Home

De Brug van San Luis Rey

Thornton Wilder

1928

WERELDBIBLIOTHEEK-VERENIGING 1951


INLEIDING:

Met dit kleine boekje won Wilder in 1928 de Pulitzer Prize. Eigenlijk staat de essentie van het verhaal in de, hieronder geciteerde, inleiding en het laatste hoofdstuk en is het vrij langdradige middenstuk verwaarloosbaar. De hoofdpersoon, Broeder Juniper, ziet hoe een hangbrug breekt en vijf reizigers in de afgrond storten, en komt op het geniale idee om te onderzoeken hoe het lot van die “slachtoffers” deel uitmaakt, of een onontkoombare slotconclusie is van hun voorafgaande leven. “Waarom gebeurde dit juist met deze vijf?” Indien er ook maar enig systeem in het heelal, indien er ook maar enige lijn in een mensenleven bestond, dan zou deze zeker, geheimzinnig verborgen, ontdekt kunnen worden in deze levens, die zo plotseling afgesneden waren. Of wij leven door een toeval en sterven door een toeval, òf wij leven volgens een plan en sterven volgens een plan.” Waarom waren het net die vijf, waarom “besloot”iemand anders, die dag maar thuis te blijven, waarom ging hij iets later van huis, zodat de brug al ingestort was voordat hij die bereikt had? Waarom “besluit” iemand een dag later het vliegtuig te nemen, waardoor hij niet in het neergestorte toestel zat? Toeval zeggen mensen dan, pech, speling van het lot, of dat je daar toch nooit antwoord op krijgt. Wat is het magische plan waarin dader en slachtoffer elkaar onontkoombaar ontmoeten? Waarom wordt het ene gezin getroffen door de ene rampspoed na de andere, terwijl een ander gezin gespaard blijft? Heeft het l’histoire se repète een betekenis, is dat alleen maar toeval, of zit het in de genen, zoals de wetenschap ons laat geloven? Als alles met alles samenhangt, waar zelfs de wetenschap er inmiddels achter is, en daartoe de stringtheorie heeft bedacht op weg naar de Theory of Everything, die alwetendheid zal opleveren, als wij allemaal gevangen zitten in één groot web van afhankelijkheid, binnen gezinnen, families, steden, landen, werelddelen en uiteindelijk de hele wereld, moet elke verstoring in het web zich tot alle uithoeken van het web uitbreiden, is iedereen mens medeverantwoordelijk voor alles wat binnen dat web gebeurt. Als wij allemaal radertjes zijn in een, door de mens zelf gecreëerd, mechaniek, is ieder mens medeverantwoordelijk voor het blijven draaien van het mechaniek, voor elke kindertraan, voor elke zieke, voor elke oorlog, voor elk ongeval. Wie dat durft te beweren, krijgt meteen het verwijt naar het hoofd geslingerd dat hij beschuldigt, dat hij durft te zeggen dat mensen het zichzelf allemaal aandoen, maar verantoordelijkheid is iets heel anders dan schuld. Schuld heeft te maken met “willens en wetens” en waar het om gaat is onwetendheid en geloven in autoriteiten.
De vraag van Broeder Juniper, de vraag naar het waartoe, is hét grote taboe in deze wereld. Dat iemand medeverantwoordelijk is voor zijn eigen leven en wat daar allemaal in gebeurt, dat ieder mens daar medeverantwoordelijk voor is, dat in wezen dus iedereen (behalve de kleine kinderen) vuile handen heeft, is iets waar niemand aan wil, dat mag niet waar zijn, dus het is niet waar.
Broeder Juniper moest het met de dood bekopen, anderen worden doodgezwegen.
 

Misschien is het toeval 

Op Vrijdag, de 20e Juli 1714, 's middags om 12 uur, brak mooiste brug van heel Peru doormidden en vijf reizigers werden in de afgrond daarbeneden geslingerd. Deze brug bevond zich op de grote weg tussen Lima en Cuzco, en honderden mensen gingen er dagelijks overheen. Meer dan een eeuw hadden de Inca's haar van tenen gevlochten en bezoekers van de stad werden altijd mee naar buiten genomen om haar te zien. Het was niet meer dan een ladder van dunne latten, die was opgehangen over de bergkloof, met leuningen van gedroogde wingerd. Paarden en wagens en draagstoelen moesten honderden voeten afdalen en met vlotten de smalle bergstroom oversteken, maar niemand, niet de Onderkoning, noch zelfs de Aartsbisschop van Lima had er ooit de voorkeur aan gegeven met de bagage af te dalen in plaats van de beroemde brug van San Luis Rey over te gaan. De Heilige Lodewijk van Frankrijk zelf beschermde haar door zijn naam en door het kleine lemen kerkje aan de overzijde. De brug scheen tot die dingen te behoren, die eeuwig zullen bestaan; het was ondenkbaar, dat zij kon bezwijken. Op het ogenblik, dat een Peruaan van het ongeluk hoorde, sloeg hij een kruis en maakte in gedachte een berekening hoe kort geleden nog hij er over gegaan was en hoe spoedig hij van plan was geweest er weer over te gaan. De mensen liepen als wezenloos rond, in zichzelf mompelend; in hun verbeelding zagen zij zichzelf in een afgrond vallen. 

Er werd een grote dienst in de Kathedraal gehouden. De lichamen van de slachtoffers werden zoveel mogelijk bijeengezocht en van elkander gescheiden en er waren velen in de mooie stad Lima, die zich aan een nauwkeurig zelfonderzoek onderwierpen. Dienstmeisjes gaven de armbanden terug, die zij van haar meesteressen gestolen hadden, en woekeraars hielden heftige betogen tot hun vrouwen ter verdediging van hun praktijken. Toch was het tamelijk vreemd, dat deze gebeurtenis op de bewoners van Lima zo'n geweldige indruk maakte, want in dat land kwamen deze rampen, die schriftgeleerden op ergerlijke wijze “daden van God” plachten te noemen, meer dan veelvuldig voor. Vloedgolven spoelden voortdurend hele steden weg; aardbevingen kwamen elke week voor en er stortten telkens torens neer op brave mannen en vrouwen. Ziekten kwamen en gingen onophoudelijk door de provincies en door hoge ouderdom werden enigen van de meest geziene burgers ten grave gesleept. Daarom juist was het zo wonderlijk, dat de Peruanen zo bijzonder getroffen zouden zijn door het instorten van de brug van San Luis Rey. 

Iedereen was diep onder de indruk, maar slechts één enkele trad handelend op en dat was Broeder Juniper. Door een opeenvolging van toevalligheden zó buitengewoon, dat men bijna het bestaan van een of andere Voorbeschikking zou vermoeden, was deze kleine roodharige Franciscaan uit Noord-Italië juist in Peru om de Indianen te bekeren, en was hij ook juist getuige van het ongeluk. 

Het was gloeiend warm, die noodlottige middag, en toen Broeder Juniper om de bocht van een heuvel kwam, stond hij stil om zijn voorhoofd af te vegen en naar de besneeuwde toppen te staren, die het landschap in de verte afsloten; daarna liet hij zijn blik rusten op de bergkloof onder hem, die gevuld was met de donkere wuiving van groene bomen en groene vogels en waarover de tenen ladder gespannen was. Er was vreugde in hem; het ging niet slecht. Hij had verscheidene verlaten kerkjes heropend en de Indianen kropen naar binnen voor de Vroegmis en op het ogenblik van hoogste wijding steunden zij alsof hun hart zou breken. Misschien was het de zuivere lucht van de sneeuwvelden vóór hem; misschien was het de herinnering aan een gedicht, dat voor een ogenblik door zijn hoofd flitste, dat hem dwong zijn ogen naar de vredige heuvels op te slaan. Hoe het ook zij, hij voelde zich tevreden. Toen viel zijn blik op de brug, en op dat ogenblik werd de lucht vervuld van een doordringend geluid, alsof de snaar van een of ander muziekinstrument in een ongebruikte kamer springt en zag hij de brug splijten terwijl vijf heftig bewegende mieren in de afgrond werden geslingerd. 

Ieder ander zou in stille vreugde tot zichzelf gezegd hebben: “Binnen tien minuten zou ikzelf .... !”
Maar het was een heel andere gedachte die bij Broeder Juniper opkwam: “Waarom gebeurde dit juist met deze vijf?” Indien er ook maar enig systeem in het heelal, indien er ook maar enige lijn in een mensenleven bestond, dan zou deze zeker, geheimzinnig verborgen, ontdekt kunnen worden in deze levens, die zo plotseling afgesneden waren. Of wij leven door een toeval en sterven door een toeval, òf wij leven volgens een plan en sterven volgens een plan. En op dat ogenblik besloot Broeder Juniper een onderzoek in te stellen naar het innerlijke leven van deze vijf personen, die juist toen door de lucht vlogen, en de reden van hun heengaan op te sporen.
 

Het scheen Broeder Juniper toe, dat het voor de theologie hoog tijd werd haar plaats onder de exacte wetenschappen in te nemen en hij was reeds lange tijd van plan geweest haar daar te plaatsen. Wat hij tot nu toe gemist had, was een laboratorium. O, er was nooit gebrek geweest aan proefmateriaal; wel bijna elk van hen, die aan zijn zorg waren toevertrouwd, was met een of ander onheil in aanraking gekomen;...... zij waren door spinnen gestoken; hun longen waren aangedaan; hun huizen waren afgebrand en er waren dingen met hun kinderen gebeurd, die men maar liever uit zijn gedachten bant. Maar deze oorzaken van menselijke ellende waren nooit helemaal geschikt geweest voor wetenschappelijk onderzoek. Zij misten wat onze brave geleerden later objectieve beoordeling zouden noemen. Het ongeluk was bijvoorbeeld het gevolg geweest van een menselijke vergissing of er was een grond van waarschijnlijkheid aanwezig geweest. Maar deze instorting van de brug van San Luis Rey was een zuivere Daad van God. Dit leverde een volmaakte bron van onderzoek op. Hier eindelijk kon men Zijn bedoelingen volkomen zuiver nagaan. 

Gij en ik kunnen begrijpen, dat wanneer dit plan bij een ander dan juist bij broeder Juniper was opgekomen, het de vrucht van een volmaakt scepticisme zou geweest zijn. Het leek op depoging van die aanmatigende zielen, die de Hemelse paden wilden bewandelen en de Toren van Babel bouwden om er te komen. Maar voor onze Franciscaan bestond er geen zweem van twijfel in deze proef. Hij wist het antwoord. Hij wilde het alleen maar zijn bekeerlingen historisch en wiskundig bewijzen,...... arme, stijfhoofdige bekeerlingen, die zo moeilijk te overtuigen waren, dat hun lijden hun was opgelegd tot hun eigen bestwil. De mensen vroegen steeds naar deugdelijke bewijzen; telkens en telkens ontstaat er twijfel in het menselijk hart, zelfs in die landen waar de Inquisitie iemands geheimste gedachten in zijn ogen kan lezen. 

Dit was niet de eerste maal, dat Broeder Juniper getracht had zijn toevlucht tot zulke methoden te nemen. Gedurende de lange tochten, die hij maken moest (terwijl hij zich van parochie naar parochie spoedde met zijn toga opgebonden boven zijn knieën, om sneller vooruit te komen) verviel hij vaak in overpeinzingen omtrent proeven, die de handelingen van God tegenover de mensen zouden rechtvaardigen; bijvoorbeeld, een volledig overzicht van de Gebeden voor Regen en hun gevolgen. Vaak had hij op de drempel van een van zijn kerkjes gestaan, terwijl zijn gemeente vóór hem op de gloeiend hete straat knielde. Vaak had hij zijn armen naar de hemel uitgestrekt en het prachtig ritueel uitgesproken. Niet vaak, maar enkele keren had hij gevoeld hoe de goddelijke kracht hem doordrong en had hij gezien hoe een kleine wolk aan de horizon ontstond. Maar heel vaak gingen er weken voorbij......maar waarom zou hij daaraan denken? Hij trachtte toch niet zichzèlf te overtuigen, dat regen en droogte wijselijk verdeeld waren. 

Zodoende kwam op het ogenblik van de ramp het besluit bij hem op. Het dreef hem ertoe zes jaar lang zich bezig te houden met aan alle deuren in Lima aan te kloppen, duizenden vragen te stellen, tal van aantekenboeken te vullen, in zijn poging om vast te stellen, dat elk van de vijf verloren gegane levens een volmaakt geheel vormde. Iedereen wist, dat hij aan een soort gedenkschrift van het ongeluk werkte, en iedereen was zeer behulpzaam en misleidend. Enkelen zelfs wisten het eigenlijke doel van zijn werkzaamheid en hij had beschermheren in aanzienlijke kringen. 

Het resultaat van al deze ijver was een enorm boek, dat, zoals wij later zullen zien, op een prachtige Lentemorgen in het openbaar verbrand werd op het grote plein. Maar er was een geheim afschrift en na een groot aantal jaren en zonder zeer de aandacht te trekken, vond het zijn weg naar de Universiteits-bibliotheek van San Martin. Daar ligt het tussen twee grote houten deksels in een kast stof te verzamelen. Het behandelt het ene slachtoffer van het ongeluk na het andere, duizenden kleine feiten en gebeurtenissen en bewijzen rangschikkend, en het eindigt met een verheven passage, waarin beschreven wordt wáárom God juist die personen en die dag had uitgekozen om Zijn wijsheid te demonstreren. 

Toch heeft Broeder Juniper niettegenstaande al zijn ijver nooit de innerlijke hartstocht van Doña Maria's leven geweten; noch van Oom Pio, zelfs niet van Esteban. En ik, die er aanspraak op maak zoveel meer te weten, is het niet mogelijk, dat zelfs ik de allerinnerlijkste drijfveer gemist heb? 

Sommigen zeggen, dat wij nooit zullen weten, en dat wij voor de goden zijn als de vliegen, die jongens op een zomerdag doden, en anderen daarentegen zeggen, dat zelfs de mussen geen veertje verliezen, dat niet door de vinger Gods weggestreken is.
……………………………..
 

Misschien een bedoeling 

Een nieuwe brug van steen is in de plaats van de oude gebouwd, maar het ongeval is niet vergeten. Het is in spreekwoordelijke uitdrukkingen overgegaan. “Misschien zie ik je Dinsdag,” zei de Limanees, “tenzij de brug instort.” “Mijn neef woont bij de brug van San Luis Rey,” zegt een ander, en het gezelschap glimlacht, want dat betekent ook: onder het zwaard van Damocles. Er zijn enkele gedichten over het ongeval, klassieken die in elke Peruaanse bloemlezing te vinden zijn, maar het eigenlijke letterkundige gedenkteken is Broeder Juniper's boek. 

Er zijn honderden manieren om zich over de omstandigheden te verwonderen. Broeder Juniper zou nooit tot zijn methode zijn gekomen, zonder zijn vriendschap met een zekere leraar aan de Universiteit van San Martin. De vrouw van deze geleerde was er op een morgen met een soldaat vandoor gegaan op een boot naar Spanje en had hem de zorg voor twee wiegenkinderen overgelaten. Hij was vervuld van alle verbitterdheid die Broeder Juniper miste en putte een soort vreugde uit de overtuiging dat alles verkeerd was in de wereld. Hij fluisterde de Franciscaan gedachten en gebeurtenissen in het oor die de opvatting van een geleide wereld logenstraften. Voor een ogenblik kwam dan een blik van smart, bijna van verslagenheid, in de ogen van de Broeder; daarna begon hij geduldig uit te leggen waarom zulke verhalen voor een gelovige geen moeilijkheden bevatten. “Er was een koningin van Napels en Sicilië,” zei de leraar, “die ontdekte dat zij een kwaadaardig gezwel in haar zijde had. In grote ontsteltenis beval zij haar onderdanen te gaan bidden en gelastte zij, dat op alle kledingstukken in Sicilië en Napels votief-kruisen moesten worden genaaid. Zij was bij haar volk zeer geliefd en al hun gebeden en borduurwerken waren oprecht, maar ondoeltreffend. Nu ligt zij in de luister van Monreale, en enkele duimen boven haar hart zijn de woorden te lezen: Ik zal geen onheil vrezen.” 

Door voortdurend een groot aantal van zulke schimpscheuten op het geloof aan te horen, werd Broeder Juniper overtuigd, dat voor de wereld de tijd gekomen was voor een bewijs, een systematisch bewijs van de overtuiging, die zo klaar en blij binnen in hem was. Toen de pest zijn dierbaar dorp Puerto bezocht en een groot aantal boeren wegsleepte, stelde hij heimelijk een diagram op van de kenmerken van vijftien slachtoffers en vijftien overlevenden, statistieken van hun waarde, sub specie aeternitatis. Elke ziel was gewaardeerd op een basis van tien wat betreft haar goedheid, haar ijver in het beoefenen van de godsdienstige plichten en haar belangrijkheid voor haar familiegroep. Hier is een fragment van deze interessante tabel:

Goedheid

Vroomheid

Nuttigheid

Alfonso G.

  4

   4

 10

Nina

  2

   5

 10

Manuel B.

10

 10

   0

Alfonso V.

 -8

-10

 10

Vera N.

  0

 10

 10

De zaak was moeilijker dan hij had voorzien. Bijna elke ziel bleek in een nooddruftige grensgemeenschap economisch onmisbaar te zijn, en de derde kolom was zo goed als nutteloos. De onderzoeker werd genoodzaakt minus-termen te gebruiken wanneer hij het persoonlijk karakter van Alfonso V., die niet, zoals Vera N., alleen maar slecht was, uiteenrafelde: hij was een propagandist voor slechtheid en vermeed niet alleen de kerk, doch bracht anderen ertoe ze te vermijden. Vera N. was inderdaad slecht, maar ze was een modelkerkgangster en de steunpilaar van een volle hut. Uit al deze bedroevende feiten stelde Broeder Juniper een index samen voor iedere boer. Hij telde het totaal van de slachtoffers op en vergeleek het met het totaal van de overlevenden, om te ontdekken dat de doden vijf maal meer waard waren geweest om gespaard te worden. Het zag er bijna uit alsof de pest tegen de waarlijk waardevolle mensen in het dorp Puerto was gericht geweest. En op die namiddag maakte Broeder Juniper een wandeling langs de zoom van de Stille Zuidzee. Hij verscheurde zijn uitkomsten en wierp ze in de golven; hij tuurde een uur lang naar de grote paarlemoeren wolken die voor eeuwig langs de horizon van die zee hangen, en putte uit hun schoonheid een berusting die hij zijn verstand niet toestond te onderzoeken. De tegenstrijdigheid tussen geloof en werkelijkheid is groter dan gewoonlijk wordt aangenomen. 

Maar er was een ander verhaal van de leraar van San Martin (ditmaal niet zo afbrekend) dat Broeder Juniper waarschijnlijk de stoot gaf voor zijn werkwijze na het instorten van de brug van San Luis Rey.
Deze leraar liep eens door de Cathedraal van Lima en stond stil om het grafschrift van een dame te lezen. Hij las met een steeds verder vooruitstekende onderlip dat zij twintig jaar lang het middelpunt en de vreugde van haar gezin, de verrukking van haar vrienden was geweest, dat allen die haar ontmoetten heengingen in verwondering over haar goedheid en schoonheid, en dat zij daar de terugkomst van haar Heer lag af te wachten. Op de dag nu dat hij deze woorden las, was er veel geweest dat de leraar van San Martin geërgerd had, en de ogen van de steen opheffende, sprak hij hardop in zijn boosheid: “Wat een dwaasheid, wat een gezeur! Iedereen weet dat wij in deze wereld niets doen dan onze verlangens bevredigen. Waarom deze legende van onzelfzuchtigheid in stand houden? Waarom moet dit levend gehouden worden, dit praatje van onbaatzuchtigheid?” 

En dit zeggende, besloot hij deze samenzwering van de steenhouwers aan de kaak te stellen. De dame was pas twaalf jaar dood. Hij spoorde haar bedienden, haar kinderen en haar vrienden op. En waarheen hij ging hadden haar lieve eigenschappen haar als een geur overleefd, en waar men ook haar naam noemde, verscheen een smartelijke glimlach en de verklaring dat woorden haar lieflijke eigenschappen niet konden beschrijven. Zelfs de onstuimige jeugd van haar kleinkinderen, die haar nooit hadden gezien, werd bemoeilijkt door de overlevering, dat het mogelijk was zó goed te zijn. En de man stond verbaasd; maar ten slotte mompelde hij: “Toch was wat ik zei waar. Die vrouw was een uitzondering, misschien een uitzondering.” 

Terwijl hij zijn boek aangaande deze mensen samenstelde, scheen Broeder Juniper vervolgd te worden door de vrees, dat hij, door het geringste détail over te slaan, een leidraad zou kunnen missen. Hoe langer hij werkte, hoe meer hij voelde, dat hij rondstrompelde tussen grote vage aanduidingen. Hij werd voortdurend bedrogen door détails die er uitzagen of ze belangrijk waren; als hij maar hun juiste plaats vinden kon. Zo schreef hij alles op met het gevoel dat misschien, wanneer hij (of een scherpzinniger geest) het boek twintig maal overlas, de talloze feiten plotseling in beweging zouden komen, zich zouden groeperen, en hun geheim verraden. De Marquesa de Montemayor's kok vertelde hem dat zij bijna geheel van rijst, vis en een weinig fruit leefde en Broeder Juniper schreef het op wegens de kans, dat dit de een of andere dag een geestelijke eigenschap zou ontsluieren. Don Rubio zei van haar dat zij zonder uitnodiging op zijn ontvangsten placht te verschijnen ten einde de lepels te stelen. Een vroedvrouw aan de buitenkant van de stad verklaarde dat Do┼ła Maria haar bezocht om ziekelijke vragen te stellen, totdat zij verplicht was geweest haar als een bedelaar van de deur te wijzen. De boekverkoper van de stad berichtte dat zij een van de drie meest ontwikkelde personen in Lima was. De vrouw van haar pachter verklaarde, dat zij verstrooid was, maar één en al goedheid. De kunst van levensbeschrijving is moeilijker dan over het algemeen verondersteld wordt. 

Broeder Juniper vond, dat het minst te leren viel van hen, die het nauwst met de voorwerpen van zijn onderzoek waren verbonden geweest. Moeder Maria del Pilar sprak langdurig met hem over Pepita, maar zij vertelde hem niet van haar eigen eerzuchtige plannen met haar Perichole was eerst moeilijk te naderen, maar op den duur mocht zij de Franciscaan zelfs lijden. Haar karakterschets van Oom Pio stond in lijnrechte tegenspraak met de overvloed van onverkwikkelijke getuigenissen, die hij elders had opgedaan. Haar toespelingen op haar zoon waren schaars en kostten pijn. Ze sloten het onderhoud bruusk af. Kapitein Alvarado vertelde van Esteban en van Oom Pio wat hij kon. Zij die op dit gebied het meest weten, wagen het minst te zeggen. 

Ik zal u Broeder Juniper's algemeenheden besparen. Zij zijn steeds om ons. Hij meende in hetzelfde ongeval te zien hoe de zondaar vernietigd en de goede vroegtijdig naar de Hemel geroepen werd. Hij meende dat hij trots en overdaad vervloekt zag als een afschrikwekkend voorbeeld voor de wereld, en hij dacht dat hij de nederigheid gekroond en beloond zag tot heil van de stad. Maar Broeder Juniper was niet tevreden met zijn redenering. Het was immers mogelijk dat de Marquesa de Montemayor geen monster van inhaligheid, noch Oom Pio een van genotzucht was geweest. 

Toen het boek klaar was kwam het onder de ogen van enkele rechters en werd plotseling ketters verklaard. Het werd veroordeeld om met zijn schrijver op het Plein te worden verbrand. Broeder Juniper onderwierp zich aan de uitspraak dat de duivel hem gebruikt had om een roemrijke veldtocht in Peru te bewerkstelligen. Hij zat die laatste nacht in zijn cel, trachtend in zijn eigen leven de leidraad te vinden die hem in vijf andere was ontsnapt. Hij was niet opstandig. Hij was bereid zijn leven te geven voor de reinheid van de Kerk, maar hij smachtte naar één stem, ergens, die voor hem getuigen zou, dat zijn bedoeling ten minste voor het geloof was geweest; hij dacht dat er niemand in de wereld was die hem geloofde. Maar de volgende morgen waren er in die menigte en dat zonlicht velen die geloofden, want hij was zeer bemind. 

Er was een kleine afvaardiging van het dorp Puerto, en Nina (Goedheid 2, Vroomheid 5, Nuttigheid 10) en anderen stonden met betrokken verwonderde gezichten, terwijl hun kleine monnik aan de vriendelijke vlammen werd prijsgegeven. 

Zelfs toen, zelfs toen, bleef in zijn hart een hardnekkige geestkracht volhouden dat ten minste St. Franciscus hem niet volkomen veroordeeld zou hebben, en (daar hij zich niet op een meer verheven naam durfde beroepen, omdat hij in deze zaken zo vatbaar voor dwaling bleek te zijn) beriep hij zich tweemaal op St. Franciscus, en, overbuigend naar een vlam, glimlachte hij en stierf.

Naar boven