Home

DE FILOSOFIE VAN DOSTOJEWSKI

door

LEV SHESTOV (Leo Sjestow)

Pseudoniem van Yehuda Leyb Schwarzmann, (1866 – 1938)

Geschreven in 1921
ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Fjodor Dostojewski

Uit: In Job's Balances (Op de weegschaal van Job)
In 1932 uit het Duits naar het Engels vertaald door Camilla Coventry en C.A. Macartney


http://shestov.by.ru


DE VEROVERING VAN HET VANZELFSPREKENDE

De filosofie van Dostojewski

DEEL I

OPENBARINGEN VAN DE DOOD

Αγων μεγιστος και εσχατος ταις πσυχαις προκειται
De ziel staat een ultiem en beslissend gevecht te wachten

PLOTINUS, Enneaden I, vi, 7.

τις δ' οιδειν, ει το ζην μεν εστι κατθανειν, το κατθανειν δε ζην.
Wie weet of het leven niet de dood is, en de dood het leven?

EURIPIDES.

1

'Wie weet,' zegt Euripides, 'of het leven niet de dood is, en de dood het leven?' Plato, de meest wijze van alle mensen en juist degene, die de theorie van de ideeënleer in het leven heeft geroepen en als eerste in de helderheid en duidelijkheid van onze oordelen een indicatie van hun waarheidsgehalte zag, legt in een van zijn dialogen deze woorden in de mond van Socrates. Volgens Plato zegt Socrates, als de dood ter sprake komt, altijd hetzelfde of bijna hetzelfde als Euripides — niemand weet, of het leven niet de dood is, en de dood het leven. De meest wijzen van alle mensen hebben al sinds de vroegste tijden in die toestand van bedrieglijke onwetendheid geleefd; alleen gewone mensen weten heel duidelijk, wat het leven is, en wat de dood...

Hoe is het gekomen, hoe heeft het kunnen gebeuren, dat de allerwijste mensen twijfelen, waar de gewone man hoe dan ook geen enkel probleem ziet, en waarom zijn de meest verschrikkelijke en gruwelijke problemen voorbehouden aan de meest intelligente mensen? Want wat kan er vreselijker zijn, dan niet te weten of je levend bent of dood? De 'rechtvaardigheid' zou moeten eisen, dat een dergelijk weten of niet-weten het voorrecht van alle mensen moet. Wat zeg ik? Rechtvaardigheid? De logica zelf eist dat, want het zou absurd zijn, dat het aan sommige mensen wel zou zijn gegeven, om leven van dood te onderscheiden, terwijl de anderen daar van verstoken zouden zijn; want de mensen die die gave zouden bezitten, zouden dan volstrekt anders zijn, dan de mensen aan wie die gave zou zijn geweigerd, en dan zouden wij nauwelijks het recht hebben om beide groepen onder de categorie van menselijke wezens te scharen. Alleen iemand die zeker weet wat leven en dood is, is mens. Iemand die dat niet weet, die ook maar af en toe, al is het maar voor een enkel ogenblik, de scheidslijn die het leven van de dood scheidt, uit het oog verliest, houdt op mens te zijn en wordt….wat? Waar is de Oedipus, die dat raadsel kan oplossen en kan doordringen in de diepten van dat ultieme geheim?

Maar het is juist om daaraan toe te voegen, dat alle mensen van nature in staat zijn om leven van dood onderscheiden en dat onderscheid gemakkelijk en zonder vergissing kunnen maken. Het niet-weten komt bij mensen, die zijn voorbeschikt, pas later voor; en als ik mij niet vergis, komt dat altijd plotseling en weten zij niet hoe of waarom het gebeurt. En bovendien is dat niet-weten altijd met tussenpozen aanwezig, verdwijnt weer en maakt dan, net zo plotseling als het is opgedoken, plaats voor een normaal bewustzijn. Zowel Euripides als Socrates en alle mensen, die zijn voorbestemd om de heilige last van dat ultieme niet-weten te dragen, wisten gewoonlijk, net als alle andere mensen, wat het leven was en wat de dood. Maar soms hadden zij het gevoel, dat hun gewone weten, dat weten, dat hen met de andere wezens, die zo anders waren dan zijzelf, verbond en waarmee zij met de hele wereld contact onderhielden, hen in de steek had gelaten. Wat iedereen weet en erkent, wat ook zijzelf nog een moment tevoren wisten en wat met algemene instemming wordt bevestigd en gerechtvaardigd, kan dan opeens niet meer "hun" kennis worden genoemd. Zij hebben dan, alleen, hun eigen onbewezen en niet te bewijzen weten. Mogen we dan echt hopen dat de vraag van Euripides ooit algemene erkenning krijgt? Is het niet voor ons allemaal duidelijk, dat het leven het leven is, en de dood de dood, en dat die twee met elkaar verwarren, alleen krankzinnig kan zijn, of een heilloze wens om alle vanzelfsprekendheden omver te werpen en verwarring te scheppen in menselijke geest?

Waarom durfde Euripides deze uitdagende woorden uit te spreken en waarom durfde Plato ze te herhalen? En waarom heeft de geschiedenis die woorden voor ons bewaard – de geschiedenis, die genadeloos al het nutteloze en onbelangrijke vernietigt? Je zou wellicht kunnen zeggen, dat het gewoon toeval is; het kan ook gebeuren dat een visgraat of een gewone schelp duizenden jaren intact blijft. Maar hoewel deze woorden wel bewaard zijn gebleven, spelen zij geen enkele rol in de geschiedenis van de geestelijke ontwikkeling van de mensheid. De geschiedenis heeft hen in fossielen veranderd; zij getuigen van het verleden, maar zijn dood voor de toekomst; hun lot is onherroepelijk bezegeld. Dat is een vanzelfsprekende conclusie. Zouden we nou echt, ter wille van een paar uitspraken van filosofen en dichters, de algemene wetten van het menselijke denken en de grondprincipes van ons eigen denken, moeten vernietigen?
Misschien zal men nog een ander "bezwaar" opperen. Misschien zal men eraan herinneren, dat in een heel oud en wijs boek wordt gezegd: "Wie wil weten, wat er is geweest en wat er zal zijn, wat er onder de aarde en boven de hemel is: het zou het beter zijn dat hij nooit op aarde was geboren". Maar dan zou ik antwoorden, dat volgens datzelfde boek de Engel des Doods, die op de mens neerdaalt, om zijn ziel van zijn lichaam te scheiden, volledig met ogen is overdekt. Waarom is dat? Waarom heeft die engel, als hij alles in de hemel kan zien en er op aarde niets waardevols valt te ontdekken, zoveel ogen nodig? Volgens mij heeft hij die ogen niet voor zichzelf. Soms gebeurt het, dat de Engel des Doods, als hij een ziel komt halen, ziet dat hij te vroeg is gekomen en dat voor die mens zijn tijd nog niet is verstreken; dan ontneemt hij hem zijn ziel niet, vertoont zich zelfs niet aan haar, maar laat bij die mens nog twee ogen achter van de ontelbare ogen, waarmee zijn lijf is bedekt. En dan ziet die mens vreemde en nieuwe dingen, meer dan de anderen zien, en meer dan hij zelf met zijn natuurlijke ogen ziet; en hij ziet ook — niet zoals mensen, maar zoals bewoners van andere werelden zien — dat de dingen niet "noodzakelijkerwijs", maar "vrij" bestaan, dat ze tegelijkertijd bestaan en niet bestaan, dat ze verschijnen als ze verdwijnen en verdwijnen als ze verschijnen. De waarneming van de oude, natuurlijke ogen, weerspreekt meteen de waarneming van de ogen, die de engel heeft achtergelaten. Maar aangezien al onze andere zintuigen en zelfs ons verstand, overeenstemmen met ons gewone zien, en aangezien de gehele menselijke 'ervaring', individueel en collectief, dat ook ondersteunt, lijkt het nieuwe zien onwettig, belachelijk, fantastisch en het product van een gestoorde verbeelding. Het lijkt maar één stap verwijderd van de waanzin; geen dichterlijke waanzin, de waanzin waar zelfs de leerboeken van filosofie en esthetica het over hebben, en die zo vaak, waar en wanneer nodig, onder de naam van Eros, Manie of Extase, is beschreven en verklaard, maar de waanzin, waarvoor mensen in een krankzinnigengesticht zijn opgesloten. En dan begint een gevecht tussen twee manieren van zien, een gevecht waarvan de afloop even geheimzinnig en onzeker is als het begin.

Dostojewski was zonder twijfel een van die mensen, die dit dubbele zien bezat. Maar wanneer had de Engel des Doods hem bezocht? Het meest voor de hand liggend is om aan te nemen, dat dat gebeurde aan de voet van het schavot, toen hem en zijn makkers het doodvonnis werd voorgelezen. Maar het is waarschijnlijk dat "gewone" verklaringen hier niet op zijn plaats zijn. Wij zijn verzeild in het gebied van het onnatuurlijke, het eeuwige en wezenlijke fantastische, en als wij hier iets willen begrijpen, moeten wij afzien van die methoden en werkwijzen, die ons tot dusver zekerheid en een waarborg voor onze waarheden en onze kennis hebben geboden. Het is mogelijk dat er nog een groter offer van ons wordt geëist. Wij zullen misschien moeten toegeven, dat zekerheid geen predikaat van de waarheid is of, liever gezegd, dat zekerheid helemaal niets met de waarheid heeft te maken.

Wij zullen daar later op terugkomen; maar de woorden van Euripides kunnen ons ervan overtuigen, dat zekerheid en waarheid onafhankelijk van elkaar bestaan. Stel je voor dat Euripides gelijk heeft, en inderdaad niemand zeker kan weten, of de dood niet het leven is, en het leven niet de dood; kan die waarheid dan ooit een zekerheid worden? Als alle mensen, bij het slapen gaan en het ontwaken, de woorden van Euripides zouden herhalen, dan zouden die toch even raadselachtig en problematisch blijven als op het moment dat de dichter ze voor het eerst, in de diepte van zijn ziel, hoorde. Euripides heeft ze zich eigen gemaakt, omdat ze hem op de een of andere wijze fascineerden. Hij heeft ze uitgesproken, hoewel hij wist, dat niemand ze zou geloven, ook al zou iedereen ze horen. Maar hij kon ze niet veranderen in een zekerheid; hij probeerde het ook niet, en volgens mij heeft hij het zelfs niet gewild. Misschien ligt de hele bekoring, de hele aantrekkingskracht van deze waarheden juist in het feit, dat zij ons bevrijden van zekerheid; dat zij ons de hoop geven dat, wat vanzelfsprekendheden heten, overwonnen kunnen worden.

Dus Dostojewski werd niet op het ogenblik, dat hij wachtte op de uitvoering van zijn vonnis, door de Engel des Doods bezocht. Het was ook niet, toen hij zijn tijd doorbracht in het Siberische strafkamp, temidden van mensen die zich met het lot van andere hadden bemoeid en daarmee hun eigen lot hadden bezegeld; zijn 'Aantekeningen uit een Dodenhuis, een van zijn beste werken, laat dat zien.

De schrijver van de 'Aantekeningen uit een Dodenhuis' heeft nog alle hoop. Hij lijdt, hij lijdt vreselijk. Hij herhaalt meer dan eens — en daar zit geen overdrijving bij — dat de hel maar weinig erger was dan deze barakken, waarin een paar honderd sterke, gezonde mannen, grotendeels meer dan gemiddeld begaafd, nog jong maar al verdorven en vol vijandschap en haat, waren opgesloten. Maar hij blijft zich realiseren dat er, buiten de muren van die gevangenis, een ander leven bestaat. De streep blauwe lucht, die hij boven de hoge muren ziet, is voor hem een belofte van de vrijheid. Er zal een dag komen, dat dit allemaal voorbij zal zijn, de gevangenis, de getekende gezichten, het afschuwelijke gevloek, de bewakers, het vuil en de eeuwig rinkelende ketens — alles zal voorbij gaan, en er zal een nieuw, verheven bestaan beginnen. 'Ik ben hier niet voorgoed', herhaalt hij voortdurend bij zichzelf, 'spoedig zal ik daar zijn — daar, waar vrijheid heerst, waar alles is, waar mijn dromen over gaan, alles waar mijn gekwelde ziel naar verlangt. Hier heerst alleen de diepe slaap, een nachtmerrie. Maar daar is een groots, gelukkig wakker zijn. Open de gevangenisdeuren, stuur de bewakers weg, maak de ketenen los, dat zal genoeg zijn. De rest zal ik zelf wel vinden in dat vrije, prachtige universum, dat ik vroeger wel heb gezien, maar niet naar waarde wist te schatten.' Wat heeft Dostojewski veel oprechte, bezielde bladzijden over dat onderwerp geschreven!

'Wat klopte mijn hart toen vol verwachting! Ik dacht, ik besloot, ik beloofde mezelf plechtig, dat er in mijn leven nooit meer ongeluk zou zijn, en ik niet meer in dezelfde fouten zou vervallen, die er vroeger waren geweest. Ik stelde een programma op voor mijn toekomst en nam mij voor dat precies te volgen. Ik had er een blind vertrouwen in, dat ik dat allemaal kon volbrengen en dat het mij zou lukken. Ik wachtte gretig af, ik hunkerde naar mijn vrijheid. Ik wilde opnieuw mijn krachten beproeven, in een nieuwe strijd. Soms werd ik gegrepen door een koortsachtig ongeduld...' Met een vurig verlangen wachtte hij op de dag, die hem de vrijheid zou brengen, die de dageraad van zijn nieuwe leven zou zijn. Hij was ervan overtuigd, dat hij alleen maar uit de gevangenis hoefde te komen, en dat hij dan iedereen, zowel de anderen als zichzelf, zou kunnen laten zien, dat ons leven op aarde een grote gave van de hemel is. Als iemand zijn vroegere fouten en valkuilen maar kan vermijden, dan zou hij al hier, op aarde, alles kunnen vinden, wat een mens kan verlangen en dan kan hij het leven verlaten, zoals de aartsvaderen dat deden, 'der dagen zat'. De 'Aantekeningen uit een Dodenhuis' neemt in het werk van Dostojewski een bijzondere plaats in; het lijkt op geen enkele manier op wat hij ervóór en erna heeft geschreven. Het is zó af, zit zó goed in elkaar, zit zó vol rust en majesteitelijke sereniteit, en tegelijkertijd zó vol innerlijke spanning, en koestert een zó sterke en oprechte belangstelling in alles wat er voor de ogen van de schrijver plaats vindt. Wij zouden ons sterk vergissen, als dit boek niet een waarheidsgetrouw verslag is van het leven dat Dostojewski gedurende de vier jaar van zijn gevangenschap heeft doorgebracht. Er lijkt niets in te staan, dat verzonnen is; zelfs de namen van de gevangenen heeft hij niet veranderd. Dostojewski was er van overtuigd, dat wat hij toen zag, hoe vreselijk en weerzinwekkend het ook was, de werkelijkheid was, de enig mogelijke werkelijkheid. Onder de gevangenen bevonden zich dappere mannen en lafaards, eerlijke mannen en leugenaars, wrede mannen en nietsnutten; er waren mooie en lelijke mannen. Er waren bewakers en wachtposten, commandanten, bedienden, artsen en ziekenbroeders. Allerlei soorten mensen, maar allemaal 'echte', 'reële', 'uitgesproken' mensen; en hun leven was een even 'reëel' en 'uitgesproken' leven. Het was inderdaad een ellendig, meelijwekkend, oninteressant en beklagenswaardig leven. Maar het was niet het 'volle leven', net zoals die smalle streep blauw, die boven de gevangenismuren zichtbaar was, niet de "de hele" lucht was. Het echte, rijke en betekenisvolle leven was daar, waar de mens boven zijn hoofd niet alleen een stukje blauw, maar de hele grote koepel kon zien; waar geen muren meer waren, maar een eindeloze ruimte en een grenzeloze vrijheid, in Rusland, in Moskou, in Petersburg, temidden van verstandige, goede en actieve mensen, die zelf vrij waren.

2

Dostojewski zat zijn gevangenisstraf uit en de militaire dienst, die daarop volgde. Hij vertrok naar Twer en vervolgens naar Petersburg. Alles wat hij had verwacht voltrok zich. Hij had de uitgestrekte koepel van de hemel boven zijn hoofd. Hij werd een vrij mens, zoals alle mensen die hij had benijd toen hij geketend was. Hij hoefde nu alleen nog maar de geloften te vervullen, die hij zichzelf had opgelegd, toen hij in de gevangenis verbleef. Vermoedelijk was Dostojewski zijn geloften en zijn 'programma' niet meteen vergeten; hij moet meer dan één wanhopige poging hebben gedaan om zijn leven zó in te richten, dat de vroegere fouten en dwaasheden zich niet zouden herhalen. Maar het lijkt erop, dat hij hoe meer hij zijn best deed, er des te minder van terecht kwam.

Al snel begon hij op te merken, dat het leven in de vrijheid steeds meer ging lijken op het leven in het strafkamp, en dat de 'uitgestrekte hemelkoepel', die grenzeloos had geleken, toen hij in de gevangenis zat, net zo op hem begon te drukken en hem begon te beklemmen, als de zoldering van de barakken placht te doen; dat de idealen, die zijn wegkwijnende ziel hadden gesteund, toen hij temidden van het uitschot van de mensheid doorbracht en zijn lot deelde, niet een beter mens van hem hadden gemaakt, hem niet bevrijdden, maar hem integendeel terneerdrukten en net zo verschrikkelijk vernederden, als de ketenen van zijn gevangenis. De hemel bedrukte, de idealen ketenden hem, en het hele menselijke bestaan werd, net als het leven van de bewoners van het Dodenhuis, tot een diepe, kwellende slaap, gevuld met afschuwelijke dromen.

Waarom gebeurde dat zo? De dag te voren nog had hij de 'Aantekeningen uit een Dodenhuis' geschreven, waarin het leven van de dwangarbeiders, die onvrijwillige martelaren, als een nachtmerrie werd beschreven, waaruit toch een bevrijding was beloofd, na verloop van een bepaalde, vastgestelde termijn, waarvan het naderen met een redelijke zekerheid kon worden afgeteld op de palissade, die het terrein van de gevangenis omheinde. Alleen daar, in de onvrijheid, is het leven een nachtmerrie. Het leven in de vrijheid is prachtig. Je hoefde alleen maar de ketenen af te doen en de deuren van de gevangenis te openen, en je zou vrij zijn en het leven weer in al zijn volheid beginnen te leven. Zo dacht Dostojewski, zoals wij hebben gezien; zijn ogen en ook zijn overige zintuigen en zijn 'goddelijk' verstand, lieten hem zien dat het zo was. Toen verscheen er opeens een andere getuige, tegenover al die andere. Dostojewski wist natuurlijk niets van de gaven van Engel des Doods. Hij had wel over die Engel gehoord, maar het was niet bij hem opkomen, dat die geheimzinnige en onzichtbare gast zijn gave met een sterveling zou willen delen. Toch was hij niet in staat om de gave te weigeren, net zomin als wij de gaven van de Engel des Levens kunnen weigeren. Wij weten niet waarvandaan en van wie wij alles hebben gekregen. Het is ons allemaal toebedeeld, nog vóór wij vragen konden stellen of antwoord konden geven. Het tweede gezicht werd Dostojewski ongevraagd geschonken, net zo onverwacht en willekeurig, als het eerste. Er is slechts één verschil, waarop ik al heb gewezen, maar wat ik, gezien het belang daarvan, nogmaals wil benadrukken: terwijl het eerste gezicht, bij de mens tegelijkertijd met zijn andere vermogens verschijnt, en zich daarom daarmee in volledige harmonie bevindt, ontwaakt het tweede gezicht veel later en de gever van die gave bekommert zich er helemaal niet om, om die overeenstemming en harmonie te bewaren. De dood is de grootste wanklank en de meest brute breuk (en ook nog een opzettelijke) van elk akkoord. Als wij er echt van overtuigd zouden zijn, dat de 'wet van de non-contradictie' het meest fundamentele principe is, zoals Aristoteles leert, dan zouden wij genoodzaakt zijn te zeggen: in de wereld bestaat óf het leven, óf de dood; beiden kunnen niet naast elkaar bestaan.

Maar de 'wet van de non-contradictie' is helemaal niet zo onwankelbaar en alomvattend, als men ons heeft verteld, of anders durft de mens die niet altijd toe te passen en maakt er slechts gebruik van binnen die grenzen van de wereld, waarbinnen hij zelf de rol van schepper kan spelen. Waar de mens meester is, waar hij heerst, daar komt die wet hem goed van pas. Twee is meer dan één, en niet minder dan of gelijk aan één. Maar noch het leven, noch de dood, is door de mens geschapen. En die twee bestaan, hoewel ze elkaar wederkerig uitsluiten, toch naast elkaar in de wereld, om het menselijk denken tot wanhoop te brengen en het te noodzaken te erkennen, dat het niet weet, waar het leven begint en waar de dood; noch of niet datgene, wat het leven lijkt, de dood is, en dat, wat de dood lijkt, het leven is.

Dostojewski 'zag' plotseling, dat hemel en gevangenismuren, idealen en ketenen helemaal niet tegengesteld aan elkaar zijn, zoals hij vroeger had gewild en gedacht, toen hij nog als de normale mensen wilde en dacht. Zij zijn niet tegengesteld, maar identiek. Er is geen hemel, er is nergens een hemel, er is alleen een lage en begrensde horizon. Er zijn geen idealen, die de ziel verheffen, er zijn alleen maar ketenen, die hoewel onzichtbaar, nog vaster binden dan ijzer. En geen heldendaad, geen 'goede werken', zijn in staat om de deuren van de 'eeuwige gevangenschap' van de mens te openen. De geloften van Dostojewski om 'zich te verbeteren', die hij in de barak had gedaan, leken voor hem nu heiligschennis. Wat met hem gebeurde leek veel op wat er ook met Luther was gebeurd, die met zo'n oprechte ontzetting en afkeer dacht aan de geloften, die hij bij zijn intrede in het klooster had afgelegd: Ecce, Deus, tibi voveo impietatem et blasphemiam per totam meam vitam. (Zie, Heer, U wijd ik goddeloosheid en Godslastering heel mijn leven lang).

Dit nieuwe 'zien' is het onderwerp van de 'Aantekeningen uit het Ondergrondse', een van de meest opmerkelijke werken, niet alleen van de Russische, maar van de hele wereldlitteratuur. De meeste mensen hebben in dit boekje — en zien daar tegenwoordig nog steeds — alleen maar een "aanstootgevende openbaring" gezien. Ergens, daar beneden, in de onderwereld, bevinden zich deerniswekkende, zieke, ongelukkige wezens, de stiefkinderen van het lot, abnormale wezens, die in hun zinloze verbittering de uiterste grenzen van ontkenning bereiken. Alsof die wezens alleen maar het product van onze huidige tijd zijn en vroeger niet hebben bestaan! Het is waar dat Dostojewski zelf deels verantwoordelijk voor deze interpretatie is en hij laat zelfs iets dergelijks doorschemeren in een aantekening, die hij aan het begin van het boek maakt. En misschien heeft hij dat eerlijk en oprecht gedaan. Waarheden van het kaliber, zoals die voor het oog van de man uit het ondergrondse opdoemen, zijn juist door hun oorsprong van dien aard dat, hoewel men ze kan uitspreken, men ze niet hoeft en kan veranderen in juiste en bruikbare waarheden, die geschikt zijn voor alle tijden en voor alle mensen. Zelfs de ontdekker ervan kan ze zich niet helemaal eigen maken. Dostojewski was er tot aan het eind van zijn leven zelf niet zeker van, of hij echt had gezien, wat hij beschreef in zijn 'Aantekeningen uit het Ondergrondse', of dat hij het had gedroomd en hallucinaties en hersenspinsels voor de werkelijkheid had gehouden. Vandaar de vreemde stijl van het verhaal van de man uit het ondergrondse; vandaar ook, dat elke zin de voorgaande tegenspreekt en bespottelijk maakt; dat verklaart ook die extatische uitbarstingen, van een onverklaarbare vreugde, afgewisseld met even onverklaarbare vlagen van wanhoop. Het lijkt alsof hij op een steile rotswand is gestruikeld en loodrecht in een peilloze afgrond is gestort. Een weergaloos, vreugdevol gevoel van vliegen, samen met de angst voor de afgrond, voor de alles verzwelgende leegte.

Al op de eerste bladzijden van het verhaal voelen wij hoe een vreselijke, bovennatuurlijke kracht de schrijver beetgrijpt en wegvoert. Dit keer is onze beoordeling juist — denk maar aan de Engel des Doods. De schrijver is extatisch, hij is buiten zichzelf, hij jaagt voort, en weet niet waarheen, hij wacht, en weet niet waarop. Lees maar de laatste regels van het eerste hoofdstuk: "Ja, een mens van de negentiende eeuw is zelfs zedelijk verplicht om een bij uitstek karakterloos wezen te zijn; iemand met karakter, een man van de daad, is bij uitstek bekrompen. Dat is mijn veertigjarige overtuiging. Ik ben nu veertig en u weet dat veertig jaar een heel leven is, dat het echt oud is. Een leven van meer dan veertig jaar is onbehoorlijk, vulgair en immoreel. Wie leeft er nu langer dan veertig jaar? Antwoord u daar nu eens serieus en eerlijk op. Ik zal u zeggen dat alleen dwazen en waardeloze lieden ouder dan veertig worden. Dat zeg ik alle grijsaards recht in het gezicht, al die eerbiedwaardige oudjes, al die zilverharige en eerwaarde senioren! Ik zeg het de hele wereld recht in het gezicht. Ik heb het recht om dat te zeggen, want ik zal zelf tot mijn zestigste leven. Tot mijn zeventigste! tot mijn tachtigste! zal ik leven... Wacht even. Laat me even op adem komen..".

3

En inderdaad, van het eerste begin af moeten wij even wachten om op adem te komen. En deze woorden, "laat me even op adem komen", zouden kunnen dienen als de conclusie van de volgende hoofdstukken. Zowel Dostojewski, als de lezer wordt de adem ontnomen door die stormachtige toevloed van wilde, 'nieuwe' gedachten, die uit de geheime diepten van zijn wezen opwellen. Hij weet niet wat hij voelt, noch waarom deze gedachten bij hem opkomen. Zijn het wel gedachten, of zijn het gewoon duivelse influisteringen? Leiden zij ten goede of ten kwade? Er is niemand om dat aan te vragen, niemand kan op zulke vragen antwoorden. Noch Dostojewski zelf, noch iemand anders, kan er zeker van zijn, dat die vragen kunnen worden gesteld, of dat zij ook maar enige zin hebben. Maar het is niet mogelijk om ze terzijde te leggen, en het lijkt zelfs af en toe, dat dat ook niet nodig is. Lees bijvoorbeeld nog maar eens de zin: "een mens van de negentiende eeuw is zelfs zedelijk verplicht om een bij uitstek karakterloos wezen te zijn." Is dat een serieuze overtuiging, of een verzameling van betekenisloze woorden? Op het eerste gezicht kan er geen twijfel over bestaan – het zijn alleen maar woorden! Maar ik wil je eraan herinneren dat Plotinus, "algemeen erkend" als een van de grootste denkers der oudheid, (van wie Dostojewski, volgens mij, nooit had gehoord), precies dezelfde gedachte heeft uitgesproken, zij het in een andere vorm. Ook hij is van mening, dat de actief handelende mens altijd middelmatig is, en dat het wezen van het handelen beperking is. Wie niet wil, of niet bij machte is, om zichzelf over te geven aan het denken, aan het beschouwen, is iemand die handelt. Maar Plotinus, die even extatisch is als Dostojewski, spreekt dat volkomen rustig uit, bijna als iets, dat vanzelfsprekend is, dat aan iedereen bekend is en door iedereen erkend wordt. Misschien heeft hij wel gelijk: als je tegen de mening van alle andere mensen wil ingaan, kun je maar beter je stem niet verheffen. Het problematische, zelfs het onvoorstelbare, wordt vaak heel gemakkelijk geaccepteerd, als het als iets van zelfsprekends wordt voorgedragen. Naderhand maakte Dostojewski soms zelf gebruik van deze methode, maar nu was hij te opgewonden door de nieuwe 'openbaringen' die hem overweldigden en had hij zichzelf niet in bedwang. Bovendien werd Dostojewski niet gesteund door de filosofische traditie, waar Plotinus op kon leunen, want Plotinus was de laatste van een lange reeks Griekse denkers; achter hem lagen bijna duizend jaar intensieve filosofische activiteit: de Stoïci, de Academici, Aristoteles, Plato, Socrates, Parmenides en alle meesters van het woord en het denken, wier autoriteit universeel werd erkend.

Plato kende het 'ondergrondse' ook, alleen noemde hij het een 'grot', en hij schiep de prachtige, en wereldbekende mythe, waarin mensen werden vergeleken met gevangenen in een grot. Maar hij wist dat zo te doen, dat niemand op de gedachten kwam om de grot van Plato het 'ondergrondse' te noemen, noch om Plato zelf een ziekelijk, abnormaal mens te noemen, een van die mensen voor wie de normale mensen theorieën en behandelingen, enzovoort moeten bedenken. Hetzelfde wat er met Plato in de grot gebeurde, gebeurde met Dostojewski in het 'ondergrondse'; zijn nieuwe ogen werden geopend en zagen, waar 'iedereen' de werkelijkheid zag, alleen maar schaduwen en spookbeelden; en in datgene, wat 'voor de wereld' niet bestond, zag hij de enige echte werkelijkheid.

Ik weet niet, wie van beiden het best zijn doel heeft bereikt: Plato, die het idealisme schiep en de hele mensheid aan zijn invloed onderwierp, of Dostojewski, die zijn inzichten in zo'n vorm uitdrukte, dat iedereen zich met ontzetting van de man uit het ondergrondse afkeerde.

Ik zei 'zijn doel bereikte', maar ik denk dat ik mij onjuist heb uitgedrukt. Het is waarschijnlijk dat noch Dostojewski, noch Plato bewust een doel voor ogen had, toen ze spraken, de een over zijn grot, de ander over het ondergrondse, net zoals je niet kunt aannemen, dat een wezen, dat voor het eerst de overgang van het niet-zijn naar het zijn meemaakt, bewust een doel voor ogen heeft. Doelen worden er pas later bijgesleept, veel later; 'in het begin' is er geen doel. Iemand wordt terneergedrukt door een kwellend gevoel van niet-zijn, een gevoel, dat in onze taal zelfs geen eigen speciale benaming heeft; het zogenaamde 'onuitsprekelijke', dat echter niet echt benoembaar is, maar wel als het niet verwerkelijkte, het in gang zijnde. Wij kunnen tot op zekere hoogte een bepaald idee of tenminste een aanduiding van dat gevoel geven, door te zeggen, dat het een zeer ondubbelzinnig gevoel behelst, doordat de toestand van evenwicht, van het volkomen bereiken, van een volkomen bevrediging, als het ideaal van het menselijke denken, voor het doorsnee bewustzijn als absoluut ondragelijk wordt beschouwd (lees voor het "doorsnee bewustzijn", de "collectiviteit" van Dostojewski of het "velen" van Plato).

Antisthenes, die zich een leerling van Socrates noemde, verklaarde, dat hij liever zijn verstand verloor dan dat hij genoot. Ook Diogenes, die door zijn tijdgenoten als een krankzinnig geworden Socrates werd beschouwd, vreesde het evenwicht en de voleinding meer dan wat dan ook. Het lijkt, dat het leven van Diogenes ons, in zeker opzicht, de ware aard van Socrates duidelijker onthult, dan de schitterende dialogen van Plato. In elk geval moet iemand, die Socrates wil begrijpen, net zo goed het afstotelijke gezicht van Diogenes bestuderen, als de meer aantrekkelijke klassieke gelaatstrekken van Plato bekijken. De krankzinnig geworden Socrates is misschien wel de Socrates, die het meest oprecht over zichzelf vertelt. Wat dat betreft zal geen enkel gezond mens, of hij nou dwaas of intelligent is, echt met ons over zichzelf praten, maar alleen over zaken die bruikbaar of nuttig voor iedereen kunnen zijn. Zijn gezondheid ligt juist in het feit, dat hij uitspraken doet, die voor iedereen nuttig zijn, en zelfs niets ziet, dat niet goed voor alle mensen of elke gelegenheid is. Je zou kunnen zeggen dat de 'gezonde' mens, een 'mens als zodanig' is. En het is misschien de merkwaardigste paradox van de geschiedenis, en een paradox die de filosofen zich het meest zouden moeten aantrekken, dat Socrates, die minder dan wie dan ook een 'mens als zodanig' was, van de mensen vroeg, dat zij hem zouden beschouwen als het archetype van een 'mens als zodanig', en niets anders. Deze gedachte van Socrates werd naderhand weer opgenomen en door Plato verder ontwikkeld; alleen de Cynici, de voorlopers van de christelijke heiligen, hebben geprobeerd om het geheim van Socrates aan de wereld bekend te maken. Maar de Cynici zijn verdwenen zonder een spoor in de geschiedenis achter te laten.

Het vreemde van de geschiedenis is, dat zij met een bewonderenswaardige, en op een bijna menselijke en bewuste manier alle sporen uitwist van al het ongewone en buitengewone, dat er in de wereld gebeurt. Dat wil zeggen, dat de historici, de mensen die zich het meest interesseren in het verleden van de mensheid, ervan overtuigd zijn, dat in de wereld alles 'natuurlijk' en 'met voldoende redenen' gebeurt.

Het belangrijkste onderwerp van de geschiedenis bestaat, zoals men altijd heeft begrepen, in het reconstrueren van het verleden als een ononderbroken keten van onderling, oorzakelijk verbonden gebeurtenissen. Voor de historici is en kan Socrates alleen een 'mens als zodanig' zijn. Wat er speciaal 'Socratisch' aan hem was, 'had geen toekomst', en bestond daarom in de ogen van de historicus niet. De historicus hecht alleen belang aan zaken, die opgaan in de stroom des tijd en daar aan bijdragen. De rest interesseert hem niet. Hij is er zelfs van overtuigd, dat de rest spoorloos verdwijnt. Dat 'restant', wat Socrates maakte tot wat hij is, is in feite noch materie noch energie, dat door de ongeschapen en daarom eeuwige wetten in stand wordt gehouden. Eigenlijk is voor de historicus de echte Socrates iets dat niet in stand kan worden gehouden. Hij komt, en hij gaat. Hij was, en is niet meer. In geen enkele boekhouding, noch aardse, noch hemelse, kunnen dat soort zaken een rol spelen. Het enige wat telt is Socrates als "handelend persoon", die sporen van zijn voorbijgaan heeft achtergelaten in de stroom van het maatschappelijke leven. Het 'denken' van Socrates kunnen wij ook nu nog gebruiken. Wij lezen over bepaalde daden, die ons tot voorbeeld kunnen strekken: zijn moed, en zijn kalmte, oog in oog met de dood. Maar Socrates zelf — heeft iemand die soms nodig? Juist omdat hij voor niemand nodig is, is hij verdwenen en heeft hij geen spoor nagelaten. Als hij nodig was geweest, dan zou er ook een 'wet' zijn, om hem te bewaren. Is er immers niet ook een 'wet' voor het behoud van materie, een wet die bepaalt dat er geen enkel atoom terugkeert naar het niet-zijn?

4

Ook Dostojewski bekeek het leven met zijn natuurlijke ogen, met de ogen van de historicus. Maar toen hij zijn tweede paar ogen kreeg, zag hij andere dingen. De onderwereld is helemaal niet die armzalige plek, waarin Dostojewski zijn held liet leven, en ook niet de eenzaamheid die, om Tolstoj te citeren, 'in de diepten van de aarde of van de zee niet absoluter had kunnen zijn'. Integendeel, wij moeten er nogmaals op wijzen, dat Dostojewski de eenzaamheid had opgezocht om zichzelf te redden, of proberen te redden, voor die ondergrondse plek (de grot van Plato), waarin 'alle mensen' hun leven moeten doorbrengen, en die 'alle mensen' als de enige echte wereld beschouwen, de enig mogelijke wereld, d.w.z. de wereld, die door het verstand wordt bevestigd.

Hetzelfde kunnen wij zien bij de monniken uit de Middeleeuwen. Ook zij waren het meest bang voor dat geestelijk 'evenwicht', dat door ons verstand met zekerheid als het ultieme einde van het aardse bestaan wordt beschouwd. Ascetisme was niet zoals gewoonlijk wordt verondersteld, bedoeld om de vleselijke lusten te bestrijden. De belangrijkste bedoeling van de monniken en kluizenaars, die zichzelf uitputten door vasten, waken en meer dergelijke 'werken', was om zich te bevrijden van de 'collectiviteit' waar de man uit het ondergrondse bij Dostojewski het over heeft, dat 'doorsnee bewustzijn' dat in het academische en filosofische vocabulaire wordt beschreven als het 'collectieve bewustzijn'. Ignatius van Loyola formuleert de grondregel van de "Excertia spiritualia" als volgt: "Quanta se magis repent anima segregatam et solitariam, tanto aptiorem se ipsam reddit ad quaerendum intelligendumque Creatorem et Dominum suum" (hoe meer de ziel zich afgezonderd en eenzaam vindt, des te meer geschikt wordt zij om haar Schepper en Heer te zoeken en te begrijpen.)

Het 'doorsnee bewustzijn', de collectiviteit, de belangrijkste vijand van Dostojewski, zonder welke de mens het bestaan niet kan begrijpen. Aristoteles had al gezegd: "De mens, die niemand anders nodig heeft, is óf een God, die alles in zichzelf heeft, óf een wild dier."

Dostojewski hoort, net als de heiligen, die bezig zijn om hun ziel te redden, een geheimzinnige stem die hem doorlopend influistert: "Wees moedig, ga heen in de woestijn, zoek de eenzaamheid op! Daar zul je óf een dier zijn, óf een God. Vóór die tijd kan er niets zeker zijn: maak je eerst los van het 'collectieve bewustzijn', en dan zien we wel." Overigens is het duidelijk nog veel erger — als je je losmaakt van dat bewustzijn, zul je eerst veranderen in een dier, en pas later, niemand weet wanneer — zal de laatste, hypothetische verandering plaats vinden, waarvan de mogelijkheid dat die bestond, door Aristoteles alleen maar werd aangenomen, om zijn theoretische formulering te vervolmaken. Ligt het in feite niet voor de hand, dat de mens zichzelf wel kan veranderen in een wild dier, maar dat het hem niet gegeven is een god te worden?

De menselijke ervaring, de ervaring van de duizenden jaren van ons bestaan, bevestigt de voorspellingen van het verstand: mensen veranderen zichzelf doorlopend in beesten, in ruwe, stompzinnige en wilde beesten, maar er zijn nog geen goden geweest onder de mensen. De ervaring van de man uit het ondergrondse, is dezelfde geweest. Lees maar zijn eigen bekentenissen. Op bijna iedere bladzijde vertelt hij ongelofelijke dingen over zichzelf, waar zelfs een wild dier zich voor zou schamen om ze te bekennen. 'Weet je wat ik eigenlijk wil: dat jullie allemaal naar de duivel zouden lopen, dát zou ik willen! Ik heb rust nodig. Ja, om te maken, dat ik niet lastig gevallen werd, zou ik nu dadelijk de hele wereld voor een stuiver verkopen. Moet de wereld ten onder gaan, of moet ik mijn thee niet kunnen drinken? Ik zeg, dat dan de wereld maar ten onder moet gaan, maar dat ik altijd mijn thee moet kunnen drinken. Wist je dat of niet? Nu, maar ik weet wel, dat ik een ellendeling ben, een schurk, een zelfzuchtig mens, een luilak'. En op de volgende bladzij: 'ik ben de walgelijkste, belachelijkste, nietigste, afgunstigste en allerdomste van alle aardwormen ter wereld.'

Het hele boek staat vol met dergelijke bekentenissen. En als je er zin in hebt, kun je daar nog de overtreffende trap van elk kwaadaardig woord dat in je opkomt aan toevoegen: de man uit het ondergrondse zal geen enkel weigeren, hij zal ze allemaal accepteren en je er ook nog voor bedanken. Maar juich niet met dat resultaat; lees de boeken en bekentenissen van de grote heiligen; zij beschouwden zichzelf allemaal als de meest vreselijke zondaars (weer allemaal superlatieven), de meest verdorvenen, de allerzwaksten, de meest stompzinnigen van de hele schepping. Bernardus van Clairvaux, de heilige Theresia, de heilige Johannes van het Kruis, waren vol afschuw over hun nietigheid en zondigheid tot zij hun laatste adem uitbliezen. De hele betekenis van het christendom en die honger naar verlossing, die in de middeleeuwen de drijfveer in het geestelijke leven was, komt uit dat gevoel voort. "Cur deus homo?" (Waarom is God mens?) Waarom moest God zo nodig mens worden en al die ongehoorde martelingen en beschimpingen verdragen, waar de Schriften verslag van doen? Omdat het zonder dat onmogelijk was geweest om de mens te redden, en zijn gruwel en ellende los te kopen. Zijn afstotelijkheid is zó monsterlijk, zijn val zó diep, dat zijn zondigheid met geen enkele aardse schat meer kon worden afgekocht; noch met zilver, noch met goud, noch met offers, zelfs niet met de beste van zijn goede werken. God moest Zijn enige zoon sturen, om het ultieme offer te leveren. Zonder dat was het onmogelijk om de zondaar te redden.

Dat geloofden de heiligen, dat was hun gedachtegang, en zo zeggen zij het letterlijk. En dat zag Dostojewski, toen de Engel des Doods hem had verlaten, nadat hij bij hem onopgemerkt een paar van de ontelbare nieuwe ogen had achtergelaten. In die zin zouden de 'Aantekeningen uit het Ondergrondse' als een uitstekend commentaar op de geschriften van de beroemde heiligen kunnen dienen. Ik wil daarmee niet zeggen, dat Dostojewski alleen maar op zijn eigen manier herhaalde, wat hij uit boeken van anderen had geleerd. Ook al had hij nooit iets gehoord van het leven van de heiligen, dan zou hij toch zijn 'Aantekeningen uit het Ondergrondse' hebben geschreven. En we hebben alle redenen om aan te nemen dat hij, toen hij het boek schreef, niet veel over hun geschriften wist. Dat feit verleent een bijzondere waarde aan zijn bekentenissen. Dostojewski voelde zich door geen enkele autoriteit of traditie gesteund. Hij handelde op eigen verantwoordelijkheid en hij dacht, dat alleen hij, sinds de wereld bestond, die uitzonderlijke dingen had gezien, die hem waren geopenbaard. 'Ik ben alleen, en zij zijn allemaal samen' roept hij overmand uit. Losgerukt uit het 'doorsnee bewustzijn', verworpen door de enige echte wereld, die zijn realiteit juist op dat 'doorsnee bewustzijn' baseert — want welke andere basis zou de wereld ooit kunnen kiezen — lijkt Dostojewski tussen hemel en aarde te zweven. De grond is onder zijn voeten verdwenen, en hij weet nauwelijks of het de dood is of een tweede, wonderbaarlijke geboorte. Kan de mens bestaan zonder een vaste basis? Of zal hij zelf in het niets oplossen als zijn voeten niet langer de aarde beroeren?

De ouden zeiden, dat wat de goden van de stervelingen onderscheidden, het feit was, dat zij nooit met hun voeten de aarde aanraakten, omdat zij geen steun nodig hadden. Maar dat waren goden, en bovendien ook nog antieke goden, mythologische wezens, zuiver bedachte goden, en terecht geminacht door het huidige wetenschappelijke denken. Dostojewski weet dat allemaal, zoals ieder ander, of beter nog. Hij weet, dat zowel de antieke goden, als de moderne God door het verstand al lang buiten de grenzen van de mogelijke ervaring waren verbannen en in zuivere ideeën waren veranderd. De Russische litteratuur van zijn tijd verkondigde dat met alle ernst, voor zover het door de toenmalige censuur werd toegestaan. En ook de West-Europese filosofie, Kant en Comte incluis, stond Dostojewski ter beschikking, hoewel hij noch Kant noch Comte las. Het was ook niet nodig hen te lezen. 'De grenzen der mogelijke ervaring' het devies van de 19e eeuw, dat aan onze tijd is doorgegeven, als de ultieme openbaring van het wetenschappelijke denken, rees als een Chinese muur op tegen alle inspanningen van de menselijke nieuwsgierigheid. Niemand twijfelt eraan, dat er een bepaalde 'ervaring' bestaat, een collectieve en zelfs oecumenische ervaring, en dat het niet mogelijk is om iets te begrijpen dat voorbij die grenzen ligt, die zo rigide door het verstand zijn vastgelegd. Maar deze ervaring en die grenzen, zoals zij zich voordeden aan Kant en Comte, waren voor Dostojewski weer een gevangenismuur, gebouwd door een onbekende hand. De muren van de oude barakken waren vreselijk, maar boven die muren was toch altijd een streepje blauw zichtbaar geweest. En voorbij de grenzen van de ervaring was niets dergelijks te zien. Zij betekenen het einde, de laatste halteplaats. De weg is afgesloten en op de muur zouden we de inscriptie van Dante kunnen lezen: "Lasciate ogni speranza (Laat alle hope varen).

5

In zijn 'Aantekeningen uit een Dodenhuis' vertelt Dostojewski veel over de daar tot levenslange gevangenisstraf veroordeelden en over hun vertwijfelde pogingen om te ontsnappen. Zo iemand weet heel goed, wat voor risico hij loopt, hoeveel hij op het spel zet en hoe gering zijn kans van slagen is en toch waagt hij de kans. Toen hij nog in het kamp zat voelde Dostojewski zich al op een bijzondere manier aangetrokken tot die vastberaden mensen, die zich door geen enkele hindernis van hun voornemen lieten weerhouden. Hij trachtte met alle macht en op alle manieren hun psychologie te begrijpen, maar het lukte hem niet. En niet, omdat hij niet genoeg inzicht of opmerkingsgave had, maar omdat een dergelijk begrijpen niet mogelijk is. Niets kan een beslissing 'verklaren.' Dostojewski kon alleen maar constateren, dat vastberaden mensen overal zeldzaam zijn, zowel onder de veroordeelden als ergens anders. Het zou juister zijn te zeggen, dat vastberaden mensen helemaal niet bestaan, maar alleen maar grote 'beslissingen', die je onmogelijk kunt 'begrijpen', omdat ze gewoonlijk nergens op zijn gebaseerd, en alle drijfveren uitsluiten. Zij vallen onder geen enkele regel; het zijn juist 'besluiten' en 'grote besluiten', omdat ze buiten alle regels om gaan, en daarom ook buiten alle mogelijke verklaringen vallen. Gedurende zijn verblijf in de strafgevangenis had Dostojewski dat nog niet beseft; hij dacht, net als alle andere mensen, dat er grenzen waren aan de menselijke ervaring, en dat die grenzen worden bepaald door onwrikbare en eeuwige principes. Maar in zijn 'ondergrondse' was hem een nieuwe waarheid geopenbaard: zulke eeuwige principes bestaan niet, en de 'wet van de toereikende reden', waarop die principes zijn gebaseerd, is alleen maar een autosuggestie van iemand die zijn eigen beperkingen aanbidt en daar zelf voor neerknielt – "Eenvoudige mensen en daadkrachtige mensen werpen zichzelf volstrekt oprecht voor de muur ter aarde. Voor hen is de muur geen uitvlucht, zoals voor ons, geen voorwendsel om van het pad af te wijken, een voorwendsel waarin mensen zoals wij gewoonlijk zelf niet geloven, maar waarmee wij altijd heel blij zijn. Nee, zij doen in alle oprechtheid een knieval. De muur heeft iets geruststellends voor hen, iets zedelijks en definitiefs, en misschien zelfs iets mystieks... Nou, het is juist dit eenvoudige individu dat ik als de normale mens beschouw, zoals de liefhebbende Moeder Natuur, die ons zo liefdevol heeft toegestaan om in deze wereld te worden geboren, hem zou willen. Ik benijd zo iemand. Hij is dom, dat staat boven kijf, maar misschien – wie weet? — moet de normale mens ook wel dom zijn. Misschien is dat zelfs prachtig."

Denk maar over die woorden na, zij zijn het waard. Het is geen ergerniswekkende paradox, maar eerder een bewonderenswaardige filosofische openbaring, die Dostojewski werd geschonken. Net als alle 'nieuwe' gedachten van de man in het ondergrondse, neemt het de vorm aan van een vraag, niet van een antwoord. En bovendien is er het onvermijdelijke 'misschien', dat daar opzettelijk bij is gezet, met de bedoeling om ontluikende antwoorden om te zetten in nieuwe, onbeantwoordbare vragen. Misschien moet een normaal mens wel dom zijn, misschien is dat zelfs prachtig. Altijd dat 'misschien', dat de gedachte verzwakt en in opspraak brengt; die weifelende, grillige schemering, ondragelijk voor het gezonde verstand, dat de contouren van de dingen vervaagt en de grenzen zover uitwist, dat je nauwelijks kunt vertellen waar het ene begint en het andere eindigt. Je verliest je hele zelfvertrouwen; elke beweging in de richting van een vast voorwerp wordt onmogelijk. Maar wat het belangrijkste is, is dat die onwetendheid in onze ogen plotseling niet een vloek, maar een gave des hemels lijkt te zijn — 'O, zeg mij, wie het was, die het eerst zei, die het eerst verkondigde, dat als de mens verlicht zou zijn, als zijn ogen voor zijn ware, normale belangen zouden worden geopend, hij meteen goed en oprecht zou worden; dat als hij door wetenschap en begrip verlicht zou zijn en hij zijn echte belangen zou begrijpen, dat hij dan zou zien dat het goede in zijn eigen voordeel zou zijn? Want het is bekend, dat niemand willens en wetens tegen zijn eigen belang in handelt; en daarom zou hij dan noodzakelijkerwijs verplicht zijn om goed te doen. O kind, o zuiver en onschuldig kind!.. Belang! Wat is belang! Maar stel je nu eens voor, dat er gevallen zijn, waarin soms het menselijke belang niet alleen kan, maar moet bestaan uit het wensen van iets kwaads voor jezelf en niet iets voordeligs! Als dat het geval is, als zo'n geval zelfs mogelijk is, dan valt die hele regel in duigen.'

Waardoor wordt Dostojewski aangetrokken? Het 'misschien', het onverwachte, de duisternis, de gril, al die dingen, die vanuit het standpunt van de wetenschap en het gezonde verstand niet bestaan of niet zouden moeten bestaan. Dostojewski weet heel goed, wat 'men' denkt. Hij weet ook, hoewel hij niet bekend is met de leerstellingen van de filosofen, dat sinds de oudste tijden gebrek aan respect voor regels als de grootste misdaad werd beschouwd. Maar hier sluipt een gruwelijk vermoeden zijn geest binnen: stel je voor dat de mens zich juist daarin altijd heeft vergist?

Het is echt verbijsterend dat Dostojewski, die geen enkele wetenschappelijke of filosofische scholing had gehad, in staat is geweest om zo precies te begrijpen, waarin het voornaamste en eeuwige probleem van de filosofie lag. Geen enkel filosofisch leerboek heeft de 'Aantekeningen uit een Dodenhuis' bestudeerd of zelfs maar met name genoemd. Er komen geen vreemde woorden in voor, geen geleerde terminologie; het draagt geen academische stempel: dus kan het geen filosofie zijn.

Toch moeten wij, zo er ooit een 'Kritik der reinen Vernunft' is geschreven, die zoeken bij Dostojewski, in de 'Aantekeningen uit het Ondergrondse' en in zijn grote romans, die geheel uit die Aantekeningen zijn voortgekomen. Wat Kant ons onder die titel heeft gegeven, is geen kritiek, maar een apologie van de zuivere rede. Kant waagde het niet de rede te bekritiseren, ondanks dat hij dacht, dat hij onder invloed van Hume was ontwaakt uit de dogmatische sluimer. Hoe had Kant zijn vraag geformuleerd? Wiskunde bestaat, de natuurwetenschappen bestaan: is er dan ook een metafysische wetenschap mogelijk, met eenzelfde logische structuur als die van de al genoegzaam bewezen positieve wetenschappen? Dat is wat Kant 'kritiseren' noemde, 'het ontwaken uit een dogmatische sluimertoestand'. Maar als hij echt had willen ontwaken en kritiseren, dan had hij allereerst de vraag hebben moeten stellen, of de 'positieve' wetenschappen zich inderdaad wel hadden bewezen, en of zij wel het recht hadden hun resultaten 'kennis' te noemen? Is wat zij ons allemaal leren, geen illusie en bedrog? Kant was maar zo weinig uit zijn dogmatische sluimertoestand ontwaakt, dat het nooit in zijn hoofd is opgekomen om die vraag te stellen. Hij is ervan overtuigd, dat de positieve wetenschappen zich hebben gerechtvaardigd door hun resultaat, d.w.z. door hun nut, dat zij de mensheid hebben bewezen. Daarom kunnen zij niet aan een oordeel worden onderworpen; het is aan hen om te oordelen. Als de metafysica wil bestaan, moet zij eerst de sanctie en zegen vragen van de wiskunde en de natuurwetenschappen.

De rest is bekend; de wetenschappen, die zich door hun 'resultaat' hebben gerechtvaardigd, hebben alleen maar hun wetenschappelijke karakter verkregen dankzij de reeksen regels, principes en kunstmatige a priori oordelen, die zij tot hun beschikking hebben; algemene, noodzakelijke en onveranderbare regels, waarvan, volgens Kant, geen ontwaken ons kan bevrijden. En omdat die regels alleen van toepassing zijn binnen de 'grenzen van de mogelijke ervaring', is de metafysica, die (volgens Kants) streeft naar het transcendente, onmogelijk. Zo redeneerde Kant, die in zijn oordelen de hele praktijk belichaamde van het menselijke wetenschappelijke denken. Hoewel Dostojewski niets van Kant af wist, stelde hij dezelfde vraag, maar zijn inzicht was veel dieper. Kant zag de werkelijkheid met de ogen van iedereen. Dostojewski had, zo als we weten, 'eigen' ogen.

Bij Dostojewski zijn het niet de positieve wetenschappen, die over de metafysica oordelen; het is integendeel de metafysica die over die positieve wetenschappen oordeelt. Kant vraagt: is de metafysica mogelijk? Als zij mogelijk is, laten wij dan het onderzoek van onze voorgangers voortzetten. Is zij onmogelijk, laten wij er dan van afzien, en onze beperkingen respecteren. Onmogelijkheid is een natuurlijke grens, er zit iets kalmerends, bijna mystieks in. Het is een eeuwige waarheid: veritas aeterna. Het Katholicisme, dat zelf op openbaring berust, verklaart: 'Deus impossibilia non jubet'. (God vraagt geen onmogelijke dingen.)

God vraagt niet het onmogelijke. Maar dat is waar het 'tweede gezicht' actief wordt. Plotseling doemt de man uit het ondergrondse op, die man uit het ondergrondse, die zichzelf met een zo angstwekkende oprechtheid, tot de allerverachtelijkste van alle mensen heeft verklaard. Hij weet zelf niet met welk recht hij verschijnt, maar plotseling schreeuwt hij met een schelle, wilde en angstaanjagende stem (alles aan de man uit het ondergrondse is angstaanjagend): "Het is bedrog – het is een leugen – God vraagt het onmogelijke. God vraagt alleen maar het onmogelijke. Jullie zwichten allemaal voor de muur, en zien daar iets geruststellends en onontkoombaars in – zelfs, net als de katholieken, iets mystieks. Maar ik zeg jullie dat jullie muur, jullie 'onmogelijk' alleen maar een smoes is, een voorwendsel, en dat jullie God, die God die niet het onmogelijke vraagt, alleen maar een afschuwelijke afgod is, een van de bruikbare afgoden, of ze nou klein of groot zijn, die jullie nooit te boven zijn gekomen en zullen komen. Metafysica is onmogelijk! Nu zal ik nooit meer over iets anders denken of praten."

"Ik heb bijvoorbeeld een vriend…. Och heren, maar natuurlijk is hij ook uw vriend; en er is inderdaad niemand wiens vriend hij niet is! Als die vriend nu een zaak voorbereidt, zal deze heer u meteen, stijlvol en helder, precies uitleggen hoe hij volgens de wetten van de ratio en de waarheid moet handelen. Sterker nog, hij zal opgewonden en hartstochtelijk met u over de echte, normale, menselijke belangen gaan spreken; hij zal spottend de kortzichtige dwazen verwijten maken, die noch hun eigen belangen, noch de echte betekenis van de deugd begrijpen; maar binnen een kwartier zal hij zonder enige plotselinge aanleiding niet van buiten, maar gewoon uit iets dat in hem zit, dat sterker is dan al zijn belangen, een heel andere toon aanslaan: hij zal openlijk tegen alles ingaan, wat hij net over zichzelf gezegd heeft, tegen de wetten van de ratio, tegen zijn eigen belang, om kort te gaan tegen alles in..."
Maar wat is dat 'alles' dan? En wat is dat voor 'innerlijke' drijfveer, die sterker is dan alle andere belangen? 'Alles', dat zijn, om het in wetenschappelijke taal uit te drukken, de wetten van het verstand en het totaal van de 'vanzelfsprekendheden'. De innerlijke drijfveer is het 'irrationele restant' dat zich buiten de grenzen van de mogelijke ervaring bevindt. Want die ervaring, die volgens Kant (Kant is een soortnaam; Kant is de 'collectiviteit' van ons allemaal), de oorsprong van alle kennis is, waaruit onze wetenschap is voortgekomen, bevat niet en kan niet die drijfveer binnen zijn grenzen bevatten, dat innerlijke ding waar Dostojewski het over heeft. De 'ervaring' van Kant is de collectieve ervaring van de mensheid, en alleen een vluchtige en populaire verklaring kan haar met de feiten van het stoffelijke of geestelijke bestaan verwarren. Met andere woorden: die 'ervaring' veronderstelt noodzakelijkerwijs een voltooide theorie, een systeem van regels en wetten, waarvan Kant heel terecht heeft gezegd, dat niet de natuur aan de mensen, maar de mensen aan de natuur wetten dicteren. Maar dat is ook de plaats waar de scholastieke filosofie een andere kant opgaat dan de idealen van Dostojewski, en waar hun onbegrip wederzijds wordt.

Zodra Kant het woord 'wet' hoort uitspreken, neemt hij zijn hoed af; dan durft en wil hij niet discussiëren. Wie 'wet' zegt, zegt 'macht; wie 'macht' zegt, zegt 'onderwerping' – want de hoogste deugd van de mens is om zichzelf te onderwerpen.

Maar natuurlijk is het niet een levend individu dat aan de natuur wetten dicteert. Zo iemand maakt zelf deel uit van de natuur, en is daarom aan de natuur onderworpen. De hoogste, ultieme en uiteindelijke macht behoort aan de 'mens als zodanig', d.w.z. aan een ideëel beginsel, dat even ver afstaat van het levende individu als van de onbezielde natuur. Met andere woorden: het principe, de regel en de wet besturen alles. Het denken van Kant zou, op een meer adequate, maar minder treffende manier, als volgt kunnen worden uitgedrukt: "Noch de natuur, noch de mens dicteren wetten, maar aan de natuur en aan de mens worden de wetten door de wetten zelf gedicteerd. Met ander woorden: in de beginne was de wet."

Als Kant zijn grondstelling zo had uitgedrukt, zou hij dichter bij de wetenschappelijke wereldbeschouwing zijn geweest, die hij trachtte te rechtvaardigen, en tegelijkertijd dichter bij het gezonde verstand, waaruit deze opvatting is voortgekomen. Dan zou het verschil tussen het theoretische en het praktische verstand zijn geëlimineerd en het filosofische ideaal zijn bereikt, dat luidt: 'Handel zo, dat het principe van uw gedrag een algemene wet zou kunnen worden'. Dat is de 'regel' die het gedrag rechtvaardigt, zoals het evenzo de regel is die de waarheid uitdrukt. Zowel de natuur als de moraal is voortgekomen uit regels en autonome, zelfgenoegzame principes, die op zichzelf een werkelijkheidswaarde bezitten, die de ervaring overstijgt en buiten de tijd staat. Ik herhaal nogmaals:

Kant heeft dit niet zelf bedacht; hij heeft gewoon de algemene tendens van het wetenschappelijke denken duidelijker geformuleerd. De koren van vrije, onzichtbare en grillige individuele geesten, waarmee de mythologie de wereld had bevolkt, werden onttroond door de wetenschap en vervangen door andere hersenspinsels, door onveranderbare principes; en dat werd uitgeroepen tot de totale nederlaag van het antieke bijgeloof. Dat is het wezen van het idealisme; dat is wat het huidige denken als zijn ultieme triomf beschouwt.
Dostojewski begreep, hoewel hij geen wetenschappelijke opleiding had gehad, met ongewone scherpte, hoe hij de fundamentele filosofische vraag moest stellen: Is de metafysica als wetenschap mogelijk?

Maar op de eerste plaats: waarom moet de metafysica een wetenschap zijn? En ten tweede: welke betekenis heeft dat woord 'mogelijk?' De wetenschap vooronderstelt als haar noodzakelijke voorwaarde, wat Dostojewski de 'collectiviteit' noemde: het bestaan van oordelen die algemeen worden aanvaard. Dergelijke oordelen bestaan en zijn mateloos en bijna bovennatuurlijk bevoorrecht boven de oordelen die niet algemeen zijn aanvaard; alleen zij dragen de titel van "waarheden". Dostojewski begreep heel goed, waarom de wetenschap en het gezonde verstand altijd op zoek zijn naar noodzakelijke en algemeen erkende oordelen.

'Feiten' op zichzelf zijn voor ons niet bruikbaar. Als wij hebben opgemerkt dat een steen door de zon wordt verwarmd, dat een stuk hout op het water drijft, dat een mondvol water de dorst lest, wat kunnen wij dan met dergelijke waarnemingen? De wetenschap heeft niets aan afzonderlijke feiten, en is daar zelfs niet in geïnteresseerd. Zij zoekt alleen naar datgene, dat een of ander bijzonder feit op een wonderbaarlijke manier kan veranderen in een "ervaring" – als wij het recht verwerven om te zeggen: de zon verwarmt altijd de steen, hout zinkt nooit in water, water lest onveranderlijk de dorst, etc., dan pas hebben wij wetenschappelijk kennis. Met andere woorden: kennis wordt pas echte kennis, als wij aan de afzonderlijke feiten het zuivere principe hebben onttrokken, dat onzichtbare 'altijd', dat almachtige hersenspinsel, dat de macht heeft geërfd en het recht van de goden en demonen uit de wereld heeft verbannen.

Hetzelfde als in de fysische wereld kunnen wij ook waarnemen in de zedelijke wereld. Ook daar nemen principes de plaats in van de goden; vernietig de principes, en er zal alleen maar verwarring heersen, en geen goed noch kwaad meer bestaan. Net zoals in de materiele wereld, als de wetten zouden verdwijnen, alles aanleiding geeft tot iets anders. Juist de opvattingen van goed en kwaad, van waarheid en leugen, zijn gebaseerd op het bestaan van een vaste, eeuwige ordening. Dat is wat de wetenschap probeert te laten zien, als zij haar theorieën schept. Als wij weten, dat de zon niet anders kan dan de steen verwarmen, dat hout nooit kan zinken in water, dat water noodzakelijkerwijs de dorst lest, dus als het daardoor mogelijk wordt om het waargenomen feit tot een theorie te promoveren, door het onder de bescherming van een onzichtbare, maar eeuwige wet te stellen, die geen begin heeft gehad, en daarom ook nooit kan eindigen, dan hebben wij wetenschap. Hetzelfde geldt voor de moraal; ook zij wordt alleen in stand gehouden door de wet: alle mensen moeten zo handelen, dat hun gedrag hun volstrekte onderwerping aan de regel laat zien. Alleen onder die voorwaarde is een sociaal leven mogelijk.

Dostojewski begreep dat allemaal heel goed, hoewel hij zo onbekend was met de geschiedenis van de filosofie, dat hij veronderstelde dat het idee van de 'zuivere rede' als de almachtige meester van het universum, een zeer recente uitvinding was, de schepping van Claude Bernard. En dat, ook heel recent iemand, (waarschijnlijk diezelfde Claude Bernard) een nieuwe wetenschap had bedacht, de 'ethica', die uiteindelijk had verklaard dat diezelfde 'wet' de enige meester van de mens was, en dus voor eens en altijd de God van onze vaderen had verdreven.

Dostojewski legt opzettelijk deze filosofische ideeën in de mond van zijn onontwikkelde Dimitri Karamazow. Alle ontwikkelde mensen, zelfs Iwan Karamazow, delen het standpunt van Claude Bernard en onderschrijven zijn 'ethica' en 'natuurwetten'. Het kon niet aan het heldere inzicht van Dostojewski ontsnappen, dat een wetenschappelijke scholing van de intelligentie tot op zekere hoogte de menselijke vermogens verlamt en ons binnen grenzen inperkt. Hij had dit natuurlijk ook allemaal in de Bijbel kunnen vinden. Wie heeft de Bijbel niet gelezen, of wie kent hem niet? Claude Bernard en zijn leermeesters, hadden de Bijbel ongetwijfeld gelezen. Maar hadden zij, op zoek naar filosofische waarheden, dan dat boek moeten raadplegen? Een boek dat was geschreven door onontwikkelde mensen, die nauwelijks door een cultuur waren beroerd? Dostojewski zag geen alternatief. En dus moest hij, net als Augustinus, uitroepen: Surgunt indocti et rapiunt coelum (de onontwikkelden staan op en veroveren de hemel).

6

Surgunt indocti et rapiunt coelum! Om de hemel stormenderhand te veroveren moet je het aangeleerde opgeven, de grondprincipes, die wij met de moedermelk hebben ingedronken. Meer nog: wij moeten, zoals die citaten bewijzen, afstand doen van al onze ideeën; dat wil zeggen: wij moeten hun wonderbaarlijk vermogen om feiten in theorieën te veranderen in twijfel trekken. Het wetenschappelijke denken heeft de ideeën dit opperste voorrecht gegeven: zij moeten beslissen en beoordelen, wat mogelijk en wat onmogelijk is, zij moeten de grens tussen werkelijkheid en droom bepalen, tussen goed en kwaad, tussen wat mag en wat niet mag.

Wij kunnen ons nog wellicht herinneren met wat voor razernij de man uit het ondergrondse zichzelf naar de strot van zijn vanzelfsprekende waarheden vloog, waarheden die zich trots bewust zijn van hun ontastbare soevereine rechten. Luister ook maar naar het volgende, maar vergeet dat je alleen maar hebt te maken met een verachtelijk ambtenaartje uit Petersburg. De dialectiek van Dostojewski kan, zowel in de 'Aantekeningen uit het Ondergrondse' als ook in zijn andere werken, op één lijn worden gesteld met de dialectiek van welke grote Europese filosoof dan ook, en wat betreft de moedigheid van denken, durf ik te beweren dat maar een paar genieën niet in zijn schaduw staan. En in zijn zelfverachting is hij één met de grote heiligen. "Om verder te gaan met de mensen met stalen zenuwen…deze heren werpen zich meteen voor het onmogelijke op de knieën. Een onmogelijkheid, vandaar die stenen muur. Wat voor stenen muur? Nou, dat is duidelijk: natuurwetten, conclusies van de natuurwetenschappen en de wiskunde. Als zij jou bijvoorbeeld bewijzen, dat je van de apen afstamt, helpt het niets als om je neus op te trekken, je moet het gewoon accepteren. Als zij bewijzen dat één atoom van je eigen vet je meer waard moet zijn dan honderdduizend van je buurmans vet, moet je dat accepteren, daar is niets tegen te doen. Probeer maar eens met hen te discussiëren. Neem mij niet kwalijk, zullen ze zeggen, er valt helemaal niet over te discussiëren — twee maal twee is vier. De natuur bekommert zich niet over jouw goedkeuring. Zij heeft niets te maken met jouw wensen en of haar wetten jou al dan niet bevallen. Je bent verplicht het te aanvaarden, met alle consequenties, zoals het is. Een muur is een muur etc. Maar lieve hemel, wat heb ik te maken met de natuurwetten of wiskunde, als die wetten mij om een of andere reden niet bevallen? Natuurlijk zal ik niet mijn hoofd tegen de muur te pletter lopen, als ik niet voldoende kracht heb om hem te vernietigen; maar ik zal me er ook niet gewoon bij neer kunnen leggen, omdat die gebaseerd is op twee maal twee is vier. O, absurditeit der absurditeiten! Alles begrijpen is iets heel anders; rekening houden met alle onmogelijkheden en alle stenen muren, daar niet voor buigen als zij ons tegen de borst stuiten, door de meest onvermijdelijke logische gedachtegang tot de weerzinwekkende conclusie komen, dat wij zelf op een of andere manier verantwoordelijk zijn voor de stenen muur — hoewel het ook weer absoluut duidelijk is dat wij op geen enkele manier verantwoordelijk zijn; en vervolgens, stilzwijgend en met machteloos tandengeknars in een wellustige futloosheid vervallen, en dromen dat wij niet eens tegen wie dan ook in opstand kunnen komen, omdat er niemand is en er nooit iemand zal zijn; dat het vermoedelijk allemaal een schijnvertoning is, een grap, een absurde kolder, en dat je niet weet wat noch waarvandaan. Maar ondanks al die onbegrijpelijke dingen zullen wij lijden, en hoe minder wij begrijpen, hoe erger het zal zijn."

Maar misschien is de lezer het inmiddels moe om de gedachtegang van Dostojewski en zijn wanhopige pogingen het onverslaanbare bewijs omver te werpen, te volgen. Wij weten niet of hij het echt meent of ons alleen maar belachelijk maakt. Kun je dan inderdaad niets anders doen dan buigen voor die muur? Kunnen wij onze kleine en zwakke "ikken" tegenover de natuur stellen, die haar eigen gang gaat, zonder ook maar aan ons te denken, en bezitten wij de bijkomende zekerheid om het oordeel te vellen dat de mogelijkheid daarvan als "de laatste absurditeit" ontkent"?

Maar Dostojewski permitteert zichzelf om juist deze vraag te stellen, namelijk of ons verstand enig recht heeft om te oordelen over het mogelijke en onmogelijke. De kennistheorie stelt deze vraag niet, want als het verstand niet het recht heeft om te oordelen over de mogelijkheid of onmogelijkheid, wie kan dat recht dan wel hebben? Zonder dat zou alles mogelijk en alles onmogelijk zijn. En alsof hij de draak met ons steekt, geeft Dostojewski ook zelf toe dat hij niet de kracht heeft om de muur te slechten. Daarom erkent hij een bepaalde grens, een bepaalde mogelijkheid. Maar waarom had hij dan een minuut geleden het tegenovergestelde gezegd? Op zo'n manier zullen wij tot een absolute chaos vervallen, niet alleen tot een chaos, maar tot een niets, waarin niet alleen regels, wetten en ideeën zullen verdwijnen, maar tegelijkertijd de hele werkelijkheid! Maar als wij bepaalde grenzen overschrijden, moeten wij zelfs dat onder ogen zien. Iemand, die zich heeft bevrijd van de angstaanjagende tirannie van de ideeën, die van buiten af zijn opgelegd, begeeft zich op zulk een vreemd en onverkend terrein, op plaatsen die zo onbekend zijn, dat het voor hem moet lijken, alsof hij de werkelijkheid achter zich heeft gelaten en de eeuwige leegte heeft betreden.

Dostojewski was niet de eerste, die deze onvoorstelbaar vreselijke overgang van de ene wereld naar de andere moest doormaken en die zichzelf verplicht voelde om de zekerheid, die "principes" geven, op te geven. Vijftienhonderd jaar vóór hem vertelt Plotinus, die ook geprobeerd had uit te stijgen boven onze 'ervaring', dat je dan het eerste moment de indruk hebt dat alles verdwijnt, en dat je de overweldigende angst hebt dat alleen het pure niets overblijft. Ik wil hier aan toevoegen, dat Plotinus niet de hele waarheid heeft verteld; hij heeft het voornaamste verzwegen: het is niet alleen in de eerste fase zo, maar ook in de tweede en alle volgende fasen. De ziel, die buiten haar normale grenzen is geworpen, kan zich niet losmaken van deze verschrikking, wat men ons ook vertelt over de extatische verrukkingen, die ermee gepaard gaan.
Hier kan de verrukking de verschrikking niet uitsluiten. De toestanden zijn organisch met elkaar verbonden: om een grote vreugde te bereiken, moet er ook een afgrijselijke verschrikking zijn. Iemand heeft een echte bovennatuurlijke inspanning nodig om zich te vermannen om zijn "ik" tegenover de hele wereld te durven stellen, tegenover de natuur, tegenover de laatste vanzelfsprekendheid: het "geheel" trekt zich van mij niets aan, maar ik weiger net zozeer om rekening met het "geheel" te houden. Laat het "geheel" maar triomferen! Dostojewski schept er zelfs een bijzonder soort genoegen in om ons te vertellen over zijn doorlopende nederlagen en mislukkingen. Niemand heeft ooit, vóór of na hem, met zo'n wanhopige volledigheid alle vernederingen, alle lijden van een ziel beschreven, die door het gewicht van de "vanzelfsprekendheid" wordt verpletterd. Hij kan niet rusten voordat hij aan zichzelf de wanhopige bekentenis heeft ontrukt: "Kan iemand die in zijn eigen ziel heeft gekeken, zichzelf echt nog respecteren?"

En inderdaad: wie kan zwakheid en onbeduidendheid respecteren? Het hele boek is een verslag van onmacht en vernedering. De man uit het ondergrondse wordt uitgescholden, uitgestoten, geslagen; en hij lijkt alleen maar op nog meer mogelijkheden om te worden vernederd, uit te zijn. Eigenlijk is het zo dat hij, hoe meer hij wordt beledigd, hoe meer hij wordt vernederd en hoe meer hij wordt verpletterd, des te dichter zijn doel nadert, het ontsnappen uit de "grot", uit dat behekste rijk, waar wetten, principes en vanzelfsprekendheden de dienst uitmaken, uit het denkbeeldige rijk van de gezonde en normale mensen. De man uit het ondergrondse is de meest ongelukkige, ellendige, en meest deerniswekkende van alle mensen. Maar de 'normale' mens, d.w.z. de mens, die in hetzelfde ondergrondse leeft, maar zelfs niet het vermoeden heeft, dat het een onderwereld is, en die er van overtuigd is, dat zijn leven het echte en enige leven is, en zijn wetenschap de meest volmaakte, zijn goed het absolute goed, dat hij de alfa en omega is, het begin en einde van alles — zo iemand lokt zelfs in de ondergrondse regionen een homerisch gelach uit.

Lees maar wat Dostojewski heeft te vertellen over normale mensen, en vraag je dan af wat beter is: de pijnlijke stuiptrekkingen van een weifelend ontwaken, of de grauwe, geeuwende sloomheid van een zekere slaap. Dan zal het zich tegenover de hele wereld stellen van één iemand, je niet meer zo paradoxaal lijken. Ondanks de hele ogenschijnlijke absurditeit van deze oppositie, is het minder absurd dan de verheerlijking van de "collectiviteit", van die gulden middenweg, waarin onze wetenschap en ons "goede" zich alleen maar kunnen ontwikkelen.

De biograaf van Aristoteles (als Dostojewski het heeft over Claude Bernard, bedoelt hij eigenlijk Aristoteles) heeft hem 'overdreven gematigd' genoemd. In feite was Aristoteles het brein en de onvergelijkelijke zanger van de 'collectiviteit', van de gulden middenweg en de middelmatigheid. Hij was de eerste die onomstotelijk het principe had vastgesteld, dat 'beperking het teken van volmaaktheid is'. Hij heeft ook het ideale kennissysteem en de ethica in het leven geroepen, die sindsdien als voorbeeld hebben gediend. Toen in de Middeleeuwen de "grenzen van de mogelijke ervaring" zich min of meer onbegrensd leken uit te breiden, klampte het menselijke denken zich stevig vast aan de filosofie van Aristoteles; en dat was natuurlijk niet per ongeluk. Aristoteles was net zo onmisbaar voor de theologen, als de organisatie van het Romeinse Rijk voor het pausdom was. Het Katholicisme was en moest een complexio oppositorum zijn (een samenstel van tegendelen) Maar door de 'matigende' invloed van Aristoteles en de Romeinse juristen, zou het nooit een overwinning op aarde hebben behaald.

Misschien is het passend om hier op te merken dat Dostojewski in de Russische literatuur niet alleen staat. Vóór hem en zelfs boven hem moet Gogolj worden geplaatst. Alle werken van Gogolj, de 'Revisor', 'Het Huwelijk', en de 'Dode Zielen' en zelfs zijn vroege verhalen, waarin hij zo vrolijk en kleurrijk het Klein-Russische leven schildert, zijn louter 'Aantekeningen uit een ondergrondse.' Poesjkin riep, toen hij Gogolj las, uit: 'God, wat een tragisch Rusland!' Maar Gogolj had niet alleen Rusland op het oog: in zijn ogen was de hele wereld behekst. Dostojewski begreep dat, toen hij zei: 'de boeken van Gogolj, verpletteren ons onder een vracht van onbeantwoordbare vragen, waar zij ons mee opzadelen.'

"Wat is het vervelend om te leven, mijne heren!" Die jammerklacht, die Gogolj als het ware onwillekeurig liet vallen, had niet alleen betrekking op het Russische leven. Het is vervelend om te leven, niet alleen omdat er op de wereld teveel Tsjitsjikows, Nozdrjews en Sobakjewitsen zijn. Voor Gogolj waren de Tsjitsjikows en de Nozdrjows niet 'zij', niet de 'anderen', die hij zou moeten verheffen tot zijn eigen norm. Hij zegt zelf tegen ons en het was geen huichelachtige deemoed, maar een onverbiddelijke waarheid, dat hij niet anderen, maar zichzelf beschrijft en belachelijk maakt in de 'Revisor' en de 'Dode Zielen'. De boeken van Gogolj zullen een boek met zeven zegels blijven zolang wij weigeren om de waarheid van zijn bekentenis te aanvaarden. Niet de slechtsten, maar de besten onder ons zijn alleen maar levende automaten, die door een geheimzinnige hand zijn opgewonden, en die zichzelf nergens en nooit vrij voelen om uitdrukking te geven aan hun eigen initiatief en hun eigen vrije wil. Sommigen van ons — maar ze zijn zeldzaam — voelen dat hun leven geen leven maar dood is. Maar zelfs zij zijn, net als Gogoljs spookbeelden, maar bij tijd en wijle in staat om in het holst van de nacht aan hun graven te ontsnappen, en hun buren te verontrusten met hun hartverscheurende kreten: "Ik ben gestikt! Gestikt!"

Gogolj zelf realiseerde zich dat hij net als Wii (figuur uit een spookverhaal van Gogolj) was, de enorme, vormeloze aardgeest, die oogleden had die tot op de grond reikten, en die niet bij machte was ze ook maar een stukje op te tillen, zodat hij maar het stukje hemel zou kunnen zien, dat zelfs voor de deerniswekkende bewoners van Het Dodenhuis zichtbaar was. Die boeken, die sprankelen van geestigheid en humor, zijn in wezen vreselijke tragedies; en Gogolj voelde dat zijn eigen bestaan ook een tragedie was. Ook hem had de Engel des Doods bezocht, die hem de vervloekte gave van het tweede gezicht had toebedeeld. Maar is die gave niet eerder een zegen dan een vloek? Kon iemand die vraag maar beantwoorden! Maar de hele betekenis van het tweede gezicht ligt in het stellen van vragen waar geen antwoord op is, juist omdat zij zo dringend een onmiddellijk antwoord vragen.

Legioenen duivels en machtige geesten konden de oogleden van Wii niet van de grond opheffen. Ook Gogolj kon zijn ogen niet openen, hoewel hij zich helemaal op die inspanning had geconcentreerd. Hij was alleen maar staat om zichzelf kwellen, om de martelaar uit te hangen en zichzelf in handen te geven van de geestelijke beul Vader Matwej; om zijn beste manuscripten te vernietigen en krankzinnige brieven te schrijven aan zijn vrienden.

Het lijkt erop, dat die dorst naar zelfkwelling, dit ongehoord geestelijke ascetisme, in zekere zin 'nodiger' was dan zijn prachtige litteraire werken. Misschien is er geen ander middel om je los te rukken uit de macht van de 'collectiviteit'. Gogolj gebruikt dat woord niet. Gogolj had nog nooit gehoord van Claude Bernard en kon natuurlijk ook nooit vermoeden, dat Aristoteles de wereld had behekst met de 'wet van de non-contradictie' en andere vanzelfsprekende waarheden. Gogolj had geen opleiding genoten en was bijna even ongeletterd als de timmerlieden en vissers uit Galilea, waarover Augustinus het heeft. En toch, ondanks of dankzij dat, voelt hij nog kwellender dan Dostojewski, de absolute macht die de zuivere rede over zichzelf en de hele wereld uitoefent, en de tirannie van de ideeën, die de normale, gemiddelde mens heeft geschapen, en die de theoretische filosofie, die de nalatenschap van Aristoteles heeft aanvaard, heeft ontwikkeld en wijd verspreid.

7

In ben al in de gelegenheid geweest om erop te wijzen, dat de beste en enige volledige definitie van filosofie te vinden is bij Plotinus. Op de vraag, wat filosofie is, antwoordt hij: το τιμιωτατον (dat, wat het belangrijkste is).

Op de eerste plaats slecht deze definitie, ogenschijnlijk zonder voorbedachte rade, de barrières, die in de oudheid filosofie afscheidde van de verwante gebieden van religie en kunst; want de kunstenaar en de profeet zijn in feite ook op zoek naar το τιμιωτατον. Maar afgezien daarvan, onderwerpt het niet alleen de filosofie niet aan de controle en richting van de wetenschap; het plaatst het ene rechtstreeks tegenover het andere. De wetenschap is objectief en vrijblijvend; zij houdt er geen rekening mee of iets er al dan niet toe doet. Zij laat haar ogen kil, net zo over de onschuldige als de schuldige vallen, zonder medelijden of boosheid. Maar waar geen medelijden of verontwaardiging is, waar onschuldige en schuldige op dezelfde manier en onverschillig worden bekeken, waar alle "verschijnselen" alleen maar worden geclassificeerd en niet gekwalificeerd, kan geen onderscheid worden gemaakt tussen het belangrijke en het onbelangrijke. Daaruit volgt dat de filosofie, gedefinieerd als het το τιμιωτατον, op geen enkele manier wetenschap kan zijn. Ik zou nog verder willen gaan. De filosofie moet noodzakelijkerwijs botsen met de wetenschap, en met name als de vraag naar de soevereiniteit opduikt.

De wetenschap pretendeert dat haar beweringen zeker, universeel en noodzakelijk zijn. Dat is haar kracht, haar historische betekenis, en haar grootste aantrekkingskracht. Ik herhaal: de wetenschappers — en daar zijn er velen van — die zich verbeelden dat zij alleen "feiten verzamelen en beschrijven", vergissen zich vreselijk. Feiten op zichzelf zijn voor de wetenschap onbruikbaar, zelfs voor wetenschappen als plant- en dierkunde, geschiedenis, of aardrijkskunde. Wat de wetenschap wil is theorie, wil dat iets dat één keer plaats vindt en wat voor gewone ogen toeval lijkt, op een wonderbaarlijke manier in noodzakelijkheid verandert. Aan de wetenschap dat ultieme recht ontzeggen, betekent, haar van haar voetstuk halen, om haar krachteloos te maken. De eenvoudigste omschrijving van het eenvoudigste feit vooronderstelt een ultiem voorrecht – dat van het Laatste Oordeel. De wetenschap constateert niet, maar oordeelt. Zij weerspiegelt de waarheid niet, maar zij schept die zelf, volgens de autonome wetten, die zij zelf in het leven heeft geroepen. Met andere woorden: de wetenschap is het leven dat voor de rechtbank van het verstand moet verschijnen. Het verstand beslist wat mag en wat niet mag. Dat beslist – en dat is iets wat men nooit moet vergeten – volgens zijn eigen wetten, zonder rekening te houden met wat het het 'menselijke, al te menselijke' noemt.

Materie en energie zijn onvergankelijk, maar Socrates en Giordano Bruno zijn vergankelijk, zegt het verstand. En iedereen buigt voor die uitspraak zonder enige tegenspraak; niemand waagt het ook maar om de vraag te stellen: waarom heeft het verstand een dergelijke wet uitgevaardigd? Waarom is het zo paternalistisch bezig om de materie en de energie te beschermen, als het alles over Socrates en Bruno is vergeten! En nog minder wagen ze het om een andere vraag te stellen. Laten wij aannemen, dat het verstand die weerzinwekkende wet heeft uitgevaardigd, met voorbijgaan aan alles, wat heilig is voor de mensen, aan het το τιμιωτατον; maar waar haalt het dan de kracht vandaan om zijn besluit door te voeren? En dan nog zo volmaakt door te voeren dat het, gedurende heel het eindeloze bestaan van de wereld, niet één keer is gebeurd, dat er ook maar één atoom spoorloos is verdwenen; dat zelfs geen gram energie, geen fractie van een gram in de ruimte is verdwenen? Dat is inderdaad een wonder, temeer omdat uiteindelijk het verstand in feite helemaal niet bestaat. Probeer het maar te vinden, het aan te wijzen: dat kun je niet. Het verricht wonderen als het meest reële wezen; maar het bestaat niet. En wij, die gewend zijn om alles ter discussie te stellen, aanvaarden een dergelijk wonder allemaal volmaakt rustig; want de wetenschap, in het leven geroepen door het verstand, betaalt ons een goede prijs: uit waardeloze 'feiten' schept zij een 'ervaring', met behulp waarvan wij 'heersers over de natuur' worden. Het verstand heeft de mens op een buitengewoon hoge berg neergezet, hem alle koninkrijken van de wereld laten zien en tegen hem gezegd: Dat alles zal ik u geven, als gij voor mij neervalt en mij aanbidt. En de mens heeft aanbeden, en het beloofde gekregen, (zij het natuurlijk niet volledig.)

Sinds die tijd is het aanbidden van het verstand beschouwd als de belangrijkste plicht van de mens. En elke andere houding tegenover het verstand komt ons zelfs ondenkbaar voor, in zekere zin onmogelijk. Ten aanzien van God bestaat het gebod: "Heb de Here God lief met heel uw hart en ziel." Het verstand doet het zonder geboden: mensen hebben het uit zichzelf lief, ongevraagd. De kennistheorie zingt gewoonweg de lof van het verstand, maar niemand heeft de euvele moed om dat ter discussie te stellen, en nog minder waagt men het om zijn soevereine rechten in twijfel te trekken. Het wonder van het omzetten van feiten in een 'ervaring', heeft alle breinen veroverd; allen erkennen, dat het verstand de rechter is, maar zelf niet aan een oordeel is onderworpen.

Dostojewski zag, dankzij zijn tweede gezicht, al gauw, dat de 'ervaring', waaraan de mensen hun wetenschap ontlenen, geen werkelijkheid is, maar een theorie. En geen succes, geen verovering en zelfs geen wonder kan een theorie rechtvaardigen. Hij stelde de vraag, of de 'collectiviteit', het collectieve bewustzijn (waaruit het vanzelfsprekende voortspruit) enig recht heeft op de bijzondere voorrechten, die het zichzelf had toegeëigend. Met andere woorden: heeft het verstand enig recht om autonoom te oordelen, zonder daarvan aan iemand rekenschap af te leggen; of hebben wij hier alleen maar te maken met een wederrechtelijke in bezitneming van rechten, gerechtvaardigd door eeuwen van bezit?

Dostojewski beschouwt het gevecht tussen het levende individu aan de ene kant en het collectieve bewustzijn aan de andere kant, niet zozeer als een van feiten, maar van rechten. De 'collectiviteit' heeft zich de macht wederrechtelijk toegeëigend. Wij moeten het haar ontrukken; en als wij dat moeten volvoeren, is de eerste stap om ophouden te geloven in de legitimiteit van de wederrechtelijke toe-eigening, en onszelf voor te houden, dat haar kracht alleen maar ligt in ons geloof in haar kracht. De 'natuurwetten' met hun onnavolgbaarheid, de waarheden met hun vanzelfsprekendheid, zijn misschien alleen maar magie, autosuggestie, of invloeden van buitenaf, die ons hypnotiseren, zoals een gans wordt gehypnotiseerd als wij met krijt een cirkel om haar heentrekken. De gans zal niet in staat zijn om uit de cirkel te stappen, alsof het een muur is die haar omringt, in plaats van alleen maar een lijn. Als de gans zou weten hoe zij zou moeten redeneren en haar gedachten in woorden zou kunnen uitdrukken, zou zij een kennistheorie scheppen, een betoog houden over vanzelfsprekendheden, en in die krijtstreep de grens van de mogelijke ervaring zien. Maar als dat zo is, dan moet onze oorlogvoering tegen de principes van de wetenschappelijke kennis niet met argumenten worden gevoerd, maar met andere wapenen. Argumenten deugden slechts zolang wij de waarheid van de premissen, waaruit zij volgen, erkennen, maar als wij die niet erkennen, moeten wij op zoek gaan naar wat anders. "'Twee maal twee is vier' is niet het leven, mijne heren, maar het begin van de dood — de mens is in ieder geval altijd bang geweest voor dat 'twee maal twee is vier', en ook ik ben er nog steeds bang voor. Het klopt dat de mens aan niets anders denkt dan aan het zoeken naar dat 'twee maal twee is vier'; dat hij daarvoor oceanen doorkruist, dat hij zijn leven opoffert om het te zoeken, maar dat hij, bij God, echt bang is om het te vinden. ……..Twee maal twee is vier heeft voor mij gewoon iets schaamteloos. Twee maal twee is vier is een pretentieuze pedante kwibus, die met zijn armen in zijn zij je pad verspert en spuugt. Ik geef toe dat twee maal twee is vier iets fantastisch is, maar als we overal een punt van maken is twee maal twee is vijf ook best aantrekkelijk."

Jullie zijn niet gewend aan dergelijke argumenten tegen filosofische theorieën; misschien zijn jullie zelfs boos, omdat ik, nu ik de kennistheorie bespreek, deze passages uit Dostojewski citeer. Jullie zouden gelijk hebben en deze argumenten zouden echt niet op zijn plaats zijn, als Dostojewski niet de vraag over het recht en de wederrechtelijke toe-eigening had opgeworpen. Maar daar gaat het nu juist om. 'Twee maal twee is vier', en het verstand en al zijn bewijzen, zijn gewoonweg niet bereid om het bespreken van de vraag over de rechten toe te staan. Zij kunnen dat niet, want als zij dat eenmaal toelaten, zijn ze verloren. Zij weigeren om beoordeeld te worden, zij willen zowel rechter als wetgever zijn, en wie hen dat recht zou willen ontzeggen, zullen zij vervloeken en excommuniceren uit de oecumenische mensenkerk. Daarmee eindigt elke mogelijkheid van discussie, en begint een wanhopig en moordend gevecht.

De man uit het ondergrondse is in naam van de rede vogelvrij verklaard. De wetten beschermen, zoals wij weten, slechts de materie, de energie en de principes. Er is niets dat Socrates, Giordano Bruno, en welke grote of kleine mens maar ook, beschermt. En dan is er opeens iemand, een nietige, vernederde en deerniswekkende man, die durft op te staan om zichzelf en zijn zogenaamde rechten te verdedigen. En zie, de blik van dit armzalige ambtenaartje is dieper en doordringender dan die van de beroemde geleerden. Over het algemeen strijdt een filosoof tegen het materialisme en voelt zich inderdaad heel trots, als hij erin slaagt om een paar min of meer overtuigende argumenten te verzamelen, waarmee hij zijn tegenstander kan weerleggen. Maar Dostojewski, die niet verder ging dan Claude Bernard, verwaardigt zich zelfs niet om met de materialisten een discussie aan te gaan; hij weet, dat het materialisme op zichzelf machteloos is; dat het zijn kracht alleen ontleent aan het idealisme, aan ideeën, d.w.z. aan datzelfde verstand, dat niets anders boven zichzelf toestaat. Maar hoe kan de tiran ten val worden gebracht? Welke methoden kun je dan bedenken? Vergeet niet, dat het onmogelijk is met het verstand te discussiëren. Alle argumenten zijn rationele argumenten, die uitsluitend bestaan om de aanspraken van het verstand te ondersteunen. Er rest maar één wapen: spotten, schelden, en een categorisch "nee" op alle eisen van het verstand. Op het verstand dat regels schept en zijn zegen aan normale mensen schenkt, antwoordt Dostojewski: 'Maar waarom bent u er zo vast, zo triomfantelijk van overtuigd, dat alleen maar het normale en positieve, met andere woorden, alleen datgene wat het gelukkig zijn bevordert, de mens tot voordeel strekt? Vergist het denken zich niet als het om belang gaat? Houdt de mens behalve van gelukkig zijn, misschien nog van iets anders? Misschien is hij net zo dol op ellende. Misschien heeft hij net zoveel baat bij ellende als bij gelukkig zijn. De mens houdt soms ongewoon hartstochtelijk veel van ellende, dat is een feit. Daarvoor hoef je niet eens naar de wereldgeschiedenis te kijken; kijk alleen maar naar jezelf, als je tenminste een mens bent en echt geleefd hebt. Wat mij betreft, vind ik het nogal weerzinwekkend alleen maar van het gelukkig zijn te houden. Of dat nu goed of slecht is, weet ik niet, maar het is af en toe erg prettig om iets kapot te maken. Ik verdedig hier nou echt niet het lijden noch het gelukkig zijn, maar ik verdedig mijn eigen gril, en het recht om daarvan te genieten als ik dat wil. Ik weet bijvoorbeeld dat ellende in een blijspel niet wordt toegestaan en in het kristallen paleis is het ook niet toelaatbaar. Lijden is twijfel en loochening, en wat zou een kristallen paleis zijn, waarin iemand twijfelt? Maar ik ben er zeker van dat de mens het ware lijden nooit op zal geven, d.w.z. de verwoesting en de chaos."

Tegenover zulke argumenten, moeten ook de meest subtiele bewijzen, die in de loop van duizenden jaren door kennistheorieën zijn ontwikkeld, verdwijnen. Het zijn niet langer de wet of het principe, die waarborgen voor zichzelf eisen en krijgen, maar de gril, die juist door haar aard, zoals iedereen weet, niet in staat is waarborgen van wat voor aard dan ook te geven of te krijgen. Dat ontkennen is het ontkennen van vanzelfsprekendheid. Maar dat is, zoals ik al heb verteld, nou precies waar Dostojewski mee bezig is; het bestrijden van vanzelfsprekendheid. Onze vanzelfsprekendheid is alleen maar te danken aan autosuggestie, herhaalt hij doorlopend, net zoals ons leven, geen leven is maar dood. Maar als je Dostojewski wilt begrijpen, dan moet je zelf altijd zijn fundamentele stelling in gedachte houden; 'twee maal twee is vier' is een principe van de dood. Wij moeten kiezen: óf wij verwerpen dat 'twee maal twee is vier', óf wij erkennen dat de dood het einde van het leven en het laatste oordeel over het leven is.

Daar ligt de bron van de haat van Dostojewski tegen het geluk, tegen het evenwicht, tegen de bevrediging; en vandaar zijn fantastische paradox: de mens houdt van het lijden — 'Je kunt van alles over de wereldgeschiedenis zeggen, alles, wat er maar in het meest wilde brein kan opkomen, maar één ding kun je niet beweren: dat die redelijk is. Je mond zou die woorden weigeren uit te spreken."

Hier moeten wij de man uit het ondergrondse corrigeren – hij heeft een feitelijke vergissing begaan, een vergissing die eerder de neiging heeft om zijn "argument" te verzwakken dan te versterken. Het is volstrekt onjuist dat wij niet kunnen zeggen dat de wereldgeschiedenis zich volgens de regels van het verstand heeft ontwikkeld en dat de mond van iemand die dat zou willen blijven beweren, zou weigeren te spreken. Hoeveel mensen hebben dat al niet gezegd! Hele boeken zijn over dat onderwerp volgeschreven; welsprekende en grondige werken. Er is een geschiedenisfilosofie in het leven geroepen, waarin bijna mathematisch is aangetoond, dat er een bepaald rationeel idee ten grondslag ligt aan alle historische ontwikkelingen. Hegel heeft onsterfelijkheid verworven met zijn geschiedenisfilosofie, en wie heeft sindsdien ooit enig probleem gehad met het uitspreken van het woord "vooruitgang"? En de theodiceeën! Was het niet de mens die de theodicee heeft uitgevonden, die eigenlijk diezelfde filosofie van de geschiedenis is? En heeft de theodicee van Leibniz minder voor zijn reputatie gedaan, dan de geschiedenisfilosofie voor Hegel? En is die soms niet vloeiend geschreven? Heeft zijn mond ooit één keer gehaperd? Maar waarom heb ik het over Leibniz? Was de goddelijke Plotinus niet zelf de vader van de theodicee? Plotinus, die de mensheid zijn onuitsprekelijke inzichten verkondigde, inzichten die alleen aan mensen worden geopenbaard, die in extase de grenzen van de voor de "collectiviteit" mogelijke ervaring overstijgen.

De etymologische betekenis van het woord theodicee is: 'rechtvaardiging van God,' maar zowel bij Leibniz, die Plotinus op de voet volgde, als bij Plotinus zelf, was het niet God die door de theodicee werd gerechtvaardigd, maar het 'twee maal twee is vier'. In zoverre Plotinus, als leraar en vertegenwoordiger van een filosofische school, zich loyaal aan het verstand onderwierp, kon hij geen ander onderwerp hebben. Het was niet de 'gril' die hij wilde waarborgen; de gril, de individuele vrije wil, is de bron van alle kwaad op aarde, zegt hij bijna werktuigelijk zijn voorgangers na. De gril moet, volgens de traditie van de scholen, worden vernietigd, tenietgedaan, en oplossen in een 'principe'. Daarom is in zijn theodicee, die als voorbeeld heeft gediend voor alle volgende theodiceeën, de enige bezigheid van Plotinus het aantonen dat principes niet ongedaan kunnen worden gemaakt, wat er ook in de wereld gebeurt. Mensen worden geboren en sterven, verschijnen en verdwijnen, maar het 'twee maal twee is vier' is eeuwig: dat is er altijd geweest en zal er altijd zijn. De 'gril' is ook ooit geboren; die was er eerst niet, en is toen verschenen; daarom ligt het voor de hand dat er van de kant van het verstand geen waarborg en geen bescherming aan kan worden geboden. Juist de geboorte van de gril zelf was al een dappere daad, een goddeloze daad. Maar goddeloosheid wordt vroeg of laat gevolgd door vergelding; de wet van Nemesis of Adrasteia is meedogenloos, zoals het ook past voor een natuurwet.

Dienovereenkomstig komt de vraag over het lot van de afzonderlijke mensen en zelfs volkeren in de theodicee van Plotinus op het tweede plan. Als iemand slaaf is geworden, aan zijn verwondingen lijdt, als hij vrienden verliest en zelfs zijn vaderland, dan ligt dat in de natuurlijke orde der dingen. Waardoor hij lijdt is individueel, toevallig, een gril; daarom lokt dat geen vragen uit; elke vraag zou zelf misplaatst zijn. Vragen komen pas dan op, wanneer een principe wordt aangetast. Alleen het principe, datzelfde 'twee maal twee is vier', verdient bescherming en waarborgen, en krijgt dat ook.

Al wordt je geruïneerd, gewond of benadeeld, dan heeft Adrasteia daar nog niets mee te maken. Als het een dier is of een natuurramp, dat de oorzaak van je ongeluk is, zal het geen reactie van de wereld teweegbrengen en niemand zal je te hulp komen. Want het verstand heeft niet verordend dat de mens niet zal lijden of te gronde zal gaan. Maar als iemand op een of andere manier in conflict komt met de "wet"; als hij iets van zijn buurman heeft weggenomen, hem heeft geslagen of hem op een of andere manier veel minder ernstig heeft doen lijden, dan het lijden waaraan wij door de 'grillen' van de natuur doorlopend worden onderworpen, kan dat niet worden vergeven. De waakzame Adrasteia ziet er onvermoeid op toe, dat geen enkele overtreding van de wet ongestraft blijft; zij bekommert zich niet om het slachtoffer, zij schenkt hem geen aandacht; maar zij treft de dader van de misdaad. Als je moordt, dan zul je na je dood worden gereïncarneerd en op jouw beurt in deze tweede incarnatie worden vermoord; als je steelt, zul je bestolen worden, als je een vrouw verkracht, zul je als vrouw opnieuw worden geboren en eenzelfde verkrachting ondergaan, en zo voorts, de hele lijst van misdaden door tot aan de meest onbeduidende.

Het gaat niet om het lijden van de man die je hebt bestolen, of de vrouw die je hebt onteerd; lijden en verdragen is het lot van de mensheid; daar schuilt geen kwaad in, en niemand hoeft zich zorgen maken over het weer goed maken van het misdrijf. Het kwaad ligt in het feit dat de misdadiger de wet heeft overtreden. Dat is absoluut ontoelaatbaar en vraagt om vereffening. Zowel in de materiele als in de ideële wereld, is alles in evenwicht; zelf het idee van evenwicht is door de ideeënwereld aan de materiele wereld ontleend. Het is merkwaardig, dat Plotinus, een buitengewoon scherpzinnige man, zich niet heeft gerealiseerd, dat de altijd waakzame activiteiten van Adrasteia meer deden dan het waarborgen van het evenwicht; zij stonden ook in voor de onvermijdelijke groei van het kwaad in het universum. Evenwicht vraagt dat iedere misdaad door een andere misdaad wordt gecompenseerd, zodat op die manier alle kwaad wordt vereeuwigd. Als ik heb gedood, zal ik ook zelf worden gedood, maar mijn moordenaar moet ook gedood worden, en zo voorts, eindeloos. En omdat er, behalve de door Adrasteia tot in eeuwigheid voortgezette misdaden, ook andere misdaden kunnen voorkomen, is het duidelijk, dat ieder volgend geslacht noodzakelijkerwijs misdadiger moet zijn dan het voorafgaande.

Ik weet niet, wat Plotinus zou hebben gezegd, als iemand zijn aandacht had gevestigd op deze consequentie. Naar alle waarschijnlijkheid zou het hem in het geheel niet in verlegenheid hebben gebracht. Het 'principe', het 'twee maal twee is vier', het 'evenwicht' zijn in acht genomen, en de tol aan het verstand is betaald. Wat kun je nog meer willen?

8

Trouwens, zolang wij binnen de grenzen van het verstand blijven, binnen de grenzen, waarbinnen het leven voor het doorsnee bewustzijn of de collectiviteit is voorgeschreven, wordt ons begrijpen, onze interpretatie van wat er om ons heen gebeurt, teruggebracht tot zuiver mechanische verklaringen. In de materiele wereld heet het evenwicht, in de morele wereld rechtvaardigheid, wat alleen maar hetzelfde evenwicht is onder een andere naam. En de filosofie, die een wetenschap wil zijn, bekommert zich alleen maar om het oplossen van de vergelijking, waarin het universum zichzelf op zo'n manier voor ons begrip nader verklaart, dat als de onbekende grootheden zijn gevonden, het resultaat precies klopt. Geen offer wordt te groot gevonden om dat doel te bereiken, dat zo onaanvechtbaar wordt beschouwd, dat men het ziet als de belangrijkste voorwaarde, niet alleen voor het denken maar ook voor het bestaan. Om ervoor te zorgen dat het evenwicht niet wordt verstoord, wordt het toevertrouwd aan de onsterfelijke en angstaanjagende Adrasteia. Dat is echt niet alleen niet meer natuurlijk; het is een wonder der wonderen. Zolang het alleen maar een kwestie is van 'twee maal twee is vier', zolang wij nog alleen maar hebben te maken met abstracte getallen, is er niets aan de hand. Hier wordt de onveranderlijkheid van de twee delen van de vergelijking met algemene instemming, door een soort stilzwijgend maatschappelijk contract, zeker gesteld. Maar daarmee stelt de wetenschap zich niet tevreden. Zij is niet tevreden met het heersen in de door de mens geschapen ideeënwereld. Zij wil ook heersen in de echte wereld; zij wil, zoals in het sprookje, dat het gouden visje zelf haar dienaar is, en daarom bedenkt zij een Adrasteia, die waakt over het, voor ons verstand zo dierbare, evenwicht. En de wetenschap slaagt erin om dat zo onopvallend te doen en plaatst daarbij de godin zover weg van de wereld van verschijnselen, waarover zij heerst, dat niemand iets bovennatuurlijks aan de zaak vermoedt. De uiterste willekeur gaat zo door voor een natuurlijke noodzakelijkheid. Dostojewski moest voorbij alle grenzen komen, om in 'extase' te geraken, voordat hij durfde te zien, dat de pretenties van Adrasteia 'schaamteloos' waren, net zoals Plotinus eerst in extase moest geraken voordat hij zichzelf kon bevrijden uit de greep van de filosofische vanzelfsprekendheden.

En zelfs nu weten wij nauwelijks, als wij Dostojewski lezen, of wij echt het recht hebben om te protesteren tegen het 'twee maal twee is vier', of dat wij door moeten gaan met daarvoor onze knieën te buigen. Dostojewski was er zelf niet zeker van of hij zijn vijand had kleingekregen of dat hij opnieuw was bezweken voor de macht van de wet. Hij wist het niet zeker tot de laatste dagen van zijn leven. Toen hij was ontsnapt uit de 'collectiviteit', raakte hij in een eindeloos ingewikkeld labyrint verzeild, was zelf niet meer in staat om te oordelen en wist zelfs niet meer of dit een aanwinst of een verlies was. Hij voelde zich verplicht om de meest "gevaarlijke absurditeiten" en de meest "oneconomische onzin" op te sporen, enkel en alleen om aan al zijn inzichten een "fantastisch en kwaadaardig" element toe te voegen.

Een fantastisch element! Met andere woorden: het probleem waar hij mee worstelde was niet de natuurlijke orde, die voor eens en altijd was vastgelegd en daarom waarschijnlijk te begrijpen, maar Adrasteia zelf met haar eeuwige raadsels en onoplosbare geheimen. De wetenschap, geschapen door de 'collectiviteit', verbant Adrasteia met al haar grillen, fantasieën en wonderen, uit het zicht, en doet, om 'rustig te kunnen leven', alsof er in de wereld niets wonderbaarlijks of fantastisch bestaat. Dostojewski haatte de 'het rustige' en alle 'voordelen', die de 'orde' voor de mensheid met zich mee bracht. Daarom waren noch onze kennistheorie, noch onze 'logica' in staat om hem hoe dan ook te imponeren. Hij stelt alles in het werk, niet om al onze vanzelfsprekendheden te rechtvaardigen, maar om ze omver te werpen. "U gelooft in een onverwoestbaar kristallen paleis, een paleis waar je nooit je tong tegen uit kan steken of stiekem een lange neus naar kan maken. En misschien is dat het juist wat mij zo bang voor dat bouwsel maakt, dat het van kristal is en niet vernietigd kan worden en dat je er nooit je tong tegen uit kan steken, zelfs niet stiekem. Ziet u, als het in plaats van een paleis een kippenhok was geweest, zou ik er misschien inkruipen om niet nat te worden, maar dan zou ik uit dank dat het me droog gehouden heeft, dit kippenhok toch echt geen paleis noemen. Nou lacht u en zegt dat onder dergelijke omstandigheden een kippenhok net zo goed is als een herenhuis. Was het maar zo, antwoord ik u dan, dat je alleen maar hoefde te leven om de regen buiten te houden. Maar wat moet ik beginnen, als ik nu eenmaal in mijn hoofd gehaald heb, dat dat niet het enige doel in het leven is, maar dat je, als je dan toch leeft, dat beter in een herenhuis kan doen."

Zoals het een mens uit het ondergrondse betaamt, voert hij geen bewijzen aan. Hij weet heel goed, dat als het op bewijzen aankomt, het verstand zal triomferen. Wie heeft ooit een dergelijk argument gehoord? Je tong uitsteken, je vuisten ballen! Je komt ertegen in opstand. Hoe kan iemand een dergelijk optreden "een argument" noemen en van de wetenschap eisen dat zij daar rekening mee houdt? Maar de man uit het ondergrondse vraagt niet dat er met hem rekening wordt gehouden; en misschien is dat wel het meest opmerkelijke aspect van zijn persoonlijkheid. Hij realiseert zich, dat 'algemene erkenning' hem niets zal opleveren, en het komt niet in hem op om anderen te overtuigen. Hij wil zijn gedachten niet op de komende eeuwen neerschrijven, als op stenen tafelen; hij probeert niet de geschiedenis te sturen. Zijn 'belangstelling' is vreemd voor de 'collectiviteit', en daarom vreemd voor de geschiedenis. 'U lacht alweer?' zegt hij. 'Misschien lacht u nu opnieuw. Gaat u maar gerust uw gang, ik neem al uw spotternijen gaarne in de koop toe, maar ik zeg toch niet, dat ik zat ben, als ik nog wil eten, ik weet toch, dat ik geen genoegen neem met een compromis…. Ik beschouw een duur huis met tal van kamers voor arme huurders, …….niet als de bekroning van mijn verlangens. En als ge mij geen aandacht waardig wilt keuren, dan zal ik u immers ook niet groeten. Ik heb een ondergrondse……. Maar voorlopig leef ik nog, voorlopig wonen er nog verlangens in me... en mijn hand moge verdorren, als ik ook maar één tegelsteentje bij zal dragen aan dit dure huis. U moet er niet op letten, dat ik pas dit kristallen paleis van de hand heb gewezen, enkel en alleen omdat ik daartegen mijn tong niet kon uitsteken. Ik zei dat helemaal niet, omdat ik er zo van houd om mijn tong uit te steken. Ik was wellicht alleen daarom boos, omdat er onder al uw bouwwerken tot nu toe geen enkel gevonden wordt, waartegen men zijn tong niet zou kunnen uitsteken.'

Een vast, bepaald doel heeft de man uit het ondergrondse niet. Hij hunkert wel vurig, krankzinnig en hartstochtelijk, maar hij weet niet en zal nooit weten waar hij naar hunkert. De ene keer zegt hij, dat hij nooit afstand zal doen van het genoegen om zijn tong uit te steken, dan weer verklaart hij, dat hij helemaal niet zo van plagen houdt. Op het ene moment zal hij zeggen, dat hij ruim voldoende heeft aan zijn ondergrondse en dat hij niets anders nodig heeft; het andere moment wenst hij het de duivel toe. Plotseling barst hij uit in de volgende tirade: 'En dus: Hoera voor het ondergrondse!!! Hoewel ik gezegd heb dat ik de normalen tot mijn laatste druppel gal benijd, zou ik toch niet graag zoals zij zijn (hoewel ik ze blijf benijden). Nee, o nee, het ondergrondse leven is hoe dan ook veel prettiger. Daar kun je in ieder geval….O, zelfs nu lieg ik weer. Ik lieg omdat ik zelf wel weet, dat het niet het ondergrondse is dat beter is, maar iets anders, iets heel anders, waar ik naar hunker, maar wat ik niet kan vinden! Dat verdomde ondergrondse!'

Wat er in het brein van de man uit het ondergrondse plaats vindt, lijkt op geen enkele manier op 'denken', zelfs niet op 'zoeken'. Hij 'denkt' niet, hij windt zichzelf wanhopig op, gooit zichzelf heen en weer, en bonkt zijn hoofd tegen de muur. Hij raakt de hele tijd in vuur en vlam, snelt naar ongekende hoogten van razernij, om zichzelf vervolgens in God weet wat voor diepe afgronden van wanhoop te slingeren. Hij heeft geen controle meer over zichzelf; een kracht, veel groter dan hijzelf, heeft hem volledig in zijn macht. 'Als ik zelf maar iets geloofde van wat ik hier heb opgeschreven. Maar ik zweer u, mijne heren, dat ik zelf ook geen woord geloof van wat ik hier heb neergeschreven. Dat wil zeggen, ik geloof het misschien wel, maar tegelijkertijd voel ik en vermoed ik, ik weet niet waarom, dat ik lieg alsof het gedrukt staat'

Hij, aan wie de Engel des Doods de geheimzinnige gave heeft verleend, heeft en kan niet langer de zekerheid hebben, die met onze gewone overtuigingen gepaard gaat en die aan de waarheden van ons collectieve bewustzijn een prachtige vastheid verleent. Hij moet daarom leven zonder zekerheid en zonder overtuiging. Hij moet zijn geest in vreemde handen geven, een inerte massa worden, klei die de pottenbakker zal vormen in wat hij zelf wil. Dat is het enige waar de man uit het ondergrondse absoluut zeker van is. Hij begrijpt dat noch de activiteit van het verstand, noch enig menselijk handelen hem kan redden. Met wat voor zorgvuldigheid, met wat voor bovenmenselijke inspanning, heeft hij alles de revue laten passeren, wat de mens met behulp van zijn verstand kan bereiken, alle kristallen paleizen, en hij heeft gezien dat het geen paleizen maar kippenhokken en mierenhopen waren; want allemaal waren zij gebouwd op het principe van de dood, op het 'twee maal twee is vier'. En hoe meer hij dat voelt, des te sterker welt uit het diepst van zijn ziel die meer dan rationele, onbekende, oerchaos op, die meer dan alles het collectieve bewustzijn afschrikt. Daarom doet hij in zijn 'kennistheorie' afstand van alle zekerheid, en stelt daar, als zijn ultieme doel, de onzekerheid tegenover. Daarom steekt hij gewoon zijn tong uit naar de vanzelfsprekendheden, daarom prijst hij de altijd onvoorwaardelijke, onvoorziene, irrationele gril, en spot hij met alle menselijke deugden.

9

De 'Aantekeningen uit een Dodenhuis' en de 'Aantekeningen uit het Ondergrondse' zijn de bron voor alle latere werken van Dostojewski. Zijn grote romans: 'Misdaad en Straf', 'De Idioot', 'Demonen', en 'De Broeders Karamazow', zijn louter een reeks van uitgebreide commentaren op deze twee werken. Het gaat altijd over het tegenover elkaar stellen van het natuurlijke zien en het bovennatuurlijke zien, dat de gave van de Engel des Doods was. De vanzelfsprekendheid, dwingend als altijd, eist erkenning en onderwerping van Dostojewski. Ook voor hem is de krijtcirkel een muur, die onmogelijk kan worden verplaatst en onmogelijk te doorbreken is. Het 'twee maal twee is vier' blijft altijd de eeuwige wet, die zich volledig bewust is van haar rechten ten opzichte van en tegenover anderen, en spot noch woede vreest. Het 'leven' gaat zijn gang, de normale mensen triomferen, de 'wetenschap' ontwikkelt zich en wordt sterker, het 'evenwicht' laat zelf haar ultieme principe zien, zelfs boven de allesverslindende tijd verheven. Maar de arme 'gril' blijft om wat zekerheid vragen, maar alle zekerheden zijn al vergeven en op haar wordt geen acht geslagen. Dostojewski mag dan zo hard als hij kan roepen: "Laat de hele wereld maar vergaan, zolang ik maar kop thee heb!", de wereld blijft op zijn plaats, en thee krijgt hij af en toe wel, maar meestal niet. En aan het kristallen paleis moet je liever maar niet meer denken: overal kippenhokken, mierenhopen, veestallen, en je moet onder het eerste het beste afdak kruipen om je te beschutten voor het slechte weer; je moet onder het eerste beste afdak dat je ziet kruipen, hoe smerig het ook is.

Het lijkt alsof het voor hem al lang tijd is geworden, om het gevecht op te geven en zich over te geven aan de genade van de overwinnaar. Maar Dostojewski heeft nog een laatste 'argument' achter de hand, dat de meeste mensen steekhoudender vinden dan alle andere. Het komt soms voor dat de mens de voorkeur geeft aan het lijden boven gelukkig zijn, en dat chaos en verwoesting aantrekkelijker voor hem zijn dan orde en scheppen. Dostojewski geeft dat idee nooit op. Heel zijn werk is daardoor geïnspireerd; overal zie je daar sporen van, zelfs in het 'Dagboek van een Schrijver'. Je zou kunnen zeggen, dat dat niet echt een idee is, maar dat het altijd diezelfde 'gril' is, die zichzelf, om onbekende redenen, in de weelderige kledij van een idee heeft uitgedost, dat helemaal niet past bij haar nederige aard. Je kunt niet ontkennen dat dit staatsiekleed niet het argument van Dostojewski wordt. Hoewel hij doorlopend van het woord "idee" gebruik maakt, heeft hij niet het recht om dat te doen. Het verstand heeft alle ideeën ver achter zich gelaten. Waar geen verstand is, daar kunnen chaos en grillen bestaan, maar geen ideeën.

Wij zien dit al in 'Misdaad en Straf'. Het lijkt alsof er in die roman een 'idee' is en moet huizen; de titel alleen al geeft ons het recht tot een dergelijke veronderstelling. Waar misdaad is, is straf: dat is een idee en een idee dat voor het collectieve bewustzijn volstrekt begrijpelijk is. Het is het in ere herstellen van de oude rechtvaardigheid, het evenwicht, het principe, de waakzame Adrasteia, het 'twee maal twee is vier', van alles, waarmee de held uit het ondergrondse zo beledigend de draak steekt. En het is inderdaad een feit dat, terwijl de 'Aantekeningen uit het Ondergrondse' onopgemerkt bleven en ook nu nog weinig wordt gelezen, 'Misdaad en Straf' een enorm succes had en de basis legde voor het litteraire succes van Dostojewski. Het verhaal van Raskoljnikow leek voor iedereen volmaakt begrijpelijk: hij wilde ontsnappen aan het collectieve bewustzijn, en werd, zoals het behoort, niet in een God, maar in een wild dier veranderd. En hij bleef dat dier, zolang hij "zelf bewust was van de leugen die in hemzelf en zijn overtuigingen school." Alleen een dergelijk bewustzijn, legt Dostojewski uit, 'kan de crisis voorvoelen, waar hij doorheen moet naar zijn komende opstanding en zijn nieuwe opvatting over het bestaan".

Je hoort hier een echo van de opvattingen die door Dostojewski zijn beschreven in de 'Aantekeningen uit een Dodenhuis'. Hier is hetzelfde kleine randje blauwe lucht, vol belofte, boven de gevangenismuur te zien: hier is hetzelfde vrije leven temidden van vrije mensen, waarover Dostojewski in het strafkamp droomde. Hij gebruikt bijna dezelfde woorden:

'Raskoljnikow kwam uit de schuur, ging aan de oever van de rivier op de opgestapelde balken zitten, die langs de voet van de muur waren gelegd en begon naar de brede verlaten rivier te staren. Van de andere oever drong nauwelijks hoorbaar een liedje door. Daar, in de met zon overgoten, onafzienbare steppe kon hij de nomadententen zien als kleine, nauwelijks zichtbare stippen. Daar was de vrijheid; daar was het of de tijd zelf was blijven stilstaan, alsof de tijden van Abraham en zijn kudden nooit voorbij waren gegaan'.

Op dit plechtige ogenblik verschijnt Sonja naast hem. Voor de tweede keer in de roman komen de moordenaar en het lichte meisje samen. Maar de eerste keer waren zij bij elkaar gekomen om samen de eeuwige Schriften te lezen, en deze keer staan zij voor het aangezicht der eeuwige natuur. En er voltrekt zich een wonder: 'Hoe het gebeurd was, wist hij zelf niet, maar plotseling werd hij door iets aan het wankelen gebracht en deed hem zich aan haar voeten werpen. En hij weende en omarmde haar knieën'.
Waarom dat 'plotseling'? Wat betekent dat 'plotseling'? Toen Raskoljnikow op de avond van dezelfde dag naar de gevangenis terugkeerde, dacht hij natuurlijk na over wat er was gebeurd. Maar hij dacht volstrekt anders dan op de manier waarop andere mensen denken. Zijn gedachten drongen zich in een ordeloze vloed aan hem op:

'Alles, zelfs zijn misdaad, zelfs het vonnis en de verbanning, leek hem nu, in zijn vervoering, een reeks vreemde gebeurtenissen, buiten hemzelf, en alsof ze bij iemand anders waren voorgevallen."

En in werkelijkheid was dit 'verleden' van Raskoljnikow, dat door Dostojewski zo zorgvuldig is beschreven, niet echt het verleden van Raskoljnikow. Hij had het recht om zichzelf af te vragen, of hij het wel was die de oude vrouw Jelizaweta had vermoord. En ik denk niet, dat één van de aandachtige lezers van Dostojewski, en allerminst Dostojewski zelf, in staat zou zijn geweest om die vraag bevestigend te beantwoorden. Misschien had hij haar vermoord, en misschien ook niet. In beide gevallen gaat het er niet om of de misdaad al dan niet had plaats gehad, maar waar het echt om gaat is dat de bestraffing vrijwel zeker plaats vond. In de laatste roman van Dostojewski treft de straf Dimitri Karamazow, die, zoals de schrijver ons vertelt, onschuldig was aan de misdaad. En Dostojewski triomfeert: 'De boeren deden wat van hen werd verwacht: zij hebben een onschuldige veroordeeld.'

Waarschijnlijk zal iedereen het met mij eens zijn dat Raskoljnikow even weinig schuldig aan moord was als Karamazow. Of je kunt beter zeggen, dat er nooit een Raskoljnikow en nooit een Karamazow heeft bestaan, en dat beiden voor Dostojewski volstrekt onbelangrijk waren: 'Ik heb het steeds over iets anders, iets anders, maar ik heb het over mijzelf. Waar kan een oprecht mens het anders over hebben dan over zichzelf?" Dostojewski vertelt ons altijd alleen maar over zichzelf. Hij had altijd de krankzinnige en afschuwelijke gedachte, die hem nooit verliet, en die hij met een ongeëvenaard cynisme bij de man uit het ondergrondse in de mond legde: "Laat de hele wereld maar vergaan, zolang ik maar mijn kop thee heb."

Dit is weer zo'n gril, die voor zichzelf zekerheid vraagt, en uit naam waarvan Dostojewski in opstand tegen de 'wetenschap' kwam; het is het lelijke eendje, dat onverwachts uit het ei komt temidden van al die verheven en edele gedachten, die met hun heldere stralen de duisternis van strafkamp verlichten. Hoe raadselachtig dit ook is, je moet toegeven dat Dostojewski altijd de hoop heeft gekoesterd, dat zijn lelijke eendje op een zekere dag in een prachtige zwaan zou veranderen. Veel later, kort voor zijn dood, toen Dostojewski het 'Dagboek van een Schrijver' schreef, en zei dat de mensheid altijd maar één bezigheid had gehad, namelijk de onsterfelijkheid van de ziel, herhaalde hij slechts de woorden van zijn held uit het ondergrondse. Het is dezelfde stem, dezelfde hardnekkigheid, en hetzelfde krampachtige gezicht. 'Ik verklaar dat liefde voor de mensheid onvoorstelbaar, onbegrijpelijk en volkomen onmogelijk is, zonder geloof in de onsterfelijkheid van de ziel'.

Herken je die stem echt niet? Houd je nog steeds vol dat Dostojewski en zijn held uit het ondergrondse, niet een en dezelfde mens zijn? Het is steeds datzelfde lelijke eendje. De prachtige zwaan is nog steeds ver weg, zelfs ondanks het feit dat al zijn romans al zijn geschreven, 'De Gebroeders Karamazow' incluis. Je kunt datzelfde lelijke eendje ook nog zien in de toespraak, die hij hield op de vijftigste verjaardag van Poesjkin en in de polemiek met professor Gradowski naar aanleiding van die toespraak. De zwaan is nog steeds even ver weg. Maar ik druk mij niet nauwkeurig uit. "Ver weg!" Ik had beter kunnen zeggen, dat dat het effect is van het dubbele zien en de dubbele ogen, die hun invloed doen voelen. Met zijn eigen ogen kan Dostojewski het lelijke eendje zien; maar de andere ogen, de ogen van de Engel, laten hem een prachtige zwaan zien. Het gevecht tussen het natuurlijke en het onnatuurlijke zien houdt geen moment op; integendeel, het verscherpt zich alleen maar. Het oude zien eist bewijzen, het wil alle indrukken in overeenstemming brengen met de indrukken die door de andere zintuigen worden verschaft, het begrijpt en luistert zelfs niet naar de stem van het verstand. De 'wet van de non-contradictie' is natuurlijk razend en de 'oude man' weet niet wat hij moet doen. Uiteindelijk probeert hij de vrede in zijn ziel te herstellen, door aparte namen aan de tegenstrijdige manieren waarop hij de dingen ziet, te geven. Hij zegt: "Mijn nieuwe ogen zijn geen kennis, zij zijn geloof." Maar het verstand is niet gesust, want het verstand laat geen autonoom geloof toe. Het verstand maakt aanspraak op almacht en de sleutels van de hemel, en als het geloof wil dat het wordt geaccepteerd, moet het zichzelf voor het verstand rechtvaardigen en zich aan zijn wetten onderwerpen.

Dostojewski, dezelfde Dostojewski, die in de 'Aantekeningen uit het Ondergrondse' zo spotte over de pretenties van het verstand, en die Claude Bernard (alleen als wij beseffen dat het niet Claude Bernard, maar Aristoteles was, die hij bedoelde) – die Claude Bernard en zijn wetenschap liet buigen voor Dimitri Karamazow, een vrijwel onontwikkeld man; Dostojewski, die in de 'Idioot' zei: 'Het wezen van het religieuze gevoel kan door geen enkele redenering gevat worden; daar is iets anders aan de hand, iets anders, waar atheïsten altijd over uit zullen glijden, zonder dat ze in staat zijn om tot de kern door te dringen." — diezelfde Dostojewski was zelf niet in staat om in een doorlopende open oorlog met het verstand te leven. Er waren momenten, waarop hij werd overweldigd door zijn tweede gezicht en door de toestand van een doorlopende twijfel, in het leven geroepen door de tegenstrijdigheden die het opriep; op zulke momenten keerde hij zich af van zijn bovennatuurlijke zien en probeerde de harmonie, die voor het mensdom zo noodzakelijk is weer terug te pakken. Deze tussenpozen zijn het, die de lezer weer met zijn werk verzoenen en bijna alle romans eindigen met een volmaakt majeurakkoord, dat triomfantelijk alle kwellende twijfels oplost, die in het verloop van het boek zijn opgedoken. Dit zijn de laatste woorden van 'Misdaad en Straf': "Maar hier begint een nieuw verhaal, het verhaal van de geleidelijke vernieuwing van de mens, het verhaal van zijn geleidelijke verandering, zijn overgang van de ene wereld in een andere, van de ontdekking die hij deed van een nieuwe en tot dan toe onbekende werkelijkheid. Maar dat zou het onderwerp kunnen vormen voor een ander verhaal. Ons verhaal is uit."

Is het echt afgelopen? Natuurlijk, als een volmaakt majeurakkoord en de belofte ons de overgang naar een nieuw leven, en een geleidelijke weg daarnaar toe te tonen (d.w.z. de meest redelijke, die je je kunt voorstellen; want door geleidelijkheid wordt, zoals bekend, elk geheim, elk raadsel, elke gril, al het onverwachte, in één woord, die hele irrationele en visionaire kant van het leven, waarover Dostojewski ons zoveel heeft verteld, opgelost), — als dat antwoorden zijn op die drukkende vragen, die ons door alle bladzijden van de roman heen hebben achtervolgd, dan heeft hij het recht om zichzelf toe te staan om niet alleen een streep te zetten en zijn verhaal af te breken, maar om het woord 'finis' neer te schrijven

Maar die belofte is nooit vervuld. Vijftien jaar later, nog maar kort voor zijn dood, herhaalt Dostojewski opnieuw deze zelfde belofte in de 'Broeders Karamazow'; hij beseft dat het tijd is om zijn belofte te vervullen, maar neemt geen stappen om het te doen. Het is duidelijk, dat hij een onmogelijke taak op zijn schouders heeft genomen; langzame en geleidelijke veranderingen zijn mogelijk — die vinden vrij vaak plaats — maar zij leiden ons niet naar een nieuw leven; zij voeren ons alleen van het ene oude leven naar een ander oud leven. Het 'nieuwe' leven maakt zich altijd plotseling bekend, zonder enige nadering of voorbereiding, en het bewaart zijn vreemde, raadselachtige karakter temidden van gebeurtenissen, waarvan de loop wordt bepaald door de oude wetten. Dostojewski zegt over Raskoljnikow, dat hij zijn banden, die hem met andere mensen verbonden, had verbroken, alsof hij ze met een schaar had doorgeknipt. Geen aardse macht zou verbanden, die zo ruw zijn verbroken, weer aan elkaar kunnen knopen. Dostojewski stelt zowel in 'Misdaad en Straf', net als in zijn andere werken, alle pogingen in het werk om zijn man uit het ondergrondse, d.w.z. zichzelf, meer normaal te maken; maar hoe harder hij dat probeert, hoe minder het lukt.

In 'De Idioot', dat onmiddellijk na 'Misdaad en Straf' is geschreven, wil hij ons in de persoon van Vorst Mysjkin iemand uit dat 'nieuwe' leven, waar hij ons zoveel over heeft verteld, laten zien. Het werk is opmerkelijk, maar je ziet er geen nieuw leven in. Dostojewski is niet in staat om dat te bereiken, want zijn tweede zien doet hem zien dat "alles een begin heeft en niets een einde." Hij herhaalt dat doorlopend en bij elke gelegenheid, net als zijn andere gedachte die hem zo dierbaar is: "De mens houdt evenveel van afbreken als van opbouwen." Maar als dat juist is, als alles een begin heeft en niets een einde, als de mens evenveel van afbraak houdt als van opbouw, hoe kan er dan op aarde een nieuw leven bestaan? En inderdaad, kijk maar naar de manier waarop Vorst Mysjkin zelf leeft en wat hij de mensheid aandoet – en in de ogen van zijn schrijver is hij al tot in zijn vezels veranderd en vernieuwd.

Wij vinden dezelfde drukkende, oververzadigde atmosfeer net zozeer in de 'Idioot' als in de andere romans van Dostojewski. De schrijver wil als het ware, in een door 'de wetten van de tegenstrijdigheid en causaliteit' beschermd verhaal, gebeurtenissen uit het zielenleven van een mens persen, die er niet in passen, in de stille hoop, dat de wetten, die niet in staat zijn om weerstand te bieden aan hevige druk van binnen uit, plotseling uiteen zullen vallen en zullen wijken, en dat hij dan de tweede tijdsdimensie zal vinden, waarin die dingen voort zullen gaan en eindelijk zichtbaar zullen worden, dingen die wij nu alleen maar kunnen waarnemen in de eerste dimensie als beginnend, maar zonder einde.

Op een morgen ontmoet Vorst Mysjkin Rogozjin en Ptjitsyn in een spoorwegcoupé, en maakt in de loop van dezelfde dag kennis met bijna alle ontelbare personages van de roman. De gebeurtenissen volgen elkaar op met een duizelingwekkende snelheid; in de voorkamer van generaal Jepantsjin vertrouwt Vorst Mysjkin de huisknecht zijn diepste en meest intieme gevoelens toe. Vervolgens komt de scène in de studeerkamer van Jepantsjin, — met het portret van Nastasja Filippowna – het gezin van de generaal, de familie Iwolgin, de ontmoeting met Natasja Filippowna, de Olaws, enz, tot aan de avond, met de aankomst van Rogozjin en zijn troep dronkaards en nietsnutten, die de gastvrouw met haar verjaardag komen feliciteren, enz. Het is overbodig om te zeggen dat Mysjkin en Rogozjin, en alle anderen geen mensen zijn, maar louter maskers. Dostojewski heeft nooit een levend mens beschreven. Al die verschillende maskers verbergen maar één echt mens, de schrijver zelf, die met voorbijgaan aan alle andere mensen, en alleen maar op zichzelf geconcentreerd, verdergaat met de enige zaak die hem interesseert, het gevecht met zijn oude tegenstander, het 'twee maal twee is vier'. Het 'twee maal twee is vier" ligt in een van de twee schalen van de weegschaal, zwaar, bewegingloos en onbeweegbaar, met zijn hele stoet van traditionele, eeuwige, en vanzelfsprekende waarheden. Op de andere schaal werpt Dostojewski met trillende en koortsachtige hand zijn imponderabilia: onrechtvaardigheid, verschrikking, vreugde, triomf, wanhoop, schoonheid, de toekomst, lelijkheid, slavernij, vrijheid en de hele rest, die Plotinus heeft samengevat in het woord: το τιμιωτατον.

Het moet meteen voor iedereen duidelijk zijn, dat het 'twee maal twee is vier' veel meer weegt, niet alleen meer dan het το τιμιωτατον, dat Dostojewski in de loop van één enkele dag overboord heeft gegooid, maar ook meer dan alle gebeurtenissen van de hele wereldgeschiedenis. Zal het 'twee maal twee is vier' een haarbreed in de weg worden gelegd door het onrecht dat Nastasja Filippowna onder de handen van Totski moet verdragen, of door de moed van Rogozjin die, toen hij Nastasja Filippowna één keer had gezien, niet bang is om de razernij van zijn brute vader uit te lokken, of door het feit dat Mysjkin een klap van Olaw Iwolgin moest verduren, met de gedweeheid van Christian? Zeker, zelfs als Dostojewski in staat was geweest om de hele wereldgeschiedenis, binnen die ene dag, die hij beschrijft in het eerste deel van "De Idioot" te bevatten, de hele geschiedenis, met de werken van de heiligen, de veldtochten van Alexander de Grote, het heldendom van Regulus en Brutus, de openbaringen van de profeten, de bezielde woorden van Plato en Plotinus, kortom met alles, wat er voor groots en schoons en verschrikkelijks en afschuwelijks is geweest, met alle idealen en verwachtingen, rampen en wanhoop, heldendaden en misdaden van alle mensen die ooit op de aarde hebben geleefd – als hij in staat was geweest om dat allemaal op de weegschaal te gooien, waarop hij zijn το τιμιωτατον had gelegd, dan zou hij dat onmetelijke gewicht van het 'twee maal twee is vier' geen grein lichter hebben kunnen maken. En dan zou dus onze laatste hoop verdwenen zijn op de mogelijkheid om, al is het maar een spoor, van die tweede dimensie van de tijd te ontdekken, waar die dingen eindigen die hier alleen maar beginnen en niet eindigen, waar alle grillen, die door de geschiedenis zijn verworpen een schuilplaats vinden, de grillen, die niemand zal herkennen en die niemand beschermt, maar waarvoor Dostojewski een bescherming wil vinden tegen de tanden van de hele wereld. En Dostojewski weet dat net zo goed als Spinoza. Sterker nog: Spinoza heeft zelf dezelfde vraag opgeworpen, met de helderheid en het opzettelijke benadrukken van de hopeloosheid van het vinden van een oplossing, die karakteristiek is voor het hele werk van die opmerkelijke filosoof. "Nadat de mensen zich eenmaal hadden wijs gemaakt, dat al wat geschiedt om hunnentwil geschiedt, moesten zij wel in alle dingen datgene het belangrijkste vinden wat voor hen het nuttigste was en al datgene voor het voortreffelijkste houden, waardoor zij het aangenaamst werden aangedaan. Vandaar dat zij ter verklaring van de aard van de dingen als die begrippen moesten vormen, als daar zijn het goede, het kwade, orde, verwarring, warmte koude, schoonheid en wanstaltigheid.....De waarheid zou voor het menselijke geslacht in eeuwigheid verborgen zijn gebleven, indien niet de wiskunde, die niet over doeleinden, maar slechts over wezen en eigenschappen van figuren handelt, de mensen een ander richtsnoer van waarheid had getoond." (Ethica. Pars I Appendix).

Je ziet, hoe voor diezelfde weegschaal, voor datzelfde vreselijke, duizend jaren oude raadsel, die twee elkaar hebben gevonden: de hedendaagse, ongeschoolde Russische schrijver, en de nu beroemd geworden, maar tijdens zijn leven onbekende en verachte, eenzame geleerde. Men denkt gewoonlijk, dat Spinoza plotseling bij de wiskunde is blijven stilstaan, omdat hij daarin het antwoord op zijn vraag zag. Maar, als je Spinoza niet alleen zorgvuldig leest, maar ook naar toon van zijn stem luistert, kun je in de door mij aangehaalde woorden en in de hele Appendix, waarmee het eerste deel van zijn 'Ethica' eindigt, een echo van hetzelfde probleem horen, waar Dostojewski zo hardnekkig in al zijn werken jacht op maakte. Spinoza vertrapt opzettelijk het goede, de schoonheid en alles, wat ooit voor de mens heilig is geweest, onder zijn voeten, alsof hij zichzelf samen met de profeet afvraagt: 'hoe vaak moeten wij worden geslagen?"

Alles heeft hij ons afgenomen; hij heeft ons slechts het 'twee maal twee is vier' nagelaten. Zal de mens dat kunnen verdragen? Kan ik dat zelf verdragen? Of zal mijn "bewustzijn" en dat van alle andere mensen uiteindelijk onder die last worden verpletterd? En dan zullen wij niet alleen voelen, maar ook, al is het maar éven, zien, dat 'hier' alles alleen maar begint en dat, wat hier begint, niet hier eindigt waar tot nu toe geen schoonheid noch lelijkheid is, geen goed noch kwaad, maar alleen warm en koud, aangenaam en onaangenaam; waar het niet de vrijheid is die heerst, maar de noodzaak, waar zelfs God zelf aan ondergeschikt is; waar de menselijke wil en verstand net zomin op de wil en het verstand van de Schepper lijken, als een hond, het blaffende dier, op de Hondsster (een van de sterren van het sterrenbeeld Grote Hond).

Het karakter van Dostojewski was tweeledig, net als dat van Spinoza, en van bijna alle mensen die de mensheid uit haar verdoving willen wekken. Daarom was hij van tijd tot tijd genoodzaakt zijn tweede paar ogen te sluiten en de wereld te bekijken met zijn gewone, blinde ogen, om zijn dissonanten op te lossen in harmonische akkoorden. Hij heeft zelf meer dan eens beschutting gezocht in de schaduw van die regels en wetten, die hij een oorlog op leven en dood had verklaard; hij vluchtte naar het kamp van de vijand om zich te warmen aan hun vuren. Voor de lezer is dat een bron van een aanhoudend en pijnlijk misverstand. Hij weet niet, waar hij de 'echte' Dostojewski moet zoeken. Bevindt hij zich waar de dingen zowel beginnen als eindigen, of waar ze alleen maar beginnen, maar niet eindigen; waar het evenwicht wordt gehandhaafd, of waar het is verstoord? Waar de tijd maar één dimensie heeft, of waar hij de tweede dimensie kan waarnemen en waar de schaal waar het το τιμιωτατον op ligt langzaam lijkt te gaan zakken…? Het is ten eerste des te moeilijker te bepalen, omdat het onmogelijk is om in al zijn romans het wezenlijke thema precies vast te stellen. Zelfs hun onderwerp is, hoewel het altijd min of meer in overeenstemming is met de aanvaarde regels, zó ingewikkeld en zó uitgebreid vertakt, dat het onmogelijk is om met zekerheid te zeggen wat de bedoeling van de schrijver was. Ten tweede onderbreken belangrijke gebeurtenissen doorlopend de hoofdlijn van de roman en deze gebeurtenissen zijn zo belangrijk, zowel qua onderwerp als uitwerking, dat zij het hoofdthema naar de achtergrond verdringen en volledig verduisteren. Desalniettemin vertonen alle verhalen van Dostojewski één gemeenschappelijke trek.

Zijn helden lijken noch de wil noch het vermogen te hebben om iets te doen, te scheppen; vernietiging en dood volgen hun stappen op de voet. Hij doet dat duidelijk om bij de lezer niet de illusie van een einde te wekken. Mysjkin, die de schrijver als een heilige aanduidt, de vleesgeworden onbaatzuchtigheid, maakt geen uitzondering op deze regel; ondanks al zijn inspanningen, slaagt hij er alleen niet in om ook maar iemand te helpen, maar hij draagt gewoonlijk bij aan de krachten van het kwaad. Een wreed lot drukt op iedereen, ze zijn allemaal verdoemd. Spinoza zou heel goed scènes uit "De Idioot" hebben kunnen citeren, als bewijs voor de soevereine macht van de noodzakelijkheid; Luther zou ze hebben kunnen gebruiken om zijn Servo Arbitrio (Over de gebonden wil) te verduidelijken. Als Darwin in het leven had gezien, wat Dostojewski zag, dan zou hij het niet hebben gehad over de wet van behoud van de soorten, maar over de vernietiging ervan. Als de historici en kennistheoretici met Dostojewski waren geschoold, zouden zij 'de wet van de toereikende grond' (Leibniz) hebben vervangen voor de wet van de absolute ongegrondheid. Niets in de romans van Dostojewski wordt door iets anders bepaald. Het is de logica van Tertullianus, de logica van dromen die erin heerst: 'Non pudet quia pudendum est, prorsus credibile est quia incertum, certum est quia impossibile.' (Ik schaam mij niet omdat het beschamend is; het is volstrekt geloofwaardig omdat het absurd is; het is zeker omdat het onmogelijk is.)

Vorst Mysjkin mengt zich in de zaken van anderen, omdat hij dat helemaal niet hoeft te doen; Rogozjin vermoordt Nastasja Filippowna, omdat dat het juist het meest zinloze is wat hij had kunnen doen. Nastasja Filippowna streeft naar heiligheid, omdat zij volstrekt weet, dat zij dat nooit zal bereiken.

Hetzelfde zien we ook in de andere romans van Dostojewski: eeuwigdurende crises, eeuwigdurende extases. Alle helden van Dostojewski streven naar dingen die hen zullen vernietigen. In 'De Gebroeders Karamazow' neemt hij de meest raadselachtige uitspraak uit het vierde Evangelie als motto: 'Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: indien de tarwekorrel niet op de aarde valt en sterft, blijft hij alleen, doch als hij sterft, zal hij veel vrucht dragen'. Het is een van de uitspraken, waar Dostojewski zelf in 'De Gebroeders Karamazow' commentaar op geeft: 'Het is verschrikkelijk, wat je in die boeken (de Bijbel) tegenkomt. Dat kun je hen gemakkelijk onder de neus wrijven — maar wie heeft ze geschreven? Waren dat echte mensen?' En inderdaad, wie heeft die boeken geschreven? Zijn het mensen geweest? En kon Dostojewski, die zich dergelijke gedachten eigen heeft gemaakt, dan wel een mens blijven?

10

Dostojewski beseft heel goed, dat er in het leven bepaalde schatten zijn, die als iets heel kostbaars moet worden behoed, en dat er bepaalde andere zijn die niet de moeite waard zijn om te bewaren, omdat zij ons alleen maar kunnen ketenen en terneerdrukken. Maar hoe kunnen wij de ene soort van de andere onderscheiden? Het is zinloos om te verwijzen naar het collectieve bewustzijn, naar de kennistheorie of de ethiek. Moeten wij bij ons tweede gezicht te rade gaan? Maar dat leert ons niets. En bovendien verzet het zich als het geraadpleegd wordt en verschijnt alleen ongevraagd en altijd op een ongelegen moment. In de 'Aantekeningen uit het Ondergrondse' tracht Dostojewski het zonder enig criterium, enige regel en enige wet te stellen, maar hij is genoodzaakt zijn tol aan het collectieve bewustzijn te betalen en het werk te voorzien van een verklarende aantekening. In 'Misdaad en Straf' heeft het natuurlijke zien al invloed op de strekking. In 'De Idioot' zie je nog duidelijker de pogingen van Dostojewski om de bewijzen, die hij eerder met zoveel razernij afwees, zijn eigen kamp binnen te halen. En naarmate hij vordert, versterkt de neiging zich om de twee visies met elkaar in overeenstemming te brengen, of liever, om de tweede aan de eerste ondergeschikt te maken. Dat verklaart het vreemde feit waar ik al eerder op heb gedoeld: dat in de romans van Dostojewski de secundaire gebeurtenissen zo overvloedig aanwezig zijn, en dat in die gebeurtenissen juist het wezenlijke belang van de boeken ligt.

Zelfs in het 'Dagboek van een Schrijver' worden politieke artikelen van tijd tot tijd afgewisseld met kleine fabels en verhalen zoals 'De Zachtmoedige', 'De Droom van een Belachelijke Man', en 'De Eenzame"; bladzijden met een diepzinnige en krachtige betekenis, waarin de schrijver met een stem die niet zijn eigen stem is, uitroept wat hij zag met ogen, die niet zijn eigen ogen zijn. In elk van die verhalen, in elke episode van de romans, blijkt elke poging van Dostojewski om het resultaat van zijn tweede zien in het kader te passen van de ervaring, waarop de gewone mensheid zijn bestaan baseert, volledig tevergeefs.

In 'De Idioot' komt een verhaal voor waarin de bedoeling van Dostojewski moeilijk is te vatten, tenzij het is om de arme Vorst Mysjkin de genadeslag toe te dienen, hoewel die toch al met elke stap op zijn voeten wankelde. Een van de personages in 'De Idioot' is de jonge teringlijder, Hippolyt, wiens dagen en zelfs uren zijn geteld. Een hele nacht lang leest hij zijn "biecht" aan zijn vrienden voor, een van de meest ontroerende en vreselijke bekentenissen die ooit zijn geschreven sinds het boek Job, dat ongetwijfeld als voorbeeld heeft gediend. Wie zou de stervende knaap zulke vlammende en profetische woorden kunnen hebben ingegeven? Wie zou ze Dostojewski hebben kunnen ingeven, die hoewel hij al op leeftijd was, zijn dood nog niet voorvoelde?

Overigens doet Dostojewski, getrouw aan de eeuwenoude traditie, alles wat hij kan om zich te verschuilen voor de nieuwsgierigheid van oningewijden. De biecht van Hippolyt heeft de titel 'Après moi le déluge' (na mij de zondvloed). Dat zou vast meer dan genoeg moeten zijn om het collectieve bewustzijn terzijde te schuiven. Maar wij mogen niet vergeten dat Dostojewski, in het diepst van zijn hart, nergens vertrouwen in had, behalve in zijn lelijke eendje. Hij was er kennelijk van overtuigd, dat lelijkheid en verschrikking in de wereld alleen maar bestonden om het laatste en ultieme geheim van de schepping te verbergen, voor mensen die er niet klaar voor zijn. Luister maar, wat Hippolyt zegt over het schilderij, dat hij in het huis van Rogozjin heeft gezien. Het schilderij stelde de 'Afneming van het Kruis' voor: "Het gezicht van Christus was afschuwelijk misvormd door de slagen die hij had opgelopen; het was opgezwollen en had vreselijke, bloedende wonden; de ogen stonden wijd open, ze keken scheel en glansden met de glazige glans van de dood. Maar vreemd genoeg, als je naar dat dode lichaam van die man kijkt die zoveel heeft geleden, komt er een bepaalde, nieuwsgierige vraag in je op: als het lichaam er zo uitzag (en zo was het ongetwijfeld) en als dat het was, wat de leerlingen en apostelen, en de vrouwen die Hem hadden gevolgd en hem liefhadden zagen, hoe konden zij dan geloven dat deze martelaar ooit weer zou kunnen herrijzen? En dan duikt er nog een gedachte op: als de dood zo vreselijk is, en de natuurwetten zo krachtig zijn, hoe kan iemand die dan overwinnen? Hoe kunnen wij die overwinnen, als zelfs Hij, die de natuur, die zich aan Hem onderwierp, dwong om Hem te gehoorzamen toen Hij nog leefde, die natuurwetten niet kon overwinnen; bij wie toen Hij riep 'Talitha Koemi' de maagd opstond, en toen Hij tegen Lazarus riep om uit het graf op te staan, Lazarus Hem hoorde en gehoorzaamde? Als je naar dit schilderij kijkt, lijkt de natuur een reusachtig, meedogenloos, zwijgend beest te worden of liever en nauwkeuriger (hoewel vreemd): de natuur neemt steeds meer de gedaante aan van een van die moderne machines, die blindelings dat oneindig geliefde en bewonderenswaardige Wezen heeft gegrepen, opgeslokt, in stukken gescheurd en verzwolgen, dat Wezen dat in zijn eentje meer waard was dan de hele natuur en haar wetten en die, inderdaad, misschien alleen was geschapen om dat Wezen te vervaardigen."

Ik weet niet of het nog nodig is, na alles wat hierboven is gezegd, om aan te tonen, dat Dostojewski hier zijn diepste, meest intieme, en ook meest verwarrende gedachten tot uitdrukking heeft gebracht. Hoe vaak hebben wij hem al niet ontdekt, terwijl hij voor de schalen van die gruwelijke weegschaal staat, en aan zichzelf en de hele wereld voorbijgaat? Op de ene schaal ligt de natuur, reusachtig, onmetelijk zwaar met haar wetten en principes, stom, doof en blind. In de andere schaal gooit Dostojewski met bevende hand zijn imponderabilia, zijn onbeschutte en onbeschermde το τιμιωτατον en wacht met bonzend hart om te zien welke schaal zal dalen. En hij vertrouwt deze onderneming niet toe aan Vorst Mysjkin, voor wie iedereen, hijzelf incluis, buigt. Dostojewski weet, dat Mysjkin een klap zal verdragen en zijn andere wang zal toekeren, maar dat hij voor deze vreselijke weegschaal zal huiveren. Nederigheid is niet de deugd, die Dostojewski zoekt.

Hij is inderdaad helemaal niet op zoek naar de deugd. De deugd bestaat niet op zichzelf. Zij leeft allen maar door herkenning; zij ontleent heel haar kracht aan onze goedkeuring. Zij is de eigen zuster van dat 'twee maal twee is vier'; beide geboren uit dezelfde moeder: de wet. Maar zolang deze wet bestaat en oordelen velt, zal de Dood de heerser over de wereld zijn. En wie durft de Dood uit te dagen tot een tweegevecht, als alle zekerheid aan zijn kant staat, die zekerheid die door Dostojewski zo wreed wordt beschreven en die door de kennistheorie en de ethiek wordt gerechtvaardigd? Natuurlijk niet Vorst Mysjkin. Hij staat volledig achter de ethiek; hij streeft naar de lof van het 'principe'. Zelfs de heiligen kunnen niet leven zonder de lof der wet. De heilige Hiëronymus leerde, en zijn woorden weerklonken in Liguori, de laatste kerkleraar, toen hij zich richtte tot de nonnen die afstand van de wereld deden: "Disce superbiam sanctam" (leer de heilige trots). "Scite, te illis esse meliorem". (weet dat jullie beter zijn dan die anderen). Een monnik is nog niet klaar voor de laatste strijd, zelfs niet de meest toegewijde en meest oprechte monnik. Hij stelt nog steeds zijn vertrouwen in zijn werken en hij verwacht eerbied; hij kan nog trots zijn op eerbied.

En Vorst Mysjkin kan ook geen afstand doen van zijn heilige trots, en kan dus ook niet met Dostojewski tot het einde mee gaan. De enige mensen die in staat zijn om hem te volgen, wier bestemming het is om dat te doen, zijn de mensen die alle rechten en alle bescherming hebben verloren; het zijn de mensen uit het ondergrondse. Alleen zij kunnen zichzelf permitteren om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de oordelen van de natuur en de ethiek, aan de rechtmatigheid van een oordeel in het algemeen; alleen zij mogen verwachten dat zij op een zeker moment zien dat de imponderabilia zwaarder zullen zijn dan het grote gewicht, dat bestaat uit de vanzelfsprekende waarheden en de oordelen van het verstand, die zich daarop baseren, van het verstand dat niet alleen de natuur- maar ook de morele wetten op de weegschaal heeft gegooid. Hippolyt is niet bang voor de moraal en haar sancties. Hij heeft minachting voor trots, zelfs voor heilige trots. Hij wil niet beter zijn dan de anderen, hij wil niet goed zijn, hij verwerpt de lof van de moraal.

'Welk rechtbank is hier rechter?' vraagt hij. 'Ter wille van wie moet ik niet alleen worden veroordeeld, maar ook mijn veroordeling zonder protest ondergaan? Is er nou echt iemand die daar baat bij heeft?' En verder: 'Waartoe dient mijn nederigheid? Kan ik niet gewoon opgegeten worden, zonder erop te staan dat ik de lof zing over mijn verslinder?' Dat zijn de vragen die Hippolyt had leren stellen; zo had Hippolyt leren vragen; Kant was niet in staat om zo te vragen. Het zijn maar een paar, zeldzame mensen in de geschiedenis van de mensheid, die in staat zijn geweest om zulke vragen te stellen. In onze tijd was het Nietzsche, met zijn 'Voorbij Goed en Kwaad'. Vóór hem Luther, die leerde dat het doen van goede werken geen verlossing brengt. Luther had dat van Augustinus gehoord, die op zijn beurt alleen de ideeën van Paulus verder had ontwikkeld, die ze weer van Jesaja had en van het belangrijkste en gruwelijke Bijbelverhaal over de Zondeval.

Als antwoord op de biecht van de stervende Hippolyt breekt de 'collectiviteit', die wordt vertegenwoordigd door het merendeel van de personen uit 'De Idioot', en waartoe ook Vorst Mysjkin, de heilige, behoort, in spot, gebrul, en kattengejank uit. De 'collectiviteit' staat pal voor zijn ideaal — de wet. Ook heiligen kunnen de wet niet opgeven. Een paar dagen na de nacht waarin Hippolyt tevergeefs een beroep op de 'collectiviteit' had gedaan, tracht hij onder vier ogen met de 'heilige' te spreken, van wie hij hoopt te merken, dat hij, als hij uit het zicht van zijn makkers is, zich onafhankelijk van de wet opstelt, en vrij van angst en gevlei is. Maar tevergeefs. De wet, 'quo nos laudabiles vel vituperabiles sumus' (waarin wij lofwaardig of afkeurenswaardig zijn) is net zo diep geworteld in Vorst Mysjkin, als het 'twee maal twee is vier': daarin verschilt de heilige niet van de gewone man.

Het gesprek eindigt als volgt: Hippolyt vraagt de Vorst: "Nu goed; maar zegt u mij nou eens zelf, wat ik volgens u zou moeten doen. Hoe zou ik moeten sterven om er een deugdzaam einde aan te maken? Vertel me dat eens!" De Vorst wil zijn heilige trots niet opgeven en is vooral bang dat hij zijn recht op de lof der wet verspeelt. Hij neemt de uitdaging aan. "Ga je gang en vergeef ons ons geluk", antwoordt hij met zachte stem. Er is niets tegen in te brengen: hij heeft de proef doorstaan; het is onmogelijk om verder te gaan. Hippolyt kan alleen maar in lachen uitbarsten. "Ha! Ha! Ha!...dat dacht ik al! Ik verwachte al zoiets! O, zo zijn jullie dus, jullie anderen, jullie mooipraters!"

Wat was de bedoeling van Dostojewski om Vorst Mysjkin tot een dergelijke bekentenis te brengen? Uiteindelijk was het geen Rakitin, geen Claude Bernard; het was Mysjkin, waarvan de schrijver opzettelijk een positief type had gemaakt. Maar het 'tweede gezicht' zag klaarblijkelijk iets anders.

Het is duidelijk dat Dostojewski op dit moment een ander en ingewikkelder probleem zag opdoemen; een nog moeilijker probleem dan hij in de zaak van Raskoljnilov had besproken. Raskoljnikow redeneerde als volgt: er zijn mensen, die zichzelf toestaan om het bloed van hun medemensen te vergieten. Napoleon bijvoorbeeld, die door de meerderheid van de mensen zeer werd bewonderd. Dus kun je met goedkeuring en toestemming van de wet bloedvergieten en het lichaam van je naaste doden. In zijn nederigheid gaat Mysjkin verder ("nederigheid is kracht" zoals Dostojewski heeft gezegd). Hij vindt dat hij, als beloning voor zijn gehoorzaamheid, van de wet meer rechten heeft gekregen, en meer macht, dan Napoleon; hij heeft het recht en de macht om niet het lichaam, maar de ziel te doden. 'Vergeef ons ons geluk en ga je gang'. En dan? Wat zal er gebeuren als Hippolyt zijn gang gaat en hen hun geluk vergeeft? Dan zal er niets gebeuren, en er moet ook niets gebeuren. Het ideale evenwicht is hersteld. Ons verstand vraagt niet meer.

11

Wij hebben gezien dat Dostojewski in toenemende mate ernstige pogingen deed om zijn extatische visioenen binnen de grenzen van de alledaagse ervaring in te passen, om de "gril" en die individuele, interne drijfveer, die zo eigen voor hem was en waar hij ons zoveel nieuwe dingen over heeft verteld, in het "noodzakelijke en universele" te veranderen. Het was voor hem te moeilijk om de tweede tijdsdimensie binnen te gaan, waarin het hele το τιμιωτατον was verdwenen; hij wilde zijn beloning al hier, in de geschiedenis, in de eerste tijdsdimensie in ontvangst nemen; hij wilde een waarborg en bevestiging voor de "gril". Zijn eerste gezicht, zijn natuurlijke ogen, verzekerden hem, evenals zijn verstand, dat tegelijkertijd met die eerste ogen was geboren, onophoudelijk, dat de tijd maar één dimensie had, en dat er, zonder waarborg en bevestiging van de wet, niets op deze wereld kon bestaan. Zijn tweede zien vertelde hem dat 'de mens van het lijden houdt', maar het verstand ziet daarin een 'tegenstrijdigheid.' Het lijden moet 'ons iets opleveren', als wij ervan moeten houden. En Dostojewski, die de schaamteloosheid van het 'twee maal twee is vier' had gevoeld, had deze keer niet de moed om de 'wet van de non-contradictie' aan te vallen. Er wordt iets 'gekocht' door het lijden, en dat iets bezit een zekere waarde voor ons allemaal, voor het collectieve bewustzijn; door het lijden kopen wij het recht om te oordelen. En Dostojewski gelooft zelfs dat dit oordeel het laatste was, het vreselijke, laatste oordeel waarover de Heilige Schrift spreekt, en dat hij het recht had om te oordelen. En dit opperste recht, het recht om als een potentaat te spreken, bezielt hem soms zo hevig, dat veel mensen hebben verondersteld, zoals hij zichzelf ook verbeeldde, dat in het oordelen zijn echte taak en bestemming lag.

En wie over heeft Dostojewski allemaal niet geoordeeld! In de 'Demonen' zijn het Granowski, Toergénjew, en de jongere generatie; in het 'Dagboek van de Schrijver' Stasioelewitsj en Granowski, in de toespraak ter ere van Poesjkin, de hele Russische maatschappij. Ook in 'De Gebroeders Karamazow' speelt hij opnieuw de rechter. Hij oordeelt dapper, meedogenloos en beslissend. Maar hoe vreemd het ook lijkt, hoe meer hij oordeelde, en hoe meer hij tot de overtuiging kwam, dat de mensen bang waren voor zijn recht om te oordelen, maar het wel accepteerden, hoe meer hij in zijn binnenste twijfelde aan het recht van de mens tot wat voor oordeel dan ook. Sterker nog: hij komt ertoe om dit opperste en soevereine recht niet zozeer als een recht te beschouwen, maar als een privilegium odiosum, als een beschamende, onverdraaglijke en pijnlijke last.

Dit is in feite het enige thema van de talrijke secundaire gebeurtenissen, die in de romans overvloedig aanwezig zijn. Wij hebben het gehad over de biecht van Hippolyt, en over zijn laatste gesprek met Vorst Mysjkin. We vinden een analoge episode in de "Demonen.'

De werkelijke held uit de 'Demonen' is niet Werchowenski, niet Stawrogin, maar de grote en raadselachtige zwijgende "Styliet" Kirilow. Deze stotteraar, bij wie het lijkt alsof zijn woorden uit zijn mond losgerukt moeten worden, die niets doet en niets verlangt, is de echte 'ziel' van het boek. De episode met Kirilow zou wellicht onder de grootste meesterstukken van de hele litteratuur moeten worden gerekend, dankzij de kracht, waarmee die uitdrukking geeft aan wat wij het "onuitsprekelijke" noemen. Kirilow verkondigt zijn eigen vrije wil. Het wezen van de hele leer van de Stylieten en Asceten heeft van oudsher altijd juist gelegen in deze verkondiging van de vrije wil; om temidden van een groep razende mensen – want in een grot razen alleen de doden niet – halt te roepen en eindelijk te vragen of die wereld van ons, waaraan het verstand zijn wetten heeft opgelegd en die door de collectieve ervaring is opgebouwd, echt de enig mogelijke wereld is, en of het verstand en zijn wetten echt almachtig zijn. Dostojewski heeft slechts één fout gemaakt: hij zou Kirilow niet moeten hebben toegestaan om zelfmoord te plegen. Stylieten en Asceten hebben er geen behoefte aan om zelfmoord te plegen. Zij hebben andere mogelijkheden om hun vrijheid te verkondigen. Maar het lijkt dat deze fout opzettelijk was, dat Dostojewski bewust Kirilow zich op een manier liet gedragen, waarop hij het niet kon hebben gedaan. Als Dostojewski dat einde niet had bedacht, zou hij genoodzaakt zijn geweest om een aantekening toe te voegen, zoals hij dat in het voorwoord van de 'Aantekeningen uit het Ondergrondse' heeft gedaan.

Wij kunnen hier ook niet voorbijgaan aan het kleine verhaal 'De Droom van een Belachelijke Man', dat niet als een episode in een van de romans van Dostojewski is terecht gekomen, maar dat een plaats heeft gevonden in zijn 'Dagboek van een Schrijver'. Het verhaal is vrijwel onbekend, net als dat andere, 'De Zachtmoedige', waar het direct mee heeft te maken en dat ook in het 'Dagboek van een Schrijver' staat. Je voelt in deze twee verhalen dezelfde inspiratie, hetzelfde vuur dat de 'Aantekeningen uit het Ondergrondse', de 'Biecht' van Hippolyt, en talloze andere meesterwerken dicteerde, die de litteraire kroon van Dostojewski met evenzoveel juwelen hebben versierd. 'De Droom van een Belachelijk Man' is het vervolg op het, een half jaar eerder verschenen, 'De Zachtmoedige'. Dostojewski vond het nodig om het laatste werk, met een inleiding te verantwoorden, net zoals hij dat met de 'Aantekeningen uit het Ondergrondse' had gedaan. Het heeft inderdaad een verantwoording nodig, maar niet om de redenen die Dostojewski aanvoert. Het onderwerp van het verhaal is het volgende: De held is een officier buiten dienst, die net als alle echte helden van Dostojewski, wreed en onrechtvaardig is behandeld. Hij wordt niet gekweld op de manier van Vorst Mysjkin, die een epilepticus was, maar doordat hij maar één idee in zijn hoofd had, maar één doel in het leven, namelijk het drijven van een pandjeshuis. Dan ontmoet hij een jong meisje, het eerste menselijke wezen, waar hij ooit met heel zijn hart van heeft gehouden en zij trouwen. Ze is de zachtmoedigheid zelve. Hij houdt zoveel van haar dat hij haar in zijn idee wil inwijden. Hij neemt zich voor om het aan haar te onthullen, maar stelt het nog één dag, één uur, uit; hij was nog niet klaar met het onderzoeken van zichzelf en zijn vrouw. Maar net op die dag, gooit zij zichzelf, tot wanhoop gedreven, uit het raam, met een icoon in haar hand, en valt dood. Het is goed bedacht; een dergelijk iemand zou voor geen enkele vraag terugdeinzen. Luister naar zijn woorden, zoals Dostojewski ze herhaalt: 'Wat heb ik nu aan uw wetten? Wat heb ik met uw gewoonten, met uw zeden, met uw leven, met uw staat, met uw geloof te maken? Laten uw rechters mij maar veroordelen, laat ze me maar voor uw rechtbank, voor uw openbare rechtbank brengen, ik zal blijven zeggen, dat ik niets erken. De rechter zal ik toeroepen: "Waar haalt u nu de macht vandaan, om mij tot gehoorzaamheid te dwingen? Waarom heeft een duistere natuurwet dat stukgeslagen, wat mij het allerdierbaarste was? Wat heb ik nu met uw wetten te maken? Ik wil mij bevrijden. O voor mij is alles hetzelfde……O wet der traagheid, o natuur. De mensen zijn eenzaam op de aarde, dat is het ongeluk. 'Is er daar op het veld nog een levend mens?' schreeuwt de Russische sagenheld. Ook ik, die geen held uit de sage ben, schreeuw; maar niemand antwoordt……Alles is dood en overal liggen lijken. Alleen de mensen bestaan nog en rondom hen is de stilte."

Met deze vraag eindigt de novelle. De 'rechter' heeft onvoldoende macht ter beschikking, om de officier buiten dienst, de pandjesbaas, te laten gehoorzamen. 'De Droom van een Belachelijke Man' toont ons de 'psychologie' van de mens, voor wie 'alles hetzelfde is'. Je zou kunnen denken, dat daar niets interessants in zit, dat iemand voor wie alles hetzelfde is helemaal geen 'psychologie' kan hebben. Maar hoe gaat het er dan aan toe in de 'De Droom van een Belachelijke Man', waaraan Dostojewski de ondertitel een 'fantastisch verhaal' geeft? De kern van het fantastische is dat het bestaat uit onverwachte metamorfosen, waarin voor onze ogen het 'niets' op een wonderbaarlijke manier verandert in het το τιμιωτατον. Zo nam Plotinus God waar, waar anderen alleen maar een leegte konden zien. Zo was het ook bij Dostojewski. Hij eiste een waarborg voor de 'gril', hij probeerde de tweede tijdsdimensie te ontdekken, juist omdat hij het fantastische wilde 'wettigen', en het op de plaats wilde stellen, die in het collectieve bewustzijn tot dusver was ingenomen door natuurlijke gebeurtenissen.

De novelle begint als volgt: 'Ik ben een belachelijke man. Ze noemen me tegenwoordig een gek. Dat zou een promotie zijn als het niet zo zou zijn dat ik in hun ogen net zo belachelijk blijf als vroeger.' Je ziet, dat Dostojewski in 1877, vijftien jaar na de 'Aantekeningen uit het Ondergrondse' ons nog steeds het onvoltooide verhaal vertelt van iemand die door het collectieve bewustzijn wordt verworpen. In de ogen van alle anderen is deze belachelijke, weerzinwekkende man een lelijk eendje, dat beter nooit geboren had kunnen worden, of dat zich, nu het toch eenmaal is geboren, maar het beste in de diepste diepten zou moeten verstoppen, niet alleen voor de anderen, maar ook voor zichzelf; want ook hij is bezeten door het collectieve bewustzijn, en dat oordeelt over hem en veroordeelt zijn wanstaltigheid. Dat weet de belachelijke man zelf ook: hij is even onverdraagzaam voor zichzelf als voor anderen.
Maar toch ontstaat er plotseling, niemand weet hoe of waarvandaan, in hem een vreemde onverschilligheid. Dostojewski is, zoals we weten, zelf met name geïnteresseerd in alles waar hij niet van weet waar het vandaan komt, en heeft daar alle aandacht voor. Wat is die onverschilligheid? Wat is de betekenis daarvan? 'Hoewel ik mij van mijn verschrikkelijke eigenschap ieder jaar meer bewust werd, ben ik om de een of andere onbekende reden kalmer geworden. Ik zeg "onbekend", omdat ik tot op de dag van vandaag niet kan vertellen waarom. Misschien lag het aan het vreselijke lijden dat in mijn ziel groeide tengevolge van iets dat voor mij zwaarder woog dan wat dan ook: dat iets was de overtuiging die zich aan mij opgedrongen had dat alles in de wereld volstrekt onbelangrijk was. Ik had er allang een voorgevoel van gehad maar het volledige besef kwam eigenlijk vrij plotseling afgelopen jaar. Ik voelde plotseling dat het mij niets zou kunnen schelen of de wereld bestond of dat er helemaal nooit iets geweest zou zijn: ik begon met mijn hele wezen te voelen dat er niets bestond. In het begin had ik het idee dat er vroeger veel dingen geweest waren, maar later nam ik aan dat er ook vroeger niets geweest was, maar dat dat om de een of andere reden alleen maar zo had geleken. Langzamerhand kwam ik tot de overtuiging dat er ook in de toekomst nooit iets zal zijn".

Laten wij hier stilstaan en onszelf afvragen, wat de betekenis is van dat vreemde 'plotseling' dat ons tot uitspraken leidt, die zelfs nog fantastischer zijn: "alles is hetzelfde; er gebeurt niets; er is nooit iets gebeurd; er zal nooit iets gebeuren." Dat zijn uitspraken, die Dostojewski blijft maken en die hij aan een bron ontleent, waar wij ons niet bewust van zijn. Hebben wij niet het recht, zijn wij feitelijk niet verplicht Dostojewski te vertellen, zoals Aristoteles Heraclites antwoordde, die de 'wet van de non-contradictie' ontkende: "Je kunt die dingen wel zeggen, maar je moet ze niet denken." Als de belachelijke man niet het zwijgen wordt opgelegd, dan zal niet alleen de 'wet van de non-contradictie', het meest onwankelbare van alle principes, in stukken vallen, maar ook alle principes van het bestaan, de hele 'collectiviteit'. En dat door de 'gril' van een enkel mens, en wat voor een mens! Iemand voor wie, zoals hij zelf laat zien, krankzinnigheid een promotie zou zijn! Je moet dit openlijk toegeven, maar je moet ook toegeven, dat als de belachelijke man het zwijgen wordt opgelegd, ook aan Dostojewski het zwijgen wordt opgelegd. En niet alleen aan Dostojewski, maar ook aan Plato met zijn grot, aan Plotinus met zijn Ene, aan Euripides, die niet weet, wat het leven was en wat de dood. Lokt je dat aan? Zou je alleen willen worden gelaten met het μετριοσ εις ύπερβολειν (tot het uiterste gematigde) van Aristoteles? Je kunt hier niet over discussiëren. Je kunt alleen de vraag stellen en verder gaan.

Zie dan die belachelijke man, voor wie alles eender is geworden, voor wie er niets in het leven is, die ervan overtuigd is dat er nooit iets is geweest of ooit zal zijn; deze man neemt een groot besluit, hij besluit om een eind aan zijn leven te maken. Als je wilt, kun je om Dostojewski lachen, vooral omdat er een argument bij de hand is, dat vijfentwintig eeuwen geleden is bedacht; als er niets bestaat, als er nooit iets heeft bestaan, bestaat de belachelijke man ook niet, noch zijn besluit, noch al het 'plotselinge', noch dit verhaal, enz. Dat kun je natuurlijk allemaal aanhalen, en Dostojewski weet dat je hem uit kunt lachen, zelfs kunt weigeren hem als een krankzinnige te beschouwen, en die kwalificatie te goed voor hem zult vinden. Maar hij gaat verder met zijn verhaal, en blijft zijn absurditeiten en tegenstrijdigheden opstapelen; het zou bijna de moeite waard zijn om ze allemaal aan te halen, als er ruimte genoeg voor zou zijn.

Wie nader tot Dostojewski wil komen, moet een hele reeks bijzondere exercitia spiritualia (geestelijke oefeningen) verrichten: hij moet uren, dagen, jaren temidden van tegenstrijdige vanzelfsprekendheden doorbrengen. Een andere manier is er niet. Alleen op die manier kun je zien, dat de tijd niet één, maar twee of zelfs meer dimensies heeft, dat wetten niet altijd hebben bestaan, maar dat zij zijn 'gegeven' en alleen maar om te zorgen dat de overtreding in overvloed voorkomt, dat het het geloof is en niet de werken, dat de zielen kan redden, dat de dood van Socrates het ontzagwekkende 'twee maal twee is vier' aan het wankelen kan brengen, dat God altijd en alleen maar het onmogelijke eist, dat het lelijke eendje in een prachtige zwaan kan veranderen, dat hier alles een begin heeft, maar niets eindigt, dat de 'gril' recht heeft op waarborgen, dat het fantastische reëler is dan het natuurlijke, dat het leven de dood is en de dood het leven, en andere 'waarheden' van hetzelfde kaliber, die ons van elke bladzijde van Dostojewski´s werken aankijken met vreemde en angstaanjagende ogen.

Als je wil weten hoever het denken van de belachelijke man zich waagt in de zoektocht naar zijn 'nieuwe' waarheid, om die te veroveren en weer te verliezen op het moment dat hij haar vond, herlees dan dit korte en bijna vergeten, maar echt opmerkelijke verhaal. Het meest opmerkelijke is, dat deze waarheid op geen enkele manier een nieuwe waarheid is; het is de oudste van alle waarheden; bijna net zo oud als de wereld, want zij werd de mens al bijna op de dag na de schepping geopenbaard. Zij werd geopenbaard, werd in het Boek der Boeken neergeschreven, en onmiddellijk vergeten. Je vermoedt natuurlijk al, dat ik het verhaal van de Zondeval bedoel.

De belachelijke man, voor wie alles toch eender was, viel, nadat hij had besloten om een eind aan zijn leven te maken, in slaap en zag in zijn droom datgene, wat de Bijbel ons vertelt. Hij droomde, dat hij bij mensen terecht was gekomen, die nog niet de vruchten van de boom der kennis van goed en kwaad hadden geproefd, die nog geen schaamte kenden, die geen kennis hadden en noch het vermogen, noch het verlangen hadden om te oordelen. 'Zonnekinderen, kinderen van hun zon — o wat waren ze mooi! Nog nooit had ik op onze aarde zoveel schoonheid in de mens gezien…. Het leek mij onbegrijpelijk, dat zij die zoveel wisten er geen wetenschap op na hielden zoals wij. Maar ik begreep al gauw dat hun weten door andere inzichten gevormd en gevoed werd dan bij ons op aarde en dat ze ook heel andere dingen nastreefden. Ze hadden geen wensen en leefden in vrede; ze streefden er niet naar het leven te doorgronden zoals wij doen, omdat hun leven vervuld was. Maar hun weten was hoger en dieper dan het onze; want onze wetenschap probeert te verklaren wat het leven is, ze wil het leven leren kennen om anderen te leren hoe ze moeten liefhebben, terwijl zij ook zonder wetenschap wisten hoe ze moesten leven; en dat begreep ik, alleen hun weten kon ik niet begrijpen. Ze wezen mij op hun bomen en ik kon die diepgevoelde liefde niet begrijpen waarmee ze ernaar keken; het was of ze over schepsels als zij zelf spraken. En misschien vergis ik me niet wanneer ik zeg dat ze met hen spraken. Ja, ze hadden hun taal ontdekt en ik ben ervan overtuigd dat de bomen hen verstonden.'

Geen enkele hedendaagse kennistheorie stelt het probleem van het wezen en de betekenis van de wetenschappelijke kennis zo helder en grondig aan de kaak. Alleen in de oudheid hebben de helderziende Plato en Plotinus het probleem, dat Dostojewski had gesteld, begrepen en, in zoverre mensen daartoe in staat zijn, opgelost: afstand doen van de wetenschappelijke kennis, om de waarheid in haar ware gedaante te zien. Waarheid en wetenschappelijke kennis kunnen niet met elkaar worden verzoend. De waarheid kan de banden van de wetenschappelijke kennis niet verdragen; zij wordt verstikt in de omarming van die ontzagwekkende bewijzen die onze wetenschap zekerheden verschaft. De wetenschap, vervolgt de belachelijke man, 'openbaart wetten, en stelt 'de wet van het geluk boven het geluk', de wetenschap wil ons 'leren hoe wij moeten leven'. Maar de waarheid staat boven de wetten, en de wetten zijn voor de waarheid, wat in het leven van Dostojewski eens de gevangenismuren en de ketenen waren. Dostojewski is zelf getroffen en verblind door zijn zonderlinge visioen; hij wist niet of hij dat moest aanvaarden; was het een droom of was het de werkelijkheid? Was het een hallucinatie of was het een openbaring? 'Maar waarom zou ik niet accepteren dat het zo was?" vraagt hij. "Misschien was het allemaal nog duizendmaal stralender en heerlijker dan ik het beschrijf. Toegegeven dat ik het gedroomd heb, toch moet het echt geweest zijn. Weet u, ik zal u een geheim vertellen: misschien was het helemaal geen droom! Want daarna gebeurde er iets zo vreselijks, zo iets gruwelijk echts, dat het onmogelijk alleen maar een droom geweest kan zijn. Laat mijn hart mijn droom hebben voorgebracht, maar was mijn hart alleen dan in staat die verschrikkelijke gebeurtenis voort te brengen die mij later overkwam? Hoe had ik dat in mijn eentje kunnen bedenken of mij in mijn droom kunnen voorstellen? Zouden mijn bekrompen hart en mijn grillige, nietswaardige verstand zich ooit kunnen verheffen tot zulk een openbaring van de waarheid? O, oordeelt u zelf: ik heb het tot dusver verzwegen maar nu zal ik de waarheid vertellen. Het gaat erom dat ik…. ze allemaal bedorven heb!'

Waardoor heeft die aardse mens de bewoners van het paradijs bedorven? Hij gaf hen ons 'weten' of, om in de woorden van de Schriften, hij haalde hen over om de vruchten te proeven van de verboden boom. En toen zij onze kennis hadden verworven, merkten zij dat zij werden overstelpt door alle aardse verschrikkingen, en dat de dood hen naderbij kwam. 'Zij leerden de schaamte kennen, en maakten van de schaamte een deugd', gaat Dostojewski verder, waarbij hij het korte bijbelverhaal becommentarieert en nader verklaart. Deze kennis was niet genoeg; aan dezelfde wortel ontsproot de ethiek; de wereld was veranderd, omsingeld door wetten; mensen veranderden van vrije schepsels in automaten. Er zijn maar weinigen, die kortdurend en in zeldzame ogenblikken, pijnlijk naar het echte leven hunkeren, maar zij beseffen meteen dat de macht die hen beheerst, die hen stuurt en die zij hebben aanbeden, de eeuwige slaap, dood en vernietiging is. Dat is gewoon de 'anamnesis' (herinnering) van Plato, het 'ontwaken' van Plotinus. Dat is wat de mensen genadig wordt gegeven, maar wat wij niet op eigen kracht kunnen bereiken, door onze deugden of onze goede werken.

De lezer kan zien, dat Dostojewski die 'waarheid' niet zelf heeft bedacht; dat hij dat zelf niet had gekund. Hij heeft het over de 'openbaring' van de waarheid, omdat de waarheid hem werd geopenbaard. Dat is de waarheid, die, hoewel iedereen haar kent, en hoewel zij is neergeschreven in dat ene boek, dat vaker is gelezen dan welk ander boek dan ook, toch eeuwig verborgen blijft. Maar het meest opmerkelijke deel, opmerkelijker dan alles wat Dostojewski ons tot nu toe heeft verteld, is het eind van de 'Droom van een Belachelijke Man'. De held van het verhaal geeft zijn voornemen om zelfmoord te plegen op als de waarheid hem wordt onthuld: De held laat de gedachte aan zelfmoord, nadat de Waarheid hem geopenbaard is, varen. 'O, nu, leven, leven! Ik hief mijn armen omhoog en riep de eeuwige waarheid aan; ik riep niet met woorden, ik weende; een verrukking, een grenzeloze verrukking overspoelde mijn ziel. Ja, leven en de goede boodschap prediken! Het besluit om te gaan prediken nam ik meteen op datzelfde ogenblik en natuurlijk nam ik dat besluit voor mijn hele leven! Ik ga de goede boodschap prediken, ik wil de goede boodschap prediken; van wat? Van de waarheid, want ik heb haar gezien, ik heb haar met eigen ogen gezien, ik heb haar in al haar luister gezien!"

De waarheid prediken – ik ga de waarheid prediken! Met andere woorden: ik geef haar over aan het 'collectieve bewustzijn' dat ongetwijfeld, alvorens haar te kunnen aanvaarden, zal eisen, dat zij zich eerst aan de wet onderwerpt. Begrijp je, wat dat betekent? Voor de tweede keer, en nu niet in de droom, maar in werkelijkheid, is met Dostojewski dat 'verschrikkelijke' gebeurd, waarover hij ons heeft verteld. Hij had de eeuwige waarheid, die zich aan hem had geopenbaard, verraden en aan haar doodsvijand verkocht. Hij had ons verteld dat hij in een droom de vlekkeloze bewoners van het paradijs had 'bedorven'. Nu haast hij zich naar de mensen, om, volledig bij zijn verstand, de misdaad te herhalen, waarvoor hij in zijn droom zo had gehuiverd.

12

Wij staan nu oog in oog met het allergrootste geheim, waaraan de mens ooit het hoofd heeft moeten bieden, het geheim van de Zondeval. De lezer zal het er zonder twijfel mee eens zijn, dat geen enkele van zijn innerlijke worstelingen, geen enkele van de inspanningen van Dostojewski, een ander doel of onderwerp had, dan het begrijpen van, of tenminste deel hebben aan, dat geheim. Want wij kunnen dat evenmin vatten of bedwingen, als wij de waarheid kunnen begrijpen. Het is juist het wezen van het geheim, dat het niet kan worden ontsluierd, en dat wij van de waarheid alleen maar een glimp kunnen opvangen, als wij haar niet in bezit proberen te nemen, of het voor onze historische behoeften willen gebruiken, binnen de grenzen, dat wil zeggen, van de enkelvoudige dimensie van de tijd, die wij kennen. Zodra wij proberen om het geheim te ontsluieren of gebruik proberen te maken van de waarheid, door het geheim aan iedereen te laten zien en de waarheid universeel en noodzakelijk te maken, zullen wij — zelfs als wij door het meest edele en verheven verlangen worden geleid, namelijk het delen van onze kennis met onze naasten en het verbreiden van de zegeningen ervan met de hele mensheid – toch alles meteen vergeten, dat wij hebben gezien toen wij tijdens de extase 'buiten onszelf' waren. Wij zullen dan gaan kijken, zoals de wereld kijkt en spreken zoals de wereld eist. Deze logica, die op een wonderbaarlijke manier de, voor de enkeling 'nutteloze', indrukken in een ervaring van algemeen nut verandert en op die manier die vaste en onveranderlijke orde creëert, die voor ons bestaan zo noodzakelijk is, deze logica, (die ook het verstand wordt genoemd) vermoordt het geheim en de waarheid. Voor de laatste keer verzamelt Dostojewski zijn wonderbaarlijke krachten en schrijft over dit thema de 'Broeders Karamazow'.

Zoals wij hebben gezien kiest hij een uitspraak uit het vierde Evangelie als motto; maar hij zou net zo goed zijn eigen woorden uit de 'Aantekeningen uit het Ondergrondse' hebben kunnen citeren: 'En dus, lang leve het ondergrondse! Hoewel ik gezegd heb dat ik de normalen tot mijn laatste druppel gal benijd, zou ik toch niet graag zoals zij zijn (hoewel ik ze blijf benijden). Nee, o nee, het ondergrondse leven is hoe dan ook veel prettiger. Daar kun je in ieder geval….O, zelfs nu lieg ik weer. Ik lieg omdat ik zelf wel weet, dat het niet het ondergrondse is dat beter is, maar iets anders, iets heel anders, waar ik naar hunker, maar wat ik niet kan vinden! Dat verdomde ondergrondse!'

Lang leve het ondergrondse! Naar de duivel met het ondergrondse! Die genadeloze, heftige inconsequentie loopt door de hele roman heen, waarvan elke zin getuigt van een verterende dorst naar iets, een onbevredigende kwelling, dat de schrijver niet kan definiëren. 'Indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft brengt zij veel vruchten voort' (Joh. 12:24) Hoe te sterven? Jezelf voor altijd in het ondergrondse terugtrekken? Dat gaat de menselijke kracht te boven. Je bij de normale mensen aansluiten en zelf een normaal mens worden? De mensen die door de Engel des Doods zijn bezocht, zijn daartoe niet in staat. Daarom staan er in 'De Gebroeders Karamazow' zoveel vreselijke vragen en, (maar misschien is dat opzettelijk) zoveel antwoorden, die duidelijk zijn bedoeld om alleen maar ogenschijnlijke antwoorden te zijn. Maar er is één punt waarop Dostojewski zichzelf nooit tegenspreekt: de algemeen aanvaarde antwoorden, de antwoorden van het gezonde verstand en van de wetenschap, zijn voor hem altijd onaanvaardbaar.

Maar voor ik overga naar 'De Gebroeders Karamazow' wil ik mijzelf een kleine uitwijding veroorloven, die ons kan helpen, als het dan niet is om onze weg te vinden, dan in ieder geval om het labyrint te herkennen waarin Dostojewski ons heeft binnengevoerd.

Iedereen kent de beroemde Duitse historicus van het christendom, Professor Adolf Harnack. Laten wij naar zijn getuigenis luisteren: zijn studie heeft hem in de gelegenheid gesteld om geleidelijk en uitvoerig de 'geheimen' te bestuderen temidden waarvan Dostojewski zijn leven heeft doorgebracht. Maar anders dan Dostojewski had Harnack slechts één paar ogen ter beschikking. Bovendien was hij er als historicus van overtuigd, dat de mens maar één gezicht heeft, net zoals de tijd maar één dimensie heeft. Harnack laat geen gelegenheid voorbijgaan om ons te vertellen, dat de 'wet van de non-contradictie' het basisprincipe is van ons verstand en dat niemand ongestraft de wetten van het verstand en de op die wetten gebaseerde wetenschap kan trotseren. Deze geleerde historicus schrijft (Dogmengeschichte III, 81): 'Er is nog nooit een religieus geloof geweest, hoe sterk dan ook, dat zich op het belangrijkste, beslissende moment niet heeft beroepen op een uitwendige autoriteit. Het zijn louter de fletse verhandelingen van filosofen of de polemieken van protestantse theologen, die een geloof hebben geconstrueerd, dat zijn kracht uitsluitend aan interne bronnen ontleent. Het is zeker dat deze bronnen de kracht vormen van zijn bestaan en ontwikkeling; maar zijn er geen bijzondere voorwaarden nodig om dit geloof te laten werken? Jezus Christus beriep zich op de autoriteit van het Oude Testament, de eerste Christenen op de profetieën, Augustinus op de kerk, en zelfs Luther beriep zich op de schriften. Het leven en de geschiedenis tonen ons aan, dat geen enkel geloof werkzaam en vruchtbaar kan zijn, als het zich niet op een uitwendige autoriteit beroept en als het geen volstrekte zekerheid in zijn absolute autoriteit bezit." Zo spreekt prof. Harnack en hij voegt daar aan het eind van de pagina als noot aan toe, "Ich sehe die Tatsache, aber ich verzweifle daran, ihren letzten Grund zu finden, (ik constateer het feit, maar hoe ik het moet verklaren, daar kan ik met mijn verstand niet bij).

Dit is een getuigenis van buitengewoon belang — als je in aanmerking neemt wie die geeft — en je kunt daar niet achteloos aan voorbijgaan. Maar je moet het, voordat je er gebruik van gaat maken, eerst aan een nader kritisch onderzoek onderwerpen.

'Er is nog nooit een geloof geweest'. Nooit? Hoe weet professor Harnack dat? De geschiedenis, die hij ongetwijfeld buitengewoon grondig heeft bestudeerd, heeft voor hem geen enkel geval van een geloof opgeleverd, dat niet op een uitwendige autoriteit heeft gesteund. Maar houdt de geschiedenis een verslag bij van alle gevallen en alle feiten, of tenminste van het merendeel? Is het eigenlijk de taak van de geschiedenis om feiten te bewaren? Uit het ontelbare aantal verschillende feiten, zondert de geschiedenis slechts een bepaald aantal feiten af, en ook die zijn al becommentarieerd en "geïnterpreteerd", en tot op zekere hoogte aan bepaalde doeleinden aangepast. Maar Harnack zegt vol overtuiging: 'Nooit'. Het is duidelijk, dat hij deze conclusie niet aan de geschiedenis of een bestudering van de feiten heeft ontleend, want hij heeft nooit alle feiten die zijn voorgevallen kunnen bestuderen, of er ook maar een glimp van kunnen opvangen. Het is duidelijk, dat zijn 'nooit' uit een andere bron komt. Het is bij zijn verstand te rade gegaan, het uitgangspunt van de wetenschap, dat volgens hem niet ongestraft kan worden opgegeven, om de autoriteit aan te ontlenen om zijn eigen verklaring in een universeel en noodzakelijk oordeel om te zetten.

Dit is helemaal juist, als je echt zo bang bent voor straf, dat je zelfs ter wille van de waarheid, afziet van de leiding van verstand en wetenschap; of als je zo goedgelovig en onervaren bent, dat je echt gelooft, dat onderwerping aan de wetenschap en aan het verstand je voor alle straffen zal behoeden. Maar Dostojewski was, zoals wij hebben gezien, niet bang voor straf: af en toe, hij heeft ons verteld dat iemand soms de voorkeur geeft aan lijden boven gelukkig zijn. Wij hebben ook van Dostojewski gehoord, dat zelfs de meest nederige onderwerping ons niet tegen straf kan beschermen, en ook Spinoza leert ons: "Experientia in dies reclamat, at infinitis exemplis ostendit, commoda atque incommoda piis aeque ac impiis promiscue evenire." (De ervaring verkondigt van dag tot dag, en toont met oneindig veel voorbeelden aan, dat voorspoed en tegenspoed de vromen gelijk de onvromen zonder onderscheid ten deel vallen') Maar gehoorzame en ongehoorzame, godvruchtige en goddeloze mensen zullen vroeg of laat, bij het Laatste Oordeel geoordeeld worden: niemand zal worden vrijgesproken, niemand zal zijn straf ontlopen.

Professor Harnack heeft dus de grenzen van een eenvoudige verklaring en van het verslag over wat hij heeft gezien en gehoord, overschreden en heeft ons zijn eigen theorie over het verstand en haar rechten verschaft. Je zou je zelfs kunnen afvragen of het juist is om te zeggen 'zelfs Luther'. 'Jezus, de eerste Christenen, Augustinus, en 'zelfs Luther'. Ik denk, dat dat 'zelfs' beter achterwege gelaten had kunnen worden.

Maar nu die correcties eenmaal zijn aangebracht, kunnen wij de getuigenis van Professor Harnack in zijn geheel aanvaarden. Maar hij krijgt een nogal andere betekenis. Harnack kan niet zeggen, "Er is nooit een geloof is geweest…." Wat er wel en niet is geweest is voor de historicus net zo onbekend als voor de eenvoudige pelgrim. Van wat er is geweest, weet de historicus alleen maar wat in de stroom van de tijd is opgenomen en op die manier sporen in de wereld heeft achtergelaten, die voor iedereen zichtbaar zijn; dat wil zeggen dat iedereen ze kan zien, vanaf het moment dat ze zijn ontdekt. Maar van de gebeurtenissen die geen enkel spoor hebben achtergelaten, weet de historicus niets en wil hij ook niets weten; en nog minder wil hij dingen weten die wel zijn gebeurd, maar die niet aan iedereen getoond kunnen worden.

Als er dus ooit een geloof is geweest, dat niet steunde op een uitwendige autoriteit en zich feitelijk niet beriep op welke autoriteit dan ook, en als het geen sporen heeft nagelaten, is het voor de historicus alsof het nooit heeft bestaan. De historicus zoekt alleen maar en noteert 'werkzame' feiten. Als Harnack zich eenvoudig had willen beperken tot een verslag en niet uit eigen naam had willen spreken (want het oordeel van het verstand is inmiddels voldoende bekend, ook zonder hem), had hij niet moeten zeggen, dat er nooit een sterk geloof is geweest, maar nooit een geschikt geloof, een geloof dat graag daden wilde verrichten en dat niet op enige uitwendige autoriteit heeft gesteund; net zoals niemand van de geleerde autoriteiten, de historici, de biologen, en geologen, ooit alleen maar feiten heeft meegedeeld, maar daarbij altijd heeft verwezen naar de autoriteit van het verstand. Zelfs Jezus moest zich, om gehoor te krijgen, op de Schriften beroepen; en nog meer moesten de eerste Christenen of Luther dat. Als Harnack zijn feiten op die manier had meegedeeld, zouden zij een heel andere betekenis hebben gekregen. Plotseling zou dan duidelijk zijn geworden – volstrekt onverwacht – dat de mensen nooit het geloof van Jezus of zelfs Luther hadden kunnen of willen aanvaarden, dat "geloof" helemaal niet gepredikt kan worden en dat geloof niet werkzaam kan zijn; niet kan, wil zeggen, geen historische gebeurtenissen kan bepalen; dat, wat de mensen of het collectieve bewustzijn een "sterk geloof" noemen, op geen enkele manier op het geloof van Jezus of zelfs Luther lijkt, maar dat het louter een verzameling regels en principes is, waar iedereen aan gehoorzaamt en voor buigt, omdat niemand weet waar ze vandaan komen; en omdat mensen eigenlijk helemaal geen "geloof" willen, maar alleen maar autoriteit en orde, die des te invloedrijker worden, naar mate hun oorsprong geheimzinniger is. Op precies dezelfde manier geloven mensen in het verstand en de wetenschap, en geloven zelfs dat onder hen alleen degenen worden gestraft, die het verstand en de wetenschap verachten, maar niet de mensen die dat niet doen.

13

Dostojewski was geen historicus, hij was niet verplicht te geloven dat wat hier begint, ook hier moet eindigen. Wij herinneren ons, dat hij in de tweede dimensie van de tijd, voorbij de grenzen van de geschiedenis, wat hem het meest dierbaar was probeerde te realiseren, het το τιμιωτατον, zijn 'gril'. Hij hoopte dat dan de muur zou ophouden een muur te zijn, dat het 'twee maal twee is vier' zijn onbeschaamde zelfverzekerdheid zou verliezen, dat de atomen niet langer zouden worden beschermd, dat de vogelvrijverklaarde Socrates en Giordano Bruno, bovenal zouden worden gekoesterd, enz. Maar tegelijkertijd was Dostojewski, zoals wij allemaal, een kind van de aarde; en daarom verlangde hij, en werd daar soms absoluut toe gedwongen, niet alleen om te beschouwen, maar ook om te handelen. Wij hebben die tegenstrijdigheid in al zijn geschriften opgemerkt; het is met name duidelijk in 'De Gebroeders Karamazow' en in het 'Dagboek van een Schrijver'.

In 'De Gebroeders Karamazow' gaat Dostojewski net als vroeger voort met zijn ervaring — niet die universele ervaring, waar Kant het over had, een ervaring, die gebaseerd is op vanzelfsprekendheid, maar zijn persoonlijke, subjectieve ervaring, die tot taak heeft om alle bewijzen te overstijgen. Maar in deze roman, net als in de artikelen uit het 'Dagboek van een Schrijver', wil de schrijver, alsof hij het programma van professor Harnack ten uitvoer wilde brengen, kost wat kost de instemming van een deskundige autoriteit verkrijgen. Hij weet, dat zijn geloof niet actief 'werkzaam' kan zijn en geen spoor in de geschiedenis zal achterlaten, tenzij hij een uiterlijke autoriteit kan vinden, die voldoende macht heeft, om voor andere mensen onaantastbaar te lijken.

Wie is de 'held' van de 'Broeders Karamazow'? Als je op het voorwoord afgaat, is het Aljosja, de jongste van de broers en ook Vader Zosima. Maar waarom zijn dan de bladzijden die aan hen zijn gewijd, de zwakste en meest kleurloze? Maar éénmaal, voelt Dostojewski zich echt bezield als hij het over Aljosja heeft, en hem een van de visioenen toestaat, die hij tijdens momenten van uiterste extase heeft gehad. 'Hij (Aljosja) draaide zich plotseling om en liep de cel uit (van de overleden monnik Zosima). Snel liep hij de stoep af. Overstelpt van verrukking zocht hij de buitenlucht, de vrijheid, de ruimte. Wijd en onafzienbaar koepelde zich boven hem de hemel met stille, glanzende sterren bezaaid…De vage streep van de Melkweg strekte zich uit van het zenit tot aan de horizon…De koele, onbeweeglijke stille nacht omhulde de aarde. De witte torens en gouden koepels van de kerk fonkelden tegen de saffierblauwe hemel. In de perken rondom het gebouw sliepen de weelderige herfstbloemen in afwachting van de ochtend. De stilte van de aarde vloeide samen met die van de hemel, het aardse mysterie raakte het mysterie van de sterren…. Aljosja stond stil te kijken: opeens viel hij ter aarde als een boom die geveld was. Hij wist niet waarom hij de aarde omhelsde, hij gaf zich er geen rekenschap van wat hem ertoe dreef om de grond te kussen, maar hij deed het, als snikkend, met zijn tranen bevochtigde hij de aarde, hij zwoer in verrukking dat hij haar altijd, tot in alle eeuwigheid, zou beminnen. "Bevochtig de aarde met de tranen van je vreugd en heb die tranen lief…' hoorde hij een stem zeggen. Waarom huilde hij? Hij huilde van verrukking, hij vergoot zelfs tranen om de sterren die hem uit de afgrond van de hemel hun licht toestraalden, en 'hij schaamde zich niet voor deze extase'. Het leek alsof de draden die al die ontelbare werelden van God met elkaar verbonden opeens samenkwamen in zijn ziel, die van verrukking trilde 'bij dit contact met andere werelden.'"

In het hele werk van Dostojewski zul je nooit meer iets dergelijks vinden. Weliswaar heeft Vader Zosima het in een passage over hetzelfde onderwerp, maar minder ongecompliceerd, met minder kracht, en minder inspiratie. Maar dat was alles waartoe Dostojewski kon besluiten om zijn bekende helden toe te bedelen. Bovendien spreekt hij zelf maar een enkele keer op deze toon, alsof hij voelde, dat het onwettig was om veel over dergelijke zaken te praten; of anders voelde hij dat van die dingen alleen maar een glimp kan worden opgevangen vanaf de bodem van de afgrond, van de onderwereld, tegelijkertijd met, en als achtergrond voor, de waarden van het "ondergrondse". Beide veronderstellingen lijken even aannemelijk. Het geloof dat Harnack als onmogelijk beschouwde, het geloof dat zich niet op een uitwendige autoriteit beroept, dat de geschiedenis weigert te erkennen, en dat geen sporen heeft achtergelaten, is precies hetzelfde visioen van onbekende werelden; een dergelijk geloof houdt geen rekening met werken en heeft de mensheid niets geschonken, zodat de wetenschap verklaart dat het niet kan bestaan. Maar voor Dostojewski was dat nou juist het το τιμιωτατον, die eeuwige gril, waarvoor hij rechten en waarborgen eiste en zocht, die hij met een ongeëvenaarde dapperheid aan de macht van de autoriteit en zelfs van de macht van de geschiedenis en haar bewijzen, probeerde te ontworstelen. Vanuit dit oogpunt vormt 'De Broeders Karamazow', zoals ik al heb gezegd, een vervolg op de 'Aantekeningen uit het Ondergrondse', waarin hoofdstukken zoals 'De Opstand', 'De Verdervende Geest', en 'De Broeders maken Kennis', volledig hadden kunnen worden ingepast.

Dimitri Karamazow, de dronkaard, de losbol, die een van de meest onontwikkelde mensen is, houdt een toespraak, waar Plato of Plotinus zich niet voor geschaamd zou hebben. Hij citeert Schiller en als de dichter zegt:

Ja, so weit sie wandernd kreiste
Fand sie Elend überall,
Und in ihrem grossen Geiste
Jammert sie des menschen FaIl
,

huilt hij. "Beste vrienden," zegt hij tot zijn broeders, "deze vernedering duurt voort, duurt voort tot op de dag van vandaag. De mens moet op deze aarde veel lijden. Wat een vreselijk lijden!....Ik kan nauwelijks over iets anders denken, mijn broeder, dan over de vernedering van de mens." En een paar minuten later verklaart diezelfde onontwikkelde officier: 'Schoonheid is een vreselijk en verschrikkelijk ding. Vreselijk, omdat je het niet kunt definiëren, en het kan niet worden gedefinieerd, omdat God alleen in raadsels tot ons spreekt. Hier vermengen de tegendelen zich met elkaar, hier bestaan de meest tegenstrijdige dingen naast elkaar. Ik heb weinig ontwikkeling, broeder, maar ik denk daar veel over na.'

Hij denkt er veel over na! Kan een onontwikkeld mens dan nadenken? En hebben wij ook maar enig recht om wat zich in het hoofd van Dimitri Karamazow afspeelt, denken te noemen? Het is misschien verontwaardiging, opstandigheid, een jacht op tegenstrijdigheden, op ondefinieerbare dingen, maar geen denken. Wij zouden ons kunnen herinneren, dat wij volgens Spinoza, de vader van de huidige filosofie, als wij willen denken, elke voorstelling van Bonum et Malum, Pulchritudo et Deformatio (goed en kwaad, schoonheid en lelijkheid) terzijde moeten leggen. Diezelfde Spinoza 'leerde': non ridere, non lugere, neque detestari, sed intelligere (niet lachen, niet treuren, noch ook verachten, maar begrijpen). En als de mensen iets hebben geleerd van Spinoza, dan is het wel om zowel het goede en het schone naast zich neer te leggen ter wille van het begrijpen en om zichzelf te veranderen in dat "collectieve bewustzijn", dat noch lacht, noch huilt, noch boos is, maar alleen maar weegt, meet en telt, zoals de wiskunde naar het beeld waarvan het collectieve bewustzijn is geschapen.

Wat de uitspraken als 'de tegendelen vermengen zich met elkaar', 'alle tegenstrijdigheden leven naast elkaar', betreft: die lijken meer op het geraaskal tijdens een delirium, of een verzameling nietszeggende woorden. 'Was einen vollkommenen Widerspruch enthält, kann nicht richtig sein und Jederman ist berechtigt, den Widerspruch schonungslos als solchen zu bezeichnen' (wat een volmaakte tegenspraak bevat, kan niet waar zijn, en iedereen heeft het recht om een dergelijke tegenspraak bij zijn naam te noemen), zegt professor Harnack over Athanasius, (Dogmengeschichte II, 225) en als hij Dostojewski had gelezen zou hij hetzelfde hebben gezegd. En met dezelfde verontwaardiging zou hij het 'ondefinieerbare' van de onontwikkelde Dimitri Karamazow hebben bejegend.

Dit zijn eigenlijk allemaal pogingen die zijn gericht tegen het enige voornemen om het βεβαιωτατε των αρχων, te verslaan, die 'wet van de non-contradictie', die sinds de tijd van Aristoteles juist als basis van het denken is beschouwd. Maar dat houdt Dostojewski niet tegen en hij laat zich daardoor niet afschrikken. Hij herinnert zich, dat indocti rapiunt coelum (onontwikkelden veroveren de hemel), hij herinnert zich, dat het 'twee maal twee is vier' het beginsel van de dood is, dat de mens van de boom der kennis van goed en kwaad heeft geplukt.

Is het mogelijk om aan de vloek van de kennis te ontsnappen? Kan de mens ophouden met oordelen en veroordelen? Kan hij ophouden met zich te schamen over zijn naaktheid, over zichzelf, of over zijn omgeving, zoals Adam en Eva, voordat de slang hen verleidde? Dat is het onderwerp van de belangrijke discussie die in de 'Legende van de Grootinquisiteur', plaats vindt tussen de negentigjarige Kardinaal Inquisiteur, die de verpersoonlijking is van alle menselijke 'kennis', en God zelf. Lang, negentig jaar lang heeft de oude man gezwegen; maar uiteindelijk kan hij niet langer; Hij moet spreken.

De Kardinaal zegt tot God: "Wat hebt Gij de mensen geboden? Wat kunt Gij hen bieden? Vrijheid? De mensen kunnen de vrijheid niet aan. De mensen hebben wetten nodig, een bepaalde orde, die voor eens en altijd is ingesteld, die hen zal helpen om te onderscheiden, wat waarheid is, en wat leugen; wat mag, en wat niet mag…… 'Hebt Gij het recht ook maar één van die geheimen uit de wereld, waaruit Gij gekomen zijt, bekend te maken', vraagt de Kardinaal aan God, en hij antwoordt zelf voor Hem — want God blijft zwijgen, (God zwijgt immers altijd) 'Nee, dat recht hebt Ge niet. Ge hebt de zaak aan ons overgegeven, dat hebt Ge beloofd, en Ge hebt die belofte met uw woord bekrachtigd, Ge hebt ons het recht gegeven te binden en te ontbinden, en nu kunt Ge er natuurlijk niet meer aan denken, ons dat recht weer af te nemen'.

De Kardinaal zinspeelt natuurlijk op Matth. 18:18: 'Ik zal U de sleutels van het koninkrijk der hemelen geven. — En al wat Gij op aarde bindt, zal ook in de hemel gebonden zijn, en al wat gij ontbindt op aarde zal ook ontbonden zijn in de hemel.'

Op deze woorden baseert de Katholieke Kerk haar idee van de "potestas clavium" (de sleutelmacht) en de onfeilbaarheid van de kerk. Je weet dat vele hedendaagse historici van het christendom, waarbij ook professor Harnack behoort, als ik mij niet vergis, het vers als een later tussenvoegsel beschouwen. Maar ook al zou dat waar zijn, als de Kerk geen tekst uit de Heilige Schrift zou hebben waarop zij haar aanspraken zou kunnen baseren, zou dat haar rechten op geen enkele manier verzwakken. Met andere woorden: het idee van de onfeilbaarheid heeft geen behoefte aan een hemelse toestemming en kan daar gemakkelijk buiten. Dacht Harnack soms, toen hij verzekerde, dat niemand ongestraft het verstand en de wetenschap kan veronachtzamen, aan de Bijbel? Socrates, en na hem Plato, hadden in de oudheid al aangetoond, dat de mensen op aarde al heel goed weten, hoe ze moeten 'binden en ontbinden', d.w.z. oordelen, en ze wisten dat in de hemel de dingen net zo worden geoordeeld, als op aarde. Niemand trekt dat tegenwoordig meer in twijfel. Onze kennistheorieën maken elk beroep op de openbaring volkomen overbodig. Edmund Husserl, de meest opmerkelijke van de hedendaagse filosofen, formuleert deze gedachte als volgt: 'Misschien is geen enkel idee in de huidige tijd machtiger, actiever en triomferender, dan de macht van de wetenschap. Niets kan een halt toeroepen aan haar zegevierende opmars. Zij is in feite in haar rechtmatige doeleinden alomvattend. Opgevat in haar ideale volmaaktheid, zou het identiek zijn met het verstand zelf, dat naast en boven zichzelf geen autoriteit kan hebben.'

Het idee van de 'onfeilbaarheid' van de kerk en van de potestas clavium, is inderdaad gebaseerd op wat de filosofen de 'rede' hebben genoemd en nog steeds noemen, deze rede of verstand dat geen autoriteit naast zich verdraagt, en daarom eist dat wij voor haar moeten neervallen en haar moeten aanbidden. Dostojewski ziet dit met die bijzondere, buitengewoon doordringende blik, waarvan hij telkens blijk geeft, als "Apollo hem oproept tot het offer" en "hem dwingt om van zijn tweede gezicht gebruik te maken". "Er bestaat voor de mens geen onophoudelijker en kwellender zorg", zegt de Kardinaal, "dan, als hij eenmaal vrij geworden is, met de grootst mogelijke spoed op zoek te gaan naar iets waarvoor hij zich op de knieën kan werpen. Maar het moet iets volkomen onbetwistbaars zijn waarvoor alle mensen tegelijkertijd bereid zijn neer te knielen. Want de zorg van de beklagenswaardige schepselen bestaat niet alleen uit het probleem om iets te vinden waarvoor ik of een ander zich in het stof kan werpen, er moet tevens iets gevonden worden waarin allen kunnen geloven en waarvoor allen bereid zijn neer te knielen, maar dan ook beslist allemaal tegelijk. Deze behoefte aan gemeenschappelijke adoratie is dan ook de meest fundamentele kwelling van de eenling en van de mensheid als totaliteit sedert het begin der tijden.

Het is onmogelijk om verder te citeren: dan zouden wij de hele 'Legende' moeten overschrijven. Maar ik kan niet nalaten om nogmaals de aandacht van de lezer te vestigen op de buitengewone kracht, verwant aan helderziendheid, van de blik van Dostojewski, op de scherpzinnigheid, waarmee hij de allermoeilijkste filosofische kwestie ter sprake brengt. Niet alleen niet in de filosofieleerboeken, maar ook niet in de beste monografieën zul je ergens een zulk indringend en diep inzicht tegenkomen. Kennistheorie, ethica, en ontologie, maken een heel andere indruk op iemand die zijn 'inwijding' van Dostojewski heeft gekregen, en die, net als hij, deel wil hebben aan het ontzagwekkende geheim van de Zondeval, waaraan ook de door de Kardinaal geschetste kwellingen zijn ontleend. Ik denk, dat zo iemand ook tot op zekere hoogte de tegenstanders van Dostojewski zou kunnen begrijpen: Spinoza, die zijn voortdurende twijfels diep onder zijn wiskundige formules verbergt, of Edmund Husserl, die ogenschijnlijk zo zorgeloos en triomferend is. Want Spinoza is gewoon de Kardinaal van Dostojewski, die al op zijn vijfendertigste jaar dat vreselijke geheim heeft voorvoeld, waarover in de "Legende" de negentigjarige grijsaard in de diepte van het onderaardse gewelf met de eeuwig zwijgende God fluistert. Hoe hunkerend smachtte Spinoza naar vrijheid! Maar met wat een onverbiddelijke gestrengheid verkondigde hij de 'wet van de noodzakelijkheid', de enige wet waar God en de mens op dezelfde manier aan zijn onderworpen!

En hij staat niet alleen; bijna alle mensen, die het meest gekweld naar vrijheid hebben gedorst, gelovigen en sceptici evenzeer, zingen met een soort begrafenisvreugde lof over de noodzakelijkheid. Luthers beste werk, 'De servo arbitrio' (over de slaafse wil), is tegen Erasmus van Rotterdam gericht, die trachtte een klein gedeelte, van die al toch zo kleine, menselijke vrijheid te beschermen. Plotinus beeldde ons leven uit als een marionettenvoorstelling, een uitvoering waarin de spelers mechanisch een rol vertolken, die van tevoren is geschreven. Marcus Aurelius zei hetzelfde. Voor Gogolj was, zoals wij ons herinneren, de aarde een betoverd rijk, voor Plato een grot. De oude tragedieschrijvers Sofokles, Aeschylus en Euripides, en de grootste moderne dichter, Shakespeare, hadden dezelfde visie over ons bestaan. Je kunt niet zeggen dat de mens niet vrij is; maar wel dat de mens de vrijheid boven alles vreest, en dat hij om die reden naar kennis zoekt, en er naar streeft om een of andere onbetwistbare en onfeilbare autoriteit te vinden, waarvoor zij zich met zijn allen kunnen neerwerpen. De vrijheid is diezelfde 'gril', waarover de man uit het ondergrondse met ons heeft gesproken; maar hier, op aarde, vraagt ook de gril waarborgen voor zichzelf, zelfs zonder te vermoeden, dat haar belangrijkste voorrecht, haar vermogen is om het zonder enige waarborg te doen. De mens schept datgene, wat hij 'waarheid' noemt, een illusie van iets, dat macht heeft op aarde en in de hemel. "Kijk eens", vervolgt de Kardinaal, "wat U verder hebt aangericht. En dat alles in naam van de vrijheid! Ik zeg U dat de mens door geen andere angst zozeer wordt gekweld als door het zo snel mogelijk vinden van iemand waar hij het geschenk van de vrijheid, waar dat noodlottige schepsel mee geboren is, aan kan overdragen. ….. In plaats van dat U hun vrijheid hebt afgenomen, hebt U die groter dan ooit gemaakt! …. En zie, in plaats van dat U een vaste basis hebt verschaft om het geweten van de mens voor altijd rust te verschaffen, hebt U allerlei buitenissigs, vaags en raadselachtigs gegeven; U hebt gekozen voor wat boven het vermogen van de mens uitgaat…."

Met andere woorden: tot dusver achtte de filosofie, de wetenschappelijke of ogenschijnlijk wetenschappelijke filosofie, zich verplicht zich te 'rechtvaardigen' voor de 'collectiviteit', of met de woorden van de scholastici, voor het 'bewustzijn als zodanig'. Zij zoekt vaste grondslagen, ondubbelzinnigheid, onbetwistbaarheid en een vaste bodem, en is vooral bang voor de vrijheid, de 'gril', al het ongewone, problematische, en onbepaalde in het leven, en heeft nooit het vermoeden, dat het juist dit ongewone, problematische, en onbepaalde iets is, dat geen bescherming of waarborg nodig heeft, dat het echte en enige onderwerp van haar studie is, het το τιμιωτατον, waar Plotinus het over had en waarnaar hij streefde, de werkelijkheid, die Plato in zijn grot zag, de God, die Spinoza onder zijn wiskundige formules verborg, en dat het lelijke eendje, de man uit het ondergrondse van Dostojewski, bezielde, wanneer hij zijn vuisten balde en zijn tong zo schaamteloos uitstak tegen het door de mensen gebouwde kristallen paleis. De wijzen van weleer hebben het bevestigd: Van God kun je niet zeggen, dat Hij bestaat, want als je zegt: 'God bestaat', verlies je Hem onmiddellijk.

14

Ik moet gaan eindigen: niet omdat ik mijn onderwerp uitgeput zou hebben, maar omdat de werken van Dostojewski onuitputtelijk zijn. Er zijn maar weinig mensen, die hun ziel zo volkomen hebben opengelegd voor de laatste geheimen van het menselijke bestaan. Maar voor ik eindig, zou ik graag nog een paar woorden willen wijden aan de journalist, zoals hij zich aan ons voordoet in het 'Dagboek van een Schrijver'

Wij herinneren ons, dat Dostojewski zijn fantastische novelle 'De Droom van een Belachelijke Man' besloot met het aankondigen van een prediking. Het leek hem plotseling, dat hij niet alleen was geroepen om te beschouwen, maar ook om actief werkzaam te zijn; dat de actieve werkzaamheid de enige waardige kroon op de beschouwing is. Hij was dat 'vreselijke' vergeten, dat hij ons zelf had verteld, namelijk dat hij al een keer had geprobeerd om te onderrichten, en dat hij met zijn onderricht wezens had 'verdorven', die zo puur waren dat zij niet wisten wat schaamte was. Hij was ook het dreigement uit de Bijbel vergeten, dat wie van de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad had gegeten, zal sterven. Misschien was hij het niet vergeten in de eigenlijke zin des woords, net zoals hij niet de andere waarheden was vergeten, die zijn tweede gezicht hem hadden geopenbaard; hij had maar één ding vergeten: dat die waarheden juist door hun aard 'nutteloos' zijn, en dat iedere poging om ze nuttig en geschikt voor alle mensen in alle tijden, universeel en noodzakelijk, te maken, hen onmiddellijk van waarheden in leugens veranderen.

'Daar' had hij een glimp van de absolute vrijheid opgevangen, waar de Grootinquisiteur het over heeft. Maar wat valt er te doen met die vrijheid te midden van mensen, die er banger voor zijn dan voor wat dan ook, die alleen iets nodig hebben wat zij kunnen aanbidden, voor wier ogen een onwankelbare autoriteit te verkiezen is boven alles, zelfs boven het leven? Wie met succes zijn ideeën wil verspreiden, moet de vrijheid verruilen voor een autoriteit, zoals, volgens Dostojewski, het Katholicisme heeft gedaan, of zelfs Luther, volgens Harnack.

Het 'Dagboek van een Schrijver' is zelfs niet het dagboek van Dostojewski, of weerspiegelt vrijwel nooit (maar desondanks bevat het 'De Zachtmoedige', 'De Droom van een Belachelijke Man' en een aantal gelijksoortige bladzijden) de meest intieme gedachten en gevoelens van Dostojewski. Het is een reeks artikelen, waarin iemand andere mensen tracht te leren, hoe zij moeten leven en wat zij moeten doen. Wij hebben al gezien dat Dostojewski soms heeft geprobeerd, zelfs in zijn romans, om die rol te spelen. Wij hebben dit doceren in 'Misdaad en Straf' ontdekt, in 'De Idioot' en de 'Demonen'. In Dostojewski´s laatste roman, 'De Gebroeders Karamazow' is die tendens bijzonder uitgesproken. De schrijver voert hier, in de figuur van Vader Zosima, het ideale type van de Meester op. Maar wij hoeven alleen maar de bleke en bloedeloze redevoeringen van Zosima te vergelijken met de vurige en bezielde woorden van Iwan en Dimitri Karamazow, om te beseffen, dat de waarheden van Dostojewski net zo bang zijn voor een algemene geldigheid en zich daar net zo moeizaam aan onderwerpen, als de gemiddelde mens aan de vrijheid. Het is de schrijver die door de mond van Zosima spreekt, net zozeer als door de mond van zijn held uit het ondergrondse, maar in het eerste geval horen wij alleen maar de woorden "collectief" of "collectief bewustzijn". Kijk maar wat er met Dostojewski zelf gebeurt als hij het over Vader Therapont heeft; toen Dostojewski probeerde om een grote kluizenaar te schetsen, een Styliet, die de fantasie van het collectieve bewustzijn moest behagen, lukte het hem alleen maar om een figuur te schilderen die bijna komisch was….Maar toen hij Kirilow beschreef, die hij zelfs tot zelfmoord moest veroordelen, werd deze zwijgende, eenzame man onder zijn pen een grandioze, diep ontroerende persoon.

Dostojewski wilde, dat iedereen de woorden van Vader Zosima zou kunnen begrijpen, tot zelfs Claude Bernard aan toe. En inderdaad vielen ze bij iedereen in de smaak; ze ontspannen de lezers, die heel goed weten wat het leven is en wat de dood. Maar als je die oneindig lange preken leest, ben je verbaasd over het geduld dat Dostojewski moet hebben gehad met het schrijven ervan. Er is geen spoor te vinden van die geestelijke spanning, van die 'imponderabilia' waarmee Dostojewski zielen zo diep wist te ontroeren, en die Pascal het geheimzinnige recht gaven om zijn denken tegenover de hele wereld te stellen.

Het is verbijsterend, dat Dostojewski zelf, Smerdjakow, (zij het ook, weliswaar, slechts één keer), een 'beschouwer' noemt. Zosima en Aljosja, zijn mannen van actie, die daarom tot die vertegenwoordigers van het collectieve bewustzijn behoren, volgens wie er niets boven zekerheid en vanzelfsprekende waarheden staat, die overal waarborgen voor eisen, zelfs voor de gril. Het grootste deel van Dostojewski's journalistieke werk is een herhaling van de woorden, toespraken en geschriften van Zosima en Therapont. Zosima geeft raad, behandelt zieken, geeft aalmoezen en troost. Therapont drijft duivels uit. Om te kunnen handelen zag Dostojewski zich genoodzaakt om zijn tweede gezicht ondergeschikt te maken aan zijn vertrouwde, gewone, menselijke gezicht, dat zowel overeenstemde met de bevindingen van zijn andere zintuigen, als met die van zijn verstand. Hij wil de mensen leren hoe ze moeten leven, of, om zijn eigen uitspraak te gebruiken, 'hoe ze op aarde in het reine moesten komen met God.' Maar het is op aarde evenmin mogelijk om mét God in het reine te komen als zonder God. Dostojewski heeft het ons, dus ook zichzelf verteld in de 'Grootinquisiteur': openbaringen worden niet aan de mensen gegeven, om hun leven te verlichten of om 'stenen in brood' te veranderen; en ook niet, om de loop van de 'geschiedenis' te veranderen. De geschiedenis kent maar één richting, van het verleden, door het heden heen, naar de toekomst; maar de openbaring vooronderstelt een tweede pad. Iedereen die een historische invloed wil uitoefenen, moet afstand doen van zijn vrijheid en zich onderwerpen aan de noodzakelijkheid. Daarom ook heeft de Kwade Geest, de verleider, tot Christus gezegd: als je "alle koninkrijken van de wereld" wil bezitten, moet je mij aanbidden! Iedereen die weigert te buigen en het 'twee maal twee is vier' te aanbidden, zal nooit meester van de wereld zijn.

Ik ben het niet zelf, die al die dingen zegt; het zijn Dostojewski's eigen woorden, als hij met zichzelf alleen is. Maar zodra hij in het gezelschap van anderen is, wordt hij net als zij. Zijn eigen ervaring, wat hij met zijn eigen ogen had gezien, werd een zware last voor hem. De mensen willen de ervaring waar Kant en de wetenschapsfilosofie het over hebben, de ervaring die stenen in brood doet veranderen, in datgene wat de wereld kan verzadigen, en die eens en voor altijd de gril, het levende individu en de uitzondering in het algemene principe zal veranderen, dat de wet boven het leven zal stellen, omdat zij de wet als het wezen van het leven zien en eigenzinnigheid van het 'twee maal twee is vier', en de andere vanzelfsprekende feiten, als het bewijs van hun goddelijke oorsprong.

Het resultaat is ongehoord. Geperst in de mal van de 'collectiviteit' worden de extases van Dostojewski slaven van dagelijkse behoeften. Af en toe drukt Dostojewski gewoon het stempel van de andere wereld op de gangbare meningen. Hij voorspelt, bemoedigt de zwakken, doet hun hoop herleven, overreedt en drijft zelfs soms, net als Therapont, duivels uit. Geen enkele van zijn voorspellingen is uitgekomen. Hij zei, dat Rusland Constantinopel zou veroveren, dat Rusland nooit een klassenstrijd zou meemaken, dat West-Europa in bloed zou ondergaan en in zijn doodstrijd Rusland te hulp zou roepen, enz. Je kunt je leven op aarde niet zonder God regelen, maar volgens hem is dat met God wel mogelijk. Wij zien nu, hoe wreed Dostojewski zich heeft vergist. Rusland gaat onder in bloed en is het toneel van gruwelen zoals Europa nooit heeft gekend. En hoe merkwaardig het ook mag lijken: dat gebeurt misschien juist omdat die mensen, die eeuwenlang het lot van Rusland hebben bepaald, op aarde met God in het reine wilden komen; zij wilden zich laten leiden door de waarheden, die aan Dostojewski door zijn tweede gezicht waren geopenbaard, maar voor hen verborgen waren.

Dostojewski heeft dat zelf begrepen; enthousiast vertelt hij ons in de 'Groot-inquisiteur' dat de mensen God hebben verloochend omdat Hij zich niet wilde bekommeren om hun aardse voorspoed, hun 'gril' niet wilde waarborgen. En toch ging hij door met prediken met het veranderen van de waarheden van de andere wereld in oordelen met een universele geldigheid. In zijn contact met de andere wereld had hij een glimp van de ultieme vrijheid gezien, maar toen hij tot zijn medemensen sprak, herhaalde hij, samen met de Slavofielen, dat Rusland het meest vrije land ter wereld was, en eiste, als een tiran, dat iedereen net zo moest denken als hij. Hij herinnerde zich, dat hem in zijn ervaring was geopenbaard, dat 'de mens misschien wel meer van het lijden houdt dan van het gelukkig zijn, meer van afbraak, houdt dan van opbouw', dat 'hier alles begint, maar niets eindigt', dat 'God het onmogelijke eist', dat het 'twee maal twee is vier' het principe van de dood is, etc.. En uit al die plotselinge, onbepaalde, grillige, en onzekere waarheden probeert hij een politiek programma op te stellen, een verzameling regels, die een leidraad kunnen zijn voor de praktijk van het leven.

Het is niet moeilijk om je voor te stellen, wat daarvan terecht is gekomen. De dorst naar de absolute vrijheid, waardoor hij wordt gekweld, resulteert uiteindelijk in die naïeve Slavofiele verklaring, dat Rusland het meest vrije van alle landen is; een verklaring die Dostojewski, die niet bang was voor de 'wet van de non-contradictie', verkondigt voor het aangezicht van het despotisme, dat Rusland naar de rand van de afgrond leidde. 'De mens houdt misschien meer van het lijden dan van het gelukkig zijn' wordt ten behoeve van de 'actie' veranderd in een formulering, die er ogenschijnlijk wat op lijkt, maar in werkelijkheid volstrekt anders is: 'het Russische volk houdt van het lijden'. Ook zonder Dostojewski was die 'waarheid' maar al te goed bekend bij de mensen, die de lotgevallen van Rusland bepaalden en die, door het lijden van haar volk te vermenigvuldigen, de toestand teweeg hebben gebracht, waar wij nu getuige van zijn. Je zou uitvoerig over dit onderwerp kunnen spreken, maar ik denk dat het beter is om daarover te zwijgen; iedereen, die de lotgevallen van Rusland ter harte gaan, begrijpt maar al te goed, dat de mensen die die lotgevallen besturen, niet 'ongestraft het gezonde verstand en de wetenschap kunnen veronachtzamen'.

Je kunt niet het bestaan van God bewijzen. Je kunt Hem niet in de geschiedenis zoeken. God is de vleesgeworden 'gril', die alle waarborgen verwerpt. Hij staat buiten de geschiedenis, net als alles dat mensen als het το τιμιωτατον beschouwen.

Dat is de betekenis van alle werken van Dostojewski; en dat is ook de betekenis van de raadselachtige woorden van Euripides, die ik in het begin van deze monografie heb aangehaald:

τις δ' οιδειν, ει το ζην μεν εστι κατθανειν, το κατθανειν δε ζην.

September 1921

Naar boven