Home


DE NIEUWE ADAM EN EVA

door

Nathaniel Hawthorne

1846


Uit: MOSPLANTJES VAN EEN OUDE PASTORIE 

Wij, die geboren zijn in dit wereldwijde kunstmatige bestel, kunnen nooit precies weten hoe weinig er natuurlijk is in onze huidige toestand en omstandigheden, en hoeveel slechts het resultaat is van een geperverteerd menselijk brein en hart. Kunst is een tweede en hechtere natuur geworden, een stiefmoeder, wier sluwe tederheid ons geleerd heeft de vrijgevige en heilzame hulp van onze echte moeder te versmaden. Alleen door middel van onze verbeelding kunnen wij die ijzeren boeien, die wij waarheid en werkelijkheid noemen, losser maken en ons er zowaar deels van bewust worden hoezeer wij gevangen zitten. Stel dat de uitleg van de profetieën door die beste eerwaarde William Miller juist is gebleken. Over de hele aarde is de Dag des Oordeels losgebarsten en heeft de hele mensheid weggevaagd. Uit steden en velden, zeekusten en bergstreken in de binnenlanden, uitgestrekte continenten en zelfs de verste verwijderde eilanden in de oceanen, is elk levend wezen verdwenen. Geen enkele ademtocht van een geschapen wezen, verstoort de aardse atmosfeer. Maar de woonplaatsen van de mens, en alles wat hij tot stand heeft gebracht, de voetafdrukken van zijn dwaalwegen en de resultaten van zijn geploeter, de zichtbare symbolen van het cultiveren van zijn intellect en zijn morele vooruitgang, — kortom, al het stoffelijke dat blijk kan geven van zijn toestand op dat moment — zal onaangeroerd blijven voor het ingrijpen van het lot. Laten wij ons vervolgens voorstellen dat, om deze verwoeste en onbewoonde opnieuw te bevolken, een nieuwe Adam en Eva worden geschapen, met een volledig ontwikkelde geest en hart, maar zonder weet te hebben van hun voorgangers, noch van de verziekte omstandigheden die zich als een korst om hen heen hadden gevormd. Dat tweetal zou meteen het verschil zien tussen het kunstmatige en de natuur. Hun instinct en intuïtie zouden onmiddellijk de wijsheid en eenvoud van de laatste begrijpen; terwijl het eerste, met zijn uitgebreide perversiteiten, hen voortdurend voor raadsels zou stellen.

Laten we proberen, in een half speelse en half bedachtzame stemming, het spoor te volgen van deze denkbeeldige erfgenamen van onze sterfelijkheid, tijdens hun wederwaardigheden op die eerste dag. Pas gisteren was de vlam van het menselijke leven uitgedoofd; er is een ademloze nacht geweest; en nu breekt er een nieuwe morgen aan, die de aarde niet minder verlaten verwacht aan te treffen dan de dag tevoren.

De ochtend gloort. Ofschoon geen mensenoog het gadeslaat hult het Oosten hult zich in zijn eeuwenoude blos; want alle verschijnselen van de oorspronkelijke wereld vernieuwen zich steeds, ondanks de verlatenheid die nu over de hele wereld heerst. De schoonheid van aarde, zee en hemelgewelf is er nog steeds, ter wille van de schoonheid zelf. Maar weldra zullen er toeschouwers zijn. Op het moment dat de eerste zonnestralen de aardse bergtoppen vergulden, zijn twee mensen tot leven gekomen, niet in zo’n bloeiend Paradijs dat onze eerste ouders verwelkomde, maar midden in een moderne stad. Ze ontdekken dat ze bestaan en staren in elkaars ogen. Hun gevoel is er niet een van verbazing, en ze maken het niet moeilijker voor zichzelf met pogingen om te ontdekken wat ze zijn, waar ze vandaan komen en waarom ze er zijn. Voor beiden is het genoeg dat ze er zijn, omdat de ander er ook is; en hun eerste gevoel is er een van rustige en wederzijdse vreugde, die niet op dat moment opwelt, maar een voortzetting lijkt te zijn van een voorbije eeuwigheid. Aldus tevreden met de innerlijke stemming waarin zij beiden verkeren, kan de buitenwereld niet hun aandacht opeisen.

Al gauw voelen ze de onontkoombare noodzaak van dit aardse leven en beginnen kennis te maken met de dingen en omgeving die hen omringen. Misschien rest er geen enkele nog te maken stap, groter dan die zij maken op het moment dat zij zich voor het eerst afwenden van hun wederzijdse blik naar de dromen en schaduwen overal elders, die hen in verwarring brengen.

"Liefste Eva, waar zijn we?" roept de nieuwe Adam uit; want taal, of een gelijksoortige manier van uitdrukken is hen aangeboren, en gaat net zo natuurlijk als ademen. "Volgens mij herken ik deze plek niet."

"Ik ook niet, lieve Man," antwoordt de nieuwe Eva. "En wat een vreemde plaats eigenlijk! Ik zal wat dichter bij je komen en alleen maar naar jou kijken; want alles wat ik verder zie stoort me en brengt me in de war."

"Nee, Eva,"antwoordt Adam, die zich meer aangetrokken voelt door de stoffelijke wereld, "het zou goed zijn als we wat meer van dit alles gaan begrijpen. We zitten in een wonderlijke situatie hier. Laten we wat rondkijken."

Zonder twijfel is er genoeg te zien om de nieuwe erfgenamen in een hopeloos verwarde toestand te brengen. De lange rijen gebouwen met hun, in het gouden zonlicht, schitterende ramen, en de smalle straat daartussen, met zijn kale bestrating met sporen en littekens van wielen, die nu weggerateld zijn naar een onherroepelijk verleden! De verkeersborden met hun onbegrijpelijke hiëroglyfen! De vierkante, lelijke, regelmatige en onregelmatige vervormingen die het oog treffen! De tekenen van verval en onherroepelijk bederf, dat mensenwerk onderscheidt van het groeien van de natuur! Wat betekent dit alles, dat het een glimp van betekenis kan overbrengen op een gemoed, dat geen weet heeft van het kunstmatige geheel, dat blijkt uit elke lantaarnpaal en elke baksteen van de huizen? Bovendien moet de volslagen eenzaamheid en stilte, van een schouwspel dat oorspronkelijk zijn ontstaan dankte aan lawaai en drukte, zelfs op Adam en Eva de indruk maken van verlatenheid, nietsvermoedend als ze zijn van de recente uitroeiing van het menselijke bestaan. In een woud zou eenzaamheid leven betekenen; in een stad betekent het dood.

De nieuwe Eva kijkt rond met een gevoel van twijfel en argwaan, zoals een stadse dame, dochter van ontelbare generaties van burgers, zich zou voelen als ze opeens overgebracht werd naar de Hof van Eden. Uiteindelijk ontdekken haar neergeslagen ogen een klein plukje gras, dat net begint uit te spruiten tussen de stenen van het plaveisel; nieuwsgierig grijpt ze het en voelt dat dit gewasje iets wakker maakt in haar hart. De natuur heeft haar niets anders te bieden. Adam heeft de straat naar beide richtingen afgespeurd zonder een enkel voorwerp te ontdekken dat hij kan begrijpen, en keert ten slotte zijn gezicht naar het hemelgewelf. Daar is echt iets wat het diepst van zijn hart herkent.

"Kijk daar, mijn eigen Eva," roept hij, "wij horen vast thuis te midden van die goudgekleurde wolken of in de blauwe diepten daar voorbij. Ik weet niet hoe of wanneer, maar wij zijn duidelijk afgedwaald van ons thuis; want hier om ons heen zie ik niets dat bij ons lijkt te horen."

"Kunnen we niet naar boven klimmen?" vraagt Eva.

"Waarom niet?" antwoordt Adam, hoopvol. "Maar nee; er iets dat ons omlaagtrekt hoezeer we ons ook inspannen. Misschien vinden we later wel een pad."

Met de energie van een nieuw leven lijkt het niet zo’n onuitvoerbaar kunststukje om naar de hemel op te klimmen. Maar ze hebben wel al een trieste les gekregen, die er uiteindelijk toe zou kunnen leiden dat zij afdalen tot het niveau van de heengegane mensheid, door te begrijpen dat ze het platgetreden pad van de aarde moeten volgen. Nu gaan ze verder op hun zwerftocht door de stad, in de hoop te kunnen ontsnappen aan deze onaangename atmosfeer.

In hun prille geestelijke veerkracht hebben zij al het gevoel van vermoeidheid ontdekt. Wij zullen hen gadeslaan als zij een paar winkels, openbare en particuliere gebouwen binnengaan; want elke deur, van wethouder of bedelaar, van kerk of staatspaleis, is opengezwaaid door dezelfde kracht die hun bewoners heeft weggemaaid.

En zo gebeurt het, — en gelukkig voor Adam en Eva, die nog steeds in het kostuum lopen dat beter gepast had in de Hof van Eden, — en zo gebeurt het dus, dat het eerste wat ze bezoeken een textiel- en kledingwinkel is. Geen hoffelijke en opdringerige bedienden haasten zich om hun bestellingen in ontvangst te nemen; geen menigte vrouwen stort zich op de weelderige Parijse stoffen. Alles is verlaten; de handel is tot stilstand gekomen; en zelfs geen echo van de nationale leuze, "Loop door!" verstoort de rust van de nieuwe klanten. Maar exemplaren van de laatste aardse mode, zijden kledingstukken in allerlei kleurschakeringen, en alles wat er maar aan het fijnste en prachtigste is voor het opsieren van het menselijke figuur, liggen hier overal in het rond, overvloedig als glanzende herfstbladeren in een bos. Adam bekijkt een paar van de kledingstukken, maar gooit ze weer achteloos terzijde met een soort uitroep die zou kunnen lijken op "bah!" of "gadver!" in de nieuwe woordenschat van de natuur. Eva, — als het ware zonder haar aangeboren eerbaarheid geweld aan te doen, — onderzoekt echter deze schatten van haar eigen sexe met een wat levendigere belangstelling. Er liggen toevallig een paar korsetten op de toonbank; ze bekijkt ze nieuwsgierig, maar weet niet was ze ermee aan moet. Dan betast ze met een vaag verlangen een modieus zijden kledingstuk; gedachten dwalen her en der, instincten tasten in het duister.

"Eigenlijk hou ik hier niet van," merkt ze op, terwijl ze de glanzende stof weer op de toonbank legt. "Maar, Adam, het is wel heel vreemd. Wat zou de bedoeling zijn van die dingen? Ik zou het vast moeten weten; toch brengen ze me helemaal in de war."

"Poeh! Mijn liefste Eva, waarom zou jij dat kleine hoofdje van je lastig vallen met dergelijke onzin?" roept Adam uit, in een vlaag van ongeduld. "Laten we ergens anders naar toe gaan. Maar wacht even; wat prachtig! Mijn liefste Eva, wat heb jij van die jurk iets charmants gemaakt, door die alleen maar over je schouders te gooien!"

Want Eva, met de smaak die de natuur in haar aard heeft gekneed, heeft een lap prachtig zilveren stof gepakt en om haar figuur gewikkeld, zodanig dat het Adam zijn eerste idee geeft van de betovering van kledij. Hij slaat zijn echtgenote gade in een nieuw licht en met hernieuwde bewondering; toch kan hij nauwelijks een andere uitdossing aanvaarden, dan haar eigen goudblonde lokken. Hij volgt echter Eva’s voorbeeld, grijpt lukraak een blauwfluwelen mantel en slaat die zo sierlijk om zich heen dat het lijkt alsof die vanuit de hemel over zijn imposante gestalte heen is vallen. Aldus gekleed gaan ze op zoek naar nieuwe ontdekkingen.

Daarna lopen ze een kerk binnen, niet om te koop te lopen met hun prachtige kleren, maar aangetrokken door haar naar de hemel reikende torenspits, waar ze al naartoe hadden willen beklimmen. Terwijl zij het voorportaal betreden herhaalt de klok, die door de koster als zijn laatste aardse daad nog was opgewonden, het uur in donkere, weergalmende klanken; want de Tijd heeft zijn laatste kroost overleefd en spreekt nu met de hem door de mens geschonken ijzeren tong, haar twee kleinkinderen toe. Ze luisteren, maar begrijpen haar niet. De natuur placht de tijd te meten met de opeenvolging van gedachten en daden, die het echte leven vormen, en niet met uren van leegte. Zij lopen over het gangpad en richten hun ogen naar het plafond. Als onze Adam en Eva sterveling waren geworden in een Europese stad, en rondgedwaald hadden in een enorme en grootse kathedraal, zouden ze misschien begrepen hebben waarom de zeer bezielde stichters haar hadden gebouwd. Als het duistere ontzagwekkende van een oerwoud, zou de sfeer hen opgeroepen hebben tot gebed. Binnen de enge muren van Amerikaanse kerk kan zoiets niet gebeuren.

Toch is hier nog wat geur van de godsdienst blijven hangen, de erfenis van vrome zielen, die de gunst verleend werd zich te verheugen in een voorproef van het onsterfelijke leven. Misschien fluisteren zij hun opvolgers wel een voorzegging in van een betere wereld, die nu blootgesteld zijn aan al hun eigen zorgen en het onheil in de huidige wereld.

"Eva, er is iets dat me dwingt omhoog te kijken, "zegt Adam, "maar het stoort me dat dak te zien tussen ons en de hemel. Laten we weggaan, misschien kunnen we een Grote Gedaante ontdekken die op ons neerkijkt."

"Ja, een Grote Gedaante, met een stralende blik van liefde, als zonneschijn," antwoordt Eva. "Wij hebben vast al ergens zo’n gezicht gezien."

Ze lopen de kerk uit en knielend op de drempel geven zij zich over aan de natuurlijke aandrang van de geest tot aanbidding van een weldoende Vader. Maar in feite is hun leven tot nu toe een doorlopend gebed geweest. Zuiverheid en eenvoud voeren elk moment een gesprek met hun Schepper.

We zien ze nu een rechtbank binnenlopen. Hoe kunnen ze in de verste verte ook maar begrijpen wat de bedoeling van een dergelijk gebouw is? Hoe zouden ze op het idee kunnen komen dat mensenbroeders, met dezelfde natuur als zijzelf, en oorspronkelijk begiftigd met dezelfde gebod der liefde, hun enige leidraad van het leven, ooit behoefte zouden hebben gehad aan een uiterlijke bekrachtiging van hun ware innerlijke stem? En wat zou hen, behalve een smartelijke ervaring, — een duister gevolg van vele eeuwen, — in kunnen wijden in de tragische geheimen van de misdaad? O Rechterstoel, niet door de reinen van hart zijt gij ingesteld, noch door de armen van geest; maar door hardvochtige en verkreukelde mensen, en geplaatst op de opeengehoopte berg van het aardse kwaad. Gij zijt het zinnebeeld van de ‘s mensens ontaarde toestand.

Even vergeefs bezoeken onze wandelaars daarna het Gebouw van de Wetgevende Macht. Adam laat Eva plaatsnemen op het spreekgestoelte, onbewust van de moraal die hij daarmee verbeeldt. Het intellect van de Man, verzacht door de tederheid en het morele gevoel van de Vrouw! Als dat de wetgeving van de wereld zou zijn, zou er geen behoefte zijn aan Regerings-, Congres- en Parlementsgebouwen, zelfs niet aan die kleine vergaderingen van stamhoofden onder lommerrijke bomen, door wie voor het eerst de vrijheid werd vertolkt voor de mensheid aan onze eigen kusten.

Waar gaan ze nu naartoe? Een verderfelijk lot lijkt hen in verwarring te brengen met het ene na het andere van de raadsels, die de mensheid het dwalende universum heeft verkondigd en door haar eigen vernietiging onopgelost heeft gelaten. Ze betreden een uit grimmige grijze stenen opgetrokken gebouw, afgezonderd te midden van andere, naargeestig, ondanks de stralen van de zon, die het nauwelijks kunnen binnendringen door de ijzeren getraliede ramen. Het is een gevangenis. De gevangenbewaarder heeft zijn post verlaten op bevel van een grotere autoriteit dan die van de sheriff. En de gevangenen dan? Heeft de boodschapper van het lot, toen hij alle deuren opende, het dwangbevel van het gezag en het vonnis van de rechter in acht genomen en de bewoners van de kerkers achtergelaten om ze over te laten aan de bestemde loop van de aardse wet? Nee, een hoger gerechtshof heeft een nieuw onderzoek gelast, waarbij wellicht rechter, jury en gevangene naast elkaar in de beklaagdenbank plaats hebben moeten nemen en misschien de een niet schuldiger is bevonden dan de ander. Net als de hele aarde is de gevangenis nu verlaten en heeft daarmee iets van haar grauwe naargeestigheid verloren. Maar de kleine cellen zijn er nog, als graftombes, alleen somberder en dodelijker, omdat daarin samen met het lichaam de onsterfelijke geest was begraven. Op de muren doemen inscripties op, gekrabbeld met een potlood of gekrast met een roestige spijker; misschien korte woorden van doodsangst, van wanhopig verzet van de schuldige tegen de wereld, of gewoon het optekenen van een datum, waarmee de schrijver de voortgang van het leven probeerde bij te houden. Geen levend oog kan die gedenktekens nog ontcijferen.

Het komt ook niet doordat ze nog maar zo kort geleden uit de hand van de Schepper gekomen zijn, dat de nieuwe aardbewoners — nee, noch hun nazaten over duizend jaar — niet konden ontdekken dat dit gebouw een ziekenhuis was voor de vreselijkste ziekte die hun voorgangers kon treffen. Zijn patiënten droegen de uiterlijke symptomen van de melaatsheid, waardoor iedereen min of meer was aangetast. Ze waren — en dat gold ook voor de zuiversten van hun broeders — besmet door de zonde-epidemie. Inderdaad een dodelijke ziekte! Als zij die zonde in hun borst voelden, verborgen mensen die angstig en beschaamd, en waren dan nog alleen maar wreder voor de ongelukkigen bij wie de verderfelijke zweren duidelijker te zien waren voor het blote oog. Behalve weelderige kleding kon niets ooit die pestplek verbergen. In de loop van het bestaan van de wereld werd elk geneesmiddel uitgeprobeerd om het te genezen en uit te snijden, behalve dat ene, de bloem die in de Hemel groeide en heilzaam was voor alle ellende in de wereld. Nooit had de mens geprobeerd de zonde te genezen met liefde. Had hij dat maar ooit gedaan, dan had het best kunnen gebeuren dat er geen behoefte meer was geweest aan de duistere leprozerie waarin Adam en Eva hadden rondgedwaald. Haast je weg, met jullie aangeboren onschuld, anders zullen de dampen van deze nog steeds bewuste muren jullie eveneens besmetten, en zal zich opnieuw een zondig ras voortplanten!

IllustratieNadat hij vanuit het gevangenisgebouw naar buiten gelopen is, blijft Adam binnen de ommuring staan onder een uiterst simpel bouwsel, dat toch voor hem volstrekt onbegrijpelijk is. Het bestaat gewoon uit twee rechtopstaande palen, die een dwarsbalk ondersteunen, waaraan een touw bungelt.

"Eva, Eva!" roept Adam, huiverend van een onbestemde afschuw. "Wat kan dit nu zijn?"

"Ik weet het niet," antwoordt Eva; "maar, Adam, mijn hart is bedroefd! Er lijkt geen blauwe lucht meer te zijn — geen zonneschijn meer!"

Het is misschien het terecht dat Adam huivert en die arme Eva bedroefd van hart is, want dit geheimzinnige ding was het kenmerkende van het hele stelsel dat bedoeld was om de grote problemen die God hen gegeven had om op te lossen, — een stelsel van angst en wraak, dat nooit iets opleverde, en toch tot op het laatst werd betracht. Hier was, op de ochtend dat de laatste aanzegging kwam, een misdadiger — een enkele misdadiger, terwijl niemand onschuldig was — aan de galg gestorven. Had de wereld de voetstap gehoord van haar eigen naderende ondergang, dan zou het geen misplaatste daad geweest zijn om het register van haar daden op zo’n kenmerkende manier af te sluiten.

De twee pelgrims haasten zich nu weg van de gevangenis. Als ze hadden geweten hoe de voormalige bewoners van de aarde opgesloten zaten in kunstmatige dwalingen en verkrampt en geketend waren door hun zedeloosheid, zouden zij wel eens de hele zedelijke wereld vergeleken kunnen hebben met een gevangenis, en het wegvagen van de mensheid als een wereldwijd vrijlating uit de gevangenis hebben kunnen zien.

Vervolgens gaan ze onaangekondigd, — al was hun aanbellen aan de deur toch tevergeefs geweest, — een particulier huis binnen, een van de statigste in de Beacon Street. Onstuimige en klagelijke flarden muziek trillen door het huis, het ene moment aangroeiend tot een plechtig orgelgeluid, dan weer uitdovend tot het zwakste geruis, alsof een of andere geest, die zich betrokken voelde bij het verscheiden van het gezin, zichzelf bejammerde in de verlatenheid van hal en kamers. Misschien was een maagd, de zuiverste van de sterfelijke mensheid, achtergelaten om een dodendienst te houden voor de hele mensenfamilie. Dat was niet zo. Het zijn de klanken van een eolische harp, waar de natuur de in elk zuchtje wind verscholen harmonie doorheenstuwt, van zomerbries tot storm. Adam en Eva zijn opgegaan in vervoering, zonder zweem van verrassing. De voorbijstromende wind, die de snaren van de harp in beweging bracht, is gaan liggen, nog voordat het in hen op kan komen het prachtige meubilair, de fraaie vloerkleden en de inrichting van de kamers gade te slaan. Die dingen houden hun ongeoefende ogen wel aangenaam bezig, maar raakt niets binnen in hun hart. Zelfs de schilderijen aan de wand wekken nauwelijks meer belangstelling in hen op; want er schuilt iets uiterst kunstmatigs en bedrieglijks in schilderijen, dat een geest die in haar oorspronkelijke eenvoud verkeert, niet kan waarderen. De ongenode gasten bestuderen een rij familieportretten, maar zijn te onbevangen om daar mannen en vrouwen in te herkennen, onder die vermomming van lachwekkende kledij, en met beschamende gelaatstrekken en –uitdrukkingen, overgeleverd door eeuwen van moreel en lichamelijk verval.

Het toeval biedt hen echter beelden van de menselijke schoonheid, rechtstreeks uit de hand van de Natuur. Bij het betreden van een prachtige kamer zien ze verbaasd, maar niet geschrokken, twee gedaanten op hen toelopen. Is het niet een gruwelijk idee dat er, behalve hun eigen, nog meer leven in de wijde wereld overgebleven zou zijn?

"Wat is dat nou?" roept Adam uit. "Mijn mooie Eva, ben je op twee plaatsen tegelijk?"

"En jij dan, Adam!" antwoordt Eva, weifelend, maar verrukt. "Die edele en prachtige gestalte is vast van jou. En toch ben je hier naast me. Eén Adam is voor mij genoeg, — me dunkt dat er geen twee hoeven te zijn."

Dit wonder wordt teweeggebracht door een grote spiegel, een geheim dat ze al snel doorhebben, omdat de Natuur een spiegel schept voor het menselijke gelaat in elke waterplas en voor haar eigen gelaatstrekken in rimpelloze meren. Blij en tevreden met het kijken naar zichzelf, ontdekken ze nu in een hoek van de kamer het marmeren beeld van een kind, zo voortreffelijk vormgegeven, dat het bijna kan dienen als een profetisch evenbeeld van hun eerstgeborene. Het beste beeldhouwwerk is waarheidsgetrouwer dan een schilderstuk, en lijkt zich ontwikkeld te hebben uit een natuurlijke kiem, door dezelfde wetmatigheid als een blad of bloem. Het beeld van het kind geeft het eenzame paar het gevoel van gezelschap; het verwijst tevens naar geheimen van verleden en toekomst.

"Mijn man!"fluistert Eva.

"Wat wil je zeggen, liefste Eva?" vraagt Adam.

"Ik vraag me af," gaat ze verder, "of we wel alleen zijn in deze wereld, maar dat we een soort angstig gevoel hebben bij het idee dat er nog andere bewoners zijn. Wat een prachtig beeldje! Heeft het ooit geademd? Of is het de schaduw van iets werkelijks, zoals onze beelden in de spiegel?

"Vreemd!" antwoordt Adam, terwijl hij zijn hand tegen zijn voorhoofd drukt. "Overal om ons heen geheimen. "Er schiet de hele tijd een gedachte door mijn hoofd, — ik wou dat ik het kon pakken! Eva, Eva, lopen we in de voetstappen van wezens die op ons leken? Als dat zo is, waar zijn ze dan naartoe gegaan? — en waarom is hun wereld voor ons zo’n ongeschikte verblijfplaats?"

"Dat weet alleen onze grote Vader," antwoordt Eva. "Maar iets zegt me dat we niet altijd alleen zullen blijven. Wat zou het heerlijk zijn als andere wezens ons in de gedaante van dit mooie beeld zouden bezoeken!"

Daarna dwalen ze door het huis en vinden overal tekenen van menselijk leven, die nu, met het idee dat ze net hebben geopperd, nog meer nieuwsgierigheid in hen oproept. De vrouw heeft hier sporen achtergelaten van haar gevoeligheid en verfijning en haar beminnelijke activiteiten. Eva doorzoekt een werkmandje en duwt instinctief de roze top van haar vinger in een vingerhoed. Ze pakt een borduurwerkje op, met glimmende namaakbloemen; in een ervan heeft een mooie jongedame van de uitgestorven mensheid een naald achtergelaten. Jammer dat de Dag des Oordeels de voltooiing van een zo nuttige taak heeft verhinderd! Eva heeft haast het gevoel dat ze het kan afmaken. De piano is open blijven staan. Snel beweegt ze haar hand achteloos over de toetsen en ontlokt daar opeens een melodie aan, die niet minder natuurlijk klinkt dan de flarden van de eolische harp, maar dan vreugdevol en met het speelse van haar nog zorgeloze leven. Na een donkere gang vinden ze achter een deur een bezem; en Eva, die hele aard van het vrouw-zijn omvat, heeft het vage idee dat het een voor haar hand geëigend apparaat is. In een andere kamer zien ze een hemelbed en alle benodigdheden voor een aangenaam verpozen. Een hoop herfstbladeren zou beter aan dit doel beantwoorden. Ze lopen de kinderkamer in en staan verbaasd bij de aanblik van kleine jurkjes en mutsjes, kleine dingetjes, en een wiegje, waarin middenin nog een afdruk zichtbaar is in de vorm van een baby. Adam merkt die kleinigheidjes nauwelijks op, maar Eva verzinkt in stilzwijgend gepeins, waar zij maar met moeite uitgehaald kan worden.

Door een uiterst ongelukkige samenloop van omstandigheden zou er in dit huis een groot diner gegeven worden, net op dag dat de hele mensenfamilie, waaronder de genode gasten, werden ontboden in onbekende regionen van de oneindige ruimte. Op het moment dat het lot toesloeg, was de tafel al gedekt en stond het gezelschap op het punt te gaan zitten. Adam en Eva treffen ongenood het feestmaal aan; het is nu al enige tijd koud, maar anders had het hen voorzien van de meest uitgelezen voorbeelden van de kookkunst van hun voorgangers. Maar de verwarring van het onbevangen stel valt moeilijk voor te stellen, als ze proberen geschikt voedsel te vinden voor hun eerste maaltijd, op een tafel waar de verfijnde smaak van een chique gezelschap gestreeld moest worden. Zal de Natuur hen het geheim onthullen van een bord schildpaddensoep? Zal zij hen aanmoedigen aan te vallen op een stuk wildbraad? Zal zij hen inwijden in het verdienstelijke van een Parijse pastei, geïmporteerd door de laatste stoomboot die de Atlantische Oceaan nog overstak? Zal zij hen niet eerder smeken zich met weerzin af te wenden van die vis, gevogelte en vlees die in hun neusgaten walmen met een weerzinwekkende geur van dood en verderf? — Voedsel? De menukaart bevat niets dat zij als zodanig herkennen. Gelukkig staat er wel een nagerecht op een belendende tafel.

Adam, wiens eetlust en dierlijke instincten sneller werken dan die van Eva, ontdekt dat geschikte feestmaal.

"Hier, liefste Eva," roept hij uit, — "hier is eten."

"Nou ja," antwoordde ze, met het beginnetje van de huisvrouw die zich in haar roerde, "we zijn vandaag zo druk geweest, dat zo’n geplukt diner vast zal smaken."

Dus loopt Eva naar de tafel toe en krijgt uit handen van haar echtgenoot een roodgewangde appel, als vergelding voor de noodlottige gift van haar voorgangster aan onze gemeenschappelijke voorvader. Ze eet het zonder zonde op en, laten we hopen, zonder rampzalige gevolgen voor haar toekomstige nageslacht. Ze verorberen een rijkelijke, maar bescheiden hoeveelheid fruit, dat, hoewel niet verzameld in het Paradijs, toch rechtmatig ontleend is aan de zaden die daar geplant werden. Hun eerste honger is gestild.

"Wat zullen we drinken, Eva?" vraagt Adam.

Eva kijkt naar wat flessen en karaffen, waarvan ze, omdat ze vloeistoffen bevatten, vanzelfsprekend aanneemt dat ze wel geschikt moeten zijn om de dorst te lessen. Maar nooit eerder heeft rode en witte wijn en Madeira, met een rijk en zeldzaam boeket, zoveel walging opgewekt als nu.

"Bah!" roept ze uit, na aan verschillende wijnen geroken te hebben. "Wat is dat voor spul? De wezens die ons voorgegaan zijn kunnen niet dezelfde aard gehad hebben als wij; want noch hun honger, noch hun dorst waren als die van ons."

"Geef me die fles daar alsjeblieft aan, "zegt Adam. "Als het voor enig soort sterveling drinkbaar is geweest, kan ik daar vast mijn keel mee bevochtigen."

Na wat tegenstribbelen, pakt ze een fles champagne, maar schrikt van het plotselinge ploffen van de kurk, en laat hem op de grand vallen. Daar stroomde de onaangeroerde drank bruisend weg. Hadden ze zich er wel aan te buiten gegaan, dan zouden zij dat kortdurende delirium hebben meegemaakt, waarmee de mens, geprikkeld door of morele of lichamelijke oorzaken, zich probeerde schadeloos te stellen voor de rustige, levenslange genietingen die hij was kwijtgeraakt door zijn in opstand komen tegen de natuur. Ten slotte vindt Eva in een koelkast een glazen kruik met water, zuiver, koud en helder, dat ooit in de heuvels uit een bron stroomde. Beiden drinken en het geeft zo’n verfrissing dat zij zich afvragen of deze kostelijke drank niet dezelfde is als de levensstroom binnenin hen.

"En nu," merkt Adam op, "moeten we proberen te ontdekken wat voor wereld dit is en waarom wij hier naartoe zijn gestuurd."

"Waarom? om elkaar lief te hebben," roept Eva uit. "is dat niet genoeg?"

"Dat is waar," antwoordt Adam en kust haar; "maar toch — ik weet het niet — is er iets dat ons zegt dat er iets gedaan moet worden. Misschien is de ons toebedeelde taak niets anders dan de lucht in te klimmen, die zoveel mooier is dan de aarde."

"Dan zouden wij daar nu moeten zijn," mompelt Eva, "zodat er geen taak of plicht meer tussen ons zou kunnen komen!"

Zij verlaten het gastvrije huis en wij zien hen vervolgens de State Street oversteken. De klok op het Statengebouw wijst twaalf uur ’s middags, de tijd waarop de Beurs op zijn drukst en het levendigste toonbeeld zou moeten zijn van wat, voor een grote menigte van voormalige wereldburgers, de enige bezigheid in het leven was. Dat is nu voorbij. De sabbat van de eeuwigheid heeft haar stilte over de straat uitgegoten. Zelfs geen krantenjongen bestormt de twee eenzame voorbijgangers met een extra dubbeltjeskrant van de Times of Mail, met het volledige verslag van de vreselijke ramp van gisteren. Van alle saaie tijden die handelaren en speculanten hebben gekend, is dit de ergste; want voor zover zij daarbij waren betrokken, heeft de schepping zelf de vrijheid genomen hen bankroet te verklaren. Eigenlijk jammer. Die machtige kapitalisten, die net hun felbegeerde rijkdom hadden verworven! Die sluwe handelslieden die zovele jaren gewijd hadden aan de meest ingewikkelde en kunstmatige van alle wetenschappen, en die net onder de knie hadden toen het wereldwijde bankroet werd aangekondigd door trompetgeschal! Zouden zij zo onvoorzichtig zijn geweest zich geen valuta aan te schaffen van het land waar ze naartoe zijn gegaan, wissels en kredietbrieven van de noodlijdenden voor de boekhouders van de hemel?

Adam en Eva lopen een Bank binnen. Schrik niet, gij die uw kapitaal hier in bewaring hebt gegeven! Nooit meer zult gij het nodig hebben. Roep de politie niet. Voor dit eenvoudige stel zijn straatstenen en het geld in de bankkluizen evenveel waard. Een merkwaardig gezicht! Ze pakken handenvol glanzend goud op en gooien dat speels in de lucht, alleen maar om de blikkerende waardeloosheid als een regenbui neer te zien kletteren. Ze weten niet dat elk van die kleine gelen rondjes ooit iets betoverends had, in staat om het hart van de mensen te beheersen en hun moraal te misleiden. Ze mogen hier bijkomen van het onderzoek van het verleden. Ze hebben de drijvende kracht ontdekt, het leven, het wezen van het systeem dat zich ingedrongen had in de levenskracht van de mensheid en in zijn dodelijke greep haar oorspronkelijke natuur had gesmoord. Maar hoe machteloos staat die tegenover deze jonge erfgenamen van de opgepotte aardse rijkdom! Hier liggen ook enorme stapels bankbiljetten, die gelukbrengende papiertjes die ooit in staat waren luchtkastelen te bouwen en allerlei hachelijke wonderen tot stand te brengen, maar zelf slechts de geest van het geld waren, de schaduw van een schaduw. Hoezeer lijkt die kluis op de grot van de tovenaar, als zijn almachtige toverstaf is geknakt, de denkbeeldige pracht is verdwenen en de vloer bezaaid ligt met brokstukken van vergruizelde toverspreuken en ooit door demonen bezielde levenloze dingen!

"Overal, mijn lieve Eva," merkt Adam op, "vinden we allerlei hopen troep. Ik ben ervan overtuigd dat iemand moeite heeft gedaan om die dingen te verzamelen, maar waarom? Misschien zullen we later wel hetzelfde gaan doen. Zou dat dan onze bezigheid in de wereld moeten zijn?"

"O nee, nee, Adam!" antwoordt Eva. "We zouden beter rustig kunnen gaan zitten en omhoog kijken naar de lucht." Net op tijd verlaten ze de Bank; want als ze getreuzeld hadden zouden ze misschien een oude jichtige kwelgeest tegen het lijf gelopen zijn van een kapitalist, wiens ziel met haar schatten nergens anders kon zijn dan in de kluis.

Vervolgens treffen wij hen aan in een juwelierswinkel. Ze genieten van de schittering van de edelstenen. Adam hangt een prachtig parelsnoer rond de hals van Eva en maakt zijn eigen mantel dicht met een fonkelende diamanten broche. Eva bedankt hem en kijkt stralend naar zichzelf in de dichtstbijzijnde spiegel. Even daarna ziet ze een boeket rozen en andere prachtige bloemen in een vaas met water staan; ze gooit de kostbare parels weg en versiert zichzelf met deze nog mooiere edelstenen van de natuur. Zij bekoren haar zowel door het gevoel, als door hun schoonheid.

"Het zijn vast levende wezens," merkt ze op tegen Adam.

"Ik denk het ook," antwoordt Adam, "en het lijkt alsof zij zich evenmin in deze wereld thuisvoelen als wij zelf."

We moeten niet proberen elke voetstap te volgen van deze onderzoekers, die van de Schepper de opdracht hebben gekregen onbewust een oordeel te vellen over het doen en laten van de verdwenen mensheid. Snel en nauwkeurig van begrip, beginnen ze langzamerhand de bedoeling van veel dingen rond hen te bevatten. Zij vermoeden bijvoorbeeld dat de gebouwen van de stad niet rechtstreeks opgetrokken zijn door de hand die de wereld gemaakt heeft, maar als beschutting en voor het gemak, door mensen die enigszins op henzelf leken. Maar hoe moeten ze pracht van de ene woning verklaren, tegenover de smerige ellende van een andere? Op wat voor manier kan het idee van slaafsheid tot hen doordringen? Wanneer zullen zij het belangrijke en rampzalige feit begrijpen — waarvan de bewijzen zich overal aan hun zintuigen opdringen — dat het ene deel van de verdwenen aardbewoners zich wentelde in weelde, terwijl de meerderheid ploeterde voor wat karig voedsel? Eerst moet zich daadwerkelijk een tragische verandering in hun geest voltrekken, voordat ze kunnen begrijpen dat het eerste gebod van Liefde al zolang geleden al is afgeschaft, zodat de ene broeder altijd wilde hebben wat de andere broeder had. Als zij tot dat inzicht gekomen zullen zijn, zal dit nieuwe nageslacht van de Aarde weinig redenen hebben om te juichen over het oude, verworpen geslacht.

Illustratie Bunker Hill monumentHun zwerftocht heeft hen nu naar de buitenwijken van de stad gevoerd. Ze staan op een grazige helling van een heuvel, aan de voet van een granieten obelisk, die met haar grote vinger omhoog wijst, alsof de mensenfamilie had afgesproken, door middel van een, eeuwenlang de tijd trotserend, zichtbaar symbool, een bepaald dankoffer of smeekbede te brengen. De plechtstatige hoogte van het monument, zijn grote eenvoud, en de afwezigheid van enig alledaags en praktisch nut, versterken de indruk die het maakt op Adam en Eva en zorgen ervoor dat zij het met een zuiverder gevoel interpreteren, dan de gedachte die bouwers daarmee tot uitdrukking brachten.

"Eva, dat is een zichtbaar gebed," merkt Adam op.

"Laten we ook bidden," antwoordt ze.

Wij zullen het deze arme, vader- en moederloze kinderen, vergeven dat zij zich zo vreselijk vergist hebben in de betekenis van het gedenkteken, dat door de man opgericht en door de vrouw voltooid werd, op de wijd en zijd befaamde Bunker Hill. Ook het idee oorlog is hen niet aangeboren. Zij hebben geen waardering voor de dappere verdedigers van de vrijheid, omdat onderdrukking ook een van hun onvermoede geheimen is. Als ze zouden weten dat het groene grasveld waar zij nu zo vredig op staan, ooit bezaaid lag met lijken en rood van hun bloed was, zou het hen bovendien verbazen dat de ene mensengeneratie zo’n slachting kan aanrichten en dat de volgende generatie dat triomfantelijk herdenkt.

Met een gevoel van verrukking slenteren ze over de groene velden en langs de oever van een kabbelende rivier. Niet om ze te dicht op de voet te volgen, maar nu treffen we de zwervers aan terwijl ze een uit grijze stenen opgetrokken Gotisch gebouw zien binnengaan, waar de voorbije wereld alles heeft achtergelaten wat zij de moeit waard vond om op te schrijven, de uitgebreide bibliotheek van de Harvard-universiteit. Geen enkele student heeft ooit zo’n verlatenheid en stilte geproefd dan die nu heersen in haar diepe nissen. De huidige bezoekers begrijpen maar weinig van de mogelijkheden die hen in de schoot geworpen worden. Toch kijkt Adam angstig naar de lange rijen boeken, de opgetekende geschiedenis van de hoogtepunten van de menselijke overlevering, boven elkaar, van grond tot plafond. Hij pakt een lijvig boekwerk. Het valt open in zijn handen, alsof het uit zichzelf de geest van de schrijver kenbaar wil maken aan het nog niet aangetaste en onbedorven verstand van de net geschapen sterveling. Aandachtig bestudeert hij de regelmatige kolommen met mystieke tekens, alsof hij zich in een leergierig bui bevindt; want de onbegrijpelijke inhoud van de bladzijde maakt op een geheimzinnige manier contact met zijn geest, en geeft hem het gevoel alsof er een grote last op zijn schouders is geworpen. Het brengt hem vreselijk in verwarring en tevergeefs probeert hij er iets van te begrijpen. O Adam, het is nog te vroeg, te vroeg om na minstens vijfduizend jaar, een bril op te zetten en jezelf te begraven in de nissen van een bibliotheek!"

"Wat kan dit nu zijn," mompelt hij ten slotte. "Eva, volgens mij is het niet zo verstandig om het geheim te ontdekken van dit grote en zware ding, met zijn duizenden kleine onderdeeltjes. Kijk! het staart me aan, alsof het op het punt staat iets te zeggen!"

Uit een vrouwelijk instinct bladert Eva vluchtig in een bundel populaire gedichten, vast het werk van de gelukkigste aller aardse dichters, want zijn balladen zijn nog in zwang, terwijl alle grote lyrische meesters in vergetelheid zijn geraakt. Maar zijn geest moet niet te hard juichen! De enige vrouw ter wereld smijt het boek op de grond en lacht vrolijk om de verstrooide gelaatsuitdrukking van haar echtgenoot.

"Mijn beste Adam," roept ze, "wat zie je er treurig en ellendig uit. Gooi dat stomme ding weg; want zelfs als het zou spreken, zou het toch niet de moeite waard zijn. Laten we met elkaar praten en met de lucht, de groene aarde en haar bomen en bloemen. Zij zullen ons zinnigere kennis bijbrengen dan wij hier kunnen vinden."

"Goed, Eva, misschien heb je gelijk," antwoordt Adam, met een soort zucht. "Toch kan ik het niet uit mijn hoofd zetten dat de verklaring van de raadsels waar wij de hele dag tussendoor gelopen zijn, hier gevonden zou kunnen worden."

"Misschien is het beter geen verklaring te zoeken," dringt Eva aan. "Wat mij betreft bevalt de sfeer van die plek mij niet. Als je van me houdt, ga dan mee hiervandaan!"

Ze weet hem te overreden en redt hem van de geheimzinnige gevaren van de bibliotheek. De heilzame invloed van de vrouw! Als hij lang genoeg gebleven was, een lijn had kunnen ontdekken in de schatten van de bibliotheek, — wat niet onmogelijk was, gezien het feit dat zijn verstand een menselijke structuur had, maar nog wel met een rechtstreekse kernachtigheid en scherpzinnigheid, — en op dat moment daar onderzoeker geworden was, zou kroniekschrijver van onze arme wereld weldra de val van een tweede Adam opgetekend hebben. Er zou dan opnieuw van de Boom der Kennis een noodlottige appel gegeten zijn. Alle misvattingen, bedrieglijke redeneringen en schijnwijsheid die zo goed de ware wijsheid nabootst, — die hele bekrompen waarheid, die zo vooringenomen is dat ze nog bedrieglijker is dan onwaarheid, — alle onjuist principes en nog onjuistere praktijken, de verderfelijke voorbeelden en verkeerde regels van het leven, — alle schoonschijnende theorieën, die van de aarde een schimmenrijk maken en van mensen schaduwen, — al die tragische ervaringen die de mensheid eeuwenlang heeft opgehoopt, en waaruit ze nooit een les voor de toekomst heeft getrokken, de hele rampzalige berg overgeleverde kennis, die in een keer op Adams hoofd zou zijn uitgestort. Hij had dan alleen nog maar het al mislukte experiment van het leven kunnen oppakken, waar hij het had laten vallen en daarmee een stukje verder kunnen ploeteren.

Maar gelukkig in zijn onwetendheid, kan hij in onze uitgeleefde wereld nog steeds genieten van de nieuwe wereld. Zou hij tekort schieten in het goede, zelfs zo erg als wij dat hebben gedaan, dan zou hij toch nog de — geen onbelangrijke — vrijheid hebben om zelf fouten te maken. En zijn literatuur zal, wanneer de loop der eeuwen die zal scheppen, geen eindeloos herhaalde echo zijn van onze eigen dichtkunst en de door onze meesters in lied en verbeelding voorgebrachte beelden, maar een op aarde nog nooit eerder vernomen melodie en niet door onze opvattingen bezoedelde, begrijpelijke vormen. Laat het stof zich dus maar ophopen op de boeken van de bibliotheek; op zeker moment zal het dak van het gebouw dan in brokstukken op het geheel neervallen. Als de nakomelingen van de tweede Adam zelf evenveel rotzooi verzameld zullen hebben, zal er nog tijd genoeg zijn om in onze bouwvallen te graven en de literaire vorderingen van de twee onafhankelijke mensheden met elkaar te vergelijken.

Maar we kijken te ver vooruit. Dat is kennelijk de gewoonte van mensen die een lang verleden hebben. We keren nu terug naar de nieuwe Adam en Eva, die, omdat ze maar vage herinneringen en vluchtige visioenen hebben van een eerder bestaan, blij zijn dat ze leven en gelukkig zijn in het heden.

De dag loopt vrijwel ten einde als deze pelgrims, die aan geen enkele dode voorouder hun bestaan ontlenen, de begraafplaats van Mount Auburn bereiken. Lichthartig — want hemel en aarde hadden elkaar verblijd met schoonheid — lopen ze langs de kronkelende paden, marmeren zuilen, namaaktempels, urnen, obelisken en sarcofagen, soms halthoudend om te mijmeren over deze fantasieën van de menselijke groei, en soms om de bloemen te bewonderen, waarmee de natuur verval in schoonheid verandert. Kan de Dood hen, te midden van zijn oude overwinningen, duidelijk maken dat ze de zware last van de sterfelijkheid op zich genomen hebben, die een hele mensheid van zich afgeworpen had? Stof als het hunne heeft nooit in het graf gelegen. Zullen zij dan, — en al zo snel, —begrijpen dat Tijd en elementen een onvervreemdbare aanspraak maken op hun lichaam? Dat is niet onwaarschijnlijk. Er moeten voldoende schaduwen geweest zijn, zelfs tijdens de eerste zonnestralen van hun bestaan, die het vermoeden wekken van het onverenigbare van hun ziel met haar omstandigheden. Ze hebben al geleerd dat er iets buitengesloten moet worden. Het idee Dood is al in hen aanwezig, of niet ver meer weg. Maar als ze voor hem een zinnebeeld zouden moeten bedenken, zou het een omhoog fladderende vlinder zijn, de hen hemelwaarts wenkende stralende engel, of het slapende kind, met zoete dromen, zichtbaar door zijn doorschijnende zuiverheid heen. Zo’n kind, in het blankste marmer, hebben ze gevonden tussen de grafmonumenten op Mount Auburn.

"Liefste Eva," zegt Adam, terwijl zij hand in hand dit prachtige beeld gadeslaan, "ginds heeft de zon ons verlaten en de hele wereld vervaagt voor onze ogen. Laten we gaan slapen, zoals dat prachtige beeldje slaapt. Alleen onze Vader weet welke uiterlijke dingen die wij vandaag bezeten hebben, ons weer voor altijd ontnomen zullen worden. Maar als ons aardse leven ons samen met het verdwijnende licht zal verlaten, zal een nieuwe dageraad ons ongetwijfeld aantreffen, verscholen achter Gods glimlach. Ik voel dat Hij te kennen heeft gegeven dat de zegen van het bestaan nooit weer zal terugkeren."

"En het maakt niet uit waar we zijn," antwoordt Eva, "want we zullen toch altijd samen zijn."

Naar boven