken of aanschouwelijk maken met behulp van algebraïsche symbolen dan met de doorgaans onbeholpen en aarzelende terminologie van economen, zou het geheel amper een zakboekje kunnen vullen; met M. als mijn secretaresse — want zelfs in die tijd was ik door een algehele uitputting daartoe niet in staat — schreef ik mijn beknopte Prolegomena to all future Systems of Political Economy. Ik hoop dat het niet naar opium riekt; hoewel voor de meeste mensen het onderwerp zelf al voldoende bedwelmend is.


Deze krachtsinspanning was echter maar een tijdelijke opwelling, zoals het vervolg wel aangeeft; want ik wilde mijn werk gaan publiceren. Er werden afspraken gemaakt met een provinciale drukkerij, ongeveer achttien mijl verderop, om het te laten drukken. Daarvoor werd voor een paar dagen een extra letterzetter aangetrokken. Het werk werd zelfs twee keer aangekondigd en ze hadden zich in zekere zin verplicht mijn wens te vervullen. Maar ik moest nog een voorwoord schrijven en een opdracht aan de heer Ricardo, waar ik iets prachtigs van wilde maken. Ik merkte dat ik daar allemaal niet toe in staat was. De afspraken werden afgezegd, de zetter ontslagen en mijn "Prolegomena" bleef vredig liggen naast zijn oudere en waardigere broeder.


Dat is de beschrijving en verduidelijking van mijn intellectuele verdoving in bewoordingen die min of meer toepasselijk zijn op elk moment van de vier jaar, waarin ik in de ban was van de Circe-achtige betovering van opium. Maar afgezien van de ellende en kwellingen, zou je inderdaad kunnen zeggen dat ik in een sluimertoestand heb verkeerd. Ik kon mij er zelden toe zetten een brief te schrijven; een antwoord van een paar woorden op alles wat ik ontving was het uiterste dat ik kon opbrengen en vaak pas nadat de brief weken of zelfs maanden op mijn bureau had gelegen. Zonder de hulp van M. zouden alle betaalde of nog te betalen rekeningen spoorloos verdwenen en mijn hele huishoudelijke economie, laat staan de Politieke Economie, een onherstelbare warboel geworden zijn. Over dit deel van de zaak zal ik het hierna niet meer hebben. Het is echter iets dat de opiumslikker uiteindelijk even benauwend en kwellend vindt als ieder ander, door het gevoel van onmacht en machteloosheid, door de rechtstreekse problemen die voortvloeien uit verwaarlozing of uitstel van de dagelijkse plichten en door de wroeging die de angels van het kwaad alleen maar erger maken voor een bespiegelend en gewetensvol iemand. De opiumslikker verliest niets van zijn morele besef of idealen. Hij verlangt en hunkert even serieus als altijd naar het tot stand brengen van wat hij gelooft dat mogelijk is, en voelt zich gedreven door zijn plichtsgevoel; maar zijn verstandelijke bevattingsvermogen voor wat er mogelijk is, gaat zijn krachten oneindig te boven, niet alleen bij het uitvoeren ervan, maar zelfs bij het alleen maar proberen. Hij gaat gebukt onder de last van kwelgeesten en nachtmerries; hij ziet alles wat hij zou willen doen, net zoals iemand die noodgedwongen het bed moet houden door fatale uitputting of een verzwakkende ziekte en er dan getuige is van is dat zijn meest geliefde gekwetst of aangerand wordt: hij vervloekt de ketenen die hem aan bed kluisteren; hij zou zijn leven geven als hij op kon staan en zou kunnen lopen; maar hij is machteloos als een kind en kan niet eens proberen op te staan.


Ik ga nu over tot het belangrijkste onderwerp van voornoemde bekentenissen, het verhaal en dagboek van wat er plaatsvond in mijn dromen, want dat is de onmiddellijke oorzaak van mijn hevigste kwellingen.

Het eerste besef van dat er een belangrijke verandering plaatsvond in dat deel van mijn gestel kwam door het weer ontwaken van de manier van kijken die doorgaans eigen is aan de kindertijd of een toestand van verhoogde gevoeligheid. Ik weet niet of mijn lezer ervan op de hoogte is dat veel kinderen, misschien wel de meeste, het vermogen hebben, op het duister als het ware allerlei droombeelden te kunnen schilderen. Bij sommigen is dat vermogen gewoon een mechanische aandoening van het oog; anderen beschikken over een willekeurig of onwillekeurig vermogen om ze te laten verdwijnen of op te roepen; of zoals een kind mij desgevraagd ooit vertelde, "ik kan ze zeggen dat ze weg moeten gaan en dat doen ze dan —, maar soms komen ze als ik niet zeg dat ze moeten komen." Toen vertelde ik hem dat hij een bijna even onbeperkte macht over verschijningen had als een Romeinse centurio over zijn soldaten. — Ik denk dat het rond het midden van 1817 was dat dat vermogen mij echt tot last werd: als ik ’s nachts wakker in bed lag trokken er in pracht en praal lange rouwstoeten voorbij; taferelen van eindeloze verhalen, die naar mijn gevoel even droevig en plechtig waren als de verhalen uit de tijd vóór Oedipus of Priamus, vóór Tyrus, vóór Memfis. Tegelijkertijd vond een overeenkomstige verandering plaats in mijn dromen; het leek alsof in mijn hoofd opeens een gordijn openging en het toneel verlicht werd, en zich een schouwspel ontvouwde van een meer dan aardse pracht. Voor die periode zijn vier feiten het vermelden waard:


1. Dat, naar gelang de beeldenvormende toestand van het oog toenam, waak- en droomtoestand van het brein in zekere zin meer met elkaar in overeenstemming kwamen — dat wat ik op die donkere achtergrond ook maar opzettelijk opriep of bedacht zich heel gemakkelijk naar mijn dromen verplaatste, zodat ik bang was van die mogelijkheid gebruik te maken; want zoals Midas alle dingen in goud veranderde waardoor echter zijn hoop verijdeld en zijn menselijke verlangens hem ontnomen werden, veranderde wat ik mij ook maar in de duisternis visueel kon voorstellen meteen in droombeelden van het oog; en door een kennelijk evenmin onvermijdelijk proces werden ze, als ze eenmaal in bleke en visioenachtige kleuren geschetst waren, als tekeningen in gevoelsinkt, door de heftige geheimzinnige werking van mijn dromen, omgezet naar een ondraaglijke pracht die aan mijn hart knaagde.


2. Want deze en alle andere veranderingen in mijn dromen gingen gepaard met zo diepgewortelde angst en wanhopige zwaarmoedigheid, dat het op geen enkele manier in woorden uit te drukken valt. Elke avond leek ik niet figuurlijk, maar letterlijk af te dalen in ravijnen en zonloze afgronden, dieper dan diep, waaruit ik nooit meer omhoog leek te kunnen komen. En als ik wakker werd had ik ook niet het gevoel dat ik eruit geklauterd was. Hier zal ik niet bij stil blijven staan, omdat de naargeestige toestand die deze schitterende taferelen teweegbrachten, een soort suïcidale moedeloosheid, niet onder worden gebracht kan worden.


3. Het besef van ruimte en uiteindelijk ook van tijd, werd hevig aangetast. Gebouwen, landschappen, enz., doemden op in zodanige afmetingen dat het lichamelijke oog ze niet kon omvatten. De ruimte dijde uit en werd opgeblazen tot een onuitsprekelijke onmetelijkheid. Dat was het echter niet dat me zo in verwarring bracht, maar de enorme uitzetting van de tijd; soms leek het alsof ik in één nacht 70 of 100 jaar geleefd had — nee, ik had soms het gevoel dat er wel duizend jaar voorbijgegaan waren in die tijd, of in ieder geval een tijdspanne die buiten de grenzen ligt van elke menselijke ervaring.


4. Vaak kwamen de onbeduidendste voorvallen uit mijn kindertijd, of vergeten taferelen uit latere jaren, weer tot leven: het was niet zo dat ik mij die herinnerde, want als iemand ze mij verteld had als ik wakker was, zou ik ze niet herkend hebben als een gedeelte van mijn verleden. Maar op de manier waarop zij zich in mijn dromen voordeden als ingevingen, gepaard met al hun vluchtige omstandigheden en bijbehorende gevoelens, herkende ik ze meteen. Ooit vertelde een naast familielid me dat ze als kind in een rivier gevallen was en toen ze op het randje van de dood zweefde, voordat de toegeschoten hulp haar op het nippertje kon bereiken, in één ogenblik als in een spiegel haar hele leven overzag, tot in de kleinste voorvallen; en even plotseling kon ze het geheel en alle delen ervan begrijpen. Vanuit een aantal van mijn ervaringen met opium kan ik dat geloven; daarnaast heb ik datzelfde tweemaal zien bevestigen in recente boeken, met een opmerking die naar mijn overtuiging juist is; dat wil zeggen dat het angstaanjagende boek uit de Schriften, waarin al onze daden opgetekend worden, in werkelijkheid het brein van ieder mens persoonlijk is. Daarom ben ik er zeker van dat er voor het brein niet zoiets als vergeten bestaat; duizend en één toevalligheden kunnen en zullen een sluier hangen tussen ons huidige bewustzijn en de geheime inscripties in het brein; soortgelijke toevalligheden zullen die sluier ook weer wegrukken; maar gesluierd of ongesluierd is om het even, want de inscripties blijven daar voor eeuwig staan, zoals de sterren lijken te verdwijnen door het licht van de dag, terwijl wij allemaal weten dat het licht als een sluier over hen heen wordt getrokken en dat zij wachten om onthuld te worden als het verduisterende daglicht zich weer zal terugtrekken.


Nu ik deze vier gedenkwaardige feiten heb opgesomd waarmee mijn dromen onderscheiden kunnen worden van die van gezonde mensen, zal ik ter verduidelijking van het eerst feit een geval aanhalen en vervolgens een paar andere die ik mij herinner, of in hun chronologische of enige andere volgorde, waardoor ze beeldender worden voor de lezer.

Ik ben in mijn jeugd en later af en toe voor mijn plezier, een grote lezer geweest van Livius, en ik geef toe dat ik aan hem zowel vanwege zijn stijl als onderwerpen de voorkeur geef boven alle andere Romeinse geschiedschrijvers; en de twee woorden die op mij de meest plechtige en onthutsende indruk maakten en voor mijn gevoel het meest kenmerkend waren voor de grootsheid van het Romeinse volk, waren de woorden die zo vaak bij Livius voorkomen — Consul Romanus, vooral als de consul ter sprake wordt gebracht in zijn militaire hoedanigheid. Ik wil daarmee zeggen dat de woorden koning, sultan, regent, enz., of welke andere benaming dan ook van mensen die als persoon de gemeenschappelijke grootsheid belichamen van een groot volk, minder deden met mijn gevoelens van ontzag. Hoewel ik geen groot lezer ben van geschiedkundige werken, had ik mij zorgvuldig en kritisch vertrouwd gemaakt met een speciale periode uit de Engelse geschiedenis, dat wil zeggen de periode van de Burgeroorlog (1642 – 1651), omdat ik mij aangetrokken voelde door de morele grootsheid van sommige hoofdpersonen in die tijd en door de vele interessante verslagen die deze woelige tijden hebben overleefd. Deze twee onderwerpen van mijn lichtere leeskost hebben mij vaak stof verschaft tot overdenking, maar leverden nu stof voor mijn dromen. Vaak zag ik, nadat ik in wakende toestand op de lege duisternis een soort oefenbeeld had geschilderd, een drom vrouwen en soms een feest met dansende mensen. En ik hoorde dan zeggen, of zei tegen mijzelf, "Dit zijn Engelse dames uit de ongelukkige tijd van Karel I. Dit zijn de vrouwen en dochters van de mannen die elkaar in vrede tegenkwamen, aan dezelfde tafel zaten en verbonden waren door huwelijk of bloed; en toch, na een bepaalde dag in augustus 1642, nooit meer tegen elkaar glimlachten en elkaar nog alleen maar troffen op het slagveld; en op de heide bij Marston, bij Newbury of Nasby met de wrede sabel alle liefdesbanden kliefden en met bloed de herinnering aan oude vriendschappen wegwisten." De dames dansten en leken even bekoorlijk als aan het hof van George IV. Toch wist ik, zelfs in mijn droom, dat ze al twee eeuwen in het graf lagen. Dat schouwspel brak dan opeens af en onder handgeklap viel de overdonderende kreet Consul Romanus te horen; en meteen daarna kwamen Paulus of Marius "voorbijstevenen" in schitterende krijgsmantels, omstuwd door een compagnie centurions, met een purperen tunica omhooggestoken aan een lans en gevolgd door de strijdkreet van de Romeinse legioenen.


Toen ik vele jaren geleden Piranesi’s Romeinse Oudheden doorbladerde, beschreef Coleridge, die naast mij stond, een serie gravures van die kunstenaar, zijn Dromen genaamd, die verslag doen van zijn eigen visioenen tijdens zijn ijlkoortsen. Sommigen (ik beschrijf ze alleen uit wat ik mij herinner van Coleridge’s verslag) stelden enorme Gothische zalen voor, met op de vloer allerlei machines en apparaten, tandraderen, kabels, katrollen, hefbomen, katapulten, enz., enz., als uiting van enorme krachten en overwonnen weerstand. Langs de wand kon je een trap omhoog zien kruipen; en daarop zag je Piranesi zich tastend een weg naar boven zoeken. Als je de trap wat verder vervolgde zag je dat die plotseling en onverhoeds ophield, zonder balustrade, zodat iemand die de top bereikt had alleen nog maar in de diepte kon storten.

Wat moet er van die arme Piranesi terechtkomen, denk je dan, want op een of andere manier moeten zijn inspanningen hier eindigen. Maar sla je ogen op en ontwaar een tweede, nog hoger reikende trap, waarop opnieuw Piranesi te zien is, maar dit keer helemaal op het randje van de afgrond. Kijk nog hoger en ontwaar een trap die nog verder naar de hemel reikt en weer is die arme Piranesi druk bezig met omhoog te ploeteren; enzovoort, totdat de onvoltooide trappen en Piranesi beiden in de bovenste duisternis van de zaal zijn opgelost. Met dezelfde grenzeloze groeikracht en zelfvermenigvuldiging ging mijn bouwkunst te werk in mijn dromen. In het eerste stadium van mijn kwaal werd de pracht van mijn dromen ook voornamelijk bepaald door bouwwerken; ik aanschouwde steden en paleizen met zo’n pracht en praal als nooit eerder door een wakend oog was gezien, behalve in wolkenluchten. Ik zal een passage citeren van een grote hedendaagse dichter, waarin hij in feite de vormen beschrijft die hij in de wolken ontwaart, maar die ik vaak in mijn slaap zag:


Het beeld, zo opeens onthuld,
Was van een machtige stad—als het ware
Een wildernis van gebouwen, die diep verzinkt
En zich terugtrekt in een wonderbaarlijke diepte
Diep wegzinkt in schoonheid—zonder einde!
Gemaakt naar het scheen van diamant en goud
Met albasten koepels en zilveren spitsen
Terras na terras, ver naar omhoog;
Hier vredige paviljoens, stralend gelegen
Langs lange lanen; daar torens omgord
Met kantelen, met op hun rusteloze voorzij
Sterren—licht van vele edelstenen!
De aardse natuur had dit gewrocht
Op de donkere achtergrond van de inmiddels
Bedaarde storm; en daarop en op de kreken
En steilten en toppen van bergen, vanwaar
De nevels teruggeweken waren,—en plaats
Hadden genomen onder een azuren lucht, enz., enz.

William Wordsworth, uit: The Excursion


Het prachtige gegeven, "kantelen, met op hun rusteloze voorzij sterren," had zo ontleend kunnen worden aan mijn architectuurdromen, die vaak voorkwamen. We horen van Dryden en meer recent van Fuseli, dat ze dachten dat het zinnig was rauw vlees te eten om prachtige dromen te krijgen; hoeveel doeltreffender is het niet om daarvoor opium te slikken. Maar toch kan ik mij niet herinneren dat een dichter dat ooit heeft gedaan, behalve de toneelschrijver Shadwell en in oude tijden Homerus, die er volgens mij terecht om bekend stond dat hij de weldaden van opium kende.


De gebouwen werden in mijn dromen opgevolgd door meren en zilverige watervlakten; die achtervolgden mij zodanig dat ik bang was (hoewel dat een dokter waarschijnlijk belachelijk in de oren zal klinken) dat zich op die manier een soort opgeblazen toestand of neiging van de hersenen objectiveerde (om een metafysisch begrip te gebruiken); waarbij het waarnemend zintuig zichzelf als zijn eigen object projecteert. Twee maanden lang had ik vreselijke pijn in mijn hoofd, een lichaamsdeel dat tot dan toe zo vrij was geweest van elk spoor of elke zweem van zwakte (ik bedoel fysiek), zodat ik daarover placht te zeggen wat de laatste Lord Orford over zijn maag zei, namelijk dat het leek alsof die de rest van zijn persoon zou overleven. Tot dan toe had ik nooit hoofdpijn gehad, zelfs niet de minste andere pijn, behalve de door mijn eigen waanzin veroorzaakte reumatische pijnen. Ik kwam die aanval echter te boven, hoewel ik op het randje van iets heel gevaarlijks moet hebben gebalanceerd.


De watervlakten veranderden nu van aanschijn — van als spiegels doorzichtige meren werden ze nu zeeën en oceanen. En daarna trad er een enorme verandering op, die zich geleidelijk maandenlang als een perkamentrol ontrolde en een voorbode was van een blijvende kwelling, die mij inderdaad tot het einde toe nooit verliet. Tot dusver waren er vaak menselijke gezichten verschenen in mijn dromen, maar niet tiranniek of als iets kwellends. Maar nu begon zich te ontvouwen, wat ik de tirannie van het menselijk gezicht heb genoemd. Misschien zijn bepaalde facetten van mijn Londense leven daar debet aan. Maar hoe het ook zij, op de deinende watervlakte van de oceaan begon nu het menselijke gezicht op te doemen; de zee leek geplaveid met talloze naar de hemel gerichte gezichten — smekende gezichten, woedende, wanhopige, golfden bij duizenden omhoog, bij tienduizenden, bij generaties, bij eeuwen: mijn opwinding was mateloos; mijn hoofd woelde en golfde mee met de oceaan. 

Mei 1818 

De Maleier was maandenlang een geduchte vijand geweest. Elke nacht werd ik door zijn toedoen naar landstreken in Azië gevoerd. Ik weet niet of anderen soortgelijke ervaringen hebben, maar ik heb vaak gedacht dat ik gek zou worden, als ik gedwongen zou worden Engeland te verlaten en in China te wonen, te midden van de Chinese manier van leven, gewoonten en omgeving. De oorzaken van mijn afschuw zitten diep en anderen zullen een aantal daarvan vast kennen. Zuid-Azië is eigenlijk de bakermat van vreselijke beelden en associaties. Als de wieg van de mensheid zou het alleen vaag een eerbiedig gevoel moeten oproepen. Maar er zijn andere oorzaken. Niemand kan beweren dat de woeste, barbaarse en onberekenbare bijgeloven van Afrika of van wilde stammen van elders, op hem dezelfde diepe indruk maken als de eeuwenoude, monumentale, wrede en gedetailleerde godsdiensten van Hindoestan, enz. Alleen al de ouderdom van de Aziatische aangelegenheden, hun instellingen, geschiedenis, manier van geloven, enz., zijn zo indrukwekkend dat in mijn ogen het jeugdige gevoel van het individu overschaduwd wordt door de immense ouderdom van volk en naam. Voor mij is een jonge Chinees een opnieuw geboren voorwereldlijk wezen. Zelfs Engelsen, die immers niet grootgebracht zijn met enige kennis van die instellingen, kunnen alleen maar huiveren bij de mystieke verhevenheid van de kasten die sinds onheuglijke tijden uit elkaar gedreven zijn en weigeren zich met elkaar in te laten; evenmin kan iemand geen ontzag hebben voor de namen Ganges of Eufraat. Heel belangrijk voor dit gevoel is dat Zuid-Azië het werelddeel is, en duizenden jaren is geweest, dat krioelt van menselijk leven, de grote werkplaats, het officina gentium. Mensen groeien als onkruid in die contreien. Ook de uitgestrekte keizerrijken waarin de enorme bevolking van Azië is samengesmeed, versterken de verheven gevoelens die opgeroepen worden door alle Oosterse namen of beelden. In China, naast wat het gemeen heeft met de rest van Zuid-Azië, ben ik als de dood voor de zeden en gewoonten en vormt, door een dieper gevoel dan ik ontleden, absolute afkeer en gebrek aan medegevoel een obstakel tussen ons. Ik zou nog eerder kunnen leven tussen gekken en wilde dieren. Dit alles en nog veel meer dan ik kan zeggen of waar ik de tijd voor heb, moet de lezer op zich in laten werken, voordat hij de onvoorstelbare gruwel kan begrijpen, die deze Oosterse droombeelden en mythologische kwellingen mij inboezemden. Onder het gelijktijdige gevoel van tropische hitte en loodrecht vallend zonlicht, verzamelde ik alle schepsels, vogels, wilde dieren, reptielen, alle bomen en planten, gebruiken en verschijnselen, die aangetroffen worden in alle tropische streken, en bracht ze samen in China of Hindoestan. Uit soortgelijke gevoelens schaarde ik Egypte en al zijn goden onder dezelfde wet. Apen, parkieten en kaketoes staarden me aan, jouwden me uit en kwetterden over me. Ik rende pagodes binnen en bleef eeuwenlang opgesloten zitten in de nok of geheime vertrekken: ik was de afgod; ik was de priester; ik werd aanbeden; ik werd geofferd. Ik was op de vlucht, door alle wouden van Azië heen, voor de gramschap van Brahma: Vishnoe haatte me: Shiva loerde op me. Plotseling liep ik Isis en Osiris tegen het lijf: ze zeiden dat ik iets had gedaan waarvoor ibis en krokodil huiverden. Duizend jaar lang lag ik begraven in stenen doodskisten, samen met mummies en sfinxen, in bedompte vertrekken in het hart van eeuwige piramiden. Met kankerzoenen werd ik gekust door krokodillen; en verstrikt in slijmerigheden lag ik in riet en modder van de Nijl.


Hiermee geef ik de lezer enig idee van mijn oosterse dromen, die mij met hun monsterachtige taferelen altijd zo verbijsterden, dat het afgrijzen daardoor even verzwolgen werd. Vroeg of laat kenterde dat gevoel en verzwolg dan de verbijstering, en liet mij door wat ik zag niet zozeer achter in afgrijzen, maar in haat en weerzin. Over elke vorm, bedreiging, straf en sombere onzichtbare opsluiting, hing een vaag gevoel van eeuwigheid en oneindigheid, dat mij zo neerslachtig maakte dat ik er bijna gek van werd. Alleen in die dromen, met een of twee uitzonderingen, drong een fysiek afgrijzen binnen. Alle voorgaande verschrikkingen waren moreel en geestelijk geweest. Maar hier waren de belangrijkste kwelgeesten afzichtelijke vogels, slangen of krokodillen; vooral de laatsten. Van de vervloekte krokodil werd ik banger dan van heel de rest. Ik werd gedwongen met hem samen te leven en dat (zoals het in vrijwel al mijn dromen het geval was) eeuwenlang. Soms ontsnapte ik en kwam dan terecht in Chinese huizen met rotantafels, enz. Alle tafel- en stoelpoten kwamen meteen tot leven: de afschuwelijke kop van de krokodil, met zijn kwaadaardige blik, keek mij duizendvoudig vermenigvuldigd aan; en walgend en gefascineerd sloeg ik hem gade. En dat huiveringwekkende dier spookte zo vaak rond in mijn dromen, dat dezelfde droom herhaaldelijk op precies dezelfde manier eindigde: ik hoorde dan lieve stemmetjes iets tegen me zeggen (als ik slaap hoor ik alles) en werd meteen wakker. Het is midden op de dag en mijn kinderen staan hand in hand bij mijn bed —ze komen mij hun gekleurde schoentjes laten zien, hun nieuwe jasjes of wat ze aan hebben om naar buiten te gaan. Ik verzeker u dat de overgang van die vervloekte krokodil en de andere onbeschrijfelijke monsters en wangedrochten uit mijn dromen, naar de aanblik van onschuldige menselijke wezens, de kinderen, zo vreselijk was dat ik moest huilen bij die geweldige en plotselinge omschakeling van mij gemoedstoestand en niet kon nalaten hun gezichtjes te kussen. 

Juni 1819 

In meerdere perioden in mijn leven heb ik gemerkt dat de dood van mensen die wij liefhebben en eigenlijk het nadenken over de dood in het algemeen, ‘s zomers (cæteris paribus) ingrijpender is dan in elk ander seizoen. In mijn ogen zijn daar drie redenen voor aan te wijzen: ten eerste dat het zichtbare uitspansel ‘s zomers veel hoger, veel verder lijkt, en (vergeef me de ongepastheid) oneindiger; de wolken, waarmee het oog hoofdzakelijk de afstand van de boven ons hoofd gewelfde blauwe koepel inschat, zijn ’s zomers omvangrijker, opeengepakter en opeengehoopt in veel grootsere en hoger oprijzende stapels. Ten tweede zijn licht en beeld van ondergaande en opkomende zon veel geschikter om de aard en hoedanigheid van het Oneindige aan te geven. En ten derde (de belangrijkste reden), vestigt de uitbundige en losbandige kwistigheid van het leven als vanzelfsprekend de aandacht van de gedachten sterker op het tegenstrijdige met de dood en winterse onvruchtbaarheid van het graf. Want over het algemeen kan opgemerkt worden dat, overal waar twee denkbeelden met elkaar in verband staan door middel van de wet van tegenstrijdigheid en als het ware bestaan doordat ze elkaar wederzijds afstoten, zij de neiging vertonen elkaar op te roepen. Daarom kan ik onmogelijk het denken aan de dood van mij afzetten, als ik in mijn eentje rondwandel in de eindeloze zomerdagen; en elk sterfgeval, spookt in ieder geval in dat seizoen hardnekkiger en onbedwingbaarder, zo niet aangrijpender, rond in mijn hoofd. Misschien is deze reden, naast een voorvalletje waar ik het niet over zal hebben, de onmiddellijke aanleiding geweest voor de volgende droom, waarvoor echter altijd een aanleg moet zijn geweest in mijn brein; maar eenmaal gewekt verliet die droom mij nooit meer en viel uiteen in duizenden verschillende fantastische beelden, die zich vaak opeens weer samenvoegden en opnieuw de oorspronkelijke droom vormden.


Ik geloof dat het een zondagmorgen in mei was, Paaszondag denk ik, en nog heel vroeg in de ochtend. Ik stond volgens mij in de deuropening van mijn huisje. Recht voor me strekte het landschap zich uit, dat in werkelijkheid door dat gegeven bepaald werd, maar dan zoals gebruikelijk geïdealiseerd en plechtig gemaakt door de intensiteit van de droom. Daar lagen dezelfde bergen en aan hun voet hetzelfde fraaie dal; maar de bergen verhieven zich hoger dan de Alpen en tussen hen in bevonden zich veel weidsere weiden en bosarealen; de heggen waren overvloedig bedekt met witte rozen en er was geen levend wezen te bekennen, behalve dat er op de groene kerkhof koeien lagen te rusten op de met gras bedekte graven en in het bijzonder in de buurt van het graf van een kind waar ik erg veel van gehouden had, precies zoals ik ze, diezelfde zomer even voor zonsopgang, gezien had toen het kind stierf. Ik staarde naar het bekende tafereel en zei hardop (naar ik dacht) tegen mijzelf, "de zon moet nog wat verder rijzen en het is Paaszondag; en dat is de dag waarop ze de eerste vruchten vieren van de Verrijzenis. Ik ga er op uit; vandaag zal het oud zeer vergeten worden, want het is koel en rustig, de heuvels zijn hoog en rijzen tot aan de hemel; de open plekken in het bos zijn even rustig als het kerkhof en met de dauw kan ik de koorts van mijn voorhoofd wissen en dan zal ik niet langer ongelukkig zijn." En ik keerde me om, alsof ik mijn tuinhek open wilde maken en op datzelfde moment zag ik links van me een heel ander tafereel, dat echter door de kracht van dromen in overeenstemming gebracht was met het andere. Het was een Oosters schouwspel en ook daar was het Paaszondag en heel vroeg in de ochtend. En als een vlek aan de horizon waren heel in de verte daken en koepels zichtbaar van een grote stad — een beeld of flauwe abstractie van een afbeelding van Jeruzalem, dat ik misschien ooit in mijn jeugd had gezien. En nog geen boogscheut van mij af zat een vrouw op een steen, in de schaduw van Judese palmbomen, en ik keek, en het was — Ann! Ze keek me aan met een ernstige blik en ten slotte zei ik tegen haar: "Eindelijk heb ik je dus gevonden." Ik wachtte, maar ze zei geen woord. Haar gezicht was nog hetzelfde als toen ik haar voor het laatst zag, en toch hoe anders! Zeventien jaar geleden kuste ik haar voor de laatste keer, terwijl het licht van de lantaarns op haar gezicht viel (lippen, Ann, die voor mij niet bezoedeld waren), en de tranen uit haar ogen stroomden; de tranen waren nu afgewist; ze leek mooier dan ze destijds was, maar wat al het andere betreft hetzelfde en niet ouder. Haar blik was sereen, maar met een ongewoon plechtige uitdrukking en ik staarde haar aan met een zeker ontzag; maar opeens werden haar gelaatstrekken wazig en toen ik mij naar de bergen keerde zag ik dat er nevelslierten tussen ons in stroomden. Plotsklaps was alles verdwenen, een dichte duisternis rukte op en in een oogwenk was ik ver van de bergen en wandelde ik weer, samen met Ann, bij het licht van de lantaarns in Oxford-street — zoals we daar zeventien eerder hadden gelopen, toen we allebei nog kinderen waren.


Als laatste voorbeeld zal ik gewag maken van een andersoortig voorval uit 1820.

De droom begon met muziek die ik toen vaak hoorde in mijn dromen —muziek als inleiding en bewust worden van spanning, muziek als het begin van Händels Kroningsmotet, die op dezelfde wijze het idee geeft van een grote optocht, van een eindeloos in rijen afmarcherende ruiterstoet en het opmarcheren van talloze legers. De morgen van een doorslaggevende dag was aangebroken — een dag van crisis en laatste hoop voor de mensheid, die toen gebukt ging onder een geheimzinnige aftakeling en angstig tot het uiterste voortploeterde. Ergens, ik weet niet waar — op een of andere manier, ik weet niet hoe — werd door bepaalde mensen, ik weet niet wie — een veldslag, een strijd, een gevecht op leven en dood gevoerd, dat zich ontwikkelde als een immens drama of muziekstuk, waarvoor mijn begrip des te ondraaglijker was omdat ik geen flauw benul had van waar en waarom het plaatsvond en van de aard en mogelijke uitkomst ervan. Zoals gewoonlijk in dromen (waarin wij onszelf noodzakelijkerwijs tot middelpunt maken van elke beweging) had ik de zeggenschap, en toch weer niet, om er een einde aan te maken. Ik had die wel, als ik mijzelf ertoe kon zetten het te willen; en toch had ik die zeggenschap niet omdat er een gewicht van twintig Atlantische oceanen op mij drukte of de last van een niet meer goed te maken schuld. "Dieper dan ooit een schietlood kan peilen," lag ik daar onbeweeglijk. Als het inzetten van een koorzang werd het allemaal nog hartstochtelijker. Er stond een groter belang op het spel, iets machtigers dan ooit door het zwaard was verdedigd, of de trompet had verkondigd. Plotseling klonken er strijdsignalen, renden ontelbare vluchtende mensen sidderend heen en weer — ik wist niet met goede of kwade bedoelingen, duisternis en lichten, wervelstorm en menselijke gezichten, en uiteindelijk, met het gevoel dat alles verloren was, vrouwelijke gedaanten en gelaatstrekken die mij alles ter wereld waard waren, maar slechts een moment vergund — handen die elkaar vastgrepen en hartverscheurende scheidingen, en toen — afscheid voor eeuwig! En met een zucht, zoals de krochten van de Hel zuchtten toen de incestueuze moeder de verafschuwde naam van de Dood uitsprak, weerkaatste het geluid — afscheid voor eeuwig! En weer en steeds weer weerkaatste het — afscheid voor eeuwig!


En tegenspartelend werd ik wakker en riep hardop — "Ik wil nooit meer slapen."


Maar nu voel ik mij genoodzaakt het al tot een onredelijke lengte uitgedijde relaas af te sluiten. Als de grenzen wat ruimer hadden gelegen, zou het materiaal dat ik gebruikt heb misschien beter tot zijn recht gekomen zijn en het toevoegen van veel van wat ik niet gebruikt heb zou doeltreffend hebben kunnen zijn. Maar misschien is het zo wel genoeg geweest. Rest mij nog dat ik iets zou moeten zeggen over de manier waarop dit treffen der verschrikkingen uiteindelijk een beslissend stadium bereikte. De lezer begrijpt al (uit een passage in het begin van de inleiding bij het eerste deel) dat de Opiumslikker op een of andere manier "de vervloekte keten die hem gevangen hield bijna tot de laatste schakel heeft losgemaakt." Hoe? Dat te verhalen volgens de oorspronkelijke opzet, zou de ruimte die mij nu ter beschikking staat ver te buiten zijn gegaan. Gelukkig is de reden om het verhaal in te korten zo dwingend, want bij nader inzien voel ik er uitermate weinig voor om de lading van het verhaal geweld aan te doen met van die nietszeggende details, een verhaal dat een beroep doet op de voorzichtigheid en het geweten van de nog niet verstokte opiumslikker — of zelfs maar (hoewel dat een zeer ondergeschikte overweging is) het effect van de compositie te verkrachten. De belangstelling van de oordeelkundige lezer zal zich niet in de eerste plaats richten op het punt van het boeiende van de bekoringen, maar op het overweldigende van het wat daar boeiend aan is. Niet de Opiumslikker, maar de opium is de ware held van het verhaal en het terechte middelpunt waar de aandacht omheen draait. De bedoeling was het tonen van de wonderbaarlijke werking van opium, hetzij voor genot, hetzij voor pijn: als dat klaar is, is de voorstelling afgelopen.


Omdat sommige mensen echter, ondanks alles wat tot het tegenovergestelde maant, zullen blijven vragen wat er van de Opiumslikker terecht is gekomen en hoe het nu met hem gaat, zal ik namens hem als volgt antwoorden: de lezer weet inmiddels dat opium al lang niet meer zijn heerschappij baseerde op verlokking tot genot; alleen maar door middel van kwellingen die onlosmakelijk verbonden waren met de pogingen het af te zweren, hield het hem nog in zijn greep. En omdat het niet afzweren van een dergelijke tiran met andere kwellingen gepaard ging, en niet minder dan misschien gedacht zou kunnen worden, bleef er slechts het kiezen tussen twee kwaden over; en dan kan het beste het kwaad gekozen worden dat, hoewel gruwelijk op zichzelf, het vooruitzicht biedt op een uiteindelijk weer gelukkig worden. Dat lijkt juist, maar logisch redeneren gaf de schrijver niet de kracht om daarmee overeenkomstig te handelen. Maar toen kwam er een keerpunt in het leven van de schrijver en ook voor anderen die hem nog dierbaarder waren — en voor hem altijd veel dierbaarder zullen zijn dan zijn eigen leven, zelfs nu het weer een gelukkig leven is. Ik begreep dat ik dood zou gaan als ik doorging met opium. Daarom besloot ik, als dat nodig zou zijn, dan weer te sterven bij de poging mij daarvan te bevrijden. Hoeveel ik op dat moment innam, kan ik niet zeggen, want de opium die ik gebruikte werd voor mij gekocht door een vriend, die mij achteraf weigerde hem te laten betalen, zodat ik niet eens te weten kon komen hoeveel ik dat jaar heb gebruikt. Ik ben echter bang dat ik het heel regelmatig nam en dat het tussen de ongeveer drie à vier en tien gram per dag lag. Mijn eerste zorg was het terug te brengen naar tweeëneenhalf, anderhalf en zo snel als ik kon naar 1 gram.


Ik won. Maar denk niet, lezer, dat daarmee mijn kwellingen ten einde waren, en denk ook niet dat ik bij de pakken neerzat. Zie me als iemand die, zelfs na vier maanden, nog steeds opgewonden, bevend, aangedaan en ontredderd was en zich misschien wel in de situatie bevond van iemand die op de pijnbank was gelegd, zoals ik mij de kwellingen van die toestand herinner uit het schokkende verslag daarover dat geschreven is door een geheel onschuldig slachtoffer [21] uit de tijd van James I. Intussen vond ik geen enkele baat bij welk medicijn dan ook, behalve bij een dat mij voorgeschreven was door een zeer uitmuntende Edinburgse arts, namelijk valeriaantinctuur. Daarom heb ik op medisch gebied weinig te melden over mijn bevrijding en zelfs dat weinige, waarmee iemand die zo weinig op de hoogte is van dat gebied als ik, is iets dat waarschijnlijk alleen maar mensen in verwarring zou brengen. Het zou hoe dan ook misplaatst zijn in dit geval. De moraal van dit relaas is bestemd voor de opiumslikker en daarom noodzakelijkerwijs beperkt in zijn toepasbaarheid. Als hij geleerd heeft bang te zijn en te beven, is het voldoende zinvol geweest. Hij zou echter kunnen zeggen dat de afloop van mijn geval op zijn minst een bewijs is dat opium, na zeventien jaar slikken en acht jaar misbruik maken van zijn mogelijkheden, nog steeds afgezworen kan worden en dat hij de zaak energieker aan zou pakken dan ik, of dat hij met een sterker gestel dan het mijne hetzelfde resultaat kan bereiken met minder moeite. Dat kan best. Ik durf de inspanningen van anderen niet af te meten aan mijn eigen. Ik wens hem van harte meer kracht toe. Ik wens hem hetzelfde succes. Maar zelf had ik motieven die buiten mijzelf lagen, die hij helaas misschien niet heeft en die mij gewetensvolle steun boden, terwijl louter eigenbelang een door opium afgestompt brein die niet kunnen bieden.


Jeremy Taylor vermoedt dat het misschien even pijnlijk is om te sterven als om geboren te worden. Ik denk dat dat waarschijnlijk waar is; en tijdens de hele periode van het minderen van opium onderging ik de kwellingen die iemand meemaakt die van de ene manier van leven naar een andere gaat. Het liep niet uit op doodgaan, maar op een soort lichamelijke wedergeboorte; en ik kan daaraan toevoegen dat ik sindsdien, bij tussenpozen, meer dan een herstel van mijn jeugdige levenskracht heb ervaren, hoewel dat plaatsvond onder de druk van ellende, die ik in een minder gelukkige geestestoestand, rampen had genoemd.

Rest nog één aandenken uit mij vroegere toestand — mijn dromen zijn nog niet volmaakt tot rust gekomen; de angstige deining en opwinding van de storm zijn nog niet helemaal weggeëbd; de legioenen die in mijn dromen hun kampement hadden opgeslagen trekken zich terug, maar zijn nog niet allemaal verdwenen; mijn slaap is nog steeds onrustig en zoals onze eerste voorouders vanuit de verte de poorten van het paradijs ontwaarden, zijn ze nog steeds (in de schitterende zin van Milton):


"Vol drommen angstaanjagende tronies en vlammende zwaarden."


AANHANGSEL 

Uit het "London Magazine" van december 1822.


Onze toezegging van een Derde Deel zal, door de belangstelling die is gewekt door de twee artikelen met die titel in onze nummers van september en oktober 1821, in de herinnering van onze lezers levendig gebleven zijn. Dat wij nog steeds niet die afspraak hebben kunnen nakomen in haar oorspronkelijke opzet, zal ongetwijfeld even spijtig zijn voor hen als voor ons, vooral als ze het volgende aangrijpende verhaal hebben gelezen. Het is geschreven met de bedoeling dat het toegevoegd zal worden aan een uitgave van de Bekentenissen in een aparte aflevering, die voor het publiek al te koop is; wij hebben het in zijn geheel afgedrukt, zodat al onze abonnees kunnen beschikken over dit hele buitengewone verhaal.


* * * * *


Nu de eigenaars van dit kleine boekje besloten hebben tot een herdruk, lijkt het wenselijk een en ander te verduidelijken, gezien het niet verschijnen van een derde deel dat toegezegd was in het London Magazine van afgelopen December; en temeer omdat de eigenaars, die hadden ingestaan voor die toezegging, anders misschien betrokken zouden worden in de aantijging die — min of meer — te maken heeft met dat niet nakomen. Die kritiek betrekt de schrijver, heel terecht, op zichzelf. Wat de mate van schuld is die hij zodoende op zich neemt is naar zijn mening een zeer duistere zaak, waarop al die meesters in spitsvondige argumenten, die hij in dezen geraadpleegd heeft, niet veel licht konden werpen. Enerzijds is men het er in het algemeen over eens dat een belofte omgekeerd evenredig bindend is met het aantal mensen dat die belofte is gedaan; dat is de reden waarom we zien dat veel mensen zonder gewetensbezwaren beloften verbreken, die een heel volk zijn gedaan, dat religieus blijft geloven in alle eigen afspraken, terwijl het verbreken van een belofte aan een machtiger iemand, levensgevaarlijk is; anderzijds zijn zijn lezers de enige betrokkenen, die belang hebben bij de beloften van een schrijver, en daarom is het bij elke schrijver een teken van bescheidenheid om zo weinig mogelijk te geloven — of misschien valt er maar een enkel iets te bedenken, in welk geval elke belofte morele heilige verplichtingen oplegt. Nu die spitsvondige argumenten van de hand gewezen zijn, stelt de schrijver zich echter toegeeflijk op jegens iedereen die zichzelf gegriefd voelt door zijn uitstel, door het hierna volgende relaas over zijn eigen toestand, vanaf het einde van afgelopen jaar, toen de afspraak werd gemaakt, tot bijna dit moment. Om zichzelf vrij te pleiten zou het voldoende zijn te vertellen dat ondraaglijk lichamelijk lijden hem totaal ongeschikt maakte voor vrijwel elke geestelijke inspanning, met name als er iets van hem geëist werd, waarvoor een aangename en blijmoedige gemoedstoestand een voorwaarde is; maar omdat het een geval betreft dat verder uitgewerkt is dan in het verleden ooit onder de aandacht van vakmensen is gebracht, en mogelijk een beetje kan bijdragen aan de medische geschiedenis van opium, is hij van mening dat het misschien voor sommige lezers welkom is als het uitvoeriger beschreven wordt. Fiat experimentum in corpore vili (vert.: een experiment moet je uitvoeren op een waardeloos lichaam) is een juiste regel als er enig redelijk vooruitzicht op is dat het op grote schaal voordelen oplevert. Wat dat voordeel dan is zal aan twijfel onderhevig zijn, maar over de waarde van het lichaam valt niet te twijfelen; want de schrijver is zo vrij te bekennen dat geen enkel lichaam waardelozer is dan het zijne. Hij is zo hoogmoedig te geloven dat dat het summum is van een laaghartig, krankzinnig en verachtelijk menselijk geheel, dat amper bedoeld kan zijn om het meer dan twee dagen uit te houden op zee, onder de gewone stormen en beslommeringen van het leven; en als dat in feite de loffelijke manier zou zijn om van menselijke lichamen af te komen, moet hij bekennen dat hij zich er bijna voor zou schamen om zijn armzalige lichaam aan een fatsoenlijke hond te vermaken. Ten aanzien van het geval zal de schrijver, om het steeds weer omslachtig herhalen van omschrijvingen te vermijden, het verhaal in de eerste persoon vertellen.


* * * * *


Degenen die de Bekentenissen hebben gelezen zullen het boekje dichtgeslagen hebben met de indruk dat ik de opium helemaal had afgezworen. Deze indruk wilde ik graag overbrengen en wel om twee redenen: op de eerste plaats omdat alleen al het doelbewust opschrijven van een ellendige toestand noodzakelijkerwijs veronderstelt dat de schrijver in staat is zijn eigen geval te bezien als een afstandelijke toeschouwer en over een voldoende mate van geestkracht beschikt om dat adequaat te beschrijven, wat niet zou stroken met iemand die spreekt vanuit de situatie van waarin hij daadwerkelijk lijdt. Op de tweede plaats, omdat ik van de enorme hoeveelheid van 8.000 druppels was geminderd tot een (verhoudingsgewijs) kleine hoeveelheid van tussen de 300 en 160 druppels, en daarom best zou kunnen denken dat de overwinning echt was behaald. Door mijn lezers dus de indruk te geven dat ik een genezen opiumslikker was, deed ik alleen wat ik zelf ook vond; en, zoals zal blijken, was zelfs die indruk alleen maar af te leiden uit de algemene strekking van de conclusie en niet uit bepaalde woorden, die in geen geval in tegenspraak zijn met de letterlijke waarheid. Niet lang nadat die verhandeling was geschreven, kreeg ik het gevoel dat de nog te leveren inspanning me veel meer energie zou kosten dan ik had voorzien, terwijl de noodzaak om het toch te doen elke maand duidelijker werd. In het bijzonder werd ik mij bewust van een toenemende gevoelloosheid of een verminderde gevoeligheid van mijn maag en ik bedacht dat dat zou kunnen betekenen dat zich in dat orgaan een kankergezwel had gevormd of aan het vormen was. Een vooraanstaand arts, aan wie ik voor zijn vriendelijkheid zeer veel verschuldigd ben, vertelde me dat in mijn geval een dergelijke afloop niet onmogelijk was, hoewel dat waarschijnlijk verhinderd zou worden door een ander afloop, als ik door zou gaan met het gebruiken van opium. Daarom besloot ik de opium af te zweren, zo gauw ik het gevoel zou hebben dat ik me vrij genoeg voelde om mijn gehele aandacht en energie aan dat doel te wijden. Het duurde echter tot 24 juni voordat zich een aanvaardbare samenloop van omstandigheden voordeed voor een dergelijke poging. Op die dag begon ik met mijn experiment, nadat ik mij eerst vast had voorgenomen door te zetten en "het te redden" onder bedreiging van alle mogelijke "straffen." Ik moet vooropstellen dat mijn gewone rantsoen maandenlang 170 tot 180 druppels was geweest; af en toe had ik dat opgevoerd tot wel 500, en een keer bijna 700 druppels; en herhaaldelijk was ik, als inleiding op mijn laatste experiment, ook gezakt tot 100 druppels; maar ik had gemerkt dat ik dat onmogelijk langer dan vier dagen vol kon houden — wat ik overigens altijd moeilijker heb gevonden dan elk van de voorafgaande drie dagen. Ik begon rustig aan — drie dagen lang 130 druppels per dag; op de vierde dook ik in een klap naar 80. De ellende die ik nu te verduren kreeg deed mij meteen "een toontje lager zingen" en ongeveer een maand lang bleef ik bij tijd en wijle rond dat niveau hangen; daarna zakte ik tot 60 en de dag daarop tot — helemaal niets meer. Dat was de eerste dag in bijna tien jaar dat ik het zonder opium had gedaan. Ik hield dat negentig uur vol, dat wil zeggen, meer dan een halve week. Daarna nam ik — vraag me niet hoeveel; zeg het maar, scherpslijpers, wat zouden jullie gedaan hebben? Daarna hield ik er weer mee op — nam vervolgens 25 druppels en stopte weer, enzovoort.


Ondertussen waren de symptomen, die mijn geval gedurende de eerste zes weken van mijn experiment vergezelden, de volgende: enorme prikkelbaarheid en opwinding van het hele gestel; vooral de maag verkreeg opnieuw haar hele vitaliteit en gevoeligheid, maar was vaak zeer pijnlijk; dag en nacht een onafgebroken rusteloosheid; slaap — ik wist nauwelijks wat dat was; ik sliep hooguit drie van de vierentwintig uur en dan nog zo onrustig en licht dat ik elk geluid om mij heen hoorde. Onderkaak doorlopend gezwollen, zwerende mond en nog veel andere verontrustende symptomen, te saai om allemaal op te sommen; ik moet er echter nog één vermelden, omdat elke poging om met de opium te stoppen daar onherroepelijk mee gepaard ging — namelijk hevige niesbuien. Dat werd nu buitengewoon hinderlijk, duurde soms twee uur achter elkaar en keerde minstens twee of drie keer per dag terug. Ik was daar niet erg verbaasd over, omdat ik mij herinnerde dat ik ergens gehoord of gelezen had dat het slijmvlies dat de neus bekleed, het verlengde is van dat van de maag; daaruit kunnen volgens mij ook de ontstekingsverschijnselen rond de neusgaten van jeneverdrinkers verklaard worden. Ik veronderstel dat het ook plotselinge herstel van de gevoeligheid van de maag daarin tot uiting kwam. Verder is het opmerkelijk dat ik, in al die jaren dat ik opium heb gebruikt, nooit kou heb gevat (zoals de uitdrukking luidt), zelfs niet de lichtste verkoudheid. Maar nu werd ik getroffen door een hevige verkoudheid en kort daarop begon ik te hoesten. In een passage van een onvoltooid gebleven brief, waaraan ik in die tijd was begonnen — lees ik de volgende woorden: "Je vraagt me een antwoord — Ken je het toneelstuk ‘Thierry en Theodore’ van Beaumont en Fletcher? Dat gaat over mijn slaapprobleem, en het is niet eens erg aangedikt. Ik bezweer je dat er op dit moment meer gedachten in mij op komen in een uur, dan in een heel jaar onder het juk van opium. Het lijkt alsof alle gedachten die door de opium een tiental jaren ingevroren waren nu, zoals het in de oude sprookje luidt (vert.: De Sneeuwkoningin), opeens waren ontdooid — zoveel stromen er van alle kanten bij mij binnen. Toch zijn mijn ongeduld en vreselijke prikkelbaarheid zo groot dat voor één gedachte die ik kan vasthouden er vijftig aan me ontsnappen: ondanks mijn vermoeidheid door de kwellingen en het gebrek aan slaap, kan ik geen twee minuten aaneen stil blijven staan of zitten. ‘I nunc, et versus tecum meditare canoros.’" (Ga nu en overdenk uw welluidende verzen, (Horatius, Epist. 2.2.76)


In dit stadium van mijn experiment stuurde ik iemand naar een dokter in de buurt, met het verzoek mij op te komen zoeken. Die avond kwam hij en nadat ik hem in het kort de zaak had uitgelegd, vroeg ik hem of hij dacht dat de opium misschien als een prikkel had gewerkt voor de spijsverteringsorganen en dat de huidige maagklachten, die duidelijk de oorzaak waren van het niet kunnen slapen, door indigestie zouden kunnen komen? Zijn antwoord was: nee; hij dacht juist dat de klachten veroorzaakt werden dóór indigestie, wat natuurlijk een onbewust gebeuren is, maar dat de, door het zo lang gebruiken van opium teweeggebrachte, onnatuurlijke toestand van de maag nu duidelijk voelbaar was geworden. Dat was een aannemelijke verklaring en het onafgebroken karakter van de pijn bracht mij ertoe te denken dat het waar was, want als het gewoon een ongelijkmatige aandoening van de maag was geweest, zou het natuurlijk steeds even ophouden en in hevigheid op en neer gaan. Zoals blijkt uit de gezonde toestand, is het kennelijk de bedoeling van de natuur dat we geen aandacht schenken aan al onze levensfuncties, zoals de bloedsomloop, het uitzetten en samentrekken van de longen, de peristaltiek van de maag, enz., en lijkt het dat opium daarbij, net als in andere gevallen, de bedoelingen van de natuur tegenwerkt. Op aanraden van de arts probeerde ik maagbitter. Dat verlichtte even de pijn waaronder ik gebukt ging, maar rond de tweeënveertigste dag van het experiment begonnen de zojuist vermelde symptomen te verdwijnen en traden er nieuwe op, andersoortig en veel pijnlijker; sindsdien heb ik daar, afgezien van een paar perioden waarin het minder was, doorlopend onder te lijden gehad. Maar ik zal dat allemaal niet beschrijven, om twee redenen: ten eerste, omdat mijn geest in opstand komt tegen het weer uitvoerig oprakelen van kwellingen die nog maar zo kort achter de rug zijn. Dit uitvoerig genoeg doen om deze terugblik enige zin te geven zou in feite infandum [regina, iubes] renovare dolorem (vert.: [Koningin, gij dwingt mij] de pijn weer op te rakelen, Vergilius, Aeneiden) betekenen en mogelijk zonder voldoende reden; want ten tweede betwijfel ik of deze laatste toestand eigenlijk wel te wijten is aan de opium — positief of zelfs maar negatief gezien; dat wil zeggen, of het gerekend kan worden onder de laatste klachten van de rechtstreekse werking van opium, of gewoon onder de eerdere klachten, als gevolg van de behoefte aan opium, in een door het gebruik daarvan al lang ontregeld gestel. Een deel van de symptomen kan ongetwijfeld toegeschreven worden aan de tijd van het jaar (augustus), want hoewel het geen warme zomer was, maakte in ieder geval alle warmte bij elkaar (als je dat zo zou kunnen zeggen) van de voorafgaande maanden, gevoegd bij de warmte van die maand, van augustus uiteraard de warmste periode van het jaar; en zo gebeurde het dat de buitengewoon hevige transpiratie — die zelfs met de kerstdagen leidde tot een grote afname van de dagelijkse hoeveelheid opium en in juli zo hevig was dat ik me gedwongen voelde vijf of zes maal per dag een bad te nemen, — bij het begin van het warmste seizoen volledig was verdwenen,  waardoor het effect van het nemen van een bad op de warmte des te beter was. Een ander verschijnsel — namelijk wat ik in mijn onwetendheid inwendige reumatiek noem (soms in de schouders, enz., maar vaker in de maag leek te zitten) — leek ook minder waarschijnlijk toe te schrijven aan de opium, of een tekort aan opium, dan aan de vochtigheid van het huis [22] dat ik bewoon, die rond die tijd op het ergst was, omdat juli zoals gewoonlijk een maand was geweest waarin het onophoudelijk had geregend, in ons regenachtigste deel van Engeland.


Omdat dat de redenen zijn van mijn twijfel aan het feit of opium enig verband hield met de latere toestand van mijn lichamelijke ellende — behalve misschien als bijkomende oorzaak, waardoor mijn lichaam zwakker en zieker was geworden en dus bevattelijker voor elke slechte invloed — wil ik mijn lezer elke beschrijving daarvan besparen; hij moet dat maar vergeten en ik zou wel willen dat ik het even gemakkelijk uit mijn eigen herinnering kon verwijderen, zodat al die nog komende uren van rust niet verstoord zullen worden door een te levendig beeld van wat er aan menselijke ellende mogelijk is!

Tot zover de nasleep van mijn experiment. Wat betreft het eerdere stadium, waarin het experiment waarschijnlijk plaatsvond, en de toepasselijkheid op ander gevallen, moet ik mijn lezer verzoeken de redenen maar te vergeten, waarom ik het op heb geschreven. Dat waren er twee: de eerste is dat ik dacht dat ik misschien iets zou kunnen toevoegen aan de geschiedenis van opium als medicijn. Daarbij besef ik dat ik op geen enkele manier voldaan heb aan mijn eigen doelstellingen, ten gevolge van mijn eigen futloosheid, lichamelijke pijn en de vreselijke afkeer van het onderwerp, die mij achtervolgden bij het schrijven van dat gedeelte van de verhandeling, dat niet gecorrigeerd of verbeterd kon worden omdat het meteen naar de drukker was gestuurd (ongeveer vijf mijl verderop). Maar uit dit verslag, hoe onsamenhangend het ook is, blijkt duidelijk dat de mensen die het meest geïnteresseerd zijn in het opiumverhaal, namelijk de opiumslikkers in het algemeen, daar veel aan kunnen hebben; dat het, als troost en bemoediging, aantoont dat je, door het vrij snel [23] te minderen, van opium af kunt komen, met ook nog minder ellende dan de gebruikelijke oplossing biedt.


Mijn allerbelangrijkste doel was het overbrengen van dit resultaat van mijn experiment. Daarnaast, als bijkomstig doel, wilde ik duidelijk maken waarom het voor mij onmogelijk was geworden een Derde Aflevering te schrijven, die aan deze nieuwe druk toegevoegd kon worden; want tijdens dit experiment waren de proefvellen van deze herdruk vanuit Londen naar mij toegestuurd, maar het onvermogen om ze uit te werken of te verbeteren was van dien aard dat ik het niet eens kon opbrengen ze voldoende aandachtig door te lezen om de drukfouten eruit te halen of onnauwkeurige formuleringen te verbeteren. Dat waren de redenen om mijn lezer lastig te vallen met een verhandeling, kort of lang, van de experimenten met een zo minderwaardig onderwerp als mijn eigen lichaam; en ik dring er bij de lezer op aan dat hij die niet moet vergeten, of mij niet zo verkeerd begrijpen dat hij mij in staat acht dat ik mij voor een zo onaangenaam onderwerp leen, ter wille van het onderwerp zelf, of voor iets minder dan het algemeen belang van anderen. Ik weet dat er van die misbaksels zijn als de hypochonder die alleen maar met zichzelf bezig is; die ben ik zelf wel eens tegengekomen, en ik weet dat hij de ergst denkbare heautontimoroumenos (vert.: zelfkweller) is; die elk symptoom, dat door de gedachten een andere richting uit te sturen zou verdwijnen, alleen maar erger maakt en in stand houdt. Maar voor mij is de verachting voor die onwaardige en egoïstische gewoonte zo groot, dat ik mij daar evenmin toe kan verlagen als mijn tijd verdoen aan het bespieden van een arm dienstmeisje, dat ik op dit moment achter mijn huis hoor vrijen met een of andere jongen. Moet een Transcendentale Filosoof voor zoiets soms enige belangstelling hebben? Of mag verondersteld worden dat iemand, voor wie het leven maar achteneenhalf jaar waard is, ook maar tijd heeft voor dergelijke onbenullige bezigheden? Ik zal hier niet verder op ingaan, maar nog één ding zeggen, dat bij sommige lezers misschien hard aan zal komen, maar ik weet zeker dat het dat niet zou moeten doen, gezien de redenen waarom ik het zeg. Ik ga ervan uit dat niemand veel van zijn tijd besteed aan door zijn lichaam vertoonde verschijnselen, zonder zich daar enigszins zorgen over te maken; terwijl de lezer dat ziet, voor zover hij de mijne gadeslaat met enige laatdunkendheid of bezorgdheid, haat ik dat en zie het als iets belachelijks en verachtelijks; en het zou me niet onwelgevallig zijn als ik zou weten dat de laatste vernederingen die de wet het lichaam van de ergste misdadigers laat ondergaan, ook het mijne later ten deel zouden vallen. En als bewijs dat het mij ernst is, doe ik het volgende aanbod. Net als andere mensen heb ik mijn eigen ideeën over de plek waar ik begraven wil worden; omdat ik hoofdzakelijk in bergachtige streken heb gewoond, ben ik gehecht aan het idee dat een graf op een begroeid kerkhof te midden van oude en afgelegen heuvels voor een filosoof een uitgelezener en rustigere plek is dan in de vreselijke Golgotha’s van Londen. Maar als de heren van Surgeons’ Hall denken dat het onderzoeken van de afwijkingen in het lijk van een opiumslikker iets aan hun wetenschap kan bijdragen, hoeven ze maar één woord te zeggen en dan zal ik ervoor zorgen dat zij zich van het mijne conform de wet kunnen verzekeren — dat wil zeggen, zo gauw ik ermee klaar ben. Ze moeten niet, op grond van gewetensbezwaren of valse kiesheid en consideratie met mijn gevoelens, aarzelen hun wensen kenbaar te maken; ik bezweer dat ze me een te grote eer bewijzen door "demonstraties te geven" op een zo krankzinnig lijf als het mijne, en het zal me een plezier doen de postume wraak en belediging tegemoet te zien, die wordt aangericht op datgene wat mij in dit leven zoveel ellende heeft bezorgd. Zulke nalatenschappen zijn niet gebruikelijk; in veel gevallen is het aankondigen van het schenken van erfgoed, dat afhankelijk is van de dood van de erflater, inderdaad gevaarlijk. Daarvan vinden we een opmerkelijk voorbeeld bij de gewoonten van een Romeinse heerser, die elke keer wanneer hem door rijke personen meegedeeld werd dat zij hem in hun testament een aardig landgoed vermaakt hadden, bij dergelijke afspraken uitdrukking placht te geven aan zijn tevredenheid daarover en van zijn welwillende aanvaarding van dergelijke van toewijding getuigende nalatenschappen; maar als de erflaters dan verzuimden hem meteen in bezit te stellen van het eigendom, als zij verraderlijk "bleven leven" (si vivere perseverarent, zoals Suetonius dat zei), maakte hem dat razend en nam hij navenant zijn maatregelen. In die tijd en van een van de ergste Caesars, kunnen we een dergelijk gedrag verwachten; maar ik weet zeker dat ik hedentendage bij Engelse artsen niet hoef te letten op tekenen van ongeduld, of andere gevoelens dan die beantwoorden aan de zuivere liefde voor de wetenschap en al haar belangen, die de aanleiding vormt voor mijn aanbod.


30 September 1822


NOTEN

[1] "Nog niet eerder beschreven," zeg ik; want er is tegenwoordig één beroemdheid, die, als alles wat er over hem verteld wordt waar is, mij in kwantiteit ruimschoots heeft overtroffen.

[2] Daar zou misschien nog een derde uitzondering aan toegevoegd kunnen worden; en mijn reden om die uitzondering toch niet toe te voegen is voornamelijk omdat de schrijver op wie ik zinspeel alleen in zijn jeugdwerken uitdrukkelijk filosofische thema’s behandelde; zijn rijpere vermogens heeft hij allemaal gewijd (om zeer vergeeflijke en begrijpelijke redenen, onder invloed van de huidige koers van de publieke opinie in Engeland) aan boekrecensies en de Schone Kunsten. Afgezien van die reden, betwijfel ik echter of hij niet eerder gezien moet worden als een scherpzinnige dan spitsvondige denker. Bovendien is het een groot nadeel voor zijn beheersing van filosofische onderwerpen, dat hij kennelijk niet het voordeel heeft genoten van de gebruikelijke filosofische scholing: hij heeft in zijn jeugd niet Plato gelezen (wat zeer waarschijnlijk alleen maar pech was), maar als volwassene heeft hij ook niet Kant gelezen (en dat is zijn eigen schuld).

[3] Ik wijs elke toespeling op nog levende professoren van de hand; daar ken ik er maar één van.

[4] Overigens wendde ik mij ongeveer achttien maanden later tot diezelfde jood over dezelfde zaak; en omdat ik in die tijd net van een eerbiedwaardige universiteit afkwam, had ik het geluk dat ik hem zover kon krijgen serieuze aandacht aan mijn voorstellen te besteden. Mijn kommer en kwel was niet voortgekomen uit geldverspilling of jeugdige lichtzinnigheid (door mijn gewoonten en de aard van mijn vermaak stond ik daar ver boven), maar gewoon door de wraakzuchtige kwaadaardigheid van mijn voogd die, toen hij merkte dat hij mij niet langer kon verhinderen naar de universiteit te gaan, als een laatste teken van zijn inschikkelijkheid, geweigerd had een papier te tekenen dat mij recht gaf op een shilling extra, naast de toelage die ik van de school kreeg — namelijk 100 pond per jaar. Van dat bedrag viel er in mijn tijd nauwelijks te leven op de universiteit en zeker niet door iemand die, hoewel hij boven de verachtelijke aanstellerij van demonstratieve minachting voor geld stond en geen dure smaak had, echter een beetje teveel op bedienden vertrouwde en geen belangstelling had voor de kleine details van een nauwgezette boekhouding. Ik raakte dus al snel financieel in de problemen en uiteindelijk werd mij, na zeer uitgebreide onderhandelingen met de jood (een deel daarvan zou mijn lezers zeer vermaken, als ik de tijd zou hebben ze te herhalen), het gevraagde bedrag ter beschikking gesteld, onder de "gebruikelijke" voorwaarde dat ik de jood over het hele bedrag zeventieneneenhalf procent rente per jaar zou betalen; van zijn kant zou Israel niet meer dan ongeveer negentig guineas van bovengenoemde bedrag krijgen, volgens een akte van een advocaat (waar dat voor diende, aan wie het werd overgemaakt en wanneer, bij de belegering van Jeruzalem, de bouw van de tweede Tempel, of een eerdere gelegenheid, heb ik tot nu niet kunnen achterhalen). Hoeveel meter die akte lang was ben ik echt vergeten; maar ik bewaar die nog steeds in een rariteitenkabinet, en denk het te zijner tijd aan te bieden aan het Brits Museum.

[5] De postkoets naar Bristol is de best toegeruste in het hele Koninkrijk, dankzij het dubbele voordeel van een goede weg en een door de kooplieden van Bristol gefourneerd extra geldbedrag voor de uitgaven.

[6] Men zal tegenwerpen dat veel mannen van de hoogste rang en rijkdom, zowel in onze tijd als onze hele geschiedenis door, op het slagveld het dapperst de gevaren hebben getrotseerd. Dat is waar, maar daar gaat het hier niet om; lange tijd omgaan met macht heeft daarvan de uitwerking en aantrekkelijkheid gesmoord.

[7] Thomas Otway, was een Engelse schrijver (1652 – 1685), In 1678 kreeg hij, wanhopig door een niet beantwoorde liefde, op voorspraak van de graaf van Plymouth een aanstelling bij een regiment dat in de Nederlanden diende. In 1679 werden de Engelse troepen ontbonden, maar werden aan hun lot overgelaten en moesten zelf maar zien hoe ze Engeland weer bereikten. Aan het eind van dat jaar kwam Otway in Londen aan, haveloos en vervuild en zonder geld op zak. Een voorbijganger gaf hem, toen hij hoorde wie hij was, een guinea, waarmee Otway naar de bakker snelde. Hij schrokte zo haastig het brood naar binnen, dat hij in de eerste hap stikte. Of dat verhaal al dan niet waar is, in ieder geval stierf hij volkomen berooid en werd op 15 april 1685 begraven op het kerkhof van St. Clement Danes.

[8] Φιλον υπνη θελyητρον επικουρον νοσον.

[9] Ηδυ δουλευμα. Euripides, Orestes.

[10] Αναξανδρων ’Αyαμεμνων.

[11] Ομμα θεισ’ ειτω πεπλων. De ontwikkelde lezer zal begrijpen dat deze hele passage verwijst naar de eerste scenes van Orestes; een van de prachtigste weergaven van huiselijke genegenheid, van alle stukken van Euripides. Voor de Engelse lezer moet daaraan toegevoegd worden dat de situatie bij het begin van het stuk over een broer gaat die, alleen bijgestaan door zijn zuster op het moment dat hij, door zijn gekwelde geweten, bezeten is door demonen (of, in de mythologie van het stuk, achtervolgd wordt door Furiën), rechtreeks bedreigd wordt door vijanden en in de steek gelaten is door zijn zogenaamde vrienden.

[12] Vervluchtigd: die manier om van het toneel van het leven te verdwijnen schijnt zeer bekend te zijn geweest in de 17e eeuw, maar in die tijd werd dat beschouwd als een bijzonder voorrecht van mensen van koninklijke bloede, en geenszins bestemd voor drogisten. Want rond het jaar 1686 geeft een dichter met een nogal onheilspellende naam (die daar overigens overvloedig recht aan deed) namelijk, Mr. Flatman, toen hij het over de dood van Karel II had, uiting aan zijn verwondering over het feit dat een vorst zoiets absurds zou doen als doodgaan, omdat, zo zegt hij,

"Koningen zouden doodgaan moeten minachten en alleen verdwijnen.

Zij zouden met de noorderzon moeten vertrekken, naar de andere wereld."

[13] Dat schijnen de geleerden echter de laatste tijd in twijfel te trekken; want in de roofdruk van Buchanan’s Domestic Medicine, die ik ooit in handen zag van een boerin, die dat ten bate van haar gezondheid bestudeerde, wordt een dokter de volgende uitspraak in de mond gelegd — "Let er in het bijzonder vooral op nooit meer dan vijfentwintig ounce (1 ounce is 28 ml) laudanum in één keer te nemen;" waarschijnlijk wordt bedoeld vijfentwintig druppels, wat overeenkomt met ongeveer één grein (60 mg) ruwe opium.

[14] Onder de grote kudde reizigers, e.d., die alleen al door hun domme opmerkingen laten zien dat ze nooit iets met opium te maken hebben gehad, moet ik mijn lezers speciaal waarschuwen voor de briljante schrijver van Anastasius (Thomas Hope 1769 – 1831). Deze man, die zo geestig schrijft dat je geneigd bent aan te nemen dat hij zelf opiumslikker is, heeft het zelf onmogelijk gemaakt hem als zodanig te zien, door de pijnlijk onjuiste voorstelling die hij geeft van de werking op pag. 215-217 van deel I. Bij nadere beschouwing moet dat ook voor de schrijver zelf duidelijk zijn, want afgezien van de hier door mij benadrukte misvattingen, waar hij (en anderen) volledig achter staan, moet hij zelf ongetwijfeld toegeven dat een oude heer "met een sneeuwwitte baard," die "grote hoeveelheden opium" nuttigt en desalniettemin in staat is tot het geven van wat bedoeld en gezien wordt als een belangrijke leidraad over de kwalijke gevolgen van die praktijken, slechts een pover bewijs vormt voor het feit dat mensen of voortijdig doodgaan aan opium, of daardoor in het gekkenhuis belanden. Maar ik heb die oude man en zijn motieven door: in werkelijkheid was hij helemaal weg van "het kleine gouden flaconnetje met dat verderfelijke medicijn" dat Anastasius bij zich droeg; en hij zag geen andere manier om het eenvoudig en veilig in zijn bezit te krijgen dan de eigenaar gek van angst te maken. Deze uitleg werpt een nieuw licht op de zaak en maakt het als verhaal veel beter; want als verhandeling over farmacie is de toespraak van de oude man uitermate onzinnig; maar als grap die hij met Anastasius uithaalt, leest het prachtig.

[15] Ik kan dat op dit moment niet raadplegen; maar ik geloof dat de passage begint met —"En zelfs die kroegmuziek, waar de een vrolijk en de ander gek van wordt, raakt bij mij een zeer vrome snaar," enz.

[16] Een fraaie leeszaal, waarvan ik op doorreis in Manchester van een aantal zeer vriendelijke heren uit die plaats gebruik mocht maken, heet volgens mij The Porch (vert.: de Stoa); waaruit ik, een vreemdeling in Manchester, opmaakte dat de leden zich uitgaven voor volgelingen van Zeno. Maar later begreep ik dat dat een vergissing was.

[17] Ik reken hier vijfentwintig druppels gelijk aan één grein opium, wat volgens mij de gewone omrekening is. Omdat beide echter als veranderlijke maten worden beschouwd, (ruwe opium wisselt zeer in sterkte en de tinctuur nog veel meer) neem ik aan dat een dergelijke berekening nooit helemaal nauwkeurig kan zijn. Theelepels verschillen evenzeer in grootte als opium in sterkte. Kleintjes bevatten ongeveer 100 druppels, zodat 8000 druppels ongeveer tachtig theelepels zijn. De lezer ziet wel hoe goed ik me heb gehouden aan Dr. Buchan’s niet krenterige rantsoen.

[18] Dat is echter geen onontkoombare conclusie; de grote door opium teweeggebrachte verscheidenheid in werking, is oneindig. Een Londense magistraat (Harriott’s Struggles through Life, deel. iii. pag. 391, derde druk) schrijft dat hij voor zijn jicht, de eerste keer hij laudanum probeerde, veertig druppels nam, de daaropvolgende avond zestig en de vijfde avond tachtig, zonder enig effect; en dat op hoge leeftijd. Ik ken echter een voorbeeld van een plattelandsdokter, waarbij het geval van Mr. Harriot in het niet zinkt; en in mijn voorgenomen verhandeling over opium, die ik zal publiceren, op voorwaarde dat het College van Artsen mij zal betalen voor het licht laten schijnen over hun in duisternis gehulde begrip over dat onderwerp, zal ik dat verhaal opnemen; maar het is een veel te goed verhaal om het voor niets te publiceren.

[19] Zie de gangbare verslagen van elke reiziger of ontdekkingsreiziger in het Oosten, over de uitzinnige uitwassen, begaan door Maleiers die opium hadden genomen, of tot wanhoop waren gedreven door verliezen bij het gokken.

[20] De lezer moet goed beseffen wat ik hier met denken bedoel, omdat het anders een zeer pretentieus begrip is. Engeland is de laatste tijd zeer rijk geweest aan een overmaat van scherpzinnige denkers, op het terrein van creatief en associatief denken; maar er is helaas een schaarste aan mannelijke denkers op elk analytisch terrein. Een Schot met een uitstekende reputatie heeft ons onlangs verteld dat hij zich zelfs gedwongen voelde de wiskunde op te geven, uit gebrek aan belangstelling.

[21] William Lithgow. Zijn boek (Travels, &c.) is slecht en betweterig geschreven; maar zijn beschrijving van zijn eigen martelingen op de pijnbank in Malaga is overweldigend aangrijpend.

[22] Hiermee wil ik zeggen ten nadele van afzonderlijke huizen, zoals de lezer zal begrijpen als ik hem vertel dat ik, met uitzondering van een of twee vorstelijke herenhuizen en een paar kleinere die bedekt zijn met Romeins pleisterwerk, geen enkel huis ken in deze bergachtige streek dat helemaal waterdicht is. Ik vlei mij ermee dat de architectuur van boeken in dit land geleid wordt door juiste principes; maar wat elke andere architectuur betreft verkeert het in een barbaarse staat en wat nog erger is, in een staat van verval.

[22] Aan die laatste opmerking zou ik nog willen toevoegen dat het bij mij te snel ging en de ellende daardoor nodeloos verergerd werd; of misschien was het eerder niet consequent genoeg en onvoldoende gelijkmatig verdeeld. Maar dat moet de lezer zelf beoordelen en vooral om de Opiumslikker, die van plan is ermee op te houden, allerhande informatie te verstrekken, voeg ik hieronder mijn dagboek toe:—


Dagboek - deel 1




















Dagboek - deel 2


De lezer zal zich misschien afvragen wat die plotselinge minderingen tot 300, 350, enz., druppels betekenen. De drijfveer achter deze minderingen was louter twijfel aan het doel; het motief, als er al een motief aan ten grondslag lag, was of het principe van "reculer pour mieux sauter;" (want bij de futloosheid na een grote dosis, die een dag of twee aanhield, had de maag, die bij het weer bijkomen aan dat nieuwe rantsoen gewend bleek te zijn, voldoende aan een kleinere hoeveelheid); of anders was het het principe van dat als twee kwellingen verder gelijk zijn, degene het best verdragen wordt die stuit op een boze gemoedstoestand.



* * *

Naar boven