Home


DE MENS EEN MACHINE 

L”Homme Machine



Portret Julien Offray de La Mettrie

Julien Offray de La Mettrie


1748 1

________________________


Is dat die Lichtstraal van het Opperwezen,

Die ons zo helder schildert?

Is dat die Geest die ons overleeft?

Die ontstaat met onze zintuigen, groeit,

En weer afneemt in kracht als zij

Helaas! zou ook zij ten onder gaan?

Voltaire 2


OPMERKING:


Over het stuk:


Aan het eind schrijft La Mettrie: “Dit is mijn Systeem, of als ik me niet te zeer vergis, de Waarheid,” maar dat is het in ieder geval niet, daarvoor bezondigt hij zich aan teveel tegenstrijdigheden, zegt van alles te bewezen te hebben, terwijl hij niet meer dan poneert. Daarnaast is veel van wat hij denkt te weten, niet meer dan een mening, overtuiging of hij gelooft dat. Elke mening, overtuiging of geloof is een vooroordeel, is als een gekleurde bril waardoor mensen niet de werkelijkheid, maar een gekleurde werkelijkheid zien. En omdat de werkelijkheid iets anders is dan wat daarover gezegd wordt, is dus alles wat zij daarover zeggen niet waar en alles wat niet waar is, is onzin, hoezeer mensen ook proberen zin aan die onzin aan te geven. Dat is de Waarheid. Wie de schoen past trekke hem aan.  


Over de vertaling:


Er is gebruik gemaakt van de eerste druk van L’Homme Machine, uit 1748, die enigszins, maar niet wezenlijk afwijkt van de latere door La Mettrie herziene versie. De typografische accentueringen, met name het hoofdlettergebruik is gehandhaafd. Sommige ellenlange zinnen zijn in stukken gehakt en regelmatig is gebruikgemaakt van gedachtestreepjes. Een enkele keer is iets gecursiveerd om de leesbaarheid te vergroten.


De vertaler.


________________________




INHOUD


Opmerking van de Drukker

Aan de Heer Haller

De Mens een Machine



Opmerking van de Drukker

________________________


Wellicht zal het verbazing wekken dat ik gewaagd heb mijn naam te zetten op een zo stoutmoedig boek als dit. Ik zou dat zonder twijfel niet gedaan hebben, als ik niet van mening was geweest dat de Godsdienst gevrijwaard is van alle pogingen die ondernomen worden om haar ten val te brengen en mijzelf er niet van had kunnen overtuigen dat een andere Drukker maar al te graag had gedaan, wat ik dan vanuit een gewetensprincipe geweigerd zou hebben. Ik weet dat de Behoedzaamheid eist dat zwakke Geesten geen aanleiding gegeven moet worden om zich te laten verleiden. Maar met die zwakheid voor ogen heb ik bij het eerste overlezen gezien dat erin voor hen niets te vrezen was. Waarom zouden de Argumenten tegen de Ideeën over God en de godsdienst zo nauwlettend en behoedzaam uit de weg geruimd moeten worden? Zou het Volk dan niet juist kunnen gaan denken dat het iets wijsgemaakt wordt? En zodra het begint te twijfelen, is het gedaan met de overtuiging en dus met de Godsdienst! Wat een vreemde manier en wat een vooruitzicht om die Ongelovigen steeds in verwarring te willen brengen als men ze lijkt te duchten? Hoe kunnen ze teruggehaald worden als, terwijl hen het gebruik van hun verstand ontzegd wordt, voor alle zekerheid volstaan wordt met uit te varen tegen hun zeden, zonder zich ervan op de hoogte te stellen of die niet evenzeer gelaakt dienen te worden als hun manier van denken.

Een dergelijk optreden stelt de Ongelovigen in het gelijk. Zij drijven de spot met een Godsdienst, waarvan wij in onze onwetendheid niet zouden willen dat die te verzoenen is met de Filosofie. Achter hun verschansingen kraaien ze victorie, omdat ze zich door de manier waarop wij hen bestrijden onoverwinnelijk wanen. Als de Godsdienst niet zegeviert, is dat door het tekortschieten van slechte Schrijvers die haar verdedigen. Laten de goede de pen opnemen en tonen dat ze degelijk bewapend zijn, dan zal na een harde strijd de Theologie het wel winnen van een zo zwakke Tegenstander. Atheïsten vergelijk ik met ie Reuzen die de Hemel wilden bestormen: het zal hen altijd hetzelfde vergaan.

Om alle opwinding te voorkomen heb ik gedacht dit als inleiding bij dit Boekje te moeten schrijven. Het past mij niet te weerleggen wat ik zelf druk, zelfs niet mijn mening te geven over de redeneringen die in dit geschrift te vinden zijn. Voor kenners valt eenvoudig te zien dat er slechts sprake is van moeilijkheden als het gaat om het willen verklaren van de eenheid van Ziel en Lichaam. Als de conclusies die de Schrijver daaruit trekt gevaarlijk zijn, dient men te bedenken dat zij slechts gegrond zijn op een Hypothese. Is er nog meer nodig om ze te ontkrachten? Maar als ik iets mag aanvoeren wat ik zelf niet geloof: zelfs als die gevoltrekkingen niet eenvoudig te ontkrachten zijn, zou dit toch een goede gelegenheid kunnen bieden om uit te blinken. Overwinnen zonder gevaar, is zegevieren zonder roem.



Leiden, MDCCXLVIII

ELIE LUZAC, junior 3

 


NOTEN:


[1] L’Homme Machine werd eind 1747 door Elie Luzac in Leiden gepubliceerd, maar kreeg het jaartal 1748. In datzelfde jaar verschenen nog twee drukken en in 1750 werd een door La Mettrie herziene versie opgenomen in zijn Ouvrages Philosophiques. Alle edities bevatten de Opdracht aan Haller.

[2] Uit een brief aan Jean Thierry, leenheer van Genonville.

[3] Elie Luzac (1721-1796) was rechtsgeleerde, publicist en drukker en boekverkoper te Leiden. Hij was afkomstig uit een Franse Hugenootse familie. In de drukken van L’Homme Machine werd de naam van La Mettrie niet vermeld, zoals overigens al zijn werken begrijpelijkerwijs anoniem gepubliceerd zijn.

 


Aan de Heer Haller,1

Professor in de Geneeskunde

te Göttingen

________________________



Dit is geen Opdracht. U bent te hoog verheven boven elke Lofprijzing die ik u zou kunnen toebedelen en ik ken niets dat zo nutteloos en smakeloos is als een Academisch Betoog. Dit is geen Uiteenzetting van de nieuwe Methode die ik heb gebezigd om een afgedragen en afgezaagd onderwerp weer op te halen. Die verdienste zult u er in ieder geval wel in aantreffen en bovendien zult u eruit kunnen opmaken of uw Leerling en vriend zich goed van zijn taak gekweten heeft. Het is het genoegen dat ik beleefd heb aan het schrijven van dit werk waarover ik met u wil spreken. Niet mijn boek maar ikzelf richt mij tot u om mij door u te laten onderrichten over de aard van het voortreffelijk Genot der Studie. Dat is het onderwerp van dit Betoog. Ik zou niet de eerste Schrijver zijn die, terwijl hij niets te vertellen heeft, een tekst ter hand genomen heeft om zijn Verbeelding, die hij nooit gehad heeft, op te lappen. Vertel mij dus, tweevoudig Kind van Apollo, doorluchtige Zwitser, hedendaagse Fracastor 2, gij die tegelijkertijd de Natuur kent en weet te peilen, haar bovendien weet te begrijpen en zelfs te verwoorden; wijze Arts en nog grotere Dichter, vertel mij wat de bekoorlijkheden van Studeren zijn waardoor Uren kunnen veranderen in ogenblikken, wat de Aard is van die geneugten van de Geest, die zo anders zijn dan alledaagse genoegens….Maar het lezen van uw innemende Gedichten hebben zozeer indruk op mij gemaakt, laat staan dat ik zou wagen te zeggen dat zij mij bezield hebben. Voor mijn onderwerp heeft de Mens zo gezien niets ongewoons.

Het Zingenot, hoe aangenaam en dierbaar het ook is, en hoeveel lofprijzingen het ook gekregen heeft door de onmiskenbaar dankbare pen van een jonge Franse Arts 3, kent maar een enkel genoegen, dat van zijn graf. Als het volmaakte genoegen hem al niet onherroepelijk om het leven brengt, dan kost het in ieder geval een enige tijd om hem te doen herleven. Hoe anders zijn de manieren om de geest te vermaken! Hoe dichter iemand de Waarheid nadert, hoe aantrekkelijk hij haar vindt. Niet alleen vermeerdert het beschikken over de Waarheid de verlangens, maar hierbij genieten we al vanaf het moment dat wij proberen te genieten. Dat genieten is langdurig en toch sneller dan de bliksem zich voortspoedt. Is het soms verwonderlijk dat het Genot van de Geest evenzeer verheven is boven dat der zinnen, als de Geest boven het Lichaam? Is de Geest niet de belangrijkste der Zintuigen en als het ware de plaats van samenkomst van alle gewaarwordingen? Komen ze niet allemaal weer bijeen, als evenveel stralen, in hetzelfde Middelpunt waardoor ze voortgebracht worden? Laten we dus niet langer uitzoeken door welke onweerstaanbare bekoorlijkheden een hart, dat ontvlamd is voor de Liefde voor de Waarheid, opeens merkt dat het als het ware overgebracht is naar een mooiere wereld, waar het de genoegens smaakt die de Goden waardig zijn. Althans voor mij, net als voor u, waarde Haller, is voor mij de krachtigste van alle Aantrekkingskrachten van de Natuur, die van de Filosofie. Welke eer is bekoorlijker, dan door verstand en Wijsheid naar haar Tempel geleid te worden! Welke overwinning is strelender dan alle Meningen bedwongen te hebben!

Laten we alle zaken, die gewone Zielen onbekend zijn, een voor een bezien. Van wat voor schoonheid en omvang zijn zij niet! De tijd, de ruimte, de oneindigheid, de aarde, de zee, het uitspansel, alle Elementen, alle wetenschappen, alle kunsten, alles maakt deel uit van zulk Genoegen. Te zeer beperkt binnen de grenzen van de wereld, bedenkt het nog een miljoen meer. De hele natuur dient haar tot voedsel en de verbeelding is haar zege. Laten we daar wat nader op ingaan.

Nu eens is het de Dichtkunst of de Schilderkunst, dan weer de Muziek of de Bouwkunst, het Gezang, de Dans, enz. die kenners verrukkelijke genoegens laat smaken. Zie Mlle de Bar 4 in een loge van de Opera zitten; afwisselend bleek en rood slaat ze samen de maat met Rebel 5 raakt ontroerd met Iphegenia, ontsteekt in woede met Roland, enz. Alle indrukken van het Orkest glijden over haar gelaat, als ware het een schildersdoek. Haar ogen worden zachter, bezwijmen, lachen of wapenen zich met een krijgszuchtige moed. De mensen vinden haar een dwaas. Dat is zij niet, tenzij het dwaas is om te genieten. Zij is slechts doordrongen van duizend schoonheden, die mij ontgaan.

Voltaire kon het niet laten tranen te vergieten voor zijn Merope 6, omdat hij besefte hoe waardevol, zowel het stuk als de Toneelspeelster waren. Helaas voor hem is hij niet in staat die van u te lezen. In wiens handen, in wiens herinnering zijn ze niet? En welk hart is zo verhard dat het daardoor niet geroerd wordt? Wat zijn die bekoorlijkheden aanstekelijk! Met vervoering spreekt hij daar over.

Als een groot Schilder, die ik afgelopen dagen het Voorwoord van Richardson 7 heb zien lezen, , over de Schilderkunst spreekt, in wat voor loftuitingen put hij zich dan niet uit? Zielsveel houdt hij van zijn Kunst, plaatst die boven alles en vraagt zich haast af of iemand die geen Schilder is wel gelukkig kan zijn. Zo betoverd is hij door zijn beroep!

Wie heeft niet diezelfde vervoering gevoeld bij het lezen van Scaliger 8 of Vader Malebranche, van fraaie verzen van de Griekse, Engelse of Franse Treurspeldichters, of bepaalde Filosofische Boeken? Nooit heeft Mme Dacier 9 zich kunnen verlaten op wat haar Echtgenoot haar beloofde, maar zij ontdekte honderdvoudig meer. Als iemand een zeker Enthousiasme ervaart bij het vertalen en uiteenzetten van de gedachten van een ander, wat denkt hij dan zelf? Hoe zit het met het voortbrengen, dat baren van Ideeën, dat teweeggebracht wordt door de voorliefde voor de Natuur en het zoeken naar de Waarheid? Hoe moet de handeling van de Wil of het Geheugen omschreven worden, waardoor de Ziel zich in zekere zin voortplant, door een idee te verbinden met een ander gelijksoortig spoor, zodat er door hun gelijkenis en het als het ware met elkaar samensmelten een derde ontstaat? Kijk met bewondering naar de voortbrengsels van de Natuur. Ze zijn zo eenvormig, omdat ze bijna allemaal op dezelfde manier tot stand komen.

Als de genoegens der zinnen slecht geregeld zijn, verliezen ze al hun levendigheid en zijn niet langer genoegens meer. Die van de Geest lijken daar tot op zekere hoogte op. Zij moeten uitgesteld worden om ze te scherpen. Kortom, net als de Liefde kent Studeren zijn vervoeringen. Als ik het mag zeggen, het is een Katalepsie, of onbeweeglijkheid van de Geest, die zo heerlijk bedwelmd wordt door het voorwerp dat hem boeit en betovert, dat hij door het abstraheren losgemaakt lijkt van zijn eigen lichaam en alles wat hem omringt, om volledig gericht te kunnen zijn op wat hij najaagt. Door al dat gewaarworden wordt hij niets gewaar. Dat is het genoegen dat iemand smaakt bij het zoeken naar en vinden van de Waarheid. Oordeel zelf over de macht van haar bekoorlijkheden met als voorbeeld de Begeestering van Archimedes. U weet dat hem dat zijn leven kostte.

Laten de andere mensen zich maar in de menigte storten, zodat ze zichzelf niet leren kennen of, liever gezegd, zichzelf gaan haten. Iemand die wijs is ontvlucht de grote wereld en zoekt de eenzaamheid. Waarom hij het alleen maar kan vinden met zichzelf of zijn gelijken? Dat komt omdat zijn Ziel een betrouwbare spiegel is, waarin zijn terechte eigenliefde vindt wat zij nodig heeft om naar zichzelf te kunnen kijken. Iemand die deugdzaam is heeft niets te vrezen van zelfkennis, afgezien van het aangename gevaar dat hij van zichzelf gaat houden.

Zoals in de ogen van iemand die vanuit de hoogte der Hemelen de aarde zou aanschouwen, alle grootsheid van de andere Mensen zou verdwijnen, de prachtigste Paleizen in hutjes zouden veranderen en de talrijkste Legers op een troep mieren zouden lijken, die met de lachwekkendste razernij om een graankorrel vechten, zo zien de dingen er ook uit voor een wijs man zoals u. Hij lacht om de ijdele opwinding van de Mensen, als zij in drommen de Aarde in verwarring brengen en zich druk maken om iets nietigs, waarmee vast niemand van hen tevreden zou zijn.

Wat begint Pope 10 op een uitmuntende manier met zijn Essay over de Mens! Wat zijn de Grote Mannen en Koningen nietig naast hem! O gij, eerder mijn Vriend dan mijn Meester, die van de Natuur dezelfde talenten ontvangen heeft als hij, maar die u misbruikt heeft. Ondankbare, die niet verdient uit te blinken in de wetenschappen. U hebt mij leren lachen zoals die grote Dichter, of liever gezegd, te jammeren over de speeltjes en onbenulligheden, waaraan de Vorsten serieus aandacht besteden. Aan u dank ik mijn hele geluk. Nee, de verovering van de hele Wereld weegt niet op tegen het genoegen dat een Filosoof smaakt in zijn studeerkamer, omringd door zwijgende Vrienden, die hem toch alles vertellen wat hij wil horen. Moge God mij niet het hoognodige en het leven ontnemen, dat is alles wat ik vraag. Met een goede gezondheid zal mijn hart zonder weerzin van het leven houden. Met het hoognodige zal mijn tevreden Geest altijd naar wijsheid streven.

Ja, Studeren is een genoegen voor alle leeftijden, op alle plaatsen, in alle seizoenen en op elk moment. Aan wie heeft Cicero niet allemaal het verlangen overgebracht om daar een heerlijke ervaring van te maken? Tijdens de jeugd is het een vermaak, dat gematigd wordt door onstuimige hartstochten. Om het naar waarde te kunnen schatten ben ik soms gedwongen geweest mij over te leveren aan de Liefde. Liefde boezemt iemand die verstandig is geen angst in. Hij weet alles met elkaar te verbinden en het ene door het andere te doen gelden. De nevels die zijn verstand tot last zijn, maken hem niet lui. Zij geven slechts het middel aan dat ze zal verdrijven. Voorwaar, de Zon verdrijft de wolken aan de hemel niet sneller.

Is er in de ouderdom, de ijstijd, waarin iemand niet langer geschikt is om andere genoegens te verschaffen of te ontvangen, een groter hulmiddel dan lezen en mediteren? Wat een genoegen om dagelijks een Werk onder eigen ogen en in eigen handen te zien groeien en vorm te krijgen, dat de komende tijden en zelfs de tijdgenoten zal bekoren! “Ik zou,” zei op zekere dag iemand tegen mij, wiens ijdelheid het genoegen ging voelen van het Schrijver zijn, “mijn leven willen doorbrengen met van mijn huis naar de Drukker te lopen.” Had hij ongelijk? En als iemand toegejuicht wordt, welke liefhebbende Moeder zou dan niet verrukt zijn omdat ze een beminnelijk kind voorgebracht heeft?

Waarom al dat opscheppen over de genoegens van het Studeren? Wie weet dan niet dat het iets goeds is dat voor andere goede dingen geen afkeer of zorgen met zich meebrengt; dat het een onuitputtelijke schatkist is, het zekerste tegengif tegen de wrede verveling; dat met ons mee wandelt en reist, kortom ons overal volgt? Gelukkig de man die de keten van alle vooroordelen verbroken heeft! Alleen hij zal het genoegen in al zijn zuiverheid smaken! Alleen hij zal die zoete geestelijke rust genieten, die volmaakte tevredenheid van een krachtige en eerzuchtloze ziel, de Vader van het geluk, als het al niet het geluk zelve is.

Laten we even stilstaan om bloemen te strooien in de voetsporen van de Grote Mannen die, net als u, door Minerva gekroond zijn met een onsterfelijke Klimopkrans. Hier is Flora die u samen met Linnaeus 11 uitnodigt om langs nieuwe paden de ijzige toppen van de Alpen te beklimmen, om daarna aan de voet van een andere Sneeuwberg een Tuin te bewonderen, aangelegd door de handen der Natuur: een Tuin die ooit de hele erfenis was van de beroemde Zweedse Professor. Van daar daalt u dan af naar de beemden, die hem met hun bloemen opwachten om zich te schikken in een orde, die zij tot dan toe leken te hebben versmaad.

Daar zie ik Maupertuis 12 , de eer van de Franse Natie, van wie een ander land meer verdiende het genoegen te smaken. Hij verlaat de dis van een Vorst, die — laat ik het maar zeggen, — bewonderd wordt door Europa, of verwondering wekt. Waar gaat hij heen? Naar de Raad der Natuur, waar hij opgewacht wordt door Newton.

Wat zal ik zeggen over de Scheikundige, de Meetkundige, de Werktuigkundige, de Anatoom, enz.? De laatste schept bijna evenveel vermaak in het onderzoeken van de dode Mens, als wanneer die het leven zou zijn geschonken.

Maar dat alles wijkt voor de Geneeskunst. De Arts is de enige Filosoof aan wie zijn Vaderland verplicht is. Als de broeders van Helena 13 verschijnt hij in de stormen des levens. Wat een Magie, wat een Betovering! Alleen al door zijn blik bedaart het bloed, komt een opgewonden ziel tot rust en herleeft in het hart van de ongelukkige stervelingen de zoete hoop. Hij voorspelt leven en dood, zoals een Astronoom een Zonsverduistering. Ieder heeft zijn eigen fakkel, die hem verlicht. Maar als de Geest het genoegen heeft gesmaakt de regels te ontdekken die haar leiden, wat een triomf ondervindt u dan niet elke dag met die heerlijke ervaring; wat een triomf, als dat gebeuren de stoutmoedigheid van het ontdekken rechtvaardigt!

Het belangrijkste nut van de Wetenschappen is dus dat ze ontwikkeld moeten worden. Dat op zich is al een werkelijk en bestendig goed. Gelukkig hij die aan studeren genoegen beleeft, maar nog gelukkiger hij die er daardoor in slaagt zijn geest te bevrijden van zijn zinsbegoochelingen en zijn hart van zijn ijdelheid. Dat is een wenselijk doel, waarheen u al op prille leeftijd, door de handen der wijsheid, geleid wordt. Maar al die betweters die na een halve eeuw doorwaakte nachten en inspanningen, nog meer gebogen onder de last van hun eigen vooroordelen, dan die van hun tijd, alles geleerd lijken te hebben, behalve denken. Om de waarheid te zeggen is kennis zeldzaam, vooral onder geleerden en toch zou dat op zijn minste de vrucht van alle wetenschappen moeten zijn. Alleen op deze Kennis heb ik mij van kinds af aan toegelegd. Oordeel zelf, Mijnheer, of ik daarin geslaagd ben. Moge dit Eerbetoon van mijn Vriendschap voor eeuwig gekoesterd worden door het uwe.


NOTEN:


[1] Albrecht von Haller (1708-1777), was een Zwitserse arts. Studeerde van 1725 tot 1727 bij Boerhaave in Leiden, over wie hij schrijft: “Herman Boerhaave, in het begin dezer eeuw de gemeenschappelijke leermeester van geheel Europa, bewonderenswaardig door zijn grootheid van geest, jegens alle stervelingen even welwillend, waarlijk een Christen….” In 1736 werd hij benoemd tot hoogleraar in de geneeskunde, anatomie, botanie en chirurgie aan de universiteit van Göttingen. Haller had La Mettrie van plagiaat beschuldigd, omdat hij Franse uitgave had gepubliceerd van Boerhaave’s Praelectiones academicae, waarin hij uitgebreid gebruikmaakt van de opmerkingen van Haller, zonder hem te vermelden. Voor La Mettrie was er dus niets te verliezen en zijn suggestie in deze opdracht aan Haller dat hij een leerling en vriend van Haller was, gooide alleen maar olie op het vuur. Haller beantwoordde dat in een ingezonden brief in het Journal des sçavans als volgt: “Ik verwerp dit boek als zijnde volstrekt strijdig met mijn inzichten. Ik beschouw deze opdracht als een wredere krenking dan alle andere die de anonieme schrijver zoveel oprechte mensen heeft aangedaan en verzoek het Publiek met klem erop te vertrouwen dat ik nooit enige betrekking, bekendheid, briefwisseling of vriendschap heb gehad met de schrijver van L’Homme Machine en dat ik elke overeenkomst met zijn opvattingen volstrekt afwijs.”

[2] Girolamo Fracastoro (1478-1553) was een Italiaanse arts, dichter, wiskundige en astronoom. In 1530 schreef hij een episch gedicht in drie delen Syphilis sive morbus gallicus (Syfilis of de Franse Ziekte) waarin Syfilis een herderszoon is, die dus zijn naam aan de geslachtsziekte heeft geschonken.

[3] Dat is natuurlijk La Mettrie zelf.

[4] Marie Thérèse Quénaudon, de vrouw van Franse dichter Alexis Piron (1689-1773), die op zijn twintigste zijn Ode aan Priapus schreef, wat hem zijn hele leven achtervolgde.

[5] François Rebel (1701-1775) was een Franse violist, componist en dirigent.

[6] Mérope is een treurspel dat Voltaire schreef nadat zijn Mahomet door de autoriteiten verboden was. Als hoofdrolspeelster zocht Voltaire Mlle Dumesnil uit, met wie hij zeer verguld was. Toen zij zich bij hem erover beklaagde dat de rol teveel van haar inlevingsvermogen vergde, met de woorden dat iemand wel van de duivel bezeten moest zijn om de hartstocht te vertolken die Voltaire bedoelde, riep hij uit: “Dat is het precies, Mademoiselle, als je wil slagen in welke kunst dan ook, moet je door de duivel bezeten zijn.”

[7] Samuel Richardson (1689-1761) was een Engelse schrijver. Hij begon pas op zijn vijftigste te schrijven en publiceerde in 1740 Paméla ou la Vertu récompensée (Pamela, of de Deugd beloond), waardoor hij meteen een van de bekendste schrijvers van zijn tijd werd. In Frankrijk was hij zelfs bekender dan in Engeland en Diderot prees hem zijn Lofdicht op Richardson. Hij heeft grote invloed gehad op schrijver als Jane Austen, Goethe, Jean-Jacques Rousseau en Choderlos de Laclos.

[8] Josephus Justus Scaliger (1540-1609) was een zestiende-eeuwse Franse protestantse humanist, dichter, polemist en hoogleraar aan de Leidse universiteit.

[9] Nicolas de Malebranche (1638-1715) was een Frans cartesiaans filosoof, die gepoogd heeft het denken van Augustinus en Descartes met elkaar te verzoenen.

[10] (André Dacier (1651-1722) was een Franse filoloog en vertaler. Hij vertaalde een groot aantal Griekse en Latijnse schrijvers. Anne Dacier (1647-1720) vertaalde de Ilias in proza, waarna Houdar de La Motte, een versie in versvorm schreef. Toen laaide de oude Strijd tussen de Klassieken en Modernen weer, waarbij de laatsten zich verzetten tegen het blindelings imiteren van werken uit de Klassieke Oudheid. Anne Dacier schreef daarop Des causes de la corruption du goût (Over de oorzaken van het bederf van de goede smaak). Haar echtgenoot hield zich buiten het gevecht.

[11] [11] Alexander Pope (1688-1744) was een Engels dichter. Vertaalde Homerus’ Ilias en Odyssee in het Engels. Hij schreef het Essay on Man een filosofisch dichtwerk, waarin hij Gods wegen probeert te rechtvaardigen en stelt dat de mens gevallen is, maar zijn eigen verlossing moet zoeken.

[12] Carolus Linnaues (1707-1778) was een Zweeds arts, plantkundige, zoöloog en geoloog. Zijn invloedrijkste werken zijn Species Plantarum, wat geldt als beginpunt van de botanische nomenclatuur, en het Systema Naturae, dat van de zoölogische nomenclatuur.

[13] Pierre-Louis Moreau de Maupertuis (1698-1759) was een Frans wiskundige, astronoom, natuurvorser en filosoof. Daarnaast in zijn jeugd ook een plaatsgenoot van La Mettrie. Hij besliste na twee ontdekkingsreizen naar Lapland de controverse tussen Newton, die beweerde dat de aarde aan de polen afgeplat was en Cassini die dacht dat het tegenovergesteld het geval was. Op aanbeveling van Voltaire, die later zijn aartsvijand werd, werd hij door Frederik de Grote uitgenodigd om naar Berlijn te komen. Hij ontwikkelde de hypothese van een universeel panpsychisme, in tegenstelling tot het materialisme en mechanisme, dat fel aangevallen werd door Diderot en indirect viel hij daarmee ook La Mettrie aan.

[14] Helena is een figuur uit de Griekse mythologie. Haar broers zijn Castor en Pollux.

 


DE MENS EEN MACHINE


Voor iemand die verstandig is, voldoet het niet de Natuur en de Waarheid te bestuderen. Hij moet die ook durven uitspreken ten behoeve van het kleine aantal mensen die zelf willen en kunnen denken. Want voor de anderen, die uit vrije wil Slaaf zijn van Vooroordelen, is het evenmin mogelijk de Waarheid te bereiken, als voor Kikvorsen om te vliegen.

De Stelsels van de Filosofen over de ziel van de Mens, breng ik terug tot een tweetal. Het eerste en oudste is dat van het Materialisme. Het tweede dat van het Spiritualisme.

De Metafysici, die te verstaan hebben gegeven dat de Materie heel wel het vermogen om te denken zou kunnen hebben, hebben daarmee niet hun Verstand te schande gemaakt. Waarom niet? Omdat zij het voordeel hebben — want dat is het hier — dat zij zich gebrekkig uitdrukken. Immers vragen of materie kan denken, zonder haar anders dan op zichzelf te beschouwen, is zoiets als vragen of de Materie de tijd kan aangeven. Het is inmiddels duidelijk dat wij de klip zullen ontwijken, waarop de Heer Locke 1 helaas gestrand is.

De Leibnitzianen hebben met hun Monaden 2 een onbegrijpelijke hypothese opgesteld. Ze hebben eerder de Materie vergeestelijkt als de Ziel verstoffelijkt. Hoe kan iets gedefinieerd worden, waarvan de aard ons volstrekt onbekend is?

Descartes en alle Cartesianen, tot wie al lange tijd ook de aanhangers van Malebranche 3 gerekend worden, hebben dezelfde fout gemaakt. Zij hebben in de Mens twee verschillende substanties aangenomen, alsof ze die zelf gezien en goed geteld hadden.

De verstandigsten hebben gezegd dat de Ziel alleen gekend kan worden door middel van het licht van het Geloof. Toch hebben zij, in hun hoedanigheid als redelijke Wezens, gedacht zich het recht voor te kunnen behouden om te onderzoeken wat de Schrift met het woord Geest, waarvan zij zich bedient als zij spreekt over de menselijke Ziel, heeft willen zeggen. En bij hun onderzoekingen zijn zij het op dat punt oneens met de Theologen, maar zijn die dat onderling dan wel over al die andere zaken?

In een paar woorden is het resultaat van al hun overwegingen het volgende.

Als er een God bestaat, is hij de zowel de Maker van de Natuur, als van de Openbaring. Hij heeft ons de een gegeven om de ander mee te verklaren en het Verstand om ze met elkaar in overeenstemming te brengen.

De kennis wantrouwen die geput kan worden uit bezielde Lichamen, betekent de Natuur en Openbaring zien als twee tegengestelden die elkaar teniet doen en derhalve de absurditeit te durven beweren dat God zich in zijn verschillende werken tegenspreekt en ons misleidt.

Als er een Openbaring bestaat, kan die dus niet strijdig zijn met de Natuur. Alleen met behulp van de Natuur kan de betekenis van de woorden van het Evangelie ontdekt worden, waarbij uitsluitend de ervaring de ware Vertolkster is. Eigenlijk hebben de Commentatoren tot nu toe de waarheid alleen maar vertroebeld. Wij zullen daarover oordelen aan de hand van de Schrijver van Het Schouwspel der Natuur4. “Het is wonderlijk,” zegt hij (naar aanleiding van de Hr. Locke), “dat iemand die onze Ziel zo omlaaghaalt dat hij denkt dat ze van modder is, het Verstand durft aan te stellen als rechter en enige Scheidsman over de Mysteriën des Geloofs. Want,” voegt hij daaraan toe, “wat voor merkwaardig idee zou iemand moeten krijgen van het Christendom als hij zijn Verstand zou willen volgen?”

Afgezien van het feit dat deze overwegingen wat betreft het Geloof niets verhelderen, betekenen zij zodanig onbenullige bezwaren tegen de manier van hen die denken de Heilige Boeken te kunnen uitleggen, dat ik mij er haast voor zou schamen als ik mijn tijd zou verdoen met ze te weerleggen.

Ten eerste hangt de uitmuntendheid van het Verstand hang niet af van dat grote betekenisloze woord, Immaterialieit, maar van zijn kracht, bevattingsvermogen of Scherpzinnigheid. Een Ziel van modder, die als het ware in één oogopslag de verbanden en gevolgen van een oneindig aantal moeilijk te begrijpen ideeën kan ontdekken, zou onmiskenbaar te verkiezen zijn boven een dwaze en domme Ziel, al bestond die ook uit de kostbaarste Bestanddelen. Je hoeft geen Filosoof te zijn om samen met Plinius 5 te kunnen blozen over de armzaligheid van onze oorsprong. Wat hier zo nietswaardig lijkt, is het allerkostbaarste, waarvoor de Natuur haar grootste vaardigheid en vernuft ingezet lijkt te hebben. Maar zoals de mens, zelfs als hij ogenschijnlijk zou voortkomen uit een nog armzaligere Bron, daarom niet minder de volmaaktste zou zijn van alle Wezens, is de Ziel, wat ook haar afkomst is — als ze maar zuiver, edel en verheven is —, een mooie Ziel, waardoor iedereen die daarmee begiftigd is geacht dient te worden.

Ten tweede lijkt mij de manier van redeneren van de Hr. Pluche ondeugdelijk, 6 zelfs binnen zijn stelsel, dat iets Dweperigs heeft. Want als wij een idee over het Geloof hebben, dat strijdig zou zijn met de duidelijkste Principes en de onbetwistbaarste Waarheden, moeten we, uit eerbied voor de Openbaring en haar Maker, toch aannemen dat dat idee onjuist is en wij nog steeds niet weten wat de betekenis is van de woorden van het Evangelie.

Eén van de twee: of alles is zinsbegoocheling, zowel de Natuur als de Openbaring, of alleen onderzoek kan rekenschap geven van het Geloof. Is er een onderzoek dat nog lachwekkender is dan dat van onze Schrijver? Ik stel me dan voor dat ik een Peripatheticus hoor zeggen: “Wij moeten geen geloof hechten aan de proef van Torricelli, 7 want als we dat wel doen, als wij de angst voor het niets van ons af gaan zetten, wat voor wonderlijke Filosofie zouden we dan niet krijgen?”

Ik heb laten zien hoe ondeugdelijk de redenering van de Hr. Pluche is, om op ten eerste te bewijzen dat als er een Openbaring bestaat die, alleen op grond van het gezag van de Kerk en zonder enig onderzoek van het Verstand, niet afdoende bewezen is, zoals beweerd wordt door de mensen die daar bang voor zijn. En ten tweede om een schuilplaats te bieden aan de Methode van hen die de weg zouden willen volgen die ik voor hen open, namelijk het verklaren van op zich onbegrijpelijke bovennatuurlijke zaken, door middel van inzichten die iedereen gekregen heeft van de Natuur.

Alleen ervaring en waarneming moeten ons hier dus leiden. Daar zijn talloze van te vinden in de jaarboeken van de Artsen, die Filosoof zijn geweest, maar niet in die van de Filosofen die geen Arts zijn geweest. De eersten hebben de Doolhof van de Mens doorkruist en ontraadseld. Alleen zij hebben de veren onthuld die verborgen zijn onder de omhulsels, die zoveel wonderen aan onze ogen onttrekken. Alleen zij hebben rustig onze Ziel gadegeslagen en haar duizend maal verrast in haar ellende en grootsheid, zonder haar in het ene geval meer te verachten, dan haar in het andere geval te bewonderen. Nogmaals, dat zijn de enige Natuuronderzoekers die hier recht van spreken hebben. Wat hebben de andere ons te zeggen, met name de Theologen? Is het niet lachwekkend ze schaamteloos te horen beslissen over een onderwerp dat buiten het bereik van hun kennis ligt, waarvan ze juist volledig afgehouden zijn door hun vage studies, die hen tot duizend-en-een vooroordelen gebracht hebben en — om dat alles in een enkel woord te zeggen —, tot Fanatisme, waardoor hun onwetendheid over het Mechanisme van het Lichaam alleen nog maar vergroot wordt?

Maar hoewel wij de beste Gidsen gekozen hebben, zullen we nog veel problemen en hindernissen op dit pad tegenkomen.

De mens is een Machine die zodanig in elkaar zit, dat het aanvankelijk onmogelijk is zich daar een helder beeld van te vormen en dus te omschrijven. Vergeefs zijn daarom alle onderzoekingen geweest, — zelfs van de grootste Filosofen — die a priori zijn verricht, dat wil zeggen dat zij in zekere zin gebruik wilden maken van de vleugels van de Geest. Zodoende kan alleen a posteriori, of door te proberen de Ziel te ontrafelen, zoals dat met de organen van het Lichaam gedaan wordt, ik zeg niet met zekerheid, de aard van de Mens ontdekt worden, maar wel met de grootst mogelijke mate van waarschijnlijkheid die over dit onderwerp bereikt worden.

We zullen dus de stok van de ervaring opnemen en de Geschiedenis van al die nietszeggende meningen van de Filosofen laten rusten. Blind zijn en dan denken het zonder die stok te kunnen doen, is het toppunt van verblinding. Een hedendaagse Filosoof 8 heeft helemaal gelijk als hij zegt dat alleen uit ijdelheid verzuimd wordt evenveel rekening te houden met de secundaire oorzaken als met de primaire! Zelfs in hun meest nutteloze werken kunnen en dienen al die prachtige Genieën nog bewonderd te worden, mensen als Descartes, Malebranche, Leibniz en Wolf, enz., maar wat hebben, vraag ik u, hun diepzinnige beschouwingen en al hun Werken opgeleverd? Laten we dus beginnen en bezien, niet wat er gedacht wordt, maar wat er gedacht moet worden om rustig te kunnen leven.

Zoveel inborsten, zoveel verschillende inzichten, karakters en gewoonten. Zelfs Galenus kende die waarheid, die Descartes zover doorgedreven heeft, dat hij zei dat alleen de Geneeskunde samen met het Lichaam de Geest kon veranderen 9 , maar het is wel waar dat door Zwarte en Gele Gal, Phlegma, Bloed, enz. al naar gelang de aard, hoeveelheid en verschillende samenstellingen van die sappen elk Mens een ander Mens wordt.

Bij ziekten verdwijnt nu eens de Ziel en laat geen enkel teken meer van zich zien, dan weer wordt er gezegd dat zij verdubbeld is, zolang zij meegesleept wordt door razernij. Een andere keer vervliegt de krankzinnigheid en wordt een gek door te herstellen weer een verstandig Mens. Weer een andere keer vervalt het grootste Genie tot stompzinnigheid en herkent zichzelf niet meer. Weg al die fraaie kennis die met zoveel kosten en moeiten vergaard is!

Nu eens een Verlamde, die vraagt of zijn been in zijn bed ligt. Dan weer een Soldaat die denkt dat hij zijn arm nog heeft, die hem afgehouwen is. Zijn zinsbedrog en de soort geestverwarring worden veroorzaakt door de herinnering aan die oude gewaarwordingen en de plaats die door zijn Ziel aangeduid wordt. Het is voldoende met hem te spreken over het lichaamsdeel dat hij mist, om hem er weer aan te herinneren en alle bewegingen weer te kunnen voelen.

De een huilt als een Kind bij het naderen van de Dood en de ander spot ermee. Wat er voor nodig is om bij Julius Canus, Seneca en Petronius 10 hun onverschrokkenheid te veranderen in lafhartigheid of kleinmoedigheid? Een verstopping in de milt, in de lever of een belemmering in de Poortader.

Waarom? Omdat dan de verbeelding tegelijkertijd met de ingewanden verstopt raakt en daaruit al die merkwaardige verschijnselen van de hysterische en hypochondrische aandoeningen ontstaan. Wat te zeggen van hen die zich verbeelden dat ze in een Weerwolf veranderd zijn, in een Haan of Vampier, of geloven dat ze leeggezogen worden door Doden? Van hen die merken dat hun neus of andere lichaamsdelen van glas zijn en aangeraden moet worden op stro te slapen, omdat ze vrezen dat ze zullen breken? Die echter uiteindelijk het gebruik en het vlees van hun lichaam kunnen terugvinden door het stro in brand te steken, waardoor ze bang worden te verbranden, een angst die soms de Verlamming heeft genezen? Over dingen die bij iedereen bekend zijn, zal ik vluchtig heen gaan.

Ik zal me evenmin lang ophouden met een opsomming van de effecten van de Slaap. Zie die vermoeide Soldaat! Bij het lawaai van honderd stuks geschut ligt hij te snurken in de loopgraaf! Zijn Ziel hoort niets, zijn Slaap is een volmaakte Beroerte. Een Bom gaat hem verpletteren; misschien zal hij die klap minder voelen dan een Insect onder een voet.

Anderzijds kan iemand, die verteerd wordt door Jalousie, Haat, Gierigheid of Eerzucht, geen enkele rust vinden. De vredigste plek, de meest verfrissende en kalmerende dranken, dat alles is van geen enkel nut voor iemand die zijn hart niet bevrijd heeft van de kwelling der Hartstochten.

Samen slapen Ziel en Lichaam in. Naarmate de beweging van het bloed rustig wordt, verspreidt zich een heerlijk gevoel van rust en vrede door de hele Machine. De Ziel voelt zich samen met de oogleden zachtjes zwaarder en met de vezels van de hersenen slapper worden. Geleidelijk raakt ze als het ware verlamd, tegelijkertijd met alle spieren van het lichaam. De laatste kunnen niet langer het gewicht van het hoofd dragen en de eerste niet de last van het denken ondersteunen. Ze slaapt, alsof ze niet bestaat. Gaat de bloedsomloop te snel, dan kan de Ziel niet slapen. En is de Ziel te opgewonden, dan kan het Bloed niet tot rust komen. Het galoppeert dan met zoveel geraas door de aderen, dat het zelfs te horen is. Dat zijn de twee wederkerige oorzaken van slapeloosheid. Een enkele keer opschrikken tijdens het Dromen, doet het hart twee maal zo snel kloppen en ontrukt ons aan de noodzaak of de zoetheid van de rust, zoals een felle pijn of dringende zorgen dat zouden doen. Kortom, zoals het stoppen van de werking van de Ziel de Slaap teweegbrengt, komen er ook, zelfs gedurende het waken — dat dan alleen maar een half waken is — zeer vaak allerlei kleine Slaapjes van de Ziel voor, Dromen op zijn Zwitsers, een teken dat de Ziel om te slapen niet altijd op het lichaam wacht; want al slaapt ze dan niet helemaal, wat scheelt het dan weinig! Het is immers onmogelijk ook maar iets aan te wijzen waar de Ziel dan enige aandacht aan besteedt, te midden van die ontelbare hoeveelheid verwarde ideeën, die bij wijze van spreken als wolken de Dampkring van onze hersenen vullen.

Opium houdt te nauw verband met de Slaap die daardoor teweeggebracht wordt, om dat hier geen plaats te geven. Dat middel benevelt, net als wijn, koffie, enz., elk op zijn eigen manier en al naar gelang de hoeveelheid. Het maakt de Mens gelukkig en brengt hem in een toestand die het graf van het gevoel lijkt te moeten zijn, omdat het een afschaduwing van de Dood is. Wat een heerlijke gevoelloosheid! De Ziel zou daar nooit meer uit willen komen. Zij was ten prooi aan de hevigste smarten en voelt nu niets anders meer dan louter het genot van niet langer te lijden, en van de heerlijkste rust. Opium verandert zelfs de wil en dwingt de Ziel, die wakker zou willen blijven en genieten, in weerwil van zichzelf naar Bed te gaan. Aan de Geschiedenis van de Vergiften zal ik stilzwijgend voorbijgaan.

Door de verbeelding op te zwepen, verdwijnen door koffie — dat tegengif van Wijn —, onze hoofdpijn en verdriet, zonder ons, zoals die Drank, daarmee de volgende dag op te zadelen.

Laten we de Ziel gadeslaan in haar andere behoeften.

Het menselijk lichaam is een Machine die haar eigen veren opwindt, een sprekend voorbeeld van een perpetuum mobile. Voedingsmiddelen onderhouden wat door de koorts opgewekt wordt. Zonder voedsel kwijnt de Ziel weg, vervalt in razernij en gaat uitgeput ten onder. Ze is als een kaars waarvan het licht opvlamt, op het moment van uitdoven. Maar voedt het lichaam, giet krachtige Sappen en sterke dranken in zijn buizen en de Ziel, even goedgeefs als zij, wapent zich met fiere moed en gaat de Soldaat, die met water op de vlucht was geslagen, en nu weer grimmig is geworden, op het geroffel van de trommelslagers blijmoedig de dood tegemoet. Zo wordt Bloed, dat door koud water tot rust is gebracht, geprikkeld door warm water.

Wat een macht heeft een Maaltijd! Vreugde komt weer tot leven in een bedroefd hart. Het komt terecht in de Ziel van de disgenoten, die daar uiting aan geven met aangename liederen, waarin de Fransman zo uitblinkt. Alleen de Zwaarmoedige mens is terneergeslagen en het Studiehoofd is daar evenmin op zijn plaats.

Rauw vlees maakt dieren wild en door datzelfde voedsel zouden mensen dat ook kunnen worden.

In de Ziel brengt het haat teweeg, verachting voor andere naties, weerspannigheid en andere gevoelens, die het karakter bederven, zoals grove voedingsmiddelen een geest traag en zwaar maken, waarvan de eigenschappen bij voorkeur luiheid en lusteloosheid zijn.

De Hr. Pope 11 is goed op de hoogte geweest van de invloed van vraatzucht, als hij zegt: “De ernstige Catius 12 heeft het steeds over deugdzaamheid en denkt dat wie verdorven mensen duldt, zelf verdorven is. Die mooie gevoelens houden aan tot het moment van de maaltijd. Dan verkiest hij een schurk, met een uitgezochte dis boven een sobere Heilige.”

Elders zegt hij: “Kijk naar dezelfde man, als hij gezond en als hij ziek is, als hij een mooi ambt bekleed en als hij dat kwijtgeraakt is. U zult hem het leven zien koesteren of verafschuwen. Gek op jagen, dronken tijdens de Vergadering van de Provincie, beschaafd op het bal, een goede Vriend in de Stad en zonder vertrouwen aan het Hof.”

In Zwitserland is een Gerechtsdienaar geweest, Steigner de Wittighofen genaamd, die in nuchtere toestand de meest onkreukbare en lankmoedige was van alle rechters. Maar wee de ongelukkige die in de beklaagdenbank zat als hij een rijkelijke maaltijd had genoten! Dan moesten zowel de onschuldigen als schuldigen hangen.

Wij denken en zijn zelfs alleen maar rechtschapen Lieden, als we opgewekt of dapper zijn. Alles hangt af van de manier waarop onze Machine in elkaar steekt. Op bepaalde momenten zou je zeggen dat de Ziel in de maag huist en dat Van Helmont 13, die haar in de maag laat verblijven zich slechts in zoverre vergist heeft, dat hij het deel voor het geheel aanzag.

Tot welke buitensporigheden kan wrede honger ons niet brengen! Weg alle eerbied voor de moederschoot aan wie wij het leven te danken hebben of aan wie het geschonken is. Gretig worden ze verscheurd en daar gruwelijke festijnen mee aangericht. En in de razernij, waarin iedereen wordt meegesleept, is de zwakste altijd de prooi van de sterkste.

De zwangerschap kent meestal niet alleen verdorven voorkeuren, die deze twee toestanden vergezellen, maar soms heeft de Ziel daardoor de afschuwelijkste samenzweringen uitgevoerd, gevolgen van een plotselinge waanzin, die zelfs de Natuurwet verstikken. Zo kunnen de hersenen, de baarmoeder van de geest, op hun manier ontaarden, samen met die van het lichaam.

En dan nog die andere razernij van Man of Vrouw, die onthouding en gezondheid najagen! Voor dat schuchtere en ingetogen Meisje is het een kleinigheid om haar hele eer en schaamte te verliezen en Incest niet anders te zien dan zoals een vrouw van lichte zeden naar Overspel kijkt. Als haar behoeften niet meteen bevredigd worden, zullen zij zich niet beperken tot toevallige aanvallen van Hysterie, Waanzin, enz., maar zal dat ongelukkige kind sterven aan een kwaal, waarvoor toch zoveel Artsen bestaan.

Er zijn maar twee ogen nodig om de onvermijdelijke invloed van de leeftijd op het Verstand te zien. De Ziel volgt de vorderingen van het lichaam, evenals die van de Opvoeding. Bij het schone geslacht volgt de Ziel ook nog de Gevoeligheid van het temperament. Vandaar die tederheid, genegenheid en levendige gevoelens, die eerder berusten op hartstocht dan verstand, en die vooroordelen en bijgelovigheden, waarvan de diepe indrukken nauwelijks uitgewist kunnen worden, enz. De Man, van wie de hersenen en zenuwen deel hebben aan de stevigheid van alle vaste lichamen, beschikt over een krachtigere geest en gelaatstrekken. De Ontwikkeling, die bij de vrouw ontbreekt, voegt geleidelijk nog meer kracht toe aan zijn ziel. Hoe zou hij met die hulp van Natuur en vaardigheid, níet dankbaarder, grootmoediger, bestendiger in de vriendschap, standvastiger in tegenspoed, enz. kunnen zijn? Maar laten we ons enigszins houden aan de gedachtegang van de Schrijver van de Brieven over Fysionomie 14: “Wie de bekoorlijkheden van geest en Lichaam paart met vrijwel alle teerste en verfijndste gevoelens van het hart, hoeft ons niet die tweevoudige kracht te misgunnen, die slechts aan de Man geschonken lijkt te zijn, enerzijds om beter door te kunnen dringen tot de bekoorlijkheid van de schoonheid en anderzijds om zijn genoegens beter van dienst te kunnen zijn.”

Evenmin als het nodig is een groot Fysionoom te zijn — zoals deze Schrijver —, om de kwaliteit van de geest te kunnen raden aan de hand van iemands gestalte of gelaatstrekken, als die ten minste enigszins uitgesproken zijn, is het nodig een groot Arts te zijn om een kwaal te kunnen herkennen aan alle duidelijke begeleidende symptomen. Bekijk de portretten van Locke, Steele 15, Boerhaave, Maupertuis, enz. en het zal u niet verbazen bij hen krachtige gelaatstrekken aan te treffen en een adelaarsblik. Laat een oneindig aantal andere aan u voorbijgaan; altijd zult u de schoonheid van de grote geest kunnen onderscheiden en zelfs vaak een oprecht Mens van een Schurk. 16

De geschiedenis biedt ons een gedenkwaardig voorbeeld van de krachtige invloed van de lucht. De befaamde Hertog van Guise 17 was er zo heilig van overtuigd dat Hendrik III, die hem al zo vaak in zijn macht gehad had, hem nooit zou durven vermoorden dat hij naar Blois ging. Toen Kanselier Chiverni vernam dat hij vertrokken was, riep hij uit: “die Man is verloren.” Nadat zijn noodlottige voorspelling werd bevestigd door het gebeuren, werd hem gevraagd waarom hij dat gezegd had. “Ik ken de Koning al twintig jaar, zei hij. Hij is van nature goed en zelfs zwak, maar ik heb gemerkt dat hij, als het koud is, door het minste of geringste zijn geduld verliest en in woede ontsteekt.”

Het ene Volk heeft een lompe en stompzinnige geest, het andere een levendige, lichtvoetige en scherpzinnige. Waar zou dat anders door komen als deels door het voedsel dat het tot zich neemt, deels door het zaad van zijn Voorvaderen 18 en deels door de warboel van allerlei stoffen die rondzweven in het onmetelijke luchtruim? Net als het Lichaam kent de geest haar epidemische ziekten en haar scheurbuik.

De macht van het Klimaat is van dien aard dat iemand die daarvan verandert, in weerwil van zichzelf van die verandering de nadelige gevolgen ondervindt. Hij is een wandelende Plant, die zichzelf verplant heeft. Het is begrijpelijk dat hij, als het Klimaat niet langer hetzelfde is, of slechter of beter wordt.

Daarnaast neemt Iedereen de gebaren en tongval over van de mensen met wie hij samen leeft en om dezelfde reden waarom het ooglid zakt bij een klap die voorzien wordt, doet het lichaam van de Toeschouwer werktuiglijk, en in weerwil van zichzelf, alle bewegingen na van een goed Gebarenspel.

Uit wat ik zo-even gezegd heb blijkt dat voor een intelligent Mens het beste Gezelschap dat van zichzelf is, tenzij hij een gelijke tegenkomt. Te midden van geestloze Mensen gaat de Geest roesten, bij gebrek aan oefening. Bij het kaatsspel is de bal die slecht toegespeeld wordt ook slecht terug te slaan. Mits hij jong genoeg is heb ik liever een intelligent Mens, die geen enkele opvoeding heeft genoten, dan iemand die een slechte opvoeding heeft gehad. Een slecht begeleide Geest, is als een toneelspeler die verknoeid is door de Provincie.

De verschillende toestanden van de Ziel hangen dus altijd samen met die van het lichaam. Maar om die hele afhankelijkheid en de oorzaken daarvan beter te kunnen laten zien, moeten wij te rade gaan bij de vergelijkende Anatomie. Laten we dus het inwendige van de Mens en de Dieren openen. Dat is de manier om de menselijke Natuur te leren kennen, als het al niet duidelijk is door de opvallende gelijkenis tussen de Bouw van de een en de ander!

Over het algemeen zijn vorm en samenstelling van de Viervoeters vrijwel gelijk aan die van de Mens. Overal dezelfde gedaante en dezelfde gesteldheid, met dat wezenlijke verschil, dat de Mens van alle Dieren de meeste hersenen heeft en dat die hersenen, op grond van de massa van zijn lichaam, de meeste windingen hebben. Daarna volgen de Aap, de Bever, de Olifant, de Hond, de Vos, de Kat, enz. Dat zijn de Dieren die het meest op de Mens lijken, want ook bij hen is dezelfde geleidelijke Analogie waarneembaar wat betreft het corpus callosum 19, waarin door Lancisi 20 de verblijfplaats van de Ziel gedacht werd, nog vóór wijlen de Hr. de la Peyronie 21, die echter met tal van onderzoeken die opvatting aanschouwelijk heeft gemaakt.

Na alle Viervoeters zijn het de vogels die de meeste hersenen hebben. Vissen hebben een dikke kop, maar daar zit geen Verstand in, net als in dat van tal van Mensen. Zij hebben geen corpus callosum en heel weinig hersenen, die bij Insecten helemaal ontbreken.

Ik zal hier niet in detail uitwijden over de verscheidenheid van de Natuur, noch daar gissingen over doen, want zowel de ene als het andere zijn eindeloos, zoals te zien valt door alleen maar de Verhandelingen van Willis 22 De Cerebro en De Anima Brutorum te lezen.

Ik zal daar slechts uit aanhalen wat duidelijk voortvloeit uit die onbetwistbare Waarnemingen, 1º. dat hoe wilder Dieren zijn, hoe minder hersenen ze hebben; 2º. dat dat orgaan in zekere zin groter lijkt te zijn, al naar gelang hun tembaarheid; 3º. dat hier sprake is van een door de Natuur voor eeuwig opgelegde voorwaarde, namelijk dat er wat betreft de Geest des te meer gewonnen wordt, naarmate er wat betreft het instinct verloren gaat. Wat is het belangrijkste, het verlies of de winst?

Denk overigens niet dat ik daarmee wil beweren dat uitsluitend de omvang van de hersenen toereikend is om een oordeel te kunnen vormen over de tembaarheid van Dieren. De kwaliteit moet ook nog beantwoorden aan de kwantiteit en de vaste en vloeibare stoffen moeten in het geschikte evenwicht verkeren, dat de gezondheid bepaalt.

Als bij de idioot de Hersenen niet ontbreken, zoals gewoonlijk op te merken valt, zal dat ingewand toch tekortschieten door een ondeugdelijke stevigheid, bijvoorbeeld omdat het te week is. Datzelfde is het geval bij Gekken. De gebreken van hun hersenen verbergen zich niet altijd voor onze onderzoekingen. Maar als de oorzaken van idiotie en waanzinnigheid al niet altijd waarneembaar zijn, waar moeten we dan die van de verscheidenheid van alle geesten zoeken? Ze zouden zelfs ontsnappen aan de ogen van Lynxen en Argussen. Een nietigheid, een vezeltje, iets dat de verfijndste Anatomie niet kan ontdekken, hebben volgens sommige waarnemers twee dwazen teweeggebracht, Erasmus en Fontenelle 23, wat de laatste zelf opmerkt in een van zijn beste Dialogen.

Naast de weekheid van het hersenmerg bij Kinderen, jonge Honden en Vogels, heeft Willis  opgemerkt dat bij alle Dieren het Corpus Striatum verbleekt en als het ware ontkleurd is en dat de Groeven ervan even onvolkomen gevormd zijn als bij Lammen. Hij voegt daaraan toe dat de Mens een zeer dikke ringvormige Knobbel — de Pons Varolii — heeft, die geleidelijk kleiner wordt bij de Aap en de andere hierboven genoemde Dieren, terwijl het Kalf, het Rund, de Wolf, het Schaap, het Varken, enz., waarbij dat gedeelte een zeer kleine inhoud heeft, zeer dikke Billen en zeer grote Testikels hebben.

Er kan dan wel voorzichtigheid en terughoudendheid betracht worden over de conclusies die getrokken kunnen worden uit die Waarnemingen en al die andere over de aard van de veranderlijkheid van de bloedvaten en zenuwen, maar die hele verscheidenheid kan geen klakkeloze speling der Natuur zijn. Zij geven op zijn minst blijk van de noodzaak van een goede en grondige ordening, omdat in het hele Dierenrijk de Ziel gelijktijdig met het lichaam sterker wordt en Verstand verwerft, naarmate het lichaam aan kracht wint.

Laten we verwijlen bij het bezien van de verschillen in tembaarheid bij Dieren. Zonder twijfel brengt de best begrepen Analogie de geest ertoe te geloven dat de oorzaken die wij vermeld hebben, het hele verschil teweegbrengen tussen de dieren en ons, hoewel we moeten toegeven dat ons gebrekkig begrip, dat zich beperkt tot zeer grove waarnemingen, niet het verband kan zien tussen oorzaak en gevolg. Dat is een soort evenwicht dat de Filosofen nooit zullen begrijpen.

Van de Dieren leren sommige praten en zingen. Zij onthouden deuntjes en nemen alle klanken even nauwgezet over als een Musicus. Andere, die meer verstand tonen, zoals de Aap, slagen daar niet in. Hoe kan dat, als dat niet veroorzaakt wordt door een gebrekkig spreekorgaan?

Maar is dat gebrek zodanig bepaald door de bouw, dat er niets aan gedaan kan worden? Kortom, zou het volstrekt onmogelijk zijn dat Dier een Taal te leren? Ik geloof van niet.

Ik zou aan de grote Aap de voorkeur geven boven alle anderen, totdat wij bij toeval een soort ontdekken dat meer lijkt op het onze, want er is niets dat ertegen pleit dat die voorkomen in de Streken die ons onbekend zijn. Dat Dier lijkt zo sterk op ons, dat de Natuuronderzoekers het de Wilde Mens of de Woudmens genoemd hebben. Ik zou hem dan nemen onder dezelfde voorwaarden als de leerlingen van Amman 24, dat wil zeggen, dat ik zou willen dat hij niet te jong of te oud is. Want de Apen die naar Europa gebracht worden, zijn doorgaans te oud. Ik zou het Dier uitkiezen dat er het slimst uitziet en zich het beste gedraagt bij duizend-en-een handelingen, zoals ik mij dat zou hebben voorgesteld. Omdat ik mijzelf niet waardig acht om zijn leermeester te zijn zou ik het ten slotte naar de School sturen van de uitmuntende Meester, die ik net genoemd heb, of als die er is, naar een andere even bekwame.

U kent vast uit het Boek van Amman en van iedereen 25 die gebruik gemaakt heeft van zijn Methode, alle wonderen die hij heeft weten te bewerkstelligen bij de doofgeborenen, in wier ogen hij, zoals hij zelf verklaart, oren gevonden heeft en in hoe weinig tijd hij hen heeft leren horen, spreken, lezen en schrijven. Ik beweer dat de ogen van een dove scherper zien en intelligenter zijn dan als hij niet doof zou zijn, omdat door het verlies van een lichaamsdeel of een zintuig de kracht of scherpte van een ander groter kan worden. Maar de Aap ziet en hoort al en begrijpt wat hij hoort en ziet. Hij begrijpt de Tekens die hem gegeven worden zo uitstekend dat ik er niet aan twijfel dat hij het bij elk ander spel of oefening zou winnen van de leerlingen van Amman. Waarom zou het dan onmogelijk zijn een Aap op te voeden? Waarom zou hij, met de benodigde zorgen, niet uiteindelijk naar het voorbeeld van de doven, de voor het spreken noodzakelijke bewegingen kunnen maken? Ik durf er geen uitspraak over te doen of de spraakorganen van de Aap, wat men ook doet, niets kunnen articuleren, maar het zou me verbazen als dat volstrekt onmogelijk zou zijn, gezien de grote Overeenkomst tussen de Aap en de Mens en tot op heden is er geen Dier, waarvan buiten- en binnenkant een zo treffende gelijkenis vertonen. De Hr. Locke, die zonder twijfel nooit verdacht is van goedgelovigheid, heeft er geen moeite mee geloof te hechten aan het Verhaal, dat Sir Temple 26 vertelt in zijn Memoires, over een Papegaai die passende antwoorden gaf en net als wij daarna een soort gesprek kon voeren. Ik weet dat de spot gedreven is 27 met deze grote Metafysicus, maar zou iemand die de Wereld verkondigde dat er sprake kan zijn van voortplanting zonder eieren en Wijfjes, veel Aanhangers kunnen vinden? En toch heeft de Hr. Trembley 28 gevallen ontdekt waarbij dat plaatsvindt zonder paring, maar uitsluitend door deling. Zou Amman ook niet voor gek zijn verklaard als hij zich, voordat hij goede resultaten had geboekt, erop beroemd had leerlingen als de zijne te hebben opgeleid en ook nog in zo korte tijd? Inmiddels hebben zijn successen de hele Wereld verbaasd en heeft hij net als de Schrijver van De Geschiedenis der Poliepenin volle vlucht de onsterfelijkheid bereikt. Wie de wonderen die hij verricht te danken heeft aan zijn talenten, overtreft naar mijn mening iemand die ze aan het toeval dankt. Wie zich de kunst meester heeft gemaakt om het mooiste van alle Koninkrijken te verfraaien, en het volmaaktheid te geven die het niet had, verdient een plaats hoger dan die van een gemakzuchtige Maker van onbenullige Stelsels, of van een noeste Bedenker van nutteloze ontdekkingen. Die van Amman zijn op een heel andere manier van belang. Hij heeft de Mensen ontrukt aan het Instinct waartoe zij veroordeeld leken te zijn. Hij heeft hen ideeën gegeven, Geest, kortom een Ziel, die ze anders nooit gehad zouden hebben. Wat veel meer heeft hij gedaan!

Laten we de mogelijkheden van de Natuur niet inperken. Die zijn oneindig, vooral als ze bijgestaan worden door een grote Vaardigheid.

Zou hetzelfde Mechaniek dat bij Doven de Buis van Eustachius opent, dat ook niet kunnen doen bij Apen? Zou een vurig verlangen om de uitspraak van de Meester na te doen, bij de Dieren die met zoveel vaardigheid en slimheid zoveel andere tekens nadoen, niet de spraakorganen kunnen bevrijden? Niet alleen daag ik iedereen uit mij ook maar een enkel werkelijk doorslaggevend onderzoek te noemen, waaruit blijkt dat mijn onderneming onmogelijk en belachelijk is, maar daarnaast is de overeenkomst met de bouw en de handelingen van de Aap van dien aard, dat ik er amper aan twijfel dat als dat Dier uitstekend geoefend wordt, het uiteindelijk geleerd zou kunnen worden woorden uit te spreken en dus een taal te leren. Dat zou dan niet langer een Wilde Mens zijn en ook geen mislukte Mens, maar een volmaakte Mens, een kleine Stadsmens, met evenveel benodigdheden of spieren als wij om te kunnen denken en profijt te trekken van zijn opvoeding.

Van de Dieren naar de Mens is geen abrupte overgang. Echte Filosofen zullen daarmee instemmen. Wat de Mens was, voordat de Woorden waren uitgevonden en men Talen kende? Een Dier van zijn eigen soort die zich, met veel minder natuurlijk instinct dan de andere, van wie hij zich toen nog niet Koning waande, niet onderscheidde van de Aap en de andere Dieren, met dien verstande dat de Aap zich wel van hem onderscheidt, ik bedoel door een gelaatsuitdrukking die op een groter onderscheidingsvermogen wijst. Beknot tot de enige intuïtieve kennis van de aanhangers van Leibniz, ontwaarde de Mens slechts Vormen en Kleuren, zonder daartussen enig onderscheid te kunnen maken. Zowel oud als jong — een Kind op elke leeftijd —, stamelde hij wat hij voelde en wilde, zoals een hond die honger heeft of zich verveelt vraagt om eten of uitgelaten te worden.

Woorden, Talen, Wetten, Wetenschappen en Schone Kunsten zijn verschenen en daardoor is ten slotte de ruwe Diamant van onze geest gepolijst. De Mens wordt gedresseerd als een Dier. Hij wordt Schrijver of Sjouwerman. Een Meetkundige leert de moeilijkste Bewijzen leveren en Berekeningen maken, zoals een Aap zijn hoedje op of afzetten en op zijn getemde hond klimmen. Dat alles is tot stand gekomen door Tekens. Iedere soort heeft begrepen wat het kon begrijpen en op die manier hebben de Mensen symbolenkennis verworven, die nog steeds zo genoemd wordt door onze Duitse Filosofen.

Zoals men ziet is niets zo eenvoudig als het Mechanisme van onze Opvoeding! Alles kan herleid worden tot klanken of woorden, die vanuit de mond van de een via het oor van de ander zijn hersenen bereiken, die tegelijkertijd via de ogen de vorm van de dingen ontvangen, waarvan de woorden willekeurige Tekens zijn.

Maar wie heeft als eerste gesproken? Wie is de eerste Leermeester geweest van de Mensheid? Wie heeft de middelen bedacht waarmee profijt getrokken kon worden van de leerzaamheid van onze bouw? Ik heb geen idee. De naam van die gelukkige en eerste Scherpzinnige is in de nacht der tijden verloren gegaan. Maar de Kunst is de Dochter der Natuur en dus moet de laatste daar lange tijd aan voorafgegaan zijn.

Het is aannemelijk dat de best geordende Mensen, zij voor wie de Natuur zich uitgeput had met haar weldaden, de anderen onderricht hebben. Zij zullen bijvoorbeeld geen nieuw geluid hebben gehoord, nieuwe gewaarwordingen hebben meegemaakt, getroffen zijn door al die verschillende prachtige dingen die het verrukkelijke Schouwspel der Natuur vormen, zonder zich in dezelfde toestand te bevinden als de Dove uit Chartres — over wie Fontenelle 29 ons als eerste het Verhaal verteld heeft —, toen hij voor de eerste keer het verbazingwekkende geluid van klokken hoorde.

Zou het dan ongerijmd zijn te geloven dat die eerste Stervelingen op dezelfde manier als die Dove, of zoals de Dieren en Stommen (een ander Soort Dieren) door middel van bewegingen, die afhankelijk waren van de manier waarop hun verbeelding werkte, geprobeerd hebben hun nieuwe gewaarwordingen te uiten, en vervolgens dus met spontane klanken die eigen zijn aan elk Dier, een natuurlijke uiting van hun verrassing, vreugde, verrukkingen of zorgen te geven? Want hen die de Natuur begiftigd heeft met een verfijnder gevoelsleven, hebben ook de mogelijkheid gehad om die te uiten.

Zo, stel ik me voor, hebben de Mensen gebruik gemaakt van hun gevoel of instinct, om hun verstand te ontwikkelen en van hun verstand om kennis te verwerven. Voor zover ik ze kan begrijpen, zijn dat de middelen waarmee ze hun hersenen gevuld hebben met ideeën en door de Natuur zodanig gevormd waren, dat ze die konden ontvangen. Het een heeft bijgedragen aan het ander en doordat de geringste aanzetten geleidelijk in grote toenamen, werden alle dingen in het Heelal even eenvoudig van elkaar te onderscheiden als een Cirkel van een Rechthoek.

Zoals een snaar van een viool of een Klavecimbel door een aanslag gaat trillen en geluid geeft, worden ook de snaren van de hersenen, getroffen door geluidsstralen, geprikkeld om de woorden waardoor ze geraakt weer te geven of te herhalen. Maar omdat de bouw van de hersenen van dien aard is dat, zodra de voor het Zicht geschikt gevormde ogen, het beeld van de dingen hebben ontvangen, de hersenen die beelden en hun verschillen wel moeten zien, moet de Ziel als de Tekens van die verschillen in de hersenen getekend of gegrift zijn, noodzakelijkerwijs de onderlinge verbanden onderzoeken, een onderzoek dat niet mogelijk zou zijn, als die Tekens niet ontdekt of de talen niet uitgevonden waren. In die tijden, toen het Heelal nog vrijwel stom was, was de Ziel met betrekking tot de dingen als iemand die zonder enig benul van verhoudingen naar een schilderij of een Beelhouwwerk kijkt. Hij kan daar niets in onderscheiden. Of als een klein Kind — want de Ziel bevond zich nog in haar Kindertijd — dat een bepaald aantal strosprietjes of stukjes hout in zijn hand houdt en daar gewoonlijk een onbestemde en oppervlakkige blik op werpt, zonder ze te kunnen tellen of te onderscheiden. Maar als er bijvoorbeeld een soort Vlaggetjes of Vaantje vastgemaakt wordt aan een van die stukjes, die dan Mast genoemd wordt, en een ander vlaggetje aan een ander soortgelijk stukje, kan het eerste aangeduid worden met het Teken 1 en het tweede met het Teken 2. Dan kan dat Kind ze tellen en zich zo vervolgens de hele Rekenkunde eigen maken. Zodra het denkt dat een Figuurtje door zijn Cijferteken hetzelfde is als een ander, zal het daar zonder moeite uit opmaken dat het twee verschillende Dingen zijn en dat 1 +1 = 2 en 2 + 2 = 4, enz. 30

Die werkelijke of schijnbare gelijkvormigheid van Figuren, vormt in wezen de grondslag van alle waarheden en al onze kennis. Het is duidelijk dat de waarheden en kennis waarvan de Tekens minder eenvoudig en begrijpelijk zijn, moeilijker te leren vallen als de andere en er meer Scherpzinnigheid nodig is om die enorme hoeveelheid woorden, waarmee de Wetenschappen waar ik het over heb, de waarheden op hun gebied uitdrukken, op te nemen en met elkaar te verbinden, terwijl de Wetenschappen die zich uitdrukken door middel van cijfers of andere Tekentjes, gemakkelijker te leren zijn. Het is zonder twijfel meer door die eenvoud, dan door hun eenduidigheid, dat Algebraïsche Berekeningen zozeer opgang hebben gemaakt.

Al die kennis waarvan de wind de Hersenballon van onze hoogmoedige Betweters opblaast, is dus niets anders dan een enorme opeenhoping van Woorden en Vormen, die in ons hoofd alle sporen vormen, waarmee wij de dingen kunnen onderscheiden en weer in herinnering kunnen roepen. Al onze gedachten waken, zoals een Tuinman die de Planten kent, zich al hun namen herinnert aan de hand van hun uiterlijk. Die Woorden en Vormen die door de gedachten benoemd zijn, zijn in de hersenen dermate met elkaar verknoopt, dat het heel zelden voorkomt dat iemand zich iets verbeeldt zonder de naam of het teken dat daarmee verbonden is.

Ik gebruik steeds het woord verbeelden, omdat ik denk dat alles verbeeld wordt en alle delen van de Ziel met recht slechts herleid kunnen worden tot de verbeelding, die ze allemaal vormt en dat zodoende het oordelen, redeneren en geheugen helemaal niet zonder meer delen van de Ziel zijn, maar werkelijke veranderingen van het soort doek van hersenmerg, waarop de in het oog afgebeelde dingen, als het ware door een Toverlantaarn, geprojecteerd worden.

Maar als dat het wonderbaarlijke en onbegrijpelijke gevolg is van de Bouw van de Hersenen, als alles begrepen wordt door de verbeelding, als alles daardoor verklaard wordt, waarom moet het Gevoelsbeginsel dat in de Mens denkt dan opgedeeld worden? Is dat niet een duidelijke tegenstrijdigheid van de Aanhangers van de enkelvoudigheid van de geest? Want zonder in ongerijmdheden te vervallen kan iets dat verdeeld wordt niet langer als ondeelbaar beschouwd worden. Dat is waar oneigenlijk gebruik van Talen en het bezigen van grote Woorden als ‘spiritualiteit,’ ‘immaterialiteit,’ enz. toe leidt, als die Woorden in het wilde weg gekozen en niet begrepen worden, zelfs niet door Intelligente Lieden.

Niets is gemakkelijker dan een Stelsel te bevestigen dat zoals dit gegrond is op het innerlijk gevoel en de ervaring die elk individu eigen zijn. Als de verbeelding, of dat wonderlijke gedeelte van de hersenen, waarvan de aard ons even onbekend is als de manier waarop het werkt, van nature klein en zwak is, zal het amper de kracht hebben om de Analogie of de overeenkomsten van haar ideeën te kunnen vergelijken. Zij zou dan alleen maar kunnen zien wat zij recht tegenover zich heeft of wat haar het krachtigst zal raken en dan nog, op wat voor manier! Maar altijd geldt dat alleen de verbeelding waarneemt, dat zij alle dingen weergeeft met de woorden en vormen waardoor ze gekenmerkt worden. Dus nogmaals, zij is de Ziel, omdat zij alle Rollen speelt. Door de verbeelding, door haar verfraaiende penseel, wordt het kille skelet van het Verstand bedekt met levend en rood vlees. Door haar bloeien de Wetenschappen, worden de Kunsten mooier, spreken de Bossen, smachten de Echo’s, wenen de Rotsen, ademt het Marmer en komt alles tot leven te midden van onbezielde dingen. Ook zij is het die aan de tederheid van een verliefd hart de prikkelende bekoring toevoegt van de zinnelijkheid. Zij doet die ontkiemen in de Studeerkamer van de Filosoof en de bepoederde Betweter. En tot slot brengt zij zowel de Geleerde als de Redenaar en de Dichter voort. Dwaas gehekeld door de een, vergeefs onderscheiden door de ander, die haar allemaal niet kennen, treedt onze verbeelding niet alleen in het voetspoor der Gratiën en de Schone Kunsten, schildert niet alleen de Natuur, maar kan zich over haar ook een oordeel vormen. Zij redeneert, oordeelt, doorziet, vergelijkt en bestudeert. Zou zij de schoonheden die voor haar geschetst worden wel zo goed kunnen begrijpen, zonder hun verbanden te ontdekken? Nee. Net zoals zij zich niet kan terugtrekken in het zingenot, zonder daarvan de hele volmaaktheid of zinnelijkheid te smaken, kan zij ook niet overdenken wat ze mechanisch in zich heeft opgenomen, zonder dan zelf het oordeel te zijn.

Hoe meer de verbeelding of de poverste geest geoefend wordt, hoe om zo te zeggen welgedaner ze wordt, maar ook hoe groter, hoe krachtiger, robuuster, veelomvattender en beter in staat om te denken.  Ook de beste Ordening heeft die oefening nodig.

Ordening is de belangrijkste verdienste van de Mens. Vergeefs hebben alle Schrijvers over de Moraal de eigenschappen die van de Natuur afkomstig zijn niet gerangschikt onder de prijzenswaardige eigenschappen, maar alleen de talenten die krachtens nadenken en ijver verworven worden. Maar, vraag ik u, waar krijgen wij dan die handigheid, Kennis en deugdzaamheid van, als er niet al een aanleg is, die ons geschikt maakt om handig, wijs en deugdzaam te kunnen worden? En waar komt dan die aanleg vandaan, anders dan van de Natuur? Alleen door haar beschikken we over die prijzenswaardige eigenschappen. Aan haar danken wij alles wat we zijn. Waarom zou ik hen die natuurlijke kwaliteiten hebben dan niet evenzeer hoogachten, als hen die schitteren door verworven deugden, die ze als het ware in leen hebben? Wat die verdienste ook is, waar die ook vandaan komt, ze verdient onze achting. Het gaat er alleen maar om haar naar waarde te schatten. De Geest, Schoonheid, Rijkdommen, Adeldom hebben — hoewel ze Kinderen zijn van het Toeval —, allemaal hun waarde, evenals Handigheid, Kennis, Deugd, enz. Zij, die door de Natuur overladen zijn met de kostbaarste gaven, dienen degenen die dat onthouden is te beklagen, maar kunnen als Kenners, zonder hoogmoedig te zijn, hun uitmuntendheid ervaren. Een mooie Vrouw die zichzelf lelijk vindt zou dan even belachelijk zijn, als een Intelligent iemand die zichzelf een dwaas vindt. Overdreven bescheidenheid, —overigens een zeldzame tekortkoming — is een soort ondankbaarheid jegens de Natuur. Oprechte trots is daarentegen het kenmerk van een fraaie en edelmoedige Ziel, die tot uiting komt in mannelijke trekken, die als het ware door het gevoel gevormd zijn.

Als ordening een verdienste is, en wel de belangrijkste verdienste en de bron van alle andere, staat onderricht op de tweede plaats. Al zijn de hersenen ook nog zo goed van bouw, zonder onderricht zouden ze volledig teloorgaan. De best vervaardigde Man zou dan niet meer zijn dan een botte boer. Maar wat zou eigenlijk het resultaat zijn van de voortreffelijkste Scholing, als er geen Gietvorm zou zijn, die geheel beschikbaar is voor de aanvoer of het opnemen van ideeën? Het is even onmogelijk om Iemand die verstoken is van alle zintuigen een idee over te dragen, als een Kind te verwekken bij een Vrouw, bij wie de Natuur zozeer verstrooid geweest is dat zij zelfs vergeten heeft Geslachtsdelen te maken. Dat heb ik zelf gezien bij een vrouw die geen Spleet had, geen Vagina en ook geen Baarmoeder en om die reden na tien jaar huwelijk van haar man scheidde.

Maar als de Hersenen goed geordend en onderricht zijn, vormen ze een uitstekend ingezaaide voedingsbodem, die honderdvoudig zal voortbrengen wat ze heeft ontvangen, oftewel —om af te stappen van die stijlfiguur, die vaak nodig is om beter te kunnen verwoorden wat iemand voelt en de Waarheid wat op te sieren —, de verbeelding die vaardig is opgevoerd tot die prachtige en zeldzame waardigheid van het Geniale, begrijpt precies alle verbanden tussen de ideeën die zij heeft ontvangen, neemt met gemak een enorme hoeveelheid verbazingwekkende dingen in zich op, om daaruit ten slotte een lange reeks conclusies te trekken, die slechts weer nieuwe verbanden vormen, teweeggebracht door het vergelijken met de eerste, waarin de Ziel een volmaakte gelijkenis vindt. Zo ontstaat, volgens mij, de Geest. Ik zeg ‘vindt,’ zoals ik al eerder aan de overeenkomst van de dingen het Toevoegsel ‘Ogenschijnlijk’ heb gegeven, niet omdat ik denk dat onze zintuigen altijd bedriegers zijn, zoals Vader Malebranche heeft beweerd, of dat onze ogen, die van nature een beetje dronken zouden zijn, de dingen niet zien, zoals ze op zichzelf zijn, hoewel de Microscopen ons dat dag in dag uit laten zien, maar om elke discussie met de Pyrrhonisten 31, onder wie Bayle 32 een opvallende verschijning is, uit de weg te gaan.

Ik zeg over de Waarheid in het algemeen, wat de Hr. Fontenelle over bepaalde Waarheden in het bijzonder zegt, namelijk dat die opgeofferd moet worden ten bate van de Maatschappij. Het ligt aan de mildheid van mijn karakter dat ik elk twistgesprek wil voorkomen, tenzij het er om gaat het gesprek wat aan te scherpen. De Cartesianen zouden bij mij vergeefs ten aanval gaan met hun ‘aangeboren ideeën.’ Ik zou me in ieder geval nog niet een kwart van de moeite getroosten die de Hr. Locke ingezet heeft om die hersenschimmen aan te vallen 33. Wat voor nut heeft het eigenlijk een dik Boek te schrijven om een leerstelling te bewijzen die drieduizend jaar geleden al tot axioma verheven is?

Volgens de Beginsels die wij hebben opgesteld en waarvan wij geloven dat ze waar zijn, moet degene met de grootste verbeelding gezien worden als de Intelligentste of Begaafdste, want al die woorden zijn synoniemen, en nogmaals, het getuigt van een schandelijk misbruik om te denken dat daarmee verschillende dingen worden aangeduid, omdat er alleen maar sprake is verschillende woorden of klanken, waaraan geen enkel idee of onderscheid gehecht kan worden.

De mooiste, grootste of krachtigste verbeelding is dus het meest geschikt voor zowel de Wetenschappen als de Kunsten. Ik laat me er evenmin over uit of er meer geest nodig is om uit te blinken in de Kunst van mensen zoals Aristoteles of Descartes, dan in die van Euripides of Sophocles en of de Natuur zich meer moeite heeft getroost om Newton te maken dan om Corneille 34 te vormen — wat ik zeer betwijfel—. Maar het staat vast dat uitsluitend hun verbeelding, op een verschillende manier toegepast, hen een verschillende zege en onsterfelijke roem heeft bezorgd.

Als iemand ervoor doorgaat dat hij over weinig onderscheidingsvermogen maar veel verbeelding beschikt, wil dat zeggen dat die verbeelding, omdat die te zeer aan haar lot is overgelaten en als het ware steeds maar bezig is naar zichzelf te kijken in de spiegel van de gewaarwordingen, er onvoldoende aan gewend is ze aandachtig op zichzelf te onderzoeken en dat de sporen of beelden een diepere indruk maken dan hun waarheid of overeenkomsten.

De bedrijvigheid van de veren van de verbeelding is van dien aard, dat als daar geen aandacht — de sleutel of Moeder der Wetenschappen —, aan te pas komt, het haar amper toegestaan wordt de dingen te bezien of aan te roeren.

Kijk die Vogel op een tak, die steeds op het punt lijkt te staan om weg te vliegen. Voor de verbeelding geldt hetzelfde. Doorlopend meegesleept door de wervelingen van het bloed en de Inzichten, laat de ene golf een spoor na dat wordt uitgewist door de volgende. De Ziel komt daar achteraan, vaak vergeefs. Ze moet er op bedacht zijn wat zij niet snel genoeg oppakt en vastlegt heeft, te moeten betreuren. Dat is de manier waarop de Verbeelding, een waarheidsgetrouw Beeld van de tijd, zichzelf doorlopend teniet doet en weer vernieuwt.

Dat is de warboel en onophoudelijke en gezwinde opeenvolging van onze ideeën. Ze jagen elkaar na, zoals de ene golf de andere opdrijft, zodanig dat de verbeelding, als ze zogezegd een deel van haar spieren benut, om als het ware in evenwicht te blijven op de snaren van de hersenen, zodat ze zich enige tijd kan bezighouden met een voorwerp dat op het punt staat te verdwijnen en te voorkomen dat ze zich op een ander richt, waarvoor het nog niet het geschikte moment is om daarover na te denken, nooit de schone naam van beoordeling verdient. Levendig zal zij ook tot uitdrukking brengen wat zij ervaren heeft. Redenaars, Musici, Schilders en Dichters zal zij voortbrengen, maar nooit een enkele Filosoof. Als daarentegen de verbeelding er van kinds af aan gewend wordt zichzelf in te tomen, zodat zij zich niet laat meeslepen door haar eigen onstuimigheid, die slechts briljante Dwepers oplevert; haar ideeën een halt toe te roepen en in bedwang te houden en ze terug te sturen naar alle zintuigen, zodat iets van alle kanten belicht kan worden, zal zij zich, meteen met haar oordeel klaar, door te redeneren de allermeeste dingen kunnen omvatten. Dan zal haar levendigheid, die altijd een heel goed voorteken is bij Kinderen, bij wie zij door studie en oefening alleen maar in goede banen geleid hoeft te worden, meer dan een scherpzinnig inzicht zijn, zonder welk in de Wetenschappen weinig vooruitgang mogelijk is.

Dat zijn de eenvoudige fundamenten waarop het bouwwerk van de Logica gegrondvest is. De Natuur heeft die gelegd voor de hele Mensheid, maar de een heeft er zijn voordeel mee gedaan en de ander misbruik van gemaakt.

Ondanks al die voorrechten die de Mens heeft boven de Dieren, wordt hem eer bewezen als hij in dezelfde klasse wordt ondergebracht. Tot een bepaalde leeftijd is hij echter meer dier dan zij, omdat hij bij zijn geboorte minder instinct meebrengt.

Welk Dier sterft van de honger te midden van een Rivier van Melk? Alleen de Mens. Hij is te vergelijken met dat oudere Kind waarover een hedendaagse Schrijver Arnobius citeert. Het had geen weet van voedsel dat geschikt voor hem was, noch dat hij in water kon verdrinken en ook niet dat het door vuur tot stof kon vergaan. Laat voor het eerst het licht van een kaars schitteren voor de ogen van een Kind, en het zal daar werktuiglijk zijn vinger naar uitsteken, alsof het wil weten wat dat nieuwe verschijnsel is, dat het waarneemt. Ten koste van zichzelf zal het het gevaar ervan leren kennen en het nooit meer doen.

Zet het samen met een Dier op de rand van een afgrond: alleen hij zal erin vallen. Het verdrinkt waar het Dier zich zwemmend in veiligheid weet te brengen. Als het veertien of vijftien jaar oud is, zal het met moeite een glimp opvangen van de grote genoegens die het wachten bij de voortplanting van zijn soort. In zijn jongelingsjaren weet hij amper hoe hij zich dient te gedragen bij een spel, dat de natuur zo snel aan de Dieren leert. Hij verbergt zich alsof het schandelijk is om plezier te hebben en voor het genoegen gemaakt te zijn, terwijl de Dieren er prat op gaan dat ze Cynici zijn. Zonder opvoeding geen vooroordelen. Maar laten we nog eens kijken naar die Hond en dat Kind, die allebei onderweg hun Meester zijn kwijtgeraakt. Het Kind huilt, en weet zich geen raad. De Hond die meer heeft aan zijn reukzin dan het Kind aan zijn verstand, zal hem weldra gevonden hebben.

De Natuur heeft ons dus geschapen om lager dan de Dieren te staan, of in ieder geval daardoor de wonderen van de Opvoeding duidelijker aan het licht te laten komen, het enige dat ons aan dat peil ontrukt en ten slotte boven dat van hen verheft. Maar moet datzelfde onderscheid ook toegepast worden op de Doven, Blindengeborenen, Zwakzinnigen, Gekken, Wilde mensen of zij die samen met de wilde Dieren opgegroeid zijn in de Wouden; op hen bij wie een Hypochondrische aandoening de verbeelding te gronde gericht heeft en tot slot op alle Dieren in een menselijke gedaante, die slechts het grofste instinct tonen? Nee, al die Mensen met een lichaam hebben maar zonder geest, hebben geen recht op een aparte klasse.

Het ligt niet in onze bedoeling de bezwaren naast ons neer te leggen, die ingebracht kunnen worden tegen onze opvatting, ten gunste van het natuurlijke onderscheid tussen de Mens en de Dieren. Er is in de Mens, zo wordt gezegd, sprake van een Natuurwet, kennis van goed en kwaad, die niet gegrift is in het hart der Dieren.

Maar is die tegenwerping, of liever gezegd die bewering, gegrond op de ervaring, bij ontstentenis waarvan een Filosoof alles kan verwerpen? Beschikken wij over enige ervaring die ons ervan kan overtuigen dat alleen de Mens verlicht wordt door een lichtstraal die alle andere Dieren ontzegd is? Als dat niet het geval is, kunnen wij uit ervaring evenmin weten wat er in hen en zelfs in de andere Mensen omgaat, als voelen wat het innerlijk van ons eigen Wezen raakt. Wij weten dat wij denken en wroeging kunnen hebben, een innerlijk gevoel waardoor wij dat maar al te zeer moeten bekennen, maar dat gevoel is bij ons niet toereikend om over de wroeging van iemand anders te kunnen oordelen. Daarom moeten Mensen op hun woord geloofd worden, of op grond van waarneembare en uiterlijke tekens die wij bij onszelf opgemerkt hebben, toen wij hetzelfde geweten en dezelfde kwellingen voelden.

Maar om uit te maken of de Dieren, die niet kunnen praten, wel de Natuurwet hebben ontvangen, moeten wij ons dus beroepen op de tekens waar ik het zo-even over gehad heb, aangenomen dat ze bestaan. De feiten lijken dat te bewijzen. De Hond die zijn Meester — die hem sarde —, gebeten heeft, lijkt het volgende moment spijt te hebben gehad. Het was te zien dat hij treurig was en boos, zich niet durfde te vertonen en door een kruiperige en onderdanige houding toegaf dat hij schuldig was. De geschiedenis levert ons een beroemd verhaal over een Leeuw, die niet de aan zijn razernij overgelaten Man wilde verscheuren, omdat hij in hem zijn Weldoener herkende. Wat zou het wenselijk zijn dat ook de Mens altijd dezelfde erkentelijkheid zou tonen voor Weldaden en dezelfde eerbied voor menselijkheid! Dan zou er geen angst meer bestaan voor de Ondankbaren, noch voor Oorlogen die de gesel zijn van de Mensheid en de ware Scherprechters van de Natuurwet.

Maar een wezen, aan wie de Natuur een zo vroegrijp en schrander instinct heeft gegeven, dat net zoals wij lijkt te oordelen, verbanden te leggen, te redeneren en zich te beraden, voor zover het domein van zijn bezigheden zich uitstrekt en hem dat toestaat; een Wezen dat zich lijkt te hechten door een goede behandeling en los te rukken door een slechte behandeling en een betere meester gaat zoeken; een Wezen met een bouw vergelijkbaar met die van ons, dat dezelfde dingen doet, dezelfde hartstochten lijkt te hebben, dezelfde smarten, dezelfde min of meer intense genoegens, al naar gelang de bouw en fijnheid van de zenuwen; toont een dergelijke Wezen kortom niet duidelijk dat het zijn en onze tekortkomingen beseft, goed en kwaad kent en begrijpt wat het doet? Zou zijn Ziel, die net als die van ons dezelfde vreugde, dezelfde krenkingen en dezelfde verwarringen lijkt op te merken, geen enkele weerzin hebben bij de aanblik van zijns gelijke die verscheurd wordt, of nadat het zelf meedogenloos geen stuk van hem heel heeft gelaten? Als dat het geval is, zou de kostbare gave, waar hier sprake van is, de Dieren niet onthouden zijn. Als zij ons immers duidelijke Tekens van zowel hun berouw, als hun Intelligentie geven, zou het dan ongerijmd zijn te denken dat die Wezens, Machines die bijna even volmaakt zijn als wij, net als wij gemaakt zijn om te denken en de Natuur gewaar te worden?

Breng daar nu niet tegen in dat de Dieren voor het merendeel wilde Wezens zijn, niet in staat het kwaad te beseffen dat ze aanrichten. Kunnen alle Mensen dan beter ondeugden en deugden van elkaar onderscheiden? Wreedheid komt bij onze soort evenzeer voor als bij die van hen. Mensen die de barbaarse gewoonte hebben om de Natuurwet te overtreden, hebben daar minder last van dan zij die dat voor de eerste keer doen en door de macht van het voorbeeld nog niet verhard zijn. Bij de Dieren is dat hetzelfde als bij de Mensen. Beide kunnen meer of minder wild zijn door hun temperament en worden dat nog erger als zij omgaan met anderen die dat al zijn. Maar een zachtaardig en vreedzaam Dier, dat te midden van andere soortgelijke Dieren leeft en licht voedsel tot zich neemt, zal een vijand zijn van bloed en slachtpartijen. Het zal zich inwendig schamen als het bloed vergoten heeft, wellicht met dat verschil dat — omdat bij hen alles moet wijken voor hun behoeften, geneugten en gemakken des levens, waarvan zij meer genieten dan wij —, hun wroeging niet zo hevig lijkt te moeten zijn als bij ons, omdat wij niet dezelfde noden kennen als zij. De gewoonte stompt af en verstikt de wroeging wellicht evenzeer als de geneugten.

Maar vooralsnog wil ik aannemen dat ik me vergis en het niet klopt dat bijna de hele Wereld wat dat betreft ongelijk heeft en alleen ik gelijk heb. Ik geef dus toe dat de Dieren, zelfs de allerbeste, geen onderscheid kennen tussen moreel goed en moreel slecht, dat zij geen enkele herinnering hebben aan de aandacht die iemand aan hen heeft besteed, aan het goeds dat hen gedaan is, en geen enkel besef hebben van hun eigen deugden; dat bijvoorbeeld de Leeuw, waarover ik het in navolging van zoveel anderen heb gehad, zich niet herinnert dat hij de Man niet van het leven heeft willen beroven, die overgeleverd was aan zijn razernij, in een Schouwspel dat onmenselijker is dan dat van alle Leeuwen, Tijgers en Beren bij elkaar —terwijl onze Landgenoten juist tegen elkaar vechten, Zwitsers tegen Zwitsers, Broeder tegen Broeders, die elkaar kennen en toch ketenen, of zonder wroeging doden, omdat een Vorst hun moorden betaalt. Kortom, ik neem aan dat de Natuurwet niet aan de Dieren gegeven is, maar wat betekent dat? De Mens is niet van kostbaardere Leem gekneed. De Natuur heeft een en hetzelfde deeg gebruikt, maar daarbij steeds alleen de hoeveelheid desem veranderd. Als een Dier geen berouw heeft als hij het innerlijke gevoel, waarover ik het heb, geweld aan heeft gedaan, of liever gezegd, als hij daar volledig van verstoken is, dan moet dat noodzakelijkerwijs bij de Mens ook het geval zijn. Dus vaarwel met de Natuurwet en al die fraaie Traktaten die daarover gepubliceerd zijn! Dan zou het hele Dierenrijk daar van verstoken moeten zijn. Maar omgekeerd, als de Mens moet toegeven dat hij — althans als zijn gezondheid hem zichzelf laat zijn —, doorlopend onderscheid maakt tussen mensen die oprecht, menselijk en deugdzaam zijn en andere die dat niet zijn, en dat het eenvoudig is om te onderscheiden wat deugd of ondeugd is, uitsluitend op grond van het genoegen of de weerzin, die daar als het ware de vanzelfsprekende gevolgen van zijn, volgt daaruit dat de Dieren, omdat ze gevormd zijn van dezelfde stof, die misschien alleen wat te weinig gegist is, om helemaal gelijk te kunnen zijn aan de Mens, moeten delen in dezelfde voorrechten van de Animaliteit. Daarom is er geen Ziel, of een gevoelige substantie, die geen wroeging kent. De volgende Overweging zal dat bekrachtigen.

De Natuurwet kan niet vernietigd worden. In alle Dieren is die zo krachtig ingeprent dat ik geenszins betwijfel dat zelfs de wildste en wreedste onder hen enig moment van wroeging kennen. Ik denk dat het Wilde Meisje uit Chalons in de Champagne, als zij werkelijk haar zuster heeft opgegeten, de straf voor haar misdaad zelf gedragen heeft. Hetzelfde denk ik van iedereen die misdaden begaat, zelfs onvrijwillig of krachtens hun temperament: van Gaston uit Orleans, die de het stelen niet kon laten; van een bepaalde vrouw die tijdens haar zwangerschap aan dezelfde ondeugd onderhevig was, die haar kinderen van haar overnamen. Van een andere, die in diezelfde toestand haar echtgenoot opat en weer een andere die haar kinderen de keel afsneed, hun lichaampjes pekelde en daar dagelijks van at als was het gezouten varkensvlees; van die dochter van de Mensenvlees-etende Dief, die dat op haar twaalfde zelf ging doen, hoewel ze, nadat ze op eenjarige leeftijd haar Vader en Moeder verloren had, opgevoed was door Eerzame mensen. Om maar niets te zeggen over al die andere voorbeelden, waar onze waarnemers vol van zijn en die allemaal aantonen dat er duizenden Erfelijke deugden en ondeugden zijn, die van ouders op kind overgaan, evenals van de Voedster op de kinderen die zij zoogt. Ik zeg dus en beaam dat die ongelukkigen voor het merendeel niet meteen beseffen hoe afschuwelijk hun daad is. Een ziekelijk Vraatzucht of geeuwhonger kan elk gevoel uitdoven. Het is een manie van de maag die bevredigd moet worden. Maar weer tot zichzelf gekomen en als het ware ontnuchterd, wat een wroeging dan voor de vrouwen die zich de moord herinneren, die zij hebben begaan op degene die hen het liefst was! wat een straf voor een onvrijwillig kwaad, waartegen zij zich niet konden verzetten en waarvan zij geen enkel besef hadden! Toch is dat voor rechters onvoldoende duidelijk. Van de vrouwen over wie ik het heb, werd de een geradbraakt en verbrand en de andere levend begraven. Ik begrijp dat dat allemaal in het belang is van de Maatschappij. Maar het zou zonder twijfel wenselijk zijn als alleen maar uitmuntende Artsen als rechter zouden optreden. Alleen zij zouden de onschuldige misdadiger kunnen onderscheiden van de schuldige. Als het verstand slaaf is van een verdorven of in razernij verkerend gemoed, hoe zou het dat dan kunnen sturen?

Maar als de misdaad haar eigen min of meer wrede straf met zich meedraagt; als zelfs de langst bestaande en barbaarste gewoonte niet in staat is in het onmenselijkste hart de wroeging helemaal uit te roeien; als dat verscheurd wordt door de herinnering aan zijn daad, waarom dan de verbeelding van zwakke geesten angst aanjagen met een Hel, met spoken en afgronden van vuur, nog onwerkelijker dan die van Pascal? 35 Waarom is het dan nodig een toevlucht te nemen tot fabels — zoals een oprechte Paus zelf gezegd heeft —, om de ongelukkigen die gedood zullen worden te kwellen, omdat men vindt dat ze niet genoeg gestraft zijn door hun eigen geweten, hun belangrijkste Scherprechter? Ik wil niet zeggen dat alle misdadigers onterecht gestraft worden. Ik beweer alleen dat zij van wie de wil verdorven en het geweten uitgedoofd is, dat al voldoende worden door hun wroeging, als ze weer tot zichzelf komen; wroeging, durf ik ook nog te zeggen, waarvan de Natuur, lijkt me, die ongelukkigen, meegesleept door een rampzalige noodwendigheid, in dat geval zou hebben kunnen verlossen.

De Misdadigers, Booswichten, Ondankbaren, kortom zij die de Natuur niet voelen, ongelukkige Tirannen die het daglicht niet waardig zijn, kunnen dan wel een wreed genoegen scheppen in hun Barbaarsheid, maar toch zijn er momenten van rust en inkeer, waarin het Geweten — de wreekster —, opdaagt, tegen hen getuigt en hen ertoe veroordeelt zonder ophouden eigenhandig verscheurd te worden. Wie de Mensen kwelt, wordt door zichzelf gekweld en de pijnen die hij zal voelen, zijn in overeenstemming met wat hij hen heeft aangedaan.

Anderzijds schuilt er zoveel genoegen in goed doen, in het voelen, in het waarderen wat je ontvangt, zoveel bevrediging in het uitoefenen van de deugd, in zachtmoedig, menselijk, teder, welwillend, meelevend en edelmoedig zijn, — dat ene woord omvat alle deugden — dat ik iedereen die zo ongelukkig is niet Deugdzaam te zijn geboren, voldoende gestraft acht.

Wij zijn oorspronkelijk niet geschapen om Geleerden te zijn. Misschien komt het door een soort oneigenlijk gebruik van de vermogens van ons organisme, dat wij dat geworden zijn en dat dan tot last van de Staat, die een menigte Nietsnutten moet voeden, die door de ijdelheid opgesierd zijn met de naam Filosoof. De Natuur heeft ons uitsluitend geschapen om gelukkig te zijn. Ja, allemaal, van de worm die rondkruipt, tot de Adelaar die in de wolken verdwijnt. Daarom heeft zij aan alle Dieren een deel van de Natuurwet geschonken, een meer of minder kostelijk deel, al naar gelang de in een goede toestand verkerende Organen van elk Dier dat vereisen.

Hoe kunnen we tegenwoordig de Natuurwet omschrijven? Het is een gevoel dat ons leert wat we niet moeten doen, omdat wij niet zouden willen dat het ons gedaan wordt. Zou ik het wagen aan dat algemeen bekende idee nog iets toe te voegen, dan lijkt me dat dat gevoel slechts een soort angst of vrees is, die even heilzaam is voor de soort als voor het individu. Want misschien hebben wij alleen maar eerbied voor de beurs en het leven van de ander, omdat wij onze eigen Bezittingen, onze eer en onszelf willen behouden, vergelijkbaar met de Ixions 36 van het Christendom, die uitsluitend God liefhebben en al die hersenschimmige deugden omarmen, omdat zij bang zijn voor de Hel.

U ziet dat de Natuurwet slechts een innerlijk gevoel is dat, net als alle andere, waaronder ook het denken wordt gerekend, nog steeds onder de verbeelding valt. Daarom veronderstelt zij vanzelfsprekend geen opvoeding, openbaring of Wetgever, althans als men die niet op de lachwekkende manier van de Theologen wil verwarren met de Burgerlijke Wetten.

De wapens van het Fanatisme kunnen hen, die die waarheden verdedigen, vernietigen maar nooit zullen ze die waarheden zelf kunnen vernietigen.

Dat wil niet zeggen dat ik het bestaan van een Opperwezen in twijfel trek. Het lijkt me juist hoogst waarschijnlijk dat het bestaat. Maar omdat dat bestaan niet de noodzaak van een enkele eredienst, of welke andere dan ook, aantoont, is dat een theoretische waarheid, die in de Praktijk nauwelijks bruikbaar is, in die zin dat, omdat na zoveel ervaringen gesteld kan worden dat de Religie geen nauw omschreven rechtschapenheid veronderstelt, dezelfde redenen wettigen te denken dat het Atheïsme rechtschapenheid niet uitsluit.

Wie weet overigens of de reden van het Bestaan van de Mens, niet in zijn bestaan zelf ligt? Misschien is hij wel bij toeval ergens op het aardoppervlak terechtgekomen, zonder dat wij kunnen weten hoe en waarom, maar alleen dat hij moet leven en sterven, vergelijkbaar met paddenstoelen die van de een op de andere dag verschijnen, of bloemen die de greppels omzomen en muren bedekken.

Laten we niet verdwalen in het oneindige. Wij zijn er niet voor gemaakt om daar ook maar het minste idee over te hebben. Het is voor ons volstrekt onmogelijk terug te gaan naar de oorsprong van de dingen. Voor onze gemoedsrust is het trouwens om het even of de materie eeuwig of geschapen is en of er al dan niet een God bestaat. Wat een dwaasheid dat zovelen zich aftobben voor iets dat onmogelijk is te kennen en ons niet gelukkiger maakt, als wij daarin toch zouden slagen.

Maar, wordt er dan gezegd, lees dan alle werken van mensen als Fénelon, Nieuwentijt, Abadie, Derham), Ray 37 enz. Welnu, wat kunnen die mij leren? of liever gezegd, wat hebben zij mij geleerd? Het zijn slechts saaie herhalingen van nijvere Schrijvers, van wie de een slechts een woordenvloed toevoegt aan die van de ander en meer geëigend zijn om de fundamenten van het Atheïsme te versterken dan te ondermijnen. De hoeveelheid bewijzen die ze ontlenen aan het schouwspel der natuur, zet die niet meer kracht bij. Alleen al de bouw van een vinger, een oog, een enkele waarneming van Malpighi 38, bewijst alles en zonder twijfel veel beter dan Descartes of Malebranche dat hebben gedaan. Al het andere bewijst niets. De Deïsten en zelfs de Christenen zouden dus moeten volstaan met erop te wijzen dat in het hele Dierenrijk hetzelfde plan worden uitgevoerd op een oneindige hoeveelheid verschillende manieren, maar toch allemaal strikt meetkundig. Want met welke krachtigere Wapens zouden de Atheïsten verslagen kunnen worden? Als mijn verstand mij niet misleidt, lijken de Mens en het hele Universum voorbestemd te zijn voor dit eenheidsplan. De Zon, de Lucht, het Water, de Ordening, de vorm van de dingen, alles wordt gerangschikt in het oog, als in een spiegel die de verbeelding een waarheidsgetrouw beeld aanbiedt van de dingen die daarop afgebeeld zijn, volgens de wetten die uitgevoerd worden door de oneindige verscheidenheid aan dingen en dienen om te kunnen zien. Wat betreft het oor treffen we overal een opvallende verscheidenheid aan, zonder dat die verschillende vormen bij de Mens, de Dieren, de Vogels en de Vissen, tot een ander gebruik leiden. Alle oren zitten wiskundig zo verantwoord in elkaar, dat zij zich eveneens op een en hetzelfde doel kunnen richten, namelijk horen. “Zou het Toeval,” vraagt de Deïst, “dan een zo groot Wiskundige zijn dat het de werken, waarvan verondersteld wordt dat het daarvan zelf de Maker is, naar eigen goeddunken zozeer kan variëren, zonder dat die hele verscheidenheid kan verhinderen dat hetzelfde doel bereikt wordt?” Hij zal ook nog de lichaamsdelen in een Dier die bestemd zijn voor een toekomstig gebruik, als bezwaar inbrengen; de Vlinder in de Rups, de Mens in het Zaadwormpje, een hele Poliep in elk van zijn stukken, de klep in het Foramen Ovale, de Longen in de foetus, de tanden in hun Kassen en de botten in de vloeistoffen, waaruit zij zich losmaken en op een onbegrijpelijke manier hard worden. En omdat de Aanhangers van dit systeem niets nalaten om dat naar voren te brengen en er nooit genoeg van krijgen om bewijs op bewijs te stapelen, willen ze overal hun voordeel mee doen, in sommige gevallen zelfs met geesteszwakte. “Kijk,” zeggen ze, “naar mensen als Spinoza, Vanini, Desbarreaux en Boindin 39, Apostelen die het Deïsme meer tot eer zijn dan dat ze schade aanrichten! De duur van hun gezondheid is de maat geweest voor hun ongeloof.” “Het komt eigenlijk zelden voor,” voegen zij daaraan toe, “dat iemand het Atheïsme niet afzweert, zodra de hartstochten verzwakt zijn, tegelijkertijd met het lichaam dat daar het werktuig van is.”

Dat is vast alles wat gezegd kan worden ten gunste van het bestaan van een God, hoewel dat laatste argument onbeduidend is, in die zin dat die bekeringen kortdurend zijn en de Geest vrijwel altijd zijn oude opvattingen herneemt en zich weer dienovereenkomstig gedraagt, zodra hij zijn krachten in die van het lichaam herkrijgt, over liever gezegd, hervindt. Dat is in ieder geval veel meer dan de Arts Diderot daarover zegt in zijn Filosofische Gedachten 40, een voortreffelijk werk, dat toch geen Atheïst zal kunnen overtuigen. Want wat te antwoorden aan iemand die zegt: “Wij kennen de Natuur niet. In haar binnenste verborgen oorzaken zouden best alles teweeggebracht kunnen hebben. Kijk maar naar de Poliep van Trembley! Bevat die soms niet in zichzelf de oorzaken die tot haar herstel leiden? Zou het dan ongerijmd zijn te denken dat er stoffelijke oorzaken bestaan waarvoor alles is gemaakt is en waarmee de hele keten van dat weidse Universum zo noodzakelijkerwijs verbonden en aan onderworpen is, dat niets van wat er plaatsvindt niet zou kunnen plaatsvinden; dat wij door een onuitroeibare onwetendheid over die oorzaken onze toevlucht gezocht hebben bij een God, die volgens sommigen zelf niet eens een Redelijk Wezen is? Op die manier het Toeval vernietigen betekent nog niet bewijzen dat er een Opperwezen bestaat, omdat er nog iets anders kan zijn dat noch het Toeval, noch God is. Ik bedoel de Natuur. Haar bestuderen kan dus alleen maar ongelovigen opleveren, zoals blijkt uit de manier van denken van haar meest geslaagde onderzoekers.”

Daarom zal het gewicht van het Heelal een echte Atheïst niet van zijn stuk brengen, laat staan vermorzelen. En al die duizenden en duizenden malen herhaalde aanwijzingen voor een Schepper, aanwijzingen die ver uitgaan boven de manier van denken van onze medemensen, zijn, hoever dat argument ook doorgevoerd wordt, alleen maar overtuigend voor de Anti-pyrrhonisten, of voor hen die voldoende vertrouwen hebben in hun eigen verstand, om te kunnen geloven dat zij over bepaalde verschijnselen kunnen oordelen, waar, zoals u ziet, de Atheïsten misschien even sterke en volstrekt tegengestelde argumenten tegenover kunnen stellen. Want als wij de Naturalisten nogmaals beluisteren, vertellen zij ons dat dezelfde oorzaken die in de handen van een Scheikundige door de toevallig verschillende mengsels, de eerste spiegel vervaardigd hebben, in de handen van de Natuur helder water teweegbrengen, waar het eenvoudige Herderinnetje zich van bedient. Verder dat de beweging die de wereld in stand houdt, haar ook heeft kunnen voortbrengen; dat elk lichaam de plaats heeft ingenomen die het door zijn Natuur toebedeeld is; dat de lucht de aarde heeft moeten omgeven, om dezelfde reden waarom het IJzer en de andere Metalen gewrocht zijn door haar ingewanden; dat de Zon een even natuurlijk voortbrengsel is als Elektriciteit; dat zij evenmin gemaakt is om de Aarde en al haar Bewoners — die zij soms verzengt —, te verwarmen als de regen om zaden te laten uitgroeien en waardoor ze soms verrotten; dat de spiegel en het water evenmin gemaakt zijn om jezelf daarin te bekijken, als al die glanzende dingen die diezelfde eigenschap hebben; dat het oog in feite een soort Spiegel is, waarin de Ziel het beeld van de dingen kan gadeslaan, zoals die daar worden weergegeven door die dingen, maar dat niet is aangetoond dat dat orgaan echt met opzet gemaakt is voor dat gadeslaan, noch doelbewust in de oogkas is geplaatst; kortom dat Lucretius 41, de Arts Lamy 42 en alle oude en hedendaagse Epicuristen gelijk hadden, toen zij opperden dat het oog alleen maar kan zien omdat het zo in elkaar steekt en zich op díe plaats bevindt; dat, gezien de nu eenmaal dezelfde bewegingswetten die door de Natuur in acht genomen worden bij het voortbrengen en ontwikkelen van de dingen, het niet mogelijk was geweest dat dit prachtige orgaan anders van bouw en elders geplaats was geweest.

Dat is het vóór en tegen en een korte samenvatting van de belangrijkste redenen, waardoor de Filosofen voor altijd verdeeld zullen blijven. Ik kies geen partij.


Non nostrum inter vos tantas componere lites.43


Dat zei ik tegen een van mijn vrienden, een Fransman, een even vrijmoedige Pyrrhonist als ik, en een zeer verdienstelijk Man, die een beter lot verdient. Hij gaf mij dienaangaande een heel merkwaardig antwoord. “Het is waar,” zei hij, “dat de Ziel van een Filosoof zich niet druk moet maken over het voor en tegen, omdat hij ziet dat niets zo afdoende bewezen is dat hij daarmee moet instemmen en dat zelfs de ideeën van de ene kant, die in die richting wijzen, meteen worden ontkracht door gelijksoortige ideeën die van de andere kant worden aangedragen.” Toch,” hernam hij, “zal het Universum pas gelukkig zijn als het Atheïstisch is.” Die afschuwelijk Man redeneerde als volgt. “Als het Atheïsme,” zei hij, “algemeen verbreid was, zouden alle takken van de Godsdienst vernietigd en in de wortel aangetast zijn. Geen theologische oorlogen meer; geen soldaten meer in dienst van de Godsdienst, dat afschuwelijk slag soldaten! De Natuur, aangestoken door een geheiligd vergif, zou haar rechten en zuiverheid hernemen. Doof voor elke andere stem zouden de vredige Stervelingen slechts de raadgevingen volgen van hun eigen zelf, de enige die niet ongestraft versmaad kunnen worden en ons langs de aangename paden van een deugdzaam leven naar het geluk kunnen leiden.”

Dat is de Natuurwet. Ieder die haar nauwgezet in acht neemt, is een eerbaar Mens en verdient het vertrouwen van de hele mensheid. Wie dat niet doet, kan dan wel een voorliefde aan de dag leggen voor de schoonschijnende uiterlijkheden van een ander Godsdienst, hij is en blijft een bedrieger of een Huichelaar die ik wantrouw.

Laat na dat alles een ijdel Volk maar wat anders denken, laat het wagen te beweren dat door niet te geloven in de Openbaring de rechtschapenheid op het spel gezet wordt; kortom, dat er een andere Godsdienst moet zijn dan die van de Natuur, welke dan ook! wat armzalig! wat triest! en wat een fraai beeld schetst iedereen ons van de godsdienst die hij aanhangt! Wij zijn hier niet uit op de bijval van de gewone man. Wie in zijn hart Altaren opricht voor het bijgeloof, is in de wieg gelegd voor Afgoden en niet om de Deugd te voelen.

Maar omdat alle vermogens van de Ziel zozeer afhangen van de geëigende Ordening van de Hersenen en het hele Lichaam dat ze kennelijk die Ordening zelf vormen, biedt dat een duidelijke beschrijving van een Machine! Want als alleen de Mens deel zou hebben aan de Natuurwet, zou hij dan uiteindelijk minder zijn dan een Machine? Radertjes, een paar veren meer dan in het volmaaktste Dier, hersenen die verhoudingsgewijs dichter bij het hart liggen, waardoor ze meer bloed krijgen, begiftigd met hetzelfde verstand, — wat weet ik eigenlijk over de onbekende oorzaken die steeds dat gevoelige, zo gemakkelijk te kwetsen geweten zouden voortbrengen, die wroeging die evenmin vreemd is aan de materie als aan het denken, kortom alle verschillen die hier verondersteld worden? Zou voor dat alles de ordening toereikend zijn? Ja, nogmaals, als het denken dus duidelijk tegelijkertijd met de organen tot ontwikkeling komt, waarom zou de materie waarvan ze gemaakt zijn dan niet ook ontvankelijk zijn voor wroeging, als zij eenmaal mettertijd het vermogen om te voelen verworven heeft?

De Ziel is dus slechts vaag begrip, waarvan niemand enig benul heeft en dat een heldere Geest alleen maar zou moeten bezigen om het deel aan te duiden dat binnenin ons denkt. Als er sprake is van ook maar het geringste bewegingsbeginsel, dan zouden bezielde lichamen alles hebben wat nodig is om te bewegen, te voelen, te denken en wroeging te hebben, kortom hun weg te vinden, zowel in het Lichamelijke als in de Moraal, die daarvan afhankelijk is.

Wij veronderstellen niets. Voor hen die zouden denken dat alle problemen daarmee nog niet zijn opgelost, hier een lijst vinden van experimenten, die hen geheel zullen overtuigen.

1. Het hele lichaam van Dieren klopt nog als ze al dood zijn, en des te langer naarmate het Dier kouder is en minder zweet. Schildpadden, Hagedissen, Slangen, enz. staven dat.

2. Van het lichaam gescheiden spieren trekken samen als ze geprikkeld worden.

3. De ingewanden behouden lange tijd hun peristaltische of wormachtige beweging.

4. Een eenvoudige inspuiting met warm water brengt, volgens Cowper, 44 het hart en de spieren weer tot leven.

5. Nadat het uit het lichaam gehaald is blijft hart van een Kikvors nog meer dan een uur bewegen, vooral als het aan de Zon wordt blootgesteld en nog beter op een tafel of een warm bord. Lijkt de beweging zonder hulpbron opgehouden te zijn, dan hoeft het hart alleen maar geprikkeld te worden en de holle spier klopt weer. Harvey 45 heeft datzelfde waargenomen bij Padden.

6. Sir Bacon 46, een prominent Schrijver, spreekt in zijn Traktaat Historia Vitae et Mortis over iemand die, schuldig bevonden was aan verraad, levend opengesneden werd om het hart uit hem te halen. Het werd in het vuur gegooid, waarna die spier eerst tot een hoogte van anderhalve voet omhoog sprong, maar vervolgens, omdat hij aan kracht verloor, telkens minder hoog, gedurende 7 tot 8 minuten.

7. Neem een kuikentje dat nog in het ei zit. Haal daar het hart uit, dan zult u onder vrijwel dezelfde omstandigheden dezelfde Verschijnselen waarnemen. Alleen al de warmte van de adem brengt een Dier dat zonder Pneumatische Machine op het punt staat te sterven, weer tot leven.

Dezelfde experimenten, die wij aan Boyle 47 en Steno 48 danken, gelden ook voor Duiven, Honden en Konijnen, waarvan stukjes van het Hart net zo bewegen als het hele Hart. Bij afgesneden mollepoten is dezelfde beweging waar te nemen.

8. De Rups, Worm, Spin, Vlieg en Paling geven dezelfde dingen ter overweging en de beweging van afgesneden delen neemt toe in warm water, ten gevolge van het vuur dat het bevat.

9. Een dronken Soldaat sloeg met een sabel bij een kalkoenhaan de kop af. Het Dier bleef overeind, ging lopen en daarna rennen. Toen het bij een muur kwam draaide het zich om, sloeg al rennend met zijn vleugels en viel uiteindelijk neer. Liggend op de grond, bewogen alle spieren van de haan nog steeds. Dat heb ik zelf gezien en is ook gemakkelijk waar te nemen bij katjes waarvan de kop is afgesneden.

10. De Poliepen doen, nadat ze doorgesneden zijn, meer dan alleen maar bewegen. Binnen acht dagen ontwikkelen zij zich tot evenveel Dieren, als er afgesneden stukken zijn. Het spijt me voor het Stelsel van de Naturalisten, of liever gezegd, het doet me deugd, want die ontdekking leert ons nooit een algemene conclusie te trekken, zelfs niet uit alle bekende en de meest doorslaggevende onderzoekingen!

Dat zijn dus veel meer feiten dan nodig is om op een onweerlegbare manier aan te tonen dat elk vezeltje of deel van een geordend lichaam, zich beweegt op grond van een beginsel dat daar eigen aan is, en waarvan de werking niet, zoals willekeurige bewegingen, afhankelijk is van de zenuwen, omdat genoemde bewegingen ook plaatsvinden zonder dat de lichaamsdelen waarin ze te zien zijn, op enige manier verbonden zijn met de bloedsomloop. Welnu, als die kracht zelfs op te merken is in stukjes van vezels, moet het hart, dat samengesteld is uit op een bijzondere manier ineengevlochten vezels, dezelfde eigenschap hebben. Om mij daarvan te overtuigen was het verhaal van Bacon overbodig. Dat was voor mij eenvoudig af te leiden uit de Analogie tussen het Hart van de Mens en dat van de Dieren, uit de massa van het eerste, waarin die beweging voor het oog verborgen blijft, omdat die daar gedempt wordt, en tot slot omdat in een lijk alles koud en slap is. Als er een sectie uitgevoerd zou worden op terechtgestelde Misdadigers, van wie het lichaam nog warm is, zouden aan hun hart dezelfde bewegingen waargenomen kunnen worden, als te zien zijn aan de aangezichtsspieren van onthoofde mensen.

Het bewegingsbeginsel van een heel Lichaam, of van in stukken gesneden lichaamsdelen, is van dien aard dat het niet ongeordende, zoals geloofd werd, maar juist zeer geordende bewegingen voortbrengt en dat zowel in de warmbloedige en volmaakte, als in de koudbloedige en onvolmaakte Dieren. Er rest dus voor onze tegenstanders geen enkele uitweg, tenzij ze de duizenden en duizenden feiten ontkennen, die iedereen eenvoudig kan natrekken.

Als mij op dit moment gevraagd wordt waar die ingeboren kracht in ons lichaam huist, is mijn antwoord dat het volstrekt duidelijk is dat die zich bevindt in wat door de Ouden het Parenchym werd genoemd, dat wil zeggen in de substantie die eigen is aan de lichaamsdelen, behalve in de Aders, Slagaders en Zenuwen, kortom in de Ordening van het hele lichaam en dat derhalve elk lichaamsdeel op zich meer of minder beweeglijke veren bevat, al naar gelang zij die behoeven.

Laten we die veren van de menselijke machine nader bekijken. Alle vitale, animale, natuurlijke en automatische bewegingen worden door de werking van die veren veroorzaakt. Is het niet zo dat het lichaam, met angst geslagen zich, bij de aanblik van een onverwachte afgrond, werktuiglijk terugtrekt? dat de oogleden bij de dreiging van een klapzakken? dat de Pupil zich, om het Netvlies te beschermen, in het volle daglicht vernauwt en om in het donker de dingen te kunnen zien wijder wordt? dat de huidporiën zich in de Winter sluiten, zodat de koude niet tot in de bloedvaten kan doordringen? dat de maag in opstand komt, als hij geprikkeld wordt door een vergif, door een bepaalde hoeveelheid Opium, door alle braakmiddelen, enz.? dat het Hart, de Bloedvaten en de Spieren zich zowel tijdens de slaap als tijdens het waken samentrekken? dat de Longen doorlopend dienst doen als een onafgebroken werkende blaasbalg? Is het ook niet zo dat alle Sluitspieren van de Blaas, Endeldarm, enz. mechanisch werken? dat het Hart veel krachtiger samentrekt dan alle andere spieren? dat de erectiespieren zowel bij de Man de Roede oprichten, als bij de Dieren die daarmee op hun buik slaan, en zelfs bij het kind, dat een erectie kan krijgen, als dat lichaamsdeel maar even geprikkeld wordt? Terloops gezegd, dat is het bewijs dat zich in dat lichaamsdeel een merkwaardige veer bevindt, waarover nog maar weinig bekend is en die een werking teweegbrengt, waar nog geen goede verklaring voor gevonden is, ondanks alle inzichten in de Anatomie.

Ik zal niet verder uitwijden over al die kleine ondergeschikte veren, die iedereen kent. Maar er is nog een andere, fijnere en wonderlijkere veer, die alles bezielt. Het is de bron van al onze gevoelens, al onze genoegens, al onze hartstochten en al onze gedachten, want ook de hersenen moeten hun eigen spieren hebben om te kunnen denken, zoals benen om te kunnen lopen. Ik wil het hebben over dat aandrijvende en onstuimige beginsel dat Hippocrates ἔνορμὧν 49 noemt (de Ziel). Dat Beginsel bestaat en zetelt in de hersenen, op de plaats waar de zenuwen ontspringen, van waaruit het zijn heerschappij over de hele rest van het lichaam uitoefent. Daarmee wordt alles wat te verklaren valt verklaard, tot de verbazingwekkende ziekten van de Verbeelding aan toe.

Maar om niet te verkommeren in een slecht begrepen overdaad en overvloed van vragen en overwegingen, dienen wij ons te beperken tot een klein aantal.

Waarom brengt de aanblik van of alleen al de gedachte aan een mooie vrouw bij ons ongewone bewegingen en verlangens teweeg? Wat zich dan in die organen afspeelt, komt dat door de aard van die organen? Helemaal niet, want dat komt door overdracht aan en een soort meegevoel van die spieren met de verbeelding. Er is hier slechts sprake van een enkele veer, die geprikkeld wordt door het bene placitum50 van de Ouden, of door het beeld van de schoonheid, die daardoor een andere veer prikkelt, die heel diep sluimerde, voordat zij door de verbeelding gewekt werd. Hoe kan dat anders dan door de wanorde en het gedruis van het bloed en de vluchtige stoffen, die met een uitzonderlijke snelheid voortgalopperen en de zwellichamen oppompen?

Omdat er duidelijke verbindingen bestaan tussen Moeder en Kind 51 en de door Tulpin 52 en andere even geloofwaardige Schrijvers — nog geloofwaardigere zijn er niet —, vermelde feiten moeilijk te ontkennen vallen, geloven wij dat de foetus langs die weg de onstuimigheid voelt van de verbeelding van de moeder, als zachte was die allerlei indrukken opneemt en dat diezelfde sporen of Verlangens van de Moeder, hun indruk kunnen achterlaten in de foetus, zonder dat dat begrepen kan worden, wat Blondel 53 en al zijn aanhangers daarover ook mogen zeggen. Zo geven wij genoegdoening aan Vader Malebranche, die voor zijn goedgelovigheid veel te veel bespot is door Schrijvers die de Natuur niet van voldoende nabij bestudeerd hebben en hem hun ideeën hebben willen opdringen.

Kijk naar het Portret van de befaamde Pope, de Engelse Voltaire. De Inspanningen, de Gedrevenheid van zijn Genie zijn afgebeeld in zijn Gelaatstrekken. Het is een en al krampachtigheid, zijn ogen puilen uit hun kassen, door de spieren van zijn Voorhoofd worden zijn wenkbrauwen omhooggetrokken. Waarom? Omdat de bron van de Zenuwen aan het werk is en heel het lichaam de nadelige gevolgen ondervindt van een zogezegd zo moeizame bevalling. Als er niet een inwendige snaar is die op die manier aan de snaren van de buitenkant trekt, waar zouden dan al die verschijnselen vandaan moeten komen? Een Ziel aannemen om ze te kunnen verklaren, betekent dat het afgedaan wordt met de Werking van de Heilige Geest.

Als datgene dat denkt in mijn hersenen, inderdaad geen deel van dat Orgaan is en dus niet van het hele Lichaam, waarom wordt mijn bloed dan heet als ik rustig in mijn bed een opzet maak voor een Boek, of een abstracte gedachtegang volg? Waarom slaat de koorts van mijn Geest dan over op mijn Aderen? Vraag het aan de Mensen met Verbeelding, aan de grote Dichters, aan hen die verrukt raken door een goed weergegeven gevoel, die door iets heerlijks, de bekoorlijkheden van de Natuur of van de Waarheid of de Deugd in vervoering raken? Door hun enthousiasme, door wat zij u zullen vertellen meegemaakt te hebben, zult u door de gevolgen kunnen oordelen over de oorzaak. Door die harmonie, waarover die ene Anatoom, Borelli 54, meer wist dan alle Leibnitzianen bij elkaar, zult u de stoffelijke Eenheid van de Mens ontdekken. Want als het toch de spanning van de zenuwen is die pijn doet en koorts veroorzaakt, waardoor de Geest in verwarring raakt en geen wil meer heeft, en als omgekeerd een te drukke Geest het lichaam verstoort en het vuur van de tering ontsteekt dat Bayle 55 op een nog zo jonge leeftijd heeft weggerukt; als ik door die prikkeling iets wil, gedwongen wordt vurig te verlangen naar iets waarover ik me even daarvoor niet in het minst bekommerde; als op hun beurt bepaalde sporen in de Hersenen diezelfde onrust en verlangens opwekken, waarom dan van iets dat duidelijk één is, twee maken? Protest aantekenen tegen de heerschappij van de Wil is vergeefs. Voor één bevel dat zij geeft, moet ze zelf honderd keer onder het juk door. En wat wonderlijk dat het lichaam in gezonde toestand gehoorzaamt, omdat een stroom van bloed en vluchtige stoffen het daartoe zal dwingen en de wil over dienaren beschikt in de vorm van een legioen onzichtbare vloeistoffen, sneller dan een Bliksemschicht en altijd gereed om van dienst te zijn! Maar terwijl de Wil zijn macht uitoefent door middel van de Zenuwen, wordt zij daardoor ook tegengehouden. Kunnen de beste wil en de felste verlangens een uitgeputte Minnaar zijn verloren kracht teruggeven? Helaas! nee, en de wil zal als eerste gestraft worden, omdat het onder bepaalde omstandigheden niet in haar macht ligt géén genot te willen. Wat ik eerder over de Verlamming enz. gezegd heb, gaat ook hier op.

Geelzucht bevreemdt u? Weet u dan niet dat de kleur van dingen afhangt van die van de lenzen waardoor ze bekeken worden? Weet u niet dat de kleur van de lichaamssappen overeenkomt met die van de dingen, althans wat ons betreft, wij arme speelballen van duizend-en-een zinsbegoochelingen? Maar verwijder die kleur uit het waterige oogvocht, laat de Gal door zijn natuurlijke zeef vloeien, dan zal de Ziel, met andere ogen, niet meer geel zien. Wordt ook niet op die manier, door van de Staar te steken, of de Buis van Eustachius door te spuiten, het Zicht teruggeven aan Blinden en het Gehoor aan Doven? Hoeveel lieden waren in tijden van onwetendheid misschien slechts slimme Kwakzalvers, van wie gedacht werd dat ze grote Wonderen verrichtten! Wat een mooie Ziel en een Machtige Wil, die slechts iets kan, zolang de toestand van het lichaam dat toelaat en waarvan de voorkeuren veranderen met de leeftijd en de koorts! Is het dan verwonderlijk dat de Filosofen altijd de gezondheid van het lichaam in het oog gehouden hebben, om die van de Ziel te bewaren? dat Pythagoras even zorgvuldig een Dieet voorgeschreven, als Plato de wijn verboden heeft? De Leefregel die het best bij het lichaam past is die regel waarvan verstandige Artsen beweren dat die altijd vooraf moet gaan als het gaat om het vormen van de Geest, en die verheffen tot kennis van de waarheid en de deugd, ijdele klanken te midden van de wanorde der Ziekten en het geraas der Zinnen! Zonder de Voorschriften van de Hygiëne zijn de vermaningen van Epictetus, Socrates, Plato, enz. vergeefs. De hele moraal is vruchteloos voor wie geen matigheid betracht, de bron is van alle Deugden, zoals Onmatigheid die van alle Ondeugden is.

Wat is er nog meer nodig — en waarom zou ik mij verliezen in de Geschiedenis van de hartstochten, die allemaal verklaard kunnen worden met het ἔνορμὧν van Hippocrates —, om aan te tonen dat de Mens slechts een Machine is, of een Samenstel van veren, die elkaar allemaal opwinden, zonder dat we kunnen zeggen op welk punt van de cirkel de Natuur haar intrede heeft gedaan? Als die veren onderling verschillen, is dat alleen in plaats en enigszins in sterkte, maar nooit wezenlijk. Daarom is de Ziel slechts een bewegingsbeginsel, of een gevoelig stoffelijk Gedeelte van de Hersenen dat, zonder dat wij bang hoeven te zijn dat wij ons vergissen, beschouwd kan worden als de hoofdveer van de hele Machine, die een duidelijke invloed heeft op alle andere veren en zelfs als eerste gemaakt lijkt te zijn, in die zin dat alle andere daar slechts een uitvloeisel van vormen, zoals te zien is aan enkele Waarnemingen die ik nog zal vermelden en gedaan zijn bij verschillende Embryo’s.

Die trilling die eigen is aan de natuur of aan onze Machine, waaraan iedere vezel en zogezegd elk vezelachtig dingetjes deel heeft, lijkt op de beweging van een Slinger, en kan niet altijd aanhouden. De Machine moet die steeds vernieuwen naarmate die beweging uitdooft, versterken als ze zwakker wordt en afzwakken als ze in het nauw komt door een overmaat aan kracht en hevigheid. Dat is de enige taak van de ware Geneeskunde.

Het lichaam is slechts een uurwerk en de verse chyl 56 is de klokkenmaker. Als de chyl in het bloed wordt opgenomen, is de eerste zorg van de Natuur daarin een soort koorts op te wekken, die door de Scheikundigen, die alleen maar over kooktoestellen dromen, voor gisting is aangezien. Door die koorts verbetert de doorsijpeling van de vluchtige stoffen, die automatisch de Spieren en het Hart gaan versterken, alsof ze daar op bevel van de Wil naartoe gestuurd worden.

Dat zijn dus de oorzaken of krachten van het leven, die honderd jaar lang de onafgebroken beweging van de vaste stoffen en vloeistoffen, die beiden even hard nodig hebben, in stand houden. Maar wie kan zeggen of de vaste stoffen meer bijdragen aan dit spel, dan de vloeistoffen, en omgekeerd? Het enige wat we weten is dat zonder hulp van de tweede, de beweging van de eerste al snel uitgeput zou raken. Het zijn de vloeistoffen die door hun schokken de rekbaarheid van de bloedvaten teweegbrengen en in stand houden, waarvan hun eigen rondstromen afhangt. Daardoor komt het dat na de dood de natuurlijke veer van elke substantie nog min of meer krachtig is, een voortzetting van de overblijfselen van het leven, dat zij overleeft, om als laatste te eindigen. Die kracht van de animale bestanddelen kan door die van de Bloedsomloop inderdaad heel goed in stand gehouden en versterkt worden, maar is daar niet afhankelijk van, omdat ze zelfs de ongeschonden toestand van het Lichaamsdeel of Ingewand niet nodig heeft, zoals we hebben gezien!

Ik ontken niet dat die opvatting niet in de smaak gevallen is bij alle Geleerden en vooral door Stahl 57 zeer verfoeid is. Die grote Scheikundige heeft ons ervan willen overtuigen dat de Ziel de enige oorzaak was van onze bewegingen. Maar dat zijn woorden van een Fanaticus en niet van een Filosoof.

Om de hypothese van Stahl te ontkrachten, hoef ik niet zoveel moeite te doen als ik zie dat er vóór mij gedaan is. Werp alleen maar een blik op een violist. Wat een soepelheid! Wat een vingervlugheid! De bewegingen zijn zo snel, dat het bijna lijkt alsof ze niet na elkaar komen. Welnu, ik vraag, of liever gezegd, ik daag de aanhangers van Stahl, zij die zo goed weten wat onze Ziel allemaal kan, uit me te vertellen hoe het mogelijk is dat zij zo snel zoveel bewegingen uitvoert, bewegingen die zich op een afstand van haar en op zoveel verschillende plaatsen afspelen. Het lijkt op een fluitspeler die prachtige cadensen kan spelen op een fluit met oneindig veel gaten die hij niet kent en waarop hij niet eens zijn vinger kan plaatsen.

Maar laten we samen met de Hr. Hecquet 58 zeggen dat het niet iedereen toegestaan is naar Corinthe te gaan. En waarom zou Stahl door de Natuur meer begunstigd zijn geweest als Mens, dan als Scheikundige en Man van de Praktijk? Hij — de gelukkige Sterveling —, moet wel een heel andere Ziel gekregen hebben dan de overige Mensen; een soevereine ziel die, niet tevreden met enige heerschappij over de willekeurige spieren, moeiteloos de teugels van alle bewegingen van het Lichaam overneemt, en ze naar believen kan stopzetten, tot bedaren brengen of opstoken! Met een zo tirannieke Meesteres, die als het ware het kloppen van het Hart en de wetten van de Bloedsomloop in handen heeft, zonder twijfel geen koorts meer, geen pijn, geen matheid, noch een beschamende impotentie of een onaangenaam Priapisme 59. De Ziel wil het en dus werken, spannen en ontspannen de veren zich. Hoe zijn die van de Machine van Stahl zo snel in het ongerede geraakt? Wie een zo groot Arts bij zich in de buurt heeft, zou onsterflijk moeten zijn.

Overigens is Stahl niet de enige die het Trillingsbeginsel in geordende lichamen verworpen heeft. Zelfs de grootste geesten hebben daar geen gebruik van gemaakt, toen ze de werking van het Hart, de Erectie van de Penis, enz. hebben willen verklaren. Het is voldoende de Institutions de Medecine van Boerhaave 60 te lezen, om te zien wat voor moeizame en verleidelijke stelsels deze grote Man in het zweet van zijn machtige genie heeft moeten wrochten, alleen omdat hij niet heeft willen aannemen dat er in het hart een zo opvallende kracht aanwezig was.

Willis en Perrault 61, geesten van een minder allooi, maar nijvere Waarnemers van de Natuur, — die de beroemde Professor uit Leiden eigenlijk alleen kende uit geschriften van anderen en vrijwel uitsluitend van mededelingen uit de tweede hand —, lijken liever een Ziel, die door het hele lichaam verspreid is, hebben willen aannemen, dan het beginsel waarover wij spreken. Maar volgens die Hypothese die ook gedeeld werd door Vergilius en alle Epicuristen, een Hypothese die zich op het eerste oog lijkt uit te spreken vóór het verhaal over de Poliep, zijn de bewegingen die het organisme, waarmee ze onafscheidelijk verbonden zijn, overleven en de lichaamsdelen die samentrekken in stand houden, zonder verder geprikkeld te worden door het bloed en de vluchtige stoffen, afkomstig van een overblijfsel van de Ziel. Daaruit blijkt dat de Schrijvers, wier betrouwbare werken moeiteloos alle Filosofische fabels ontkrachten, zich alleen maar hebben vergist over de vorm van degenen die aan de materie het vermogen om te denken hebben toegekend, ik bedoel, dat die zich ongelukkig en in duistere nietszeggend begrippen hebben uitgedrukt. Want wat is dat overblijfsel van de Ziel eigenlijk anders dan de stuwende kracht van de Leibnitzianen, — overigens gebrekkig weergegeven door die uitdrukking — wat echter met name door Perrault juist onderkend is. Zie zijn Verhandeling over het Mechanisme der Dieren.

Tegenwoordig, nu het bewijs geleverd is tegen de Cartesianen, Stahlianen, Malebranchisten en de Theologen — die het amper verdienen hier genoemd te worden — dat de materie uit zichzelf beweegt, niet alleen wanneer zij geordend is, zoals bijvoorbeeld in een heel Hart, maar zelfs als die ordening is vernietigd, zou de menselijke nieuwsgierigheid wel eens willen weten hoe een Lichaam, omdat het oorspronkelijk begiftigd is met een Levensadem, daardoor ook opgesierd blijkt te zijn met het vermogen om te voelen en uiteindelijk met het denkvermogen. En O goeie God, wat hebben bepaalde Filosofen zich niet een moeite getroost om dat te verklaren! En wat heb ik niet een geduld moeten hebben om alle onzin over dat onderwerp te lezen!

Het enige dat de Ervaring ons leert is dat, zolang die beweging in een of meerdere vezels aanhoudt, hoe gering ook, ze alleen maar geprikkeld hoeven te worden om die bijna uitgedoofde beweging weer te wekken of tot leven te roepen, zoals wij hebben kunnen zien aan al die Experimenten, waarmee ik de Stelsels omver heb willen werpen. Het is dus onveranderlijk zo dat de beweging en het gevoel elkaar beurtelings prikkelen, zowel in niet verstoorde Lichamen, als in diezelfde Lichamen waarvan de ordening vernietigd is, om maar helemaal te zwijgen over bepaalde Planten, die ons dezelfde verschijnselen van de eenheid van beweging en gevoel lijken te tonen.

Maar behalve dat, hoeveel uitmuntende Filosofen hebben niet aangetoond dat het denken slechts een eigenschap is van het voelen en dat de redelijke Ziel niets anders is dan de Ziel die voelt en zich bezig houdt met het beschouwen van ideeën en redeneren! Dat blijkt uitsluitend al uit het feit dat als het gevoel uitgedoofd is dat ook geldt voor het denken, zoals bij de Beroerte, de Slaapzucht, de Katalepsie, enz. Want zij, die geopperd hebben dat de Ziel tijdens met bewusteloosheid gepaarde ziekten niet minder denkt, hoewel zij zich niet de ideeën herinnert die ze gehad heeft, hebben iets lachwekkends beweerd.

Voor iemand die deze mening is toegedaan is het dwaas om zijn tijd te verdoen aan het zoeken naar dat mechanisme. Over de Aard van de beweging weten we even weinig als over die van de materie. Hoe kunnen we ontdekken hoe die tot stand komt, althans als we niet samen met de Schrijver van de Geschiedenis van de Ziel62 de oude en onbegrijpelijke Leer van de substantiële vormen weer tot leven willen wekken! Het troost mij dus evenzeer dat ik niet weet hoe de bewegingloze en enkelvoudige Materie in beweging en samengesteld raakt uit organen, dan dat ik niet zonder rood glas naar de Zon kan kijken. Al even meegaand ben ik zowel over de andere onbegrijpelijke Wonderen der Natuur, als over het ontstaan van Gevoel en Denken in een Wezen dat vroeger in onze kortzichtige ogen niet meer leek dan een klompje leem.

Laten ze dan alleen maar toegeven dat de geordende Materie begiftigd is met een bewegingsbeginsel, het enige verschil met de ongeordende Materie — kan soms aan de onbetwistbaarste Waarneming iets ontzegd worden? — en dat bij Dieren alles afhangt van de verscheidenheid in ordening, zoals ik al aangetoond heb. Dat is voldoende om het Raadsel van de Substanties en de Mens op te lossen. Het is duidelijk dat er in het universum maar één Substantie bestaat en dat de Mens de meeste volmaakte is. Hij is vergeleken met de Aap, het intelligentste van alle Dieren, wat het Planetarium van Huygens 63 is vergeleken met een klok van Julien le Roi 64. Zoals er meer instrumenten, meer Tandwielen en meer veren nodig zijn geweest om de beweging van de Planeten weer te geven dan de Uren, heeft Vaucanson 65 meer vakmanschap nodig gehad om zijn Fluitspeler te maken, dan zijn Eend, en nog veel meer voor een Spreker, een Machine die niet langer gezien wordt als iets onmogelijks, vooral niet in de handen van een nieuwe Prometheus. Even noodzakelijk was het dat de Natuur meer vaardigheid en kundigheid moest inzetten om een Machine te vervaardigen en te onderhouden, die een eeuw lang alle bewegingen van het hart en de geest zou kunnen aangeven, want al kan aan de pols de tijd niet afgelezen worden, toch is het de Barometer van de warmte en levendigheid, waarop de toestand van de Ziel afgelezen kan worden. Ik vergis me niet. Het menselijk lichaam is een uurwerk, maar een enorm uurwerk, dat met zoveel kunstigheid en bedrevenheid vervaardigd is, dat als het tandwiel, dat dient om de seconden aan te geven, stokt, dat van de minuten gewoon doordraait en zijn loop vervolgt, op dezelfde manier waarop het tandwiel van de Kwartieren net als de andere blijft bewegen, als de eerste door roest of om welke reden dan ook hun draaiing hebben onderbroken. Is het immers niet zo dat het verstopt raken van enkele Bloedvaten onvoldoende is om de kracht van bewegingen, die zowel in het hart als in de hoofdveer van de Machine plaatsvinden, teniet te doen of te onderbreken, omdat de vloeistoffen, waarvan het volume dan is afgenomen en een kortere weg hoeven af te leggen, als het ware meegesleept door een nieuwe stroom, het hart evenveel sneller doorstromen, als de kracht van het hart toeneemt, vanwege de weerstand die het ondervindt aan de uiteinden van de bloedvaten? Is het ook niet zo dat als alleen de oogzenuw samengedrukt wordt en niet meer het beeld van de Dingen doorgeeft, het verlies van het Gezichtsvermogen evenmin het gebruik van het Gehoor verhindert, als het verlies van dat zintuig, als de werking van het Weke Gedeelte uitgevallen is, dat doet met het Gezichtsvermogen? Is het ten slotte niet zo dat de een wel hoort, zonder dat hij kan vertellen dat hij hoort — behalve na een aanval van ziekte — en de ander die niets hoort, maar van wie de tongzenuwen in de hersenen vrij liggen, werktuiglijk alle dromen vertelt die in zijn hoofd opkomen? Dat zijn verschijnselen waarover verstandige Artsen zich niet verbazen. Zij weten waar ze zich toe moeten beperken wat betreft de aard van de Mens en terloops gezegd, de beste en betrouwbaarste van twee Artsen, is altijd degene die het meest kundig is in de Fysica of Mechanica van het menselijk lichaam en de Ziel en alle onrust die door die hersenschim teweeggebracht wordt bij dwazen en onwetenden laat rusten en zich alleen maar serieus bezighoudt met het zuivere Naturalisme.

Laten we dus die zogenaamde Hr. Charp 66 maar de spot drijven met de Filosofen die Dieren voor Machines hebben aangezien. Wat denk ik toch anders! Ik denk dat Descartes in elk opzicht een achtenswaardig Man was geweest, als hij geboren was in een eeuw die niet nog verlicht moest worden, en dan dus het belang van Experiment en Waarneming had begrepen en het gevaar van daarvan af te wijken. Maar niettemin is het billijk dat ik die grote Man hier genoegdoening geef voor al die Filosoofjes, die kwalijke Grappenmakers en Na-apers van Locke, die in plaats van Descartes onbeschaamd in zijn gezicht uit te lachen, beter zouden moeten beseffen dat zonder hem de akker van de Filosofie nog steeds braak zou liggen, net zoals die van het gezond Verstand zonder Newton.

Het is waar dat die beroemde Filosoof veel vergissingen heeft gemaakt, en iedereen zal dat beamen. Maar uiteindelijk heeft hij wel de natuur van het Dier begrepen. Hij is de eerste geweest die afdoende aangetoond heeft dat Dieren louter Machines zijn. Welnu, hoe zouden we dan, nu wij die grote invloed, die van zoveel scherpzinnigheid getuigt, onderkend hebben hem niet al zijn vergissingen kunnen vergeven?

In mijn ogen zijn ze door die grote erkenning allemaal goed gemaakt. Want hoewel hij zich lyrisch uitlaat over het verschil tussen beide substanties, is het duidelijk dat het slechts een goochelkunstje is, een stilistisch slimmigheidje, om de Theologen een vergif te laten slikken, verborgen onder de schaduw van een Analogie, wat iedereen opvalt, maar alleen zij niet zien. Want die is het, deze overtuigende Analogie, die alle Geleerden en iedereen die dat oprecht beoordeelt, dwingt toe te geven dat die trotse en ijdele wezens, die zich meer onderscheiden door hun hoogmoed, dan door de naam Mens, hoe graag zij zich ook willen verheffen, eigenlijk slechts Dieren zijn, rechtop voortkruipende Machines. Allemaal hebben zij dat prachtige Instinct, waarvan de Opvoeding de Geest maakt, die altijd in de Hersenen zetelt, of als die ontbreken of verbeend zijn, in het verlengde Merg, maar nooit in de Kleine Hersenen, want zelf heb ik gezien dat die ernstig beschadigd en anderen 67 dat ze verweekt waren, terwijl de Ziel gewoon bleef werken.

Een Machine zijn, voelen, denken en zowel goed van kwaad kunnen onderscheiden, als blauw van geel, kortom, geboren worden met Verstand en een betrouwbaar moreel instinct en dan toch maar een Dier zijn, zijn dus dingen die evenmin tegenstrijdig zijn als een Aap of Papegaai zijn die zichzelf kan vermaken. Want nu zich toch de gelegenheid voordoet om het te zeggen, wie heeft ooit van te voren bedacht dat één druppeltje vloeistof dat bij de paring afgevuurd wordt zulke goddelijke genoegens teweeg kan brengen en er een klein schepseltje uit geboren zal worden, dat op zekere dag, omdat er bepaalde wetten gelden, dezelfde genoegens zal smaken? Ik denk dat het denken zo goed verenigbaar is met de geordende materie, dat het daar een eigenschap van lijkt te zijn, net als Elektriciteit, kunnen bewegen, Ondoordringbaarheid, Uitgebreidheid, enz.

Wilt u nog meer Waarnemingen? Hier zijn nog een paar onloochenbare die allemaal aantonen dat de Mens van nature volmaakt op de Dieren lijkt, zoals in alles waarvan wij al gedacht hebben dat het wezenlijk was om met elkaar te vergelijken.

Ik doe een beroep op de oprechtheid van onze Waarnemers. Laten zij ons vertellen of het soms niet waar is dat de Mens aanvankelijk niets anders dan een wormpje was, dat Mens wordt, zoals de Rups een Vlinder. De belangrijkste 68 Schrijvers hebben ons geleerd hoe te werk moet worden gegaan om dat Minuscule Diertje te kunnen zien. Alle Nieuwsgierigen, zoals Hartsoeker 69, hebben het gezien in het zaad van de Man en niet in dat van de vrouw. Alleen dwazen hebben zich daar bezwaard bij gevoeld. Hoewel elke zaaddruppel talloze van die wormpjes bevat, is het, wanneer zij afgeschoten worden naar de Eierstok, slechts de slimste of de sterkste, die de kracht heeft om een eitje, dat door de vrouw verschaft wordt en het de eerste voeding geeft, binnen te dringen en zich daar vast te zetten. Dat eitje, dat soms verrast wordt in de Buizen van Fallopius 70, wordt door die kanalen vervoerd naar de Baarmoeder, waar het op dezelfde manier wortel schiet, als een graankorrel in de aarde. Maar hoewel het daar in de 9 maanden dat het groeit enorm groot wordt, verschilt het niet van de eitjes van andere wijfjesdieren, zij het dat zijn huid — het Amnion — nooit hard wordt en wonderbaarlijk uitrekt, wat nagegaan kan worden door het vergelijken met dat van de foetus die nog ter plekke aangetroffen wordt en klaar is om geboren te worden — ik heb zelf genoegen gehad dat te kunnen waarnemen bij een vrouw die vlak voor de Bevalling doodgegaan was — met dat van andere kleine Embryo’s, vlak na hun ontstaan. Want het is dus altijd het ei in de schaal of het Dier in het ei, dat gehinderd in zijn bewegingen, werktuiglijk probeert het daglicht te bereiken, en om daarin te slagen, met de kop dat vlies begint te verbreken, waar het uit komt, zoals het Kuiken, de Vogel enz. uit dat van hen. Bovendien is daarbij het Amnion niet dunner geworden, terwijl het toch wonderbaarlijk uitgerekt is. Daarin lijkt het op de Baarmoeder, waarvan de substantie uitzet door sappen die daarin binnendringen, onafhankelijk van de vulling en uitzetting van alle Kronkelige Bloedvaten.

Laten we nu de Mens bekijken, in en buiten zijn eierschaal. Laten we met een Microscoop de allerjongste Embryo’s onderzoeken, die van 4, 6, 8 of 15 dagen. Na die tijd zijn de ogen toereikend. Wat zien we? Alleen het hoofd, een klein rond eitje met twee zwarte stippen, die de ogen aangeven. Vóór die tijd is alles vormelozer en zien we alleen een mergachtige massa, de hersenen, waarin eerst het begin van de Zenuwen gevormd wordt, of het beginsel van het gevoel, en het hart, dat in die massa uit zichzelf al het vermogen heeft om te kloppen. Dat is het Punctum Saliens van Malpighi 71, dat misschien dan al een deel van beweeglijkheid te danken heeft aan de invloed van de zenuwen. Vervolgens is te zien hoe het hoofdje zich verlengt met de Hals, die door zich te verwijden eerst de Borstkas vormt, waarin het hart al is ingedaald, om zich daarin vast te hechten. Daarna komt het onderlijf dat afgescheiden wordt door een tussenschot (het middenrif).

Van die verwijdingen levert de een de armen, handen, vingers, nagels en haren en de andere de dijen, benen, voeten, enz. met als enige verschil de bekende plaats waar ze zich bevinden, waardoor de laatsten de ondersteuning en het evenwicht van het lichaam verzekeren. Dat zijn opvallende Uitwassen. De ene keer zijn het de haren die de bovenkant van ons hoofd bedekken, de andere keer zijn het bladeren en bloemen. Overal schittert dezelfde weelderigheid van de Natuur. Als laatste wordt de Spiritus Rector 72 aan de Planten toegevoegd, in plaats waarvan wij onze ziel hebben, die andere Aether van de Mens.

Dat is de Eenvormigheid van de Natuur, die wij langzaam beginnen te begrijpen, en de Analogie tussen het Dieren- en het Plantenrijk, tussen de Mens en de Plant. Misschien bestaan er wel Dierlijke Planten, dat wil zeggen, die leven als een plant, maar toch met elkaar vechten zoals de Poliepen, of andere handelingen uitvoeren die eigen zijn aan de Dieren.

Dat is vrijwel alles wat bekend is over de voorplanting. Dat er lichaamsdelen zijn die elkaar aantrekken, gemaakt zijn om zich te verenigen en deze of gene plaats innemen, zich allemaal volgens hun Natuur met elkaar verbinden en daardoor de ogen, het hart, de maag en ten slotte het hele lichaam gevormd wordt, zoals de grote Mannen geschreven hebben, is allemaal mogelijk. Maar omdat de ervaring ons in de steek laat te midden van die zeer delicate dingen, zal ik, in aanmerking genomen dat zoveel onze zintuigen niet bereikt, voorlopig niets als een ondoordringbaar mysterie aannemen. Het komt zo zelden voor dat de twee zaadvloeistoffen elkaar tijdens de Paring ontmoeten, dat ik geneigd ben te geloven dat het zaad van de vrouw bij de voortplanting overbodig is.

Maar hoe die verschijnselen te verklaren, zonder die aangename verbinding van de lichaamsdelen, waardoor zo duidelijk de gelijkenis van de kinderen blijkt, de ene keer met de Vader en de andere keer met de Moeder? Moet anderzijds problemen hebben met een verklaring zwaarder wegen dan een feit? Mij lijkt dat de Man alles alleen doet, of de vrouw nu slaapt of in de allergeilste toestand verkeert. Dus in de kiem of de Wormpje van de Man zou de rangschikking van de lichaamsdelen van alle eeuwigheid vastliggen. Maar dat alles gaat zelfs het bevattingsvermogen van de uitmuntendste Waarnemers te boven. Omdat zij daar niets van begrijpen, kunnen ze evenmin oordelen over het mechanisme van de vorming en ontwikkeling van het Lichaam, als een Mol over de weg die een Hinde kan nemen.

Wij zijn echte Mollen in het veld der Natuur. Wij leggen daarin amper de afstand af die dat Dier doet en het is onze hoogmoed die grenzen trekt waar ze niet zijn. Wij verkeren in de positie van een klok die zou zeggen: — een Fabeldichter zou daar een Hoofdpersoon in een geestig Stuk van maken — “wat? heeft die malle handwerksman mij gemaakt? Ik die zo nauwkeurig de baan van de Zon aangeef? Ik, die hardop de uren sla die ik aanwijs? Nee, dat kan niet.” Op dezelfde manier verachten wij, ondankbaar als wij zijn, die ‘gemeenschappelijke moeder van alle Rijken,’ zoals de Scheikundigen dat zeggen. Wij bedenken, of liever gezegd veronderstellen een oorzaak die belangrijker is dan de oorzaak waaraan wij alles te danken hebben en die daadwerkelijk alles op een onbegrijpelijke manier gemaakt heeft. Nee, er schuilt niets laags in de materie, behalve in de lompe ogen van hen, die haar niet herkennen in haar schitterendste Werken. De Natuur is geen kleingeestige Handwerksvrouw. Met meer gemak en genoegen, dan de moeite die een Klokkenmaker zich moet getroosten bij het vervaardigen van het ingewikkeldste uurwerk, brengt zij miljoenen Mensen voort. Haar kracht schittert evenzeer in het vervaardigen van het kleinste insect, als in dat van de prachtigste Mens. Het Dierenrijk kost haar niet meer inspanningen dan het Plantenrijk, het prachtigste Genie niet meer dan een korenaar. Laten we dus oordelen naar wat wij zien en niet naar wat zich onttrekt aan de nieuwsgierigheid van onze ogen en onderzoekingen en daarbuiten niets bedenken. Laten we de Aap, de Bever, de Olifant, enz. volgen in hun bezigheden. Als blijkt dat zij dat niet kunnen zonder intelligentie, waarom die Dieren dan dat ontzeggen? en als u hen een Ziel toekent, Fanatici, bent u verloren. U kunt dan wel zeggen dat u geen uitspraak doet over haar Aard, maar u ontneemt haar wel haar onsterfelijkheid. Wie ziet niet dat dat een loze bewering is? Wie ziet niet dat die Dierenziel óf sterfelijk óf onsterfelijk moet zijn, net als de onze, en hetzelfde lot moet ondergaan, wat het ook moge zijn. Dat is door Charybdis te willen ontwijken, in handen vallen van Scylla 73.

Verbreek de ketenen van uw vooroordelen. Wapen u met de fakkel van de Ervaring en u zult de Natuur de eer bewijzen die zij verdient, in plaats vanuit de onwetendheid, waarin zij u gelaten heeft, uitspraken te doen in haar nadeel. Open alleen uw ogen en laat rusten wat u niet kunt begrijpen, dan zult u zien dat de Ploeger van wie het verstand en de inzichten niet verder reiken dan de randen van zijn ploegvoor, wezenlijk niet anders is dan het grootste Genie, iets wat zou blijken als de hersenen van Descartes en Newton opengesneden zouden worden. Het zou u ervan overtuigen dat de Imbeciel en de Domkop Dieren zijn in de gedaante van een Mens, zoals een hele slimme Aap een Mensje is in een andere gedaante en dat alles volledig afhangt van de verscheidenheid van de ordening. Een goedgebouwd Dier, dat de Astronomie bijgebracht is, kan een Zonsverduistering voorspellen en genezing of dood, als het met zijn verstand en goede ogen enige tijd heeft doorgebracht in de School van Hippocrates en aan ziekbedden. Langs die draad van waarnemingen en waarheden lukt het de bewonderenswaardige eigenschap van het denken te verbinden met de materie, zonder dat die verbindingen te zien zijn, omdat de drager van die eigenschap ons in principe onbekend is.

Laten we niet zeggen dat na de dood elke Machine of elk Dier volledig verdwijnt of een andere vorm aanneemt, want daar weten we helemaal niets van. Maar beweren dat een onsterfelijke Machine een hersenschim is of een denkbeeldig wezen, is een even ongerijmde redenering, als wanneer een Rups bij de aanblik van de lege poppen van haar mederupsen bitter zou gaan wenen over het lot van haar soort dat in haar te gronde gaat. De Ziel van de Insecten — want elk Dier heeft er een —, is te beperkt om de metamorfosen in de Natuur te begrijpen. Nooit heeft zelfs een van de slimste van hen ook maar bedacht dat hij een vlinder moest worden. Zo is het ook bij ons. Weten we soms iets meer van onze bestemming dan van onze oorsprong? Laten we ons dus onderwerpen aan die onherroepelijke onwetendheid, waar ons geluk van afhangt.

Wie zo denkt zal wijs, rechtvaardig en zonder zorgen over zijn lot zijn en dus gelukkig. Hij zal de dood tegemoet zien zonder haar te vrezen of te verlangen. En terwijl hij het leven koestert en amper begrijpt hoe een afkeer van het leven op deze plek vol geneugten een hart kan bederven, zal hij, vol eerbied voor de Natuur, vervuld van erkentelijkheid, aanhankelijkheid en tederheid, al naar gelang zijn inborst en de weldaden die hij van haar heeft ontvangen en gelukkig haar te voelen en aanwezig te zijn bij het Schouwspel van het Universum, haar vast en zeker nooit in zichzelf vernietigen, noch in de anderen. Sterker nog! vervuld van menselijkheid zal hij de de aard van de Natuur liefhebben, zelfs in zijn vijanden. Kijk hoe hij de anderen zal bejegenen. Hij zal de verdorvenen beklagen, zonder ze te haten. In zijn ogen zullen het slechts gebrekkige Mensen zijn. Maar vergevingsgezind voor de tekortkomingen in de vorming van Lichaam en Geest, zal hij daarvan hun schoonheden en deugden niet minder bewonderen. Zij die door de natuur begunstigd zijn, verdienen in zijn ogen meer achting dan zij die door haar Stiefmoederlijk behandeld zijn. Zo is te zien dat de natuurlijke gaven, de bron van alle verworvenheden, in de mond en het hart van de Materialist, het eerbetoon vinden die ieder ander hen onterecht ontzegt. Tot slot zal de overtuigde Materialist, hoewel zijn eigen ijdelheid fluistert dat hij niet meer is dan een Machine of een Dier, zijn medemensen niet onheus bejegenen, omdat hij maar al te goed op de hoogte is van de Aard van die daden, waarvan de onmenselijkheid altijd evenredig is met de mate van overeenkomst die hierboven is aangetoond. Kortom, ingevolge de Natuurwet, die aan alle Dieren geschonken is, zal hij een ander niet doen, wat hij niet wil dat hem gedaan wordt.

Laten wij dus stoutmoedig tot de slotsom komen dat de Mens een Machine is en dat er in het Universum slechts één enkele substantie aanwezig is, die op verschillende manier vorm gegeven is. Het is niet een Hypothese die tot stand gekomen is op grond van vragen en veronderstellingen. Het is geen resultaat van Vooroordelen en zelfs niet van alleen mijn Verstand. Een Gids die ik zo weinig betrouwbaar acht, zou ik afgewezen hebben, als mijn zintuigen, die om zo te zeggen de fakkel dragen die hem verlicht, mij er niet toe hadden bewogen hem te volgen. De Ervaring heeft bij mij dus een goed woordje gedaan voor mijn Verstand en daarom heb ik ze samengebracht.

Maar het moet niet onopgemerkt gebleven zijn dat ik mij pas de meest strikte en meest rechtstreeks afgeleide redenering veroorloofd heb, na een zeer groot aantal Waarnemingen aan de Natuur, die geen enkele Geleerde zal betwisten. Alleen hen aanvaard ik als rechters over de conclusies die ik daaruit getrokken heb en iedereen die bevooroordeeld, geen Anatoom en niet ter zake kundig is in de enige Filosofie die hier vereist is, die van het menselijk lichaam, verklaar ik onbevoegd. Wat zouden die zwakke rietstengels van de Theologie, de Metafysica en de Scholen kunnen uitrichten tegen een zo stevige en massieve Eik. Dat zijn kinderachtige wapens, vergelijkbaar met de floretten in onze zalen, die dan wel het genoegen kunnen verschaffen van de Schermkunst, maar nooit de Tegenstander kunnen verwonden. Moet nog gezegd worden dat ik doel op die nietszeggende en armzalige ideeën en afgezaagde en armzalige redeneringen die, zolang de schaduw van het vooroordeel of bijgeloof op de Aarde zal rusten, aangevoerd worden over de zogenaamde onverenigbaarheid van twee substanties, die elkaar onophoudelijk beroeren en in beweging brengen? Dit is mijn Systeem, of als ik me niet te zeer vergis, de Waarheid. Zij is bondig en eenvoudig. Wil iemand nu nog redetwisten, hij ga zijn gang!


NOTEN:


1) Een verwijzing naar Locke’s hypothese over denkende materie in An Essay Concerning Human Understanding, door Voltaire besproken in zijn dertiende Lettre Philosophique.

2) De monade was het basisbegrip van de Pythagorese kosmologie, het eerste ding dat bestond. Leibniz schreef in 1714 zijn Monadologie, waarin hij het hele universum opvatte als een verzameling van monaden, een niet verder deelbare entiteit.

3) Onder de aanhangers van Malebranche bevonden zich Bernard Lamy, Henri Levelel, Y. André, A. Baxter, J. Norris en S. Gerdil.

4) Noël-Antoine Pluche, meer bekend onder de naam Abbé Pluche (1688-1762), was een Franse priester, vooral bekend om zijn populair wetenschappelijke Spectacle de la Nature, ou Entretiens sur les particularités de l'histoire naturelle qui ont paru les plus propres à rendre les jeunes gens curieux et à leur former l'esprit (Het Schouwspel der Natuur, of gesprekken over de bijzonderheden van de natuurlijke geschiedenis die het meeste geschikt zijn gebleken om de jeugd nieuwsgierig te maken en hun geest te vormen, 1732), dat binnen de kortste keren in alle Europese talen werd vertaald en alom bijval kreeg van de Naturalisten. Was hoogleraar in de retorica aan de universiteit van Reims.

5) Plinius de Oudere: Quam misera animalium superbissimi origo, Natuurlijke Historieën, boek VII. Wat armzalig is de oorsprong van het voortreffelijkste dier.

6) Noot van La Mettrie: Hij bezondigt zich duidelijk aan een Petitio Principe.

7) Evangelista Torricelli, (1608-1647) was een Italiaanse wis- en natuurkundige, leerling van Galilei en uitvinder van de barometer. Bekend van De proef van Torricelli.

8) Dat is natuurlijk La Mettrie zelf.

9) Door Descartes geopperd in zijn Discours de la Méthode.

10) Julius Canus was een Stoïcijnse filosoof, die ter door veroordeeld werd door Caligula. Hij beloofde na zijn dood te verschijnen aan zijn vrienden en kwam die belofte na, door bij een van hen in een visioen te verschijnen.

Lucius Annaeus Seneca (Córdoba [Spanje], ± 4 v.Chr. - bij Rome, 65 n.Chr.) was een Romeins schrijver en stoïcijns filosoof, die een belangrijke positie in het Rome ten tijde van Keizer Nero bekleedde. Na een voorspoedige carrière in Rome werd hij verbannen naar Corsica, waarvan hij na acht jaar werd teruggeroepen. Daarna belandde hij in het centrum van de macht, het hof van Nero. Hij hoopte hier een goede invloed te kunnen uitoefenen, hetgeen de eerste jaren ook lukte, maar daarna kwam de teleurstelling: de jonge Nero ontpopte zich tot de Nero zoals de geschiedenis hem kent, en Seneca trok zich terug uit het politieke leven. Een paar jaar later werd hij gedwongen tot zelfmoord.

Gaius Petronius Arbiter was een Romeins schrijver uit de 1e eeuw na Chr. Hij was consul en stadhouder van Bithynië in Klein-Azië. Na zijn politieke loopbaan werd Petronius opgenomen in de intieme vriendenkring van keizer Nero. Aan het keizerlijke hof werd hij opperceremoniemeester (Latijn arbiter elegantiae = scheidsrechter in zaken van goede smaak, vandaar zijn cognomen Arbiter). Deze bevoorrechte positie wekte de afgunst van Tigellinus, die hem in 66 na Chr. door valse beschuldigingen ten val bracht en tot zelfmoord dreef. Tijdens zijn langzame doodsstrijd zou hij een afscheidsbrief aan de keizer opgesteld hebben, waarin hij diens geheime schanddaden beschreef.

11) Alexander Pope (1688-1744) was een Engels dichter. Vertaalde Homerus’ Ilias en Odyssee in het Engels. Publiceerde in 1732 zijn Essay on Man. Beschrijft deze passage in Moral Essays, Epistle I.

12) Tiberius Catius Asconius Silius Italicus was een Romeins politicus, succesvol zakenman en episch dichter

13) Jan Baptist van Helmont (1579-1644) was een Vlaamse schei- en natuurkundige en arts en aanhanger van Paracelsus. Vooral bekend door zijn geloof in de generatio spontanea en het bedenken van het woord gas (van het Griekse chaos).

14) Jacques Pernetti (1696-1777) was een Franse geschiedschrijver. Publiceerde o.a. Lettres philosophiques sur les physionomies.

15) Richard Steele, (1672-1729) was een Ierse schrijver en politicus.

16) Noot van La Mettrie: Men heeft bijvoorbeeld opgemerkt dat een befaamde Dichter (op zijn Portret) de houding van een Boef paart met het vuur van Prometheus.

17) Henri I de Guise (1550-1588), een fervent verdediger van de Roomse Kerk, nam onder andere deel aan de Bartholomeusnacht. Werd op bevel van Hendrik III door diens lijfwacht vermoord.

18) Noot van La Mettrie: De geschiedenis van de dieren en Mensen bewijst het Overwicht van het zaad van de Vader op de geest en het lichaam van hun kinderen.

19) De verbindingsbrug tussen de twee hersenhelften.

20) Giovanni Maria Lancisi (1654-1720) was een Italiaanse arts, epidemioloog en anatoom. Ontdekte dat malaria te maken had met moerassen en muggen en adviseerde drooglegging.

21) François Gigot de La Peyronie, (1678-1747) was een Franse chirurg en lijfarts en vertrouweling van Lodewijk XV. Zijn naam wordt nog steeds gebruikt voor het aanduiden van een verkromming van de geërigeerde penis, door bindweefselvorming, de induratio penis plastica, of de Ziekte van Peyronie.

22) Thomas Willis (1621-1675) was een Engelse arts die een belangrijke rol speelde bij het ontwikkelen van de wetenschappelijke disciplines anatomie, neurologie en psychiatrie. Hij was een pionier in het onderzoek naar de anatomie van het brein, het zenuwstelsel en de spieren. Een door hem ontdekt deel van het brein werd naar hem vernoemd (de cirkel van Willis). Hij was in 1662 medeoprichter van de Royal Society. Volledige titel van genoemd werk: Cerebri Anatome: cui accessit nervorum descriptio et usus.

23) Bernard le Bovier de Fontenelle (1657- 1757) was een invloedrijke en veelzijdige Franse filosoof, libertijn, pedagoog en commentator van de wetenschappelijke revolutie. Hij schreef aanvankelijk tragedies, en pastorale poëzie, maar later brieven. Hij is samen met Pierre Bayle de belangrijkste vroege vertegenwoordiger van de Franse Verlichting. Hij beïnvloedde Voltaire en Diderot.

24) Johann Konrad Amman. (1669-1724) was een Zwitserse arts. Publiceerde in 1692 in Amsterdam Surdus loquens (De sprekende Dove), over de manier waarop hij doofstommen leerde praten, door ze te laten letten op de bewegingen van de lippen en het strottenhoofd. De in Rotterdam opgerichte Koninklijke Amman Stichting is naar hem vernoemd

25) Noot van La Mettrie: De Schrijver van onder andere De Natuurlijke Geschiedenis van de Ziel (l'Histoire naturelle de l'Ame).

26) Sir William Temple (1628-1699) was een Engels diplomaat en essayist. Hij bezocht het Emmanuel College van de Universiteit van Cambridge. Swift stond hem bij bij de voorbereiding voor publicatie van zijn brieven, essays en memoires (Memoirs, 1692).

27) Noot van La Mettrie: De Schrijver van De Geschiedenis van de Ziel (L’Histoire d’Ame).

28) Abraham Trembley (1710-1784) was een Zwitserse naturalist. Hij is voornamelijk bekend omdat hij de eerste was die onderzoek deed bij zoetwaterpoliepen, gepubliceerd in Mémoires pour servir à l’histoire d’un genre de polypes d’eau douce.

29) Bernard le Bovier de Fontenelle (1657- 1757) was een invloedrijke en veelzijdige Franse filosoof, libertijn, pedagoog en commentator van de wetenschappelijke revolutie. Hij schreef aanvankelijk tragedies, en pastorale poëzie, maar later brieven. Hij is samen met Pierre Bayle de belangrijkste vroege vertegenwoordiger van de Franse Verlichting. Hij beïnvloedde Voltaire en Diderot.

30) Noot van La Mettrie: Er bestaan tegenwoordig nog steeds Volkeren die, bij ontstentenis van een groter aantal Tekens, maar tot 20 kunnen tellen.

31) Pyrrho van Ellis (ca. 360 v.C.-270 n.C.) was een Grieks filosoof. Hij staat bekend als de eerste sceptische filosoof en stichter van de Pyrrhonistische school.

32) Pierre Bayle (1647-1706) was een Frans theoloog, vrijdenker en wijsgeer die vooral bekend is om zijn Dictionaire historique et critique uit 1697. Werd in 1675 benoemd tot hoogleraar filosofie aan de Academie in Sedan. Toen die in 1681 opgeheven werd door Lodewijk XIV vluchtte hij naar Rotterdam, waar hij hoogleraar filosofie en geschiedenis werd aan de Illustere School. Bepleitte een strikte scheiding van kerk en staat. Felle bestrijder van het socianisme en spinozisme.

33) Vooral in Boek I van zijn Essay Concerning Human Understanding.

34) Waarschijnlijk een van de leden van de schildersfamilie Corneille.

35) Noot van La Mettrie: In gezelschap of aan tafel moest er altijd een verschansing van Stoelen staan of iemand aan de linkerkant naast hem zitten, om te verhinderen dat hij in schrikwekkende Afgronden zou blikken waar hij soms vreesde in te zullen storten, hoewel hij wel degelijk besefte dat het zinsbegoochelingen waren. Wat een vreselijke uitwerking van de Verbeelding, of een afwijkende doorstroming van een Hersenlob! Aan de ene kant was hij een Groot Man, aan de andere kant deels een dwaas. Dwaasheid en wijsheid hadden elk hun eigen afdeling, of hun Lob, gescheiden door de Falx Cerebri (deel van de dura mater tussen de hersenhelften). Welke kant was zo gesteld op de Heren van Port Royal?

36) Ixion is een figuur uit de Griekse mythologie. Vermoorde zijn schoonvader en was daarmee de eerste op aarde die een bloedverwant doodde. Zeus reinigde hem van zijn bloedschuld, waarop Ixion diens echtgenote Hera probeerde te verleiden. Als straf werd hij door Zeus in de Tartarus geworpen en vastgekluisterd aan een rad van vuur, waarop hij voor eeuwig rond moest draaien. De link die La Mettrie legt is niet duidelijk.

37) François Fénelon, voluit François de Salignac de la Mothe-Fénelon (1651-1715) was een Frans schrijver en aartsbisschop en quietist. Zijn werk werd verboden door paus Innocentius XII. Zijn belangrijkste werk is zijn pedagogische roman Les aventures de Télémaque. Het boek werd eveneens buiten zijn medeweten gepubliceerd en bezorgde hem de woede van Lodewijk XIV (1638-1715). De affaire leidde tot verbanning naar zijn diocees door de koning, omdat deze in het boek een veroordeling had gelezen van zijn bewind.

Bernard Nieuwentijt (ook Nieuwentijdt of Nieuwentyt) (1654-1718) was een Nederlandse arts, filosoof en wiskundige. Hij is ook een van de belangrijkste vaderlandse auteurs uit de Verlichting en geldt als grondlegger van de fysicotheologie in Nederland. Bestrijder van Spinoza.

Jacques Abbadie, (1654-1727) was een Franse protestante theoloog. Schreef op zijn twintigste zijn bekendste werk: Traité de la Vérité de la religion chrétienne. Werd in 1680 predikant aan de Waalse Kerk in Berlijn, een gemeenschap van politieke vluchtelingen. Vertrok in 1688 naar Engeland waar hij deken werd in Killaloe in Ierland.

William Derham (1657-1735) was een Engelse geestelijk en natuurfilosoof. Was de eerste die een nauwkeurige schatting van de lichtsnelheid bepaalde. In 1696 publiceerde hij zijn Artificial Clockmaker. Verdere werken zijn Physico-Theology, Astro-Theology, en Christo-Theology, die allemaal het bestaan van God beargumenteren. Schreef ook een biografie van John Ray.

John Ray (1627-1705) was een Engelse naturalist. Schreef The wisdom of God manifested in the works of the creation. Was de eerste die een definitie gaf van de soort.

38) Marcello Malpighi (1628-1694) was een Italiaanse arts en anatoom en grondlegger van de microscopische anatomie. Zijn naam leeft voort in de Buis van Malpighi, het uitscheidingsorgaan van afvalstoffen bij de insecten.

39) Lucilio Vanini (1685-1619) was een Italiaanse vrijdenker en priester. Studeerde filosofie en theologie en was net als Giordano Bruno een bestrijder van de scholastiek. Beweerde dat zwarten van de apen afstamden, vanwege hun huidskleur. In 1618 werd hij gearresteerd in Toulouse, ter dood veroordeeld, zijn tong werd uitgerukt, vervolgens opgehangen en zijn lijk werd verbrand.

Jacques Vallée, seigneur Des Barreaux, 1599-1673) was een Franse libertijnse dichter en epicurist en homoseksueel. Pascal wijdt in zijn Pensées een passage aan hem, waarin hij het heeft over ‘lieden die de rede afzweren en wilde beesten worden.’

Nicolas Boindin (1676-1751) was een Franse schrijver die openlijk uitkwam voor zijn atheïsme.

40) Denis Diderot (1713-1784) was een Frans schrijver, filosoof en kunstcriticus, maar geen arts zoals La Mettrie veronderstelt. Hij was een prominente persoonlijkheid in wat als verlichting bekend zou worden. Samen met Baruch Spinoza en Pierre Bayle was Diderot de belangrijkste filosoof van de radicale verlichting. In zijn eerste originele werk Pensées philosophiques (Den Haag, 1746) keert hij zich tegen de in Frankrijk heersende geloofsopvatting. Het parlement ziet dit werk als een aanval op het Christendom en geeft de scherprechter opdracht het op de brandstapel te gooien en verzekert daarmee de publieke belangstelling voor dit werk.

41) Titus Lucretius Carus (99-55 v.C) was een Romeins dichter, en epicuristische en atomistische filosoof, bekend om zijn leerdicht De Rerum Natura.

42) Guillaume Lamy (1644-1683) was een Franse arts en epicurist. Hij publiceerde o.a. Explication mécanique et physique des fonctions de l’âme sensitive waarin hij het functioneren van de menselijke zintuigen, hartstochten en wil verklaarde aan de hand van een gevoelsziel.

43) Vergilius, Bucolica: Het is niet aan ons uw ruzies te beslechten.

44) William Cowper (1666-1709) was een Engelse chirurg en anatoom. Hij publiceerde in 1698 zijn The Anatomy of the Human Bodies, dat hem veel faam verschafte, maar ook het grootste geval van plagiaat in de medische wereld wordt genoemd. Zijn naam leeft nog steeds voor in de Klieren van Cowper, twee klieren vlak bij de prostaat die bij seksuele opwinding enige tijd voor de ejaculatie het voorvocht afscheiden

45) William Harvey (1578-1657) was een Engelse bioloog en arts en ontdekker van de bloedsomloop.

46) Francis Bacon, 1e Burggraaf van St Albans (1561-1626) was een Engelse filosoof, staatsman, advocaat, jurist, auteur en pionier van de wetenschappelijke methode. Hij werd geridderd in 1603 en kreeg daarna de titel graaf van Verulam en later burggraaf van St. Alban. Het is bekend dat hij stierf aan longontsteking die hij had opgelopen toen hij de effecten van het invriezen van vlees op de houdbaarheid zat te bestuderen.

47) Robert Boyle (1627-1691) was een Iers filosoof en scheikundige/alchemist. Hij liet het werk van de mystieke Antoinette Bourignon naar het Engels vertalen. Een van zijn werken, The Sceptical Chymist uit 1661, wordt gezien het werk dat de scheikunde vestigde als aparte tak van de natuurwetenschappen, los van de alchemie en de biologie.

48) Nicolaus Steno, (1638-1686), was een Deense bisschop, wetenschapper en verrichte baanbrekend werk in de anatomie en geologie. Van hem is de uitspraak “Mooi is, wat we zien; mooier is wat we herkennen, maar veruit het allermooist is wat we niet kunnen bevatten.”

49) ἔνορμὧν, een door Hippocrates ingevoerd begrip, waaronder hij de fundamentele kracht verstond, waar leven, gezondheid en ziekte van afhingen.

50) Bene placitum: het goede aangename.

51) Noot van La Mettrie: In ieder geval via de bloedvaten. En is het zeker dat er niet ook zenuwverbindingen zijn?

52) Nicolaes Tulp (1593-.1674) was een van de beroemdste artsen uit de 17e eeuw en burgemeester van Amsterdam. Rembrandt heeft hem afgebeeld op zijn Anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp.

53) James Augustus Blondel (1165-1734) was een Engelse arts. Hij publiceerde in 1727 The Strength of Imagination in Pregnant Women Examined, waarvan in 1737 de Nederlandse vertaling verscheen Natuurkundige verhandeling wegens het Vermoogen der Inbeelding van Zwangere Vrouwen op haar Vrucht. Daarin keert hij zich fel tegen de opvatting (die dus ook gedeeld wordt door La Mettrie) dat sterke emoties bij een zwangere vrouw tot aangeboren afwijkingen kunnen leiden.

54) Giovanni Alfonso Borelli (1608-1679) was een Italiaanse fysioloog en wiskundige. Schreef De Motu Animalium waarin hij dieren met machines vergeleek en dat wiskundig probeerde aan te tonen.

55) Bayle is 59 jaar geworden en dus helemaal niet zo vroegtijdig weggerukt. Verder is niet bekend dat hij de tering gehad zou hebben.

56) Chyl is de door de darm opgenomen vloeistof uit de spijsbrij.

57) Georg Ernst Stahl (1659-1734) was een Duitse arts en scheikundige. Werd in 1716 lijfarts van Frederik Willem I van Pruisen. Was samen met Johann Joachim Becker de bedenker van de flogistontheorie.

58) Philippe Hecquet (1661-1737) was een van de beroemdste Franse artsen van zijn tijd. De uitspraak die La Mettrie hem hier toeschrijft is afkomstig van Horatius (Epistolae I) Non cuivis homini contingit adire Corinthum. Het is niet iedereen gegeven het hoogste geluk te bereiken.

59) Priapus is in de Griekse en Romeinse mythologie de god van de vruchtbaarheid en wordt doorgaans afgebeeld met een enorme geërigeerde penis. Een langdurige pathologische erectie heet dan ook priapisme.

60) Herman Boerhaave (1668-1738) was een Nederlandse arts, hoogleraar aan de universiteit van Leiden, leermeester van Haller, La Mettrie en vele anderen.

61) Claude Perrault (1613-1688) was een Franse architect en arts en anatoom. De westvleugel van het Louvre is van zijn hand. Hij hield zich vooral bezig met de vergelijkend anatomie van gehoororganen en ogen. Hij stierf ten gevolge van een infectie na het ontleden van een kameel.

62) La Mettrie doelt hier op zijn eigen Traité de l’Ame.

63) In 1682 ontwierp Christiaan Huygens een planetarium, dat uitgevoerd werd door Johannes van Cuelen, een Haagse instrumentmaker.

64) Julien Leroy (1686-1759) was een Franse wetenschapper en klokkenmaker van Lodewijk XV.

65) Jacques de Vaucanson (1709-1782) was een Franse uitvinder en instrumentenbouwer die bekend staat als de maker van de eerste robot. Zijn bekendste mechanieken zijn De Fluitspeler, die twaalf deuntjes kon spelen en De Mechanische Eend, die niet alleen kon poedelen en zwemmen in het water of met de vleugels slaan, maar ook kon eten. En het wonderbaarlijkste was dat ze het eten ook nog leek te kunnen verteren; via een chemische reactie in kunstmatige darmen. In feite ging het echter om een trucje: De eend bevatte een reservoir met “voorverteerd voedsel” dat dan werd uitgescheiden. Een Spreker heeft hij nooit gemaakt.

66) Opnieuw een verwijzing naar zijn eigen Traité de l’Ame dat verschenen was onder de titel Histoire naturelle de l'âme, Traduite de l'Anglois de M. Charp, Par feu M. H*** de l'Académie des Sciences, &tc. Nouvelle Edition revuë fort exactement, corrigée de quantité de fautes qui s'étaient glissées dans la première.

67) Noot van La Mettrie: Haller in de Transact. Philosoph.

68) Noot van La Mettrie: Boerhaave Inst. Med., en vele anderen.

69) Nicolaas Hartsoeker (1656-1725) was een Nederlands embryoloog, astronoom, wis- en natuurkundige die onder andere publiceerde over de licht- en kleurtheorie. Hij werd bekend door zijn theorie omtrent spontane generatie en de uitvinding van de schroefmicroscoop. In tegenstelling tot Marcello Malpighi, Jan Swammerdam en Antonio Vallisnieri ging Hartsoeker uit van sperma als drager. Hij en zijn medestanders konden daardoor nauwelijks verklaren waarom een kind ook op de moeder leek.

70) Gabriele Falloppio (1523-1562), meestal met zijn Latijnse naam Fallopius genoemd, was een van de belangrijkste anatomen en artsen van de zestiende eeuw. De eileiders worden nog steeds de Buizen van Fallopius genoemd. Een bevrucht eitje dat zich in de eileider nestelt, levert een buitenbaarmoederlijke zwangerschap.

71)

72) Spiritus rector, (sturende geest). In de traditionele alchemie stond dat voor het geestelijke principe, dat alle dingen met elkaar verbindt. In de geneeskunde is het volgens Paracelsus, de archeus maximus, de oerkracht. In de 18e eeuw werd het begrip door Herman Boerhaave ingevoerd als vakterm voor een vluchtige, in water oplosbare en zich met de lucht mengende substantie, die alle plantaardige oliën eigen hebben en de oorzaak vormen voor hun reuk en smaak.

73) Scylla en Charybdis waren twee zeemonsters uit de Griekse mythologie. Zeelui die Scylla passeerden, moesten oppassen niet zo ver uit haar buurt te varen dat ze in de draaikolk van Charybdis terechtkwamen.


BRIEF VAN DE HR. HALLER

AAN

DE HR. MAUPERTUIS

over een geschrift van de Hr. de la M.

met het Antwoord

van

DE HR. MAUPERTUIS



Opmerking van de Uitgever.


Het overlijden van de Hr. de la M., dat plaatsvond op de dag dat de Hr. Haller zijn beklag over hem deed, maakt de publicatie van deze brieven dwingender dan ooit. De Hr. de la M. is niet meer en het onrecht dat hij de Hr. Haller onlangs heeft aangedaan kan hij niet meer goedmaken. De aanklacht blijft gelden en kan de Hr. Haller overal schaden, waar hij niet persoonlijk bekend is. Hij wordt geheel in ere hersteld door het antwoord van de Hr. Maupertuis en ik publiceer derhalve deze twee brieven met evenveel genoegen, als zij tegelijkertijd het onrecht van de Hr. de la M. verminderen. Zijn satiren en ongodsdienstigheid zijn slechts onbezonnenheid en een buitenissigheid van zijn geest geweest. Hij heeft meer kwaad aangericht dan in zijn bedoeling lag.



Brief van de Hr. Haller. (1751)

 

Mijnheer,

 

Portret Albrecht von HallerDe plaats die ik, tot mijn eer, inneem in Uw Academie geeft mij een zeker recht op Uw Goedgunstigheid en op de bescherming van de Koning. Het vriendelijke voornemen dat de voorzitter van dit Illustere Gezelschap aangaande mij gemaakt heeft, waarvan de eerdere beloften mij niet hebben weerhouden de hele waarde te smaken en de goedheid die U betoond hebt mij daarvan op de hoogte te stellen, hebben mij de moed gegeven aan Uw verheven inzichten de redenen voor te leggen van het beklag dat een ander lid van de Academie onlangs over mij gedaan heeft.

Evenzeer als het mij bekend is, Mijnheer, weet u ook dat de schrijver onlangs een boekje 1 heeft gepubliceerd en zich niet de moeite getroost heeft zich te verhullen. Hij heeft zich dus voorgedaan als mijn vriend, toehoorder en metgezel in mijn genoegens. Maar die vriend is op een zo ongewone manier op mij gesteld, dat ik mij juist tegen die vriendschap wil verdedigen.

Vier jaar geleden heeft hij mij de eer bewezen aan mij een boek 2 op te dragen, waarin hij een aanval doet op het gemeenschappelijke beginsel van alle godsdiensten en het bestaan van een Opperwezen. In Parijs en in mijn vaderland was men verwonderd te zien dat ik banden had met een schrijver, die zo weinig rekening houdt met wat andere mensen als zo heilig beschouwen. Men verwoordde die verbazing: zou die man op de Hr. de la M. lijken, werd er gezegd. Op dat moment hield ik mij bezig met een boek 3, dat het oogmerk had de godsdienst, die door die arts aangevallen wordt, te verdedigen. Zijn opdracht en mijn gevoelens stonden lijnrecht tegenover elkaar en ik denk dat ik die moet verduidelijken. Ik heb daarover geschreven aan de Hr. Reaumur, die mijn brief gepubliceerd heeft. Die was in uiterst gematigde bewoordingen opgesteld en daarin heb ik volstaan met te verzekeren dat ik noch een vriend, noch leermeester was van iemand van wie de principes zo tegengesteld waren aan die van mij, dat ik hem nooit gezien had en nooit enige omgang met hem had gehad.

Het schijnt dat die brief, gepubliceerd in het Journal des Savans 4, mijn vermeende leerling ontstemd heeft. Het boekje dat voor mij ligt is kennelijk geschreven met de opzet mij te straffen voor de manier waarop ik zijn lofprijzingen opgevat heb.

U vertelt mij dat het een persiflage is, een scherts, die niet veel indruk zal maken omdat het overduidelijk is dat het onwaar is, de schrijver zelf niets gelooft van wat hij zegt en er op elke pagina wel iets staat wat de lezer ervan zal weerhouden zich ten nadele van mij te vergissen.

Maar er zijn altijd van die mensen als Bayle geweest, en er zullen altijd verzamelaars van anekdotes blijven, die ermee gediend zijn om ze zo stekelig mogelijk te maken en het meest strijdig met de aard van wat een schrijver heeft willen verkondigen. Wat een tegenspraak dat ik, terwijl ik schreef ter verdediging van de godsdienst, met een geschrift als Demetrius het atheïsme zou verkondigen in gezelschappen die zo weinig overeenkomen met mijn gebruikelijke levensstijl.

U begrijpt hoever de wraakneming van de Hr. de la M. kon gaan. Daarmee had hij niets anders op het oog dan mij evenzeer te schande te maken bij de Christenen, met wie ik omga, als bij de libertijnen met wie hij me in verband brengt.

Wat een belediging zowel voor de mensen als het Opperwezen, te beweren dat ik hen en hem misleid heb, door godsdienstige gevoelens voor te wenden, die mij hart zouden loochenen en dat ik zo onvoorzichtig geweest zou zijn die te loochenen in aanwezigheid van iemand die die onvoorzichtigheid maar al te graag tegen mij zou willen gebruiken. Zou iemand als de Hr. de la M. niet veracht moeten worden om wat hij mij aangedaan heeft? En wat een pijnlijke situatie voor iemand als ik, die veracht wordt door het meest achtenswaardige deel van het publiek, door iedereen die de waarheid en de deugd liefheeft!

Mij een paar gouden munten ontstelen, is niet meer dan mij beroven van een honderdste gedeelte van mijn bezit, een honderdste dat eenvoudig weer terug te krijgen is, en zelfs het honderdvoudige daarvan is niet onherstelbaar. Mij te schande maken bij alle vrienden van het goede en ware, betekent mij alles ontnemen wat mijn bestaan draaglijk kan maken en tevens van alle mensen, van wie ik in het algemeen de vriendschap op prijs stel, mijn vijanden maken.

Daarom wend ik mij tot U, Mijnheer. Is het voor mij niet wenselijk een zo gevaarlijke — althans door zijn bedoelingen —, vijand te ontwapenen? Moet ik mijn karakter niet zeer minachten als ik het niet verdedig, wanneer het op gelijke hoogte wordt geplaatst als dat van huichelaars en schurken?

Mijn zwijgen zou zelfs de schijn van overtuiging kunnen hebben en tegenover één vriend, die het hele bedrieglijke van de satire begrijpt, staan tien achtenswaardige lieden zoals U, Mijnheer, die mij niet persoonlijk kennen en wier achting de kostbaarste gave van de Voorzienigheid is.

De Hr. de la M. heeft mij, naar hij zegt, in 1735 ontmoet, kennis met mij gemaakt en mijn lessen bijgewoond. In 1736 heeft hij bij mij vertoefd en zelfs lange tijd met mij samengewoond. Hij heeft kennelijk zijn redenen gehad voor die dagtekening. Hij blijkt na dat jaar teruggekeerd te zijn naar Frankrijk, waar hij al in 1735 zijn systeem over de geslachtsziekten heeft laten drukken en in de daarop volgende jaren nog andere boeken.

Maar als het jaar 1735 niet overeenkomt met zijn verhaal, doet het dat ook niet met het mijne. Hoe heeft hij mij in 1735 in Göttingen kunnen ontmoeten en mijn lessen hebben bijgewoond, als ik daar pas eind 1736 naartoe ben gegaan? Bovendien staat zijn naam nergens in onze registers en een Fransman, die herhaaldelijk een Duitse Academie bezoekt, is een zo ongewoon verschijnsel, dat hij daar vast opgemerkt moet zijn.

Hij zegt dat hij in 1736 bij mij een stelling verdedigd heeft, waarvan hij zelfs aangeeft waar die over gaat. Ik heb in 1735 geen stelling verdedigd en helemaal nooit een stelling die hemorroïden betrof.

Ik zou de Hr. de la M. voorgesteld hebben aan de Hr. Steiguer, de enige die met hem kennis heeft gemaakt en die ik nooit zelf gekend heb. Hij is kennelijk vergeten dat hij mij in Göttingen gezien heeft en dat de Hr. St. altijd in Zwitserland woonachtig is geweest. Het zou voor mij niet eenvoudig zijn geweest hem voor te stellen aan iemand die, volgens de Hr. de la M. zelf, 150 mijl van mij af woont.

Hij en zijn denkbeeldige vriend hebben zich samen met mij aan uitspattingen overgegeven; hij heeft het avondmaal gebruikt met….Dat is een afschuwelijk verhaal en het vereist heel wat geduld om hem niet van laster te beschuldigen. Wat weldenkende mensen ook over de zeden mogen denken, mijn idee is altijd geweest dat ze overeen moeten stemmen met onze uitspraken en als ik minder strikt had willen denken, zou mijn altijd zwakke gezondheid, afgewisseld met ernstige ziekten, mij wel herinnerd hebben aan het besef van matigheid, dat mijn levenswandel heeft bepaald. Ik heb mijn leven nagenoeg geheel in afzondering doorgebracht, genoodzaakt door mijn bezigheden en de zorg voor mijn gezondheid. Het is zonder meer kwetsend dat de Hr. de la M. het jaar 1751 noemt, het jaar waarin hij mij mijn voorwoord bij de vertaling van de Hr. Buffon laat citeren en mij maaltijden met vrouwen, zoals hij dat noemt, toeschrijft. Mijn leeftijd, mijn aantal kinderen, de tegenstelling tussen openlijke zedeloosheid en de moraal en levenswijze van Göttingen— een kleine stad waar niets verborgen blijft —, het steeds betrachten van een geregeld leven, de toestand van mijn door een gevaarlijke ziekte opnieuw afgenomen gezondheid, wat u, Mijnheer, niet zult ontkennen, dat alles draagt bij aan de strijdigheid met het verhaal van onze schrijver, die hem evenveel logenstraffingen oplevert als er burgers of studenten aan onze Universiteit zijn. Mag dan aan iemand, Mijnheer, een moraal toegeschreven worden die zo strijdig is met de zijne en mogen de heilige rechten van de waarheid met voeten getreden worden? Duldt het algemeen welzijn dan lieden die hun leven doorbrengen met het afschilderen van mensen, die zij believen te haten, in alle kleuren die een verhitte verbeelding hen kan verschaffen?

De toespraak die de Hr. de la M. zo goed geweest is aan mij te wijden, heeft gelukkig diens kenmerken bewaard: hij is er niet in geslaagd mijn stijl na te bootsen.

Het welvaren van de Hr. Bouillac en enkele andere artsen van het Franse Hof is het onderwerp van de satiren in zijn Penelope. Maar wat voor reden zou ik hebben hun situatie te benijden, mensen van wie de welstand door onoverkomelijke hindernissen gescheiden is van mijn verwachtingen, door een ander vaderland en godsdienst, mensen die niet geschreven hebben, of van wie de geschriften mij althans niet bereikt hebben? De afstand die Frankrijk scheidt van landen waar ik heb gewoond, zal mij ten opzichte van die artsen als verontschuldiging dienen, als ik zal zeggen dat ik nooit hun naam heb horen noemen. Zonder bekend te zijn bij een professor uit Göttingen kunnen zij weliswaar heel achtenswaardig zijn, maar zullen zeker niet zijn afgunst opwekken.

Van de loftuitingen over mij in de Bibliothèque Raisonnée, die de Hr. de la M. aan mij toeschrijft, komt geen enkele regel uit mijn pen. Wat lachwekkend als iemand uit ijdelheid opgeeft over zichzelf, want dan lijkt hij zijn belangen slecht te begrijpen. Door zichzelf de lof toe te zwaaien ontslaat hij het publiek daarvan. De enige die ik ken die een lofrede geschreven heeft is de Hr. Massuet, en hij onderscheidt zich door de werken aan te halen. Het oordeel over mijn kennis en de werkelijke betekenis van mijn werken, laat ik aan het publiek over. Er zijn maar weinig mensen die mij door mijn werken kunnen leren kennen en zich daardoor kunnen vergewissen van mijn karakter. Maar iedereen kan mijn boeken lezen en daar zelf een oordeel over vormen. Als ik mij zou moeten verdedigen tegen zijn zeer onfatsoenlijke uitspraken, zou ik de Hr. de la M. in de spiegel laten kijken. Zou hij, met zo’n verfijnde en kieskeurige smaak, zes delen van mijn werk hebben vertaald, als hij ze niet uitmuntend 5 had gevonden? En was die tweevoudige zoon van Apollo 6, van wie hij zozeer de verdiensten bezongen heeft, ook al niet in 1751 dezelfde over wie in 1747 van de kant van de Hr. de la M. zoveel loftuitingen gestort zijn?

Zou het na deze overweging nog nodig zijn de Hr. de la M. te vragen naar de passages uit mijn gedichten, waarin hij het materialisme heeft aangetroffen? Hij zal daar zien dat ik dat — zoals een sceptische filosoof betaamt —, verwerp en een middenweg voorstel tussen materialisme en bijgeloof 7, wat ik voor een verstandig iemand, of althans voor mij, de juiste keuze vind. Op elk pagina zal hij het tegenovergestelde aantreffen 8, omdat ik namens mijzelf spreek.

Ik hoef mij amper te verdedigen over mijn Doris, waarvan de Hr. de la M. een soort parafrase gemaakt heeft 9. Als ik mij op mijn leeftijd belachelijk maak met een liefdesverklaring, zou dat dan niet te verontschuldigen zijn bij een jongeman van twintig jaar, die vier of vijf maanden vóór zijn huwelijk zijn minnares bezingt?

Ik weet niet, Mijnheer, of U mij, na U alles te hebben verduidelijkt — wat ik mij tot een eer reken —, toestaat U te verzoeken te bemiddelen voor het herstel van de goede naam van een Academielid en iemand die door U vereerd is met Uw briefwisseling en vriendschap. Het lijkt mij dat hij het verdient dat U een schertsende en lichtzinnige schrijver die misschien meer kwaad aanricht dan in zijn bedoeling ligt, verplicht aan mij recht te doen wedervaren en de belachelijke eigenaardigheden te herroepen, die hij mij naar believen toegedicht heeft en waarvan hij beter dan wie dan ook weet dat ze onjuist zijn. Als hij beweert dat hij de ongodsdienstigheid wil bewaren en tegelijkertijd de deugdzaamheid en de meest onafscheidelijke plichten van het burgerschap wil ontzien, denk ik niet dat hij voor zichzelf kan verhelen, dat hij daarmee ten opzichte van mij tegen de wetten gehandeld heeft, die het belang dienen van de mensheid, zelfs als er geen godsdienst meer zou zijn.

 

Ik verblijf met de meeste hoogachting, enz.

 

Göttingen, 10 november 1751.

 

 

ANTWOORD VAN DE HR. MAUPERTUIS

 

Portret MaupertuisMijnheer, de Brief waarmee u mij vereerd heb, heb ik ontvangen, maar ik had niet tot dat moment gewacht met mij te storen aan het geschrift waarover u zich beklaagt. U doet dergelijke boeken teveel eer aan, als u denkt dat zij ook maar enige afbreuk doen aan uw goede naam, maar u vergist u over het karakter van de la Mettrie, als u denkt dat hij in wat hij geschreven heeft die mate van boosaardigheid gelegd heeft die het lijkt te hebben. Dat is een paradox voor iedereen die hem niet persoonlijk gekend heeft, maar de liefde voor de waarheid noopt mij dat op te merken. Hij is dood en als hij nog zou leven, zou hij U elk eerherstel bewijzen dat u zich maar zou kunnen wensen, met evenveel gemak als waarmee hij tegen u geschreven heeft. Hij heeft me honderd maal bezworen dat hij nooit iets zou schrijven dat strijdig was met de godsdienst of de moraal, en kort daarop verscheen opnieuw een boek van het slag waarover wij ons beklagen.

U hebt gelijk als u zegt dat ik hem beter kende dan u. Wij komen uit dezelfde stad en alleen al die reden is voor mij voldoende alle goeds voor hem te willen. Ik verheel niet dat ik hem van dienst ben geweest met het weinige aanzien dat ik Frankrijk genoot. Hij heeft zich daar niet kunnen handhaven in een zeer goede betrekking, die zijn vrienden hem bezorgd hadden en nadat hij door onbezonnen boeken zijn vaderland had moeten verlaten, heeft hij zich teruggetrokken in Holland, waar hij tot ongenoegen van zijn Ouders en van hen die hem tot dan toe beschermd hadden, lange tijd in een beklagenswaardige toestand heeft verkeerd. Een Koning, die misstappen vergeeft en talenten naar waarde schat, wilde kennis met hem maken en gaf mij de opdracht hem te schrijven dat hij moest komen. Ik ontving die opdracht zonder vooruit te zien en voerde die uit. La Mettrie was weldra hier. Korte tijd later zag ik tot mijn verdriet dat de ongeremdheid van zijn pen dag na dag toenam. Ik verwijt mijzelf nog steeds het geschrift dat hij vooraf heeft laten gaan aan zijn Seneca. Ik kende zijn hartstochtelijke manier van schrijven en was beducht voor de gevolgen ervan. Ik had hem aangeraden zich te beperken tot vertalingen, omdat ik vond dat hij daar geschikter voor was dan voor andere werkzaamheden en met de gedachte daarmee zijn gevaarlijke verbeelding te kunnen beteugelen. Het toeval waardoor hij Seneca geopend op mijn tafel aantrof, liet hem ook het hoofdstuk over het geluk kiezen. Ik vertrok naar Frankrijk. Bij mijn terugkomst vond ik zijn gedrukte vertaling, voorafgegaan door een stuk dat even weerzinwekkend was als het boek dat hij vertaald had uitmuntend is. Ik maakte hem de ernstigste verwijten. Hij was geraakt, beloofde alles wat ik wilde en begon opnieuw.

Hij schreef zijn boeken zonder plan, zonder zich te bekommeren over hun felheid, en soms zonder te beseffen wat er in stond. Hij schreef daarin over de moeilijkste onderwerpen zonder daarover nagedacht of ze beredeneerd te hebben. Tegen iedereen heeft hij het opgenomen en is daarmee zijn aartsvijanden van dienst geweest. Hij heeft de tomelooste moraal vergoelijkt, terwijl hij zelf nagenoeg alle aangename deugden betrachtte. Kortom, hij heeft het publiek misleid op een manier die volledige tegenovergesteld was aan die waarmee het doorgaans misleid wordt. Ik besef hoe weinig geloofwaardig het is wat ik u vertel, maar daarom is het niet minder waar. Hier begint men daar langzamerhand van overtuigd te raken. Bovendien was hij geliefd was bij iedereen die hem kende.

Dat alles, Mijnheer, zal u geen genoegdoening geven, als hij u enig onrecht heeft gedaan, maar zijn grappen zouden u evenmin moeten kunnen raken als de waarheden die hij heeft aangevallen. Dit is dus alleen maar bedoeld om zijn karakter te verdedigen, de schuld op hem zelf te werpen en u hem kenbaar te maken. Iedereen weet dat u hem nooit gezien of kennis met hem heeft gemaakt. Dat heeft hij me honderd keer zelf gezegd. Hij heeft u alleen maar in zijn geschriften opgevoerd omdat u beroemd bent of omdat de gedachten die in zijn hersenen rondtolden toevallig op de lettergrepen van uw naam stuitten.

Dat is, Mijnheer, waar ik u en het publiek van kan verzekeren. Ik hoop dat dit u de genoegdoening kan geven waar u met recht aanspraak op maakt en dat het als een waarachtige getuigenis moge dienen van de achting die ik koester voor uw moraal, uw geest en u als persoon. Ik heb de eer te verblijven, enz.


Maupertuis

 

Berlijn, 25 november 1755



NOTEN

 

[1] Le petit homme à la longue queu (1751) De kleine man met de lange staart.

[2] L’Homme Machine.

[3] De vertaling van een boek van de Heren de Crousaz en Formey tegen het scepticisme, gepubliceerd in 1751.

[4] Mei 1749.

[5] Dat woord gebruikt hij zelf in de vertaling van mijn commentaar op de Institutiones van Boerhaave, gepubliceerd in 7 of 8 delen in 120.

[6] In de opdracht van L’Homme Machine.

[7] In de Reflexions sur la religion et la superstition.

[8] Bijvoorbeeld Over de oorsprong van het kwaad.

[9] In het begin van L’Art de Jouir.

Naar boven