Home


DE REIS VANUIT DEZE WERELD

NAAR DE VOLGENDE

door

Portret van de schrijver Henry Fielding

Henry Fielding

1749


INHOUD

INLEIDING
BOEK I
HOOFDSTUK I: De schrijver sterft, ontmoet Mercurius en wordt door hem begeleid naar de plaats van vertrek naar de andere wereld.
HOOFDSTUK II: Waarin de schrijver aanvankelijk enige loze meningen aangaande geesten verwerpt, waarna de passagiers over hun eigen dood verhalen.
HOOFDSTUK III: De avonturen die de schrijver beleefde in de Stad der Ziekten.
HOOFDSTUK IV: Gesprekken onderweg en een beschrijving van het Paleis des Doods.
HOOFDSTUK V: De reizigers reizen verder en ontmoeten meerdere geesten die een lichaam aannemen.
HOOFDSTUK VI: Een verslag over het Rad van Fortuin en een manier om een geest voor deze wereld toe te rusten.
HOOFDSTUK VII: Het optreden van rechter Minos bij de poort van de Elyseese Velden.
HOOFDSTUK VIII: De avonturen die de schrijver meemaakte bij zijn eerste betreden van de Elyseese Velden.
HOOFDSTUK IX: Meer avonturen in de Elyseese Velden.
HOOFDSTUK X: In de Elyseese Velden ontmoet de schrijver tot zijn verrassing Julianus de Afvallige; maar hij wordt door hem gerustgesteld over de manier waarop hij zich daar toegang tot verschaft heeft. Julianus verhaalt over zijn avonturen in de rol van een slaaf.
HOOFDSTUK XI: Waarin Julianus verslag doet van zijn avonturen in het personage van een vrekkige Jood.
HOOFDSTUK XII: Wat er met Julianus gebeurde in de rol van generaal, erfgenaam, timmerman en een saletjonker.
HOOFDSTUK XIII: Julianus transformeert tot een saletjonker.
HOOFDSTUK XIV: Avonturen als monnik.
HOOFDSTUK XV: Julianus wordt een vioolspeler.
HOOFDSTUK XVI: Het verhaal van de wijze man.
HOOFDSTUK XVII: Julianus neemt de gedaante van een koning aan.
HOOFDSTUK XVIII: Julianus verandert in een hofnar.
HOOFDSTUK XIX: Julianus verschijnt als bedelaar.
HOOFDSTUK XX: Julianus vervult de rol van staatsman.
HOOFDSTUK XXI: Julianus’ avonturen in de rol van soldaat.
HOOFDSTUK XXII: Wat er met Julianus gebeurde in de persoon van een kleermaker.
HOOFDSTUK XXIII: Het leven van de raadsheer Julianus.
HOOFDSTUK XXIV: Julianus verhaalt wat hem overkwam toen hij dichter was.
HOOFDSTUK XXV: Julianus speelt de rol van ridder en dansleraar.
BOEK XIX
HOOFDSTUK VII: Waarin Anna Boleyn haar levensverhaal vertelt.


DE REIS VANUIT DEZE WERELD NAAR DE VOLGENDE

INLEIDING

Of de volgende bladzijden gewoon een droom of visioen zijn geweest van een of ander zeer vroom en heilig persoon, of dat ze echt geschreven zijn in de andere en teruggestuurd zijn naar deze wereld, zoals de mening van zoveel mensen is — hoewel ik zelf denk dat teveel van hen naar bijgelovigheid neigen —, of ten slotte, wat het allergrootste gedeelte zich verbeeldt, dat ze gewoon geschreven zijn door een toevallige inwoner van Nieuw Bethlehem (vert.: een krankszinnigengesticht in Londen, gewoonlijk Bedlam genoemd), is niet eenduidig of eenvoudig vast te stellen. Het moet ruim voldoende zijn als ik de lezer verslag doe over de manier waarop ze in mijn bezit zijn gekomen. Dhr. Robert Powney is handelaar in kantoorbenodigdheden, die in de Strand woont tegenover de Catharinastraat. Hij is een zeer oprecht man met een zeer bedachtzaam optreden, die naast andere voortreffelijke artikelen in het bijzonder uitblinkt in zijn pennen, die ik niet anders dan overvloedig kan prijzen, omdat ik aan hun bijzondere kwaliteit te danken heb dat mijn manuscripten in ieder geval leesbaar zijn geweest; deze heer, zeg ik dus, voorzag mij op een dag van een bundeltje van die pennen, zeer zorgvuldig en voorzichtig verpakt in een groot vel papier vol letters, die ogenschijnlijk in een zeer beroerd handschrift neergeschreven waren. Nu beschik ik over een verrassende nieuwsgierigheid waardoor ik alles dat vrijwel onleesbaar is toch probeer te ontcijferen, misschien door de heerlijke herinnering aan de dierbare hanenpoten of hanepoten — want het woord wordt op verschillende manieren gespeld —, die ik uit mijn jeugd heb overgehouden, dat deel van de schepping waar ik nog steeds de tederste gevoelens voor koester, en wat deel uitmaakt van de gemoedsgesteldheid waardoor mensen een zo enorme waarde hechten aan zozeer uit het geheugen gewiste oude documenten, beschadigde standbeelden en donker geworden prenten, dat niemand er nog iets van kan maken. Ik bestudeerde dit vel papier dus met bijzondere aandacht en kwam er na bijna een hele dag achter dat ik er niets van begreep. Meteen ging ik weer naar Dhr. Powney toe en vroeg hem heel gretig of hij niet meer had van datzelfde manuscript. Hij haalde nog ongeveer honderd bladzijden tevoorschijn en vertelde me dat hij niet meer had kunnen redden, maar dat het oorspronkelijk een enorm dik boek was geweest, dat een heer die tijdelijk verblijf gehouden had op zijn zolderkamer daar had laten liggen, en dat dit alles was wat hij hem voor zijn inwoning achtergelaten had. Verder deelde hij me mee dat er met het manuscript geleurd was — zoals hij dat verwoordde — bij alle boekverkopers, die zich er niet mee in wensten te laten; sommigen wendden voor dat ze het niet konden lezen en anderen dat ze het niet begrepen. Sommigen gaven bedekt te kennen dat het een atheïstisch boek was, anderen dat het een schotschrift was tegen de regering, en om de ene of de andere van die redenen weigerden ze het allemaal te drukken. Dat de R—l Society het eveneens onder ogen had gehad, maar dat zij hun hoofd geschud en gezegd hadden dat er niets in stond dat voor hen interessant genoeg was. Dat hij het, toen hij hoorde dat de heer naar West-Indië afgereisd was en dacht dat het nergens anders voor kon dienen, gebruikt had als inpakpapier. Hij zei dat ik wat ervan over was gerust mocht hebben en het hem vreselijk speet dat er wat aan ontbrak, omdat het leek dat ik er enige waarde aan hechtte.

Ik stond erop dat hij een prijs noemde, maar hij wilde er niets anders voor hebben dan de betaling van een kleine rekening die ik hem nog verschuldigd was en voor hem op dat moment een heleboel geld betekende.

Kort daarop liet ik het manuscript zien aan mijn vriend dominee Abraham Adams die het mij, nadat hij het langdurig en grondig doorgelezen had, teruggaf met zijn mening dat er meer in zat dan op het eerste oog leek en de schrijver niet geheel onbekend was met de geschriften van Plato, maar ik — zei hij — had gewild dat hij hem af en toe in de kantlijn geciteerd had, zodat ik er zeker van zou kunnen zijn dat hij hem in de oorspronkelijke tekst gelezen had; want, vervolgde de dominee, tegenwoordig is voor mensen niets gebruikelijker dan voor te geven dat ze de Griekse schrijvers zelf gelezen hebben, die ze alleen in vertalingen onder ogen hebben gehad en niet eens een werkwoord kunnen vervoegen.

Als ik mijn eigen mening over het geval mag uitspreken, denk ik dat de schrijver met enige kennis van de wereld maar zonder een erg deugdelijke beoordeling ervan, een filosofisch keerpunt in het denken blootlegt. Sommige mensen zijn in feite bereid om vanuit een opgewekte gemoedstoestand en een gezegende positie, haar zegeningen te zien als iets tastbaarders en het geheel als een belangrijker decor, dan het hier wordt voorgesteld. Maar zonder nu hun opvattingen te betwisten, is het aantal verstandige en goede mensen, die het met onze schrijver eens is, voldoende om hem niet in verlegenheid te brengen, en evenmin kan dat gepaard gaan met een afwijzende gevolgtrekking, omdat hij overal de volgende moraal verkondigt: dat het grootste en waarachtigste geluk dat deze wereld biedt slechts te vinden is in het beschikken over goedheid en deugdzaamheid; een leer die, omdat zij zonder twijfel waar is, zozeer uitnodigt tot edelmoedigheid en praktische toepassing, dat die nooit te vaak of te krachtig ingeprent kan worden in de menselijke geest.

BOEK I

HOOFDSTUK I

De schrijver sterft, ontmoet Mercurius en wordt door hem begeleid naar de plaats van vertrek

naar de andere wereld

In mijn woning in Cheapside verliet ik op de eerste dag van december 1741 [A] mijn leven. Mijn lichaam was al enige tijd dood voordat ik, om te voorkomen dat het per ongeluk weer tot leven zou komen, de vrijheid had het te verlaten. Om de ongemakken te voorkomen die daaruit voort zouden kunnen vloeien, is dat een uitdrukkelijke regel die door de eeuwige wet van het lot aan alle zielen opgelegd wordt. Zodra de vastgestelde periode verstreken was — niet langer dan totdat het lichaam geheel koud en stijf geworden is — begon ik te bewegen. Ik merkte echter dat zich een probleem voordeed bij het ontsnappen, omdat mijn mond — of deur — gesloten was, zodat ik daar onmogelijk door naar buiten kon en de vensters, die doorgaans ogen worden genoemd, door de vingers van een verpleegster zo strak dichtgeduwd waren, dat ik ze op geen enkele manier open kon krijgen. Ten slotte ontwaarde ik een lichtstraal die boven in het huis — want zo mag ik mijn lichaam waarin ik opgesloten had gezeten wel noemen — een zwak schijnsel gaf en nadat ik daarheen opgestegen was, kon ik me voorzichtig door een soort schoorsteen naar beneden laten glijden en kwam tevoorschijn uit een neusgat.

Geen enkele gevangene, die ontslagen wordt uit een langdurige opsluiting, heeft ooit met een intensere verrukking de genoegens gesmaakt dan ik, bij de bevrijding uit een kerker waarin ik meer dan veertig jaar gevangen gehouden was en met zeer soortgelijke gevoelens werp ik mijn blik [B] daar op terug.

Mijn vrienden en verwanten hadden allemaal de kamer verlaten en zaten — zoals ik duidelijk kon horen — beneden hardop met elkaar te ruziën over mijn testament en naar ik begreep was er alleen een oude vrouw boven gebleven om op het lichaam te letten. Ze was diep in slaap en uit de geur die ze verspreidde, werd dat kennelijk veroorzaakt door een aanzienlijke hoeveelheid gin. Ik vond dat gezelschap niet aangenaam en omdat het raam wijd openstond trok ik er daarom op uit, de open lucht in. Tot mijn grote verbazing ontdekte ik echter dat ik niet kon vliegen, hoewel ik tijdens mijn verblijf in het lichaam altijd gedacht had dat geesten dat wel konden. Maar ik kwam zo zachtjes op de grond terecht dat ik mijzelf niet bezeerde en hoewel ik niet over de gave van vliegen beschikte — waarschijnlijk te wijten aan het feit dat ik vleugels noch veren had — kon ik opeens wel huppen en op zulk een wonderbaarlijke manier, dat het haast evengoed aan mijn behoefte beantwoordde. Ik was nog niet ver voortgehupt toen ik een rijzige jongeman ontwaarde in een zijden vest, met een vleugel aan zijn linker hiel, een lauwerkrans op zijn hoofd en een staf in zijn rechterhand. [C] Ik dacht dat ik die man eerder al eens had gezien, maar had geen tijd om te bedenken wanneer, want hij riep me en vroeg hoe lang geleden ik vertrokken was. Ik antwoordde dat ik net tevoorschijn was gekomen. "Je moet hier niet blijven," antwoordde hij, "tenzij je vermoord bent, want dan zou je nog enige tijd rond moeten lopen, maar als je een natuurlijke dood gestorven bent, moet je meteen op weg naar de andere wereld." Ik wilde de weg weten. "O," riep de heer uit, "ik zal je de herberg wijzen vanwaar de reis begint, want ik ben de gids. Misschien heb je nooit van mij gehoord — mijn naam is Mercurius." "Natuurlijk, sir," zei ik, "ik heb u in de schouwburg gezien." Daarop glimlachte hij en zonder me wat dat punt betreft tevreden te stellen, liep hij meteen verder, nadat hij me verzocht had achter hem aan te huppen. Ik gaf daar gehoor aan en al gauw bevond ik me in de Warwick-laan, waar Mercurius stilhield en een huis aanwees. Hij verzocht mij dringend daar navraag te doen over het vertrek, zei dat hij op zoek moest naar andere klanten en vertrok.

Ik kwam net binnen op het moment waarop de koets aanstalten maakte om te vertrekken en merkte dat er geen reden was om iets te vragen, want meteen toen ik in de deuropening verscheen leek het alsof iedereen wist wat er met mij aan de hand was. De koetsier vertelde me dat zijn paarden klaar stonden, maar dat hij geen plaats meer had. Hoewel er al zes passagiers waren boden zij toch aan ruimte voor me te maken. Ik bedankte ze en stapte zonder veel plichtplegingen in. Met zijn zevenen — want omdat de vrouwen geen hoepels droegen stonden drie van hen gelijk aan twee mannen — begonnen we meteen aan onze reis. Misschien, lezer, doe ik u wel een genoegen met een beschrijving van koets en gezelschap, omdat u tijdens uw leven zoiets vast nooit te zien krijgt. De koets was vervaardigd door een voortreffelijke speelgoedmaker, van wie algemeen bekend is dat hij met onstoffelijk materiaal kan omgaan, want dat was het spul waar de koets van gemaakt was. Het was allemaal zo uiterst fijn uitgevoerd dat het voor het menselijk oog volledig onzichtbaar was. Net als de passagiers waren de paarden, die dit uitzonderlijke voertuig trokken, geestelijk. Ze waren allemaal gestorven in dienst van een zekere postdirecteur en de koetsier zelf, een groot, ijl stuk onstoffelijke substantie, had tijdens zijn leven de eer genoten de Grote Peter, of Peter de Grote, te mogen vervoeren, in wiens dienst zowel zijn ziel als zijn lichaam haast de hongerdood gestorven waren. Dat was dus het voertuig waarin ik op reis ging en mensen die niet met mij verder willen reizen kunnen, zo zij dat verkiezen, hier nu ophouden en de anderen moeten dan verdergaan met de volgende hoofdstukken, waarin de reis voortgezet wordt.

HOOFDSTUK II

Waarin de schrijver aanvankelijk enige loze meningen aangaande geesten verwerpt,

waarna de passagiers over hun eigen dood verhalen.

Het is de gangbare mening dat geesten, net als uilen, in het donker kunnen zien en zelfs dat ze dan door anderen ook heel gemakkelijk waargenomen kunnen worden. Dat is de reden waarom veel mensen met een goed verstand, om te voorkomen dat dergelijke dingen hen schrik aanjagen, gewoonlijk een brandende kaars naast zich hebben staan, zodat dan door het licht verhinderd wordt dat zij ze zien. Geheel tegenovergesteld hiermee heeft Dhr. Locke niet geaarzeld te beweren dat een geest in het volle daglicht evengoed te zien is als in de donkerste nacht.

Het was al heel donker toen we vanuit de herberg vertrokken en we konden evenmin iets zien als elke ziel van ons toen die nog in leven was. We hadden al een heel eind afgelegd voordat iemand bereid was zijn mond open te doen, [D] maar omdat ik mijn eigen ogen niet kon sluiten en zag dat de geest die tegenover me zat eveneens wakker was, begon ik aanstalten te maken tot een gesprek door erover te klagen hoe donker het was. "En vreselijk koud ook nog," antwoordde mijn medereiziger, "hoewel ik daar, omdat ik geen lichaam heb, godzijdank geen last van heb. Maar u kunt wel denken, sir, dat deze ijskoude lucht voor iemand, die net uit een oven gekomen is, heel doordringend moet zijn, want het was een snikhete verblijfplaats waaruit ik onlangs vertrokken ben." "Hoe bent u aan uw einde gekomen, sir?" zei ik. "Ik ben vermoord, sir," antwoordde de heer. "Dan verbaast het me," antwoordde ik, "dat u zich niet vermaakt door voor uw moordenaar op en neer te lopen en een paar grappige streken met hem uit te halen." "O, sir," antwoordde hij, "dat voorrecht had ik niet, want ik ben legaal ter dood gebracht. Kortgezegd, een dokter heeft me in vuur en vlam gezet door me medicijnen te geven om mijn ziekte uit te drijven. Ik ben gestorven aan een warmtekuur, zoals ze dat noemen, toen ik de pokken had."

Bij dat woord schrok een van de geesten op en riep uit, "Pokken! goeie genade! ik hoop dat ik niet in gezelschap verkeer van die ziekte, die ik mijn hele leven zo zorgvuldig uit de weg ben gegaan en waaraan ik tot nu toe gelukkig ben ontkomen!" Door zijn angst schoten alle passagiers die wakker waren in een luide lachbui. Enigszins in de war en niet zonder te blozen, vermande de heer zich, excuseerde zich en riep, "Ik maak bezwaar, ik droomde dat ik in leven was." "Misschien, sir," zei ik, "bent u wel gestorven aan die ziekte, die juist daarom een zo grote indruk op u gemaakt heeft." Nee, sir," antwoordde hij, "ik heb die in mijn leven niet gehad, maar de doorlopende en angstige ongerustheid waarin ik daardoor verkeerd heb, kan naar mijn mening niet zomaar uitgeroeid worden. U moet weten, sir, dat ik uit angst voor de pokken alles bij elkaar dertig jaar lang vermeden heb naar Londen te gaan, totdat een uiterst dringende aangelegenheid mij daar vijf dagen geleden naartoe bracht. Ik was zo vreselijk bang voor die ziekte dat ik de tweede avond na mijn aankomst weigerde de maaltijd te gebruiken met een vriend, van wie de vrouw een paar maanden eerder daarvan genezen was en diezelfde avond heb ik me ziek gegeten aan teveel mosselen, waardoor ik in dit aangename gezelschap verzeild ben geraakt."

"Ik durf te wedden," riep de geest die naast hem zat, "dat er niemand in de koets zit die mijn ziekte kan raden." Ik vroeg hem of hij zo vriendelijk wilde zijn het ons te vertellen, als het zoiets ongewoons was. "Nou, sir, ik stierf aan eer." — "Aan eer, sir!" herhaalde ik enigszins verrast. "Ja, sir," antwoordde de geest, "aan eer, want ik werd gedood tijdens een duel."

"Ikzelf," zei een aantrekkelijke geest, "ben afgelopen zomer ingeënt tegen de pokken en was zo gelukkig er met een paar littekens op mijn gezicht vanaf te komen. Toen voelde ik me volmaakt gelukkig, omdat ik dacht dat ik ongehinderd volop kon genieten van het vermaak in de stad, maar een paar dagen na mijn overkomst vatte ik een kou doordat ik teveel gedanst had op een bal en afgelopen nacht ben onder hevige koortsen gestorven."

Het was intussen licht geworden en na de korte stilte die nu volgde richtte de rondborstige geest, die het laatst gesproken had, zich tot een vrouw die naast haar zat en vroeg haar aan welk toeval zij te danken had dat zij zich konden verheugen in haar aanwezigheid. Ze antwoordde dat ze bang was geweest dat ze de tering had, maar dat de doktoren het niet met elkaar eens waren geweest over de ziekte, want toen ze haar lichaam verliet liet ze twee van hen in een zeer verhitte discussie achter. "En mag ik vragen, madam," zei dezelfde geest tegen de zesde passagier, "hoe bent u ertoe gekomen te vertrekken naar de andere wereld?" Maar met een vertrokken mond antwoordde die vrouwelijke geest dat ze zich verbaasde over de nieuwsgierigheid van sommige mensen, dat er misschien wel waren die enige verhalen over haar dood gehoord hadden, die allesbehalve waar waren, maar dat ze, wat de oorzaak daarvan ook mocht zijn, blij was verlost te zijn van een wereld waarin zij geen plezier had en waar niets anders was dan onzin en onbeschaamdheid, vooral bij haar eigen sekse, over het gedrag waarvan zij zich heel lang vreselijk geschaamd had.

De aantrekkelijke geest, die merkte dat er aanstoot genomen werd aan haar vragen, drong niet verder aan. Ze beschikte werkelijk over alle bevalligheid en opgewektheid die zo uiterst beminnelijk zijn — als ze al aangetroffen worden — in dat geslacht, dat daardoor zeer aantrekkelijk wordt. Haar gezicht toonde alle vrolijkheid, goedaardigheid en bescheidenheid, die eenzelfde glans verspreidden over de schoonheid van Serafina, [E]  die elke toeschouwer ontzag inboezemde en hem tegelijkertijd in vervoering bracht van bewondering. Als het in ons gesprek niet over de pokken was gegaan, had ik me kunnen voorstellen dat wij vereerd waren door haar eigen aanwezigheid. Die mening zou nog versterkt kunnen worden door het gezonde verstand waar ze steeds als ze sprak blijk van gaf en door haar fijngevoelige en voorkomende gedrag, samen met een zekere waardigheid waarmee iedere blik, woord en gebaar gepaard ging, eigenschappen die wel indruk moesten maken op een zo toegankelijk hart [F] als dat van mij en het duurde niet lang voordat zij in mij een hevige mate van serafijnse liefde had opgewekt. Daarmee bedoel ik niet dat soort hofmakerij die mannen, zeer strikt genomen, in de lagere wereld beoefenen, een liefde die zelden langer duurt dan dat ze daarmee bezig zijn. Met serafijnse liefde bedoel ik een uitermate fijngevoelige en tedere vriendschap, maar, mijn waarde lezer, als u geen idee heeft van wat dat betekent, wat waarschijnlijk het geval is, zal mijn poging u dat uit te leggen even vergeefs zijn als Sir Isaac Newtons ingewikkeldste problemen verhelderen voor iemand die niet op de hoogte is van de gewone wiskunde.

Laten we daarom terugkeren naar zaken die voor iedereen te begrijpen zijn. Het gesprek kwam nu op de ijdelheid, dwaasheid en ellende van de lagere wereld en iedere passagier van de koets gaf uiting aan zijn uitermate grote voldoening daarvan bevrijd te zijn, hoewel het zeer opmerkelijk was dat niemand van ons, ondanks de vreugde over onze dood waar wij blijk van gaven, niet het voorval vermeldde dat die veroorzaakt had, als iets dat we mogelijk hadden kunnen vermijden. Nee, zelfs de zeer ernstige dame, die het vrijpostigst uiting gegeven had aan haar genoegen, gaf per ongeluk toe dat ze een dokter bij haar bed had achtergelaten en de heer die aan eer was gestorven vervloekte geheel vrijwillig zowel zijn dwaasheid als besluiteloosheid. Terwijl wij onszelf vermaakten met deze zaken, begon opeens een vreselijk weerzinwekkende stank in onze neus door te dringen. Die leek heel erg op de stank die reizigers ’s zomers ruiken als ze die mooie stad ’s Gravenhage naderen, een stank die opstijgt uit die prachtige grachten die, omdat het stilstaand water is, in dat seizoen geuren afgeven die voor Nederlandse smaak zeer aangenaam zijn, maar niet even weldadig voor elke andere. Met behulp van een behoorlijke wind beginnen die geuren, al op een afstand van vijf kilometer, door te dringen tot mensen met gevoelige reukzenuwen en worden naarmate je dichterbij komt steeds sterker. Op dezelfde manier begon de stank die ik net genoemd heb, steeds heviger tot ons door te dringen, totdat een van de geesten die uit het raam van het rijtuig keek, vertelde dat we net aangekomen waren in een hele grote stad. En hij had dit amper gezegd of we bevonden ons al in de buitenwijken en op hetzelfde moment vertelde de koetsier ons desgevraagd dat de naam van deze plaats de Stad der Ziekten was. De toegangsweg was uitermate egaal en afgezien van bovenvermelde stank, zeer aangenaam. Langs de straten van de buitenwijken stonden aan weerszijden bordelen, taveernen en eethuizen; in de eerste zagen we aantrekkelijke, maar opzichtig geklede vrouwen, die door de ramen naar buiten keken; en in de laatste waren allerlei soorten van de kostelijkste lekkernijen zichtbaar tentoongesteld. Maar toen wij de stad binnenreden merkten we dat, in tegenstelling tot alles wat we in de andere wereld gezien hadden, de buitenwijken oneindig veel aangenamer waren dan de stad zelf. Er waren op straat maar weinig mensen te zien en dat waren voor het grootste gedeelte oude vrouwen en hier en daar een stijve, ernstige heer, die na leek te denken, met een grote gevlochten pruik op en een wandelstok met een barnstenen knop in zijn hand. Wij hoopten allemaal dat het voertuig hier niet zou stoppen, maar tot ons verdriet reed de koetsier al snel een herberg binnen en moesten wij uitstappen.

HOOFDSTUK III

De avonturen die wij beleefden in de Stad der Ziekten.

We waren nog niet lang in onze herberg, waar het leek dat wij de rest van de dag moesten doorbrengen, toen onze gastheer ons meedeelde dat het gebruikelijk was dat alle geesten bij hun doortocht door de stad dank gingen betuigen aan vrouwe Ziekte, omdat zij immers aan haar hulp zij hun bevrijding uit de lagere wereld te danken hadden. Wij antwoordden dat wij elke beleefdheid in acht zouden nemen die anderen ook betoonden, waarop onze gastheer als antwoord gaf dat hij meteen gidsen zou sturen die ons zouden begeleiden. Niet lang nadat hij de kamer verlaten had voegden zich enige van die ernstige personen met die grote gevlochten pruik en een wandelstok met een barnstenen knop bij ons, die ik al eerder beschreven heb. Deze heren zijn de stadsgidsen en hun wandelstok is hun onderscheidingsteken, een aanduiding van hun ambt. Wij brachten hen op de hoogte van de verschillende dames die wij dank verschuldigd waren en waren net bezig ons gereed te maken om hen te volgen toen ze elkaar opeens allemaal aankeken en ons met een frons op hun gezicht in allerijl in de steek lieten. Wij verbaasden ons over dat gedrag en riepen even later de gastheer bij ons die, zodra hij begreep wat er gebeurd was, in een hartelijke lachbui uitbarstte en ons vertelde dat de reden daarvan was dat wij de heren op het moment dat ze binnenkwamen niet meteen betaald hadden, volgens de gewoonte van de stad. Enigszins van ons stuk gebracht antwoordden wij dat we vanuit de andere wereld niets meegenomen hadden, omdat ons ons hele leven was voorgehouden dat dat niet geoorloofd was. "Nee, nee, meester," antwoordde de gastheer, "ik ben daarvan op de hoogte en het is inderdaad mijn fout. Ik had u eerst naar de edelachtbare heer Schraap [G]  moeten sturen, die u voorzien zou hebben van wat u nodig heeft." "De edelachtbare heer Schraap ons iets geven!" zei ik verbaasd, "u moet wel weten dat wij hem geen onderpand kunnen geven en ik ben ervan overtuigd dat hij zijn hele leven nog nooit een shilling uitgeleend heeft." "Nee, sir," antwoordde de gastheer, "en dat is de reden waarom hij dat hier, waar hij als straf een bank van lening moet beheren, wel moet doen en alle passagiers gratis geld moet verstrekken. Deze bank bestond aanvankelijk uit precies hetzelfde bedrag dat hij op een deerniswekkende manier in de andere wereld opgepot had en nu moet hij toekijken hoe dat merkbaar met een shilling per dag afneemt, totdat het helemaal op is. Daarna moet hij terug naar de andere wereld, daar nog zeventig jaar de rol van vrek spelen en dan mag hij weer, als hij eerst gezuiverd is in het lichaam van een varken, terug naar de menselijke soort en een tweede poging wagen." "Sir," zei ik, "u vertelt me wonderlijke dingen, maar als zijn bank maar een shilling per dag uitgeeft, hoe kan hij dan alle passagiers voorzien?" "De rest," antwoordde de gastheer, "wordt meteen weer aangevuld, maar op een manier die ik u niet eenvoudig kan uitleggen." "Ik begrijp," zei ik, "dat het uitdelen van zijn geld hem opgelegd is als straf, maar ik zie niet hoe dat aan het doel kan beantwoorden als hij weet dat hij het weer terugkrijgt. Zou het niet even goed aan het doel beantwoorden als hij slechts met die ene shilling zou beginnen, zodat het lijkt dat dat het enige is dat hij werkelijk kan verliezen?" "Sir," riep de gastheer uit, "als u de doodsangsten ziet waarmee hij afscheid neemt van elke guinea, zou u er anders over denken. Geen enkele ter dood veroordeelde gevangene heeft ooit even hartstochtelijk gesmeekt om naar de strafkolonie gebracht te worden, als hij toen hij zijn straf kreeg, naar de hel, als hij maar zijn geld mee zou mogen nemen. Maar u zult meer te weten komen over deze dingen als u in de bovenwereld aankomt; en nu zal ik u, als het u belieft, naar het huis van deze edelachtbare heer brengen, die verplicht is u te voorzien van alles wat u wenst."

We troffen zijne edelachtbare heer aan, zittend aan het hoofdeinde van een tafel, waarop een enorm geldbedrag lag, gerangschikt in meerdere stapels, waarvan elk de eer van enkele goede vaderlanders en de kuisheid van enkel preutse lieden had kunnen kopen. Op het moment waarop hij ons zag trok hij wit weg en zuchtte, want hij begreep waarvoor wij kwamen. Mijn gastheer sprak hem op een ongedwongen manier aan, iets waarover ik mij aanvankelijk verbaasde, omdat ik mij nog goed de achting herinnerde, waarmee ik gezien had dat deze heer vroeger bejegend werd, door mensen die in hoedanigheid oneindig de meerdere waren van de persoon die hem nu op de volgende manier begroette: "Hier, jij edelachtbare, en moge dat kruiperige zieltje van je vervl—kt worden, tel je geld uit en voorzie je verstandigere medemensen van wat ze willen. Beetje snel, man, anders stuur ik de koster op je af. Denk nou niet dat je weer in de onderwereld zit, met al die privileges aan je k—t." Hij porde met zijn stok naar de edelachtbare, die meteen zijn geld uit begon te tellen, met dezelfde deerniswekkende houding en gelaatsuitdrukking, als de gierigaard toont als hij op ons eigen schouwtoneel zijn bankbiljetten afgeeft. Enigen van ons waren daar zo van ontdaan dat we vast teruggekomen waren met niet meer dan toereikend was om de gidsen te betalen, als onze gastheer niet ons medelijden opgemerkt had en ons verzocht niet een kerel te sparen die, te midden van een enorme rijkdom, zelfs de geringste bijdrage aan liefdadigheid altijd geweigerd had. Door die overweging verhardde ons hart en vulden wij allemaal onze zakken met zijn geld. Mij viel vooral een dichterlijke geest op, die bezwoer dat hij een hartig woordje met hem had te wisselen. "Want," zei hij, "die schoft weigerde niet alleen in te tekenen op mijn boeken, maar stuurde zelfs mijn brief onbeantwoord terug, hoewel ik een degelijker heer ben dan hij." Wij keerden nu terug van dat deerniswekkend sujet en hadden grote bewondering voor zowel de juistheid als de rechtvaardigheid van zijn straf die, zoals onze gastheer ons vertelde, uitsluitend bestond uit het weggeven van zijn geld, en, merkte hij op, we moesten ons niet verbazen over de pijn die hem dat doet, omdat het even begrijpelijk was dat hij louter van het afstand doen van het geld ongelukkig, als dat hij louter door het bezit van geld zonder er gebruik van te maken, gelukkig zou worden. Er kwamen nu andere bepruikte gidsen —want degenen die wij eerder ontboden hadden weigerden ons opnieuw te bezoeken— naar ons toe en nadat we hen, volgens de aanwijzingen van onze gastheer, meteen betaald hadden op het moment dat ze de kamer binnenkwamen, bogen en glimlachten ze naar ons en boden ons aan ons kennis te laten maken met welke ziekte wij ook maar wilden.

We gingen allemaal een andere kant op, omdat we onze dank moesten betuigen aan verschillende dames. Ik droeg mijn gids op mij de Hersenkoorts te laten zien, omdat dat de ziekte was die mij van mijn lichaam verlost had. Mijn gids en ik doorkruisten vele straten en klopten op verschillende deuren, maar vergeefs. In een huis woonde, naar ons verteld werd, de Tering; in een ander de Maladie Alamode, een Franse dame; in het derde de Waterzucht; in het vierde de Reumatiek; in het vijfde de Onmatigheid en in het zesde de Somberheid. Ik was moe, mijn geduld was op en mijn beurs bijna leeg want ik gaf mijn gids een fooi bij elke vergissing die hij maakte — toen mijn gids me, met een plechtige gelaatsuitdrukking, vertelde dat hij niets meer voor me kon doen en er zonder enige verdere plichtpleging vandoor ging.

Hij was nog niet vertrokken of ik kwam een andere heer tegen met een onderscheidingsteken, dat wil zeggen met een wandelstok met een barnstenen knop in zijn hand. Ik gaf hem eerst een fooi en vertelde hem toen de naam van de ziekte. Gedurende twee of drie minuten nam hij een nadenkende houding aan, trok toen een stukje papier uit zijn zak, waarop hij iets schreef in, volgens mij, een van de Oosterse talen, want ik kon er geen letter van lezen. Hij verzocht mij dringend het naar een van die merkwaardige winkels te brengen, zei dat dat voldoende voor me was en nam de benen.

Nu ik, naar ik dacht, zeker wist welke kant ik op moest, begaf ik me naar de winkel, die heel erg op een apotheek leek. De persoon die daar de scepter zwaaide las het papiertje, pakte ongeveer twintig potten van de planken en maakte daarmee, door iets uit elke ervan te gieten, een mengsel, dat hij me overhandigde in een grote fles, nadat hij eerst een papiertje rond de flessenhals had gebonden, waarop drie of vier woorden geschreven waren, waarvan het laatste elf lettergrepen telde. Ik noemde de naam van de ziekte die ik zocht, maar kreeg als enige antwoord dat hij gedaan had wat hem opgedragen was en dat het medicijn uitstekend was. Ik begon nu kwaad te worden, verliet de winkel met enige boosheid op mijn gezicht en nam mij voor mijn herberg weer op te zoeken, toen ik onderweg een gids tegenkwam die iets in zijn gezichtsuitdrukking had dat vriendelijker dan gewoonlijk was en ik besloot het nog een keer te proberen en drukte hem een fooi in zijn hand. Zodra ik de naam van de ziekte genoemd had moest hij hartelijk lachen en vertelde me dat ik me iets op de mouw had laten spelden, want dat die ziekte in deze stad niet te vinden was. Daarna vroeg hij naar de bijzonderheden van mijn geval en had ze nauwelijks gehoord of hij vertelde me dat de Maladie Alamode de dame was aan wie dankbaarheid verschuldigd was. Ik bedankte hem en ging meteen op weg om haar mijn dank te gaan betuigen. Het huis, of eerder het paleis, van deze dame was een van de mooiste en indrukwekkendste van de stad. De zeer aangename maar korte oprijlaan was beplant met platanen en aan weerzijden lagen bloembedden. Ik werd door een prachtige zaal heen geleid, die versierd was met stand- en borstbeelden, waarvan de meeste beschadigd waren, waaruit ik opmaakte dat het allemaal antieke beelden waren, maar mij werd verteld dat het afbeeldingen waren van verschillende hedendaagse helden die als martelaar gestorven waren voor de zaak van de dame. Daarna liep ik een grote, beschilderde trap op, waar aan weerskanten aan de wand karikaturen van verschillende personen weergegeven waren en desgevraagd werd verteld dat het portretten waren van mensen die zich in de onderwereld onderscheiden hadden als tegenstanders van de dame. Ik neem aan dat ik het gezicht van veel dokters en chirurgijns herkend zou hebben, als ze door de schilder niet zo vreselijk misvormd waren. Hij had in feite zoveel kwaadaardigheid in zijn werk gelegd dat ik denk dat hij zelf enige bijzondere gunsten van de dame van dit huis genoten had; een groep vreemdere figuren is nauwelijks denkbaar. Daarna betrad ik een lange zaal aan alle kanten behangen met afbeeldingen van vrouwen, met zulke precies weergegeven gedaanten en gelaatstrekken dat ik me zou hebben kunnen voorstellen dat ik me in een galerij met schoonheden bevond, als een bepaalde grauwe bleekheid in hun uiterlijk me niet een weerzinwekkender idee gegeven had. Ik liep er doorheen en betrad een tweede ruimte, versierd, als ik dat zo mag noemen, met afbeeldingen van oude dames. Omdat hij dacht dat ik deze aankleding bewonderde, vertelde de bediende me met een glimlacht dat dit zeer goede vriendinnen waren geweest van zijn dame en haar voortreffelijk van dienst waren geweest in de onderwereld. Meteen herkende ik het gezicht van een of twee van mijn kennissen, die vroeger een bordeel gehad hadden, maar ik was zeer verrast in dat gezelschap de afbeelding aan te treffen van een zeer vooraanstaande dame. Toen ik daar een opmerking over maakte, vertelde de bediende me dat zijn dame allerlei soorten schilderijen had. Nu werd ik in audiëntie ontvangen door de dame zelf. Ze was een slanke, of liever gezegd magere gedaante, met een zeer verlept uiterlijk, had geen neus en een gezicht vol puisten. Toen ik binnenkwam maakte ze aanstalten om op te staan, maar dat lukte niet. Na veel plichtplegingen en gelukwensen van haar kant en de vurigste uitingen van dankbaarheid van die van mij, stelde ze me veel vragen over de stand van zaken van haar aangelegenheden in de onderwereld. De meeste beantwoordde ik tot haar volle tevredenheid. Met een soort gekunstelde glimlach zei ze ten slotte: "ik neem aan dat de pil en druppel gesmeerd lopen?" Ik zei haar dat verteld werd dat ze indrukwekkende genezingen teweeggebracht hadden. Ze antwoordde dat ze zich geen enkele bedreiging kon voorstellen van iemand die geen reguliere praktijk uitoefende, "want hoe onnozel de mensheid ook is," zei ze, "of hoe bang mensen ook zijn voor de dood, toch geven ze de voorkeur aan op een gewone manier te sterven dan te genezen door een wondermiddel." Bij de beschrijving die ik haar gaf van de beau monde gaf ze blijk van groot plezier. Ze zei dat ze zelf de honderden (vert.: hoeren) van Drury-lane overgeplaatst had naar Charing-cross en dat ze zeer verheugd was dat ze zich over St. James verspreid hadden; dat ze dat toeschreef aan meerdere van haar dierbare en waardevolle vrienden, die onlangs hun uitmuntende boeken hadden gepubliceerd, waarin ze een poging deden om alle opvattingen over godsdienst en deugdzaamheid uit te roeien; en in het bijzonder aan de verdienstelijke schrijver van Het Belang van de Vrijgezel, "die ik," zei ze, "als ik geen reden had te denken dat hij een chirurgijn was en dus vanuit het standpunt van een geldwolf geschreven had, nooit voldoende zou kunnen vergoeden wat ik hem verplicht ben." Ze sprak eveneens zeer lovend over de door ouders zo algemeen toegepaste manier om kinderen al heel jong en zonder enige onderlinge genegenheid te laten trouwen en eindigde met te zeggen dat als deze gewoonte zich zou blijven uitbreiden, ze er niet aan twijfelde dat zij binnenkort de enige ziekte zou zijn die nog bezoek zou krijgen van iemand met een vooraanstaande positie.

Terwijl wij zaten te babbelen kwamen haar drie dochters de kamer binnen. Allemaal hadden ze een bikkelharde naam; de oudste heette Lepra, de tweede Scrofula en de derde Scorbutia. [8]  Ze waren allemaal elegant, maar spuuglelijk. Ik kon er niets aan doen dat ik zag hoe weinig waardering ze betoonden tegenover hun moeder. Omdat de oude dame dat van mijn gezicht had gelezen, vertelde ze me, zodra zij de kamer verlaten hadden, wat weldra geschiedde, hoe ongelukkig ze was met haar nageslacht. Allemaal waren ze zo vrijmoedig te ontkennen dat ze een kind van haar waren, hoewel ze naar ze zei een zeer toegeeflijke moeder was geweest en ze niets tekort gekomen waren. Omdat geklaag van een gezin doorgaans de toehoorder evenzeer vermoeit als dat het opluchting teweegbrengt bij wie daar uiting aan geeft, en ik merkte dat ze steeds dieper op dat onderwerp in ging, besloot ik een einde te maken aan mijn bezoek en keerde ik nadat ik, onder veel dank voor de gunsten die zij mij verleend had, afscheid had genomen, terug naar de herberg waar ik mijn medereizigers aantrof, die net in hun voertuig stapten. Ik schudde mijn gastheer de hand en vergezelde hen in de koets, die meteen daarop haar reis vervolgde.

HOOFDSTUK IV

Gesprekken onderweg en een beschrijving van het Paleis des Dood.

Op onze eigen zitplaats stevig door elkaar geschud, waren we een paar minuten allemaal stil totdat ik als eerste mijn mond open deed en vertelde wat er met me gebeurd was, nadat we uiteengegaan waren in de stad die we net verlaten hadden.

Met uitzondering van de ernstige vrouwelijke geest van wie onze lezer zich wellicht herinnert dat ze geweigerd had iets te vertellen over de ziekte die tot haar dood had geleid, deed de rest van het gezelschap hetzelfde. Het is mogelijk langdradig om dat uitvoerig te verhalen en daarom zullen we alleen melding maken van de opmerkelijke onbeschaamdheid waarmee de Overdaad alle andere ziekten en vooral de Koorts bejegen had en door de schurkachtigheid van de gidsen, zei ze, dank ontving van talloze passagiers die bij haar in het krijt stonden. "Die lieden," zei ze, "met een kop als hun wandelstok — want zo noemde ze hen, met een verwijzing, naar ik aanneem, naar hun onderscheidingsteken — maken in feite doorlopend van die fouten; die sujetten kennen geen dankbaarheid, want ik weet zeker dat zij mij meer verschuldigd zijn dan elke andere ziekte, met uitzondering van de Winderigheid." Er kwam pas een einde aan deze verhalen toen iemand van het gezelschap ons vertelde dat we het prachtigste gebouw naderden dat hij ooit gezien had en waarvan de koetsier ons meedeelde dat het het Paleis des Dood was. De buitenkant zag er inderdaad buitengewoon schitterend uit. Het was gebouwd in Gotische stijl, onvoorstelbaar groot en was helemaal opgetrokken uit zwart marmer. Als een amfitheater staan daar rijen enorme taxusbomen omheen, zo hoog en dicht dat geen enkele zonnestraal ooit door dat bos heen dringt, waar een eeuwige duisternis zou heersen als die niet buitengehouden werd door ontelbare lampen die in de vorm van piramiden rond het bos geplaatst waren, zodat het lichtschijnsel dat ze vanuit de verte op het paleis werpen, dat aan de buitenkant overdadig bedekt is met verguldsel en goud, het een onvoorstelbaar plechtige aanblik geeft. Daar zou ik nog het holle suizen van de winden aan toe kunnen voegen, dat onafgebroken vanuit het bos te horen is en heel in de verte het geluid van bulderende wateren. Bij de nadering van het paleis lijken alle omstandigheden dus samen te zweren om de geest te vullen met afgrijzen en verbijstering. We hadden amper de tijd om het te bewonderen toen ons voertuig stilhield bij de poort en ons verzocht werd uit te stappen om zijne hoogst sterfelijke majesteit — dat is de titel die hij naar het schijnt aanneemt — eer te bewijzen. De buitenhof krioelde van de soldaten en eigenlijk leek het geheel heel erg op het domein van een aards monarch, maar dan veel indrukwekkender. Langs verschillende binnenplaatsen bereikten we een grote zaal, die naar een brede trap leidde, aan de voet waarvan twee schildknapen stonden, met een zeer ernstig gezicht, die naar ik me achteraf herinnerde vroeger zeer uitmuntende begrafenisondernemers waren geweest en in werkelijkheid de enige sombere gezichten waren die ik daar zag. Want dit paleis dat van buiten zo afschuwelijk en ontzagwekkend is, is van binnen heel opgewekt en sprankelend, zodat we al gauw al die naargeestige en sombere gedachten kwijtraakten, die wij gekregen hadden toen wij het naderden. Het stilzwijgen dat door de bewakers en bedienden in acht genomen werd, had dus meer weg van de statige praal van Oosterse hoven, maar verder lagen op elk gezicht zoveel tekenen van tevredenheid en geluk dat ze overal in het rond een gevoel van vreugde verspreidden. We liepen de trap op en kwamen door veel indrukwekkende zalen heen, waarvan de wanden versierd waren met wandtapijten met allerlei veldslagen en waar we enige tijd doorbrachten met ze te bekijken. Ze deden me denken aan de mooie tapijten die ik tijdens mijn leven gezien had in Kasteel Blenheim 1, en ik kon niet verhinderen dat mijn nieuwsgierigheid vroeg waar de overwinningen van de Hertog van Malborough hingen — want ik denk dat dat vrijwel de enige veldslagen van enige betekenis waren waarover ik iets gelezen had en daar niet tegengekomen was —. De graatmagere lijfwacht schudde echter zijn hoofd en vertelde me dat een zekere heer, ene Lodewijk XIV, die een zeer grote belangstelling had voor zijne hoogst sterfelijke majesteit, verhinderd had dat zulke dingen daar opgehangen werden. "Bovendien," zei hij, "had zijne majesteit niet zo veel achting voor die hertog, want hij stuurde hem nooit een onderdaan die hij bij hem weg kon houden, kreeg evenmin ook maar een enkele via hem binnen, maar verloor wel 1000 andere voor hem." Bij onze binnenkomst merkten wij dat de audiëntiekamer helemaal vol zat en er ging gezoem rond, zoals bij alle vergaderingen voordat de hoofdpersoon binnenkomt, want zijne majesteit was nog niet verschenen. Achter in de kamer zaten twee personen in een druk gesprek gewikkeld, de een met een zwarte hoed op zijn hoofd en de andere met een gewaad met daarop vurige vlammen geborduurd. Dat waren, zo werd mij verteld, een rechter die al lang dood was en een inquisiteur-generaal. Ik ving toevallig hun gesprek op toen zij zeer fel met elkaar discussieerden over de vraag of de een er meer had laten ophangen of dat de ander er meer had laten verbranden. Terwijl ik naar dat twistgesprek luisterde, dat er niet naar uitzag dat het snel beslist zou worden, betrad de heerser het vertrek en nam plaats tussen twee figuren, van wie de een opviel door zijn lompheid en de ander door zijn fraaie verschijning. Dat waren blijkbaar Karel XII van Zweden en Alexander van Macedonië. Ik zat te ver weg om iets van het gesprek te kunnen horen en kon mijn nieuwsgierigheid dus alleen bevredigen door de verschillende aanwezigen gade te slaan, van wie ik de namen te weten kwam van een schildknaap, die er even bleek en mager uitzag als elke hofjonker in de andere wereld, maar wel wat bescheidener was. Hij wees me op twee of drie Turkse sultans, voor wie zijne hoogst sterfelijke majesteit veel hoffelijkheid aan de dag leek te leggen. Er waren eveneens verschillende Romeinse keizers, van wie geen enkele zozeer gekoesterd leek te worden als Caligula, vanwege, zo vertelde de schildknaap me, zijn vrome wens dat deze met één klap alle Romeinen hier naartoe kon sturen. Het verbaast de lezer wellicht dat ik hier geen dokters zag, wat bij mij ook het geval was, totdat ik hoorde dat ze allemaal afgereisd waren naar de Stad der Ziekten, waar ze druk bezig waren met een experiment om een eind te maken aan de onsterfelijkheid van de ziel.

Het zou saai zijn de herinneringen op te halen aan die vele individuen die ik daar zag, maar een gezette figuur kan ik niet overslaan. Hij was goed gekleed op de Franse manier en werd door de majesteit buitengewone hartelijk ontvangen en ik dacht dat het Lodewijk XIV zelf was, maar de schildknaap vertelde me dat het een beroemde Franse kok was. Ten langen leste werden we voorgesteld aan zijne majesteit en hadden de eer zijn handen te mogen kussen. Hij stelde ons enige vragen, die niet belangrijk genoeg zijn om ze hier te herhalen en trok zich kort daarop terug. Toen we weer terugkwamen op de binnenplaats zagen we dat onze koets klaar voor vertrek was, wat wij allemaal zeer toejuichten, want we hadden genoeg van de vormelijkheid van het hof, ondanks dat het aan de buitenkant zo prachtig en indrukwekkend was.

Noot Hoofdstuk IV

[1] Blenheim House is het prachtige paleis in de buurt van Woodstock in Oxfordshire dat de Engelse natie heeft laten bouwen voor haar beroemdste en meest succesvolle veldheer, John Churchill, hertog van Marlborough, als beloning voor zijn verdienstelijk optreden tijdens de Spaanse oorlog wegens de erfelijke opvolging, van 1702 tot 1711. De naam is ontleend aan het dorp Blendheim, in de buurt van Hochstädt, waar de hertog samen met prins Eugenius op 13 augustus 1704 een grote overwinning behaalde. 

HOOFDSTUK V

De reizigers reizen verder en ontmoeten meerdere geesten die een lichaam aannemen.

We kwamen nu bij de oevers van de grote rivier de Cocytus 1, waar we ons voertuig achterlieten en met de boot het water overstaken, waarna we gedwongen waren de rest van onze reis te voet af te leggen. En nu ontmoetten we voor het eerst verschillende passagiers die op reis waren naar de wereld die wij verlaten hadden en ons vertelden dat ze zielen waren die een lichaam gingen aannemen.

De eerste twee die we tegenkwamen liepen arm-in-arm en waren in een heel innig en hartelijk gesprek gewikkeld. Ze vertelden ons dat een van hen bestemd was voor hertog en de andere voor koetsier van een huurrijtuig. Omdat we nog niet de plek bereikt hadden waar we onze hartstochten achter moesten laten, waren we allemaal verrast over de vertrouwelijkheid die er tussen personen van zo verschillende status bestond. Zelfs de ernstige dame kon niet nalaten haar verbazing daarover te uiten. De toekomstige koetsier antwoordde toen lachend dat ze hun lot geruild hadden, omdat de hertog zich met zijn hertogdom een feeks van een vrouw op de hals had gehaald en de koetsier vrijgezel was.

Toen we onze reis vervolgden kwamen we een plechtstatige ziel tegen, die in zijn eentje liep en zeer ernstige gelaatstrekken had; ondanks zijn terughoudendheid verleidde onze nieuwsgierigheid ons te vragen welk lot hij getrokken had.

Met een glimlach antwoordde hij dat hij de naam had dat hij een verstandig man was met ₤100,000 in zijn zak en dat hij nu bezig was de plechtstatigheid te oefenen, die hij in de andere wereld moest spelen. Even verderop kwamen we een gezelschap tegen van zeer uitgelaten geesten, van wie wij ons voorstelden dat zij door hun opgewektheid een of ander krachtig lot getrokken hadden, maar ons desgevraagd vertelden dat ze bedelaar waren.

Hoe verder we kwamen hoe groter de aantallen die we tegenkwamen en toen ontdekten we twee grote wegen die beiden een andere kant op liepen en er heel anders uitzagen. De ene was heel woest en bezaaid met rotsblokken en was naar het leek vol moerassige stukken en overal begroeid met doornstruiken, zodat die zonder het grootste gevaar en moeite onmogelijk was te begaan; en de andere, de heerlijkst denkbare, die door de grazigste weilanden leidde, opgetooid en welriekend met allerlei prachtige bloemen, kortom, de meest buitensporige verbeelding zou zich niets heerlijkers kunnen voorstellen. Ondanks dat waren we verbaasd te zien dat grote aantallen samendromden op de eerste en maar een of twee afzonderlijke geesten de laatste gekozen hadden.

Desgevraagd werd ons verteld dat de slechte weg de weg naar roem was en de andere naar goedheid. Toen wij uiting gaven aan onze verbazing over de voorkeur die aan de eerste gegeven werd, werd ons verteld dat die werd gekozen ter wille van de muziek van trommels en trompetten en de onafgebroken toejuichingen van de menigte, waarmee degenen die deze weg namen voortdurend verwelkomd werden. Ons werd eveneens verteld dat er meerdere indrukwekkende paleizen te vinden waren, waarin degenen die alle hindernissen van de weg overwonnen hadden — die in werkelijkheid door velen niet genomen konden worden — tijdelijk konden verblijven en dat daarin allerlei kostbaarheden te vinden waren, terwijl de andere weinig meer uitnodigends had dan de aantrekkelijkheid van de weg en amper één geschikt gebouw, afgezien van een dat heel erg leek op een bepaald huis in Bath en de hele reis te zien was; en tot slot dat het reizen over die weg zeer schandalig en min gevonden werd en over de andere zeer eerbaar en edelmoedig. Opeens hoorden we een vreselijk kabaal en toen we vooruit keken zagen we een grote menigte geesten die iemand achtervolgde die ze met alle mogelijke minachting bespotten en beledigden. Ik kan mijn lezer geen treffender beeld schetsen van dit tafereel dan door het te vergelijken met een Engelse menigte die een zakkenroller richting het water drijft of door me voor te stellen dat een verhit publiek in een theater zich op een ellendige manier meester gemaakt heeft van de deerniswekkende, vervloekte dichter. Sommigen lachten, sommigen floten, sommigen gilden, sommigen gromden, sommigen tierden, sommigen spuugden of wierpen vuil naar hem. Het was onmogelijk niet te vragen wie of wat die beklagenswaardige geest was die ze op een zo barbaarse manier behandelden. Tot onze grote verrassing werd ons verteld dat het een koning was en verder dat onder de geesten deze manier van optreden gebruikelijk was tegen degenen die het lot van keizer, koning en andere grote mannen getrokken hadden, niet uit naijver of woede, maar louter uit spot en minachting voor aardse grootsheid; dat voor lieden die deze grote prijzen getrokken hadden — wat wij dachten — niets normaler was dan die te ruilen met kleermakers en schoenmakers en dat Alexander en Diogenes dat vroeger ook gedaan hadden. Bij de man die later Diogenes werd, was oorspronkelijk het lot van Alexander gevallen. Maar nu kwam opeens een einde aan de bespotting en begon de koningsgeest, die een publiek had gekregen, het als volgt — want wij waren nu dicht genoeg genaderd om hem duidelijk te kunnen verstaan — toe te spreken:

"Heren, — Ik ben werkelijk verrast over de manier waarop jullie me behandelen, want wat voor lot ik ook heb getrokken, ik heb dat niet zelf gekozen. Als het daarom spot verdient, zouden jullie medelijden met me moeten hebben, want het had jullie allemaal kunnen overkomen. Ik weet hoezeer hier neergekeken wordt op de positie die het lot mij heeft toebedeeld en doorgaans zo ondraaglijk is dat er, als het niet geschraagd wordt door eerzucht, nauwelijks een andere toestand is waarmee het niet met graagte geruild zou willen worden, want welk lot is, in de wereld waar we naartoe gaan, beklagenswaardiger dan zorgzaam zijn? Als ik dus denk dat ik door dit lot in feite jullie meerdere word en een wezen van een hogere klasse dan de rest van mijn medemensen; als ik mij als een onnozele hals zou verbeelden zonder wijsheid betere dan een wijze, zonder kennis beter dan een geleerde, zonder moed beter dan een dapper man en zonder goedheid en deugdzaamheid beter dan goede en deugdzame mensen ben, dan zou een zo dwaze en ongerijmde trots terecht van mij een mikpunt van spot maken. Maar dat denk ik allemaal helemaal niet. En toch, heren, prijs ik het lot dat ik getrokken heb en zou het met niemand van jullie willen ruilen, omdat het in mijn ogen veel grootser is dan de rest. Eerzucht, waarvan ik toegeef dat ik dat heb, leert me dat; eerzucht, waardoor ik naar lof hunker, verzekert me ervan dat ik daar een veel groter deel van zal ontvangen dan jullie kunnen verdienen of verkrijgen. Als ik meer goed kan doen en die macht kan uitoefenen ben ik van jullie allemaal dus de meerdere. Wat een vader voor zijn zoon, een voogd voor een wees of een beschermheer voor zijn onderdaan is, ben ik voor jullie. Jullie zijn mijn kinderen, voor wie ik de vader, voogd en beschermheer zal zijn. Tijdens mijn langdurige bewind — want dat zal het zijn — zal ik mij geen enkele avond te ruste leggen zonder de alleraangenaamste en hartverwarmende gedachte, dat duizenden hun heerlijkste rust aan mij te danken hebben. Wat een weldadig lot is het voor hem van wie het grootste verlangen is goed te doen en elke dag de gelegenheid en macht te hebben om dat te verwezenlijken! Als zo iemand eerzuchtig is, wat is het voor hem dan vreugdevol om zo hooggeplaatst te zijn, dat alles wat hij doet rondgebazuind wordt en hem loftuitingen oplevert, die niet gekleurd zijn door sarcasme of kruiperigheid, maar zodanig dat de aardigste en verfijndste geest daarvan kan genieten! Ik ben dus jullie meerdere omdat jullie alles wat goed voor jullie is aan mij ontlenen. Als jullie aan mijn strikte verdeling van rechtvaardigheid de bescherming danken van jullie eigendom tegen de vijanden van huis en haard; als jullie door mijn waakzaamheid en heldenmoed beschermd worden tegen buitenlandse dwazen; als door mijn aanmoedigen van eerlijke bedrijvigheid, alle wetenschappen en kunsten die het leven kunnen verfraaien of veraangenamen, bij jullie tot stand en tot bloei gebracht worden; kan iemand van jullie dan zo gevoelloos of ondankbaar zijn dat hij hem, door wiens zorg en gedrag jullie deze zegeningen genieten, lof en waardering kan ontzeggen? Ik verbaas me niet over de afkeuring die zo vaak ten deel valt aan mensen in mijn positie, maar wel dat mensen in mijn positie dat zo vaak verdienen. Wat een merkwaardige ontaarding van de natuur! Door wat voor lichtzinnig plezier in kwaad doen moet iemands gemoedstoestand gekleurd zijn, die door kwaad te doen de voorkeur geeft aan gevaren, problemen en minachting, in plaats van door goed te doen aan veiligheid, rust een eer! die afziet van geluk in de andere wereld en de hemel in deze, in ruil voor ellende daar en de hel hier! Maar wees gerust, mijn bedoelingen zijn anders. Ik zal altijd streven naar rust, geluk en eer van mijn onderdanen, omdat ik erop vertrouw dat ik door zo te handelen de zekerste manier hanteer om dat ook allemaal voor mijzelf te verschaffen." — Daarna sloeg hij rechtstreeks de weg van goedheid in en ontving een zulk geschreeuw van bijval als ik me niet herinner ooit eerder gehoord te hebben. Hij had nog maar een klein stuk afgelegd toen een geest achter hem aan strompelde, die bezwoer dat hij hem terug zou halen.

Even later werd mij verteld dat die geest iemand was die het lot van zijn eerste minister had getrokken.

Noot Hoofdstuk V

[1] De Cocytus is een rivier in de onderwereld, de Rivier der Weeklachten, die uitvloeit in de Acheron

HOOFDSTUK VI

Een verslag over het Rad van Fortuin en een manier om een geest voor deze wereld toe te rusten.

We vervolgden nu onze reis, zonder af te wachten of hij al dan niet zijn belofte nakwam en kwamen, zonder verder iets vermeldenswaardigs tegen te komen, aan op de plek waar de geesten op hun doorreis naar de andere wereld door loting moesten beslissen over de rol die iedereen daar moest spelen. Daar stond een reusachtig rad, oneindig veel groter dan die waarin ik vroeger loterijbriefjes had zien stoppen. Het werd het rad van fortuin genoemd.

De godin was persoonlijk aanwezig. Het was een van de mismaaktste vrouwen die ik ooit gezien had en ik kon er ook niets aan doen dat mij de afkeurende blikken opvielen die zij telkens liet zien als er een aantrekkelijke geest van haar eigen geslacht voorbij liep, noch de welwillende manier waarop een glimlach over haar gezicht gleed bij de nadering van knappe mannelijke geesten. Daaruit maakte ik de juistheid op van een waarneming die ik vaak op aarde gedaan had, namelijk dat niets gezegender is dan een knappe man en niets rampzaliger dan een knappe vrouw. Misschien doe ik de lezer een genoegen met een verslag van de hele manier waarop een geest toegerust wordt voor zijn intrede in een lichaam.

Eerst krijgt hij van een heel wijs persoon, van wie het uiterlijk erg veel weg heeft van een apotheker — zijn winkel lijkt ook op een apotheek —, een klein flesje met het opschrift, hartstochtdrankje, dat je vóór je geboorte in moet nemen. Dit drankje is een mengsel van alle hartstochten, maar niet met een vaste samenstelling, zodat soms de ene overheerst en soms een andere, sterker nog, in de haast waarmee het bereid wordt, wordt, zoals ons verteld werd, vaak een van de ingrediënten weggelaten. Tegelijkertijd krijgt de geest nog een ander medicijn met de naam nousforisch afkooksel, waarvan hij onbeperkt mag drinken. Dit afkooksel is een extract van de geestelijke vermogens, soms uiterst krachtig en geestrijk en soms heel zwak, want het wordt niet erg zorgvuldig bereid. Dit drankje is zo uitermate bitter en onaangenaam dat ondanks dat het heilzaam is, verschillende geesten niet overgehaald kunnen worden er ook maar een druppel van in te nemen, maar het weggooien of aan iemand anders geven, die het wel wil. Sommige geesten, die niet afkerig zijn van de misselijkmakende drank verdubbelen of verdriedubbelen daardoor hun portie. Ik zag hoe een aantrekkelijke jonge vrouw die er uit nieuwsgierigheid meteen van proefde, haar neus optrok en het vol afschuw van zich afwierp. Daarna liep ze even later naar het rad, trok een kroontje en zette dat zo enthousiast op haar hoofd dat ik niet kon onderscheiden van welke klasse het was en verder zag ik nog meerderen van hetzelfde geslacht die na een kleine slok het flesje weggooiden. Zodra de geest door de beheerder of apotheker weggestuurd wordt, is hij vrij om naar het rad toe te lopen en heeft het recht daar een enkel lot uit te halen, maar de gunstelingen van vrouwe Fortuna mogen van haar soms stiekem drie of vier loten trekken. Ik zag een grappige figuur die er een handvol uittrok die, toen hij ze openmaakte, een bisschop, een generaal, een lid van de Geheime Raad, een gokker en een hofdichter aangaven. De eerste drie stopte hij terug en liep toen met de laatste twee glimlachend weg. Op elk afzonderlijk lot stonden twee of meer bepalingen, die doorgaans zodanig opgesteld waren dat de loten zoveel mogelijk aan elkaar gelijk waren. Op een ervan stond geschreven graaf, rijkdom, gezondheid, onrust; op een ander, schoenmaker, ziekte, opgewekt; op een derde dichter, verleiding, zelfgenoegzaam; op een vierde, generaal, eer, ontevredenheid; op een vijfde, huisje, gelukkige liefde; op een zesde, koetsier van zes-span, machteloos, jaloerse echtgenoot; op een zevende, eerste minister, schande; op een achtste, goede vaderlander, roem; op een negende, filosoof, armoede, rust; en op een tiende, koopman, rijkdom, zorgen. Samen leek elk lot een zodanig mengsel van goed en kwaad te bevatten, dat ik niet zo goed geweten zou hebben welk ik had moeten kiezen. Ik moet hier niet vergeten te vermelden dat elk lot aangaf of degene die het lot trok zou trouwen of vrijgezel zou blijven. De loten met trouwen droegen allemaal het teken van een groot stel horens. Voordat we dit oord verlieten, moesten we van de apotheker ieder een braakmiddel innemen, dat ons meteen reinigde van al onze aardse hartstochten en even later verliet de wolk onze ogen, zoals dat ook bij Aeneas in Vergilius gebeurde, toen die bij hem door Venus verwijderd werd en onderscheidden we de dingen in een veel helderder licht dan tevoren. We begonnen medelijden te krijgen met de geesten die op het punt stonden een lichaam aan te nemen en wij tot dan toe heimelijk benijd hadden, en zeer hevig te verlangen naar de heerlijke velden die zich voor onze ogen openden en waar wij ons nu uitermate enthousiast naartoe haastten. Onderweg kwamen we verschillende geesten tegen die er zeer terneergeslagen uitzagen, maar onze onderzoekingsreis stond ons niet toe nog vragen te stellen. Ten slotte kwamen we aan bij de poort van de Elyseese Velden. Daar stond een enorme menigte geesten te wachten tot ze toegelaten werden, sommigen mochten naar binnen, anderen werden weggestuurd, want allemaal werden ze zorgvuldig onderzocht door de portier, van wie ik al snel ontdekte dat het de beroemde rechter Minos was.

HOOFDSTUK VII

Het optreden van rechter Minos bij de poort van de Elyseese Velden.

Ik kwam nu dicht genoeg bij de poort om te kunnen horen waar degenen die een poging deden naar binnen te komen, allemaal aanspraak op maakten. De eerste verklaarde, naast andere voorwendsels, dat hij heel vrijgevig voor het ziekenhuis was geweest, maar Minos antwoordde, "Uiterlijk Vertoon," en weigerde hem. De tweede beweerde dat hij voortdurend zijn kerk bezocht en de vastendagen strikt in acht genomen had. Daarnaast voerde hij eveneens de grote afkeer aan die hij betoond had voor de ondeugden bij anderen, die nooit aan zijn strengste afkeuring ontkwamen en over zijn eigen gedrag vertelde hij dat hij zich nooit schuldig had gemaakt aan hoerenlopen, drankzucht, vraatzucht of enig andere uitspatting. Hij zei dat hij zijn zoon onterfd had omdat hij een buitenechtelijk kind was. "Heeft u dat echt gedaan?" zei Minos, "mag ik u dan verzoeken terug te keren naar de andere wereld en nog een zoon te verwekken, want een zo onnatuurlijke schoft zal nooit door deze poort heengaan." Een tiental anderen die met een zeer zelfverzekerde blik naderbij gekomen waren draaiden zich, toen ze zagen dat hij afgewezen werd, uit eigener beweging om en verklaarden dat als hij niet toegelaten werd, zij ook niets te verwachten hadden en volgden hem dus terug naar de aarde. Dat was het lot van iedereen die afgewezen werd. Ze waren verplicht zich aan een verdere loutering te onderwerpen, behalve zij die zich schuldig hadden gemaakt aan een of andere gruwelijke misdaad, want die werden door een achterdeurtje heen geduwd en vielen dan rechtstreeks de bodemloze put in.

De volgende geest die aan bod kwam verklaarde dat hij in de wereld goed noch kwaad gedaan had, omdat hij, sinds hij de mannelijke leeftijd had bereikt, al zijn tijd besteed had aan het bezig zijn met bijzondere dingen en in het bijzonder met het bestuderen van vlinders, waarvan hij een enorm aantal verzameld had. Minos gaf hem geen antwoord, maar duwde hem zeer minachtend terug. Nu kwam een werkelijk zeer knappe geest naderbij. Meteen toen ze Minos zag begon ze naar hem te lonken. Ze zei dat ze hoopte dat er enige verdienste school in het feit dat ze een groot aantal minnaars afgewezen had en als maagd gestorven was, hoewel ze uit wel honderd had kunnen kiezen. Minos vertelde haar dat ze er nog niet genoeg had afgewezen en stuurde haar terug.

Na haar kwam een geest die de rechter vertelde dat zijn oeuvre voor hem zou spreken. "Wat voor oeuvre?" antwoordde Minos. "Mijn toneelstukken," antwoordde de ander, die zoveel goed hebben gedaan door deugdzaamheid aan te bevelen en ondeugd te straffen." "Heel goed," zei de rechter, "als u zo vriendelijk wilt zijn hier te blijven staan, zal de eerste persoon die door uw werk de poort doorgaat u met zich mee naar binnen nemen; maar als u mijn raad wilt opvolgen, denk ik dat u, ter wille van een snelle afhandeling, beter terug kunt gaan en nog een leven aarde doorbrengen." Hierop bromde de dichter wat en antwoordde dat hij, naast zijn dichterlijke werken, nog wat andere goede daden verricht had, want dat hij de hele opbrengst van een liefdadigheidsavond aan een vriend uitgeleend had en daarmee hem en zijn gezin van de ondergang gered had. Toen hij dat gezegd had vloog de poort open, gebaarde Minos hem naar binnen te gaan en vertelde hem dat hij, als hij dat eerst had gezegd, zich het opdissen van zijn toneelstukken had kunnen besparen. De dichter antwoordde dat als Minos zijn stukken gelezen had, hij hem hoger had ingeschat. Hij begon toen weer in herhaling te vallen, maar Minos duwde hem naar voren, keerde hem zijn rug toe en richtte zich tot de volgende passagier, een deftige geest, die een zeer diepe buiging maakte voor Minos, zichzelf weer overeind wierp en met zijn rechterhand het gebaar maakte alsof hij een snuifje nam. Minos vroeg hem wat hij over zichzelf te zeggen had. Hij antwoordde dat hij met elke geest in de Elyseese Velden een menuet wilde dansen, dat hij zijn andere oefeningen eveneens heel goed kon uitvoeren en hoopte dat hij door zijn leven de aard van een volmaakte heer verdiend had. Minos antwoordde dat het heel jammer zou zijn de wereld van een zo fijnzinnige heer te beroven en verzocht hem dus nog een reisje te maken. De ijdeltuit boog en zei dat hij niets anders wilde.

Verschillende geesten uitten er grote verbazing over dat hij daar genoegen mee nam, maar wij hoorden later dat hij het hierboven vermelde braakmiddel niet had ingenomen.

Er kroop nu een deerniswekkende oude geest naar voren, van wie ik dacht dat ik het gezicht eerder gezien had in de buurt van de Westminster Abbey. Hij onderhield Minos met een lange plechtige toespraak over wat hij had gedaan toen hij in het huis zat en vervolgde met hem op de hoogte te brengen van hoe waardevol hij was, zonder een poging te doen om ook maar één voorbeeld te geven van enige goede daad. Minos maakte een einde aan zijn redevoering en deelde hem mede dat hij de terugreis moest aanvaarden.

"Wat! naar dat Sch—t-huis?" zei de geest in een zinsverbijstering, maar de rechter wendde zich, zonder hem ook maar enig antwoord te geven, naar een andere, die hem met een zeer plechtstatige houding en grote waardigheid, meedeelde dat hij een hertog was. "Rechtsomkeert, Hr. Hertog," riep Minos, "u bent een veel te groot man voor de Elyseese Velden," gaf hem een trap tegen zijn k—t, en richtte zich tot een geest die hem angstig en trillend smeekte niet naar de bodemloze put te hoeven gaan. Hij zei dat hij hoopte dat Minos er rekening mee zou houden dat hij wel het slechte pad op was gegaan, maar daarvoor geboet had — dat hij uit nood eighteenpence gestolen had en daarom opgehangen was — dat hij een aantal goede daden verricht had in zijn leven — dat hij een oude vader geholpen had met zijn werk — dat hij een zeer liefdevolle echtgenoot en een aardige vader was geweest — en dat hij zichzelf te gronde had gericht door borg te staan voor zijn vriend. Bij deze woorden ging de poort open en verzocht Minos hem naar binnen te gaan en toen hij langs hem heen liep gaf hij hem een klap op zijn schouder. Nu kwam een groot aantal geesten naar voren, die allemaal beweerden dat ze dezelfde aanspraak maakten en dat de kapitein namens hen het woord zou voeren. Hij vertelde de rechter dat ze allemaal gesneuveld waren in dienst van hun vaderland. Minos stond op het punt ze toe te laten, maar was zo nieuwsgierig hen te vragen wie de indringer was geweest, zodat hij, zoals hij zei, de achterdeur al voor hem open kon zetten. De kapitein zei dat ze zelf de indringers waren geweest — dat ze het land van de vijand binnengevallen waren en verschillende steden in as gelegd en geplunderd hadden. "En om wat voor reden?" zei Minos. "Op bevel van degene die ons betaalde," zei de kapitein, "dat is voor een soldaat de enige reden. Wij moeten alles uitvoeren wat ons bevolen wordt, want anders zouden we een schande voor het leger zijn en nauwelijks onze soldij verdienen." "Jullie zijn echte dappere lieden," zei Minos, "maar maak alsjeblieft rechtsomkeert en gehoorzaam voor één keer mijn bevel en keer terug naar de andere wereld, want wat zouden kerels zoals jullie doen waar geen steden in as of mensen gedood kunnen worden? Maar laat ik jullie de raad geven in de toekomst beter de waarheid in acht te nemen en het ontvolken van andere landen niet een dienst voor jullie eigen land noemen." De kapitein antwoordde woedend, "Verd—e! denkt u dat ik lieg?" en had Minos bij de neus gegrepen als diens bewakers hem niet tegengehouden en hem en al zijn aanhangers eruit gegooid hadden, terug naar dezelfde weg die ze gekomen waren.

Vier geesten vertelden de rechter dat ze door armoede van de honger gestorven waren — een vader, de moeder en twee kinderen — en dat ze zo eerlijk en ijverig als maar mogelijk waren geweest, totdat de man door ziekte niet meer kon werken. "Dat is helemaal waar," riep een ernstige geest die vlakbij stond. "Ik ken de feiten, want ik was de geestelijk raadsman van deze arme mensen." "U was, neem ik aan, de predikant van de parochie," riep Minos, "ik hoop dat u een goed inkomen had, sir." "Dat was maar heel mager," antwoordde de geest, "maar ik had er nog een dat wat beter was." — "Prima," zei Minos, "laat de arme mensen door." Daarop stapte de predikant naar voren en liep met statige pas voor hen uit, maar Minos hield hem tegen en duwde hem terug, met de woorden, "niet zo snel, doctor — u moet eerst nog een stap zetten in de andere wereld, want zonder liefdadigheid gaat niemand deze poort binnen." Nu verscheen een zeer statige figuur, deelde Minos mee dat hij een goede vaderlander was en begon een zeer bloemrijke redevoering af te steken over maatschappelijke deugdzaamheid en de vrijheden van zijn land. Daarop gaf Minos blijk van een zeer grote achting voor hem en gaf opdracht de poort te openen. De goede vaderlander was niet tevreden met deze bijval; hij zei dat hij zich even deugdelijke gedragen had in zijn ambt als in de oppositie en dat hij zich, hoewel hij nu verplicht was de maatregelen van het hof te aanvaarden, toch zeer oprecht jegens zijn vrienden had gedragen en er zoveel mogelijk binnengehaald had. "Wacht even," zei Minos, "bij nader inzien, Hr. Vaderlandsvriend, denk ik dat een zo deugdzaam en kundig man als u zozeer gemist zal worden door uw land, dat u, als ik u een goede raad mag geven, weer terug moet reizen. Ik weet zeker dat u dat niet zult afwijzen, want ik twijfel er niet aan dat u maar al te graag uw geluk wilt opofferen voor het algemeen welzijn." De goede vaderlander glimlachte en vertelde Minos dat hij dacht dat hij een grap maakte. Hij maakte aanstalten de poort binnen te gaan, maar de rechter greep hem stevig vast en drong aan op zijn terugkeer en toen de goede vaderlander dat nog steeds weigerde, gaf hij zijn bewakers ten slotte de opdracht hem te grijpen en terug te brengen.

Bij de nadering van een nieuwe geest werd de poort meteen voor hem opengedaan, nog vóór hij een woord gesproken had. Ik hoorde ergens fluisteren, "dat is onze laatste burgemeester."

Nu kwam ons gezelschap aan de beurt. De aantrekkelijke geest, die ik met zoveel bijval vermeld heb aan het begin van onze reis, kwam er heel gemakkelijk door, maar de ernstige dame werd meteen toen ze verscheen afgewezen, want verklaarde Minos, in de Elyseese Velden waren geen preutse mensen.

Daarna richtte de rechter zich tot mij, die weinig hoop koesterde dit scherpe verhoor door te komen. Ik gaf toe dat ik mij in mijn jeugd zeer overvloedig te buiten was gegaan aan wijn en vrouwen, maar dat ik nooit enig levend wezen nadeel had berokkend en evenmin een gelegenheid om goed te doen voorbij had laten gaan; dat ik mij amper op deugdzaamheid voor kon laten staan, afgezien van wat algemene menslievendheid en vertrouwelijke vriendschap. Ik wilde verder gaan, toen Minos me dringend verzocht de poort binnen te gaan en me niet te bezondigen aan het rondbazuinen van mijn deugden. Dus liep ik samen met mijn beminnelijke gezellin naar voren, terwijl ik haar zeer gretig, maar geestelijk onschuldig omhelsde en zij die omhelzing op dezelfde manier beantwoordde. Allebei prezen wij onszelf gelukkig met onze aankomst in deze gelukzalige contreien, waarvan de schoonheid door de verbeelding op geen enkele manier beschreven kan worden.

HOOFDSTUK VIII

De avonturen die de schrijver meemaakte bij zijn eerste betreden van de Elyseese Velden.

Wij vervolgden onze weg door een verrukkelijk oranjebomenbos, waar ik eindeloze aantallen geesten zag, die ik allemaal kende en zij mij — want geesten kennen elkaar intuïtief —. Kort daarop ontmoette ik mijn dochtertje dat ik enige jaren daarvoor verloren had. Grote goden! welke woorden kunnen de verrukkingen, de smeltende, hartstochtelijke tederheid beschrijven, waarmee wij elkaar kusten. Met de uitzinnigste vreugde bleven wij elkaar omhelzen gedurende een tijd die, als die hier hetzelfde als op aarde gemeten wordt, vast niet korter duurde dan een half jaar.

De eerste geest met wie ik een gesprek aanknoopte was de beroemde Leonidas van Sparta. Ik bracht hem op de hoogte van de eer die hem bewezen was door een befaamde dichter 1 uit ons land, waarop hij antwoordde dat hij hem zeer veel dank verschuldigd was. Even later werden wij onthaald op de verrukkelijkste stem die ik ooit gehoord had, begeleid door een viool, die die van Signor Giovanni Painatinida evenaarde. Ik ontdekte weldra dat de musicus en de zangeres Orpheus en Sappho waren.

De oude Homerus was een van de aanwezigen bij dit concert — als ik dat zo mag noemen — en Madame Dacier 2 zat op zijn schoot. Hij stelde veel vragen over Dhr. Alexander Pope en zei dat hij hem heel graag wilde ontmoeten, omdat hij, met haast evenveel plezier als hij dacht dat hij anderen met het origineel gegeven had, zijn eigen Ilias in diens vertaling had gelezen. Ik was zo nieuwsgierig om te vragen of hij dat gedicht echt in afzonderlijke stukken had geschreven en als balladen in heel Griekenland gezongen had, zoals het verhaal over hem luidt. Hij glimlachte bij mijn vraag en vroeg of er enige lijn in het gedicht te ontdekken viel, want als dat het geval was zou ik misschien mijn vraag zelf kunnen beantwoorden. Daarna drong ik bij hem aan mij te vertellen in welke van de steden, die ruzie maakten over de eer van zijn geboorte, hij werkelijk geboren was? Waarop hij antwoordde, "Wis en waarachtig, ik kan het u niet vertellen."

Toen kwam Vergilius naar me toe lopen met aan zijn arm Dhr. Joseph Addison 3. "Nou, sir," zei hij, "hoeveel vertalingen zijn er de afgelopen jaren van mijn Aeneis verschenen?" Ik vertelde hem dat ik dacht dat het er meerdere waren, maar ik kon het me onmogelijk herinneren, want ik had er nooit een gelezen, behalve die van Dr. John Trapp 4. "Dat zal best," zei hij, "het is ook een merkwaardig stuk!" Ik vertelde hem toen over de ontdekking die Dhr. William Warburton 5 gedaan had over de Eleusische mysteriën die verwoord zijn in zijn zesde boek. "Wat voor mysteriën?" zei Dhr. Addison. "De Eleusische," antwoordde Vergilius, "die ik onthuld heb in mijn zesde boek. "Hoezo?" antwoordde Addison. "Zolang wij elkaar kennen heeft u me nooit één woord gezegd over die mysteriën." "Ik dacht dat dat niet nodig was," riep de ander, "voor iemand die zo grenzeloos geleerd is als u; bovendien heeft u mij altijd verteld dat mijn bedoeling u volmaakt duidelijk was." Op dat moment dacht ik dat de criticus eruit zag alsof hij enigszins van zijn stuk gebracht was, maar hij wendde zich zijdelings naar een zeer opgewekte geest, ene Dick Steele (vert.: Sir Richard Steele) die hem omhelsde en vertelde dat hij de grootste man op aarde was geweest en dat hij graag afstand van alle verdiensten van zijn werk wilde doen ten gunste van hem. Daarop wierp Addison hem een minzame glimlach toe en riep terwijl hem zeer plechtstatig op zijn schouder sloeg, uit, "Goed gesproken, Dick!"

Toen zag ik Shakespeare staan tussen Thomas Betterton en Barton Booth 6 in, die een meningsverschil tussen deze twee grote toneelspelers beslechtte over een accent in een van zijn versregels. Dat werd over en weer betwist met een vurigheid die mij in de Elyseese Velden verbaasde, totdat ik er intuïtief achter kwam dat elke ziel haar belangrijkste kenmerken behield, omdat die in feite haar wezen vormden. De regel was die befaamde in Othello —

Doof het licht en doof dan het licht, volgens Betterton. Dhr. Booth beweerde dat het als volgt moest zijn: —

Doof het licht en doof dan het licht. Ik kon het niet laten in deze zaak mijn vermoeden in te brengen en opperde dat het misschien was —

Doof het licht en doof dan haar licht. Iemand anders gaf voorzichtig een manier van lezen te kennen die naar mijn mening heel vergezocht was —

Doof het licht en doof dan jou, licht, waarmee hij van het licht de vocatief maakte. Weer een ander zou het laatste woord veranderen en lezen —

Doof uw licht en doof dan uw zicht. Maar Betterton zei dat als de tekst toch veranderd moest worden, hij geen reden zag waarom dan niet even goed in plaats van een letter een heel woord veranderd kon worden en in plaats van "doof uw licht," je zou kunnen lezen "doof je ogen." Ten slotte werd er van alle kanten mee ingestemd de zaak ter beslissing voor te leggen aan Shakespeare zelf, die als volgt zijn mening gaf. "Op mijn woord, heren, het is zolang geleden dat ik die regel schreef, dat ik mijn bedoeling vergeten ben. Maar ik weet wel dat als ik had kunnen dromen dat er zoveel onzin over gesproken en geschreven zou worden, ik het uit mijn werken geschrapt zou hebben, want ik weet zeker dat als ik zoiets bedoeld had, dat me zeer weinig tot eer strekt."

Er werden hem nog vragen gesteld over een paar andere dubbelzinnige passages in zijn werken, waarop hij geen bevredigend antwoord gaf, maar zei dat, als Dhr. Lewis Theobald 7 daar nog niet genoeg over had geschreven, er twee of drie nieuwe uitgaven van zijn stukken zouden verschijnen, waarvan hij hoopte dat ze iedereen tevreden zouden stellen. Hij eindigde met, "Niets verbaast me zozeer als dat mensen klaar staan om verborgen schoonheden bij een schrijver te ontdekken. Ik verzeker u dat de grootste en veelzeggendste schoonheden altijd de opvallendste en duidelijkst treffende zijn en als twee betekenissen van een passage niet in het minst van invloed zijn op onze mening over welke te verkiezen is, blijf ik er met een onbetwistbare zekerheid bij dat ze allebei geen stuiver waard zijn." Van zijn werken kwam ons gesprek terecht op zijn gedenkteken, waarop Shakespeare, schuddebuikend van het lachen en zich tot Milton richtend, uitriep, "op mijn woord, broeder Milton, ze hebben een fraai stelletje dichters bijeengebracht; ze zouden eerder gehangen zijn dan dat ze zulk een gezelschap tijdens hun leven aan hun tafels hadden kunnen verzamelen." "Klopt, broeder," antwoordde Milton, "tenzij wij toen net zomin tot eten in staat waren geweest als nu."

Noten Hoofdstuk VIII

[1] Richard Glover (1712 –1785) was een Engelse dichter en politicus. In 1737 publiceerde hij het episch gedicht Leonidas, dat de vrijheid bezong.

[2] Anne Le Fèvre Dacier (1654 –1720), tijdens haar leven beter bekend als Madame Dacier, was een Franse geleerde en vertaalster van klassieke werken. In 1699 verscheen haar prozavertaling van de Ilias, negen jaar later gevolgd door eenzelfde vertaling van de Odyssee.

[3] Joseph Addison, (1672 –1719) was een Britse politicus en schrijver. Zijn naam wordt gewoonlijk gememoreerd samen met die van zijn levenslange vriend, Sir Richard Steele, met wie hij het tijdschrift The Spectator oprichtte.

[4] John Trapp, (1601–1669,), was een Engelse bijbelcommentator.

[5] William Warburton (er 1698 –1779) was een Engelse criticus en geestelijke en bisschop van Gloucester, van 1759 tot aan zijn dood.

[6] Thomas Patrick Betterton (1635 –1710), Engelse toneelspeler, zoon van een kok aan het hof van koning Karel I. Barton Booth (1681 –1733) was een van de beroemdste toneelspelers van het begin van de 18e eeuw.

[7] Lewis Theobald (1688 –1744), Engelse uitgever en schrijver, was een sleutelfiguur in zowel de geschiedenis van de uitgaven van de werken van Shakespeare als de literaire satire.

HOOFDSTUK IX

Meer avonturen in de Elyseese Velden.

Een drom geesten voegde zich nu bij ons en ik ontdekte al gauw dat het de helden waren, die hier vaak hun dankbaarheid betonen voor de verschillende dichters die hun daden opgetekend hebben. Nu zag ik dat Achilles en Odysseus zich tot Homerus richtten en Aeneas en Julius Caesar tot Vergilius: Adam liep op Milton af, waarna ik tegen Dhr. John Dryden 1 fluisterde dat ik dacht dat naar zijn mening de duivel daar zijn complimenten had moeten geven. Dryden antwoordde alleen, "ik denk dat de duivel in me was toen ik dat zei." Sommigen richtten zich tot Shakespeare, onder wie Hendrik V een zeer opvallende verschijning was. Terwijl mijn blik op die monarch gericht was, kwam een heel klein geestje naar me toe en vertelde me dat hij klein duimpje heette. Ik liet blijken dat ik zeer vergenoegd was hem te zien, maar kon het niet laten mijn verontwaardiging uit te spreken over de historicus, die zozeer onrecht had gedaan aan de lengte van deze grote kleine man, die hij beschreef als niet meer dan 25 centimeter, terwijl ik op het eerste oog duidelijk zag dat het een halve meter was — plus het 15e deel van een centimeter, zoals hij me zelf vertelde), maar dus wel wat kleiner dan sommige vooraanstaande saletjonkers van tegenwoordig. Ik vroeg deze kleine held naar wat er waar was van de verhalen die over hem de ronde deden, d.w.z. over de pudding en de buik van de koe. Dat eerste, zei hij, was een bespottelijke fabel, en alleen maar lachwekkend, maar over het tweede verhaal moest hij toch toegeven dat er iets waars in zat, maar dat hij geen enkele reden had om zich daarover te schamen, omdat hij bij verrassing verzwolgen was. Hij voegde daar heel fel aan toe dat als hij toen een wapen in zijn hand gehad had, de koe net zo lief de duivel opgeslokt had.

Het laatste woord sprak hij met zoveel woede uit en hij leek zo van slag dat ik, toen ik zag welke uitwerking het op hem had, het verhaal meteen liet varen en nadat we op andere onderwerpen overgegaan waren, hadden we nog een uitgebreid gesprek over reuzen. Hij zei dat hij er nooit een in levende lijve had gezien, laat staan gedood. Hij dacht dat die daden abusievelijk over hem verhaald werden, in plaats van Jack de Reuzendoder, die hij heel goed kende en vermoedde dat hij het geslacht had uitgeroeid. Ik verzekerde hem van het tegenovergestelde en vertelde dat ik zelf een enorme tamme reus had gezien, die heel genoeglijk een hele winter in Londen doorgebracht had, maar door familieaangelegenheden naar Zweden teruggeroepen was 2.

Ik ontwaarde nu een streng uitziende geest die op de schouder van een andere geest steunde en even later ontdekte ik dat de eerste Oliver Cromwell was en de andere Karel Martel.3 Ik geef toe dat ik enigszins verrast was Cromwell hier aan te treffen, want van mijn grootmoeder had ik gehoord dat hij in een storm door de duivel zelf weggevoerd was, maar hij verzekerde me, op zijn erewoord, dat er niet de minste waarheid in dat verhaal school. Hij gaf echter wel toe dat hij ternauwernood ontsnapt was aan de bodemloze put en als het eerste deel van zijn leven hem niet meer tot eer had gestrekt dan het laatste, was hij daar vast en zeker in ondergedompeld. Toch werd hij teruggestuurd naar de bovenwereld met dit lot:— leger, galante heer, gevaar.

Voor de tweede keer werd hij geboren op de dag van de Restauratie van Karel II 4, in een gezin dat een zeer aanzienlijk fortuin verloren had in dienst van die vorst en zijn vader, van wie zij een beloning kregen die voor werkelijke verdiensten heel vaak werd toegekend door vorsten, te weten —000. Op zijn zestiende kocht zijn vader voor hem een aanstelling in het leger, waarin hij zonder enige bevordering gedurende het hele bewind van Karel II en zijn broeder Jacobus diende. Tijdens de Revolutie verliet hij het regiment en volgde de lotgevallen van zijn vroegere meester. In zijn dienst raakte hij ernstig gewond bij de beroemde slag aan de Boyne, waar hij vocht in de hoedanigheid van gewoon soldaat. Hij herstelde van zijn verwondingen en trok zich, na het treurige lot van de koning, terug in Parijs, waar hij een vrouw en zeven kinderen — want op zijn lot stonden hoorns — moest onderhouden met schoenen poetsen en kaarsen snuiten in de opera. Nadat hij een paar ellendige jaren had doorgebracht, stierf hij in die toestand, half verhongerd en met een gebroken hart. Hij bezocht toen opnieuw Minos die hem, uit medelijden door wat hij te lijden had gehad door die familie, van wie hij in zijn vroegere hoedanigheid zo’n bittere vijand was geweest, naar binnen liet gaan.

Mijn nieuwsgierigheid weerhield mij er niet van hem een enkele vraag te stellen, namelijk of hij echt enig verlangen had gehad om de kroon te bemachtigen? Hij glimlachte en zei, "niet meer dan een geestelijke heeft voor de mijter, als hij uitroept Nolo episcopari (vert.: ik wil geen bisschop zijn)." Het leek inderdaad alsof hij enige minachting toonde bij de vraag en even later draaide hij zich om en liep weg.

Vervolgens verscheen een eerbiedwaardige geest, van wie ik ontdekte dat het de grote geschiedschrijver Livius was. Alexander de Grote, die net uit het Paleis des Doods aankwam, liep hem voorbij met gefronste wenkbrauwen. Toen de geschiedschrijver dat zag zei hij, "Ach, u mag uw wenkbrauwen wel fronsen, maar die troepen die die laaghartige Aziatische slaven overwonnen hebben, zouden een modderfiguur geslagen hebben tegen de Romeinen." Daarna betreurden we nog onder ons het verlies van het waardevolste deel van zijn geschiedenis, waarna we van de gelegenheid gebruik maakten om de oordeelkundige verzameling te prijzen die gemaakt was door Dhr. Hook, die, zo zei hij, oneindig veel verkieslijker was dan alle andere en toen ik de naam Laurence Echard 5 liet vallen, gaf hij een klap, die haast leek alsof er een voetzoeker afging, en maakte aanstalten om bij me weg te gaan, maar ik smeekte hem mijn nieuwsgierigheid nog op één punt te bevredigen — of hij al dan niet bijgelovig was? Want ik had altijd geloofd dat hij dat was, totdat Dhr. Leibniz 6 me van het tegendeel verzekerd had. Hij antwoordde nors, "kent Dhr. Leibniz mijn geest beter dan ikzelf?" en liep toen weg.

Noten Hoofdstuk IX


[1] John Dryden (1631 –1700) was een Engelse toneelschrijver, dichter, essayist, vertaler en literatuurcriticus. Tijdens de Engelse Restauratie was hij zo toonaangevend dat in literaire kringen gesproken werd over "the Age of Dryden". Walter Scott noemde hem "Glorious John." Dryden werd benoemd tot Poet Laureate in 1667.

[2] Daniel Cajanus (1704 in Paltamo in Zweden – 1749 in Haarlem) was met een lengte van  2,34 m. een van de grootste mensen van zijn tijd.

[3] Fielding zet Martel en Cromwell hier bij elkaar omdat ze in veel opzichten op elkaar lijken. Beiden voerden het bewind over hun land, hoewel ze geen koning waren. Beiden herstelden de binnenlandse rust en versloegen buitenlandse vijanden en werd beiden daardoor beroemd. Ze bleven ongeveer vijf jaar in functie, Martel van 737-741 in een tijd waarin Frankrijk geen koning had en Cromwell van 1653 tot 1658 als rijksvoogd.

[4] Karel II, zoon van Karel I, koning van Engeland, Schotland en Ierland en van Henriette, dochter van Hendrik IV, koning van Frankrijk, werd geboren op 29 mei 1630. Na de terechtstelling van zijn vader op 30 januari 1649 werd hij in 1650 door de Schotten tot koning gekroond, maar op 3 september 1651 door Cromwell bij Worcester verslagen en verjaagd. Generaal Monk, stadhouder van Schotland, bracht hem in 1660 weer in het bezit van zijn drie erfrijken.

[5] Laurence Echard, (1670 – 1730) was een Engelse historicus, vertaalde Terentius en Plautus, maar zijn belangrijkste werk is The history of England: from the first entrance of Julius Caesar and the Romans to the end of the reign of King James the first containing the space of 1678 years.

[6] Leibnitz was in die tijd in Engeland zo beroemd dat dat daardoor Toland, die over dit onderwerp zelf een werk heeft uitgegeven, met de titel Adeisidaemon, sive Titus Livius a superstitione vindicatus geheel uit het oog verloren werd.

HOOFDSTUK X

In de Elyseese Velden ontmoet de schrijver tot zijn verrassing Julianus de Afvallige 1; maar hij wordt door hem gerustgesteld over de manier waarop hij zich daar toegang tot verschaft heeft. Julianus verhaalt over zijn avonturen in de rol van een slaaf.

Toen hij vertrok hoorde ik hem een geest groeten met de naam Dhr. Julianus de Afvallige. Dat verbaasde me bijzonder, want ik had begrepen dat niemand ooit meer aanspraak had gemaakt op de bodemloze put dan hij. Maar al gauw kwam ik er achter dat deze zelfde Julianus de Afvallige ook de zeer eigenzinnige aartsbisschop Latimer 2 was. Hij vertelde me dat er verschillende leugens over hem verspreid waren in zijn vorige hoedanigheid, en dat hij niet een zo slechte man was als hij was voorgesteld. Maar hem was de toegang ontzegd en hij had verschillende achtereenvolgende pelgrimstochten moeten maken op aarde en nog verschillende rollen moeten spelen, die van slaaf, Jood, generaal, erfgenaam, timmerman, saletjonker, monnik, violist, wijs man, koning, dwaas, bedelaar, prins, staatsman, soldaat, kleermaker, magistraat, dichter, ridder, dansleraar, en drie keer een bisschop, vóór zijn martelaarschap, die samen met zijn andere gedrag in de laatste rol, de rechter tevreden stelden en hem toegang tot de gelukzalige velden hadden verschaft.

Ik vertelde hem dat zulke uiteenlopende rollen uiterst vermakelijke voorvallen moesten hebben opgeleverd en als hij zich die allemaal nog herinnerde, zoals ik aannam, en de tijd had, zou ik hem erkentelijk zijn voor het verhaal. Hij antwoordde dat hij zich nog elke omstandigheid uitstekend kon herinneren en wat die tijd betrof, de enige bezigheid in dat gelukkige oord was bijdragen aan elkanders geluk. Hij bedankte me dus omdat ik wat toegevoegd had aan zijn geluk, door hem een manier aan de hand te doen om dat van mij te vergroten. Daarna nam ik mijn lievelingetje in de ene en mijn uitverkoren medereiziger in de andere arm, liepen samen naar een zonnige, met bloemen bezaaide glooiing en vleiden ons daar neer. Hij stak als volgt van wal: — "Ik neem aan dat jullie voldoende op de hoogte zijn van het verhaal over de tijd dat ik de rol speelde van keizer Julianus, maar ik verzeker jullie dat alles wat er over mij de ronde heeft gedaan onwaar is, vooral dat over de vele wonderen die aan mijn dood voorafgingen. Maar die zijn nu de moeite van het bespreken amper waard en als ze enig doel van de geschiedschrijver kunnen dienen, kan hij daar uitermate veel mee. De tweede keer dat ik de wereld betrad was in Laodice, in Syrië, in een Romeins gezin, dat niet erg in aanzien stond. En omdat zwerven in mijn bloed zat, kwam ik op mijn zeventiende in Constantinopel terecht, vanwaar ik na een verblijf van ongeveer een jaar, naar Thracië vertrok, in de tijd dat keizer Valens 3 de Goten in dat land toeliet. Ik werd daar zozeer gegrepen door de schoonheid van een Gotische dame, de vrouw van een kapitein, ene Roderik 4, van wie ik zelfs op deze afstand de naam verborgen houd, vanwege de zeer kiese, tedere gevoelens voor haar kunne en omdat haar gedrag ten opzichte van mij meer te rijmen viel met goedhartigheid dan met de deugdzaamheid die vrouwen dienen te bewaren tegen elke aanvaller. Om op vertrouwelijke voet met haar te kunnen komen verkocht ik mijzelf als slaaf aan haar echtgenoot die mij, omdat hij tot een natie behoorde die niet al te zeer tot jaloezie neigde, aan zijn vrouw aanbood, om dezelfde redenen waarom iemand met een jaloerse aard haar bij me vandaan gehouden zou hebben, namelijk omdat ik jong en knap was.

"Tot dusver verliepen de zaken naar wens en het vervolg beantwoordde aan de verwachtingen die dit begin gewekt had. Al gauw had ik door dat mijn diensten bij haar zeer in goede aarde vielen. Vaak ontmoette ik haar blik, die zij niet bedeesd afwendde wat amper te rijmen valt met een geheel zuiver hart. Ze moedigde me dus elke dag opnieuw weer aan, maar de ellendige afstand die door de omstandigheden tussen ons in stond, weerhield mij een lange tijd van een rechtstreekse aanval. En zij hield de betamelijkheid te strikt in acht om de strenge fatsoensregels geweld aan te doen door zelf als eerste toenadering te zoeken. Maar de hartstocht won het uiteindelijk van mijn achting en ik besloot een stoutmoedige poging te wagen, wat de gevolgen ook mochten zijn. Ik greep dus de eerste de beste gelegenheid aan toen zij alleen en mijn meester in het buitenland was, belaagde het bolwerk vastberaden en voerde een stormaanval uit. Nou, ik mag wel zeggen een stormaanval, want de weerstand die ik ontmoette was uiterst kordaat en inderdaad even krachtig als het meest volmaakte fatsoen zou eisen. Herhaaldelijk bezwoer ze me dat ze om hulp zou roepen, maar ik antwoordde dan dat het vergeefs was, omdat ik zag dat er niemand in de buurt was die haar te hulp zou kunnen komen en vermoedelijk geloofde ze me, want in werkelijkheid riep ze geen enkele keer en als ze dat wel had willen doen, zou ik dat naar alle waarschijnlijkheid hebben kunnen verhinderen.

"Toen ze merkte dat haar deugdzaamheid tegen haar wil het loodje had gelegd, schikte zij zich geduldig in haar lot en stond mij een hele tijd toe de heerlijkste vruchten van mijn overwinning te plukken, maar het naijverige lot besloot dat ik een grote tol moest betalen voor mijn genot. Op zekere dag werd wij opeens midden in ons geluk verrast door de onverwachte terugkeer van haar echtgenoot die mij, omdat hij rechtstreeks naar de kamer van zijn vrouw liep, maar net de tijd gunde om onder het bed te kruipen. De wanorde waarin hij zijn vrouw aantrof zou misschien iemand met een jaloerse aard verrast hebben, maar hij was zo anders dat er misschien geen ramp was gebeurd als hij niet bij toeval mijn benen had ontdekt, die niet goed verborgen waren. Meteen trok hij mij daaraan onder het bed uit, richtte zich met een strenge blik tot zijn vrouw en begon te frunniken aan een wapen dat hij aan zijn zij droeg, waarmee hij, weet ik zeker, haar meteen gedood zou hebben, als ik hem niet heel dapper en met veel vervloekingen had verzekerd van haar onschuld en mijn eigen schuld, die tot dan toe, zo wierp ik tegen, niet verder dan een plan gekomen was. Ze steunde mijn pleidooi zo goed — want ze was een zeer bijzondere vrouw — dat hij haar ten slotte geloofde, zijn woede zich op mij richtte en met allerlei folteringen dreigde, maar de arme dame was zo bang en van slag dat ze hem er niet van af kon brengen die uit te voeren en als ze door haar bezorgdheid voor mij dat toch geprobeerd zou hebben, zou dat een jalousie in hem opgewekt hebben, die achteraf niet meer ongedaan gemaakt kon worden.

"Na enige aarzeling riep Roderik uit dat hij nu gelukkig de meeste gepaste straf ter wereld voor mij bedacht had, op een manier die in grote mate recht zou doen aan mijn misdadige opzet en me tegelijkertijd zou verhinderen hierna nog enig gevaar te lopen dat ik mijn verdorven plannen zou uitvoeren. Dit wrede besluit werd meteen uitgevoerd en was ik de naam ‘man’ niet langer waardig.

"Nadat hij me zodoende ongeschikt gemaakt had om hem in de toekomst ook maar enigszins te kwetsen, hield hij me in zijn gezin, maar de dame die zeer waarschijnlijk wroeging had over wat ze aangericht had en mij zag als de aanstichter van haar schuld, zou me verder geen woord of blik meer waardig gunnen. Kort daarna vond er een grote ruil plaats tussen de Romeinen en Goten van honden voor mensen, waarbij mijn dame me bij een Romeinse weduwe inruilde voor een schoothondje en nog een aanzienlijk bedrag op de koop toe gaf.

"Zeven jaar bleef ik in dienst van deze weduwe en werd al die tijd zeer wreed behandeld. Zonder het geringste mededogen werd ik aan het werk gezet en vaak hevig afgeranseld door een felle dienstmeid, die mij niet bij een andere naam dan het Ding of het Beest noemde. Hoewel ik mijn uiterste best deed hen te behagen, lukte mij dat nooit. Zowel de dame als haar dienstmeid wilden niets eten van wat ik aangeraakt had, want ze zeiden dat ze dachten dat ik niet gezond was. Het is niet nodig hier de bijzonderheden te herhalen. Kortom, jullie kunnen je geen enkele onheuse behandeling voorstellen, die ik in dit gezin niet onderging.

"Ten slotte werd ik cadeau gedaan aan een heidense priester, een kennis van mijn dame. Het decor was nu volledig veranderd en ik had evenveel redenen om tevreden te zijn met mijn nieuwe situatie, als ik had om mijn vorige te beklagen. Ik was zo volstrekt de lieveling van mijn meester, dat de rest van de slaven voor mij haast evenveel achting toonden als voor hem, omdat ze heel goed wisten dat het helemaal in mijn macht lag hen te bevelen en te behandelen zoals ik wilde. Ik werd ingewijd in alle geheimen van mijn meester en hielp hem meestal bij het ’s nachts weghalen van de offers op de altaren, waarvan de mensen geloofden dat ze door de goden opgegeten werden. Daarmee richtten we zeer verfijnde feestmalen aan en konden geen enkele buitenissigheid bedenken waarmee wij onszelf niet verwenden. Misschien zullen jullie wel bewondering hebben voor de innige band tussen deze priester en zijn slaaf maar de intimiteit waarin wij leefden werd door de christenen misdadig gevonden, terwijl mijn meester, die de wil van de goden kende en met wie hij naar hij me vertelde vaak sprak, me verzekerde dat het volmaakt onschuldig was.

"Deze gelukkige tijd duurde ongeveer vier jaar, toen de dood van mijn meester, veroorzaakt door een overvulling van zijn maag, die hij opgelopen had door allerlei verfijnde lekkernijen, daar een eind aan maakte.

"Nu viel ik in handen van iemand met een heel andere instelling en dat was niemand minder dan de befaamde heilige Chrysostomos 5, die mij een dieet voorschreef van preken in plaats van offers en mijn oren in plaats van mijn buik met goede dingen vulde. In plaats van overvloedig voedsel om mijn lichaam vet te mesten en te verwennen, kreeg ik voorschriften om het te kastijden en af te vallen. Daarmee gedijde ik zo goed, dat ik binnen een paar maanden graatmager was. Maar omdat hij me bekeerd had tot zijn geloof, was ik zeer tevreden met deze nieuwe levenswijze, waarmee ik me, zo leerde hij mij, zou kunnen verzekeren van een eeuwige beloning in een toekomstige toestand. De heilige was een welgemoed man en gaf me nooit ook maar één kwaad woord op een keer na, maar dat kwam omdat ik vergeten was Aristophanus, die altijd zijn bedgenoot was, op zijn kussen te leggen. Hij was inderdaad heel dol op die Griekse dichter en liet mij hem vaak diens blijspelen voorlezen. Als ik bij een van de lichtzinnige passages kwam, glimlachte hij altijd en zei dan, ‘jammer dat zijn inhoud niet zo zuiver was als zijn stijl,’ want op die laatste was hij zo overmatig dol dat hij me, ondanks de afschuw die hij uitte voor obscene dingen, die passages tien keer liet herhalen. Het karakter van deze goede man is zeer onterecht aangevallen door zijn heidense tijdgenoten, vooral met betrekking tot vrouwen, maar zijn welgemeende scheldpartijen tegen dat geslacht rechtvaardigen hem voldoende.

"Van de dienstbetrekking bij deze heilige, die mij als slaaf vrijliet, kwam ik terecht in het gezin van Timasius 6, een zeer uitmuntende bevelhebber in het keizerlijke leger, bij wie ik mij zo slinks in de gunst drong dat hij me bevorderde tot commandant van een legeronderdeel en me weldra deelgenoot maakte van zowel zijn gezelschap als zijn geheimen. Door die bevordering raakte ik al gauw in een roes en hoe meer hij me overlaadde met gunsten, hoe meer ik overtuigd raakte van mijn eigen verdienste, waardoor ik me, hoewel die nog steeds de beloningen die mij toebedeeld werden overtrof, eerder ontevreden was dan dankbaar. Omdat hij me zodoende meer bevoordeelde dan ik verdiende of aanvankelijk verwachtte, maakte hij van me een jaloerse en berekenende vijand, die misschien bij een gematigdere gulheid een plichtsgetrouwe dienaar was gebleven.

"Ik maakte nu kennis met ene Lucilius, een beschermeling van de eerste minister Eutropius 7, die door diens gunst bevorderd was tot de rang van tribuun, iemand van verachtelijke zeden en alleen uitmuntend in die allerlaaghartigste eigenschap, sluwheid. Deze heer, die dacht dat ik een geschikt instrument was voor de plannen van de minister, die vaak mijn principes eer en oprechtheid verkondigd had, beweerde tegenover mij dat het allebei slechts betekenisloze woorden waren en beval mij, omdat hij dacht dat ik het eens was met zijn opvattingen, aan bij Eutropius als iemand die zeer geschikt was om een paar verdorven plannen ten uitvoer te brengen tegen mijn vriend Timasius. De minister greep die aanbeveling aan en zodoende bracht Lucilius mij ervan op de hoogte — na enige voorafgaande verhalen over de grote achting die Eutropius voor mij koesterde, op grond van de verklaringen over mijn gedragingen — dat hij mij aan hem wilde voorstellen, waar hij aan toevoegde dat Eutropius een grote bevorderaar van verdiensten was en ik wellicht afhankelijk was van zijn gunst.

"Het kostte maar weinig moeite om mij over te halen die uitnodiging aan te nemen. Nadat daarvoor een laat tijdstip van de volgende avond aangewezen was, vergezelde ik mijn vriend Lucilius naar het huis van de minister.

"Hij ontving mij uiterst hoffelijk en opgewekt en deed alsof hij zoveel aandacht voor mij had dat ik, die niets wist van deze verheven taferelen van het leven, daaruit opmaakte dat ik in hem een zeer belangeloze vriend had, dankzij het gunstige verslag dat Lucilius over mij uitgebracht had. Ik werd echter al gauw genezen van dat idee, want meteen na de maaltijd kwam ons gesprek terecht op het onrecht waaraan het grootste gedeelte van de wereld zich schuldig maakte wat betreft de behandeling van grote mannen, van wie de mensen verwachtten dat zij hun verdiensten zouden belonen, zonder die ooit aan te wenden ten bate van die eersten. ‘Wat voor nut,’ zei Eutropius, ‘hebben kennis, verstand, moed of enige andere deugd waar iemand over beschikt, voor mij, tenzij ik daar enig voordeel van heb? Is iemand die al die eigenschappen niet heeft, maar wel mijn zaak behartigt en mijn bevelen nakomt, voor mij niet veel meer van nut?’ Mijn antwoorden over dit onderwerp waren zo volmaakt bevredigend dat zowel de minister als zijn beschermeling vrijpostiger werden en na enige inleidende woorden Timasius begonnen te beschuldigen. Toen ze merkten dat ik geen poging ondernam hem te verdedigen, bezwoer Lucilius dat hij niet waard was te leven en dat hij hem zou vernietigen. Eutropius antwoordde dat dat een veel te gevaarlijke taak zou zijn. ‘Zijn misdaden,’ zei hij, ‘zijn inderdaad zo vreselijk ernstig en zo welbekend aan de keizer, dat zijn dood een zeer aanvaardbare dienst moet zijn en vast een geëigende beloning waard is, maar ik vraag me af of u wel in staat bent dat uit te voeren.’ ‘Als hij het niet kan,’ riep ik, ‘ik wel en niemand kan daarvoor betere motieven hebben dan ik, want afgezien van zijn ontrouw aan mijn vorst, voor wie ikzelf zo volstrekt plichtsgetrouw ben, heb ik ook last van hem. En dan al die lieden die mij voorbij gestreefd zijn, tot grote schande van de krijgsdienst in het algemeen en mijn eigen vooringenomenheid en teleurstelling in het bijzonder!’ Ik zal voor jullie niet mijn hele betoog herhalen, maar om zo beknopt mogelijk te zijn, toen wij die avond uiteengingen kneep de minister mijn hartelijk in mijn hand en sprak met me af, onder grote lof voor mijn oprechtheid en verzekering van zijn genegenheid, dat ik de volgende avond in mijn eentje naar hem toe zou komen. Toen hij na nog wat meer onderzoek merkte dat ik klaar was voor zijn plan, stelde hij me voor Timasius van hoogverraad te beschuldigen, en beloofde me een zeer grote beloning als ik dat op mij zou willen nemen. Ik neem aan dat jullie weten dat het gevolg voor hem zijn ondergang was, maar wat het voor mij was? Ach, eerlijk gezegd, hoewel ik er op rekende dat Eutropius zijn beloften nakwam, ontving hij me zeer afstandelijk en kil en toen ik enige bedekte aanwijzingen gaf over wat ik van hem verwachtte, deed hij alsof hij me niet begreep en zei dat niet gestraft worden het uiterste was waarop ik kon hopen nu mijn medeplichtigheid ontdekt was en dat zijn misdrijf erger was dan dat van mij omdat hij een hogere positie bekleedde. Verder vertelde hij me dat het hem veel moeite had gekost om van de keizer gratie voor mij te verkrijgen waar hij, naar hij zei, zijn uiterste best voor had gedaan, omdat hij mij van die onthulling vrijgepleit had. Hij keerde zich van mij af en richtte zich tot iemand anders.

"Ik was zo verbolgen over die behandeling dat ik besloot wraak te nemen en zou dat zonder twijfel gedaan hebben, als hij me dat niet zorgvuldig verhinderd had door doeltreffende maatregelen te nemen en mij kort daarop de wereld uit te sturen.

"Ik neem aan dat jullie nu zullen denken dat ik voor de tweede keer een goede kans maakte op de bodemloze put en Minos leek inderdaad van zins mij daarin te gooien, totdat hij op de hoogte werd gesteld van de wraak die Roderik op mij genomen had en mijn daarop volgende zevenjarige dienstbetrekking bij de weduwe, waarvan hij vond dat het een toereikende boetedoening was voor alle misdaden waar een enkel leven ruimte voor bood en dus stuurde hij me terug om voor de derde keer mijn geluk te beproeven."

Noten Hoofdstuk X


[1] Flavius Claudius Julianus (331 – 363), ter onderscheiding van de eerdere (vrijwel onbekende) keizer Julianus I (284-285) beter bekend als Julianus II, Julianus de Afvallige of Julianus Apostata, was een Romeins keizer van november 361 tot 26 juni 363. Hij is vooral bekend geworden door het terugschroeven van de bevoorrechting van christenen en pogingen de Romeinse godenverering te herstellen, nadat de eerdere keizers Constantijn de Grote en Constantius II het christendom sterk hadden bevoordeeld, onder meer op fiscaal vlak

[2] Hugh Latimer (1487 –1555) lid van het bestuur van Clare College, Cambridge en bisschop van Worcester voor de Reformatie, en huisgeestelijke van de Church of England van koning Edward VI. In 1555 werd hij, onder koningin Mary, op de brandstapel verbrand en werd een van de drie Oxord-martelaars van het Anglicanisme.

[3] Flavius Iulius Valens (328 – 9 augustus 378) was een Romeins keizer van 28 maart 364 tot 9 augustus 378.

[4] Roderik was de laatste koning van de Visigoten in Spanje en regeerde van 710 tot 711.

[5] De heilige Johannes Chrysostomus (ca. 345 – 407) was een beroemd prediker, aartsbisschop van Constantinopel, van 26 februari 398 tot 403. Hij is een van de kerkvaders en werd in 1568 verheven tot kerkleraar.

[6] Flavius Timasius (gestorven 396) was generaal in het Romeinse Rijk, familie van keizerin Aelia Flaccilla, de echtgenote van keizer Theodosius I (379–395).

[7] Eutropius, (gestorven 399) was een eunuch aan het hof van Theodosius I. Na diens dood in 395 regelde hij het huwelijk tussen de nieuwe keizer Arcadius en Aelia Eudoxia. Eutropius’ invloed aan het hof werd steeds groter en hij werd raadsman van Arcadius. In 398 sloeg hij een invasie van de Hunnen af en werd daarna de eerste eunuch die het tot consul schopte. Hij maakte zowel Gainas, de leider van de Gotische huurlingen in het keizerlijke leger, als Eudoxia, de keizerin die hij zelf gecreëerd had, tot zijn vijand, en deze twee machtige personen betekenden uiteindelijk zijn ondergang in hetzelfde jaar dat hij consul werd. Eutropius werd voor het einde van het jaar nog geëxecuteerd, ondanks het respijt die de smeekbeden van Johannes Chrysostomus even geboden hadden.

HOOFDSTUK XI

Waarin Julianus verslag doet van zijn avonturen in het personage van een vrekkige Jood.

"De volgende rol waarin ik in een lichaam moest optreden was die van een vrekkige jood. Ik werd geboren in Alexandrië in Egypte. Mijn naam was Balthazar. Er gebeurde niets opmerkelijks met me tot het jaar van de gedenkwaardige beroering 1 waarover in de geschiedenis vermeld wordt dat de Joden van die stad meer Christenen afslachtten dan er in die tijd woonden. De waarheid is dat zij inderdaad die honden heel stevig aftuigden, maar zelf was ik daar niet bij aanwezig want, omdat bevolen werd dat al onze mensen zich moesten bewapenen, maakte ik van die gelegenheid gebruik om twee zwaarden te verkopen, die ik waarschijnlijk anders nooit van de hand zou hebben gedaan, omdat ze heel oud en roestig waren, zodat ik, omdat ik geen wapen meer had, niet de moeite nam mij op straat te wagen. Om verdenking te voorkomen moest het ook nog om middernacht plaatsvinden en moesten we dan allemaal plotseling ons huis uit stormen, maar hoewel ik echt dacht dat het uitmoorden van de Nazareners een zaligmakende daad was kon ik het toch niet over mijn hart verkrijgen zoveel olie te verbruiken door zolang op te blijven en om die reden bleef ik die avond dus thuis.

"In die tijd was ik hevig verliefd op Hypatia 2, de dochter van een filosoof, een heel aantrekkelijke en verdienstelijke jongedame, die werkelijk over elk denkbaar sieraad van lichaam en geest beschikte. Ze leek geen hekel aan mij te hebben, maar er waren twee belemmeringen voor ons huwelijk, te weten, mijn godsdienst en haar armoede, die beiden waarschijnlijk overkomelijk waren geweest, als die christenhonden haar niet vermoord en, wat nog erger is, haar lichaam daarna verbrand hadden. Ik zeg nog erger, omdat ik daardoor een redelijk kostbaar juweel kwijtraakte, dat ik haar gegeven had met de bedoeling dat als ons huwelijk niet doorging, ik het van haar terug zou vragen.

"Nadat ik zodoende teleurgesteld was in mijn liefde, verliet ik kort daarop Alexandrië en reisde naar de keizerstad, waar ik, naar ik begreep, een goede markt voor juwelen zou vinden, gezien het naderende huwelijk van de keizer met Athenais 3. Tijdens deze reis vermomde ik me als bedelaar, om de volgende redenen: op de eerste plaats omdat ik dacht dat ik mijn juwelen dan veiliger kon meenemen en op de tweede plaats om mijn kosten te drukken en dat laatste lukte zo goed dat ik onderweg twee obolen meer bij elkaar bedelde dan mijn reis mij kostte, want mijn voedsel bestond voornamelijk uit wortels en mijn drinken uit water.

"Maar misschien had ik beter verkwistender en sneller moeten zijn, want voordat ik in Constantinopel aankwam was de plechtigheid al voorbij, zodat ik die prachtige gelegenheid misliep om van mijn juwelen af te komen, waarmee ik veel van onze mensen zeer verrijkt zou hebben.

"Het is nauwelijks de moeite waard iets te vertellen over het leven van een vrek, omdat het een onafgebroken bezig zijn betekent met geld verwerven of besparen. Ik zal jullie daarom maar een paar van mijn avonturen vertellen, zonder rekening te houden met al die andere.

"Een Romeinse Jood, die een grote liefhebber was van Falernische wijn en zich daaraan zeer overvloedig te buiten ging, kwam bij mij thuis dineren, maar omdat hij wist dat hij daar weinig wijn zou aantreffen en dan ook nog van het goedkopere soort, stuurde hij vooraf een half dozijn kruiken Falernische. Kunt u bedenken dat ik die man niet zijn eigen wijn zou schenken? Sir, ik heb die wijn zo aangelengd dat ik van die drie kruiken zes maakt, waarvan hij en zijn vriend dronken en later verkocht ik die andere drie aan dezelfde man die ze mij oorspronkelijk gestuurd had, omdat ik wist dat hij me een betere prijs zou betalen dan ieder ander.

"Een hooggeplaatste Romein kwam op een dag naar mijn huis op het platteland, dat ik voor de helft van de prijs gekocht had van iemand die in de problemen zat. Mijn buren maakten hem een compliment over een bepaald muziekstuk, reden waarom hij bij zijn vertrek een goudstuk bij me achterliet dat ik onder hen moest verdelen. Ik stak dat geld in mijn eigen zak en bood hen een kannetje zure wijn aan, waarvoor ik anders niet meer dan twee drachmen gekregen had en liet hen later driemaal de waarde ervan betalen in werk.

"Omdat ik niet helemaal verstoken was van religie, hoewel ik daarvan oneindig meer voorgaf dan ik had, slaagde ik erin mijn zaken zo goed mogelijk te verzoenen met mijn geweten. Daarom nodigde ik alleen maar mensen uit voor de maaltijd, bij wie ik iets uit de zak kon kloppen. Mijn gewoonte was dan dat na onze lichte maaltijd op te schrijven in een boekje dat ik voor dat doel bijhield en waarin ik opschreef wat ik dacht dat zij mij voor die maaltijd verschuldigd waren. Dat was dus doorgaans honderd maal zoveel als waar zij elders voor hadden kunnen eten, maar het was ‘quid pro quo (voor wat hoort wat)’ zo niet ‘ad valorem (naar waarde).’ Welnu, telkens wanneer de gelegenheid zich voordeed om misbruik van hen te kunnen maken, beschouwde ik dat alleen maar als aan mijzelf betalen wat zij mij verschuldigd waren, maar ik beperkte me natuurlijk niet altijd strikt tot wat ik opgeschreven had, hoe buitensporig het ook was, maar nam gewoonlijk genoegen met mij het overschot toe te eigenen.

"Maar ik was niet alleen heel doortrapt tegen anderen — soms was ik zelfs mijzelf te slim af. Door gebrek aan voedsel en warmte heb ik mij ziekten op de hals gehaald, waarvoor ik kosten moest maken bij de dokter en een keer ontsnapte ik ternauwernood aan de dood door ondeugdelijke medicijnen in te nemen, alleen maar om eenzevenachtste van de prijs te besparen.

"Te midden van armoede en ellende wist ik mij door deze en soortgelijke manieren bezitter van een enorm fortuin en dat te tellen en erover te piekeren was mijn dagelijkse en enige vermaak. Dat werd echter belemmerd en verstoord door twee overwegingen die zich vaak tegen mijn wil opdrongen. Een daarvan zou ondraaglijk hebben moeten zijn — maar daar had ik eigenlijk zelden last van —  en was dat ik mijn dierbare schat achter zou moeten laten.

"De andere achtervolgde me voortdurend, namelijk dat mijn rijkdom niet nog groter was. Maar ik troostte me tegen deze gedachte door de verzekering dat die dagelijks zou toenemen, op grond waarvan mijn verwachtingen zo groot waren, dat ik met Vergilius zou kunnen zeggen —

‘His ego nec metas rerum nec tempora pono (Aan hen leg ik geen machts- of tijdsbeperking op).’

Ik ben er eigenlijk van overtuigd dat als ik de hele aardbol zou bezitten, behalve een enkele drachme, waarvan ik zeker was dat ik die niet zou kunnen bemachtigen — ik ben er dus van overtuigd, zoals ik al zei, dat die ene drachme me meer onbehagen gegeven zou hebben dan de hele rest me vreugde zou hebben verschaft.

"Eerlijk gezegd had ik, tussen mijn aandacht voor het bedenken van systemen om geld te verwerven en mijn uitermate grote bezorgdheid om het te bewaren, zowel overdag als tijdens mijn slaap nooit ook maar één moment rust.

"In alle rollen die ik heb gespeeld, heb ik nooit ook maar de helft van de ellende meegemaakt als in deze en Minos leek die mening inderdaad te delen, want toen ik trillend en bevend voor hem stond in afwachting van mijn straf, verzocht hij me dringend terug te keren naar mijn bezigheden, omdat niemand in meer dan een wereld verd—md kon worden. Sindsdien weet ik dus dat de duivel zich niet over een vrek zal ontfermen."

Noten Hoofdstuk XI


[1] In 415 werd de neoplatonische Griekse filosofe Hypatia in Alexandrië door fanatieke christelijke monniken vermoord. Daarmee kwam een einde aan de niet christelijke of joodse Alexandrijnse filosofenscholen. In de vijfde eeuw was de oude Egyptische religie grotendeels verdwenen, echter in Zuid-Egypte hield de bevolking er nog aan vast. Fielding haalt hier dus een en ander door elkaar.

[2] Hypatia (355 – 415) was een Griekse wiskundige en neoplatonisch filosofe. Zij wordt wel de eerste vrouwelijke wiskundige genoemd. Ze leefde in Alexandrië (Egypte) en doceerde wiskunde en neoplatonische filosofie. Vanwege haar vooruitstrevende en wetenschappelijke manier van denken en doen werd zij in stukken gereten door een menigte christenen. Sommigen beweren dat de patriarch Cyrillus van Alexandrië daar de hand in had.

[3] Aelia Eudocia Augusta (ook Athenaïs, de naam die zij droeg voor zij gedoopt werd) (Athene, rond 401 – Jeruzalem 20 oktober 460) was de vrouw van keizer Theodosius II. Zij was een prominente historische figuur in het begrijpen van de opkomst van het Christendom in de begintijd van het Byzantijnse Rijk. Eudocia leefde in een wereld waar het Griekse heidendom en het christendom nog naast elkaar konden bestaan.

HOOFDSTUK XII

Wat er met Julianus gebeurde in de rol van generaal, erfgenaam, timmerman en een saletjonker.

"De volgende stap die ik in de wereld zette was in Apollonia, in Thracië, waar ik geboren werd uit een knappe Griekse slavin, de minnares van Eutyches, een belangrijke gunsteling van keizer Zeno 1. Bij zijn eerherstel gaf hij me het bevel over een cohort, terwijl ik toen pas vijftien was en kort daarop, bevorderde hij me, nog voordat ik een leger gezien had, over het hoofd heen van alle oude officieren, tot tribuun.

"Omdat ik door middel van de vertrouwelijkheid met hem van mijn vader, die een heel goede hoveling was — of, met andere woorden, een hoereerderige vleier — gemakkelijk toegang had tot de keizer, probeerde ik al gauw zelf in de gunst van Zeno te komen en ik deed mijn vader in het vleien van hem zo goed na, dat hij nooit wegging zonder mij om zich heen te hebben. De eerste gewapende macht die ik aanschouwde was de die waarmee Marcianus 2 het paleis omsingelde, waar ik toen met de rest van het hof opgesloten werd.

"Naderhand werd ik aan het hoofd geplaatst van een legioen en kreeg het bevel met Theodorik de Grote 3 op te trekken naar Syrië, dat wil zeggen, mijn legioen kreeg het bevel, want zelf bleef ik aan het hof, met titel en soldij van generaal, maar zonder werk of gevaar.

 

"Omdat er niets lichtzinnigers, dat wil zeggen liederlijkers, denkbaar was dan Zeno’s hof, waren het ook de dames met een lichtzinnige aard die daar een grote invloed hadden, met name een die Fausta heette en hoewel ze niet bijzonder knap was, toch door haar gevatheid en dartelheid zeer in de smaak viel bij de keizer. Met haar kon ik goed overweg en samen verkochten we allerlei benoemingen in het leger, niet aan degenen met de grootste verdiensten, maar aan wie daar het hoogste bedrag voor wilde betalen. Bij mij kwamen toen merkwaardigerwijs drommen officieren die terugkeerden van de veldtochten op audiëntie, en hoewel ze door het dagelijks voorbeeld hadden kunnen weten hoe ondoeltreffend een aanbeveling voor hun dienst was, bleven ze onvermoeibaar komen en gedroegen zich met evenveel eerbied en achting, als ik hen gelukkig kon maken, terwijl ik hen en hun gezinnen liet verhongeren.

"Ook wijdden verschillende dichters verzen aan me, waarin zij mijn heldendaden prezen en, wat ons misschien nu vreemd voorkomt, ik nam al die bewieroking met een uiterst gretige ijdelheid in ontvangst, zonder ook maar een enkele keer te bedenken dat zij, als ik deze complimenten niet verdiende, juist mijn gebreken onder mijn aandacht hadden gebracht.

"Mijn vader was inmiddels dood en ik stond nu zo absoluut in de gunst van de keizer, dat iemand die niet bekend was met hoven, nauwelijks zou geloven hoe onderdanig allerlei mensen die binnen de muren van het paleis kwamen, zich jegens mij gedroegen. Een buiging, een glimlach, een knikje van mij, als ik door de terugdeinzende menigte liep, werden gezien als tekenen van gunst, maar een vriendelijk woord maakte iedereen gelukkig. En een zodanig betoonde gunst bracht met zich mee dat degene aan wie die toeviel zeer hooggeacht werd door alle anderen, want aan de hoven was dat de geldende maatstaf en gunsten zijn als bankbiljetten bij handelsovereenkomsten, namelijk van de een op de ander overdraagbaar. De glimlach van de gunsteling van het hof verheft meteen de persoon die haar ontvangt en geeft waarde aan zijn glimlach als hij die op zijn beurt doorgeeft aan een mindere. Zodoende wordt de glimlach van de een op de ander overgedragen en is de grote man uiteindelijk degene die haar schenkt. Een zeer laaggeplaatst man dingt naar een bepaalde positie. Tot wie moet hij zich richten? Niet tot de grote man, want tot hem heeft hij geen toegang. Hij richt zich dus tot A, die de beschermeling is van B, die het gereedschap is van C, die de vleier is van D, die de schandknaap is van E, die de souteneur is van F, die de onderdrukker is van G, die de paljas is van I, die de echtgenoot is van K, die de temeier is van L, die de onechte zoon is van M, die het instrument is van de grote man. Dus de glimlach die volgens een vast patroon van de grote man afdaalt tot A. wordt weer teruggestuurd en blijkt tenslotte gewoon geschonken door de grote man.

"Het is duidelijk dat het voor een hof even moeilijk is zich te handhaven zonder dat soort munt, als een handelsstad zonder schuldpapieren. Het verschil is dat de waarde van die munt niet zo erg zeker is en een gunsteling zijn glimlach kan weigeren zonder het gevaar te lopen failliet te gaan.

"Te midden van al die pracht stierf de keizer en werd Anastasius 4 bevorderd tot de kroon. En omdat het nog onzeker was of ik in de gunst zou blijven, werd ik zoals gewoonlijk ontvangen bij mijn binnenkomst in het paleis waar ik mij opwachting wilde gaan maken bij de nieuwe keizer, maar hij was nauwelijks tegen me tekeer gegaan of ik kreeg hetzelfde compliment van alle anderen; als een regiment soldaten draaiden alle aanwezigen in de zaal me tegelijkertijd hun rug toe. Mijn glimlach kreeg nu evenveel waarde als een bankbiljet van een geknakte bankier en iedereen wachtte zich ervoor haar aan te nemen.

"Zo snel mogelijk haastte ik me weg van het hof en kort daarop ook uit de stad en trok me terug in mijn geboorteplaats waar ik de rest van mijn leven doorbracht met de teruggetrokken bezigheden van een boerenbedrijf, het enige vermaak waartoe ik in staat was, omdat ik over kennis noch deugdzaamheid beschikte.

"Toen ik bij de poort aankwam leek Minos aanvankelijk weer te twijfelen, maar stuurde me ten slotte weg, met de woorden dat ik mij weliswaar schuldig had gemaakt aan afschuwelijke misdaden, maar omdat ik me, hoewel ik generaal was, nooit beziggehouden had met het vergieten van mensenbloed, mocht ik opnieuw terugkeren naar de aarde.

"Ik werd nu weer in Alexandrië geboren en door een groot toeval kwam ik terecht in de schoot van mijn schoondochter, kwam dus ter wereld als mijn eigen kleinzoon en erfde het fortuin dat ik eerder zelf verzameld had.

"De ondeugd waarom ik nu berucht stond was verkwisting zoals dat eerder gierigheid was geweest en in dat heel kortdurende leven gaf ik alles uit wat me een heel leven lang gekost had om bijeen te sprokkelen. Misschien zullen jullie denken dat mijn nieuwe toestand benijdenswaardiger was dan mijn vroegere, maar op mijn erewoord, dat was amper het geval, want omdat ik alles haast voordat ik het wilde al bezat, kon ik eigenlijk nooit zeggen dat ik van mijn verlangens genoot; ik kende amper het genoegen van het bevredigen van een smachtend verlangen. Omdat ik nooit nadacht was bovendien mijn geest nutteloos voor me en alle genoegens die daarvan uitgaan waren me absoluut vreemd. Evenmin was mijn ontwikkeling toereikend voor enige verfijning in andere geneugten, zodat ik te midden van overvloed overal een afkeer van had. Gevoel voor elegantie miste ik ten enenmale en bij de belangrijkste van alle lichamelijke zegeningen voelde ik niet meer dan het laagste dier. Kortom, terwijl ik, toen ik een gierigaard was, een overvloed had zonder het te durven gebruiken, had ik die nu zonder dat ik iets verlangde.

"Maar ik was dan wel niet erg gelukkig op het hoogtepunt van mijn genot, later werd ik volstrekt beklagenswaardig, omdat ik weldra overvallen werd door een ziekte en ten slotte, verzwakt door pijn, met een geknakt gestel en een gebroken hart mijn ellendige dagen in de cel eindigde. Ik kan dus evenmin denken dat de straf van Minos te mild was, want hij veroordeelde me, nadat hij een grote dosis gierigheid ingenomen had, tot drie jaar zwerven langs de oevers van de Cocytus, met de kennis dat ik het fortuin uitgegeven had in de persoon van mijn kleinzoon, dat ik in de persoon van zijn grootvader bijeengegaard had.

"De plaats van mijn geboorte, na mijn terugkeer in de wereld, was Constantinopel, waar mijn vader timmerman was. Het eerst wat ik mij herinner is de overwinning van Belisarius 5 , wat inderdaad een prachtig schouwspel was. Maar niets deed me zoveel genoegen als toen de figuur Gelimer 6 , koning van de Afrikaanse Vandalen die bij deze gelegenheid als krijgsgevangene meegevoerd werd, met minachting neerkeek op de verandering van zijn eigen lot en de lachwekkende, loze praal van de keizer en uitriep, ijdelheid, ijdelheid, allemaal louter ijdelheid.

"Ik werd opgeleid tot mijn vaders ambacht en jullie kunnen eenvoudig bedenken dat een zo bescheiden milieu geen avonturen voortbrengt die jullie aandacht verdienen. Maar ik trouwde een vrouw van wie ik hield en die zeer verdraagzaam bleek te zijn. Mijn dagen gingen voorbij met hard werken, maar dat verschafte mij gezondheid en ’s avonds genoot ik met mijn vrouw met meer plezier van een huiselijke maaltijd, dan ik begrijp dat belangrijkere mensen hebben bij hun overvloedige maaltijden. Mijn leven kende nauwelijks afwisseling en na mijn dood ging ik, met een groot vertrouwen dat ik de poort binnen mocht, naar Minos toe. Maar helaas moest ik een paar gevallen van bedrog bekennen bij het afmeten van mijn werk in decimeters en eveneens mijn luiheid als ik overdag in dienst was. Dat was de reden waarom de rechter, toen ik probeerde naar binnen te glippen, mij boos bij de schouders greep en me met zoveel geweld terugsleurde dat ik denk dat hij, als ik een nek van vlees en botten gehad had, die gebroken zou hebben."

Noten Hoofdstuk XII


[1] Flavius Zeno (? – 491), ook wel genoemd Zeno de Isauriër, geboren als Tarasicodissa, was keizer van het Oost-Romeinse rijk van 9 februari 474 tot aan zijn dood op 9 april 491.

[2] Flavius Marcianus (392 – 457) was Oost-Romeins keizer van 450 tot januari 457.

[3] Theodorik de Grote (Pannonië, ca. 451 – Ravenna, 30 augustus 526) was koning van de Ostrogoten. Hij volgde zijn vader Theodemir op in 474 en regeerde tot aan zijn dood. Keizer Zeno benoemde hem tot consul in 484, en aldus heerste hij over een gedeelte van Italië.

[4] Keizerin Ariadne hielp de staatsambtenaar Anastasius, na de dood van haar echtgenoot Zeno, in 491, op de troon en huwde met hem.

[5] Flavius Belisarius of ook Belisarios (505 – 565) was waarschijnlijk de grootste generaal van het Oost-Romeinse Rijk c.q. Byzantijnse Rijk. Hij veroverde in naam van Justinianus I van Byzantium een groot deel van het verloren gegane West-Romeinse Rijk terug.

[6] Gelimer (480 – 553) was de laatste koning van de Vandalen en regeerde van 530 tot 534 na Chr.


HOOFDSTUK XIII

Julian transformeert tot een saletjonker.

"De plaats van handeling was Rome. Ik werd geboren in een adellijke familie en was erfgenaam van een aanzienlijk fortuin. Dat was de reden dat mijn ouders die dachten dat ik geen behoefte aan enig talent zou hebben, heel vriendelijk en verstandig besloten mij daar dan ook niet mee te belasten. De enige onderwijzers in mijn jeugd waren dus ene Saltator, die mij verschillende bewegingen voor mijn benen leerde en ene Ficus, wiens taak het was mij de properste manier — zoals hij dat noemde — bij te brengen om iemands hoofd af te hakken. Toen ik degelijk geschoold was in deze wetenschappen, dacht ik niets anders meer nodig te hebben dan wat verschaft werd door de ambachtslieden in Rome, die zich bezighielden met het kleden en opsieren van de paus. Toen ik dus goed voorzien was van alles wat hun vaardigheid kon voortbrengen, was ik op mijn twintigste een volmaakte saletjonker. En vijfenveertig jaar lang kleedde ik me, zong en danste, en danste en zong, boog en lonkte en lonkte en boog, totdat ik op mijn zesenzestigste een kou opliep door mijzelf te oververhitten met dansen en stierf.

"Minos vertelde me dat ik weliswaar de Elyseese Velden niet waardig was, maar dat ik te onbeduidend was om te verdoemen en hij me daarom verzocht weer terug te flaneren."

HOOFDSTUK XIV

Avonturen als monnik.

"Het lot gaf mij nu de rol van een jongeman uit een degelijk gezin en in mijn jeugd werd ik naar school gestuurd. Het onderwijs stond echter op een zodanig laag peil dat de leraar zelf amper een zin in het Latijn kon formuleren en Grieks kon hij niet eens lezen. Dus met heel weinig kennis en even weinig deugdzaamheid werd ik bestemd voor de kerk en begon op de gepaste leeftijd als monnik. Vele jaren leefde ik afgezonderd in een cel, een zeer aangenaam leven voor mijn zwaarmoedige gemoedstoestand, waardoor ik zeer geneigd was tot wereldverachting, met andere woorden, alle mensen met een betere lotsbestemming en eigenschappen te benijden en eigenlijk de hele mensheid te haten en te verafschuwen. Desondanks kon ik mij bij gelegenheid overgeven aan het paaien van het allerlaaghartigste sujet, ene Stefanus, een eunuch en gunsteling van keizer Justinianus II 1, een van de verdorvenste ellendelingen die de wereld wellicht ooit aanschouwd heeft. Ik schreef niet alleen een lofdicht op deze man, maar beval hem in mijn preken ook aan als toonbeeld voor alle anderen, waardoor ik bij hem zozeer in de gunst raakte, dat hij me voorstelde aan de keizer, bij wie ik met dezelfde methode zozeer in de smaak viel, dat ik kort daarop uit mijn cel gehaald en bevorderd werd tot een positie aan het hof. Ik was nog maar nauwelijks in de gunst gekomen bij Justinianus of ik verleidde hem tot allerlei wreedheden. Maar omdat ik nors en knorrig van aard was en in ieders gezichtsuitdrukking niets meer haatte dan tekenen van geluk, stelde ik alle soorten van ontspanning en vermaak voor als de afschuwelijkste zonden. Ik voer uit tegen opgewektheid als iets lichtzinnigs en moedigde niets anders aan dan ernst of, om je de waarheid te bekennen, huichelarij. De ongelukkige keizer volgde mijn raad op en overlaadde de mensen telkens weer met zoveel wreedheden, dat hij ten slotte afgezet en verbannen werd.

"Ik trok me nu weer terug in mijn cel — want geschiedschrijvers vergissen zich als ze zeggen dat ik ter dood gebracht werd —, waar ik veilig was voor het gevaar van de opgewonden menigte, die ik in mijn hart evenzeer vervloekte, als zij mij.

"Na drie jaar ballingschap keerde Justinianus in vermomming terug naar Constantinopel, en bracht me een bezoek. Aanvankelijk deed ik alsof ik hem niet kende en was van zins hem, zonder ook maar in het minst rekening te houden met enige dankbaarheid voor zijn vroegere gunsten, niet te ontvangen, totdat opeens een gedachte in me opkwam hoe ik hem in mijn voordeel kon bekeren. Ik deed dus alsof ik hem wel herkende, gaf de schuld aan mijn ontoereikende geheugen en slechte ogen, sprong op hem af en omhelsde hem allerhartelijkst.

"Mijn plan was hem te verraden aan Apsimar 2, die mij zonder twijfel gul zou belonen voor een dergelijke dienst. Daarom nodigde ik hem heel dringend uit de hele avond bij mij door te brengen, waarin hij toestemde. Ik bedacht een excuus om hem een paar minuten alleen te laten en rende naar het paleis om Apsimar op de hoogte te brengen van de gast die ik bij me in de cel had. Meteen beval hij een bewaker met mij mee te gaan om hem op te pakken, maar ik weet niet of de duur van mijn afwezigheid enige verdenking bij hem opgewekt had, of dat hij na mijn vertrek zijn plan had gewijzigd, maar bij mijn terugkomst merkten we dat hij ons ontglipt was en konden we hem ondanks een zeer zorgvuldige zoektocht niet meer vinden.

"Apsimar, voor wie het een onaangename verrassing was dat zijn prooi verdwenen was, ging nu tegen mij tekeer, waarbij hij aanvankelijk met de vreselijkste wraak dreigde als ik de onttroonde vorst niet tevoorschijn kon brengen. Maar door zijn woede op het hoogtepunt te sussen en later door te soebatten en te vleien, kon ik aan zijn razernij ontkomen.

"Toen Justinianus in ere hersteld was ging ik vol vertrouwen naar hem toe om hem daarmee geluk te wensen, maar het scheen dat hij helaas iets gehoord had over mijn verraad, zodat hij me aanvankelijk koel ontving en later openlijk de mantel uitveegde over wat ik had gedaan. Ik bleef dat krachtig ontkennen, omdat ik wist dat er niets tegen me viel te bewijzen, totdat ik, omdat ik merkte dat hij onverzoenlijk was, in mijn preken op hem af begon te geven, als een vijand van de kerk en goede mensen en als een ongelovige, ketter, atheïst, heiden en Ariaan. Dat deed ik allemaal meteen na zijn terugkeer en voordat hij die schandelijke bewijzen van zijn onmenselijkheid gaf, die achteraf alles wat ik gezegd had bevestigden.

"Gelukkig stierf ik op dezelfde dag waarop een groot deel van de strijdkrachten die Julianus afgestuurd had op de Thracische Bosporus en daar zulke ongehoorde wreedheden begingen, ten onder gingen. Omdat zij allemaal in de bodemloze put geworpen werden, had Minos zo genoeg van het veroordelen, dat hij afkondigde dat iedereen die aanwezig was en niet betrokken was geweest bij die bloedige veldtocht, zo zij wilden, naar de andere wereld mochten terugkeren. Ik geloofde hem op zijn woord, keerde me even later om en begon aan mijn reis."

Noten Hoofdstuk XIV


[1] Justinianus II (668/669 – 711), bijgenaamd Rhinotmetos (met de afgesneden neus) was keizer van Byzantium van 685 tot 695 en van 705 tot 711.

[2] Apsimar of ook wel Heraclius genoemd, was de broer van de Byzantijnse keizer Tiberius III. Apsimar werd tot keizer uitgeroepen door de Byzantijnse vloot na een mislukte expeditie om Carthago te heroveren.


HOOFDSTUK XV

Julianus wordt een vioolspeler.

"Nu was Rome mijn geboorteplaats. Mijn moeder was een Afrikaanse, een heel knappe vrouw maar, naar ik aanneem vanwege haar vroomheid, een gunstelinge van paus Gregorius II 1. Ik weet niet wie mijn vader was, maar denk dat het geen erg aanzienlijk man was, want na de dood van die paus die, buiten zijn godsdienst, een hele goede vriend van mijn moeder was, vervielen we tot grote armoede en waren ten slotte gedwongen door de straten van Rome te dwalen. Beiden hadden we geen andere steun dan een viool, die ik met een redelijk aanvaardbare behendigheid bespeelde, want omdat mijn talenten zich van nature op muziek richtten, had ik daarin al heel vroeg in mijn jeugd op kosten van de goede paus onderricht gehad. Dit verschafte ons slechts een heel armzalig inkomen want, hoewel ik vaak een grote menigte luisteraars had, voelden weinigen van hen zich verplicht bij te dragen met ook maar het geringste aalmoes voor de arme, hongerlijdende sloeber die hen vermaakt had. Sterker nog, sommigen van het ernstiger soort liepen, na een uur aandacht aan mijn muziek te hebben geschonken, hoofdschuddend weg en riepen dat het een schande was dat zulke zwervers in de stad mochten blijven.

"Eerlijk gezegd weet ik zeker dat de viool ons niet in leven gehouden had als we helemaal afhankelijk waren geweest van de goedgeefsheid van mijn luisteraars. Daarom was mijn moeder genoodzaakt haar eigen vlijt in te zetten en terwijl ik de oren van de menigte vleide, richtte zij zich op hun zakken en dat doorgaans met zoveel resultaat dat we nu een zeer aangenaam bestaan genoten. En als we ook maar enigszins behoedzaam waren geweest en vooruit hadden willen kijken, zouden we weldra voldoende verdiend hebben om deze gevaarlijke en eerloze levenswijze achter ons te laten, maar ik weet niet waarom geld dat moeizaam en voorzichtig verkregen wordt voortdurend wordt bewaard, terwijl de opbrengst van gevaar en gemak gewoonlijk even gemakkelijk wordt uitgegeven en vaak even verwerpelijk als het verdiend wordt. Daarom pasten wij onze uitgaven eerder aan aan wat we hadden dan aan wat we wilden of verlangden en toen wij een aanzienlijke buit hadden verworven hebben we zelfs de natuur gedwongen tot de meest lichtzinnige uitspattingen en zijn verdorven geweest zonder het te willen.

"We gingen een hele tijd door met deze manier van stelen zonder betrapt te worden, maar omdat het Lot doorgaans buitengewoon vindingrijke mensen ten slotte in de steek laat, deed het dat ook bij ons, want mijn arme moeder werd op heterdaad betrapt en samen met mij, als haar medeplichtige, in allerijl voor de magistraat gebracht.

"Gelukkig was de persoon die onze rechter zou zijn de grootste muziekliefhebber van de hele stad, die mij vaak op had laten halen om voor hem te spelen en omdat hij me steeds een armzalige beloning had gegeven, werd hij nu misschien door dankbaarheid bewogen. Maar wat zijn drijfveer ook was, hij blaften degenen die tegen ons getuigd hadden af en behandelde hun bewijzen met zo weinig instemming dat hun mond weldra gesnoerd werd en wij eervol weggestuurd, of eigenlijk moet ik zeggen, vrijgesproken werden, en we mochten pas vertrekken nadat ik de rechter een aantal wijsjes op de viool had laten horen.

"Bij deze gelegenheid kwamen we er des te beter vanaf omdat de beroofde persoon toevallig een dichter was, die de rechter, een geestige man, herhaaldelijk de gelegenheid gaf tot kwinkslagen. Hij zei dat dichters en muzikanten het goed met elkaar zouden moeten vinden, omdat ze zusters gehuwd hadden, wat hij later verklaarde met dat het zusterkunsten waren. En toen het goudstuk tevoorschijn gebracht werd, barstte hij uit in luid gelach en zei dat dit dan vast het gouden tijdperk was, waarin dichters goud in hun zakken hadden en er in dat tijdperk geen dieven konden zijn. Hij maakte nog meer van dat soort grappen, maar dit staaltje moet voldoende zijn.

"Het is een bekend gezegde dat mensen gewaarschuwd zouden moeten worden door elke opmerkelijke vrijspraak, maar ik kan de juistheid daarvan niet bevestigen, want ik heb het idee dat de vrijspraak van iemand die schuldig is hem juist vertrouwen moet inboezemen en dat was de uitwerking die het op ons had, want we lachten nu om de wet en minachtten haar straffen, waarvan wij vonden dat je daaraan, zelfs ondanks elk duidelijk bewijs, moest ontkomen. Wij bedachten dat het laatste voorbeeld eerder een waarschuwing voor de aanklager was dan voor de misdadiger en dus gingen wij op de meest onbeschaamde en snode manier verder.

"Naast andere diefstallen nam mijn moeder, nadat ze op een avond binnengelaten was in het huis van een welgestelde priester, van de gelegenheid gebruik om, terwijl de bedienden op mijn wijsjes dansten, een zilveren beker weg te nemen. Dat deed ze zonder de minste heiligschennende bedoeling, maar later bleek dat de beker, een vrij grote, bestemd was voor gewijd gebruik en door de priester alleen geleend was voor een feestelijke gebeurtenis samen met enige van zijn broeders. Na die diefstal werd er meteen jacht op ons gemaakt — de beker werd in ons bezit aangetroffen — en werden wij voor dezelfde magistraat gebracht die ons eerder zo vriendelijk bejegend had, maar zijn gedrag was nu veranderd, want op het moment dat de priester tegen ons getuigde, werd zijn strengheid even opmerkelijk als zijn mildheid eerder was geweest en hij gaf het bevel ons beiden te ontkleden en door de straten voort te ranselen.

"Het vonnis werd zeer strikt uitgevoerd, waarbij de priester zelf de beul vergezelde en aanmoedigde, wat hij, naar hij zei, deed voor de bestwil van onze zielen, maar hoewel onze ruggen allebei gevild waren, was ik noch door de kwellingen van mijn moeder noch door die van mij zozeer aangeslagen als door de vernedering van mijn arme viool, die in triomf voor mij uit gedragen en met laatdunkendheid bejegend werd door de menigte, die daarmee blijk gaf van een grote verachting voor de kunst die ik de eer had te mogen beoefenen. En omdat het een van de uitmuntendste ontdekkingen van de mens is en ik altijd uitermate trots was geweest over mijn uitblinken daarin, leed ik zozeer onder de slechte behandeling die mijn viool onderging, dat ik de hele rest van mijn huid had willen geven om haar te behoeden voor deze belediging.

"Mijn moeder overleefde de geseling maar heel korte tijd en zodoende werd ik in groot verdriet en ellende gedompeld, totdat ik in de smaak viel bij een jonge Romein met een aanzienlijk positie, die mij in zijn gezin opving en uitermate vertrouwelijke gesprekken met mij voerde. Hij had een grote liefde voor muziek en wilde viool leren spelen, maar bij gebrek aan talent voor deze kunst, maakte hij nooit enige noemenswaardige vordering. Maar ik sprak vleiend over zijn spel en hij raakte daarom buitengewoon gesteld op mij. Had ik dit gedrag voortgezet dan zou ik door zijn vriendelijkheid mogelijk de grootste voordelen hebben kunnen opstrijken, maar door mijn toedoen had hij een zodanig overtrokken mening gekregen over zijn muzikale talenten, dat hij nu zijn vaardigheid begon te verkiezen boven de mijne, een arrogantie die ik onverdraaglijk vond. Op een dag speelden we samen en speelde hij vreselijk vals en omdat hij de harmonie verstoorde, was het ook niet mogelijk hem dat niet te vertellen. In plaats van mijn terechtwijzing te aanvaarden, antwoordde hij dat het mijn en niet zijn fout was en dat ik mij in de toonsoort vergist had. Een zulke belediging van mijn eigen leerling was iets dat het geduld van een mens te boven ging. Ik kreeg een hevige driftbui, smeet van razernij mijn instrument op de grond en bezwoer hem dat op mijn leeftijd niemand mij meer iets over muziek hoefde leren. Even fel antwoordde hij dat hij evenmin onderwezen hoefde te worden door een rondreizende violist. Het twistgesprek eindigde in een uitdaging om voor een scheidsrechter te spelen. De weddenschap werd ten gunste van mij beslist, maar de koop werd duur betaald, want ik verloor er mijn vriend mee, die mij nu allerbeminnelijkst verwijten maakte over mijn eerdere beschamende straf en de berooide toestand waar ik door zijn goedheid van verlost was en nam voor altijd afscheid van me.

"Terwijl ik bij die heer woonde maakte ik onder andere kennis met Sabina, een vooraanstaande dame, die zeer prat ging op haar muzikale smaak. Ze had nauwelijks gehoord dat ik weggestuurd was of ze nam mij op in haar huis, waar ik uitermate goed gekleed en gevoed werd. Desalniettemin was mijn situatie allesbehalve aangenaam, want ik moest in gezelschap steeds haar terechtwijzingen ondergaan, wat mij een zeer onaangenaam gevoel gaf omdat ze altijd onterecht waren en ik weet ook niet zeker of zij door dat gesar niet bijgedragen heeft aan mijn dood, want terwijl ik door ervaring geleerd had mijn wrok op te geven voor brood, tastten mijn hartstochten, bij gebrek aan een uitlaatklep, van binnen mijn vitale organen aan en veroorzaakten misschien de stoornis die mij ziek maakte.

"De dame, die ondanks alle fouten die ze vond, toch heel dol op me was, sterker nog, waarschijnlijk werd ze steeds doller op me naarmate ze meer fouten vond, riep meteen de hulp in van drie beroemde dokters. De dokters — die goed betaald werden — legden in drie dagen zeven bezoeken af en twee van hen stonden al weer aan de deur om me voor de achtste keer te bezoeken, toen ze hoorden dat ik net gestorven was. Ze schudden hun hoofd en vertrokken.

"Toen ik bij Minos kwam vroeg hij me glimlachend of ik mijn viool meegebracht had en toen ik dat ontkennend beantwoordde, verzocht hij me weer met mijn werk verder te gaan en zei dat ik bofte dat de duivel geen muziekliefhebber was."

Noten Hoofdstuk XV


[1] Gregorius II (669 - 731) was paus van 715 tot 731. Gedurende zijn pontificaat barstte het iconoclasme in Byzantium in alle hevigheid los.

HOOFDSTUK XVI

Het verhaal van de wijze man.

"Ik keerde nu weer terug naar Rome, maar in een heel andere rol. Het Lot had nu bestemd dat het een ernstige rol moest zijn. Zelfs in mijn kindertijd was ik al ernstig van aard geweest en zag nooit iemand mij glimlachen, waardoor alle mensen om mij heen de mening opgevat hadden dat ik een zeer degelijk kind was. Sommigen voorzagen dat ik rechter zou worden, anderen bisschop. Toen ik twee was gaf mijn vader mij een rammelaar, die ik zeer verontwaardigd in stukken brak. Dit beschouwde de goede ouder, die bijzonder verstandig was, als een uitgesproken teken van mijn wijsheid en riep in een soort vervoering uit, ‘goed gezegd, jongen! ik verzeker je dat je een groot man wordt.’

"Op school kon ik nooit overgehaald worden om met mijn kameraden te spelen, maar ik bracht mijn tijd ook niet door met leren, waaraan ik allesbehalve verslaafd was en ook geen enkel talent voor had. Maar de ernst van mijn gedrag nam mij zozeer in bij mijn leraar, die een zeer scherpzinnig man was, dat ik zijn lieveling werd en hij bij alle gelegenheden mijn voorbeeld aanbeval aan de andere jongens, wat hen met jalousie vervulde en mij met plezier. Maar hoewel zij mij benijdden, toonden zij me allemaal die onwillekeurig achting, die de bijkomende vloek is van deze hartstocht ten opzichte van haar slachtoffer.

"Ik had nu in alles de rol verworven van een zeer wijze jongeman, wat ik alles bij elkaar niet zonder moeite bereikt had, want de beperking die ik mijzelf oplegde door me te onthouden van verschillende genoegens die bij mijn leeftijd pasten, kostte me veel zelfmedelijden, maar de trots die ik innerlijk genoot bij de gespeelde waardigheid van mijn rol gaf me toch enige genoegdoening.

"Zo leefde ik verder, zonder dat er iets zeer opmerkelijks met me gebeurde, totdat ik de leeftijd van drieëntwintig jaar bereikte, waarop ik helaas kennis maakte met een jonge Napolitaanse dame die Ariadne heette. Haar schoonheid was zo bijzonder dat zij op het eerste oog een enorme indruk op mij maakte, wat nog versterkt werd door haar gedrag, dat uitermate welopgevoed, ongedwongen en innemend was en de verovering werd tot slot bezegeld door haar gesprekken. Daarin onthulde ze een krachtig en levendig verstand en een zeer aangenaam en goedaardig karakter. Dit aantrekkelijke wezen was ongeveer achttien jaar toen ik haar helaas in Rome voor het eerst zag, tijdens een bezoek aan een kennis met wie ik op zeer vertrouwelijke voet stond. Omdat onze gesprekken aanvankelijk zeer veelvuldig waren, werden mijn hartstochten gestrikt voordat ik maar enig gevaar bespeurde en waarschijnlijk des te eerder omdat het de jongedame, voor wie ik elke manier van aanbeveling inwon, niet onwelgevallig was dat ik haar bewonderde.

"Nadat Ariadne drie maanden in Rome doorgebracht had, keerde ze terug naar Napels en nam mijn hart met zich mee. Anderzijds wist ik, gezien de beperking die een jonge vrouw opgelegd wordt door de meest volmaakte zedigheid, volstrekt zeker dat haar eigen hart niet geheel onberoerd was gebleven. Weldra merkte ik dat haar afwezigheid bij mij een onrust veroorzaakte die niet eenvoudig te dragen of weg te werken was. Aanvankelijk gaf ik mij over aan verzetjes — van het ernstiger soort, vooral muziek —, maar vergeefs, mijn verlangens en hartzeer werden er alleen maar erger door. Ten slotte werd mijn hartstocht zo hevig dat ik eraan begon te denken die te stillen. De eerste stap die ik daartoe ondernam was zorgvuldig navraag doen naar de omstandigheden van Ariadne’s ouders, die mij tot dan toe onbekend waren, maar ik kwam er achter dat die niet buitengewoon indrukwekkend waren, ondanks de knappe verschijning van hun dochter in Rome. Bij nader onderzoek overtrof haar fortuin mijn verwachtingen, maar het was vanuit een wijs en voorzichtig standpunt niet voldoende om mijn huwelijk met haar te rechtvaardigen. Het betekende voor mij nu een worsteling tussen wijsheid en geluk, waarbij na verschillende smartelijke kwellingen, de wijsheid aan het langste eind trok. Ik kon mijzelf er op geen enkele manier toe brengen de hoedanigheid van diepzinnige wijsheid op te geven, die ik met een zo evenwichtig gedrag verworven en tot nu toe zo zorgvuldig bewaard had. Ik besloot dus mijn genegenheid koste wat kost de baas te worden en het kostte me inderdaad niet weinig.

"Terwijl ik met die worsteling bezig was — want het duurde een hele tijd — keerde Ariadne terug naar Rome. Haar aanwezigheid was vreselijk ondermijnend voor mijn wijsheid, die zelfs in haar afwezigheid met heel veel moeite stand had gehouden. Het scheen — zoals ze me later in de Elyseese Velden met veel plezier vertelde — dat ik op haar dezelfde indruk had gemaakt als zij op mij. Ik denk dat mijn wijsheid dus door deze verrassing volledig bezweken was, als zij me niet een manier aan de hand gedaan had om mijn hartstocht te bevredigen zonder enige afbreuk te doen aan mijn reputatie. Dat was door haar in het geheim als minnares te nemen, wat in die tijd in Rome heel achtenswaardig was, mits de zaak op een slinkse en ernstige manier aangepakt werd, hoewel het geheim in de hele stad bekend was.

"Meteen nam ik deze zaak ter hand en zette elke list en elk middel in om het te doen slagen. In mijn eigen belang had ik smeergeld betaald aan haar priester en een oude vrouwelijke kennis en verre verwante van haar. Maar het was allemaal vergeefs, want haar deugdzaamheid verzette zich even krachtig tegen de hartstocht in haar binnenste, als de wijsheid dat bij mij gedaan had. Ze beantwoordde mijn voorstellen met de grootst mogelijke minachting en weigerde kort daarop me nog verder te zien of iets van me te horen.

"Ze keerde terug naar Napels en liet mij in een beroerdere toestand achter dan voorheen. Mijn dagen verliepen nu zeer saai en onbehaaglijk en ik had rusteloze en slapeloze nachten. Het verhaal over onze liefde was nu vrij algemeen bekend bij het publiek en de dames spraken over ons huwelijk alsof het een uitgemaakte zaak was, maar mijn kennis ontkrachtte hun mening en zei, ‘nee, nee, hij is te wijs om zo lichtvaardig te trouwen.’ Hun mening deed me, geef ik toe, veel plezier, maar vergoedde eerlijk gezegd nauwelijks de moeite die ik me getroostte om wijs te blijven.

"Op zekere dag, toen ik met mijzelf in het reine probeerde te komen en bijna besloten had van mijn geluk te gaan genieten ten koste van mijn wijsheid, bracht een vriend me het bericht dat Ariadne getrouwd was. Dit nieuws raakte me tot in het diepst van mijn ziel en ik dacht dat ik voldoende vastberaden was om tegenover hem mijn ernst te bewaren — waardoor ik nog wat meer leed —, maar op het moment dat ik weer alleen was verviel ik in een zeer hevige bui van wanhoop en om haar terug te krijgen, zou ik maar wat graag afscheid genomen hebben van mijn wijsheid en voorspoed en de hele rest, maar dat was onmogelijk en nu had ik nog alleen maar de tijd die mij hopelijk daarvan zou kunnen genezen. Dat was een vreselijk saai gedoe en duurde des te langer omdat Ariadne een galante Romeinse heer gehuwd had, die nu mijn naaste buurman werd en ik onderging de kwelling haar elke dag onder mijn ogen te zien opbloeien tot de beste van alle vrouwen en het geluk te genieten dat ik verspeeld had.

"Ik kan dan wel zoveel geleden hebben door op grond van mijn wijsheid Ariadne geweigerd te hebben, maar ik had er wel aan te danken dat ik daardoor een rijke weduwe aan de haak sloeg, die mij als een zeer verstandige partij was aanbevolen door een oude vriend en zo was het dus ook, want haar fortuin was evenveel groter dan het mijne als dat van Ariadne kleiner was geweest. Ik aanvaardde dit voorstel dan ook en mijn verstandige aard pleitte al gauw zo doeltreffend voor mij bij de weduwe, die zelf een zeer ernstige en bescheiden dame was, dat het voor mij binnen korte tijd goed afliep. En zodra de welvoeglijkheid het toestond — die door deze dame zeer strikt in acht genomen werd — werd het huwelijk gesloten en wel op de tweede dag van de tweede week van het tweede jaar na de dood van haar echtgenoot, want zei ze, ze vond dat enige tijd na dat ene jaar blijk gaf van een groot gevoel voor goede manieren.

"Maar hoe bescheiden die dame ook was, ze maakte het ellendig voor me. Zelf was ze allesbehalve aantrekkelijk, maar haar prikkelbaarheid was ondraaglijk.

"In de vijftien jaar dat ik met haar samenwoonde, ging er geen dag voorbij zonder dat ik haar en het moment dat wij elkaar ontmoet hadden hartgrondig vervloekte. De enige troost die ik vond, te midden van de grootste kwellingen, was dat ik van al mijn kennissen doorlopend hoorde dat de bedachtzaamheid van mijn keuze aanbevelenswaardig was.

"Jullie zien dus dat ik voor mijn naam dat ik wijs was, in liefdesaangelegenheden een vrij grote prijs betaalde. In andere zaken was het wat goedkoper, maar dat betekent niet dat het gehuichel, dat de prijs was die ik ervoor betaalde, geen pijn deed. Ik heb mijzelf met geveinsde minachting duizend-en-een kleine verzetjes ontzegd, terwijl ik daar in werkelijkheid wel zin in had. Ik ben vaak bijna gestikt omdat ik mij weerhield om te lachen bij een grap, en — wat misschien het minst schadelijk was van al mijn gehuichel — heb in mijn studeerkamer van harte genoten van een boek waarover ik in het openbaar met minachtig heb gesproken. Om mijn verhaal kort samen te vatten, omdat ik weinig meemaakte dat gedenkwaardig was, was mijn leven een doorlopende leugen en het zou voor mij gezegend geweest zijn als ik mijzelf evenzeer tot last was geweest als de anderen, want telkens als ik er over nadacht, moest ik tot de conclusie komen dat ik niet zo wijs was als mensen dachten. En daardoor werd de publieke bijval die ik voor mijn wijsheid kreeg behoorlijk wrang. Deze waarschuwing, als een memento mori of mortalis es, moet naar mijn mening vast een zeer gevaarlijke vijand zijn voor gevlei en in feite een last die voldoende is om een tegenwicht te vormen tegen alle valse lof van de wereld. Maar of het zo is dat het merendeel van de wijze mensen helemaal niet nadenkt of dat zij, door anderen doorlopend tot last te zijn, zo gewend zijn geraakt om zowel anderen als zichzelf te bedriegen, kan ik niet uitmaken. Het is naar mijn mening volstrekt zeker dat maar een paar wijze mensen weten wat voor dwazen ze zijn, meer dan de wereld dat doet. Goeie genade! kon iemand maar eens zien wat er zich afspeelt in het achterkamertje van de wijsheid! wat een lachwekkend gezicht moet het zijn de wijze man gade te slaan als hij custardvla zit te schrokken omdat hij lekker eten veracht, de wijze man met zijn drankfles of de tegenstander van vleselijke lusten — als ik die uitdrukking mag gebruiken — die zit te gniffelen boven een obsc—n boek of plaatje en misschien zijn dienstmeid streelt!

"Maar om een rol te besluiten waarvan ik vrees dat ik daarmee een even dwaas figuur mee heb geslagen als in elke andere waarin ik het aardse toneel heb betreden, mijn wijsheid maakte ten slotte een eind aan zichzelf, dat wil zeggen, veroorzaakte mijn dood.

"Een kennis van mij, in het oostelijk deel van het keizerrijk, onterfde zijn zoon en liet mij diens erfdeel na. Dat gebeurde hartje winter, toen ik in een belangrijke en kritieke levensfase verkeerde en net hersteld was van een gevaarlijke ziekte. Omdat ik alle denkbare redenen had om te vrezen dat de familie van de overledene tegen mij zou samenspannen en zoveel als ze kon achterover probeerde te drukken, vroeg ik raad aan een ernstige en wijze vriend over wat verstandig was om te doen, of ik zelf zou gaan, of in dit geval een notaris moest inhuren en mijn reis tot het voorjaar uitstellen. Eerlijk gezegd neigde ik het meest tot het laatste, te meer omdat mijn omstandigheden uiterst voorspoedig waren, ik al op een gevorderde leeftijd was en niemand ter wereld had aan wie ik na mijn dood met genoegen ook maar enig fortuin wilde nalaten.

"Mijn vriend vertelde me dat mijn vraag op geen enkele manier twijfel of discussie toeliet, dat de gebruikelijke voorzichtigheid zonder meer vereiste dat ik meteen zou vertrekken en voegde daaraan toe dat als hem hetzelfde buitenkansje was toegevallen hij al onderweg zou zijn geweest, ‘want,’ vervolgde hij, ‘voor iemand die de wereld zo goed kent als jij, zou het onvergeeflijk zijn als hij mensen zulk een gelegenheid biedt om hem te bedriegen, die daar, moet je weten, daar maar al te zeer toe zijn geneigd, en wat betreft het inhuren van een notaris, bedenk dan de voortreffelijke spreuk, Ne facias per alium, quod fieri potest per te (laat een ander niet doen, wat je zelf kunt). Ik geef toe dat het ongunstige seizoen en je nog maar prille herstel, ongunstige omstandigheden zijn, maar een wijs man moet over die problemen heen stappen als de noodzaak hem verplicht die het hoofd te bieden.

"Ik was meteen vastbesloten door zijn mening. Het plichtsbesef van een wijs man maakte een onweerstaanbare indruk op me en ik nam, zonder nader onderzoek, die noodzaak aan als iets vanzelfsprekends. Derhalve begaf ik me de volgende morgen op weg; ik werd overvallen door zeer stormachtig weer en had nog geen drie dagen gereisd of ik kreeg weer koorts en stierf.

"Ik werd nu even onbarmhartig teleurgesteld door Minos, als ik eerder geluk gehad had. Zeer zelfverzekerd liep ik naar de poort en dacht echt dat ik, omdat mijn gedrag zo wijs was geweest, zelfs zonder dat er vragen gesteld zouden worden, toegelaten werd. Maar dat was niet het geval en tot mijn grote verrassing riep Minos me, met een dreigende stem, toe, ‘U daar, heer, met dat ernstige gezicht, waarom zo snel, mag ik u vragen? Wilt u me, voordat u een stap verder zet, een kort verslag geven van uw verrichtingen beneden?’ Ik stak van wal en vertelde hem uitvoerig mijn hele verhaal en aan het eind van elke periode verwachtte ik dat het bevel gegeven zou worden de poort open te zwaaien, maar ik moest het hele verhaal vertellen en nadat hij even nagedacht had sprak Minos me als volgt toe: —

"‘U daar, Hr. Wijsmans, kom naar voren, alstublieft. Neem van me aan, sir, een reisje terug naar de aarde zal een van de wijste stappen zijn die u ooit heeft gezet, en zal uw wijsheid meer tot eer strekken dan alles wat u tot nu toe heeft ondernomen. Anderzijds zou niets eenvoudiger moeten zijn dan u in te spannen voor de Elyseese Velden, maar wie anders dan een dwaas zou een eigenschap willen meenemen, die op de ene plek oneindig waardevol is en op een andere van nul en generlei waarde? Maar, zonder uw ernst te kwetsen met een grap, u moet terugkeren naar het oord waar u vandaan bent gekomen, want de Elyseese Velden zijn nooit bedoeld geweest voor mensen die te wijs zijn om gelukkig te zijn.’

"Die uitspraak bracht me vreselijk van slag, vooral omdat die het dreigement leek in te houden dat ik mijn wijsheid mee terug moest nemen naar de aarde. Hoewel hij me niet door de poort wilde laten gaan, vertelde ik de rechter dat ik hoopte dat ik tijdens mijn leven geen misdaad had begaan waardoor ik nog langer wijs moest zijn. Hij antwoordde me dat ik wat dat betreft het risico moest nemen en meteen daarop keerden wij elkaar de rug toe."

HOOFDSTUK XVII

Julianus neemt de gedaante van een koning aan.

"Dit keer werd ik geboren in Oviedo in Spanje. De naam van mijn vader was Veremond 1 en ik werd geadopteerd door mijn oom koning Alfons de Kuise 2.

"Ik herinner me niet dat ik, tijdens alle pelgrimstochten die ik op aarde gemaakt heb, ooit een ellendigere kindertijd heb doorgebracht dan nu. Ik was altijd opgesloten en aan banden gelegd en omringd door dokters die me steeds medicijnen toedienden en huisonderwijzers die mij voortdurend lastig vielen met hun voorschriften. Zelfs de vrije uren die ik graag had willen besteden aan spel werden bestemd voor geestdodende praal en officiële aangelegenheden die mij, op een leeftijd waarop ik geen ambitie had om te delen in de onderdanigheid van hovelingen, nog erger dan de verachtelijksten onder hen, tot slaaf maakten. Maar toen ik de jaren van mijn volwassenheid naderde, gaf mijn toestand mij enige genoegdoening, want de knapste vrouwen legden uit eigener beweging voor mij hun lokaas uit en ik was zo gelukkig — iets dat niemand van een lagere positie kan bereiken — , dat ik van de heerlijkste wezens kon genieten, zonder de voorafgaande en moeizame plichtplegingen van hofmakerij, behalve bij de eenvoudige, jeugdige en onervaren vrouwen. Wat de hofdames betreft, zij zagen me eerder zoals mannen de aantrekkelijksten van het andere geslacht zien en hoewel zij uiterlijk enige schijn ophielden van bescheidenheid, zagen zij zichzelf eerder als iemand die gunsten ontvangt dan verleent.

"Een andere vreugde die ik genoot was het verlenen van andersoortige gunsten, want omdat ik uitermate goedaardig en vrijgevig was, was ik dagelijks in de gelegenheid om die hartstochten te bevredigen. Naast mijn eigen vorstelijke toelage, die zeer rijkelijk was en waarmee ik veel gulle en goede daden verrichtte, bracht ik ontelbare verdienstelijke personen die in moeilijkheden verkeerden onder de aandacht van de koning, van wie de meesten goed voorzien werden. Als ik in die tijd voldoende besef had gehad van mijn gezegende situatie, zou ik dus niets meer betreurd hebben dan de dood van Alfons, waardoor de last van het regeren op mij terechtkwam. Maar eerzucht maakt genegenheid zo blind en ziet zoveel bekoringen in de macht, pracht en praal van een kroon, dat hoewel ik hartstochtelijk van die koning hield en vreselijk veel aan hem te danken had, de gedachte dat ik hem op zou volgen mijn verdriet over zijn dood uitwiste en het verlangen naar mijn op handen zijnde kroning mijn tranen droogde tijdens zijn begrafenis.

"Maar door mijn voorliefde voor de titel koning vergat ik niet de mensen over wie ik zou gaan regeren. Ik zag hen in het licht waarin een liefhebbende vader naar zijn kinderen kijkt, als mensen wier welzijn God aan mijn zorgen toevertrouwd had, of ook wel zoals een verstandige heer zijn pachters ziet, als mensen op wier bezit en grootsheid hij die van ziczelf moet bouwen. Deze beide overwegingen bezielden mij met de grootste zorg voor hun welvaart en hun geluk was mijn eerste en belangrijkste doel.

"Mauregato 3, die zich onwettig meester gemaakt had van de troon, had als een goddeloze daad zichzelf en zijn opvolgers verplicht de Moren elk jaar een schandelijke bijdrage van honderd jongen maagden te leveren. Ik besloot mijn land te bevrijden van deze wrede en aanstootgevende schatting. Dus toen hun emir Abd-ar-Rahman II 4 zo vermetel was dat ook van mij te eisen, in plaats van daar afstand van te doen, gaf ik het bevel om zijn afgezanten op de smadelijkst denkbare manier weg te jagen en ik zou hen zelfs ter dood hebben veroordeeld als ik dat had kunnen doen zonder openlijk het volkerenrecht te schenden.

"Ik bracht nu een enorm leger op de been. Tijdens het ronselen daarvan hield ik vanaf mijn troon een toespraak waarin ik mijn onderdanen op de hoogte bracht van de noodzaak en redenen voor de oorlog die ik wilde gaan voeren en overtuigde hen ervan dat ik die ondernam voor hun eigen rust en veiligheid en niet om enige lichtzinnige eerzucht te bevredigen of persoonlijke wrok te wreken. Eenstemmig verklaarden ze allemaal dat zij, om mij te verdedigen en de eer van mijn kroon te steunen, hun leven en alles wat hen dierbaar was op het spel wilden zetten. Zodoende was het werven van soldaten meteen voltooid en bleven er alleen voldoende mensen achter om het land te bewerken. Geestelijken en zelfs bisschoppen schaarden zich onder mijn vaandels.

"De legers ontmoetten elkaar bij Alvelda 5 , waar we verslagen werden en enorme verliezen leden en alleen het invallen van de avond zou ons hele leger gelukkig hebben kunnen redden.

"Ik trok mij terug op een heuveltop, waar ik mij overgaf aan de hevigste opwellingen van verdriet, niet zozeer vanwege het gevaar waarin ik zag dat mijn kroon verkeerde, maar vanwege het verlies van deze beklagenswaardige stakkers die op mijn bevel hun leven op het spel gezet hadden. Ik kon me niet onttrekken aan de gedachte dat als de dood van deze mensen in een oorlog die alleen ondernomen was voor hun bescherming, mij zoveel zorgen gaf, wat een afschuw ik dan zou hebben moeten voelen als ik, zoals vorsten die hunkeren naar overheersing, zovelen had opgeofferd ter wille van mijn eigen hoogmoed, ijdelheid en belachelijke zucht naar macht.

"Nadat ik enige tijd op die manier lucht gegeven had aan mijn verdriet, begon ik te bedenken op welke manier ik deze tegenslag mogelijk zou kunnen goedmaken. Toen ik dacht aan het grote aantal priesters dat ik in mijn leger had en de wonderlijke kracht van bijgeloof, schoot mij de gelukkige gedachte te binnen voor te geven dat de heilige Jacobus mij in een visioen was verschenen en mij de overwinning beloofd had. Terwijl ik daarover zat te broeden kwam juist op dat moment de bisschop van Najara bij mij op bezoek. Omdat ik niet van zins was hem het geheim te vertellen, koos ik een andere manier en in plaats van te antwoorden op wat de bisschop tegen me zei, deed ik alsof ik met de heilige Jacobus sprak en hij werkelijk aanwezig was en nadat ik de dingen besproken had waarvan ik dacht dat ze toereikend waren en de heilige hardop bedankt had voor zijn belofte dat ik zou overwinnen, richtte ik me ten slotte tot de bisschop. Ik omhelsde hem met een vergenoegde blik en bezwoer hem dat ik niet wist dat hij aanwezig was en nadat ik hem op de hoogte gesteld had van dit zogenaamde visioen, vroeg ik hem of hij zelf de heilige ook gezien had. Hij antwoordde me bevestigend en ging verder met me te verzekeren dat die verschijning van de heilige Jacobus helemaal te danken was aan zijn gebeden, want het was zijn beschermheilige. Hij voegde daaraan toe dat hij een paar uur eerder ook een visioen van hem had gehad, dat hij ook hem de overwinning over de ongelovigen beloofd had en tegelijkertijd meegedeeld had dat de bisschopszetel van Toledo vrijgekomen was. Dat laatste nieuwtje was werkelijk waar, maar het was zo kort geleden gebeurd dat ik er nog niets van gehoord had — en dat kon ook niet, gezien de grote afstand —. Hoewel ik allesbehalve bijgelovig ben, bracht het me toch enigszins aan het twijfelen toen ik het later alsnog hoorde, maar ik werd gerustgesteld toen me verteld werd dat de bisschop kort daarvoor tijdens een reis drie paarden verloren had.

"Op mijn verzoek besteeg de bisschop de volgende morgen het spreekgestoelte en verkondigde luid zijn verschijning die hij naar hij zei tweemaal met eigen ogen aanschouwd had en dat deed hij zo doeltreffend dat door het hele leger een bezieling begon rond te waren waardoor het de meerdere werd van vrijwel elke ander krijgsmacht. De bisschop beweerde dat de geringste twijfel aan succes betekende dat de heilige beschuldigd werd van een leugen en een doodzonde was en hij nam het op zich hen in diens naam de overwinning te beloven.

"Het leger rukte uit en weldra merkte ik de uitwerking van de begeestering, want nadat ik een andere list [I] bedacht had om wat de bisschop gezegd had kracht bij te zetten, vochten de soldaten meer als bezetenen dan als mannen. Mijn list was de volgende: ik had een slimme knaap in mijn gevolg, die vroeger koppelaar bij mijn geheime avontuurtjes geweest was. Ik kleedde hem in een vreemd, ouderwets gewaad, met een paar witte vaandels in zijn rechter- en een rood kruis in zijn linkerhand en nadat ik hem zo vermomd had dat niemand hem kon herkennen, zette ik hem op een wit paard en beval hem voor het leger uit te rijden en te roepen. ‘Volg de heilige Jacobus!’ Alle troepen herhaalden deze woorden en ze vielen de vijand zo onverschrokken aan dat we, ondanks het feit dat wij geringer in aantal waren, weldra een volkomen overwinning behaalden.

"Nadat de vijand op de vlucht gejaagd was, kwam de bisschop tevoorschijn en vertelde ons dat hij onderweg de heilige Jacobus weer ontmoet had en dat hij hem op de hoogte had gebracht van wat er gebeurd was. Hij voegde daaraan toe dat hij van de heilige de uitdrukkelijke opdracht gekregen had dat er een aanzienlijk bedrag betaald diende te worden voor diens hulp en in de toekomst voor eeuwig een bepaalde belasting op graan en wijn ten behoeve van zijn kerk geheven moest worden en tot slot dat aan de heilige zelf het soldij van een ruiter zou moeten toekomen, dat hij en zijn opvolgers in ontvangst zouden nemen. Het leger beantwoordde deze eisen met zulke toejuichingen dat ik daar wel gehoor aan moest geven, omdat ik op geen enkele manier het bedrog kon onthullen en ik denk dat ik geen enkel geloof gevonden zou hebben als ik dat wel had gedaan.

"Ik had nu mijn handen van de heilige afgetrokken, maar de bisschop niet. Ongeveer een week later werden er lichten gezien in een bos in de buurt waarvan de slag geleverd was en kort daarop werd op dezelfde plek het graf van de heilige Jacobus ontdekt. Daarop bracht de bisschop mij een bezoek en dwong me daar naartoe te gaan en ter plaatse ter ere van de heilige een kerk te bouwen en die rijkelijk te begiftigen. Kortom, de goede man viel mij zozeer lastig met het ene na het andere wonder, dat ik genoodzaakt was de invloed van de paus in te roepen om hem naar Toledo over te plaatsen en zodoende van hem af te komen.

"Maar om op een ander onderwerp over te gaan, er was een lagergeplaatste officier die zich zeer dapper gedragen had in de slag tegen de Moren en verschillende verwondingen had opgelopen en mij om een bevordering verzocht, en ik stond op het punt hem te verlenen, toen een van ministers geschrokken bij me kwam en me vertelde dat hij het ambt, dat ik voor deze man bestemd had, beloofd had aan de zoon van graaf Alderedo en dat die graaf, die heel machtig was, bij die weigering zeer gekwetst zou zijn, omdat hij zijn zoon al van school gehaald had om die post in bezit te nemen. Ik moest het wel eens zijn met de redenen van de minister en vertrouwde de bevordering van de gewonde soldaat aan hem toe. Hij beloofde getrouw dat hij dat zou doen, maar ik ontmoette de arme stakker later in de Elyseese Velden, waar hij me vertelde dat hij de hongerdood gestorven was.

"Iemand die nooit zelf vorst is geweest, maar ook iedereen die dat wel is geweest, kan, zolang hij niet dood is, geen flauw benul hebben van alle bedriegerijen die hem geleverd worden door zijn vertrouwelingen en ministers, zodat de vorsten vaak de schuld krijgen van de fouten van anderen. De graaf van Saldaña had een lange tijd opgesloten gezeten in de gevangenis, toen zijn zoon, don Bernardo del Carpio 6, die de grootste heldendaden verricht had tegen de Moren, mij dringend verzocht, als beloning voor zijn diensten, zijn vader in vrijheid te stellen. De straf van de oude man was zo eentonig geweest en de verdiensten van de jongeman zo buitengewoon voortreffelijk, dat ik zeer genegen was aan het verzoek te voldoen, maar mijn ministers verzetten zich daar krachtig tegen. Ze vertelden me dat mijn eer wraak eiste voor de schande die mijn familie aangedaan was, dat een zo nadrukkelijk verzoek eerder op een dreigement leek dan op een vraag; dat het ijdele omstandig vertellen van zijn verdiensten en de daarbij passende beloning een kwetsend verwijt waren, kortom, dat het kwijtschelden van een straf die door mijn voorgangers opgelegd was het veroordelen van hun vonnis betekende. Tot slot vertelde een van hen me fluisterend, ‘die hele familie is een vijand van uw huis.’ Daarmee trokken de ministers aan het langste eind. De jonge don nam de weigering zo hoog op dat hij het hof verliet en zich aan wanhoop overgaf, terwijl de oude man verder wegkwijnde in de gevangenis. Daardoor verloor ik, zoals ik later ontdekte, het profijt van twee van mijn beste onderdanen.

"Eerlijk gezegd had ik door mijn ministers een zeer onjuist beeld gekregen van mijn hele volk, waarvan ik me nu verbeeldde dat het dag in dag uit tegen mij samenzweerde en er de meest trouweloze gedachten op na hield, terwijl het mij in werkelijkheid — wat ik na mijn dood te weten ben gekomen — alom hoogachtte en waardeerde. Dat is een streek die, denk ik, maar al te vaak uitgehaald wordt met heersers, die daardoor afgehouden worden van een ongedwongen omgang met hun onderdanen, wat de vorst persoonlijk zeer geliefd zou kunnen maken bij het volk, maar vaak gevaarlijk zou kunnen blijken te zijn voor een minister die slechts ten koste van beiden rekening houdt met zijn eigen belangen. Ik denk dat ik jullie nu de belangrijkste voorvallen van mijn leven verteld heb, want ik verzeker je dat in het leven van koningen veel gebeurt dat niet bijzonder vermeldenswaard is. Alles wat in hun hoofd en familie omgaat, gaat niet gepaard met de pracht die hun troon omringt — er zijn inderdaad ogenblikken waarin de naakte koning en de naakte schoenmaker nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn.

"Als het echter niet gegaan was over mijn ondankbaarheid ten opzichte van Bernardo del Carpio, dan denk ik dat dit mijn laatste pelgrimstocht op aarde was geweest, want ik ging er vanuit dat Minos bij het verhaal van de heilige Jacobus zou schuddebuiken van het lachen. Maar hij was zo onaangenaam verrast door het andere verhaal dat hij met gefronste wenkbrauwen uitriep, ‘Scheer je weg, koning.’ En hij wilde me ook geen woord meer laten zeggen."

Noten Hoofdstuk XVII


[1] Bermudo (of Vermudo) II (956 – 999), bijgenaamd de Jichtige, was koning van Galicië (982–999) en León (984–999)

[2] Alfons II (1157 – 1196), bijgenaamd de Kuise, was de oudste zoon van koningin Petronila van Aragón en van Ramon Berenguer IV.

[3] Mauregato, de Overweldiger (? – 788), een bastaardzoon van koning Alfons I van Asturië, was koning van Asturië van 783 tot 788.

[4] Al-Hakam II (al-Ḥakam II ibn ʿAbd al-Raḥmān III; 915 – 976) was de tweede kalief van Cordoba, in Al-Andalus en zoon van Abd-ar-rahman III (al-Nasir) en Murjan. Hij regeerde van 961 tot 976.

[5] De slag bij Alvelda, (Albaida) meer bekend onder de naam de slag bij Clavijo, was een legendarische slag die nooit plaats heeft gevonden. Het verhaal gaat dat het een gevecht was tussen de Spaanse christenen onder Ramiro I van Asturië en de Moslims onder de Emir van Cordoba.

[6] Bernardo del Carpio is een legendarische held uit Asturiëvergelijkbaar met andere Iberische helden als El Cid. Hij zou de zoon zijn van Sancho, graaf van Saldaña en neef van Alfons II van Asturië. Andere verhalen vertellen dat hij de tegenstander was van Roland in Roncevalles.

HOOFDSTUK XVIII

Julianus verandert in een hofnar.

"Mijn volgende bezoek dat ik aan de wereld bracht, speelde zich af in Frankrijk, waar ik geboren werd aan het hof van Lodewijk III 1, en later had ik de eer bevorderd te worden tot hofnar van de vorst Karel, die als bijnaam de Onnozele 2 had. Maar in werkelijkheid weet ik niet of het wel juist is te zeggen dat ik aan dat hof de nar heb gespeeld, of dat ik daar niet eerder van alle anderen een nar heb gemaakt. Het staat vast dat ik daar allesbehalve was wat doorgaans verstaan wordt onder dat woord, omdat ik een zeer sluwe en doortrapte aartsschurk was. Ik kende de gekte van mijn meester en vele anderen heel goed en wist ook hoe ik met die kennis mijn voordeel kon doen.

"Ik was Karel de Onnozele even dierbaar als de toneelspeler Paris voor Domitianus 3 en vergaf, net als hij, allerlei ambten en erebaantjes aan wie ik maar wilde. Dat leverde me een groot aantal aanhangers op onder de hovelingen, die mij wel abusievelijke voor een dwaas aanzagen, maar zich toch lovend uitlieten over mijn verstand. Er was onder anderen iemand aan het hof die geen eer bezat en ook geen eerlijkheid, verstand, slimheid, moed, schoonheid en in feite geen enkele andere goede eigenschap van lichaam en geest, die hem tot aanbeveling zou kunnen strekken, maar hij was tegelijkertijd misschien het sluwste monster dat ooit geleefd heeft. Deze heer kreeg het in zijn hoofd om zich onder mijn vaandel te scharen en achtervolgde me zo volhardend met gevlei, door mij doorlopend te herinneren aan mijn gezond verstand, dat ik mateloos dol op hem werd. Want hoewel gevlei doorgaans niet zeer ter zake kundig toegepast wordt op eigenschappen die de gepaaide personen bezitten ging ik, ondanks dat ik zeker was van mijn eigen verstand, aan het hele hof toch door voor een dwaas en was dit geslijm een heel lekker hapje voor me. Daarom droeg ik deze vent voor voor een bisschopsambt, maar verloor daarmee mijn hielenlikker, want later zei hij nooit meer een fatsoenlijk woord tegen me.

"Nooit verhinderde ik het als mijn verbeelding de meest onbeschofte gedachten aanleverde over het karakter van zelfs de aanzienlijkste edelman — ja, zelfs over de koning zelf, waarvan ik jullie een heel sterk staaltje zal vertellen. Op een dag vertelde zijne onnozele majesteit me dat ik zoveel macht had dat zijn volk mij als hun koning zag en hem als mijn hofnar.

"Toen ik dat hoorde deed ik alsof ik boos was, alsof ik me beledigd voelde. ‘Wat krijgen we nu?’ zei de koning, ‘schaam je je ervoor koning te zijn?’ Nee, sire,’ zei ik, ‘maar ik schaam me godsgruwelijk voor mijn nar.’

"Herbert, graaf van Vermandois 4, was door mijn bemiddeling weer in de gunst gekomen van de Onnozele — want zo placht ik Karel altijd te noemen —. Later haalde hij de koning over de stad Arras op graaf Boudwijn 5 te veroveren, waardoor Herbert, in ruil voor die stad, Peronne terugkreeg van graaf Altmar. Boudewijn kwam naar het hof om zijn stad terug te vragen, maar vergat of uit trots of door onwetendheid, mij daarbij te betrekken. Toen ik hem tijdens zijn verzoek aan het hof tegenkwam, vertelde ik hem dat hij niet de goede manier had gekozen, Hij antwoordde me stuurs dat hij een nar niet om raad zou vragen. Ik antwoordde dat ik me niet verbaasde over zijn vooringenomenheid, omdat hij al ontspoord was door de raad van een dwaas op te volgen. Maar ik vertelde hem dat er dwazen waren die meer invloed hadden dan hij meegebracht had naar het hof. Hij antwoordde me dat hij heus geen nar bij zich had, maar dat hij alleen gekomen was. ‘Ach, edelachtbare,’ zei ik, ‘ik reis vaak alleen en toch zeggen ze dat ik altijd een nar bij me heb.’ Dat verwekte gelach bij de omstanders, waarop hij me een klap gaf. Meteen beklaagde ik me over deze behandeling bij de Onnozele, die hem met zeer harde woorden van het hof wegstuurde, in plaats van hem de gunst te verlenen waarom hij gevraagd had.

"Ik geef jullie dit eerder als een voorbeeld van mijn invloed en onbeschaamdheid dan van mijn geestigheid — mijn grappen werden dus gewoonlijk meer op prijs gesteld dan zij verdienden, want misschien was ik in werkelijkheid evenmin geestig als dwaas. Maar met een onbegrensde mogelijkheid voor grove taal, is het heel eenvoudig de naam van geestig zijn te krijgen, speciaal aan een hof, waar het, omdat iedereen daar elkaar hartgrondig benijd en haat en tegelijkertijd door het verkrampte fatsoensgedrag verplicht is te verkondigen dat alles zeer naar wens verloopt, voor hen bijzonder vermakelijk is en ook moet zijn te zien dat de dwaasheden van hun bekenden door een derde persoon aan de kaak gesteld worden. Bovendien is de mening van het hof even eenvormig als de mode en wordt altijd gestuurd door de wil van de vorst of gunsteling. Ik weet zeker dat het paard van Caligula aan zijn hof alom werd gezien als een goede en kundige consul. Op dezelfde manier werd ik alom erkend als de geestigste nar ter wereld. Elk woord dat ik zei verwekte gelach en werd als een grap beschouwd, vooral door de dames, die soms zelfs al lachten voordat ik mijn bedoeling had onthuld en ze herhaalden vaak iets als een grap, dat ik zelfs nooit zo bedoeld had.

"Voor de dames was ik even onverbiddelijk als voor de mannen en met dezelfde onbeschaamdheid, maar dat laatste kwam me duur te staan, want toen ik een keer een grap maakte over de schoonheid van een dame die Adelaïde heette en een gunstelinge van de Onnozele was, deed ze alsof ze glimlachte en zich samen met de rest van het gezelschap vermaakte over mijn geestigheid, maar in werkelijkheid was ze daar zeer ontstemd over en probeerde me zwart te maken bij de koning. Daar slaagde ze zo voortreffelijk in — wat kan een lievelingsvrouw al niet doen bij iemand die de bijnaam de Onnozele verdient? — dat de koning elke dag terughoudender tegen me werd en als ik me enige vrijheid probeerde te veroorloven gaf hij me zulke blijken van misnoegen dat de hovelingen, die allemaal een haviksoog hebben voor elke geringschattende blik van de koning, dat meteen opmerkten. Ik was dus stekeblind geweest omdat ik ondanks zijn veranderde gedrag ten opzichte van mij niet gemerkt had dat ik terrein verloren had wat betreft zijn gunst. Door het gedrag van de hovelingen moest ik dat bespeurd, ja zelfs gevoeld hebben, want terwijl er twee dagen daarvoor nog zeer naarstig verzocht werd om mijn gezelschap, werd dat nu afgewezen met evenveel misprijzen. Ik was nu het mikpunt van spot voor de zaalwachters en schildknapen en een officier van de lijfwacht, met wie ik een grap uithaalde, gaf me een oorveeg en verzocht me dat maar te doen met mijn gelijken. Deze man was jarenlang mijn doelwit geweest, zonder dat hij ooit gewaagd had zijn hand tegen mij op te heffen.

"Maar hoewel ik bij de Onnozele duidelijk een verandering opmerkte, had ik geen enkel vermoeden van de reden. Ik koesterde niet de geringste verdenking tegen Adelaïde, want afgezien van het feit dat ze een zeer opgewekte vrouw was en ik vaak wrange grappen gemaakt had over haar reputatie, kon ik geen enkele reden bedenken waarom ze zich daardoor beledigd zou voelen. Maar al gauw begreep ik dat een vrouw gemakkelijker de scherpste kritiek op haar zedelijkheid zal verdragen dan de geringste opmerking over haar schoonheid, want ze verklaarde nu openlijk dat ik als de stompzinnigste dwaas en iemand die niet in staat was anderen te vermaken, van het hof weggestuurd moest worden en ze vroeg zich af hoe iemand zo weinig smaak kon hebben om te denken dat ik geestig was. Die uitspraak weergalmde door de hele zaal en werd door alle aanwezigen beaamd. Telkens als ik sprak trok iedereen een ongebruikelijk ernstig gezicht en ik was nu evenmin in staat iemand aan lachen te brengen, dan het vroeger was om mijn mond open te doen zonder dat iemand lachte.

"Terwijl mijn zaken er nu zo voor stonden, begaf ik me op zekere dag in de kring zonder mijn narrenkleren. De Onnozele, die nog steeds met me wilde spreken, riep uit, ‘Zo, nar, wat betekent dit?’ ‘Sir,’ antwoordde ik, ‘dwazen schijnen aan het hof tegenwoordig zoiets gewoons te zijn, dat ik genoeg heb van mijn kleren.’ "Hoe bedoel je?’ antwoordde de Onnozele, ‘waarom zijn ze nu gewoner dan anders?’ — ‘O, sir,’ zei ik, ‘er zijn hier dames die uwe majesteit elke dag van hun leven voor de gek houden.’ De Onnozele schonk geen aandacht aan mijn grap en verschillende aanwezigen zeiden dat mijn botten gebroken moesten worden voor die onbeschaamdheid, maar de koningin deed het genoegen. Zij wist dat Adelaïde, die zij haatte, de oorzaak was van mijn in ongenade vallen, nam me over van de koning en nu trad ik bij haar in dienst, zodat ik vanaf dat moment de hofnar van de koningin genoemd werd en mij aan haar hof dezelfde eer te beurt viel, als ik voorheen gekregen had aan dat van de koning. Maar omdat de koningin in werkelijkheid geen macht had, behalve over haar eigen bedienden, werd ik niet overal met diezelfde voorkomendheid behandeld en kreeg ook niet die steekpenningen en geschenken, die mij ooit toegevallen waren.

"Deze beperkte achting duurde ook niet lang, want de koningin, die in feite geen gevoel voor humor had, werd al gauw ziek van mij grappenmakerij. Ze vergat de reden waarom ze me in dienst genomen had en negeerde me zozeer, dat haar hof mijn gemoedstoestand steeds ondraaglijker ging vinden. Mijn hart brak en ik stierf.

"Minos moest hartelijk lachen om verschillende voorvallen in mijn verhaal en zei toen dat in de Elyseese Velden niemand de rol van nar hoefde te spelen en verzocht mij dus terug te keren."

Noten Hoofdstuk XVIII


[1] Lodewijk III (863 – 882) was van 879 tot zijn dood in 882 de koning van Frankrijk, dat toen nog West-Francië werd genoemd. Hij was de oudste zoon van Lodewijk de Stamelaar en diens eerste vrouw, Ansgardis en hij volgde zijn vader op, samen met zijn jongere broer Karloman II. Zijn korte heerschappij werd gekenmerkt door militair succes.

[2] Karel III, bijgenaamd de Eenvoudige of in Latijn Carolus Simplex (879 – 929), uit het Karolingische Huis, was koning van West-Francië van 898 tot 922 en koning van Lotharingen van 911 tot 923. Hij heeft zijn bijnaam gekregen omdat hij altijd gewoon simpel en duidelijk was in communicatie, niet omdat hij dom zou zijn.

[3] In 81 n.Chr.werd Domitianus aangesteld als keizer en werd Domitia de nieuwe keizerin. Van haar man verkreeg zij de eretitel Augusta. Domitia kreeg in 83 n.Chr. een verhouding met de acteur Paris. Hoewel Domitianus zelf bekendstond om zijn overspelige karakter (hij liet zich vaak vergezellen door allerlei vrouwen en had een verhouding met zijn nicht Julia) stond hij niet toe dat zij vrouw een minnaar had. Domitianus scheidde van zijn vrouw, liet Paris executeren en Domitia verbannen.

[4] Herbert II van Vermandois (884 – 943) was graaf van Vermandois en werd een van de machtigste edelen in het noorden en midden van Frankrijk. Herbert volgde in 902 zijn vader op als graaf van Vermandois. In 907 trouwde hij met een dochter van Robert van Bourgondië en werd daardoor lekenabt van de Sint-Medardusabdij te Soissons en graaf van Meaux. In 918 werd hij ook graaf van Mézeray en Vexin. Herbert hielp in 922 de aartsbisschop van Reims om diens vazallen te onderwerpen.

[5] Boudewijn I (840 – 879), ook wel Boudewijn I met de IJzeren Arm genoemd, staat bekend als de eerste graaf van Vlaanderen.

HOOFDSTUK XIX

Julianus verschijnt als bedelaar.

"Ik keerde nu terug naar Rome en werd geboren in een zeer arm, maar kinderrijk gezin dat, ik zeg het jullie eerlijk, in zijn levensonderhoud voorzag door bedelen. Als je zelf dat beroep nooit uitgeoefend hebt, dan weet je niet, neem ik aan, dat het een even geregelde handel is als elke andere en verschillende regels en geheimen of mysteries kent en dat om die te leren een even saaie leertijd vereist is als voor enig ander handwerk.

"Het eerste wat ons geleerd werd was het deerniswekkende gezicht. De natuur maakt dat voor de een natuurlijk gemakkelijker dan voor de ander, maar er is niemand die dat niet voor elkaar krijgt, als ze in hun jeugd maar vroeg genoeg beginnen en voordat de spieren te strak geworden zijn.

"Het tweede is de klaaglijke stem. Om daarin de hoogste volmaaktheid te bereiken moet ook aan deze eigenschap de natuur haar deel bijdragen, maar hier zal het ambacht, net als in elk ander geval, met ijver en oefening het heel ver kunnen brengen, zelfs zonder hulp van talenten, vooral als de leerling jong begint.

"Er zijn nog veel meer voorschriften, maar dit zijn de belangrijkste. De vrouwen wordt een vaardigheid meer geleerd, want ze worden ook nog geoefend in de kunst van het huilen, dat wil zeggen, bij alle gelegenheid tranen gereed hebben, maar dat lukt bij de meesten zeer eenvoudig. Sommigen bereiken zelfs met een onvoorstelbaar gemak de grootste volmaaktheid in deze kunst.

"Geen enkel beroep vereist een dieper inzicht in de menselijke natuur dan dat van de bedelaar. Hun kennis van de menselijke hartstochten is zo uitgebreid, dat ik vaak genoeg gedacht heb dat deze opleiding voor een politicus zeer nuttig zou kunnen zijn. Er bestaat zelfs een grotere overeenkomst tussen deze twee rollen dan gedacht wordt, want beiden stemmen overeen in hun eerste en belangrijkste grondbeginsel, namelijk dat zij zich er op dezelfde manier op toeleggen de mensheid te misleiden en te bedriegen. Toegegeven, ze verschillen wel enorm in hoeveelheid winst die ze maken met hun bedrog, want terwijl de bedelaar met weinig tevreden is, laat de politicus maar weinig over.

"Een zeer groot Engels filosoof heeft opgemerkt dat onze gedragslijn is dat wij zorgvuldig nooit iemand aanspreken met een lagere titel dan waar hij aanspraak op maakt. Ook mijn vader deelde die mening, want ik herinner me dat toen ik nog jong was de paus toevallig voorbij kwam en ik hem aansprak met ‘alstublieft, sir,’ ‘in Gods naam, sir,’ ‘in naam des Heren, sir,’ — waarop hij ernstig antwoordde, ‘ventje, ventje toch, je zou een pak slaag moeten krijgen omdat je de naam des Heren ijdel gebruikt’ en ijdel was het inderdaad, want hij gaf me niets. Mijn vader, die dit toevallig opving, naam zijn raad ter harte en gaf me een vreselijk pak slaag. Terwijl hij me strafte beloofde ik de naam des Heren nooit meer ijdel te gebruiken. Toen zei mijn vader, ‘kind, ik sla je niet omdat je zijn naam ijdel gebruikt hebt, ik sla je omdat je de paus niet Zijne Heiligheid genoemd hebt.’

"Als alle mensen zo verstandig en goed waren om het voorbeeld van de geestelijken te volgen, zou de overlast van bedelaars weldra uit de weg geruimd zijn. Ik kan me niet herinneren dat ik tijdens mijn hele leven als bedelaar door hen meer dan twee keer gesteund ben. De ene keer was door een zeer keurige man, die mij een zilverstuk gaf en daarbij zei dat hij me meer gegeven had dan hij zelf overhield en de andere keer een opgedirkte jongeman, die die dag voor het eerst zijn priesterkledij aangetrokken had en die ik aansprak met ‘alstublieft, eerwaarde heer, goeie eerwaarde heer, kijk eens naar uw kleren.’ Hij antwoordde, ‘ik, kind, kijk naar mijn ambt en hoop dat iedereen die zo gekleed gaat dat doet.’ Daarna wierp hij me wat geld toe en paradeerde zeer deftig verder.

"Voor vrouwen had ik één algemene manier van aanspreken: ‘lieve, aardige dame,’ ‘God zegene u mevrouw,’ ‘God zegene uw knappe gezicht.’ Dit had doorgaans een goed resultaat, maar ik merkte dat hoe lelijker de vrouw, hoe zekerder ik van het resultaat was.

Het was bij ons een vaste stelregel dat hoe groter het gevolg was waarmee iemand reisde, hoe minder we van hem konden verwachten, maar telkens als we een rijtuig zagen met een enkele of helemaal geen bediende, waren we zeker van onze buit en werden we zelden teleurgesteld.

"We merkten dat tijd en omstandigheden bij een en dezelfde persoon een groot verschil betekenden. Een gokker is bijvoorbeeld heel vrijgevig als hij verliest, maar van iemand die wint zal je nog gemakkelijker zijn ziel krijgen dan een enkele stuiver. Een advocaat die van zijn landgoed naar zijn klanten in Rome reist en een dokter die zijn patiënt gaat bezoeken, waren altijd de moeite waard om aan te spreken, maar als ze terugkeerden waren ze — zoals wij dat in ons jargon noemen — ontoegankelijk.

"De meeste algemene en dus juiste stelregel bij ons was dat mensen die het minst bezitten altijd het meest bereid zijn iets te geven. De belangrijkste vaardigheid van de bedelaar is dus de rijke van de arme te onderscheiden, iets dat, hoewel het alleen gaat om de zaak zelf te onderscheiden van haar schaduw, twee dingen die voortdurend ijverig bezig zijn elkaar na te bootsen, op geen enkele andere manier aan te leren is dan door een redelijke goede aanleg en een grote mate van opmerkzaamheid. Bij dit bedrog is het de arme man hartgrondiger ernst je te bedriegen dan de rijke, omdat die laatste zich, te midden van alle uiterlijke kentekenen van armoede, toch altijd enig teken van rijkdom veroorlooft om in het oog te vallen. Terwijl zijn kledij dus geen stuiver waard is, draagt hij wel een kostbare ring aan zijn vinger of een gouden horloge in zijn zak. Kortom, hij lijkt eerder armoede te veinzen om je te kwetsen dan om je te bedriegen. De arme man is daarentegen is heel duidelijk in zijn wens om voor rijk door te gaan, maar de gretigheid van dat verlangen jaagt hem op om zijn rol te overdrijven en daarom verraadt hij zich als iemand die dronken is door zijn overdreven matigheid. In plaats van zich te laten vergezellen door één bediende op een degelijk paard, zal hij er twee hebben, maar omdat hij niet een goed tweede paard kan kopen of onderhouden, laat hij de andere bediende op een gehuurde boerenknol rijden. Hij neemt geen genoegen met zich eenvoudig en keurig te kleden en daarom dost hij zich op met een of ander opzichtig sieraad en zijn ambtskledij is van een fijnere stof gemaakt, dan die grove stof van zijn dagelijkse kledij. Zonder in te gaan op onbeduidendere bijzonderheden, denk ik het als een vaste, onbetwistbaar juiste regel te mogen stellen dat iemand die zichzelf of zijn paarden en rijtuig zo opzichtig mogelijk uitdost, daarmee verraadt dat hij zich dat eigenlijk niet kan veroorloven. Dus steeds als iemand meer uitgeeft dan hij aan inkomsten heeft, is hij onbeduidend in het kwadraat. Wij hoefden bij zulke mensen dus niets anders te doen dan hen te vleien met hun rijkdom en pracht, waarmee we altijd succes hadden.

"Er bestaat echter een slag rijken die gewoonlijk vrijgeviger is, namelijk als iemand te midden van armoe en tegenspoed als het ware door rijkdom verrast wordt. Ik geef toe dat het gevolg daarvan soms buitengewone gierigheid is, maar vaker zeer grote vrijgevigheid. Ik herinner me een van die laatsten die nadat hij een vrij grote som gelds gekregen had mij een hele talent gaf, terwijl ik hem maar om één obool gebedeld had. Toen zijn vriend hem daar zijn afkeuring over uitsprak, antwoordde hij vloekend, ‘waarom niet? houd ik er soms geen vijftig over?’

"Als mensen de dingen naar hun werkelijke essentie zouden beoordelen en niet naar de uiterlijke valse schijn, zou het leven van een bedelaar misschien een verkieslijker situatie zijn dan enig andere waarvoor eerzucht ons aanzet met zoveel moeite, gevaar en vaak doortraptheid naar te streven. De behoeften van een bedelaar zijn doorgaans even denkbeeldig als de overvloed van een edelman, want afgezien van de ijdelheid, waar een slimme bedelaar altijd verbazingwekkend doeltreffend gebruik van weet te maken, zijn er in werkelijkheid maar zeer weinig mensen die zo verhard zijn, dat zij geen medelijden hebben met armoede en tegenslag, ten minste als niet een of andere hartstocht hen daarvan weerhoudt.

"Geld dat gemakkelijk verkregen wordt heeft één voordeel, namelijk dat het nooit opgepot wordt. Anderzijds, omdat we veel mogelijkheden hebben om rijk te worden, zou die zorg als een kanker aan onze rust kunnen knagen, zoals dat ook bij anderen gebeurt. Maar wij geven ons geld even snel uit als we het binnen krijgen — althans gewoonlijk, want ik heb het niet over uitzonderingen — en dus geeft het ons alleen maar plezier en geen problemen. Ons luxe leventje zou wel ziekten kunnen veroorzaken, als onze dagelijkse oefeningen die niet zouden voorkomen. Daardoor krijgen wij zin en trek in lekkernijen en die tegelijkertijd een tegengif vormen tegen de kwalijke invloeden die luiheid, gepaard met overvloed, op het menselijk lichaam kunnen hebben. Wij genieten van onze vrouwen met op zijn minst dezelfde verrukkingen als de aanzienlijkste mannen in hun omhelzingen voelen. Ik weet zeker dat ik over mezelf kan zeggen dat geen enkele sterveling van die tedere hartstocht een volmaakter geluk kon oogsten, dan het lot mij beschikt had. Voor de liefde huwde ik een aantrekkelijke jonge vrouw. Ze was de dochter van een naburige bedelaar die, met een onvoorzichtigheid die maar al te vaak gezien wordt, een zeer groot vermogen dat hij met zijn beroep verkregen had, uitgaf, zodat hij haar niets mee kon geven. Maar na zijn dood liet hij een zeer goed ingerichte bedelhut na en een aanpalende, rijkelijk beplante tuin van een achtentwintigste morgen, gelegen op de flank van een steile heuvel, waar reizigers niet zomaar om ons heen konden.

"Ze was een allerbeste vrouw, schonk mij negentien kinderen en verzuimde nooit — behalve op haar kraambed, dat doorgaans drie dagen duurde — om tegen de tijd dat ik ’s avonds weer thuis kwam, mijn eten klaar te hebben. Dat was mijn lievelingsmaaltijd waarbij zowel ik als mijn hele gezin ons kostelijk vermaakten. Het belangrijkste onderwerp van ons gesprek waren doorgaans de giften die wij die dag hadden gekregen, bij welke gelegenheid het lachen om de dwaasheid van de gevers een niet onaanzienlijk deel van het plezier uitmaakte. Want wat hun beweegreden om ons iets te geven ook was geweest, wij schreven ons succes altijd toe aan het feit dat wij hun ijdelheid gestreeld hadden, of hun verstand te slim af waren geweest.

"Maar misschien ben ik al te lang stil blijven staan bij deze rol. Ik zal daarom besluiten met jullie te vertellen dat ik, na een leven van honderdtwee jaar, waarin ik nooit enige ziekte of gebrek gekend heb, behalve die met de ouderdom gepaard gaan, ten slotte zonder de minste pijn, als een nachtkaars uitging.

"Nadat Minos mij verhaal aanhoord had verzocht hij me, als ik dat kon, te tellen hoeveel leugens ik in mijn leven verteld had. Omdat wij ons hier, door een zekere door het lot bepaalde noodzaak aan de waarheid moeten houden, antwoordde ik dat ik dacht dat het er ongeveer vijftig miljoen waren. Toen antwoordde hij met gefronste wenkbrauwen ‘kan zulk een schurk ooit hopen de Elyseese Velden binnen te gaan?’ Meteen keerde ik me om en was alles bij elkaar genomen toch blij dat hij me niet terugriep."

HOOFDSTUK XX

Julianus vervult de rol van staatsman.

"Het was nu mijn lot geboren te worden uit een Duitse prinses, maar doordat een vroedmeester tijdens de bevalling mijn hoofd eraf trok, maakte hij snel een einde aan mijn leven.

"Geesten die hun leven eindigen voordat ze de leeftijd van vijf jaar hebben bereikt, worden meteen in een ander lichaam geplaatst en nu was het mijn lot om verschillende malen een kindertijd door te maken voordat ik weer recht had op een onderzoek van Minos.

"Ten slotte was het mijn bestemming om opnieuw een aanzienlijke rol op het toneel te spelen. Ik werd geboren in Engeland, onder het bewind van Ethelred II 1. Mijn vader heette Ulnoth en was graaf of leenman van Sussex. Later werd ik bekend onder de naam graaf Godwin 2 en begon ten tijde van Harold Hazenvoet 3 een belangrijke figuur te worden in de wereld. Door mijn toedoen werd Harold koning van Essex, of West-Saksen, ten koste van Hardeknoet 4, wiens moeder Emma later een andere van haar zoons op de troon probeerde te krijgen. Maar ik was haar te slim af, verraadde haar plan aan de koning en stelde hem tegelijkertijd op de hoogte van mijn voornemen dat ik beraamd had om deze twee jonge prinsen te vermoorden. Met toestemming van de koning, die zij had misleid door haar vrome gedrag en het zogenaamd afstand doen van alle wereldse zaken, had Emma haar zonen uit Normandië terug laten komen. Maar ik haalde Harold over deze prinsen aan zijn hof uit te nodigen en hen ter dood te laten brengen. De voorzichtige moeder stuurde alleen Alfred en hield Edward bij zich, omdat ze een vermoeden had van mijn snode plannen, maar dacht dat ik die niet ten uitvoer zou brengen bij een van haar zoons, terwijl zij de andere beschermde. Maar ze had zich vergist, want zodra ik Alfred in mijn bezit had liet ik hem naar Ely 5 brengen en gaf de opdracht daar zijn ogen uit te steken en hem daarna op te sluiten in een klooster.

"Dat was een van die wrede middelen waarvan grote mannen zich graag bedienen, omdat zij er vanuit gaan dat het noodzakelijk is ten dienste van de koning, die hun eerzucht steunt.

"Edward, de andere zoon van Emma, ontsnapte en ging weer terug naar Normandië, van waaruit hij zich, na de dood van Harold en Hardeknoet, zonder gewetensbezwaren weer onder mijn bescherming en gunst schaarde, hoewel hij mij, vanwege de moord op zijn broeder, met alle mogelijke wraakgevoelens vervolgd had. Maar in alle belangrijke zaken moeten persoonlijke verhoudingen wijken voor het algemeen belang. Nadat ik dus bij hem zeer gunstige voorwaarden voor mijzelf had bedongen, maakte ik er geen probleem meer van om zijn zaak te behartigen en hielp hem al gauw op de troon. Ik maakte me ook niet in het minst zorgen on zijn haatgevoelens, omdat ik wist dat mijn macht te groot was dan dat hij zich tegen mij zou durven keren.

"Een van de bedongen voorwaarden was dat hij zou trouwen met mijn dochter Edith. Deze Edward stemde daar zeer aarzelend mee in, en achteraf had ik geen reden om daar vergenoegd mee te zijn, want zij, die mijn lieveling geweest was, kreeg daardoor zulk een grootheidswaan dat ze me, in plaats van mij haar gepaste eerbied te betonen, herhaaldelijk voor de voeten wierp — althans als ik haar ook maar de geringste vermaning gaf — dat ze nu koningin was en dat de hoedanigheid en naam van vader opgegaan was in die van onderdaan. Dit gedrag genas me echter niet van mijn genegenheid voor haar en verzachtte ook niet het onbehagelijke gevoel dat ik later had toen Edward haar zijn bed ontzegde.

"Wat mij er vooral toe bracht me in te spannen om Edward te steunen, was de onnozelheid of zwakheid van die vorst, onder wiens bewind ik mijzelf, onder een andere naam, absolute heerschappij beloofde. Daar vergiste ik me niet in, want tijdens zijn hele bewind was mijn bestuur uitermate heerszuchtig. Ik had alles wat bij een koninklijke waardigheid behoorde, behalve de uiterlijke kentekenen. Niemand dong ooit buiten mij om naar een ambt of enigerlei bevordering, een omstandigheid die niet alleen mijn geldkisten zeer verrijkte, maar evenzeer mijn eerzucht stilde en mijn ijdelheid streelde door een talrijke aanhang. Ik smaakte het genoegen te zien hoe mensen die verder alleen voor de koning bogen, zich aan mijn voeten wierpen.

"Edward de Belijder, of de heilige Edward 6, zoals sommigen hem spottenderwijs, neem ik aan, genoemd hebben, omdat hij een uitgesproken onnozele hals was, vertoonde alle gebreken die bij een dwaas behoren en daar vrijwel onafscheidelijk van zijn. Hij huwde mijn dochter Edith omdat hij bang was me anders voor het hoofd te stoten en weigerde later, uit haat tegen mij, zelfs zijn huwelijk te voltrekken, hoewel zij een van de mooiste vrouwen van haar tijd was. Hij maakte zich evenzo schuldig aan de laaghartigste ondankbaarheid jegens zijn moeder —  een ondeugd waar dwazen hoofdzakelijk, zo niet louter, vatbaar voor zijn — en sloot haar, als dank voor haar pogingen hem in zijn jeugd op de troon te helpen, op hoge leeftijd op in een afschuwelijk gevangenis. Dat deed hij weliswaar op mijn aanraden, maar van dat lopen over negen roodgloeiende ploegscharen en schenken van negen landgoederen, terwijl ze er geen een bezat, is geen letter waar.

"De eerste keer dat ik vreselijk in verlegenheid gebracht werd was naar aanleiding van het feit dat mijn zoon Sweyn de abdis van Leon — naderhand Leominster in Herefordshire genaamd — ontmaagd had. Na dit voorval vluchtte hij naar Denemarken, vanwaar hij mij verzocht gratie voor hem te krijgen. Aanvankelijk werd dat geweigerd door de koning, daartoe aangezet, zoals ik later te weten kwam, door een van zijn kapelaans, die ik dwarsgezeten had bij het verkrijgen van een bisschopsambt. Daarna deed mijn zoon Sweyn met verschillende schepen invallen aan de kust en beging veel afschuwelijke wreedheden, wat zonder twijfel het gewenste resultaat opleverde, omdat ik daarmee kon inspelen op de angst van de koning, waarvan ik lang geleden al ontdekt had dat het zijn allesoverheersende gemoedstoestand was. En hij die vergiffenis geweigerd had voor zijn eerste misdrijf, verleende die nu toch nadat hij veel andere, nog onmenselijkere misdaden begaan had, waardoor die vergiffenis voor de slachtoffers de glans verloor en van alle anderen dubbel en dwars afkeuring ontving.

"De koning had een groot zwak voor de Normandiërs en had een Normandiër aartsbisschop van Canterbury 7 gemaakt en overladen met buitengewone gunsten. Het enige bezwaar dat ik tegen deze man had was dat hij zonder mijn hulp opgeklommen was, een reden voor misnoegen dat, onder het bewind van grote en machtige gunstelingen, vaak rampzalig is gebleken voor mensen die daar aanleiding toe gegeven hadden, omdat degenen die zo een hogere positie verworven hebben ons doorlopend met jalousie en onrust vervullen. Want als wij zelf iemand hogerop helpen, zorgen we er afdoende voor dat we overwicht houden over hem en hem, als hij zou durven handelen tegen onze wil, elk moment naar zijn vorige positie kunnen terugbrengen. Daarom laten we nooit toe dat iemand te dicht in de buurt van de vorst komt, tenzij wij zeker weten dat hij onmogelijk in staat is diens genegenheid voor zich te verwerven of te vergroten. Ik ben bang dat geen enkele eerste minister zichzelf veilig acht als iemand anders toegang heeft tot het oor van zijn vorst, want wat dat betreft zijn wij even jaloers als de echtgenoot die dol is op zijn vrouw. Dus iedereen die hem op een andere manier kan benaderen dan via ons, is naar onze mening een aartsvijand, die wij volgens de grondbeginselen van ons beleid verplicht zijn koste wat kost te vernietigen. Want de genegenheid van koningen is even kostbaar als die van vrouwen en de enige manier om beiden voor onszelf te houden is te zorgen dat iedereen uit hun buurt blijft.

"Maar de aartsbisschop liet de zaak niet op louter verdenking berusten. Hij gaf weldra duidelijke bewijzen van de invloed van zijn biechtvader door ene Rollo 8 , een Romein van lage afkomst en met zeer verachtelijke eigenschappen, een vrij belangrijk ambt toe te bedelen. Toen ik de koning duidelijk maakte dat het onfatsoenlijk was om aan zo iemand die eer te gunnen, antwoordde hij dat het een kennis was van de aartsbisschop. ‘Dan, sir,’ antwoordde ik, ‘is hij bevriend met uw vijand.’ Daarna gebeurde er niets meer, maar ik merkte al gauw aan het gedrag van de aartsbisschop dat de koning hem op de hoogte had gebracht van ons vertrouwelijk gesprek, een voldoende bewijs van zijn vertrouwen in hem en het negeren van mij.

"Als je eenmaal uit de gunst van een vorst bent geraakt, is die alleen terug te krijgen door voor een situatie te zorgen waarin je een gevaar voor hem kunt zijn. Omdat ik er niet aan twijfelde dat ik bij deze koning alle krediet verspeeld had, wat dus oorspronkelijk teweeggebracht was en in stand gehouden werd door zijn angst, nam ik om dat terug te winnen, mijn toevlucht tot de methode van terreur.

"Eustachius, graaf van Boulogne die overgekomen was om de koning te bezoeken gaf me de gelegenheid om openlijk in opstand te komen. Toen de graaf de terugreis naar Frankrijk had aangevangen, werd een van zijn bedienden die vooruit gezonden was om in Dover onderdak te regelen en er op stond hen in te kwartieren in het huis van een burger die daar niet van gediend was. In een ruzie die daar op volgde werd de bediende ter plekke gedood en de graaf zelf die daar kort daarop aankwam, redde ternauwernood het vege lijf. Woedend over die belediging keerde de graaf terug naar de koning in Gloucester, beklaagde zich daar luid en eiste genoegdoening. Edward voldeed aan zijn verzoek en gaf het bevel de oproerkraaiers te straffen. Als graaf van Kent vielen die onder mijn gezag, maar in plaats van gehoor te geven aan dit bevel, antwoordde ik nogal fel dat Engelsen niet gewend waren mensen te straffen zonder ze eerst te horen en hun rechten en voorrechten geen geweld aangedaan behoorden te worden; dat het de gewoonte was dat beschuldigden eerst gedagvaard werden — en als ze schuldig bevonden ze naar lijf en goederen te straffen, maar als ze onschuldig bleken hen vrij te spreken. Ik voegde daar woedend aan toe dat het als graaf van Kent mijn plicht was mensen die onder mijn hoede vielen te beschermen tegen beledigingen van buitenlanders.

"Dit voorval was uiterst gunstig voor me, omdat het aan mijn ruzie met de koning een volkse tint gaf en mij zo bemind maakte bij het volk dat zij zich, toen ik mijn vaandel hees — wat ik kort daarop deed —bereidwillig en opgewekt onder mijn vaandel en achter mijn zaak schaarden, waarvan ik hen overtuigde dat het hun eigen zaak was, omdat ik mijn zwaard getrokken had om hen te beschermen tegen buitenlanders. Het woord buitenlanders heeft op een Engelsman een magische uitwerking, wat voorkomt uit de wreedheden die ze geleden hadden onder de Denen en enkele andere buitenlandse naties. Geen wonder dat ze mijn zaak steunden in een ruzie die op die manier ontstaan was.

"Maar wat misschien nog wat opmerkelijker is, was dat ik, toen ik later van mijn ballingschap naar Engeland terugkeerde aan het hoofd van een leger van Vlamingen, die zich gereed maakten om Londen te plunderen, nog steeds volhield dat ik de Engelsen kwam verdedigen tegen het gevaar van buitenlanders en ze me geloofden. Er is inderdaad geen leugen hoe grof ook, die het volk niet wijsgemaakt kan worden, door degenen van wie het denkt dat ze hun beschermheer en verdediger zijn.

"De koning redde zijn stad door zich met mij te verzoenen en mijn dochter, die hij had verstoten, weer terug te nemen. En nadat ik hem onder dreiging in mijn ogen gepaste tegemoetkomingen afgedwongen had, ontbond ik mijn leger en vloot, waarmee ik, als mijn voornemen niet gelukt was, de stad Londen geplunderd en het hele land verwoest had.

"Ik was nauwelijks weer bij de koning in de gunst gekomen — of wat even goed voor mij was, het leek maar zo — of ik deed een felle aanval op de aartsbisschop. Hij had zich uit eigener beweging teruggetrokken in zijn klooster in Normandië, maar dat vond ik niet genoeg. Ik liet hem officieel verbannen en vulde zijn leeggekomen zetel met een andere bisschop op.

"Nadat ik mijn macht teruggekregen had, genoot ik daar maar korte tijd van, want de koning die mij uitermate haatte en bang voor me was en geen manier kon bedenken om mijn openlijk te vernietigen, bereikte uiteindelijk zijn doel met behulp van vergif en vertelde daarna het belachelijke verhaal rond, dat ik, omdat ik enig aandeel had gehad in de dood van Alfred, zelf gewild had dat ik door de volgende hap zou stikken en als door een goddelijk oordeel, bleef die volgende hap inderdaad in mijn keel steken, met dat als gevolg.

"In de andere wereld was de rol van staatsman een van de ergste. Het is een positie die dagelijks onderhevig is aan het grootste gevaar en de grootste onrust en weinig genoegens en nog minder gemak met zich meebrengt. Kortom, het is een pil die als die door eerzucht niet verguld zou worden, in de ogen van iedereen walgelijk en weerzinwekkend zou zijn. En misschien is dat de reden waarom Minos zoveel medelijden heeft met degenen die die pil moeten slikken; want deze rechtvaardige rechter vertelde me dat hij een eerste minister altijd vrijsprak, zelfs al kon die in zijn hele leven maar een enkele goede daad aantonen, naast alle misdaden die hij begaan had. Ik nam dat dus een beetje te ruim op en liep naar de poort, maar hij trok me aan mijn mouw, zei dat hier nooit een eerste minister naar binnen kwam en verzocht me om te keren. Verder voegde hij me toe dat hij dacht dat ik voldoende redenen had om mijzelf gelukkig te prijzen dat ik ontkomen was aan de bodemloze put, waarop de helft van mijn misdaden als ik die in een andere hoedanigheid begaan had, mij recht hadden gegeven."

Noten Hoofdstuk XX


[1] Ethelred II  (968 – 1016) was van 978 tot 1013 en van 1014 tot 1016 koning van Engeland.

[2] Godwin van Wessex (ca. 1001 – Winchester, 15 april 1053), een van de machtigste mannen van Engeland onder de regering van koning Knoet, was Earl van Wessex van 1019 tot zijn dood. Hij was onder meer de vader van koning Harold II, die hem in 1053 als earl had opgevolgd, en van Edith van Wessex, de vrouw van koning Edward de Belijder.

[3] Harold I Hazenvoet, Engels: Harold Harefoot (1016 –1040) was koning van Engeland van 1035 tot 1040. Hij was de zoon van koning Knoet van Denemarken en Engeland, en diens eerste vrouw Ælfgifu. Zijn bijnaam 'Hazenvoet' kreeg hij wegens zijn snelheid en vaardigheid bij de jacht.

[4] Hardeknoet (Engels: Harthacanute, ook Hardicanute of Hardecanute; Deens Hardeknud) (Noorwegen of Normandië, 1018/1019 – Lambeth, 8 juni 1042) was koning van Engeland van 1040 tot 1042 en als Knoet III koning van Denemarken van 1035 tot 1042.

[5] Het Isle of Ely is een historisch gebied rond de stad Ely, nu gelegen in Cambridgeshire, maar destijds een eigen graafschap. Het was niet echt een eiland maar een hoger gelegen gebied omringd door moerasland.

[6] Eduard III, de Belijder  (ca. 1004 –1066) was de voorlaatste Saksische koning van Engeland. Hij regeerde van 8 juni 1042 tot 4 januari 1066.

[7] Robert van Jumièges (soms ook Robert Chambert of Robert Champart; overleden tussen 1052 en 1055) was de eerste Normandische aartsbisschop van Canterbury.

[8] Rollo (ca. 860 – 927/932), later gedoopt als Robert, was een Viking-krijgsheer. Mogelijk dient hij vereenzelvigd te worden met Hrolf Ganger (Oudnoords voor Hrolf de Wandelaar). Hij zou zo genoemd zijn omdat hij een grote en zware man was en geen paard sterk genoeg was om hem te dragen en hij dus altijd moest lopen. Hij was dus niet zoals Fielding schrijft een Romein.

HOOFDSTUK XXI

Julianus’ avonturen in de rol van soldaat.

"Ik werd geboren in Caen in Normandië. De naam van mijn moeder was Mathilda, maar over mijn vader ben ik niet zo zeker, want op haar sterfbed verzekerde de goede vrouw me dat ze haar vermoeden niet zekerder kon maken dan vijf kapiteins van hertog Willem. Amper dertien jaar oud — want ik was verrassend dapper voor mijn leeftijd — nam ik dienst bij het leger van hertog Willem, later bekend onder de naam Willem de Veroveraar, landde met hem bij Pemesey of Pevensey in Sussex en was aanwezig bij de beroemde slag bij Hastings.

"Mijn ontzetting bij de eerste aanval was onbeschrijflijk en werd nog erger doordat er twee soldaten sneuvelden die naast mij stonden, maar dat werd al snel minder en naarmate mijn bloed verhitter raakte dacht ik steeds minder aan mijn eigen veiligheid, viel als een razende op de vijand aan en deed dapper mijn plicht. Helaas liep ik een verwonding op aan mijn dij, zodat ik niet meer overeind kon blijven en lag toen tussen de gesneuvelden, doorlopend blootgesteld aan het gevaar vertrapt te worden door mijn medesoldaten of de vijand. Maar ik had het geluk daaraan te ontkomen en bleef de rest van de dag en de daarop volgende nacht daar op de grond liggen.

"De volgende morgen stuurde de hertog troepen erop uit om de gewonden af te voeren. Toen ik gevonden werd blies ik door bloedverlies al bijna de laatste adem uit, maar desondanks waren, terwijl er meteen zorg voor werd gedragen om mijn wonden te verbinden, mijn jeugd en krachtige gestel mij tot steun en herstelde ik na een langdurige en geestdodende rustperiode waarna ik mijn ledematen weer kon gebruiken en mijn plicht doen.

"Zodra Dover ingenomen was werd ik daar samen met alle andere zieken en gewonden naartoe gebracht. Daar herstelde ik van mijn verwonding, maar kreeg daarna een hevige buikloop, waardoor ik toen die voorbij was, zo verzwakt was dat het heel lang duurde voordat ik weer op krachten gekomen was. En wat me het meest stoorde was dat ik tijdens mijn hele ziekte, waarin ik zowel wegkwijnde door gebrek aan alles, als door mijn misselijkheid, dagelijks gekrenkt werd door het zien en horen van de braspartijen en losbandigheden van mijn medesoldaten, die het geluk hadden gehad dat ze ongedeerd uit de veldslag waren gekomen.

"Ik was amper helemaal hersteld of ik werd naar het garnizoen van het kasteel van Dover gestuurd. Voor de officieren was het daar nogal pover, maar voor de gewone soldaten was het veel erger. We hadden een grote schaarste aan levensmiddelen en wat nog veel ondraaglijker was was dat we bij gebrek aan ruimte zo dicht op elkaar zaten — we moesten met zijn vieren op dezelfde hoop stro liggen — dat er veel stierven en de meesten ziek werden.

"Nadat ik daar vier maanden doorgebracht had, werden we op een avond opgeschrokken door de komst van de graaf van Boulogne 1, die in het geheim uit Frankrijk was overgestoken en het kasteel bij verrassing probeerde in te nemen. Zijn plan bleek niet doeltreffend, want het garnizoen deed een plotselinge uitval waarbij de meesten van zijn manschappen van de steile rotswand naar beneden stortten en hij met maar met een paar man naar Frankrijk terugkeerde. Bij deze actie had ik echter de pech dat ik er afkwam met een gebroken arm, die was zo verbrijzeld dat ik, naast veel pijn en ellende die ik tijdens mijn genezing doormaakte, meer dan drie maanden ongeschikt was voor de krijgsdienst.

"Spoedig na mijn herstel raakte ik verliefd op een jonge vrouw, van wie de ouders in de buurt van het garnizoen woonden en in zoveel betere omstandigheden verkeerden, dat ik redenen had om te verwachten dat zij geen toestemming voor een huwelijk zouden geven. Maar omdat ze vreselijk dol op me was — en ik ook smoorverliefd op haar — lieten ze zich overhalen om te zwichten voor haar verlangens en werd de dag voor ons huwelijk vastgesteld.

"Terwijl ik dol van vreugde was over het mij te wachten staande geluk dat ik de volgende dag zou smaken, kreeg ik het bevel om mij vroeg in de morgen naar Windsor te begeven, waar een groot leger op de been gebracht moest worden en de koning was van zins aan het hoofd daarvan westwaarts op te trekken. Iedereen die ooit verliefd is geweest kan zich gemakkelijk voorstellen wat er door me heen ging toen ik dat bevel kreeg en wat mijn kwellingen nog erger maakte was dat de bevelvoerende officier die avond niemand verlof wilde geven het garnizoen te verlaten, zodat ik zelfs niet de gelegenheid had om afscheid te nemen van mijn liefje.

"De morgen brak aan waarop ik in het bezit gesteld zou worden van waar ik naar hunkerde, maar helaas! de situatie was niet veranderd en alle verwachtingen die ik gekoesterd had waren nu even zoveel spoken geworden die mij achtervolgden en wraakgodinnen die mij kwelden.

"Het was nu hartje winter en zeer bar weer voor de tijd van het jaar toen we gedwongen werden zeer lange en vermoeiende marstochten te maken, waarbij we alle ongemakken van kou en honger meemaakten. De nacht waarin ik verwacht had me te buiten te gaan in de armen van mijn geliefde minnares, moest ik doorbrengen met een slaapplaats op de grond, blootgesteld aan een gure en strenge vorst. De slaap kon me op geen enkele manier troosten en meed me als haar vijand.

"Kortom, de verschrikkingen van die nacht zijn onbeschrijfelijk of misschien wel onvoorstelbaar. Ze maakten zulk een diepe indruk op mijn ziel, dat ik driemaal in de rivier de Lethe ondergedompeld moest worden om te voorkomen dat ik me dat allemaal nog zou herinneren in de rollen die ik later in een lichaam moest vertolken."

Hier onderbrak ik Julianus voor het eerst en vertelde hem dat dat onderdompelen tijdens mijn reis van de ene naar de andere wereld niet plaatsgevonden had, maar hij verklaarde dat met ‘dat dit alleen gebeurde met geesten die in het lichaam terugkeerden, om de herinneringen te voorkomen waar Plato melding van maakt en die anders in de andere wereld tot grote verwarring aanleiding zouden geven.’

Daarna ging ik als volgt verder: "wij zetten onze afmattende mars naar Exeter voort, waar we het bevel kregen een beleg te slaan. De stad gaf zich al gauw over en zijne majesteit bouwde daar een kasteel, waar hij een garnizoen van Normandiërs in achterliet en helaas was ik een van hen.

"Hier werden we nog dichter opeengepakt dan in Dover, want omdat de burgers zich buitengewoon vijandig gedroegen, mochten we nooit buiten de muren van het kasteel komen, maar dat konden we ook niet zonder het grootste gevaar te lopen, tenzij in grote groepen. We moesten eveneens voortdurend wacht lopen en geen enkel verzoek kon de bevelhebber ertoe brengen mij een maand verlof te geven om mijn liefje te bezoeken, van wie ik in al die tijd die ik afwezig was niet in de gelegenheid was iets van haar te vernemen.

"Maar toen de lente aanbrak en de mensen tot rust kwamen, werd de bevelhebber opgevolgd door een andere officier die wat milder van aard was. Van hem kreeg ik toestemming om naar Dover te gaan, maar helaas! wat voor troost bracht mij die lange reis? De ouders van mijn liefje trof ik aan in het grootste verdriet omdat ze hun dochter verloren hadden, want ze was ongeveer een week voor mijn aankomst overleden aan de tering, die ze toeschreven aan haar wegkwijnen na mijn plotselinge vertrek.

"Ik verviel nu in een hevige en haast razende wanhoopsbui. Ik vervloekte mijzelf, de koning en de hele wereld, die voor mij niet langer enige aantrekkelijkheid had. Ik wierp mezelf neer op het graf van mijn verscheiden liefje en bleef daar zonder enig voedsel te gebruiken twee hele dagen liggen. Ten slotte werd ik door honger, samen met de overredingskracht van een paar mensen die medelijden met me kregen, overgehaald om daar weg te gaan en mezelf te verkwikken met voedsel. Daarna overreedden ze me terug te keren naar mijn post en een plaats te verlaten waar bijna elk voorwerp dat ik zag gedachten in me opriep die ik, zoals zij zeiden, met man en macht moest proberen te verdrijven. Deze raadgeving gaf uiteindelijk een goed resultaat, te meer omdat de vader en moeder van mijn geliefde weigerden mij te zien, omdat zij mij als de onschuldige maar zekere oorzaak beschouwden van de dood van hun enig kind.

"Het verlies van iemand van wie wij innig houden, is niet alleen een van de bitterste en wrangste rampen die met het menselijke leven vergezeld gaan, maar mist ook het verzachtende, dat elke andere ellende verlicht en lenigt. Ik bedoel die grote trooster, hoop. Niemand kan nog zo volmaakt geruïneerd zijn, zonder dat hij nog steeds enige hoop zou mogen koesteren, maar zoiets ontneemt ons al dat soort troost en niets anders dan de tijd kan dat dan nog verlichten. Die is voor de meeste gemoederen een langzaam maar zeker geneesmiddel. Dat was het ook voor mij, want voordat er twaalf maanden voorbij waren was ik weer helemaal verzoend met mijn lot en vergat kort daarop heel het voorwerp van een hartstocht, waarvan ik mijzelf zo vreselijk veel geluk beloofd had en omdat ik daarin teleurgesteld werd een zo onvoorstelbare ellende had meegemaakt.

"Toen de maand voorbij was keerde ik terug naar mijn garnizoen in Exeter, waar ik amper aangekomen was of ik kreeg het bevel naar het Noorden te marcheren, om daar tegenstand te bieden aan een krijgsmacht die ter plekke geronseld was door de graven van Chester en Northumberland. We bereikten York waar zijne majesteit de rebellenleiders vergiffenis schonk en enigen die minder schuldig waren zeer zwaar strafte. Mij werd het lot toebedeeld dat ik het bevel kreeg een arme man op te pakken die nooit zijn huis uit was gegaan en hem naar de gevangenis over te brengen. Ik verafschuwde deze wreedheid, maar moest het toch doen. Sterker nog, hoewel geen enkele beloning mij als burger had kunnen verleiden om zoiets te doen, zit er voor een soldaat zoveel heilige plicht in de bevelen van een monarch of generaal, dat ik dat zonder aarzeling deed en hadden de tranen van zijn vrouw en kinderen geen enkele invloed op me.

"Maar dit, dat niet meer dan een kwajongensstreek is vergeleken met veel van mijn latere wreedheden, was de enige die mij enig ongemak bezorgde, want toen de koning ons later naar Northumberland bracht om de wraak te nemen op de mensen die zich aangesloten hadden bij Osborne de Deen bij zijn inval en bevelen werden gegeven zoveel mogelijk verwoestingen aan te richten, stond ik vooraan bij het uitvoeren daarvan en naast wat geringere wreedheden — herinner ik me nog steeds met spijt — verkrachtte ik een vrouw, vermoordde het kind dat op haar schoot zat te spelen en stak daarna haar huis in brand. Kortom — want dit gedeelte van het relaas doet mij geen genoegen — ik had mijn aandeel in alle wreedheden die begaan werden tegen deze arme sloebers en zo afschuwelijk waren dat over die hele zestig mijl tussen York en Durham geen enkel huis, kerk of enig privé of openbaar gebouw overeind bleef.

"We hadden die streek heel aardig verwoest, toen we het bevel kregen naar het eiland Ely op te marcheren, om de strijd aan te binden met Hereward 2, een brutale en stoutmoedige soldaat, die het bevel voerde over een zeer grote groep oproerkraaiers, die zo onbeschaamd geweest waren om in opstand te komen tegen de koning en overwinnaar — ik gebruik nu dezelfde bewoordingen als ik toen deed — ter verdediging van hun vrijheden, zoals zij dat noemden. Ze werden al gauw onderworpen, maar toen ik toevallig — meer tot mijn eer dan mijn gemak — op wacht gezet werd in het gebied waar Hereward zich een weg doorheen baande, kreeg ik een vreselijke sabelhouw op mijn voorhoofd, een tweede op mijn schouder en een lanssteek dwars door mijn lijf.

"Lange tijd was ik verzwakt door deze verwondingen, waardoor ik niet in staat was de koning naar Schotland te vergezellen. Maar later kon ik wel met hem oversteken naar Normandië, bij zijn veldtocht tegen Filips 3, die de oproeren in Engeland te baat genomen had om die provincie binnen te vallen. De paar Normandiërs die hun verwondingen overleefd hadden en op het eiland Ely achtergebleven waren, waren de enigen van onze natie die meegingen, het hele overige leger bestond helemaal uit Engelsen. Tijdens een schermutseling in de buurt van de stad Mans brak ik mijn been en het was zo verbrijzeld, dat het afgezet moest worden.

"Ik was niet meer geschikt om nog langer in het leger te dienen en daarom werd ik ontslagen uit de dienst. Ik keerde terug naar mijn geboorteplaats waar ik, in grote armoede en een vaak slechte gezondheid door de vele verwondingen die ik had opgelopen, tot de leeftijd van drieënzestig jaar mij ellendig door het leven heen sleepte. Mijn enige vermaak was het vertellen van verhalen uit mijn jeugd, waarbij ik de waarheid doorgaans zeer overdreef.

"Het zou saai en onaangenaam zijn al die rampzaligheden te vertellen die ik doorstaan moest na mijn terugkeer naar Caen. Laat het voldoende zijn dat ze zo vreselijk waren dat Minos daardoor medelijden met me kreeg en ondanks de wreedheden waaraan ik me schuldig had gemaakt in Northumberland, liet hij me nogmaals naar de aarde teruggaan."

Noten Hoofdstuk XXI


[1] Eustaas II van Boulogne, Eustacius, (ca. 1020 – ca. 1088) was de oudste zoon van Eustaas I van Boulogne en Mathilde van Leuven. Hij nam deel aan de invasie van Engeland en de slag bij Hastings in 1066. Hij was blijkbaar een grote investeerder in de expeditie want hij werd door Willem de Veroveraar beloond met grote bezittingen in Engeland, vooral in Essex. In 1067 probeerde hij het kasteel van Dover in handen te krijgen en werd door Willem bestraft met het verlies van zijn Engelse bezittingen.

[2] Hereward de Wakkere (c. 1035 – c.1072), in zijn eigen tijd bekend als Hereward de Bandiet, was een plaatselijke leider van het verzet tegen de verovering door de Noormannen van Engeland. Zijn basis was Ely en hij leidde ook het volksverzet tegen Willem de Veroveraar.

[3] Filips I (1052 –1108) was koning van Frankrijk van 4 augustus 1060 tot 1108. Hij was de zoon van Hendrik I van Frankrijk (1008 –1060) en Anna van Kiev (1024 – 1075).

HOOFDSTUK XXII

Wat er met Julianus gebeurde in de persoon van een kleermaker.

"Het Lot plaatste me nu in een rol die door de ondankbaarheid van de mensen in het belachelijke getrokken wordt, hoewel zij daaraan niet alleen verlichting van de gure omstandigheden van de kou te danken hebben, waar ze anders aan blootgesteld zouden worden, maar eveneens een aanzienlijke bevrediging van hun ijdelheid. De rol die ik bedoel is die van kleermaker waarvan wij, als wij die aandachtig beschouwen, moeten toegeven dat er veel waardigheid en belang aan kleeft. Want wie bepaalt in feite de standsverschillen tussen de mensen, anders dan de kleermaker? De vorst geeft de titel, maar de kleermaker maakt de man. Aan zijn inspanningen is de achting van de menigte te danken en het ontzag dat grote mannen bij hun aanschouwers inboezemen, hoewel die vaak onterecht toegeschreven worden aan andere drijfveren. Ten slotte komt de bewondering voor het schone geslacht grotendeels op rekening van hem.

"Ik was net mijn zaak begonnen toen ik drie stel mooie gewaden maakte voor de kroning van koning Stephanus 4. Ik vraag me af of degene die een zodanig kostbaar gewaad draagt evenveel genoegen beleeft en zich evenzeer gestreeld voelt door daarin bewonderd te worden, als wij kleermakers aan die bewondering beleven en een filosoof zou misschien zeggen dat hij daar niet zoveel aanspraak op kan maken als wij. Op de dag van de plechtigheid rende ik door de menigte heen en was onvoorstelbaar verheugd toen ik overal hoorde zeggen, op het moment dat mijn kleren voorbij liepen, ‘Goeie genade, is er ooit zoiets moois geweest als de graaf van Devonshire? Hij en Sir Hugh Bigot 5 zijn vast de twee best geklede mannen die ik ooit gezien heb.’ Nou, die beide pakken had ík gemaakt.

"Omdat ze doorgaans deftige mensen zijn en iemands kleren hem op zijn voordeligst tonen, zou werken voor hovelingen eigenlijk onbeschrijfelijk heerlijk moeten zijn, als er niet iets ontmoedigends in zat, namelijk dat ze nooit betalen. Ik verzeker u plechtig dat ik, hoewel ik in mijn leven aan het hof bijna evenveel verloren heb als ik verdiend heb aan de stad, toch nooit met evenveel genoegen een kostuum naar de laatste gebracht heb, waarmee ik dat deed naar de eerste, hoewel ik daar zeker was dat ik contant betaald werd en van de eerste bijna even zeker dat ik helemaal geen geld kreeg.

"Hovelingen kunnen verdeeld worden in twee soorten, die zeer wezenlijk van elkaar verschillen. De groep die nooit van zins is te betalen voor hun kleren en de anderen die dat wel van plan zijn, maar dat nooit kunnen. Bij de laatste soort zijn veel van die jonge heren die wij uitrusten voor het leger en, helaas voor ons, sneuvelen voordat ze bevorderd worden. Dat is de reden dat kleermakers in tijden van oorlog, abusievelijk aangezien worden voor politici, omdat ze even nieuwsgierig zijn naar het verloop van de gevechten en een veldtocht vaak de ondergang van een half dozijn van ons betekent. Ik weet zeker dat ik redenen te over had om die rampzalige slag van Cardigan te vervloeken, waar de bewoners van Wales enige van de beste troepen van koning Stephanus versloegen en heel wat van mijn goede, niet betaalde uniformen op de grond vielen.

"De heren met dit eerbare beroep hebben het in latere tijden veel beter getroffen dan toen ik het was. Want tegenwoordig lijkt het in de mode te zijn dat ze, als ze begrijpen dat hun klant niet in de beste omstandigheden verkeert, zodat ze niet meteen betaald worden als ze het pak thuis afleveren, hem in hun boek aanslaan voor zoveel het waard is en vervolgens een heer met een stukje perkament sturen om het geld te vragen. Als het dan niet meteen betaald wordt, neemt die heer de saletjonker mee naar huis waar hij hem opsluit totdat de kleermaker betaald is. Maar in mijn tijd waren die perkamenten briefjes nog niet in gebruik. En als de saletjonker niet voor zijn kleren wilde betalen, wat heel vaak gebeurde, hadden we geen manier om hem te dwingen.

"Ik ben bang dat ik, in de verschillende rollen waarover ik u verteld heb, soms mijzelf vergeten heb en me er toch even betrokken bij voelde als toen ik ze op aarde speelde. Ik heb me er net pas op betrapt, want ik heb tegen u even bitter over mijn klanten gepraat als ik destijds doorgaans deed toen ik hun kleermaker was. Maar hoewel sommigen zeer hoogstaande mensen waren en enigen die nooit hun schuld betaalden, waren dat er toch maar een paar en ik had een manier bedacht om dat verlies goed te maken. Ik verdeelde mijn klanten in drie categorieën: zij die contant betaalden, zij die traag betaalden en zij die helemaal nooit betaalden. De eerste categorie zag ik als een aparte, namelijk als personen waar ik een zekere, maar kleine winst op maakte. De twee laatste gooide ik op één hoop, waarbij degenen die traag betaalden iets bijdroegen om het verlies goed te maken van hen die helemaal niet betaalden. Zodoende was mijn verlies alles bij elkaar zeer onaanzienlijk en had ik een fortuin kunnen nalaten aan mijn gezin, als ik me niet overgegeven had aan uitgaven die mijn hele winst opslokten. Ik had een vrouw en twee kinderen en hield hen heel kort, want ik liet ze half verhongeren. Maar ik hield er, op een fijnzinnigere manier, wel een minnares op na, voor wie ik een buitenhuis had, aangenaam gelegen aan de Theems, smaakvol ingericht en keurig gemeubileerd. Die vrouw had zeer terecht mijn meesteres genoemd kunnen worden, want dat was ze in alle opzichten. En hoewel haar macht niet groter was dan ik wilde, overheerste ze me zo tiranniek dat het leek alsof mijn ketens op de allerstevigste manier aaneengeklonken waren. Aan dat alles onderwierp ik me, niet omdat ik ook maar enigszins haar schoonheid bewonderde, want die was in feite heel middelmatig. Haar aantrekkelijkheid bestond uit speelsigheidjes, waarvan zij in flirterige uurtjes op een bewonderenswaardige manier gebruik van wist te maken en die naar mijn mening voor een minnaar het allerheerlijkst zijn.

"Ze was zo buitengewoon verkwistend dat het leek alsof ze me opzettelijk te gronde wilde richten. Als dat werkelijk haar bedoeling was geweest weet ik zeker dat ze geen betere manier had kunnen kiezen om dat te bereiken. Het zou zelfs kunnen lijken dat ik dezelfde bedoeling had, want afgezien van deze verkwistende minnares en mijn buitenhuis, hield ik er ook nog een stel jagers op na, meer omdat dat in de mode was dan dat ik enig genoegen schepte in de sport, waar ik zelden aan meedeed, niet bij gebrek aan vrije tijd, want maar weinig edellieden hadden daar zoveel van als ik. Het enige werk dat ik ooit verrichtte was het nemen van de maat en dat nog alleen bij mijn beste klanten. In mijn leven heb ik zelden een stuk stof geknipt en evenmin als elke andere heer in het koninkrijk was ik in staat om een jas te modelleren. Daardoor had ik grote behoefte aan een vaardige knecht. Hij wist dat ik al zijn voorwaarden en elke behandeling moest slikken.

"Hij besefte dat het voor hem gemakkelijker was om een andere kleermaker zoals ik te vinden, dan voor mij een andere knecht zoals hij. Dat was de reden waarom hij een uiterst kwaadaardige en wrede tirannie uitoefende. Zelden gaf hij me een fatsoenlijk woord en evenmin kon de grootste nederigheid van mijn kant, ondanks dat die doorlopend gepaard ging met geschenken, beloningen en loonsverhogingen, hem genoegen doen of tevreden stellen. Kortom, hij was mij evenzeer volstrekt de baas als elke eerzuchtige, hardwerkende eerste minister over een luie en zinnelijke koning. Al mijn andere knechten hadden meer eerbied voor hem dan voor mij, want ze zagen mijn gunst als een noodzakelijk gevolg van het verkrijgen van die van hem.

"Dat waren de opmerkelijkste voorvallen toen ik die rol speelde. Minos aarzelde even en verzocht me, zonder opgaaf van redenen, weer terug te gaan,."

Noten Hoofdstuk XXII


[1] Eustaas II van Boulogne, Eustacius, (ca. 1020 – ca. 1088) was de oudste zoon van Eustaas I van Boulogne en Mathilde van Leuven. Hij nam deel aan de invasie van Engeland en de slag bij Hastings in 1066. Hij was blijkbaar een grote investeerder in de expeditie want hij werd door Willem de Veroveraar beloond met grote bezittingen in Engeland, vooral in Essex. In 1067 probeerde hij het kasteel van Dover in handen te krijgen en werd door Willem bestraft met het verlies van zijn Engelse bezittingen.

[2] Hereward de Wakkere (c. 1035 – c.1072), in zijn eigen tijd bekend als Hereward de Bandiet, was een plaatselijke leider van het verzet tegen de Verovering door de Noormannen van Engeland. Zijn basis was Ely en leidde ook het volksverzet tegen Willem de Veroveraar.

[3] Filips I (1052 –1108) was koning van Frankrijk van 4 augustus 1060 tot 1108. Hij was de zoon van Hendrik I van Frankrijk (1008-1060) en Anna van Kiev (1024 – 1075).

[4] Stefanus II Hendrik van Blois (1045 – 1102) was graaf van Blois, Chartres, Dunois en Meaux, en was een van de leiders van de Eerste Kruistocht.

[5] Baldwin de Redyers, graaf van Devonshire – Hugo de Bigot, hofmeester van het koninklijk huis van Hendrik I.

HOOFDSTUK XXIII

Het leven van de raadsheer Julianus.

"Opnieuw bezocht ik nu Engeland en werd geboren in Londen. Mijn vader was een van de magistraten van die stad. Hij had elf kinderen, van wie ik de oudste was. Hij boekte grote successen in de handel en werd buitengewoon rijk, maar omdat zijn gezin zo kinderrijk was kon hij mij onvoldoende geld geven om een onafhankelijk en goed leven te leiden. Daarom kreeg ik een opleiding tot vishandelaar, waarmee ik later een aanzienlijk vermogen verwierf.

"Dezelfde gemoedstoestand die bij een vorst eerzucht wordt genoemd, heet bij onderdanen partijzucht. Vanaf mijn jonge jaren was ik daar zeer aan verslaafd. Als jongen was ik een fervente aanhanger van prins Jan en, tijdens diens afwezigheid in de heilige oorlog en zijn gevangenschap, tegenstander van zijn broer Richard 1. Ik was pas eenentwintig toen ik voor het eerst in het openbaar politieke toespraken hield en in de stad onrust en onvrede probeerde te zaaien. Omdat ik door een grote welbespraaktheid, een evenwichtige manier van spreken, een aangename redeneertrant en vooral een onwankelbare zelfverzekerdheid, zeer geschikt was voor deze bezigheid, had ik al gauw enige faam verworven onder de jongere burgers en sommige gevoeligere en onnadenkendere lieden van een rijpere leeftijd. Samen met mijn eigen aangeboren ijdelheid maakte me dat buitengewoon trots en hooghartig. Weldra begon ik mezelf te zien als iemand van enig gewicht en neer te kijken op mensen die in alle opzichten mijn meerderen waren.

"In die tijd speelden de beroemde Robin Hood en zijn makker Kleine Jan een belangrijke rol in Yorkshire. Ik besloot de eerste uit naam van de stad een brief te schrijven, waarin ik hem uitnodigde naar Londen te komen, hem verzekerde dat hij zeer goed onthaald zou worden en te kennen gaf hoe belangrijk en invloedrijk ikzelf was en hoezeer ik de burgers voor hem ingenomen had. Ik weet niet zeker of hij die al dan niet ontvangen heeft, maar hij heeft me er nooit op geantwoord.

"Niet lang daarna begon ene Willem Fitz-Osborn 2 of, zoals zijn bijnaam was, Willem Langbaard, opgang te maken in de stad. Hij was een brutaal en schaamteloos sujet en maakte zich zeer bemind bij het janhagel, door voor te geven dat hij zich voor hun zaak inzette, tegen de rijken. Ik koos partij voor deze man en hield in het openbaar een toespraak ten gunste van hem, waarbij ik hem beschreef als een goede vaderlander en iemand die zich in had durven zetten voor de zaak van de vrijheid, een dienst waarvoor hij me niet zo dankbaar was als ik verwacht had. Maar omdat ik dacht dat ik gemakkelijk overwicht op hem kon krijgen, bleef ik standvastig aan zijn kant staan, totdat de aartsbisschop van Canterbury gewapenderhand een einde maakte aan zijn toenemende invloed. Hij werd gevangengenomen in Bowchurch, waar hij naartoe gevlucht was en samen met negen van zijn handlangers aan kettingen opgehangen.

"Zelf ontkwam ik daar ternauwernood aan, want ik werd in dezelfde kerk als de anderen opgepakt en omdat ik zeer bij deze zaak betrokken was, wilde de aartsbisschop mij tot voorbeeld stellen, maar de verdiensten van mijn vader, die om de koning vrij te kopen een aanzienlijke som gelds geschonken aan koningin Eleanora 3, voorkwamen dat.

"Door de ontsteltenis, die het gevaar waarin ik verkeerd had veroorzaakte, hield ik me enige tijd rustig en wijdde me zeer ijverig aan mijn handel. Ik bedacht allerlei manieren om de visprijs op te drijven en deed mijn uiterste best om de handel zoveel mogelijk in eigen hand te krijgen. Daarmee verwierf ik een groot inkomen waardoor ik enige invloed kreeg in de stad, maar mij geenszins kon opwerken tot het aanzien waarmee ik mij eerder, in de tijd dat ik nog volstrekt onbeduidend was, gevleid had dat rijkdom dat teweeg zou brengen. Immers in een handeldrijvende maatschappij moet geld de grondslag leggen voor alle macht en invloed.

"Maar zoals ooit is opgemerkt dat door dezelfde eerzucht die Alexander naar Azië stuurde, de worstelaar het strijdperk betreedt, en evenmin rustig stil kan zitten, was ik, die misschien daar evenveel van bezat als wat het bloed van alle helden uit de oudheid in vuur en vlam gezet had, even rusteloos en ontevreden met zwijgend en werkeloos toe te zien. Mijn eerste inspanningen golden mijzelf leider te maken van mijn partij, die net door Richard I opgericht was en kort daarop regelde ik het zo dat ik gekozen werd tot raadsheer.

"Oppositie voeren is de enige manier die een onderdaan de mogelijkheid kan bieden om blijk te geven van de gezindheid die ik had. Koning Jan 4 zat dus amper op zijn troon of ik begon mij tegen al zijn maatregelen, goed of fout, te keren. Die monarch had fouten te over. Hij gaf zich dermate over aan wellust en overdaad, dat hij zich in beiden te buiten ging aan de meest buitensporige uitspattingen, terwijl hij werkeloos toezag hoe de Franse koning hem van vrijwel al zijn buitenlandse gebiedsdelen beroofde. Dat ik mij daartegen keerde was dus zeer terecht en als mijn innerlijke drijfveer even goed was geweest als de uiterlijke gelegenheid, zou ik mij nauwelijks hoeven te verontschuldigen. Maar bij het mijzelf voor de koning angstaanjagend maken en daarna aan hem de invloed verkwanselen van de partij waardoor ik zo geworden was, was ik in werkelijkheid alleen maar uit op mijn eigenbelang. Als ik mij bekommerd had om het algemeen welzijn zou ik, hoezeer ik me in het begin van zijn bewind ook tegen hem verzet had, niet geaarzeld hebben om hem met alle macht steun te verlenen in het gevecht tussen hem en paus Innocentius III 5, waarin hij zo duidelijk gelijk had. Evenmin zou ik de onbeschaamdheid van die paus geduld hebben en de macht van de koning van Frankrijk 6, die hem ertoe dreven dat hij oneervol afstand deed van zijn kroon, die ter hand stelde van de eerste en weer terugkreeg als ondergeschikte, waardoor de paus later aanspraak maakte op zijn koninkrijk als een schatplichtig leengoed dat onder de pauselijke stoel viel, een aanspraak die zoveel onrust veroorzaakte bij de volgende vorsten en de natie talloze rampen berokkende.

"Omdat van de koning, naast andere tegemoetkomingen, bedongen was dadelijk een som gelds te betalen aan de pauselijke gezant Panulphus, die hij heel moeizaam bijeen kon krijgen, was het voor hem absoluut noodzakelijk om een beroep te doen op de stad, waar mijn invloed en volksgunst zo groot waren dat hij geen hoop had dat zonder mijn hulp voor elkaar te krijgen. Omdat ik dat besefte, zorgde ik ervoor mijzelf en het land zo duur mogelijk te verkopen. Als voorwaarden eiste ik dus een ambt, een pensioen en het ridderschap. Alles werd meteen ingewilligd. Meteen werd ik tot ridder geslagen en mij beloofd dat aan die andere twee voldaan zou worden.

"Zonder ook maar enigszins rekening te houden met fatsoen of bescheidenheid, besteeg ik het spreekgestoelte en hield een toespraak ten gunste van de koning die even invoelend was als die ik eerder tegen hem gehouden had. In deze redevoering rechtvaardigde alle maatregelen die ik eerder veroordeeld had en smeekte mijn medeburgers even dringend hun beurs te openen, als ik eerder gedaan had om hen over te halen die gesloten te houden. Maar helaas! mijn welsprekendheid had niet de uitwerking die ik mijn voorgesteld had. Het gevolg van mijn argumenten was alleen maar minachting voor mijzelf. Eerst staarden de mensen elkaar aan en begonnen daarna eensgezind uiting te geven aan hun misnoegen. Zinspelend op mijn handel, riep een onbeschaamd sujet uit, ‘rotte vis,’ dat meteen herhaald werd door de hele menigte. Ik was genoodzaakt naar huis te sluipen, maar kon me niet terugtrekken zonder dat het gepeupel achter me aan liep en me de hele weg telkens weer voor ‘rotte vis’ uitmaakte.

"Ik begaf me nu naar het hof om zijne majesteit op de hoogte te brengen van mijn trouwe diensten en hoezeer ik geleden had voor zijn zaak. Meteen toen ik ontvangen werd merkte ik dat hij al iets gehoord had over mijn succes. In plaats van me te bedanken voor mijn toespraak, zei hij dat de stad haar koppigheid zou berouwen, want dat hij zou laten zien wie hij was. Nadat hij dat gezegd had, keerde hij dat lichaamsdeel naar me toe waarvoor de voet van de mens een zo wonderlijke genegenheid koestert en het is heel moeilijk telkens wanneer het zich op een geschikte manier aanbiedt, onze voet te weerhouden dat hevig en vurig te begroeten.

"Ik stoorde me enigszins aan zijn optreden en verzocht de koning nadrukkelijk zijn belofte na te komen, maar hij ging weg zonder me antwoord te geven. Daarna richtte ik me tot enige hovelingen, die mij kort daarvoor nog van hun vriendschap verzekerd hadden, bij mij thuis gegeten en mij bij zich uitgenodigd hadden. Maar niemand wilde met me praten en ze liepen allemaal bij me weg alsof ik een besmettelijke ziekte had. Ik merkte dus bij ondervinding dat niemand zo beleefd, maar ook zo grof kan zijn als een hoveling.

"Kort nadat de koning zich teruggetrokken had, werd ik alleen gelaten in de zaal waar ik overwoog tot wie ik me zou moeten wenden. Mijn ontvangst in de stad beloofde tenminste hetzelfde te zijn als die aan het hof. Maar dat was mijn thuis en dus moest ik daar voorlopig weer naartoe.

"Ik was al bang dat mijn ontvangst in de stad onaangenaam zou zijn, maar het overtrof mijn verwachtingen. Op een telganger reed ik naar huis, dwars door de menigte heen, die op alle mogelijke manieren uiting gaf aan minachting en afkeer en me niet alleen met scheldwoorden maar ook met vuiligheid overlaadde. Met veel moeite bereikte ik echter ten slotte heelhuids mijn huis, maar zat wel onder de viezigheid.

"Toen ik binnen was en de deur gesloten had voor de menigte, die nu haar gal voldoende gespuugd had en bereid leek te zijn zich terug te trekken, viel mijn vrouw, die ik huilend bij de kinderen aantrof en van wie ik verwacht had enige troost te krijgen in mijn ellende, op een razende manier tegen mij uit. Ze vroeg me waarom ik zulk een stap gewaagd had en zei dat ik haar fatsoenlijk om raad had kunnen vragen, ook al was ik vastbesloten geweest me daar niet door te laten leiden. En wat ik ook over haar verstand zou mogen denken, dat de rest van de wereld daar een gunstige mening over had; en dat er bij mij nooit iets mislukt was, als ik haar raad gevraagd had en nooit iets gelukt was als ik dat niet had gedaan en nog meer van hetzelfde, maar dat wordt een saai verhaal. Ze besloot met de opmerking dat het schandelijk was mijn eigen partij in de steek te laten en over te lopen naar het hof.

"Dat was een belediging die ik zwaarder opnam dan de hele rest, omdat ze al een paar jaar doorlopend hevig gescholden had op de oppositiepartij, de kant gekozen had van het hof en me gesmeekt had over te lopen, vooral nadat ik haar verteld had dat mij dan het ridderschap aangeboden zou worden. Sindsdien had zij voortdurend mijn rust verstoord door erover te blijven zeuren dat het dwaas was om eerbewijzen te weigeren en een partij en principes aan te hangen, waarvan ik zeker wist dat het mij en mijn gezin geen voordeel zou brengen.

"Mijn handel was ik nu helemaal kwijtgeraakt, zodat het allesbehalve aanlokkelijk was om nog langer te blijven in een stad, waarin ik er zeker van was dagelijks scheldwoorden en beledigingen te moeten slikken. Met de grootste spoed regelde ik dus mijn zaken, schraapte zoveel mogelijk geld bijeen en trok mij terug op het platteland, waar ik de rest van mijn dagen alom veracht doorbracht, door iedereen gemeden en doorlopend uitgescholden werd door mijn vrouw en zonder veel eerbied van mijn kinderen.

"Minos vertelde me dat hij, hoewel ik een zeer verachtelijk sujet was geweest, toch dacht dat ik door mijn lijden al enigszins boete gedaan had en verzocht mij dus nog een poging te doen."

Noten Hoofdstuk XXIII


[1] Richard I Leeuwenhart (1157 –1199) was koning van Engeland van 1189 tot 1199 en nam als kruisvaarder deel aan de Derde Kruistocht.

[2] William Fitz Osbert of Willem Langbaard (gestorven 1196) was een Londense burger, die de rol op zich nam van pleitbezorger van de armen tijdens een volksopstand in 1196.

[3] Eleonora van Aquitanië (ca. 1122 –1204) was hertogin van Aquitanië en achtereenvolgens koningin van Frankrijk, van Engeland, en regentes van Engeland.

[4] Jan zonder Land (1167 –1216) was koning van Engeland van 1199 tot 1216. Hij was de jongste zoon van Hendrik II en Eleonora van Aquitanië. Hij was zijn vaders favoriete zoon, maar aangezien hij de jongste was, ontving hij geen gebieden op het vasteland, wat zijn bijnaam verklaart. Na de dood van zijn broer Richard Leeuwenhart in 1199 volgde hij hem op.

[5] Innocentius III, (1160/1161 – 1216) was paus van 8 januari 1198 tot zijn overlijden op 16 juli 1216. Innocentius III wordt vrij algemeen gezien als een van de machtigste en invloedrijkste pausen in de geschiedenis van het pausdom.

[6] Filips II, bijgenaamd August(us) (1165 – 1223) was van 1180 tot 1223 koning van Frankrijk uit het Huis Capet.

HOOFDSTUK XXIV

Julianus verhaalt wat hem overkwam toen hij dichter was.

"Nu was Rome mijn geboorteplaats, waar ik ter wereld kwam in een gezin dat meer uitmuntte door aanzien dan rijkdom. Ik was bestemd voor de kerk en kreeg een vrij goede opvoeding, maar omdat mijn vader stierf toen ik nog jong was en me niets naliet, omdat hij zijn hele vaderlijk erfdeel er door gedraaid had, was ik genoodzaakt in te treden in de orde der bedelmonniken.

"Op school had ik de hebbelijkheid gedichten te schrijven, dat ik helaas aanzag voor talent en waar ik me ten koste van mijzelf aan te buiten ging, want door mijn rijmelarij maakte ik me alleen maar belachelijk en werd spottend de dichter genoemd.

"Die neiging achtervolgde mij mijn hele leven. Mijn eerste stuk nadat ik de school verlaten had was een lofdicht op paus Alexander IV, die destijds van plan was de koning van Sicilië te onttronen. Over dit onderwerp schreef ik een gedicht van ongeveer vijftienduizend versregels dat ik met veel moeite kon laten aanbieden aan zijn heiligheid, van wie ik als beloning een aanzienlijke bevordering verwachtte. Maar ik werd vreselijk teleurgesteld, want nadat ik een jaar gewacht had en nog steeds niets gehoord had van de lof waarop ik me al verheugd had, kon ik me niet langer inhouden. Ik ging naar kennis van me, een Jezuïet 1 en vertrouweling van de paus, om te vragen wat zijne heiligheid van mijn werk vond. Heel koel gaf hij mij ten antwoord die laatste op dat moment druk bezig was met zaken die te belangrijk waren om ook nog gedichten te kunnen lezen.

"Hoe teleurgesteld ik ook zou kunnen zijn en in feite ook was, met deze ontvangst en hoe boos ik ook was op de paus, voor wiens smaak ik een mateloze verachting koesterde, ik was daardoor niet zo ontmoedigd dat ik geen tweede poging waagde. Dus kort daarop schreef ik een tweede gedicht met de titel Het Paard van Troje. Dit was een allegorisch stuk waarin de kerk op dezelfde manier de wereld ingebracht werd als dat gevaarte Troje in. De soldaten in de buik waren nu priesters en de stad het heidense bijgeloof waar ze een eind aan kwamen maken. Dit gedicht was geschreven in het Latijn. Ik herinner me nog een paar versregels: —

Hoog boven de wereldse muren verrijst de dodelijke machine

Volgestouwd met drommen priesters. Met groot gedruis en een

Vreselijke stank lijken ze dan allemaal de buik te verlaten

Niet anders dan wanneer uit het menselijke achterwerk knetterende

Geluiden ontsnappen en kwalijke dampen de open neusgaten binnendringen

Duizenden en duizenden golven naar buiten. De heidenen beginnen

Te beven van angst. De afgoden vliegen de leegte in — tempels blijven

Verlaten achter. Dan begint het paard vreselijk te kraken, de aarde

En de hemel bulderen. Gij, vader Alexander, de allerhoogste,

Zult dan volmaakt gerijpt de buik van het paard verlaten,

O nageslacht, dat een betere vader waardig is. 1

"Ik denk dat Julianus, als ik hem geen halt had toegeroepen, het hele gedicht voorgedragen had — want zoals ik merkte maakten bij de meeste rollen waarover hij vertelde, de genoegens die hij daaraan beleefd had toen hij ze op aarde belichaamde, nog steeds enige indruk op hem — maar ik verzocht hem het gedicht verder met rust te laten en door de te gaan met zijn verhaal. Hij vermande zich en met een glimlach over de opmerking waarvan hij doorhad dat ik die bij ingeving had gemaakt, ging hij als volgt verder met zijn verhaal: —

"Ik moet u bekennen," zei hij, "dat voor ons dichters het genoegen in het herhalen van ons eigen werk zo overheersend is, dat ik niets kan bedenken dat dat geheel uit mijn ziel kan wissen. Het zou voor deze mensen heerlijk zijn als hun toehoorders daar op dezelfde manier van konden genieten, maar helaas! Vandaar die ingens solitudo (vert.: grote eenzaamheid) waarover Horatius al klaagt. De ijdelheid van de mensen is immers zoveel gretiger en wijdverbreider dan hun gierigheid, dat geen enkele bedelaar door hen zo slecht ontvangen wordt, als iemand die naar hun hulde dingt.

"Dat heb ik in mijn rol als dichter heel duidelijk ondervonden, want door al mijn huisgenoten werd —volgens mij alleen om die reden — mijn gezelschap vermeden, sterker nog, er waren er maar een paar die bereid waren te luisteren als ik mijn gedichten voorlas, zelfs als ik hen op een maaltijd onthaalde. De enige die mij het oor leende was een broeder in de dichtkunst, die heel gul was met zijn loftuitingen, maar toen ik op mijn beurt hem moest aanhoren en prijzen, had ik voor zijn aandacht misschien een te hoge prijs betaald.

"Welnu, sir, als ik dan al teleurgesteld was in de beloning waarop ik voor mijn eerste gedicht gehoopt had, nu had ik een nog grotere reden om mijzelf te beklagen, want in plaats van voor het tweede gedicht in rang bevorderd of geprezen te worden, werd mij door mijn overste een zeer strenge straf opgelegd, omdat ik de paus spottenderwijs vergeleken had met een scheet. Mij dichtkunst werd nu in elk gezelschap het mikpunt van spot, afgezien van enkelingen die er met afschuw over spraken en ik merkte dat het me, in plaats van dat het een aanbeveling voor een bevordering was, naar alle waarschijnlijkheid doeltreffend verhinderde om dat nog ooit te bereiken.

"Hierdoor ontmoedigd besloot ik mijn pen neer te leggen en niets meer te schrijven. Maar zoals Juvenalis zegt,

—Indien ze het opgeven, houdt de gewenning aan het kwaad de eerzuchtigen toch gestrikt, want een onverzadigbare drang om te schrijven heeft van velen bezit genomen en is een ongeneeslijke ziekte geworden.

"Ik was een toonbeeld van de juistheid van deze bewering, want al gauw keerde ik terug naar mijn Muze. De dichter kent dus dezelfde vreugde als een man die dol is op een lelijke vrouw. De een geniet van zijn Muze en de ander van zijn minnares, met een plezier waar maar weinig afbreuk aan wordt gedaan door de mening van de wereld, die hun smaak alleen te laag inschat omdat die niet overeenstemt met haar eigen smaak.

"Het is overbodig nog meer van mijn gedichten te bespreken. Ze deelden allemaal hetzelfde lot. En hoewel een aantal van mijn latere stukken — dat mag ik nu wel zeggen zonder van ijdelheid beticht te worden — een beter onthaal verdienden merkte ik dat ik, omdat ik de naam had een slechte schrijver te zijn, onmogelijk ooit nog een goede naam kon krijgen. Zelfs als ik even verdienstelijk was geweest als Homerus, had ik niet op goedkeuring kunnen rekenen, want dan zou mijn naam een groot geheim hebben moeten blijven, omdat anders niemand ook maar een woord van mijn schrijfsels zou willen lezen.

"Ik neem aan dat u weet dat de dichters van mijn tijd niet erg beroemd waren. Maar destijds was er toch een verdienstelijke, hoewel het voor mijn een troostrijke gedachte is dat zijn werken al lang geleden vernietigd zijn. Het venijn, de jalousie en haat die ik tegen deze man koesterde zijn voor iedereen onbegrijpelijk, behalve voor een dichter en dan ook nog een zonder succes. Hoewel ik verplichtingen aan hem had kon ik het nooit verdragen als ik iets goeds over hem hoorde vertellen en schreef anonieme hekeldichten op hem. Ik denk dat het voor hem volstrekt onmogelijk was geweest om met mij hoe dan ook een oprechte vriendschap te sluiten.

"Ik heb een opmerking gehoord die gemaakt was door iemand uit een latere tijd en luidde dat er geen slechtere mensen zijn dan schrijvers. Een soortgelijke opmerking is gemaakt over lelijke vrouwen, en die zijn allebei waar om een en dezelfde reden, namelijk dat ze beiden gekleurd zijn door die vervloekte en weerzinwekkende ondeugd jalousie die, omdat zij de grootste kwelling is voor het hart waar ze in schuilt, ook in staat is dat volledig te bederven en aan te zetten tot het plegen van de afschuwelijkst denkbare misdaden.

"Mijn leven duurde maar kort, want ik kwijnde weg door de ondeugd die ik zo-even genoemd heb en stierf. Minos vertelde me dat ik veel te slecht was voor de Elyseese Velden en wat dat andere oord betreft had de duivel gezworen dat hij ter wille van Orpheus nooit een dichter zou binnenlaten. Ik was dus genoodzaakt weer terug te keren naar de plek waar ik vandaan kwam."

Noten Hoofdstuk XXIV


[1] Hier vergist Fielding zich want de stichter van de Jezuïetenorde, Ignatius van Loyola werd pas geboren in 1491.

[2] Dit is de Nederlandse vertaling van door Fielding in het Latijn geschreven virtuoze parodie op een aantal passages uit de Aeneis van Vergilius.

HOOFDSTUK XXV

Julianus speelt de rol van ridder en dansleraar.

"Ik betrad nu het toneel in Sicilië en werd ridder in de orde van de Tempeliers, maar omdat mijn avonturen zo weinig verschillen van die ik u verteld heb over mijn rol als gewoon soldaat, zal ik u niet vermoeien door ze te herhalen. Een soldaat en een kapitein verschillen in feite zo weinig van elkaar dat het een goed opmerkingsvermogen vereist om ze van elkaar te onderscheiden. De laatste draagt fijnere kleren en heeft in tijden van voorspoed een wat beter leven, maar voor al het overige lijken ze heel sterk op elkaar.

"Mijn volgende stap deed ik in Frankrijk, waar het lot mij de rol van dansleraar toebedeelde. Ik was zo kundig in mijn vak dat ik in mijn jeugd al naar het hof gebracht werd, waar ik de voeten van Philippe van Valois, die later Karel de Schone 1 opvolgde, mocht sturen.

"Ik kan me niet herinneren dat ik in een van de rollen waarin ik op aarde verscheen mijzelf ooit een grotere waardigheid aanmat, of mijzelf belangrijker vond dan nu. Dansen zag ik als de uitmuntendste eigenschap van de menselijke natuur en mijzelf als de grootste meester daarin. Dat leek ook de mening van het hele hof te zijn, want ik was de belangrijkste oefenmeester van jongelui van beiderlei kunne van wie de verdienstelijkheid vrijwel geheel bepaald werd door de vorderingen die ze maakten in de kunst waarvan ik de eer had die te beoefenen. Zelf was ik zo volledig overtuigd van die waarheid, dat ik geringschatting en verachting voelde voor iedereen die niet kon dansen en dacht dat het grootste compliment dat ik iemand kon maken was dat hij een sierlijke buiging maakte. Omdat ze dat niet konden koesterde ik een buitengewone minachting voor geleerden, en zelfs voor sommige legerofficieren en hovelingen.

"Hoewel er maar zo weinig van mijn jeugd vergooid was aan wat ze literatuur noemen, dat ik nauwelijks kon lezen en schrijven, schreef ik toch een verhandeling over opvoeding, waarin ik beweerde dat de eerste beginselen daarvan waren een kind te onderwijzen in de kunst van hoe ze bevallig een kamer moesten betreden. Daarin verbeterde ik vele fouten van mijn voorgangers, vooral over het te haastig naar binnen lopen en het kind te onderrichten in de verhevenere onderdelen van het dansen voordat ze in staat zijn zelf complimenten te maken.

"Maar omdat ik nu niet meer dezelfde hoge dunk heb over het beroep dat ik toen had, zal ik u niet lastig vallen met een lang verhaal over een leven dat uit bourrée’s en coupée’s bestond. Laat het voldoende zijn dat ik een hoge ouderdom bereikte en mijn beroep voortzette zolang ik kon kruipen. Ten slotte ging ik weer op bezoek bij mijn oude vriend Minos, die mij met zeer weinig voorkomendheid behandelde en verzocht weer naar de aarde terug te dansen.

 

"Dat deed ik en werd opnieuw geboren als Engelsman, opgevoed voor de kerk en bereikte ten slotte het ambt van bisschop.

"Niets was zo opmerkelijk in deze rol als dat ik steeds moest stemmen………. *

OOOOO

* Zoals blijkt uit de nummering van het volgende boek en hoofdstuk, ontbreekt hier een zeer aanzienlijk deel van het manuscript. Het behelst, zoals ik zie, de geschiedenis van Anna Boleyn, maar over de manier waarop het hierin terecht is gekomen of aan wie het verhaal verteld wordt tasten we volledig in het duister. Ik moet wel opmerken dat in het origineel dit hoofdstuk met een vrouwenhand geschreven is en hoewel de waarnemingen daarin, naar mijn mening, even voortreffelijk zijn als in de rest van het boek, lijkt er toch een verschil in stijl te bestaan tussen dit en de voorafgaande hoofdstukken en omdat hierin het karakter van een vrouw beschreven wordt, ben ik geneigd te denken dat het ook geschreven is door iemand van dat geslacht.

OOOOO

Noten Hoofdstuk XXV


[1] Karel IV (1294 - 1328), bijgenaamd de Schone (Fr.: Charles le Bel) was koning van Frankrijk en van Navarra (als Karel I) van 1322 tot aan zijn dood.

 

BOEK XIX.

HOOFDSTUK VII

Waarin Anna Boleyn haar levensverhaal vertelt.

 

Anna Boleyn

"Ik zal nu naar waarheid een leven verhalen dat, sinds het eindigde, in de andere wereld doorlopend het onderwerp is geweest van de muggenzifterijen van elkaar bestrijdende partijen. Omdat door de mist van hun vooringenomenheid hun ogen verblind werden en ze door de zucht naar hun eigen gelijk, alles in het licht zagen van wat ze dachten dat hen het meest tot eer strekte, maakte de ene partij me zo zwart als de hel en de andere even zuiver en onschuldig als de bewoners van dit gelukzalige oord.

"Met de kinderspelletjes die het meest bij die leeftijd pasten bracht ik mijn kindertijd door in het huis van mijn vader, en ik denk dat het een van de gelukkigste periodes van mijn leven was, want mijn ouders behoorden niet tot dat soort dat hun kinderen ziet als even zoveel onderwerpen voor een tirannieke macht, maar ik werd beschouwd als het kostbare onderpand van een deugdzame liefde en vanuit hun toegeeflijkheid werden al mijn kleine genoegens als hun grootste vreugde gezien. Toen ik zeven jaar oud was werd ik naar Frankrijk gebracht, samen met de zuster van de koning 1, die getrouwd was met de Franse koning en daar woonde ik bij een hoogstaande vrouw, die een kennis was van mijn vader. Mijn tijd bracht ik door met het leren van dingen die nodig zijn om jonge mensen van stijl een verfijnde opvoeding te geven en ik deed goed noch kwaad, maar dag na dag verstreek op dezelfde rustige en gelijkmatige manier totdat ik veertien werd. Toen begonnen mijn zorgen, mijn ijdelheid nam toe en mijn hart ging van vreugde sneller kloppen bij elk compliment over mijn aantrekkelijkheid. De dame bij wie ik woonde en die opgewekt en vrolijk van aard was, kreeg heel vaak mensen op bezoek en dan was ik door mijn jeugd en bekoorlijkheden voortdurend het onderwerp van hun bewondering. Ik bracht maar weinig tijd door met van die jubelende verrukkingen die gevoeld worden door elk vrouw die volmaakt tevreden is met zichzelf en het gedrag van anderen ten opzichte van haar. Ik was nog heel jong toen ik bevorderd werd tot hofdame bij hare majesteit 2. Het hof werd vaak bezocht door een jonge edelman die zo knap was dat hij in alle dameskringen het belangrijkste gespreksonderwerp was. De broosheid van zijn uiterlijk, samen met een zachtaardigheid in zijn optreden, gaven alles wat hij zei en deed een zodanige zweem van tederheid, dat iedere vrouw die hij sprak zich vleide met de gedachte dat zij het onderwerp van zijn liefde was. Ik was een van hen en ijdel en zeker genoeg van mijn eigen aantrekkelijkheden dat ik verwachtte iemand te kunnen veroveren, naar wie het hele hof smachtte. Elke andere man vond ik nu niet meer de aandacht waard en de enige vreugde die ik mijzelf met deze opzet voorstelde, was zegevieren over een hart, waarvan ik duidelijk zag dat alle dames van het allerhoogste aanzien dat met trots zouden willen bezitten. Ik was nog te jong om heel sluw te zijn, maar al gauw onthult de natuur, zonder enige hulp, voor een man die gewend is aan geflirt, of het verlangen van een vrouw om door hem bemind te worden, voortkomt uit een zelfstandige keuze die ze voor hem maakt, of alleen uit ijdelheid. Weldra had hij door wat ik dacht en vervulde mijn grootste wens door mij voortdurend te bevoordelen boven alle ander vrouwen en zo hoffelijk en attent mogelijk te zijn om mij voor hem in te nemen. Dat plotselinge geluk, waarvan ik toen dacht dat het het hoogst bereikbare voor me was, werd duidelijk zichtbaar in alles wat ik deed. Ik werd zo opgewekt en levendig dat ik daardoor nog alleen maar aantrekkelijker leek en al mij vriendinnen beweerden dat ze meer dan ooit van me hielden. Maar zo jong als ik was, toch zag ik dat het allemaal maar doen alsof was, want door al hun pogingen voor het tegenovergestelde brak vaak hun jalousie door in slinkse verdachtmakingen en kwaadaardige hatelijkheden, die mij nieuwe steun gaven voor mijn overwinning en telkens opnieuw gelegenheden om hen te kwetsen, die ik nooit voorbij liet gaan, want voor het eerst werd mijn vrouwelijk hart nu gevoelig voor leedvermaak als ik zag dat iemand anders hunkerde naar waar ik genoegen in schepte. Terwijl mijn geluk op het hoogtepunt was, werd hare majesteit getroffen door een kwijnende ziekte, waardoor ze genoodzaakt was voor frisse lucht naar het platteland te verhuizen. Gezien mijn positie aan het hof moest ik haar vergezellen en ik heb geen idee hoe hij het voor elkaar kreeg, maar mijn jonge held had een manier gevonden om een van de kleine groep te zijn die op mijn koninklijke meesteres stond te wachten, hoewel haar reis zo geheim mogelijk was gehouden. Tot dan toe waren alle gesprekken die ik met hem gehad had in het openbaar geweest en ik zag hem alleen als de beste manier om de trots te voeden die geen andere bedoeling had dan haar macht te laten zien, maar nu was het decor helemaal veranderd. Mijn mededingsters waren allemaal ver weg, het oord waar we naartoe gingen was even aantrekkelijk als de aangenaamste natuurlijke situatie dat, met behulp van het grootste raffinement, kon maken. De heerlijke eenzame wandelingen, de zingende vogels, de duizenden aardige romantische taferelen die deze prachtige plek boden, brachten bij mij een ommekeer teweeg. Mijn hele ziel smolt weg in tedere gevoelens en mijn ijdelheid vervloog. Mijn minnaar was te zeer gewend aan dit soort zaken om deze verandering niet op te merken. Door zijn overvloedige vlagen van vrolijkheid ging ik aanvankelijk geloven dat hij helemaal de mijne was en dat idee gaf mij zoveel vreugde dat geen enkele taal de woorden verschaft om die uit te drukken en niemand die dat niet zelf ervaren heeft dat kan begrijpen. Maar dat duurde maar heel kort, want ik merkte al gauw dat ik te maken had met een van die mannen van wie de bedoeling bij het jacht maken op een vrouw uitsluitend is van haar het slachtoffer te maken van een onverzadigbaar verlangen om bewonderd te worden. Zijn opzet was geslaagd en nu werd hij elke dag koeler, maar mijn hartstocht nam als het ware door mijn waanzinnige verliefdheid elke dag toe en ondanks al mijn voornemens en pogingen tot het tegenovergestelde, kwam mijn woede over mijn tegelijkertijd teleurgestelde liefde en trots en omdat ik merkte dat zich in mijn gemoed een verliefdheid gevestigd had die ik niet kon overwinnen, tot uitbarsting in dat wispelturige gedrag dat altijd het gevolg moet zijn van hevige hartstochten. Het ene moment verweet ik hem van alles en het volgende was ik weer liefhebbend, nam ik het mezelf kwalijk en dacht dat ik me dingen verbeeldde die niet waar waren. Hij zag mijn worsteling en zegevierde, maar omdat hij onvoldoende getuigen had van zijn overwinning om daar het volle genoegen van te smaken, kreeg hij genoeg van het buitenleven, keerde terug naar Parijs en liet mij in een volstrekt onbeschrijfelijke toestand achter. Mijn gemoed was als een bewapende stad, volledig in verwarring, en elke nieuwe gedachte was een verse verstoorder van mijn rust. De slaap liet mij helemaal in de steek en de zorgen waaronder ik leed veroorzaakte een koortstoestand die me bijna het leven kostte. Met grote moeite herstelde ik, maar de ziekte was zo hevig geweest dat mijn lichaam daar zodanig verzwakt uitkwam dat mijn geestelijke verwarring grotendeels tot rust kwam. Nu begon ik me te troosten met de gedachte dat deze door en door behaagzieke heer zeer waarschijnlijk de enige figuur was die me had kunnen redden, want hij was de enige man door wie ik nooit in enig gevaar gebracht was. Tegen de tijd dat mijn toestand weer dragelijk was geworden, keerden we terug naar Parijs en ik geef toe dat ik het weerzien met de oorzaak van al mijn lijden zowel wilde als vreesde, maar ik hoopte dat ik hem, met behulp van mijn wrok, met onverschilligheid kon bejegenen. Dat hield mijn gedachten bezig tot aan onze aankomst. De volgende dag was het heel erg druk aan het hof omdat iedereen de koningin wilde gelukwensen met haar genezing en daar verscheen onder andere ook mijn minnaar, gekleed en opgedoft alsof hij een nieuwe verovering beraamde. In plaats van een vrouw te zien die hij verachte en kleineerde, kwam hij op me af met de zelfverzekerde houding die eigen is aan succesvolle ijdeltuiten. Gelijktijdig merkte ik dat ik omringd was door al die vrouwen die vanwege hem mijn grootste vijand waren en als wraak niets anders wilden dan mij een lachwekkend figuur zien slaan. Deze situatie bracht mijn gedachten zozeer in de war dat ik, toen hij dicht genoeg genaderd was om me aan te spreken, in zijn armen flauwviel. Als ik een manier zou moeten hebben bedenken waarmee ik hem het meest had kunnen behagen, dan was er onmogelijk iets geweest dat nog aangenamer voor hem was. Sommige omstanders kwamen met reukflesjes aanlopen en gebruikten die om mij weer bij te brengen en toen ik weer tot leven kwam werd ik verwelkomd met al die snedige opmerkingen waar vrouwen die razend zijn van jalousie lucht aan kunnen geven. De een riep, ‘nou zeg, ik had nooit gedacht dat deze heer zoiets angstaanjagends had of zich zo onstuimig gedroeg dat een jongedame bij zijn aanblik voor dood neer zou vallen.’ ‘Nee, nee,’ zei een andere, ‘de gevoelens van sommige dames worden gemakkelijker geprikkeld door aangename dan onaangename dingen.’ En nog meer van dat soort uitspraken die meer blijk gaven van kwaadaardigheid dan scherpzinnigheid. Dit vond ik zo onverdraaglijk dat ik trillend, maar met net nog voldoende kracht naar mijn rijtuig kon strompelen en me naar huis haasten. Toen ik weer alleen was en bedacht wat er aan het hof voor het oog van iedereen met me gebeurd was, verviel ik aanvankelijk in een vreselijke wanhoop, maar later, toen ik het overzag, begreep ik dat dit voorval meer had bijgedragen aan de genezing van mijn hartstocht dan enig ander had kunnen doen. Ik begon te denken dat de enige manier om de man die mij zo wreed behandeld had te straffen en wraak te nemen op mijn hatelijke mededingsters, was die schoonheid weer terug te krijgen die op dat moment weggekwijnd was en haar glans verloren had, zodat ik hen kon laten zien dat ik nog aantrekkelijk genoeg was om zoveel minnaars te krijgen als ik wilde en nog steeds kon wedijveren met degenen die mij zo wreed gekrenkt hadden. Deze aangename verwachtingen brachten mijn verflauwde gemoed weer tot leven en werkten voor mij als een probater geneesmiddel dan de hele filosofie en raadgevingen van de wijste man hadden gekund. Ik besteedde nu al mij tijd en zorg aan het verfraaien van mijzelf en het bestuderen van de zekerste manieren om de genegenheid van anderen te verwerven en daar zelf onaangedaan onder te blijven, want ik had besloten dat ik in het vervolg, telkens als er ook maar een enkele weekhartige gedachte bij me op zou komen, degenen wie het betrof zou ontvluchten en bij nieuwe verliefden hun beeld uit mijn hart te verdrijven. Elke morgen raadpleegde ik mijn spiegel en leerde mijn gezichtsuitdrukking zo te beheersen dat ik die kon aanpassen aan de verschillende voorkeuren van allerlei minnaars. En hoewel ik nog jong was — want ik was nauwelijks zeventien — verschafte mijn publiekelijke levenswijze mij toch steeds gelgenheden om met mannen te spreken en het sterke verlangen dat ik had om hen te behagen zorgde ervoor dat ik voortdurend zo goed kon letten op alles wat ze zeiden en deden, dat ik al gauw de verschillende manieren doorhad om met hen om te gaan. Ik merkte op dat wat de meeste mannen bij vrouwen aangenaam vonden juist het tegenovergestelde was van hun eigen karakter. Daarom probeerde ik bij de ernstige en degelijke man sprankelend en schalks te zijn, bij de geestige en vrolijke, teerhartig en neerslachtig, bij de verliefde — want zij hebben geen behoefte aan nog meer hartstocht — koel en terughoudend, bij de angstige en schuchtere warm en vurig en zo ook bij alle anderen. Over de saletjonkers en dat soort mannen, van wie de verlangens zich uitsluitend richten op de bevrediging van hun eigen ijdelheid, had ik door schade en schande geleerd dat de enige manier om met hen om te gaan was hen toe te lachen en hun eigenwaan de enige steun voor hun verwachtingen te laten zijn. Zolang ik nog andere vrijers kon krijgen wist ik dat ik zeker van hen was, want het enige teken van bescheidenheid dat ze ooit laten blijken is dat ze niet afhankelijk zijn van hun eigen meningen, maar die van de meerderheid volgen. Zo toegerust met richtlijnen en wijs geworden door fouten in het verleden, betrad ik als het ware opnieuw de wereld. Bij alle openbare gelegenheden verscheen ik knapper en levendiger dan ooit, tot verbazing van iedereen die me zag en op de hoogte was van mijn liefdesgeschiedenis met de lord. Zelf was hij ook zeer verrast en van zijn stuk bij deze plotselinge verandering en kon niet begrijpen hoe het mogelijk was dat ik zo snel de ketenen van mij afgeschud had, waarvan hij dacht dat hij me daar voor mijn leven aan vastgelegd had en hij was ook niet bereid zijn verovering op die manier op te geven. Op alle mogelijke manieren probeerde hij met mij opnieuw een gesprek over liefde te hebben, maar ik was vastbesloten — waarbij ik zeer bijgestaan werd door de menigte bewonderaars die mij dagelijks omringde — hem nooit de gelegenheid te geven zijn gedrag te verklaren, want ondanks mijn trots was ik van mening dat de eerste indruk van liefde die een hart ontvangt zo krachtig is dat het de grootste waakzaamheid en zorg vereist om een terugval te voorkomen. Ik leefde nu drie jaar in een voortdurende afwisseling van pleziertjes en werd de volmaakte afgod van alle mannen, van elk leeftijd en karakter die naar het hof kwamen. Er werden me meerdere goede partijen aangeboden, maar geen van hen evenaarde mijn verdienstelijkheid en een van mijn grootste genoegens was te zien hoe vrouwen die gedurfd hadden met mij te wedijveren vaak verheugd waren met iemand te kunnen trouwen die ik afgewezen had. Ondanks dit grote succes van mijn intriges, kan ik toch niet zeggen dat ik volmaakt gelukkig was, want iedere vrouw waar ook maar de geringste aandacht aan werd besteed en elke man die ongevoelig was voor mijn listen, gaf me evenveel pijn als de rest me genoegen gaf en achterbakse samenzwerinkjes die tegen mij beraamd werden slaagden soms toch, ondanks mijn zorgvuldigheid. Deze manier van leven begon me echter te vervelen, maar mijn vader die terugkeerde van zijn gezantschap in Frankrijk 2 nam me met zich mee naar huis en bracht me naar een aardig landhuisje, waar niets groot en overdadig was, maar alles netjes en aangenaam. Daar leidde ik een volstrekt teruggetrokken leven. Aanvankelijk drukte de tijd zwaar op me en had ik behoefte aan allerlei bezigheden en enkel en alleen omdat ik niet wist wat ik met mijzelf aan moest, zou ik zeer waarschijnlijk heel zwaarmoedig zijn geworden. Maar toen ik daar een tijdje doorgebracht had vond ik zoveel rust in mijn gemoed en was er zoveel verschil tussen dit en de rusteloze zorgen aan het hof, dat ik deel begon uit te maken van de vredigheid die in alles om mij heen duidelijk zichtbaar was. Ik begon te doen waar ik zin in had, beplantte kleine bloembedden en hield me bezig met nog veel meer van die landelijke genoegens die, hoewel ze geen grote vreugde verschaffen, toch die serene ommekeer van het gemoed kunnen bewerkstelligen, die naar mijn mening te verkiezen is boven al het andere waar de menselijke natuur ontvankelijk voor gemaakt is. Ik besloot de rest van mijn dagen hier te slijten en dat niets me zou kunnen verlokken om dit aangename toevluchtsoord te verlaten en weer heen en weer geslingerd te worden tussen allerlei hartstochten. Terwijl ik in deze toestand verkeerde, kwam lord Percy, de oudste zoon van de graaf van Northumberland 4, die toevallig tijdens de vossenjacht verdwaald was, op ongeveer een kilometer van ons huis mijn vader tegen. Deze nam hem mee naar huis, uitsluitend met de bedoeling hem bij ons te laten eten, maar hij was zo ingenomen met mij dat hij drie dagen bleef. Ik had teveel ervaring met dit soort zaken om nu niet te zien wat voor invloed ik op hem had, maar ik was destijds zo geheel vrij van elke eerzucht, dat zelfs het vooruitzicht gravin te worden geen uitwerking op me had en niets ter wereld me toen had kunnen verleiden om mijn manier van leven te veranderen. Deze jonge lord, die in de bloei van zijn leven was en merkte dat zijn hartstocht zo sterk was, dat hij een langdurige afwezigheid niet aankon, kwam binnen een week weer terug en probeerde mij op alle mogelijke manieren zover te krijgen dat ik zijn liefde beantwoordde. Hij behandelde me met een tederheid en achting, waarvan vrouwen op deze aarde denken dat die alleen maar voort kunnen komen uit ware liefde. Vaak zei hij tegen me dat hij, tenzij hij zo gelukkig kon zijn om door zijn volhardendheid en inspanningen mijn liefde te winnen, hoewel hij wist dat mijn vader ieder voorstel van hem van harte zou toejuichen, liever de ergste van alle beproevingen wilde verdragen, namelijk mij nooit meer zien, dan zijn eigen geluk ontlenen aan iets dat ook maar het minst strijdig zou zijn met wat ik wilde. Deze benadering had iets dat zo nobel en grootmoedig was, dat het bij mij geleidelijk een gevoel teweegbracht dat ik niet beschrijven en ook niet benoemen kan. Het leek in niets op mijn vorige hartstocht, want er was geen sprake van onrust of onaangename slapeloze nachten, maar alles waarmee ik hem eerzaam genoegen kon doen leek mij terecht vanwege zijn oprechtheid en liefde en meer het gevolg van dankbaarheid dan van enig verlangen van mijn kant. Wat ik meteen na mijn aankomst in Engeland, toen we spraken over de jonge edellieden, van mijn vader over zijn karakter gehoord had, overtuigde mij ervan dat ik, als ik zijn vrouw zou zijn, voortdurend het genoegen zou smaken dat ik wist dat al zijn daden door het hele verstandige gedeelte van de mensheid goedgekeurd zouden worden. Heel snel verdwenen mijn bezwaren, behalve dat ik mijn kleine oase van rust op moest geven en mij weer in de wereld zou moeten wagen. Maar door zijn voortdurende toewijding en voorkomende gedrag verdween dat geleidelijk ook helemaal en stemde ik erin toe dat hij het te zijner tijd aan mijn vader zou vertellen. Het duurde niet lang of hij kreeg zijn toestemming, omdat zulk een partij op geen enkele manier geweigerd kon worden. Nu hoefde er niets anders meer gedaan te worden dan de graaf van Northumberland over te halen gehoor te geven aan wat zijn zoon zo vurig verlangde. Hij vertrok daarom meteen naar Londen en verzocht mij als de grootste gunst dat ik mijn vader zou vergezellen, die daar de daarop volgende week ook naartoe zou gaan. Ik kon zijn verzoek niet weigeren en zodra we in stad aankwamen haastte hij zich helemaal verrukt naar me toe om me te vertellen dat zijn vader, die begreep dat het geluk van zijn zoon van zijn antwoord afhing, hem in deze zaak de vrije hand gegeven had om te doen wat hij zelf het beste achtte en dat er nu geen beletselen meer waren die zijn wensen in de weg stonden. Het was nu in het begin van de winter en het tijdstip voor ons huwelijk werd vastgesteld voor eind maart. De toestemming van alle partijen maakte zijn toegang tot mij heel gemakkelijk en in alle onschuld voerden wij samen aangename gesprekken. Omdat hij zo vreselijk verliefd was, bedacht hij alle mogelijke manieren om mij voortdurend te kunnen zien en op een morgen vertelde hij me dat zijn vader hem verzocht had hem die avond te vergezellen naar het hof en hij smeekte me of ik zo goed wilde zijn om met hem mee te gaan. Ik was er nu zozeer aan gewend om alles te doen wat hij van me wilde dat ik geen bezwaar maakte tegen zijn verzoek. Twee dagen daarna was ik zeer verrast toen ik op zijn gezicht een sombere uitdrukking bespeurde en een verandering in zijn gedrag, die ik op geen enkele manier kon verklaren, maar door te blijven vragen kreeg ik ten slotte van hem te horen dat kardinaal Wolsley, om een reden die hij niet wist, hem uitdrukkelijk verboden had nog langer aan me te denken en toen hij aanvoerde dat zijn vader er geen bezwaar tegen had, had de kardinaal hem, op zijn dwingende manier, geantwoord dat hij zijn vader zulke overtuigende redenen zou geven voor de grote problemen die dat op zou leveren, dat hij zeker wist dat hij hem tot zijn mening kon overhalen. Daarna liep hij weg en gaf hem geen gelegenheid meer om te antwoorden. Ik kon niet bedenken wat de kardinaal voorhad met zich met ons huwelijk te bemoeien, en ik was nog verbaasder toen ik merkte dat mijn vader lord Percy veel koeler dan gewoonlijk bejegende. Hij zag dat ook en wij vroegen ons allebei af wat de oorzaak van dit alles zou kunnen zijn. Maar het duurde niet lang voordat mijn vader het geheim helemaal onthulde. Hij liet me op een dag naar zijn kamer komen en bracht me op de hoogte van een geheim dat ik evenmin wilde als verwachtte. Hij begon met de overrompelende gevolgen van jeugd en schoonheid en hoe dwaas het zou zijn de voordelen die ze ons zouden kunnen opleveren uit het oog te verliezen, totdat het te laat was en we ze tevergeefs weer terug zouden willen halen. Ik was verbaasd over dit begin. Hij zag mijn verwarring en verzocht me te gaan zitten en te luisteren naar wat hij me ging vertellen en dat dat van het grootste belang was. Hij hoopte dat ik verstandig genoeg was om deze raad aan te nemen en zou handelen zoals hij dacht dat het beste voor mijn toekomstige welzijn was. Daarna vroeg hij me of ik het niet erg prettig zou vinden koningin te zijn. Ik antwoordde in volle ernst dat dat allesbehalve het geval was, dat ik niet opnieuw aan een hof wilde leven, al was ik de machtigste koningin ter wereld en dat ik een geliefde had die zowel bereid als in staat was mijn positie te verbeteren, zelfs meer dan ik zou willen. Ik vond dit gesprek zeer onaangenaam, mijn vader fronste zijn wenkbrauwen en noemde me een romantische dwaas en zei dat als ik naar hem zou luisteren hij mij koningin kon maken, want de kardinaal had hem verteld dat de koning op slag verliefd op me was geworden toen hij me de afgelopen avond aan het hof gezien had en van plan was zich van zijn vrouw te laten scheiden en mij in haar plaats te nemen. Hij had hem opgedragen een of andere manier te bedenken om mij hofdame van hare huidige majesteit te maken, zodat hij in die tussentijd de gelegenheid had om me te zien. Ik kan onmogelijk de verbijstering beschrijven die deze woorden bij mij teweegbrachten en ondanks dat ik even eerder, toen het nog zo ver weg leek, zeer oprecht was met mijn verklaring hoezeer het tegen mijn wil indruiste om zo hoog te stijgen, geef ik toe dat nu het uitzicht naderbij kwam, mijn hart bonsde en mijn ogen verblind werden bij het idee dat ik op een troon zou zitten.

"In mijn verbeelding zag ik alle pracht, macht en grootsheid die bij de kroon behoren en ik was zo van slag dat ik niet wist wat ik moest antwoorden, maar bleef zwijgen alsof ik mijn spraakvermogen kwijt was. Mijn vader die een vermoeden had van wat de oorzaak van mijn toestand was, voerde alle argumenten aan waarvan hij dacht dat die mij zouden overhalen te doen wat hij wilde en ten slotte ontwaakte ik uit die droom van grootsheid en smeekte ik hem, met de innemendste bewoordingen die ik kon bedenken, mij niet te dwingen eerloos de man te verloochenen, van wie ik overtuigd was dat hij, als dat binnen zijn vermogen lag, mijn positie kon verbeteren en voldoende in zijn mars had om me alles te geven wat ik wilde. Maar hij was doof voor alles wat ik kon zeggen en stond erop dat ik mijzelf erop voor zou bereiden om de week daarop naar het hof te gaan. Hij smeekte mij daar goed over na te denken en niet de voorkeur te geven aan lachwekkende begrippen als eer, boven het belang van mijn hele familie, maar vooral niets te onthullen van wat hij me in vertrouwen had verteld. Daarna liet hij me achter met mijn eigen gedachten. Toen ik alleen was bedacht ik hoe weinig werkelijke tederheid voor mij hij met dit gedrag liet blijken en dat hij helemaal geen rekening hield met mijn geluk, maar mij alleen maar zag als een ladder, waarlangs hij omhoog zou kunnen klimmen naar zijn eigen eerzuchtige verlangens. En toen ik terugdacht aan zijn liefde voor mij in mijn jeugd, kon ik daar niets anders van maken dan dat hij me toen zag als een speeltje of het door mijn aantrekkelijkheid beantwoorden aan zijn eerzucht. Maar ik werd te zeer heen en weer geslingerd tussen een kroon en mijn belofte aan lord Percy om veel tijd te besteden om aan iets anders te denken en hoewel mijn vader het me uitdrukkelijk verboden had kon ik het, toen hij weer kwam, niet nalaten hem op de hoogte te brengen van alles wat er voorgevallen was, met uitzondering van het gevecht in mijn eigen gedachten toen voor het eerst ter sprake gekomen was dat ik koningin kon worden. Ik verwachtte dat hij vreselijk van slag zou raken bij dit nieuws, maar hij toonde geen erg hevige emoties. Hij kon echter niet verhinderen dat hij bleek wegtrok, pakte mijn hand, keek me liefdevol aan en zei, ‘Als koningin worden je gelukkig maakt en als je dat zal lukken, zal ik dat voor geen goud verhinderen, hoezeer ik daarom ook zal moeten lijden.’ Deze verbazingwekkende edelmoedigheid had op mij juist de tegenovergestelde uitwerking van wat het had moeten zijn, want in plaats van dat mijn liefde voor hem daardoor toenam, maakte het daar bijna een einde aan en ik begon te denken dat als hij mij kon verlaten, het voor hem allemaal niet zoveel voorstelde. En ik ben er van overtuigd dat als een man het bezit opgeeft van een vrouw, van wie hij ooit toestemming heeft gekregen, zijn beweegreden dan nog zo edelmoedig kan zijn, maar dat hij haar daarmee toch kwetst. Ik kon het niet laten mijn misnoegen te tonen en vertelde hem dat ik heel blij was dat deze zaak hem zo gemakkelijk viel. Hij was niet in staat te antwoorden, maar voelde zich opeens zo geraakt door deze onverwachte onvriendelijk uitleg die ik aan zijn gedrag gaf, dat hij even verbaasd stond te kijken, een buiging maakte en vertrok. Ik was nu weer alleen met mijn eigen gedachten en kan daar onmogelijk iets begrijpelijks van maken. Ik wilde koningin zijn en ook weer niet. Ik wilde dat lord Percy gelukkig was zonder mij en ook weer niet dat de kracht van mijn bekoorlijkheden zo zwak was dat hij na in mijn liefde teleurgesteld te zijn, toch de gedachte verder te leven kon hebben. Maar het gevolg van deze verwarde gedachten was het besluit mijn vader te gehoorzamen. Ik ben bang dat uit het geheel niet veel plichtsgevoel blijkr, hoewel ik blij was dat ik me nog kon vastklampen aan die kleine schaduw ervan, om te voorkomen dat ik mijn optreden in het juiste licht zou zien. Toen hij me opnieuw bezocht keek ik, om mezelf alle lastige vragen te besparen, mijn minnaar zo koel aan dat hij dat niet kon verdragen, want sinds ik besloten had hem onheus te bejegenen zag ik hem als bewijs van mijn schande en was het alsof elke blik van hem een verwijt was. Kort daarop bracht mijn vader me naar het hof, waar het me niet veel moeite kostte om mijn rol te spelen, want gezien mijn ervaring met mannen vond ik het niet lastig om te gaan met een man die van me hield en om wie ik zelf niet alleen niets gaf, maar zelfs een vreselijke afkeer van had. Maar hij dacht dat die afkeer deugdzaamheid was, want wie is er goedgeloviger dan iemand die graag iets gelooft? En ik lette erop dat ik af en toe de woorden ‘huisje’ en ‘liefde’ liet vallen en hoe gelukkig een vrouw was die haar genegenheid richt op een man die zich in een zodanige positie bevindt dat zij haar liefde mag tonen zonder verdacht te worden van schijnheiligheid of geldbeluste doeleinden. En dit werd allemaal moeiteloos geslikt door de verliefde koning, die uitermate overhaast de scheiding doordrukte, hoewel de zaak nog een hele tijd duurde en ik meestal achter de schermen bleef. Telkens als de koning er tegen mij over sprak bracht ik daar argumenten tegenin waarvan ik dacht dat ze hem naar alle waarschijnlijkheid nog meer zouden opwinden. Ik smeekte hem dat hij, tenzij zijn geweten werkelijk geraakt was, zijn deugdzame koningin niet om mij verdriet moest doen, omdat ik al zeer vereerd was dat ik haar dienstmaagd mocht zijn en dat ik liever afstand wilde doen van de kroon en zelfs van het genoegen hem ooit nog te zien, dan mijn koninklijke meesteres onrecht te doen. Deze manier van spreken, gevoegd bij zijn gretigheid om mij te bezitten, overtuigde de koning zozeer van mijn bijzondere verdienstelijkheid dat hij dacht dat het iets lovenswaardigs was om de vrouw — over wie hij niet een erg gunstige mening kon hebben, omdat hij genoeg van haar had — opzij te schuiven en mij haar plaats te geven. Nadat ik al een jaar aan het hof was en er gesproken begon te worden over de liefde van de koning voor mij, werd het verstandig geacht mij weg te sturen, om te voorkomen dat de aanhang van de koningin aanstoot zou worden gegeven. Ik moest mij daar bij neerleggen, hoewel dat zeer tegen mijn wil was, want ik was er zeer voor beducht dat de koning door mijn afwezigheid van gedachten zou kunnen veranderen. Ik vertrok dus weer met mijn vader naar zijn landgoed, maar dat had niet langer de bekoorlijkheden voor me die ik daar ooit genoten had, want mijn gedachten waren nu te zeer in beslag genomen door eerzucht, dan nog ruimte te kunnen maken voor andere gedachten. Tijdens mijn verblijf aldaar stuurde mijn koninklijke minnaar vaak heren naar mij toe met boodschappen en brieven, die ik altijd beantwoordde op een manier waarvan ik dacht dat die het best mijn opzet kon dienen, namelijk terug te komen aan het hof. In alle brieven die wij met elkaar wisselden zat in die van hem zoiets koninklijks en bevelends en misleidends en onderdanigs in die van mij, dat ik af en toe niet kon nalaten na te denken over het verschil tussen deze briefwisseling en die met lord Percy, maar ik werd zo voortgestuwd door het verlangen naar een kroon, dat ik er niet aan kon denken op mijn schreden te keren. In alles wat ik schreef prees ik voortdurend zijn besluit om mij op enige afstand van hem te houden, omdat mij dat op dat moment inderdaad tot eer strekte en ik  liever al het mogelijke zou lijden, dan op een of andere manier of zijn invloed of zijn naam te benadelen. Altijd gaf ik wat aanwijzingen over een slechte gezondheid, met een paar overwegingen hoe noodzakelijk geestelijke rust was voor die van het lichaam. Op die manier kreeg ik hem zover dat hij me het uitdrukkelijke bevel gaf terug te komen, dat ik enige tijd slinks uitstelde — omdat ik wist dat zijn ongedurige aard geen enkele tegenspraak duldde — totdat hij mijn vader zover kreeg mij op een of andere manier te dwingen tot waar ik het meest naar verlangde, met van mijn kant de schijn van tegenzin. Toen ik wat dat betreft mijn zin had gekregen, begon ik na te denken over een manier waarop ik de koning en de koningin uit elkaar kon krijgen, want tot dan toe woonden zij in hetzelfde huis. Ik zocht boodschapsters uit die ik kon vertrouwen en van dezelfde leeftijd waren als prinses Maria, de dochter van de koningin, die zestien was, om haar oneerbiedige gedachten bij te brengen over haar vader en de spot te drijven met zijn gewetensvolle aanpak van de echtscheiding. Ik wist dat zij van nature heel hartstochtelijk was en dat jonge mensen van die leeftijd geneigd zijn te denken dat mensen die zich als vriend voordoen dat in werkelijkheid ook zijn en de enige zijn die openhartig zijn. Daarna zag ik kans alles wat ze over hem gezegd had over te laten brengen aan de koning, die het allemaal opnam zoals ik bedoeld had en van mening was dat deze dingen niet afkomstig waren van de jongedame, maar van haar moeder. Hij sprak daar vaak met me over en ik voelde dan met hem mee, maar als duidelijk bewijs van hoe goed ik was, probeerde ik haar altijd te verontschuldigen, door te zeggen dat het vanzelfsprekend was dat een vrouw die al zolang gewend was koningin te zijn een beetje geprikkeld was over degenen die haar, zoals zij dacht, uit de positie wilden duwen, die zij zo terecht verdiende. Door middel van dit soort geïntrigeer had ik een manier gevonden om er voor te zorgen dat de koning verbolgen raakte op de koningin, want niets is eenvoudiger dan een man boos te maken op een vrouw waar hij van af wil en die in de weg staat tussen hem en zijn vermaak, zodat de koning nu, onder het voorwendsel dat de koningin zo koppig was over iets waarmee hij zo gewetensvol bezig was, van haar scheidde. Alles lag nu open voor me. Ik hoefde niets anders te doen dan hem zijn eigen verlangens te laten volgen en had geen reden om bang te zijn, omdat degenen die hem zover hadden gekregen, hem alleen maar verder zouden aansporen om alles te doen wat ik wilde. Ik werd aangesteld als markgravin van Pembroke. Deze waardigheid zat me als gegoten, maar de gedachten aan een veel hogere positie ontnam mij daar elk gevoel voor. Markgravin zijn zag ik als iets onbeduidends en niet omdat ik het in het juiste licht zag, maar omdat het tekortschoot in wat ik bedacht had dat ik binnen korte tijd zou krijgen. De verlangens van de koning werden heel ongedurig en het duurde niet lang of ik was in het geheim met hem gehuwd. Ik was nog maar net zijn vrouw of ik voelde me al helemaal koningin. Ik was me bewust van de koninklijke waardigheid en zelfs de gezichten van mijn vertrouwdste vrienden leken mij volmaakt vreemd. Ik kende ze nauwelijks meer. Door de hoogwaardigheid had mijn hoofd een draai gemaakt en ik was als iemand die boven op een gedenkzuil staat en in wiens ogen alle wezens op een grote afstand onder hem er uitzien als evenzoveel dwergen die over de aarde rondkruipen. Ik genoot daar zozeer van, dat ik op dat moment niet besefte dat wij allebei, alleen maar door een paar door mensenhanden gebouwde trappen af te dalen, terecht zouden komen te midden van die dwergen, die zo verachtelijk leken. Ons huwelijk werd enige tijd geheim gehouden want het werd niet gepast geacht dat openbaar te maken — omdat de zaak van de echtscheiding nog niet afgerond was — totdat de geboorte van mijn dochter Elisabeth dat noodzakelijk maakte. Maar iedereen die me zag wist het, want mijn manier van spreken en doen was zozeer veranderd door mijn positie, dat iedereen om me heen duidelijk zag dat ik er zeker van was een koningin te zijn. Zolang het geheim was had ik nog iets te wensen, want ik kon niet volmaakt tevreden zijn voordat de hele wereld op de hoogte was van mijn geluk, maar toen mijn kroning plaatsgevonden had en mijn eerzucht op het hoogtepunt was voelde ik me, in plaats van dat ik mezelf gelukkig vond, in werkelijkheid ellendiger dan ooit. Immers behalve dat de afkeer die ik van nature voor de koning voelde na het huwelijk veel moeilijker te verbergen was dan daar voor, en uitgroeide tot volstrekte walging, bekoelde mijn verbeelding, die zo vurig een kroon nagejaagd had, toen ik die eenmaal bezat, waardoor ik de tijd kreeg om na te denken over wat voor iets machtigs ik gewonnen had door al die drukte. En vaak vergeleek ik me dan met een vossenjager die, als hij tijdens de jacht een hele dag gezwoegd en gezweet heeft alsof een of ander ongehoorde zegen zijn succes moet bekronen, ten slotte ontdekt dat het enige dat zijn geploeter opgeleverd heeft een stinkend, walgelijk dier is. Maar mijn toestand was nog veel beroerder dan die van hem, want hij laat die weerzinwekkende schurk verscheuren door zijn honden en ik was verplicht laaghartig te doen alsof hij het voorwerp van mijn liefde was. Want de hele tijd dat ik in deze benijde en verheven plaats bekleedde, leidde ik voortdurend een huichelachtig leven, waarvan ik nu weet dat niets ter wereld dat kan goedmaken. Ik had geen ander gezelschap dan de man die ik haatte. Aan niemand om mij heen durfde ik mijn gevoelens te onthullen en evenmin nam iemand de vrijheid om een openhartig gesprek met mij te voeren, maar iedereen die met me sprak, sprak met de koningin en niet met mij, want ze zouden precies hetzelfde gezegd hebben tegen een aangeklede pop als de koning had bedacht dat zijn vrouw te noemen. En omdat ik besefte dat elke vrouw aan het hof mijn vijand was, omdat ze allemaal dachten dat ze veel meer recht hadden dan ik op de plaats die ik bekleedde, vond ik mijzelf even ongelukkig alsof ik in een woest woud achtergelaten was, waar geen enkel menselijk wezen was waarmee ik kon spreken en een voortdurende angst had om enig spoor van mijn voetstappen achter te laten, zodat een of ander vreselijk monster me zou kunnen vinden of ik gebeten kon worden door slangen en adders, want zo gedragen wraakgierige vrouwen zich tegenover het voorwerp van hun jalousie. Het moeilijkste van alle situaties was als ik gedwongen was mijn zwaarmoedigheid te verbergen en te doen alsof ik opgewekt was. Daardoor verviel ik in een tegenovergestelde dwaling en soms gedroeg ik me dan lichtzinnig, wat later dan ten nadele van me gebruikt werd. Ik kreeg een doodgeboren zoon en merkte dat dit de vurige liefde van de koning enigszins temperde, want zijn aard was zodanig dat hij niet de geringste teleurstelling kon verdragen. Dat gaf me geen onbehaaglijk gevoel, omdat ik, zonder acht te slaan op de gevolgen, er niets aan kon doen dat ik het des te prettiger vond naarmate ik minder in zijn gezelschap verkeerde. Later ontdekte ik dat hij zijn oog had laten vallen op een van mijn hofdames 4 en of het te wijten was aan enige sluwheid van haar kant, of alleen aan de felle hartstochtelijkheid van de koning, uiteindelijk werd ik zelfs nog slechter behandeld dan dat dat, door mijn toedoen, met mijn voormalige meesteres was gebeurd. De afname van de genegenheid van de koning werd meteen opgemerkt door de roddelaars van het hof, die voortdurend de koninklijke ogen in de gaten houden en op het moment dat ze merkten dat men ze tegen mij wilden horen, verdraaiden ze mijn onschuldigste daden en woorden, ja zelfs mijn blikken, tot bewijzen van de afschuwelijkste misdaden. De koning die zijn nieuwe liefde wilde genieten, leende een willig oor aan al mijn beschuldigers, die hem jaloers maakten door mij ervan te betichten dat ik overspelig was. Eerder zou hij niet zo gemakkelijk iets tegen mij geloofd hebben, maar nu deed het hem genoegen dat hij een reden had gevonden om te doen waartoe hij eerst zonder reden had besloten en werd ik op grond van een paar armzalige beweringen en bewijzen uit de tweede hand naar de Tower gestuurd, waar de dame die mijn bitterste vijand was, aangewezen werd om mij te bewaken en in dezelfde kamer moest slapen als ik. Dat was werkelijk een even wrede straf als mijn dood, want ze kwetste me met van die bijtende verwijten en haatdragende sneren, waardoor ik zulke aanvallen van zwaarmoedigheid en toevallen kreeg dat ik niet meer wist wat ik zei in die toestand. Ze beweerde dat ik toegegeven had dat ik bespottelijke dingen besproken had met een stelletje laaghartige kerels, aan wie ik eerder zelden aandacht had besteed, iets dat alleen maar wijsgemaakt kon worden aan mensen die vastbesloten waren dat te geloven. Ik werd voor de rechter gebracht en, om mij nog zwarter te maken, ervan beschuldigd dat ik een schandalige omgang met mijn eigen broeder gehad had, van wie ik inderdaad vreselijk veel hield, maar hem nooit in een ander licht gezien had dan als mijn vriend. Maar ik werd veroordeeld om onthoofd of verbrand te worden, naar de koning beliefde en omdat er nog veel resteerde van zijn liefde, behaagde het hem genadig voor mij de mildste straf te kiezen. Dat ik op deze manier mijn leven zou eindigen was niet minder schokkend voor me dan het in elke andere situatie zou zijn geweest, maar omdat ik vanaf het moment dat ik koningin was zo weinig vreugde had gekend, was die dood minder afschrikwekkend voor me. Wat het zwaarst op mijn geweten drukte waren niet de listen die ik gebruikt had om de koning ertoe te brengen zich van de koningin te laten scheiden, maar mijn slechte behandeling van prinses Maria en het feit dat ik lord Percy afgewezen had. Maar ik probeerde mijn gedachten zo goed mogelijk tot rust te brengen en hoopte dat mij deze misdaden vergeven zouden worden, want in alle andere opzichten had ik een heel onschuldig leven geleid en alle goede daden verricht waartoe ik maar de gelegenheid had gehad. Vanaf het moment dat ik daartoe in staat was, verdeelde ik een grote som gelds onder de armen, bad heel vroom en ging heel kalm mijn terechtstelling tegemoet. Toen ik negentwintig jaar oud was verloor ik zo mijn leven en ik denk dat ik in die korte tijd een grotere verscheidenheid aan voorvallen meegemaakt heb dan veel mensen die heel oud worden. Ik had aan het hof geleefd, waar ik mijn tijd doorbracht met geflirt en feesten, ik had ondervonden wat het betekende een van die felle hartstochten te hebben waardoor de gedachten helemaal in verwarring gebracht en onrustig gemaakt worden, ik had een minnaar die ik hoogachtte en waardeerde en in de laatste jaren van mijn leven had ik een zo hoge positie gekregen als de ijdelste vrouw zich maar kon wensen. Maar bij al die veranderingen heb ik geen enkele werkelijke voldoening genoten, afgezien van die korte tijd dat ik teruggetrokken op het platteland doorbracht, vrij van alle lawaai en drukte en besefte dat ik voorwerp van liefde en achting was van een wijs en eerbaar man."

Nadat dit verhaal geëindigd was dacht Minos even na en gaf toen het bevel voor Anna Boleyn de poort te openen, met de overweging dat iemand die het vier jaar heeft kunnen uithouden als koningin en al die tijd oog heeft gehad voor werkelijke ellende die gepaard gaat met die waardigheid, vergeving dient te krijgen voor alles wat ze gedaan heeft om die positie te verwerven.

Noten Boek XIX, Hoofdstuk VII


[1] Martha was de jongste dochter van Hendrik VII, koning van Engeland en zuster van Hendrik VIII, koning van 1509-1547. In 1514 trad ze in het huwelijk met Lodewijk XII, koning van Frankrijk, maar werd het jaar daarop al weduwe. Twee maanden later trouwde met de hertog van Suffolk, Karel Brandon.

[2] Deze koningin is Claudia, de dochter van Lodewijk XII, en echtgenote van koning Frans I.

[3] De vader van Anna, Thomas,  graaf van Rochefort, later graaf van Ormond en Wilts, kwam in 1527 terug van zijn tweede gezantschap in Frankrijk.

[4] Henry Percy, 6e graaf van Northumberland (1502 – 1537) is voornamelijk bekend door zijn verhouding in 1523 met Anna Boleyn, die hij van hogerhand moest opgeven ten gunste van Hendrik VIII. Hij leerde Anna kennen aan het hof. Toen hun verhouding bekend werd, werd Percy ter verantwoording geroepen door kardinaal Thomas Wolsley, bij wie hij toen hofjonker was, omdat Percy voor zijn verhouding geen toestemming aan hem en zijn vader gevraagd had. Een jaar later trouwde Percy met Lady Mary Talbot, dochter van de graaf van Shrewsbury. Vier jaar later liep het huwelijk spaak.  Percy zat in de jury die Anna ter dood veroordeelde. Toen het vonnis uitgesproken werd stortte hij in en stierf acht maanden later.

[5] Een van de hofdames, Johanna Seymour, met wie Hendrik een dag na de terechtstelling van Anna trouwde.

OOOOO

Hier eindigt dit merkwaardige manuscript. De rest is verloren gegaan doordat er pennen en tabak, enzovoort in verpakt zijn. Hopelijk zullen onoplettende mensen in het vervolg voorzichtiger zijn met wat ze verbranden of gebruiken voor andere onbeduidende doeleinden, vooral als ze bedenken welk lot de goddelijke Milton ten deel is gevallen en dat de werken van Homerus dan misschien ontdekt zouden zijn in een of andere kruidenierswinkel in Griekenland.

OOOOO

Noten van Henry Fielding

[A] Sommigen betwijfelen of dit eigenlijk niet 1641 moet zijn, een jaartal dat meer overeenkomt met het in de inleiding gegeven verslag, maar dan zijn er zelfs in die twee jaar een paar passages die verband houden met veel latere gebeurtenissen. Eerlijk gezegd leveren beide ramingen problemen op, dus moet de lezer zelf maar uitmaken welke hij verkiest.

[B] Ogen zijn misschien niet zo goed aangepast voor geestelijke substanties, maar wij zijn hier, net als op veel andere plaatsen, genoodzaakt lichamelijke begrippen te gebruiken om ons beter verstaanbaar te maken.

[C] Dat is het gewaad waarin de god in de theaters verschijnt aan de stervelingen. Een van de functies die door de Ouden aan deze god toebedeeld was dat hij de geesten moest verzamelen zoals een herder een kudde schapen en ze met zijn staf de andere wereld indrijven.

[D] Mensen die bij Homerus over slapende goden gelezen hebben, zullen er niet verbaasd over zijn dat dit ook gebeurt bij geesten.

[E] Hier wordt een bepaalde hoogstaande dame bedoeld, maar elke dame, hoogstaand of niet, is vrij om zich in deze rol te herkennen.

[F] We hebben ons al eerder verontschuldigd voor dit taalgebruik, dat we hier voor de laatste keer herhalen, hoewel het hart hier, naar wij hopen, terechter als metafoor gebruikt is dan als we de hartstochten die tot de ziel behoren, toeschrijven aan het lichaam.

[G] Laten we voor eens en altijd hier vermelden dat in de lovende passages in dit boek altijd een bepaalde person wordt bedoeld, maar in de satirische niemand.

[H] Ik denk dat deze dames de leiding hadden over melaatsheid, scrofulose en scheurbuik.

[I] Dit dwaze verhaal wordt verteld als een plechtige waarheid — dat wil zeggen dat de heilige Jacobus verscheen op de manier waarop deze kerel is beschreven — door Mariana, 1.7, paragraaf 78.