Home

The Ethics of Belief

William Kingdon Clifford (1845 – 1879)

De Ethiek van het Geloven

Oorspronkelijk gepubliceerd in Contemporary Review, 1877. Herdrukt in Lectures and Essays (1879).

I. DE PLICHT TOT ONDERZOEK

Een scheepseigenaar stond op het punt om een schip met emigranten te laten uitvaren. Hij wist dat het schip oud was en eigenlijk helemaal niet deugdelijk was gebouwd en dat het vele zeeën en klimaten had gezien en vaak was gerepareerd. Men had bij hem twijfels geuit over de zeewaardigheid van het schip. Deze twijfels kwelden hem en maakten hem ongelukkig; hij bedacht dat hij het schip misschien grondig onder handen moest nemen en repareren, zelfs al zou dat hem op grote kosten jagen. Maar voordat het schip uitzeilde slaagde hij erin om die sombere gedachten te verdrijven. Hij hield zichzelf voor dat het schip zoveel reizen had overleefd en aan zoveel stormen het hoofd had geboden, dat het zinloos was om te veronderstellen dat het ook niet van deze reis weer veilig zou terugkeren. Hij zou zijn vertrouwen stellen in de de Voorzienigheid, die al die ongelukkige gezinnen die hun vaderland verlieten om elders een betere toekomst op te bouwen vast wel zou beschermen. Hij zou alle onaangename achterdocht over de oprechtheid van de bouwers en aannemers uit zijn hoofd zetten. Op die manier raakte hij er oprecht en eenvoudig van overtuigd dat zijn schip volkomen veilig en zeewaardig was; met een gerust hart zag hij het schip uitvaren en wenste de ballingen van harte veel succes in hun toekomstige nieuwe vaderland. Hij streek zijn verzekeringspenningen op toen het midden op de oceaan verging en had het er verder niet meer over.

Wat moeten we nou over hem zeggen? Ongetwijfeld dat hij heel schuldig was aan de dood van die mensen. We moeten toegeven dat hij oprecht in de deugdelijkheid van zijn schip geloofde; maar de oprechtheid van zijn overtuiging kan hem op geen enkele manier baten, omdat hij op grond van de bewijzen die hij ter beschikking had niet het recht had om te geloven. Hij had zijn overtuiging niet verkregen door die, door middel van zorgvuldig onderzoek, te verdienen, maar door zijn twijfels te onderdrukken. En hoewel hij er uiteindelijk zo zeker van was dat hij niet anders meer kon denken, moet hij daar toch, voor zoverre hij zich willens en wetens in die gemoedstoestand had gemanipuleerd, zelf verantwoordelijk voor worden gehouden.

Laten we de situatie een beetje veranderen en veronderstellen, dat het schip eigenlijk helemaal niet ondeugdelijk was; dat het de reis en nog vele reizen daarna veilig maakte. Maakt dat de schuld van de eigenaar kleiner? Geen zier. Als een handeling is verricht, is die voor altijd juist of onjuist; geen toevallig uitblijven van goede of slechte gevolgen kan dat veranderen. De man zou niet onschuldig zijn geweest, maar het zou alleen niet zijn ontdekt. De vraag naar juist of onjuist heeft te maken met de oorsprong van zijn overtuiging, niet met de zaak zelf; niet met het hoe van de zaak, maar hoe hij ertoe is gekomen; niet of het uiteindelijk juist of onjuist is gebleken, maar of hij het recht had om iets te geloven op grond van de bewijzen die hem ter beschikking stonden.

Er was eens een eiland, waar een aantal van de bewoners een godsdienst aanhingen die noch de leer van de erfzonde, noch die van de eeuwige vergelding leerde. Er ging een gerucht rond dat de aanhangers van deze godsdienst van oneigenlijke middelen gebruik hadden gemaakt om hun leer aan de kinderen te onderwijzen. Zij werden ervan beschuldigd, dat ze de wetten van hun land geweld aan hadden gedaan, door de kinderen aan de zorg van hun natuurlijke en wettelijke oppassers te ontrekken; en dat zij de kinderen zelfs heimelijk ontvoerden en voor hun vrienden en familieleden verborgen hielden. Een aantal mensen richtte een genootschap op met het doel om over deze zaak publiekelijk actie te voeren. Zij publiceerden ernstige beschuldigingen tegen afzonderlijke hooggeplaatste en eerzame burgers en stelden alles in het werk om deze burgers in de uitoefening van hun beroep te schaden. Zij maakten zoveel kabaal, dat er een commissie werd ingesteld om de zaak te onderzoeken; maar nadat de commissie een zorgvuldig onderzoek naar alle ter beschikking staande bewijzen had ingesteld, bleek dat de beschuldigden onschuldig waren. Zij waren niet alleen op onvoldoende gronden beschuldigd, maar het bewijs van hun onschuld was zodanig, dat de onruststokers dat gemakkelijk hadden kunnen verkrijgen, als zij een poging tot een eerlijk onderzoek hadden ondernomen. Na deze onthulling beschouwden de bewoners van dat land de leden van het onruststokende genootschap niet alleen als mensen die je niet kon vertrouwen, maar ook als personen die niet langer tot de eerzame mensen konden worden gerekend. Want hoewel zij oprecht en zorgvuldig in de beschuldigingen, die ze hadden geuit, hadden geloofd, hadden zij toch niet het recht om te geloven op grond van de bewijzen die hen ter beschikking stonden. In plaats van dat ze door gedegen onderzoek eerlijk waren verdiend, waren hun oprechte overtuigingen op slinkse wijze verkregen, door te luisteren naar de stem van vooroordeel en hartstocht.

Laten we dit geval ook eens anders bekijken, waarbij de andere factoren onveranderd blijven, en veronderstellen dat een zorgvuldiger onderzoek had aangetoond dat de beschuldigden echt schuldig waren. Zou dat enig verschil maken in de schuld van de beschuldigers? Duidelijk niet. De vraag is niet of hun overtuiging juist of onjuist is, maar of zij die overtuiging op onjuiste gronden hebben gekoesterd. Zij zouden ongetwijfeld zeggen: “Nu zie je dat wij uiteindelijk gelijk hebben gehad; de volgende keer zul je ons misschien wel geloven.” En misschien worden ze dan ook geloofd, maar daardoor zouden zij nog geen eerzame mensen worden. Zij zouden niet onschuldig zijn, maar het zou alleen niet aan het licht zijn gekomen. Als zij zichzelf voor de rechtbank van het geweten zouden onderzoeken, zouden zij allemaal weten, dat zij een mening hadden verkregen en gevoed, terwijl zij op grond van de bewijzen die hen ter beschikking stonden geen recht hadden om daarin te geloven. Daardoor zouden ze weten dat zij iets verkeerds hadden gedaan.

We moeten niet vergeten dat, in deze beide veronderstelde gevallen, het niet het geloof is dat onjuist blijkt te zijn, maar de actie die er op volgt. De scheepseigenaar had kunnen zeggen:”Ik ben er absoluut zeker van dat mijn schip deugdelijk is, maar toch zie ik het als mijn plicht om het te laten controleren, voordat ik daar het leven van zoveel mensen aan toevertrouw.” En je zou tegen de oproerkraaier kunnen zeggen: “Hoewel je overtuigd was van de rechtvaardigheid van je zaak en de waarheid van je overtuigingen, had je toch niet een openlijke aanval op wie dan ook mogen richten, voordat je het bewijs met de uiterste gedegenheid en zorgvuldigheid van beide kanten had onderzocht.”

Laten we, tot hiertoe, in de eerste plaats aannemen, dat deze kijk op de zaak juist en essentieel is; juist omdat, zelfs als iemands overtuiging zo rigide is dat hij niet anders kan denken, hij nog steeds een keuze heeft in de actie die erdoor wordt ingegeven, en dus niet aan de plicht van onderzoek kan ontkomen op grond van de kracht van zijn overtuigingen; en essentieel, omdat mensen, die niet in staat zijn om hun gevoelens en gedachten te beheersen, een duidelijke regel moeten hebben om met openbare zaken om te gaan.”

Maar nu we hebben aangenomen dat dit essentieel is, wordt duidelijk dat het niet voldoende is, en dat wij onze vorige beoordeling nodig hebben om het aan te vullen. Want het is net zo onmogelijk om de overtuiging te scheiden van de actie die daardoor wordt opgeroepen, als het veroordelen van de ene zonder de andere te veroordelen. Niemand die aan één aspect van een vraagstuk een sterk geloof hecht of zelfs maar wil hechten, kan het net zo eerlijk onderzoeken als wanneer hij echt zou twijfelen en onbevooroordeeld zou zijn, zodat het bestaan van een overtuiging, die niet op eerlijk onderzoek is gebaseerd, iemand ongeschikt maakt voor het vervullen van zijn vereiste plichten.

Het is evenmin juist dat een overtuiging, die iemand aanhangt in feite geen enkele invloed op hemzelf zou hebben. Iemand die oprecht gelooft in datgene wat hem tot een handeling aanzet, heeft naar die handeling al met graagte uitgekeken; hij heeft die al in zijn hart voltrokken. Als een overtuiging niet meteen in openlijke daden wordt omgezet, wordt die als richtlijn voor de toekomst opgeslagen. Het wordt dan een deel van het geheel van overtuigingen, dat op elk moment van ons leven de verbinding vormt tussen gevoel en handelen, en dat zo is gestructureerd en samengebald, dat geen enkel onderdeel van de rest kan worden gescheiden, maar dat elke nieuwe toevoeging de structuur van het geheel verandert. Geen enkele overtuiging, hoe onbeduidend en gefragmenteerd die ook mag lijken, is ooit echt onbetekenend; zij bereid ons voor op het ontvangen van meer van hetzelfde, bevestigt de overtuigingen die er al vóór die tijd op leken en verzwakt andere; en zo legt een overtuiging geleidelijk een heimelijk spoor in het diepst van onze gedachten, dat op zekere dag in een openlijke daad kan uitbarsten en op ons karakter voor altijd een stempel kan drukken. 

In geen enkel geval is iemands overtuiging een privézaak, die alleen hemzelf aangaat. Ons leven wordt gestuurd door de algemene opvatting over de loop der dingen die, voor maatschappelijke doeleinden, door de maatschappij in het leven is geroepen. Onze woorden, onze uitspraken, onze denkvormen, denkprocessen en denkwijzen zijn een gezamenlijk eigendom, dat van eeuw tot eeuw is gevormd en vervolmaakt. Het is een erfgoed dat elke volgende generatie als een kostbaar onderpand erft, met de heilige opdracht om het aan de volgende generatie te overhandigen, niet onveranderd maar uitgebreid en gezuiverd en met een aantal duidelijke merktekenen van haar eigen handwerk. Elke overtuiging van iedereen, die met zijn medemensen communiceert, is daar hoe dan ook mee verweven. Het is een afschuwelijk privilege en een afschuwelijke verantwoordelijkheid, dat wij meehelpen aan het scheppen van een wereld, waarin ons nageslacht moet leven.

In de twee gestelde problemen die wij hebben bekeken, hebben wij het onjuist gevonden om iets op onvoldoende gronden te geloven, of om een overtuiging te voeden door het onderdrukken van twijfels en het vermijden van onderzoek. De reden van dit oordeel is niet ver te zoeken, want in deze beide gevallen was de overtuiging, die door één enkel iemand werd gekoesterd, van groot belang voor anderen. Maar in zoverre geen enkele overtuiging die door iemand wordt gedeeld, hoe ogenschijnlijk onbeduidend overtuiging en hoe onbekend de aanhanger van de overtuiging ook moge zijn, in feite ooit echt onbetekenend of zonder uitwerking op het lot van de mensheid is, moeten wij ons oordeel wel uitbreiden tot alle gevallen waarin van welke overtuiging dan ook sprake is. De overtuiging, dat gevrijwaarde vermogen, dat de beslissingen van onze wil drijft, en alle samengebalde energie van ons wezen in een harmonieuze werking samenbreit, is ván onszelf, maar niet vóór onszelf, maar voor de mensheid. Zij wordt terecht gebruikt bij waarheden, die door lange ervaring en behoedzaam geploeter zijn vastgesteld en die aan het felle licht van vrij en onverschrokken onderzoek hebben blootgestaan. Dan draagt een overtuiging bij aan het samenbinden van mensen en het versterken en sturen van hun gezamenlijke optreden. Zij wordt geschonden als zij wordt gebruikt voor onbewezen en niet onderzochte beweringen en voor de vertroosting en het eigen plezier van degene die er in gelooft; als zij wordt gebruikt om een opzichtige glans te geven aan ons eenvoudige en rechte levenspad en aan een stralende luchtspiegeling daarachter; of zelfs wordt gebruikt om de dagelijkse zorgen van ons mensensoort te overspoelen met zelfbedrog, waardoor zij niet alleen in staat zijn om ons terneer te slaan, maar ook om ons te vernederen. Iedereeen die wat dit betreft van zijn medemensen instemming wil verdienen, moet de zuiverheid van zijn overtuigingen met een uiterst fanatieke en waakzame zorgvuldigheid bewaken, opdat het niet terecht komt op een waardeloos onderwerp en daar een smet kan oplopen die nooit meer kan worden verwijderd.

Het is niet alleen de leidsman van mensen, de politicus, de filosoof of de dichter, die gehouden is aan deze bindende plicht ten opzichte van de mensheid. Elke plattelander die in de dorpskroeg zijn trage, sporadische zinnen uitspreekt, kan bijdragen aan het doden of in leven houden van het noodlottige bijgeloof, dat zijn soort kluistert. Elke hardwerkende arbeidersvrouw kan overtuigingen op haar kinderen overdragen, die de maatschappij samenbinden, of in stukken scheuren. Geen enkele eenvoud van geest, geen enkele onbeduidende positie kan ontkomen aan de universele plicht om alles wat wij geloven ter discussie te stellen.

Deze plicht is ongetwijfeld een zware plicht en de twijfel die daaraan ontspruit is vaak bitter. Het laat ons naakt en machteloos achter waar we dachten dat wij veilig en sterk waren. Alles over alles te weten wil zeggen dat wij weten hoe wij daar onder alle omstandigheden mee om moeten gaan. Wij voelen ons veel gelukkiger en veiliger als we denken dat we we precies weten wat we moeten doen, ongeacht wat er gebeurt, dan wanneer we de weg kwijt zijn en niet weten waar we moeten omkeren. En als wij voor onszelf hebben aangenomen, dat we alles over alles weten, en in staat zijn om wat dat betreft juist te handelen, vinden wij het vanzelfsprekend niet prettig om te merken dat we eigenlijk onwetend en machteloos zijn, dat we weer bij het begin moeten beginnen en moeten proberen te leren waar het feitelijk om gaat en hoe wij daarmee dan om moeten gaan – áls we er al dan iets over kunnen leren. Het is het gevoel van macht, inherent aan het gevoel van kennis, dat mensen graag iets doet geloven en bang maakt voor twijfel.

Dit gevoel van macht is het hoogste en beste genot als de overtuiging, waarop het is gebaseerd een echte overtuiging is, en door onderzoek eerlijk is verdiend. Want pas dan kunnen wij terecht voelen dat het gemeenschappelijk eigendom is, en kunnen wij het zowel voor anderen als voor onszelf als heilzaam beschouwen. Dan kunnen wij verheugd zijn, niet omdat ik een geheim heb ontdekt, waardoor ik sterker en veiliger ben, maar dat wij mensen over een groter deel van de wereld meesterschap hebben verkregen. Dan zullen wij sterk zijn, niet voor onszelf maar in naam van de Mens en zijn kracht. Maar als de overtuiging op ondeugdelijke gronden is verkregen, is de vreugde een slinks verkregen vreugde. Zij bedriegt niet alleen onszelf, doordat het ons een gevoel van macht geeft, die wij niet echt bezitten, maar het is zondig omdat het, in weerwil van onze plicht ten opzichte van de mensheid, slinks is verkregen. Die plicht bestaat om ons als de pest voor dergelijke overtuigingen te behoeden, omdat ze weldra ons eigen lijf beheersen en zich vervolgens over de rest van de stad verspreiden. Wat zou je van iemand vinden, die ter wille van een zoete vrucht, zijn familie en zijn buren opzettelijk de pest bezorgt?

Het is, net zoals in andere gevallen, niet alleen het risico dat moet worden afgewogen; want een onjuiste handeling is altijd onjuist op het moment dat die wordt uitgevoerd, ongeacht wat er later gebeurt. Elke keer als wij onszelf iets op onterechte gronden laten geloven, verzwakken wij ons vermogen tot zelfbeheersing, tot twijfel, en tot het kritisch en eerlijk afwegen van bewijsmateriaal. Wij lijden allemaal al erg genoeg onder het handhaven en steunen van onjuiste overtuigingen en de noodlottig onjuiste handelingen waar zij toe leiden, en onder het kwaad dat ontstaat wanneer dergelijke overtuigingen wijd en zijd worden gedeeld. Maar er ontstaat een nog groter en omvangrijker kwaad als goedgelovigheid wordt gehandhaafd en wordt gesteund en als een gewoonte om te geloven op ongerechtvaardigde gronden wordt gekoesterd en blijvend wordt. Als ik geld van iemand steel, wordt niet alleen schade berokkend door het overdragen van bezit. Het kan zijn dat de bestolene het verlies niet voelt, of het kan hem behoeden voor het onjuiste gebruik van het geld. Maar door dat te doen kan ik niet voorkomen dat ik jegens de Mens een groot kwaad aanricht, doordat ik mijzelf oneerlijk maak. Wat de maatschappij benadeelt is niet dat zij haar bezit zou verliezen, maar dat zij een rovershol wordt, want dan zal zij niet langer een maatschappij zijn. Dat is de reden waarom wij geen kwaad zouden moeten doen, zodat dan het goede kan verschijnen. Want dit grote kwaad is in ieder geval verschenen, omdat wij kwaad hebben aangericht en daardoor verdorven zijn geworden. Op dezelfde wijze zal, door alleen een overtuiging, geen grote schade worden aangericht, als ik zelf iets geloof op onvoldoende gronden. Het zou uiteindelijk toch waar kunnen zijn, of misschien zou ik nooit de mogelijkheid hebben om het in uiterlijke daden te tonen. Maar ik kan niet voorkomen dat ik jegens de Mens grote schade aanricht, als ik goedgelovig ben. Het gevaar voor de gemeenschap is niet alleen dat zij onjuiste dingen zou geloven, hoewel dat al erg genoeg is; maar dat zij goedgelovig zou worden en de gewoonte zou verliezen om zaken te toetsen en te onderzoeken; want dan zal zij in barbarij terugzinken.

De schade die door iemand die goedgelovig is wordt aangericht, beperkt zich niet tot het koesteren van goedgelovigheid bij anderen, en het derhalve steunen van onjuiste overtuigingen. De gebruikelijke behoefte aan zorgvuldigheid over wat ik geloof leidt tot de gebruikelijke behoefte aan zorgvuldigheid bij anderen over het waarheidsgehalte van wat zij mij vertellen. Iemand spreekt de waarheid over iemand anders als beiden de waarheid in hun eigen geest en in die van de ander respecteren. Maar hoe moet mijn vriend de waarheid in mijn geest respecteren, als ik daar zelf slordig in ben, als ik dingen geloof omdat ik ze wil geloven en omdat ze geruststellend en prettig zijn? Leert hij dan niet “Vrede” tegen mij roepen, als er geen vrede is? Op zo’n manier omgeef ik mijzelf met een dikke atmosfeer van leugen en bedrog, waarin ik zelf moet leven. Mij zou het zelf misschien niet zoveel uitmaken, in mijn luchtkasteel van zoete illusies en lieflijke leugens, maar voor de Mens is het rampzalig, dat ik mijn buren tot bedriegen heb gebracht. De goedgelovige mens is de vader van de leugen en het bedrog. Hij leeft in de kring van zijn familieleden en het is geen wonder als zij net zo zouden worden als hij. Onze plichten zijn zo nauw met elkaar verknoopt, dat iemand die de hele wet respecteert, maar die toch op één punt overtreedt, geheel schuldig is.

Samengevat: het is altijd, overal en voor iedereen onjuist om iets op ondeugdelijke gronden te geloven.

Als iemand die een mening aanhangt, die hem gedurende zijn jeugd is onderwezen of waartoe hij later is overgehaald, elke twijfel die in zijn hoofd opkomt onderdrukt en wegduwt, doelbewust vermijdt boeken te lezen en mensen te spreken die dat geloof in twijfel trekken of ter discussie stellen, en vragen die niet gesteld kunnen worden zonder dat geloof te verstoren als ongepast beschouwt - dan is dat leven van die man één grote zonde tegen de mensheid.

Dit oordeel klinkt wreed als het wordt toegepast op die simpele zielen die nooit beter hebben geweten, die van die wieg af met een gruwel voor twijfel zijn opgevoed, en hebben geleerd dat hun eeuwige welzijn afhangt van wat zij geloven, maar het leidt wel tot de buitengewoon serieuze vraag, Wie heeft ervoor gezorgd dat Israel heeft gezondigd?

Ik ben zo vrij om deze uitspraak te bekrachtigen met het volgende citaat van Milton:

Iemand kan wat betreft de waarheid een ketter zijn; en als hij dingen alleen maar gelooft omdat zijn predikant dat zegt, of de vergadering dat bepaalt, zonder dat hij daar de reden van kent, wordt de waarheid die hij aanhangt, ofschoon zijn geloof juist is, toch zijn eigen ketterij. [1]

En met het beroemde aforisme van Coleridge:

Iemand die meer van het Christendom gaat houden dan van de Waarheid, zal vervolgens meer van zijn eigen sekte of Kerk gaan houden dan van het Christendom, en uiteindelijk vooral van zichzelf houden. [2]

Onderzoek naar de bewijsgronden voor een leerstelsel wordt niet voor eens en altijd verricht en vervolgens als afdoende vaststaand beschouwd. Het is nooit terecht om twijfels te onderdrukken, want die kunnen óf oprecht door het onderzoek dat al heeft plaatsgevonden worden beantwoord, óf anders bewijst het dat het onderzoek niet volledig was.

"Maar," zegt iemand, “ik heb het druk; ik heb geen tijd voor een landurige studie, die nodig zou zijn om mij tot op zekere hoogte een deskundige beoordelaar van bepaalde vraagstukken te maken, of zelfs maar in staat te stellen om de aard van de argumenten te begrijpen.”

Dan zou hij ook geen tijd hebben om iets te geloven.



II. HET BELANG VAN GEZAG

Moeten wij dan volstrekte sceptici worden, die aan alles twijfelen en altijd bang zijn om de ene voet voor de andere te zetten, totdat wij zelf de stevigheid van de weg hebben onderzocht? Moeten wij ons dan de hulp en leiding ontzeggen van de grote hoeveelheid kennis, die wereldwijd dagelijks toeneemt, omdat noch wijzelf, noch iemand anders in staat is om een honderste deel daarvan door middel van direct onderzoek of waarneming te onderzoeken, en omdat het, als wij dat zouden doen, toch niet volkomen zou zijn bewezen? Moeten we dan stelen en leugens vertellen omdat wij persoonlijk onvoldoende ervaring hebben gehad om de juistheid van de overtuiging, dat het verkeerd is om zo te handelen, aan te tonen?

Er bestaat geen echt gevaar, dat dergelijke gevolgen ooit uit nauwgezette zorgvuldigheid en zelfbeheersing inzake geloven voortspruiten. De mensen die wat dat betreft het meest nauwgezet hun plicht hebben gedaan, hebben ervaren dat bepaalde grote principes, die als leidraad voor het leven het meest geschikt zijn, steeds duidelijker werden naarmate zij zorgvuldiger en oprechter werden onderzocht, en daardoor een bruikbare zekerheid hebben verkregen. De meningen over goed en kwaad, die in de gemeenschap ons handelen bij het omgaan met elkaar sturen, en de meningen over de materiele wereld, die ons handelen leiden in het omgaan met bezielde en onbezielde lichamen, hebben nooit onder onderzoek te lijden. Die kunnen voor zichzelf zorgen, zonder steun van “geloofsdaden”, protest van betaalde pleitbezorgers, of het onderdrukken van strijdige bewijzen. Bovendien zijn er vele gevallen, waarin het onze plicht is om te reageren naar waarschijnlijkheid, ofschoon het bewijs niet zodanig is dat het de juistheid van de huidige overtuiging kan aantonen. Het is namelijk juist door het handelen en het waarnemen van de gevolgen ervan, dat het bewijs wordt verkregen, dat de juistheid van de daarop volgende overtuiging kan aantonen. Wij hebben dus geen reden om bang te zijn, dat de gewoonte van nauwgezet onderzoek het handelen in ons dagelijkse leven zou verlammen.

Maar omdat het ontoereikend is om te zeggen, “het is verkeerd om iets op ondeugdelijke gronden te geloven,” zonder ook te zeggen welk bewijs deugdelijk is, zullen wij nu vervolgen met het onderzoek naar de omstandigheden waaronder het terecht is om iets op grond van een bewering van anderen te geloven. Vervolgens zullen wij meer in het algemeen onderzoeken wanneer en waarom wij iets kunnen geloven, dat buiten onze ervaring, of zelfs buiten de ervaring van de mensheid ligt.

Wij moeten ons in de eerste plaats afvragen in welke gevallen het onjuist is om aan een bewering van iemand anders geloof te hechten. Hij zou namelijk bewust of onbewust iets onwaars kunnen zeggen. In het eerste geval liegt hij, en is hij moreel laakbaar. In het tweede geval is hij onwetend of vergist hij zich, en is alleen zijn kennis of oordeel onjuist. Om zijn bewering terecht als grond voor het geloven in wat hij zegt te accepteren, moeten wij redelijke gronden hebben om drie zaken te vertrouwen: zijn geloofwaardigheid, namelijk dat hij echt de waarheid probeert te zeggen, voor zover hij daarvan op de hoogte is; zijn kennis, namelijk dat hij de gelegenheid heeft gehad om de waarheid aangaande deze zaak te leren kennen; en zijn oordeel, namelijk dat hij een juist gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om tot de gevolgtrekking te komen, die hij bevestigt.

Hoe helder en duidelijk deze redenen ook mogen zijn, zodat iedereen met een normaal verstand, die over de zaak nadenkt, wel tot diezelfde conclusie moet komen, toch is het juist dat een groot aantal mensen die redenen gewoonlijk veronachtzamen bij het naar waarde schatten van een uitspraak. Het merendeel van de mensheid is volstrekt tevreden over twee vragen, die even belangrijk zijn voor de geloofwaardigheid van een getuige, namelijk “is hij oneerlijk?” en “vergist hij zich misschien?” als een daarvan, naar enige waarschijnlijkheid, ontkennend kan worden beantwoord. Iemands uitmuntende morele karakter wordt als reden aangevoerd om zijn uitspraken te aanvaarden over zaken, die hij onmogelijk kan hebben geweten. Een mohammedaan zal ons bijvoorbeeld vertellen, dat het karakter van zijn Profeet zo edel en verheven was, dat het zelfs eerbied eist van mensen, die niet in zijn roeping geloven. Zijn zedelijke leringen waren zo bewonderenswaardig en hij maakte van het maatschappelijke apparaat, dat hij zelf in het leven had geroepen, zo oordeelkundig één geheel, dat zijn voorschriften niet alleen door een groot deel van de mensheid zijn aanvaard, maar echt worden gehoorzaamd. Zijn instellingen hebben aan de ene kant de neger aan de barbarij ontrukt, en aan de andere kant, het zich ontwikkelende Westen, beschaving gebracht. En hoewel de volkeren, die zijn geloof het meest in ere hebben gehouden, en zijn geest en gedachten het meest hebben belichaamd, allemaal door barbaarse stammen zijn veroverd en weggevaagd, blijft de geschiedenis van hun verbazingwekkende prestaties een onvergankelijke glorie voor de Islam. Moeten wij de woorden van een zo groot en goed iemand in twijfel trekken? Mogen wij denken dat dit grootse genie, deze voortreffelijke zedelijke held, over de meest belangrijke en heilige zaken tegen ons heeft gelogen? De getuigenis van Mohammed is duidelijk, namelijk dat er maar één God is, en dat hij, Mohammed, zijn Profeet is; dat wij, als wij in hem geloven, een eeuwigdurend gelukzaligheid zullen genieten, maar dat wij, als wij dat niet doen, zullen worden verdoemd. Deze getuigenis is gebaseerd op het meest ontzagwekkende fundament, namelijk de openbaring van de hemel zelf. Is hij immers niet bezocht door de engel Gabriël, toen hij in een grot in de woestijn vastte en bad, en hem werd toegestaan de gelukzalige gebieden van het Paradijs te betreden? Natuurlijk is God dan God en Mohammed zijn Profeet.

Wat moeten wij die Muzelman dan antwoorden? Wij zouden ongetwijfeld geneigd zijn om bezwaar aan te tekenen tegen zijn visie op het karakter van de Profeet en de uitsluitend weldadige invloed van de Islam. Voordat wij hierin met hem mee zouden kunnen gaan, lijkt het dat wij eerst veel gruwelijkheden, waarover wij hebben gehoord of gelezen, moeten vergeten. Maar als wij besluiten hem al die veronderstellingen te gunnen, terwille van de discussie, en omdat het zowel voor de gelovige als de ongelovige moeilijk is om daar oprecht en ongeëmotioneerd over te redetwisten, zouden we toch iets moeten zeggen, dat de grond onder zijn geloof vandaan haalt en laat zien dat het onjuist is om het aan te hangen. Namelijk het volgende: het karakter van Mohammed levert een uitmuntend bewijs van het feit dat hij oprecht was en dat hij de waarheid sprak, voor zover hij daarvan op de hoogte was. Maar er is helemaal geen bewijs voorhanden dat hij de waarheid sprak. Hoe had hij kunnen weten dat de gedaante waarin de engel Gabriël aan hem verscheen geen hallucinatie en dat zijn kennelijke bezoek aan het Paradijs geen droom is geweest? Laten wij aannemen dat hij er volkomen van overtuigd was en oprecht geloofde, dat hij door de hemel werd geleid en het medium was van een bovennatuurlijke openbaring. Maar hoe kon dan hij weten dat zijn sterke overtuiging geen vergissing was? Laten wij onszelf in zijn positie verplaatsen. Wij zullen dan merken dat wij, hoe meer wij ons proberen te realiseren wat er in zijn hoofd is omgegaan, des te duidelijker zullen merken dat de Profeet geen voldoende basis voor het geloof in zijn eigen inspiratie kan hebben gehad. Hoogst waarschijnlijk heeft hij nooit aan de zaak getwijfeld, of zelf bedacht de vraag ter discussie te stellen. Maar wij verkeren in de positie van mensen aan wie de vraag wél wordt gesteld en die verplicht zijn daar een antwoord op te geven. Medische onderzoekers weten dat eenzaamheid en honger krachtige middelen zijn om waanvoorstellingen voort te brengen en een neiging tot een geestesziekte te voeden. Laten wij ons vervolgens voorstellen dat ik, net als Mohammed, de woestijn intrek om te vasten en te bidden. Wat kan er dan met mij gebeuren, dat mij het recht geeft om te geloven dat ik door God wordt geïnspireerd? Veronderstel dat ik inzichten verkrijg, kennelijk van een hemelse bezoeker, die bij nader onderzoek juist blijken te zijn. Ik kan er op de eerste plaats niet zeker van zijn, dat de hemelse bezoeker geen verzinsel van mijn eigen brein is, en dat ik niet tot de inzichten, waar ik mij op dat moment niet van bewust was, ben gekomen door een of andere subtiele manier van zintuigelijke waarneming. Maar als mijn bezoeker een bezoeker van vlees en bloed zou zijn, en mij gedurende een lange tijd informatie zou geven, die betrouwbaar zou blijken te zijn, zou dat inderdaad een goede basis zijn om hem ook verder te vertrouwen aangaande zaken die binnen het menselijke vermogen om ze te bevestigen vallen. Maar het zou geen basis zijn om zijn beweringen over andere zaken te vertrouwen. Want hoewel zijn beproefde reputatie mij het recht zou geven om te geloven dat hij de waarheid, voor zover hij daarvan op de hoogte is, kent, blijft toch dezelfde vraag opdoemen – wat voor bewijs is er om te veronderstellen dat hij het echt weet?

Zelfs als mijn fictieve bezoeker mij zodanige informatie had verstrekt, en die vervolgens door mij was geverifieerd, die had aangetoond dat hij een bepaalde kennis had over verifieerbare zaken die ver boven mijn eigen kennis uit zou gaan, zou mij dat niet het recht geven om geloof te hechten aan wat hij zou zeggen over zaken die op dit moment niet door de mens kunnen worden geverifieerd. Het zou de basis vormen voor interessante speculatie, en voor de hoop dat wij, als resultaat van ons vasthoudend onderzoek, na verloop van tijd misschien bewijsmiddelen zouden kunnen verkrijgen, die een terecht vermoeden in een overtuiging zouden kunnen veranderen. Want de overtuiging is eigen aan de mens en aan het besturen van de menselijke handel en wandel. Geen enkele overtuiging is reëel tenzij zij leiding geeft aan ons handelen, en het is juist het handelen dat het bewijs van haar waarheid verschaft.

We moeten echter nogmaals benadrukken dat de aanvaarding van de Islam, als systeem, juist de daad is die wordt opgeroepen door het geloof in de roeping van de Profeet, en die als toets moet dienen voor de juistheid ervan. Is het mogelijk om te geloven dat een systeem, dat zo’n succes heeft gehad, echt op een waanidee is gebaseerd? Niet alleen afzonderlijke heiligen hebben vreugde en vrede gevonden in het geloven, en hebben de spirituele ervaringen bevestigd die aan de gelovigen worden beloofd, maar ook volkeren zijn van de primitiviteit of barbarij naar een hoger maatschappelijk niveau gestegen. Wij hebben natuurlijk de vrijheid om te zeggen dat het geloof dat heeft bewerkstelligd en dat het daardoor is bevestigd.

Er is echter maar weinig voor nodig om aan te tonen dat, wat in werkelijkheid is bevestigd, helemaal niet het bovennatuurlijke karakter is van de roeping van de Profeet, of van de betrouwbaarheid van zijn gezag in zaken die wij zelf niet kunnen toetsen, maar alleen zijn pratische verstand in bepaalde zeer alledaagse dingen. Het feit dat gelovigen vreugde en vrede hebben gevonden in het geloven, geeft ons het recht om te zeggen dat de leer een opbeurende leer is en aangenaam voor de ziel; maar het geeft ons niet het recht om te zeggen dat het waar is. En als wij in de verleiding worden gebracht om iets te geloven is de vraag, die ons geweten ons altijd stelt, niet “is het opbeurend en aangenaam?” maar “is het waar?” Dat de Profeet bepaalde leerstellingen heeft verkondigd en heeft voorspeld, dat daar spirituele bemoediging in kan worden gevonden, bewijst alleen maar zijn waardering voor de menselijke natuur en zijn kennis daarvan; maar het is geen bewijs van zijn bovennatuurlijke kennis van de theologie.

Als er inderdaad maar één Profeet zou zijn geweest, zou het misschien een moeilijke en onaangename taak zijn om te beslissen op welke punten wij hem zouden moeten vertrouwen, en waarin wij aan zijn gezag zouden moeten twijfelen; en ook om te zien hoeveel hulp en steun alle mensen ten alle tijden hebben gehad van mensen die helderder zagen, intenser voelden en de waarheid meer van ganser harte hebben gezocht dan hun zwakkere broeders. Maar er is niet slechts één Profeet. En terwijl de instemming van velen over het feit dat de profeten, als mens, een manier hadden om kennis te verwerven en ook kennis hadden, het tot het einde heeft uitgehouden, en roemrijk in het weefsel van de menselijke kennis is ingeweven, blijven de uiteenlopende getuigenissen van een aantal mensen over zaken, die zij niet wisten en konden weten voor ons een waarschuwing. Namelijk dat het overdrijven van het gezag van een profeet wil zeggen, dat het wordt misbruikt en dat daarmee de mensen, die alleen hebben geprobeerd om ons, naar hun vermogen, te helpen en te ontwikkelen, te schande worden gemaakt. Het ligt vrijwel niet in de menselijke natuur dat iemand volstrekt nauwkeurig de grenzen van zijn eigen inzichten kan inschatten; maar het is de plicht van degenen die profijt trekken uit zijn werk, dat zij zorgvuldig nagaan waar hij misschien die grenzen heeft overschreden. Als wij zijn mogelijke vergissingen noodzakelijkerwijs tegelijkertijd met zijn betrouwbare verdiensten begraven, en zijn gezag als excuus hanteren om in iets te geloven dat hij niet heeft kunnen weten, maken wij van zijn goedheid een gelegenheid om te zondigen.

Kijk alleen maar eens naar een andere vergelijkbare getuigenis: de volgelingen van de Boeddha hebben minstens evenveel recht om, als bewijs van het gezag van de Oosterse verlosser, een beroep te doen op persoonlijke en gemeenschappelijke ervaring. Men zegt dat het speciale kenmerk van het Boeddhisme, waarin het nooit is overtroffen, de opbeuring en vertroosting is, die het aan de zieken en treurenden schenkt en het liefhebbende medeleven, waarmee het alle dagelijkse leed van mensen verzacht en verlicht. En ongetwijfeld kan geen enkele overwinning of maatschappelijke zedenleer meer verheven zijn dan degene, die bijna de helft van de mensheid heeft afgehouden van het vervolgen van mensen in naam van de godsdienst. Als wij de verhalen van zijn eerste volgelingen moeten vertrouwen, geloofde hij zelf dat hij met een goddelijke en kosmische missie op aarde was gekomen om het rad van de Wet in gang te zetten. Hij was een vorst, maar hij deed afstand van zijn koninkrijk, en zocht vrijwillig de ellende op, om te leren hoe hij die het hoofd moest bieden en moest bedwingen. Zou zo iemand leugenachtig over ernstige zaken kunnen praten? En wat zijn kennis betreft: was hij niet iemand met wonderbaarlijke en bovenmenselijke krachten? Hij was uit een vrouw geboren, zonder toedoen van een man. Hij verhief zich in de lucht en veranderde, voor het oog van zijn verwanten, van gedaante. Vervolgens steeg hij, vanaf de top van de Adamsberg [3], in levende lijve ten hemel op. Moet er dan geen geloof worden gehecht aan zijn woorden, wanneer hij getuigenis over hemelse zaken aflegt?

Was hij het alleen maar, en niemand anders, die een dergelijke aanspraak maakt! Maar dan is daar ook Mohammed met zijn getuigenis. Wij kunnen niet kiezen en luisteren naar hen beiden. De Profeet vertelt ons dat er maar één God is en dat wij voor altijd in vreugde of ellende zullen leven, naar gelang wij al dan niet in de Profeet geloven. De Boeddha zegt dat er geen God is, en dat wij geleidelijk zullen worden vernietigd, totdat wij goed genoeg zijn. Beiden kunnen niet onfeilbaar zijn geïnspireerd. Óf de een óf de ander moet het slachtoffer van een waanidee zijn, en moet hebben gedacht dat hij iets wist wat hij in werkelijkheid niet wist. Wie durft te zeggen wie? En hoe kunnen wij onszelf rechtvaardigen als wij geloven dat de ander niet ook is misleid? Wij komen als volgt tot deze uitspraken. De goedheid en grootheid van iemand geeft ons niet het recht om een mening te aanvaarden op grond van zijn gezag, tenzij er redelijke gronden bestaan om te veronderstellen dat hij wist, dat wat hij zei, waar was. En er zijn geen redenen om te veronderstellen dat iemand iets weet dat wij, tenzij wij geen mens meer zouden zijn, niet zouden kunnen verifiëren.

Als een chemicus mij, die geen chemicus is, vertelt dat een bepaalde stof kan worden gemaakt door andere grondstoffen in een bepaalde verhouding samen te brengen en aan een bekend procedé te onderwerpen, kan ik dat volstrekt terecht op zijn gezag geloven, tenzij ik iets tegen zijn karakter of oordeel in kan brengen. Want zijn beroepsopleiding draagt bij tot het vergroten van zijn geloofwaardigheid, tot een oprechte zoektocht naar de waarheid en tot het teweegbrengen van een afkeer tegen overhaaste conclusies en slordig onderzoek. En ik kan redelijkerwijs veronderstellen dat hij de waarheid kent van wat hij vertelt. Want hoewel ik geen chemicus ben, kan ik zover komen, dat ik zoveel van de methoden en processen van de wetenschap begrijp, dat ik mij voor kan stellen dat ik, tenzij ik niet langer meer mens zou zijn, de uitspraak zou kunnen verifiëren. Misschien zou ik het nooit echt kunnen verifiëren, of zelfs ook maar een proefneming kunnen zien die tot het bewijs leidt, maar dan nog heb ik voldoende redenen om terecht te geloven dat het bewijs binnen het bereik van de menselijke middelen en vermogens ligt, en met name dat de proef echt door mijn zegsman tot stand is gebracht. Zijn resultaat - de overtuiging waartoe hij door zijn onderzoek is gekomen - is niet alleen voor hemzelf geldig, maar ook voor anderen. Het wordt gadegeslagen door mensen, die op hetzelfde terrein werkzaam zijn, en die weten dat de wetenschap geen grotere dienst kan worden bewezen, dan de aanvaarde resultaten te zuiveren van dwalingen, die er ingeslopen zouden kunnen zijn. Op die manier wordt het resultaat gemeenschappelijk eigendom en een juiste geloofszaak, een maatschappelijke en publieke zaak. Men kan dus merken dat zijn gezag geldig is, omdat er mensen zijn die het ter discussie stellen en het verifiëren. En het is juist het proces van onderzoeken en zuiveren, dat bij de onderzoekers de liefde levend houdt voor datgene, wat alle mogelijke toetsen zal doorstaan, en voor het gevoel van publieke verantwoordelijkheid en de verantwoordelijkheid van de mensen, van wie het werk, mits juist uitgevoerd, als een blijvend erfgoed van de mensheid, zal voortleven.

Maar als mijn chemicus mij vertelt, dat een waterstofatoom in gewicht en trillings-frekwentie eeuwig onveranderd is gebleven, heb ik niet het recht om dat op zijn gezag te geloven, want dat is iets dat hij niet kan weten, zolang hij mens is. Hij zou oprecht kunnen geloven, dat zijn uitspraak een logische gevolgtrekking is uit zijn experimenten, maar in dat geval is zijn bewering onjuist. Een zeer eenvoudige bestudering van de aard van de experimenten zou hem laten zien, dat zij nooit tot een dergelijk resultaat kunnen leiden en dat zij, omdat zij zelf slechts een benadering en beperkt zijn, ons geen kennis kunnen geven, die exact en universeel is. Geen enkele uitmuntendheid van karakter en genie kan iemand genoeg gezag geven om ons terecht hem te laten geloven, als hij uitspraken doet, die een exacte of universele kennis inhouden.

Nogmaals: een poolonderzoeker kan ons vertellen, dat hij op een bepaalde breedte- en lengtegraad die en die graden onder nul heeft gemeten, dat de zee zus en zo diep en het ijs van een bepaald soort was. Wij zouden hem volstrekt terecht mogen geloven, als er geen enkele smet aan zijn geloofwaardigheid zou kleven. Het is mogelijk dat wij, zonder op te houden mens te zijn, naar de pool gaan en zijn bewering verifiëren. Het kan worden getoetst aan de verklaringen van zijn medeonderzoekers, en er is voldoende grond aanwezig om te veronderstellen, dat hij op de hoogte is van de waarheid van wat hij zegt. Maar als een oude walvisvaarder ons vertelt dat het ijs aan de pool overal 300 voet dik is, hebben wij niet het recht hem te geloven. Want hoewel zijn bewering misschien wel door iemand anders kan worden geverifieerd, kan die vast niet door hemzelf worden geverifieerd, wat voor middelen en instrumenten hij ook ter beschikking heeft gehad. Hij moet zichzelf van de waarheid ervan hebben overtuigd met behulp van middelen, die geen enkele geloofwaardigheid aan zijn verklaring verbinden. Dus zelfs als het bevestigde geval binnen het bereik van de menselijke kennis ligt, hebben wij niet het recht om het op gezag van iemand anders te aanvaarden, tenzij het binnen het bereik van de kennis van onze zegsman ligt.

Wat moeten we nog vertellen over dat gezag, eerbiedwaardiger en verhevener dan elke individuele getuigenis, namelijk de aloude traditie van het mensdom? Door de krachtsinspanningen en het geploeter van onze voorvaderen is er een atmosfeer van overtuigingen en meningen gevormd, die ons in staat stelt om temidden van uiteenlopende en ingewikkelde omstandigheden van ons leven te ademen. Die atmosfeer strekt zich overal om ons heen en binnen in ons uit. Wij kunnen alleen maar denken in de denkvormen en denkprocessen die die atmosfeer verstrekt. Is het mogelijk daaraan te twijfelen en die te toetsen? En als het mogelijk is, is het dan juist?

Wij kunnen als antwoord beredeneren, dat het niet alleen mogelijk en juist is, maar onze heilige plicht; dat het juist het belangrijkste doel van de traditie is om ons de middelen te verschaffen om vragen te stellen, om de dingen te toetsen en te onderzoeken; dat wij onszelf, als wij de traditie verkeerd gebruiken, en haar als een verzameling van kant en klare verklaringen beschouwen, die zonder nader onderzoek moet worden aanvaard, op dit punt benadelen, maar dat wij, door het afwijzen van ons aandeel in het uitbouwen van het systeem, dat door onze kinderen zal worden geërfd, misschien onszelf en het mensdom af zullen snijden van de menselijke gedragslijn.

Wij moeten er op de eerste plaats op letten, dat wij een bepaalde traditie onderkennen, die er in het bijzonder om vraagt om te worden onderzocht en ter discussie te worden gesteld, omdat met name die traditie voor onderzoek terugschrikt. Veronderstel dat een medicijnman in Centraal Afrika zijn stamleden vertelt, dat een bepaald krachtig medicijn in zijn hut de goden zal verzoenen, als zij hun vee doden en dat de stamleden hem geloven. Er bestaat geen manier om te verifiëren of het medicijn de goden al dan niet verzoent, maar het vee is wel verdwenen. Toch kan bij de stam de overtuiging worden gekoesterd, dat de verzoening op deze manier werkzaam kan zijn. Bij een volgende generatie zal het voor een andere medicijnman dan gemakkelijker zijn om hen tot een gelijksoortige manier van doen te overreden. Hier is de enige reden voor die overtuiging dat iedereen zo lang in het gebeuren heeft geloofd, dat het wel waar moet zijn. En toch was het geloof op bedrog gebaseerd en was het door goedgelovigheid verspreid. Iemand die dat ter discussie stelt en begrijpt dat er geen bewijs voor is, zal ongetwijfeld juist handelen en een mensenvriend zijn, en hij zal zijn medemensen behulpzaam zijn om het op dezelfde manier te zien en zelfs, zonodig, de heilige hut betreden en het medicijn vernietigen.

De leidraad, die ons in dergelijke zaken zou moeten leiden, is heel eenvoudig en voor de hand liggend, namelijk dat de gezamenlijke getuigenis van onze medemensen aan dezelfde voorwaarden is onderworpen als de getuigenis van ieder van hen afzonderlijk. Wij hebben namelijk niet het recht om te geloven, dat iets waar is omdat iedereen dat vindt, tenzij er goede redenen bestaan om te geloven, dat iemand op zijn minst over de middelen beschikt om te weten wat waar is, en dat hij de waarheid spreekt voor zover hij daarvan op de hoogte is. Maar veel volkeren en generaties zijn de getuigenbank ingeleid, terwijl zij geen verklaring konden afleggen over iets wat zij niet kenden. Iedereen die zich een bewering van iemand anders eigen heeft gemaakt, zonder die zelf te toetsen en te verifiëren, zet zichzelf buiten spel. Zijn woorden zijn volstrekt waardeloos. En als wij uiteindelijk echt teruggaan naar het ontstaan en begin van de bewering, moeten wij twee serieuze vragen over de persoon die met de bewering op de proppen kwam, uit de weg ruimen: vergiste hij zich toen hij dacht dat hij van deze zaak op de hoogte was, of heeft hij gelogen?

Deze laatste vraag is helaas, zelfs op dit moment en in dit land, voor ons een zeer actuele en praktische vraag. Wij hebben niet de behoefte om naar La Salette [4], naar Centraal Afrika of naar Lourdes te gaan, om voorbeelden te zien van immoreel en vernederend bijgeloof. Het is voor een kind maar al te goed mogelijk om in Londen op te groeien, omgeven door een atmosfeer van overtuigingen, die uitsluitend voor een barbaar geschikt zijn en die tegenwoordig op bedrog zijn gegrondvest en door goedgelovigheid worden verbreid.

Laten wij een dergelijke traditie die, zonder haar te toetsen, door opeenvolgende generaties is overgeleverd, dus maar terzijde leggen en zien wat er uit de gemeenschappelijke ervaring van de mensheid nou echt is opgebouwd. Dit uitgebreide systeem dient als richtsnoer voor ons denken, en daardoor voor ons handelen, zowel in de zedelijke als in de materiele wereld. In de zedelijke wereld geeft het ons bijvoorbeeld doorgaans een voorstelling van het juiste, van rechtvaardigheid, van de waarheid, van liefdadigheid en dergelijke. Die worden gegeven als voorstelling, niet als bewering of stelling. Ze geven antwoord op bepaalde en welomlijnde instincten die ongetwijfeld in onszelf aanwezig zijn, hoewel zij van buitenaf binnengedrongen zijn. Dat het juist is om goed te doen is een kwestie van directe persoonlijke ervaring, want als iemand in zichzelf keert en daar iets vindt, dat meer omvattend en duurzamer is dan zijn eigen persoonlijkheid, die zegt, “ik wil het juiste doen” en “ik wil de mensen goed doen,” kan hij meteen merken dat het ene instinct volledig is gebaseerd op en in overeenstemming is met het andere. En het is dus zijn plicht om dit en alle soortgelijke beweringen te verifiëren.

De traditie stelt ook dat die en die handelingen op een bepaalde plaats en een bepaald tijdstip juist, waar of goed zijn. Voor al dat soort regels is nader onderzoek noodzakelijk, omdat zij soms door een andere autoriteit zijn ingesteld dan die van het moreel besef, dat op de ervaring stoelt. Tot voor kort leerde de zedelijke traditie van ons eigen land – en in feite van heel Europa – dat het van liefdadigheid getuigde om bedelaars lukraak geld te geven. Maar het ter discussie stellen van deze regel en onderzoek ervan, heeft mensen laten zien dat de ware liefdadigheid iemand helpt om het werk te doen waar hij het meest geschikt voor is, en niet wat zijn ledigheid bevestigd en in de hand werkt; en dat het op dit moment negeren van dit onderscheid voor verpaupering en ellende in de toekomst zorgt. Door deze toetsing en gedachtenwisseling is niet alleen de gang van zaken gezuiverd en weldadiger geworden, maar is juist de opvatting over liefdadigheid meer omvattend en redelijker geworden. Het maatschappelijke erfgoed bestaat dus uit twee gedeelten: het instinct van liefdadigheid, dat een bepaald aspect van onze natuur vormt, dat de mensen goed wil doen, als het de overhand heeft; en de verstandelijke opvatting van liefdadigheid, die wij aan elke voorgenomen gedragslijn kunnen toetsen en ons daarbij afvragen, “is dit liefdadig of niet?” Door het voortdurend stellen en beantwoorden van die vragen neemt het moreel besef in omvang en onderscheid toe en wordt het instinct sterker en zuiverder. Het lijkt dus dat het uitgebreid gebruik maken van het begrip – het intellectuele deel van het erfgoed – is, om het voor ons mogelijk te maken om vragen te stellen, zodat het, door middel van die vragen, groeit en op het rechte pad blijft; en als wij het niet voor dat doel gebruiken, zullen wij het geleidelijk volledig kwijtraken en met louter een stelsel van voorschriften achterblijven, wat allesbehalve met recht zedelijkheid kan worden genoemd.

Dergelijke overwegingen zijn zelfs nog meer vanzelfsprekend en zo mogelijk nog duidelijker van toepassing op de grote hoeveelheid overtuigingen en opvattingen aangaande de stoffelijke wereld, die onze vaderen voor ons hebben vergaard. Wij lachen graag om de vuisregel van de Australiër die zijn handbijltjeaan de kant van het handvat blijft vastmaken, terwijl de bankwerkeruit Birmingham voor dat doel een gat heeft gemaakt waar hij zijn handvat in kan doen. Zijn landgenoten hebben handbijltjes zo eeuwenlang vastgemaakt en wie is het, dat hij zich tegen hun wijsheid zou durven verzetten? Hij is zover gezonken dat hij niet in staat is om datgene te doen wat sommigen van hen in een ver verleden moeten hebben gedaan – een ingeburgerd gebruik ter discussie stellen en iets beters bedenken of aanleren. Toch vinden we hier, tijdens het schemerige ontluiken van kennis, waar wetenschap en kunst nog één zijn, slechts dezelfde eenvoudige regel die van toepassing is op de nu eens snelle en dan weer trage groei van de kosmische Boom; van de meest indrukwekkende hoge bloesemdragende takken tot het allerdiepste van zijn verborgen wortels; namelijk de regel, dat wat is vergaard en aan ons wordt doorgegeven, door mensen die handelen, op een juiste manier wordt gebruikt, als zij net zo handelen als de makers handelden, toen zij het vergaarden; mensen die er gebruik van maken om verdere vragen te stellen, het te bestuderen en te onderzoeken; die oprecht en ernstig uitzoeken wat de juiste manier is om naar dingen te kijken en ermee om te gaan.

Een vraag die op de juiste manier wordt gesteld is al half beantwoord, zei Jacobi. [5] Wij zouden daar aan toe kunnen voegen dat de manier van beantwoorden de andere helft van het antwoord is, en dat het feitelijke resultaat niets voorstelt vergeleken met deze twee. Laten wij als voorbeeld de telegraaf nemen, waar theorie en praktijk, die beiden tot de jaren des onderscheids zijn gekomen, op een wonderbaarlijke manier aan elkaar zijn gekoppeld ten bate van een vruchtbare dienstbaarheid aan de mens. Ohm ontdekte dat de sterkte van een electrische stroom recht evenredig is met de sterkte van de batterij die die stroom produceert, en omgekeerd evenredig is met de lengte van de draad, waar hij zich doorheen moet bewegen. Dat wordt de Wet van Ohm genoemd. Maar het resultaat, dat als een uitspraak wordt beschouwd, waar geloof aan moet worden gehecht, is niet het waardevolle gedeelte ervan. De eerste helft van de vraag is: welk verband bestaat er tussen deze grootheden? Op die manier gesteld, impliceert de vraag al een voorstelling van de sterkte van de stroom en de sterkte van de batterij als grootheden, die gemeten en met elkaar vergeleken moeten worden. Het doet duidelijk vermoeden, dat dat de zaken zijn waar aandacht aan moet worden geschonken, bij de bestudering van electrische stromen. De tweede helft is de onderzoeksmethode. Hoe moeten deze grootheden worden gemeten, wat voor instrumenten zijn voor de proefneming nodig en hoe moeten zij worden gebruikt? Er wordt aan de student die electriciteit gaat bestuderen niet gevraagd om in de Wet van Ohm te geloven. Hij wordt ertoe aangezet om de vraag te begrijpen, wordt voor het instrument geplaatst en hem wordt bijgebracht hoe hij de vraag moet verifiëren. Hij leert hoe hij iets moet doen en niet om te denken dat hij iets weet. Hij leert gebruik van instrumenten te maken en vragen te stellen en niet om een overgeleverde verklaring te aanvaarden. De vraag, waar een genie voor nodig was om juist te worden gesteld, wordt door een beginneling beantwoord. Als de Wet van Ohm opeens verloren zou gaan en door iedereen zou worden vergeten, terwijl de vraag en de methode van beantwoorden zou blijven bestaan, zou het resultaat binnen een uur opnieuw kunnen worden ontdekt. Maar het resultaat op zichzelf zou, als het bekend zou worden bij een volk, dat het belang van de vraag of de manier om die op te lossen niet zou kunnen begrijpen, als een horloge zijn in de handen van een wilde, die het niet op zou kunnen winden, of als een stalen stoomschip dat door Spaanse machinisten bediend zou worden.

Wij ontdekken dus, wat betreft de heilige overlevering van de mensheid, dat die niet bestaat uit stellingen of verklaringen, die aanvaard en geloofd moeten worden op gezag van die overlevering, maar uit juist gestelde vragen, uit opvattingen die ons in staat stellen om verder door te vragen, en uit methoden om vragen te beantwoorden. De waarde van dit alles hangt af van het, dag in dag uit, toetsen daarvan. Juist de heiligheid van het kostbare onderpand legt op ons de plicht en de verantwoordelijkheid om het te toetsen, het te zuiveren en uit te breiden met het uiterste van onze vermogens. Iemand die gebruik maakt van haar resultaten om zijn eigen twijfels te smoren, of het onderzoek van anderen te belemmeren, maakt zich schuldig aan heiligschennis, die in geen eeuwen kan worden uitgewist. Als het werk en het onderzoek van oprechte en dappere mensen het systeem van erkende waarheden zullen hebben uitgebouwd tot een luister, waarop wij in deze generatie niet kunnen hopen, noch ons daar een voorstelling van kunnen maken, zal zo iemand aan die zuivere en heilige tempel part noch deel hebben, maar zijn naam en zijn werk zal in de duisternis van de eeuwige vergetelheid worden geworpen. 



III. DE GRENZEN VAN DE AFGELEIDE WAARHEID

De vraag in welke gevallen wij iets mogen geloven dat buiten onze ervaring ligt, is een veelomvattende en netelige vraag, die zich uitstrekt tot de hele gebied van de wetenschappelijke methode en die een aanzienlijke toename van de toepassing ervan vereist, voordat zij kan worden beantwoord met iets dat de volledigheid benadert. Maar één regel, die op de drempel van het onderwerp ligt, en van een uiterste eenvoud en een uitgebreide praktische betekenis is, moet hier misschien worden aangestipt en in een paar woorden op papier worden gezet.

Een korte beschouwing laat ons zien dat elk geloof, zelfs het meest eenvoudige en elementaire, als het wordt gezien als een richtsnoer voor ons handelen, verder gaat dan de ervaring. Een kind dat zich heeft verbrand is bang voor vuur, omdat het gelooft dat het vuur vandaag net zoals gisteren zal verbranden; maar dit geloof ligt buiten de ervaring, en neemt aan dat het onbekende vuur van vandaag net als het vuur van gisteren is. Zelfs het geloof dat het kind zich gisteren heeft verbrand ligt buiten de huidige ervaring, die alleen de herinnering aan het verbranden bevat en niet het verbranden zelf. Het gaat er dus van uit dat zijn geheugen betrouwbaar is, hoewel wij weten dat het geheugen zich vaak vergist. Maar als het moet worden gebruikt als leidraad voor het handelen, als een aanduiding over de toekomst, moet het iets over die toekomst veronderstellen, namelijk dat die klopt met de veronderstelling dat het verbranden inderdaad gisteren heeft plaatsgevonden. Dat ligt buiten de ervaring. Zelfs het fundamentele “ik ben”, waar niet aan kan worden getwijfeld, is geen leidraad voor handelen tot het moment dat het overgaat in “ik zal zijn,” wat weer buiten de ervaring ligt. De vraag is dus niet, “mogen wij geloven wat voorbij de ervaring ligt?” want dat brengt het wezen van het geloven juist met zich mee, maar “in hoeverre en op welke manier mogen wij iets aan onze ervaring toevoegen bij het vormen van onze meningen?”

Het voorbeeld dat wij hebben gegeven reikt een uiterst eenvoudig en universeel antwoord aan: een kind dat zich heeft verbrand is bang voor vuur. Wij mogen verder dan onze ervaring gaan door aan te nemen dat wat wij niet weten net hetzelfde is als wat wij wel weten. Of met andere woorden: wij mogen iets aan onze ervaring toevoegen in de veronderstelling van een uniformiteit in de natuur. Wat die uniformiteit precies is en hoe onze kennis daarvan van generatie op generatie toeneemt, zijn vragen die wij voor dit moment terzijde leggen. Wij nemen genoegen met het onderzoeken van twee gevallen die zouden kunnen dienen om de aard van de regel te verduidelijken.

Uit bepaalde met de spectroscoop verrichte waarnemingen, leiden wij het bestaan van waterstof in de zon af. Als wij in de spectroscoop kijken als de zon op de spleet ervan schijnt, zien wij bepaalde scherp begrensde lijnen. Proeven, die met voorwerpen op de aarde zijn gedaan, hebben ons geleerd dat als deze heldere lijnen worden waargenomen, waterstof de bron daarvan is. Wij nemen dus aan dat de onbekende heldere lijnen in de zon net hetzelfde zijn als de bekende heldere lijnen in het laboratorium, en dat de waterstof in de zon zich gedraagt zoals waterstof zich, onder gelijke omstandigheden, op aarde zou gedragen.

Maar vertrouwen wij dan niet teveel op onze spectroscoop? Wij hebben vanzelfsprekend het recht, als wij de spectroscoop betrouwbaar hebben bevonden voor stoffen op de aarde, waar de uitslagen door de mens kunnen worden geverifieerd, om de uitslagen ervan in andere gelijksoortige gevallen ook te aanvaarden. Maar niet als het ons informatie geeft over dingen in de zon, waarvan de uitslagen niet onmiddellijk door de mens kunnen worden geverifieerd.

Wij willen natuurlijk wat meer weten, voordat deze afgeleide waarheid kan worden geverifieerd, en gelukkig weten we dat. De spectroscoop toetst in beide gevallen exact hetzelfde. Er gaan namelijk lichttrillingen van een bepaalde frekwentie doorheen. De constructie ervan is zodanig dat als wij daarover in het ene geval fout zouden zijn, het ook in het tweede geval zou zijn. Als we de zaak nader bekijken, merken we dat we in werkelijkheid hebben aangenomen, dat de samenstelling van de zon hetzelfde is als de samenstelling van de aarde, en uit een bepaald aantal afzonderlijke stoffen bestaat; en dat elke stof, als die erg heet is, een bepaalde trillingsfrekwentie heeft, waarmee die kan worden herkend en uit de rest kan worden uitgeselecteerd. Maar dat is het soort van aanname waar wij terecht gebruik van maken als wij iets aan onze ervaring toevoegen. Het is de aanname van uniformiteit in de natuur, die alleen maar kan worden getoetst door vergelijking met een grote hoeveelheid gelijksoortige aannames, die wij in andere soortgelijke gevallen moeten maken.

Maar is dit een betrouwbaar geloof in het bestaan van waterstof in de zon? Kan dit bijdragen aan de juiste leidraad voor het menselijk handelen?

Zeker niet als het wordt aangenomen op onjuiste gronden en zonder enig begrip van het proces waarmee het is verkregen. Maar als dit proces wordt binnengehaald als basis voor het geloof, wordt het een uiterst serieuze en praktische kwestie. Want als er geen waterstof in de zon is, moet de spectroscoop – dat wil zeggen, de meting van trillingsfrekwenties – een onbetrouwbare gids zijn bij het herkennen van verschillende stoffen en zou dus niet, om tijd, moeite en geld te bespraen, gebruikt moeten worden bij een chemische analyse – bijvoorbeeld bij het bepalen van het gehalte van een stof - terwijl het als betrouwbaar aanvaarden van de spectroscopische methode ons niet alleen met nieuwe metalen heeft verrijkt - wat van groot belang is - maar ook met nieuwe onderzoeksmethoden, wat nog veel belangrijker is.

Laten wij voor een ander voorbeeld kijken naar de manier waarop wij de waarheid van een historische gebeurtenis afleiden – laten we zeggen de belegering van Syracuse in de Peloponesische oorlog. Onze ervaring is dat er manuscripten bestaan, waarvan men zegt dat ze bestaan en die zichzelf als manuscripten van de geschiedenis van Thucydides bestempelen; dat over hem in andere manuscripten, waarvan latere historici beweren dat ze bestaan, wordt gezegd dat hij gedurende de periode van de oorlog heeft geleefd; en dat boeken, waarvan men veronderstelt dat ze dateren uit de Renaissance, ons verhalen hoe deze manuscripten zijn bewaard en weer toegankelijk zijn gemaakt. Wij ontdekken ook dat mensen doorgaans geen boeken en geschiedenissen zonder een bepaald oogmerk vervalsen. Wij nemen aan dat mensen in het verleden, wat dat betreft, niet anders waren dan de tegenwoordige mensen; en we merken dat er in dit geval geen speciaal motief aanwezig is geweest. Dat wil zeggen, dat wij iets aan onze ervaring toevoegen, in de veronderstelling van een uniformiteit in de karakters van mensen. Omdat onze kennis van deze uniformiteit veel onvollediger en veel minder nauwkeurig is dan onze kennis, die wij in de natuurkunde hebben, zijn afgeleide waarheden van historische aard hachelijker en minder nauwkeurig dan afgeleide waarheden in de meeste andere wetenschappen.

Maar als er een speciale reden bestaat om argwaan te koesteren over het karakter van de personen, die bepaalde boeken hebben geschreven of overgedragen, verandert de zaak. Als een verzameling documenten een intrinsiek bewijs levert, dat ze temidden van mensen zijn geschreven, die in naam van anderen boeken vervalsten, en die bij het beschrijven van gebeurtenissen dingen weglieten, die niet in hun kraam te pas kwamen, en dingen die hen wel gelegen kwamen opbliezen; die niet alleen deze misdrijven begingen, maar er prat op gingen als blijken van bescheidenheid en geestdrift; dan moeten wij zeggen dat op dergelijke documenten geen betrouwbare afgeleide waarheid kan worden gebaseerd, maar alleen een onbevredigend vermoeden.

Wij mogen dus iets aan onze ervaring toevoegen als wij een uniformiteit in de natuur veronderstellen. Wij mogen ons plaatje van wat er is en wat er is geweest invullen, als de ervaring het ons verschaft, en op een manier waarbij wij het geheel in overeenstemming brengen met deze uniformiteit. En een in de praktijk voor iedereen duidelijke afgeleide waarheid – die ons het recht geeft om aan het resultaat ervan geloof te hechten – is een duidelijke bewijs van het feit dat de uniformiteit van de natuur op geen enkele andere manier, dan door de juistheid van dit resultaat veilig kan worden gesteld.

Daarom kan geen enkel bewijs ons het recht geven om geloof te hechten aan een uitspraak, die strijdig is met de natuur of buiten de uniformiteit van de natuur staat. Als het onze ervaring is, dat die niet in overeenstemming met de uniformiteit kan worden aangevuld, hebben wij alleen het recht om tot de conclusie te komen, dat er ergens iets niet klopt; maar de mogelijkheid voor een afgeleide waarheid is dan verdwenen. Wij moeten dan vertrouwen op onze ervaring en daar vooral niet buiten gaan. Als er echt een gebeurtenis plaats zou vinden, die geen deel zou uitmaken van de uniformiteit van de natuur, zou die twee eigenschappen hebben: geen enkel bewijs zou iemand het recht geven om het te geloven, behalve degene die het zelf heeft ervaren; en er zou al helemaal geen enkele geloofwaardige afgeleide waarheid op kunnen worden gebaseerd.

Zijn wij dan verplicht om te geloven dat de natuur absoluut en universeel eensluidend is? Helemaal niet; wij hebben niet het recht om zoiets te geloven. De regel vertelt ons alleen dat wij, bij het vormen van een mening die buiten onze ervaring ligt, mogen veronderstellen dat de natuur in de praktijk uniform is, voor zover het ons aangaat. Binnen het bereik van het menselijk handelen en verifieren, mogen wij, met behulp van deze veronderstelling, feitelijke meningen vormen; daarbuiten alleen hypothesen die dienen voor het nauwkeuriger stellen van vragen.

Resumerend:

Wij mogen alleen iets geloven dat buiten onze ervaring ligt, als het uit die ervaring kan worden afgeleid door de aanname dat wat wij niet weten gelijk is aan wat wij wel weten.

Wij mogen een bewering van iemand anders geloven, als er een redelijke grond is om aan te nemen dat hij kennis van zaken heeft over hetgeen hij uitspreekt, en dat hij de waarheid spreekt in zoverre hij daar van op de hoogte is.

Geloven op onvoldoende gronden is in alle gevallen onjuist; en waar het een veronderstelling betreft waaraan moet worden getwijfeld en die onderzocht moet worden, is het erger dan de veronderstelling om te geloven. 

Voetnoten

[1] Areopagitica: Een rede van John Milton voor de vrijheid om zonder toestemming te publiceren, gericht aan het Engelse parlement en gepubliceerd op 23 november 1644, tijdens het hoogtepunt van de Engelse burgeroorlog.

[2] Aids to Reflections, Samuel Coleridge 1825

[3] Adamsberg (Sinhala Sri Pada, Tamil Sivanolipatha Malai, Arabisch Al-Rohun) is een 2243 meter hoge berg op Sri Lanka. Voor zowel het boeddhisme, het christendom, het hindoeïsme en de islam geldt de berg als heilig (Wikipedia)

[4] La Salette is een klein dorpje en bedevaartsoord in de gemeente La Salette-Fallavaux, in het Franse departement Isère in de buurt van Grenoble. In het jaar 1846 was er in La Salette een door de rooms-katholieke kerk erkende verschijning van Maria aan twee herderskinderen: Melanie Calvat en Maximin Giraud. De congregatie van de Salettijnen dankt haar naam aan Onze Lieve Vrouwe van Salette.(Wikipedia)

[5] Carl Gustav Jacob Jacobi (Potsdam, 10 december 1804 – Berlijn, 18 februari 1851) was een Duits wiskundige. (Wikipedia)

Naar boven