Home


Nathaniel Hawthorne

De Spoorweg naar de Hemel


Inleiding

John Bunyan (1628 – 1688) was een Engelse puriteinse prediker. Hij was van eenvoudige afkomst. Hij werd op latere leeftijd prediker in baptistische gemeenten. Zijn prediking was eenvoudig, direct en bijbels. Hij heeft verschillende boeken geschreven. Zijn bekendheid is vooral gebaseerd op zijn boek The Pilgrim's Progress (1678) in het Nederlands vetaald, onder de titel "Een christenreis naar de eeuwigheid." Het boek is een allegorisch verhaal over het leven van een christen, zoals dat op aarde zou moeten zijn. In wezen gaat zijn verhaal niet over christenen, maar over zoekers, pelgrims, die zich afwenden van de wereld en zich op hun louteringsweg ontdoen van alles wat hen aan die wereld heeft gebonden. Afrekenen met hun verleden, met hun begeerten, met hun ondeugden, en op reis gaan naar de apatheia, de Hemelse Stad, het Nirvana, met andere woorden, die zichzelf zoeken.


Maar de werkelijkheid is helaas anders. Gezwicht voor de wereldse geneugten, gaan de mensen die zich christen noemen, naar hun kerken in de stad IJdelheid, gaan zich te buiten aan alles waar hun eigen boek voor waarschuwt, zijn trots op hun ijdelheid en hun bezittingen, en beschouwen echte pelgrims als dwaze onbenullen, die in een psychiatrische inrichting thuishoren.


Daar gaat deze vlijmscherpe satire van Nathaniel Hawthorne over.


Portret Nathaniel Hawthorne


Nathaniel Hawthorne

De Spoorweg naar de Hemel

Illustratie


Niet lang geleden passeerde ik de poort der dromen en bezocht dat aardse gewest, waar de beroemde stad Verderf ligt. Het wekte mijn grote belangstelling toen ik hoorde, dat er door de gemeenschapszin van een aantal inwoners, onlangs een spoorweg was aangelegd tussen deze dichtbevolkte en bloeiende stad en de Hemelse Stad. Omdat ik wat tijd over had, besloot ik mijn ruime nieuwsgierigheid te bevredigen door er een uitstapje naartoe te maken. Zo gezegd, zo gedaan en op een mooie ochtend betaalde ik de rekening van het hotel, gaf de portier opdracht om mijn bagage achter op het rijtuig te pakken, nam in het rijtuig plaats en vertrok naar het station. Ik trof het dat ik in het prettige gezelschap was van een heer – ene mijnheer Zand-erover – die, hoewel hij eigenlijk de Hemelse Stad nooit eerder had bezocht, toch zeer goed op de hoogte was van haar wetten, gebruiken, principes en statistieken, net als van die van de Stad van Verderf, waar hij geboren en getogen was. Bovendien was hij een van de directeuren en een van de grootste aandeelhouders van de spoorwegmaatschappij, en was dus in staat mij over die verdienstelijke onderneming, alle gewenste informatie te verstrekken.


Ons rijtuig ratelde de stad uit en passeerde op korte afstand van haar buitenwijken, een sierlijk gebouwde brug, die volgens mij echter iets te licht was om een behoorlijk gewicht te kunnen dragen. Aan weerszijden lag een uitgestrekt moerasgebied, dat voor oog en neus niet onaangenamer had kunnen zijn, dan wanneer alle riolen van de aarde daar hun troep in hadden gestort.


"Dit," merkte mijnheer Zand-erover op, "is het beroemde Moeras der Wanhoop – een schande voor de hele omgeving, en temeer omdat het zo eenvoudig in vaste grond veranderd zou kunnen worden."


"Ik heb begrepen," zei ik, "dat er sinds onheuglijke tijden pogingen in het werk zijn gesteld om dat te bereiken. Bunyan vertelt, dat er al meer dan twintigduizend karrenvrachten nuttige raadgevingen in zijn gestort, zonder enig resultaat."


"Zeer waarschijnlijk!- maar wat kun je ook anders verwachten van zulk slap spul?" riep mijnheer Zand-erover. "Ziet u deze gerieflijke brug. Wij hebben er een stevig fundament voor gelegd, door enige oplagen zedenkundige boeken in het Moeras te gooien, Franse filosofieboeken en Duitse rationalistische werken, traktaten, preken, en verhandelingen van hedendaagse geestelijken, fragmenten van Plato, Confucius, en diverse Hindoe-wijzen, samen met een paar onschuldige commentaren op teksten uit de Schrift – die allemaal door een of ander wetenschappelijk proces in een granietharde massa zijn veranderd. Ze zouden die hele poel met hetzelfde spul moeten volgooien."


Volgens mij trilde de brug echter en bewoog op een hevige manier op en neer; en ondanks de verzekering van mijnheer Zand-erover over de stevigheid van de fundamenten, zou ik er niet graag in een volgeladen koets overheen rijden, zeker niet als elke passagier net zoveel bagage zou hebben als die heer en ikzelf. Desondanks kwamen wij er zonder ongelukken overheen en bevonden wij ons weldra bij het stationsgebouw. Dat zeer smaakvolle en ruime gebouw is opgetrokken op de plek van de kleine Enge Poort [1], die zoals alle oude pelgrims zich zullen herinneren, meteen dwars op de brede weg stond, en door zijn ongemakkelijke engte, voor de reiziger met een ruimdenkende geest en royale maag een groot obstakel was. Voor de lezers van Bunyan is het prettig te weten, dat Evangelist, de oude vriend van Christen, die gewoonlijk iedere pilgrim van een mystieke schriftrol voorzag, nu achter het loket zit. Het is waar dat enige kwaadwillige mensen ontkennen dat deze achtenswaardige persoon dezelfde is als de Evangelist van weleer, en zij beweren zelfs dat zij bewijzen voor dit bedrog hebben. Zonder mij in deze discussie te mengen, wil ik alleen opmerken, dat voor zover ik het zelf heb ervaren, de vierkante kartonnen kaartjes, die nu aan de passagiers worden uitgereikt, onderweg veel handiger en bruikbaarder zijn, dan die oude perkamenten rol. Of zij net zo graag aan de poort van de Hemelse Stad worden geaccepteerd, daar weiger ik een mening over te geven.


Een groot aantal reizigers stond al bij het stationsgebouw te wachten op het vertrek van de trein. Aan het voorkomen en het gedrag van deze personen, was gemakkelijk op te maken, dat de gedachten van het publiek over de pelgrimstocht naar de hemel een zeer gunstige verandering hadden ondergaan. Het zou het hart van Bunyan goed doen, als hij dat zou zien. In plaats van een eenzame en in lompen gehulde man, met een enorme last op zijn rug, die zich treurig te voet voortsleepte, terwijl de hele stad hem uitjouwde, vonden hier feesten plaats van de elite en de meest achtenswaardige mensen uit de omgeving, die zich net zo vrolijk op weg begaven naar de Hemelse Stad, alsof ze een zomers uitstapje maakten. Onder de heren bevonden zich personen van een terechte uitmuntendheid, overheidspersonen, politici en rijkaards, die door hun voorbeeld niet anders dan de godsdienst aan hun mindere broeders konden aanbevelen. Het deed mij goed, dat ik in de dameswachtkamer ook een aantal bloemen uit de beau monde zag, die zo geschikt zijn om de hoogste kringen van de Hemelse Stad op te fleuren. Er waren zeer aangename gesprekken over het nieuws van de dag, over zakelijke aangelegenheden, of over luchtigere vermakelijke zaken, terwijl de godsdienst, die ongetwijfeld diep in hun hart het belangrijkste onderwerp was, netjes op de achtergrond werd gehouden. Zelfs een ongelovige zou nauwelijks iets hebben kunnen horen, wat zijn gevoeligheid had gekwetst. Ik moet niet vergeten om één groot voordeel van de nieuwe manier van pelgrimsreis te vermelden. In plaats van dat wij onze enorme bagage op onze eigen schouders droegen, zoals vroeger de gewoonte was geweest, werd die allemaal netjes in de bagagewagen geladen, en zou, zoals men mij verzekerde, aan het eind van de reis aan de rechtmatige eigenaars worden overhandigd. Er is nog iets dergelijks, dat de welwillende lezer ongetwijfeld graag zal willen weten. Men zal zich herinneren, dat er een oude vete bestond tussen de vorst der duisternis, Beëlzebub en de bewaker van de Enge Poort, en dat de aanhangers van de eerstgenoemde beruchte persoon gewoonlijk dodelijke pijlen afschoten op de eerzame pelgrims, die aan de poort klopten. Deze discussie is, zowel dankzij bovengenoemde vermaarde potentaat, als dankzij de achtenswaardige en verlichte spoorwegdirecteuren, vreedzaam bijgelegd, onder het motto van het wederzijdse compromis. De onderdanen van de Vorst zijn nu in vrij grote getale werkzaam in het station, waar sommigen zorg dragen voor de bagage, anderen brandstof aanvoeren en de locomotieven stoken, en dergelijke bezigheden; en ik kan naar eer en geweten bevestigen, dat er bij geen enkele spoorwegmaatschappij mensen zijn die hun taak gedienstelijker vervullen, zich beter aanpassen, of over het algemeen aangenamer zijn voor de passagiers. Elke goede ziel moet wel dolblij zijn met het feit dat een dergelijk eeuwenoud probleem zo bevredigend is opgelost.


"Waar is Mijnheer Ruim-hart?" vroeg ik. "De directeuren hebben die oude vechter toch tot hoofdconducteur van de spoorweg aangesteld?"


"Nee, hoor," zei Mijnheer Zand-erover, met een droog kuchje. "Ze hebben hem het baantje van treinremmer aangeboden, maar, om je de waarheid te vertellen, is onze vriend Ruim-hart op zijn oude dag belachelijk stijf en bekrompen geworden. Hij heeft zovaak te voet pelgrims over de weg gegidst, dat hij het als een zonde beschouwt om op een andere manier te reizen. Bovendien had de oude baas zich zozeer in de oude vete met Vorst Beëlzebub gemengd, dat hij doorlopend met de onderdanen van de vorst slaags zou raken of hen uit zou schelden, en ons er zo opnieuw bij zou betrekken. Dus alles bij elkaar, speet het ons dan ook niet, dat de brave Ruim-hart verontwaardigd naar de Hemelse Stad is gegaan en ons daarmee de vrijheid gaf om een meer geschikte en meegaande persoon uit te kiezen. Daar komt de treinconducteur aan. Je zult hem waarschijnlijk meteen herkennen."


Op dit moment reed de locomotief vóór de wagons en ik moet toegeven, dat het toen ik daarnaar keek, meer leek op een soort mechanische boze geest die ons ijlings naar de onderaardse gewesten zou brengen, dan op een heilzaam mechaniek dat onze weg naar de Hemelse Stad zou effenen. Bovenop zat een bijna geheel in rook en vlammen gehulde gestalte, die – schrik niet lezer – zowel uit zijn eigen mond en buik leken te stromen, als uit koperkleurige buik van de machine.


"Houden mijn ogen mij voor de gek?" riep ik. Wat is dit in Godsnaam! Een levend wezen? – als dat waar is, is hij echt een broer van de machine waar hij op rijdt!"


Illustratie"Poe, poe, niet zo dom!" zei Mijnheer Zand-erover, schaterlachend. "Ken je Apollyon niet [2] de oude vijand van Christen, waarmee hij zo’n hevig gevecht heeft gevoerd in de Dal van de Vernedering? Hij was de juiste man om de machine te besturen; en dus hebben wij ervoor gezorgd dat hij zich bij het gebruik van de pelgrimstocht heeft neergelegd, en hem tot hoofdconducteur aangesteld."


"Bravo, bravo!" riep ik met onweerstaanbaar enthousiasme uit, "dit is een voorbeeld van de verdraagzaamheid van deze tijd; als er iets dat het zou kunnen bewijzen, is dit het wel dat wij alle achterhaalde vooroordelen op een redelijke manier uitroeien. En wat zal Christen blij zijn, als hij hoort hoe zijn oude tegenstander is veranderd! Het zal mij een groot genoegen doen om hem dat te vertellen als wij de Hemelse Stad bereiken."


Toen de passagiers allemaal behaaglijk zaten, gingen wij vrolijk ratelend op weg, en legden in tien minuten een grotere afstand af, dan Christen waarschijnlijk in een hele dag had afgesjokt. Terwijl wij als Illustratiehet ware langs het eind van een bliksemschicht keken, was het komisch om twee stoffige voetgangers te zien, in de oude pelgrimskledij, met hartschelp [3] en staf, hun mystieke perkamentenrollen in hun hand en de ondraaglijke last op hun rug. De belachelijke koppigheid van deze eerzame mensen om liever zuchtend en strompelend aan de moeilijke weg vast te houden, dan van de moderne verbeteringen te profiteren, wekte bij ons meer verstandige gezelschap een luid gejoel op. Wij zwaaiden met allerlei spotternijen en schaterend van het lachen naar de pelgrims, die daarop ons met zo’n beklagenswaardige en onzinnig mededogende gezichten aanstaarden, dat onze pret nog tienmaal zo luidruchtig werd. Ook Apollyon deed van harte mee met de pret, en zag kans om de rook en de vlammen van de machine, of zijn eigen adem in hun gezicht te blazen, en hulde hen in een wolk van kokende stoom. Deze grapjes vermaakten ons geweldig, en gaven de pelgrims ongetwijfeld de voldoening om zichzelf als martelaars te kunnen beschouwen.


Mijnheer Zand-erover wees naar een groot ouderwets gebouw, op enige afstand van de spoorweg, dat, zoals hij opmerkte, een vanouds bekende herberg was, die vroeger een belangrijke rustplaats voor pelgrims was geweest. In de reisgids van Bunyan wordt het vermeld als het Huis van de Uitlegger.


"Ik ben heel nieuwsgierig naar dat oude huis geweest," merkte ik op.


"Zoals u ziet is het niet een van onze stations," zei mijn metgezel. "De eigenaar was fel gekant tegen de spoorweg, en terecht, omdat het spoor aan zijn huis van vermaak voorbij ging, en dus hem vrijwel zeker van al zijn achtenswaardige klanten beroofde. Maar het voetpad loopt nog steeds voor zijn deur langs, en de oude baas krijgt zo nu en dan bezoek van een eenvoudige reiziger, en trakteert hem op een eenvoudige maaltijd, die net zo ouderwets is als hijzelf."

Voor wij met het gesprek over dat onderwerp klaar waren, snelden wij voorbij de plek waar bij Christen, bij het zien van het kruis, de last van zijn schouders viel. Dit was een nieuw onderwerp voor Mijnheer IllustratieZand-erover, Mijnheer Leef-voor-de-Wereld, Mijnheer Verberg-de-zonde-in-het-hart, Mijnheer Schurftig-Geweten, en een groepje heren uit de stad Mijdt-Berouw, om uit te wijden over de onschatbare voordelen van veiligheid van onze bagage. Ikzelf en inderdaad ook alle andere passagiers, waren het hierover volmaakt met elkaar eens, want onze lasten werden overal ter wereld in vele opzichten als zeer kostbaar beschouwd. En elk van ons bezat met name een grote verscheidenheid aan lievelings-Gewoonten, en wij vertrouwden erop dat die zelfs in de beschaafde kringen van de Hemelse Stad, nog van pas zouden komen. Het zou een treurig schouwspel zijn om zo’n verscheidenheid aan waardevolle zaken in het graf te zien tuimelen. Zo babbelden wij vrolijk over de gunstige omstandigheden van onze toestand, vergeleken met die van de pelgrims uit het verleden, en de bekrompen geesten van tegenwoordig en al snel bevonden wij ons aan de voet van de heuvel Probleem. Midden door die rotsachtige berg was een voortreffelijk geconstrueerde tunnel aangelegd, met een enorm gewelf en een ruim, dubbel spoor, zodat hij, tenzij het geval dat de aarde en rotsen zouden afbrokkelen, een eeuwigdurend gedenkteken zou blijven voor de kundigheid en het initiatief van de bouwer. Het is een groot maar toevallig voordeel, dat het materiaal uit het binnenste van de heuvel Probleem, zijn aangewend om het Dal der Vernedering op te hogen, zodat er een einde kwam aan de noodzaak om in die onaangename en ongezonde kuil neer te dalen.


Illustratie"Dat is inderdaad een prachtige verbetering, " zei ik. Toch zou ik graag de mogelijkheid hebben gehad om het paleis Prachtig te bezoeken, en voorgesteld te worden aan de charmant dames – mejuffrouw Voorzichtigheid, mejuffrouw Godsvrucht, mejuffrouw Liefdadigheid en de andere jongedames, die zo aardig zijn om daar de pelgrims gastvrij te ontvangen."

"Jongedames!" riep Mijnheer Zand-erover, zodra hij van het lachen weer kon praten. "En ook nog charmante jongedames! Wel allemachtig, mijn beste man, het zijn oude vrijsters, geen een uitgezonderd – preuts, stijf, saai en knokig – en ik waag te zeggen dat geen van hen, sinds de dagen van de pelgrimsreis van Christen, ook maar iets aan de snit van haar japon heeft veranderd."


"Dat is mooi, " zei ik, geheel gerustgesteld, "dan kan ik wel zonder die kennismaking."


De achtenswaardige Apollyon liet nu de machine op een verbazingwekkende wijze op stoom komen, misschien omdat hij zich graag van de onaangename herinneringen wilde ontdoen, die samenhingen met de plek waar hij zo’n rampzalige ontmoeting met Christen had gehad. Ik raadpleegde de reisgids van Bunyan en zag dat we nu een paar mijl van het Dal van de Schaduw van de Dood af waren, een naargeestige streek, waar wij met onze huidige snelheid, veel sneller zouden arriveren, dan wenselijk leek. Eigenlijk verwachtte ik niet anders, dan dat ik in de greppel aan de ene kant, of in het moeras aan de andere kant terecht zou komen. Maar toen ik mijn bezorgdheid aan Mijnheer Zand-erover overbracht, verzekerde hij mij dat de problemen van deze oversteek, zelfs onder de meest beroerde omstandigheden, zeer was overdreven, en dat hij tegenwoordig zo was verbeterd, dat ik mij net zo veilig kon voelen als op welke spoorweg in het Christendom dan ook.


Wij hadden het er juist over, toen de trein dit angstaanjagende Dal inschoot. Hoewel ik toegeef dat ik wat dwaze hartkloppingen voelde, tijdens onze onbesuisde rit over de daar aangelegde verhoogde weg, zou het toch niet eerlijk zijn om de hoogste loftuitingen achterwege te laten over de stoutmoedigheid van het oorspronkelijke ontwerp en het vernuft van degenen die het hadden uitgevoerd. Het was eveneens prettig om te zien, met hoeveel zorg men eeuwigdurende duisternis had verdreven, en het ontbreken van de opwekkende zonneschijn had goedgemaakt. Geen enkele zonnestraal was ooit eerder in deze afschuwelijk schaduwen doorgedrongen. Voor dat doel wordt het brandbare gas, dat in grote hoeveelheden uit de bodem opstijgt, door middel van pijpen opgevangen en vervolgens verdeeld over een vierdubbele rij lampen, langs de hele doorgang. Op die manier heeft men, zelfs uit de gloeiende en zwavelachtige vloek die voor eeuwig op het Dal rust, een stralend licht weten te scheppen, dat echter, zoals ik merkte, schadelijk en verbijsterend voor de ogen is, doordat het op de gezichten van mijn metgezellen veranderingen teweeg bracht. In dit opzicht is er, vergeleken met het natuurlijke daglicht, hetzelfde verschil als tussen waarheid en bedrog, maar als de lezer ooit door het duistere Dal is gereisd, dan heeft hij geleerd hoe dankbaar hij moet zijn voor elk lichtstraaltje dat hij kon opvangen, als het dan niet uit de hemel daarboven, dan wel uit die verdomde aarde daar beneden kwam. De rode gloed van deze lampen was zo hevig, dat het leek alsof zij aan beide zijden van het spoor muren van vuur vormden, waar wij bliksemsnel tussendoor raasden, terwijl een weergalmende donder het Dal met zijn echo’s vulde. Als de locomotief uit de rails was gelopen – naar men fluistert, een ramp, die wel eerder is voorgekomen – zou de bodemloze put, zo er iets dergelijks bestaat, ons ongetwijfeld hebben verzwolgen. Net op het moment, dat enige van dergelijke sombere dwaasheden mijn hart hadden doen beven, klonk er een ontzettende gil, die zich door het Dal voortplantte, alsof duizend duivels hun longen uit hun lijf schreeuwden, maar wat uiteindelijk slechts het gefluit van de locomotief bleek te zijn, die op de halteplaats arriveerde.


De plek waar wij nu waren gestopt, is dezelfde, die onze vriend Bunyan – een waarheidlievende man, maar besmet met vele bizarre ideeën – heeft genoemd, in duidelijker bewoordingen dan ik wens te herhalen, als de ingang van de onderaardse gewesten. Maar dat is een vergissing, omdat de heer Zand-erover, tijdens ons verblijf in de rokerige en lugubere grot, van de gelegenheid gebruik maakte om te bewijzen dat Tofeth [4] zelfs figuurlijk niet bestaat. Hij verzekerde ons dat de plek niets anders dan de krater van een halfuitgedoofde vulkaan is, waarin de directeuren smederijen hadden gevestigd, waarin de ijzeren rails van de spoorweg werden vervaardigd. Die levert ook een ruime energiebron om de machines te laten draaien. Iedereen die een blik in de sombere duisternis van de wijde grotopening had geworpen, waaruit van tijd tot tijd enorme donkere vlammentongen schoten – en als hij dan de vreemde, gedrochtelijke monsters had gezien en de schimmen van gruwelijke en groteske gezichten, waarin de rook zichzelf leek te kringelen, - en als hij het afschuwelijke gemurmel had gehoord, de gillen, en het donkere sidderende gefluister van de windvlagen, die zich soms tot bijna duidelijke woorden vormden – zou de geruststellende verklaring van Mijnheer Zand-erover graag hebben aangegrepen, en dat deden wij dus ook. De grotbewoners waren bovendien afstotelijke gestalten, duister, vuil door de rook, vrijwel allemaal misvormd, met wanstaltige voeten en duistere rode gloed in hun ogen, als of hun hart vlam had gevat, dat nu uit hun bovenvensters naar buiten loeide. Wat mij bijzonder trof was dat als de arbeiders in de smederijen en degenen die de machines van brandstof voorzagen, maar even ademhaalden, echt rook uit hun mond en neusgaten bliezen.


Ik was verbijsterd, toen ik onder de nietsnutten die rond de trein hingen, en die bijna allemaal sigaren rookten, die zij aan de kratervlam hadden aangestoken, een aantal mensen ontwaarde, die, naar ik zeker wist, voorheen met de trein op weg waren gegaan naar de Hemelse Stad. Zij zagen er verwilderd en rokerig uit en vertoonden inderdaad een bijzondere gelijkenis met de inboorlingen, omdat zij net als zij, ook een onaangename neiging vertoonden tot onvriendelijke spotternijen en schimpscheuten, een gewoonte, die een bestendige verkramping van hun gezichten had veroorzaakt. Ik richtte mij tot een van deze personen aan – een slome, nietsnut, die de naam Doe-niet-moeilijk – riep hem en vroeg wat hij daar deed.


"Was u niet op weg naar de Hemelse Stad?" vroeg ik.


"Dat is zo," zei de heer Doe-niet-moeilijk, terwijl hij mij achteloos wat rook in de ogen blies. "Maar ik hoorde zo’n slechte berichten, dat ik nooit de moeite nam om de heuvel te beklimmen, waar de stad op ligt. Niets te doen, geen pleziertjes, niets te drinken, en niet mogen roken, en dan ook nog van ‘s morgens tot ‘s avonds het gegons van kerkmuziek! Ik zou op zo’n plek niet willen blijven, al zouden ze me vrij wonen en kost aanbieden."


"Maar mijn beste mijnheer Doe-niet-moeilijk," riep ik uit, "waarom kiest u, van alle plaatsen ter wereld, nou net hier verblijf?"


"O," zie de nietsnut, met een grijns, "het is hier lekker warm, en alles bij elkaar bevalt de plek mij. Ik hoop u eerstdaags weer terug te zien. Een goede reis!"


Terwijl hij sprak luidde de bel van de locomotief, en wij maakten ons uit de voeten, nadat we een paar passagiers hadden afgezet, maar er geen nieuwe bij hadden gekregen. Wij ratelden door het Dal en werden even als tevoren verblind door de fel schitterende gaslampen. Maar soms, in de duisternis tussen het krachtige lichtschijnsel, leken lugubere tronies, die het uiterlijk en de uitdrukking van afzonderlijke zonden of kwade hartstochten droegen, zich een weg te banen door de sluier van licht, staarden ons aan en strekten een grote duistere hand uit, alsof zij onze reis wilden verhinderen. Ik dacht bijna dat het mijn eigen zonden waren, die mij met schrik vervulden. Dat waren grillen van de verbeelding – vast niets anders – slechts waanideeën, waarover ik mij diep hoorde te schamen – maar de hele reis door het Duistere Dal werd ik gekweld en lastig gevallen, en naargeestig verward, door dezelfde soort wakende dromen. De verpestende gassen uit die streek vergiftigen het brein. Maar toen het natuurlijke daglicht begon te vechten met de gloed van de lantaarns, verloren deze ijdele hersenspinsels hun levendigheid, en verdwenen uiteindelijk met de eerste zonnestraal, die onze ontsnapping uit het Dal van de Schaduw des Doods begroette. Vóór wij een mijl verder waren, zou ik wel hebben kunnen zweren, dat die hele afschuwelijke doortocht een droom was geweest.


Aan het eind van het dal is, zoals John Bunyan vertelt, een grot, waar in zijn tijd, twee wrede reuzen woonden, Paus en Heiden, die de grond rond hun verblijfplaats hadden bestrooid met de botten van afgeslachte pelgrims. Deze afzichtelijke oude grotbewoners zijn daar niet meer, maar in hun verlaten grot heeft zich een andere verschrikkelijke reus genesteld, die zich bezighoudt met het vangen van eerzame reizigers, die hij dan met overvloedige maaltijden van rook, mist, maneschijn, rauwe aardappels en zaagmeel als zijn voedsel vetmest. Hij is als reus geboren en wordt de Reus Transcendentalist [5] genoemd, maar wat betreft zijn vorm, zijn kenmerken, zijn wezen en zijn aard in het algemeen, is de belangrijkste eigenschap van dit reusachtige misbaksel, dat noch hij voor zichzelf, noch iemand anders voor hem, ooit in staat is geweest daar een beschrijving van te geven. Toen wij voorbij de opening van de grot raasden, vingen wij een vluchtige glimp van hem op. Hij leek dat hij een nogal beroerd gevormde gestalte had, maar had nog meer iets van een massa mist en duisternis. Hij riep ons iets achterna, maar in een zo vreemd jargon, dat wij niet wisten wat hij bedoelde, noch of wij daardoor aangemoedigd of angstig moesten zijn.


Het was al laat op de dag, toen de trein de oude stad IJdelheid binnendonderde, waar de Kermis der IJdelheid nog op het hoogtepunt van haar bloei verkeert, en een overzicht biedt van alles wat er aan schitterends, vrolijks en boeiends onder de zon is. Daar ik het voornemen had hier een behoorlijke tijd door te brengen, deed het mij genoegen te vernemen, dat er geen behoefte meer bestaat aan een goede verstandhouding tussen de inwoners van de stad en de pelgrims, waardoor de eerstgenoemden niet meer worden aangezet tot die jammerlijke en onjuiste maatregelen als het vervolgen van Christen en het vurige martelaarschap van Getrouwe. Integendeel, want omdat de spoorweg veel handel met zich meebrengt, en een doorlopende toevloed van vreemdelingen, is de burgemeester van de kermis der IJdelheid daar de beschermheer van en de kapitalisten uit de stad de grootste aandeelhouders. Veel passagiers stappen daar uit om zich te vermaken of op de kermis hun slag te slaan, in plaats van dat ze naar de Hemelse Stad doorreizen. Die stad is inderdaad zo verleidelijk, dat mensen vaak beamen dat het de echte en enige hemel is, en vastberaden beweren dat er geen andere is, dat degenen die verder zoeken alleen maar dromers zijn, en dat, zelfs als de legendarische luister van de Hemelse Stad slechts een enkele mijl voorbij de poorten van de Stad der IJdelheid zou liggen, zij niet zo gek zouden zijn om daar heen te gaan. Zonder dat ik die, wellicht overdreven, loftuiting onderschrijf, kan ik met zekerheid zeggen, dat mijn verblijf in de stad voornamelijk aangenaam was, en mijn omgang met de bewoners mij veel vermaak en lering verschafte.

Illustratie

Daar ik van nature ernstig van aard ben, richtte ik mijn aandacht eerder op de degelijke voordelen van een verblijf ter plaatse, dan op de bruisende genoegens, die voor veel bezoekers het belangrijkste doel zijn. De christelijke lezer zal, als hij na de tijd van Bunyan geen berichten over de stad heeft gehad, verrast zijn als hij hoort, dat bijna iedere straat zijn eigen kerk heeft, en dat de achtenswaardige clerus nergens meer wordt geacht dan. En die respectabele waardering verdienen zij terecht, want de wijze en deugdzame spreuken die over hun lippen vloeien, komen uit een diepe spirituele bron, en zijn op net zo’n verheven godsdienstig doel gericht, als die van de meest wijze filosofen uit de oudheid.


Om die juistheid van die grote verdienste aan te tonen, hoef ik slechts de namen te vermelden van de eerwaarde Oppervlakkig-diep, de eerwaarde Struikel-over-de Waarheid, die voortreffelijke predikant, de eerwaarde Dit-vandaag, die naar verwacht binnenkort zijn kansel zal afstaan aan de eerwaarde Dat-morgen, samen met de eerwaarde Wirwar, de eerwaarde Hinder-de-geest, en als laatste en grootste, de eerwaarde heer Hol-van-leer. Deze uitmuntende godgeleerden worden in hun werk bijgestaan door die ontelbare docenten, die in alle takken van menselijke of hemelse kennis, zo’n veelzijdige diepgang aan de dag leggen, dat iedereen een allesomvattende ontwikkeling kan verkrijgen, zonder dat ze zelfs moeite hoeven te doen om te leren lezen. Zo wordt de litteratuur, door de menselijke stem als voertuig te gebruiken, vergeestelijkt, en wordt kennis, die al zijn zwaardere bestanddelen laat bezinken – behalve natuurlijk zijn gouden deeltjes – in klanken uitgeademd, die terstond in het altijd open oor van de gemeente binnensluipen. Deze vernuftige methode is als het ware een soort machinerie, waarmee iedereen gedachten en kennis aan de hand wordt gedaan, zonder dat hij er zelf enige moeite voor hoeft te doen. Er is een ander soort machine voor het op grote schaal verzinnen van de individuele zedelijkheid. Dit uitmuntende resultaat wordt door de gemeenschappen voor alle deugdzame doeleinden tot stand gebracht. Iemand hoeft zich daar dus alleen maar bij aan te sluiten, waarbij hij als het ware zijn hoeveelheid deugd in de gemeenschappelijke voorraad gooit. En de president en de directeuren zullen er zorg voor dragen dat de gezamenlijke hoeveelheid goed wordt besteed. Al deze en nog andere wonderbaarlijke verbeteringen in de ethiek, godsdienst, en litteratuur, werden mij door de openhartige mijnheer Zand-erover duidelijk gemaakt en vervulden mij met een grote bewondering voor de Kermis der IJdelheden.


In een tijd van pamfletten, zou het een boekdeel vullen, als ik al mijn ervaringen in deze hoofdstad van menselijke bedrijvigheid en vermaak zou willen optekenen. Er was een onbegrensde verscheidenheid aan mensen – machtigen, geleerden, grappenmakers, en filantropen, die allemaal hun eigen kraam op de Kermis hadden, en geen prijs te buitensporig vonden voor de artikelen, die uit hun verbeelding ontsproten. Het loonde de moeite, zelfs als iemand niet van plan was iets te kopen of te verkopen, om tussen de marktkramen door te slenteren, en de zich voortbewegende mensenstroom gade te slaan.


Sommige kopers, sloten volgens mij een zeer slechte koop. En jongeman, bijvoorbeeld, die een aanzienlijk fortuin had geërfd, besteedde een belangrijk deel daarvan aan de aanschaf van ziekten, en gaf uiteindelijk de rest uit aan een grote hoeveelheid berouw en voddige kleren. Een heel leuk meisje ruilde haar hart, dat zo zuiver was als kristal, en dat haar meest waardevolle bezitting leek, voor een ander soort juweel, maar zo afgesleten en beschadigd, dat het volmaakt waardeloos was. In een van de winkels bevonden zich een grote hoeveelheid kronen van laurier en mirte, waar soldaten, schrijvers, staatslieden en diverse andere mensen zich verdrongen om ze te kopen. Sommigen betaalden deze waardeloze kransen met hun leven, anderen met een moeizame slavernij van jaren. En velen offerden wat voor hen het meest kostbaar was, op, en maakten zich uiteindelijk zonder kroon stilletjes uit de voeten. Er was een bepaald soort handelswaar, dat Geweten werd genoemd, waar veel vraag naar leek te zijn, en waarvoor je bijna alles kon kopen. Er waren inderdaad maar weinig artikelen te verkrijgen, zonder een fiks bedrag van deze bijzondere voorraad te betalen, en iemands handel was zelden voordelig, tenzij hij precies wist wanneer en hoe hij zijn geheime voorraad Geweten in de markt moest gooien. Maar aangezien dit artikel het enige van blijvende waarde was, wist iedereen, die er afscheid van nam, zeker dat hij op de lange duur een verliezer zou zijn. Verscheidene transacties waren van twijfelachtig allooi. Af en toe vulde een Congreslid zijn zakken aan door zijn kiezers te verkopen, en mij werd verzekerd, dat openbare ambtenaren hun land vaak voor een zeer redelijke prijs hun land hebben verkocht. Duizenden verkochten hun geluk voor een gril. Er was een grote vraag naar vergulde kettingen en er werd bijna alles voor opgeofferd. In werkelijkheid vond iedereen, die zoals het oude gezegde luidt, alles van waarde voor een appel en een ei wilde verkopen, overal op de Kermis klanten. Er waren talloze borden kokendhete linzensoep, voor degenen die ze voor hun eerstgeboorterecht wilden kopen. Enkele artikelen kon men echter op de Kermis der IJdelheden echt niet kopen. Als een klant zijn voorraad jeugd wilde aanvullen, boden de kooplieden hem een stel valse tanden en een kastanjebruine pruik aan. Als hij naar gemoedsrust vroeg, bevalen zijn hem opium of een fles brandewijn aan.


Vaak werden grote percelen land en gouden woningen, gelegen in de Hemelse Stad, tegen zeer ongunstige voorwaarden ingewisseld voor de huur van kleine, sombere en ongeriefelijke appartementen op de Kermis der IJdelheden. Vorst Beëlzebub zelf had grote belangstelling voor dit soort handel, en verwaardigde zich soms in kleinere zaken te mengen. Ik had een keer het genoegen hem met een gierigaard te zien onderhandelen over zijn ziel, die zijne Hoogheid, na veel vernuftig schermutselen van beide zijden, gelukte te verkrijgen voor ongeveer zes stuivers. De vorst merkte glimlachend op, dat hij aan deze transactie verloor.


Terwijl ik door de straten van IJdelheid wandelde, gingen mijn manieren en gedrag van dag tot dag steeds meer op die van de inwoners lijken. Het leek alsof ik mij thuis begon te voelen. De gedachte om mijn reis naar de Hemelse Stad te vervolgen was bijna uit mijn hoofd verdwenen. Ik werd er echter weer aan herinnerd, door de aanblik van dezelfde twee eenvoudige pelgrims, waar wij zo hartelijk om hadden gelachen, toen Apollyon rook en stoom in hun gezichten blies, aan het begin van onze reis. Daar stonden ze dan, midden in de grootste drukte van IJdelheid – de handelaren boden hen purper, fijn linnen en juwelen aan. De grappenmakers en komieken staken de draak met hen.

Een stel wulpse dames lonkten hen dubbelzinnig toe, terwijl de welwillende mijnheer Zand-erover wat van zijn wijsheden in hun buurt fluisterde, en op een pasgebouwde tempel wees – maar daar stonden die brave halzen, waardoor het tafereel er woest en monsterlijk uitzag, alleen maar door hun hardnekkige weigering om aan de bedrijvigheid en het vermaak deel te nemen.


Een van hen – hij heette Blijf-eerlijk – merkte, volgens mij, op mijn gezicht een soort mededogen en bijna bewondering, waar ik tot mijn eigen grote verbazing, niets aan kon doen, dat ik dat voor dit eigenwijze stel voelde. Het bracht hem ertoe mij aan te spreken.


"Mijnheer," vroeg hij, met een trieste, maar toch zachtaardige en vriendelijke stem, "noemt u zichzelf een pelgrim?"


"Ja," antwoordde ik, "mijn recht op die titel staat buiten kijf. Ik ben slechts een gast hier op de Kermis der IJdelheid, want ik door de nieuwe spoorweg vast aan de Hemelse Stad."


"Helaas, vriend," antwoordde de heer Blijf-eerlijk, "ik verzeker u, en verzoek u dringend op de waarheid van mijn woorden te vertrouwen, dat die hele zaak een zeepbel is. U kunt er uw hele leven mee rijden, als zou u duizend jaar leven, en toch nooit voorbij de grenzen van de Kermis der IJdelheid komen! Sterker nog. Zelfs als u denkt dat u de poorten van de Gezegende Stad binnengaat, zal dat niet meer dan een tragische misvatting zijn."


"De Heer van de Hemelse Stad, " begon de andere pelgrim, die de heer Te-voet-naar-de-hemel heette, "heeft geweigerd, en zal altijd weigeren om voor deze spoorweg de acte van een naamloze vennootschap te verlenen, en tenzij dat bereikt kan worden, kan geen enkele reiziger de hoop koesteren, dat hij zijn gebied ooit kan binnengaan. Daarom moet iedereen, die een kaartje koopt, er rekening mee houden dat hij zijn aankoopbedrag, de waarde van zijn eigen ziel, verliest."


"Poe, onzin!" zie de heer Zand-erover, pakte mij bij de arm en nam mij mee, "tegen deze lieden zou een aanklacht wegens laster moeten worden ingediend. Als de wet nog steeds als voorheen in de Kermis der IJdelheid zou gelden, zouden wij hen door de ijzeren tralies van het gevangenisvenster zien grijnzen."


Dit voorval maakte een diepe indruk op mij en droeg, samen met andere omstandigheden ertoe bij, dat ik een afkeer kreeg tegen een blijvend verblijf in de stad der IJdelheid, hoewel ik natuurlijk niet zo onnozel was, om mijn oorspronkelijke plan om mij gemakkelijk en geriefelijke over de spoorweg voort te laten glijden, op te geven. Ik verlangde er steeds meer naar om hier weg te wezen. Er was iets vreemds dat mij verontrustte. Het was niet meer dan normaal, dat iemand, midden onder de bezigheden en het vermaak van de kermis, - of het nou op een feest, in het theater, de kerk, of tijdens het zaken doen om rijkdom of eer te verwerven, of waar hij ook mee bezig was, en hoe ongelegen de onderbreking ook mocht zijn – plotseling als een zeepbel verdween, en door zijn kameraden nooit meer werd teruggezien. En die laatsten waren aan dergelijke onbetekende voorvallen zo gewend, dat zij met hun bezigheden door gingen, alsof er niets was gebeurd. Maar zo ging het niet met mij.


Na een vrij lang verblijf op de Kermis, hervatte ik mijn reis naar de Hemelse Stad, nog steeds in gezelschap van de heer Zand-erover. Een klein stuk na de voorsteden van IJdelheid, passeerden wij een oude zilvermijn, die voor het eerst door Demas [6] was ontdekt, en die nu tot een winstgevende zaak is gemaakt, omdat hij vrijwel alle gemunte geld voor de hele wereld levert. Even verderop was de plek waar de vrouw van Lot [7] eeuwenlang, in de gedaante van een zoutpilaar, had gestaan. Nieuwsgierige reizigers hebben het lang geleden stukje bij beetje meegenomen. Als alle spijt net zo ongenadig was afgestraft als die van die arme dame, zou mijn hunkering naar de opgegeven genoegens van de Kermis der IJdelheid, misschien in mijn eigen lichamelijke substantie een gelijke verandering hebben teweeggebracht, en mij hebben achtergelaten als waarschuwing voor de toekomstige pelgrims.


Het volgende opmerkelijke voorwerp was een groot gebouw, opgetrokken van met mos begroeide stenen, maar met een hedendaagse en levendige stijl. Met de gebruikelijke ontzagwekkende gil, kwam de locomotief in de nabijheid van het gebouw tot stilstand.


Illustratie

"Dit was vroeger het kasteel van de geduchte reus Wanhoop," merkte mijnheer Zand-erover op, "maar na zijn dood, heeft mijnheer Flinterdun-geloof, het opgeknapt, en drijft daar nu een uitstekend huis van vermaak. Het is een van onze pleisterplaatsen."


"Het lijkt nogal onzorgvuldig in elkaar geflanst te zijn," merkte ik op, terwijl ik naar de fragiele, maar massieve muren keek. "Ik benijd die woning van mijnheer Flinterdun-geloof niet. Het zal op een dag wel op de hoofden van de bewoners neerstorten."


"Wij zullen in elk geval ontsnappen," zei Mijnheer Zand-erover, "want Apollyon brengt de locomotief weer op stoom."


De weg liep nu steil af naar de kloof van de Zalige Bergen, en kruiste het veld, waar in vroegere tijden de blinden tussen de graven door liepen en struikelden. Een van die oude grafstenen was door een kwaadaardig persoon dwars over het spoor gegooid en veroorzaakte bij de stoet wagens een vreselijke schok. Ver naar boven, op de ruige flank van een berg, ontwaarde ik een roestige, ijzeren deur, gedeeltelijke overwoekerd door struikgewas en klimplanten, maar uit de rotsspleten kwam rook tevoorschijn.


"Is dat nou," vroeg ik, "de deur op de bergflank, waarvan de herders Christen verzekerden dat het zijweg naar de Hel was?"


"Dat was een grap van de herders," zei mijnheer Zand-erover, met een glimlach. "Het is niets meer of minder dan de deur van een grot, die zij gebruiken als rokerij voor de bereiding van gerookte schapenhammen."


Mijn herinneringen aan de reis zijn vanaf dat moment, gedurende een korte periode, duister en verward, omdat mij toen een merkwaardige slaperigheid overviel, tengevolge van het feit dat wij over betoverde grond reden, waarvan de uitwaseming een slaapneiging teweegbracht. Ik ontwaakte echter, zodra wij de grenzen van het aangename land Beulah [8] passeerden. Alle passagiers wreven hun ogen uit, vergeleken hun horloges, en wensten elkaar geluk met het vooruitzicht op het zo tijdig bereiken van het einde van de reis. Verfrissend kwamen de zoete winden van dit gezegende klimaat bij onze neuzen aan. Wij ontwaarden de glinsterende uitbarsting van zilveren fonteinen, waar bomen met prachtig loof en verrukkelijke vruchten overheen hingen, die waren opgekweekt uit stekken uit de hemelse tuinen. Toen wij daar naartoe raasden, was er opeens een gefladder van vleugels, en de stralende verschijning van een engel in de lucht, die zich voortspoedde met een af andere hemelse boodschap. De locomotief kondigde nu aan, dat wij in de nabijheid van het eindstation waren, met een laatste en verschrikkelijke gil, waarin Illustratiemen alle soorten geweeklaag en smart leek te kunnen horen, en een bittere en felle gramschap, en dat alles vermengd met het woeste geschater van een duivel of krankzinnige. Tijdens onze hele reis en op elke pleisterplaats, had Apollyon van zijn vindingrijkheid gebruik gemaakt door uit de fluit van de stoommachine de meest afschuwelijke geluiden te persen. Maar in deze slotpoging overtrof hij zichzelf, en bracht een hels tumult teweeg, dat, behalve dat het de vreedzame inwoners van Beulah in beroering bracht, zijn afschuwelijk geluid zelfs door de hemelse poorten moet hebben gezonden.


Terwijl de angstaanjagende herrie nog in onze oren dreunde, hoorden wij een jubelend geluid, alsof duizend muziekinstrumenten, met hoge, lage en zoete klanken, tegelijkertijd lieflijk en zegevierend, eendrachtig werden aangeslagen, om de aankomst te begroeten van een luisterrijke held, die een goede strijd had gestreden en schitterende overwinning had behaald, en die nu was teruggekomen om zijn gehavende wapens voorgoed neer te leggen. Ik probeerde te ontdekken wat de reden van deze vreugdevolle eensgezindheid was, en zag, toen ik uit de wagon stapte, dat zich aan de overzijde van de rivier een grote menigte stralende wezens had verzameld, om de twee pelgrims te verwelkomen, die juist uit het diepe water tevoorschijn kwamen. Het waren dezelfden, die Apollyon en wijzelf met spot en schimpscheuten en gloeiende stoom hadden achtervolgd, bij het begin van onze reis – dezelfden, die met hun onwereldse voorkomen en indrukwekkende woorden mijn geweten wakker hadden gemaakt, temidden van de luidruchtige pleziermakers op de Kermis der IJdelheid.


"Wat zijn die mensen verbazingwekkend opgeschoten!" riep ik naar mijnheer Zand-erover. "Ik hoop dat wij op net zo’n goede ontvangst mogen rekenen."


"Nooit bang zijn – nooit bang zijn!" antwoordde mijn vriend. "Kom – schiet op, de veerboot zal zo meteen van wal steken, en binnen drie minuten zult u aan de overzijde van de rivier zijn. Daar zult u ongetwijfeld rijtuigen vinden die u naar de poorten van de stad zullen brengen."


Een stoomveerpont, de laatste ontwikkeling op deze belangrijke route, lag stomend, snuivend en al die andere onaangename geluiden makend, die aangeven dat het vertrek op handen was, aan de rivieroever. Met de overige passagiers, waarvan de meesten in grote verwarring verkeerden, spoedde ik mij aan boord. Sommigen schreeuwden om hun bagage, anderen trokken aan hun haren en riepen uit dat de boot zou ontploffen of zinken. Sommigen werden door de deining van de rivier al bleek om de neus. Anderen staarden weer verschrikt naar afstotelijke gezicht van de stuurman, en dan waren er ook nog die nog duizelig waren door de slaapverwekkende invloed van de Betoverde Grond.


Ik keek weer naar de oever en verbaasde mij toen ik mijnheer Zand-erover zag, die met zijn hand vaarwel wuifde!


"Gaat u niet naar de Hemelse Stad?" riep ik.


"O, nee!" antwoordde hij met een verdachte glimlach, en diezelfde onaangename verkramping van zijn gezicht, die ik ook bij de bewoners van het Donkere Dal had gezien. "O, nee! Ik ben alleen maar zover meegegaan om u een prettig gezelschap te bieden. Tot ziens! Wij komen elkaar wel weer tegen."


En toen barstte mijn voortreffelijke vriend, mijnheer Zand-erover, in een schaterlachen uit, en midden in die bulderlach, siste rookkringels uit zijn mond en neusgaten, terwijl een fonkeling van spookachtige vlammen uit beide ogen schoot, die onmiskenbaar aantoonden dat zijn hart in vuur en vlam stond. De schaamteloze vijand! Het bestaan van Tofeth ontkennen, terwijl hij zijn vurige kwellingen in zijn borst voelde! Ik snelde naar de andere kant van de boot, van plan om mijzelf op de oever te werpen. Maar raderen van de boot begonnen te draaien en wierpen een regen van waterdruppels over mij heen, zo koud – zo dodelijk koud, en met de kilte die deze wateren nooit zal verlaten, tot het moment dat de Dood in zijn eigen rivier zal verdrinken – dat ik, huiverend en met een bonzend hart ontwaakte.


De Hemel zij dank, het was een Droom!


NOTEN:


Illustratie

[1] Psalmen 118:19-20 Ontsluit mij de poorten der gerechtigheid, ik zal daardoor binnengaan, ik zal de Here loven. 20 Dit is de poort des Heren, de rechtvaardigen gaan daardoor binnen.

Jessaja 26:2 Opent de poorten, opdat een rechtvaardig volk binnenga, dat zijn trouw bewaart.

Mattheus 7:13-14 Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; 14 want eng is de poort, en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden.

Lukas 13:24 Hij zeide tot hen: Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u, zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen.

De prent van "De Smalle en de Brede Weg", die decennialang in veel christelijke huiskamers heeft gehangen, geeft een duidelijk beeld van de tragische vergissing van het christendom. Zoals je kunt zien is de "Enge Poort" aan het begin van de "Smalle Weg" gesitueerd, terwijl hij aan het eind daarvan behoort te staan, net voor het moment, dat de pelgrim, de zoeker, zijn laatste band met de wereld heeft verbroken. Het christendom denkt echter, dat als je maar "in de here Jezus" gelooft, wat dat ook moge betekenen, je de "Enge Poort" passeert. 

[2] Openbaringen 9:11 Hun koning was de engel van de afgrond. In het Hebreeuws heet hij ‘Abaddon’, in het Grieks ‘Apollyon’: Verderver.

Illustratie[3] De heilige Jacobus van Compostella, keerde zich van de denkbeelden en het vermaak van dit leven af, om te mediteren over het lijden, de vernedering en dood van Christus. Hij beloofde plechtig dat hij alleen, blootsvoets en nederig naar het heilige Land zou reizen en pas zou stoppen bij het graf van de Verlosser in Palestina. Als eerste bedevaartganger of pelgrim, hield hij zijn gelofte. Op zijn reis naar het Oosten bond hij op zijn hoofddeksel een kleine zwarte hartschelp, een symbool van de zee en een zinspeling op water in de woestijn. Tijdens zijn terugreis van het graf, droeg hij een witte hartschelp op zijn hoofddeksel, een symbool van zuivering. Sindsdien is de schelp het kenteken van de pelgrim geweest, het kenteken van de zwerver, de reizigers uit verre landen, de zoeker naar het onbekende. Als een pelgrim uit Palestina terugkeerde met een witte schelp op zijn hoofddeksel, maakten de koningen plaats voor hem, want de heilige man had op heilige grond gestaan.

[4] Tofeth is een plaats in de buurt van Jeruzalem, waar volgens de Bijbel, (Jeremia 7: 31: Zij hebben hun gruwelen geplaatst in het huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, om dat te verontreinigen, en zij hebben de hoogten van Tofeth gebouwd, die zich in het dal Ben-Hinnom bevinden, om hun zonen en dochters met vuur te verbranden) de Kaänieten kinderen aan de god Moloch offerden, door hen levend te verbranden. Men denkt dat het een plek is in het dal van Gehenna.

De naam is mogelijk ontleend aan het Hebreeuwse toph = trommel, omdat trommels werden gebruikt om het geschreeuw van de kinderen te overstemmen; of van het Hebreeuwse taph of toph = verbranden.

Tofeth werd een synoniem voor hel, net als het Griekse woord Gehenna, dat in het Nieuwe Testament consequent als "hel" wordt vertaald.

[5] Transcendentalist = iemand die gelooft dat God boven en buiten de wereld bestaat

[6] In 2 Timótheus 4:10 schrijft Paulus: Want Demas heeft mij uit liefde voor de tegenwoordige wereld verlaten.

[7] Voordat de Here Sodom verwoeste kreeg Lot bezoek van twee engelen die hem maanden met zijn vrouw en twee dochters te vluchten met de boodschap: Vlucht om uws levens wil; ZIE NIET OM, en sta nergens in de streek stil, opdat gij niet verdelgd wordt. Toen liet de Here zwavel en vuur op Sodom en Gomorrha regenen, van de Here uit de hemel; en Hij keerde de steden om, benevens de hele Streek met alle inwoners der steden en het gewas van de aardbodem. Maar zijn vrouw, die achter hem liep, ZAG OM, en werd een zoutpilaar. (Genesis 19)

[8] Jesaja 62:4 Men zal u niet meer noemen: Verlatene, en men zal uw land niet meer noemen: Woestenij; maar gij zult genoemd worden: Mijn Welgevallen, en uw land: Beulah. Want de Here heeft een welgevallen aan u, en uw land wordt ten huwelijk genomen.


Naar boven