Home

Acis en Galatea van Claude Lorrain‘In het museum in Dresden hangt een schilderij van Claude Lorrain dat volgens de catalogus Acis en Galatea heet... Dat schilderij zag ik in een droom, niet als een schilderij evenwel, maar als een realiteit. Ik zag net als op het schilderij een hoekje van de Griekse archipel en ik was, zo leek het, drieduizend jaar in de tijd teruggegaan. Blauwe, liefkozende golven, eilanden en rotsen, en oevers vol bloemen; in de verte een betoverend panorama, de roep van de ondergaande zon... Hier had de wieg van de mensheid gestaan. De mensen werden gelukkig en onschuldig wakker en zo sliepen zij in; in de bossen weerklonken hun vrolijke liederen, en het teveel van hun overvloedige krachten stortte zich in de liefde, in kinderlijke vreugde uit. En ik voelde het terwijl ik de immense toekomst die hen wachtte en waarvan ze zelfs geen idee hadden, ontwaarde, en mijn ziel huiverde bij die gedachten.’ (Uit: Boze geesten.)
 

Fjodor Dostojewski

DE DROOM VAN EEN BELACHELIJKE MAN

1877

Uit het Russisch naar het Engels vertaald door Constance Garnett, 1861-1946


Ik ben een belachelijk mens. Ze noemen me tegenwoordig een gek. Dat zou een promotie zijn als het niet zo zou zijn dat ik in hun ogen net zo belachelijk blijf als vroeger. Maar tegenwoordig neem ik ze dat niet meer kwalijk, tegenwoordig zijn ze me allemaal even lief en zelfs als ze me uitlachen — ja juist dan zijn ze me bijzonder lief. Ik zou zelf met ze mee kunnen lachen — niet om mezelf, maar uit genegenheid voor ze — als het me niet zo verdrietig maakte ze zo te zien. Verdrietig omdat ze de waarheid niet kennen en ik de waarheid wel ken. O, wat is het moeilijk om de enige te zijn die de waarheid kent! Maar ze zullen dat niet begrijpen. Nee dat zullen ze niet begrijpen.
Vroeger heb ik er onder geleden dat ik zo belachelijk leek. Niet leek, maar was. Ik ben altijd belachelijk geweest en ik heb het misschien al vanaf het uur dat ik geboren ben geweten. Misschien wist ik al vanaf mijn zevende jaar dat ik belachelijk was. Daarna ging ik naar school, studeerde aan de universiteit en weet je, hoe meer ik leerde, hoe zekerder ik besefte dat ik belachelijk was. Zodat het op het einde leek alsof alle wetenschappen die ik aan de universiteit studeerde, hoe meer ik me erin verdiepte, er alleen maar waren om mij te bewijzen en duidelijk te maken, dat ik belachelijk was. Met het leven ging het op dezelfde manier als met de wetenschap. Zoals het met de studie ging, liep het ook in het leven. Met ieder jaar groeide en versterkte zich in mij hetzelfde besef dat ik in alle opzichten een belachelijke figuur was. Iedereen lachte me altijd uit. Maar ze wisten niet of hadden er een vermoeden van dat, als er één mens ter wereld was die beter dan wie dan ook besefte dat ik belachelijk was, ik dat dan zelf was, en wat voor mij het meest stuitende was, was dat ze dat niet wisten. Maar dat was mijn eigen schuld; ik was zo trots dat niets mij er toe kon bewegen dat ooit aan wie dan ook te vertellen. Die trots groeide in mij van jaar tot jaar en als het gebeurd zou zijn dat ik me gepermitteerd zou hebben om tegenover wie dan ook te bekennen dat ik belachelijk was, geloof ik dat ik me dan nog dezelfde avond voor de kop geschoten zou hebben. O, wat heb ik in mijn jonge jaren geleden onder de angst dat ik daaraan zou toegeven en het aan mijn kameraden zou bekennen. Maar sinds ik de volwassenheid bereikt heb, ben ik, hoewel ik mij van mijn verschrikkelijke eigenschap ieder jaar meer bewust werd, om de een of andere onbekende reden kalmer geworden. Ik zeg "onbekend", omdat ik tot op de dag van vandaag niet kan vertellen waarom. Misschien lag het aan het vreselijke lijden dat in mijn ziel groeide tengevolge van iets dat voor mij zwaarder woog dan wat dan ook: dat iets was de overtuiging die zich aan mij opgedrongen had dat alles in de wereld volstrekt onbelangrijk was. Ik had er allang een voorgevoel van gehad maar het volledige besef kwam eigenlijk vrij plotseling afgelopen jaar. Ik voelde plotseling dat het mij niets zou kunnen schelen of de wereld bestond of dat er helemaal nooit iets geweest zou zijn: ik begon met mijn hele wezen te voelen dat er niets bestond. In het begin had ik het idee dat er vroeger veel dingen geweest waren, maar later nam ik aan dat er ook vroeger niets geweest was, maar dat dat om de een of andere reden alleen maar zo had geleken. Langzamerhand kwam ik tot de overtuiging dat er ook in de toekomst nooit iets zal zijn. Toen hield ik op met me kwaad te maken op de mensen en op den duur merkte ik ze nauwelijks meer op. Inderdaad uitte zich dat zelfs in de geringste kleinigheden: ik liep bijvoorbeeld op straat vaak tegen mensen op. En niet zozeer omdat ik in gedachten verzonken ben, want waar zou ik aan moeten denken? Toentertijd had ik het denken al bijna opgegeven; ik vond niets meer belangrijk. Had ik maar op z’n minst mijn problemen opgelost! Maar nee, ik had geen enkel probleem opgelost en hoeveel waren het er niet? Maar ik hield op om me ergens druk over te maken en toen waren alle problemen verdwenen.
En pas daarna leerde ik de waarheid kennen. Ik leerde de waarheid kennen in de afgelopen novembermaand - op de derde november om precies te zijn - en van dat moment af herinner ik me ieder moment. Het was op een sombere avond, een van de somberste avonden die men zich voor kan stellen. Ik ging om elf uur ‘s avonds naar huis en ik herinner me dat ik dacht dat een avond niet somberder kon zijn. Zelfs fysiek. Het had al de hele dag geregend en het was een koude, sombere en welhaast dreigende regen, herinner ik me, waar een duidelijke kwaadaardigheid jegens de mensheid uit sprak. Om elf uur was het plotseling opgehouden te regenen en er volgde een verschrikkelijk vochtige lucht, kouder en vochtiger nog dan toen het regende, en van alles kwam een soort damp af, van iedere steen op de straat en van ieder dwarsstraatje zover als men er in kon kijken. Plotseling kwam het in me op dat het veel minder troosteloos zou zijn als de straatverlichting overal uitging, dat het gaslicht het hart maar droevig stemde omdat het dit allemaal verlichte. Ik had die dag bijna niet gegeten en had die avond bij een ingenieur gezeten die nog twee kennissen op bezoek had. Ik sprak geen woord en ik geloof dat ik ze nogal verveeld heb. Ze spraken over een prikkelend onderwerp en opeens begonnen ze zich er, op zeker moment, zelfs over op te winden. Maar het kon ze eigenlijk niets schelen, dat zag ik wel, en ze deden alleen maar alsof ze zich opwonden. Op zeker ogenblik zei ik zoiets als: "Ach heren," zei ik, "dat kan u toch helemaal niets schelen". Ze waren niet beledigd maar lachten me uit. Dat kwam omdat ik het zonder enig verwijt gezegd had, gewoon omdat het mij allemaal niets kon schelen. Ze begrepen dat het mij niets kon schelen en daar maakten ze zich vrolijk over.
Terwijl ik nadacht over de gaslampen in de straat, keek ik omhoog naar de lucht. De lucht was verschrikkelijk donker maar men kon duidelijk wolkenflarden onderscheiden en met bodemloze zwarte plekken daartussen. Plotseling merkte ik in één van die plekken een ster op en begon er aandachtig naar te kijken. Dat was omdat die ster me op een idee bracht: ik besloot deze nacht een eind aan mijn leven te maken. Ik had me dat al twee maanden geleden vast voorgenomen en al was ik arm, toch had ik diezelfde dag een prachtige revolver gekocht en hem geladen. Maar er waren twee maanden voorbijgegaan en hij lag nog steeds in mijn la; maar het interesseerde mij allemaal ook zo weinig dat ik eigenlijk op het ogenblik wilde wachten dat alles me wat minder onverschillig liet. Waarom? Ik weet het niet. En zo kwam die twee maanden, telkens wanneer ik ‘s nachts thuis kwam, de gedachte op dat ik mezelf dood zou schieten. Ik bleef wachten op het juiste ogenblik. En nu had die ster me op een idee gebracht. Ik nam me voor dat het nou echt deze nacht zou moeten gebeuren. Waarom die ster me op dat idee bracht? Ik weet het niet.
En toen ik dan zo naar de hemel keek trok plotseling dat kleine meisje me aan mijn elleboog. De straat was leeg en er was bijna niemand meer te zien. In de verte sliep een koetsier op zijn bok. Het meisje was een jaar of acht, met een doekje op haar hoofd en alleen maar een helemaal doorweekt jurkje aan, maar vooral haar doorweekte, gescheurde schoenen zijn me bijgebleven en ik zie ze nu nog voor me. Die trokken speciaal mijn aandacht. Ze begon me plotseling aan mijn elleboog te trekken en iets tegen me te roepen. Ze huilde niet maar schreeuwde krampachtig een aantal onsamenhangende woorden, die ze niet goed kon articuleren, omdat ze helemaal beefde en bibberde. Ze was ergens hevig van overstuur en bleef maar roepen: "Mamma, mamma!" Ik draaide mijn hoofd naar haar toe, zei geen woord en liep verder; maar ze rende achter me aan en trok aan me en er lag een klank in haar stem, die bij hevig geschrokken kinderen radeloosheid betekent. Ik ken die klank. Hoewel zij niet goed uit haar woorden kwam begreep ik dat haar moeder stervende was of dat er iets dergelijks bij hen aan de hand was en dat ze het huis uitgelopen was om iemand te roepen, iemand te vinden die haar moeder kon helpen. Maar ik ging niet met haar mee, integendeel, ik had opeens de neiging om haar weg te jagen. Eerst zei ik haar dat ze naar een politieagent moest gaan. Maar met samengeklemde handjes bleef ze snikkend en hijgend naast mij lopen en wilde me niet laten gaan. Toen stampte ik met mijn voet en schreeuwde naar haar. Zij riep alleen maar: "Meneer, meneer!"... maar plotseling liet ze me gaan en vloog halsoverkop naar de overkant van de straat. Daar was nog een voorbijganger opgedoken en klaarblijkelijk rende ze van mij naar hem toe.
Ik liep de trap op naar mijn vijfde etage. Ik heb een kamer in een huis waar nog meer kamerbewoners zijn. Het is een kleine armoedige kamer met een halfrond zolderraam. Ik heb een met kunstleer overtrokken divan, een tafel met wat boeken erop, twee stoelen en een comfortabele leunstoel, een erg oude leunstoel maar met een goede ouderwetse zit. Ik ging zitten, stak de kaars aan en begon te denken. In de kamer naast me, achter de tussenwand, heerste nog steeds een hevig kabaal. Dat was nu al drie dagen aan de gang. Daar woonde een gepensioneerde kapitein en hij had gasten, een stuk of zes kerels met een dubieuze reputatie, die wodka zaten te drinken en met oude kaarten te spelen. De vorige nacht was er een vechtpartij geweest en ik weet dat twee van hen elkaar lange tijd letterlijk in de haren hadden gezeten. De hospita wilde haar beklag doen maar ze is vreselijk bang voor de kapitein. Verder woonde er in dit huis alleen een klein, mager regimentsdametje, op bezoek in Sint Petersburg, met drie kleine kinderen die sinds hun verblijf in dit kosthuis ziek zijn geweest. Zijzelf en de kinderen zijn doodsbang voor de kapitein en zitten de hele nacht te bibberen en zich te bekruisen en het jongste kind heeft van angst een soort toeval gekregen. Van die kapitein weet ik met zekerheid dat hij op de Newski Prospekt wel eens voorbijgangers aanhoudt en om een aalmoes vraagt. Men wil hem in dienst niet hebben maar het vreemde is (en daarom vertel ik dat ook) dat de kapitein me, deze hele maand dat hij hier woont, niet heeft geërgerd. Een nadere kennismaking heb ik natuurlijk van het begin af geprobeerd te vermijden, maar hij vond me zelf ook meteen een vervelende vent; maar het kon me niets schelen, wat voor herrie ze ook schopten aan de andere kant van de wand en met z’n hoevelen ze ook waren: ik zit de hele nacht op en vergeet ze zo volkomen, dat ik ze zelfs niet hoor. Ik blijf elke nacht wakker tot het licht wordt en dat is nu al een jaar lang zo. Ik zit de hele nacht in m’n fauteuil aan de tafel en ik doe niets. Ik lees alleen overdag. Ik zit en denk zelfs niet; er dwalen zomaar wat gedachten door mijn hoofd en ik laat ze komen en gaan zoals ze willen. De kaars brandt elke nacht helemaal op.
Ik ging stil aan de tafel zitten, haalde mijn revolver te voorschijn en legde hem voor me neer. Ik herinner me dat ik, toen ik hem neerlegde, mezelf afvroeg: "Gaat het nou zo?" en dat ik met volstrekte zekerheid mezelf het antwoord gaf: "Ja". Dat wil zeggen dat ik me voor het hoofd zou schieten. Ik wist zeker dat ik me deze nacht dood zou schieten maar hoe lang ik daarvoor nog aan de tafel zou zitten wist ik niet. En ongetwijfeld zou ik mezelf doodgeschoten hebben als dat meisje er niet geweest was.

II

Ziet u: al interesseerde het me allemaal niets meer, toch voelde ik bijvoorbeeld nog wel pijn. Wanneer iemand me zou hebben geslagen zou het pijn gedaan hebben. En zo ook in moreel opzicht: wanneer zich iets erg zieligs voordeed, zou ik medelijden hebben op dezelfde manier als vroeger, toen er nog dingen in het leven waren die me niet onverschillig lieten. Die avond had ik een gevoel van medelijden gehad. Ik had dat kind beslist moeten helpen. Waarom had ik het meisje dan niet geholpen? Dat was omdat er toen een idee bij me opgekomen was: toen zij me riep en aan m’n mouw trok, kwam er plotseling een vraag in me op en ik kon die geen plaats geven. Het was een onbeduidend probleem maar ik werd kwaad. Ik werd kwaad bij de overweging dat als ik besloten had deze nacht een eind aan mijn leven te maken, niets in het leven mij nog zou moeten kunnen raken. Waarom had ik dan ineens geen vreemde pijn gevoeld, volledig strijdig met mijn positie? Ik weet echt niet hoe ik mijn vluchtig gevoel van dat moment beter onder woorden kan brengen, maar het gevoel ging niet weg toen ik thuis aan de tafel zat en het ergerde me meer dan ik me in tijden geërgerd had. De ene redenering volgde op de andere. Ik zag duidelijk dat ik leefde, zolang ik nog een mens was en nog geen niets, en kon lijden, kwaad worden en schaamte voelen voor mijn handelingen. Het was niet anders. Maar als ik mezelf, laten we zeggen over twee uur, doodschiet, wat kan dat meisje me dan nog schelen en wat heb ik dan nog te maken met schaamte of wat ook ter wereld? Ik zal in een niets veranderen, een absoluut niets. En kan het dan echt waar zijn dat het besef dat ik straks opeens volkomen ophoud te bestaan en er dus niets meer zal zijn, toch niet de minste invloed heeft noch op het gevoel van medelijden met het meisje noch op het gevoel van schaamte na het begaan van een verachtelijke daad? Ik had met mijn voet gestampt en naar het ongelukkige kind geschreeuwd, alsof ik wilde zeggen: ik voel niet alleen geen medelijden, maar zelfs als ik me onmenselijk en verachtelijk gedraag, ben ik daar vrij in, omdat over een uur of twee alles afgelopen is. Gelooft u me dat ik haar daarom afsnauwde? Ik ben er nu bijna van overtuigd. Het stond me helder voor de geest dat het leven en de wereld nu op een of andere manier van mij afhankelijk waren. Ik durf bijna te zeggen dat de wereld nu als het ware voor mij alleen geschapen was: als ik me doodschoot zou de wereld ophouden te bestaan, althans voor mij. Dat wil niet zeggen dat er, als ik er niet meer ben, misschien wel voor niemand meer iets zal bestaan en de hele wereld, zodra mijn bewustzijn zou zijn uitgedoofd, meteen als een zinsbegoocheling zou verdwijnen, als niet meer dan een aanhangsel van mijn bewustzijn, omdat ik wellicht deze hele wereld en al die mensen ben. Ik herinner me dat ik, terwijl ik daar zo zat te peinzen, al die nieuwe problemen die om elkaar heem zwermden, de een na de ander een heel andere richting opstuurde en op volkomen nieuwe gedachten kwam. Er kwam bijvoorbeeld plotseling een merkwaardige gedachte in me op: dat ik vroeger op de maan of op Mars geleefd had en daar de meest schandelijke en laaghartige daad had begaan en dat ik daarvoor was verwenst en gebrandmerkt op een manier zoals men het alleen in dromen, in nachtmerries kan ervaren en beleven, en dat ik me daarna op de aarde had bevonden en me nog steeds bewust was geweest van wat ik op die andere planeet had gedaan, en dat ik tegelijkertijd zou weten dat ik, hoe dan ook, nooit meer daarheen terug zou keren, en zou het me dan, als ik van de aarde naar de maan opkeek, iets doen? Zou ik me voor die daad schamen of niet? Het waren ijdele en overbodige vragen aangezien de revolver al voor mij lag en ik met elke vezel van mijn wezen wist dat het werkelijk zou gebeuren, maar ze wonden me toch op en maakten me kwaad. Ik kon nu niet meer doodgaan als ik niet eerst iets had opgelost. Om kort te gaan, het meisje heeft me gered omdat ik het pistoolschot door al die vragen uitstelde. Intussen was in de kamer van de kapitein ook het kabaal verdwenen: ze waren uitgekaart en gingen slapen waarbij alleen nog wat gebrom en een lusteloos beeindigen van hun geruzie klonk. En toen viel ik ook plotseling, wat me nog nooit overkomen was, in mijn fauteuil aan de tafel in slaap. Ik viel volkomen onmerkbaar in slaap. Dromen zijn, zoals we allemaal weten, hele wonderlijke zaken: sommigen manifesteren zich met adembenemende helderheid, opgesierd met uitgewerkte details als van een juwelier, terwijl je in andere bijvoorbeeld over ruimte en tijd heen springt zonder dat je er eigenlijk iets van merkt. Het schijnt dat niet het verstand maar het verlangen, niet het hoofd maar het hart de dromen voortbrengt, en toch, wat een ingewikkelde kunstjes heeft mijn verstand soms in mijn droom gespeeld, wat gebeuren er in z’n droom toch volkomen onbegrijpelijke dingen. Mijn broer bijvoorbeeld is vijf jaar geleden gestorven. Soms droom ik over hem: hij neemt deel aan mijn zaken, we zijn samen erg geïnteresseerd, en toch herinner ik me en weet ik tijdens de hele duur van de droom heel goed dat mijn broer dood en begraven is. Hoe komt het dat ik me er niet over verwonder dat hij, al is hij dood, toch bij me is en samen met mij bezig is? Waarom laat mijn verstand dat zonder meer toe? Maar genoeg. Ik zal het over mijn droom hebben. Ja, ik heb toen een droom gedroomd, mijn droom van de derde november! Ze plagen me er nu nog mee en zeggen dat het alleen maar een droom was. Maar maakt het enig verschil of het een droom was of de werkelijkheid, als die droom mij de waarheid verkondigde? Wanneer je eenmaal de waarheid hebt gezien en ervaren, dan weet je dat dat de waarheid is en dat er geen andere waarheid is en kan bestaan of je slaapt of dat je waakt. Mij best, laat het een droom zijn, maar dat echte leven dat u zo hoog aanslaat wilde ik door een zelfmoord uitdoven terwijl die droom van mij, die droom van mij — o die heeft me een ander leven, een groots, nieuw en krachtig leven onthuld!
Luister.

III

Ik had al verteld dat ik ongemerkt in slaap viel en toch nog steeds over dezelfde onderwerpen leek na te denken. Plotseling droomde ik dat ik de revolver opnam en hem recht op mijn hart richtte — op mijn hart en niet op mijn hoofd; ik had me tevoren voorgenomen om me, bij de rechter slaap, door het hoofd te schieten. Ik richtte de loop op mijn borst, wachtte een of twee seconden en plotseling begonnen mijn kaars, de tafel en de muur voor mij te bewegen en op en neer te gaan. Ik haalde snel de trekker over.
In een droom val je soms van een hoogte af of ze steken je of ze slaan je maar je voelt nooit pijn behalve wanneer je je misschien echt tegen je bed hebt gestoten: dan voel je pijn en word je ook bijna altijd van de pijn wakker. Zo ging het ook in mijn droom; ik voelde helemaal geen pijn maar het leek alsof, tegelijkertijd met het schot, alles binnen in me schokte en alles plotseling uitdoofde en het werd helemaal zwart om me heen. Het leek alsof ik met blindheid werd geslagen, ik verlamde en ik lag op iets hards, languit op mijn rug; ik zag niets en kon niet de geringste beweging maken. Er liepen mensen schreeuwend om me heen, de kapitein brulde, de hospita krijste – en toen even niets en vervolgens werd ik in een gesloten doodskist weggedragen. En ik voelde hoe de doodkist schudde en dacht daarover na en voor het eerst werd ik getroffen door de gedachte dat ik dood was, morsdood, ik wist het en twijfelde er niet aan, ik kon niet zien en niet bewegen en toch voelde en dacht ik. Maar ik was al snel verzoend met de toestand en zoals het gewoonlijk in dromen gaat accepteerde ik de feiten zonder meer.
En toen begroeven ze me in de aarde. Ze gingen allemaal weg, ik werd alleen achtergelaten, helemaal alleen. Ik bewoog niet. Steeds wanneer ik me vroeger had voorgesteld dat ik begraven zou worden had ik het graf eigenlijk alleen geassocieerd met vocht en kou. Zo was het ook nu, ik voelde dat ik het erg koud had, vooral mijn tenen waren erg koud maar verder voelde ik niets.
Ik lag stil en het vreemde was dat ik niets verwachtte, ik nam zonder meer aan dat een dode niets heeft te verwachten. Maar het was vochtig. Ik weet niet hoeveel tijd er voorbijging — een uur of een paar dagen of misschien heel veel dagen. Maar plotseling viel er een waterdruppel, die zijn weg door de deksel van de doodskist gebaand had, op mijn gesloten linker oog, een minuut later een tweede, weer een minuut later een derde en zo door, regelmatig, elke minuut. Een diepe verontwaardiging vlamde plotseling in mijn hart op, waarin ik opeens een scheut van fysieke pijn voelde: "Dat is mijn wond", dacht ik, "dat is de kogel..." En elke minuut bleef druppel na druppel vallen op mijn gesloten oog. En plotseling riep ik, niet met mijn stem, maar met mijn hele wezen de Macht, die voor alles wat er met mij gebeurde verantwoordelijk was, aan:
— Wie u ook bent, zo u echt bestaat en zo er iets zinnigers bestaat dan wat er nu gebeurt laat dat hier dan nu gebeuren. Maar als u voor mijn dwaze zelfmoord wraak op mij neemt, met de afzichtelijkheid en absurditeit van dit daarop volgend bestaan, laat ik u dan zeggen dat geen enkele marteling waaraan ik onderworpen zou kunnen worden ooit de verachting die ik zwijgend zal voelen zal kunnen evenaren, al zouden mijn martelingen een miljoen jaar duren!..
Dat riep ik en zweeg. Het bleef een volle minuut lang stil en er viel nog een druppel, maar ik wist, ik wist met een oneindige en onwankelbare zekerheid dat alles meteen zou veranderen. En zie, plotseling ging mijn graf open, dat wil zeggen, ik weet niet of het graf geopend of opgedolven werd maar ik werd opgenomen door een donker en onbekend soort wezen en we bevonden ons in de ruimte. Plotseling kon ik weer zien. Het was volmaakt nacht en nooit, nog nooit was het zo donker geweest. We vlogen door de ruimte, ver van de aarde af. Ik vroeg degene die mij droeg nergens naar, ik was trots en wachtte. Ik hield mezelf voor dat ik niet bang was en huiverde van gelukzaligheid bij de gedachte dat ik niet bang was. Ik weet niet meer hoe lang we zo vlogen en kan het me ook niet voorstellen: het gebeurde zoals het altijd gaat in een droom wanneer je over ruimte en tijd en over de wetten van het verstand en bestaan heen springt en alleen stilhoudt op de punten waar het hart naar hunkert. Ik herinner me dat ik plotseling in de duisternis een ster zag. "Is dat Sirius? " vroeg ik in een opwelling, hoewel dat ik me voorgenomen had om nergens naar te vragen. — "Nee, dat is die ster die je tussen de wolken gezien hebt toen je naar huis ging", antwoordde het wezen dat mij droeg. Ik wist dat het een soort menselijk gezicht had. Vreemd genoeg hield ik niet van dat wezen, ik voelde er zelfs een diepe afkeer voor. Ik had het volmaakte niet-zijn verwacht en daarom had ik mij ook een kogel door het hart geschoten. En nu bevond ik me in handen van een wezen dat natuurlijk niet menselijk was maar dat toch leefde, dat bestond: "Dus is er toch leven na het graf ! dacht ik met de vreemde luchthartigheid die je in de droom kunt hebben. Maar het diepst van mijn hart bleef onaangetast: "En als ik opnieuw moet zijn," dacht ik, "en nog een keer moet leven onder de zeggenschap van een of andere onontkoombare macht, dan zal ik me niet meer laten verslaan en vernederen!"  "Je weet dat ik bang voor je ben en daarom veracht je mij", zei ik plotseling tegen mijn metgezel, niet bij machte die vernederende vraag waarin een bekentenis lag opgesloten voor me te houden en ik voelde hoe mijn vernedering als een speldenprik in mijn hart drong. Hij antwoordde niet op mijn vraag maar ik voelde plotseling dat hij me zelfs niet verachtte, maar me uitlachte en geen medelijden met me had en dat onze tocht een onbekend en geheimzinnig doel had, dat alleen mij aanging. De angst groeide in mijn hart. Iets van mijn zwijgende metgezel deelde zich zonder woorden en pijnlijk aan mij mee en doordrong mijn hele wezen. We vlogen door een donkere en onbekende ruimte. Al enige tijd had ik het zicht verloren op de vertrouwde sterrenbeelden. Ik wist dat er in de hemelruimte sterren zijn waarvan het licht de aarde pas na duizenden en miljoenen jaren bereikt. Misschien vlogen we al door deze ruimten. Ik wachtte op iets met een droefheid, die mijn hart folterde. En plotseling doorhuiverde mij een bekend gevoel dat mij tot in het diepst van mijn hart roerde; ik zag plotseling onze zon! Ik wist dat het niet onze zon kon zijn die onze aarde leven geeft en dat we ons op oneindige afstand van onze zon bevonden, maar ik besefte om de een of andere reden met mijn hele wezen dat het een zon was precies zoals de onze, een dubbelganger ervan. Een zoet en ontroerend gevoel weergalmde met vervoering in mijn hart: de vertrouwde kracht van hetzelfde licht dat mij het licht had doen aanschouwen, vond weerklank in mijn hart en schudde het wakker, en voor het eerst sedert mijn verblijf in het graf onderging ik weer het leven, het vroegere leven.
"Maar als dat de zon is, als dat precies dezelfde zon is als die van ons," riep ik uit, "waar is dan de aarde?" En mijn metgezel wees naar een ster die twinkelde in de verte, met een glans van smaragd. We vlogen er recht op af.
"Zijn zulke herhalingen in het heelal dan mogelijk?  Is dat een wet van de natuur?.. En als dat daar de aarde is, kan dat dan net zo’n aarde zijn als de onze.., precies zo’n arme, ongelukkige maar kostbare en eeuwig beminde aarde, die zelfs in de meest ondankbare van haar kinderen dezelfde hartstochtelijke liefde wekt, die wij voor onze aarde voelen?" riep ik uit, bevend van een onweerstaanbare, geestdriftige liefde voor die oude vertrouwde aarde die ik verlaten had. Het beeld van het arme kind dat ik afgewezen had flitste door mijn hoofd.
"Je zult alles zien," antwoordde mijn metgezel en er klonk iets van droefheid in zijn stem. Maar we naderden snel de planeet. Hij groeide voor mijn ogen, ik kon de oceaan al onderscheidden, de omtrek van Europa, en plotseling vlamde in mijn hart een gevoel, als van een grote, heilige jaloezie op: "Hoe kan er zo’n herhaling zijn en waarom? Ik houd, ik kan alleen maar houden van die aarde die ik verlaten heb, gekleurd door de druppels van mijn bloed, toen ik, in mijn ondankbaarheid, met een schot door mijn hart een eind aan mijn leven maakte. Maar ik heb nooit, nooit opgehouden die aarde te beminnen en zelfs in de nacht dat ik afscheid van haar nam, hield ik misschien meer van haar dan ooit. Bestaat er lijden op deze nieuwe aarde? Op onze aarde kunnen we alleen met lijden en door lijden liefhebben! Op een andere manier kunnen wij niet liefhebben en een andere liefde kennen wij niet. Ik wil lijden om te kunnen liefhebben. Ik verlang, ik snak ernaar op ditzelfde ogenblik die aarde in tranen te kussen, die aarde die ik verlaten heb en ik wil niet en weiger een leven op enige andere aarde te aanvaarden!.. "
Maar mijn metgezel had me al verlaten. Plotseling en zonder dat ik wist hoe, bevond ik op die andere aarde, schoon als het paradijs, in het heldere licht van een zonnige dag. Ik stond naar het mij toescheen op een van de eilanden die op onze aardbol de Griekse archipel vormen, of op de kust van het vasteland, die uitkijkt op die archipel. O, alles was net zoals bij ons, alleen leek het alsof er overal een soort feestelijke glans over lag, de pracht van een uiteindelijk grote, heilige, triomf. De koesterende, smaragdgroene zee kabbelde zachtjes tegen de kust en kuste haar met een duidelijke, bijna bewuste liefde. De hoge, prachtige bomen stonden in de volle pracht van hun bloesem en hun talloze blaadjes begroetten mij, daar ben ik zeker van, met hun zachte, vriendelijke geruis en leken woorden van liefde te uiten. Het gras straalde van de schitterende, geurige bloemen. Vogels vlogen in zwermen door de lucht en streken onbevreesd op mijn schouders en armen neer en sloegen mij vrolijk met hun schattige, fladderende vleugeltjes. En eindelijk zag ik ook de mensen van die gelukkige aarde en leerde ze kennen. Ze kwamen uit zichzelf naar me toe, ze omringden en kusten me. Zonnekinderen, kinderen van hun zon — o wat waren ze mooi! Nog nooit had ik op onze aarde zoveel schoonheid in de mens gezien. Alleen bij onze kinderen misschien, in hun allereerste levensjaren, zou men een verre hoewel zwakke weerschijn kunnen vinden van die schoonheid. De ogen van die gelukkige mensen glansden van een heldere opgewektheid. Hun gezichten waren stralend door het licht van de Rede en de volmaakte sereenheid die voortkomt uit een volledig begrijpen, maar die gezichten waren vrolijk; in hun woorden en hun stemmen klonk iet van een kinderlijke blijheid. O, vanaf het eerste moment, vanaf de eerste blik op hun gezichten begreep ik alles! Dit was een aarde die nog niet bezoedeld was door de zondeval; hier leefden mensen die nog niet gezondigd hadden. Zij leefden in net zo’n paradijs als waarin volgens alle overleveringen van de mensheid ook onze voorouders leefden, vóór zij zondigden; alleen met dit verschil dat deze hele aarde één enkel paradijs was. Vrolijk lachend drongen die mensen om me heen en liefkoosden me; ze namen me met zich mee en ieder van hen wilde me geruststellen. O ze vroegen me nergens naar, maar ik verbeelde me dat het leek alsof ze alles al wisten zonder vragen en of ze zo snel mogelijk de tekenen van lijden van mijn gezicht wilden wegstrijken.

IV

En weet je wat? Stel dat het alleen een droom geweest is, dan nog is de indruk van de liefde van die onschuldige en mooie mensen me voor altijd bijgebleven en ik heb het gevoel alsof hun liefde nog steeds van daarvandaan naar mij toestroomt. Ik heb ze zelf gezien, ik heb ze leren kennen en me laten overtuigen; ik heb van ze gehouden en later om ze geleden. O ik heb zelfs toen al meteen begrepen dat ik ze in veel opzichten helemaal niet zou begrijpen; het kwam me bijvoorbeeld, als moderne, progressieve Rus en verachtelijk St. Petersburger, onverklaarbaar voor dat zij die zoveel wisten er geen wetenschap op na hielden zoals wij. Maar ik begreep al gauw dat hun weten door andere inzichten gevormd en gevoed werd dan bij ons op aarde en dat ze ook heel andere dingen nastreefden. Ze hadden geen wensen en leefden in vrede; ze streefden er niet naar het leven te doorgronden zoals wij doen, omdat hun leven vervuld was. Maar hun weten was hoger en dieper dan het onze; want onze wetenschap probeert te verklaren wat het leven is, ze wil het leven leren kennen om anderen te leren hoe ze moeten liefhebben, terwijl zij ook zonder wetenschap wisten hoe ze moesten leven; en dat begreep ik, alleen hun weten kon ik niet begrijpen. Ze wezen mij op hun bomen en ik kon die diepgevoelde liefde niet begrijpen waarmee ze ernaar keken; het was of ze over schepsels als zij zelf spraken. En misschien vergis ik me niet wanneer ik zeg dat ze met hen spraken. Ja, ze hadden hun taal ontdekt en ik ben ervan overtuigd dat de bomen hen verstonden. En op dezelfde manier beschouwden ze de hele Natuur — de dieren die in vrede met hen leefden en hen niet aanvielen, maar overwonnen door hun liefde, van hen hielden. Ze wezen mij de sterren aan en vertelden me er iets over wat ik niet kon begrijpen, maar ik ben ervan overtuigd dat zij op een of andere manier in contact met de sterren stonden, niet alleen in gedachten maar langs een of ander levend kanaal. O, die mensen deden ook helemaal geen moeite om te zorgen dat ik ze begreep, ze hielden ook zo van me, maar ik besefte dat zij mij nooit zouden begrijpen en daarom sprak ik bijna nooit met ze over onze aarde. Alleen in hun aanwezigheid kuste ik de aarde waarop zij leefden en aanbad hen zonder woorden. En zij zagen het en lieten zich aanbidden zonder zich ervoor te schamen dat ik ze aanbad, omdat zij zelf vol liefde waren. Het raakte hen niet wanneer ik soms in tranen hun voeten kuste, in een vreugdevol besef van de liefde waarmee zij mij zouden beantwoorden. Soms vroeg ik me verwonderd af hoe het mogelijk was dat ze een schepsel als mij niet beledigden en in mij geen enkele keer gevoelens van nijd en afgunst opwekten? Herhaaldelijk vroeg ik me af hoe het kwam dat een opschepper en leugenaar als ik ze niet vertelde van wat ik wist - waarvan zij natuurlijk geen flauw idee hadden – en dat ik nooit in de verleiding kwam om dat te doen uit verlangen ze in verbazing te brengen of zelfs te bevoordelen. Ze waren vrolijk en speels als kinderen. Ze dwaalden door hun mooie bossen en wouden, ze zongen hun mooie liederen, ze voedden zich met licht voedsel, met de vruchten van hun bomen, de honing uit hun wouden en de melk van de dieren die van hen hielden. Voor hun voeding en kleding verrichten zij maar weinig en licht werk. Ze hadden lief en brachten kinderen voort, maar nooit zag ik bij hen de opwellingen van die wrede wellust waaraan op onze aarde praktisch iedereen onderhevig is, allemaal en iedereen, en die de bron vormt van bijna alle zonden van de mensheid op aarde. Ze verheugden zich over de komst van de kinderen, als nieuwe wezens om hun geluk met hen te delen.
Er was geen ruzie en geen jaloezie onder hen en ze wisten zelfs niet wat die woorden betekenden. Hun kinderen waren de kinderen van allen omdat ze samen één gezin vormden. Er kwamen geen ziekten bij hen voor al kenden zij wel de dood; maar hun grijsaards stierven vredig, alsof zij insliepen, omgeven door mensen die met stralende en aandoenlijke glimlach het laatste afscheid van hen namen en die zij zegenden en toelachten. Droefheid of tranen heb ik bij dergelijke gelegenheden nooit gezien, er was alleen liefde die tot extase uitgroeide, maar een kalme extase, volmaakt en contemplatief. Men zou kunnen denken dat ze met hun afgestorvenen zelfs na hun dood in contact stonden en dat hun aardse verbond door de dood niet verbroken werd. Ze begrepen me nauwelijks als ik ze vroeg over onsterfelijkheid maar blijkbaar waren ze er zo onberedeneerd van overtuigd, dat dat voor hen helemaal geen vraag was. Ze hadden geen tempels, maar een echt levend ervaren van eenheid met het hele Universum; ze beleden geen geloof, maar hadden het zekere weten dat wanneer hun aardse vreugde de grenzen van de aardse natuur had bereikt voor hen, voor de levenden zowel als voor de doden, een nog dieper contact met het geheel van het Universum zou komen. Ze keken met vreugde naar dat ogenblik uit, maar zonder haast, zonder ernaar te smachten, alsof ze er in hun hart al een voorproef van hadden, waarover ze met elkaar spraken. ’s Avonds, vóór ze zich ter ruste begaven genoten zij van het zingen van harmonische en welluidende verzen. In deze liederen gaven zij uitdrukking aan alle gevoelens die de scheidende dag hen had gegeven, zij roemden de dag en namen er afscheid van. Ze zongen lof over de natuur, de zee en de wouden. Ze hielden ervan liederen over elkaar te maken en prezen elkaar als kinderen; het waren hoogst eenvoudige liederen maar ze sprongen op uit het hart en drongen door in de hart van de ander. En niet alleen in hun liederen maar in hun hele leven leken ze niets anders te doen dan elkaar te bewonderen. Het was als een soort verliefdheid op elkaar, maar dan een allesomvattend en universeel gevoel. Sommige van hun plechtige en vervoerende liederen begreep ik nauwelijks. Al begreep ik de woorden, ik kon de betekenis ervan nooit helemaal doorgronden. Deze bleef als het ware ontoegankelijk voor mijn verstand terwijl mijn hart er toch onbewust meer en meer van doordrongen werd. Ik zei vaak tegen hen dat ik er al lang geleden een voorgevoel van had gehad, dat die vreugde en heerlijkheid zich op onze aarde al aan mij geopenbaard had in de vorm van een hunkerende weemoed, die soms een ondraaglijk verdriet benaderde; dat ik van hen allen en hun gelukzaligheid een voorgevoel had gehad in de dromen van mijn hart en de visioenen in mijn geest; dat ik op onze aarde de ondergaande zon vaak niet zonder tranen had kunnen aanschouwen…. dat er in mijn haat tegen de mensen van onze aarde altijd een hunkerende smart was geweest: waarom kon ik ze niet haten zonder ze lief te hebben? waarom kon ik ze niet vergeven? en in mijn liefde voor hen lag een smachtende droefheid: waarom kon ik ze niet liefhebben zonder ze te haten? Ze luisterden naar me en ik merkte dat ze zich niet konden voorstellen wat ik zei, maar ik had er geen spijt van dat ik ze daarover gesproken had: ik wist dat ze de hevigheid van mijn smachtende zielenpijn om hen die ik verlaten hadden begrepen. Maar wanneer ze me aankeken met hun lieve ogen, van liefde vervuld, wanneer ik voelde dat in hun tegenwoordigheid ook mijn hart even onschuldig en rechtvaardig werd als hun harten, benam het gevoel van de volheid van het leven me de adem en dan aanbad ik hen in stilte.
O, nu lachen ze me allemaal in m’n gezicht uit en verzekeren me dat je niet zo gedetailleerd kunt dromen als ik nu vertel, dat ik alleen maar gedroomd heb of een ervaring gevoeld heb die in een delirium in mijn hart ontstaan is en dat ik er de bijzonderheden zelf na mijn ontwaken bij verzonnen heb. En toen ik ze vertelde dat het misschien inderdaad zo geweest was, mijn God, toen had je ze moeten horen lachen, wat hadden ze een plezier! O ja, natuurlijk was ik onder de indruk, alleen al door het ervaren van mijn droom en het feit dat alles in mijn wreed gewonde hart was blijven hangen; maar de werkelijke vormen en beelden van mijn droom, d.w.z. die beelden die ik werkelijk zag tijdens mijn droomgezicht, waren zo vol van harmonie, waren zo mooi en betoverend en waren zo werkelijk, dat ik bij het ontwaken natuurlijk niet in staat was ze in onze armzalige taal te verwoorden, zodat ze in mijn geest wel moesten verbleken en ik dus misschien inderdaad gedwongen was de bijzonderheden achteraf zelf te verzinnen, waarbij ik ze natuurlijk vervormde, in mijn hartstochtelijk verlangen om tenminste een aantal mensen zo snel als ik kon te overtuigen. Maar wat kan ik er aan de andere kant aan doen, dat ik geloof dat het allemaal waar was? Misschien was het allemaal nog duizendmaal stralender en heerlijker dan ik het beschrijf. Toegegeven dat ik het gedroomd heb, toch moet het echt geweest zijn. Weet u, ik zal u een geheim vertellen: misschien was het helemaal geen droom! Want daarna gebeurde er iets zo vreselijks, zo iets gruwelijk echts, dat het onmogelijk alleen maar een droom geweest kan zijn. Laat mijn hart mijn droom hebben voorgebracht, maar was mijn hart alleen dan in staat die verschrikkelijke gebeurtenis voort te brengen die mij later overkwam? Hoe had ik dat in mijn eentje kunnen bedenken of mij in mijn droom kunnen voorstellen? Zouden mijn bekrompen hart en mijn grillige, nietswaardige verstand zich ooit kunnen verheffen tot zulk een openbaring van de waarheid? O, oordeelt u zelf: ik heb het tot dusver verzwegen maar nu zal ik de waarheid vertellen. Het gaat erom dat ik…. ze allemaal bedorven heb!

V

Ja ja, het eindigde ermee dat ik ze allemaal bedorven heb! Hoe dit kon gebeuren weet ik niet maar ik herinner het me duidelijk. De droom behelsde duizenden jaren en liet in mij alleen de indruk van een geheel na. Ik weet alleen dat ik de oorzaak van hun zondeval was. Als een laaghartige ziektekiem, als een pestbacil die hele koninkrijken aansteekt, zo stak ik die hele gelukkige en vóór mijn komst zondeloze aarde aan. Ze leerden liegen, werden dol op de leugen en ontdekten de betovering van de onwaarheid. O, het begon aanvankelijk misschien onschuldig, met scherts, met koketterie, met een liefdesspel, misschien ook werkelijk met een bacil, maar die bacil van de leugen drong in hun harten door en viel in hun smaak. Daarop volgde spoedig de wellust, de wellust bracht de jaloezie voort, en de jaloezie de wreedheid... O ik weet het niet, ik herinner het me niet meer, maar gauw, al heel gauw werd het eerste bloed vergoten. Ze verwonderden zich erover en schrokken ervan, en ze begonnen uit elkaar te gaan en zich te verdelen. Ze vormden groepen, maar tegen elkaar gericht. Er kwamen verwijten, beschuldigingen. Ze leerden de schaamte kennen en de schaamte bracht hen tot deugd. Het begrip van eer ontstond en elke groep verhief zijn eigen vlag. Ze begonnen de dieren te kwellen en de dieren trokken zich terug in de wouden en werden hun vijanden. Er ontstond een strijd om afscheiding, om apartheid, om de persoonlijkheid, om het mijn en dijn. Ze begonnen te spreken in verschillende talen. Ze leerden het leed kennen, kregen het leed lief, ze dorstten naar lijden en zeiden dat de waarheid alleen door lijden bereikt kon worden. Toen verscheen de wetenschap. Toen ze slecht geworden waren begonnen ze te spreken over broederschap en menslievendheid en ze verklaarden deze ideeën. Toen ze misdadig geworden waren vonden ze de gerechtigheid uit en stelden hele wetboeken op om die gerechtigheid in stand te houden, en om zich ervan te verzekeren dat de wetten nageleefd werden richtten ze de guillotine op. Ze hadden nog maar een heel flauwe herinnering aan wat ze verloren hadden, in feite weigerden ze te geloven dat ze eens gelukkig en onschuldig geweest waren. Ze lachten zelfs om de mogelijkheid van hun vroegere geluk en noemden het een droom. Ze konden het zich zelfs niet in vormen en beelden voorstellen, maar, dit is het vreemde en verbazingwekkende: hoewel ze ieder geloof aan hun vroegere geluk, dat ze een sprookje noemden, verloren hadden, verlangden ze er zo hevig naar om gelukkig en onschuldig te zijn dat ze als kinderen voor dit verlangen bezweken, er een afgod van maakten, tempels oprichtten en hun eigen idee, hun eigen verlangen begonnen te aanbidden, terwijl ze tegelijkertijd volkomen overtuigd waren dat het onbereikbaar en onuitvoerbaar was, en ze bogen zich ervoor neer en aanbaden het onder tranen. En toch, als het mogelijk geweest was terug te keren tot die staat van onschuld en geluk die ze verloren hadden en iemand ze plotseling weer daarop gewezen had en ze gevraagd had of ze ernaar terug wilden keren, dan zouden ze zeker geweigerd hebben. Ze gaven mij ten antwoord: "We mogen dan wel leugenachtig zijn, slecht en onrechtvaardig, we weten het en huilen er om en lijden er onder; we pijnigen en straffen onszelf misschien nog meer dan die barmhartige Rechter, Die over ons oordeelt en Wiens naam wij niet kennen. Maar wij hebben de wetenschap en door de wetenschap zullen wij de waarheid vinden, maar dan zullen wij haar bewust aanvaarden. Kennis is belangrijker dan gevoel, bewustzijn van het leven belangrijker dan leven zelf. De wetenschap zal ons wijsheid schenken, de wijsheid zal ons de wetten openbaren, en de kennis van de wetten van het geluk zijn belangrijker dan het geluk". Zo spraken zij, en na deze woorden begon iedereen meer van zichzelf dan van alle anderen te houden en ze konden inderdaad niet anders. Iedereen werd zo jaloers door de rechten van zijn eigen persoon, dat hij zijn uiterste best deed die bij anderen te beknotten en te vernietigen, en dat was het belangrijkste in zijn leven. De slavernij deed haar intrede, zelfs een vrijwillige slavernij: de zwakken onderwierpen zich gaarne aan de sterken, op voorwaarde dat de laatsten hen hielpen de nog zwakkeren te onderwerpen. Er traden ook heiligen op die in tranen naar die mensen toegingen en ze wezen op hun hoogmoed, op het verlies van harmonie en maat en op hun verloren schaamtegevoel. Ze werden uitgelachen of gestenigd. Heilig bloed werd vergoten op de drempels van de tempels. Vervolgens traden er mensen op die zich begonnen af te vragen of het niet mogelijk was allen opnieuw zodanig bij elkaar te brengen zonder dat de een de ander in de weg stond terwijl toch iedereen zichzelf boven alle anderen lief bleef hebben, en of men op die manier niet met z’n allen in zoiets als een eensgezinde maatschappij zou kunnen leven. Om deze gedachte werden hele oorlogen gevoerd. Alle oorlogvoerenden waren er tegelijk vast van overtuigd dat de wetenschap, de wijsheid en het instinkt tot zelfbehoud de mens uiteindelijk zouden noodzaken zich aaneen te sluiten tot een eensgezinde en verstandige maatschappij, en om de zaak te bespoedigen trachtten de "wijzen" dus zo snel mogelijk iedereen die  "niet wijs" was, die namelijk hun idee niet begrepen had, zo gauw mogelijk uit te roeien opdat die de overwinning van hun idee niet in de weg zouden staan. Maar het instinkt tot zelfbehoud begon spoedig te verslappen, er kwamen hoogmoedigen en wellustelingen naar voren die openlijk alles of niets eisten. Om zich in het bezit van alles te stellen namen ze hun toevlucht tot misdaden, en als dat niet lukte dus tot zelfmoord. Er kwamen religies op met een cultus van het niet-zijn en zelfvernietiging terwille van de eeuwige rust in het niets. Tenslotte werden deze mensen moe van het zinloze geploeter, hun gezichten werden door het lijden getekend, en vervolgens verkondigden ze dat lijden schoonheid is omdat alleen in het lijden een zin ligt. Ze bezongen het lijden in hun liederen. Ik liep handenwringend tussen hen in en stortte tranen om hen maar ik hield misschien nog meer van ze dan vroeger toen er nog geen lijden op hun gezichten lag en toen ze nog onschuldig waren en zo mooi. Ik kreeg hun ontwijde aarde nog meer lief dan toen het een paradijs was, alleen omdat het leed er zijn intrede had gedaan. Helaas, ik heb altijd van leed en smart gehouden, maar alleen voor mezelf, voor mezelf alleen, maar om hen weende ik, met hen had ik medelijden. Wanhopig strekte ik mijn armen naar hen uit terwijl ik mezelf beschuldigde, vervloekte en verachtte. Ik zei hen dat ik dit allemaal veroorzaakt had, ik alleen; dat ik ze de verloedering, de besmetting en de leugen gebracht had! Ik smeekte ze dat ze me aan het kruis zouden slaan en ik leerde ze hoe ze een kruis in elkaar moesten zetten. Ik kon mezelf niet doden, daar had ik de kracht niet voor, maar ik wilde lijden door hun handen. Ik dorstte naar lijden, ik dorstte ernaar dat mijn bloed in deze folteringen tot de laatste druppel vergoten werd. Maar ze lachten me alleen maar uit en begonnen me tenslotte als een gek te beschouwen. Ze verontschuldigden me, ze zeiden dat ze alleen gekregen hadden wat ze zelf gewild hadden en dat het nu eenmaal niet anders kon zijn dan het was. Tenslotte zeiden ze me dat ik gevaarlijk voor ze begon te worden en dat ze me in een gekkenhuis zouden opsluiten als ik mijn mond niet hield. Toen nam zo’n smart bezit van mijn ziel dat mijn hart ineenkromp en ik voelde me alsof ik ging sterven, en toen... en toen, werd ik wakker.

Het was ochtend, dat wil zeggen, het was nog niet licht maar het was al bijna zes uur. Ik ontwaakte in dezelfde fauteuil; mijn kaars was helemaal opgebrand, iedereen in de kamer van de kapitein sliep en rondom heerste een stilte die in onze woning een zeldzaamheid was. Eerst sprong ik in de grootste verbazing op; nog nooit eerder was me iets dergelijks overkomen, zelfs niet in de meest onbelangrijke kleinigheden: nog nooit was ik bijvoorbeeld zo in mijn fauteuil in slaap gevallen. Toen ineens, terwijl ik daar zo tot mezelf stond te komen, viel mijn blik plotseling op mijn revolver die geladen en klaar voor mij lag — maar in een oogwenk had ik hem van mij weggestoten! O, nu, leven, leven! Ik hief mijn armen omhoog en riep de eeuwige waarheid aan; ik riep niet met woorden, ik weende; een verrukking, een grenzeloze verrukking overspoelde mijn ziel. Ja, leven en de goede boodschap prediken! Het besluit om te gaan prediken nam ik meteen op datzelfde ogenblik en natuurlijk nam ik dat besluit voor mijn hele leven!
Ik ga de goede boodschap prediken, ik wil de goede boodschap prediken — van wat? Van de waarheid, want ik heb haar gezien, ik heb haar met eigen ogen gezien, ik heb haar in al haar luister gezien!
En sinds die tijd predik ik! Verder houd ik het meest van diegenen die het hardst van allen om mij lachen. Waarom weet ik niet en kan ik ook niet verklaren, maar het zij zo. Ze zeggen dat ik zweverig en in de war ben, maar als ik nu al zweverig en in de war ben hoe moet het dan verder met me? Het is inderdaad waar: ik ben een zwever en een warhoofd en misschien wordt het in de loop van de tijd alleen nog erger. En natuurlijk zal ik een hoop blunders maken voordat ik er achter ben hoe ik moet prediken, dat wil zeggen met welke woorden en welke daden, want het is een hele moeilijk taak. Ik zie dit allemaal glashelder, maar luister nou eens: wie maakt er geen fouten? En toch hebben, zoals je weet, alle mensen hetzelfde doel voor ogen en ploeteren allemaal dezelfde richting uit, van de wijze tot de laagste bandiet, alleen langs verschillende wegen. Het is een oude waarheid maar dit is nieuw: ik kan niet zo heel erg meer de mist ingaan. Omdat ik de waarheid gezien heb; omdat ik gezien heb en weet dat de mensen mooi en gelukkig kunnen zijn zonder het vermogen te verliezen om op aarde te leven. Ik wil en kan niet geloven dat het kwaad de normale menselijke staat is. En juist dat geloof van mij is het waarover ze allemaal lachen. Maar ik kan er niks aan doen dat ik dat geloof. Ik heb de waarheid gezien — ik heb het niet met mijn verstand uitgedacht maar ik heb gezien, gezien, en het levende beeld van die waarheid heeft mijn ziel voor eeuwig vervuld. Ik heb het in zo’n volmaakte gaafheid gezien dat ik niet kan geloven dat het onmogelijk is dat de mensen er deel van uitmaken. En hoe zou ik dan nog de mist in kunnen gaan? Ik zal me ongetwijfeld nog een aantal malen vergissen en ik zal misschien  woorden spreken die niet van mezelf maar van anderen zijn, maar niet lang: het levende beeld van wat ik gezien heb zal altijd bij mij blijven en zal me altijd corrigeren en mij op de juiste weg leiden. O ik ben  boordevol goede moed en frisheid en ik zal doorgaan en doorgaan, ook al zou het voor duizend jaar moeten zijn. Weet u, ik wilde het in het begin geheim houden dat ik ze allemaal bedorven heb, maar dat was een fout -  dat was mijn eerste fout! Maar de waarheid fluisterde me in dat ik loog en behoedde me aldus en bracht me weer op het juiste pad. Maar hoe men het paradijs tot stand moet brengen — dat weet ik niet omdat ik het niet in woorden uit kan drukken. Na mijn droom heb ik de macht over de woorden verloren. In ieder geval over de belangrijkste woorden, die het meest nodig zijn. Maar dat doet er niet toe; ik ga voort en ik zal blijven praten, onophoudelijk praten omdat ik het in ieder geval met eigen ogen gezien heb al ben ik niet in staat weer te geven wat ik gezien heb. Maar dat begrijpen de spotters niet: Het was een droom, zeggen ze, een koortsvisioen, een hallucinatie. Nou, alsof dat zoveel zegt! En zij zijn er zo trots op. Een droom? Wat is dat, een droom? Is ons leven soms geen droom? Ik zal nog meer vertellen! Stel je voor dat dit paradijs er nooit zal komen (dat heb ik inmiddels wel begrepen), dan nog zal ik erover blijven prediken. Eigenlijk is het zo vreselijk eenvoudig: in één dag, in één uur zou alles ineens geregeld kunnen worden! De hoofdzaak is: heb de anderen lief als jezelf, dat is de hoofdzaak en dat is alles, verder is er eigenlijk niets nodig: je ontdekt meteen hoe je het moet aanpakken. En toch is het niet meer dan een oude waarheid die men al duizendmiljoen keren verteld en opnieuw verteld heeft, alleen heeft men er nooit naar geleefd! Verstand hebben van het leven is belangrijker dan leven zelf, kennis van de wetten van het geluk is belangrijker dan het geluk zelf — dat is het waar men de strijd mee moet aanbinden! Ik zal het doen. Wanneer iedereen maar zou willen zou onmiddellijk alles in orde komen.

Dat kleine meisje heb ik intussen gevonden... En ik? Ik zal doorgaan! Ik zal doorgaan!

EINDE

Naar boven