Home



De Metafysica van Philip K. Dick

Ik Schrijf Dus Niet Over Helden

een interview met

Philip K. Dick


Portret Philip K. DickGehouden door Uwe Anton en Werner Fuchs. Oorspronkelijk gepubliceerd in SF EYE, nr.14, Voorjaar 1996, pp. 37-46.

Dit is de eerste Nederlandse vertaling van de Engelse publicatie van het volgende interview. Het is driemaal in het Duits gepubliceerd en een samenvatting verscheen in de Duitse tijdschriften Science Fiction Times en Nova. De gehele versie werd gepubliceerd in Uwe Antons boek met een verzameling van PKD’s fictie- en nonfictieverhalen Kosmische Puppen und Andere Lebensformen (Uitg. Heyne).

Uwe Anton is de schrijver van een paar honderd verhalen en korte romans en meer dan honderd boeken in Duitsland. Daarnaast is hij een productieve criticus en vertaler. Een van zijn vele boeken is een uitgebreide monografie over PKD, Philip K. Dick Entropie und Hoffnung (Tilsner).

Het is duidelijk dat Anton en Fuchs Dick in een open en meedeelzame bui hebben aangetroffen. Gestimuleerd door de enthousiaste ontvangst waarmee hij werd bejegend tijdens het congres, kwam Dick los en behandelde uitvoerig veel van zijn meest klassieke werken. Vol trots is EYE in staat deze onschatbare blik te gunnen in de manier van werken van een zeer belangrijke schrijver. 

Stephen P. Brown, SF EYE


‘Een profeet wordt niet geëerd in zijn eigen vaderland’ luidt het bekende oude gezegde, dat juist bleek te zijn tot die verhitte en kortstondige periode in 1980. In dit geval is Phil Dick de profeet en het land de Verenigde Staten van Amerika.

In de herfst van 1977 was Philip K. Dick eregast tijdens een groot sciencefictioncongres in Metz in Frankrijk. Dat waren voor ons de dagen van Star Wars (tijdens het festival in Metz werd voor het eerst in Europa een nog niet vertaalde versie van de film vertoond), en de plaatselijke bioscopen draaiden non-stop sciencefictionfilms van tien uur ’s ochtends tot tien uur ’s avonds —vijf verschillende films tegelijkertijd in vijf verschillende bioscopen. In het reusachtige Sofitel (de Franse versie van de Amerikaanse Holiday Inn) waren verscheidene grote namen binnen de sciencefiction aanwezig, waaronder John Brunner, Robert Sheckley, Harlan Ellison en Harry Harrison. Maar die dagen in Metz waren vooral de dagen van Philip K. Dick. In Frankrijk was Philip K. Dick, evenals in Duitsland, Italië, Spanje en eigenlijk heel West-Europa, een van de meest geliefde sciencefictionschrijvers. Lang voordat literaire bladen zoals Science-Fiction Studies, Extrapolation en Foundation aan Dick de serieuze aandacht schonken die hij verdiende, had West-Europa hem al ontdekt als een van de belangrijkste sciencefictionschrijvers. In plaats van een paar afzonderlijke korte verhalen en boeken, was het zijn volledige werk waardoor de serieuze critici in Europa zich aangetrokken voelden. En de meeste van die verhalen draaiden om één thema: de zoektocht van de mens naar werkelijkheid en waarheid in een vijandig universum, vol kwaadaardigheid en gevaar.

Die zeven dagen in Metz waren vreselijk hectisch. P.K. Dick werd niet alleen lastig gevallen door talrijke fans, maar zelfs belegerd. Hij moest verschillende malen in het geheim van hotelkamer wisselen, omdat hij doorlopend opgebeld werd, zelfs na middernacht. Maar er waren ook een groot aantal serieuze mensen die zijn tijd in beslag namen; Dick hield interviews voor de Franse radio en een voordracht in de stadszaal van Metz, die uitgezonden werd op de Franse televisie.

Het volgende interview werd geleid door Uwe Anton en Werner Fuchs. In de loop van drie dagen konden we verschillende malen met Dick spreken. Het interview nam de vorm aan van een verstrekkend, uiteenlopend en algemeen gesprek, waar Phil heel graag aan meedeed, omdat hij het gevoel had dat zijn werk in Duitsland veel meer op prijs werd gesteld dan in de Verenigde Staten.

Uwe Anton, 1980.



TRANSCRIPT

Wat vindt u van Norman Spinrads inleiding bij Dr. Bloodmoney?

Ik was daar zonder meer verbaasd over. Het verbaasde me dat iemand zo hoog opgaf over mijn werk en het ook nog zo goed begreep. Het was niet alleen maar complimenteus, in de trant van dat ik heel goed schreef, maar het was zijn analyse van mij als een metafysische schrijver, — iets waarvan ik me pas sinds kort bewust ben —, en dat mijn werk inhoudelijk steeds metafysischer wordt. Midden in de nacht stond ik op om het opnieuw te lezen; ik vond het zo boeiend omdat het boek waar ik nu mee bezig ben, — mijn boek voor Bantam — buitengewoon metafysisch is.

Hebt u al een titel?

Nou ja, ze hebben er een titel aangehangen. Het gaat over iets dat VALIS wordt genoemd, een enorm, actief en levend intelligentiesysteem (vast active living intelligence system). De beginletters vormen dus V-A-L-I-S, daarom heet het ook VALIS, en is dat de werktitel en waarschijnlijk de titel die ze zullen gebruiken als het boek echt gepubliceerd wordt. Maar uit mijn onderzoek is mij gebleken dat ik mij steeds meer op metafysisch terrein begeef en daarom gaf het me veel voldoening toen ik in de inleiding van Norman las dat ik mij in wezen altijd al op metafysisch terrein had bewogen. Ik weet eigenlijk niet precies wat dat woord metafysisch betekent.

In de loop van deze eeuw is dat veranderd. "Metafysisch" gaat volgens mij in oorsprong en betekenis terug tot de middeleeuwen, overstijgt de normale opvatting van de natuurwetten en behelst ook filosofieën en….

Theologieën…..

Ja, theologieën en zaken die niet gewoon waarneembaar zijn met de vijf zintuigen.

Ik zou dat als volgt willen definiëren. Ik zou alles metafysisch willen noemen wanneer de waarnemers, als het dus door meer dan een persoon wordt waargenomen, het niet met elkaar eens zijn over wat ze hebben gezien of ervaren. Als zij helemaal overeenstemmen over wat ze hebben gezien en ervaren…

Is het niet metafysisch.

De verschijnselen ervan zijn ongrijpbaar….

Van aard?

Ja, enigszins. Misschien wisselend van aard. Maar een wisselende aard kan niet eenvoudig onder woorden gebracht worden, verzelfstandigd, dat wil zeggen, in een juiste vorm gegoten worden. Ik heb bijvoorbeeld altijd het gevoel gehad dat Thomas van Aquino heeft geprobeerd de theologie te ontdoen van het metafysische en haar, overeenkomstig Aristoteles, terug te brengen tot een wetenschap en dat was een totale mislukking, omdat die gebieden als concept nooit teruggebracht kunnen worden tot nauwkeurige definities en afspraken. Dat zou ik dus eigenlijk willen bedoelen met metafysisch.

Een goed voorbeeld, zo je wilt, van dit gebied is de groeiende kennis in Amerika van mensen die in ziekenhuizen werkzaam zijn en veel te maken hebben met stervenden. Zij beschikken over inzichten over het thema sterven, het leven na dit leven enzovoort. Niemand van hen deelt dezelfde opvattingen. En eigen ervaring…

Ja, dat is een andere factor, de subjectieve factor. Ik zou een indringende ervaring kunnen hebben, gepaard met het op een andere manier waarnemen van de werkelijkheid, anders dan de gebruikelijke en dat zou ik dan moeilijk aan jou kunnen overbrengen, omdat de werkelijkheid zich voor jou niet heeft voorgedaan als voor mij en dan zou de metafysische factor vanzelf binnensluipen, gewoon vanwege de discrepantie tussen ons waarnemen van dezelfde werkelijkheid.

Dat is ook een taalkundig probleem.

Ja, nou en of. Maar Norman wees erop dat ik vanuit vele standpunten schrijf, dat voor mij de wereld der verschijnselen uit niets anders bestaat dan het vanuit allerlei standpunten waargenomen geheel. En dat zou mijn boeken dus wezenlijk metafysisch maken, zoals hij betoogt, omdat ik niet een voorstelling biedt van een eenduidig universum dat door iedereen waargenomen wordt.

Vanuit een bepaald standpunt bestaat er een groot aantal mogelijkheden, een hoeveelheid onbepaalde mogelijkheden. Mensen handelen en brengen dingen teweeg, ervaren dingen.

Hume zei in zijn werk over psychologische modellen, dat intuïtieve mensen volgens mogelijkheden leven in plaats van feitelijkheden. Uit een Rorschachtest bleek dat ik hoger scoorde wat betreft mijn intuïtief vermogen dan iedereen die hij daarvoor had getest. Ik zie dus de werkelijkheid als een mogelijkheid, en dat is precies waar je het over hebt. Neem bijvoorbeeld het bed dat daar voor ons staat. Ik zie het niet zozeer als het is, maar zoals het zou kunnen zijn, worden, het verhaal ervan in de tijd — wat het was, wat het is, wat ermee zal gebeuren. Dan ondergaat het een verandering, of zou het gebruikt kunnen worden, maar niet in de zin van iets doelmatigs, maar gewoon gebruikt zodat het zou kunnen veranderen in….

In hoeverre zien wij beiden dat bed op dezelfde manier, volgens u?

Het is een van mijn metafysische vooronderstellingen dat ik dat niet weet. Wij kunnen nooit zekerheid hebben over die vooronderstelling. U en ik weten op geen enkele manier zeker dat wij de dingen op dezelfde manier zien. Als de gemiddelde man in de straat wordt gevraagd wat filosofie is, zou hij waarschijnlijk antwoorden dat, als wij het hebben over iets dat groen en rond is, zij in feite iets anders bedoelen. Je kunt misschien wel wat anders bedoelen….

Het belangrijkste van de taal…

Dat is de bedoeling van taal. Maar we kunnen nooit weten of de gangbare woorden die we gebruiken als we het over gangbare ervaringen hebben, over dezelfde ervaringen….

Wat dat betreft kun je denken aan het probleem dat u had met die Fransman die de inleiding schreef bij Flow My Tears, the Policeman Said, en de mogelijkheid dat hij een onjuist beeld had van uw boeken.

Ja, dat klopt, maar we hebben in het interview nog een punt aangeroerd, waarover ik het met die mensen heb gehad en dat ging over mijn instelling ten opzichte van drugs. Ze vroegen of er geen overeenkomst was tussen mijn en Timothy Leary’s houding ten opzichte van drugs. En ik vertelde hen dat bij het zorgvuldig doorlezen van mijn boeken die over drugs gaan, zoals The Three Stigmata of Palmer Eldritch, Now Wait For Last Year, Faith of Our Fathers en A Maze of Death, die in feite een mogelijkheid bieden — en weer betreden we het terrein van mogelijkheid en niet van zekerheid — dat er eigenlijk gewoon een heleboel dingen gebeuren in The Three Stigmata en in Now Wait For Last Year. Drugs zijn daarin destructief, verslavend, en worden door de regering in feite gebruikt als wapen.

  Ik heb een zorgvuldige, zeer zorgvuldige analyse gelezen van mijn schrijfsels, door iemand, — ik weet niet meer wie — die zei dat ik over drugs schreef. Hij zei dat Phil Dick doorlopend over drugs schrijft, maar dat hij altijd wijst op de mogelijke gevaren bij gebruik vanwege hun onbegrensde mogelijkheden en dat ze tot zeer wanhopige toestanden kunnen leiden. Hij zei het niet, maar het zou zoiets zijn als bij Hans en Grietje wanneer zij het huisje zien dat er zeer eetbaar uitziet en dat je daar dan van proeft en meteen in een kooi gesmeten wordt en meteen daarop in een oven. Dat zou waarschijnlijk de meest nauwkeurige beschrijving zijn van de manier waarop ik drugs behandel — je steekt er iets van op, maar dat iets is heel gevaarlijk. 
  Toen we dus de kwestie omtrent Flow My Tears in de gaten kregen, bleek dat de Franse uitgave een volstrekt onbegrip aan de dag legde voor wat ik bedoelde. Laten we aannemen dat de redacteur oprecht was, laten we aannemen dat hij oprecht dacht dat ik openlijk uitkwam voor een toestand van recht en orde. Ik ben er eigenlijk niet zeker van dat hij oprecht was, ik heb er geen aanwijzingen voor dat hij oprecht was…

Was dat dezelfde uitgever die uw andere boeken heeft gepubliceerd?

Het is me ontgaan wie het gepubliceerd heeft. Ik heb wel een exemplaar, maar dat heb ik pas sinds kort in huis. De interviewers hebben me verteld dat hij uiterst rechts was, laten we zeggen in de trant van de nazi-partij in Duitsland. Als ik dus gewoon mijn gedachten laat gaan over de manier waarop hij tot het idee is gekomen dat ik een voorstander ben van een toestand van recht en orde, zou dat kunnen komen omdat Felix Buckman, die de belichaming is van de politiestaat, welwillend behandeld wordt. Maar hij wordt welwillend behandeld omdat hij zich op het eind bekeert tot een gevoel van genegenheid juist voor degene die op wie hij systematisch jacht heeft gemaakt, dat wil zeggen, een onbekende. En het kenmerk van achtervolging door de politie is natuurlijk dat alle burgers onbekenden zijn en op een bepaalde manier verdacht worden van kwade bedoelingen. En hij ondergaat dan een bijna religieuze bekering en in plaats van dat hij de zwarte man bij het tankstation, die hij als politieagent zou moeten verdenken, als een vijandige vreemdeling bejegent, sluit Buckman hem in feite met een gevoel van genegenheid in zijn armen.

  Wat ik heel eenvoudig probeerde te laten zien was de mogelijkheid dat het politieapparaat in zijn houding een ommekeer zou kunnen ondergaan. Wat ik in dat interview gezegd heb was dat de essentie van een kwaadwillende regering is dat zij uitgaat van ongewenst gedrag van de kant van de burgers. Elke regering die aanneemt dat de bevolking iets kwaads van zins is, heeft haar recht om te regeren al verspeeld. Het stilzwijgende contract tussen een regering en het geregeerde volk is dat de regering het volk vertrouwt en het volk de regering. Maar als de regering eenmaal het volk dat zij regeert gaat wantrouwen, verliest zij haar mandaat om te regeren, omdat zij niet langer optreedt als woordvoerster van het volk, maar als vervolgingsinstrument fungeert.

  In Flow My Tears is Buckman typisch een jager. Hij heeft het gemunt op een onschuldig man, Jason Taverner, over wie hij niets weet en alleen maar om dat hij niets over hem weet, gaat hij systematisch te werk om hem erin te luizen en voor de rechter te brengen. Hoe kan iemand dat nu opvatten als een positieve houding ten opzichte van de politiestaat? Dat zou dan een redacteur moeten zijn, die schrijft vanuit een standpunt waarbij hij kennelijk instemt met het idee om jacht te maken op mensen, waarvan je niets weet en dat volstrekt normaal vindt; dat de regering, vanaf het moment dat zij ontdekt over iemand niets te weten, die persoon meteen begint aan te vallen, vervolgen, arresteren, hem probeert schuldig te verklaren en hoopt hem te kunnen vermoorden. Die redacteur had kennelijk het gevoel dat dat in het boek feitelijk op het terrein lag van de staat. Voor mij riekt dat op een of andere manier naar een onbetamelijke manier van regeren.

  Maar wat ik hoopte te laten zien was de kwetsbaarheid van dit soort apparaat. Dat er binnen dit apparaat individuen zijn die in staat zijn het tirannieke bewind te verachten, waar zij zelf vertegenwoordiger van zijn. Buckman heeft dus al blijk gegeven van pogingen de uitwerking van concentratiekampen af te zwakken. Hij heeft manieren gezocht om de vervolgden bij te staan en wat we daarbij gezien hebben is het gegeven dat dat allemaal onschuldige mensen zijn.

Ik veronderstel dat je, als je leest over een totalitair regime en dat een van de politieagenten tenslotte toch menselijk is, er waarschijnlijk van beschuldigd wordt dat je op een of andere manier het apparaat al dan niet in diskrediet brengt. Ik zeg gewoon dat er binnen het apparaat individuen moeten zijn die gaan twijfelen aan het morele mandaat, door middel waarvan zij het bewind uitoefenen. In werkelijkheid wordt juist aangevoerd dat Buckman vanwege zijn menselijke houding gedegradeerd wordt van, volgens mij, de rang van hoofdcommissaris tot inspecteur.

  In Engeland verscheen een bespreking, waarin betoogd werd dat dit het eerste boek dat ik ooit geschreven heb is, waarin de vertegenwoordiger van de gevestigde orde sympathiek neergezet wordt. Dat gaf dus aanleiding tot het idee dat ik mijn houding ten opzichte van de tirannieke, totalitaire staat afgezwakt had. Maar ik ben daar natuurlijk niet milder over geworden. Wat er in dat boek plaatsvond is dat een van de vertegenwoordigers van de politiestaat milder is geworden wat betreft zijn houding jegens de mensen waar hij doorgaans jacht op maakt. En wat ik probeerde te doen was vooruit te lopen — en volgens mij op een doeltreffende manier — op de ineenstorting van de tirannieke Amerikaanse Staat, omdat dat tirannieke apparaat in Amerika inderdaad uiteengevallen is.

Wat is volgens u een van uw beste boeken?

Het boek waar ik het meest op gesteld ben is The Simulacra, omdat daar meer personages in zitten en het meer uit het leven gegrepen is, waarin allerlei mensen van alles doen en dat zijn hoogtepunt bereikt in wat ik zie als een van de vermakelijkste scenes van menselijke rampspoed, die je je voor kunt stellen.

  We hebben twee hoofdpersonen, een soort tweedehands-autoverkopers, en hun liefste wens is een keer hun opwachting te maken bij de presidentsvrouw in het Witte Huis. Als zij ten slotte de kans krijgen wordt iemand gebeten door hun huisdiertje, de Papoola, en dat betekent hun ondergang. Hun hele carrière heeft naar dit punt toegewerkt en wie wordt er dan gebeten door dat schattige diertje, de Papoola? Waar zet het zijn tanden in? In de presidentsvrouw?

Vast, maar ik kan het me niet herinneren.

Het beestje doet iets vreselijks. Voor mij is het een grappig voorval, omdat het een komische tragedie en een tragische komedie is. Zij hebben al hun hoop gevestigd op dit moment en dan krijgt dat diertje, dat normaal heel goedaardig is, het plotseling in zijn kop om de presidentsvrouw te bijten.

  Waar ik het meest van hou in wat ik schrijf is het in elkaar over laten lopen van humor en tragedie, laten zien die onafscheidelijk zijn, zoals yin en yang. Het zijn de twee krachten van het universum, zwart en wit. Een bepaalde belangrijke, tragische situatie kan opeens grappig worden.

  Ik herinner me een voorval in mijn eigen leven, toen ik verliefd was op de vrouw van die redacteur en hij niet meer met me wilde praten; dat ging jarenlang door dat we niet met elkaar spraken. Op gegeven moment kwam ik hem tegen op het Wereldcongres in 1968. Ik had hem jaren niet gezien en besloot te bewijzen hoezeer ik als macho zijn meerdere was. Hij en zijn vrouw zaten te eten aan de overkant van de zaal van waar ik zat en ik stond op en liep heel waardig naar ze toe. Ze pakte een sigaret en wachtte op een lucifer en ik haalde mijn Ronsonaansteker tevoorschijn. Daar stond ik dan tussen haar en haar echtgenoot in; hij zocht ook naar lucifers. Ik drukte op het wieltje en hij ging niet aan en ze barstte uit in lachen en vanaf dat moment hernieuwden wij onze vriendschap. Mijn grootse gebaar en dan geen vuur.

  Ik heb echt het gevoel dat er te midden van een grote tragedie, altijd de gruwelijke mogelijkheid bestaat dat er iets vreselijk grappigs gaat gebeuren. God heeft het zo geregeld dat die dingen onvoorspelbaar zijn. Een boek dat een waarheidsgetrouwe afspiegeling is van het leven zal bij dat nieuwe idee van het vermengen van die twee, niet óf een tragedie óf een komedie zijn, in tegenstelling met laten we zeggen het Griekse idee, waar je alleen maar een tragedie hebt. Je hebt dat dus ook in het Elizabethaanse theater, waar de tragedie alles was wat slecht en de komedie alles wat goed afliep. Ik weet niet wat die verhalen, Shakespeareaanse verhalen, tot een succes maakte, omdat die een soort apart vormen, maar dat was de oude betekenis van de komedie, iets dat een goed einde had en bij de tragedie was het einde dat iedereen dood was, vermoedelijk doodgestoken.

  Ik zal je een voorbeeld geven van hoe eenvoudig een Shakespeareaanse tragedie een komedie kan worden. Volgens mij is het in Titus Andronicus, waar iemand uit wraak die twee kinderen van een vrouw afpakt en hen tot vleespasteitjes vermaalt. Het is in feite een heel duister stuk van Shakespeare. Maar hoe dan ook, die vrouw had iets vreselijks gedaan. Uit wraak grijpt de vijand haar twee kinderen, slacht ze, laat zijn kok ze vermalen en er pasteitjes van maken. En dan komt dat feestmaal waar hij die de vrouw die vleespasteitjes laat voorzetten en zij ze opeet. Vervolgens zegt hij, waren ze niet heerlijk en zij beaamt dat. Hij zegt dan, dat waren je twee kinderen die je net gegeten hebt. Nou, dat is, hoe je het ook bekijkt, gruwelijk. Maar de manier waarop wij vonden dat ons procedé kon werken, ook echt gedaan zou kunnen worden, is als volgt. Zij zou dan een van de vleespasteitjes zitten te eten en dan zou hij zeggen, wat vind je van de vleespastei? En dan zou zij zeggen, het is heerlijk. En dan hij weer, je bent net aan je zoon George begonnen. En die andere dat is je zoon Bob. Zij blijft dan even zo zitten, pakt de vleespastei die George was en gooit die dan, met een klets, midden in zijn gezicht. En hij pakt dan de andere vleespastei en gooit die, met een klets, in haar gezicht. Zo zie je hoe iets afgrijselijk, afgrijselijk gruwelijks, heel grappig kan worden.

  De vrouw van de redacteur, op wie ik verliefd was, deed te midden van alledaagse zaken heel grappige dingen. Ik had er altijd bewondering voor dat zij dat kon. Ze vertelde me dat dat begonnen was op de lagere school toen de meester zei, "kijk, om een thermometer te steriliseren moet je die boven een warme vlam houden." Toen begon ze te lachen omdat alle vlammen warm zijn. Ik had een vriendinnetje dat mij ooit met de auto naar het vliegveld bracht en daar stond een bord met het opschrift ‘terminal parking.’ Zoals je weet betekent terminaal ook dood, en zij zei dus, O god, ik wil niet dood. Ik ben pas 23. Ik verrek het hier te parkeren. Ik heb dus altijd gevonden dat in een tragedie altijd iets heel grappigs schuilgaat, als je dat maar kunt zien, en andersom.

  Maar de andere gedachte is misschien nog verontrustender, namelijk dat in iets grappigs, iets gruwelijks verscholen zit. Humor en iets duisters en in feite afschuwelijks. En de grootste Amerikaanse komiek, die dat allemaal zag, was natuurlijk Lenny Bruce.

  Maar ik hou dus van The Simulacra omdat we daarin de wanhopige eerzucht van twee mensen hebben. Die eerzucht bereikt dus eerst haar hoogtepunt in een fantastische, onverwachte uitnodiging op het Witte Huis en wordt dan helemaal de grond in geboord door dat diertje dat de presidentsvrouw bijt. En die presidentsvrouw bestaat helemaal niet. Dat is gewoon een actrice die de rol van presidentsvrouw speelt. En zo wordt het geheel een tragische komedie en een komische tragedie.

  The Man In The High Castle doet me niet zoveel omdat hij echt onmenselijk is, die man in het hoge kasteel. Ik denk dat alles wat hij doet helemaal niet grappig is.

Waarom hebt u de Hugo gewonnen, denkt u?

Nou, het is goed geschreven. Het is een meesterwerk. Maar ik geniet er niet echt van. Ik bedoel, ik waardeer het. Ik bewonder het. Maar ik bewonder het op een soort afstandelijke, intellectuele manier.

Bent u wel gesteld op het personage Mr. Tagomi?

Ik ben heel dol op hem, ja.

Volgens mij valt er in uw boek Confessions Of A Crap Artist zowel een heleboel humor als tragedie te ontdekken. Maar in uw beroemde boeken uit 1964, The Three Stigmata Of Palmer Eldritch en Martian Time-Slip, zit helemaal geen humor.

In The Three Stigmata en Martian Time-Slip zit iets dat ik wel, maar kennelijk niemand anders, heel grappig vind.

  Laten we zeggen dat Palmer Eldritch kwaadaardig is, in zoverre hij een kwaadaardige god is. Hij is niet een gewoon slecht mens, een slecht menselijk wezen. Hij is als het ware een god; hij is het slechte Wezen. En hij wordt verslagen door een heel gewone, wat vulgaire man. Hij wordt niet verslagen door een of andere edele menselijke superman. Ik vind dat heel vermakelijk, heel plezierig, dat de slechte god niet verslagen wordt door een van de voortreffelijkste menselijke exemplaren; het zijn mensen die in opstand komen. De gebruikelijke manier waarop dit aangepakt zou worden, zou zijn dat een kwaadaardig wezen de aarde binnenvalt en er een of andere Flash Gordonachtig personage opduikt, die de belichaming is van alles wat bewonderenswaardig is in de mens. Maar in mijn boek is wat er opduikt om dat wezen te verslaan een soort stuntelend, grof, praatziek iemand van lage afkomst, die je voor een woekeraar of zoiets zou houden; een soort berucht, eigenlijk een berucht persoon.

  Volgens mij heeft sciencefiction met alle fictie gemeen dat het, op een bepaalde manier, noodzakelijkerwijs zorgvuldig het leven moet weergeven. Het kan dan wel gaan over fantastische situaties, maatschappijen, plekken en entiteiten, maar in laatste instantie moeten mensen mensen zijn. Dat is dus iets waarmee, volgens mij, andere schrijvers het niet eens zijn. Ik denk niet dat Heinlein het met mij eens zou zijn. Voor Heinlein maken mensen deel uit van de fantasie.

  Het belangrijkste dat ik volgens mij probeer te doen is mensen op te voeren die ik echt ken, mensen die ik echt meegemaakt en ontmoet heb en die dan in een uitzonderlijke rol, uitzonderlijke maatschappijen te plaatsen. Als ik schrijf maak ik namelijk niet gebruik van een held of anti-held. Ik denk dat ik er heel vaak van beschuldigd wordt dat ik mijn hoofdpersoon als een anti-held neerzet. Weet je, wat er echt speelt als iemand zegt dat ik over een antiheld schrijf, is dat ze de echte mens verwarren met een soort Camus-achtige nihilistische persoon, bij wie alle waarden de grond in zijn geboord en het allemaal niets meer uitmaakt en die tegen het apathische aanschurkt. En wat ik doe is dat ik gewoon mensen neem met wie ik gewerkt, als vriend gehad heb, als collega en dat geeft me een geweldig tevreden gevoel. Ik heb dus bijvoorbeeld ooit gewerkt als televisieverkoper en kende een heleboel verkopers en…..

Een zonneschoenenverkoper?

Ja, dat heb ik opgepikt. Absoluut, ja. En ik denk dus altijd dat het ultieme surrealisme — ik bedoel als je surrealisme omschrijft als het naast elkaar zetten van twee of meer dingen, die normaal nooit naast elkaar zouden zijn geplaatst — is dat als je iemand neemt die je gekend hebt, van wie zijn leven lang het streven is geweest de grootste televisie te verkopen die de winkel in het assortiment had en hem dan te verplaatsen naar een toekomstige utopie of dystopie, en hem zijn krachten met die dystopie te laten meten, of hem in een machtspositie te plaatsen. Ik hou ervan bazen te nemen die ik gehad heb, die eigenaar van een kleine winkel waren en hen dan opperbaas te maken van hele….

Melkwegen?

Ja, melkwegen. Daar kan ik erg van genieten. Want ik zie die persoon nog steeds aan zijn bureau zitten, terwijl hij naar een stapel facturen zit te kijken van aankopen die ik heb gedaan en dan zegt, wie heeft die ondertekend? Ik heb die aankoop dus nooit ondertekend. Dat hebben we niet nodig. En stel je dan voor dat hij de hele planeet bestuurt. En je weet dat Gino Molinari een van mijn favorieten was omdat hij, zoals door een van de personages over hem gezegd wordt, een combinatie is van Christus en Mussolini. Op een manier die precies weergeeft wat we allemaal zijn, weet je, een combinatie van Christus en Mussolini. De mens is voor mij fascinerend omdat hij in staat is tot de ongelofelijkste grappige, kinderachtige en egoïstische daden. Ik bedoel, hebzuchtige en ondeskundige, ik bedoel, je zou als fictie niet eens dat soort grappige, egoïstische dingen kunnen bedenken die een mens kan doen. En vervolgens gaat diezelfde persoon bijvoorbeeld van mening veranderen en tegenstribbelen en iets weigeren dat echt slecht is.

  Ik herinner me dat ik ooit in een winkel werkte waar radio’s werden gerepareerd. Wij kregen, duidelijk per ongeluk, ter reparatie de duurste en ingewikkeldste in Amerika vervaardigde jukebox binnen, van het merk Capard. Dat was een systeem van nog vóór de Tweede Wereldoorlog, dat een interessante manier had om de platen te wisselen. Het stapelde ze op en als het een plaat afgespeeld had gooide het die van de draaitafel in een met vilt beklede la. En als het alle platen in de met vilt beklede la had gegooid, greep een arm de hele stapel, draaide die om en legde die vervolgens weer terug op de draaitafel. Soms sloeg het apparaat echter compleet op hol en als het op hol sloeg, was het fascinerend om ernaar te kijken, omdat het ding zo groot als een tweepersoonsbed was en wat het dan deed was een plaat oppakken en in tweeën breken. Het was natuurlijk de bedoeling dat alleen de Capardreparateur zich daarmee bezighield.

  Iemand had het naar onze winkel gebracht. En we hadden allemaal van die oude platen die we als testplaten gebruikten. En dan stonden we er gewoon met verbazing naar te kijken. Het speelde dan een plaat af en deed dat prachtig, waarbij het een ongelofelijk fraai geluid voortbracht en dan pakte het de plaat, brak die doormidden en smeet de stukken overal in het rond.

  We werkten en werkten eraan, week na week na week, om het te repareren. We bereikten een punt waarbij het ten slotte een van de twee platen brak en later misschien een van de drie. Maar dan keerde het weer terug naar zijn oude gewoonte en brak meteen de hele stapel. Uiteindelijk kwam het dus zover dat het gewoon de hele stapel doormidden brak. Het deed het zelfs niet gewoon stuk voor stuk.

  Dus riepen we alle reparateurs in de winkel bij elkaar; we hadden vijf reparateurs en we haalden ze allemaal bij elkaar en ze bespraken het probleem en werkten daarna allemaal samen aan het ding. Op gegeven moment hadden we er met alle reparateurs een week werk ingestopt. En we kregen het vlekkeloos aan het werk.

  Toen brachten we het terug naar de eigenaar. We namen onze vrachtwagen, legden het daar achterop en alleen al het gestuiter in de laadbak van de vrachtwagen deed al het werk te niet. We kwamen aan bij de eigenaar en hij legde er een stapel van zijn zeldzaamste platen op. Het ding pakte de stapel op en brak die in tweeën. En toen keek hij naar ons en wij naar hem en zei hij, wat is de rekening? En wij zeiden dat er geen rekening was; dat wij hem niets in rekening brachten. En ik dacht, nou, het heeft ons een week werk gekost, onze taak het te repareren is mislukt en toch is onze edelmoedigheid tot grote hoogten gestegen — we beweren niet dat het zijn eigen schuld is. Wij hebben gewoon het hele verlies zelf genomen. En ik was heel trots op de chef van onze winkel en op de reparateurs, omdat wij in die situatie allemaal onze eigen nederlaag geaccepteerd hadden. Ik was pas ongeveer vijftien en dit maakte een grote indruk op me. Deze Capard belichaamde een ondoorgrondelijk en uiterst ingewikkeld universum, dat de gewoonte had onverwachte dingen te doen.

  Ik gebruik dit als een paradigma voor onze hele houding ten opzichte van het leven; wat je deed was heel hard werken; je probeerde die ingewikkelde, indrukwekkende krachten te begrijpen en aan het eind van het gevecht was je geen stap vooruitgekomen. Dat je, op het moment dat je daar achter kwam, een enorm hoge moreel peil had bereikt, je je lot accepteerde en op een of andere manier doorging. We sloten de winkel niet; we gaven de zaak niet op. We gingen gewoon door met het repareren van fonografen. Wat dit mij duidelijk maakte was dat de mens ongelofelijke beperkingen kent. Andere dieren hebben ook ongelofelijke beperkingen, maar binnen die beperkingen, nou het is alsof je een auto had, waar je erg aan gehecht was, die het echt niet goed deed en het stadium had bereikt waarin het niet langer veilig was om te rijden. Als eigenaar kon je met die auto echt verbazingwekkende huzarenstukjes uithalen.

  Dat doet me denken aan een auto die ik had die helemaal niet meer remde en ik reed daar maanden in helemaal zonder remmen, ik stopte gewoon met behulp van de versnelling. En afgelopen januari kocht ik een auto en ging er in september mee naar de garage en vroeg of ze de compressie na wilden kijken en meten hoeveel compressie ik nog in de cilinders had en hij belde me op en stamelde dat er g-g-geen compressie meer was, helemaal g-g-geen compressie. En ik dacht, lieve hemel, ik heb zes maanden met die auto gereden zonder enige compressie.

  Volgens mij zijn al die dingen heel illustratief voor het soort universum dat we hebben. Wat we in het universum hebben is duidelijk slecht geconstrueerd. Ik bedoel dat het niet goed werkt. Het hele universum en alle delen daarvan werken doorlopend slecht. Maar de grote verdienste van de mens is dat hij gelijkvormig is met dat slecht functionerende universum. Ik bedoel dat hij ook enigszins slecht functioneert. En als hij beseft dat hij een slecht functionerend deel in een slecht functionerend systeem is, en in plaats van te bezwijken bij dat besef en zich er gewoon bij neer te leggen en zeggen, nou, het is allemaal uitzichtloos, weet je, er valt niets te doen…..

Blijft hij proberen….

Hij blijft proberen en dat is dus wat Faulkner zei in zijn befaamde Nobelprijstoespraak, namelijk dat de Mens het leven niet louter lijdzaam zal ondergaan, maar zal zegevieren.

  Er zit een enorme mogelijkheid voor humor binnen deze context, wat allemaal teruggaat tot waarmee mijn bittere kritiek begon, mijn boek The Simulacra. Ik ben daar zo op gesteld, omdat deze mannen hun hele leven gewijd hebben aan, en gestreefd hebben naar een optreden voor de presidentsvrouw. Dat is de grootste vreugde die deze maatschappij biedt; dat je kunt optreden voor de presidentsvrouw. En zij is helemaal nep, ze is een actrice en als ze dan optreden gooit hun diertje het helemaal in duigen. En toch gaan ze door met leven. En alle andere personages leven ook verder. En dat is volgens mij zonder twijfel de mens van Faulkner, die niet louter lijdzaam ondergaat, maar zal zegevieren. Dat er middenin die rotzooi nog steeds het geluid zal klinken van een mensenstem, die plannen maakt, betoogt en oplossingen voorstelt. Ik denk dat Faulkner juist heeft weergegeven wat in wezen echt groot is aan de mens en daarom schrijf ik niet over helden.

  Helden zijn echt wonderbaarlijk. Helden geven alle antwoorden. Zoiets als wanneer ik naar deze oude Buck Rogersstrip kijk. Hij staat daar te midden van honderd gewapende oosters-uitziende bewakers. En dan heb je dus Buck en Wilma. En Buck zegt tegen Wilma, als ik een teken geef moet je  ze allemaal buiten westen slaan. En daarna baan ik me een weg door de deur en ren terug naar ons ruimteschip. Maar dat is niet waar heroïek uit bestaat. Ik zal je vertellen wat menselijke heroïek vormt en waaruit de schoonheid van de menselijke natuur bestaat.

  Ik herinner me dat ik ooit een vriend had die ziek was en ik was zo arm dat ik niet eens een telefoon had. We liepen naar een telefooncel en belden een dokter en de boodschappendienst antwoordde dat de dokter niet thuis was. We waren dus ons dubbeltje kwijt en hadden er niet nog een. En er waren een paar zwarte jongens die bezig waren met het lappen van de ramen van een nabijgelegen tankstation en ik liep naar ze toe en zei, luister, we moeten een dokter bellen en hebben geen geld. Ze legden hun spullen neer en zonder een enkel woord doorzochten ze allemaal, met zo’n ernstige uitdrukking op hun gezicht, hun zakken, haalden daar al het kleingeld uit dat ze hadden en overhandigde het ons gewoon, zomaar. En ik dacht toen, dat is nou de echte mens — geen vragen stellen, niet zeggen, o, kom op, jullie proberen ons alleen maar geld afhandig te maken. Ze geloofden ons op ons woord en daardoor konden wij die jongen bij de dokter krijgen.

  Ik herinner me een auto-ongeluk dat ik meemaakte; een volmaakt onbekende vrouw pakte me vast en bleef me vasthouden en zei, je vriendin is niet dood, ze is alleen bewusteloos. Ik kan haar zien ademen en je bent zelf ernstig gewond. Niet bewegen, niet proberen haar te helpen, gewoon wachten tot de ambulance komt. Er kwamen drie verschillende ambulanceauto’s. Met andere woorden, er hadden meerdere mensen gebeld. En dat waren volstrekt onbekende mensen, weet je, en als die dingen op een of andere manier opgetekend zouden worden in de grote annalen, de grote registers — misschien afgezien van dat god het weet, dat hoop ik tenminste, ik bedoel als dat niet zo is zullen hij en ik nog een appeltje met elkaar te schillen hebben — maar als er iets opgeschreven moet worden en als ik schrijf zijn het dat soort dingen die ik in mijn boeken probeer te krijgen, dan zijn het deze kleine dingen.

   Dat doet me denken aan een van mijn boeken, ik weet echt niet meer welk, maar die gozer zit in zijn kantoor achter zijn bureau en slaat de krant open. En hij leest de kop, ‘dronken vader eet eigen baby op.’ En dan zegt hij, de wereld blijkt niet te zijn wat je ervan verwacht. En ik heb die kop echt gezien. En dan wacht hij een paar dagen en vergat die kop min of meer en slaat dan opnieuw de krant open en daar staat dan dat een man is verdronken in een bad met langzaam stollende chocola. Werd gevonden door zijn zwager toen hij die avond niet kwam opdagen voor het eten. En in het boek richt de hoofdpersoon zich dan tot zijn vriend en zegt, het is echt een gruwelijk universum. Maar dat waren twee echte koppen die ik echt in de krant heb gelezen.

Het merendeel van uw personages is dus op zoek naar antwoorden die niet echt in hun wereldbeeld passen. Welke antwoorden zoekt u?

Ik ken maar één zoektocht, een enkele zoektocht. Laat ik beginnen met te zeggen dat ik doorgaans op zoek ben naar eigen geluk, voldoening en vreugde. Omdat al die dingen mij ontzegd zijn en het duidelijk is dat ze nooit verwezenlijkt zullen worden, hoop ik ook een hoop geld te verdienen, maar ook dat wordt mij ontzegd. En toch zal ik bij gebrek aan beter één zoektocht nooit opgeven, waarvan ik het gevoel heb dat ik het in mijn macht heb die tot een goed einde te kunnen brengen en dat is dat ik eens en voor altijd, voor mijn eigen genoegen — niet zonodig voor het genoegen van iemand anders, maar voor mijn eigen genoegen — wil vaststellen wat de feitelijke aard is van de werkelijkheid om ons heen, en die vergelijken met de ogenschijnlijke, blijkbare fenomenologische werkelijkheid die wij waarnemen, en die twee tegenover elkaar stellen. Zoals je weet heb ik daar 27 jaar lang over geschreven, in de vorm van vragen. Ik heb de wereld der verschijnselen gepeild op zoek naar iets dat daar achter zit, en dat is de reden dat ik LSD heb ingenomen. Ik heb dat maar drie keer gedaan en daarmee niet de antwoorden gevonden, dus ben ik daarmee opgehouden.

Maar in de afgelopen drieëneenhalf jaar heb ik, om mij onbekende redenen, een fantastische doorbraak gemaakt naar het waarnemen van wat volgens mij de echte wereld is, ik bedoel wat ik als de echte wereld opvat, in de zin waarin Plato de echte wereld onderscheidde van de louter zichtbare of empirische wereld. Ik heb dus een fantastisch doorbraak gemaakt. Ik weet niet hoe ik dat gedaan heb. Ik weet niet waardoor dat gekomen is. Maar sindsdien heb ik niets anders gedaan dan geprobeerd een samenhangende verklaring te vinden van wat ik zag. Dat wil zeggen, het was niet iets dat ik dacht, het is geen idee. Het is echt een waarneming. Het beeld zou als volgt zijn. Stel dat we allemaal in een theater naar een levensechte voorstelling zitten te kijken. En om een of andere reden, het maakt niet uit wat voor reden, zijn we allemaal zo naïef dat we denken dat het stuk feitelijk opgevoerd wordt, dat het echt is, dat het geen spel is. En we zitten daar en hebben misschien al twee bedrijven gezien en geloven dat de acteurs de personages zijn die ze uitbeelden. We geloven dat de personages echt zijn. Stel je hebt een stuk over de moord op Abraham Lincoln, en er is een acteur met een baard en hij speelt Lincoln. En we geloven dus echt dat hij Lincoln is en die andere kerel is John Wilkes Booth. En we zitten daar en slaan dat gade en geloven dat het alleemaal echt is. En opeens vallen alle coulissen helemaal plat neer. En dan ontwaren we toneelknechten, met toneelkleren en – attributen en mensen half aangekleed en iemand die hun tekst bestudeert. Dat is dus een….

Blauwdruk?

Juist, juist. Precies. Lampen en zandzakken als contragewicht voor het gordijn. Vervolgens komen ongeveer zestienhonderd mensen aanhollen en zetten alle coulissen weer overeind op het toneel en hopen dat het hele publiek op dat moment heeft zitten slapen.

   Dat is dus wat mij is overkomen met betrekking tot de wereld der verschijnselen; dat hield ongeveer drieëneenhalve dag aan en het was alsof om een of andere reden de coulissen plat neergevallen waren en mij de aard van de werkelijkheid daarachter onthuld werd. Maar de werkelijkheid daarachter was zo anders dan de wereld der verschijnselen, dat ik geen gebruik kon maken van de taal om die te beschrijven. Dat wil zeggen, ik kon geen woorden vinden. Ik kan niet zeggen dat ik X, Y en Z zag en dan wat semantische associaties inlassen. Ik heb daar ongeveer 30.000 woorden aan aantekeningen over en een enorm uitgebreid onderzoek gedaan. Want ik heb het gevoel dat als het mij overkomen is, het ook andere mensen overkomen moet zijn. Ik kan niet de enige zijn, in de hele geschiedenis van het menselijke bewustzijn, die de wereld ooit gezien heeft zoals die werkelijk is. Ik heb bijvoorbeeld ontdekt dat de neoplatonist Plotinus die ervaring heeft gehad. Dat een aantal soefi’s het hebben ervaren. En sommige christelijke mystici, zoals Origenes, hebben die ervaring ook gehad. En Hans Driesch, de Duitse vitalistische filosoof, en Bergson. Ik vind aanwijzingen in India, vooral in het Hindoeïsme, in het Brahmanisme. Emerson lijkt die ervaring te hebben gehad. Wordsworth ook. En het toont geen erg nauwe overeenkomsten met alles wat ik gelezen heb van dat soort mensen als de Alexandrijnse kerkvaders. Weet je, het heeft wat weg van Plato. Daarom heb ik het opgehangen aan het beeld van naar een toneelstuk kijken. Je kunt zeggen dat het overeenkomt met Plato’s beeld van de schaduwen op de wand van de grot.

   In die drieëneenhalf jaar dat ik nagedacht heb over mijn ervaring en onderzoek heb gedaan, is het enige waar ik achter gekomen ben dat het iets te maken heeft met tijd, dat tijd kennelijk niet is wat we denken dat het is. Het is iets anders. Er is een nieuwe Russische theorie over tijd, van Kozyrev, Dr. Nikolai Kozyrev, de grote Sovjet-astrofysicus. Zijn theorie is dat tijd een energie heeft, dat wil zeggen de oorspronkelijke energie van het universum. Hij zegt dat tijd een energie is die in een materiele structuur uitgegoten wordt en die materiele structuur is het universum. Wat er dus kennelijk gebeurde is dat ik ten opzichte van de lineaire tijd in een andere fase terechtkwam op een zodanige manier dat ik, in plaats van dat de lineaire tijd aan me voorbijvloog zoals de beelden in een filmprojector voorbijvliegen, aan de andere kant van de voortgang van de lineaire tijd terechtkwam en de dingen zag buiten hun voortgang in de tijd.

Ik denk dat dat het belangrijkste is van de Nieuwe Golftheorie over de simultane tijd, waarbij alles opeens inwerkt op zaken uit het verleden. Ja, volgens mij klopt dat. De lineaire voortgang in de tijd vindt plaats waar die een tijdreeks weergeeft en die zaken hebben een innerlijke tijd….

Dat is interessant.

Dat is ook het belangrijkste bij Rainer Maria Rilke. Volgens mij heeft hij in zijn romans de uitdrukking, het begrip, innerlijke ruimte bedacht. In zijn roman, hoe heet die ook weer, komt een interessante man voor. (Vermoedelijk bedoelt hij de roman Oblomov van Gontsjarov, vert.) Een Rus die altijd maar in bed blijft omdat hij bang is voor de tijd. Hij wil de tijd niet te snel voorbij laten gaan. Als we in bed liggen gaat de tijd heel, heel traag voorbij. En dus blijft hij zijn hele leven in bed.

Welnu, ik heb geëxperimenteerd met — ik heb gelezen dat de door Linus Pauling bereide orthomoleculaire samenstelling van vitamines de hersenactiviteit zou versnellen en synchroniseren. En ik heb die dus ingenomen, gewoon om mijn hersenactiviteit te verbeteren. Het enige wat ik kan bedenken, wat er gebeurd zou kunnen zijn, was dat mijn hersenactiviteit zodanig gesynchroniseerd werd, dat ik als het ware op de tijd inliep. Stel dat de tijd voortbeweegt met een snelheid die we X noemen en dat wij normaal voortbewegen met de snelheid XY en dat ik in feite de snelheid X bereikte, zodat de tijd en ik synchroon liepen. De tijd bewoog zich nu langs mij, begrijp je, versnelde langs mij, zodat wij de hele tijd met elkaar samenliepen, zoals de innerlijke tijd de hele tijd samenliep met de uiterlijke tijd. En weet je wat zo interessant is aan wat je zei? Ongeveer twee dagen lang ontwaarde ik spookachtige en toch bijna tastbare, visuele beelden van voorbije beschavingen, zoals Griekenland en Rome. In feite zoiets als een collage, een filmische techniek, collages van voorbije tijden.

Dat lijkt wel een stroboscopisch effect.

Precies, precies. En tegelijkertijd begonnen binnenin mij, in mijn brein, linguïstische structuren, linguïstische vormen in overeenstemming met met die tijdperioden op te duiken, alsof er twee halve bollen door een vacuüm tegen elkaar gedrukt werden, intern gesynchroniseerd, zodat ik die beelden kon zien en in de linguïstische structuren van die tijd kon denken. Het was heel opwindend.

   Wat was je vraag ook al weer? Wat ik doe, waarop ik hoop? Wat ik wil?

Waar bent u naar op zoek?

Ja, omdat ik denk dat wat ik zag, denk ik dat ik, als ik dat ontcijfer en ik weet niet zeker of mij dat ooit zal lukken, echt het antwoord zou begrijpen op mijn jarenlang mezelf afvragen wat werkelijk is. En een van de dingen die ik nu wil zeggen, waar ik bijna zeker over ben, omdat ik daarover een heleboel gelezen heb en wat ik op een af andere manier niet helemaal begrijp, wat in feite niemand helemaal begrijpt, is dat de tijd op een of andere manier ongrijpbaar is of liever dat ons beeld daarvan ongeschikt is en dat er andere manieren zijn om de tijd op te vatten, dan we normaal doen. En ook dat er nog andere soorten tijd zijn. De lezing die ik morgen ga houden gaat over orthogonale tijd, wat ik niet zelf bedacht heb. Ze denken dat er misschien nog een andere vorm van tijd is, misschien loodrecht op de lineaire tijd en dat zou dus verantwoordelijk kunnen zijn voor mijn ervaring, omdat er een tijdstroom scheen te zijn binnen de lineaire tijdstroom, mogelijk in een tegenovergestelde of loodrechte richting op de lineaire tijd. En die bevindt zich in veranderingen om ons heen. Maar wat interessant is, als we het over metafysisch hebben, is dat de veranderingen binnen de orthogonale tijd voor ons niet waarneembaar zijn, omdat zo gauw als die veranderingen zich voordoen, ze altijd zo geweest lijken te zijn.

  Laten we bijvoorbeeld dit televisietoestel nemen. Dat toestel verschijnt in de lineaire tijd; het is de kamer binnengebracht en neergezet. En we zien dat gebeuren. Maar de orthogonale tijd veegt dat toevoegen telkens weer uit en dan denken we dus dat dit toestel altijd al hier geweest is, omdat het op dit moment hier is, zie je. Wat ik bedoel is dat we dan een lineair ontstaan zouden hebben, omdat het ontstaan op een voorbijgaande manier gebeurt. Dat wil zeggen dat het bewegen van verleden naar heden en toekomst lineair is. Maar in de orthonale tijd, de tijd die daar loodrecht op staat, duikt de lineaire tijd op, valt tegelijkertijd de hele lineaire tijd aan, het verleden en de toekomst. Zij heeft niets te maken met de manier waarop wij de tijd opdelen in verleden, heden en toekomst. Wij zouden ons dan dus niet bewust zijn van een verandering langs de orthogonale as. Ons brein zou op een bedrieglijke manier gevuld worden….

Ons brein werkt zo omdat wij herinneringen hebben — we kunnen ons niet concentreren op dingen die geweest zijn. Als je helemaal lineair kijkt zou je meteen krijgen wat er geweest is en wij verkeren louter in ons directe heden.

Ja, precies, ja. Het enige dat we over hebben van de feiten, zijn maar sporen. We hebben innerlijke sporen en magere herinneringen. We hebben sporen via uiterlijke sporen, of geologische lagen. Maar dat is een secundair bewijs en bewijst niet zoveel als het lijkt te bewijzen. Dat is een van de redenen waarom mij dat zo fascineert, waarom ik over personages schrijf die valse herinneringen hebben opgeslagen.

Verder nog een vraag over drugs. Hier in Duitsland gaan geruchten dat u alleen maar schrijft onder invloed van drugs.

O, ja, mijn schrijven bestaat uit twee categorieën, wat ik heb geschreven onder invloed van drugs en wat ik heb geschreven terwijl ik niet onder invloed van drugs verkeerde. Maar als ik niet onder invloed van drugs ben, schrijf ik over drugs.

  Ik heb jarenlang amfetamine gebruikt om energie te krijgen om te schrijven. Ik moest zoveel schrijven omdat ik de kost moest verdienen, omdat ons honorarium zo laag was. Ik schreef zestien romans in vijf jaar, ongelofelijk. Ik bedoel dat niemand, ik denk dat niemand dat ooit eerder heeft gedaan. En zonder amfetamines had ik niet zoveel kunnen schrijven. Maar zo gauw ik voldoende geld begon te verdienen, zodat ik niet zoveel boeken hoefde te schrijven, ben ik gestopt met amfetamines. Nu neem ik dus helemaal niets meer van dat spul. En ik heb nooit iets geschreven onder invloed van psychedelica. Palmer Eldritch heb ik bijvoorbeeld geschreven zonder ooit een psychedelische drug gezien te hebben.

In Duitsland heette dat boek LSD-Astronauten.

Weet ik. Dat heeft Franz Rottensteiner gedaan.

Hij weet niets van uw LSD. Franz Rottensteiner is echt een aardige kerel.

Op dit moment is hij woedend op me. Hij stuurde mijn zaakwaarnemer een furieuze brief waarin hij schreef dat ik Stanislaw Lem in een kwaad daglicht zette. En mijn zaakwaarnemer zei, wat moeten we daarmee aan? En ik zei, maak je geen zorgen, Rottensteiner zal niemand iets aandoen.

Voor Rottensteiner is Lem een vaderfiguur. Lem heeft dat ooit opgemerkt en zijn relatie met hem is niet zo duidelijk. Maar ik denk dat hij heel slim is. Ik denk niet dat Lem hem helemaal serieus neemt.

Maar over die drugs: wat er gebeurde was dat ik, nadat mijn vrouw Nancy mij in 1970 in de steek had gelaten, in een toestand van volkomen eenzaamheid en wanhoop verkeerde en depressief was, op het suïcidale af, omdat ik echt van haar hield. Zij nam mijn dochtertje, waar ik dol op was, met zich mee, en ik heb mijn kleine meisje niet meer gezien — ik zag haar maar één keer in een heel jaar, maar een paar minuten. Ik raakte verzeild onder zwervers en daklozen, gewoon om iemand in huis te hebben. Ze liet me achter met een huis met vier slaapkamers en twee badkamers en ik was de enige bewoner. Daarom haalde ik allerlei mensen van de straat binnen en kreeg te maken met een heleboel mensen die aan de drugs waren. Maar dat duurde maar ongeveer een jaar. Toen heb ik dus amfetamines gebruikt. Ik heb nooit harddrugs genomen. Maar ik was wel in de gelegenheid om te zien wat harddrugs met mensen deden, wat drugs met mijn vrienden deden.

Er is vreselijk veel schade aangericht.

Gewoon onvoorstelbaar. Ik kon het niet geloven. Ik zag dingen die ik, als ik ze niet met mijn eigen ogen had gezien, gewoon niet geloofd had. Ik weet dat je A Scanner Darkly hebt gelezen. Ik bedoel dus dat ik nog veel ergere dingen heb gezien dan ik in A Scanner Darkly heb opgeschreven. Ik zag mensen die zo verloederd waren dat ze geen zin meer konden afmaken, ze konden er echt geen zin meer uitbrengen. En dat was blijvend, dat was voor de rest van hun leven. Jonge mensen. Ze waren misschien 18 en 19, en ik zag dat gewoon, weet je, het leek wel een visioen van de hel. En ik zwoer dat ik daar ooit een boek over zou schrijven en op dat moment was ik net…ik ben… het is…nou, ik was verliefd op een meisje dat verslaafd was en ik wist dat niet en het was echt deerniswekkend. Dus schreef ik A Scanner Darkly.
   Ik slikte dus jaren amfetamines om te kunnen — ik kon 68 bladzijden kopij per dag schrijven. Maar nu schrijf ik langzaam en neem de tijd, omdat er geen financiële druk meer is. Op zeker moment onderhield ik vier kinderen en een vrouw met een dure smaak. Zij kocht bijvoorbeeld een Jaguar enzovoort. Ik moest gewoon schrijven en dat was de enige manier waarop ik dat kon. En weet je, ik zou willen dat ik kon zeggen dat ik het zonder amfetamines heb gedaan, maar ik weet niet zeker of ik dat zonder die amfetamines ook gekund had, gezien die grote hoeveelheid boeken. Ik kan dus niet echt zeggen dat amfetamines voor mij alleen maar negatief zijn geweest.

Het was een hulpmiddel, maar heeft het eigenlijk u of uw schrijven beïnvloed?

Ik denk het niet, nee. Volgens mij niet. Maar ik pleit in ieder geval niet vóór het gebruik van drugs. Wat ik echter wel heb genomen en ook nog prettig vond, was mescaline. Mescaline is fascinerend, als het goede mescaline is en geen slechte troep, van die slappe troep. Ik heb één keer mescaline ingenomen en het was echt een psychedelicum — het veranderde mijn bewustzijnstoestand. Het bracht me in contact met mijn diepste gevoelens. Het bracht me in contact met gevoelens, waarvan ik niet wist dat ik ze had. Dat wil zeggen, het bracht me in contact met mijzelf. En dat was echt heel wonderbaarlijk.

  Ik zal je een anekdote vertellen over wat mensen die aan de drugs zijn kunnen doen. In Marin County, waar ik woon, was door de Hells Angels van het leger een drug met een desoriënterende werking gestolen. De bedoeling van de drug was dat je daardoor volledig gedesoriënteerd zou raken, maar op een zo subtiele manier dat je niet wist dat je volkomen gedesoriënteerd was. Ze stalen het dus, verkochten het en iedereen die het innam vond het prachtig. En het maakte je zo volledig van slag dat je helemaal niets meer kon doen. Een van de dingen die het bij je aanrichtte was dat je je hele centrale gezichtsveld kwijtraakte en alleen nog maar een perifeer gezichtsveld overhield. Aan de zijkanten kon je nog een beetje zien, maar in het midden helemaal niets meer. De mensen die het innamen vonden het prachtig. Ze wilden meer van dat spul.

  Volgens mij zegt dat iets over de drugscultuur. Wij maken daar meestal grappen over. We zeggen, god, dat was afgrijselijk. Waar kunnen nog wat krijgen?

Met dank aan Frank Bertrand voor de transcriptie en het ter beschikking stellen aan




Hoe een Universum te Bouwen

dat niet

Twee Dagen later Uiteenvalt

door

Philip K. Dick

1978

Voor ik jullie ga vervelen met de gebruikelijke dingen die sciencefiction-schrijvers in voordrachten vertellen, moet ik jullie eerst de officiële groeten overbrengen van Disneyland. Ik beschouw mijzelf als woordvoerder van Disneyland omdat ik daar een paar mijl vanaf woon — en alsof dat nog niet genoeg zou zijn, heb ik ooit de eer gehad dat ik daar door Paris-TV geïnterviewd ben.

Een paar weken na het interview was ik echt ziek en moest het bed houden. Ik denk dat dat door de ronddraaiende theekoppen kwam. Elizabeth Antebi, de regisseuse van het interview, wilde me rond laten draaien in een van de reuzetheekoppen, terwijl ik met Norman Spinrad — een oude vriend van me die uitstekende sciencefiction schrijft — de opkomst van het fascisme besprak. We hadden het ook over Watergate, maar dat deden we op het dek van het piratenschip van Kapitein Hook. Klein kinderen met Mickey-Mouse-mutsen — van die zwarte mutsen met oren — bleven tegen ons aanlopen en botsen terwijl de camera’s heen een weer zwenkten en Elisabeth onverwachte vragen stelde. Norman en ik, die helemaal in beslag genomen werden door die rondkrioelende kinderen, zeiden die dag een paar bijzonder domme dingen. Vandaag moet ik echter alle verantwoordelijkheid op me nemen voor wat ik jullie vertel, omdat niemand van jullie een Mickey-Mousemuts draagt en tegen mij op probeert te klimmen met het idee dat ik deel uitmaak van de tuigage van een piratenschip.

Sciencefiction-schrijvers, het spijt me dat te moeten zeggen, weten echt helemaal niets. We kunnen niet praten over wetenschap, omdat onze kennis beperkt is en onofficieel en onze boeken zijn doorgaans vreselijk. Een paar jaar geleden zou geen enkele hogeschool of universiteit het in zijn hoofd gehaald hebben ons uit te nodigen om een voordracht te houden. We waren overgeleverd aan de genade van afgrijselijke sensatieblaadjes en maakten op niemand enige indruk. In die tijd plachten vrienden tegen me te zeggen, "Maar schrijf je ook serieuze dingen?" waarmee ze bedoelden "Schrijf je nog wat anders dan sciencefiction?" We hunkerden ernaar geaccepteerd te worden. We smachtten ernaar opgemerkt te worden. En toen, opeens, merkte de academische wereld ons op, we werden uitgenodigd om lezingen te houden en verschenen in panels — en maakten onszelf meteen belachelijk. Het probleem is domweg het volgende: waar weet de sciencefictionschrijver iets van? Over welk onderwerp is hij deskundig?

Dat doet me denken aan een krantenkop in een Californisch dagblad, net voor ik hier naartoe vloog.

WETENSCHAPPERS ZEGGEN DAT MUIZEN NIET ZO VERANDERD KUNNEN WORDEN DAT ZE ER ALS EEN MENS UITZIEN.

Dat was volgens mij een door de staat gesubsidieerd onderzoeksprogramma. Moet je bedenken: er is dus iemand in deze wereld die een autoriteit is over het thema of muizen tweekleurige schoenen, een gestreept overhemd en dacronbroek aan kunnen trekken, een bolhoed kunnen opzetten en dan door kunnen gaan voor een mens.

Ik wil jullie wel vertellen wat mij interesseert, wat ik belangrijk vind. Ik kan niet beweren dat ik ergens deskundig in ben, maar kan wel oprecht zeggen dat bepaalde zaken mij absoluut fascineren en dat ik daar steeds over schrijf. De twee belangrijkste onderwerpen die me fascineren zijn "Wat is de werkelijkheid?" en "Wat vormt de authentieke mens?" In de meer dan zevenentwintig jaar dat ik boeken en verhalen heb gepubliceerd heb ik die twee onderling samenhangende onderwerpen steeds weer onderzocht. Wat zijn wij? Wat is datgene wat ons omringt, dat wij het niet-ik noemen, of de empirische wereld of de wereld der verschijnselen?

In 1951, toen ik mijn eerste verhaal verkocht, besefte ik niet dat je je op het terrein van de sciencefiction ook bezig kon houden met dergelijke fundamentele vraagstukken. Ik ben daar onbewust mee begonnen. Mijn eerste verhaal ging over een hond, die het idee had dat de vuilnismannen die elke vrijdag kwamen, kostbaar voedsel kwamen stelen dat de familie zorgvuldig opgeborgen had in een veilige metalen emmer. Elke dag droegen leden van het gezin papieren zakken met heerlijk rijp voedsel naar buiten, stopten die in de metalen emmer en deden daar de deksel stevig op — en als de emmer vol was, kwamen die angstaanjagend uitziende mannen en stalen alles behalve de emmer.

In het verhaal begint de hond zich uiteindelijk te verbeelden dat de vuilnismannen op zekere dag niet alleen het voedsel zullen stelen maar ook de mensen in het huis op zullen eten. Vanzelfsprekend vergist die hond zich daarin. We weten allemaal dat vuilnismannen geen mensen eten. Maar de extrapolatie van de hond was in zekere zin logisch — gezien de gegevens die hij tot zijn beschikking had. Het verhaal ging over een echte hond; ik sloeg hem altijd gade, probeerde in zijn kop te komen en me voor te stellen hoe hij de wereld zag. Ik kwam tot de conclusie dat honden de wereld vast en zeker anders zien dan ik, of alle andere mensen. En toen begon ik na te denken. Misschien leeft ieder mens wel in een unieke wereld, een eigen wereld, een wereld die anders is dan de werelden die bewoond en ervaren worden door alle andere mensen. En toen ging ik me afvragen: als de werkelijkheid van persoon tot persoon anders is, kunnen we dan spreken over een enkele werkelijkheid, of zouden we dan eigenlijk niet moeten spreken over meerdere werkelijkheden? En als er meerdere werkelijkheden bestaan, zijn sommige dan meer waar (meer werkelijk) dan andere? Hoe zit dat met de wereld van de schizofreen? Misschien is die even echt als de onze. Misschien kunnen we niet zeggen dat wij wel contact hebben met de werkelijkheid en hij niet, maar zouden we in plaats daarvan moeten zeggen: zijn werkelijkheid is zo anders dan de onze dat hij ons de zijne niet duidelijk kan maken, en wij hem niet de onze. Dan is het probleem dat, als de subjectieve werelden te verschillend worden ervaren, de communicatie verstoord raakt…en dat is de echte ziekte.

Ik schreef een keer een verhaal over iemand die gewond was en naar het ziekenhuis vervoerd werd. Toen ze hem gingen opereren, ontdekten ze dat hij een androïde was, geen mens, maar dat wist hij niet. Ze moesten hem het slechte nieuws vertellen. Vrijwel meteen ontdekte Mr. Garson Poole dat zijn werkelijkheid uit een ponsband bestond die in zijn borst van de ene naar de andere spoel liep. Geboeid begon hij sommige gaatjes te dichten en nieuwe toe te voegen. Op slag veranderde zijn wereld. Een vlucht eenden vloog door de kamer toen hij een nieuw gaatje in de band ponste. Ten slotte knipte hij de band helemaal kapot, waarna de wereld verdween. Die verdween echter ook voor de andere personages in het verhaal…wat onzin is, als je erover nadenkt. Tenzij die andere personages verzinsels waren van zijn ponsbandfantasie. Ik vermoed dat zij dat inderdaad waren.

Als ik boeken en verhalen schreef die de vraag "wat is de werkelijkheid" aan de orde stelden, hoopte ik altijd dat ik op zeker moment een antwoord zou krijgen. Dat was ook de hoop van het merendeel van mijn lezers. Jaren gingen voorbij. Ik schreef meer dan dertig boeken en meer dan honderd verhalen en kon er nog steeds niet achter komen wat werkelijk was. Op zekere dag vroeg een studente in Canada me voor haar de werkelijkheid te definiëren, voor een scriptie die ze aan het schrijven was voor haar filosofiecursus. Ze wilde een antwoord van één zin. Ik dacht na en zei ten slotte,

DE WERKELIJKHEID IS WAT NIET VERDWIJNT ALS JE OPHOUDT ERIN TE GELOVEN

Dat was het enige wat ik kon bedenken. Dat was in 1972. Sindsdien heb de werkelijkheid niet duidelijker kunnen definiëren.

Maar het is een reëel probleem, niet alleen maar een intellectueel spelletje. Tegenwoordig leven we namelijk in een maatschappij waarin valse werkelijkheden geproduceerd worden door de media, regeringen, grote bedrijven, religieuze en politieke groeperingen — en waarin elektronische hardware bestaat waarmee deze pseudowerelden rechtstreeks in het hoofd van de lezer, kijker en luisteraar afgeleverd worden. Als ik mijn 11-jarige dochter naar de TV zie kijken, vraag ik me soms wat haar geleerd wordt. Bedenk dat dat het probleem is van de bal misslaan. Een Tv-programma voor volwassenen wordt bekeken door een klein kind. De helft van wat er in het Tv-stuk gezegd en gedaan wordt, wordt door het kind waarschijnlijk verkeerd begrepen. Misschien wordt alles wel verkeerd begrepen. En waar het om gaat is hoe authentiek die informatie eigenlijk is, zelfs als het kind het juist heeft begrepen. Wat is het verband tussen gemiddelde komische televisieserie en de werkelijkheid? Hoe zit dat met politieseries? Auto’s raken doorlopend van de weg, botsen en gaan in de fik. Politieagenten zijn altijd goed en winnen altijd. Vergeet niet: de politie wint altijd. De les daarvan? Je moet niet tegen autoriteiten vechten en zelfs als je dat doet, verlies je. Hier is de boodschap, wees onderdanig. En — werk mee. Als agent Baretta je om inlichtingen vraagt, geef hem die dan, want agent Baretta is goed en betrouwbaar. Hij houdt van je en jij moet van hem houden.

Illustratie LincolnsimulacrumIn wat ik schrijf stel ik dus de vraag, wat is echt? Want wij worden onophoudelijk gebombardeerd met pseudo-werkelijkheden, voortgebracht door zeer geraffineerde mensen die gebruik maken van zeer geraffineerde elektronische mechanieken. Ik wantrouw hun motieven niet; ik wantrouw hun macht. Daar hebben ze heel veel van. En het is een verbijsterende macht: de macht om hele universums te creëren, breinuniversums. Ik kan het weten. Ik doe hetzelfde. Het is mijn vak om universums te creëren, als basis voor het ene na het andere boek. En ik heb ze zo gebouwd dat ze niet twee dagen later uiteenvallen. Dat is ten minste wat mijn uitgevers hopen. Ik zal je echter een geheim verklappen: ik hou ervan universums te bouwen die wel uiteenvallen. Ik hou ervan toe te kijken hoe ze desintegreren en hoe de personages in de boeken daaraan het hoofd weten te bieden. Ik koester een geheime liefde voor chaos. Daar zou meer van moeten zijn. Ik geloof niet — en ik ben doodserieus als ik dat zeg — ik neem niet aan dat orde en stabiliteit in een maatschappij of universum altijd goed zijn. Het oude, het versteende, moet altijd plaats maken voor nieuw leven en het ontstaan van nieuwe dingen. Voordat nieuwe dingen kunnen ontstaan, moet het oude te gronde gaan. Dat is een gevaarlijk besef, want dat wil voor ons zeggen dat wij uiteindelijk afscheid moeten nemen van veel waarmee wij vertrouwd zijn. En dat doet pijn. Maar dat is een deel van het draaiboek van het leven. We beginnen zelf van binnen af te sterven, tenzij wij ons psychisch kunnen aanpassen aan verandering. Wat ik bedoel is dat dingen, gewoonten, tradities moeten verdwijnen, zodat de authentieke mens kan leven. En het is de authentieke mens die het belangrijkste is, het levensvatbare, elastische organisme dat er weer bovenop kan komen, het nieuwe in zich op kan nemen en tegemoet kan treden.

Natuurlijk ben ik degene die dat kan zeggen, want ik woon in de buurt van Disneyland en daar bouwen ze doorlopend nieuwe achtbanen en breken de oude af. Disneyland is een zich ontwikkelend organisme. Jaren geleden hadden ze het Lincolnsimulacrum, dat net als Lincoln zelf slechts een tijdelijke vorm was die materie en energie opnam en vervolgens weer afgaf. Hetzelfde geldt voor ieder van ons, graag of niet.

De presocratische Griekse filosoof Parmenides leerde dat de enige dingen die echt zijn, de dingen zijn die nooit veranderen….en de presocratische Griekse filosoof Heraclitus leerde dat alles verandert. Als je die twee inzichten op elkaar legt, krijg je het volgende resultaat: niets is echt. In die redenering zit een fascinerende volgende stap: Parmenides kan nooit bestaan hebben omdat hij oud werd, dood ging en verdween, dus volgens zijn eigen filosofie bestond hij niet. En Heraclitus had misschien wel gelijk — dat moeten we niet vergeten; dus als Heraclitus gelijk had, bestond Parmenides wel en daarom had, volgens de filosofie van Heraclitus, Parmenides misschien gelijk, omdat Parmenides voldeed aan de voorwaarden, de criteria, waarmee Heraclitus tot de conclusie kwam dat dingen echt zijn.

Illustratie Matterhorn in DisneylandIk haal dit alleen aan om te laten zien dat je, zo gauw je je af gaat vragen wat de ultieme werkelijkheid is, meteen onzin gaat debiteren. Zeno bewees dat beweging onmogelijk was (in feite verbeeldde hij zich alleen dat hij dat bewezen had; wat hij miste was wat technisch de "grenstheorie" heet). David Hume, de allergrootste scepticus, vertelde ooit dat na een bijeenkomst van sceptici waar zij waarheidsgetrouwheid van het scepticisme als filosofie wilden verkondigen, alle aanwezigen desalniettemin via de deur weggingen en niet door het raam. Ik begrijp wat Hume bedoelt. Het was gewoon allemaal geleuter. Die ernstige filosofen namen wat ze zeiden zelf niet serieus.

Maar ik bedenk dat de kwestie van het definiëren van wat echt is — dat is een serieus onderwerp, zelfs een essentieel onderwerp. En ergens daarin zit het andere onderwerp, de definitie van de authentieke mens. Het bombardement van pseudo-werkelijkheden begint namelijk heel snel niet-authentieke mensen voort te brengen, onechte mensen — even nep als de informatie waarmee ze van alle kanten bestookt worden. Mijn twee onderwerpen zijn in feite één onderwerp; op dit punt vloeien ze samen. Nep-werkelijkheden zullen nep-mensen voortbrengen. Of nep-mensen zullen nep-werkelijkheden voortbrengen en die vervolgens aan andere mensen slijten, en hen ten slotte veranderen in vervalsingen van zichzelf. We eindigen dus met nepmensen die nepwerkelijkheden bedenken en die vervolgens aan andere nepmensen slijten. Het is gewoon een enorme versie van Disneyland. Je kunt dan wel de piratenachtbaan, het Lincolnsimulacrum of de wildwaterbaan hebben — je kunt ze allemaal hebben, maar geen enkele is echt.

Tijdens het schrijven raakte ik zo geboeid door alles wat nep is dat ik uiteindelijk terechtkwam bij het begrip nep-nep. In Disneyland zijn er bijvoorbeeld nep-vogels, aangedreven door elektromotortjes, die die gekras en gepiep voortbrengen als je er langs loopt. Stel dat wij allemaal op een nacht het park binnensluipen met echte vogels en die kunstmatige vogels daardoor vervangen. Stel je de ontzetting voor van de Disneylandfunctionarissen als ze die gruwelijke grap zouden ontdekken. Echte vogels! En misschien op zekere dag zelfs echte nijlpaarden en leeuwen. Consternatie. Het park dat door duistere krachten vernuftig veranderd wordt van onecht naar echt. Stel je bijvoorbeeld voor dat de Matterhorn veranderd zou worden in een echte met sneeuw bedekte berg? Wat als de hele plek, door Gods ondoorgrondelijke kracht en wijsheid, opeens, in een oogwenk, zou veranderen in iets onvergankelijks? Ze zouden de tent moeten sluiten.

In Plato’s Timaeus schept niet God het universum, zoals de christelijke God dat doet; Hij treft dat gewoon op zekere dag aan. Het verkeert in een toestand van algehele chaos. God gaat aan het werk om de chaos te ordenen. Dat idee spreekt me aan en ik heb dat aangepast om mijn eigen intellectuele behoeften te bevredigen: wat als ons universum begonnen is als niet helemaal echt, een soort illusie, zoals de Hindoereligie dat leert, en God dat uit liefde en welwillendheid voor ons langzaam aan het veranderen is, langzaam en stiekem, in iets echts?

Wij zouden die verandering niet opmerken, op de eerste plaats niet omdat wij niet beseffen dat onze wereld een illusie is. Dat is formeel een Gnostisch idee. Gnostiek is een religie die een paar eeuwen lang aangehangen werd door joden, christenen en heidenen. Ik ben ervan beschuldigd dat ik er gnostische ideeën op nahield. Dat doe ik vermoedelijk ook. Ooit zou ik daarvoor op de brandstapel beland zijn. Maar sommige van hun ideeën intrigeren me. Op zeker moment deed ik onderzoek naar de Gnostiek in de Brittanica en kwam ik een vermelding tegen van een Gnostische tekst met de titel De Onwerkelijke God en de Aspecten van Zijn Niet-bestaand Universum, een idee dat mij tot een machteloze lachbui bracht. Wat voor iemand zou kunnen schrijven over iets waarvan hij weet dat het niet bestaat en hoe kan iets dat niet bestaat aspecten hebben? Maar toen realiseerde ik me dat ik zelf meer dan vijfentwintig jaar over dit soort zaken geschreven had. Ik vermoed dat er heel wat speelruimte zit in wat je kunt zeggen als je over een onderwerp schrijft dat niet bestaat. Een vriend van me heeft ooit een boek gepubliceerd met de titel Slangen van Hawaï. Een aantal bibliotheken schreef hem om een exemplaar te bestellen. Er zijn echter geen slangen op Hawaï. Alle bladzijden van het boek waren leeg.

Er wordt uiteraard in de sciencefiction niet gepretendeerd dat de beschreven werelden echt zijn. Daarom noemen we het ook fictie. De lezer wordt er bij voorbaat voor gewaarschuwd geen geloof te hechten aan wat hij gaat lezen. Het is evenzeer waar dat de bezoekers van Disneyland begrijpen dat Meneer Pad niet echt bestaat en dat de piraten in beweging worden gezet door motortjes en regelmechanieken, relaissen en elektronische circuits. Er is dus geen sprake van bedrog.

En toch is het vreemd dat, op een bepaalde manier, op een bepaalde echte manier, veel van wat gepubliceerd wordt onder de vlag "sciencefiction" waar is. Misschien is het niet letterlijk waar, neem ik aan. Wij zijn niet binnengevallen door wezens uit een ander sterrenstelsel, zoals dat beschreven wordt in Close Encounters of the Third Kind. De producenten van die film hebben nooit bedoeld dat wij dat zouden geloven. Of wel?

En wat belangrijker is, als zij dat toch wilden beweren, is het dan echt waar? Dat is het probleem: niet ‘gelooft de schrijver of regisseur het,’ maar — ‘is het waar’? Heel toevallig zou een sciencefictionschrijver, producent of scenarioschrijver bij het bedenken van een goed verhaal op de waarheid kunnen stuiten…en zich dat pas later realiseren.

Het belangrijkste instrument om de werkelijkheid te manipuleren is het manipuleren van woorden. Als je de betekenis van woorden kunt beheersen, kun je de mensen beheersen die de woorden moeten gebruiken.

George Orwell maakte dat duidelijk in zijn roman 1984. Maar een andere manier om de gedachten van mensen te beheersen is het beheersen van hun waarneming. Als je ze zover kunt krijgen dat ze wereld zien zoals jij die ziet, zullen ze net zo denken als jij. Op waarnemen volgt begrijpen. Hoe krijg je ze zover dat ze de werkelijkheid zien zoals jij die ziet? Uiteindelijk is dat maar een van de vele werkelijkheden. Een wezenlijk bestanddeel zijn beelden: afbeeldingen. Daarom is het vermogen van de TV om de gedachten van jonge mensen te beïnvloeden zo ontstellend groot. Woorden en beelden zijn gesynchroniseerd. De mogelijkheid bestaat om de kijker volstrekt te beheersen, vooral de jonge kijker. Tv-kijken is een soort slapend leren. Een EEG van iemand die naar Tv-shows kijkt laat zien dat het brein na ongeveer een half uur tot de conclusie komt dat er niets gebeurt en in een hypnotische schemertoestand wegzinkt, waarbij het alfagolven uitzendt. Dat komt omdat er zo weinig oogbewegingen zijn. Daarbij komt dat veel van de informatie grafisch is en daarom in de rechterhersenhelft terechtkomt, waar de bewuste persoonlijkheid zetelt. Recente experimenten tonen aan dat veel van wat we op de TV zien in wezen subliminaal binnenkomt. Wij verbeelden ons alleen maar dat we bewust waarnemen wat er is. Het grootste gedeelte van de boodschappen ontsnappen aan onze aandacht; letterlijk, want na een paar uur Tv-kijken weten we niet wat we hebben gezien. Onze herinneringen zijn bedrieglijk, net als onze herinneringen aan dromen; de lege plekken worden achteraf ingevuld. En vervalst. Zonder dat we het wisten hebben we deelgenomen aan het scheppen van een valse werkelijkheid en wij hebben ons daar keurig mee gevoed. Wij zijn medeplichtig aan onze eigen ondergang.

En — en dat zeg ik als beroepsmatige sciencefictionschrijver — de producenten, scenarioschrijvers en regisseurs die deze video/audiowerelden creëren, weten niet hoeveel van hun product waar is. Met andere woorden, zij zijn slachtoffer van hun eigen product, net als wij. Als ik voor mijzelf spreek, weet ik niet hoeveel van wat ik schrijf waar is, of welke gedeelten (als die er al zijn) waar zijn. Dat is een potentieel dodelijke situatie. We hebben fictie die de waarheid nabootst en waarheid die fictie nabootst. We hebben een gevaarlijke overlap, een gevaarlijke vaag gebied. En naar alle waarschijnlijkheid is dat niet opzettelijk. In feite is dat een deel van het probleem. Je kunt niet bij wet regelen dat een schrijver zijn product van een deugdelijk etiket voorziet, zoals bij een toetje waar de ingrediënten op het etiket vermeld staan….je kunt hem niet dwingen te verklaren welk deel waar en welk niet, als hij dat zelf niet eens weet.

Het is een griezelige ervaring iets op te schrijven in een boek, in de mening dat het zuiver fictie is en later — misschien jaren later — te ontdekken dat het waar is. Ik zal je een voorbeeld geven. Het is iets dat ik zelf niet begrijp. Misschien kun jij een theorie bedenken. Ik kan dat niet.

In 1970 schreef ik een roman met de titel Flow My Tears, the Policeman Said. Een van de personages is een negentienjarig meisje, dat Kathy heet. De naam van haar echtgenoot is Jack. Kathy blijkt te werken voor een criminele groepering, maar later, als we verder lezen in het boek, ontdekken we dat ze voor de politie werkt. Ze heeft een relatie met een politie-inspecteur. Het personage is een puur verzinsel, of ten minste, dat dacht ik.

In ieder geval, met Kerstmis 1970 kwam ik een meisje tegen dat Kathy heette — dat was nadat ik het boek voltooid had, begrijp je. Hij vriend heette Jack. Al snel ontdekte ik dat Kathy drugs dealde. Ik was maanden bezig met te proberen haar met het drugsdealen op te laten houden; ik bleef haar steeds weer waarschuwen dat ze een keer gepakt zou worden. Toen we op een avond samen een restaurant binnen wilden gaan, bleef Kathy opeens stilstaan en zei, "ik kan niet naar binnen." In het restaurant zat een politie-inspecteur die ik kende. "Ik moet je de waarheid vertellen," zei Kathy, "ik heb een relatie met hem."

Dat zijn ongetwijfeld vreemde coïncidenties. Misschien kan ik in de toekomst kijken. Maar het mysterie wordt nog onthutsender; het volgende bracht me totaal in verwarring en dat al vier jaar lang.

In 1974 werd het boek gepubliceerd door Doubleday. Op een middag zat ik te praten met mijn dominee — ik ben lid van de Episcopaalse kerk — en toevallig had ik het met hem over een belangrijke scene aan het slot van het boek, waarin het personage Felix Buckman een zwarte vreemdeling ontmoet in een dag en nacht geopend tankstation en ze beginnen te praten. Naarmate ik de scene gedetailleerder beschreef, werd mijn dominee steeds opgewondener. Ten slotte zei hij, "dat is een scene uit Handelingen (8: 26-40), uit de Bijbel! In Handelingen heet de persoon die de zwarte man onderweg ontmoet Filippus — jouw naam." Dominee Rasch was zo van slag door de overeenkomst dat hij niet eens de passage in zijn Bijbel kon aanwijzen. "Lees Handelingen," droeg hij me op. "En je zult het met me eens zijn. Het is hetzelfde, tot in detail."

Ik ging naar huis en las de passage in Handelingen. Ja, dominee Rasch had gelijk; de scene in mijn boek was duidelijk een opnieuw vertellen van de scene in Handelingen…en ik moet toegeven dat ik Handelingen nooit gelezen had. Maar het raadsel werd nog groter. In Handelingen (24: 1-27) heet de hoge Romeinse ambtenaar, die Paulus arresteert en ondervraagt, Felix — dezelfde naam als mijn personage. En mijn personage Felix Buckman is een hooggeplaatste politiefunctionaris; in feite bekleedt hij in mijn boek dezelfde functie als Felix in Handelingen: de hoogste gezagdrager. In mijn boek komt een gesprek voor dat heel erg overeenkomt met een gesprek tussen Felix en Paulus.

Ik besloot dus om nog meer overeenkomsten te zoeken. De hoofdpersoon in mijn boek heet Jason. Ik kreeg een concordantie op de Bijbel en zocht of er in de Bijbel ergens iemand met de naam Jason voorkomt. Ik kon me dat niet herinneren. Maar iemand met de naam Jason komt eenmaal en slechts eenmaal in de Bijbel voor. Het is in Handelingen (17:5-6). En, om me nog meer lastig te vallen met coïncidenties, is Jason in mijn boek op de vlucht voor de autoriteiten en zoekt zijn toevlucht in het huis van iemand en in Handelingen biedt de man die Jason heet in zijn huis onderdak aan iemand die op de vlucht is voor de rechterlijke macht — een exacte omkering van de situatie in mijn boek, alsof de mysterieuze Geest die voor dit alles verantwoordelijk was, zich op een of andere manier verkneukelde over het geheel.

Felix, Jason, en de ontmoeting onderweg met de zwarte man, die een volstrekte onbekende is. In Handelingen wordt de zwarte man gedoopt door de discipel Filippus en gaat daarna verheugd zijns weegs. In mijn boek zoekt Felix Buckman contact met de zwarte man voor emotionele steun, omdat zijn zus net doodgegaan is en hij psychisch aan het instorten is. De zwarte man montert Buckman weer wat op en hoewel Buckman niet verheugd zijns weegs gaat, zijn in ieder geval zijn tranen gedroogd. Huilend over de dood van zijn zuster was hij naar huis gevlogen en moest, hoe dan ook, contact met iemand zoeken, al was het een onbekende. Het is een ontmoeting onderweg tussen twee vreemden, waardoor het leven van een van hen verandert — zowel in mijn boek als in Handelingen. En een laatste gril van die altijd werkzame Geest: de naam Felix is het Latijnse woord voor "gelukkig." Dat wist ik niet toen ik het boek schreef.

Een zorgvuldige bestudering van mijn boek laat zien dat ik, om redenen waarvoor ik niet eens een begin van een verklaring kan vinden, er in geslaagd was een aantal van de wezenlijke voorvallen uit een bepaald boek van de Bijbel opnieuw te vertellen en daarbij zelfs de juiste namen gebruikt had. Hoe viel dat te verklaren? Ik heb dat allemaal vier jaar geleden ontdekt. Vier jaar lang heb ik geprobeerd met een theorie te komen en dat is niet gelukt. Ik vraag me af of dat ooit zal gebeuren.

Maar het mysterie was daarmee nog niet ten einde, zoals ik gedacht had. Twee maanden geleden liep ik ’s avonds laat naar de brievenbus om een brief op de post te doen en ook om te genieten van het uitzicht op de Saint Joseph's Church, die tegenover mijn appartementengebouw staat. Ik zag dat iemand zich verdacht ophield bij een geparkeerde auto. Het zag eruit alsof hij de auto probeerde te stelen, of misschien iets eruit; toen ik terugliep van de brievenbus, verschool de man zich achter een boom. In een opwelling liep ik naar hem toe en vroeg hem, "is er wat?"

"Mijn benzine is op," zei de man. "En ik heb geen geld."

Onvoorstelbaar, want dat heb ik nooit eerder gedaan, maar ik haalde mijn portemonnee tevoorschijn, pakte daar alle geld uit en overhandigde het aan hem. Hij gaf me vervolgens een hand en vroeg me waar ik woonde, zodat hij later het geld kon terugbetalen. Ik liep terug naar mijn appartement en realiseerde me toen dat hij niets aan dat geld had, omdat er binnen loopafstand geen tankstation was. In ging dus terug, in mijn auto. De man had een metalen benzinetankje in zijn kofferbak en samen reden we in mijn auto naar een tankstation dat dag en nacht open was. Even later stonden we daar dan, twee vreemdelingen, terwijl de pompbediende de metalen benzinetank vulde. Opeens realiseerde ik me dat dit de scene uit mijn boek was — het boek dat ik acht jaar daarvoor geschreven had. Het 24-uurs-tankstation was precies zoals ik dat gezien had met mijn innerlijke oog toen ik de scene schreef — het verblindende witte licht, de pompbediende — en nu zag ik iets dat niet eerder gezien had. De onbekende die ik hielp was zwart.

Met de benzine reden we terug naar zijn gestrande auto, gaven elkaar een hand en daarna reed ik terug naar mijn appartementengebouw. Ik zag hem nooit meer terug. Hij kon mij niet terugbetalen omdat ik hem niet verteld had welk van de vele appartementen van mij was of hoe ik heette. Ik was vreselijk van slag door die ervaring. Ik had letterlijk een scene helemaal herbeleefd, zoals die in mijn boek stond. Dat wil zeggen dat een soort kopie had herbeleefd van de scene in Handelingen, waarin Filippus onderweg de zwarte man ontmoet.

Wat zou de verklaring van dit alles kunnen zijn?

Het antwoord dat ik bedacht heb is misschien niet juist, maar het is het enige antwoord dat ik heb. Het heeft te maken met tijd. Mijn theorie is als volgt: tijd bestaat niet echt, in een of andere zonder twijfel onbelangrijke betekenis. Of misschien bestaat tijd wel echt, maar niet zoals wij ervaren dat die is of wij ons de tijd voorstellen. Ik had de intense, overweldigende zekerheid (en heb die nog steeds) dat er, ondanks alle veranderingen die wij zien, onder de wereld der veranderingen een bepaald, blijvend onzichtbare landschap schuilgaat: en dat dit onzichtbare onderliggende landschap dat van de Bijbel is; nader aangeduid is het de periode meteen volgend op de dood en opstanding van Christus; het is, met andere woorden, het tijdperk van het boek Handelingen.

Parmenides zou trots op me zijn. Ik heb mijn blik laten rusten op een doorlopend veranderende wereld en beweerd dat daaronder de eeuwige, onveranderlijke, absoluut echte wereld ligt. Maar hoe is dat gebeurd? Als de echte tijd rond 50 n.C. is, waarom zien we dan 1978 n.C.? En als we echt in het Romeinse Rijk leven, ergens in Syrië, waarom zien we dan de Verenigde Staten?

Tijdens de Middeleeuwen dook een merkwaardige theorie op, die ik je nu zal opdissen, wat die ook moge betekenen. Het is de theorie dat de Boze — Satan — de "Aap van God" is. Dat hij bedrieglijke imitaties van de schepping, van Gods authentieke schepping, tot stand brengt en die vervolgens over de authentieke schepping heen legt. Draagt die zonderlinge theorie bij aan het verklaren van mijn ervaring? Moeten we dan geloven dat we geblokkeerd zijn, dat we voor de gek gehouden worden, dat het niet 1978 n.C. is, maar 50 n.C.….en dat Satan een valse werkelijkheid heeft vervaardigd om ons geloof in de wederkomst van Christus het zwijgen op te leggen?

Ik zal even een beeld schetsen van mijzelf terwijl ik ondervraagd wordt door een psychiater. De psychiater zegt, "welk jaar is dit?" en ik antwoord, "50 na Christus." De psychiater knippert met zijn ogen en vraagt, "en waar bent u nu?" Ik antwoord, "in Judea." "Waar is dat in godsnaam?" vraagt de psychiater. "Het maakt deel uit van het Romeinse Rijk," zou ik moeten antwoorden." "Weet u wie president is?" zou de psychiater dan vragen, en ik zou antwoorden, "de procurator Felix." "Weet u dat wel zeker?" vraagt de psychiater dan, terwijl hij steels een teken geeft aan twee reusachtige assistenten. "Ja," moet ik antwoorden. "Tenzij Felix afgetreden is en vervangen is door de procurator Festus. Weet u, Paulus was gevangen genomen door Felix omdat …" "Wie heeft u dat allemaal verteld?" zou de psychiater mij in de rede vallen en ik zou antwoorden, "De Heilige Geest." En daarna zou ik in de isoleer zitten, naar buiten staren en precies weten hoe ik daar gekomen was.

Alles van dat gesprek zou in een bepaalde zin waar zijn, maar duidelijk niet in een andere. Ik weet precies dat het jaar 1978 is, dat Jimmy Carter president is en dat ik Santa Ana woon, in Californië, in de Verenigde Staten. Ik weet zelfs hoe ik vanaf mijn appartement naar Disneyland kan gaan, een feit dat ik om een of andere reden niet kan vergeten. En dat er in de tijd van Paulus zonder twijfel geen Disneyland was.

Dus als ik mijzelf dwing heel rationeel en verstandig te zijn en al die andere goede dingen, moet ik toegeven dat het bestaan van Disneyland (waarvan ik weet dat het echt is) bewijst dat wij niet in Judea in het jaar 50 n. C. leven. Het idee van Paulus die ronddraait in een reuzetheekop, terwijl hij de eerste brief aan de Corinthiërs schrijft en Paris-TV hem filmt met een telelens — dat kan gewoonweg niet. Paulus zou zich nooit in de buurt van Disneyland wagen. Alleen kinderen, toeristen en bezoekende Sovjet-hoge-pieten gaan naar Disneyland. Heiligen niet.

Maar op een of andere manier strikte dat bijbelse materiaal mijn onderbewuste en sloop mijn boek binnen en op dezelfde manier herbeleefde ik in 1978 om een of andere reden een scene die ik eerder opschreef in 1970. Wat ik wil zeggen is het volgende: ten minste één van mijn boeken bevat een intrinsiek bewijs dat er een andere werkelijkheid, een onveranderlijke, precies zo als Parmenides en Plato vermoedden, schuilgaat onder de zichtbare fenomenologische wereld van verandering en op een of andere, een bepaalde manier, kunnen we, misschien tot onze verrassing, daar doorheen breken. Of beter gezegd, een mysterieuze Geest kan ons daarmee in contact brengen, als die wil dat wij dat onvergankelijke landschap aanschouwen. De tijd verglijdt, duizenden jaren gaan voorbij, maar op hetzelfde moment dat we deze eigentijdse wereld zien, is de oude wereld, de wereld van de Bijbel, daaronder verborgen, nog steeds aanwezig en nog steeds echt. Eeuwig.

Illustratie De religieuze ervaring van Phip DickZal ik het maar helemaal afmaken en je de rest van dit merkwaardige verhaal vertellen? Ik ben toch al zover gekomen, dus luister. Mijn boek Flow My Tears, the Policeman Said werd in februari 1974 uitgebracht door Doubleday. In de week nadat het was uitgebracht, werden er bij mij onder algehele verdoving twee ingegroeide verstandskiezen verwijderd. Later die dag kreeg ik vreselijke pijn. Mijn vrouw belde de kaakchirurg en hij nam contact op met de apotheek. Een half uur later werd er op mijn deur geklopt: de bezorger van de apotheek met de pijnstillers. Hoewel ik bloedde, ziek en zwak was, voelde ik mij genoodzaakt zelf op het kloppen te reageren. Toen ik de deur opende stond ik oog in oog met een jonge vrouw — die een fonkelende gouden halsketting droeg, waaraan een glanzende gouden vis hing. Om een of andere reden werd ik gehypnotiseerd door de glanzende gouden vis; ik vergat mijn pijn, vergat de medicijnen, vergat waarom het meisje daar stond. Ik bleef maar staren naar dat vissensymbool.


"Wat betekent dat?" vroeg ik haar.

Het meisje raakte met haar hand de glanzende vis aan en zei, "Dat is een teken dat gedragen werd door de eerste christenen." Daarna overhandigde ze me het doosje medicijnen.

Op dat moment, toen ik naar het glimmende vissensymbool staarde en haar stem hoorde, overkwam mij plotseling waarvan ik later hoorde dat dat an-amnesie genoemd wordt — een Grieks woord dat letterlijk "verlies van vergetelheid" betekent. Ik herinnerde me weer wie ik en waar ik was. In een flits, in een oogwenk, kwam het allemaal bij me terug. En ik kon het me niet alleen herinneren, maar ik kon het zien. Het meisje was een heimelijke christen en ik ook. We leefden in de angst voor ontdekking door de Romeinen. We moesten met elkaar communiceren door middel van geheime tekens. Ze had me dat net allemaal verteld en het was waar.

Hoe moeilijk het ook valt te geloven of te verklaren, maar één moment zag ik de duistere gevangenisachtige contouren van het gehate Rome in mijn gezichtsveld overvloeien. Maar wat veel belangrijker was, was dat ik me Jezus herinnerde, die net bij ons was geweest, tijdelijk weggegaan was en heel snel weer zou terugkomen. Ik had een vreugdevol gevoel. Wij waren heimelijk voorbereidingen aan het treffen om Hem bij zijn wederkomst te verwelkomen. Het zou niet lang duren. En de Romeinen wisten dat niet. Ze dachten dat Hij dood was. Hij was dood, voor altijd dood. Dat was ons grote geheim, ons verheugende weten. Hoewel het alle schijn tegen had, zou Christus wederkeren en onze vreugde en verwachting waren grenzeloos.

Is het niet merkwaardig dat deze vreemde gebeurtenis, deze herontdekking van verloren herinneringen, plaatsvond nog geen week nadat Flow My Tears was uitgebracht? En het is Flow My Tears waarin de herhaling van mensen en voorvallen uit Handelingen staat, die precies op het moment in de tijd gesitueerd is — net na de dood en opstanding van Jezus — waarvan ik me herinnerde, door middel van het teken van de gouden vis, dat het net had plaatsgevonden.

Ik weet zeker dat als jij in mijn plaats was geweest en jou dit overkomen was, je het ook niet op zijn beloop had kunnen laten. Je zou op zoek gaan naar een theorie, die daarvoor een verklaring zou kunnen geven. Ik heb nu meer dan vier jaar de ene na de andere theorie uitgeprobeerd: circulaire tijd, bevroren tijd, tijdloze tijd, wat "heilige" tijd genoemd wordt in tegenstelling tot "wereldse’ tijd…Ik kan de theorieën niet meer tellen die ik allemaal uitgeprobeerd heb. Bij al die theorieën heeft er echter altijd één op de voorgrond gestaan. Er moet inderdaad een mysterieuze Heilige Geest zijn, die een nauwgezette en innige relatie heeft met Christus, die zich op kan houden in de geest van mensen, hen kan leiden en bezielen, en zich zelfs kan uiten door middel van die mensen, zelfs zonder dat zij zich daar bewust van zijn.

Tijdens het schrijven van Flow My Tears, in 1970, vond er een ongewoon voorval plaats en toen besefte ik al dat het ongewoon was en geen deel uitmaakte van het gebruikelijke schrijfproces. Op zekere nacht had ik een droom, een buitengewoon levendige droom. Toen ik wakker werd voelde ik me gedwongen — een absolute noodzaak — die droom, precies zoals ik die gedroomd had, in de tekst van het boek op te nemen. Om die droom helemaal precies op papier te krijgen moest ik elf kladversies schrijven van het laatste deel van het manuscript, voordat ik tevreden was.

Ik zal dat nu uit het boek citeren, zoals het verschenen is in de definitieve, gepubliceerde vorm. Zie maar of dat je ergens aan doet denken.

Het was het zomerse platteland, bruin en droog, waar hij als kind had gewoond. Hij reed te paard en aan zijn linkerkant naderde een groepje paarden dat langzaam dichterbij kwam. Op de paarden zaten mannen met glanzende mantels, elk met een andere kleur; ze droegen allemaal een puntige helm die schitterde in het zonlicht. De trage, plechtstatige ridders reden aan hem voorbij en tijdens het rijden viel hem het gezicht van een van hen op: een oud marmerachtig gezicht, een vreselijk oude man met een witte baard als een golvende waterval. Wat had hij een krachtige neus. Wat een edele gelaatstrekken. Zo vermoeid, zo ernstig, zo anders dan gewone mensen. Kennelijk was hij een koning.
Felix Buckman liet hen passeren; hij sprak hen niet aan en zij zeiden niets tegen hem. Samen bewogen zij zich naar het huis waar hij vandaan gekomen was. Iemand had zich opgesloten in dat huis, een man alleen, Jason Taverner, in de stilte en duisternis, zonder vensters, zelf, van nu tot in de eeuwigheid. Hij zat daar, bestond alleen maar, onbeweeglijk. Felix Buckman vervolgde zijn weg, naar het open veld. En toen hoorde hij achter zich een enkele ijselijke kreet. Ze hadden Taverner gedood en toen hij hen zag binnenkomen, hen voelde in de schaduw om zich heen, wetend wat zij met hem wilde doen, had Taverner gegild.
Innerlijk voelde Felix Buckman een absoluut en uiterst troosteloos verdriet. Maar in zijn droom ging hij niet terug en keek ook niet om. Er viel niets te doen. Niemand had de veelkleurige groep in mantels geklede mannen kunnen stoppen; hen had niet gezegd kunnen worden het niet te doen. Het was hoe dan ook voorbij. Taverner was dood.

Deze passage zegt je waarschijnlijk niets bijzonders, behalve dat een groep gerechtsdienaren een vonnis voltrekt aan iemand die schuldig is of schuldig geacht wordt. Het is niet duidelijk of Taverner echt een misdaad begaan heeft of dat geloofd wordt dat hij een misdaad heeft begaan. Ik had de indruk dat hij schuldig was, maar dat het een tragedie was dat hij gedood moest worden, een vreselijke trieste tragedie. In het boek is deze droom de reden waarom Felix Buckman begint te huilen en daardoor terecht komt bij de zwarte man bij het tankstation.

Maanden nadat het boek was gepubliceerd, vond ik een passage in de Bijbel waarnaar deze droom verwijst. Het is Daniël, 7:9:

Er werden tronen opgesteld en een oude van dagen zette zich neder; zijn kleed was wit als sneeuw en zijn hoofdhaar blank als wol; zijn troon bestond uit vuurvlammen, de raderen daarvan uit laaiend vuur; en een stroom van vuur welde op en vloeide voor hem uit; duizendmaal duizenden dienden hem en tienduizend maal tienduizenden stonden vóór hem. De vierschaar zette zich neder en de boeken werden geopend.

De witharige oude man verschijnt opnieuw in Openbaring, 1:13:

En ik zag... iemand als eens mensen zoon, bekleed met een tot de voeten reikend gewaad en aan de borsten omgord met een gouden gordel; en zijn hoofd en zijn haren waren wit als witte wol en zijn ogen als een vuurvlam; en zijn voeten waren gelijk koperbrons, als in een oven gloeiend gemaakt en zijn stem was als het geluid van vele wateren.

En vervolgens in 1:17:

En toen ik hem zag, viel ik als de dood voor zijn voeten; en hij legde zijn rechterhand op mij en zeide: Wees niet bevreesd, ik ben de eerste en de laatste, en de levende, en ik ben dood geweest, en zie, ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk. Schrijf dan hetgeen gij gezien hebt en hetgeen is en hetgeen na dezen geschieden zal.

En net als Johannes van Patmos, schreef ik getrouw op wat ik zag en zette het in mijn boek. Het was waar, hoewel ik in die tijd niet wist wat er bedoeld werd met de volgende beschrijving:

….viel hem het gezicht van een van hen op: een oud marmerachtig gezicht, een vreselijk oude man met een witte baard als een golvende waterval. Wat had hij een krachtige neus. Wat een edele gelaatstrekken. Zo vermoeid, zo ernstig, zo anders dan gewone mensen. Kennelijk was hij een koning.

Hij was inderdaad koning. Hij is de Christus zelf, wedergekeerd om te oordelen. In mijn boek doet hij het volgende: Hij velt het oordeel over de man die opgesloten zit in de duisternis. De man die opgesloten zit in de duisternis moet de Vorst van het Kwaad zijn, de Macht der Duisternis. Noem het wat je wilt, zijn tijd was gekomen. Hij werd geoordeeld en schuldig bevonden. Felix Buckman kon huilen omdat het zo triest was, maar hij wist dat het vonnis niet aangevochten kon worden. En dus reed hij door, zonder om te draaien of om te kijken en hoorde alleen de kreet van angst en nederlaag: de kreet van het vernietigde kwaad.

Mijn boek bevat dus niet alleen materiaal uit andere delen van de Bijbel, maar ook uit Handelingen. Ontcijferd, vertelt mijn boek een heel ander verhaal dan het verhaal dat aan de oppervlakte ligt (waarop we hier niet in hoeven gaan). Het echte verhaal is domweg het volgende: de wederkomst van Christus, nu eerder een koning dan een lijdende dienstknecht. Eerder rechter dan slachtoffer van een oneerlijk veroordeling. Alles is omgekeerd. De kernboodschap van mijn boek was, zonder dat ik het wist, een waarschuwing aan de machthebbers: spoedig zullen jullie geoordeeld en schuldig bevonden worden. Voor wie gold dat in het bijzonder? Nou, dat kan ik echt niet zeggen; of eerder gezegd, ik zeg dat liever niet. Ik weet het niet zeker, het is alleen maar een gevoel. En dat is niet genoeg om er verder op in te gaan en daarom houd ik mijn gedachten voor mijzelf. Maar je zou je kunnen afvragen welke politieke gebeurtenissen zijn voorgevallen in dit land, tussen februari 1974 en augustus 1974. Vraag jezelf af wie er veroordeeld en schuldig bevonden was en als een opvlammende ster in puin en ongenade viel. De machtigste man ter wereld. En ik heb op dit moment evenveel medelijden met hem als toen ik die droom droomde. "Die arme, arme man," zei ik ooit tegen mijn vrouw, met tranen in mijn ogen. "Opgesloten in de duisternis, ’s nachts pianospelend voor zichzelf, alleen en bang, wetend wat er gaat gebeuren." Laten wij hem uiteindelijk in godsnaam vergeven. Maar wat er werd gedaan werd met hem en al zijn mannen — "all the President's men," zoals gezegd wordt — moest gedaan worden. Maar het is voorbij en ze zouden hem weer naar buiten moeten laten gaan, naar de zon; geen schepsel, niemand zou voor altijd in het donker opgesloten moeten worden, in angst. Dat is niet menselijk.

Net rond de tijd dat het Hooggerechtshof verordende dat de Nixon-tapes overhandigd moesten worden aan de speciale openbare aanklager, zat ik te eten in een Chinees restaurant in Yorba Linda, de stad in Californië waar Nixon naar school ging — waar hij opgroeide, in een kruidenierszaak werkte, waar een park is dat naar hem vernoemd is, en waar natuurlijk Nixons huis staat, een eenvoudig huis enz. In mijn gelukskoekje kreeg ik de volgende boodschap:

DADEN DIE IN HET GEHEIM VERRICHT WORDEN, VINDEN EEN MANIER OM ONTDEKT TE WORDEN

Ik stuurde het strookje papier naar het Witte Huis, waarbij ik vermeldde dat het Chinese restaurant minder dan een mijl van Nixons oorspronkelijke huis af lag en voegde daaraan toe, "Ik denk dat er een vergissing is gemaakt; ik heb per ongeluk Mr. Nixons boodschap gekregen. Heeft hij de mijne?" Er kwam geen antwoord van het Witte Huis.

Zoals ik al eerder heb gezegd, zou een schrijver van zogenaamde fictie de waarheid kunnen schrijven, zonder het te weten. Om Xenophanes, een andere presocraat te citeren: "Maar zelfs als iemand toevallig de volmaaktste waarheid spreekt, weet hij die zelf niet; alle dingen zijn verpakt in schijn" (Fragment 34). En Heraclitus voegde daaraan toe: "De natuur pleegt zich verborgen te houden." (Fragment 26). W. S. Gilbert, van Gilbert en Sullivan, stelde: "Dingen zijn zelden wat ze lijken; afgeroomde melk die zich voordoet als room." Het probleem van dat alles is dat wij onze zintuigen niet kunnen vertrouwen en waarschijnlijk zelfs onze a-priori-redenering niet. Wat onze zintuigen betreft heb ik begrepen dat mensen die vanaf hun geboorte blind zijn en plotseling het zicht terugkrijgen zich erover verbazen als ze merken dat voorwerpen steeds kleiner lijken te worden als ze zich verwijderen. Dat is logisch, want daar is geen enkele reden voor. Wij zijn dat natuurlijk normaal gaan vinden, omdat wij eraan gewend zijn. We zien voorwerpen kleiner worden, maar weten dat dat ze in werkelijkheid even groot blijven. Dus zelfs een normale, alledaagse pragmaticus maakt gebruik van een bepaalde slimme selectie van wat zijn ogen en oren hem vertellen.

Weinig van wat Heraclitus heeft geschreven is bewaard gebleven en wat we hebben is duister, maar Fragment 47 is helder en belangrijk: "De onzichtbare harmonie is sterker dan de zichtbare." Dat betekent dat Heraclitus geloofde dat er een sluier lag over het echte landschap. Hij heeft waarschijnlijk ook vermoed dat tijd op een of andere manier niet was wat het leek, omdat hij in Fragment 122 zegt:: "Het eeuwige leven is een kind: spelend als een kind, dobbelstenen werpend; het koningschap is aan een kind." Dat is echter cryptisch. Maar hij zegt ook, in Fragment 27: "In dien het onverwachte niet verwacht wordt zal men het niet ontdekken, omdat het dan niet na te speuren valt en ontoegankelijk blijft." In zijn erudiete boek The Pre-Socratics, zegt Edward Hussey:

Als Heraclitus dan zo vasthoudend is over het door de meeste mensen getoonde gebrek aan inzicht, zou het niet meer dan redelijk zijn als hij verdere aanwijzingen zou verstrekken om tot de waarheid door te kunnen dringen. Het gepraat over raadsels oplossen doet vermoeden dat er een soort openbaring nodig is, waar de mens geen zeggenschap over heeft…. Zoals gezien, is waren wijsheid nauw verbonden met God, wat verder doet vermoeden dat iemand die in wijsheid toeneemt, als God of een deel van hem wordt.

Deze passage is niet ontleend aan een religieus boek of een boek over theologie; het is een analyse van de vroegste filosofen door een docent Antieke Filosofie aan de universiteit van Oxford. Hussey maakt duidelijk dat er voor deze oude filosofen geen onderscheid bestond tussen filosofie en religie. De eerste kwantumsprong in de Griekse filosofie werd gemaakt door Xenophanes van Colophon, geboren rond het midden van de zesde eeuw v.C. Zonder zijn toevlucht te zoeken bij enige autoriteit, behalve bij zijn eigen brein, zegt Xenophanes:

Er is een enkele God onder goden en mensen, die noch in gedaante, noch in gedachten op de stervelingen lijkt. God is een en al oog, een en al oor. Maar moeiteloos beweegt hij het Al met de denkkracht van zijn geest. Altijd blijft hij bewegingloos op dezelfde plaats en het betaamt hem niet de ene keer hierheen en de andere keer daarheen te bewegen.

Dat is een subtiele en moderne opvatting van God, duidelijk ongehoord onder de Griekse denkers. "De argumenten van Parmenides lijken aan te tonen dat de hele werkelijkheid in feite geest is," schrijft Hussey, "of iets dat in een geest gedacht wordt." Met name naar aanleiding Heraclitus zegt hij, "Bij Heraclitus valt moeilijk te zeggen in hoeverre het ontwerp in Gods geest onderscheiden worden van de realisering daarvan in de wereld, of in hoeverre Gods geest daadwerkelijk onderscheiden is van de wereld." De volgende sprong, van Anaxagoras, heeft me altijd gefascineerd. "Anaxagoras was uiteindelijk aanbeland bij een theorie over de microstructuur van de materie, die daardoor tot op zekere hoogte mysterieus werd voor het menselijke verstand." Anaxagoras geloofde dat alles door de Geest bepaald werd. Dit waren geen kinderachtige of primitieve denkers. Zij bespraken serieuze kwesties en bestudeerden elkaars meningen met groot inzicht. Pas in de tijd van Aristoteles werden hun ideeën teruggebracht tot wat wij kernachtig — maar onjuist — kunnen omschrijven als primitief. Een samenvatting van veel van de presocratische theologie en filosofie komt op het volgende neer: De kosmos is niet zoals die lijkt te zijn, en wat zij waarschijnlijk in wezen is, is precies wat de mens in wezen is — je kunt het geest of ziel noemen; het is iets dat een eenheid vormt, dat leeft en denkt en alleen meervoudig en materieel lijkt. Veel van die inzichten kunnen wij ontlenen aan de Logosleer met betrekking tot Christus. De Logos was zowel datgene dat dacht als datgene wat hij dacht: denker en denken samen. Het universum is dan denker en denken, en omdat wij daar deel van uitmaken, zijn wij als mens in laatste instantie gedachten en denkers van die gedachten.

Als God dus over Rome rond 50 n.C. denkt, dan ís het Rome rond 50 n.C. Het universum is geen opwinduurwerk en God de hand die het opwindt. Het universum is geen batterijhorloge en God de batterij. Spinoza dacht dat het universum het lichaam van God was, dat zich uitstrekt in de ruimte. Maar lang voor Spinoza — tweeduizend jaar eerder — had Xenophanes gezegd, "moeiteloos houdt hij alle dingen in stand door het denken van zijn geest" (Fragment 25).

Als iemand van jullie mijn boek Ubik heeft gelezen, weet hij dat de mysterieuze entiteit, geest of kracht die Ubik wordt genoemd, zijn loopbaan begint als een reeks goedkope en banale reclameboodschappen en eindigt met:

Ik ben Ubik. Ik ben, voordat het universum was. Ik maakte de zonnen. Ik maakte de werelden. Ik schiep de levenden en de plaatsen die zij bewonen; daar doe ik hen bewegen, daar zet ik hen neer. Zij gaan zoals ik zeg, zij doen wat ik hen vertel. Ik ben het Woord en mijn naam, de naam die niemand kent, wordt nooit uitgesproken. Ik wordt Ubik genoemd, maar dat is niet mijn naam. Altijd zal ik zijn.

Daaruit blijkt duidelijk wie en wat Ubik is; het zegt duidelijk dat het het Woord is, dat wil zeggen, de Logos. In de Duitse vertaling staat een van de wonderlijkste missers in het juist begrijpen, die ik ooit ben tegengekomen; God sta ons bij als de man die mijn boek Ubik in het Duits vertaalde, een vertaling zou maken van het Nieuwe Testament, van het koine-Grieks naar het Duits. Hij deed het prima tot hij belandde bij de zin "Ik ben het Woord." Dat bracht hem in verwarring. Wat zou de schrijver daarmee bedoelen? moet hij zichzelf afgevraagd hebben, omdat hij kennelijk nooit de Logosleer tegen was gekomen. Hij vertaalde het dus zo goed mogelijk. In de Duitse uitgave, zegt de Absolute Entiteit, die de zonnen en de werelden maakte, de levenden schiep en de plaatsen die zijn bewonen, van zichzelf:

Ik ben de merknaam.

Ik neem aan dat als hij het Evangelie van Johannes had vertaald, het resultaat was geweest: In den beginne was de Merknaam en de Merknaam was bij God en de Merknaam was God.

Illustratie Mortimer SnerdHet zou dan kunnen lijken dat ik jullie niet alleen de groeten breng van Disneyland, maar ook van Mortimer Snerd. Dat is het lot van een schrijver die de hoop gekoesterd heeft theologische onderwerpen in zijn schrijfsels te kunnen stoppen. "In den beginnen was de Merknaam dus bij God en alle dingen zijn door Hem geworden; zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is." Zo gaat dat met nobele ambities. Laten we hopen dat God gevoel voor humor heeft. Of eigenlijk moet ik zeggen, laten we hopen dat de Merknaam gevoel voor humor heeft. Zoals ik al eerder heb gezegd, zijn de twee hoofdthema’s in mijn boeken, "Wat is de werkelijkheid?" en "Wat is de authentieke mens?"

Mortimer Snerd

Ik ben er zeker van dat jullie onderhand kunnen zien dat ik de eerste vraag niet heb kunnen beantwoorden. Ik heb een niet-aflatend gevoel dat de wereld van de Bijbel op een of andere manier letterlijk een echt maar versluierd landschap is, dat nooit verandert, buiten ons zicht ligt, maar door middel van openbaring voor ons toegankelijk is. Dat is het enige dat ik kan bedenken — een mengeling van mystieke ervaring, redeneren en geloof. Ik zou echter nog wat willen zeggen over de kenmerken van de authentieke mens; in deze zoektocht heb ik meer aannemelijke antwoorden gevonden.

De authentieke mens is iemand van ons die instinctief weet wat hij niet moet doen, en daarbij ervoor terugschrikt zoiets te doen. Hij zal dat weigeren, zelfs als dat vreselijke consequenties met zich meebrengt voor hem en de mensen die hij liefheeft. Dat is volgens mij het ultieme heroïsche kenmerk van gewone mensen; zij zeggen nee tegen de tiran en aanvaarden rustig de consequenties van dat verzet. Hun daden zijn misschien onbeduidend en blijven bijna altijd onopgemerkt, onopgemerkt door de geschiedenis. Hun namen worden niet alleen niet herinnerd, maar deze authentieke mensen verwachten ook niet dat hun namen herinnerd worden. Ik zie hun authenticiteit op een ongewone manier: niet in hun bereidheid grote heroïsche daden te verrichten, maar in hun kalme weigeringen. In wezen kunnen zij niet gedwongen worden te zijn wat ze niet zijn.

Het geweld waarmee valse werkelijkheden tegenwoordig op ons inbeuken — deze opzettelijk vervaardigde vervalsingen, dringen nooit door tot het hart van waarachtige mensen. Ik zie de kinderen Tv-kijken en aanvankelijk schrok ik van wat hen daar geleerd wordt, maar toen realiseerde ik me dat "zij niet bedorven of vernietigd kunnen worden." Zij kijken, luisteren en begrijpen en vervolgens verwerpen ze, waar en wanneer dat nodig is. Er schuilt iets enorm krachtigs in het vermogen van een kind om bedrog te weerstaan. Een kind heeft het meest heldere oog, de meest vaste hand.  Reclameschrijvers, advertentieboeren, doen tevergeefs een beroep op de loyaliteit van deze kleine mensen. De cornflakesfabrieken kunnen dan wel enorme hoeveelheden ontbijttroep op de markt brengen; de hamburger- en hot-dog-ketens kunnen dan wel een eindeloos aantal onechte snack-troep slijten aan de kinderen, maar diep in hen klopt het hart vastberaden, onberoerd en onaangedaan. Een hedendaags kind kan een leugen sneller ontdekken dat de wijste volwassene van twintig jaar geleden. Als ik wil weten wat waar is, vraag ik dat aan mijn kinderen. Zij vragen mij niet; ik wend me tot hen.

Op zekere dag, terwijl mijn zoon Christopher vlak bij mij en zijn moeder zat te spelen, begonnen we met z’n tweeën te discussiëren over de figuur Jezus in de synoptische Evangeliën. Christopher keerde zich even naar ons toe en zei, "Ik ben een visser. Ik vis op vissen." Hij speelde met een metalen zaklamp, die ik van iemand gekregen en nooit gebruikt had…..en opeens realiseerde ik me dat de zaklamp de vorm had van een vis. Ik vroeg me af wat voor gedachten er op dat moment in het hoofd van mijn zoontje omgingen — die waren er niet ingebracht door cornflakeverkopers of snoepwinkeliers. "Ik ben een visser. Ik vis op vissen." Met zijn vier jaar had Christopher het symbool ontdekt dat ik pas gevonden had toen ik vijfenveertig was.

De tijd maakt haast. En met wat voor doel? Misschien is ons dat tweeduizend jaar geleden verteld. Of misschien was het niet zo lang geleden; misschien is het een waanidee dat er zoveel tijd is verstreken. Misschien was het een week geleden, of zelfs eerder vandaag. Misschien gaat de tijd helemaal niet sneller; misschien gaat de tijd wel ophouden.

En als dat gebeurt, zullen de achtbanen in Disneyland nooit meer hetzelfde zijn. Omdat als de tijd eindigt, de vogels, nijlpaarden, leeuwen en herten in Disneyland niet langer simulaties zullen zijn en daar dan voor het eerst een echte vogel zal zingen.

Dank u.



BOEKEN EN VERHALEN:

1955  Solar Lottery (ook World of Chance; Ned. vert.: De Aarde als Hoofdprijs *)
1956  The World Jones Made (Ned. vert.: Vlucht naar Venus ook als De Sterrenzwervers *)
1956  The Man Who Japed (Ned. vert.: De Laatste Lach *)
1957  Eye in the Sky (Ned. vert.: Het Oog aan de Hemel *)
1957  The Cosmic Puppets
1959  Time Out of Joint
1960  Vulcan's Hammer (Ned. vert.: De Hamer van Donar *)
1960  Dr. Futurity
1962  The Man in the High Castle (Ned. vert.: Laarzen in de Nacht ook als De Man in het Hoge Kasteel *)
1963  The Game-Players of Titan (Ned. vert.: De Spelers van Titan *)
1964  Clans of the Alphane Moon (Ned. vert.: De Zeven Clans van de Alphaanse Maan *)
1964  Martian Time-Slip (Ned. vert.: Martiaanse Tijdverschuiving *)
1964  The Penultimate Truth (Ned. vert.: Uur der Waarheid *)
1964  The Simulacra
1964  The Unteleported Man (Ned. vert.: De Eenling *)
1964  The Three Stigmata of Palmer Eldritch (Ned. vert.: De Drie Stigmata van Palmer Eldritch)
1965  Dr Bloodmoney: or How We Got Along After the Bomb (Ned. vert.: Dr. Bluthgeld, Leven na de Bom *)
1966  The Crack in Space
1966  Now Wait for Last Year (Ned. vert.: Wacht Nu op Vorig Jaar *)
1967  Counter-Clock World
1967  The Zap Gun (Ned: In de Ban van de Bom *)
1967  The Ganymede Takeover (met Ray Nelson)
1968  Do Androids Dream of Electric Sheep? (Ned. vert.: De Elektrische Nachtmerrie ook als Dromen Androïden van Elektrische Schapen? en als Bladerunner)
1969  Galactic Pot-Healer (Ned. vert.: De Pottengenezer van de Melkweg *)
1969  Ubik (NL: Ubik)
1970  Our Friends from Frolix 8 (Ned. vert.: Onze Vrienden van Frolix-8 *)
1970  A Maze of Death (Ned. vert.: Vlucht in Visioenen)
1972  We Can Build You (Ned. vert.: De Partner-Industrie)
1974  Flow My Tears, the Policeman Said (Ned. vert.: De Tranen van de Politieman *)
1976  Deus Irae (met Roger Zelazny; Ned. vert.: De God der Gramschap *)
1977  A Scanner Darkly (Ned. vert.: Schimmige Beelden *)
1984  Lies, Inc.
1984  In Milton Lumky Territory
1985  Radio Free Albemuth
1985  Puttering About in a Small Land
1985  Man Whose Teeth Were All Exactly Alike
1985  Humpty Dumpty in Oakland
1987  Mary and the Giant
1988  Nick and the Glimmung
1988  The Broken Bubble
1991  In Pursuit of Valis
2003  Cantata 140
2007  Voices from the Street

Verhalenbundels

1955  A Handful of Darkness (Ned. vert.: Een Handvol Duisternis *)
1957  The Variable Man
1969  The Preserving Machine and Other Stories
1971  The Father-Thing
1973  The Book of Philip K. Dick
1976  We Can Remember It for You Wholesale
1980  The Golden Man
1985  I Hope I Shall Arrive Soon
1987  Beyond Lies the Wub
1987  The Collected Stories of Philip K. Dick
1987  The Days of Perky Pat
1988  The Dark-Haired Girl
1989  Second Variety
1990  Little Black Box
1991  The Minority Report (Ned. vert.: Minority Report *)
1997  The Philip K. Dick Reader
2003  Paycheck and 24 Other Classic Stories
2006  Vintage Pkd
2007  Human Is?: A Philip K. Dick Reader
2008  The Variable Man and Other Stories
2008  Breakfast at Twilight and Other Stories

* Nog verkrijgbaar via www.boekwinkeltjes.nl



Ubik door Philip K. Dick

Door Time Magazine uitgekozen tot een van de 100 beste romans aller tijden, en waarom niet? Een verbijsterende verhandeling over van alles: metafysica, existentialisme, kapitalisme en de tragiek van een kerel met de geweldige naam ‘Joe Chip’, die strijdt met dezelfde vragen waar ‘PKD’ z’n leven lang streed, namelijk: ben ik dood, of zijn jullie - de rest van de wereld - dat? (Gawie Keyser)

Philip K. Dick, de geniale gek van de sciencefiction hoort nu bij de canon

NRC, vrijdag 28 september 2007, door Auke Hulst

Met de verschijning van vier romans in de Library of America is Philip K. Dick omarmd door de mainstream. Over de briljante krankzinnigheid van een sciencefictiongrootheid.


Naar boven