Home

Aldous Huxley

DE DEUREN DER WAARNEMING

DE DEUREN IN DE MUUR


Inleiding:

Het is alweer bijna vijftig jaar geleden dat Aldous Huxley dit verslag van zijn ervaringen met de Andere Wereld schreef. Hoe zijn woorden ook tekort mogen schieten, toch geeft hij een beeld van die Wereld vanuit de onze en, wat nog onthullender is, van de onze vanuit die Wereld. Het fascinerende en geniale is dat hij begrepen heeft dat die Andere Wereld de Wereld van de mystici is, de wereld van de heldere momenten, die wij mystieke ervaringen noemen. Het is het aanschouwen van de onverdeelde Werkelijkheid en het ervaren van de samenhang van alles met alles en het besef daar zelf een onlosmakelijk deel van te zijn. Eigenlijk, en dat heeft Huxley niet begrepen, is het de wereld zoals de onbevangen kleine kinderen die ervaren, de wereld vol wonderen en betovering, waarin zij nog net zo zijn als alles is. De Wereld waarin geen afzonderlijke dingen zijn, niets een naam heeft, de woordeloze Wereld, de Wereld van het Zijn en niet de wereld van het worden en doen, de Wereld zoals die eigenlijk is en waar grote mensen blind en doof voor geworden zijn. Zij leven in hun eigen gecreëerde wereld van hun gedachten, hun wensen en verwachtingen, hun angsten en zorgen en kunnen de uitgang, de deur in de muur, niet meer vinden. Zij zoeken in hun eigen tranendal een kunstmatige vergetelheid in alkohol, drugs en orgasmen. Anderen zijn op zoek naar de uitgang, hoewel ze altijd gehoord hebben dat er geen uitgang is en dat ze er maar beter het beste van kunnen maken.
Elke goede trip, of dat nu met paddo's is of met marihuana, laat ons een kortstondige ego-loze blik in die andere Wereld werpen, ontsluit voor de tijd dat het duurt de Deur in de Muur, waarna wij weer in onze eigen wereld van het "bij het volle verstand zijn" terugvallen en overgaan tot de orde van de dag. De orde van het moeten, het willen, het voldoen aan verwachtingen van onszelf en van anderen, het in stand houden van onze eigen kunstmatige wereld en het aanpassen van die kleine kinderen die niet van deze wereld zijn aan onze eigen creatie.
Is het nu allemaal waar wat Aldous Huxley schrijft? Het antwoord is: nee. Zelfs in zijn extatische bewoordingen waarmee hij die Andere Wereld beschrijft, schiet hij tekort, omdat het ervaren nu eenmaal niet in woorden is uit te drukken. In de absurditeit, de arrogantie en de krankzinnigheid van onze wereld is hij overduidelijk. Maar waar hij helemaal de plank misslaat is in de uitwerking van zijn inzichten. In het boek staan nogal wat tegenstrijdigheden en vooroordelen maar daartussen schitteren parels van helderheid en inzicht.
Voor de duidelijkheid zijn die parels vet, tegenstrijdigheden en vooroordelen rood en is het commentaar blauw.

De Deuren der Waarneming

Aldous Huxley

De Deuren der Waarneming werd voor het eerst in Engeland uitgegeven
door Chatto & Windus Ltd 1954. ©Mrs. Laura Huxle 1954


Opmerking: De Deuren der Waarneming verschijnt in deze bibliotheek onder de "Eerlijk gebruik" regels volgens de 1976 Copyright Wet voor NON-profit academische, onderzoeks-, en algemene informatiedoeleinden. Lezers die een eigen kopie van de Deuren der Waarneming voor hun boekenkast willen hebben, wordt verzocht een boek bij hun boekhandel te kopen.


Als de deuren der waarneming gereinigd zouden worden,
zou alles aan de mens verschijnen zoals het is, oneindig. — William Blake


HET WAS IN 1886Kaft van het boek The Doors of Perception
dat de Duitse farmacoloog, Louis Lewin, de eerste systematische studie over de cactus, waar vervolgens zijn eigen naam aan gegeven werd, publiceerde. De Anhalonium lewinii (tegenwoordig Lophophora Williamsii var.lewinii) was nieuw voor de wetenschap.Voor de primitieve godsdienst en de indianen van Mexico was het sinds onheuglijke tijden een oude vriend. Het was eigenlijk meer dan een vriend. In de woorden van een van de vroege Spaanse bezoekers aan de Nieuwe Wereld, "zij eten een wortel die zij peyote noemen, en die zij als een godheid vereren."
    Waarom zij het als een godheid vereerd zouden hebben werd duidelijk toen uitnemende psychologen als Jaensch, Havelock Ellis en Weir Mitchell hun experimenten met mescaline, de actieve stof van peyote, begonnen. Zij stopten weliswaar lang voor ze aan verafgoding toe waren; maar alles gebeurde met het oogmerk om mescaline een plaats onder de kruiden van een uitzonderlijk aanzien te geven. Toegediend in geschikte dosering, verandert het de kwaliteit van het bewustzijn grondiger en toch is het minder toxisch dan enig andere substantie in het repertoire van de farmacologen.
    Mescaline-onderzoek is sinds de dagen van Lewin en Havelock Ellis slechts sporadisch voortgezet. Chemici hebben niet alleen het alkaloïed geïsoleerd; zij hebben ook geleerd hoe ze het konden synthetiseren, zodat de beschikbaarheid niet langer van de schaarse en afwisselende oogst van de woestijncactus afhangt. Psychiaters hebben zichzelf mescaline toegediend in de hoop daardoor, uit de eerste hand, tot een beter begrip van de mentale processen van hun patiënten te komen. Psychologen, die jammer genoeg met te weinig proefpersonen binnen een te nauw bereik van omstandigheden gewerkt hebben, hebben een aantal van de meest opvallende effecten van de drug geobserveerd en gecatalogiseerd. Neurologen en fysiologen hebben het een en ander over het werkingsmechanisme op het centraal zenuwstelsel ontdekt. En minstens één Beroeps- filosoof heeft mescaline ingenomen terwille van het licht dat het op die oeroude, onopgeloste raadsels zoals de plaats van de geest in de natuur en het verband tussen hersenen en bewustzijn, zou kunnen werpen.
Er bleven zaken liggen totdat, twee of drie jaar geleden, een nieuw en misschien zeer veelbetekenend feit werd waargenomen. Eigenlijk had het feit een aantal decennia lang iedereen aangestaard; maar het geval wilde dat niemand het had opgemerkt, totdat een Jonge Engelse psychiater, die nu in Canada werkt, getroffen werd door de nauwe overeenkomst in chemische samenstelling tussen mescaline en adrenaline. Verder onderzoek onthulde dat lyserginezuur, een uiterst krachtig hallucinogeen afgeleid van moederkoorn, een structurele biochemische overeenkomst met de andere bezit. Vervolgens kwam de ontdekking dat adrenochroom, dat een afbraakprodukt van adrenaline is, veel van de symptomen kan veroorzaken, die bij een mescaline-intoxicatie worden waargenomen. Maar adenochroom komt waarschijnlijk van nature in het menselijk lichaam voor. Met andere woorden zou ieder van ons in staat kunnen zijn om een chemische stof, waarvan bekend is dat zeer kleine hoeveelheden Diepgaande veranderingen in het bewustzijn kunnen veroorzaken, te produceren. Bepaalde van die veranderingen zijn vergelijkbaar met diegene, die voorkomen in die zeer karakteristieke plaag van de twintigste eeuw, de schizofrenie. Is die geestesziekte aan een chemische ontregeling te wijten? En is die psychische ontregeling op zijn beurt aan psychische noden die de bijnieren beïnvloeden te wijten? Het zou overhaast en voorbarig zijn dat te bevestigen. Het enige wat we kunnen zeggen is dat er een soort van prima facie zaak uit op gemaakt kan worden. Intussen wordt de aanduiding systematisch gevolgd, de speurneuzen - biochemici, psychiaters en psychologen - zitten op het spoor.
    Door een reeks van, voor mij uiterst gunstige omstandigheden, liep ik, in het voorjaar van 1953, zomaar tegen dat spoor aan. Een van de speurneuzen was voor zaken naar Californië gekomen. Ondanks zeventig jaar van onderzoek met mescaline beschikte men nog maar over belachelijk ondeugdelijk psychologisch materiaal, en hij wilde daar dolgraag  wat aan toevoegen. Ik was ter plaatse en wilde inderdaad graag als proefkonijn fungeren. Zo gebeurde het dat ik, op een stralende morgen in Mei, viertiende gram mescaline, opgelost in een half glas water, innam en ging zitten om op de uitwerking te wachten
    Wij leven samen, wij beïnvloeden elkaar en reageren op elkaar; maar altijd en onder alle omstandigheden zijn wij op onszelf. De martelaren gaan hand in hand de arena in; alleen worden zij gekruisigd. In een omhelzing proberen de geliefden wanhopig hun extasen in een enkele zelftranscendentie te versmelten; tevergeefs. Juist door zijn aard is elke belichaamde ziel gedoemd in eenzaamheid te lijden en te genieten. Gewaarwordingen, gevoelens, inzichten, fantasieën - zijn allemaal persoonlijk en, behalve door middel van symbolen en uit de tweede hand, niet meedeelbaar. Wij kunnen informatie over ervaringen bij elkaar brengen, maar nooit de ervaringen zelf. Van gezin tot natie is elke menselijke groep een gemeenschap van eiland-universums.
    De meeste eiland-universums lijken voldoende op elkaar om ons te Veroorloven te begrijpen dat ze op hetzelfde neerkomen of zelfs tot wederzijdse empathie en "invoelen" leiden. Zo kunnen wij dus, als wij ons onze eigen verliezen en vernederingen herinneren, met anderen in vergelijkbare omstandigheden ons medeleven betuigen en onszelf (natuurlijk altijd op een wat Pickwickiaanse manier) in hun plaats verplaatsen. Maar in bepaalde gevallen is de communicatie tussen twee universums onvolledig of zelfs niet-bestaand. De geest is zijn eigen plek, en Plekken, die door de krankzinnige en buitengewoon begaafde wordt ingenomen verschillen zo van de plekken waar gewone mannen en vrouwen leven, dat er weinig of geen gemeenschappelijke geheugengebied bestaat dat als basis voor begrijpen of medegevoel kan dienen. Woorden worden geuit, maar slagen er niet in te verhelderen. De dingen en gebeurtenissen waar de symbolen naar verwijzen behoren tot elkaar wederzijds uitsluitende rijken van de ervaring.
    Het is een uiterst weldadige gave onszelf te zien zoals anderen ons zien. Nauwelijks minder belangrijk is het vermogen anderen te zien zoals zij zichzelf zien. Maar wat als die anderen tot een ander soort behoren en een radicaal ander universum bewonen? Hoe kan bijvoorbeeld de gezonde te weten komen hoe het werkelijk voelt om krankzinnig te zijn. Hoe kunnen we ooit, als wij niet als visionairen, als medium, of als een muzikaal genie wedergeboren worden de werelden waar Blake, Swedenborg en Johan Sebastiaan Bach thuis waren, bezoeken? En hoe kan een mens aan de uiterste grenzen van ectomorfie en cerebrotonie zich ooit verplaatsen in iemand aan de grenzen van de endomorfie en de viscerotonie, of, uitgezonderd binnen bepaalde nauw omschreven gebieden, de gevoelens delen met iemand die zich aan de grenzen van de mesomorfie en somatotonie bevindt? Voor de onvervalste behaviorist zijn, veronderstel ik, zulke vragen zonder betekenis. Maar voor diegenen die theoretisch geloven dat wat zij uit de praktijk kennen waar is - namelijk, dat er aan de ervaring zowel een binnen- als een buitenkant is - zijn de geponeerde problemen werkelijke problemen, deste ernstiger, omdat sommige volledig onoplosbaar, sommige zijn alleen in uitzonderlijke omstandigheden en met methoden, die niet voor iedereen beschikbaar zijn (het is voor iedereen mogelijk, zelfs hoe minder door kennis gehinderd, hoe gemakkelijker, om alle problemen op te lossen. Iedereen kan wijs worden, al is het doorgaans door schade en schande), op te lossen.  Zo lijkt het ogenschijnlijk zeker dat ik nooit zal weten hoe het voelt om Sir John Falstaff of Joe Louis, te zijn. Aan de andere kant heeft het mij altijd mogelijk geleken, dat ik, door bijvoorbeeld hypnose, door middel van systematische meditatie, of anders door de geschikte drug in te nemen, mijn alledaagse wijze van bewustzijn zo zou kunnen veranderen, dat ik, van binnenuit, in staat zou zijn te weten waar de ziener, het medium of zelfs de mysticus het over gehad hebben.
    Door wat ik over de ervaring met mescaline gelezen had, was ik er bij voorbaat van overtuigd dat de drug mij, in ieder geval voor enige uren, toe zou laten in het soort binnenwereld die door Blake en AE beschreven zijn. Maar wat ik verwacht had gebeurde niet. Ik had verwacht dat ik met gesloten ogen zou liggen kijken naar visioenen van veelkleurige meetkundige figuren, naar bezielde architecturen, vol edelstenen en sprookjesachtig mooi, van landschappen met heroïsche figuren, van symbolische drama's die onophoudelijk op grens van de ultieme openbaring zouden trillen. Maar ik had, dat was duidelijk, geen rekening gehouden met de eigenaardigheden van mijn mentale gesteldheid, met de feiten van temperament, opleiding en gewoonten.
    Ik ben nu en zolang als ik mij kan herinneren, altijd een armzalige visualiseerder geweest. Woorden, zelfs de veelzeggende woorden van dichters, roepen in mijn geest geen beelden op. Geen halfslaapse visoenen begroeten mij op de grens van de slaap. Als ik mij iets weer voor de geest roep, toont de herinnering mij dat niet als een levendige gebeurtenis in mijn geest. Door een wilsinspanning kan ik een niet erg levendig beeld van wat er gistermiddag gebeurd is oproepen, van hoe de Lugarno er gewoonlijk uitzag voor de bruggen vernield werden, van de Bayswaterstraat toen de enige bussen nog groen en klein waren en door oude paarden met drie en een halve mijl per uur werden voortgetrokken. Maar zulke beelden zijn van weinig betekenis en leiden beslist geen eigen leven. Zij staan tot werkelijke waargenomen beelden zoals de geesten van Homerus, die in de schaduwen tot hen kwamen, tot mensen van vlees en bloed stonden. Alleen als ik hoge koorts heb komen mijn eigen mentale beelden tot een eigen leven. Voor diegenen in wie het visualiseringsvermogen krachtig is, moet mijn binnenwereld wel merkwaardig saai, beperkt en oninteressant toeschijnen. Het was die binnenwereld - een armzalige maar wel mijn eigen - waarvan ik verwachtte die in iets totaal anders dan die was te zien veranderen.
    De verandering die er in feite in die wereld plaats vond, was op geen enkele manier revolutionair. Een half uur nadat ik de drug had ingenomen werd ik mij van een trage dans van gouden lichtjes bewust. Een half uur later waren er weelderige opzwellende en zich vanuit stralende knopen uitdijende rode oppervlakken van energie die trilden met een doorlopend veranderend schakerend leven. Op een ander moment openbaarde het sluiten van mijn ogen mij een complex grijze structuren, waarin bleke paarse bollen in een intense vastheid bleven verschijnen en eenmaal verschenen geluidloos naar boven uit het zicht bleken te glijden. Maar op geen enkel moment waren er beelden of vormen van mensen of dieren. Ik zag geen landschappen, geen enorme ruimten, geen magisch groeien en metamorfose van gebouwen, niets wat in de verste verte op een drama of parabel leek. De andere wereld waar mescaline mij in toeliet was niet de wereld van visioenen; die bestond daar buiten, in wat ik met mijn ogen kon zien. De grote verandering trad op in het rijk van de objectieve feiten. Wat er met mijn subjectieve universum gebeurd was, was betrekkelijk onbelangrijk.(juist omdat zijn subjectieve universum veranderde, veranderde de buitenwereld. Mescaline legt het denken stil, sluit het ego buiten en maakt het kijken naar de buitenwereld tot een onbevooroordeeld zien)
    Ik nam mijn pil om elf uur. Anderhalf uur later zat ik in mijn studeerkamer en keek strak naar een kleine glazen vaas. In de vaas stonden maar drie bloemen - een Belie van Portugal-roos in volle bloei, schelproze met aan de basis van ieder bloemblad een zweem van een warmere vlammendere tint; een grote helrode en roomkleurige anjer; en de koene heraldieke bloesem van een iris, bleek purper aan het eind van haar gebroken stengel. Toevallig en zomaar verbrak die kleine ruiker alle regels van een gebruikelijke goede smaak. Die morgen was ik bij het ontbijt getroffen door de levendige dissonant van de kleuren ervan. Maar dat was niet langer het punt. Ik keek nu niet naar een ongewone bloemschikking. Ik zag nu wat Adam op de morgen van zijn schepping gezien had - het wonder, moment na moment, van het naakte bestaan (en alle kleine kinderen altijd zien, een betoverende wereld)
    "Is het prettig?" vroeg iemand (tijdens dit deel van het Experiment werden alle gesprekken op een bandrecorder opgenomen, en dat heeft mij in staat gesteld mijn geheugen over alles wat er gezegd was, op te frissen)
"Niet prettig en niet vervelend," antwoordde ik. "het is alleen maar."
    Istigkeit— was dat het woord niet dat Meister Eckehart doorgaans gebruikte? "Is-heid." Het Zijn van de Platoonse filosofie - behalve dat het lijkt dat Plato de enorme, groteske fout gemaakt heeft Zijn te scheiden van Worden en het met de mathematische abstractie van de Idee te identificeren. Hij, de stakker, kon nooit een boeket bloemen hebben zien schijnen met hun eigen innerlijke licht, dat alleen maar onder de druk van de betekenis waarmee ze geladen waren, trilde; kon nooit ontwaard hebben dat wat roos en iris en anjer zo intens beduidden niets meer of minder was dan wat zij waren - een voorbijgaan dat toch het eeuwige leven was, een eindeloos tenietgaan dat tegelijkertijd zuiver zijn was, een bundel van haarfijne, unieke bijzonderheden, waarin door een of andere onuitsprekelijke en toch vanzelfsprekende paradox de goddelijke bron van alle bestaan te zien was.
    Ik bleef naar de bloemen kijken, en het leek alsof ik in hun levende licht het kwalitatieve equivalent van ademen bespeurde - maar van een ademen zonder terugkeer naar het beginpunt, zonder regelmatig wegebben maar slechts een herhaald vloeien van schoonheid naar grotere schoonheid, van een diepere naar een nog diepere betekenis. Woorden als "genade" en "verheerlijking" doken op in mijn geest en dat was onder andere wat er natuurlijk mee bedoeld werd. Mijn ogen gingen van de roos naar de anjer, en van die geveerde gloed naar de zachte krullen van gevoelend amethist die de iris vormden. Voor het eerst begreep ik Het Gelukzalige Visioen, Sat Chit Ananda, het Gezegende Bewustzijn, niet op het verbale niveau, niet door aanvankelijke aanduidingen of van een afstand, maar precies en volledig waar die wonderlijke lettergrepen op duiden. En toen herinnerde ik mij een passage die ik in een van Suzuki's essays gelezen had. "Wat is het Dharma-lichaam van de Boeddha?" (het Dharma-lichaam van de Boeddha is een ander manier om Geest, Zo-Zijn, Leegte, de Godheid te zeggen) De vraag wordt in een Zen-klooster door een ernstige en verbijsterde novice gesteld. En met de onmiddellijke irrelevantie van een van de Marx-brothers, antwoordt de Meester, "De haag achterin de tuin." "en wat is, als ik vragen mag," vraagt de novice onzeker, "de man die deze waarheid verwerkelijkt?" Groucho geeft hem met zijn staf een klap op zijn schouders en antwoordt: "Een goudharige leeuw."
    Het was toen ik het las slechts een vaag betekenisvol stukje onzin geweest. Nu was het allemaal glashelder, even duidelijk als Euclides. Natuurlijk was het Dharma-lichaam van de Boeddha de haag achterin de tuin. Tegelijkertijd, en niet minder overduidelijk was het deze bloemen, en was het alles waar ik - of liever dat gezegende Niet-Ik, dat voor een ogenblik uit mijn wurgende omarming verlost was - naar wilde kijken. De boeken bijvoorbeeld waarmee de wanden van mijn studeerkamer bekleed waren. Zij gloeiden toen ik ernaar keek net als de bloemen, met stralender kleuren en een diepere betekenis. Rode boeken als robijnen; smaragden boeken; in witte jade gebonden boeken; boeken van agaat; van aquamarijn, van gele topaas; lapis lazuli boeken waar de kleur zo intens van was, zo intrinsiek betekenisvol, dat het leek alsof zij op het punt stonden hun planken te verlaten om zich nog indringender aan mijn aandacht toe te vertrouwen.
    "Hoe zit het met de ruimtelijke verhoudingen?" vroeg de onderzoeker, toen ik naar de boeken keek.
    Dat was moeilijk te beantwoorden. In werkelijkheid leek het perspectief nogal vreemd en de muren van de kamer leken niet langer in rechte hoeken bij elkaar te komen. Maar dit waren niet de werkelijk echt belangrijke feiten. Het echt belangrijke feit was dat de ruimtelijke verhoudingen niet langer meer veel te betekenen hadden en dat mijn geest de wereld in andere termen dan ruimtelijke categorieën waarnam. Normaal houdt het oog zich bezig met problemen als Waar? - Hoe ver? - Hoe verhoudt het zich tot wat? Tijdens de mescaline-ervaring zijn de impliciete vragen waar het oog op antwoordt van een andere orde. Plaats en afstand zijn niet langer bijzonder belangrijk. De geest doet zijn Waarnemen in termen van intensiteit van zijn, diepte van betekenis, verhoudingen binnen een patroon. Wat ik waarnam, wat zelf indruk op mijn geest maakte, was het feit dat zij allemaal gloeiden met een levend licht en dat in sommige de luister groter was dan in andere. In deze context waren plaats en de drie dimensies niet ter zake. Natuurlijk was de categorie ruimte niet opgeheven. Als ik opstond en wat rondliep, kon ik dat heel gewoon doen, zonder de plaats van voorwerpen verkeerd in te schatten. De ruimte was er nog, maar had zijn overwicht verloren. De geest was op de eerste plaats niet met maten en posities maar met zijn en betekenen bezig.
    En tegelijkertijd met de onverschilligheid voor ruimte trad er een nog totalere onverschilligheid voor tijd op.
    "Het lijkt alsof er genoeg van is," was alles wat ik kon antwoorden, toen de onderzoeker mij vroeg wat ik over tijd voelde.
    Genoeg, maar precies hoeveel was volstrekt niet relevant. Ik had natuurlijk op mijn horloge kunnen kijken; maar ik wist dat mijn horloge in een andere dimensie was. Mijn werkelijke ervaren was geweest, en was nog steeds die van een oneindige duur of anders gezegd van een eeuwigdurend heden gevormd door een doorlopend veranderende apocalyps.
    De onderzoeker stuurde mijn aandacht van de boeken naar het meubilair. Een kleine schrijftafel stond in het midden van de kamer; een stuk verder, vanuit mijn gezichtspunt, stond een rieten stoel en nog verder een bureau. De drie stukken vormden een ingewikkeld patroon van horizontalen, verticalen en diagonalen - een deste belangwekkender patroon, omdat het niet in termen van ruimtelijke verhoudingen vertaald werd. Tafel, stoel en bureau voegden zich aaneen in een compositie als van Braque of Juan Griz, een zichtbaar met de herkenbare wereld verbonden stilleven, maar zonder diepte weergegeven, zonder enige poging tot fotografisch realisme. Ik keek naar mijn meubilair, niet als een gebruiker die op stoelen moet zitten of aan bureaus en tafels moet schrijven, en niet als de cameraman of wetenschappelijke rapporteur, maar als de pure estheet, die zich alleen over de vormen en hun verhoudingen binnen het gezichtsveld of ruimtelijke beeld, bekommert. Maar terwijl ik keek maakte dit puur esthetische, Kubistenoog-beeld plaats voor wat ik slechts als een sacramentele visie van de werkelijkheid kan omschrijven. Ik was terug op het punt waar ik geweest was toen ik naar de bloemen keek - terug in een wereld waar alles met het Innerlijke Licht scheen en oneindig in betekenis was. Die poten van die stoel bijvoorbeeld - wat een wonderlijke buizigheid, wat een bovennatuurlijke opgepoetste gladheid! Ik besteedde een paar minuten - of was het een paar eeuwen? - niet alleen aan het staren naar die poten van bamboe, maar in feite het die zijn - of beter gezegd mijzelf in hen; of om nog nauwkeuriger te zijn (want "Ik" was niet in de zaak, noch zij in zekere zin, betrokken) mijn Niet-ik in het Niet-ik dat de stoel was, zijn.
    Als ik terugdenk over mijn ervaring, merk ik dat ik het met die vooraanstaande Cambridge filosoof, Dr. C. D. Broad, eens ben, "dat wij er goed aan zouden doen veel serieuzer met het soort theorie die Bergson geopperd heeft in verband met het geheugen en gezichtszin, rekening te houden dan we tot nu toe genegen waren. Het idee is dat de functie van de hersenen en het zenuwstelsel en de zintuigen hoofdzakelijk eliminerend en niet productief zijn. Ieder mens is op ieder moment in staat zich alles wat er ooit met hem gebeurd is te herinneren en alles dat overal in het universum gebeurt waar te nemen. De functie van het brein en het zenuwstelsel is ons te beschermen tegen een bedolven worden onder en verward te worden door deze massa van grotendeels onbruikbare en irrelevante kennis, door het meeste wat we anders zouden waarnemen of ons zouden herinneren uit te sluiten, en slechts die kleine en speciale selectie over te laten die praktisch bruikbaar lijkt" Volgens zo'n theorie is ieder van ons een potentiële Grote Geest. Maar voor zover we dieren zijn, is het onze zaak tot elke prijs te overleven.(niet voorzover we dieren zijn, maar zover we in deze maatschappij leven, in dit gevecht op leven en dood, waarin we onze plaats moeten bevechten en verdedigen, waarin we ons moeten aanpassen en zo een ander worden dan we eigenlijk zijn) Om een biologische overleving (een overling in deze onrechtvaardige maatschappij, waar het recht van de sterkste en slimste geldt) mogelijk te maken, moet de Grote Geest door de reduceerventiel van het brein en het zenuwstelsel getrechterd worden.(zodat wij blind worden voor het krankzinnige spel dat wij met z'n allen spelen en doof voor alle ellende, zodat wij gedweeë medespelers, kritiekloze consumenten en onderdanige knechten worden)  Wat er aan de andere kant uitkomt is een armzalig stroompje van het soort bewustzijn dat ons zal helpen te overleven op het oppervlak van juist deze planeet. Om de inhouden van dit gereduceerde bewustzijn te formuleren en uit te drukken, heeft de mens die symboolsystemen en onuitgesproken filosofieën die wij talen noemen, ontwikkeld en eindeloos uitgewerkt.(de primaire funktie van de taal is om macht over de ander en de buitenwereld uit te oefenen) Ieder individu is tegelijkertijd de begunstigde en het slachtoffer van de taalkundige traditie waarin hij is geboren - de begunstigde in zoverre als taal toegang geeft tot de geaccumuleerde getuigenissen van de ervaringen van anderen, het slachtoffer in zoverre dat het hem bevestigd in het geloof dat het gereduceerde bewustzijn het enige bewustzijn is en het zijn realiteitszin behekst, zodat hij maar al te graag zijn opvattingen voor feiten en zijn woorden voor echte dingen houdt. Dat wat in de taal van de religie "deze wereld" genoemd wordt is het universum van een gereduceerd bewustzijn, uitgedrukt en als het ware versteend door de taal.
De verschillende "ander werelden" waar menselijke wezens al dwalend contact mee maken zijn even zovele elementen in de totaliteit van het bewustzijn dat tot de Grote Geest behoort. De meeste mensen weten meestal alleen maar wat door de reduceerventiel passeert en als onvervalst echt door de plaatselijke taal geheiligd wordt. Sommige personen echter, lijken met een soort van omleiding geboren te zijn die de reduceerventiel ontduikt. Bij anderen kunnen tijdelijke omleidingen of spontaan verworven worden, of zijn het resultaat van doelgerichte "spirituele oefeningen", van hypnose, of van de hulp van drugs. Door deze permanente of tijdelijke omleidingen vloeit dan inderdaad niet de waarneming "van alles wat overal in het universum gebeurt" (want de omleiding schaft de reduceerventiel, die nog steeds de totale inhoud van de Grote Geest uitsluit, niet af)  maar iets meer dan, en bovenal iets verschillend van, het zorgvuldig geselecteerde utilitaire materiaal dat onze vernauwde, individuele geesten als een compleet, in ieder geval voldoende, beeld van de werkelijkheid beschouwen.
    De hersenen zijn voorzien van een aantal enzymsystemen die ervoor dienen de werking ervan te coördineren. Een aantal van deze enzymen regelt de glucose-toevoer naar de hersencellen. Mescaline verhindert de productie van die enzymen en verlaagt op die manier de hoeveelheid glucose die voor een orgaan, dat een constante behoefte aan suiker heeft, nodig is. Wat gebeurt er als mescaline het normale rantsoen aan suiker van de hersenen verlaagt? Er zijn te weinig gevallen geobserveerd en daarom kan een alomvattend antwoord nog niet gegeven worden. Maar wat er met de meerderheid van die enkelingen die mescaline onder toezicht hebben ingenomen gebeurt kan als volgt samengevat worden:
    (1) Het vermogen tot herinnering en "logisch te denken" is weinig zo niet helemaal verminderd. (Als ik naar de opnamen van mijn conversatie onder invloed van de drug luister, kan ik niet ontdekken dat ik toen ook maar iets dommer was dan ik normaal ben.)
    (2) Visuele indrukken worden hevig versterkt en het oog hervindt iets van de onschuldige waarneming van de kinderjaren, toen het zintuig nog niet onmiddellijk en automatisch ondergeschikt was aan de opvatting. Belangstelling in ruimte is verminderd en belangstelling in tijd zakt vrijwel tot nul.
    (3) Hoewel het intellect onaangetast blijft en hoewel de waarneming enorm verbeterd is, ondergaat de wil een diepe verandering ten kwade. De mescaline-slikker ziet geen enkele reden ook maar iets speciaals te doen en vindt de meeste redenen waarvoor hij gewoonlijk bereid was te handelen en te lijden, volslagen onbelangrijk. Hij kan zich daar niet mee bezig houden, om de goede reden dat hij wel wat beters heeft om aan te denken.
    (4) Deze betere dingen kunnen, (zoals ik ze ervaren heb) "daarbuiten" of "hierbinnen" of in beide werelden, de binnen en de buiten, tegelijkertijd of opeenvolgend ervaren worden. Dat zij beter zijn wordt door alle mescaline-slikkers die met een gezonde lever en niet vertroebelde geest aan de drug beginnen, als vanzelfsprekend beschouwd.
    Deze effecten van mescaline zijn van die soort dat je zou kunnen verwachten van de toediening van een drug die het vermogen heeft de doelmatigheid van de cerebrale reduceerventiel aan te tasten. Als de hersenen aan het eind van hun voorraad suiker raken, wordt het ondervoede ego zwak, kan zich niet meer bezig houden met het ondernemen van noodzakelijke klusjes en verliest alle belangstelling voor die ruimtelijke en tijdelijke verhoudingen die voor een organisme, dat er op uit is in de wereld vooruit te komen, zoveel betekenen. Wanneer de Grote Geest langs de niet langer waterdichte klep sijpelt beginnen er allerlei biologisch (maatschappelijke!)nutteloze dingen te gebeuren. In sommige gevallen kunnen er buitenzinnelijke waarnemingen optreden. Andere personen ontdekken een wereld van een visionaire schoonheid. Weer anderen wordt de glorie, de oneindige waarde en zinvolheid van het naakte bestaan, van het gegeven, onbegrijpelijke gebeuren, onthuld. In het laatste stadium van de ego-loosheid is er een "verborgen weten" dat Alles in alles is - dat in feite Alles iedereen is. Zo dichtbij is het, voor zover ik het begrijp, dat een eindige geest ooit kan komen tot een "alles wat er overal in het universum gebeurt waar te nemen"
    Hoe veelbetekenend  is in dit kader de enorme verhoging onder invloed van mescaline van het waarnemen van kleur! Voor sommige dieren is het biologisch zeer belangrijk dat zij staat zijn bepaalde kleurtinten te onderscheiden. Maar buiten de grenzen van hun utilitaire spectrum zijn de meeste schepsels totaal kleurenblind. Bijen besteden bijvoorbeeld hun meeste tijd aan het "onteren van de frisse maagden van het voorjaar"; maar zij kunnen zoals Von Frisch heeft aangetoond, maar heel weinig kleuren onderscheiden. De hoogontwikkelde kleurzin van de mens is een biologische luxe - voor hem, als een intellectueel en spiritueel wezen, onschatbaar waardevol , maar niet noodzakelijk voor zijn biologische(maatschappelijke!) overleving. Te oordelen naar de adjectieven die Homerus in hun mond legt, overtroffen de helden van de Trojaanse oorlog in hun vermogen kleuren te onderscheiden, de bijen nauwelijks. Wat dat betreft is de vooruitgang(het feit dat hij daar gevoelig voor is gebleven) van het mensdom althans wonderbaarlijk geweest.
    Mescaline verheft alle kleuren tot een hogere macht (laat de mens weer de kleuren zien zoals ze werkelijk zijn)en maakt de waarnemer van ontelbare fijne kleurnuanceverschillen bewust, waarvoor hij normaal gesproken volledig blind is. Het lijkt erop dat voor de Grote Geest het zogenoemde secundaire karakter van de dingen primair is. Anders dan bij Locke, voelt het duidelijk dat kleuren belangrijker zijn, meer waard zijn er aandacht aan te besteden, dan massa's, posities en dimensies. Net als mescaline-gebruikers, ontwaren veel mystici bovennatuurlijke stralende kleuren, niet alleen met hun inwendige oog, maar zelfs in de objectieve wereld rondom hen. Gelijkluidende mededelingen worden door paranormalen en mediums gedaan. Er zijn bepaalde mediums voor wie de voor de mescaline-gebruiker kortdurende openbaring , gedurende lange perioden, een zaak van dagen- en urenlange ervaren is.
    Laten we nu, van deze lange maar onmisbare uitwijding in het rijk van de theorie, terugkeren naar de wonderbaarlijke feiten - vier rieten stoelpoten in het midden van een kamer. Net als de narcissen van Wordsworth, brachten zij alle manieren van rijkdom - de onschatbare gave van een nieuw onmiddellijk inzicht in de waarachtige Natuur van de Dingen, samen met een bescheidener schat van begrip in het bijzonder op het gebied van de kunsten.
    Een roos is een roos is een roos. Maar deze stoelpoten waren stoelpoten, waren Sint Michael en alle engelen. Vier of vijf uur na het gebeuren, toen de effecten van het suikertekort in de hersenen afnamen, werd ik meegenomen voor een rondje door de stad, wat ondermeer een bezoek, tegen zonsondergang, aan waarvan men eenvoudig beweert dat het Werelds Grootste Drug Store is, inhield. Achter in de W.G.D.S stond temidden van het speelgoed, de wenskaarten en stripboeken, verrassend genoeg een rij kunstboeken. Ik pakte het eerste boek dat bij de hand lag. Het was over Van Gogh en het schilderij waarmee het boek opende was "De Stoel" - het verbazingwekkende portret van een Ding an Sich, dat de krankzinnige schilder met een soort verheerlijkende verschrikking zag en geprobeerd had op het doek over te brengen. Maar het was een taak waarvoor zelfs het vermogen van het genie volledig ontoereikend bewees te zijn. De stoel die Van Gogh gezien had was in wezen duidelijk dezelfde die ik had gezien. Maar, hoewel onvergelijkbaar meer werkelijk dan gewoon waargenomen stoelen, bleef de stoel in zijn schilderij niet meer dan een ongewoon uitdrukkingssymbool van het feit. Het feit was een gemanifesteerd Zo-Zijn geweest; dit was slechts een zinnebeeld.Zulke zinnebeelden zijn bronnen van ware kennis over de Natuur van de Dingen (zinnebeelden kunnen wel ergens naar verwijzen, maar zijn nooit bronnen van kennis.Kunst is per definitie onecht, het woord zegt het zelf, en is altijd een slap aftreksel van de werkelijkheid. Elke kunstuiting is een produkt van de vervreemding van de kunstenaar), en deze ware kennis zou kunnen dienen om de geest voor te bereiden op onmiddellijke inzichten voor eigen rekening. Maar daar blijft het bij. Hoe veelzeggend symbolen ook kunnen zijn, zij kunnen nooit de dingen zijn waar ze voor staan.
    Het zou in dit verband interessant zijn een studie van de kunstwerken die de grote kenners van het Zo-Zijn ter beschikking stonden te maken. Naar wat voor schilderijen heeft Eckehart gekeken? Wat voor beeldhouwwerken en schilderijen hebben een rol gespeeld in de religieuze ervaring van St. Johannes van het Kruis, van Hakuin, van Hui-neng, van William Law? De beantwoording van die vragen ligt buiten mijn vermogen; maar ik heb een sterk vermoeden dat de meeste van die grote kenners van het Zo-Zijn weinig aandacht aan kunst geschonken hebben - sommigen hebben geweigerd om er ook maar iets mee te maken te hebben, anderen hebben zich tevreden gesteld met wat een kritisch oog als tweederangs, of zelfs tienderangs werken zou hebben beschouwd. (voor een persoon van wie de verheerlijkte en verheerlijkende geest het Al in al ditgene kan zien, zal het eersterangse of tienderangse van zelfs een religieuze schildering een zaak van opperste onverschilligheid zijn)  Ik veronderstel dat Kunst slechts voor beginners is, of anders voor die vastberaden doodlopers die hun geesten erop ingesteld hebben tevreden te zijn met het Ersatz van Zo-Zijn, liever met de symbolen dan met wat zij betekenen, met het smaakvol gecomponeerde recept in plaats van het diner zelf.
    Ik zette de Van Gogh terug in zijn rek en pakte het boek dat ernaast stond. Het was een boek over Botticelli. Ik sloeg de bladzijden om. "De Geboorte van Venus" - nooit een van mijn favorieten. "Mars en Venus," die door die arme Ruskin op het toppunt van zijn langdurige seksuele tragedie zo hartstochtelijk verketterde verrukkelijkheid. De magnifiek rijke en ingewikkelde "Lastering van Apelles." En toen een wat minder bekend en niet erg goed schilderij, "Judith". Mijn aandacht werd geboeid en ik staarde gefascineerd, niet naar de bleke neurotische heldin of haar dienaar, niet naar het harige hoofd van het slachtoffer of het lentelandschap op de achtergrond, maar naar het paarsachtige zijde van Judith's geplooide lijfje en lange door de wind bewogen rokken.
    Dit was iets dat ik eerder had gezien - diezelfde morgen had gezien, tussen de bloemen en de meubels, toen ik per ongeluk naar beneden keek, en zomaar hartstochtelijk bleef staren naar mijn eigen gekruiste benen. Die plooien in mijn broek - wat een labyrint van oneindige betekenisvolle ingewikkeldheid! En het weefsel van het grijze flanel - hoe rijk, hoe diep geheimzinnig weelderig! En hier waren ze opnieuw in Botticelli's schilderij.
    Beschaafde menselijke wezens dragen kleren en daarom kan er geen portret, geen mythologische of historische vertelling zijn zonder afbeeldingen van gevouwen geweven stoffen. Maar hoewel het als de bronnen beschouwd wordt, kan alleen het kleermaken nooit de overdadige ontwikkeling van het draperen als hoofdthema van alle beeldende kunsten verklaren. Het is overduidelijk dat kunstenaars altijd van het draperen op zich gehouden hebben - of liever omwille van zichzelf. Als je geplooide stoffen schildert of beeldhouwt, schilder of beeldhouw je voor alle gemak vormen die niet representatief zijn - het soort van onvoorwaardelijke vormen waarin kunstenaars zich, zelfs in de meest naturalistische traditie schijnen uit te leven. In de gemiddelde Madonna of Apostel is het echt menselijke, geheel representatieve element maar voor tien procent van het geheel verantwoordelijk. De hele rest bestaat uit vele gekleurde variaties op het onuitputtelijke thema van verkreukelde wol of linnen. En dit niet representatieve negentiende van een Madonna of een Apostel kan misschien kwalitatief net zo belangrijk zijn als kwantitatief. Heel vaak zetten ze de toon van het hele kunstwerk, bepalen ze de sleutel waarin het thema is weergegeven, drukken de stemming uit, het temperament en de levenshouding van de kunstenaar. Stoïcijnse sereniteit openbaart zichzelf in de gladde oppervlakken, de brede ongekwelde vouwen van Piero's draperieën. Verscheurd tussen feit en wens, tussen cynisme en idealisme, verzacht Bernini de bijna karikaturale waarheidsgetrouwheid van zijn gezichten met reusachtige kleermakers-abstracties, die de belichaming, in steen of brons, van de altijddurende gemeenplaatsen van de retoriek zijn - het heldendom, de heiligheid, de verhevenheid waar de mens, onophoudelijk, grotendeels tevergeefs, naar streeft. En hier zijn El Greco's verontrustende tot het binnenwerk behorende rokken en mantels; hier zijn de scherpe, verstrengelde, vlammige vouwen waarin Cosima Tura zijn figuren kleedt: in het begin bezwijkt de traditionele spiritualiteit in een naamloos fysiologisch smachten; vervolgens is er een ineenkrimpen van een hartverscheurend besef van de wezenlijke vreemdheid en vijandigheid van de wereld. Of kijk naar Watteau; zijn mannen en vrouwen spelen luit, maken zich klaar voor bals en harlekinades, schepen zich, op fluwelen grasvelden en onder edele bomen, in voor de Cythera van iedere minnaar's droom; hun immense melancholie en de gehekelde, gefolterde gevoeligheid van hun schepper vindt zijn uitdrukking, niet in de getoonde handelingen, niet in de gebaren en geportretteerde gezichten, maar in het reliëf en weefsel van hun tafzijden rokken, hun satijnen capes en wambuizen. Hier geen centimeter glad oppervlak, geen moment van vrede of vertrouwen, alleen een zijden wildernis van ontelbare kleine plooien en rimpels, met een onophoudelijk moduleren - innerlijke onzekerheid met de volmaakte zekerheid van de hand van de meester neergezet - van toon op toon, van de ene onbestemde kleur in de andere. De mens wikt en god beschikt in het leven. In de beeldende kunsten wordt het wikken gedaan door het onderwerp; wat beschikt is uiteindelijk het temperament van de kunstenaar, naast (tenminste in de portretkunst, geschiedenis- en genre-kunst) de gebeeldhouwde of geschilderde draperie. Deze twee kunnen onder elkaar uitmaken of het fête galante tot tranen toe zal bewegen, dat een kruisiging tot een punt van vrolijkheid sereen zal zijn, dat een stigmatisering bijna onverdraaglijk erotisch, dat de gelijkenis van een wonder van vrouwelijke hersenloosheid (ik denk nu aan Ingres' onvergelijkelijke Mme. Moitessier) de meest strenge, de meest compromisloze intellectualiteit zal uitdrukken.
    Maar dit is niet het hele verhaal. Draperieën zijn, zoals ik nu ontdekt had, veel meer dan middelen om niet representatieve vormen in naturalistische schilderijen en beeldhouwwerken in te brengen. Wat de rest van ons slechts onder invloed van mescaline ziet, dat is de kunstenaar aangeboren altijd te zien. Zijn waarneming is niet beperkt tot wat biologisch of maatschappelijk bruikbaar is. Een beetje van de kennis die aan de Grote Geest toebehoort sijpelt langs de reduceerventiel van brein en ego in zijn bewustzijn. Het is de kennis van de intrinsieke betekenis van al  het bestaande. Net als voor de kunstenaar zijn ook voor de mescaline-gebruiker draperieën levende hiëroglyfen die op een of andere bijzondere veelzeggende manier staan voor het onpeilbare geheim van het zuivere zijn. Nog meer dan de stoel, hoewel misschien minder dan  die volledig bovennatuurlijke bloemen, waren de vouwen van mijn grijze flanellen broek vol "Is-heid." Ik kan niet zeggen, waaraan het deze bevoorrechte status ontleende. Is het misschien omdat de vormen van gevouwen draperie zo vreemd en dramatisch zijn dat zij in het oog vallen en op die manier de aandacht op het miraculeuze feit van louter bestaan vestigen? Wie weet? Wat van belang is minder de reden van de ervaring  dan de ervaring zelf. Toen ik naar Judith's rokken tuurde, daar in de Grootste Drug Store ter Wereld, wist ik dat Botticelli - en niet alleen Botticelli, maar ook vele anderen - naar de draperieën gekeken hadden met dezelfde verheerlijkte en verheerlijkende ogen als de mijne die ochtend waren geweest. Zij hadden de Istigkeit, het Alzijn en Oneindigheid van gevouwen kleren gezien en hadden hun best gedaan om het in verf of steen weer te geven. Natuurlijk noodzakelijkerwijs, zonder sukses. Want de glorie en het wonder van zuiver bestaan horen tot een andere orde, voorbij het Vermogen waarmee zelfs de hoogste kunst kan uitdrukken. Maar in Judith's rok kon ik duidelijk zien wat ik, als ik een geniale schilder was geweest, van mijn oude grijze flanel had kunnen maken. Niet veel, de hemel weet het, in vergelijking met de werkelijkheid, maar genoeg om generatie na generatie van toeschouwers te verrukken, genoeg om hen tenminste een beetje van de ware betekenis van wat wij in onze zielige imbeciliteit "slechts dingen" noemen en veronachtzamen terwijl van de televisie, te laten begrijpen.
    "Dit is zoals men eigenlijk zou behoren te zien," bleef ik zeggen toen ik op mijn broek neerkeek, of een blik wierp op de bejuweelde boeken in de kasten, naar de poten van mijn oneindig meer dan Van Goghiaanse stoel. "Zo zou men eigenlijk moeten zien, hoe de dingen werkelijkheid zijn." En toch waren er reserves. Want als iemand altijd op deze manier zou zien, zou hij nooit meer iets anders willen doen. Alleen maar kijken, alleen het  goddelijke Niet-Ik van bloem, boek, stoel of flanel, zijn. Dat zou genoeg zijn. Maar hoe zou het in dat geval met andere mensen moeten? Hoe met menselijke relaties? In de opnamen van de gesprekken die morgen vind ik de vraag voortdurend herhaald "Hoe is het nu met menselijke verhoudingen?' Hoe zou iemand deze tijdloze gelukzaligheid van zien zoals men eigenlijk zou moeten zien kunnen rijmen met de tijdelijke plichten van te doen wat men eigenlijk moet doen en te voelen wat men eigenlijk zou moeten voelen? " (dat is inderdaad het onverenigbare van twee werelden. De Ware Wereld van het zijn, onafhankelijheid, vrijheid, genieten en niet-doen en de kunstmatige wereld bepaald door verleden en toekomst, door worden, plichten en rechten, afhankelijkheid en verantwoordelijkheden, van schuld en boete) Men zou in staat moeten zijn," zei ik, "om deze broek als oneindig belangrijk te zien en menselijke wezens als nog veel oneindiger belangrijk."  Men zou moeten - maar in de praktijk lijkt het onmogelijk te zijn. De deelname aan de geopenbaarde glorie van de dingen lieten geen ruimte, zogezegd, voor de gewone en noodzakelijke bezigheden van het menselijke(maatschappelijke) bestaan, bovenal in de aangelegenheden met betrekking tot andere personen. Want Personen zijn Ikken en tenminste in een opzicht, was ik nu een Niet-Ik, die tegelijkertijd het Niet-Ik van de dingen rondom mij zag en was. Voor dit wedergeboren Niet-Ik, was het gedrag, de verschijning, zelfs de gedachte aan het Ik voor een ogenblik opgehouden en denken aan die andere Ikken, zijn voormalige soortgenoten, leek niet alleen onaangenaam (want onaangenaam was niet een van de categorieën waarin ik dacht) maar ontzaglijk irrelevant.(relaties in deze maatschappij worden gekenmerkt door wederzijdse afhankelijkheid, leven met elkaars eigenaardigheden en tekortkomingen, compromissen, voor wat hoort wat, machtsspelletjes, onbewuste manipulatie, eigenbelang en onvrijheid.Dat noemen mensen dan liefde. Belangeloze liefde is niet van deze wereld, want dat is allen mogelijk tussen twee vrije mensen, die elkaar niet nodig hebben) Aangespoord door de onderzoeker om wat ik aan het doen was te analyseren en er verslag van te doen (en wat verlangde ik er naar om met de Eeuwigheid in een bloem, Oneindigheid in vier stoelpoten en het Absolute in de vouwen van een flanellen broek alleen gelaten te worden) realiseerde ik mij dat ik opzettelijk de ogen van diegenen die bij mij in de kamer waren ontweek, en opzettelijk naliet mij te zeer van hen bewust te zijn. De ene was mijn vrouw, de ander een man die ik respecteerde en waar ik zeer op gesteld was; maar beiden behoorden tot de wereld, waaruit de mescaline mij voor een moment bevrijd had; de wereld van Ikken, van tijd, van morele oordelen en utilitaristische overwegingen, de wereld (en het was dit aspect van het menselijk leven dat ik boven alles wilde vergeten) van zelfbevestiging, van zelfverzekerdheid, van overgewaardeerde woorden en afgodisch aanbeden begrippen.
    Op dit punt van het gebeuren werd mij een grote kleurreproductie van het bekende zelfportret van Cézanne overhandigd - het hoofd en de schouders van een man met een grote strohoed, met rode wangen en lippen, met uitbundige zwarte bakkebaarden en een duister en onvriendelijk oog. Het is een prachtig schilderij; maar het was niet als een schilderij dat ik het nu zag. Want onmiddellijk nam het hoofd een derde dimensie aan en kwam als een kleine trolachtige man tot leven, die door in raam in de bladzijde voor me naar buiten keek. Ik begon te lachen. En toen ze me vroegen waarom, bleef ik herhalen "Wat een pretenties!" "Wie ter wereld denkt hij wel dat hij is?" De vraag was niet in het bijzonder tot Cézanne gericht, maar tot de menselijke soort in het algemeen. Wie dachten ze allemaal dat ze wel waren?
    "Het is net Arnold Bennett in de Dolomieten," zei ik, terwijl ik me plotseling een, gelukkig in een kiekje vereeuwigd, tafereel herinnerde van A.B. ongeveer vier of vijf jaar voor zijn dood, kuierend over een winterse weg in Cortina d'Ampezzo. Rond hem lag de maagdelijke sneeuw en op de achtergrond was een meer dan gothisch streven van rode rotspunten. En daar was een beminnelijke, aardige ongelukkige A.B., die de rol van zijn favoriete ingebeelde karakter bewust overdreef, zichzelf, het Typetje in eigen persoon. Daar ging hij, langzaam kuierend in de stralende Alpenzon, zijn duimen in de armsgaten van een geel vest dat een beetje lager uitbolde met de gracieuze boog van een Regency koepelvenster in Brighton - zijn hoofd achterover gegooid alsof hij een of andere gestamelde voordracht, als een houwitser, naar het blauwe hemelgewelf richtte. Wat hij in werkelijkheid zei ben ik vergeten, maar wat zijn hele manier, voorkomen en houding eigenlijk uitschreeuwden was,"Ik ben net zo goed als die verdomde bergen." En op een of andere manier was hij natuurlijk oneindig beter; maar niet, zoals hij best wist, op de manier die zijn favoriete ingebeelde karakter zich graag verbeeldde.
    Met (wat dat ook moge betekenen) of zonder succes, wij overdrijven allemaal ons favoriete ingebeelde karakter. En het feit, het bijna oneindig onwaarschijnlijke feit, van het in werkelijkheid Cézanne zijn, maakt geen verschil.. Want de volmaakte schilder, met zijn kleine pijpleiding die het breinventiel en ego-filter naar de Grote Geest omzeilt, was ook en even oprecht deze bebakkebaarde trol met het onvriendelijke oog.
    Ter opluchting keerde ik naar de vouwen in mijn broek terug. "Zo zou men moeten zien," herhaalde ik nog eens. En ik zou er aan toe hebben kunnen voegen, "Dit is het soort dingen waar men naar zou moeten kijken." Dingen zonder pretenties, tevreden met slechts zichzelf, genoeg in hun Zo-Zijn, niet gespeeld, en zonder krankzinnig, afgescheiden van het Dharma-lichaam, in een Luciferiaans tarten van Gods genade, proberen het helemaal alleen te doen.
    "Een Vermeer," zei ik, "zou dit het meest benaderen".
    Ja, een Vermeer. Want deze geheimzinnige kunstenaar was echt begiftigd met het zien dat het Dharma-lichaam als de haag achter in de tuin waarneemt, met het talent zoveel van dat zien weer te geven als de beperkingen van het menselijk vermogen toestaan, en met de bedachtzaamheid zich in zijn schilderijen te beperken tot de meer hanteerbare aspecten van de werkelijkheid; want hoewel Vermeer menselijke wezens afbeeldde, was hij toch altijd een schilder van het stilleven. Cézanne, die zijn vrouwelijke modellen vertelde dat zij hun best moesten doen er als appels uit te zien, probeerde in dezelfde geest portretten te schilderen. Maar zijn pippelingachtige vrouwen hebben meer te maken met Plato's Ideeën dan met het Dharma-lichaam in de haag. Zij zijn Eeuwigheid en Oneindigheid, niet in zand of bloem gezien, maar in de abstracties van een of andere zeer hogere meetkunde. Vermeer vroeg zijn meisjes nooit er als appels uit te zien. Hij stond er integendeel op dat zij tot het uiterste meisje waren - maar altijd onder het voorbehoud dat zij zich er van weerhielden meisjesachtig te zijn. Zij mochten zitten of rustig staan maar nooit giechelen, nooit verlegenheid uitstralen, nooit gebeden opzeggen of smachten naar afwezige vrijers, nooit roddelen, nooit afgunstig naar baby’s van andere vrouwen staren, nooit vuil worden, nooit liefhebben, haten of werken. Met het doen van een van deze dingen zouden zij ongetwijfeld intenser zichzelf worden, maar zouden om diezelfde reden ophouden met hun goddelijke wezenlijke Niet-Ik te tonen. Met de woorden van Blake waren de deuren van Vermeer's waarneming slechts gedeeltelijk gereinigd. Een enkel paneel was bijna volmaakt doorzichtig geworden; de rest van de deur was nog onder de modder. Het wezenlijke Niet-Ik zou zeer helder in de dingen en in levende schepsels aan gene zijde van goed en kwaad waargenomen kunnen worden. Het was in menselijke wezens alleen zichtbaar als zij in rust waren, hun geesten onbekommerd, hun lichamen onbeweeglijk. Onder deze omstandigheden kon Vermeer het Zo-Zijn in al zijn hemelse schoonheid zien - kon het zien en in zeer geringe mate weergeven - in een doordringend en weids stilleven. Vermeer is ongetwijfeld de grootste schilder van menselijke stillevens. Maar er zijn andere geweest bijvoorbeeld de Franse tijdgenoten van Vermeer, de gebroeders Le Nain. Zij stelden zich tot doel, meen ik, genreschilders te zijn; maar wat zij werkelijk voortbrachten was een reeks menselijke stillevens, waarin hun gereinigde waarneming van de oneindige betekenis van alle dingen niet, zoals bij Vermeer, wordt weergegeven door een doordringende verrijking van kleur en samenstelling, maar door een verhoogde helderheid, een obsessieve bepaaldheid van vorm, met een strenge, bijna monochromatische toonzetting. In onze eigen tijd hebben we Vuillard gehad, de schilder, op zijn best, van onvergetelijk prachtige schilderijen van het Dharma-lichaam, geopenbaard in een bourgeois slaapkamer, van het Absolute opvlammen temidden van een of andere effectenmakelaarsgezin, dat in een voorstedelijke tuin, aan de thee is.

Ce qui fait que l'ancien bandagiste renie
Le comptoir dont le faste alléchait les passants,
C'est son jardin d'Auteuil, où, veufs de tout encens,
Les Zinnias ont l'air d'être en tôle vernie.

    Voor Laurent Taillade was het schouwspel alleen maar onzedelijk. Maar als de handelaar in rubberartikelen in ruste stil genoeg had gezeten, zou Vuillard in hem alleen maar het Dharma-lichaam gezien hebben en zou hij in de zinnia's, de goudvissenvijver, de Moorse toren en Chinese lantaarns van de villa, een hoek van de Hof van Eden voor de val hebben geschilderd.

    Maar ondertussen bleef mijn vraag onbeantwoord. Hoe zou deze gereinigde waarneming met een passende betrokkenheid met menselijke relaties verzoend kunnen worden, met de noodzakelijke werkzaamheden en plichten, om maar niet te spreken van barmhartigheid en werkelijk mededogen?(juist de gereinigde waarneming doet je de medemens zien als datzelfde onderdeel van de werkelijkheid, al is hij zich daar zelf niet van bewust. Je ziet hem dwalen, verstrikt in zijn eigen vooroordelen, onzekerheden, gedreven door drijfveren waar hij zich niet van bewust is en een krankzinnig spel spelen, waar hij zelf de regels niet van heeft gemaakt en in de illusie dat dat het ware leven is. Dat kan alleen maar mededogen opwekken) De eeuwenoude woordenstrijd tussen de actieven en de comtemplatieven werd hernieuwd - hernieuwd, voorzover het mij betrof, met een ongekende bewogenheid. Want tot op deze morgen had contemplatie alleen zijn eenvoudigere, zijn gewonere vorm gekend - als onsamenhangend denken; als een verrukt opgaan in dichtkunst, schilderkunst of muziek; als een geduldig wachten op inspiratie zonder welke zelfs de meest prozaïsche schrijver niet kan hopen ook maar iets tot stand te brengen; als incidentele blikken in de Natuur, van  Wordsworth's "iets veel diepers ineengesmoltens"; als een stelselmatige stilte die soms tot zwemen van "duistere kennis" leidt. Maar nu kende ik beschouwing op zijn hoogtepunt. Op zijn hoogtepunt, maar nog niet in zijn volheid. Want in zijn volheid omvat de weg van Maria de weg van Martha en verheft die, zogezegd, tot zijn eigen hogere kracht. Mescaline legt de weg van Maria open, maar sluit de deur voor die van Martha. Het geeft toegang tot beschouwing - maar tot een beschouwing die niet verenigbaar is met handelen en zelfs niet met de wil tot handelen, niet eens aan de gedachte tot handelen. In de tussenpozen tussen die openbaringen is de mescalinegebruiker geneigd, hoewel aan de ene kant alles ten hoogste is zoals het zou moeten zijn, aan de andere kant te voelen dat er iets verkeerd is. Zijn probleem is in wezen hetzelfde als dat wat de quiëtist tegenkomt, de arhat en op een ander niveau de landschapschilder en de schilder van menselijke stillevens. Mescaline kan dat probleem nooit oplossen, het kan het alleen, apocalyptisch, stellen aan diegenen die het zichzelf nog nooit tevoren had gesteld. De volledige en uiteindelijke oplossing kan alleen door diegenen gevonden worden, die bereid zijn de juiste manier van Weltanschauung door middel van de juiste manier van gedrag en de juiste manier van standvastige en ontspannen waakzaamheid, te betrachten. Tegenover de quiëtist staat de actief-beschouwende, de heilige, de man die in de woorden van Eckehart, bereid is uit de zevende hemel neer te dalen met de bedoeling zijn zieke broeder een kop water te brengen. Tegenover de arhat, uit de schone schijn teruggetrokken naar een volledig transcendentaal Nirwana, staat de Bodhisattva, voor wie Zo-Zijn en de wereld van toevallige omstandigheden één zijn, en voor wiens grenzeloze mededogen elk van die omstandigheden niet alleen een gelegenheid om inzicht te herscheppen is, maar ook voor de meest feitelijke barmhartigheid. En in het universum van de kunst staat tegenover Vermeer en de andere Schilders van menselijke stillevens, tegenover de meesters van de Chinese en Japanse landschapschilderkunst, tegenover Constable en Turner, tegenover Sisley, Seurat en Cézanne, de alomvattende kunst van Rembrandt. Dit zijn kolossale namen, ongenaakbare (maatschappelijke) grootheden. Voor mijzelf kon ik, op deze gedenkwaardige morgen in Mei, alleen maar dankbaar zijn voor een ervaring die mij, duidelijker dan ik ooit eerder had gezien, de ware aard van de uitdaging en het volledig bevrijdende antwoord had laten zien.
    Laat ik er, voor we dit onderwerp verlaten, aan toevoegen dat er geen enkele vorm van beschouwing, zelfs niet de meest quiëtistische, is, die zonder zijn ethische waarden is. Minstens de helft van alle moraal is negatief en bestaat uit het buiten houden van onheil. Het Onze Vader telt minder dan vijftig woorden en zes van die woorden zijn gewijd aan de vraag aan God ons niet in verleiding te brengen. De eenzijdige beschouwende mens laat vele dingen die hij eigenlijk zou moeten doen ongedaan; maar om dat goed te maken, onthoudt hij zich van een menigte dingen die hij niet behoort te doen. De som van het kwaad, heeft Pascal opgemerkt, zou veel minder worden als mensen alleen maar zouden leren rustig in hun kamers te zitten. De beschouwende mens wiens waarneming gereinigd is hoeft niet in zijn kamer te blijven. Hij kan zich, zo volledig tevreden met het zien en een deel te zijn van de goddelijke Orde van de Dingen, aan zijn zaken wijden, dat hij zelfs nooit in de verleiding komt zich aan de, wat Traherne "de lage Listen van de Wereld" noemde, over te geven. Wanneer wij onszelf de enige erfgenamen van het universum voelen, wanneer "de zee in onze aderen stroomt.....en de sterren onze juwelen zijn," wanneer alle dingen als oneindig en heilig beschouwd worden, wat voor drijfveer kunnen we dan hebben voor hebzucht of zelfbevestiging, voor het najagen van macht of treuriger vormen van plezier? Het is aannemelijk dat beschouwende mensen geen gokkers, koppelaars of dronkaards worden; zij prediken doorgaans geen onverdraagzaamheid, of voeren oorlog; zij vinden het niet nodig de armen te bestelen, te bedriegen of te onderdrukken. En aan deze enorm negatieve deugden zouden we een andere die, hoewel moeilijk definieerbaar, zowel positief als belangrijk is, kunnen toevoegen.  De arhat en de quiëtist mogen dan wel de beschouwing niet in zijn volheid uitoefenen; maar mochten ze die in de praktijk brengen dan zouden ze verlichtende berichten van een andere, een transcendente streek van de geest, mee kunnen terugbrengen; en als zij die het op zijn verhevenst uitoefenen zullen ze gidsen worden door wie wat weldadige invloed vanuit die andere streek in de wereld van de verduisterde zelven kan stromen, die chronisch sterven bij gebrek daaraan.
    In tussen had ik mij, op verzoek van de onderzoeker, van het portret van Cézanne gekeerd naar wat er binnen in mijn hoofd, gebeurde als ik mijn ogen sloot. Deze keer was het landschap bijzonder weinig belovend. Het blikveld was gevuld met stralend gekleurde, doorlopend veranderende structuren, die uit kunststof of geëmailleerd blik gemaakt leken te zijn.
    "Goedkoop," merkte ik op. "Afgezaagd. Als dertien in een dozijn."
    En al deze vulgariteit bevond zich in een gesloten en verkrampt universum.
    "Het is alsof je benedendeks in een schip bent,'zei ik, "een dertien-in-een-dozijn-schip."
    En terwijl ik keek, werd het overduidelijk dat dit dertien-in-een-dozijn-schip op een of ander manier verbonden was met menselijke pretenties, met het portret van Cézanne, met A.B. die, temidden van de Dolomieten, zijn favoriete ingebeelde karakter overdreef. Dit verstikkende inwendige van een stuiverswinkel-schip was mijn eigen persoonlijke ik; deze prullerige mobielen waren mijn persoonlijke bijdrage aan het universum.
    Ik voelde dat de les heilzaam was, maar het speet me desalniettemin dat die op dit moment en in deze vorm toegediend moest worden. In de regel ontdekt de mescalinegebruiker een binnenwereld als een duidelijk gegeven, als vanzelfsprekend "oneindig en heilig," als die getransfigureerde buitenwereld die ik met mijn open ogen had gezien. Vanaf het begin was mijn eigen geval anders geweest. De mescaline had mij tijdelijk met het vermogen begiftigd dingen met mijn ogen gesloten te zien; maar het kon, of in ieder geval bij deze gelegenheid niet een innerlijk landschap openbaren dat in de verte vergelijkbaar was met bloemen, stoel of flanel "daarbuiten." Wat het me had toegestaan binnenin te ontwaren was niet het Dharma-lichaam, in beelden, maar mijn eigen geest; geen Zo-Zijn, maar een stel symbolen - met andere woorden een eigengemaakt surrogaat voor Zo-Zijn.
    De meeste visualiseerders veranderen door mescaline in visionairen. Enkelen van hen - en dat zijn er Misschien meer dan over het algemeen wordt aangenomen - hebben geen transformatie nodig; zij zijn altijd visionairen. Het mentale soort waar Blake toe behoorde is zelfs in de geïndustrialiseerde stedelijke gemeenschappen van tegenwoordig, tamelijk wijd verspreid.  Het unieke van de dichter-kunstenaar bestaat niet in het feit dat hij (om uit zijn Descriptive Catalogue te citeren ) werkelijk "die schitterende oorspronkelijke wezens die in de Heilige Schriften de Cherubijnen genoemd" zag. Het bestaat niet uit het feit dat "deze schitterende oorspronkelijke wezens, die ik in mijn visioenen zag, waarvan sommigen honderd voet hoog waren .....allen een mythologische en verborgen betekenis bevatten." Het bestaat enkel uit zijn bekwaamheid om in woorden of (wat minder geslaagd) in lijn en kleur in ieder geval enige zweem van een niet buitensporig ongewone ervaring af te beelden. De niet getalenteerde visionair mag dan een niet minder geweldige, prachtige en betekenisvolle innerlijke werkelijkheid dan de door Blake aanschouwde wereld,  waarnemen; maar hij mist ten ene male het vermogen, in literaire of beeldende symbolen, uit te drukken wat hij heeft gezien.
    Uit de getuigenissen van religie en de overgeleverde monumenten van dichtkunst en de beeldende kunsten is het zeer duidelijk dat mensen, in de meeste tijden en op de meeste plaatsen, meer belang hebben gehecht aan het innerlijke landschap dan aan de objectief bestaande dingen en hebben gevoeld dat wat zij met hun ogen gesloten zagen een spiritueel hogere betekenis bezat dan wat zij met hun ogen open zagen. De reden? Bekend maakt onbemind en hoe te overleven is een probleem dat zich noodzakelijkerwijs beweegt tussen het chronisch saaie en het ondragelijke. De buitenwereld is waarin wij elke morgen van ons leven ontwaken, is de plaats waar wij of het willen of niet, moeten proberen iets van ons leven te maken. In de binnenwereld is werk noch eentonigheid. Wij bezoeken die alleen in onze dromen en overpeinzingen, en de vreemdheid ervan is zodanig dat we nooit op twee opeenvolgende gelegenheden dezelfde wereld vinden. Is het dan te verwonderen dat als mensen in hun zoeken naar het goddelijke er in het algemeen de voorkeur aan hebben gegeven naar binnen te kijken? In het algemeen, maar niet altijd! Niet minder in hun kunst dan in hun religie hebben de Taoïsten en de Zen-Boeddhisten voorbij visioenen van de Leegte gekeken, en door de Leegte naar "de tienduizend dingen" van de objectieve werkelijkheid. Door hun leer van "het Woord is Vlees geworden" zouden de Christenen vanaf het begin in staat geweest moeten zijn een dergelijke houding ten opzichte van het universum rondom hen aan te nemen. Maar door de leer van de Zondeval hebben zij het erg moeilijk gevonden dat te doen. Nog geen driehonderd jaar geleden was een getuigen van een radicale wereldverloochening en zelfs wereld-veroordeling zowel orthodox als begrijpelijk. "Wij zouden ons over volstrekt niets in de Natuur mogen verwonderen, behalve alleen over de Vleeswording van Christus." In de zeventiende eeuw leek die uitspraak van Lallemant zinvol. Tegenwoordig is het een teken van waanzinnigheid.
    In China vond de opkomst van de landschapschilderkunst tot de graad van een grote kunstvorm ongeveer duizend, in Japan ongeveer zeshonderd en in Europa ongeveer driehonderd jaar geleden plaats. De vergelijking van het Dharma-lichaam met de haag werd door die Zenmeesters gemaakt, die het Taoïstische naturalisme paarden aan het Boeddhistische transcendentalisme.Daarom was het alleen in het verre Oosten dat de landschapsschilders hun kunst bewust als religieus beschouwden. In het Westen was het religieuze schilderen een zaak van het portretteren van heilige personages, van het illustreren van gewijde teksten. Landschapsschilders beschouwden zichzelf als wereldlijk. Tegenwoordig herkennen we in Seurat een van de voortreffelijkste meesters van wat mystiek landschapsschilderen genoemd zou kunnen worden.  En toch werd deze man, die doeltreffender dan wie dan ook, in staat was het Ene in de velen weer te geven, helemaal verontwaardigd als iemand hem voor de "poëzie" van zijn werk prees. "Ik gebruik alleen maar het Systeem," wierp hij tegen. Hij was met andere woorden slechts een pointilliste en, in zijn eigen ogen, niets anders. Een vergelijkbare anekdote wordt van John Constable verteld. Op een dag tegen het einde van zijn leven ontmoette Blake Constable in Hampstead en men liet hem een van de schetsen van de jongere kunstenaar zien. Ondanks zijn minachting voor naturalistische kunst begreep de oude visionair het heel goed toen hij het zag - tenzij het natuurlijk van Rubens geweest was. "Dit is geen tekenen," riep hij uit, "dit is inspiratie!" "Ik had het als tekenen bedoeld," was het karakteristieke antwoord van Constable. Beide mannen hadden gelijk. Het was tekenen, precies en waarheidsgetrouw, en tezelfdertijd washet inspiratie - inspiratie van een minstens even hoge orde als die van Blake. De grove dennen van Hampstead Heath waren in werkelijkheid hetzelfde gezien als het Dharma-lichaam. De schets was een weergave, noodzakelijkerwijs onvolmaakt maar toch zeer indrukwekkend, van wat een gereinigde waarneming voor de open ogen van een groot schilder had geopenbaard. Van een beschouwen in de traditie van Wordsworth en Whitman, van het Dharma-lichaam als haag, en van visioenen als van Blake, van de "prachtige oorspronkelijken" in de geest, hebben contemporaine dichters zich teruggetrokken in een onderzoek naar het persoonlijke, als het tegenovergestelde van het meer dan persoonlijke, onderbewuste en in het in zeer abstracte termen weergeven niet van het gegeven objectieve feit maar van louter wetenschappelijke en theologische begrippen. En iets dergelijks is met de inhoud van het schilderen gebeurd, waar we van een algemene terugtocht van het landschap getuige zijn geweest, de overheersende kunstvorm van de negentiende eeuw. Die terugtocht uit het landschap heeft niet geleid naar dat andere, innerlijke, goddelijke Gegeven, waarmee de meeste traditionele scholen van het verleden zich bezig gehouden hebben, die Archetypische Wereld, waar mensen altijd de ruwe grondstoffen van mythe en religie gevonden hebben. Nee, het is een terugtocht van het uiterlijke Gegeven naar het persoonlijke onbewuste geweest, naar een zelfs armoediger en geslotener mentale wereld dan de wereld van een bewuste persoonlijkheid. Waar had ik deze uitvindsels van prullig en felgekleurd plastic eerder gezien? In elk schilderijenmuseum dat de laatste voorstellingsloze kunst tentoonstelt.
    En nu haalde iemand een grammofoon te voorschijn en legde een plaat op de draaischijf. Ik luisterde met plezier, maar ervoer niets vergelijkbaars aan de apocalyps van bloemen of flanel, die ik gezien had. Zou een van nature begaafde musicus de openbaringen, die voor mij uitsluitend visueel geweest waren, horen ? Het zou interessant zijn de proef op de som te nemen. Intussen droeg de muziek, hoewel niet getransfigureerd en ofschoon zij haar normale kwaliteit en intensiteit behield, er niet in geringe mate toe bij dat ik begreep wat er gebeurd was en aan de verdere problemen die deze gebeurtenissen hadden opgeroepen..
    Vreemd genoeg liet instrumentele muziek me nogal koud. Mozart's Piano Concert in C-Mineur werd na het eerste deel afgebroken en daarvoor kwam de opname van een paar madrigalen van Gesualdo in de plaats
    "Deze stemmen," zij ik waarderend, "deze stemmen - zijn als een soort brug terug naar de menselijke wereld."
    En zij bleven een brug terug, ook toen zij de meest ontstellende chromatische composities van de krankzinnige prins zongen. Door de ongelijkmatige frasen van de madrigalen heen, vervolgde de muziek zijn weg, zonder ooit twee maten aan dezelfde sleutel te blijven hangen. In Gesualdo, dat fantastische personage uit een melodrama van Webster, was de psychologische ontbinding overdreven, tot een uiterste grens gedreven, een tendens die inherent is aan modale in tegenstelling tot volledig tonale muziek. De daaruit voortgekomen werken klonken alsof zij door de latere Schönberg gecomponeerd waren.
    "En toch," voelde ik mijzelf verplicht te zeggen, toen ik naar deze vreemde voortbrengselen van een Contra-reformatie-psychose luisterde, die op een laat middeleeuwse kunstvorm inwerkte,  "en toch maakt het niet uit dat hij volledig in stukken uiteenligt. Het geheel is ontregeld. Maar elk afzonderlijk fragment klopt en is een vertegenwoordiger van een Hogere Orde. De Hoogste Orde overheerst zelfs in de desintegratie. De totaliteit is zelfs in de brokstukken aanwezig. Misschien zelfs duidelijker aanwezig dan in een compleet samenhangend werk. In ieder geval word je niet door een of andere slechts menselijke, slechts gefabriceerde orde in een gevoel van valse zekerheid gesust. Je moet afgaan op je directe waarneming van de ultieme orde. In zekere zin kan desintegratie dus zijn voordelen hebben. Maar het is natuurlijk gevaarlijk, afschuwelijk gevaarlijk. Stel je voor dat je uit die chaos niet terug zou kunnen komen...."(zoals een pop eerst moet desintegreren om een vlinder te worden, moet de mens ook eerst desintegreren, zijn schijnzekerheden opgeven, zijn twijfels aan zijn eigen spelregels toe durven laten, zijn kunstig geconstrueerde overlevingsstrategieën, zijn altijd goedgeprate zelfbedrog, zijn onwaarachtigheid en onechtheid onder ogen durven te zien, voordat hij zich daarvan kan bevrijden. Wie niet beseft dat hij gevangen zit, kan nooit bevrijd worden. In onze ppsychiatrische inrichtingen zitten diegenen die op weg naar die Andere Wereld het spoor zijn bijster geraakt, omdat zij tegen de stroom durfden in te zwemmen en voor gek werden verklaart.)
    Van Gesualdo's madrigalen sprongen wij over een golf van drie eeuwen naar Alban Berg en de Lyrische Suite.
    "Dit" kondigde ik van tevoren aan, "gaat de hel worden."
    Maar het bleek dat ik het bij het verkeerde eind had. De muziek klonk in werkelijkheid nogal grappig. Opgedregd uit het persoonlijke onbewuste volgde twaalftonige zielenstrijd op zielenstrijd; maar wat me trof was alleen maar de wezenlijke tegenstrijdigheid tussen een nog totalere psychologische desintegratie dan die van Gesualdo en de verbazingwekkende hulpmiddelen, in talent en techniek, die bij de uitdrukking ervan gebruikt waren.
    "Wat heeft hij met zichzelf te doen!" merkte ik met een spottend gebrek aan medegevoel op. En daarna,  "Katzenmusik—geleerde Katzenmusik." En tot slot, na nog een paar minuten van foltering, "Het zal me een zorg zijn wat zijn gevoelens zijn. Waarom kan hij zijn aandacht niet aan wat anders besteden?"
    Het was als kritiek op wat ongetwijfeld een zeer opmerkelijk werk is, oneerlijk en onredelijk - maar ik denk niet ontoepasselijk. Ik haal het aan voor wat het waard is en omdat ik zo, in een toestand van volledige beschouwing, op de Lyrische Suite reageerde.
    Toen het voorbij was, stelde de onderzoeker een wandeling in de tuin voor. Ik wilde wel; en hoewel mijn lichaam zich bijna volledig van mijn geest had afgescheiden - of preciezer, hoewel mijn bewustzijn van de getransfigureerde buitenwereld niet langer vergezeld werd door het bewustzijn van mijn fysieke organisme - bleek ik in staat op te staan, de openslaande deur te openen en met slechts een minieme aarzeling naar buiten te lopen. Het was natuurlijk raar het gevoel te hebben dat "ik" niet hetzelfde was als deze armen en benen "daar buiten" als deze hele objectieve romp en nek en zelfs hoofd. Het was raar; maar ik raakte er al gauw aan gewend. En het lichaam leek in ieder geval uitstekend in staat op zichzelf te letten. In werkelijkheid let het natuurlijk altijd goed op zichzelf. Alles wat het bewuste ego kan doen is wensen formuleren die dan door krachten die het maar weinig onder controle heeft en helemaal niet begrijpt, uitgevoerd worden. Als het iets meer doet - als het te zeer zijn best doet, wanneer het zich bijvoorbeeld zorgen maakt, als het bezorgd voor de toekomst is - vermindert het de effectiviteit van die krachten en kan er zelfs voor zorgen dat het van zijn levenskracht beroofde lichaam ziek wordt. In mijn huidige toestand was het bewustzijn niet toe te schrijven aan het ego; het stond zogezegd op zichzelf. Voorlopig was dat bemoeizuchtige neurotische dat, in uren van waken de show probeert te stelen, zalig uit de weg.
    Ik wandelde door de openslaande deuren naar buiten onder een soort pergola die deels door een klimroos bedekt was, deels door latjes van een paar centimeter breed met een centimeter tussenruimte. De zon scheen en de schaduw van de latjes maakten een zebra-achtig patroon op de grond en over de zitting en rugleuning van een tuinstoel die aan deze kant van de pergola stond. Zal ik die stoel ooit vergeten? Waar de schaduwen op de canvas bekleding vielen, wisselden strepen van een diep maar stralend indigo elkaar af met strepen van een zo intens stralend gloeien dat het nauwelijks te geloven was dat die uit iets anders dan uit blauw vuur gemaakt waren. Gedurende wat een immens lange tijd leek, staarde ik zonder te weten, zelfs zonder willen weten, naar wat het was dat zich tegenover mij bevond. Bij elke andere gelegenheid zou ik de stoel afwisselend met licht en schaduw gestreept hebben gezien. Vandaag had het waargenomene de voorstelling verzwolgen. Ik was zo volledig in beslag genomen door het kijken, zo overdonderd door wat ik in werkelijkheid zag, dat ik me van niets anders bewust kon zijn. Tuinmeubels, latjes, zonlicht, schaduw - dat waren niet meer dan namen en begrippen, slechts verwoordingen, voor gebruiks- of wetenschappelijke doeleinden, naderhand. Het gebeuren was deze opeenvolging van azuren ovendeuren gescheiden door golven van onpeilbaar gentiaan. Het was onuitsprekelijk prachtig, prachtig bijna op het afschrikwekkende af. En plotseling kreeg ik een flauw vermoeden van hoe het zou moeten voelen gek te zijn. Schizofrenie heeft zowel zijn hemels als zijn hellen en vagevuren. Ik herinnerde me wat een oude vriend die al jaren dood is, mij over zijn krankzinnige vrouw vertelde. Hij was op een dag, in een vroeg stadium van de ziekte, toen zij nog haar heldere ogenblikken had, met haar begonnen over hun kinderen te praten. Ze luisterde een tijdje en viel hem toen in de rede. Hoe kon hij het opbrengen zijn tijd te verdoen aan een paar afwezige kinderen , als alles wat er werkelijk hier en nu toe deed, de onuitsprekelijke schoonheid van de patronen was, die hij, in zijn bruine tweedjasje, telkens wanneer hij zijn armen bewoog, maakte? Helaas was dit Paradijs van de gereinigde waarneming, van een zuiver eenzijdige beschouwing, onverdraaglijk. De gelukzalige onderbrekingen werden zeldzamer, werden korter, tot er tot slot geen meer waren; er was alleen nog maar afgrijzen.
    De meeste mescaline-slikkers ervaren alleen het hemelse deel van de schizofrenie. De drug brengt alleen hel en vagevuur aan diegenen die kortgeleden nog geelzucht hebben gehad, of die aan periodieke depressies of chronische angsten lijden. Als mescaline, zoals de andere in kracht wat vergelijkbare drugs, opvallend toxisch zou zijn, zou het innemen op zich al genoeg zijn om onrust op te wekken. Maar de redelijk gezonde persoon weet van tevoren dat, voor zoverre het om hem gaat, mescaline volledig onschadelijk is, dat de effecten ervan na acht of tien uur zullen verdwijnen en geen kater zal opleveren en dientengevolge geen verlangen naar een nieuwe dosis. Gesterkt door deze wetenschap, laat hij zich onbevreesd in met het experiment - met andere woorden, zonder neiging een ongekend vreemde en anders dan een menselijke ervaring in iets ontzettends, iets werkelijks duivels te veranderen.
    Geconfronteerd met een stoel die er als het Laatste Oordeel uitzag - of  nauwkeuriger, met het Laatste Oordeel dat ik na een hele tijd en nogal wat moeite als een stoel herkende - bevond ik me opeens op de rand van paniek. Plotseling voelde ik dat dit te ver ging. Te ver, zelfs nu het naar een intensere schoonheid en diepere betekenis voerde. Het was, naar ik achteraf analyseerde, de angst verpletterd te worden of te desintegreren onder de druk van een werkelijkheid, groter dan een geest die meestal gewend is in een behaaglijke wereld van symbolen te leven, mogelijk zou kunnen dragen. De litteratuur van de religieuze ervaring wemelt van de verwijzingen naar de pijnen en verschrikkingen waar diegenen, die te overijld van aangezicht tot aangezicht met een openbaring van het Mysterium tremendum stonden, door overstelpt werden. De angst is, in theologische taal, te wijten aan de onverenigbaarheid tussen de zelfverheerlijking van de mens en de goddelijke zuiverheid, tussen de door de mens zelf verergerde afgescheidenheid en de oneindigheid van God.. In navolging van Boehme en William Law, zouden we kunnen zeggen dat het goddelijke Licht in zijn volle gloed, door niet herboren zielen, slechts als een brandend vagevuur opgevat kan worden. Een vrijwel gelijkluidende leer kan men in het Tibetaanse Dodenboek vinden, waar de heengaande ziel als in doodsangst krimpend voor het Zuivere Licht van de Leegte beschreven wordt en zelfs voor de mindere, getemperde Lichten, ten einde regelrecht de vertroostende duisternis van de zelfzucht van een herboren menselijk wezen in te vluchten, of zelfs als van een beest, een ongelukkig spook, een bewoner van de hel. Alles liever dan de brandende helderheid van een grenzeloze Werkelijkheid - alles liever!
    De schizofreen is een niet alleen niet wedergeboren ziel, maar ook nog eens wanhopig ziek. Zijn ziekte bestaat uit zijn onmacht uit de inwendige en uitwendige werkelijkheid te vluchten (zoals de geestelijk gezonde (de persoon die bereid is zich aan te passen) persoon doorgaans doet) - de strikte menselijke (maatschappelijke) wereld van bruikbare begrippen, gedeelde symbolen en maatschappelijk aanvaardbare conventies. De schizofreen is als iemand die doorlopend onder invloed van mescaline is en daardoor niet in staat is het ervaren van een werkelijkheid, waarvoor hij niet heilig genoeg is om mee te leven, buiten te sluiten, die hij niet weg kan redeneren omdat het de koppigste van alle primaire feiten is, en die hem, omdat het hem nooit toestaat met alleen maar menselijke ogen naar de wereld te kijken, te bang maakt om de aanhoudende vreemdheid en de brandende intensiteit van haar betekenis, als de uitingen van menselijke of zelfs kosmische boosaardigheid te interpreteren en die de meest wanhopige tegenmaatregelen oproept, van moorddadig geweld aan het ene uiteinde tot katatonie, of psychologische zelfmoord aan het ander uiteinde van de schaal. En eenmaal op de neerwaartse (opwaartse), de weg naar de hel (hemel), zou men nooit meer in staat zijn halt te houden. Dat nu, was maar al te duidelijk.
    "Als je op de verkeerde manier begint," antwoordde ik op de vragen van de onderzoeker, "dan zou alles wat er zou gebeuren een bewijs voor de samenzwering tegen jou zijn. Het zou allemaal zelfbevestigend zijn. Geen ademhaling zou mogelijk zijn zonder besef dat het een deel van het complot was."
    "Dus je denkt te weten waar krankzinnigheid in ligt?'
    Mij antwoord was overtuigd en hartgrondig, "Ja."
    "En je zou het niet in de hand kunnen houden?"
    "Nee, ik zou het niet in de hand kunnen houden. Als iemand met angst en haat als de belangrijkste premisse zou beginnen, zou hij tot het einde door moeten gaan."
    "Zou je in staat kunnen zijn," vroeg mijn vrouw, "je aandacht op wat het Tibetaanse Dodenboekhet Heldere Licht noemt te vestigen?"
    Ik twijfelde..
    "Zou het het kwaad weghouden als je het vast zou kunnen houden?"
    Ik dacht enige tijd na over de vraag. "Misschien," antwoordde ik tenslotte, "misschien zou ik het kunnen - maar alleen als er iemand zou zijn die me over het Heldere Licht zou kunnen vertellen. Je zou het niet alleen kunnen. Dat is het, geloof ik, waar het bij het Tibetaanse ritueel om gaat - iemand die er de hele tijd bij zit en je vertelt wat wat is."(het gaat er niet om dat iemand vertelt wat wat is, maar dat iemand bevestigt dat het geen onzin is wat je ziet en de manier waarop je het ziet. Dat het klopt dat deze maatschappij krankzinnig is, een ingewikkelde samenzwering van slapenden, van mensen die niet weten wat ze doen)
    Nadat ik naar dit deel van de opname van het experiment had geluisterd, pakte ik mijn exemplaar van de uitgave van Evans-Wentz van Het Tibetaanse Dodenboek en sloeg het zomaar open. "O edelgeborene, laat uw geest niet afgeleid worden." Dat was het probleem - niet afgeleid worden. Niet afgeleid door de herinnering aan voorbije zonden, door verbeeld vermaak, door de bittere nasmaak van oude misstappen en vernederingen, door de angsten en haatgevoelens en begeerten die het Licht gewoonlijk overschaduwen. Zouden de psychiaters niet, wat die Boeddhistische monniken voor de stervenden en de doden deden, voor de krankzinnigen kunnen doen? Laat er een stem zijn die hen, overdag en als zij slapen, verzekert dat ondanks alle verschrikkingen, alle verwarring en verbijstering, de ultieme Werkelijkheid onschokbaar zichzelf blijft en dat het van dezelfde substantie is als het innerlijk Licht van zelfs de wreedst gefolterde geest. Met behulp van apparaten als bandrecorders, schakelklokken, publieke omroepsystemen en hoofdkussen-luidsprekers zou het heel gemakkelijk zijn de bewoners van zelfs een personeelsonderbezette inrichting voortdurend aan dit fundamentele feit te herinneren.  Misschien zouden op die manier een paar van die verloren zielen geholpen kunnen worden in enige mate controle over het universum te verkrijgen - tegelijkertijd prachtig en aantrekkelijk, maar altijd anders dan menselijk, altijd volledig onbegrijpelijk - waarin zij zichzelf veroordeeld vinden te leven.
    Niet vlug genoeg werd ik van de verontrustende pracht van mijn tuinstoel weggeleid. Het klimop-loof scheen, in groene parabolen afhangend van de haag,  met een soort glasachtige jade schittering. Even later spatte een groep Red Hot Pokers, in volle bloei, in mijn blikveld uiteen. Zo hartstochtelijk levend, dat zij op de uiterste rand van spreken stonden, drongen de bloemen naar de hemel omhoog. Net als de stoel onder de latten beschutten zij teveel. Ik keek op de bladeren neer en ontdekte een spelonkachtige warrigheid van de tederste groene lichten en schaduwen, die met een niet te ontcijferen geheimenis pulseerden.

Rozen :

De bloemen zijn eenvoudig te schilderen,
De bladeren moeilijk.


   De haiku van Shiki (die ik aanhaal in de vertaling van R. H. Blyth) drukt indirect precies uit wat ik toen voelde - de overdadige, al te duidelijke glorie van de bloemen, in contrast met het delicatere wonder van hun groen.

    We liepen naar buiten de straat op. Een grote lichtblauwe auto stond aan de stoep. Bij de aanblik overviel mij plotseling een enorme vrolijkheid. Wat een arrogantie, wat een absurde zelfgenoegzaamheid straalde van die uitpuilende vreselijk glanzende gelakte oppervlakken  af! De mens had het ding naar zijn eigen beeld geschapen - of liever naar het beeld van zijn favoriete ingebeelde karakter. Ik lachte tot de tranen mij langs de wangen stroomden.
    We gingen het huis weer binnen. Er was een maaltijd bereid, Iemand, die nog niet identiek was aan mijzelf, viel met een uitgehongerde trek aan. Vanaf een beduidende afstand en zonder veel belangstelling keek ik toe.
    Toen de maaltijd op was stapten we in de auto op weg voor een ritje. De werking van de mescaline zakte al af: maar de bloemen in de tuinen trilden nog op de rand van het bovennatuurlijke, de peperbomen en de johannesbroodbomen aan de kant van de straten behoorden duidelijk nog tot een of ander heilig woud. Eden afgewisseld met Dodona. Yggdrasil met de mystieke Roos. En opeens stonden we toen op een kruispunt en wachtten om de Sunset Boulevard over te steken.Voor ons rolden de auto's in een gestage stroom voorbij - duizenden, allemaal stralend en blinkend als de droom van een advertentieblad en de een nog belachelijker dan de ander. Opnieuw schudde ik van het lachen.
    De Rode Zee van het verkeer week uiteindelijk uiteen en we staken over naar een andere oase van bomen en grasperken en rozen. In een paar minuten waren we naar een geschikt uitkijkpunt in de heuvels geklommen en daar lag de stad uitgespreid beneden ons. Nogal teleurstellend, het zag er precies uit als de stad die ik bij andere gelegenheden had gezien. Wat mij betrof was transfiguratie evenredig aan afstand. Hoe dichterbij hoe anders goddelijker. Dit uitgestrekte vage panorama was nauwelijks anders dan zichzelf.
    We reden verder en zolang we in de heuvels bleven, met het ene verre uitzicht volgend op het andere, bleef de betekenis op zijn niveau van alledag, ver beneden het transfiguratie-punt. De betovering begon pas weer te werken toen we een nieuwe voorstad insloegen en tussen de twee rijen huizen doorgleden. Hier waren, ondanks de bijzondere afzichtelijkheid van de architectuur, hernieuwde momenten van de transcendentale andersheid, zwemen van de hemel van die morgen. Bakstenen schoorstenen en groene kunststofdaken gloeiden in de zonneschijn, als brokstukken van het Nieuwe Jeruzalem. En opeens zag ik wat Guardi gezien had en (met wat een onvergelijkbare vaardigheid) zo vaak in zijn schilderingen had weergegeven - een gepleisterde muur met een schuin opvallende schaduw, nietszeggend maar onvergetelijk prachtig, leeg maar beladen met heel de betekenis en het geheim van het bestaan. De openbaring daagde en was binnen een fractie van een seconde weer verdwenen. De auto was verder gereden; de tijd ontblootte een andere uiting van het eeuwige Zo-Zijn. "Binnen gelijkheid is verscheidenheid. Maar dat die verscheidenheid van gelijkheid zou verschillen is op geen enkele manier de bedoeling van alle Boeddha's. Hun bedoeling is zowel totaliteit als verscheidenheid." Dit bed rode en witte geraniums bijvoorbeeld - het was volmaakt verschillend van die gepleisterde muur honderd meter verder op de weg. Maar het "is-zijn" van beide was hetzelfde, de eeuwige hoedanigheid van hun vergankelijkheid was dezelfde.
    Een uur later en tien mijl verder en het bezoek aan De Grootste Drug Store van de Wereld veilig achter ons, waren we weer thuis en was ik teruggekeerd naar die geruststellende maar uiterst onbevredigende toestand die wij als "bij zijn volle verstand" kennen.

Dat de mensheid in zijn geheel het ooit zonder Kunstmatige Paradijzen kan stellen lijkt erg onwaarschijnlijk.
(zolang mensen in dit door hen zelf gecreëerde tranendal leven, in hun uitzichtsloze gevangenissen, zullen ze blijven vluchten in hun kortstondige Kunstmatige Paradijzen. Altijd zullen ze weer terugkeren in hun Kunstmatige Wereld)
De meeste mannen en vrouwen leven op zijn slechts zo'n pijnlijk, op zijn best zo'n eentonig, armzalig en beperkt leven dat de drang om te ontsnappen, het verlangen zichzelf al is het maar voor een paar ogenblikken te overstijgen, een van de belangrijkste begeerten van de ziel is en altijd geweest is. Kunst en religie, carnavals en uitspattingen, dansen en het luisteren naar oratoria - allemaal hebben ze, in de woorden van H. G. Wells als Deuren in de Muur gediend. En voor persoonlijk en dagelijks gebruik zijn er altijd chemische bedwelmende middelen geweest. Alle plantaardige kalmerende en narcotische middelen, alle euphorica die aan bomen groeien, de hallucinogenen die rijpen in bessen of uit wortels geperst kunnen worden - allemaal zijn ze zonder uitzondering bekend geweest en stelselmatig sinds onheuglijke tijden door menselijke wezens gebruikt. En aan deze natuurlijke bewustzijnsveranderende middelen heeft de moderne wetenschap haar aandeel synthetische middelen toegevoegd - chloralhydraat, bijvoorbeeld, en amfetamine, de bromiden en de barbituraten.
    De meeste van deze bewustzijnsveranderende middelen kunnen nu alleen op doktersvoorschrift gebruikt worden, of anders illegaal en met groot risico. Voor onbeperkt gebruik heeft het Westen alleen alcohol en tabak toegestaan. Alle andere chemische Deuren in de Muur worden Dope genoemd en hun onwettige gebruikers zijn maniakken.
    Wij besteden nu heel wat meer tijd aan drinken en roken dan we aan opvoeding besteden. Dat is natuurlijk niet verrassend. De drang te ontsnappen aan ikheid en de omgeving is in bijna iedereen bijna altijd aanwezig. De drang iets voor de jeugd te doen is alleen bij ouders sterk en bij hen alleen voor die paar jaar dat hun kinderen naar school gaan. Evenmin verrassend is de huidige houding ten opzichte van drinken en roken. Ondanks het wassende leger van hopeloze alcoholisten, ondanks de honderdduizenden mensen die jaarlijks verminkt of gedood worden door dronken automobilisten, tappen populaire komieken nog steeds moppen over alcohol en de alcoholverslaafden. En ondanks het bewezen (statistisch en niet causaal) verband tussen roken en longkanker, beschouwt vrijwel iedereen het roken van tabak nauwelijks minder normaal en natuurlijk dan eten. Uit het oogpunt van de rationele utilitarist mag dit vreemd lijken. Voor de historicus is dat precies wat je zou verwachten. Een stellige overtuiging van de materiele werkelijkheid van de Hel heeft middeleeuwse Christenen er nooit van weerhouden te doen wat hun eerzucht, lust en begeerte hen ingaf. Longkanker, verkeersongelukken en de miljoenen ellendige en ellende voortbrengende alcoholisten zijn zelfs zekerder feiten dan in Dante's dagen het feit van het Inferno was. Maar al dat soort feiten zijn ver verwijderd en onwerkelijk vergeleken met het nabije, hier en nu gevoelde feit van een snakken naar bevrijding of verdoving, naar drank of roken.
    Aan ons is, onder andere, de tijd van de auto en de snelle bevolkingtoename. Alcohol is onverenigbaar met veiligheid op de wegen en de productie ervan, net als van tabak, veroordeelt vele miljoenen hectaren van de meest vruchtbare grond feitelijk tot onvruchtbaarheid. Het is vanzelfsprekend dat de problemen door alcohol en tabak veroorzaakt niet door verboden opgelost kunnen worden. De universele en altijd aanwezige drang tot zelf-transcendentie mag niet door de huidige populaire Deuren in de Muur dicht te slaan, vernietigd worden.(toch is het zo dat zolang die kunstmatige deuren aanwezig zijn, de drang om met eigen kracht de enge poort te bereiken, nauwelijks aanwezig is. Dat is het verraderlijke van de kunstdeuren) Het enige zinnige beleid is andere, betere deuren te openen in de hoop mannen en vrouwen ertoe te brengen hun oude slechte gewoonten in te ruilen voor nieuwe en minder schadelijke. Sommige van deze andere, betere deuren zullen maatschappelijk en technologisch van aard zijn, andere religieus of psychologisch, andere diëtistisch, opvoedkundig of gymnastisch. Maar de noodzaak voor veelvuldige chemische vakanties, weg uit de onverdraaglijke ik-heid en weerzinwekkende omstandigheden, zullen ongetwijfeld blijven bestaan.Wat nodig is een nieuwe drug die ons lijdend mensdom zal verlichten en troosten(wat de mensheid echt nodig is een routebeschrijving en handleiding om de de uitgang uit dit tranendal te vinden, de poort naar de Andere Wereld, het Nirvana, de apatheia of het Koninkrijk. Al het andere is alleen een tijdelijk surrogaat) zonder op de lange termijn meer kwaad te doen, dan het goed doet op de korte. Zo'n drug moet in minieme doseringen werkzaam en bereidbaar zijn. Als het die eigenschappen niet heeft zal de productie ervan, net als van wijn, bier, alcoholica en tabak, de verbouw van onmisbare voedingsmiddelen en vezels verstoren. Het moet minder toxisch zijn dan opium of cocaïne,  minder waarschijnlijk dan alcohol of barbituraten tot onwenselijke maatschappelijke consequenties leiden, minder schadelijk voor hart en longen zijn dan de teer en nicotine van sigaretten. En aan de positieve kant, zou het belangwekkender en intrinsiek waardevollere veranderingen in het bewustzijn moeten veroorzaken dan slechts verdoving of dromerigheid, wanen van almacht of bevrijding van remmingen.
    Voor de meeste mensen is mescaline vrijwel geheel onschadelijk. Anders dan alcohol voert het de gebruiker niet tot dat soort van ongeremde actie dat uitloopt in vechtpartijen, geweldsmisdrijven en verkeersongelukken. Iemand die onder invloed van mescaline is gaat rustig zijn eigen gang. Bovendien is de zaak waar hij mee bezig is een ervaring van het meest verlichtende soort, waar hij niet (en dit is zeker belangrijk) met een compenserende kater voor hoeft te betalen Van de lange termijngevolgen van regelmatig mescaline-gebruik weten we heel weinig. De Indianen die peyote gebruiken schijnen door die gewoonte niet fysiek of moreel te degenereren. Het beschikbare bewijs is echter nog schaars en oppervlakkig. Hoewel duidelijk superieur aan cocaïne, opium, alcohol en tabak, is mescaline toch niet de ideale drug. Evenzeer als er een gelukkige verheerlijkte meerderheid van mescaline-gebruikers is, is er een minderheid die in het middel slechts hel en vagevuur vindt. Bovendien duren, voor een drug die net als alcohol voor algemeen gebruik bestemd zou moeten zijn, de effecten een onhandig lange tijd.  Maar de chemie en de fysiologie zijn tegenwoordig praktisch tot bijna alles in staat. Als de psychologen en sociologen een definitie van het ideaal zullen geven, kan men het aan de neurologen en farmacologen overlaten de middelen waarmee dat ideaal gerealiseerd kan worden te ontdekken of tenminste (want misschien kan dit soort ideaal, uit de aard van zijn natuur, nooit helemaal verwerkelijkt worden) kan het dichterbij gebracht worden dan in het wijn-doordrenkte verleden of het whisky-drinkende, marihuana-rokende en barbituraten-slikkende heden.
    De drang om de zelfverzekerde zelfzucht te overstijgen is, zoals ik al gezegd heb, een hoofdverlangen van de ziel.  Als om wat voor reden dan ook, mannen en vrouwen er niet in slagen zichzelf door middel van erediensten, goede werken en spirituele oefeningen, te overstijgen, zijn zij geneigd hun toevlucht te zoeken bij het chemische surrogaat van religie - alcohol en peppillen in het moderne Westen, alcohol en opium in het Oosten, hasjiesj in de Mohammedaanse wereld, alcohol en marihuana in Centraal Amerika, alcohol en coca in de Andes, alcohol en de barbituraten in de meer bijdetijdse gebieden van Zuid Amerika. In Poisons Sacrés, Ivresses Divines heeft Philippe de Felice uitvoerig en met een schat aan documentatie over het onheugelijke verband tussen religie en het gebruik van drugs, geschreven. Hier zijn in het kort of in zijn eigen woorden, zijn conclusies. Het gebruik van toxische stoffen voor religieuze doeleinden is "buitengewoon wijdverbreid.... De praktijken die in dit boek bestudeerd zijn kunnen in alle gebieden in de wereld waargenomen worden, niet minder onder primitieven dan onder diegenen die een hoge graad van beschaving hebben bereikt. We hebben dus niet met uitzonderlijke feiten die verdedigbaar over het hoofd gezien kunnen worden, te maken, maar met een algemeen en in de breedste zin van het woord, menselijk fenomeen, het soort fenomeen dat door niemand die probeert te ontdekken wat religie is en wat de diepe behoeften zijn die het moet bevredigen, genegeerd kan worden."

    Het zou ideaal zijn als iedereen in staat zou zijn zelf-transcendentie in een of andere vorm van zuivere of toegepaste religie, te vinden. In de praktijk lijkt het erg onwaarschijnlijk dat deze gehoopte vervulling ooit werkelijkheid zal worden. Er zijn, en ongetwijfeld zullen ze er altijd zijn, goede kerkgangers en -gangsters, voor wie helaas vroomheid niet genoeg is. Wijlen G. K. Chesterton, die minstens zo lyrisch over drank als over devotie schreef, kan als hun welsprekende zegsman dienen.
    De moderne kerken, met enkele uitzonderingen onder de Protestante denominaties, tolereren alcohol, maar zelfs de meest tolerante hebben geen poging ondernomen om de drug tot het Christendom te bekeren, of het gebruik ervan te wijden. De vrome drinker wordt gedwongen zijn religie in het ene hokje tot zich te nemen, zijn religie-surrogaat in het andere. En misschien is dit onvermijdelijk. Drinken kan alleen in religies, die geen belang hechten aan decorum, tot sacrament verheven worden. De eredienst van Dionysus of de Keltische God van het Bier was een luidruchtige en ordeloze aangelegenheid. De riten van het Christendom zijn zelfs onverenigbaar met religieuze dronkenschap. Dit schaadt de brouwers niet, maar is zeer slecht voor het Christendom. Ontelbare mensen wensen zelf-transcendentie en zouden blij zijn als ze dat in de kerk zouden kunnen vinden. Maar helaas, "de hongerige schapen zien op, maar worden niet gevoed" . Zij nemen deel aan de rituelen, zij luisteren naar preken, zij herhalen gebeden; maar hun dorst blijft ongelest. Teleurgesteld wenden zij zich tot de fles. Voor een tijdje in ieder geval en op een of andere manier, werkt het. Ze mogen nog steeds naar de Kerk; maar het is niet meer dan de Muzikale Bank in Samuel Butler's Erewhon. God mag nog steeds erkend worden; maar Hij is slechts God op verbaal niveau, slechts op een zuiver Pickwickiaanse manier. Het uiteindelijke voorwerp van verering is de fles en de enige religieuze ervaring is die toestand van ongeremde en strijdlustige euforie die volgt op het innemen van de derde cocktail.
    We zien dus dat Christendom en alcohol niet met elkaar samen kunnen gaan en dat ook niet doen. Christendom en mescaline lijken veel meer met elkaar verenigbaar te zijn. Dit is door veel Indianenstammen, van Texas tot zo noordelijk als Winsconsin, aangetoond. Onder deze stammen worden groepen gevonden die zich aangesloten hebben bij de Native American Church, een sekte waarvan het belangrijkste ritueel een soort van Vroegchristelijke agape of liefdesfeest is, waar stukjes peyote de plaats hebben ingenomen van het sacramentele brood en wijn. Deze autochtone Amerikanen beschouwen de cactus als de speciale gave Gods aan de Indianen, en vergelijken de effecten ervan met de werking van de Heilige Geest.
    Professor J. S. Slotkin, een van de sporadische blanken die ooit aan de rituelen van een Peyote-broederschap heeft deelgenomen, vertelt van zijn medeaanbidders dat zij "zeker niet verdoofd of dronken zijn.....Zij raken nooit uit hun ritme of zoeken nooit naar woorden, zoals een dronken of bedwelmde man zou doen.... Ze zijn allemaal rustig, hoffelijk en houden rekening met elkaar. Ik ben nog nooit in een enig kerkgebouw van de blanken geweest waar zoveel religieus gevoel of decorum was." En wat, mogen we vragen, ervaren die toegewijde en zich goed gedragende Peyotisten dan wel? Niet het milde deugdzame gevoel dat de gemiddelde Zondagse kerkganger negentig minuten verveling doet verdragen. Ook niet die verheven gevoelens, geïnspireerd door gedachten aan de Schepper en Verlosser, de Rechter en de Vertrooster, die de vromen bezielen. Voor deze autochtone Amerikanen is de religieuze ervaring iets directer en verlichtender, spontaner en minder een eigengemaakt product van de oppervlakkige, zelfbewuste geest. Soms (volgens de verslagen die door Dr. Slotkin zijn verzameld) zien ze visioenen, wellicht van Christus zelf. Soms horen ze de stem van de Grote Geest. Soms worden ze zich bewust van de aanwezigheid van God en van die persoonlijke tekortkomingen die verbeterd moeten worden indien zij Zijn wil moeten doen. De praktische consequenties van deze chemische deuren naar de Andere Wereld schijnen volmaakt in orde te zijn. Dr. Slotkin bericht dat gewoonte-Peyotisten over het algemeen ijveriger, matiger (veel van hen onthouden zich geheel van alcohol), en Vreedzamer dan niet-Peyotisten zijn. Een boom met zulke voldoening schenkende vruchten kan niet zomaar als kwaad veroordeeld worden.
    Door het gebruik van peyote tot een gewijde handeling te maken hebben de Indianen van de Native American Church iets gedaan dat tegelijkertijd psychologisch gezond als historisch achtenswaard is. In de vroege eeuwen van het Christendom zijn veel heidense rituelen en festiviteiten zogezegd gedoopt,  en gebruikt om de doeleinden van de Kerk te dienen. Deze grappen waren niet bijzonder stichtend; maar zij stilden een zekere psychologische honger en in plaats van te trachten ze te onderdrukken, hadden de vroege missionarissen het gezonde verstand ze te accepteren voor wat ze waren, zielsbevredigende uitdrukkingen van fundamentele driften, en ze op te nemen bij de opbouw van de nieuwe religie. Wat de autochtone Amerikanen hebben gedaan is in wezen hetzelfde. Zij hebben een heidense gewoonte genomen (een gewoonte die toevallig veel verheffender en verlichtender was dan de meeste van de nogal rauwe drinkgelagen en maskerades die van het Europese heidendom waren overgenomen) en het een Christelijke betekenis gegeven.
    Hoewel pas onlangs in het noorden van de Verenigde Staten geïntroduceerd, zijn het eten van peyote en de religie die daarop gebaseerd is belangrijke symbolen geworden van de rechten van de Roodhuid op spirituele onafhankelijkheid. Sommigen van de Indianen hebben op de blanke overheersing gereageerd door zich te Amerikaniseren, anderen hebben zich in het traditionele Indianisme teruggetrokken. Maar sommigen hebben gepoogd uit twee werelden het beste te maken, in feite van alle werelden - het beste van het Indianisme, het beste van het Christendom en het beste van die Andere Werelden van transcendentale ervaring, waar de ziel zichzelf als onvoorwaardelijk en van dezelfde natuur als het goddelijke kent. Vandaar de Native American Church. Daarin werden twee grote begeerten van de ziel - de drang naar onafhankelijkheid en zelfbeschikking en de drang naar zelf-transcendentie - samengesmolten met en geïnterpreteerd in het licht van een derde - de drang tot aanbidding, de wegen van God naar de mens te rechtvaardigen en het universum te verklaren door middel van een samenhangende theologie.

Zie de arme Indiaan, wiens onbewerkte geest
Hem van voren kleedt, maar hem van achteren bloot laat

Maar in werkelijkheid zijn wij het, de rijke en hoogopgeleide blanken, die onszelf van achteren naakt hebben gelaten. Wij bedekken onze naaktheid van voren met wat filosofie - Christelijk, Marxistisch, Freudo-Natuurkundig - maar van achteren blijven we onbedekt, ten prooi aan alle winden der omstandigheden. De arme Indiaan, daarentegen, is zo verstandig geweest zijn achterkant te beschermen door het vijgenblad van een theologie aan te vullen met de lendendoek van de transcendentale ervaring.
   Ik ben niet zo dwaas om wat onder invloed van mescaline of welke andere drug, bereid of in de toekomst bereidbaar, ook gebeurt, gelijk te stellen met de verwerkelijking van het eind en het ultieme doel van het menselijk leven: Verlichting, de Gelukzalige Visie. Ik suggereer alleen maar dat de mescaline-ervaring een wat de Katholieke Theologen "genade om niet" noemen is, niet noodzakelijk voor het heil maar mogelijk nuttig en als het beschikbaar gesteld zou worden, in dank aanvaard zou moeten worden.  Om uit de sleur van de gewoonlijke waarneming geramd te worden, om gedurende een paar tijdloze uren de buiten- en de binnenwereld getoond te krijgen, niet zoals zij zich voordoen aan een dier dat bezeten is door overlevingsdrang of aan een mens bezeten door woorden en begrippen, maar zoals zij direct en onvoorwaardelijk door de Grote Geest begrepen worden - dit is een ervaring van onschatbare waarde voor eenieder en in het bijzonder voor de intellectueel (het is juist de intellectueel, met zijn hoofd vol theorieën, dus overtuigingen en vooroordelen, en daardoor met zijn hoofd leeft, die zich het verst verwijderd heeft van het zijn. Hij is de geëerde, de bewonderde, die anderen tot voorbeeld is geweest, die hoog geklommen is op de maatschappelijke ladder, die als de dood is voor de Leegte, het opgeven van zijn rol, het erkennen dat hij zich zijn hele leven vergist heeft) . Want de intellectueel is per definitie de mens voor wie, met de woorden van Goethe, "het woord wezenlijk vruchtbaar is." Hij is de mens die voelt dat "wat wij met het oog waarnemen als zodanig vreemd voor ons is en ons niet diep hoeft te raken." En toch, hoewel hij zelf een intellectueel was en een van de grootste meesters van de taal, was Goethe het niet altijd eens met zijn eigen waardering van het woord.  "Wij praten," schreef hij op middelbare leeftijd, " veel te veel. We zouden minder moeten praten en meer moeten tekenen. Persoonlijk zou ik het liefst helemaal van de spraak willen afzien en net als de organische Natuur, alles wat ik te zeggen heb met schetsjes meedelen. Die vijgenboom, die kleine slang, de cocon op de vensterbank van mijn raam die rustig zijn toekomst afwacht - dat zijn allemaal zwaarwichtige tekenen. Iemand die in staat is hun betekenis te ontcijferen zou al gauw in staat zijn het helemaal zonder het geschreven of gesproken woord te stellen. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer is er iets futiels, middelmatigs, zelfs (ben ik geneigd te zeggen) iets fatterigs aan de spraak. Hoe verbazingwekkend is in tegenstelling daarmee de ernst van de natuur en haar stilte, als je oog in oog met haar staat, niet afgeleid, voor een dorre bergkam of in de verlatenheid van de oude heuvels"  We kunnen het nooit zonder de taal en de andere symboolsystemen stellen (elk klein kind en elk ander schepsel op deze aarde kan het perfect zonder taal stellen. Taal is slechts nodig om het spel in deze maatschappij te kunnen spelen) ; want het is door middel van hen, en alleen door middel van hen, dat wij onszelf boven de bruten verheven hebben (alleen door middel van hen kunnen mensen tot bruten verworden, tot machthebbers, tot blinden die blinden leiden), tot het niveau van menselijkewezens(maatschappelijke humanoïden) . Maar we kunnen net zo gemakkelijk slachtoffers als begunstigden van deze systemen worden (dat kunnen wij niet alleen, maar dat zijn wij allemaal, meester of slaaf, zonder uitzondering). Wij moeten leren woorden juist te hanteren(de enige ware manier om woorden te gebruiken is om ze overbodig te maken); maar tegelijkertijd moeten we onze mogelijkheid om direct naar de wereld te kijken en door dat halfmatte medium van opvattingen, dat elk gegeven feit vervormd tot de al te vertrouwde gelijkenis met een of ander algemeen etiket of verklarende abstractie, behouden en zonodig versterken.
    Literair of wetenschappelijk, liberaal of specialistisch, onze hele opvoeding is overheersend verbaal en slaagt er daardoor niet in te volbrengen wat zij verondersteld wordt te doen. In plaats van kinderen om te vormen in volledig ontwikkelde volwassenen, levert zij studenten in de natuurwetenschappen op die volledig onbewust zijn van de Natuur als het primaire ervaringsfeit, en zadelt de wereld op met studenten in de menswetenschappen, die niets van menselijkheid, noch van hun eigen noch van die van anderen weten.
    Gestaltpsychologen, als Samuel Renshaw, hebben methoden ontworpen om de omvang van de menselijke waarneming te verwijden en de scherpte ervan te doen toenemen. Maar passen onze opvoeders die toe? Het antwoord is: Nee.
    Leraren op elk terrein van de psycho-fysieke deskundigheden, van zien tot tennissen, van koorddansonderwijs tot gebed, hebben met vallen en opstaan de voorwaarden voor een optimaal functioneren binnen hun speciale gebieden, ontdekt. Maar heeft ook maar een van die grote Stichtingen een project gefinancierd om deze empirische vondsten tot een algemene theorie en praktijk van een verhoogde creativiteit te coördineren? Weer is het antwoord, voor zover ik weet, Nee.
    Allerlei soorten cultus-aanhangers en vreemde vogels onderrichten allerlei soorten technieken om gezond te worden, om tevredenheid en zielenrust te bereiken; en voor veel van hun toehoorders zijn veel van deze technieken aantoonbaar effectief. Maar zien wij achtenswaardige psychologen, filosofen en theologen moedig in die vreemde en soms onwelriekende bronnen afdalen, waar op de bodem de arme Waarheid zovaak veroordeeld is te verblijven? En weer is het antwoord: Nee.
    En kijk nu naar de geschiedenis van het mescaline-onderzoek. Zeventig jaar geleden beschreven eerste klas mensen de transcendentale ervaringen van diegenen die in goede gezondheid, onder de juiste voorwaarden en met de juiste instelling de drug ingenomen hebben. Hoeveel filosofen, hoeveel theologen, hoeveel beroepsopvoeders zijn zo nieuwsgierig geweest om deze Deur in de Muur te openen? Het antwoord is feitelijk: Geen.
   In een wereld waarin opvoeding overwegend verbaal is, vinden hoogopgeleide mensen het bijna onmogelijk serieuze aandacht aan iets anders dan woorden en begrippen te besteden. Er is altijd geld voor, er zijn altijd doctoraten in de geleerde dwaasheid van onderzoek naar wat voor geleerden het allerbelangrijkste probleem is: Wie beïnvloedde wie om wat wanneer te zeggen? Zelfs in dit technologisch tijdperk worden de verbale menswetenschappen hogelijk geëerd. De niet-verbale menswetenschappen, de kunst van een direct bewustzijn van de gegeven feiten van ons bestaan, worden bijna volledig genegeerd. Een catalogus, een bibliografie, een definitieve uitgave van de ipsissima verba ven een derderangs versjesschrijver, een verbazingwekkende index die aan alle indexen een eind maakt - ieder waarachtig Alexandrijns project is zeker van bijval en financiële ondersteuning. Maar als het er op aankomt om uit te zoeken hoe u en ik, onze kinderen en kleinkinderen opmerkzamer zouden kunnen worden en intenser bewust van de innerlijke en uiterlijke werkelijkheid, meer open voor de Geest, minder geneigd door psychologische wanpraktijken, onszelf fysiek ziek te maken, en meer in staat ons eigen autonome zenuwstelsel te beheersen - als het aankomt op de een of andere vorm van non-verbale opvoeding die fundamenteler is (en waarschijnlijk van meer praktisch nut) dan de Zweedse gymnastiek, zal geen echt achtenswaardig persoon van enige echt achtenswaardige universiteit of kerk er iets aan doen. Letterknechten zijn achterdochtig wat betreft het non-verbale; rationalisten vrezen het gegeven, niet rationele feit; intellectuelen voelen dat "wat wij met het oog (of op een andere manier) waarnemen, als zodanig vreemd voor ons is en ons niet diep hoeft te raken." Bovendien zal deze zaak van opvoeding in de non-verbale menswetenschappen, niet in de gevestigde hokjes passen. Het is geen religie, geen neurologie, geen gymnastiek, geen moraal of staatsinrichting, zelfs geen experimentele psychologie. Om deze redenen bestaat dit onderwerp als het ware niet voor academische en kerkelijke doeleinden en kan het veilig geheel en al genegeerd worden of, met een minzame glimlach overgelaten worden aan hen, die door de Farizeeërs van de verbale orthodoxie, zonderlingen, charlatans en onbevoegde amateurs genoemd worden.
    "Ik heb altijd gevonden," schreef Blake nogal bitter, "dat Engelen de ijdelheid hebben om over zichzelf als de enige wijzen te spreken. Dit doen ze met een vrijmoedige onbeschaamdheid die uit een systematisch beredeneren voortspruit."
    Systematisch beredeneren is iets waar wij, als soort of als individu, mogelijk niet zonder kunnen. Maar wij kunnen, als wij gezond van geest willen blijven, mogelijk ook niet zonder directe waarneming, hoe onsystematischer hoe beter, van de binnen- en buitenwereld waarin wij geboren zijn. Deze gegeven werkelijkheid,  is een oneindigheid die alle begrip te boven gaat en toch onmiddellijk en op een of andere manier volledig begrepen kan worden. Het is een transcendentie die van een andere orde dan de menselijke is en toch kan het voor ons als immanent gevoeld aanwezig zijn, als een ervaren deelnemen. Verlicht zijn is een altijd bewust zijn van een volledige werkelijkheid in zijn immanente anderszijn - je er bewust van zijn en toch in een toestand blijven om als dier (maatschappelijk wezen) te overleven (als je aan de andere kant van de deur bent geweest en teruggekeerd bent, zul je uiterst behoedzaam het spel mee moeten spelen, listig als een slang en argeloos als een duif, want je hebt het spel dan door en dat is voor deze maatschappij niet te tolereren), als menselijk wezen te denken en voelen en hoe dan ook voor systematisch redeneren geschikt te blijven. Ons doel is te ontdekken dat we altijd geweest zijn, wat we hadden behoren te zijn. Wij maken helaas de taak buitengewoon moeilijk voor onszelf. Intussen zijn er echter genaden om niet, in de vorm van een gedeeltelijk en vluchtig beseffen. Onder een meer realistisch, een minder uitgesproken verbaal systeem van opvoeden dan het onze, zou iedere Engel (in Blake's betekenis van het woord) als een sabbaths-traktatie moeten worden toegestaan, zou moeten aangespoord worden en als het nodig was zelfs gedwongen moeten worden af en toe een trip door de een of andere chemische Deur in de Muur naar de wereld van de transcendentale ervaring te maken. Als het hem angst zou aanjagen, zou dat jammer zijn maar waarschijnlijk wel heilzaam. Als het hen een korte maar tijdloze verlichting zou brengen, zoveel te beter. In beide gevallen zou de Engel iets van de overtuigde onbeschaamdheid, die voortspruit uit het systematisch redeneren en het idee alle boeken gelezen te hebben, kunnen verliezen.
    Tegen het einde van zijn leven ervoer Thomas van Aquino de Bezielde Beschouwing. Daarna weigerde hij terug te keren naar zijn nog niet afgemaakte boek. Hiermee vergeleken was alles wat hij gelezen, over geredetwist had en wat hij geschreven had - Aristoteles en de Spreuken, de Vragen, de Stellingen, de majestueuze Summa's - niet beter dan het kaf en het koren. Voor de meeste intellectuelen zou zo'n sit-down-staking niet raadzaam en zelfs moreel verkeerd zijn. Maar de Engelachtige Doctor had meer aan systematisch redeneren gedaan dan twaalf gewone Engelen samen en was al rijp voor de dood. Hij had, in die laatste maanden van zijn sterfelijke leven, het recht verworven om zich van dat slechts symbolische kaf en koren af te wenden naar het brood van het werkelijke en substantiële Feit. Voor Engelen van een lagere orde en met betere vooruitzichten op een lang leven, moet er een terugkeer naar het koren mogelijk zijn. Maar de mens die terugkeert door de Deur in de Muur zal nooit meer dezelfde zijn als de mens die erdoor naar buiten ging. Hij zal wijzer maar minder verwaand zijn, gelukkiger maar minder zelfgenoegzaam, bescheidener in het erkennen van zijn onwetendheid en toch beter toegerust om de verhouding tussen woorden en dingen te begrijpen, om het systematisch redeneren tot aan het ondoorgrondelijke Mysterie dat het, altijd tevergeefs, proberen te begrijpen.


*See the following papers: "Schizophrenia. A New Approach." By Humphry Osmond and John Smythies. Journal of Mental Science. Vol. XCVIII. April, 1952.

"On Being Mad." By Humphry Osmond. Saskatchewan Psychiatric Services Journal. Vol. I. No. 2. September. 1952.
"The Mescalin Phenomena." By John Smythies. The British Journal of the Philosophy of Science. Vol. III. February, 1953.

"Schizophrenia: A New Approach." By Abram Hoffer, Humphry Osmond and John Smythies. Journal of Mental Science. Vol. C. No. 418. January, 1954.

Talrijke andere artikelen over de biochemie, farmacologie, psychologie en neurofysiologie van schizofrenie en het verschijnsel mescaline zijn in voorbereiding.


*In zijn monografie, Menomini Peyotism, gepubliceerd (December 1952) in de Transactions of the American Philosophical Society, heeft Professor J. S. Slotkin geschreven dat "het gewoontegebruik van Peyote geen enkele verhoogde tolerantie of afhankelijkheid lijkt te veroorzaken. Ik ken veel mensen die veertig of vijftig jaar lang Peyotist geweest zijn. De hoeveelheid Peyote die ze gebruiken hangt af van de plechtigheid van de gelegenheid; over het algemeen gebruiken ze nu niet meer Peyote dan ze jaren geleden deden. Bovendien is er soms een tussentijd van een of meer maanden tussen de rituelen, en ze gaan gedurende die periode door zonder enige begeerte naar Peyote te voelen. Wat mijzelf betreft, zelfs na een reeks rituelen op vier opeenvolgende weekenden. Ik heb de hoeveelheid genuttigde peyote nooit opgevoerd, noch heb ik enige blijvende behoefte ernaar gevoeld. "Het is overduidelijk met een goede reden, dat Peyote wettelijk nooit tot narcoticum verklaard is, of dat het gebruik ervan door de federale regering verboden is." Hoewel."gedurende de lange geschiedenis van het contact tussen Indianen en blanken, hebben blanke ambtenaren het gebruik van Peyote gewoonlijk geprobeerd te onderdrukken, omdat aangenomen werd dat het hun eigen moraal zou verkrachten. Maar deze pogingen hebben altijd gefaald." In een voetnoot voegt Dr. Slotkin daaraan toe dat "het verbazingwekkend is de fantastische verhalen over de effecten van Peyote en de aard van het ritueel te horen, die door blanke en Katholieke Indiaanse ambtenaren in het Menomini reservaat verteld worden. Geen een van hen had ook maar de minste ervaring uit de eerste hand met de plant of de religie.en toch verbeeldden sommigen zich autoriteiten te zijn en schrijven officiële rapporten over het onderwerp."

* * *

Naar boven