Home

DE ANDERE KANT VAN DE HEG

door

E.M. Forster (1879-1970)

1911

Portret E.M. Forster



Inleiding bij deze vertaling:

E.M. Forster is vooral bekend door zijn verfilmde boeken, A Passage to India en A Room with a View. Daarnaast schreef hij korte verhalen en naast The Machine Stops, destijds een science fictionverhaal waarin mensen vrijwel uitsluitend via tabletachtige apparaten met elkaar communiceren en tegenwoordig dus bewaarheid geworden, is onderstaand verhaal zonder twijfel het meest besproken. Het vertoont nogal wat paralellen met Plato’s Allegorie van de Grot. Aan de ene kant van de heg de ‘mensen van de weg’ die altijd onderweg zijn, altijd ergens naartoe gaan, hoewel ze in feite geen echt doel hebben, en dat vooruitgang noemen, ‘wetenschap en wedijver — dat zijn de krachten die van ons hebben gemaakt wat we zijn,’ en aan de andere kant mensen die leven in een dolce far niente en mededogen hebben met de zinloos ploeterende ‘mensen van de weg.’ Veelbetekenend is de uitspraak van iemand die ‘de weg’ verlaten heeft, aan de andere kant terecht is gekomen en wanhopig wordt van de het paradijslijk leven daar: ‘geef mij maar het leven, met zijn strijd en overwinningen, met zijn mislukkingen en haatgevoelens, met zijn diepzinnige morele betekenis en onbekende doel!’ De kerkvader Tertullianus wordt de uitspraak toegeschreven: ‘ik ben van mening dat het Koninkrijk Gods er moet komen, maar dan wel ná mijn tijd.’ Voor al die mensen die hun identiteit ontlenen aan hun werk, status, bezit, kennis of macht, kortom aan wat ze denken en doen, moet een rechtvaardige wereld, een wereld van vrijheid, gelijkheid en broederschap, een aards paradijs, een gruwel zijn. De ideale wereld van de dominee zit vol gelovigen, van de machthebber: vol onderdanige burgers, van de ouder: alleen maar gehoorzame kinderen, van de fabrikant: vol kritiekloze consumenten, van de sadist: vol masochisten, van de onzekere: vol mensen die hem schouderklopjes geven, enzovoort. Niemand is gelukkig, niemand is tevreden, niemand kent zichzelf, dus wees niemand!

DE ANDERE KANT VAN DE HEG

Mijn stappenteller gaf vijfentwintig aan en hoewel niet doorlopen iets afschuwelijks was, was ik zo moe dat ik op een kilometerpaaltje ging zitten om uit te rusten. Met hatelijke opmerkingen liepen de mensen me voorbij, maar ik was te uitgeput om me daardoor geraakt te voelen en zelfs toen juffrouw Eliza Dimbleby, de grote opvoedkundige, voorbij snelde en me aanspoorde vol te houden, kon ik alleen maar glimlachen en mijn hoed optillen.
Eerst dacht ik dat het mij net zo zou vergaan als mijn broer, die ik een jaar of twee geleden voorbij de bocht aan de kant van de weg had moeten achterlaten. Hij had zijn adem verspild met zingen en zijn kracht met anderen te helpen. Zelf had ik mijn reis verstandiger ingedeeld en nu was het alleen de eentonigheid van de weg die mij benauwde — stof onder mijn voeten en bruine, ritselende heggen aan weerszijden, zo lang ik mij kon herinneren.
En ik had al meerdere dingen achtergelaten — de weg achter mij was bezaaid met de dingen die wij hadden laten vallen en waarop het witte stof was neergedaald zodat het haast stenen leken. Mijn spieren waren zo vermoeid dat ik niet eens de last kon verdragen van de dingen die ik nog met mij meedroeg. Ik gleed van het kilometerpaaltje op de weg en bleef daar languit liggen, met mijn gezicht naar de hoge, verdorde heg en ik hoopte dat ik het op zou durven geven.
Door een zuchtje wind kwam ik weer wat tot leven. Het leek vanaf de heg te komen en toen ik mijn ogen opende, zag ik door de wirwar van takken en dode bladeren heen een lichtschijnsel. De heg kon niet zo dik zijn als gewoonlijk. In mijn verzwakte en ziekelijke toestand, kreeg ik zin om me er doorheen te worstelen en te zien wat er aan de andere kant was. Er was geen mens te zien, want anders zou ik het niet hebben gedurfd. Wij van de weg zullen immers onderling nooit toegeven dat er een andere kant bestaat.
Ik zwichtte voor de verleiding en zei tegen mezelf dat ik over een minuut weer terug zou zijn. De doorns schramden mijn gezicht en ik moest mijn armen als schild gebruiken, zodat ik uitsluitend op mijn voeten aangewezen was om mij er doorheen te worstelen. Toen ik halverwege was, wilde ik teruggaan, want alle dingen die ik bij me droeg werden van mij afgerukt en mijn kleren scheurden. Maar ik zat zo klem dat teruggaan onmogelijk was en ik mij er blindelings doorheen moest wringen Elk ogenblik verwachtte ik dat de krachten mij zouden begeven en ik in het struikgewas zou omkomen.
Plotseling werd mijn hoofd omgeven door koud water en had ik het gevoel dat ik voorgoed weg zou zinken. Ik was vanuit de heg in een diepe poel gevallen. Ten slotte steeg ik weer omhoog naar de oppervlakte en riep om hulp. Aan de overkant hoorde ik iemand lachen en zeggen, “alweer een!” En toen werd ik uit het water getrokken en hijgend op het droge gelegd.
Zelfs toen het water al uit mijn ogen was, was ik nog steeds duizelig, want ik was nog nooit in zo’n grote ruimte geweest en had nog nooit zulk gras gezien en de zon zo zien schijnen. De blauwe hemel was niet langer een streep en de aarde daaronder had zich tot indrukwekkende heuvels verheven — gladde, kale heuvels, met beukebomen in hun dalen en grasvelden en heldere vijvers aan hun voet. Maar de heuvels waren niet hoog en het landschap vertoonde sporen van menselijke aanwezigheid, zodat je het een park of een tuin had kunnen noemen, maar die woorden hielden iets alledaags en beperkts in.
Zodra ik op adem was gekomen, wendde ik mij tot mijn redder en vroeg:
“Waar gaat dit hier naartoe?”
“Godzijdank nergens heen!” zei hij lachend. Hij was een man van vijftig of zestig jaar — net die leeftijd die wij onderweg wantrouwen — maar er sprak geen bezorgdheid uit zijn manier van doen en zijn stem was die van een jongen van achttien.
“Maar het moet toch ergens heen leiden!” riep ik, te verbaasd over zijn antwoord om hem voor mijn redding te kunnen bedanken.
“Hij wil weten waar het heen leidt!” riep hij naar enige mensen op de heuvel en ze lachten terug en zwaaiden met hun pet.
Toen viel mij op dat de poel waarin ik was gevallen, in werkelijkheid een gracht was, die naar links en rechts afboog en waarlangs de heg onafgebroken verder liep. Aan deze kant was de heg helemaal groen — in het heldere water waren de wortels ervan te zien en er zwommen vissen tussendoor — en was doorvlochten met wilde roos en bosrank. Maar het vormde een barrière en even verloor ik alle genoegen in het gras, de hemel, de bomen en de vrolijke mannen en vrouwen toen ik besefte dat het land met al zijn schoonheid en uitgestrektheid slechts een gevangenis was.
We liepen weg van de omheining en volgden een pad door de weilanden dat daar vrijwel evenwijdig aan liep. Het lopen viel mij moeilijk, want ik probeerde steeds mijn metgezel achter mij te laten, maar dat had geen zin omdat de weg toch nergens heen leidde. Sinds ik mijn broer had achtergelaten had ik nooit meer met iemand gelijke tred gehouden.
Hij vond het vermakelijk toen ik plotseling bleef staan en wanhopig zei, “dit is gewoonweg vreselijk. Je komt hier niet verder, je kunt niet vooruit. Maar wij van de weg...”
“Ja. Ik weet het.”
“Ik wilde zeggen, wij boeken voortdurend vooruitgang.”
“Ik weet het.”
“Wij leren doorlopend bij, wij ontplooien en ontwikkelen ons steeds verder. Heus, zelfs in mijn korte leven heb ik heel wat vooruitgang gezien — de Transvaalse oorlog, de belastingkwestie, de leer van de genezing door het geloof (vert.: Christian Science), radium. Dit bijvoorbeeld...”
Ik haalde mijn stappenteller te voorschijn, maar die stond nog steeds op vijfentwintig, geen streep verder.
“O, hij is stil blijven staan! Ik wilde u iets laten zien. Hij had de hele tijd die ik met u gelopen heb moeten registreren. Maar hij is op vijfentwintig blijven staan.”
“Er zijn veel dingen die hier niet werken,” zei hij. “Op een dag bracht iemand een Lee-Metfield-geweer mee en dat werkte ook niet.”
“De natuurwetten zijn universeel geldig. Het mechaniek is vast beschadigd door het water van de gracht. Onder normale omstandigheden werkt alles. Wetenschap en wedijver — dat zijn de krachten die van ons hebben gemaakt wat we zijn.”
Ik moest ophouden met praten om de opgewekte groeten te beantwoorden van mensen die we onderweg tegenkwamen. Sommige van hen zongen, anderen praatten en weer anderen waren bezig met tuinieren, hooien en andere eenvoudige werkzaamheden. Ze zagen er allemaal gelukkig uit en zelf zou ik misschien ook gelukkig zijn geweest, als ik had kunnen vergeten dat alle wegen daar nergens naartoe leidden.
Ik schrok van een jongeman die in volle vaart ons pad overstak, op een sierlijke manier over een hek sprong, over een omgeploegde akker rende en in een vijver dook die hij begon over te zwemmen. Dit was echte lichaamskracht en ik riep uit, “een veldloop! waar zijn de anderen?”
“Er zijn geen anderen,” antwoordde mijn metgezel en later, toen we een weiland voorbijliepen, klonk vanuit het hoge gras de stem van een meisje dat prachtig zomaar voor zichzelf zong en herhaalde hij, “er zijn geen anderen.” Ik was verbijsterd over een dergelijke productieverspilling en mompelde binnensmonds, “wat betekent dit allemaal?”
Hij zei, “het betekent op zich niets” — en hij herhaalde de woorden langzaam alsof ik een kind was.
“Ik begrijp het,” zei ik rustig, “maar ik ben het er niet mee eens. Iedere prestatie is waardeloos tenzij het een schakel is in de keten der ontwikkeling. En ik mag niet langer misbruik maken van uw vriendelijkheid. Ik moet op een of andere manier terug proberen te komen naar de weg en mijn stappenteller laten repareren.”
“Je moet eerst de poorten zien,” antwoordde hij, “want we hebben hier poorten hoewel wij er zelf nooit gebruik van maken.”
Ik stemde voorkomend in en het duurde niet lang of we kwamen weer bij de gracht, op een punt waar die werd overspannen door een brug. Aan de overkant van de brug was een grote poort, zo wit als elpenbeen, aangebracht in een opening in de omheinende heg. De poort ging naar buiten open en ik slaakte een kreet van verbazing, want buiten de poort liep een weg — precies eenzelfde weg als die ik verlaten had — stoffig, met bruine ritselende heggen aan weerszijden, zo ver het oog reikte.
“Dat is mijn weg!” riep ik.
Hij deed de poort dicht en zei, “maar niet jouw gedeelte van de weg. Talloze eeuwen geleden, toen ze voor het eerst werd gegrepen door het verlangen om te trekken, is de mensheid door deze poort naar buiten gegaan.”
Ik was het daar niet mee eens en merkte op dat het gedeelte van de weg dat ik had verlaten ongeveer drie kilometer verderop was. Maar met de koppigheid van zijn leeftijd herhaalde hij, “het is dezelfde weg. Dit is het begin en hoewel hij recht voor ons uit lijkt te lopen, splitst hij zich zo vaak dat hij nooit ver van onze grens is en die nu en dan raakt.” Hij bukte bij de gracht en tekende in de vochtige wallekant een onzinnige figuur, die op een doolhof leek. Toen we door de weilanden terugliepen, probeerde ik hem ervan te overtuigen dat hij zich vergiste.
“Er zullen vast splitsingen in de weg voorkomen, maar dat hoort bij ons systeem. Wie zou kunnen betwijfelen dat de algemene richting vooruit is? Wat het einddoel is weten we niet — misschien een berg waar we de hemel kunnen aanraken, misschien over een steile afgrond de zee in. Maar dat er vooruitgang is — wie zou daaraan kunnen twijfelen? Die gedachte spoort ons aan om uit te munten, ieder op zijn eigen manier en geeft ons een drijfveer die u mist. Neem de man die ons voorbij rende — het is waar dat hij hard liep, hoog sprong en goed zwom; maar wij hebben mannen die harder kunnen lopen, mannen die hoger kunnen springen en die beter kunnen zwemmen. Specialisatie heeft resultaten opgeleverd die u zouden verbazen. Hetzelfde geldt voor dat meisje...”
Hier onderbrak ik mijzelf met de uitroep, “goeie genade! ik zou kunnen zweren dat daarginds juffrouw Eliza Dimbleby zit, met haar voeten in de bron!”
Hij dacht dat het inderdaad zo was.
“Onmogelijk! Ik heb haar op de weg achtergelaten en ze moet vanavond les geven in Tunbridge Wells. Haar trein vertrekt van het station in de Cannon Street om — natuurlijk staat mijn horloge net als al het andere ook al stil. Zij is de laatste die hier zou kunnen zijn.”
“Mensen zijn altijd verbaasd als ze elkaar ontmoeten. Elk moment komen er allerlei soorten mensen door de heg — als ze voor liggen in de wedloop, als ze achter liggen en als ze voor dood zijn achtergelaten. Vaak sta ik bij de grens naar de geluiden van de weg te luisteren — je kent ze wel — en dan vraag ik me af of er iemand zal afslaan. Het is mij een groot genoegen iemand uit de gracht te helpen, zoals ik jou er uit geholpen heb. Want ons land vult zich maar langzaam, hoewel het voor alle mensen bedoeld was.”
“De mensheid heeft andere doelen,” zei ik vriendelijk, want ik dacht dat hij het goed bedoelde, “en ik moet naar hen toe.” Ik wenste hem goedenavond, want de zon daalde en ik wilde vóór het vallen van de avond weer op de weg zijn. Tot mijn schrik greep hij mij vast en riep, “je gaat nog niet weg!” Ik probeerde hem af te schudden, want we hadden geen gemeenschappelijke belangen en zijn hoffelijkheid begon mij te vervelen. Maar ondanks mijn inspanningen wilde de vervelende oude man me niet laten gaan en omdat worstelen niet mijn specialiteit is, was ik wel genoodzaakt hem te volgen.
Zonder twijfel zou ik in mijn eentje nooit de plek kunnen vinden waar ik binnen was gekomen en ik hoopte dat hij me, als ik de andere bezienswaardigheden had gezien waar hij zich druk over maakte, daar naartoe terug zou brengen. Maar ik was vastbesloten niet in dit land de nacht door te brengen, want ik vertrouwde het niet en, ondanks hun vriendelijkheid, de mensen ook niet. Hoe hongerig ik ook was, ik nam niet deel aan hun avondmaal van melk en vruchten en toen ze me bloemen gaven, gooide ik die weg zodra ik dat ongemerkt kon doen. Ze begonnen zich al als vee voor de nacht te ruste te leggen — sommigen buiten op de kale helling van de heuvel en anderen in groepjes onder de beukenbomen. In het licht van een oranje zonsondergang haastte ik me, samen met mijn ongenode gids, doodmoe en flauw van de honger voort, maar onbedwingbaar mompelde ik, “geef mij maar het leven, met zijn strijd en overwinningen, met zijn mislukkingen en haatgevoelens, met zijn diepzinnige morele betekenis en onbekende doel!”
Ten slotte kwamen we op een plek waar de omringende gracht door een andere brug werd overspannen en de scheidslijn van de omheinende heg door een andere poort werd onderbroken. Deze was anders dan de eerste poort, want ze was half doorzichtig als hoorn en ging naar binnen toe open. Mar er doorheen zag ik, in het afnemende licht, opnieuw precies dezelfde weg als ik had verlaten — eentonig en stoffig, met bruine ritselende heggen aan weerszijden, zover als het oog reikte.
Ik had het gevoel alsof ik bij die aanblik, die mij vreemd te moede maakte, mijn zelfbeheersing helemaal verloor. Een man die voor de nacht terugliep naar de heuvels, passeerde ons met een zeis over zijn schouder en een kruik met een of andere vloeistof in zijn hand. Ik vergat de bestemming van de mensheid. Ik vergat de weg die zich voor mijn ogen uitstrekte en sprong op hem toe, rukte de kruik uit zijn hand en begon te drinken.
Het was niet sterker dan bier, maar in mijn uitgeputte toestand overweldigde het me meteen. Als in een droom zag ik de oude man de poort sluiten en hoorde hem zeggen, “hier eindigt jouw weg en door deze poort zal de mensheid — alles wat er nog van over is — bij ons binnen komen.”
Hoewel mijn zintuigen weg begonnen te zinken in vergetelheid, leek het alsof ze, voordat het zover was, nog even krachtiger werden. Ze namen het betoverende gezang waar van de nachtegalen, de geur van onzichtbaar hooi en de sterren die de vervagende hemel doorpriemden. De man die ik het bier had ontstolen legde me behoedzaam neer om mijn roes uit te slapen en toen hij dat deed zag ik dat het mijn broer was.

Naar boven