Home

DE KLEINE JOHANNES (1886) Hertaling

FREDERIK VAN EEDEN (1860-1932)


Portret Frederik van Eeden         Titelpagina De kleine Johannes


Aan mijn vrouw


I


    Ik zal je iets over de kleine Johannes vertellen. Het lijkt veel op een sprookje, mijn verhaal, maar het is toch allemaal echt zo gebeurd.

Zodra je het niet meer gelooft, moet je niet verder lezen, want dan schrijf ik niet voor jou. Ook mag je er nooit met de kleine Johannes over praten, als je hem soms tegen zou komen, want dat zou hem verdriet doen en dan zou ik er spijt van hebben, dat ik je dit allemaal verteld heb.

    Johannes woonde in een oud huis met een grote tuin. Je kon er moeilijk de weg te vinden, want in het huis waren veel donkere overloopjes, trappen, kamertjes en grote rommelzolders, en in de tuin waren overal schuttingen en broeikassen. Het was een hele wereld voor Johannes. Hij kon er verre tochten in maken en hij gaf namen aan alles wat hij ontdekte.

    Voor het huis had hij namen uit het dierenrijk: de rupsenzolder, omdat hij er rupsen groot bracht; het kippenkamertje, omdat hij daar ooit een kip gevonden had. Die was er niet vanzelf gekomen, maar daar door Johannes' moeder neergezet om te broeden. In de tuin koos hij namen uit het plantenrijk, en lette daarbij vooral op de voortbrengsels, die voor hem van belang waren. Zo onderscheidde hij een frambozenberg, een peertjesbos en een aardbeiëndal. Helemaal achter was een plekje, dat hij het paradijs noemde en daar was het natuurlijk heel heerlijk. Daar was een groot water, een vijver, waar witte waterlelies in dreven en het riet lange fluisterende gesprekken hield met de wind. Aan de overkant lagen de duinen. Het paradijs zelf was een klein grasveldje aan deze oever, omringd door kreupelhout, waartussen het nachtegaalskruid hoog opschoot. Daar lag Johannes vaak in het dichte gras en tuurde tussen de schuifelende rietbladen door over het water naar de duintoppen. Op warme zomeravonden was hij daar altijd en lag uren te staren, zonder zich ooit te vervelen. Hij dacht aan de diepte van het stille, heldere water voor zich, hoe gezellig het daar moest zijn, tussen die waterplanten, in dat vreemde schemerlicht, en dan weer aan de verre, prachtig gekleurde wolken, die boven de duinen zweefden, en wat daar wel achter zou zijn en of het heerlijk zou zijn daarheen te kunnen vliegen.

Als de zon juist was ondergegaan, stapelden de wolken zich daar zó op elkaar, dat ze de ingang van een grot leken te vormen en in de diepte van die grot schitterde het dan van een zachtrood licht. Dat was wat Johannes zou willen. Kon ik daar maar in vliegen! dacht hij dan. Wat zou daar wel achter zijn? Zou ik daar ooit, ooit kunnen komen? ...

    Maar hoe vaak hij dat ook wenste, telkens viel de grot in vale, donkere wolkjes uit elkaar, zonder dat hij er dichterbij kon komen. Dan werd het koud en vochtig aan de vijver en moest hij weer zijn donkere slaapkamertje in het oude huis gaan opzoeken.

Hij woonde daar niet helemaal alleen; hij had een vader, die hem goed verzorgde, een hond die Presto en een kat die Simon heette. Natuurlijk hield hij van zijn vader het meest, maar Presto en Simon achtte hij absoluut niet zoveel beneden hem, zoals een groot mens dat zou doen.

Hij vertrouwde zelfs meer geheimen aan Presto toe dan aan zijn vader, en voor Simon voelde hij een eerbiedig ontzag. Nou, dat was geen wonder!

Simon was een grote kat met een glanzig zwart vel en een dikke staart. Je kon aan hem zien, dat hij volkomen overtuigd was van zijn eigen grootheid en wijsheid. Hij bleef altijd even deftig en voornaam, zelfs als hij zich verwaardigde even met een rollende kurk te spelen, of achter een boom een vergeten haringkop op te kauwen. Bij de dolle baldadigheid van Presto kneep hij minachtend de groene ogen dicht en dacht: Nou ja! Die honden weten niet beter.

    Begrijp je nu, dat Johannes respect voor hem had? Met de kleine bruine Presto ging hij heel vertrouwelijk om. Het was geen mooi of statig, maar een bijzonder goeiig en slim hondje, dat nooit meer dan twee passen van Johannes weg te krijgen was en geduldig zat te luisteren naar de mededelingen van zijn meester. Ik hoef je niet te zeggen, hoeveel Johannes van Presto hield. Maar hij had toch ook heel wat ruimte in zijn hart voor anderen over. Vind je het vreemd, dat zijn donker slaapkamertje met de kleine ruitjes daar ook een grote plaats innam? Hij hield van het behang met de grote bloemfiguren, waarin hij gezichten zag en waar hij de vormen zo vaak van bestudeerd had, als hij ziek was of 's morgens wakker lag, hij hield van dat ene schilderijtje dat er hing, waarop stijve wandelaars waren afgebeeld, die in een nog stijvere tuin wandelden langs gladde vijvers, waarin hemelhoge fonteinen spoten en sierlijke zwanen zwommen; — maar het meest hield hij van de hangklok. Hij wond die altijd met zorg en aandacht op en hield het voor een noodzakelijke beleefdheid naar haar te kijken als zij sloeg. Dat ging natuurlijk alleen zolang Johannes niet sliep. Was de klok door een nalatigheid stil blijven staan, dan voelde Johannes zich erg schuldig en vroeg haar duizendmaal om vergeving. Je zou misschien lachen, als je hem met zijn kamer in gesprek zou horen. Maar let nou eens op hoe vaak je zelf in jezelf praat. Dat vind je helemaal niet belachelijk. Johannes was er bovendien van overtuigd, dat zijn toehoorders hem volmaakt begrepen en had geen antwoord nodig. Maar stiekem verwachtte hij toch wel eens een antwoord van de klok of van het behang.

    Schoolvrienden had Johannes wel, maar vrienden waren het eigenlijk niet. Hij speelde met hen en smeedde complotten op school en vormde roversbenden met hen buiten, maar hij voelde zich pas echt thuis als hij alleen met Presto was. Dan verlangde hij nooit naar de jongens, en voelde zich volkomen vrij en veilig.

    Zijn vader was een wijze en ernstige man, die Johannes vaak meenam op lange tochten door wouden en duinen; dan praatten ze weinig en Johannes liep tien passen achter zijn vader, de bloemen groetend, die hij tegenkwam en de oude bomen, die altijd maar op dezelfde plaats moesten blijven, vriendelijk met zijn handje langs de ruwe schors strijkend. En ruisend de goedige reuzen bedankten hem dan.

    Soms schreef zijn vader tijdens het lopen letters in het zand, één voor één, en Johannes spelde dan de woorden, die zij vormden en soms ook stond de vader stil en leerde Johannes de naam van een plant of dier.

    En Johannes vroeg ook vaak, want hij zag en hoorde veel raadselachtigs. Vaak stelde hij domme vragen; hij vroeg waarom de wereld was zoals zij was, en waarom dieren en planten dood moesten gaan, en of er wonderen konden gebeuren. Maar Johannes' vader was een wijze man en zei niet alles wat hij wist. Dat was goed voor Johannes.

    's Avonds voordat hij ging slapen, bad Johannes altijd een lang gebed. Dat had het kindermeisje hem zo geleerd. Hij bad voor zijn vader en voor Presto. Simon had het niet nodig, dacht hij. Hij bad ook heel lang voor zichzelf en het slot was meestal de wens, dat er toch ooit een wonder zou mogen gebeuren. En als hij amen gezegd had, keek hij gespannen in het half donkere kamertje rond, naar de figuren op het behang, die in het zwakke schemerlicht nog geheimzinniger leken, naar de deurknop en naar de klok, waar het wonder nu zou beginnen. Maar de klok bleef altijd hetzelfde wijsje tikken en de deurknop bewoog zich niet, het werd helemaal donker en Johannes viel in slaap, zonder dat het wonder gekomen was.

    Maar eens zou het gebeuren, dat wist hij.


II


    Het was warm bij de vijver en doodstil. De zon, rood en moe van haar dagelijks werk, leek een ogenblik op een verre duinrand uit te rusten, vóór ze onderdook. Bijna volmaakt weerspiegelde het gladde water haar gloeiend gezicht. De over de vijver hangende bladeren van de beuk maakten van de stilte gebruik om zich eens aandachtig in de spiegel te bekijken. De eenzame reiger, die op één poot tussen de brede bladen van de waterlelie stond, vergat dat hij erop uitgegaan was om kikkers te vangen en tuurde in gedachten verzonken langs zijn neus.

    Daar kwam Johannes het grasveldje op, om de wolkengrot te zien. Plomp! plomp! sprongen de kikkers van de kant. De spiegel trok rimpels, het beeld van de zon brak in brede strepen uit elkaar en de beukenbladeren ritselden verstoord, want zij waren nog niet klaar met hun beschouwen.

    Vastgebonden aan de naakte wortels van de beuk lag een oude kleine boot. Het was Johannes ten strengste verboden daarin te gaan. O, wat was op deze avond de verleiding sterk! De wolken vormden zich al tot een ontzaglijke poort, waarachter de zon te ruste zou gaan. Schitterende rijen wolkjes schaarden zich daarnaast als een goudgeharnaste lijfwacht. Het watervlak gloeide mee, en rode vonken vlogen als pijlen door het oeverriet.

    Langzaam maakte Johannes het touw van de boot van de beukenwortels los. Wat zou het heerlijk zijn midden in die pracht te drijven! Presto was al in de boot gesprongen en nog vóór zijn baasje het zelf wilde, schoven de riethalmen uit elkaar en dreven zij beiden weg in de richting van de avondzon. Johannes lag op de voorsteven en staarde in de diepte van de lichtgrot. — Vleugels! dacht hij, nu vleugels! en dan daarheen!

    De zon was verdwenen. De wolken gloeiden verder. In het oosten was de hemel donkerblauw. Daar stond een rij wilgen langs de oever. Roerloos staken zij hun smalle witte blaadjes in de stille lucht. Tegen de donkere achtergrond leek dat wel prachtig bleekgroen kantwerk.

    Stil! wat was dat? Het schoot als een suizelen over het watervlak, — als een lichte windvlaag, die een spitse ploegsnede in het water groeft. Het kwam vanaf de duinen, vanaf de wolkengrot.

    Toen Johannes omkeek, zat een grote blauwe waterjuffer op de rand van de boot. Zo groot had hij er nog nooit een gezien. Zij zat stil, maar haar vleugels bleven in een wijde cirkel trillen. Het leek voor Johannes, alsof de punten van haar vleugels een lichtende ring vormden.

    Dat moet een vuurvlinder zijn, dacht hij, die zijn heel zeldzaam.

    Maar de ring werd groter en groter en de vleugels trilden zo snel, dat Johannes niet meer dan een nevel zag. En langzamerhand zag hij vanuit die nevel twee donkere ogen schitteren, en een lichte, ranke gestalte, in een teerblauw kleedje, zat op de plaats van de libel. In het blonde haar was een krans van witte winde en aan de schouders zaten gazen vleugels, die als een zeepbel in duizend kleuren schitterden.

    Een huivering van geluk doortintelde Johannes. Dát was een wonder!

    "Wil je mijn vriend zijn?" fluisterde hij.

    Dat was wel een rare manier om een vreemde aan te spreken, — maar het ging er hier niet gewoon aan toe. En hij had een gevoel, alsof hij het vreemde, blauwe wezen al lang kende.

    "Ja Johannes!" hoorde hij en de stem klonk als het schuifelen van het riet in de avondwind of het ruisen van de regen op de bladeren in het bos.

    "Hoe moet ik je noemen?" vroeg Johannes.

    "Ik ben geboren in de kelk van een winde. Noem mij maar Windekind!"

    En Windekind lachte en staarde Johannes zo vertrouwelijk in de ogen, dat het hem wonderbaarlijk zalig te moede werd.

    "Het is vandaag mijn verjaardag," zei Windekind, "ik ben hier in de omtrek geboren, uit de eerste stralen van de maan en de laatste van de zon. Ze zeggen wel dat de zon vrouwelijk is. Dat is niet waar. Hij is mijn vader."

    Johannes nam zich voor, morgen op school over de zon te praten.

    "En kijk! daar komt het ronde, blanke gezicht van mijn moeder al te voorschijn. Dag moeder! O, o, wat kijkt ze weer goedhartig en somber!"

    Hij wees naar de Oosterkimmen. Groot en glanzig rees toie de maan aan de grauwe hemel, achter het kantwerk van de wilgen, dat zwart tegen de lichte schijf afstak. Zij zette echt een heel pijnlijk gezicht.

    "Kom! kom! moeder! het is niets. Ik kan hem toch vertrouwen!"

    Het fraaie wezen trilde vrolijk met de gazen vleugels en tikte Johannes met de Irisbloem, die hij in de hand had, op de wang.

    "Zij vindt het niet goed dat ik bij jou gekomen ben. Jij bent de eerste. Maar ik vertrouw je, Johannes. Je mag nooit, nooit aan een mens mijn naam noemen of over mij praten. Beloof je dat?"

    "Ja, Windekind," zei Johannes. Het was nog zo vreemd voor hem. Hij voelde zich onuitsprekelijk gelukkig maar was bang zijn geluk te verliezen. Droomde hij? — Naast hem op de bank lag Presto rustig te slapen. De warme adem van zijn hondje stelde hem gerust. De muggen krioelden op het wateroppervlak en dansten in de zwoele lucht, net als altijd. Het was allemaal zo helder en duidelijk om hem heen. Het moest wel waar zijn. En steeds voelde hij dat Windekinds vertrouwelijke blik op hem rustte.

Toen klonk weer de zoet-ruisende stem:

    "Ik heb je vaak hier gezien, Johannes. Weet je waar ik was? — Soms zat ik op de zandgrond van de vijver tussen de dichte waterplanten en keek naar je omhoog, als je over het water heen boog, om te drinken of om de watertorren en salamanders te bekijken. Maar mijzelf heb je nooit gezien. Vaak ook keek ik naar je vanuit het dichte riet. Daar ben ik heel vaak. Daar slaap ik meestal, als het warm is. In een leeg karkietennest. Ja! dat is heel zacht."

    Windekind wiegde vergenoegd op de rand van de boot en sloeg met zijn bloem naar de muggen.

    "Nu kom ik je wat gezelschap houden. Het is anders zo eentonig, jouw leven. Wij zullen goede vrienden zijn en ik zal je veel vertellen. Veel betere dingen dan de schoolmeesters je wijsmaken. Die weten er absoluut niets van. En als jij mij niet gelooft, zal ik je het zelf laten zien en horen. Ik zal je meenemen."

    "O, Windekind! lieve Windekind! kun je mij daarheen meenemen?" riep Johannes, en wees naar de kant, waar net nog het purperen licht van de ondergaande zon uit de gouden wolkenpoort gestraald had. Maar het stralende gevaarte ging al in grijze nevelen vervloeien. Toch drong de bleekrode glans nog uit de verste diepte te voorschijn.

    Windekind staarde in het licht, dat zijn fijne gezichtje en zijn blonde haren verguldde, en schudde zachtjes het hoofd.

    "Nu niet! — nu niet! Johannes. Je moet niet meteen teveel vragen. Ik ben zelf nog nooit bij Vader geweest."

    "Ik ben altijd bij mijn vader," zei Johannes.

    "Nee! dat is je vader niet. Wij zijn broers, mijn Vader is ook de jouwe. Maar je moeder is de aarde en daarom verschillen wij veel van elkaar. Ook ben je in een huis bij mensen geboren en ik in een windekelk. Dat laatste is vast beter. Maar wij zullen het toch goed samen kunnen vinden!"

    Toen sprong Windekind lichtjes op de zijkant van de boot, die niet bewoog onder die last, en kuste Johannes op het voorhoofd.

    Wat was dat een vreemde gewaarwording voor Johannes! Het was of alles om hem heen veranderde.

    Hij zag alles nu veel beter en juister, dacht hij. Hij zag hoe de maan nu veel vriendelijker keek, — en hij zag, dat de waterlelies gezichten hadden, waarmee zij hem verwonderd en peinzend aanstaarden.

    Hij begreep nu opeens, waarom de muggen zo vrolijk op en neer dansten, altijd om elkaar heen, op en neer, tot ze met hun lange benen het water raakten. Hij had er wel eens over nagedacht, maar nu begreep hij het vanzelf.

    Hij hoorde ook wat het riet fluisterde en hoe de bomen aan de oever er zachtjes over klaagden, dat de zon was ondergegaan.

    "O, Windekind! ik dank je, dat is heerlijk. Ja, wij zullen het vast goed samen kunnen vinden!"

    "Geef mij een hand," zei Windekind, en sloeg de veelkleurige vleugels uit. Toen trok hij Johannes in de boot voort over het water, door de plompeblaren, die in het maanlicht glinsterden.

    Hier en daar zat een kikker op een blad. Maar nu sprong hij niet in 't water als Johannes kwam. Hij maakte alleen een kleine buiging en zei: "Kwak!" Johannes boog beleefd terug, — hij wilde zich vooral niet verwaand tonen.

    Toen kwamen zij bij het riet, dat was breed en de hele boot verdween er in, zonder dat zij het land bereikten. Maar Johannes pakte zijn begeleider stevig vast en toen klauterden zij, tussen de hoge halmen door, aan land.

    Johannes dacht wel, dat hij kleiner en lichter was geworden, maar dat was misschien verbeelding. Toch herinnerde hij zich niet dat hij ooit tegen een riethalm had kunnen opklimmen.

    "Let nu goed op," zei Windekind, "nu zult je iets leuks zien."

    Zij wandelden tussen het hoge gras onder donker kreupelhout door, dat hier en daar een smal, glanzig straaltje van het maanlicht doorliet.

"Heb je 's avonds de krekels wel eens gehoord, Johannes, in de duinen? — Het lijkt of zij een concert maken nietwaar? en je kunt nooit horen, waar het geluid vandaan komt. Nou, zij zingen nooit voor hun plezier, maar dat geluid komt uit de krekelschool, waar honderd krekeltjes hun lessen van buiten leren. Wees nu stil, want wij zijn er bijna."

    Shrrr! Shrrr!

    Het kreupelhout werd minder dicht, en toen Windekind met zijn bloem de grashalmen uit elkaar schoof, zag Johannes een helder verlicht open plekje, waar de krekeltjes bezig waren tussen het dunne, spichtige duingras hun lessen te leren.

    Shrrr! Shrrr!

    Een grote, dikke krekel was meester en overhoorde hen. Eén voor één sprongen de leerlingen naar hem toe, altijd met één sprong heen en één sprong weer naar hun plaats terug. Wie mis sprong moest op een paddestoel te kijk staan.

    "Luister goed Johannes! dan kun je misschien óók wat leren," zei Windekind.

    Johannes verstond heel goed wat de krekeltjes antwoordden. Maar het leek in niets op wat de meester op zijn school vertelde. Eerst kwam aardrijkskunde. Van de werelddelen wisten zij niets. Zij moesten alleen 26 duinen kennen en twee vijvers. Van wat er verder was kon niemand iets weten, zei de meester, en wat erover verteld werd, was hoogmoedige fantasie.

    Toen kwam de plantkunde aan de beurt. Daarin waren ze allemaal erg knap en er werden veel prijzen uitgedeeld, uitgezochte jonge en malse grashalmpjes van verschillende lengte.

    Maar de dierkunde verbaasde Johannes het meest. De dieren werden verdeeld in springende, vliegende en kruipende. De krekels konden springen en vliegen en stonden dus bovenaan, dan volgden de kikkers. Vogels werden met alle tekenen van afschuw hoogst schadelijk en gevaarlijk genoemd. Eindelijk werd ook de mens besproken. Het was een groot, nutteloos en schadelijk dier, dat zeer laag stond, omdat het vliegen noch springen kon, maar dat gelukkig zeldzaam was. Een klein krekeltje, dat nog nooit een mens gezien had, kreeg drie klappen met een rietje, omdat hij de mens per ongeluk tot de onschadelijke dieren rekende.

    Zoiets had Johannes nog nooit gehoord.

    Toen riep de meester opeens: "Stilte! springoefening!" Onmiddellijk hielden alle krekeltjes op met het leren van hun lessen en begonnen op een heel kunstige en ijverige manier haasje-over te spelen. De dikke meester het eerst.

    Dat was zo´n vrolijk gezicht, dat Johannes in de handen klapte van plezier. Op dat geluid stoof de hele school in een oogwenk het duin in en werd het doodstil op het grasveldje.

    "Ja, dat komt er van, Johannes. Je moet je niet zo lomp gedragen! Je kan toch wel merken, dat jij bij de mensen geboren bent!"

    "Het spijt me, ik zal mijn best doen. Maar het was ook zo leuk!"

    "Het wordt nog veel leuker," zei Windekind.

    Zij staken het grasveldje over en beklommen het duin aan de andere kant. Oef! dat was zwoegen in het dikke zand; — maar toen Johannes Windekind bij het lichte blauwe kleedje vastgreep, vloog hij er vlug en licht tegen op. Halverwege de top was een konijnenhol.

    Het konijntje, dat er thuishoorde, lag met kop en voorpoten uit de ingang. De duinrozen bloeiden nog en hun fijne, zachte geur mengde zich met die van het tijmkruid, dat op de duintop groeide.

    Johannes had vaak konijntjes in hun hol zien verdwijnen en dan gedacht: hoe zou het er daarbinnen uitzien? Hoeveel zouden er daar wel bij elkaar zitten en zouden zij het niet benauwd hebben?

    Hij was dan ook heel blij, toen hij zijn metgezel aan het konijntje hoorde vragen of zij het hol eens mochten bekijken. "Wat mij betreft, wel!" zei het konijntje. "Maar het komt ongelukkig uit, dat ik vanavond net mijn hol heb afgestaan voor het geven van een weldadigheidsfeest, en dus eigenlijk geen baas ben in mijn huis."

    "Ei! Ei! is er een ongeluk gebeurd?"

    "Ach ja!" zei het konijntje verdrietig: "Een grote ramp! — Wij komen het in geen jaren te boven. Duizend sprongen hier vandaan is een mensenhuis gebouwd, zo groot! zo groot! — En er zijn mensen komen wonen met honden. Er zijn wel zeven leden van mijn familie bij omgekomen en nog drie keer zoveel van hun hol beroofd. En het is met de familie Muis en de familie Mol nog erger gegaan. Ook de Padden hebben zwaar geleden. — Nu hebben wij een feest op touw gezet voor de nagelaten betrekkingen. Ieder doet het zijne, ik geef mijn hol. Je moet wat over hebben voor je mede-schepselen."

    Het verdrietige konijntje zuchtte en haalde met de rechter voorpoot het lange oor over zijn kopje, om er een traan mee uit het oog te vegen. Dat was zo zijn zakdoek.

    Toen ritselde er iets in het helm en een dikke, logge gedaante kwam op het hol toe scharrelen.

    "Kijk!" riep Windekind, "daar komt vader Pad ook al aangehuppeld. Wel! wel! durf je nog zo laat op pad, Pad!"

    De Pad nam geen notitie van het grapje. Toespelingen op zijn naam verveelden hem al lang. Bedaard legde hij een volle korenaar, netjes in een droog blad gewikkeld, bij de ingang neer en klom behendig over de rug van het konijntje het hol in.

    "Mogen wij naar binnen gaan?" zei Johannes, die erg nieuwsgierig was. "Ik zal ook wat geven."

    Hij herinnerde zich dat hij in zijn zak nog een beschuitje had. Een rond beschuitje van Huntley en Palmers. Toen hij het te voorschijn haalde, merkte hij pas hoe klein hij geworden was. Hij kon het nauwelijks met twee handen optillen en begreep niet hoe het nog in zijn broekzak gepast had.

    "Dat is heel kostbaar en zeldzaam!" riep het konijntje. "Dat is een kostbaar geschenk!"

    Eerbiedig liet het aan beiden de toegang open. Het was donker in het hol en Johannes liet Windekind maar vóórgaan. Al snel zagen zij een bleekgroen lichtje naderen. Het was een glimworm, die welwillend aanbood hen voor te lichten.

    "Het belooft een gezellige avond te worden," zei de glimworm onder ‘t voortgaan. "Er zijn al veel gasten. Jullie zijn elfen lijkt me, — niet waar?" De glimworm keek daarbij een beetje wantrouwend naar Johannes.

    "Je kunt ons als elfen aandienen," antwoordde Windekind.

"Weet je dat jullie koning van de partij is?" ging de glimworm verder.

    "Is Oberon hier? Nou, dat doet mij echt veel genoegen," riep Windekind, — "ik ken hem persoonlijk."

    "O?" zei de glimworm, — "ik wist niet dat ik de eer had ..." en zijn lichtje ging bijna uit van schrik. "Ja Z.M. houdt gewoonlijk meer van de buitenlucht, maar voor een liefdadig doel is hij altijd te vinden. Het zal wel een schitterend feest zijn."

    Dat was het inderdaad. De grote zaal in het konijnenhol was prachtig versierd. De vloer was platgetrapt en met geurige tijm bestrooid; — dwars voor de ingang hing een vleermuis aan de achterpoten. Deze riep de namen van de gasten af en diende tevens als gordijn, dat was een zuinigheidsmaatregel. De wanden van de zaal waren smaakvol versierd met dorre bladen, spinnen-webben en kleine hangende vleermuisjes. Talloze glimwormen kropen daartussen en over de zoldering rond, en vormden een alleraardigste bewegende verlichting. Er was aan 't eind van de zaal een troon gebouwd van stukjes vermolmd hout, die licht gaven. Dat was een mooi gezicht!

    Er waren veel gasten. Johannes voelde zich maar half thuis in de vreemde menigte en drong zich dicht tegen Windekind aan. Hij zag er vreemde dingen. Een mol sprak druk met een veldmuis over de mooie verlichting en de versiering. In een hoekje zaten twee dikke padden hoofdschuddend tegen elkaar te jammeren over het aanhoudend droge weer. Een kikker probeerde gearmd met een hagedis een wandeling door de zaal te maken, — wat hem slecht afging, omdat hij verlegen en gejaagd was en telkens te ver sprong, waarbij hij soms de wandversiering flink in de war bracht.

    Op de troon zat Oberon, de elfenkoning, omringd door een klein gevolg van elfen, die nogal minachtend op de omgeving neerkeken. De koning zelf was zoals een vorst betaamt allerbeminnelijkst en onderhield zich vriendelijk met verschillende gasten. Hij kwam net terug van een reis uit het Oosten — en had een uitheems gewaad van schitterend gekleurde bloembladen aan. Zo´n bloemen groeien hier niet, dacht Johannes. Op het hoofd droeg hij een donkerblauw bloemkelkje, dat nog een frisse geur verspreidde, alsof het net geplukt was. In de hand hield hij de meeldraad van een lotusbloem als koningsstaf.

    Alle aanwezigen waren vol stille lof over zijn goedheid. Hij had het maanlicht in de duinen geprezen en gezegd dat de glimwormen hier bijna even mooi waren als de Oosterse vuurvliegen. Ook had hij met plezier naar de wandversiering gekeken en een mol had zelfs opgemerkt, dat hij goedkeurend met het hoofd had geknikt.

    "Ga mee," zei Windekind tegen Johannes, "ik zal je voorstellen." En zij drongen tot aan de zitplaats van de koning door.

    Oberon spreidde de armen vol vreugde uit, toen hij Windekind herkende en kuste hem. — Dit gaf een gefluister onder de gasten en jaloerse blikken van het elfengevolg. De twee dikke padden in de hoek mompelden samen iets van 'vleiers' en 'kruipen' en 'niet lang duren'; toen knikten ze elkaar veelbetekenend toe.

    Windekind sprak lang in een vreemde taal met Oberon en wenkte toen Johannes om dichterbij te komen.

    "Geef mij de hand, Johannes!" zei de koning. "Windekinds vrienden zijn de mijne. Waar ik kan, zal ik je helpen. Ik zal je een teken van ons verbond geven."

    Oberon maakte van zijn halsketen een klein gouden sleuteltje los en gaf dat aan Johannes, die het vol eerbied aannam en vast in zijn hand sloot.

    "Dat sleuteltje kan je geluk zijn," ging de koning verder. "Het past op een gouden kistje dat kostbare schatten bevat. Maar wie dat heeft, kan ik je niet zeggen. Je moet maar ijverig zoeken. Als je goede vrienden met mij en Windekind blijft en volhardend en trouw bent, zal het je wel lukken." De elfenkoning knikte daarbij hartelijk met het mooie hoofdje en overgelukkig bedankte Johannes hem.

    Toen begonnen drie kikkers, op een kleine verhoging van vochtig mos gezeten, de inleiding tot een langzame wals te zingen en er vormden zich paartjes. De niet dansenden werden door een groen hagedisje, dat als ceremoniemeester werkzaam was en schutterig heen en weer vloog, naar de kant geduwd, tot grote ergernis van de twee padden, die klaagden dat zij niets konden zien, — en daarna begon de dans.

    Dat was pas grappig. Ieder danste op zijn eigen manier en verbeeldde zich natuurlijk, dat hij het veel beter deed dan de anderen. De muizen en kikkers sprongen hoog op hun achterste poten, een oude rat draaide zo woest rond, dat alle dansers voor hem opzij weken, en ook een vette boomslak waagde een rondje met een mol, maar gaf het al snel op, onder het mom dat ze er een steek van in de zij kreeg, — de echte reden was, dat ze het niet zo goed kon.

    Het ging er echter zeer ernstig en plechtig aan toe. Ze maakten er een gewetenszaak van, en gluurden benauwd naar de koning om een teken van goedkeuring op zijn gezicht te zien. Maar de koning was bang om ontevredenen te maken en keek heel strak. Zijn gevolg achtte het beneden hun danskunst om mee te doen.

    Johannes had zich bij die ernst lang goed gehouden. Maar toen hij een klein padje zag rondzwieren met een lange hagedis, die het ongelukkige padje soms hoog boven de grond tilde en een halve cirkel in de lucht liet beschrijven, barstte zijn vrolijkheid in een schaterlach uit.

    Dat gaf opschudding. De muziek zweeg. De koning keek verstoord om. De ceremoniemeester vloog in volle vaart op de lacher toe en verzocht hem dringend zich wat gepaster te gedragen.

    "Dansen is een ernstige zaak," zei hij, "en volstrekt geen bezigheid om uit te lachen. Het is hier een deftig gezelschap, waar ze niet zo maar voor de grap dansen. Iedereen deed zijn best en niemand wilde uitgelachen worden. Dat is onbeschoft. Ze zijn hier bovendien op een treurfeest om droevige redenen. Je moet je hier fatsoenlijk gedragen en niet doen, alsof je bij mensen bent!"

    Daar schrok Johannes van. Overal zag hij vijandige blikken. Zijn vertrouwelijkheid met de koning had hem veel vijanden bezorgd.

    Windekind trok hem naar zijkant:

    "Het is maar beter, dat wij weggaan, Johannes!" fluisterde hij, "je hebt het weer verknoeid. Ja! Ja! dat komt er van, als je bij mensen bent opgevoed!"

    Haastig glipten zij onder de vleugels van de vleermuisportier door en kwamen in de donkere gang. De beleefde glimworm wachtte hen op.

    "Hebben jullie je goed geamuseerd?" vroeg hij. "Hebben jullie koning Oberon gesproken!"

    "O ja! het was een vrolijk feest," zei Johannes, "moet jij hier altijd in de donkere gang blijven?"

    "Dat is mijn eigen vrije keuze," zei de glimworm op een droeve en bittere toon. "Ik hou niet meer van die ijdelheden."

    "Kom," zei Windekind, "dat meen je niet."

    "Het is zoals ik zeg. — Vroeger, — vroeger was er een tijd dat ik ook naar feesten ging en danste en mij met zulke beuzelarijen ophield. Maar nu ben ik door het lijden gelouterd, nu ..."

    En hij werd zo ontroerd, dat zijn lichtje weer uitging. Gelukkig waren zij dicht bij de uitgang en het konijntje, dat hen hoorde aankomen, ging een stukje opzij, zodat het maanlicht naar binnen scheen.

    Zodra zij bij het konijntje buiten waren, zei Johannes:

    "Vertel ons jouw verhaal eens, glimworm!"

    "Ach!" zuchtte de glimworm, "dat is eenvoudig en droevig. Jullie zullen daar niet vrolijk van worden."

    "Vertel ´t, vertel ´t toch maar," riepen ze allemaal.

    "Nou: — jullie weten dus toch allemaal wel, dat wij glimwormen zeer bijzondere wezens zijn. — Ja, ik geloof dat niemand zou durven tegenspreken, dat wij glimwormen het hoogst begaafd zijn van al wat leeft."

    "Waarom? dat weet ik niet," zei het konijntje.

    Minachtend vroeg de glimworm toen: "Kunt jij licht geven?"

    "Nee! dat nou niet echt," moest het konijntje toegeven.

    "Nu, wij geven licht! Allemaal! En wij kunnen het laten schijnen of doven naar willekeur. Licht is de beste gave van de natuur, en licht geven het hoogste, wat een levend wezen kan bereiken. Zou iemand nog onze voorrang willen betwisten! Wij mannetjes hebben bovendien vleugels en kunnen mijlenver vliegen."

    "Dat kan ik ook niet," bekende het konijntje gewillig.

    "Door de goddelijke gave van het licht, die wij hebben," ging de glimworm verder, "ontzien ook andere dieren ons, geen vogel zal ons aanvallen. Alleen één dier, het laagste van allemaal, zoekt ons en neemt ons mee. Dat is de mens, het verfoeilijkst gedrocht van de schepping."

    Johannes keek Windekind bij deze uitval aan, alsof hij het niet begreep. Maar Windekind glimlachte en gaf hem een teken om te zwijgen.

    "Op een keer vloog ik vrolijk rond, als een helder dwaallicht tussen de donkere heesters. En op een eenzaam, vochtig grasveldje, aan de oever van een sloot, daar woonde zij, wier bestaan onafscheidelijk met mijn geluk was verbonden. Prachtig schitterde zij met een bleke smaragdglans, als zij tussen de glanshalmen rondkroop en heerlijk bekoorde zij mijn jonge hart. Ik vloog om haar heen en deed mijn best door wisselen van glans haar aandacht te trekken. Dankbaar zag ik, hoe zij mijn groet bespeurde en zedig haar lichtje verduisterde. Sidderend van emotie stond ik op het punt mijn vleugels samen te vouwen en in verrukking bij mijn stralende geliefde neer te zijgen, toen een ontzaglijk geluid de lucht vervulde. Donkere gestalten naderden. Het waren mensen. Ik nam verschrikt de vlucht. — Zij joegen mij na, en sloegen naar mij met grote, zwarte dingen. Maar sneller dan hun logge benen droegen mijn vleugels mij."

    "Toen ik terug kwam ..."

    Hier stokte de stem van de verteller. Pas na een ogenblik van stille ontroering, waarin de drie toehoorders eerbiedig zwegen, — ging hij verder:

    "Jullie kunnen het al vermoeden. Mijn tere bruid, — de glansrijkste en schitterendste van allemaal, zij was verdwenen, meegesleept door de boosaardige mens. Het stille, vochtige grasveldje was vertrapt en haar geliefde plekje aan de sloot was donker en leeg. Ik was alleen op de wereld."

    Hier haalde het gevoelige konijntje opnieuw een oor naar beneden om een traan uit het oog te vegen.

    "Sinds die tijd ben ik veranderd. Ik walg van alle ijdele vermaken. Ik denk alleen aan haar, die ik verloren heb en aan de tijd dat ik haar zal weerzien."

    "Zo! heb je daar nog hoop op?" vroeg het konijntje verheugd.

    "Ik heb meer dan hoop, — ik heb zekerheid. Daarboven zal ik mijn geliefde weerzien."

    "Maar ..." wilde het konijntje inbrengen.

    "Konijn!" zei de glimworm ernstig, "ik kan mij voorstellen, dat iemand, die in het duister moet rondtasten, twijfelt. Maar wanneer je kan zien, met eigen ogen zien — dan is elke onzekerheid mij een raadsel. Daar!" zei het glimwormpje en keek vol eerbied naar de van sterren fonkelende hemel. "Daar zie ik ze! al mijn vaderen, al mijn vrienden en ook haar, duidelijk stralen, in een nog heerlijker glans dan hier op aarde. Ach! wanneer zal ik mij uit dit lage leven kunnen opheffen, en tot haar vliegen, die mij lonkend wenkt? Ach! wanneer? wanneer?"

    Zuchtend verliet het glimwormpje zijn toehoorders en kroop weer in het donkere hol.

    "Arm schepsel!" zei het konijntje, "ik hoop dat hij gelijk heeft."

    "Ik hoop het ook," voegde Johannes daar aan toe.

    "Ik ben er bang voor," zei Windekind, "maar het was heel aandoenlijk."

    "Lieve Windekind," begon Johannes, "ik ben heel moe en heb slaap."

    "Kom dan naast mij liggen, ik zal je met mijn mantel toedekken."

    Windekind nam zijn blauwe manteltje en spreidde dat over Johannes en zichzelf uit. Zo legden zij zich neer, in het geurige mos op de duinhelling, de armen om elkaars hals geslagen.

    "Jullie hoofden liggen wat laag," riep het konijntje, "willen jullie die tegen mij aan laten rusten?"

    Dat deden zij.

    "Nacht, moeder!" zei Windekind tegen de maan.

    Toen sloot Johannes zijn gouden sleuteltje vast in de hand, vlijde zijn hoofd tegen het donzige vel van het goeie konijntje en sliep rustig in.


III


    Waar is hij dan, Presto? — Waar is het kleine baasje dan? — Wat een schrik, wakker te worden in de boot, in het riet — helemaal alleen, de baas spoorloos verdwenen. Het was om bang van te worden.

    En loop je hem nu al zolang te zoeken, onder voortdurend zenuwachtig piepen? — Arme Presto! — Hoe kon je ook zo vast slapen en niet merken dat de baas uit de boot ging? Anders word je altijd meteen wakker, zodra hij ook maar één beweging maakt.

    Nauwelijks kon je herkennen, waar de baas aan land was gegaan en hier in de duinen ben je nu het spoor helemaal bijster geraakt. Het ijverig snuffelen hielp niet. Wat een wanhoop! de baas weg! spoorloos weg! — Zoek dan Presto, zoek hem dan!

    Wacht! daar recht voor je, tegen die duinhelling, — ligt daar niet een kleine donkere gedaante? kijk eens goed!

    Een ogenblik staat het hondje onbeweeglijk, en kijkt gespannen in de verte. Dan strekt het opeens de kop vooruit en holt, vliegt met al de kracht van zijn vier dunne pootjes, naar dat donkere plekje op de duinhelling.

    Maar toen dat echt het zo smartelijk vermiste baasje bleek te zijn, toen vond hij alle pogingen nog onvoldoende om zijn hele blijdschap en dankbaarheid uit te drukken. Hij kwispelde, verdraaide zijn hele lijfje, sprong, jankte, blafte en duwde de lang gezochte zijn koude neus likkend en snuffelend in "t gezicht.

    "Koest, Presto, in je mand!" riep Johannes half slapend.

    Wat dom van de baas! Er is geen mand in de buurt, zover je kan zien.

    Langzaam begon de schemering te dagen in de ziel van de kleine slaper. Het snuffelen van Presto, dat was hij iedere morgen zo gewend. Maar voor zijn geest hingen nog lichte droombeelden van elfen en maneschijn, als morgennevels om een duinlandschap. Hij was bang dat de kille adem van de ochtend die zou verjagen. "Ogen dichthouden," dacht hij, "anders zie ik de klok en het behang weer, zoals altijd!"

    Maar hij lag raar. Hij voelde, dat hij geen deken had. — Langzaam en voorzichtig opende hij de oogleden op een kier.

    Helder licht. Blauwe hemel. Wolken.

    Toen opende Johannes de ogen wagenwijd en zei: "Is het dan toch waar?"

    Ja, hij lag midden in het duin. Vrolijke zonneschijn verwarmde hem, frisse morgenlucht ademde hij in, een fijne nevel omgaf de bossen in de verte. Hij zag alleen de hoge beuk bij de vijver en het dak van zijn huis, dat boven het groen uitstak. Bijen en kevers gonsden om hem heen, boven hem zong de opstijgende leeuwerik, in de verte klonk hondengeblaf en het gerucht van de afgelegen stad. Het was allemaal pure werkelijkheid.

    Maar wat had hij gedroomd en wat niet? Waar was Windekind? en het konijntje?

    Hij zag geen van beiden. Alleen Presto zat zo dicht mogelijk bij hem en keek hem afwachtend aan.

    "Zou ik aan ‘t slaapwandelen geweest zijn?" mompelde Johannes zacht.

    Naast hem was een konijnenhol. Maar zo waren er zoveel in 't duin. Hij richtte zich op om het goed te bekijken. Wat voelde hij daar in de nog dichtgeknepen hand?

    Een tinteling liep van de kruin van zijn hoofd tot zijn voeten, toen hij de hand opende. Daar schitterde een klein gouden sleuteltje.

    Een tijd lang zat hij sprakeloos.

    "Presto!" zei hij toen, terwijl de tranen hem in de ogen kwamen.

"Presto, het is tóch waar!"

    Presto sprong op  — en probeerde door blaffen zijn baasje aan ’t verstand te brengen, dat hij honger had en naar huis wilde.

    Naar huis? — Ja! daar had Johannes niet aan gedacht en hij had er weinig zin in. Maar al gauw hoorde hij door verschillende stemmen zijn naam roepen. Toen begon hij te begrijpen, dat zijn gedrag allebehalve braaf en passend gevonden zou worden en dat hem vast geen vriendelijke woorden te wachten stonden.

    Een ogenblik scheelde het weinig, of zijn vreugdetranen waren in één moeite door, tranen van angst en berouw geworden. Maar toen dacht hij aan Windekind, die nu zijn vriend was, zijn vriend en vertrouweling, aan het geschenk van de elfenkoning en aan die heerlijke, onbetwistbare waarheid van alles wat er gebeurd was en hij zocht kalm en op alles voorbereid de weg naar huis op.

    De ontmoeting viel niet mee. Zo erg had hij zich de onrust en angst van zijn huisgenoten niet voorgesteld. Hij moest plechtig beloven, nooit meer zo ondeugend en onvoorzichtig te zijn.

    "Dat kan ik niet," zei hij vastberaden. Daar keken ze vreemd van op. Hij werd ondervraagd, gesmeekt, gedreigd. Maar hij dacht aan Windekind en hield vol.

    Wat konden hem straffen schelen als hij Windekinds vriendschap maar behield — en wat zou hij niet allemaal voor Windekind willen lijden! Vast klemde hij het sleuteltje aan zijn borst en de lippen op elkaar, terwijl hij iedere vraag met schouderophalen beantwoordde. "Ik kan niets beloven," zei hij weer.

    Maar zijn vader zei: "Laat hem nu maar met rust, hij meent het. Er moet iets bijzonders met hem gebeurd zijn. Hij zal het ons ooit wel vertellen."

    Johannes glimlachte, at zwijgend zijn boterham en sloop naar zijn kamertje. Daar sneed hij een stuk van het gordijnkoord af, deed er het kostbare sleuteltje aan en hing het om zijn hals op de blote borst. Toen ging hij getroost naar school.

    Het ging heel slecht die dag op school. Hij kende zijn lessen geen van allen en lette helemaal niet op. Voortdurend vlogen zijn gedachten naar de vijver en naar de wonderbaarlijke gebeurtenissen van de vorige avond. Hij kon het zich nauwelijks voorstellen, dat een vriend van de elfenkoning nu weer verplicht zou zijn, sommen te maken en werkwoorden te vervoegen. Maar het was toch allemaal waar geweest, en niemand om hem heen wist er iets van af of zou het kunnen geloven of begrijpen, zelfs de meester niet, hoe boos hij ook keek en hoe neerbuigend hij Johannes ook een luie vlegel noemde. Blijmoedig verdroeg hij de slechte aantekening en maakte hij het strafwerk, dat hij zich door zijn verstrooidheid op de hals haalde.

    "Zij begrijpen het toch allemaal niet. Zij mogen mij uitschelden, zoveel zij willen. Ik blijf Windekinds vriend, en Windekind is mij meer waard dan zij allemaal samen. Ja, met de meester erbij."

    Dat was niet eerbiedig van Johannes. Maar zijn achting voor zijn medemensen was, na al het kwaad dat hij er de vorige avond over had moeten horen, niet gestegen.

    Maar, zoals het vaker gaat, hij kon zijn wijsheid nog niet verstandig genoeg toepassen, of liever, te verzwijgen.

    Toen de meester vertelde, dat alleen de mens door God met rede was begiftigd en als heerser was gesteld over alle andere dieren, begon hij te lachen. Dat bezorgde hem een slechte aantekening en een ernstige vermaning. En toen zijn buurman uit een themaboek de volgende zin oplas: "De ouderdom van mijn plaagzieke tante is groot, maar niet zo groot als die van de zon" — riep Johannes haastig en luid: "van den zon!"

Allemaal lachten ze hem uit en de meester, verbaasd, over zo´n arrogante domheid, zoals hij het noemde, liet Johannes nablijven en honderdmaal overschrijven: "De ouderdom van mijn plaagzieke tante is groot, maar niet zo groot als die van de zon, maar het grootst  is mijn arrogante domheid."

De leerlingen waren verdwenen en Johannes zat eenzaam in het grote schoollokaal te schrijven. Het zonlicht scheen vrolijk naar binnen, deed duizenden stofjes glinsteren op zijn weg en vormde op de gewitte muur lichte plekken, die met de wisseling van de uren langzaam voortkropen. De meester was weggegaan en had de deur hard dichtgeslagen. Johannes was al aan de twee-en-vijftigste plaagzieke tante, toen een klein, vlug muisje, met zwarte kraaloogjes en zijdeachtige oortjes, uit de verste hoek van het lokaal onhoorbaar langs de muur aan kwam lopen. Johannes hield zich doodstil om het leuke diertje niet te verjagen. Het was niet schuw en kwam tot dicht bij Johannes' zitplaats. Toen gluurde het een tijdlang met de kleine heldere oogjes scherp in het rond — en sprong behendig met één sprong op de bank en met een tweede op de lessenaar, waaraan Johannes schreef.

    "Ei, ei!" zei deze, half in zichzelf, "jij bent pas een dapper muisje!"

    "Ik zou niet weten voor wie ik bang zou moeten zijn," zei een fijn stemmetje, — en het muisje liet de tandjes zien alsof het lachte.

    Johannes was al aan veel wonderlijks gewend, — maar zette nu toch weer grote ogen op. Zo midden op de dag en op school, — 't was ongelofelijk.

    "Voor mij hoef je niet bang te zijn," zei hij zacht, — bang het muisje te laten schrikken, — "kom je van Windekind?"

    "Ik kom je even zeggen, dat de meester groot gelijk heeft en dat je je strafwerk echt verdiend hebt."

    "Maar Windekind zei toch dat de zon mannelijk was, — de zon was onze vader."

    "Ja, maar dat hoeft niemand anders te weten. Wat hebben de mensen daarmee te maken. Je moet nooit over zo´n gevoelige zaken met mensen praten. Daar zijn zij te grof voor. De mens is een verbazend boosaardig en lomp wezen, die liefst alles vangt en doodtrapt wat onder zijn bereik komt. Daar hebben wij, muizen, ervaring mee."

    "Maar muisje! waarom blijf je dan in zijn buurt? Waarom ga je niet ver weg, naar de bossen?"

    "Ach, dat kunnen wij niet meer. Wij zijn te veel aan het stadsvoedsel gewend. En als je voorzichtig bent en altijd oppast om hun vallen en zware voeten te vermijden, dan is het onder mensen wel uit te houden. Wij zijn gelukkig nogal vlug. Het ergste is, dat de mens zijn eigen logheid verhelpt door een verbond te sluiten met de kat, — dat is een grote ramp, maar in het bos zijn uilen en sperwers, en sterven moeten wij toch allemaal een keer. Nou, Johannes, onthoudt mijn raad, daar komt de meester!"

    "Muisje! muisje! — ga niet weg. Vraag aan Windekind wat ik met mijn sleuteltje moet doen. Ik heb het om mijn hals gehangen, op mijn blote borst. Maar Zaterdag krijg ik schoon ondergoed en ik ben zo bang dat iemand het dan zal zien. Zeg mij, waar ik het veilig kan verstoppen, muisjelief!"

    "Onder de grond, — altijd onder de grond, — daar is alles het veiligst. Zal ik het bewaren?"

    "Nee! niet hier op school."

    "Begraaf het dan buiten in de duinen. Ik zal aan mijn neef de veldmuis laten weten, dat hij er op moet passen."

    "Dank je muisje!"

    Bom! Bom! Daar kwam de meester aanstappen. In de tijd dat Johannes zijn pen indoopte, was het muisje verdwenen. De meester, die zelf naar huis wilde, schold Johannes achtenveertig strafregels kwijt. —

    Twee dagen lang leefde Johannes in voortdurende angst. Hij werd streng in het oog gehouden en elke gelegenheid, om naar de duinen te ontsnappen, werd hem ontnomen. Het werd Vrijdag en nog liep hij met het kostbare sleuteltje rond. De volgende avond zou hij schoon ondergoed krijgen, ze zouden het sleuteltje ontdekken en het hem afnemen, — hij kreeg het koud bij de gedachte eraan. — In huis of tuin durfde hij het niet te verstoppen, — geen plekje leek hem veilig genoeg.

    Het werd Vrijdagavond en de schemering begon te vallen. Johannes zat voor het raam van zijn slaapkamer en keek verlangend naar buiten, over de groene heesters van de tuin, naar de verre duinen.

    "Windekind! Windekind! help mij," fluisterde hij angstig.

    Toen ruiste er een zachte vleugelslag naast hem, hij rook de geur van lelietjes van dalen en hoorde plotseling de bekende, zoete stem.

    Windekind zat naast hem op de vensterbank en liet de klokjes van een lelie van dalen aan de slanke stengel wiegelen.

    "Ben je daar eindelijk! — Ik heb zo naar je verlangd!" zei Johannes.

    "Ga met mij mee, Johannes, wij zullen je sleuteltje gaan begraven."

    "Ik kan niet," zuchtte Johannes bedroefd.

    Maar Windekind pakte hem bij de hand, en hij voelde hoe hij, licht als het gepluisde zaadje van een paardebloem, wegzweefde door de stille avondlucht.

    "Windekind," zei Johannes onder het zweven, "ik hou zoveel van je. Ik geloof dat ik alle mensen voor jou zou willen opgeven en Presto ook."

    Windekind zei: "en Simon?"

    "O, het kan Simon niet zoveel schelen, of ik van hem hou. Ik geloof, dat hij dat te kinderachtig vindt. Simon houdt alleen maar van de visvrouw en dat ook alleen maar, als hij honger heeft. Geloof je, dat Simon een gewone kat is, Windekind?"

    "Nee, hij is vroeger een mens geweest."

    Hoe-oe-oe! boms! — daar vloog een dikke meikever tegen Johannes aan.

    "Kun je niet beter vóór je kijken," bromde de meikever  — "dat elfengoed vliegt maar, alsof het de hele lucht in pacht had! Dat krijg je met die nietsdoeners, die altijd maar voor hun plezier rondzwerven, — iemand als ik die zijn plicht doet, altijd voedsel zoekt en zo hard eet, als hij kan, wordt er door uit de koers gebracht."

    Onder luid gebrom vloog hij verder.

    "Neemt hij ons kwalijk, dat wij niet eten?" vroeg Johannes.

    "Ja, dat is zo de meikevergewoonte. Bij de meikevers wordt het als de hoogste plicht beschouwd, veel te eten. Zal ik je eens de geschiedenis van een jongen meikever vertellen?"

    "Ja doe dat, Windekind."

    "Het was een mooie, jonge meikever, die pas uit de grond was gekropen. Nou, dat was een grote verrassing. Een heel jaar had hij onder de donkere aarde gezeten en gewacht op de eerste warme avond. En toen hij zijn kop uit de kluitjes stak, bracht al dat groen en het wuivende gras en de zingende vogels hem helemaal in verlegenheid. Hij wist niet, wat hij eigenlijk beginnen moest. Hij betastte de grashalmpjes in de buurt met zijn sprieten en stak die waaiervormig uit. Daaraan merkte hij, Johannes, dat hij een mannetje was. Hij was heel mooi in zijn soort, had glanzige, zwarte poten, een dik, bestoven achterlijf en een borstschild, dat glom als een spiegel. — Gelukkig zag hij al gauw, niet ver van hem vandaan, een andere meikever, wel niet zo'n mooie, maar een die al een dag eerder uitgevlogen en dus al heel oud was. Heel bescheiden, omdat hij nog zo jong was, roept hij deze aan."

    "Wat wou je, vriendje!" zegt de tweede uit de hoogte, omdat hij zag, dat het een nieuweling was, "wou je mij de weg vragen?"

    "Nee, ziet u!" zei de jongste beleefd, "maar ik weet niet, wat ik hier moet doen. Wat doe je zoal als meikever?"

    "Zo! zo!" zei de ander, "weet je dat niet. Nou, dat neem ik niet kwalijk, ik ben óók zo geweest; luister maar goed, dan zal ik het je zeggen. De hoofdzaak in het meikeverleven is eten. Niet ver hier vandaan is een heerlijke lindenhaag, die is daar voor ons neergezet om er zo vlijtig mogelijk van te eten."

    "Wie heeft die lindenhaag daar neergezet?" vroeg de jonge kever.

    "Wel, een groot wezen, dat het heel goed met ons meent. Iedere morgen komt hij langs de haag en wie dan het meeste gegeten heeft, neemt hij met zich mee, naar een heerlijk huis, waar een helder licht schijnt en waar alle meikevers gelukkig bij elkaar zijn. Wie echter, in plaats van te eten, de hele nacht blijft rondvliegen, wordt door de vleermuis gevangen."

    "Wie is dat?" vroeg de nieuweling.

    "Dat is een vreselijk monster met scherpe tanden, dat plotseling achter ons aan komt vliegen en ons onder afgrijselijk gekraak opeet." Toen de kever dat zei, hoorden ze boven zich een schel gepiep, dat hen door merg en been drong.

    "Hu! dat is hij," riep de oudste. "Pas op voor hem, jonge vriend. Wees dankbaar dat ik je op tijd heb gewaarschuwd. Je hebt een hele nacht voor je, verknoei die nu niet. Hoe minder je eet hoe meer kans je hebt door de vleermuis te worden verslonden. En alleen zij, die zich een ernstige levensroeping kiezen, komen in het huis met het heldere schijnsel. Denk er om! Een ernstige roeping!"

    "Toen scharrelde de kever, die een hele dag ouder was, tussen de grashalmen verder en liet de eerste getroffen achter. Weet je wat een roeping is, Johannes? Niet! Nou, dat wist die jonge kever ook niet. Het stond met eten in verband, dat begreep hij. Maar hoe moest hij bij die lindenhaag komen?

    "Vlak naast hem stond een slanke, stevige grashalm, die zachtjes wiegelde in de avondwind. Die pakte hij maar vast beet, met zijn zes kromme pootjes. Het leek een hoog gevaarte van onderaf gezien en erg steil. Toch wilde de meikever er in."

    "Dat is een roeping!" dacht hij, en begon moedig te klimmen. Het ging langzaam, — vaak gleed hij terug, — maar hij vorderde; en toen hij eindelijk in het dunste topje was geklommen en meewiegelde met de schommelingen, voelde hij zich voldaan en gelukkig. Wat een uitzicht had hij hier! Het leek hem, alsof hij de wereld overzag. Hoe zalig was het, zo van alle kanten door lucht te zijn omgeven! Gretig zoog hij het achterlijf vol. Hoe wonderlijk werd het hem daarbij te moede! Nog hoger wilde hij!"

    "Hij lichtte de dekschilden in verrukking op, liet de vliezige vleugels even trillen. — Hoger wilde hij! Hoger! — Weer trilden zijn vleugels, — de poten lieten de grashalm los en — O, vreugde ... Hoe-oe-oe! daar vloog hij  — vrij en vrolijk in de stille, warme avondlucht." —

    "En toen?" vroeg Johannes.

    "Het vervolg is niet vrolijk. Dat vertel ik je later wel eens."

    Zij waren over de vijver heengevlogen. Een paar late, witte vlindertjes fladderden met hen mee.

    "Waar gaat de reis naartoe, elfen?" vroegen zij.

    "Naar de grote duinroos, die daar bloeit, tegen de helling, daarachter."

    "Wij gaan mee! wij gaan mee!"

    Al van verre was zij zichtbaar, met haar talrijke zachtgele zijdezachte bloemen. De knopjes waren rood gekleurd  — en de geopende bloemen vertoonden rode streepjes, als tekenen van de tijd toen zij nog knoppen waren.

    In eenzame rust bloeide de wilde duinroos en vervulde de omtrek met haar wonderzoete geuren. Zo heerlijk zijn die, dat de duinelfen daar alleen van leven.

    De vlinders dwarrelden op haar toe en kusten bloem na bloem.

    "Wij komen je een schat toevertrouwen," riep Windekind, "wil je die voor ons beschermen?"

    "Waarom niet? — waarom niet?" fluisterde de duinroos, "het wachten verveelt mij niet, — en ik denk hier niet weg te gaan, als ze mij niet weghalen. Ook heb ik scherpe doorns."

    Toen kwam de veldmuis, de neef van het muisje uit school, en groef een gang onder de wortels van de roos. Daar droeg hij het sleuteltje in.

    "Als je het nu weer hebben wil, dan moet je mij weer roepen. Dan hoef je de roos niet te beschadigen."

    De roos vlocht zijn gedoornde twijgen dicht over de ingang en zwoer plechtig het trouw te bewaken. De vlindertjes waren getuigen.

    De volgende morgen werd Johannes in zijn eigen bedje wakker, bij Presto, de klok en het behang. Het koord om zijn hals en het sleuteltje daaraan waren verdwenen.


IV


    "Jongen! Jongen! Wat is zo'n zomer toch vreselijk vervelend,"  — zuchtte één van de drie grote kachels, die op een zolder in het oude huis, in een donkere hoek bij elkaar stonden te kniezen, — "weken lang heb ik geen levende ziel gezien en geen verstandig woord gehoord. En dan die leegte van binnen. 't Is afschuwelijk!"

    "Ik zit vol spinnenwebben," zei de tweede, "dat zou 's winters ook niet gebeuren."

    "En ik ben zo stoffig, dat ik mij dood zal schamen, als tegen de winter de zwarte man weer verschijnt, zoals van Alphen zegt."  — Die wijsheid had de derde kachel natuurlijk van Johannes opgevangen, toen die 's winters voor de haard versjes opzei.

    "Je moet niet zo oneerbiedig over de Smid praten," zei de eerste kachel, die de oudste was, "dat hindert mij!"

    Ook een paar tangen en asschoppen die hier en daar op de grond lagen, in papier gewikkeld tegen 't roesten, gaven duidelijk hun verontwaardiging te kennen over die ondoordachte uitdrukking.

    Maar plotseling verstomde het gesprek, want het zolderluik werd opgetild, een lichtstraal drong tot in de duistere hoek door en stelde het gehele gezelschap in hun stoffige verwarring ten toon.

    Het was Johannes, die hun gesprek kwam storen. De zolder had altijd een grote aantrekkingskracht voor hem. Nou, na al de vreemde gebeurtenissen van de laatste tijd kwam hij er vaak. Hij vond er rust en eenzaamheid. Ook was er een venster, dat door een luik gesloten was en op de duinkant uitkeek. Het was een groot genot, dat luik plotseling open te maken, en na het geheimzinnige schemerduister van de zolder opeens het wijde, hel verlichte landschap voor zich te zien, begrensd door de blanke, zacht-golvende duinenrij.

    Er waren drie weken na die Vrijdagavond verlopen, zonder dat Johannes iets van zijn vriend bespeurd had. Het sleuteltje was nu ook weg en er was niets dat voor hem nog een zeker bewijs, dat hij niet gedroomd had. Vaak kon hij de angst niet wegredeneren, dat het allemaal toch maar inbeelding was geweest. Hij werd er stil van, en bezorgd maakte zijn vader de opmerking, dat Johannes na die nacht in de duinen vast een ziekte onder de leden had gekregen. Johannes echter verlangde naar Windekind.

    "Zou hij net zoveel van mij houden, als ik van hem?" mijmerde hij, terwijl hij aan het zoldervenster stond en over de groene, tuin vol bloemen uit staarde, "waarom zou hij dan niet vaker en langer bij mij komen. Als ik kon ... Maar misschien heeft hij meer vrienden. Zou hij daar ook van houden, meer dan van mij. Ik heb geen andere vrienden, — geen één. — Ik houd alleen van hem. Zo veel! o zo veel!"

    Tegen de diepblauwe hemel zag hij een vlucht van zes witte duiven afsteken, die met klepperende vleugelslag over het huis zwenkten. Het leek alsof één gedachte hen dreef, zo snel en gelijktijdig veranderden zij telkens van richting, alsof ze volop wilden genieten van de zee van zonlicht waarin zij zweefden.

    Opeens vlogen zij naar Johannes' dakvenstertje toe en streken met veel gefladder en wiekgeklepper op de dakgoot neer, waar zij bedrijvig kirrend heen en weer bleven trippelen. — Een van hen had een rood veertje in zijn vleugel. Hij pluisde en trok er net zolang aan, totdat hij het in de bek hield, toen vloog hij op Johannes toe en gaf het hem.

    Nauwelijks had Johannes het aangepakt, of hij voelde dat hij net zo licht en vlug werd als een van de duiven. Hij strekte zijn armen en benen uit, — de vlucht duiven vloog op, — en Johannes zweefde in hun midden mee, in de ruime, vrije lucht en de heldere zonneschijn. Niets, dan het heldere blauw en de felle schittering van de blanke duivenvleugels was er om hem heen.

    Zij vlogen over de grote tuin naar het bos, waarvan de dichte boomtoppen in de verte wuifden als de golven van een groene zee. Johannes keek naar beneden en zag zijn vader voor het open raam zitten in de huiskamer, — Simon zat met gevouwen voorpoten in de vensterbank en koesterde zich in de zon.

    "Zouden zij mij zien?" dacht hij, — maar hij durfde niet te roepen.

    Presto holde door de tuinpaden en snuffelde aan iedere heester, achter elke muur, en krabbelde tegen elk deurtje van de broeikas of de oranjerie, om zijn baasje te vinden.

    "Presto! Presto !" riep Johannes. Het hondje keek op en begon te kwispelstaarten en klagelijk te janken.

    "Ik kom terug, Presto! wachten!" riep Johannes, maar hij was al te ver weg.

    Zij zweefden boven het bos en de kraaien vlogen krassend uit de hoge toppen op, waarin zij hun nesten hadden. Het was in 't midden van de zomer en de geur van de bloeiende linden steeg in wolken uit het groene woud omhoog.

    In een leeg nest, in de top van een hoge linde zat Windekind, met zijn krans van windekelken op het hoofd. Hij knikte Johannes toe.

    "Ben je daar! dat is goed," zei hij. "Ik heb je laten halen. Nu kunnen wij lang bij elkaar blijven — als je wilt."

    "Ik wil wel graag," zei Johannes.

    Toen bedankte hij de vriendelijke duiven, die hem gebracht hadden en daalde met Windekind in het bos af.

    Daar was het fris en schaduwrijk. De wielewaal floot, altijd bijna hetzelfde maar toch net anders.

    "De arme vogel," zei Windekind, "hij was ooit een paradijsvogel. Dat zie je nog wel aan zijn vreemde gele veren, — maar hij is veranderd en uit het paradijs verjaagd. Er is een woord, dat hem zijn vroegere prachtige kleding kan teruggeven en hem weer in het paradijs terug kan brengen. Maar dat woord is hij vergeten. Nu probeert hij dag in dag uit, om het terug te vinden. Het lijkt er wel iets op, maar het juiste is het niet."

    Talloze vliegen glinsterden als zwevende kristallen in de zonnestralen, die door het donkere gebladerte drongen. Als je aandachtig luisterde, kon je hun gonzen horen als een groot eentonig concert, dat het hele bos vervulde. Het was alsof de zonnestralen zongen.

    Dik, donkergroen mos bedekte de grond en Johannes was weer zo klein geworden, dat het hem een nieuw bos op de bodem van het grote Bos toescheen. Wat een sierlijke stammetjes! — En wat groeiden ze dicht op elkaar! Het was moeilijk er tussendoor te komen en het moswoud leek ontzettend groot.

    Toen kwamen zij aan bij een mierenpaadje. Honderden mieren liepen bedrijvig af en aan, sommige droegen stukjes hout, blaadjes of grassprietjes in de kaken. Het was zo’n gewoel, dat Johannes er bijna duizelig van werd.

    Het duurde lang, voordat een van de mieren hen te woord wilde staan. Zij hadden het allemaal zo druk. Eindelijk vonden zij een oude mier, die was aangesteld om de bladluisjes, waar de mieren de honingdauw van trekken, te bewaken. Omdat zijn kudde erg rustig was, kon hij zich wel een poosje met de vreemdelingen bemoeien en hen het grote nest laten zien. Het was aan de voet van een oude boomstam aangelegd, heel groot en honderden gangen en kamertjes rijk. De bladluisherder gaf uitleg en leidde de bezoekers overal rond, tot in de kinderkamers, waar de jonge larven uit de witte windsels kruipen. Johannes was verbaasd en opgetogen.

De oude mier vertelde, dat ze erg druk waren in verband met de veldtocht, die binnenkort ophanden was. Ze zouden een andere mierenkolonie, niet ver verwijderd, met een grote macht gaan overvallen, het nest vernielen en de larven roven of doden, daarvoor zouden alle krachten nodig zijn en ze moesten dus eerst het dringendste werk afmaken.

    "Waarom is die veldtocht?" zei Johannes, "dat lijkt mij niet goed."

    "Nee! nee!" zei de luizenhoeder, "het is een zeer mooie en lofwaardige tocht. Je moet bedenken, het zijn de Strijdmieren, die wij gaan aanvallen, — wij gaan hun geslacht uitroeien en dat is een heel goed werk."

    "Zijn jullie dan geen Strijdmieren?"

    "Zeker niet! Wat denk je wel? Wij zijn Vredemieren."

    "Wat betekent dat dan?"

    "Weet je dat niet? Dat zal ik je uitleggen. Ooit waren alle mieren voortdurend aan 't vechten, — geen dag ging er voorbij zonder grote slachtingen. Toen kwam er een wijze, goede mier, die bedacht dat het veel moeite zou besparen, als de mieren onderling zouden afspreken niet meer te vechten.

    "Toen hij dat zei, vonden ze het erg vreemd en om die reden begonnen ze maar met hem in kleine stukjes te bijten. Later kwamen nog andere mieren die hetzelfde dachten. Ook die werden in kleine stukjes gebeten. Maar eindelijk kwamen er zoveel, dat het stukbijten te veel werk was voor de anderen.

    "Toen noemden zij zich Vredemieren en hielden allemaal vol dat de eerste Vredemier gelijk had; wie dat tegensprak beten zij op hun beurt in stukjes. Op die manier zijn tegenwoordig bijna alle mieren Vredemieren geworden, en de stukjes van de eerste Vredemier worden met zorg en eerbied bewaard. Wij hebben de kop. De echte. Wij hebben al twaalf andere kolonies verwoest en uitgemoord, die beweerden de echte kop te hebben. Nu zijn er nog maar vier over die dat doen. Zij noemen zich Vredemieren, maar het zijn natuurlijk Strijdmieren, — want wij hebben de echte kop en de Vredemier had maar één kop. Nu gaan wij binnenkort de dertiende kolonie uitroeien. Dat is dus wel een goed werk."

    "Ja! Ja!" zei Johannes — "het is heel merkwaardig!"

    Hij was eigenlijk een beetje bang geworden, — en voelde zich veel rustiger, toen zij de gedienstige herder dankend vaarwel hadden gezegd en ver van het mierenvolk wiegelend op een grashalm zaten uit te rusten, in de schaduw van een sierlijk varenblad.

    "Hu!" zuchtte Johannes, "dat was een bloeddorstig en dom gezelschap."

    Windekind lachte en schommelde met zijn grashalm op en neer.

    "O!"  — zei hij, — "je moet ze niet dom noemen. De mensen gaan naar de mieren om wijs te worden."

    Zo liet Windekind aan Johannes alle wonderen van het bos zien, — zij vlogen beiden tot aan de vogels in de boomtoppen en in de dichte heesters, — daalden af in de kunstige woningen van de mollen, en zagen het bijennest in de oude boomstam.

    Eindelijk kwamen zij aan op een open plek, omringd door kreupelhout. Kamperfoelie groeide er in grote overvloed. Overal slingerden zich de weelderige twijgen over de struiken en prijkten de welriekende bloemkransen tussen het groen. Een zwerm meesjes sprong en fladderde tussen de blaadjes, onder luidruchtig getjilp en gekwetter.

    "Laten we hier wat blijven," vroeg Johannes, "hier is het heerlijk."

    "Goed," zei Windekind. "Dan zul je ook iets grappigs zien."

    Op de grond stonden blauwe klokjes in het gras. Johannes ging naast een ervan zitten en begon een gesprek over de bijen en de vlinders. Dat waren goede vrienden van het klokje en daarom vlotte het gesprek ook voorspoedig.

    Wat was dat? Een grote schaduw kwam over het gras en iets als een witte wolk daalde op het klokje neer ... Nauwelijks had Johannes tijd om weg te komen, — en vloog naar Windekind, die in een hoogbloeiende kamperfoeliebloem zat. Toen zag hij dat de witte wolk een zakdoek was  — en bom! daar ging een dikke juffrouw op de zakdoek zitten en op het arme klokje dat er onder was.

    Hij had geen tijd om het te beklagen, want gerucht van stemmen en gekraak van takken vervulden de open plek van het bos. Een menigte mensen naderde.

    "Nu gaan we lachen," zei Windekind.

    Daar kwamen zij aan, de mensen. — De vrouwen met manden en paraplu’s in de hand, de mannen met hoge, rechte, zwarte hoeden op. Ze waren bijna allemaal zwart, erg zwart. In het zonnige, groene bos zagen zij eruit als grote, lelijke inktvlekken op een prachtig schilderij.

    Er werden heesters uit elkaar gedrongen, bloemen neergetrapt, nog vele witte zakdoeken uitgespreid en de lijdzame grassprietjes en de geduldige mosplantjes gaven zuchtend mee onder het gewicht dat ze te torsen kregen en vreesden nooit meer van de slag te herstellen.

    Sigarenrook krinkelde over de kamperfoeliestruiken en verdreef nijdig de tere geur van hun bloemen.

    Harde stemmen verjoegen de vrolijke mezenzwerm, die onder verschrikt en verontwaardigd getjilp in de nabije bomen toevlucht zocht.

    Een man rees op uit de menigte en ging op een heuveltje staan. Hij had lang, blond haar en een bleek gezicht. Hij zei iets en toen deden alle mensen hun mond erg wijd open en begonnen te zingen, zo hard, dat de kraaien krassend van hun hoge nesten opvlogen en de nieuwsgierige konijntjes, die van de duinrand gekomen waren om eens te kijken, verschrikt aan 't lopen gingen en een kwartier lang bleven doorlopen, toen zij al veilig weer in 't duin waren.

    Windekind lachte en sloeg de sigarenrook voor zich weg met een varentak, Johannes kwamen de tranen in de ogen, maar niet van de rook.

    "Windekind," zei hij, — "ik wil weg, het is zo afschuwelijk en zo hard."

    "Nee, wij moeten nog blijven. Je zal lachen, — het wordt nog grappiger."

    Het zingen hield op en de bleke man begon te spreken. Hij schreeuwde hard, zodat ze hem allemaal zouden verstaan, maar wat hij zei klonk erg vriendelijk. Hij noemde de mensen broeders en zusters en sprak van de heerlijke natuur en de wonderen van de schepping, van Gods zonneschijn en van de lieve vogels en bloemen ...

    "Wat is dat?" vroeg Johannes. "Hoe kan hij daarover praten? — Kent hij jou? Is hij een vriend van jou?"

    Windekind schudde minachtend het omkranste hoofdje.

    "Hij kent mij niet, — de zon, de vogels, de bloemen evenmin. Het zijn allemaal leugens wat hij zegt."

    De mensen luisterden allemaal zeer aandachtig. De dikke juffrouw, die op het blauwe klokje zat, begon een paar keer te huilen  — en wiste de tranen met de slip van haar rok af, omdat zij haar zakdoek niet gebruiken kon.

    De bleke man zei, dat God terwille van hun bijeenkomst de zon zo vrolijk had laten schijnen; toen lachte Windekind en wierp vanuit de dichte bladeren een eikel op zijn neus.

    "Hij zal het anders ervaren," zei hij, "mijn vader zou voor hem schijnen, wat verbeeldt hij zich wel."

    Maar de bleke man was teveel in vuur geraakt om op de eikel te letten, die uit de lucht leek te vallen, — hij sprak lang en hoe langer hoe harder. Op 't laatst werd hij rood en blauw in 't gezicht, balde de vuisten en schreeuwde zo hard, dat de bladeren trilden en de grashalmen ontzet heen en weer wiebelden. Toen hij eindelijk tot bedaren gekomen was, begonnen ze allemaal weer te zingen. —

    "Wel foei!" zei een merel, die vanuit een hoge boom het rumoer aanhoorde. "Is dat een afschuwelijk kabaal maken! Ik heb nog liever dat er koeien in het bos komen. Hoor dat nou eens. — Wel foei!"

    Nou! de merel is een kenner en heeft een fijne smaak.

    Na het gezang haalden de mensen uit manden, dozen en zakken, allerlei etenswaren voor de dag. Er werden papieren uitgespreid en broodjes en sinaasappels uitgedeeld. Ook flessen en glazen kwamen tevoorschijn.

    Toen riep Windekind zijn bondgenoten bijelkaar en begon de smullende troep te belegeren.

    Een dappere kikker sprong op de schoot van een oude juffrouw, vlak naast het broodje dat zij juist wilde gaan opeten en bleef daar zitten, verbaasd over zijn eigen dapperheid. De juffrouw gaf een ijselijke gil en staarde de aanvaller ontzet aan, zonder zich te durven verroeren. Het moedige voorbeeld vond navolging. Groene rupsen kropen onverschrokken over hoeden, zakdoeken en broodjes, overal angst en schrik teweegbrengend; grote dikke kruisspinnen lieten zich aan glinsterende draden neer in bierglazen, op hoofden of halzen en op hun aanval volgde steeds een luid gegil; talloze vliegjes bestormden de mensen regelrecht in 't gezicht en offerden hun leven voor de goede zaak, door zich op spijzen en dranken te storten en ze met hun lichaam onbruikbaar te maken. Eindelijk kwamen de mieren in onafzienbare scharen en tastten de vijand op de meest onverwachte plaatsen, bij honderden tegelijk, aan. Dat bracht een verwarring en ontsteltenis teweeg! Haastig vlogen mannen en vrouwen van de zo lang verdrukte mos- en grasplantjes op; — ook het arme, blauwe klokje werd bevrijd, door de welgeslaagden aanval van twee oorwurmen op de benen van de dikke juffrouw. De vertwijfeling nam toe: dansend en springend, onder de meest zonderlinge gebaren, trachtten de mensen aan hun vervolgers te ontkomen. De bleke man bood lang weerstand en sloeg met een zwart stokje in 't rond, Maar een paar baldadige mezen, die geen aanvalsmiddel te min achtten en een wesp, die hem door zijn zwarte broek heen in de kuit stak, stelden hem buiten gevecht.

    Toen kon de vrolijke zon zich niet langer goed houden en verborg het gezicht achter een wolk. Grote regendruppels daalden op de strijdende partijen neer. Het was alsof door de regen plotseling een bos van grote, zwarte paddestoelen uit de grond opschoot. Dat waren de paraplu's die werden uitgeklapt. Vrouwen sloegen de rokken over het hoofd, waardoor witte onderrokken, wit gekouste benen en schoenen zonder hakken zichtbaar werden. O, wat had Windekind een pret! hij moest zich aan de bloemstengel vasthouden van 't lachen.

    Dichter en dichter stroomde de regen, hij begon het bos met een grauwe, glinsterende sluier te omhullen. Kletterende waterstralen vielen van de paraplu's, hoge hoeden en zwarte jassen, die glommen als de schilden van de watertor, de schoenen zoenden en smakten in de doorweekte grond. Toen gaven de mensen het op, en dropen bij kleine groepjes zwijgend af, een hoop papieren, lege flessen en sinaasappelschillen als onooglijke sporen van hun bezoek, achterlatend. Op het open veldje in het bos werd het weer verlaten en hoorde je spoedig niet meer dan het eentonige ruisen van de regen.

    "Kijk, Johannes! — nu hebben wij ook mensen gezien. Waarom lach je ook niet om hen?"

    "Ach, Windekind! zijn alle mensen zo?"

    "O! er zijn nog veel ergere en lelijkere. Soms razen en tieren zij en vernielen alles wat mooi en heerlijk is. Zij hakken bomen om en zetten er plompe, vierkante huizen voor in de plaats. Zij vertrappen expres de bloemen en doden voor hun plezier elk dier, dat onder hun bereik komt. In hun steden, waar zij op elkaar kruipen, is alles vuil en zwart en de lucht bedompt en vergiftigd door stank en rook. Zij zijn helemaal vervreemd van de natuur en hun medeschepsels. Daarom slaan zij zo’n dwaas en droevig figuur, als zij er in terugkeren."

    "Ach! Windekind! Windekind!"

    "Waarom huil je, Johannes? — Je moet niet huilen, omdat je bij de mensen geboren bent. Ik hou toch van je en heb je uitgekozen uit hen allemaal. Ik heb je de taal van vlinders en vogels geleerd en de blik van de bloemen leren begrijpen. De maan kent je, en de goede, milde aarde heeft je lief als haar liefste kind.

    "Waarom zou je niet blij zijn, want ik ben toch je vriend?"

    "O, Windekind, dat ben ik! dat ben ik! — maar ik moet toch huilen om al die mensen!"

    "Waarom? — Je hoeft niet bij ze te blijven, als je dat verdriet doet. Je kunt hier wonen en mij altijd vergezellen. Wij zullen wonen in het dichtste van het bos, in de eenzame, zonnige duinen of in het riet aan de vijver. Ik zal je overal brengen, op de bodem van het water tussen de waterplanten, in de paleizen van elfen en in de woningen van de kabouters. Ik zal met je zweven over velden en wouden, over vreemde landen en zeeën. Ik zal spinnen fijne kleren voor je laten maken en jou vleugels geven, zoals ik ze draag. Wij zullen leven van bloemengeur en met de elfen in het maanlicht dansen. Als de herfst komt, zullen wij met de zomer meetrekken, daarheen waar de hoge palmen oprijzen, waar kleurige bloemtrossen aan de rotsen hangen en het donkerblauwe zeeoppervlak schittert in de zon. En ik zal je altijd sprookjes vertellen. Wil je dat Johannes?"

    "Zal ik dan nooit meer onder de mensen wonen?"

    "Onder de mensen staat je eindeloos verdriet, verveling, vermoeienis en zorg, te wachten. Dag in dag uit zul je tobben en zuchten onder de last van je leven. Zij zullen je tere ziel schokken en pijnigen met hun grofheden. Zij zullen je dood vervelen en martelen. Hou je meer van de mensen dan van mij?"

    "Nee! nee! Windekind, ik wil bij je blijven!"

    Nu kon hij laten zien, hoeveel hij van Windekind hield. Ja! hij wilde iedereen en alles voor hem verlaten en vergeten. Zijn kamertje, Presto en zijn vader. Vol vreugde en vastberaden herhaalde hij zijn wens.

    De regen hield op. Onder de grauwe wolken door straalde een heldere glimlach van de zon over het woud, op de vochtige glanzende bladeren en op de druppels, die aan elk twijgje en halmpje fonkelden en de spinnenwebben versierden, die over het eikenloof gespannen waren. Langzaam steeg een fijne nevel uit de vochtige grond tussen het kreupelhout omhoog, duizend zwoele dromerige geuren meevoerend. — De merel vloog nu naar de hoogste boomtop en zong in korte, innige melodieën tot de dalende zon, — alsof zij wilde laten zien welke zang hier paste, in de plechtige avondstilte, onder de zachte begeleiding van de vallende druppels.

    "Is dat niet mooier dan mensengeluid, Johannes? — Ja! de merel weet wel de juiste toon te treffen. Hier is alles in harmonie, zo volmaakt zult je het bij mensen nooit vinden."

    "Wat is harmonie, Windekind?"

    "Dat is hetzelfde als geluk. Het is dat, waar alles naar streeft. Ook de mensen. Maar zij doen als jongens, die een vlinder willen vangen. Zij jagen haar juist weg door hun domme pogingen."

    "Zal ik het bij jou vinden?"

    "Ja Johannes! — Maar dan moet je de mensen vergeten. Het is een slecht begin, bij de mensen geboren te zijn, — maar jij bent nog jong, — jij moet alle herinneringen aan je mensenleven van je afzetten, — bij hen zou je dwalen en in verwarring, strijd en ellende geraken, het zou met je gaan als met de jonge meikever, waar ik je over verteld heb."

    "Wat is daar verder mee gebeurd?"

    "Hij heeft het heldere schijnsel gezien, waarover de oude kever sprak; hij dacht niet beter te kunnen doen, dan er dadelijk heen te vliegen. Regelrecht vloog hij een kamer in en viel in mensenhanden. Drie dagen lang is hij daar gemarteld, — hij heeft in kartonnen doosjes gezeten, — ze hebben hem draadjes aan de poten gebonden en zo laten vliegen, — toen heeft hij zich losgerukt, een vleugel en een poot verloren en is eindelijk, — hulpeloos op een vloerkleed rondkruipend en nog vruchteloos proberend de tuin te bereiken, — door een zware voet verpletterd. —

    "Alle dieren, Johannes, die in de nacht ronddwalen, zijn net zo goed kinderen van de zon als wij. En al hebben zij nooit hun schitterende vader gezien, toch drijft een onbewuste herinnering hen steeds weer naar alles waar licht uitstraalt. En duizenden arme schepsels van de duisternis vinden een jammerlijke dood door die liefde tot de zon, van wie zij al zo lang gescheiden en vervreemd zijn. Zo voert een onbegrepen, onweerstaanbare neiging de mensen ten verderve in de schijnbeelden van dat Grote Licht, dat hen doet ontstaan en dat zij niet meer kennen."

    Vragend keek Johannes op naar Windekinds ogen. Maar zij waren diep en vol geheimen, als de donkere hemel tussen de sterren. —

    "Bedoel je God?" vroeg hij eindelijk schuchter.

    "God?"  — De diepe ogen lachten zacht. — "Ik weet, Johannes, waaraan jij denkt, als jij dat woord uitspreekt. Aan de stoel voor je bed, waartegen je het lange gebedje iedere avond opzegt, — aan de groene saaie gordijnen voor het kerkraam, waar je Zondagmorgen zo lang naar kijkt, — aan de grote letters van je bijbeltje, — aan het kerkenzakje met de lange steel, — aan lelijk gezang en een muffe mensenlucht. Wat jij met die naam bedoelt, Johannes, is een belachelijk schijnbeeld, — in plaats van de zon, een grote petroleumlamp, waarop honderden en duizenden mugjes hulpeloos vastgeplakt zitten."

    "Maar hoe heet dat Grote Licht dan, Windekind? en tot wie moet ik dan bidden?"

    "Johannes, het is alsof een schimmelplantje mij zou vragen hoe de aarde heet, die met haar ronddraait. Als er een antwoord op jouw vraag zou zijn, zou jij het begrijpen zoals een aardworm de muziek van de sterren. Maar ik zal je leren bidden."

    En met de kleine Johannes, die in stille verwondering over Windekinds woorden peinsde, vloog hij uit het bos omhoog, zo hoog, dat over de duinrand een lange, als goud fonkelende streep zichtbaar werd. Zij vlogen verder, de grillig beschaduwde duinvlakte gleed onder hun blikken weg en breder en breder werd de lichtstreep. De groene kleur van de duinen week, het helm zag er vaal uit en vreemde, bleek-blauwe planten groeiden ertussen. Nog een hoge heuvelrij, een lang gestrekte, smalle zandstrook en dan de wijde, ontzaglijke zee. —

    Blauw was het grote vlak, tot aan de kim, maar onder de zon straalde een smalle strook in een verblindend rode schittering.

    Een lange, donzig witte schuimrand omzoomde het zeeoppervlak, zoals hermelijn het blauwe fluweel omzoomt.

    En aan de kim scheidde lucht en water op een fijne, wonderbare lijn. Een wonder scheen het: recht en toch gebogen, scherp en toch onbestemd, zichtbaar en toch onnaspeurlijk. Het was als de toon van een harp, die lang en dromend naklinkt, die schijnt weg te sterven en toch blijft.

    Toen ging de kleine Johannes op de duinrand zitten en staarde, — staarde in lang, roerloos zwijgen  — totdat het hem leek, alsof hij ging sterven, alsof de grote, gouden deuren van het heelal zich statig ontsloten en zijn kleine ziel het eerste licht van de oneindigheid tegemoet zweefde.

    En totdat de tranen, die in zijn wijd geopende ogen opwelden, de mooie zon omfloersten en de pracht van hemel en aarde deden wegdeinzen in een duistere, trillende schemering ...

    "Zo moet je bidden!" zei Windekind toen.


V


    Heb je wel eens op een fraaie herfstdag door het bos gedwaald? Als de zon zo stil en helder op het rijkgetinte gebladerte schijnt, als de takken kraken en de dorre bladeren ritselen onder je voet?

    Dan lijkt het woud zo moe, — het kan nog alleen maar langzaam terugwijken en leeft in oude herinneringen. Een blauwe nevel omringt het, als een droom, met geheimzinnige pracht en de glinsterende herfstdraden zweven door de lucht in een trage golving, als mooie, doelloze mijmeringen.

    Maar uit de vochtige grond, tussen mos en dorre bladeren, verrijzen dan plotseling en raadselachtig de wonderlijke gestalten van de paddestoelen. Sommige dik, wanstaltig en vlezig, andere slank en rijzig, met een geringde steel en schitterend gekleurde hoed. Dat zijn de zonderlinge droombeelden van het woud.

    Dan zie je ook op vermolmde boomstronken talloze kleine, witte stompjes, met zwarte topjes, alsof zij verbrand zijn. Sommige wijze mensen houden ze voor een soort zwammen. Maar Johannes leerde ‘t beter:

    Het zijn kaarsjes. Zij branden in stille herfstnachten, — dan zitten er de kaboutermannetjes bij en lezen in kleine boekjes.

    Dat leerde Windekind hem op zo’n stille herfstdag, en Johannes ademde een droomsfeer in met de doffe geur, die uit de bosgrond opsteeg.

    Hoe komen de bladeren van de esdoorn zo zwartgevlekt?

    "Ja, dat doen de kabouters ook," zei Windekind.

    "Als zij ‘s nachts geschreven hebben, gooien zij ‘s morgens de rest van hun inktpotjes over die bladeren uit. Zij houden niet van die boom. Van essenhout maken ze kruisjes en stelen voor kerkenzakjes."

    Johannes werd nieuwsgierig naar die kleine, vlijtige kabouters, en hij liet Windekind beloven, hem naar één van hen te brengen.

    Lang was hij al bij Windekind geweest, en hij was zo gelukkig in zijn nieuwe leven, dat hij nog weinig berouw voelde over zijn belofte, al het achtergelatene te vergeten. Er waren geen tijden van angst of eenzaamheid, waarin altijd het berouw opkomt. Windekind verliet hem nooit, en bij hem was elke plek een thuis. Rustig sliep hij in het wiegelend nest van een karkiet, dat tussen de groene riethalmen hing, al brulde de roerdomp en krasten de kraaien nog zo onheilspellend. Geen angst voelde hij bij kletterende regen of een suizende storm, — dan school hij in holle bomen, of konijnenholen, en kroop dicht onder Windekinds manteltje en luisterde naar zijn stem die sprookjes vertelde.

    En nu zou hij de kabouters zien.

    't Was er een goede dag voor. Zo stil! zo stil! Johannes dacht al hun fijne stemmetjes en het geschuifel van hun voetjes te horen. Maar het was nog middag. De vogels waren bijna allemaal weg, alleen de lijsters smulden van de felrode bessen. Eén zat er gevangen in een strik. Met uitgespreide vleugels hing hij daar en spartelde, tot het scherp omknelde pootje bijna uitelkaar scheurde. Gauw bevrijdde Johannes hem, en onder blij getwinkel vloog hij haastig weg.

    De paddestoelen hadden het druk onder elkaar.

    "Kijk mij eens!" zei een dikke duivelszwam. "Heb je ooit zo iets gezien? Kijk eens hoe dik en wit mijn steel is en wat mijn hoed glimt. Ik ben de grootste van allemaal. En dat in één nacht!"

    "Ba!" zei de rode vliegezwam, "jij bent heel lomp, zo bruin en grof. Ik wiegel op mijn slanke steel als een riethalm. Ik ben prachtig rood als de lijsterbessen en sierlijk gespikkeld. Ik ben mooier dan allemaal."

    "Stil!" zei Johannes, die hen wel kende van vroeger: "jullie zijn allebei giftig."

    "Dat is een deugd," zei de vliegezwam.

    "Ben jij toevallig een mens?" bromde de dikke schamper. "Dan mag ik lijden dat jij mij opeet."

    Dat deed Johannes echter niet. Hij nam dorre takjes en stak die in de vlezige hoed. Dat stond gek en alle anderen lachten. Ook een troepje dunne paddestoelen met bruine kopjes, die tezamen in een paar uur waren opgeschoten en elkaar verdrongen om de wereld in te kijken. De duivelszwam werd blauw van kwaadheid. Daardoor kwam zijn giftige aard voor de dag.

    Aardsterren hieven hun ronde, opgeblazen hoofdjes op vierpuntige voetstukjes omhoog. Van tijd tot tijd vloog een bruin wolkje uiterst fijn poeder uit de opening van het ronde hoofdje. Waar dat poeder in vochtige bodem neerviel, zouden zich draden door de zwarte aarde vlechten en het volgende jaar honderden nieuwe aardsterren opschieten.

    "Wat een prachtig bestaan!" zeiden zij tot elkaar.

    "Stuiven is het hoogste levensdoel! Wat een geluk te kunnen stuiven zo lang je leeft!"

    En met aandachtige toewijding dreven zij de kleine poederwolkjes de lucht in.

    "Hebben zij gelijk, Windekind?"

    "Waarom niet? — Wat kan voor hen hoger zijn?

Gelukkig dat zij niet méér willen, want zij kunnen niet anders."

    Toen de nacht was neergedaald en de schaduwen van de bomen tot een gelijkmatig duister waren ineengevloeid, hield het geheimzinnige woudleven niet op. De takjes kraakten en knapten, de dorre blaadjes ritselden hier en daar, tussen het gras en in het kreupelhout. Johannes voelde de tocht van onhoorbare vleugelslagen en was zich bewust van de nabijheid van onzichtbare wezens. Nu hoorde hij toch duidelijk stemmetjes fluisteren en voetjes trippelen. Kijk, daar in de duistere diepte van de struiken gloeide even een klein, blauw vonkje en verdween. Daar weer een  — en weer! Stil ... als hij goed luisterde, hoorde hij geschuifel in de bladeren vlak bij hem, — bij die donkere boomstronk. De blauwe lichtjes kwamen er achter te voorschijn  — en hielden halt op de top.

    Overal zag Johannes nu lichtglanzen glimmen, zij zweefden tussen het donkere gebladerte, dansten met kleine sprongen langs de grond, en daar straalde een grote tintelende massa als een blauw vreugdevuur.

    "Wat is dat voor een vuur?" vroeg Johannes. "Dat brandt prachtig!"

    "Dat is een vermolmde boomstam," zei Windekind. Zij gingen op een stil, helder lichtje af.

    "Nu zal ik je aan Wistik voorstellen. Dat is de oudste en wijste van de kabouters."

    Dichterbij gekomen, zag Johannes hem bij zijn kaarsje zitten. Duidelijk kon je bij de blauwe schijn het gerimpelde gezichtje met de grijze baard onderscheiden; hij las hardop met samengetrokken wenkbrauwen. Op het hoofd droeg hij een eikelkapje met een klein veertje, — vóór hem zat een kruisspin en luisterde naar de voorlezing.

    Toen de twee naderden, keek de kabouter zonder het hoofd op te heffen, uit zijn boekje op en trok de wenkbrauwen omhoog. De kruisspin kroop weg. "Goede avond!" zei de kabouter. "Ik ben Wistik. Wie zijn jullie beiden?"

    "Ik heet Johannes. Ik wilde graag met je kennismaken. Wat lees jij daar?"

    "Dat is niet voor jouw oren bestemd," zei Wistik; "dat is alleen voor kruisspinnen."

    "Laat het mij ook eens zien, lieve Wistik!" vroeg Johannes.

    "Dat mag ik niet. Dat is het heilige boek van de spinnen, — dat bewaar ik en mag ik nooit uit mijn handen geven. Ik heb de heilige boeken van torren en vlinders en egels en mollen en van alles wat hier leeft. Zij kunnen niet allemaal lezen  — en als zij nu iets willen weten, lees ik het hen voor. Dat is een grote eer voor mij, — een post van vertrouwen, begrijp je?"

    Het mannetje knikte een paar keer heel ernstig en stak een wijsvingertje op.

    "Waarmee was je nu bezig?"

    "Met de geschiedenis van Kribbelgauw, de grote held van de kruisspinnen, die heel lang geleden leefde en een net had, dat over drie bomen gespannen was, waarin hij miljoenen vliegen op één dag ving. Vóór Kribbelgauw's tijd maakten de spinnen geen netten en leefden van gras en dode beestjes; maar Kribbelgauw was een knappe kop en bewees, dat ook levende beestjes tot spinnenvoedsel  konden dienen. Toen vond Kribbelgauw ook de kunstige netten uit, door moeilijke berekeningen, want hij was een groot wiskunstenaar. En de kruisspinnen maken nog altijd hun netten precies, draadje voor draadje, zoals hij het geleerd heeft, maar veel kleiner. Want het spinnengeslacht is erg ontaard. Kribbelgauw ving grote vogels in zijn net en vermoordde duizend van zijn eigen kinderen, — dat was nog eens een grote spin. Uiteindelijk is er een geweldige storm gekomen en heeft Kribbelgauw met zijn net en de drie bomen, waaraan het vastzat, door de lucht meegesleept, naar verre bossen, waar hij nu eeuwig vereerd wordt om zijn grote moordlust en vlugheid."

    "Is dat allemaal waar?" vroeg Johannes.

    "Het staat in dit boekje," zei Wistik.

    "Geloof jij het?"

    De kabouter kneep één oog dicht en legde de wijsvinger langs de neus.

    "In de heilige boekjes van andere dieren, waarin over Kribbelgauw gesproken wordt, heet hij een verfoeilijk en verachtelijk monster. Maar ik hou mij er buiten."

    "Is er ook een kabouterboekje, Wistik?"

    Wistik keek Johannes enigszins wantrouwend aan.

    "Wat ben jij eigenlijk voor een wezen, Johannes? Jij hebt zo iets — zo iets — menselijks, zou ik zeggen."

    "Nee! nee! wees gerust, Wistik," zei Windekind toen, "wij zijn elfen. Maar Johannes heeft vroeger veel mensen gezien. Jij kunt hem echter vertrouwen. Het zal hem geen kwaad doen."

    "Ja! ja! dat is goed en wel, maar ik wordt de wijste van de kabouters genoemd en ik heb lang en ijverig gestudeerd vóórdat ik wist wat ik weet. Nu moet ik voorzichtig zijn met mijn wijsheid. Als ik teveel vertel, verlies ik mijn reputatie."

    "Maar in welk boekje denk jij dan, dat het ware staat?"

    "Ik heb veel gelezen, maar ik geloof niet, dat ik dat boekje ooit gelezen heb. Het is niet het elfenboekje, ook niet het kabouterboekje. Toch moet het er zijn."

    "Het mensenboekje misschien?"

    "Dat ken ik niet, maar ik zou zo denken van niet. Want het ware boekje moet groot geluk en grote vrede brengen, — daarin moet nauwkeurig staan, waarom alles is zoals het is, zodat niemand iets meer kan vragen of verlangen. Nou, zóver zijn de mensen, geloof ik, niet."

    "O! O nee!" lachte Windekind.

    "Is er echt zo’n boekje?" vroeg Johannes gretig.

    "Ja! ja!" fluisterde het kaboutertje, "ik weet het uit oude, — oude verhalen. En — stil! — ik weet ook waar het is en wie het vinden kan."

    "O! Wistik! Wistik!"

    "Waarom heb je het dan nog niet?" vroeg Windekind.

    "Geduld maar, — dat zal wel gebeuren. Een paar bijzonderheden weet ik nog niet. Maar ik zal het spoedig vinden. Ik heb er mijn leven lang voor gewerkt en naar gezocht. Want voor hem, die het vindt, zal het leven zijn als een eeuwige herfstdag, — blauwe lucht boven en blauwe nevel rondom, — maar geen vallend blad zal ritselen, geen takje zal kraken en geen druppel zal tikken, — de schaduwen zullen niet veranderen, en het goud op de boomtoppen zal niet verbleken. Wat voor ons licht lijkt, zal duister zijn, en wat voor ons gelukkig lijkt, zal droevig zijn voor hem die dat boekje gelezen heeft. Ja! dit weet ik allemaal, en ik zal het ook ooit vinden."

    Het kaboutertje trok de wenkbrauwen heel hoog op en legde de vinger op zijn mond.

    "Wistik zou jij mij kunnen leren ..." begon Johannes; Maar voordat hij kon uitpraten, voelde hij een hevige windvlaag en zag een grote, zwarte gedaante vlak boven zich, die snel en onhoorbaar voorbijschoot.

    Toen hij weer naar Wistik keek, zag hij nog even een voetje in de boomstronk verdwijnen. Wip! was het kaboutertje voorover in zijn hol gesprongen, met boek en al. Het kaarsje begon flauwer en flauwer te branden en ging opeens uit. Het zijn zeer bijzondere kaarsjes.

    "Wat was dat?" vroeg Johannes, zich in het duister angstig aan Windekind vastklemmend.

    "Een nachtuil," zei Windekind.

    Zij zwegen allebei een tijdlang. Toen vroeg Johannes: "Geloof je wat Wistik gezegd heeft?"

    "Wistik is niet zo wijs als hij zelf denkt. Zo’n boekje vindt hij nooit, en jij ook niet."

    "Maar bestaat het?"

    "Dat boekje bestaat zoals je schaduw bestaat, Johannes! Hoe hard jij ook loopt en hoe behoedzaam jij er ook naar grijpt, jij zult haar niet kunnen inhalen of pakken. En uiteindelijk merk je dat je jezelf zoekt. Wees niet dwaas en vergeet die kabouterpraat! Ik zal je honderd mooiere geschiedenissen vertellen. Ga mee; wij zullen naar de rand van 't bos gaan en kijken hoe onze goede Vader de witte wollen dauwdekens van de slapende weilanden oplicht. Ga mee!"

    Johannes ging, Maar Windekinds woorden begreep hij niet en zijn raad volgde hij niet op. En terwijl hij de schitterende herfstmorgen zag oprijzen, mijmerde hij over het boekje, waarin stond, waarom alles is zoals het is, en herhaalde zachtjes bij zichzelf: "Wistik! ..."


VI


    Toen leek het hem, de volgende dagen, alsof het niet zo vrolijk en prettig meer was bij Windekind in het bos en de duinen. Zijn gedachten waren niet helemaal meer vol van alles wat Windekind zei en hem liet zien. Telkens moest hij weer over dat boekje piekeren  — en daarover durfde hij niet te praten. Wat hij zag, leek hem niet zo mooi en wonderlijk meer als vroeger. De wolken waren zo zwart en zwaar  — en maakten hem angstig, alsof zij op hem neer zouden komen. Het deed hem pijn, als de herfstwind zo rusteloos de arme, moeie bomen schudde en zweepte, dat de bleke achterkant van de groene bladeren boven kwam en geel loof en dorre takken opvlogen in de lucht.

    Wat Windekind vertelde, gaf hem geen bevrediging meer. Veel begreep hij niet, en nooit kreeg hij een volkomen duidelijk en bevredigend antwoord, wanneer hij een van zijn oude vragen stelde.

    Dan moest hij weer aan dat boekje denken, waarin alles zo helder en eenvoudig geschreven stond, en aan die eeuwig zonnige stille herfstdag, die dan zou volgen.

    "Wistik! Wistik!"

    Windekind hoorde het.

    "Johannes! jij zal toch een mens blijven, ben ik bang. Zelfs je vriendschap is als die van de mensen, de eerste, die na mij met je sprak, heeft heel je vertrouwen weggenomen. Ach, mijn moeder had wel gelijk!"

    "Nee Windekind! maar jij bent zoveel wijzer dan Wistik, — jij bent ook zo wijs als dat boekje. Waarom zeg jij mij niet alles? Kijk nou! waarom blaast de wind door de bomen, dat zij moeten buigen en weer buigen? Kijk, zij kunnen niet meer, — de mooiste takken breken, en bij honderden laten de blaadjes los ook al zijn ze nog groen en fris. Ze zijn zo moe en kunnen zich niet meer vasthouden, en toch worden ze telkens weer opnieuw geschud en geslagen door die ruwe nijdige wind. Waarom is dat? Wat wil de wind?"

    "Arme Johannes! dat is mensentaal!"

    "Laat het stil worden, Windekind! Ik wil stilte en zonneschijn!"

    "Jij vraagt en wil als een mens, daarop is geen antwoord noch verwezenlijking. Als jij niet beter leert vragen en wensen, zal de herfstdag nooit voor je aanbreken, en zul jij net zo worden als de duizenden mensen, die Wistik gesproken hebben."

    "Zijn er zoveel?"

    "Ja, duizenden! Wistik hield zich heel geheimzinnig maar toch is hij een prater, die zijn geheim niet achterhouden kan. Hij hoopt het boekje bij de mensen te vinden, en deelt zijn wijsheid aan iedereen mee, die hem misschien kan helpen. En hij heeft daar al veel ongelukkigen mee gemaakt. Zij geloven hem en gaan het boekje zoeken, met evenveel ijver als sommigen de kunst om goud te maken. Zij offeren alles op, — vergeten heel hun bedrijf en geluk  — en sluiten zich op tussen dikke boeken, vreemde stoffen en werktuigen. Zij riskeren hun leven en gezondheid, ze vergeten de blauwe hemel en de goede, milde natuur en ook hun medemensen. Soms vinden zij mooie en nuttige dingen als goud-klompen, die zij uit hun holen op de lichte, zonnige aardoppervlakte gooien, Maar zelf bekommeren zij zich daar niet om, laten anderen er van genieten  — en graven en wroeten ingespannen en rusteloos in het duister verder. Zij zoeken geen goud, maar het boekje. Sommigen versuffen ook onder dat werk, vergeten hun doel en hun wens en dwalen af tot een jammerlijk gebeuzel. Dan heeft de kabouter hen kinds gemaakt. Je ziet ze torentjes van zand bouwen en tellen hoeveel korrels er nodig zijn voordat ze omvallen; ze maken watervalletjes en berekenen precies elk bochtje en golfje, dat het water zal maken; ze graven kuiltjes en besteden al hun geduld en vernuft, om die mooi glad en zonder steentjes te krijgen. Stoor je die arme verdwaasden in hun werk en vraag je wat zij doen, dan kijken zij je ernstig en gewichtig aan, schudden het hoofd en mompelen: "Wistik! Wistik!"

    "Ja, dit is allemaal de schuld van die kleine, nare kabouter. Pas op voor hem, Johannes!"

    Maar Johannes staarde voor zich uit naar de zwaaiende en piepende bomen; boven zijn heldere kinderogen plooide zich de tere huid tot rimpels. Nog nooit had hij zo ernstig gekeken.

    "Maar toch, — je hebt het zelf gezegd, — het boekje was er! O, ik weet zeker, daar staat ook in over het Grote Licht, dat jij mij niet vertellen wil."

    "Arme, arme Johannes!" zei Windekind, en zijn stem was boven het roezige geruis van de storm als een vredig koraalgezang, dat van verre klonk. "Heb mij lief, heb mij lief met heel je wezen. In mij vindt je meer dan dat wat je wenst. Jij zult begrijpen wat je niet bedenken kunt, en jij zult zelf zijn, wat jij wil weten. Aarde en hemel zullen je vertrouwden, de sterren zullen je naasten, de oneindigheid zal je woning zijn."

"Heb mij lief, heb mij lief! omvat mij zoals de hoprank de boomstam, blijf mij trouw zoals het meer de bodem, — in mij alleen is heel je rust, Johannes!"

    Windekinds woorden zwegen, maar het was alsof het koraalgezang voortduurde. Uit de verre verte leek het aan te zweven, plechtig en gelijkmatig, door het razen en suizen van de wind, vredig als het maanlicht, dat door de jagende wolken scheen.

Windekind breidde de armen uit, en Johannes sliep aan zijn borst, beschermd door het blauwe manteltje. —

    Maar in de nacht werd hij wakker. De stilte was plotseling en onmerkbaar over de aarde gekomen, de maan onder de kimmen gedaald. Roerloos hing het afgematte gebladerte, — een zwijgende duisternis vervulde het bos.

    Toen kwamen de vragen in een snelle, spookachtige opeenvolging in Johannes' hoofd terug en dreven het nog zo prille vertrouwen voor zich uit. Waarom waren de mensen zo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren vallen en de bloemen sterven? Waarom? Waarom?

    Daar dansten in de diepte van 't kreupelhout de blauwe lichtjes weer. Zij kwamen en gingen. Ingespannen staarde Johannes hen na. Hij zag het grote, heldere lichtje glanzen op de donkere boomstronk. Windekind sliep vast en rustig.

    "Nog één vraag!" dacht Johannes en gleed onder het blauwe manteltje vandaan.

    "Ben je daar weer!" zei Wistik en knikte hartelijk. "Dat doet mij heel veel genoegen. Waar is je vriend?"

    "Daarginds. Ik wilde je alleen nog één vraag stellen. Wil jij mij daarop antwoorden?"

    "Jij bent bij mensen geweest, nietwaar? — Is het je om mijn geheim te doen?"

    "Wie zal dat boekje vinden, Wistik?"

    "Ja, Ja! dat is het! dat is het! — Wil je mij helpen, als ik het je zeg?"

    "Als ik kan, — zeker!"

    "Luister dan, Johannes!" Wistik zette verbazend grote ogen op en trok zijn wenkbrauwen hoger op dan ooit. Toen fluisterde hij langs de rug van zijn handje: "Mensen hebben het gouden kistje, elfen hebben de gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, slechts mensenvriend opent het. Lentenacht is de juiste tijd, en roodborstje weet de weg."

    "Is dat waar? Is dat waar?" riep Johannes en dacht aan zijn sleuteltje.

    "Ja!" zei Wistik.

    "Waarom heeft niemand het dan nog gevonden? Zoveel mensen zoeken ernaar."

    "Ik heb geen mens, geen mens gezegd, wat ik je toevertrouwd heb. Ik heb nog nooit een elfenvriend gevonden."

    "Ik heb het, Wistik! ik kan je helpen!" Johannes juichte en klapte in de handen. "Ik zal het Windekind vragen."

    Weg vloog hij over mos en dorre bladeren. Maar hij struikelde telkens, en zijn gang was zwaar. Dikke takken knapten onder zijn voet, waar hij anders geen grashalmpje boog.

    Daar was de dichte varenplant, waaronder zij geslapen hadden, — wat leek die hem laag.

    "Windekind!" riep hij. Maar hij schrok van het geluid van zijn stem.

    "Windekind!" Het klonk als een mensenstem, — een schuwe nachtvogel vloog krijsend op.

    Leeg was het onder de varenstruik, Johannes zag niets.

    De blauwe lichtjes waren verdwenen; het was kil en peilloos duister om hem heen. Boven zich zag hij de zwarte schimmen van de boomkruinen tegen de sterrenlucht.

    Nog één keer riep hij. Toen durfde hij niet meer. Zijn stem was een inbreuk op de stilte, en Windekinds naam leek een spotklank.

    Toen viel het arme Johannesje neer en snikte in een radeloos berouw.


VII


    Kil en grauw was de morgen. De zwarte glimmende takken, door de storm ontbladerd, huilden in de mist.

    Over het natte, neergeslagen gras liep de kleine Johannes haastig voort, voor zich uit starend naar de kant, waar het woud lichter werd, alsof hij daar een doel had. Zijn ogen waren rood van 't huilen en strak van angst en diepe ellende. Zo had hij de hele nacht gelopen, alleen maar zoekend naar het licht, — met Windekind was het veilige thuisgevoel weg. In elke donkere plek zat het spook van de eenzaamheid, en hij durfde niet om te kijken.

    Eindelijk kwam hij aan bij de bosrand. Hij keek uit over een weiland, waarop een fijne, klamme regen langzaam neerdaalde. Er stond een paard middenin, naast een kale wilgeboom. Het stond onbeweeglijk met gebogen kop, en het water druppelde traag van zijn glimmende flanken en uit de samengepakte manen.

    Johannes liep door, langs het bos. Hij keek met een matte, angstige blik naar het eenzame paard en de grauwe regennevel en kreunde zacht.

    "Nu is alles voorbij," dacht hij; "nu zal de zon wel nooit meer terugkomen. Nu zal het voor mij altijd blijven zoals hier."

    Toch durfde hij in zijn wanhoop niet stil te blijven staan, — dan zou het vreselijkste komen, dacht hij.

    Toen zag hij het grote hek van een buitenplaats en een huisje, onder een lindeboom met heldergele bladeren.

    Hij ging het hek door en liep door de brede lanen, waar de bruine en gele lindebladeren in een dikke laag de grond bedekten. Langs de grasperken groeiden paarse asters en andere kleurige herfst-bloemen verwilderd door elkaar.

    Hij kwam bij een vijver. Daarbij stond een groot huis met lage ramen en glazen deuren. Rozenstruiken en klimop groeiden tegen de muren. Het was overal doods en gesloten. Half ontbladerde kastanjebomen stonden stil rondom, en op de grond, tussen de afgevallen bladeren, zag Johannes de glimmend bruine kastanjes blinken.

    Toen week het kille, dode gevoel van hem. Hij dacht aan zijn eigen huis, — daar waren ook kastanjebomen, en in deze tijd ging hij altijd de gladde kastanjes zoeken. Hij begon er plotseling naar te verlangen, — alsof hij een bekende stem had horen roepen. Hij ging op een bank bij het grote huis zitten en huilde zich rustig.

    Een eigenaardige geur deed hem opkijken. Er stond een man naast hem, met een witte voorschoot om en een pijp in de mond. Om zijn middel had hij stroken lindebast, waarmee hij de bloemen opbond. Johannes kende die geur zo goed, hij deed hem aan zijn eigen tuin denken en aan de tuinman, die hem mooie rupsen bracht en spreeuweneieren voor hem uithaalde.

    Hij schrok niet, — al was het een mens, die naast hem stond. Hij vertelde de man dat hij eenzaam en verdwaald was, en dankbaar volgde hij hem naar de kleine woning onder de geelgebladerde lindeboom.

    Daarbinnen zat de tuinmansvrouw en breide zwarte kousen. Boven het turfvuurtje op de haardplaat hing een grote ketel water te koken. Op de vloermat bij het vuur zat een kat met gevouwen voorpoten, net zoals Simon gezeten had, toen Johannes van huis wegging.

    Johannes werd bij het vuur gezet, om zijn voeten te drogen. "Tik! — Tik! — Tik! — Tik!" zei de grote hangklok. Johannes keek naar de stoom, die suizend uit de ketel vloog, en naar de kleine vlammetjes, die vlug en grillig om de turven huppelden.

    "Nu ben ik onder de mensen," dacht hij.

    Dat was niet vervelend. Hij voelde zich kalm en rustig. Zij waren goed en vriendelijk en vroegen hem, wat hij nu het liefst wilde.

    "Het liefst zou ik hier willen blijven," antwoordde hij.

    Hier had hij rust, en als hij naar huis zou gaan, zouden er verdriet en tranen komen. Hij zou moeten zwijgen, en ze zouden hem zeggen, dat hij kwaad had gedaan. Hij zou alles terug moeten zien en alles nog een keer moeten overdenken.

    Wel verlangde hij naar zijn kamertje, naar zijn vader, naar Presto, — maar hij droeg liever het stille verlangen hier, dan het pijnlijke moeilijke weerzien. En het was of hij hier aan Windekind kon blijven denken, en thuis niet.

    Windekind was nu vast weggegaan. Ver weg naar het zonnige land, waar de palmen over de blauwe zee heenbuigen. Hij wilde hier boete doen en op hem wachten.

    Daarom smeekte hij de beide goede mensen, of hij bij hen mocht blijven. Hij zou gehoorzaam zijn en voor hen werken. Hij zou helpen de tuin en de bloemen te verzorgen. Alleen deze winter maar. Want hij hoopte in stilte, dat Windekind in de lente zou terugkomen.

    De tuinman en zijn vrouw dachten dat Johannes was weggelopen, omdat hij thuis hard behandeld werd. Zij hadden medelijden met hem, en beloofden hem, dat hij mocht blijven.

    Hij bleef en hielp de bloemen in de tuin verzorgen. Een slaapkamertje gaven ze hem, met een bedstede van blauwe planken. Van daaruit zag hij 's ochtends de natte, gele lindebladeren langs het venster strijken en 's nachts de donkere stammen heen en weer wiegelen, waarachter de sterren verstoppertje speelden. Nu gaf hij namen aan de sterren en noemde de helderste: Windekind.

    Aan de bloemen, die hij bijna allemaal kende van huis, vertelde hij zijn verhaal. Aan de ernstige, grote asters, aan de kleurige zinnia's, aan de witte chrysanten, die zo lang bleven bloeien in het ruwe najaar. Toen alle andere bloemen dood waren, stonden de chrysanten nog, — en zelfs toen op een morgen de eerste sneeuw gevallen was en Johannes vroeg naar hen kwam kijken, staken zij hun vrolijke gezichtjes omhoog en zeiden: "Ja, wij zijn er nog! Dat had je niet gedacht!" Zij hielden zich goed, Maar twee dagen later waren zij allemaal dood.

    Maar in de serre prijkten dan nog palmen en boomvarens en hingen de vreemde bloemtrossen van de orchideeën in de vochtige zwoelte. Met verwondering staarde Johannes in hun prachtige kelken en dacht aan Windekind. Hoe kil en kleurloos leek het allemaal dan, als hij buiten kwam, de natte sneeuw met de zwarte voetstappen en de rafelende, druipende boomgeraamten.

    Alleen als de sneeuwvlokken uren en uren achter elkaar zwijgend waren neergedaald, zodat de twijgen bogen onder het aangroeiende dons, liep Johannes graag in de violette schemering van het sneeuwbeschaduwde bos. Dat was stilte, maar geen dood. En het was bijna mooier dan zomergroen, als het blinkend wit van de gekruiste takjes tegen de helderblauwe hemel afstak, of als een te zwaar beladen struik het sneeuwloof van zich af liet glijden, zodat het, tot een schitterend wolkje verstuivend, neerdaalde.

    Eens op zo’n wandeling, toen hij zo ver gekomen was, dat hij niets om zich heen zag dan sneeuw en sneeuwdragende takken, — half wit, half zwart — en alle geluid en leven verdoofd leken in het glinsterend donzen omhulsel, gebeurde het, dat hij een klein, wit diertje snel voor zich uit dacht te zien lopen. Hij volgde het, — het leek niet op een diertje, dat hij kende, — maar toen hij het wilde grijpen, verdween het plotseling in een boomstronk. Johannes tuurde in de ronde zwarte opening waarin het verdwenen was, en dacht: "Zou dat Wistik zijn?"

    Hij dacht niet veel aan hem. Het leek hem niet goed, en hij wilde zijn boete niet verzwakken. En het leven bij de twee goede mensen liet hem weinig vragen. Wel moest hij 's avonds voorlezen uit een dik boek waarin veel over God gesproken werd, maar hij kende dat boek en las gedachteloos.

    Die nacht echter, na die wandeling in de sneeuw, lag hij wakker in zijn bedstee en keek naar het koude schijnsel van de maan op de vloer. Toen zag hij opeens twee kleine handjes, die boven de beddenplank uitkwamen en zich stevig om de rand haakten. Daar verscheen de punt van een wit pelsmutsje tussen de twee handjes, en eindelijk zag hij een paar ernstige oogjes onder hoog opgetrokken wenkbrauwen.

    "Goede avond, Johannes!" zei Wistik. "Ik kwam je even herinneren aan onze afspraak. Jij kunt het boekje nog niet gevonden hebben, want het is nog geen lente. Maar denk je er wel aan? Wat is dat voor een dik boek, waarin ik je heb zien lezen? — Dat kan niet het echte zijn. Denk dat niet."

    "Dat denk ik niet, Wistik," zei Johannes. Hij draaide zich om en wilde slapen. Maar het sleuteltje wilde niet uit zijn hoofd. En als hij voortaan in het dikke boek las, dacht hij erbij, en hij zag dan duidelijk dat het niet het echte was.


VIII


    "Nu zal hij komen!" dacht Johannes, toen de sneeuw de eerste keer was weggesmolten en hier en daar de sneeuwklokjes in groepjes tevoorschijn kwamen. "Zou hij nu komen?" vroeg hij aan de sneeuwklokjes. Maar zij wisten het niet en bleven met hangende hoofdjes naar de aarde kijken, alsof zij zich schaamden over hun haast en wel weer weg wilden kruipen.

    Konden zij dat maar! — De verstijvende oostenwind begon al snel weer te blazen, en de sneeuw stapelde zich hoog op over de voorbarige stumpertjes.

    Weken later kwamen de viooltjes, hun zoete geur zweefde tussen het kreupelhout, en toen de zon lang en warm op de mossige grond geschenen had, ontloken ook de blonde primula's bij honderden en duizenden.

    De schuwe violen met hun sterke geuren waren geheimzinnige voorboden van een komende heerlijkheid, Maar de vrolijke primula's waren de blije werkelijkheid zelf. De ontwaakte aarde had de eerste zonnestralen vastgehouden en maakte er een gouden versiersel van.

    "Nu dan! nu komt hij toch vast!" dacht Johannes. Gespannen bekeek hij de knoppen aan de takken en hoe zij van dag tot dag langzaam zwollen en zich uit de schors loswrongen, tot de eerste bleekgroene puntjes tussen de bruine schubben te voorschijn kwamen. Lang bleef Johannes naar die groene blaadjes kijken, — maar hij zag ze toch nooit bewegen, en als hij zich even had omgedraaid, leken ze groter geworden te zijn. "Ze durven niet, als ik hen aankijk," dacht hij.

    Het groen begon al schaduw te werpen. Nog steeds was Windekind niet gekomen, geen duif was bij hem neergestreken, geen muisje had tegen hem gesproken. Als hij tegen de bloemen sprak, knikten zij slechts even en antwoordden niet. "Mijn straf is nog niet om," dacht hij.

    Toen kwam hij op een zonnige lentemorgen aan bij de vijver van het huis. De ramen waren allemaal wijd geopend. Zouden er mensen in gekomen zijn?

    De vogelkersstruik, die aan de vijver stond, was al helemaal met tere blaadjes overdekt, alle twijgen hadden fijne, groene vleugeltjes gekregen. Op het gras bij de vogelkers lag een meisje. Johannes zag alleen haar lichtblauwe kleedje en blonde haar. Een roodborstje, dat op haar schouder zat, pikte uit haar hand.

    Opeens draaide zij het hoofd om en zag Johannes.

    "Dag jongetje!" zei zij en knikte vriendelijk.

    Weer tintelde Johannes van het hoofd tot voeten. Dat waren Windekinds ogen, dat was Windekinds stem.

    "Wie ben je?" vroeg hij. Zijn lippen beefden van ontroering.

    "Ik ben Robinetta! — en dit is mijn vogel. Hij zal niet bang voor je zijn. Hou je van vogels?"

    Het roodborstje was niet bang voor Johannes. Het vloog op zijn arm. Dat was net als vroeger. Het moest toch Windekind zijn, dat blauwe wezen.

    "Vertel me eens hoe je heet, jongetje," zei Windekinds stem.

    "Ken jij mij niet? Weet je niet, dat ik Johannes heet?"

    "Hoe zou ik dat kunnen weten?"

    Wat betekende dat? Het was toch die bekende, zoete stem, het waren toch die donkere, hemeldiepe ogen.

    "Waarom kijk je mij zo aan, Johannes? Heb je mij ooit eerder gezien?"

    "Ja ik geloof het wel."

    "Dat heb je toch zeker gedroomd."

    Gedroomd? dacht Johannes. Zou ik alles gedroomd hebben? Of zou ik nu dromen?

    "Waar ben jij geboren?" vroeg hij.

    "Heel ver van hier, in een grote stad."

    "Bij mensen?"

    Robinetta lachte. Het was Windekinds lach. "Ik geloof het wel. Jij niet?"

    "Ach ja, ik ook!"

    "Heb je daar spijt van? — Hou je niet van mensen?"

    "Nee! — Wie houdt er nou van mensen?"

    "Wie? Wel, Johannes, wat ben je een raar jongetje! Hou je meer van dieren?"

    "O, veel meer, — en van bloemen."

    "Ik doe dat eigenlijk ook wel eens. Een enkele keer. Maar dat is niet goed. Wij moeten van mensen houden, zegt Vader."

    "Waarom is dat niet goed? ik hou van wie ik wil, of het goed is of niet."

    "Foei, Johannes! — Heb je dan geen ouders of iemand die voor je zorgt? Hou je niet van hen?"

    "Ja," zei Johannes nadenkend. "Ik hou van mijn vader. Maar niet, omdat het goed is. Ook niet omdat hij een mens is."

    "Waarom dan?"

    "Dat weet ik niet, — omdat hij niet zoals andere mensen is, omdat hij ook van bloemen en vogels houdt."

    "Dat doe ik ook Johannes! dat zie je." En Robinetta riep het roodborstje op haar hand en sprak het vriendelijk toe.

    "Dat weet ik," zei Johannes. "Ik hou ook veel van jou."

    "Nu al? Dat is vlug!" lachte het meisje. "Van wie hou je dan het meest?"

    "Van ..." Johannes twijfelde. Zou hij Windekinds naam noemen? De angst, dat die naam hem tegenover mensen mocht ontvallen, was onafscheidelijk van heel zijn denken. En toch, was dit blonde wezen in het blauwe kleed Windekind niet? Wie anders kon hem dat gevoel van rust en geluk geven?

    "Van jou!" zei hij opeens en keek met volle blik in de diepe ogen. Moedig waagde hij die volkomen overgave, maar hij was toch angstig en wachtte gespannen op de ontvangst van zijn kostbare geschenk.

    Weer lachte Robinetta met een heldere lach, Maar zij pakte zijn hand, en haar blik werd niet koeler, haar stem niet minder innig.

    "Wel, Johannes," zei zij, "waar heb ik dat zo opeens aan verdiend?"

    Johannes antwoordde niet en bleef haar aankijken met een groeiend vertrouwen. Robinetta stond op en legde haar arm om Johannes' schouders. Zij was groter dan hij.

    Zo wandelden zij door het bos en plukten grote bossen sleutelbloemen, totdat zij wel weg konden schuilen onder de berg van doorschijnend geel gebloemte. Het roodborstje vloog mee van tak tot tak en gluurde naar hen met schitterende zwarte oogjes.

    Zij spraken niet veel, Maar keken elkaar vaak van opzij aan. Zij waren allebei verbaasd over hun ontmoeting en half onzeker, wat zij van elkaar moesten denken.

Maar al gauw moest Robinetta terug, het speet haar.

    "Nu moet ik weg, Johannes! Maar wil je nog een keer met me wandelen? Ik vind je een aardig jongetje," zei zij bij 't weggaan.

    "Wiet! wiet!" zei het roodborstje en vloog haar achterna.

    Toen zij weg was, en alleen haar beeld bij hem achterbleef, twijfelde hij er niet meer aan wie zij was.

    Zij was dezelfde aan wie hij heel zijn vriendschap had gegeven, de naam Windekind klonk flauwer in hem en verwarde zich met Robinetta.

    En alles werd weer om hem heen, zoals het vroeger geweest was. De bloemen knikten vrolijk, en hun geur verdreef het weemoedige verlangen naar huis, dat hij tot nu toe gevoeld en gekoesterd had. Tussen het tere groen, in de lauwe, mollige lentelucht, voelde hij zich opeens thuis, als een vogel, die zijn nest gevonden had. Hij moest de armen uitstrekken en diep ademhalen. Hij was zo gelukkig. Op weg naar huis zweefde de lichte blauwe gestalte met de blonde haren voor hem uit, altijd voor hem uit, welke kant hij ook opkeek. Het was alsof hij in de zon gekeken had en het zonnebeeld overal met zijn blik meevloog.

    Van die dag af ging Johannes elke heldere morgen naar de vijver. Hij ging vroeg, zodra hij gewekt werd door het kijven van de mussen in de klimopbladeren rond zijn venster, en het gekwetter en langgerekte getjilp van de spreeuwen, die op de dakgoot fladderden en krioelden in de prille zonneschijn. Dan snelde hij vlug door 't vochtige gras tot dicht bij het huis en wachtte achter de seringenstruiken, totdat hij de glazen deur hoorde opengaan en de lichte gedaante op hem toe zag komen.

    Dan wandelden zij door het bos en door de duinen, waaraan het Bos grensde. Zij spraken over alles wat zij zagen, over de bomen en de planten en duinen. Johannes had een vreemd, duizelig gevoel, als hij met haar liep, hij dacht zich soms weer zo licht dat hij door de lucht zou kunnen vliegen. Maar dat gebeurde nooit. Hij vertelde de geschiedenissen, die hij van de bloemen en dieren wist door Windekind. Maar hij vergat hoe hij ze geleerd had, en Windekind bestond niet meer voor hem, alleen Robinetta. Hij genoot, als zij tegen hem lachte en hij vriendschap zag in haar ogen en hij sprak met haar, zoals hij vroeger met zijn hondje gesproken had: — alles wat in hem opkwam, zonder weifeling of verlegenheid. De uren, dat hij haar niet zag, dacht hij aan haar, en elke bezigheid deed hij met de vraag, of Robinetta het goed of mooi zou vinden.

    En zijzelf leek altijd zo blij, als zij hem zag; dan glimlachte zij en liep haastiger. Zij had hem ook gezegd dat zij met niemand zo graag wandelde als met hem.

    "Maar, Johannes," vroeg zij een keer, "hoe weet je al die dingen? Hoe weet je wat de meikevers denken, wat de lijsters zingen, hoe het er in het konijnenhol en op de bodem van het water uitziet?"

    "Ze hebben het mij verteld," antwoordde Johannes, "en ik ben zelf in een konijnenhol geweest en op de bodem van het water."

Robinetta trok de fijne wenkbrauwen samen en keek hem half spottend aan. Maar zij vond geen oneerlijkheid.

    Zij zaten onder seringenbomen, waar dikke, paarse bloemtrossen vanaf hingen. Vóór hen lag de vijver, met riet en kroos. Zij zagen de zwarte torretjes in kringen over het watervlak glijden en rode spinnetjes bedrijvig op en neer duiken. Het krioelde van wriemelend leven daar. Johannes keek, in herinneringen verzonken, in de diepte en zei:

    "Daar ben ik een keer in gedoken; ik gleed langs een riethalm naar beneden en kwam op de bodem terecht. Die is helemaal met dorre bladeren bedekt, dat loopt zo licht en zacht. Het is er altijd schemerig, — groene schemering, — want het licht valt door het groene kroos. En boven mijn hoofd zag ik de lange, witte worteltjes van het kroos neerhangen. Er kwamen salamanders om mij heen zwemmen, die zijn heel nieuwsgierig. Het is vreemd, als zo’n grote dieren zo over je heen zwemmen, — en ik kon niet ver vooruitkijken, daar was het donker, maar ook groen. En uit dat donker kwamen de dieren als zwarte schaduwen tevoorschijn. Watertorren met roeipoten  — en platte wantsen, — soms ook een klein visje. — Ik ging heel ver, uren ver, geloof ik, en middenin was een groot bos van waterplanten, waar slakken tegenop kropen en waterspinnen glinsterende nestjes bouwden. Stekelbaarsjes schoten er doorheen en bleven mij soms met open mond en trillende vinnen aankijken, — zo verbaasd waren ze. Daar heb ik kennis gemaakt met een aal, die ik per ongeluk op zijn staart trapte. Die heeft mij over zijn reizen verteld; hij was tot in zee geweest, zei hij. Ze hadden hem daarom koning gemaakt in de vijver, — want niemand was zover geweest. Hij lag altijd in de modder te slapen, behalve wanneer hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. Dat was omdat hij koning was, — ze wilden graag een dikke koning, dat stond deftig. O, het was prachtig mooi in die vijver!"

    "Waarom kun je daar dan nu niet meer heen gaan?"

    "Nu?" vroeg Johannes en keek haar met grote peinzende ogen aan.

    "Nu? Nu kan ik dat niet meer. Ik zou daar verdrinken. Maar het is niet nodig. Ik ben liever hier, bij de

seringen en bij jou."

Robinetta schudde verwonderd het blonde hoofdje en streek Johannes over het haar. Toen keek ze naar haar roodborstje, dat aan de rand van de vijver allerlei lekkernijen leek te vinden. Hij keek even op en bleef beiden een ogenblik met zijn heldere oogjes aankijken.

    "Begrijp jij er iets van, vogeltje?"

    Het vogeltje keek heel slim en ging toen verder met zoeken en pikken.

    "Vertel mij verder, Johannes, van wat je gezien hebt."

    Dat deed Johannes graag, en Robinetta luisterde, gelovig en aandachtig.

    "Maar waarom is dat allemaal opgehouden? Waarom kun je nu niet met mij daar naar toegaan? — daar overal heen? Ik zou dat ook graag willen."

    Johannes spande zijn herinnering in, maar een zonnige waas bedekte de donkere afgrond, die hij was overgestoken. Hij wist niet precies meer, hoe hij zijn vorige geluk verloren had.

    "Ik weet het niet precies, — je moet er niet naar vragen. Een vervelend klein wezentje heeft alles verknoeid. Maar nu is het er weer. Nog beter dan vroeger."

    De seringengeur daalde uit de heesters op hen neer en het gegons van de vliegen over het watervlak en de stille zonnestralen doordrongen hen met een zoete bedwelming. Totdat een bel op het huis met piepende zwaai begon te luiden, — en Robinetta haastig wegvloog.

    Toen Johannes die avond in zijn kamertje kwam en naar de maanschaduwen van de klimopbladeren keek, die over de ruiten schoven, leek het alsof er tegen het glas getikt werd. Johannes dacht dat het een klimopblad was, dat in de nachtwind trilde. Maar het tikte zo duidelijk, telkens driemaal achter-elkaar, dat Johannes zachtjes het venster opende en behoedzaam rondkeek. De klimopbladeren tegen het huisje glansden in de blauwe schijn, — onder hen was een duistere wereld vol geheimen: daar waren holen en spelonken, waarin het maanlicht kleine, blauwe vonkjes wierp, die hun duisternis nog dieper maakten.

    Toen Johannes lang in die wondervolle schaduwwereld had gestaard, zag hij eindelijk de vorm van een klein mannetje, vlak naast het venster, verscholen onder een groot klimopblad. Hij herkende Wistik meteen  — aan de grote, verwonderde ogen onder de hoog opgetrokken wenkbrauwen. Op het puntje van Wistiks lange neus tekende de maan een klein vonkje.

    "Ben je mij vergeten, Johannes? — Waarom denk je er nu niet aan? Het is de juiste tijd. Heb je het roodborstje de weg niet gevraagd?"

    "Ach, Wistik, waar zou ik naar vragen? Ik heb alles wat ik verlangen kan. Ik heb Robinetta."

    "Maar dat zal niet lang duren. En jij kunt nog gelukkiger worden  — en Robinetta zeker ook. En moet het sleuteltje daar dan blijven liggen? Denk eens hoe heerlijk het is als jullie beiden het boekje vinden. Vraag er het roodborstje naar; ik zal je helpen als ik kan."

    "Ik kan er altijd nog naar vragen," zei Johannes.

    Wistik knikte en klom vlug naar beneden.

    Nog lang keek Johannes naar de donkere schaduwen en de glanzende klimopbladeren voor hij naar bed ging.

    De volgenden dag vroeg hij het roodborstje of het de weg wist naar het gouden kistje. Robinetta luisterde verwonderd. Johannes zag het roodborstje knikken en schuins naar Robinetta gluren.

    "Hier niet! hier niet!" tjilpte het vogeltje.

    "Wat bedoel je, Johannes?" vroeg Robinetta.

    "Weet je daar niets van, Robinetta? Weet je niet, waar het te vinden is? Wacht jij niet op het gouden sleuteltje?"

    "Nee, nee! Vertel eens, wat is dat?"

    Johannes vertelde wat hij over dat boekje wist.

    "En ik heb het gouden sleuteltje; ik dacht dat jij het gouden kistje had. Is het niet zo, vogeltje?"

    Maar het vogeltje deed of het niets hoorde en fladderde tussen het jonge, lichte beukengroen.

    Zij zaten tegen een duinhelling, waarop kleine beuken- en sparrenbomen stonden. Een groen paadje liep er schuin tegenop, en zij zaten aan de rand daarvan, in dik, donkergroen mos. Zij konden over de toppen van de laagste boompjes heen kijken, op een groene bladerzee met licht- en donkergetinte golven.

    "Ik geloof wel, Johannes," zei Robinetta nadenkend, "dat ik voor je vinden kan, wat je zoekt. Maar wat bedoel je met dat sleuteltje? Hoe kom je daaraan?"

    "Ja, hoe was dat, hoe was dat ook weer?" prevelde Johannes en staarde over het groen in de verte.

    Alsof ze plotseling in het zonnige blauw ontstaan waren, kwamen opeens twee witte vlinders voor zijn blik. Zij dwarrelden, trilden en schitterden in het zonlicht, met een onbestemde, grillige vlucht. Maar zij kwamen dichterbij.

    "Windekind! Windekind!" fluisterde Johannes opeens in herinnering.

    "Wie is dat? Windekind!" vroeg Robinetta.

    Het roodborstje vloog kwetterend op, en de madelieven tussen het gras vóór hem, leken Johannes opeens geweldig geschrokken aan te staren, met hun wijde, witte oogjes.

    "Gaf die jou dat sleuteltje?" vroeg het meisje verder. Johannes knikte en zweeg, Maar zij wilde meer weten. — "Wie was dat? Heeft die je alles geleerd? Waar is hij?"

    "Nu is hij er niet meer. Nu is het Robinetta, niemand anders dan Robinetta, alleen Robinetta." Hij pakte haar arm en drukte er zijn hoofdje tegenaan.

    "Mal jongetje!" zei zij en lachte. "Ik zal je het boekje laten vinden, — ik weet waar het is."

    "Maar dan moet ik de sleutel gaan halen, en die is ver weg."

    "Nee, nee dat hoeft niet. Ik vind het zonder sleutel, — morgen, morgen, ik beloof het je.

    Toen zij naar huis gingen, fladderden de vlindertjes voor hen uit.

    Johannes droomde die nacht over zijn vader, over Robinetta en over vele anderen. Het waren allemaal goede vrienden; zij stonden om hem heen en keken hem vriendelijk en vertrouwelijk aan. Maar opeens waren de gezichten veranderd, hun blikken koel en spottend, — hij keek angstig om, — aan alle kanten wrede vijandige gezichten. Hij voelde een onnoembare beklemming en werd huilend wakker.


IX


    Al lang zat Johannes te wachten. De lucht was kil, en grote wolken dreven dicht over de aarde, in een statige, eindeloze opeenvolging. Ze breidden sombergrauwe, wijd golvende mantels uit en krulden hun trotse koppen in het heldere licht, dat daarboven scheen. Wondersnel wisselden zonlicht en schaduw op de bomen, als een telkens opvlammend vuur. Het werd Johannes daarbij angstig te moede; hij piekerde over het boekje, niet echt gelovend, dat hij het vandaag zou vinden. Tussen de

wolken, veel hoger, ontzaglijk hoog, zag hij het heldere, strakke blauw en daarop tere, witte wolkjes, fijngepluimd, zich kalm uitstrekkend in een onbeweeglijke rust.

     "Zó moet het zijn," dacht hij, "zo hoog, zo licht, zo stil." Daar kwam Robinetta aan. Het roodborstje was niet bij haar.

    "Het is goed, Johannes," riep ze luid; "je mag komen en het boek zien."

    "Waar is het roodborstje?" vroeg Johannes twijfelend.

    "Die is niet meegekomen, we gaan toch immers niet wandelen."

    Hij ging mee, voortdurend bij zichzelf denkend:

    "Het kan niet, — zó kan het niet, — het zou allemaal heel anders moeten zijn."

    Maar hij volgde het glanzig-blonde haar, dat voor hem oplichtte.

    Ach! nu ging het verkeerd met de kleine Johannes. Ik zou willen, dat zijn geschiedenis hier eindigde. Heb je wel eens heerlijk gedroomd, over een tovertuin met bloemen en dieren, die je liefhadden en tot je spraken? En heb je dan ook in je droom het besef gekregen, dat je spoedig zou ontwaken en al die heerlijkheid verliezen zou? Dan probeer je die tevergeefs vast te houden en wil het koude morgenlicht niet zien.

    Zo’n gevoel had Johannes toen hij meeging.

    Hij kwam in een huis, in een gang, waar zijn voetstappen weerklonken. Hij rook de lucht van kleren en spijzen; hij dacht aan de lange dagen, toen hij thuis had moeten blijven, — aan huiswerk, aan alles wat in zijn leven somber en koud was geweest.

    Hij kwam in een kamer met mensen. Hij zag niet hoeveel. Zij praatten, Maar toen hij binnenkwam werd het stil. Hij lette op het vloerkleed, — het had grote, onmogelijke bloemen met felle kleuren. Zij waren even vreemd en wanstaltig als die van het behang in zijn slaapkamer thuis.

    "Is dat nu dat tuinmansjongetje?" zei een stem recht tegenover hem. "Kom maar hier, vriendje, je hoeft niet bang te zijn."

    En een andere stem klonk plotseling naast hem: "Nu, Robbi, je hebt daar wel een aardig vrijertje."

    Wat betekende dat allemaal? — Weer kwamen boven de donkere kinderogen van Johannes diepe rimpels, en verward en verschrikt keek hij rond.

    Daar zat een in het zwart geklede man en keek hem met koude, grijze ogen aan.

    "En jij wilde dus kennis maken met het boek der boeken? Het verwondert me, dat je vader, die ik als een vroom man ken, je dat niet heeft gegeven."

    "U kent mijn vader niet, die is ver weg."

"Zo! — nou, dat is hetzelfde. — Kijk hier, mijn vriendje! lees hier veel in, het zal je op je levensweg ..."

    Maar Johannes had het boek al herkend. Zó kon hij het ook niet krijgen, het moest helemaal anders gaan. Hij schudde het hoofd.

    "Nee, nee! dat is het niet wat ik bedoel. Dit ken ik. Dit is het niet."

    Hij hoorde geluiden van verbazing en voelde de blikken, die hem van alle kanten staken.

    "Wat? Wat bedoel je, mannetje?"

    "Ik ken dit boekje, het is het mensenboek. Maar het geeft niet genoeg, — anders zou er rust zijn onder de mensen en vrede. En die zijn er niet. Ik bedoel iets anders, — waaraan niemand die het ziet twijfelen kan, waarin staat, waarom alles is zoals het is, precies en duidelijk."

    "Hoe is ‘t mogelijk? Waar heeft de jongen dat vandaan?"

    "Wie heeft je dat geleerd, vriendje?"

    "Ik geloof dat je verkeerde boeken gelezen hebt, jongen! en die napraat!"

    Zo klonken de stemmen. Johannes voelde zijn wangen gloeien, — het begon hem te duizelen, — de kamer draaide, en de grote bloemen op het vloerkleed zweefden op en neer. Waar was het muisje, dat hem zo trouw waarschuwde op school, die eerste dag? Het was nu nodig.

    "Ik praat het niet uit boeken na, en die het mij geleerd heeft is meer waard dan jullie allemaal. Ik ken de taal van bloemen en dieren, ik ben hun vertrouweling. Ik weet ook wat mensen zijn en hoe zij leven. Ik ken alle geheimen van feeën en kabouters, want mij hebben zij lief, meer dan de mensen."

    "Muisje! muisje!" —

    Johannes hoorde proesten en lachen, om hem en achter hem. Het zong en suisde in zijn oren.

    "Hij schijnt Andersen gelezen te hebben."

    "Hij is niet goed bij z’n hoofd."

    De man voor hem zei:

    "Als je Andersen kent, mannetje! dan zou je meer van zijn eerbied hebben voor God en zijn Woord." "God!" dat woord kende hij, en hij dacht aan de les van Windekind.

    "Ik heb geen eerbied voor God. God is een grote petroleumlamp, waardoor duizenden verdwalen en verongelukken."

    Geen gelach, — maar een angstige stilte, waarin afschuw en ontzetting voelbaar rondwaarden. Johannes voelde de stekende blikken in de rug. Het was als in zijn droom van de vorige nacht.

    De zwartgeklede man stond op en nam hem bij de arm. Dat deed pijn en brak bijna zijn moed.

    "Hoor eens, jongen, ik weet niet of je niet wijs bent of diep bedorven, — maar die goddeloosheid duld ik hier niet. — Ga weg en kom niet meer onder mijn ogen, zeg ik je. — Ik zal navraag naar je doen, maar in deze buurt zet je geen voet meer. Verstaan?"

    De blikken van allen waren koud en vijandig net als die nacht. Johannes keek angstig rond.

    "Robinetta! — Waar is Robinetta!"

    "Jawel, mijn kind bederven! — Pas op, als je ooit weer met haar praat!"

    "Nee! laat me bij haar! Ik wil niet van haar weg. — Robinetta!" huilde Johannes.

    Maar zij zat angstig in een hoek en keek niet op.

    "Voort, vlegel! hoor je me niet? Pas op, als je 't hart hebt weer te komen!"

    En de pijnlijke greep leidde hem door de weerklinkende gang, — de glazen deur rammelde, — en Johannes stond buiten, onder de donkere, laag drijvende wolken.

    Hij huilde niet meer en staarde stil voor zich uit, terwijl hij langzaam voortliep. De droevige rimpels boven zijn ogen waren dieper, en gingen niet meer weg.

    Het roodborstje zat in een lindenhaag en keek naar hem. Hij stond stil en staarde zwijgend terug. Maar er was geen vertrouwen meer in de schuwe, glurende oogjes, en toen hij een stap naderde, vloog het vlugge diertje in een snorrende vlucht weg.

"Weg! weg! een mens," tjilpten de mussen, die op het tuinpad bij elkaar zaten, en zij vlogen naar alle kanten uit elkaar.

    Ook de open bloemen lachten niet, maar staarden ernstig en onverschillig, zoals zij bij iedere vreemde doen.

    Maar Johannes begreep die tekens niet, maar dacht aan de krenking, die de mensen hem hadden aangedaan. Het voelde alsof zijn innig binnenste door koude, harde handen was ontwijd. "Zij zúllen mij geloven," dacht hij; "ik zal mijn sleuteltje halen en het hun laten zien."

    "Johannes! Johannes!" riep een fijn stemmetje. Daar zat een vogelnestje in een hulstboom, en de grote ogen van Wistik keken over de rand. "Waar ga je heen?"

    "Het is allemaal jouw schuld, Wistik," zei Johannes. "Laat mij met rust!"

    "Waarom moet je er ook met de mensen over praten, mensen begrijpen je toch niet. Waarom vertel je die dingen aan de mensen? dat is heel dom."

    "Zij hebben mij uitgelachen en pijn gedaan. Het zijn ellendige wezens! ik haat ze."

    "Nee Johannes, je houdt van ze."

    "Nee! nee!"

    "Anders zou het je minder verdriet doen, dat zij niet zo zijn als jij; dan zou het je niets kunnen schelen, wat zij zeggen. Je moet je minder om mensen bekommeren."

    "Ik wil mijn sleuteltje. Ik wil het hun laten zien."

    "Dat moet je niet doen, ze zouden je toch niet geloven. Wat voor nut zou het hebben?"

    "Ik wil mijn sleuteltje, onder de rozenstruik. Weet je die te vinden?"

    "Jawel! — bij de vijver, nietwaar? Ja, die weet ik."

    "Breng mij er dan heen, Wistik!"

Wistik klom op Johannes' schouder en wees hem de weg. Zij liepen de hele dag, — het woei en van tijd tot tijd vielen er regenbuien, Maar tegen de avond werden de wolken stil en verlengden zich tot lange gouden en grauwe stroken.

    Toen zij bij het duin aankwamen, dat Johannes kende, werd het hem week te moede en hij fluisterde telkens "Windekind! Windekind!"

    Daar was het konijnenhol, — en het duin, waartegen hij een keer geslapen had. Het grijze rendiermos was week en vochtig en kraakte niet onder zijn voet. De rozen waren uitgebloeid en de gele Teunisbloemen met hun bedwelmende, flauwe geur staken bij honderden de kelken omhoog. Hoger nog rezen de lange, trotse toortsplanten met dikke, vilten bladeren.

    Zoekend speurde Johannes naar het fijne, bruinachtige loof van de duinroos.

    "Waar is die, Wistik, ik zie het niet."

    "Ik weet er niets van," zei Wistik. "Jij hebt het sleuteltje verborgen, ik niet."

    Waar de roos gebloeid had, was een veld vol gele Teunisbloemen, die wezenloos naar boven keken. Johannes vroeg het aan hen  — en ook aan de toortsplanten; die waren echter veel te trots, want hun lange bloemtros stak ver boven hem uit, — en hij vroeg het aan de kleine, driekleurige viooltjes op de zandgrond.

    Maar niemand wist iets van de duinroos. Ze waren allemaal van deze zomer. Zelfs de verwaande toortsplant, die zo hoog was.

    "Ach, waar is hij? waar is hij?"

    "Heb jíj mij ook al beet genomen?" zei Wistik. "Ik dacht het wel, dat heb je altijd met mensen."

    En hij liet zich van Johannes' schouder glijden en liep weg tussen het helm.

    Wanhopig staarde Johannes rond, — daar stond een klein duinrozenstruikje.

    "Waar is de grote roos," vroeg Johannes, "de grote die hier vroeger stond?"

    "Wij spreken niet met mensen," zei het struikje.

    Dat was het laatste, wat hij hoorde, — al het levende om hem heen zweeg, alleen de helm suisde in de zachte avondwind.

    "Ben ik een mens?" dacht Johannes. "Nee, dat kan niet, dat kan niet. Ik wil geen mens zijn. Ik haat de mensen."

    Hij was moe en wazig van geest. Hij ging liggen aan de rand van 't veldje, op het weke, grijze mos, dat een vochtige, sterke geur verspreidde.

    "Nu kan ik niet teruggaan, en nu zie ik Robinetta ook niet weer. Moet ik niet doodgaan, als ik haar niet heb? Moet ik blijven leven en een mens zijn, — een mens zoals die anderen, die mij uitgelachen hebben?"

    Toen zag hij opeens de twee witte vlinders weer, die van de kant van de ondergaande zon naar hem toe fladderden. Gespannen volgde hij hun vlucht. Zouden zij hem de weg kunnen wijzen? Zij vlogen over zijn hoofd heen, elkaar naderend en weer verlatend, om elkaar heen dwarrelend in een grillig spel. Langzaam verwijderden ze zich van de zon en zweefden eindelijk over de rand van de duinen heen naar het bos, waarvan alleen de hoogste toppen nog kleurden in de avondzon, die rood en fel onder de lange sombere wolkenrijen uit oplichtte.

    Johannes volgde hen. Maar toen ze boven de eerste bomen waren, zag hij hoe een donkere schaduw hen in een onhoorbare fladdervlucht achtervolgde en inhaalde. Het volgende ogenblik waren zij verdwenen. De zwarte schaduw schoot snel op hem toe, en angstig bedekte hij het gezicht met de handen.

    "Wel, vriendje! wat zit je daar te huilen?" klonk een scherpe, spotachtige stem vlak naast hem. Johannes had een grote vleermuis op zich zien afkomen, Maar toen hij opkeek, stond een zwart mannetje op het duin, niet veel groter dan hijzelf. Hij had een groot hoofd met grote oren, die donker afstaken tegen de lichte avondhemel, en een mager figuurtje met dunne benen. Van zijn gezicht zag Johannes alleen de kleine, schitterende ogen.

    "Heb je iets verloren, kereltje? Dan zal ik je helpen zoeken," zei hij. Maar Johannes schudde zwijgend het hoofd.

    "Kijk eens! wil je die van mij hebben?" begon hij weer en opende zijn hand.

Daarin zag Johannes iets wits, dat van tijd tot tijd even bewoog. Het waren de witte vlindertjes, die stervend met de gescheurde en gebroken vleugeltjes trilden. Johannes voelde een huivering, alsof iemand hem tegen het achterhoofd blies, en angstig keek hij naar het vreemde wezen op. "Wie ben jij?" vroeg hij.

    "Wou je mijn naam weten, ventje? Nou, zeg maar Pluizer, gewoon maar Pluizer. Ik heb nog wel mooiere namen, maar die begrijp je toch niet."

    "Ben jij een mens?"

    "Wel nu nog mooier! Nou heb ik behoorlijke armen en benen en een hoofd, — kijk eens wat een hoofd! — en nu vraagt zo'n jongen ook nog of ik een mens ben. Maar, Johannes! — Johannes!" En het mannetje lachte met een piepend, doordringend geluid.

    "Hoe weet je wie ik ben?" vroeg Johannes.

    "O, dat is voor mij een kleinigheid. Ik weet nog heel wat meer. Ik weet ook waar je vandaan komt en wat je hier komt doen. Ik weet verbazend veel, bijna alles."

    "Ach, mijnheer Pluizer ..."

    "Pluizer, Pluizer, geen complimenten."

    "Weet je dan ook ..." Maar Johannes zweeg plotseling. "Het is een mens," dacht hij.

    "Van je sleuteltje, bedoel je? Wel zeker!"

    "Maar ik dacht niet, dat mensen daar iets van konden weten."

    "Domme jongen! En Wistik heeft het al aan zovelen verklapt."

    "Ken je Wistik dan ook?"

    "O ja! een van mijn beste vrienden, — en ik heb veel vrienden. Maar ik wist dat ook zonder Wistik. Ik weet veel meer dan Wistik. Wistik is een goed ventje, — maar dom, buitengewoon dom. Ik niet! lang niet!"  — En Pluizer klopte zelfvoldaan met zijn magere handje op zijn grote hoofd.

    "Weet je, Johannes," ging hij verder, "wat een groot gebrek van Wistik is? Maar je moet het hem nooit zeggen, want dan wordt hij erg boos."

    "Nou, wat dan?" vroeg Johannes.

    "Hij bestaat niet. Dat is een groot gebrek, maar hij wil het niet weten. En hij zegt van mij, dat ik niet besta, — maar dat liegt hij. Of ik besta! Drommels goed!"

    En Pluizer stak de vlindertjes in zijn zak en ging plotseling voor Johannes op zijn hoofd staan. Toen grijnsde hij erg lelijk en stak een lange tong uit. Johannes, die zich toch al niet op zijn gemak voelde alleen met dit wonderlijke wezen, bij de vallende avond in het eenzame duin, rilde nu van angst.

    "Dit is een alleraardigste manier om de wereld te bekijken," zei Pluizer, nog steeds op zijn hoofd staand. "Als je wil, zal ik het je ook leren. Je ziet alles veel scherper en veel natuurlijker."

    En hij spartelde met de spillebeentjes in de lucht en draaide zich op de handen om. Toen de rode avondgloed op het omgekeerde gezicht viel, vond Johannes het afschuwelijk, — de kleine oogjes knipperden in het licht en lieten het wit zien, aan de kant waar je het niet gewend bent.

    "Zie je, zo lijken de wolken de vloer, en de aarde het deksel van de wereld. Dat kun je evengoed volhouden als het tegenovergestelde. Boven of onder is er toch niet. Een mooie wandelplaats zou het op die wolken zijn."

Johannes keek naar de lange wolken. Hij vond dat zij op een omgeploegd land leken met rode voren, alsof er bloed uit opwelde. Boven de zee straalde de poort van de wolkengrot.

    "Kun je daarheen gaan en daarin komen?" vroeg hij.

    "Gekheid!" zei Pluizer en stond eensklaps weer op zijn benen, tot grote opluchting van Johannes. "Gekheid! Als je daar bent, is het precies als hier, — en dan lijkt dat moois alleen een eindje verder weg. In die mooie wolken dáár is het mistig, grijs en koud."

    "Ik geloof je niet," zei Johannes; "nu zie ik pas goed dat je een mens bent."

    "Och kom! geloof je mij niet, beste jongen, omdat ik een mens ben? en wat ben je zelf dan wel voor iets bijzonders?"

    "O Pluizer, ben ik ook een mens?"

    "Wat dacht je! een elf? Elfen worden niet verliefd." En Pluizer ging vlak voor Johannes zitten, de benen onder zich gekruist en grijnsde hem strak aan. Johannes voelde zich onbeschrijfelijk beklemd en verlegen onder die blik en had zich wel willen wegstoppen of onzichtbaar maken. Maar hij kon zijn ogen niet meer afwenden.

    "Alleen mensen worden verliefd, Johannes, hoor je dat! — en dat is maar goed ook, anders waren ze er al lang niet meer. En jij bent verliefd als de beste, al ben je nog zo klein. Aan wie denk je op ‘t ogenblik?"

    "Aan Robinetta!" fluisterde Johannes nauwelijks hoorbaar.

    "Naar wie verlang je het meest?"

    "Robinetta!"

    "Zonder wie denk je niet te kunnen leven?"

Johannes' lippen bewogen geluidloos: "Robinetta!"

    "Nou dan, ventje," grinnikte Pluizer, "wat verbeeld je je dan, een elf te zijn? Elfen worden niet verliefd op mensenkinderen."

    "Maar het was Windekind ..." stamelde Johannes in zijn verlegenheid. Toen keek Pluizer ontzettend vals en greep Johannes met zijn knokige handjes bij de oren.

    "Wat is dat voor onzin! — Wou je mij met die snuiter bang maken? Die is nog veel dommer dan Wistik, — veel dommer. Hij begrijpt er niets van. En wat erger is, hij bestaat helemaal niet en heeft nooit bestaan. Ik besta alleen, begrijp je? En als je mij niet gelooft, zal ik je laten voelen, dat ik er ben."

    En hij schudde de arme Johannes hard bij de oren. Deze riep: "Maar ik heb hem toch zo lang gekend, en ik ben zo ver met hem weggetrokken."

    "Gedroomd heb je, zeg ik. Waar is je sleuteltje dan, hè? — Maar nu droom je niet, voel je wel?"

    "Au!" riep Johannes, want Pluizer kneep.

    Het was al donker, en de vleermuizen vlogen nu dicht langs hun hoofden en piepten schril. De lucht was zwart en zwaar, — geen blad bewoog in het bos.

    "Mag ik naar huis gaan?" smeekte Johannes."Naar mijn vader?"

    "Je vader? — wat wil je daar doen?" zei Pluizer. "Die man zal je wel vriendelijk ontvangen, nadat je zo lang bent weggebleven."

    "Ik verlang naar huis," zei Johannes, en hij dacht aan de huiskamer met het heldere lamplicht, waar hij zo vaak bij zijn vader zat, luisterend naar het krassen van zijn pen. Daar was het vredig en gezellig.

    "Ja, dan had je maar niet weg moeten gaan en weg moeten blijven, terwille van die rare snuiter, die niet bestaat. Nu is het te laat. En het komt er ook niet op aan, ik zal wel voor je zorgen. Of ik het doe of je vader, dat is eigenlijk precies hetzelfde. Zo’n vader, — dat is toch maar fantasie. Heb je hem soms zelf uitgezocht? Denk je dat er geen anderen zijn die even goed en even knap zijn? Ik ben even goed en veel knapper, — veel knapper."

    Johannes had geen moed om te antwoorden, — hij sloot de ogen en knikte flauw.

    "En bij die Robinetta moet je het ook niet zoeken," ging het mannetje voort. Hij legde de handen op Johannes' schouders en praatte vlak bij zijn oor. "Dat kind hield je evengoed voor de gek als die anderen. Heb je niet gezien dat ze in de hoek bleef zitten, en geen woord zei, toen je werd uitgelachen? Ze is niets beter dan al die anderen. Ze vond je een aardig jongetje en heeft met je gespeeld, — zoals ze met een meikever zou spelen. Het kon haar niets schelen of je wegging. En van dat boekje wist ze niets. Maar ik wel, — ik weet waar het is, en ik zal het je helpen zoeken. Ik weet bijna alles."

    En Johannes begon hem te geloven.

    "Ga je met mij mee? — Wil je met mij zoeken?"

    "Ik ben zo moe," zei Johannes, "laat mij ergens slapen."

    "Ik hou anders niet van slapen," zei Pluizer, "daar ben ik te levendig voor, — een mens moet altijd kijken en denken. Maar ik zal je een poosje met rust laten. — Tot morgen."

    Toen zette hij het vriendelijkste gezicht, dat hij zetten kon, Johannes keek strak in de glinsterende oogjes, — tot hij niets anders zag. Zijn hoofd werd zwaar, hij leunde tegen de bemoste duinhelling. De oogjes schenen verder en verder op te lichten, totdat zij sterren waren aan de zwarte hemel; het was alsof hij het geluid van verre stemmen hoorde, — alsof de aarde zich onder hem verwijderde, — toen hield zijn denken op.


X


    Nog voor hij goed wakker was, had hij een vaag besef, dat er iets bijzonders met hem was gebeurd, terwijl hij sliep. Maar hij wilde het niet weten en om zich heen zien. Hij wilde weer terug in de droom, die als een trage nevel langzaam wegtrok, — daarin was Robinetta weer naar hem toegekomen en had hem over het haar gestreken, zoals vroeger, — daarin had hij zijn vader weer gezien en Presto, in de tuin met de vijver.

    "Au!" dat deed pijn. Wie deed dat? — Johannes opende de ogen en zag in de grauwe morgen-schemering een klein mens vlak bij zich, — die hem aan de haren trok. Hij lag in een bed en het licht was zwak en onregelmatig, als in een kamer.

    Maar het gezicht, dat zich over hem heen boog, bracht hem opeens weer alle ellende en somberheid van gisteren te binnen. Het was Pluizers gezicht, minder spookachtig en meer menselijk, — maar even lelijk en angstwekkend als de vorige avond.

    "Och nee! — laat mij dromen," zei hij.

    Maar Pluizer schudde hem door elkaar: "ben je mal, luiaard, dromen is dwaasheid, daarmee kom je niet verder. Een mens moet werken en denken en zoeken. Daar ben je een mens voor."

    — "Ik wil geen mens zijn. Ik wil dromen." —

    — "Dat helpt niet. Je moet. Je bent nu onder mijn hoede en met mij samen zul je werken en zoeken. Alleen met mij kan je vinden wat je wil. En ik zal je niet verlaten totdat wij het gevonden hebben."  —

    Johannes voelde een vage ontzetting. Maar het was alsof een overmacht hem neerdrukte en bedwong. Willoos onderwierp hij zich.

    Weg waren duinen, bomen en bloemen. Hij was in een klein, schemerig verlicht kamertje, — daarbuiten zag hij, zover hij zien kon, huizen en weer huizen, somber en grauw, in lange, eentonige rijen.

    Rook steeg overal op in dikke kronkels en sloeg als een bruinachtige nevel in de straten neer. En op die straten liepen de mensen als grote, zwarte mieren haastig door elkaar. Een verward gerucht steeg dof en aanhoudend uit hun massa op.

    — "Kijk, Johannes," zei Pluizer, "is dat nu niet aardig? Dat zijn nu allemaal mensen en al die huizen zover je zien kunt, — nog verder dan die blauwe toren daar, — zijn ook vol mensen, van boven tot beneden vol. Is dat niet merkwaardig? Dit is nog eens wat anders dan een mierenhoop." —

    Johannes luisterde met een angstige nieuwsgierigheid, alsof hem een groot, verschrikkelijk ondier getoond werd. Het was voor hem alsof hij op de rug van het monster stond, het zwarte bloed door dikke aderen zag stromen en de donkere adem uit honderd neusgaten zag opstijgen. En hij werd bang voor het onheilspellend grommen van de ontzaglijke stem. —

    — "Kijk hoe hard al die mensen lopen, Johannes," ging Pluizer voort. "Je kunt zien dat zij haast hebben en iets zoeken, nietwaar? Maar het is grappig, dat niemand precies weet wat hij zoekt. Als ze nou een poosje gezocht hebben, dan komen ze iemand tegen, — die heet Hein ..."

    — "Wie is dat?" vroeg Johannes.

    — "O! een goede kennis van me, ik zal je wel eens aan hem voorstellen. Nou, die Hein zegt dan: "Zoek je mij?" Daarop zeggen de meesten gewoonlijk: "O nee! ... jou bedoel ik niet!" maar dan antwoordt Hein weer: "Er is toch niets anders te vinden dan mij." Dan moeten ze zich wel met Hein tevreden stellen."

    Johannes begreep, dat hij over de dood sprak.

    — "En gaat dat altijd, altijd zo?"

    "Jazeker, altijd. Er komen echter iedere dag weer een massa nieuwe en die beginnen dagelijks te zoeken, zonder te weten waarnaar, en zoeken en zoeken totdat ze eindelijk Hein vinden, — zo gaat het al een aardig poosje lang en zo zal het ook nog wel een poosje blijven aanhouden." —

    — "Zal ik ook niets anders vinden, Pluizer, niets anders dan ..."

    — "Ja, Hein vind je zeker ooit, maar dat doet er niet toe, zoeken maar! altijd blijven zoeken!"

    — "Maar het boekje dan, Pluizer, jij zou mij het boekje laten vinden."

    — "Nou! wie weet! ik heb het niet tegengesproken. Wij moeten zoeken, zoeken. Wij weten tenminste waarnaar wij zoeken. Dat heeft Wistik ons geleerd. En er zijn er, die hun hele leven zoeken om te weten waarnaar zij eigenlijk zoeken. Dat zijn de wijsgeren, Johannes. Maar als Hein komt, is het met hun gezoek óók uit."

    — "Dat is vreselijk, Pluizer."

    — "O nee, volstrekt niet. Hein is een heel goedige man. Maar hij wordt miskend."

    Iemand stommelde buiten de kamerdeur op de trap. Klos! Klos! klonk het op de houten treden.

    Klos! Klos! dichter en dichterbij. Toen tikte iemand tegen de deur en het was alsof ijzer op hout tikte.

    Er kwam een grote man binnen. Hij had diepliggende ogen en lange, magere handen. Een koude tocht woei in het kamertje.

    "Wel wel," zei Pluizer, "ben je daar, ga zitten! Wij hadden het net over jou. Hoe gaat het met je?"

    — "Druk, druk!"  — zei de lange man en wiste zich het koude zweet van het benige bleke voorhoofd.

    Roerloos en schuw staarde Johannes in de diepliggende ogen, die strak op hem gericht waren. Zij waren heel ernstig en donker, Maar niet wreed, niet vijandig. Na enige ogenblikken ademde hij weer vrijer en klopte zijn hart minder hevig.

    — "Dit is Johannes," zei Pluizer, "hij heeft van een zeker boekje gehoord, waarin staat, waarom alles is zoals het is, en dat zullen wij nu samen gaan zoeken, nietwaar?"  — Toen lachte Pluizer veel-betekenend.

    — "Zo! zo! — nou dat is goed!"  — zei de Dood vriendelijk, en knikte Johannes toe.

    — "Hij is bang het niet te vinden, — maar ik zei hem dat hij maar eerst vlijtig moet zoeken." —

    — "Zeker!"  — zei de Dood, "vlijtig zoeken is het beste."

    — "Hij dacht, dat jij zo verschrikkelijk bent. — Nu zie je toch Johannes, dat je je vergist hebt, nietwaar?"

    "Ach ja!" — zei de Dood welwillend, "ze spreken veel kwaad over mij. Ik heb geen innemend uiterlijk, — maar ik meen het toch goed."

    Hij glimlachte flauw, als iemand die met ernstiger dingen vervuld is dan waarover hij spreekt. Toen wendde zijn donkere blik zich van Johannes af naar buiten en dwaalde peinzend over de grote stad.

    Lang durfde Johannes niet te praten, eindelijk zei hij zacht:

    — "Ga jij mij meenemen?"

    — "Wat denk je, mijn jongen?" zei de Dood, opkijkend uit zijn mijmering: "Nee! nu nog niet. Jij moet opgroeien en een goed mens worden." —

    — "Ik wil geen mens worden als de anderen." —

    — "Kom! kom!" zei de Dood, "daar is niets aan te doen."

    Je kon horen, dat dit een dagelijkse uitdrukking van hem was. Hij ging verder.

    — "Mijn vriend Pluizer kan je leren, hoe je een goed mens wordt. Je kunt het op verschillende manieren, maar Pluizer leert het ook uitstekend. Het is iets heel moois en begeerlijks een goed mens te zijn. Daar moet je niet op neerkijken, ventje!"

    "Zoeken, denken, kijken!" zei Pluizer.

    "Zeker, zeker!" — zei de Dood; — en toen tot Pluizer: "Waar ga je hem naar toebrengen?"

    — "Naar dokter Cijfer, mijn oud-leerling."

    — "A ja! dat is een goede leerling. Dat is een zeer fraai voorbeeld van een mens. Bijna volmaakt in zijn soort." —

    — "Zal ik Robinetta terugzien?"  — vroeg Johannes bevend.

    — "Wie bedoelt het ventje?"  — vroeg de Dood.

    "O! hij is al verliefd geweest en verbeeldde zich toch een elf te zijn, hi! hi! hi!" — lachte Pluizer geniepig!

    — "Nee! beste jongen, dat gaat niet," — zei de Dood, — "die dingen zul je bij dokter Cijfer wel afleren. Wie zoekt wat jij zoekt, moet al het andere verliezen. Alles of niets." —

    — "Ik zal een mens uit één stuk van hem maken, — ik zal hem eens laten zien wat verliefdheid eigenlijk is, dan zal hij er zich wel doorheen pluizen."

    En Pluizer lachte vrolijk, — de Dood richtte weer zijn zwarte ogen op de arme Johannes, die met moeite het snikken bedwong. Want hij schaamde zich voor de Dood.

    Die rees plotseling overeind. — "Ik moet weg," zei hij, — "ik verpraat mijn tijd. Er is hier veel te doen. Goede dag, Johannes! — wij zullen elkaar nog wel terugzien. Jij moet niet bang voor mij zijn." —

    — "Ik ben niet bang voor jou, — ik zou willen dat je mij meeneemt. Toe! neem mij toch mee!" —

Maar de Dood wees hem zacht terug, hij was dergelijke vragen gewend.

    — "Nee! Johannes, — ga nu aan je werk, zoek en zie! Vraag mij niets meer. Ik vraag maar één keer en dan is het tijd genoeg." —

    Toen hij verdwenen was gedroeg Pluizer zich weer heel overdreven. Hij sprong over stoelen, buitelde over de grond, kroop op de kast en de schoorsteenmantel en voerde halsbrekende kunsten uit in de open vensters.

    — "Dat was nou Hein! mijn goede vriend Hein!"  — riep hij, "vond je hem niet aardig? — Een beetje lelijk en knorrig van uiterlijk. Maar hij kan ook heel vrolijk zijn, als hij plezier heeft in zijn werk. Maar vaak verveelt het hem. 't Is ook wel wat eentonig."

    — "Wie zegt hem, Pluizer, waar hij naar toe moet gaan?"

    Pluizer gluurde Johannes vals en onderzoekend aan.

    — "Waarom vraag je dat? — Hij gaat zijn eigen gang,— hij neemt wie hij krijgen kan." —

    Later heeft Johannes gezien dat het anders was. Maar nu wist hij niet beter of Pluizer sprak in alles de waarheid.

    Zij gingen de straat op en bewogen zich door de krioelende menigte. De zwarte mensen liepen door elkaar, lachten, praatten, zo vrolijk dat Johannes zich moest verwonderen. Hij zag hoe Pluizer velen toeknikte, maar niemand beantwoordde de groet, allemaal keken vóór zich alsof ze niets gezien hadden.

    — "Ze lopen nu te lachen," zei Pluizer, "alsof zij mij geen van allen kennen. Maar dat lijkt maar zo. Als ik alleen met hen ben, kunnen ze mij niet negeren en dan zijn ze ook niet zo vrolijk. "  — En onder het lopen was Johannes zich bewust dat er iemand achter hem liep. Als hij omkeek zag hij de lange, bleke man, die met grote, onhoorbare schreden tussen de mensen door schreed. Hij knikte Johannes toe.

    "Zien de mensen hem ook?" vroeg Johannes aan Pluizer.

    "Ja zeker! allemaal, maar zij willen hem ook niet kennen. Nou, ik gun hun die trots!" —

    De drukte en het geraas brachten Johannes in een soort verdoving, die hem zijn verdriet deed vergeten. De smalle straten en de hoge huizen, die het hemelblauw in rechte stroken verdeelden, de mensen die langs hem af en aan liepen, het slepen van de voetstappen en het ratelen van de wagens verstoorden de oude visioenen en de droom van die nacht, als een storm de beelden op een waterspiegel. Het leek hem alsof er niets anders bestond dan muren, ramen en mensen, — alsof hij mee moest doen, meehollen in het rusteloze, ademloze gewoel.

    Toen kwamen zij in een stille buurt, waar een groot huis stond met grauwe, sierloze ramen. Het zag er streng en onvriendelijk uit. Daarbinnen was het stil en rook Johannes een mengeling van vreemde, scherpe geuren, — met een dompige kelderlucht als grondtoon. In een kamer, vol wonderlijke werktuigen, zat een eenzame man. Hij was omringd door boeken, glazen en koperen voorwerpen, allemaal vreemd voor Johannes. Er viel een enkele zonnestraal over zijn hoofd heen de kamer in en fonkelde op flessen met fraai gekleurde stoffen. De man tuurde ingespannen door een koperen buis en keek niet op.

    Toen Johannes naderbij kwam hoorde hij hem mompelen: — "Wistik! Wistik!" —

    Naast de man, op een lang, zwart bankje, lag iets wits en wolligs, — dat Johannes niet goed kon onderscheiden.

    — "Goede morgen, dokter!"  — zei Pluizer, — maar de dokter keek nog niet op.

    Toen schrok Johannes, want het witte voorwerp waar hij ingespannen naar keek, kwam opeens in een krampachtig rukkende beweging. Wat hij gezien had, was het witte buikdons van een konijntje. Het kopje met de beweeglijke neus lag achterover in ijzer geklemd, en de vier pootjes waren strak naast het lichaam vastgebonden. Kort duurde de wanhopige poging om zich te bevrijden, toen lag het beestje weer stil en alleen de snelle beweging van de bloedige keel toonde dat het nog leefde.

    En Johannes zag het ronde, goedige oog dat zo wijd staarde in machteloze angst en het was alsof hij het herkende. Ach! was dat niet het zachte lijfje, waartegen hij gerust had in die eerste, zalige elfennacht? Oude herinneringen drongen met geweld in hem naar boven. Hij vloog op het diertje toe:

    — "Wacht! wacht! arm konijntje, ik zal je helpen."  — En haastig trachtte hij de koordjes los te knopen, die de tere pootjes striemden.

    Maar zijn beide handen werden tegelijk vastgegrepen en een scherpe lach klonk bij zijn oor.

    — "Wat betekent dat, Johannes? — Ben je nog zó kinderachtig? Wat moet de dokter wel van je denken?" —

    — "Wat wil die jongen? wat doet hij hier?"  — vroeg de dokter verbaasd.

    — "Hij wilde een mens worden, daarom kwam ik met hem bij u. Maar hij is nog wat klein en kinderachtig. Dit is niet de manier om te vinden wat je zoekt, Johannes!"

    — "Nee! dit is de manier niet,"  — zei de dokter. —

    — "Dokter, maak dat konijntje los!" —

    Maar Pluizer kneep zijn beide handen vast, zodat hij ineenkromp.

    "Wat hebben wij afgesproken, mannetje?" siste hij hem in ‘t oor. "Zoeken zouden wij, niet waar? Wij zijn hier niet in de duinen, bij Windekind en bij de stomme dieren. Wij zouden mensen zijn, — mensen! versta je. Als je een kind wil blijven, — als je niet sterk genoeg bent om mij te helpen, — laat ik je gaan, zoek dan maar alleen!"

    Johannes zweeg en geloofde hem. Hij wilde sterk zijn. Hij sloot de ogen, om het konijntje niet te zien.

    — "Beste jongen!"  — zei de dokter, "je lijkt nog wat teergevoelig te zijn om te beginnen. Het is waar, — de eerste keer is zoiets akelig om te zien. Ik zie het zelf ook niet graag  — en vermijd het zoveel mogelijk. Maar het is noodzakelijk. En je moet begrijpen: wij zijn mensen en geen dieren, — en het heil van de mensheid en van de wetenschap gaat boven dat van een paar konijnen." —

    — "Hoor je!" zei Pluizer, "de wetenschap en de mensheid!"

    — "De man van de wetenschap," ging de dokter voort, "staat hoger dan alle andere mensen. Maar hij moet dan ook de kleine gevoeligheden, die de gewone mensen kennen, laten varen voor dat éne grote: — de wetenschap. Wil je zo’n mens worden? was dat je roeping, mijn jongen?"

    Johannes twijfelde, — hij wist nog niet goed wat een roeping was, net zomin als de meikever.

    — "Ik wilde het boekje vinden," zei hij, "waar Wistik het over had." —

    De dokter keek verbaasd en vroeg: — "Wistik?" —

    Maar Pluizer zei snel: — "Hij wil dat, dokter, ik weet het wel. Hij wil de hoogste wijsheid zoeken, hij wil het wezen van de dingen begrijpen."

    Johannes knikte, — "Ja!"  — Zover hij begreep, was dat zijn bedoeling.

    — "Nou, dan moet je sterk zijn, Johannes, en niet klein en teergevoelig. Dan zal ik je helpen. Maar bedenk: alles of niets." —

    En Johannes hielp met sidderende handen de losgemaakte koorden weer vaster om de pootjes van het konijntje strikken.


XI


    "Wij zullen toch eens kijken," zei Pluizer, "of ik je niet evenveel moois kan laten zien als Windekind."              En toen zij de dokter vaarwel hadden gezegd en beloofd hadden gauw weer terug te komen, leidde hij Johannes rond in alle hoeken van de grote stad, — hij liet hem zien, hoe het grote monster leefde, — hoe het ademde en zich voedde, — hoe het in zichzelf verteerde en uit zichzelf weer opgroeide.

    Maar hij had een voorliefde voor de sombere achterbuurten, waar de mensen dicht opeengepakt zaten, waar alles grauw en groezelig en de lucht zwaar en bedompt was.

    Hij ging met hem een van de grote gebouwen binnen, waaruit de rook opsteeg, die Johannes de eerste dag gezien had. Er heerste een oorverdovend geraas, — overal rammelde, ratelde, stampte en dreunde het, — grote wielen wentelden en lange riemen schoven slingerend voort; zwart zagen muren en bodem, de vensters waren gebroken of bestoven. Hoog rezen de geweldige schoorstenen boven het zwarte gebouw uit en zonden dikke, kronkelende rookzuilen omhoog. In dat gewoel van raderen en werktuigen zag Johannes tal van mensen met een bleek gezicht, met zwarte handen en kleren, zwijgend en rusteloos werken.

    — "Wie zijn dat?" vroeg hij. —

    — "Raderen, ook raderen," lachte Pluizer, "of mensen, zo je wil. Wat ze daar doen, doen ze dag in, dag uit. Je kunt op die manier ook mens zijn, — in hun soort altijd." —

    En zij kwamen in vuile straatjes, waar het strookje hemelblauw zo smal leek als een vinger en ook nog verduisterd werd door uitgehangen kleren. Daar krioelde het van de mensen; ze verdrongen elkaar, schreeuwden, lachten en zongen ook soms. In de huizen waren de kamertjes zo klein, zo donker en bedompt, dat Johannes nauwelijks durfde te ademen. Hij zag haveloze kinderen over de kale vloer kruipen en jonge meisjes met verwilderd haar, die liedjes neurieden voor magere, bleke zuigelingen.

Hij hoorde twisten en schelden, — en alle gezichten om hem zagen er moe uit, of dom en onverschillig.

    Het greep Johannes aan met een vreselijke smart. Het had niets gemeen met zijn vroegere verdriet, — daarvoor schaamde hij zich.

    — "Pluizer," vroeg hij, "hebben die mensen altijd hier geleefd, zo akelig en ellendig? Ook toen ik ..."

    Hij durfde niet verder te gaan.

    — "Natuurlijk, — en dat is maar gelukkig ook. Zij leven volstrekt niet akelig en ellendig, zij zijn hier gewend en weten niet beter. Het is dom, onverschillig vee. Kijk die twee vrouwen daar, voor hun deur zitten! Zij kijken net zo tevreden de vuile straat in, als jij vroeger naar je duinen! Om die mensen hoef je niet te huilen. Dan kan je net zogoed om de mollen huilen, die nooit het daglicht zien."

    En Johannes wist niet wat hij moest antwoorden en wist ook niet waarom hij toch moest huilen.

    En midden in de luidruchtige bedrijvigheid en het woelen zag hij steeds de bleke, hol-ogige man voortschrijden, met een geruisloze tred.

    "Toch een goede man, nietwaar?" zei Pluizer, "om de mensen hieruit weg te halen. Maar toch zijn ze hier even bang voor hem."

    Toen de nacht was gedaald, en de honderden lichtjes in de wind flikkerden en lange, wiegelende beelden in het donkere water wierpen, liepen beiden langs de stille straten. De oude, hoge huizen leken vermoeid tegen elkaar geleund te slapen. De meesten hadden hun ogen gesloten. Maar hier en daar schemerde nog een venster met een matte, gele glans.

    Pluizer vertelde aan Johannes lange verhalen over hen die daarachter woonden, over de pijnen, die daar werden uitgestaan, en over de strijd, die daar tussen ellende en levenslust gestreden werd. Hij bespaarde hem niets, — het somberste, het laagste en platste zocht hij uit, — en grinnikte van genoegen, als Johannes bij zijn verschrikkelijke verhalen bleek werd en zweeg.

    — "Pluizer," vroeg Johannes opeens, "weet jij iets van het Grote Licht?" —

    Hij dacht, dat die vraag hem redden zou uit de duisternis, die dichter en drukkender om hem samendrong.

    — "Praatjes! Praatjes van Windekind!" zei Pluizer. "Hersenschimmen en dromerijen! Er zijn alleen mensen, — en ikzelf. Dacht je, dat een God of iets van dien aard er plezier in zou hebben, zo’n rommel, als het hier op aarde is, te regeren? En zo'n groot licht zou er niet zovelen hier in 't donker laten." —

    — "En die sterren, die sterren dan?" vroeg Johannes, alsof hij verwachtte, dat die zichtbare grootheid het lage voor hem zou kunnen verheffen.

    — "Die sterren? — Weet je wel waarover je praat, ventje? Het zijn geen lichtjes daarboven, zoals de lantaarns, die je hier om je heen ziet. Het zijn allemaal werelden, elk veel groter dan deze wereld met haar duizenden steden, en middenin zweven wij als een klein stofje, en er is geen onder of boven, en naar alle kanten zijn werelden, steeds maar werelden, en dat houdt nooit, nooit op."

    — "Nee! Nee!" riep Johannes angstig, "niet zeggen, niet zeggen! Ik zie lichtjes op een groot donker veld boven mij." —

    — "Ja, je kunt niet anders dan lichtjes zien. Al staarde je je leven lang omhoog, je zou niets anders zien dan lichtjes op een donker veld boven je. Maar je kunt, je móet weten, dat het werelden zijn, noch boven, noch onder, waarin dit kluitje met zijn armzalige, wriemelende mensenzootje niets is, — en als niets zal verdwijnen. Spreek dus niet meer van "de sterren", alsof het er een paar dozijn zouden zijn, het is een dwaasheid." —

    Johannes zweeg. De grootheid, die het lage zou verheffen, verpletterde het. —

— "Komaan," zei Pluizer, "nu zullen we iets vrolijks gaan zien."

    Bij tussenpozen kwamen de golven van een lieflijk slepende muziek hen tegemoet. Op een donkere gracht was een groot huis, waar het licht fel uit vele, hoge vensters brak. Een lange stoet rijtuigen stond er voor. Het stampen van de paarden klonk hol door de nachtelijke stilte, en hun koppen knikten: ja! ja! Glimlichtjes blonken op de zilveren knoppen van het tuig en op het vernis van de wagens.

    Binnen was het een-en-al licht. Half verblind staarde Johannes in de schittering van honderden vlammen, van bonte kleuren, van spiegels en bloemen. Lichte gestalten streken langs de vensters, naar elkaar toe buigend, met lach en handgebaar. Tot ver achter in de zalen bewogen zich de rijkgetooide mensen met een langzame tred of met een snelle, wiegelende draaiing. Een verward gerucht van gelach en blije stemmen, slepende stappen en ruisende gewaden drong tot op straat door, meegedragen op de golven van de zachte, bedwelmende muziek, die Johannes al van verre gehoord had. Op straat, dicht bij de ramen, stonden een paar donkere gestalten, waarvan alleen de gezichten vreemd en ongelijk werden verlicht door de glans, waar zij gretig naar staarden.

    — "Dat is mooi, dat is heerlijk!" riep Johannes; hij genoot bij het zien van zoveel kleur en licht en bloemen. "Wat gebeurt daar? Mogen wij daar naar binnen?" —

— "Zo, vindt je dit nu toch mooi? — Of kies je soms liever voor een konijnenhol? —  Kijk die mensen eens lachen en buigen en schitteren; kijk eens hoe deftig en glad die mannen, hoe bont en opgeschikt die vrouwen! En wat een aandacht bij het dansen, alsof het de gewichtigste zaak ter wereld was. — "Johannes dacht terug aan het bal in het konijnenhol en hij zag veel, dat hem eraan herinnerde. Maar alles was hier groter en schitterender. De jonge vrouwen met hun rijke opschik leken hem zo mooi als elfen, als zij de lange, blanke armen ophieven en het hoofd half opzij bogen in de dans. De bedienden gingen waardig rond en boden heerlijke dranken aan, met een eerbiedige buiging.

    — "Wat prachtig! wat prachtig!" riep Johannes.

    — "Erg mooi, vindt je niet?" zei Pluizer. "Maar nu moet je ook eens wat verder kijken dan je neus lang is. Je ziet nu niets anders dan lieve, lachende gezichten nietwaar? Nou, het grootste deel van al die lachjes is leugen en gekunsteldheid. Die vriendelijke, oude dames aan de kant zitten daar als hengelaars om een vijver; die jonge vrouwen zijn het aas, de heren zijn de vissen. En hoe lief ze ook met elkaar keuvelen, ze misgunnen elkaar nijdig elke vangst. Als een van die jonge vrouwen plezier heeft, dan is het omdat ze mooier is aangekleed of meer heren om zich heen lokt dan de andere, en het plezier van de heren ontstaat vooral door die blote halzen en armen. Achter al die lachende ogen en vriendelijke lippen schuilt iets heel anders. Zelfs die eerbiedige knechts denken allesbehalve eerbiedig. Als het opeens uit zou komen wat ze allemaal echt dachten, dan zou het feest gauw afgelopen zijn!" —

    En toen Pluizer hem alles aanwees, zag Johannes duidelijk de gemaaktheid in gezichten en gebaren en de ijdelheid, afgunst en verveling, die door het lachende masker heen gluurden of er plotseling uitkwamen als het even werd afgelegd.

    — "Nou," zei Pluizer, "ze moeten ze maar laten begaan. Die mensen moeten zich toch amuseren. En anders kunnen zij het niet." —

    Johannes voelde dat er iemand achter hem stond. Hij keek om. Het was de welbekende, lange gestalte. Het bleke gezicht werd grillig door de felle glans verlicht, zodat de ogen grote, donkere plekken vormden. Hij prevelde zachtjes in zichzelf en wees met de vinger in de lichte zaal.

    — "Kijk," zei Pluizer, "hij is weer aan 't uitzoeken."

Johannes zag waar de vinger heen wees. En hij zag hoe de oude dame onder het gesprek even de ogen sloot en de hand aan het hoofd bracht, en hoe het mooie, jonge meisje haar drentelen even staakte en met een lichte rilling vóór zich uitstaarde.

    — "Wanneer?"  — vroeg Pluizer aan de Dood.

    — "Dat is mijn zaak,"  — zei deze.

    — "Ik wilde eigenlijk Johannes ditzelfde gezelschap nog een keer laten zien," — zei Pluizer en knipoogde grijnzend. "Kan dat?"

    — "Vanavond?"  — vroeg de Dood.

    — "Waarom niet?" zei Pluizer. "Er is uur noch tijd. Wat nu is, is altijd geweest, en wat worden zal, is er al." —

    — "Ik kan niet mee," zei de Dood, "ik heb teveel werk. Maar noem de naam van wat wij allebei kennen, en jullie zullen ook zonder mij de weg vinden." —

    Zij liepen toen een eind door de eenzame straten, waar de gasvlammen flikkerden in de nachtwind en het donkere koude water tegen de grachtwallen kabbelde. De sentimentele muziek klonk flauwer en flauwer en doofde eindelijk uit in de grote rust, die over de stad lag.

    Toen klonk opeens van boven, met een volle galmende metaalklank, een luid en feestelijk lied. —

    Plotseling viel het neer uit de hoge toren, op de slapende stad, — in de droeve duistere ziel van de kleine Johannes. Verwonderd keek hij op. De klokkenzang hield aan, met een heldere, kalme klank, die zich jubelend verhief en krachtig de doodse stilte uiteenscheurde. Vreemd leken hem die blije tonen, die feestzang temidden van stille slaap en donkere rouw.

    — "Dat is de klok," zei Pluizer, "die is altijd even vrolijk, jaar in, jaar uit. Elk uur zingt zij ditzelfde lied met gelijke kracht en opgewektheid. En ‘s nachts klinkt het blijer dan overdag, — alsof de klok juicht dat zij niet hoeft te slapen, dat zij altijd door even gelukkig kan zingen, terwijl duizenden beneden haar huilen en lijden. Maar het vrolijkst klinkt het wanneer er iemand gestorven is."

    Nog een keerverhief de jubelende galm zich.

    "Eens, Johannes," ging Pluizer voort, "zal achter zo’n venster in een stille kamer een flauw lichtje branden. Een droevig lichtje, dat peinzend trilt en de schaduwen op de wand doet dansen. Er zal geen ander gerucht in de kamer zijn, dan nu en dan een zacht, onderdrukt snikken. Er zal een bed staan met witte gordijnen, met lange schaduwen in de plooien. En in dat bed zal iets liggen, — wit en stil. Dat zal de kleine Johannes geweest zijn. — O, dan zal opeens datzelfde lied luid en lustig in die kamer inbreken en 't eerste uur bezingen na zijn dood." —

    Twaalf zware slagen dreunden door de lucht met lange tussenpozen. Bij de laatste kreeg Johannes opeens een gevoel alsof hij droomde, — hij liep niet meer maar zweefde een eind boven de straat, aan Pluizers hand. In snelle vaart vlogen de huizen en lantaarns aan hem voorbij. De huizen stonden nu minder dicht op elkaar. Ze vormden alleenstaande rijen, — met donkere geheimzinnige gaten ertussen, — waar het gaslicht kuilen, plassen, puin en balken grillig verlichtte. Eindelijk kwam er een grote poort, met zware zuilen en een hoog hek. In een oogwenk waren zij er overheen gezweefd en kwamen neer op het vochtige gras naast een grote zandhoop. Johannes dacht in een tuin te zijn, want hij hoorde 't ruisen van bomen  rondom.

    — "Let nu goed op, Johannes, en hou dan nog eens vol, dat ik niet meer kan dan Windekind."

    Toen riep Pluizer luide een korte, sombere naam, die Johannes deed huiveren. Van alle kanten herhaalde de duisternis de klank, en de wind voerde hem op in een gierend draaien, totdat het wegstierf in de hoge lucht.

    En Johannes zag hoe de grashalmen hem boven 't hoofd reikten, en hoe de kleine steen, die net nog aan zijn voeten lag, hem nu het uitzicht belemmerde. Pluizer naast hem, even klein als hij, pakte de steen met beide handen vast en wentelde die met alle kracht om. Een verward geroep van fijne, hoge stemmetjes steeg van de vrijgekomen bodem omhoog.

    — "Hei! wie doet dat? — Wat betekent dat? — Lomperd!"  — klonk het door elkaar.

    Johannes zag zwarte gestalten haastig door elkaar lopen. Hij herkende de vlugge, zwarte loopkever, de glimmend bruine oorworm met zijn fijne knijpers, pissebedden met hun ronde ruggen en slangachtige duizendpoten. In 't midden trok een lange aardworm zich bliksemsnel in zijn gang terug.

    Pluizer ging dwars door de tierende en scheldende bende heen op het hol van de aardworm af.

    — "Heidaar! lange, blote slungel! — kom eens voor de dag met je rode puntneus!"  — riep Pluizer.

    — "Wat moet je?" vroeg de worm uit de diepte.

    — "Jij moet er uit, omdat ik er in wil, hoor je, kale zandeter!" —

    Voorzichtig rekte de pier zijn spitse kop uit de opening, tastte er enige malen mee in 't rond en trok toen langzaam het naakte, geringde lijf verder naar de oppervlakte.

    Pluizer keek rond naar de andere dieren, die nieuwsgierig om hem heen drongen.

    "Een van jullie gaat mee en licht vóór. Nee, zwarte kever, je bent te dik, en jij met je duizend poten zou me duizelig maken. — Ha, jij daar, oorworm! jouw gezicht bevalt me. Ga mee en draag het licht in je scharen! — Loopkever, loop! en zoek een dwaallicht of haal een fakkel van hout, dat rottend is." —

    De dieren kregen ontzag voor zijn gebiedende stem en gehoorzaamden.

    Toen daalden zij af in de wormengang. Voorop de oorworm met het lichtend hout, dan Pluizer, dan Johannes. Het was eng en duister daar beneden. Flauw zag Johannes de zandkorrels, verlicht door het zwakke, blauwe schijnsel. Zij leken groot als stenen, half doorschijnend, tot een gladde, vaste wand geschuurd door het lichaam van de pier. Deze laatste volgde nieuwsgierig. Johannes zag achter zich haar spitse kop zich nu eens snel vooruit strekken, dan weer wachten tot het lange lijf bijgetrokken was. Zij daalden zwijgend af, — lang en diep. Waar voor Johannes het pad te steil werd, steunde Pluizer hem. Er scheen geen einde aan te zullen komen; steeds nieuwe zandkorrels, en steeds kroop de oorworm verder, zich met de kronkelingen van de gang meewendend en -buigend. Eindelijk werd de weg breder en weken de wanden vanelkaar. De zandkorrels werden zwart en vochtig; boven vormden ze een gewelf, waarlangs waterdruppels glinsterende strepen trokken en waardoor boomwortels zich als verstijfde slangen doorheenstrekten.

    Toen verrees plotseling voor Johannes' blik een loodrechte wand, zwart en hoog, die de hele ruimte voor hem afsloot. De oorworm draaide zich om.

    — "Ziezo! Nu is het zaak, daar achter te komen. Dat zal de pier wel weten, die is hier thuis."

    — "Kom, wijs ons de weg!" — zei Pluizer.

    Langzaam schoof de aardworm het geringde lijf tot aan de zwarte wand en betastte die zoekend. Johannes zag, dat het hout was. Hier en daar was het tot bruinachtige stof uitelkaar gevallen. Daar boorde de worm zich in, en het lange, lenige lijf gleed in drie tussenpozen weg.

    — "Nou jij!" zei Pluizer en duwde Johannes in de kleine ronde opening. Een ogenblik dacht deze te stikken in de zachte, vochtige molm; toen voelde hij zijn hoofd vrij komen en werkte zich met moeite helemaal uit de opening los. Een grote ruimte leek hem te omgeven. De grond was hard en vochtig, de lucht dik en ondragelijk benauwd, Johannes durfde nauwelijks te ademen en wachtte, in een onbestemde angst, af.

    Hij hoorde Pluizers stem, die hol klonk als in een grote kelder.

    — "Hier Johannes, volg me!" —

    Voor zich voelde hij de grond oprijzen tot een berg. — Aan Pluizers hand beklom hij die, in de diepe duisternis. Het was alsof hij op een kleed liep, dat meegaf onder zijn stappen. Hij strompelde over kuilen en heuvels, Pluizer volgend, die hem meetrok tot op een vlakke plek, waar hij zich vastklemde aan lange halmen, die als buigzaam riet in zijn hand waren.

    — "Hier staan wij goed! — Licht!" — riep Pluizer.

    Daar daagde uit de verte het zwakke licht op, dalend en rijzend met zijn drager. Hoe dichterbij het kwam en hoe meer het flauwe gloren de ruimte vervulde, des te vreselijker werd Johannes' beklemming.

    De berg, die hij betreden had, was lang en wit; het riet, dat hij omklemde, was bruin en krulde in glinsterende golven naar beneden.

    Hij herkende de rechte gestalte van een mens, en de kille vlakte, waarop hij stond, was het voorhoofd.

    Vóór hem lagen, als twee diepe, donkere kuilen, de ingezonken ogen, en het blauwe licht scheen op de dunne neus en de grauwe lippen, die in een akelige, stijve dodenlach geopend waren.

    Uit Pluizers mond klonk een schelle lach, die dadelijk smoorde in de vochtige houtwanden.

    — "Dit is nou een verrassing, Johannes!" —

    De lange worm kwam aankruipen tussen de plooien van het lijkkleed; hij schoof zich behoedzaam tegen de kin omhoog en glipte over de strakke lippen in de zwarte mondholte.

    — "Dit is nu de mooiste van de danspartij, die je mooier vond dan een elf. Toen stroomden zoete geuren uit haar kleren en haren, toen lonkten haar ogen en lachten haar lippen. — Kijk nu eens!" —

    Bij al zijn ontzetting was er toch ongeloof in de ogen van Johannes. Zo snel? Die pracht was net nog, en nu al ...?

    — "Geloof je mij niet?" grijnsde Pluizer. "Er ligt een halve eeuw tussen toen en nu. Daar is uur noch tijd. Wat eenmaal was, zal altijd zijn, en wat worden zal, is altijd geweest. Je kunt het niet bedenken, maar je moet het geloven. Alles is hier waarheid, alles wat ik je laat zien is waar! waar! Dat kon Windekind niet zeggen."

    Grinnikend sprong Pluizer rond op het dodengezicht en bedreef de afschuwelijkste scherts. Hij zat op de wenkbrauw en trok aan de lange wimpers het ooglid op. Het oog, dat Johannes vrolijk had zien schitteren, staarde dof en rimpelig wit in het schemerlichtje.

    — "Nou vooruit!" riep Pluizer, "er valt nog meer te zien!"

    De pier kroop langzaam uit de rechter mondhoek te voorschijn en de bange tocht werd voortgezet.

    Niet terug, — maar langs nieuwe, even lange en sombere wegen.

    — "Nu komt er een oude," zei de aardworm, toen opnieuw een zwarte wand de weg afsloot. — "Deze is hier al heel lang." —

    Het was minder vreselijk dan de vorige keer. Johannes zag alleen maar een verwarde massa, waar bruinachtige beenderen uitstaken. Honderden wormen en insecten waren er zwijgend bezig. Het licht gaf opschudding.

    — "Waar komen jullie vandaan? — Wie brengt hier licht? — Dat hebben wij niet nodig." —

    En snel schoten zij weg tussen plooien en in holten. Maar zij herkenden een soortgenoot.

    — "Ben jij in die hiernaast geweest?" vroegen de wormen. — "Het hout is nog hard."

    De eerste worm ontkende. — "Hij wil het buitenkansje voor zichzelf houden,"  — zei Pluizer zacht tegen Johannes.

    Verder trokken zij, — Pluizer gaf uitleg en wees aan, wie voor Johannes bekend waren. Er kwam een misvormd gezicht met starende, uitpuilende ogen, dikke, zwarte lippen en wangen.

    — "Dit was een deftige meneer,"  — zei hij toen vrolijk, — "je had hem moeten zien, zo rijk, zo voornaam en zo zelfingenomen. Zijn opgeblazenheid heeft hij gehouden." —

    Zo ging het verder. Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit haar, dat blauw glinsterde in het zwakke licht, en kleine kinderen met grote hoofden en oudachtige denkersgezichten.

        "Kijk, die zijn pas na hun dood oud geworden!" — zei Pluizer.

    Zij kwamen bij een man met een volle baard en opgetrokken lippen, wiens witte tanden blonken. Midden in het voorhoofd had hij een rond zwart gaatje.

    — "Deze heeft Hein een handje geholpen. Waarom geen beetje geduld? Hij zou toch wel hier gekomen zijn."

    En weer kwamen er gangen en nieuwe gangen en opnieuw rechte gestalten met strakke, grijnzende gezichten en roerloze, over elkaar gelegde handen.

    — "Nu ga ik niet verder," zei de oorworm, "ik weet hier de weg niet meer."

— "Laten we omkeren," zei de pier. —

— "Nog één, nog één!" riep Pluizer.

    Verder ging de tocht.

    — "Alles wat je ziet bestaat,"  — zei Pluizer onder het verdergaan, "het is allemaal waar. Eén ding alleen is niet waar. Dat ben je zelf, Johannes. Jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn." —

    En hij schaterlachte, toen hij de angstige, wezenloze blik van Johannes bij zijn woorden zag.

    — "Dit is de laatste! — echt de laatste!"

    — "De gang loopt dood, — ik ga niet verder," — zei de oorworm knorrig.

    — "Ik wil verder!" zei Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met beide handen te graven.

    — "Help mij, Johannes!" — Willoos in zijn ellende, gehoorzaamde deze en groef de vochtige, fijne aarde weg.

    Zwijgend en zwoegend werkten zij door, totdat het zwarte hout tevoorschijn kwam.

    De pier had de geringde kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De oorworm liet het licht vallen en ging terug.

    — "Zij komen er niet in, — het hout is te nieuw," zei hij bij 't weggaan.

    — "Ik wil," zei Pluizer en scheurde met de haakvingers lange, witte splinters krakend uit het hout.

    Een vreselijke beklemming bedrukte Johannes. Maar hij moest, — hij kon niet anders.

Eindelijk ging de donkere ruimte open. Pluizer nam het licht en kroop haastig naar binnen.

    — "Hier, hier!"  — riep hij en liep naar het hoofdeinde.

    Maar toen Johannes bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op de borst lagen, moest hij rusten. Hij staarde naar de magere, witte vingers, half verlicht aan de bovenzijde. Opeens herkende hij ze, hij herkende de vorm en de plooien van de vingers, de vorm van de lange nagels, nu donkerblauw verkleurd. Hij herkende een bruin vlekje aan de wijsvinger.

    Het waren zijn eigen handen.

    — "Hier, hier!" riep Pluizers stem van het hoofdeinde. "Kijk eens, — herken je hem?" —

    Nog wilde de arme Johannes zich weer oprichten en naar het licht toegaan, dat hem wenkte. Maar hij kon niet meer. Het lichtje doofde uit tot volkomen duisternis, en hij viel bewusteloos neer.


XII


    Diep zonk hij weg in de slaap, tot in de diepte waar geen dromen zijn.

Toen hij uit die duisternissen herrees, — langzaam, — naar het grauwe, koele licht van de morgen, — vloog hij door bonte, zachte dromen uit vroeger tijd heen. Hij ontwaakte en zij gleden van zijn ziel als dauwdruppels van een bloem. Kalm en vriendelijk was de uitdrukking van zijn ogen, half nog starend in het wemelen van de lieflijke beelden.

    Maar in pijn, als een lichtschuwe, sloot hij ze voor het vale daglicht. Hij zag, wat hij ook de vorige morgen gezien had. Het leek hem ver en lang geleden. Maar uur na uur kwam alles hem weer te binnen, — van de droevige morgen tot de vreselijke nacht. Hij kon niet geloven, dat al die verschrikkingen in één dag waren verschenen. Het begin van zijn ellende leek zo ver weg, verloren in een grauwe mist.

    Spoorloos gleden de zachte dromen van zijn ziel weg, Pluizer schudde aan hem, — en de sombere dag begon, — traag en kleurloos, — de voorloper van vele, vele andere.

    Maar wat hij de vorige avond op die bange tocht gezien had, bleef hem bij. Was het alleen maar een afschuwelijk visioen geweest?

    Toen hij Pluizer er weifelend naar vroeg, keek deze hem spottend en verwonderd aan.

    — "Wat bedoel je?" vroeg hij.

    Maar Johannes zag de spot in zijn blik niet, en vroeg of het niet echt zo gebeurd was, hij zag het nog zo scherp en duidelijk voor zich!

    — "Maar Johannes, wat ben je toch dom! Zulke dingen kunnen toch niet gebeuren!"

    En Johannes wist niet wat hij denken moest.

    — "We zullen je gauw aan 't werk zetten. Dan zul je zo’n domme vragen niet meer stellen."

    En zij gingen naar de dokter Cijfer, die Johannes zou helpen vinden, wat hij zocht.

    Maar in de drukke straten hield Pluizer een keer plotseling stil en wees Johannes een mens uit de menigte aan.

    — "Ken je hem nog?"  — vroeg Pluizer en schaterde het uit toen Johannes bleek werd en de man verschrikt nastaarde.

    Hij had hem de vorige nacht gezien, diep onder de aarde.

    Vriendelijk ontving de dokter hen en deelde Johannes zijn wijsheid mee. Urenlang luisterde hij die dag, en vele dagen daarna.

    Wat hij zocht had de dokter nog niet gevonden. Maar hij had het bijna, zei hij. Hij zou Johannes zover brengen als hij zelf was en dan zouden zij er beiden wel komen.

    Johannes leerde en luisterde, ijverig en geduldig, — dagen en maanden lang. Hij voelde weinig hoop, — maar hij begreep, dat hij nu dóór moest gaan, — zo ver mogelijk. Hij vond het vreemd, — dat terwijl hij het licht zocht, het hoe langer hoe duisterder voor hem werd. Het begin van alles wat hij leerde was het beste, maar hoe dieper hij doordrong hoe doodser en duisterder het werd. Hij begon met planten en dieren, met alles wat om hem heen was  — en als hij er lang op gestaard had, werden het cijfers. Alles viel uitelkaar tot cijfers, — bladen vol cijfers. Dat vond dokter Cijfer heerlijk, en hij zei, dat het voor hem licht werd, als de cijfers kwamen, Maar voor Johannes was dat duisternis.

    Pluizer verliet hem niet en dreef en zweepte hem voort, als hij moedeloos en vermoeid was. Alle ogenblikken van genot of bewondering bedierf hij voor hem.

    Johannes verbaasde en verheugde zich, toen hij leerde en zag, hoe fijn de bloemen waren gebouwd, hoe zij vruchten vormden en hoe de insecten hen onwetend hielpen in die taak.

    — "Dat is toch prachtig," zei hij, "wat is dat allemaal juist berekend en wat fijn en doelmatig gemaakt." — "Ja, verbazend doelmatig,"zei Pluizer, "jammer dat het grootste deel van die doelmatigheid en fijnheid tot niets dient. Hoeveel bloesems worden vruchten en hoeveel pitten worden bomen?"

    — "Maar het lijkt toch allemaal volgens een groot plan gemaakt," antwoordde Johannes. "Kijk! de bijen zoeken honing voor zichzelf en weten niet dat zij de bloemen helpen, — en de bloemen lokken de bijen door hun kleur. Het is een plan, en zij werken allebei mee zonder het te weten." —

    — "Dat lijkt heel mooi, maar er mankeert veel aan. Als de bijen kans zien, bijten zij een gat onder in de bloem en maken de hele ingewikkelde organisatie te schande. Een slimme plannenmaker, die zich door een bij voor de gek laat houden."

    Bij de wonderbaarlijke bouw van mensen en dieren werd het nog erger. Van alles wat Johannes mooi en knap vond, toonde hij de onvolkomenheid en de gebreken aan. Het hele leger van kwalen en ellende dat mens en dier treffen kan, liet hij hem zien, met voorliefde het walgelijkste en afzichtelijkste uitkiezend.

    — "Die plannenmaker, Johannes, was erg slim, maar bij alles wat hij maakte vergat hij iets, — en de mensen hebben handen vol werk, om al die gebreken zo goed mogelijk bij te lappen. Kijk maar om je heen! een paraplu, een bril, zelfs kleren en huizen, het is allemaal menselijk lapwerk. Het hoort volstrekt niet bij het plan. Maar de plannenmaker heeft niet bedacht dat mensen het koud zouden hebben en boeken zouden lezen en duizend dingen meer zouden gaan doen, waarvoor zijn plan niet deugde. Hij heeft zijn kinderen kleertjes gegeven, zonder te bedenken, dat zij er uit zouden groeien. Nu zijn bijna alle mensen al lang hun natuurpakje ontgroeid. Nu gaan zij alles zelf doen en storen zich volstrekt niet meer aan de plannenmaker en zijn plannen. Wat hij hun niet gegeven heeft, nemen ze brutaal en eigenmachtig, — en waar het hem blijkbaar te doen was hen te doen sterven, ontduiken zij de dood soms voor lange tijd, door allerlei kunstgrepen." —

    — "Maar het is de schuld van de mensen," riep Johannes, "waarom wijken zij moedwillig af van de natuur?" —

    — "O domme Johannes! — als een kindermeisje een onnozel kind met vuur laat spelen en het brandt zich, wie heeft dan schuld? — Het kind dat geen vuur kende, of het kindermeisje dat wist dat het kind zich zou branden? En wie is schuldig, als de mensen afdwalen in ellende en onnatuur, zijzelf of de alwijze plannenmaker, voor wie zij als onwetende kinderen zijn?" —

    — "Maar zij zijn niet onwetend, zij wisten ..."

    — "Johannes! als jij tegen een kind zegt: "raak dat vuur niet aan! het doet pijn" — en als het kind het dan toch doet, omdat het niet weet wat pijn is, kun jij je dan van schuld vrijpleiten en zeggen: "kijk! het kind was niet onwetend"? Jij wist toch, dat het jouw raad niet zou opvolgen. Mensen zijn dwaas en dom als kinderen. Maar glas is bros en leem is week. En wie mensen maakt en geen rekening houdt met hun dwaasheid, — is als iemand die wapens maakt van glas en niet bedenkt dat zij zullen breken, en pijlen van leem en niet bedenkt, dat zij zullen buigen." —

    En de woorden vielen als druppels vloeiend vuur op Johannes' ziel. En in zijn borst zwol het grootste leed, dat zijn vroegere smarten verdrong en hem vaak deed huilen, in de stille, slapeloze uren van de nacht.

    Ach! slaap! slaap! — Er kwam een tijd, na lange dagen, — dat slaap hem het liefst was van alles. Daarin was geen gedachte en geen leed; en zijn dromen brachten hem altijd naar zijn vroegere leven terug. Heerlijk leek het hem, als hij er van droomde, maar overdag kon hij zich niet meer te binnen brengen, hoe het geweest was. Hij wist alleen, dat zijn verdriet en verlangen van vroeger beter waren, dan het lege, dode gevoel dat hij nu kende. Hij had een keer smartelijk naar Windekind verlangd, hij had een keer uur na uur op Robinetta gewacht. Wat was dat heerlijk geweest!

    Robinetta! — Verlangde hij nog? — Hoe meer hij leerde, hoe meer zijn verlangen verdween. Want ook dat werd ontleed en Pluizer legde hem uit wat liefde was. — Toen schaamde hij zich en dokter Cijfer zei dat hij er nog geen cijfers van maken kon, maar dat het wel spoedig gebeuren zou. Zo werd het duisterder en duisterder voor de kleine Johannes.

    Hij had een flauw gevoel van dankbaarheid, dat hij Robinetta niet herkend had op zijn vreselijke tocht met Pluizer.

    Als hij er met Pluizer over sprak, zei die niets en lachte slim. Maar Johannes begreep dat het niet was geweest, om hem te sparen.

    De uren dat Johannes niet leerde en werkte, gebruikte Pluizer, om hem de mensen te laten zien. Hij wist hem overal te brengen, — in de ziekenhuizen, waar de zieken in grote zalen lagen, — lange rijen bleke, uitgeteerde gezichten met een doffe of pijnlijke uitdrukking, waar een naargeestige stilte heerste, slechts door kuchen en kermen verbroken. En Pluizer wees hem aan, wie van hen nooit die zalen zouden verlaten. En als op een bepaald uur stromen mensen het huis binnenkwamen om hun zieke verwanten te bezoeken, zei Pluizer:

    — "Kijk! die weten allemaal, dat ook zij ooit in dit huis en in die droeve zalen terecht zullen komen, om er in een zwarte kist weer uitgedragen te worden." —

    — "Hoe kunnen zij nog ooit vrolijk zijn?" — dacht Johannes.

    En Pluizer bracht hem op een klein bovenzaaltje, waar een weemoedig halfduister heerste en waar de verwijderde klanken van een piano uit een naburig huis onophoudelijk en dromerig doordrongen. Daar wees Pluizer hem, tussen de anderen, een zieke aan, die suffend voor zich uit staarde naar een smal zonnestraaltje, dat traag langs de muur kroop.

    — "Die ligt daar al zeven jaar," — zei Pluizer. "Hij is zeeman geweest en heeft de palmen van Indië, de blauwe zeeën van Japan, de bossen van Brazilië gezien. Nu amuseert hij zich al die lange dagen van zeven lange jaren, met dat zonnestraaltje en dat pianospel. Hij komt hier niet meer vandaan; maar het kan nog net zo lang duren."

    Na die dag was het Johannes' bangste droom, opeens in dat zaaltje te ontwaken, in dat weemoedige halfduister bij die dromerige klanken, om tot het einde toe niets anders meer te zien dan het gaande en komende licht.

Pluizer bracht hem ook in de grote kerkgebouwen en liet hem luisteren naar wat daar gezegd werd. Hij bracht hem bij feesten, bij grote plechtigheden, in de binnenvertrekken van vele huizen.

    Johannes leerde de mensen kennen, en het gebeurde hem soms, dat hij aan zijn vroegere leven moest denken, aan de sprookjes, die Windekind hem verteld had, en aan zijn eigen ontmoetingen. Er waren mensen die hem aan het glimwormpje herinnerden, dat in de sterren zijn gestorven makkers meende te zien, — of aan die ene meikever, die een dag ouder was dan de andere en zoveel over een roeping gesproken had, — en hij hoorde verhalen, die hem aan Kribbelgauw, de held van de kruis-spinnen, deden denken; of aan de aal, die niets deed en gevoed werd omdat een dikke koning deftig stond. Zichzelf vergeleek hij wel met de jonge meikever, die niet wist wat een roeping was en het licht invloog. Hij voelde zich alsof hij hulpeloos en verminkt op het vloerkleed rondkroop, met een draadje om 't lijf, een scherp draadje, waaraan Pluizer rukte en trok.

    Ach, de tuin zou hij wel niet meer vinden, — wanneer zou de zwarte voet komen en hem verpletteren?

    Pluizer spotte met hem, als hij over Windekind sprak. En langzamerhand begon hij te geloven, dat Windekind er nooit geweest was.

    — "Maar, Pluizer! dan is het sleuteltje er ook niet, dan is er niets!"

    — "Niets! Niets! Er zijn mensen en cijfers, dat is allemaal waar, dat bestaat, eindeloos veel cijfers."

    — "Maar, Pluizer, dan heb je mij bedrogen. Laat mij ophouden, — laat mij niet meer zoeken, — laat mij alleen!" —

    — "Weet je niet meer wat de Dood gezegd heeft? — Een mens zou je worden, een volmaakt mens."              — "Ik wil niet, — het is vreselijk."

    — "Je moet, — je hebt het ééns gewild. Kijk dokter Cijfer eens, — vindt die het vreselijk? Word zoals hij is." —

    Het was waar. Dokter Cijfer leek altijd rustig en gelukkig. Onvermoeid en onverstoorbaar ging hij zijn weg, studerend en onderrichtend, tevreden en gelijkmoedig.

    — "Kijk hem," zei Pluizer, "hij ziet alles en ziet ook niets. Hij bekijkt de mensen alsof hij zelf een ander wezen is, dat niets met hen te maken heeft. Hij gaat tussen kwalen en ellende door als een onkwetsbare en verkeert met de dood als een onsterfelijke. Hij wil alleen begrijpen wat hij ziet, en hij vindt alles wat hij te weten komt even goed. Hij is met alles tevreden, zodra hij het bereikt. Zó moet je ook worden." —

    — "Maar dat kan ik nooit." —

    — "Ja, dat kan ik niet helpen." —

    Dat was altijd het hopeloze einde van hun gesprek. Johannes werd dof en onverschillig, zocht en zocht, niet meer wetend waarnaar en waarom. Hij werd als de velen, die Wistik gesproken hadden.

    't Werd winter, en hij merkte het nauwelijks.

    Op een kille, mistige morgen, toen de natte, vuile sneeuw op de straten lag en van bomen en daken droop, ging hij met Pluizer zijn dagelijkse gang.

Op een plein ontmoette hij een paar jonge meisjes, op een rij, met schoolboeken in de hand. Ze gooiden elkaar met sneeuw en lachten en stoeiden. Helder klonken hun stemmetjes over het besneeuwde plein. Je hoorde geen geluid van voetstappen of rijtuigen, alleen de rinkelende bellen van de paarden of het rammelen van een winkeldeur. Helder klonk de blije lach door de stilte. Johannes zag hoe een van de meisjes hem aankeek en bleef nastaren. Zij had een bontmanteltje om en droeg een zwarte hoed. Hij kende haar gezicht heel goed, maar wist toch niet wie zij was. Zij knikte een keer, en nog een keer.

    — "Wie is dat? ik ken haar." —

    — "Ja, dat is wel mogelijk. Zij heet Maria. Sommigen noemen haar Robinetta." —

    — "Nee, dat kan niet. Zij lijkt niet op Windekind. Het is een gewoon meisje." —

    — "Ha! ha! ha! Zij kan niet lijken op niemand. Maar zij is wie zij is. Je hebt naar haar verlangd, ik wil je nu wel bij haar brengen." —

    — "Nee, ik wil haar niet zien. Ik had haar liever dood gezien, zoals de anderen."

    En Johannes keek niet meer om, maar liep haastig door en mompelde:

    "Dat is het laatste, er is niets! niets!" —


XIII


    Het heldere, warme zonlicht van een eerste lentemorgen stroomde over de grote stad. Felle stralen vielen in 't kamertje, waar Johannes woonde; op de lage zoldering trilde en schommelde een grote lichtplek, — een weerkaatsing van het rimpelende water van de gracht.

    Johannes zat voor het raam in de zonneschijn en staarde over de stad. Die was helemaal van aanblik veranderd. De grauwe mist was een glanzige blauwe zonnewaas geworden, dat het einde van de lange straten en de torens in de verte omhulde. De lichtkanten van de leien daken schitterden zilverwit, alle huizen hadden heldere lijnen en lichte vlakken door het zonlicht, — er was een warme tinteling in de bleekblauwe lucht. Het water scheen levend geworden te zijn. De bruine knopjes van de iepebomen waren dik en glanzig, en luidruchtige mussen fladderden tussen de takjes.

    Het werd Johannes zo vreemd te moede, terwijl hij staarde. De zonneschijn bracht hem in een zoete verdoving.

    Er zat vergetelheid en onmiddellijke overvloed in. Dromend staarde hij naar de schittering van de golfjes, naar de zwellende iepeknopjes, — en hij luisterde naar het tjilpen van de mussen. Er zat vreugde in dat geluid.

    Zo gevoelig was hij in lange tijd niet geweest; zo gelukkig had hij zich in lange tijd niet gevoeld.

    Dat was de oude zonneschijn, die hij herkende. Dat was de zon die hem vroeger naar buiten riep, naar de tuin, waar hij dan, in de luwte van een oud muurtje, op de warme grond ging liggen, — en lang kon genieten van al dat licht en die warmte, starend naar de halmpjes en kluitjes vóór hem, gekoesterd in de zon.

    Hij voelde zich zó goed in dat licht, het gaf hem het veilige thuisgevoel, — zoals hij zich herinnerde dat het heel vroeger was, in de armen van zijn moeder. Hij moest aan heel het verleden denken, maar hij huilde of verlangde niet. Hij zat stil en droomde, — niet anders wensend dan dat de zon mocht blijven.

    — "Wat zit je daar te suffen, Johannes?" riep Pluizer, "je weet, ik hou niet van dromen." —

    Johannes hief smekend de peinzende ogen omhoog.

    — "Laat mij nog even zo blijven," zei hij. "De zon is zo goed." —

    — "Wat vind je aan die zon?" zei Pluizer. "Het is toch niets anders dan een grote kaars, — of je in kaarslicht of zonlicht zit is volmaakt hetzelfde. Kijk! die schaduwen en die lichte plekken op straat, — dat is toch niets anders dan het schijnsel van een licht, wat stil brandt en niet flikkert. En dat licht is eigenlijk een heel klein vlammetje, dat op een heel klein stukje van de wereld schijnt. Daar! daar! voorbij dat blauw, onder en boven ons, is het donker, koud en donker! — daar is het nu nacht, nu en altijd." —

    Maar zijn woorden hadden geen invloed op Johannes. De stille, warme zonnestralen doordrongen hem en vervulden zijn hele ziel, — het was licht en vredig in hem.

    Pluizer nam hem mee naar het kille huis van dokter Cijfer. Een tijd lang nog zweefden de beelden van de zon voor zijn geest, toen verflauwden zij langzamerhand en midden op de dag was het helemaal duister in hem.

Maar toen de avond kwam en hij weer door de straten van de stad liep, was de lucht zwoel en vol vochtige voorjaarsgeuren. Alles geurde sterker en in de enge straten beklemde het hem. Maar op de open pleinen rook hij het gras en de knoppen van buiten. En boven de stad zag hij het voorjaar in de rustige wolkjes, in het tere rood van de westelijke hemel.

    De schemering spreidde een zachte, grijze nevel over de stad, vol fijne tinten. Het werd stil in de straten, alleen een straatorgel in de verte speelde een weemoedig wijsje, — de huizen leken zwarte schimmen tegen de rode avondhemel, als talloze armen staken ze hun grillige spitsen en schoorstenen omhoog.

    Het was voor Johannes als een vriendelijke glimlach van de zon, toen zij voor het laatst over de grote stad lichtte, — vriendelijk als de glimlach die een dwaasheid vergeeft. En de zoelte streek Johannes liefkozend over de wangen.

    Toen kwam er een grote weemoed in Johannes' hart, — zo groot dat hij niet verder kon gaan en diep ademend zijn gezicht moest opheffen naar de wijde hemel. Het voorjaar riep hem en hij hoorde het. Hij wilde antwoorden, hij wilde komen. Het was allemaal berouw en liefde en vergeving in hem.

    Verlangend staarde hij omhoog en tranen gleden uit zijn droeve ogen.

    — "Kom! Johannes! — doe niet zo raar, de mensen kijken!" zei Pluizer.

    De lange, eentonige huizenrijen strekten zich aan beide zijden somber en naargeestig uit. Een gejammer in de zwoele lucht, een klaagtoon tussen het roepen van de lente!

    De mensen zaten voor de deuren en op de stoepen, — om van de lente te genieten. Het leek voor Johannes op een bespotting. De vuile deuren stonden open en de bedompte ruimte daarbinnen wachtte op hen. Het orgel in de verte rekte nog zijn weemoedige tonen.

    — "O! kon ik hier maar uit wegvliegen, ver weg, naar de duinen, naar — de zee!"

    Maar hij moest mee naar het hoge kleine kamertje en hij lag die nacht wakker.

    Hij moest denken aan zijn vader en de lange wandelingen, die hij met hem maakte, — als hij tien passen achter hem liep en zijn vader letters voor hem schreef in het zand. Hij moest aan de plaatsen denken, waar de viooltjes groeien tussen het kreupelhout en aan de dagen, dat hij ze met zijn vader gezocht had. De hele nacht zag hij het gezicht van zijn vader, zoals het was, als hij ‘s avonds bij het stille lamplicht naar hem zat te kijken en luisterde naar het krassen van zijn pen.

    Iedere morgen vroeg hij Pluizer toen, om nog één keer terug te mogen gaan, naar zijn huis en zijn vader, om nog één keer zijn tuin en de duinen te mogen zien. Nu merkte hij dat hij zijn vader meer had liefgehad dan Presto en zijn kamertje, — want het was om hem dat hij het vroeg.

    — "Vertel mij alleen hoe het met hem is  — en of hij nog boos op mij is, omdat ik zolang ben weg-gebleven." —

    Pluizer haalde de schouders op. — "Al zou je dat nu weten, wat zou het je helpen?"

    Maar de lente bleef hem roepen, luider en luider. Iedere nacht droomde hij van het donkergroene mos op de duinhellingen en van zonnestralen, die door het fijne, jonge groen schenen.

    — "Het kan zó niet langer duren," dacht Johannes, "ik kan het niet volhouden." —

    En vaak, als hij niet slapen kon, stond hij zachtjes op, — ging naar het venster, en staarde in de nacht. Hij zag hoe de dommelige, donzen wolkjes langzaam langs de maanschijf schoven, vreedzaam drijvend in een zee van zachte glans. Hij dacht hoe nu daar in de verte de duinen sliepen in de zwoele nacht, hoe wondervol het moest zijn in de lage bosjes, waar geen van de jonge blaadjes zou bewegen en waar het zou geuren van vochtig mos en jonge berkenspruiten. Hij meende van verre het golvende koor van de kikkers te horen, dat zo geheimzinnig aanzweeft over de velden, — en het lied van de enige vogel, die de plechtige stilte mag begeleiden, die zijn zang zo zacht en klagend begint en zo plotseling afbreekt, waardoor de stilte nog stiller schijnt. En het riep hem, het riep hem allemaal. Hij boog het hoofd op de vensterbank en snikte op zijn arm.

    — "Ik kan niet meer! — ik kan het niet verdragen. Ik zal wel gauw sterven, als ik niet mag komen."

    Toen Pluizer hem de volgende dag wekte, zat hij nog bij het venster, waar hij was ingeslapen met het hoofd op de arm. De dagen gingen voorbij, werden lang en warm, en er kwam geen verandering. Maar Johannes stierf niet en zijn smart moest hij dragen.

    Op een morgen zei dokter Cijfer tegen hem:

    — "Ga je mee Johannes, ik moet een zieke bezoeken."

    Dokter Cijfer stond bekend als een geleerd man en velen riepen zijn hulp in tegen ziekte en dood. Al vaak was Johannes met hem meegegaan.

    Pluizer was bijzonder vrolijk die morgen. Hij ging telkens op het hoofd staan, danste en buitelde, en maakte allerlei uitgelaten grappen. Hij grinnikte voortdurend geheimzinnig, als iemand die voor een ander een verrassing bereid heeft. Johannes was heel bang voor hem als hij in zo’n bui was.

    Dokter Cijfer bleef echter ernstig als altijd.

    Zij maakten die morgen een verre reis. In een spoortrein en te voet. Zij gingen verder dan anders, nog nooit hadden ze Johannes buiten de stad meegenomen.

    Het was een warme, zonnige dag. Vanuit de spoortrein zag Johannes de grote, groene weiden voorbijgaan met langgepluimd gras en grazende koeien. Hij zag witte vlinders fladderen boven het bloemrijke land, waar de lucht trilde van de zonnehitte.

    Maar opeens voelde hij een tinteling, — daar strekte zich de lange, golvende duinenrij uit!

    — "Nou Johannes!" grinnikte Pluizer. "Nou krijg je toch je zin, zie je wel!" —

    Half ongelovig bleef Johannes naar de duinen staren. Zij kwamen nader- en naderbij. De lange sloten aan beide kanten leken om hun middelpunt te draaien en snel vlogen enkele woningen langs de weg voorbij.

    Toen kwamen de bomen: dichtbebladerde kastanjebomen, rijkelijk bloeiend met duizenden grote, witte of rode bloemtrossen, — donkerblauwgroene dennen, grote, statige linden.

    Het was toch waar, hij ging zijn duinen terugzien.

De trein stond stil, — en toen liepen de drie te voet, onder het schaduwrijke loof.

    Daar was het donkergroene mos, daar waren de ronde plekken van de zonnestralen op de bosgrond, dat was de geur van berkenspruiten en dennennaalden.

    — "Is het waar! — is het werkelijk waar?"  — dacht Johannes, — "zou het geluk komen?" —

    Zijn ogen schitterden en zijn hart klopte krachtig. Hij begon te geloven in zijn geluk. Deze bomen, deze grond kende hij, — over dit bospad was hij vaak gelopen.

    Zij waren alleen op de weg. Maar Johannes moest omkijken, alsof hen iemand volgde. En hij meende tussen het eikenloof de donkere figuur van een mens te zien, die telkens door de laatste kronkeling van het pad verborgen bleef.

    Pluizer keek hem vals en geheimzinnig aan. Dokter Cijfer liep met lange stappen en staarde naar de grond.

    De weg werd hem bekender en vertrouwder, — iedere steen, ieder struikje kende hij, — toen schrok Johannes opeens hevig, want hij stond voor zijn eigen huis.

    De kastanjeboom voor het huis breidde zijn grote, handvormige bladen schaduwend uit. Tot boven in de hoge top prijkten de prachtig witte bloesems in de volle, ronde bladermassa.

    Hij hoorde het geluid van de opengaande deur, dat hij zo goed kende, — en hij rook de geur van zijn eigen huis. Daar herkende hij de gang, de deuren, allemaal stuk voor stuk, — met een smartelijk gevoel van verloren vertrouwelijkheid. Het was allemaal een deel van zijn leven, — van zijn eenzame, mijmerende kinderleven. Tegen al die voorwerpen had hij gesproken, hij had met hen geleefd in zijn gedachteleven, — waar hij geen mens in toeliet. Maar nu voelde hij zich afgescheiden en afgestorven van het hele oude huis, met zijn kamers en gangen en portaaltjes. Hij voelde dat die scheiding onherroepelijk was en het was voor hem alsof hij een kerkhof bezocht, zo weemoedig en droevig.

    Was Presto hem maar tegemoet gesprongen, dan zou het minder akelig zijn, — maar Presto was zeker weg of dood.

    Maar waar was zijn vader?

    Hij keek terug naar de open deur en de zonnige tuin daarbuiten, en zag de man, die hem op weg leek te achtervolgen, nu al op het huis toelopen. Hij kwam dichter en dichterbij en leek groter te worden bij het naderen. Toen hij bij de deur was vervulde een grote, kille schaduw de gang. Toen herkende Johannes de Man.

    Het was doodstil in huis en zij gingen zwijgend de trap op. Er was een trede, die altijd kraakte onder de voetstappen, dat wist Johannes. En nu hoorde hij haar driemaal kraken, het klonk als een pijnlijk kreunen. Maar onder de vierde voetstap was het als een doffe snik.

    En boven hoorde Johannes een gekreun, zacht en zo regelmatig als een langzaam klokgetik. Het was een pijnlijk akelig geluid.

    De deur van Johannes' kamertje stond open. Hij wierp er even een schuwe blik in. De wonderlijke bloemfiguren van het behang staarden hem verbaasd en wezenloos aan. De hangklok stond stil.

    Zij gingen naar de kamer van waaruit het geluid kwam. Het was de slaapkamer van zijn vader. De zon scheen vrolijk naar binnen, op de gesloten, groene gordijnen van het bed. Simon de kat zat op de vensterbank in de zonneschijn. Er heerste een beklemmende geur van wijn en kamfer. Het zachte kreunen klonk nu van dichtbij.

    Johannes hoorde fluisteren van stemmen en schuifelen van voorzichtige voetstappen. Toen werden de groene gordijnen opengeslagen.

    Hij zag het gezicht van zijn vader, dat hij de laatste tijd zo vaak voor zich had gezien. Maar het was helemaal anders. De vriendelijke, ernstige uitdrukking was weg en het keek strak en benauwd. Het was vaalbleek, met bruine schaduwen. De tanden waren zichtbaar in de halfgeopende mond en het wit van de ogen onder de halfgesloten oogleden. Het hoofd lag weggezonken in het kussen en regelmatig hief het zich bij het kreunen even op, om dan weer moe opzij te vallen.

    Roerloos stond Johannes bij het bed en staarde met wijde strakke ogen naar dat bekende gezicht. Hij wist niet wat hij dacht, — hij durfde geen vinger te bewegen, — hij durfde die oude, bleke handen, die slap op het witte linnen lagen, niet vast te pakken.

    Het was allemaal zwart om hem heen, de zon en de lichte kamer, het groen daarbuiten en de blauwe lucht van zo even, alles wat achter hem lag, het werd zwart, zwart, dof en ondoordringbaar. En in die nacht zag hij alleen dat bleke hoofd daar vóór hem. En hij moest alleen denken aan dat arme hoofd, dat zo moe leek, en zich telkens en telkens weer met een smartelijk geluid moest optillen.

    Toen kwam een ogenblik een verandering in de regelmatige beweging. Het kreunen hield even op, de oogleden gingen langzaam open, de ogen staarden zoekend rond en de lippen trachtten iets te zeggen.

    — "Dag vader!" fluisterde Johannes en staarde angstig bevend in de zoekende ogen. De matte blik rustte toen even op hem en een flauw, flauw glimlachje rimpelde de holle wangen. De smalle, samengeplooide hand werd van het laken opgetild en maakte een onzekere beweging naar Johannes, toen viel zij krachteloos weer neer.

    — "Kom! kom!" zei Pluizer, — "geen scène hier."

    — "Ga uit de weg, Johannes," — zei dokter Cijfer, — "wij moeten zien wat er te doen valt." — De dokter begon het onderzoek, maar Johannes ging weg van het bed en stond voor het raam. Hij keek naar het zonnige gras en de heldere lucht en naar de brede kastanjebladeren, waarop dikke vliegen zaten, die blauw glansden in de zonneschijn. Het kreunen begon weer met dezelfde gelijkmatigheid.

    Een zwarte merel huppelde tussen het hoge gras in de tuin, — grote rood en zwarte vlinders dwarrelden over de bloemperken, uit het gebladerte van de hoogste bomen drong het zachte, vleiende gekir van de houtduiven tot Johannes door.

    Hier binnen hield het kreunen aan, — altijd maar door, altijd maar door. Hij moest er naar luisteren, — en het kwam regelmatig, onafwendbaar als de vallende druppel, die krankzinnig maakt. Gespannen wachtte hij bij elke tussenpoos en telkens kwam het weer, — verschrikkelijk als de voetstap van de naderende dood.

    En daarbuiten heerste een warme, weelderige zonnevrede. Alles koesterde zich en genoot. De grashalmen trilden en de bladeren ritselden van zoete overvloed, — boven de hoge boomtoppen, diep in het wemelende blauw, zweefde een reiger met kalme vleugelslag.

    Johannes begreep het niet, — het was allemaal een raadsel voor hem. Het was zo verward en duister in zijn ziel. — "Hoe kan dit allemaal tegelijk in mij zijn!"  — dacht hij.

    — "Ben ik dit werkelijk? — Is dat mijn vader, mijn eigen vader? — Van mij, mij, Johannes?"

    Het was voor hem alsof hij over een vreemde praatte. Het was allemaal een verhaal, dat hij gehoord had. Hij had iemand horen vertellen over Johannes en over het huis, waar hij woonde en over zijn vader, die hij verlaten had en die nu ging sterven. Hij was het zelf niet, — hij had het horen vertellen. Het was wel een droevig verhaal, echt droevig. Maar het ging hem niet aan.

    Ja! — ja! — toch. Hij was het zelf, hij! Johannes!

    — "Ik begrijp de zaak niet,"  — zei dokter Cijfer, zich oprichtend, "het is een raadselachtig geval."

    Pluizer kwam bij Johannes staan.

    — "Kom je niet even kijken, Johannes, het is een belangrijk geval. De dokter weet het niet." —

    — "Laat mij," zei Johannes, zonder zich om te wenden. "Ik kan niet denken." —

    Maar Pluizer ging achter hem staan en fluisterde scherp in zijn oor, zoals zijn gewoonte was.

    — "Niet denken! — Dacht je dat je niet denken kon? — Dat heb je mis. Je moet denken. — Al kijk je nu naar het groen en naar de blauwe lucht, dat helpt niet. Windekind komt toch niet. En die zieke man dáár gaat toch dood. Dat heb je net zo goed gezien als wij. Maar wat zou zijn kwaal zijn, denk je?" —

    — "Ik weet het niet! ik wil het niet weten."

    Johannes zweeg en luisterde naar het kreunen, het klonk zacht klagend en verwijtend. Dokter Cijfer maakte aantekeningen in een boekje. Bij het hoofd van het bed zat de donkere gestalte, die hen gevolgd was, — het hoofd gebogen, de lange hand naar de zieke uitgestrekt en de diepliggende ogen naar de klok gericht.

Het scherpe fluisteren aan zijn oor begon weer.

    — "Waarom kijk je zo bedroefd, Johannes? Nu heb je toch je zin. Daar liggen de duinen, daar zijn de zonnestralen door het groen, daar fladderen vlinders en zingen vogels. Wat wil je nu nog?

    — Wacht je, Windekind? — Als hij ergens is, moet hij dáár zijn. Waarom komt hij nu niet? — Zou hij bang zijn voor die donkere vriend aan het hoofdeind? Die was er toch altijd al."

    "Zie je nu wel dat het allemaal inbeelding geweest is, Johannes?"

    "Hoor je dat kreunen wel? Het klinkt al zachter dan daar net. Je kan horen dat het wel gauw helemaal zal ophouden. Nou, wat is dat? Er hebben er al zoveel gekreund, ook toen jij hier buiten rondliep tussen de duinrozen. Waarom sta je nu hier te treuren en ga je niet de duinen in, zoals vroeger? — Kijk! alles bloeit en geurt en zingt daar, alsof er niets gebeurt. Waarom doe je niet mee met al die vrolijkheid en dat leven?"

    "Eerst klaag je en verlang je, — nu breng ik je waar je wilde zijn en nu is het weer niet goed. Kijk! ik laat je gaan, loop door het hoge gras, ga in die koele schaduw liggen, laat de vliegen om je heen gonzen en ruik de geur van het jonge kruid! — ik laat je vrij, ga nu! Zoek Windekind nu weer!"

    "Je wil niet? — Geloof je nu dan toch alleen in mij? — Is het waar wat ik je verteld heb? Loog Windekind of ik?"

    "Hoor het kreunen! — zo kort en zwak. Het zal gauw stil zijn."

    "Kijk maar niet zo angstig om, Johannes. Hoe eerder het stil is, hoe beter. — Nu zullen er geen lange wandelingen meer komen, — nu zul je niet meer met hem naar viooltjes zoeken. Met wie zou hij die twee jaren gewandeld hebben, denk je? toen je weg was? Ja, je kunt het hem nu niet meer vragen. Dat zul je nooit weten. Nu moet je je wel met mij tevreden stellen. Als je mij wat eerder gekend had, zou je nu niet zo jammerlijk kijken. Je bent nog lang niet zoals je moet zijn. Denk je dat dokter Cijfer in jouw geval zo zou kijken? Het zou hem even bedroefd maken als die kat, die daar spint in de zonneschijn. En dat is goed. Waartoe dient die rampzaligheid? Hebben de bloemen je dat geleerd? Die treuren ook niet als er een geplukt wordt. Is dat niet gelukkig? Zij weten niets, daarom zijn zij zo. Jij bent ooit begonnen met iets te weten, nu moet je ook alles weten om gelukkig te worden. Dat kan alleen ik je leren. Alles of niets."

    "Luister naar mij. Wat maakt het uit of dat je vader is? Het is een mens die sterft, — dat is een gewone zaak."

    "Hoor je het kreunen nog? — Erg zwak nietwaar? — Het zijn nu wel de laatste."

    Johannes keek naar het bed in een bange beklemming.

    Simon de kat sprong van de vensterbank, rekte zich uit  — en legde zich spinnend naast de stervende in het bed.

    Het arme, moeie hoofd bewoog niet meer, — het lag stil in het kussen weggezonken, — maar uit de half geopende mond kwamen nog regelmatig de korte, matte klanken.

    Zij werden zachter, zachter, nauwelijks hoorbaar.

    Toen wendde de Dood de donkere ogen van de klok naar het weggezonken hoofd en hief de hand op. Daarna werd het stil.

    Een vale schaduw viel over het strakke gezicht.

    Stilte, — doffe, lege stilte! —

    Johannes wachtte en wachtte. —

    Maar de regelmatige klank kwam niet terug. Het bleef stil, een grote, suizende stilte.

    De spanning van het luisteren van de laatste uren hield op, en het was voor Johannes alsof zijn ziel werd losgelaten en neerviel in een zwarte en bodemloze leegte.

    Hij viel dieper, en dieper. Het werd stiller en duisterder om hem heen.

    Toen klonk Pluizers stem, als vanaf een grote afstand.

    — "Ziezo! dat verhaaltje is weer uit." —

    — "Dat is goed," zei dokter Cijfer, "nu kun je zien wat het geweest is. Ik laat dat aan jou over. Ik moet weg." —

    Half nog in een droom zag Johannes glinsterende messen blinken.

    De kat zette een hoge rug op. Het werd koud naast het lichaam, en hij zocht weer de zonneschijn op.

    Johannes zag hoe Pluizer een mes nam, het zorgvuldig bekeek en ermee naar het bed ging.

    Toen schudde Johannes de verdoving van zich af. Voordat Pluizer bij het bed was, stond hij vóór hem.

    — "Wat wil je? " vroeg hij. Zijn ogen waren wijd geopend van ontzetting.

    — "Wij gaan kijken wat het geweest is,"  — zei Pluizer.

    — "Nee!" zei Johannes, en zijn stem was laag als een mannenstem.

    — "Wat betekent dat?" — zei Pluizer met een grimmig flikkerende blik. — "Kun jij mij verbieden? Weet je niet hoe sterk ik ben?" —

    — "Ik wil het niet," — zei Johannes. Hij sloot de tanden op elkaar en haalde diep adem. Zeker staarde hij Pluizer aan en strekte de hand naar hem uit.

    Maar Pluizer kwam dichterbij. Toen greep Johannes hem bij de polsen en worstelde met hem.

    Pluizer was sterk, hij wist het, nog nooit had hij hem getrotseerd. Maar hij gaf niet op, en zijn wil brak niet.

    Het mes schitterde voor zijn ogen, hij zag vonken voor zijn blik en rode vlammen, Maar hij gaf niet toe en bleef worstelen.

    Hij wist wat er zou gebeuren als hij bezweek. Hij kende het, hij had het vroeger gezien. Maar wat daar achter hem lag was zijn vader, en hij wilde het niet zien.

    En terwijl zij hijgend worstelden, lag achter hem het dode lichaam uitgestrekt en bewegingloos, zoals het gelegen had op het ogenblik, toen de stilte kwam, het wit van de ogen zichtbaar als een smalle streep, de mondhoeken opgetrokken in een strakke grijnslach.

    Alleen als beiden in hun gevecht tegen het bed stootten, schudde het hoofd zachtjes heen en weer.

    Nog steeds hield Johannes vol, de adem liet hem in de steek en hij zag niets meer. Een sluier van bloedrood licht lag voor zijn ogen. Toch hield hij vol.

    Toen verzwakte langzamerhand de weerstand van de beide polsen onder zijn greep. Zijn spieren ontspanden zich, — zijn armen vielen slap langs zijn lijf en zijn gesloten handen waren leeg. —

    Toen hij opkeek was Pluizer verdwenen. Alleen de Dood zat bij het bed en knikte.

    — "Dat was goed van je, Johannes," zei hij.

    — "Zal hij terugkomen?" fluisterde Johannes. De Dood schudde het hoofd.

    — "Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem nooit weer." —

    — "En Windekind? Zal ik Windekind nu terugzien?" —

    Lang keek de sombere man Johannes aan. Zijn blik was niet angstwekkend meer, — maar zacht en ernstig, hij trok Johannes aan, als een grote diepte.

    — "Ík alleen kan je bij Windekind brengen. Door mij alleen kun je het boekje vinden."

    — "Neem mij dan mee, — er is nu niemand meer, — neem mij nu ook mee, — zoals de anderen, — ik wil niets anders meer ..."

    Nogmaals schudde de Dood het hoofd.

    — "Jij hebt de mensen lief, Johannes. Jij wist het niet, maar jij hebt hen altijd liefgehad. Jij moet een goed mens worden. Het is een schone zaak een goed mens te zijn." —

    — "Ik wil niet, neem mij mee ..."

    — "Zo gaat het niet. Jij wil. Jij kunt niet anders!"

    Toen werd de lange, donkere gestalte nevelig voor Johannes' ogen, vervloeide in vage vormen, een ijle, grijze mist zweefde ’t vertrek binnen en trok weg langs de zonnestralen.

    Johannes boog het hoofd over de rand van het bed en huilde bij de dode man.


XIV


    Na een lange tijd tilde hij het hoofd op. De zonnestralen vielen schuin naar binnen en hadden een rode glans. Het leken rechte, gouden staven.

    "Vader! Vader!" fluisterde Johannes.

    Buiten vulde de zon de hele natuur met een wolk van een schitterend gouden gloed. Elk blad hing roerloos en alles zweeg in een plechtige zonnewijding.

    En langs het licht daalde een zachte suizeling naar binnen. Het was alsof de lichte stralen zongen.

    "Zonnezoon! Zonnezoon!"

    Johannes tilde het hoofd op en luisterde. Het ruiste in zijn oren.

    "Zonnezoon! Zonnezoon!"

    Het leek op de stem van Windekind. Hij alleen had hem zo genoemd, — zou hij hem nu roepen?

    Maar hij keek naar het gezicht naast hem, — hij wilde niet meer luisteren.

    "Arme, lieve vader!" zei hij.

    Maar plotseling klonk het weer om hem heen, — van alle kanten om hem heen, — zo sterk, zo indringend, dat hij huiverde in een wonderbaarlijke ontroering.

    "Zonnezoon! Zonnezoon!"

    Johannes stond op en staarde naar buiten. Wat een licht! wat een heerlijk licht. Het stroomde over de volle boomkruinen, het tintelde tussen de grashalmen en fonkelde in de donkere schaduwplekken. De hele lucht was ermee gevuld, tot hoog in het blauw, waar zich de eerste, tere avondwolkjes vormden.

    Over het grasveld tussen de groene bomen en heesters zag hij de duinen. Op hun toppen lag rood goud en in hun schaduwen hing het blauw van de hemel.

    Rustig lagen zij uitgestrekt in een kleed van tere tinten. De fijne golving van hun omtrekken was vredebrengend als een gebed. Johannes voelde weer hoe het was, toen Windekind hem had leren bidden.

    Was zij daar niet, de lichte gestalte in het blauwe kleed? Kijk! daar midden in het licht, wat daar in een waas van goud en blauw schemert, is dat niet Windekind, die hem wenkt?

    Johannes vloog naar buiten in de zonneglans. Daar stond hij een ogenblik stil. Hij voelde de heilige wijding van het licht, — en durfde, waar het gebladerte zo stil was, zich nauwelijks te bewegen.

    Maar daar vóór hem was de lichte gestalte weer. Het was Windekind, zeker! Hij was het. Het stralende hoofdje naar hem toegekeerd, de mond half geopend, als om te roepen. Hij wenkte hem met de rechterhand. In de linker hield hij iets omhoog. Hoog hield hij het met de toppen van de slanke vingers, en het flonkerde en schitterde in zijn hand.

    Met een blije kreet van geluk en verlangen snelde Johannes naar de geliefde verschijning. Maar ze verhief zich en zweefde vóór hem uit met een lachend gezicht en een wenkende hand. Soms raakte zij de aarde in een langzame daling, maar dan rees zij weer op, licht en snel en zweefde verder als het zaadpluis, dat voortgedreven wordt door de wind.

    Johannes wilde zich ook verheffen en zweven, zoals vroeger en zoals in zijn droom. Maar de aarde trok aan zijn voeten, en zijn loop bleef zwaar op de grazige grond. Hij moest met moeite zijn weg zoeken door de struiken, waarvan het gebladerte ritselend langs zijn kleren streek en waarvan de takken hem in het gezicht striemden. Zwoegend moest hij de mossige hellingen van de duinen beklimmen. Maar hij volgde onvermoeid en zijn oog werd niet afgewend van Windekinds stralende verschijning, van wat daar blonk in de omhoog geheven hand.

    Toen was hij midden in het duin. In de gloeiende valleien bloeiden de duinrozen en keken met hun duizenden bleekgele kelkjes in het zonlicht. Ook bloeiden er veel andere bloemen, helder blauwe, gele en purperen, een zwoele hitte lag in de kleine dalen en koesterde de geurige kruiden. Sterke, harsachtige geuren hingen in de lucht. Johannes rook ze terwijl hij voortliep, de tijm rook hij en de geur van het droge rendiermos, dat kraakte onder zijn voet. Het was bedwelmend heerlijk.

    En voor het liefelijke beeld dat hij volgde uit, zag hij de bonte duinvlinders fladderen. Kleine zwarte en rode vlindertjes, en het zandoogje, het vrolijke vlindertje met de zijdeachtige vleugeltjes van het teerste blauw. Om zijn hoofd snorden de gouden kevers, die op de duinroos leven en dikke hommels dansten gonzend tussen het geblakerde duingras.

    Wat was het heerlijk, wat zou hij gelukkig zijn, als hij maar bij Windekind zou zijn. Maar Windekind zweefde verder en steeds verder. Ademloos moest hij volgen. De grote bleekbebladerde doornstruiken hielden hem tegen en krasten hem met hun doornen; de vale, wollige toortsplanten schudden de lange hoofden, als hij ze in zijn vaart wegduwde. Hij klom tegen de zandige walletjes op en bezeerde zijn handen aan het stekelige helmgras.

    Hij drong door de lage berkenbosjes heen waar het gras hem tot aan de knieën reikte en de watervogels opvlogen van de kleine vijvers, die glinsterden tussen de struiken. Dichte witbloeiende meidoorns mengden hun geur met die van het berkenloof en van de munt, die talrijk groeide op de moerassige grond.

    Maar toen hielden de bosjes, het groen en de kleurige bloemen op. Alleen de wonderlijke, bleekblauwe zeedistel groeide tussen het vale, dorre helm.

    Op de top van de laatste hoge duinenrij zag Johannes Windekinds beeld. Verblindend schitterde het in zijn opgeheven hand. Geheimzinnig lokkend klonk een groot gestaag bruisen van de andere zijde, door een koele wind overgedragen. Het was de zee. Johannes voelde dat hij haar naderde en langzaam klom hij de laatste helling op. Daar boven viel hij op de knieën neer en staarde uit over de zee. —

    Toen hij zich boven de duinrand verhief, omgaf een rode gloed hem. De avondwolken hadden zich voor de uitvaart van het licht geschaard. Als een wijde kring van geweldige rotsblokken met rood-gloeiende randen omgaven zij de dalende zon. Op de zee was een brede weg van levend purpervuur, — een vlammende, schitterende lichtweg, die naar de ingang van de verre hemel leidde.

    Achter de zon, waar het oog nog niet in kijken kon, wemelden tere tinten van blauw en roze door elkaar, in de diepte van de lichtgrot. Daarbuiten langs de hele wijde hemel glansden rode vlammen en strepen, lichte vlokjes van bloedig dons en vegen van uiteenvloeiend vuur.

    Johannes wachtte, — totdat de zonneschijf de gloeiende weg die tot hem leidde, aan het verste einde aanraakte.

    Toen keek hij omlaag, en dichtbij was het lichte beeld, dat hij gevolgd was. Een vaartuig, helder en glinsterend als kristal, dreef aan het strand op de brede vuurbaan. Aan het ene eind van de boot stond Windekinds ranke gestalte, met het gouden voorwerp dat blonk in zijn hand. Aan het andere einde herkende Johannes de duistere Dood.

    "Windekind! Windekind!" riep Johannes. Maar in dezelfde tijd dat Johannes het wonderbaarlijke vaartuig naderde, keek hij naar de horizon. In het midden van de lichte ruimte, door de grove, vurige wolken omgeven, zag hij een kleine, zwarte gestalte. Zij werd groter en groter, — langzaam naderde een mens, rustig schrijdend over de woelende, vurige wateren.

    De roodgloeiende golven rezen en daalden onder zijn voet, maar kalm en rustig kwam hij naderbij.

    Het was een mens, zijn gezicht was bleek en zijn oog diep en donker. Zo diep als de ogen van Windekind. Maar in hun blik was een eindeloos zachte weemoed, zoals Johannes die nog nooit in andere ogen gezien had.

    — "Wie bent u?" vroeg Johannes. "Bent u een mens?"

    — "Ik ben meer!" zei hij.

    — "Bent u Jezus, bent u God?" vroeg Johannes.

    — "Noem die namen niet," zei de gestalte, "zij waren ooit heilig en rein als priestergewaden en voortreffelijk als voedend koren, Maar zij zijn tot spoeling geworden voor de zwijnen en tot narrekleren voor de dwazen. Noem hen niet, want hun betekenis is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelf."

    — "Ik ken u! ik ken u!" zei Johannes.

    — "Ik was het, die je deed huilen om de mensen, terwijl je je tranen niet kon begrijpen. Ik was het, die je deed liefhebben, waar je je liefde niet begreep. Ik ben bij je geweest, en jij hebt mij niet gezien, ik heb je ziel geroerd en jij hebt mij niet gekend."

    — "Waarom zie ik je nu pas?"

    — "Vele tranen moeten de ogen verhelderen, die mij zullen zien. En niet voor jezelf alleen, maar voor mij moet je huilen, dan zal ik aan je verschijnen en jij zal mij herkennen als een oude vriend."

    — "Ik ken u. — Ik herkende u. Ik wil bij u zijn."

    Johannes strekte de handen uit. Maar de mens wees op het glinsterende vaartuig, dat langzaam voortdreef op de vurige weg.

    "Kijk!"  — zei hij, "dat is de weg naar alles waar je naar verlangd hebt. Een andere is er niet. Zonder die beiden zul je het niet vinden. Maak nu je keuze. Daar is het Grote Licht, daar zul je zelf zijn wat je verlangt te kennen. Daar!"  — en hij wees naar het donkere Oosten, — "waar de mensheid is en haar smart, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, dat je gedoofd hebt, maar ik zal je begeleiden. Kijk nu, je weet het. Maak je keuze."

    Toen wendde Johannes langzaam het oog van Windekinds wenkende gestalte af en strekte de handen uit naar de ernstige mens. En met zijn begeleider ging hij de kille nachtwind tegemoet, de zware weg naar de grote, duistere stad, waar de mensheid was en haar smart.



*       *       *       *       *       *       *       *


Misschien vertel ik je ooit meer over de kleine Johannes, Maar op een sprookje zal het dan niet meer lijken.