Home

Ted Kaczynski

De Waarheid Over
Het PrimitieveLeven:
Een Kritische Beschouwing
Over Het Anarchoprimitivisme

Geschreven in de gevangenis 2008


INLEIDING:


Ted Kaczynski, de Unabomber, werd in 1996 gearresteerd en in 1998 tot levenslang veroordeeld. En in zijn gevangenschap schrijft hij en correspondeert met honderden mensen buiten de gevangenis. Zijn bomaanslagen, waarbij verschillende slachtoffers vielen zijn op geen enkele manier goed te praten, hoewel John F. Kennedy ooit zei: “Those who make peaceful revolution impossible make violent ones inevitable.” Dit artikel is een van zijn laatste publicaties. Hij keert zich daarin, grondig beargumenteerd, tegen de idealisering van de primitieve mens, de mythe van het anarchoprimitivisme, waarvan John Zerzan een van de protagonisten is, maar ook tegen alle utopistische stromingen, die een terug naar de natuur bepleiten, terug naar de een geïdealiseerde Gouden Tijd, naar Luilekkerland, het Land van Melk en Honing, waar niemand meer hoeft te werken, alle ellende voorbij is, nooit meer iemand ziek wordt, meesters noch knechten zijn, kortom het aardse paradijs.

Zijn artikel is zeer verhelderend, niet alleen in zijn terechtwijzing van de anarchoprimitivisten, maar ook omdat hij daarin zijn eigen vooroordelen ventileert. Het lijkt zinnig om eerst een aantal door hem gebruikte termen en begrippen nader te definiëren.

Anarchie: afkomstig van het Griekse αν = geen en αρχή = a) oorsprong. b) principe. c) gezag, macht. Doorgaans gebruikt in de betekenis c) en meer in het bijzonder gezag in de vorm van Staatsgezag. In ruimere zin betekent het alle vormen van gezag of macht van de ene mens over de andere, dus ook ouders over kinderen, mannen over vrouwen en omgekeerd, meesters over knechten, directeuren over werknemers, leiders over volgelingen, docenten over leerlingen, deskundigen over leken, clerus over gelovigen, kortom overal waar de een bepaalt hoe de ander moet leven, maar het geldt ook voor de macht die de mens over de natuur denkt uit te moeten oefenen. Anarchie in de ware zin des woords wil aan al die machtsverhoudingen een einde maken, de mens (dus ook het kind) zijn ware autonomie teruggeven. Alle andere vormen van zogenaamde anarchie zijn daar slechts een zwakke afspiegeling van. Een anarchist die geweld gebruikt is zoiets als een vleesetende vegetariër of een christelijke machthebber.

Cultuur: alles wat niet natuur is, altijd gebaseerd op macht van de ene mens over de andere. Alles wat door de mens geproduceerd wordt, alle artefacten, zijn cultuurproducten. Een primitieve cultuur is dus ook een cultuur, een afwijking van het oorspronkelijke. En alle ziekten zijn beschavingsziekten, symptomen van de discrepantie tussen wat de mens is en zoals hij zich geleerd heeft te gedragen en te denken, tussen de onbeschaafde, de mens waar niet aan is geschaafd, de oorspronkelijke mens en de beschaafde mens. Tussen wat de mens is en wat hij denkt dat hij is, dus symptomen van zijn gespletenheid.

Primitief/primitivisme: ook primitief kent verschillende betekenissen, namelijk oorspronkelijk en een vroeg stadium van ontwikkeling. Zo gezien is de jager-verzamelaar niet de oorspronkelijke mens, maar de mens die zijn oorspronkelijkheid verlaten heeft, leeft met verleden en toekomst, in hierarchische systemen leeft en zijn autonomie heft opgegeven.

Waar Kaczynski en de anarchoprimitivisten dezelfde fout maken is dat ze beiden uitgaan van het na te streven ideaal van de jager-verzamelaar. Jagen houdt in dat vleeseten natuurlijk zou zijn en verzamelen dat mensen niet meer in het nu leven maar in de tijd, plannen maken, in de toekomst kijken, zich bekommeren om de dag van morgen en beide bezigheden zijn aangeleerd gedrag, dat de oorspronkelijke mens niet kent. Hoewel de bijbel een krankzinnig boek is, vol tegenstrijdigheden en geweld, staan er toch hier en daar zinnige dingen in, zoals Voltaire zei: j’ai passé ma vie à marcher sur des calloux, pour chercher parmi eux des pierres précieuses (ik heb mijn leven lang over kiezelstenen gelopen, om daartussen kostbare stenen te zoeken). In Genesis staat (1:29): “en God zei Ik geef u al het zaaddragende gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen.” En zo zwierf de oorspronkelijke mens over deze aarde, in gelukzaligheid genietend van wat de aarde hem in al haar overvloed bood, naakt, taalloos, schaamteloos, zorgeloos, van niemand afhankelijk, zonder ziekten en pijn, met andere woorden, onbeschaafd en cultuurloos en liet geen sporen achter. Dat dieren opgegeten konden worden, was hem volmaakt vreemd. Dat je voedsel moest verzamelen eveneens. Hij leefde zoals dat tegenwoordig zo modieus heet in het nu, in de natuur en er niet tegenover. Maar toen “at hij van de boom van kennis van goed en kwaad” (overigens fascinerend hoeveel mensen dat ‘van goed en kwaad’ vergeten!) zoals dat in de fabel heet en ging zelf bepalen wat goed en kwaad, gezond en ongezond, was en werd jager-verzamelaar, verdreef zichzelf uit zijn oorspronkelijke toestand en creëerde eigenmachtig een cultuur, kwam van kwaad tot erger en werd veeteler en landbouwer, en toen was het hek van de dam, want toe kamne de deskundigen die wisten hoe anderen moesten leven. De mens schaafde en snoeide steeds meer aan zichzelf en anderen en werd beschaafd, ging zich schamen en moest die schaamte bedekken. Vond de taal uit om bevelen te geven. Verwierf bezit en zei: “Dat is van mij.” Zoals Jean-Jacques Rousseau in zijn Vertoog over de Ongelijkheid zei: “De eerste die een stuk grond omheinde en durfde te zeggen ‘dat is van mij’, en mensen aantrof die onnozel genoeg waren om hem te geloven, was de ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij. Wat een misdaden, oorlogen, moorden, wat een ellende en verschrikkingen was de mensheid niet gespaard gebleven als iemand toen de palen had uitgerukt of de gracht had gedempt en tot zijn medemensen had geroepen: ‘Hoed je om naar die bedrieger te luisteren; jullie zijn verloren als jullie vergeten dat de vruchten iedereen toebehoren en dat de aarde van niemand is’!”

En was niet gelukkig meer, bang en onzeker, en werd steeds afhankelijker van anderen. En een van die cultuurartefacten was het libido en copuleren en orgasme een manier om even te ontsnappen aan zijn zelf gecreëerde en in stand gehouden ellende. En er kwamen kinderen die hen gelukkig moesten maken, als verzekering voor hun oude dag, waar ze van konden maken wat hen zelf niet gelukt was, die hogerop moesten komen in de hiërarchische systemen die ze zelf in het leven hadden geroepen, wat goedgepraat werd met neologismen als moederinstinct, en tegenwoordig door evolutiebiologen en –psychologen, die kennelijk zelf door hun libido worden geplaagd, geduid wordt als het instinct om “genetisch materiaal” door te geven en de soort in stand te houden en het volk gelooft dat ook nog, alsof zevenmiljard mensen hun genetisch materiaal door moeten geven en de soort in stand moeten houden! Gelukkige mensen copuleren niet en hebben ook geen kinderen nodig om hen gelukkig te maken. En zo zitten we met zijn allen nu met de ellende.

Een ander punt waarin Kaczynski zich vergist is zijn aanval op het vroege christendom, als hij schrijft “Het jagende-en-verzamelende Utopia van de anarchoprimitivisten komt overeen met de Hof van Eden, waarin Adam en Eva een behaaglijk en zondeloos leven leidden.” In de Hof van Eden werd echt niet gejaagd, noch verzameld. Misschien komt dat voort uit zijn aversie tegen christenen, maar de zogenaamde christenen hebben, behalve hun mooie woorden, helemaal niets met het Evangelie te maken, want “gesteld dat een Marsbewoner onze wereld kon bezoeken, dan zou hij zich in stomme verbazing afvragen hoe het mogelijk is dat men b.v. de Rooms-Katholieke kerk in verband weet te brengen met het Nieuwe Testament” (W.F. Hermans, in Mandarijnen op Zwavelzuur, p. 133).

Voor wie dit allemaal onzinnig in de oren klinkt, utopisch en onbereikbaar, die is zijn kindertijd vergeten, heeft zijn verleden geidealiseerd, het kind in zich vermoord en gelooft bizarre hersenspinsels, die door anderen bedacht zijn. In de kleine kinderen om ons heen zien wij de oorspronkelijke mens, de taalloze, cultuurloze, schaamteloze en onbevangen mens. En wie zegt dat de mens zulke prachtige dingen gewrocht heeft, moet ook niet zeuren als hij bijvoorbeeld kanker krijgt, want dat is gewoon de andere kant van die zelf gecreëerde medaille. Is er dan een weg terug? Natuurlijk wel! Zoals Heraclitus zei: ὁδὸς ἂνω κάτω μία καὶ ὡυτή, de weg op en neer is één en dezelfde. En de primitieven? Die zijn slechts een baken op onze weg terug naar huis. Is dan alles tevergeefs geweest? Ja, helaas wel, want tot nu toe heeft de mens er nooit iets van geleerd.



Slagveld de Wereld. 1000 Jaar oorlog in 5 minuten

door Jordi Colomer Matutano


DE VOORUITGANG?

MOET DEZE ‘BESCHAVING’ GERED WORDEN?


This animation shows all important battles that took place over the last ten centuries. The sizes of the explosions and labels are proportional to the number of casualties. The music is "Ride Of The Valkyries" by Richard Wagner. The data comes from the wikipedia article, List of Battles.
Most of the activity seems to happen in Europe, this is because the english wikipedia was used. In a future release of this video I will merge wikipedias in different languages to solve this bias.

Jordi Colomer Matutano - http://jordic.com/

En dan te bedenken dat al die oorlogen slechts de resultante zijn geweest van alle ruzies en onenigheden van de mensen onderling en uiteindelijk van de onvrede (wat een eufemisme!) van de mens met zichzelf, dé voorwaarde voor welke cultuur dan ook. Als dat aangegeven was in het filmpje zou de hele bewoonde aarde al millenia-lang overal gloeien als een ondergrondse veenbrand, die slechts oplaait in oorlogen.




Inhoud

Slotopmerking
Lijst van geciteerde werken

Werken, alfabetisch gerangschikt naar achternaam van de schrijver
Werken zonder vermelde schrijver
Periodieken


1. Tijdens het voortschrijden van de Industriële Revolutie schiep de hedendaagse maatschappij voor zichzelf een zelfgenoegzame mythe, de “vooruitgangsmythe.” Vanaf de tijd van onze verre, aapachtige voorouders, was de menselijke geschiedenis een ononderbroken opmars geweest naar een betere en stralendere toekomst, waarbij iedereen vreugdevol elke nieuwe technologische vooruitgang verwelkomde: veeteelt, landbouw, het wiel, stedenbouw, uitvinding van schrift en geld, zeilschepen, het kompas, buskruit, drukpers, stoommachine en tot slot de kroon op de menselijke inspanningen: de moderne industriële maatschappij! Voorafgaande aan de industrialisatie was vrijwel iedereen gedoemd tot een ellendig leven met onophoudelijke, slopende arbeid, ziekten door slechte voeding en een voortijdige dood. Mogen wij ons dan niet gelukkig prijzen dat we in deze tijd leven en over een zee aan vrije tijd en een scala aan technologische gemakken beschikken, die ons leven vergemakkelijken? Ik denk dat er tegenwoordig maar weinig weldenkende, oprechte en goed ingelichte mensen zijn die nog steeds in deze mythe geloven. Om je geloof in “vooruitgang” te verliezen hoef je alleen maar om je heen te kijken en de verwoesting te aanschouwen van ons milieu, de verspreiding van kernwapens, het buitensporig grote aantal depressies, angststoornissen, de geestelijke armoede van een maatschappij die zich hoofdzakelijk voedt met televisie en computerspelletjes…. en ga zo maar door.


De vooruitgangsmythe is misschien nog niet helemaal, maar wel op sterven na dood. In haar plaats is een andere mythe in opkomst, een mythe die vooral gepropageerd wordt door de anarchoprimitivisten, hoewel die eveneens in andere kringen wijdverbreid is. Volgens die mythe hoefde vóór de opkomst van de beschaving nooit iemand te werken, plukten de mensen gewoon hun voedsel van de bomen, propten het in hun mond en brachten de rest van hun tijd, samen met de bloemenkinderen, door met zakdoek-leggen-niemand-zeggen. Mannen en vrouwen waren gelijk, ziekten bestonden niet, er was geen rivaliteit, geen racisme, seksisme of homofobie; de mensen leefden in harmonie met de dieren en er was alleen maar liefde, samen delen en samen werken.


Toegegeven, het voorgaande is een karikatuur van de visie van de anarchoprimitivisten. De meesten van hen hebben — hoop ik — het contact met de werkelijkheid niet zó zeer verloren. Toch zijn ze dat contact redelijk kwijt en is het hoog tijd dat iemand hun mythe ontmaskert. Omdat dat de opzet van dit artikel is, zal ik hier weinig zeggen over de positieve aspecten van primitieve gemeenschappen. Ik wil echter wel duidelijk maken dat er over dergelijke gemeenschappen eigenlijk heel wat positiefs gezegd kan worden. Met andere woorden, de anarchoprimitivistische mythe is niet voor honderd procent een mythe; er kleven wat aspecten van de werkelijkheid aan.


2. Laten we beginnen met het begrip “oorspronkelijke overvloed.” Onder de anarchoprimitivisten lijkt het een geloofsartikel te zijn dat onze jagende-en-verzamelende voorouders per dag gemiddeld maar twee tot drie uur of twee tot vier uur, omdat de gegeven getallen uiteenlopen hoefden te werken, maar het aangegeven maximum bedraagt nooit meer dan vier uur per dag, of 28 uur per week (gemiddeld). 1 Mensen die deze getallen leveren geven doorgaans niet precies aan wat zij onder werk verstaan, maar de lezer moet maar aannemen dat het alle activiteiten omvat die noodzakelijk zijn om het hoofd te bieden aan de eisen, die de manier van leven van de jager-verzamelaar hem stelt.


Kenmerkend is dat anarchoprimitivisten gewoonlijk verzuimen de bron aan te geven voor deze vermeende informatie, maar die schijnt hoofdzakelijk ontleend te zijn aan twee essays, een van Marshall Sahlins (The Original Affluent Society 2), en het andere van Bob Black (Primitive Affluence 3). Sahlins beweerde dat voor de Bosjesmannen uit het Dobe-gebied in Zuid-Afrika de “werkweek ongeveer 15 uur bedroeg.” 4 Voor deze informatie beriep hij zich op het onderzoek van Richard B. Lee. Ik heb niet rechtstreeks toegang tot de werken van Lee, maar beschik wel over een kopie van een artikel van Elisabeth Cashdan, waarin ze de resultaten van Lee zorgvuldiger en completer samenvat dan Sahlins. 5 Cashdan spreekt Sahlins ronduit tegen: Volgens haar stelde Lee vast dat de Bosjesmannen die hij bestudeerde meer dan veertig uur per week werkten. 6

In een gedeelte van zijn essay, dat veel anarchoprimitivisten gemakshalve over het hoofd hebben gezien, onderschrijft Bob Black die veertigurige werkweek en geeft een verklaring voor voorgaande tegenstrijdigheid: Sahlins liet zich leiden door eerder werk van Lee dat alleen rekening hield met de aan jagen en verzamelen bestede tijd. Als alle noodzakelijke arbeid in aanmerking werd genomen werd de werkweek meer dan verdubbeld. 7

Het werk, dat door Sahlins en de anarchoprimitivisten buiten beschouwing werd gelaten, omvatte waarschijnlijk het onaangenaamste deel van de werkweek van de Bosjesmannen, omdat het grotendeels bestond uit het bereiden van voedsel en verzamelen van brandhout.8 Ik spreek uit uitgebreide persoonlijke ervaring met voedsel uit het wild: het bereiden van dat soort voedsel is heel vaak strontvervelend. Het is veel leuker om noten te verzamelen, wortels uit te graven of te jagen dan noten kraken, wortels schoon te maken of dieren te villen en te slachten, dan brandhout verzamelen en boven een open vuur koken.


De anarchoprimitivisten vergissen zich ook als ze denken dat de bevindingen van Lee toegepast kunnen worden op jager-verzamelaars in het algemeen. Het is zelfs niet duidelijk of die bevindingen gedurende het hele jaar toepasbaar zijn op de door Lee bestudeerde Bosjesmannen. Cashdan citeert bewijsmateriaal waaruit blijkt dat het onderzoek van Lee mogelijk verricht is in de tijd van het jaar dat zijn Bosjesmannen het minst werkten. 9 Ze maakt ook melding van twee andere jagende-en-verzamelende volkeren waarvan kwantitatief is aangetoond dat ze veel meer tijd besteedden aan jagen en verzamelen dan de Bosjesmannen van Lee, 10 en wijst erop dat Lee waarschijnlijk een veel te lage schatting heeft gemaakt van de werktijd van de vrouwen, omdat hij de tijd die besteed werd aan de zorg voor de kinderen buiten beschouwing heeft gelaten. 11

Ik ben niet bekend met enig ander zorgvuldig kwantitatief onderzoek naar de werktijd van jager-verzamelaars, maar het staat vast dat sommige jager-verzamelaars in ieder geval heel wat langer werkten dan de veertigurige week van Lee’s Bosjesmannen. Gontran de Poncins verklaarde dat de Eskimo’s bij wie hij rond 1939-1940 verbleef, “over een onbeduidende hoeveelheid vrije tijd beschikten,” en “per dag vijftien uur slaafden en zwoegden, louter om voedsel te bemachtigen om te overleven.” 12 Waarschijnlijk bedoelde hij niet dat ze elke dag vijftien uur werkten, maar uit zijn verslag blijkt duidelijk dat zijn Eskimo’s heel hard werkten.


Bij de voornamelijk door Paul Schebesta bestudeerde Mbuti-pygmeeën duurden de verzameltochten door de vrouwen in het oerwoud — als ze er niet in slaagden een hoeveelheid fruit en groenten te bemachtigen bij hun dorpbewonende buren —, tussen de vijf en zes uur. Afgezien van het verzamelen van voedsel, hadden de vrouwen nog een aanzienlijke hoeveelheid bijkomend werk te doen. Een vrouw moest bijvoorbeeld elke middag naar het oerwoud en keerde dan hijgend en gebukt onder een enorme lading brandhout terug naar het kamp. De vrouwen werkten veel meer dan de mannen, maar uit het verslag van Schebesta blijkt duidelijk dat de mannen toch veel langer werkten dan de drie of vier uur per dag, zoals de anarchoprimitivisten beweren.13 Colin Turnbull bestudeerde de Mbuti-pygmeeën die met netten werkten. Dankzij het voordeel dat de netten hen opleverden, hoefden deze Mbuti maar ongeveer twintig uur per week te jagen. Maar voor hen gold dat “het vervaardigen van netten in feite een volledige dagtaak is….waarbij zowel mannen als vrouwen betrokken zijn, als ze ook maar even niets te doen hebben en over de daarvoor benodigde vaardigheid beschikken.” 14 De Siriono, die in een tropisch oerwoud in Bolivia leefden, waren geen zuivere jager-verzamelaars, aangezien ze in beperkte mate en in bepaalde tijden van het jaar gewassen kweekten. Maar ze leefden hoofdzakelijk van jagen en verzamelen. 15 Volgens de antropoloog Holmberg gingen de Siriono-mannen gemiddeld om de dag op jacht. 16 Ze vertrokken bij het aanbreken van de dag en keerden meestal terug tussen vier en zes uur ‘s middags. 17 Dat betekent gemiddeld minstens elf uur jagen en met drie-en-een-halve dag per week komt dat neer op ten minste 18 uur jagen per week. Omdat de mannen ook nog, op dagen waarop ze niet op jacht gingen 18 een aanzienlijk hoeveelheid werk verrichtten, bedroeg hun werkweek, gemiddeld over het jaar, veel meer dan 40 uur. En daarvan werd maar weinig besteed aan het bebouwen van de grond. 19 Holmberg schatte dat de Siriono in feite ongeveer de helft van hun actieve leven besteedden aan jagen en verzamelen, 20 wat, voor alleen die bezigheden, ruwweg 56 uur per week zou betekenen. Als het andere werk daarbij opgeteld wordt, zou de werkweek veel meer dan 60 uur geweest zijn. De Siriono-vrouw “geniet zelfs nog minder respijt van het werk dan haar echtgenoot,” en “de verplichting om haar kinderen groot te brengen laat haar weinig tijd voor rust.” 21 Holmbergs boek bevat nog veel meer aanwijzingen over hoe hard de Siriono moesten werken. 22

In ‘The Original Affluent Society geeft Sahlins, in aanvulling op de Bosjesmannen van Lee, nog andere voorbeelden van jagende-en-verzamelende volkeren, die kennelijk weinig uren werkten, maar levert in de meeste van die gevallen geen kwantitatieve schatting van de werktijden, of alleen maar van de aan jagen en verzamelen bestede tijd. Als de Bosjesmannen van Lee als leidraad genomen worden, zou dat ruim onder de helft van de totale gewerkte tijd vallen. 23 Maar Sahlins geeft voor twee groepen Australische Aboriginals wel een kwantitatieve schatting van de aan “jagen, verzamelen van planten, voedselbereiding en het repareren van wapens bestede tijd.” In de eerste groep bedroeg de tijd die wekelijks door elke werker besteed werd aan die bezigheden gemiddeld 26½ uur; in de tweede groep ongeveer 36 uur. Maar daaronder viel niet alle werk; het zegt bijvoorbeeld niets over de tijd die besteed werd aan de zorg voor de kinderen, het verzamelen van brandhout, verplaatsen van het kamp of vervaardigen en repareren van andere werktuigen dan wapens. Als alle noodzakelijke werk meegerekend zou worden, zou de werkweek van de tweede groep zonder twijfel meer dan 40 uur zijn. De werktijd van de eerste groep geldt niet voor die van een normale jager-verzamelaarsgroep, omdat de eerste groep geen kinderen hoefde te voeden. Bovendien trekt Sahlins zelf de geldigheid in twijfel van de uit deze gegevens getrokken conclusies. 24 Maar zelfs als er incidentele voorbeelden gevonden zouden kunnen worden van jagende-en-verzamelende volkeren, waarvan de totale werktijd maar drie uur per dag bedraagt, zou dat natuurlijk weinig uitmaken voor onze opzet, omdat het er ons hier niet gaat om uitzonderlijke gevallen, maar om de kenmerkende werktijd van jager-verzamelaars. Wat de werkuren van de jager-verzamelaars ook geweest mogen zijn, veel van hun werk was lichamelijk zeer vermoeiend. Kenmerkend voor Siriono-mannen was dat ze tijdens hun jachttochten ongeveer vijftien mijl per dag aflegden en soms zelfs veertig mijl. 25 Het lopen van dat soort afstanden in een ongebaande wildernis 26 vereist veel meer inspanning dan dezelfde afstand over een weg of gebaand pad.


“Bij het lopen en rennen door moeras en jungle wordt de naakte jager blootgesteld aan doornen, stekels en lastige insecten…. Terwijl het zoeken naar voedsel duidelijk lonend is, omdat het voedsel om te overleven uiteindelijk altijd wordt bemachtigd, is het ook altijd een straf vanwege de vermoeidheid en inspanningen, die onvermijdelijk gepaard gaan met jagen, vissen en voedsel verzamelen.” 27 “Door te jagen verdrijven mannen vaak hun boosheid op anderen….Zelfs als ze niets doden keren ze niet langer boos terug naar huis. ”28

Voor de Siriono kon zelfs het plukken van wilde vruchten gevaarlijk zijn 29 en een aanzienlijke hoeveelheid werk vereisen. 3031 De Siriono maakten weinig gebruik van wilde wortels, 32 maar het is algemeen bekend dat veel jager-verzamelaars zeer afhankelijk waren van wortels als voedsel. Gewoonlijk is het verzamelen van eetbare wortels in de wildernis niet zoiets als wortels trekken uit de zachte, bewerkte grond in een tuin. De grond is daar hard, of bedekt met een taaie zode waar je je eerst doorheen moet werken om bij de wortels te komen. Ik zou sommige anarchoprimitivisten wel eens mee willen nemen naar de bergen, hen laten zien waar de eetbare wortels groeien en dan uitnodigen zelf voor hun eten te zorgen door ze op te graven. Tegen de tijd dat ze genoeg yampawortels of camasknollen zouden hebben voor een halve stevige maaltijd, zouden de blaren op hun handen hen afgeholpen hebben van elk idee dat primitieven niet hoeven te werken voor hun levensonderhoud. Het werk van jager-verzamelaars was ook vaak eentonig. Dit geldt bijvoorbeeld voor het opgraven van wortels als die klein zijn, wat het geval is bij veel van de wortels die gebruikt werden door de Indianen van westelijk Noord-Amerika, zoals de wortels van het bitterkruid en de eerder genoemde yampa- (pastinaak) en camaswortels (wilde hyacint). Ook bessen plukken is eentonig werk als je daar veel uren aan moet besteden.


Of probeer eens een hertenhuid te looien. Een onbewerkte, droge hertenhuid lijkt op karton en als je het buigt breekt het, net als karton.


Om gebruikt te kunnen worden als kleding of dekens, moeten dierenhuiden gelooid worden. Stel dat je de haren op de huid wil laten zitten — als winterkledij —, dan moet je drie onmisbare stappen nemen bij het looien van een hertenhuid. Op de eerste plaats moet je zorgvuldig elk stukje vlees verwijderen van de huid. In het bijzonder moet al het vet angstvallig nauwkeurig verwijderd worden, omdat de huid gaat rotten door elk greintje vet dat daarop achterblijft. Vervolgens moet de huid zacht gemaakt en tot slot gerookt worden. Als de huid niet gerookt wordt, droogt de huid stug op en wordt weer hard na het nat worden en moet dan weer helemaal opnieuw zacht gemaakt worden. De verreweg meest tijdrovende stap is het zacht maken. Het kan uren met je handen kneden kosten, of heen en weer halen over de kop van een in een blok hout geslagen spijker en dat is echt eentonig werk. Ik spreek uit ervaring. Een argument dat soms aangevoerd wordt is dat jager-verzamelaars die zich tot op heden weten te handhaven, in een ruige omgeving verbleven, omdat alle gastvrijere gebieden in bezit genomen waren door landbouw bedrijvende volkeren. Vermoedelijk moeten prehistorische jager-verzamelaars die een vruchtbare streek bewoonden veel minder hard gewerkt hebben dan de tegenwoordige jager-verzamelaars die in woestijnen of andere niet-vruchtbare gebieden leven.33 Dat kan wel zo zijn, maar het argument is speculatief en ik ben daar sceptisch over.


Ik ben nu wat ouder maar was altijd zeer vertrouwd met de eetbare wilde planten van het Oosten van de Verenigde Staten, een van de vruchtbaarste streken ter wereld, en het zou me verbazen als iemand daar met minder dan een veertigurige werkweek in leven kan blijven en een gezin onderhouden door te jagen en te verzamelen. Het gebied levert een breed scala aan eetbare planten, maar daarvan leven is niet zo eenvoudig als je zou denken. Neem bijvoorbeeld noten. Zwarte en witte walnoten en bitternoten zijn uiterst voedzaam en vaak overvloedig aanwezig. De Indianen plachten daar enorme voorraden van aan te leggen. 34 Als je in oktober een paar goeie bomen vond, kon je waarschijnlijk in een uur of minder genoeg noten verzamelen om jezelf een hele dag te voeden. Klinkt prachtig, nietwaar? Ja, het klinkt prachtig — althans als je nooit geprobeerd hebt een zwarte walnoot te kraken. Misschien zou Arnold Schwarzenegger een zwarte walnoot kunnen kraken met een gewone notenkraker — ten minste als de notenkraker niet meteen breekt — maar iemand met een gemiddelde lichaamsbouw kan dat niet. Je moet de noot met een hamer kapot slaan; en de binnenkant van de noot is verdeeld door tussenschotten die even dik en hard zijn als de notendop, dus moet je de noot in meerdere stukken breken en dan heel saai die stukjes vruchtvlees eruit peuteren. Dat is een tijdrovende bezigheid. Om voldoende voedsel voor één dag te krijgen, moet je misschien wel het grootste deel van de dag doorbrengen met alleen maar noten kraken en de stukjes vruchtvlees eruit halen. Wilde witte walnoten (niet te verwarren met de gekweekte Engelse walnoten die je in de winkel koopt) lijken heel veel op de zwarte. Bitternoten zijn niet zo moeilijk te kraken, maar hebben ook harde inwendige tussenschotten en zijn doorgaans veel kleiner dan zwarte walnoten. De Indianen omzeilden deze problemen door de noten in een vijzel te doen en in hele kleine stukjes te stampen, doppen, vruchtvlees, alles bij elkaar. Dan kookten ze het mengsel en zetten het weg om af te koelen. De stukjes dop zakten dan naar de bodem van de pot, terwijl het fijngestampte vruchtvlees daar in een laag bovenop dreef; zodoende kon het vruchtvlees gescheiden worden van de doppen. 35 Dat was ongetwijfeld doeltreffender dan het afzonderlijk kraken van de noten, maar zoals je kunt zien vereist dat nog steeds veel werk. De Indianen in het Oosten van de Verenigde Staten, gebruikten andere wilde voedingsmiddelen, die een meer of minder bewerkelijke bereiding vereisen om ze eetbaar te maken. 36 Het is nauwelijks aannemelijk dat ze dergelijke voedingsmiddelen gebruikt zouden hebben als er eenvoudiger te bereiden voedingsmiddelen waren geweest, die in voldoende hoeveelheden gemakkelijker beschikbaar waren.


Euell Gibbons, een deskundige in eetbare wilde planten, heeft verslag gedaan van een periode dat hij van het land leefde in het Oosten van de Verenigde Staten. 37 Het is moeilijk te zeggen wat zijn ervaring ons zegt over de werktijden van de primitieve mens, omdat hij geen getalmatig verslag geeft van de tijd die hij besteedde aan het verzamelen van voedsel. In ieder geval gingen hij en zijn metgezellen alleen op zoek naar voedsel en bereidden dat; ze hoefden geen huiden te looien, hun eigen kleren, gereedschappen en werktuigen te maken, of onderdak te zoeken; zij hoefden geen kinderen te voeden en vulden hun dieet aan met hoogcalorische in de winkel gekochte voedingsmiddelen: spijsolie, suiker en meel. Bij minstens één gelegenheid maakten ze voor vervoer gebruik van een auto.


Maar laten we ter wille van de discussie aannemen dat in de vruchtbare streken van de wereld wilde voedingsmiddelen ooit zo overvloedig waren dat het mogelijk was het hele jaar door van het land te leven met gemiddeld, laten we zeggen, drie uur werk per dag. Met dergelijke overvloedige hulpbronnen zou het voor jager-verzamelaars niet nodig zijn om op zoek naar voedsel rond te trekken. Het zou dan te verwachten zijn dat ze een vaste verblijfplaats kiezen en in dat geval zouden ze bezittingen kunnen vergaren en goed ontwikkelde sociale hiërarchieën kunnen vormen. Daardoor zouden ze in ieder geval een aantal van de eigenschappen kwijtraken die anarchoprimitivisten zo op prijs stellen bij nomadische jager-verzamelaars. Zelfs de anarchoprimitivisten ontkennen niet dat de Indianen van de Noordwestkust van Noord-Amerika sedentaire jager-verzamelaars waren die bezittingen vergaarden en goed ontwikkelde sociale hiërarchieën hadden. 38 Er zijn aanwijzingen die het bestaan doen vermoeden van soortgelijke jager-verzamelaargemeenschappen op andere plaatsen, waar de overvloedige natuurlijke hulpbronnen dat toelieten, bijvoorbeeld langs de grote Europese rivieren.39 Dat betekent voor de anarchoprimitivisten een dilemma: waar de natuurlijke hulpbronnen overvloedig genoeg waren om het werk te minimaliseren, maximaliseerden ze ook de waarschijnlijkheid op sociale hiërarchieën, iets dat door de anarchoprimitivisten verafschuwd wordt.


Ik heb echter niet geprobeerd aan te tonen dat de primitieve mens minder gelukkig was in zijn werk dan de huidige mens. Naar mijn mening gold het tegenovergestelde. In ieder geval hadden sommige nomadische jager-verzamelaars meer vrije tijd dan de huidige Amerikanen met een baan. Het klopt dat de ruwweg veertigurige werkweek van Richard Lee’s Bosjesmannen ongeveer overeenkomt met de normale Amerikaanse werkweek. Maar bij de huidige Amerikanen wordt buiten de uren die ze aan hun baan besteden verder nog een groot beroep gedaan op hun tijd. Toen ik nog een veertigurige baan had, had ik zelf ook het gevoel dat ik het druk had: ik moest naar de winkel voor mijn levensmiddelen, naar de bank, de was doen, belastingformulieren invullen, mijn auto naar de garage brengen voor onderhoud, mijn haren laten knippen, naar de tandarts….er was altijd wel iets dat gedaan moest worden. Veel van de mensen met wie ik nu correspondeer klagen er ook over dat ze druk zijn. In tegenstelling daarmee was de tijd van de mannelijke Bosjesman, buiten zijn werkuren, echt zijn eigen tijd; hij kon de tijd dat hij niet werkte invullen zoals hij zelf wilde. Volwassen Bosjesmanvrouwen hebben misschien veel minder vrije tijd gehad omdat zij, zoals vrouwen in alle samenlevingen, belast waren met de zorg voor kleine kinderen.


Maar vrije tijd is een modern begrip en de nadruk die de anarchoprimitivisten daarop leggen geeft blijk van hun dienstbaarheid aan de waarden van een beschaving die zij pretenderen te verwerpen. Het gaat niet om de hoeveelheid tijd die aan werk besteed wordt. Veel schrijvers hebben gediscussieerd over wat er mis is met het werk in de huidige maatschappij en ik zie geen reden om dat nog eens over te doen. Waar het om gaat is dat wat, afgezien van de eentonigheid, mis is met het werk in de huidige maatschappij, niet geldt voor het werk van nomadische jager-verzamelaars. Het werk van de jager-verzamelaar is uitdagend, zowel wat betreft de lichamelijke inspanningen als het niveau van de vereiste vaardigheden. 40 Het werk van de jager-verzamelaar heeft een doel en dat doel is niet abstract, ver weg of kunstmatig, maar concreet, heel echt, en van rechtstreeks belang voor de werker: Hij werkt om de daadwerkelijke behoeften van zichzelf te bevredigen, van zijn gezin en andere mensen met wie hij persoonlijk nauw contact heeft. Maar bovenal is de nomadische jager-verzamelaar een vrije werker: Hij wordt niet uitgebuit, hij is aan geen enkele baas ondergeschikt, niemand geeft hem opdrachten; 41 hij deelt zijn eigen werkdag in, is het niet als individu dan als lid van een groep, die heel klein is zodat elk individu zinnig deel kan nemen aan de besluiten die genomen worden. 42 Tegenwoordige banen kunnen psychische stress opleveren, maar er zijn redenen om aan te nemen dat het werk van primitieven weinig psychische stress met zich meebracht. 43 De bezigheden van jager-verzamelaars is vaak eentonig, maar volgens mij levert die eentonigheid bij primitieve mensen weinig ongemak op. Ik denk dat verveling hoofdzakelijk een beschavingsverschijnsel is en een product van psychische stressfactoren die kenmerkend zijn voor een beschaafd leven. Ik moet toegeven dat dit mijn eigen mening is, ik kan het niet bewijzen en het behandelen daarvan zou buiten het bestek van dit artikel vallen. Hier wil ik alleen maar zeggen dat mijn mening grotendeels gebaseerd is op mijn eigen ervaring met het leven buiten het techno-industriële systeem. Het is moeilijk te zeggen wat jager-verzamelaars van hun eigen werk vinden, omdat antropologen en anderen die primitieve volkeren bezocht hebben (ten minste van degenen van wie ik de verslagen gelezen heb) dat soort vragen doorgaans niet gesteld lijken te hebben. Maar het volgende van Holmberg is het citeren waard: “Ze staan vrij onverschillig ten opzichte van werk (taba taba), dat bestaat uit van die onaangename taken als hutten bouwen, brandhout verzamelen en het beplanten en bewerken van de velden. Een heel ander soort werk bestaat echter uit aangename bezigheden als jagen (gwata gwata) en verzamelen (deka deka, ‘zoeken’), die meer als ontspanning dan als werk gezien worden. ”44

Dit ondanks het feit dat, zoals we eerder hebben gezien, de bezigheden van jagen en verzamelen van de Siriono uitzonderlijk tijdrovend, vermoeiend, inspannend en lichamelijk belastend waren.


3. Een ander bestanddeel van de anarchoprimitivistische mythe is het geloof dat bij de jager-verzamelaars, tenminste bij de nomadische, gendergelijkheid heerste. John Zerzan heeft dat bijvoorbeeld beweerd in Future Primitive 45 en elders. 46 Waarschijnlijk was er bij sommige jager-verzamelaargemeenschappen sprake van een volledig gendergelijkheid, hoewel ik geen enkel onbetwistbaar voorbeeld ken. Ik ken wel jager-verzamelaarculturen waarbij de mannen- en vrouwenrol in vrij grote mate gelijk was, maar niet helemaal. In andere nomadische jager-verzamelaargemeenschappen was de mannelijke dominantie onmiskenbaar en in sommige gemeenschappen bereikte die het peil van een vergaande gewelddadigheid ten opzichte van vrouwen. Waarschijnlijk is het meest geprezen voorbeeld van gendergelijkheid bij jager-verzamelaars, die van de Bosjesmannen van Richard Lee, waar we het eerder over gehad hebben in onze bespreking van de bezigheden van de jager-verzamelaar. Meteen moet daarbij opgemerkt worden dat het zeer gewaagd zou zijn om aan te nemen dat de conclusies van Lee met betrekking tot de Dobe-Bosjesmannen volledig toepasbaar zijn op de Bosjesmannen van de Kalahari. Verschillende Bosjesmangroepen liepen qua cultuur uiteen; 47 ze spraken niet eens allemaal dezelfde taal. 48 In ieder geval verklaart Nancy Bonvillain, die zich grotendeels baseert op het onderzoek van Richard Lee, dat bij de Dobe-Bosjesmannen (die zij “Ju/’hoansi” noemt), “hun sociale normen duidelijk het begrip van gelijkheid van vrouwen en mannen ondersteunen.” 50 Dus bij de Dobe-Bosjesmannen was er sprake van gendergelijkheid, of niet?


Nou, misschien niet. Kijk maar naar een aantal feiten die Bonvillain zelf aandraagt in hetzelfde boek: “ “De meeste leiders en woordvoerders in het kamp zijn mannen. Hoewel zowel mannen als vrouwen deelnemen aan groepsdiscussies en het nemen van besluiten…..bedraagt de spreektijd van de mannen bij discussies waar beiden geslachten betrokken zijn ongeveer tweederde van het totaal.”51

Veel kwalijker zijn de gedwongen huwelijken van jonge tienermeisjes met mannen die veel ouder zijn dan zij. 52 Het is waar dat praktijken die in onze ogen wreed lijken, door mensen uit andere culturen die daartoe gedwongen worden niet als wreed worden ervaren. Maar Bonvillain haalt woorden aan van een Bosjesmanvrouw waar in ieder geval uit blijkt dat sommige meisjes hun gedwongen huwelijk als wreed ondergingen: “Ik huilde en huilde; 53 ik rende steeds weg. Een deel van mijn hart bleef maar denken: ‘hoe kan dat, ik ben nog maar een kind en heb een echtgenoot genomen?’” 54 Bovendien, “omdat een hogere leeftijd aanzien met zich meebrengt….maken de hogere leeftijd, grotere ervaring en rijpheid de vrouwen maatschappelijk, zo niet persoonlijk ondergeschikt.”55 Terwijl bij de Dobe-Bosjesmannen zonder twijfel sprake was van enige gelijkheid tussen mannen en vrouwen, zou het nogal ver gaan om te beweren dat er volledige gelijkheid heerste. Op grond van eigen ervaring, verklaarde Colin Turnbull dat bij de Mbuti-pygmeeën in Afrika, “een vrouw maatschappelijk volstrekt niet de mindere was van de man,” 56 en dat “de vrouw niet als minderwaardig behandeld wordt.” 57 Dat klinkt als gendergelijkheid ….totdat je kijkt naar de concrete feiten die Turnbull zelf in datzelfde boek levert: “Vrouwen slaan werd tot op zekere hoogte als goed gezien en verwacht werd dat de vrouw terugvocht; 58 “Hij zei dat hij heel tevreden was met zijn vrouw en het helemaal niet nodig had gevonden haar vaak te slaan;” 59 Man gooit vrouw op de grond en mept haar; 60 Echtgenoot slaat vrouw; 61 Man slaat zijn zuster; 62 Kenge slaat zijn zuster; 63 “Misschien had hij haar harder moeten slaan, zegt Tungana [een oude man], want sommige meisjes worden graag geslagen;” 64 “Amabosu reageerde door haar hard in het gezicht te meppen. Normaal zou Ekianga een zo mannelijk bewijs van gezag over een ontrouwe echtgenote goedgekeurd hebben.” 65 Turnbull noemt twee gevallen van mannen die hun vrouw een opdracht geven. 66 Ik heb in Turnbulls boeken geen enkel voorbeeld gevonden van vrouwen die hun man een opdracht gaven. Wat door de vrouw werd ingebracht werd beschouwd als eigendom van de man.67 “[Een jongen] moet toestemming hebben [van het meisje] voordat geslachtsgemeenschap kan plaatsvinden. Maar de mannen zeggen dat ze vroeger, als zij een meisje bij verrassing wilden nemen, bij haar gingen liggen en streelden en haar dan hun wil oplegden.” 68 Tegenwoordig zouden wij dat “verkrachting tijdens een afspraakje noemen” en de betreffende jongeman zou een lange gevangenisstraf riskeren.


Laten we als tegenwicht opmerken dat Turnbull bij de Mbuti geen geval aantrof van wat wij “verkrachting door een onbekende” zouden noemen, in tegenstelling tot “verkrachting tijdens een afspraakje; 69 echtgenoten werden niet verondersteld hun vrouw op het hoofd of in het gezicht te slaan; 70 en in minstens één geval waarin een man zijn vrouw te vaak en te hard sloeg, vonden zijn medekampbewoners uiteindelijk een manier om de mishandeling een halt toe te roepen zonder geweld te gebruiken en zonder openlijk tussen beiden te komen.71 Ook dient bedacht te worden dat de betekenis van een afstraffing afhangt van de culturele context. In onze maatschappij is door iemand anders geslagen worden een grote vernedering, vooral door iemand die groter en sterker is dan jijzelf. Maar omdat klappen bij de Mbuti een dagelijks gebeuren waren, 72 kan waarschijnlijk veiligheidshalve aangenomen worden dat die niet als iets speciaal vernederends werden gezien. Toch is het volstrekt duidelijk dat er bij de Mbuti sprake was van dominantie van de mannen. Bij de Siriono: “Is een vrouw ondergeschikt aan haar echtgenoot;” 73 “De uitgebreide familie wordt doorgaans gedomineerd door de oudste actieve man;” 74 “[Vrouwen] worden gedomineerd door de mannen”;75 “als een man met een vrouw alleen in het woud is,…..kan hij haar ruw op de grond gooien en zijn beloning [seks] in ontvangst nemen, zonder ook maar één woord te zeggen;” Ouders hebben beslist liever mannelijke kinderen; 77 “Hoewel bij de mannen de titel erekwa voorbehouden is aan een hoofdman, zal een vrouw wanneer haar gevraagd wordt ‘wie is jouw erekwa?’ steevast antwoorden: ‘mijn man.’” 78 Anderzijds slaan de Siriono hun vrouwen nooit, 79 en “Vrouwen genieten vrijwel dezelfde voorrechten als mannen. Ze krijgen evenveel voedsel te eten en hebben dezelfde seksuele vrijheid.” 80 Volgens Bonvillain, “domineren Eskimo-mannen hun vrouwen en dochters. Maar de mannelijke dominantie is niet absoluut.” 81 Ze beschrijft de verhouding tussen de geslachten bij de Eskimo’s in enkele details, 82 wat mogelijk een al dan niet gekleurd is door haar feministische ideologie.


Bij de Eskimo’s bij wie Gontran de Poncins een tijd doorbracht, oefende de mannen openlijk macht uit over hun vrouwen 83 en sloegen hen soms. 84 Doordat zij hen zo goed konden overtuigen, hadden vrouwen grote macht over hun echtgenoten: “Het zou kunnen lijken…..dat de inheemse vrouwen in alle opzichten in een toestand leefden van een verfoeilijke minderwaardigheid ten opzichte van de mannelijke Eskimo, maar dat is niet zo. Wat ze, vergeleken met de blanke vrouw, aan gezag verliest maakt ze op allerlei manieren weer goed door een buitengewone slimheid. Inheemse vrouwen zijn heel slim en slagen er altijd in te krijgen wat ze willen;” “Het was een onophoudelijk genot om deze komedie gade te slaan, dit vrijwel woordeloze gevecht waarin de vrouw….onvermijdelijk de echtgenoot te slim af was. Er is geen enkel Eskimo-vrouw die niet geoefend is in de kunst van het vleien, geen enkele die niet met een onvermoeibare en toch innemende volharding kan blijven herhalen wat ze wil, totdat de echtgenoot, moe van haar vasthoudendheid, toegeeft;” “In deze Eskimo-wereld zaten vrouwen overal achter;” 85 “Je hoeft geen feministe te zijn om je af te vragen: ‘maar hoe zit het dan met de status van de Eskimo-vrouwen?’ Die status voldoet hen prima; en ik heb op deze bladzijden hier en daar aangegeven dat ze niet alleen vrouw des huizes zijn, maar in de meeste Eskimo-gezinnen ook de slimme souffleurs van de beslissingen van hun echtgenoot.” 86 Maar misschien heeft Poncins de mate van macht van de Eskimo-vrouwen overschat, omdat die niet toereikend was om hen in staat te stellen ongewenste seks te vermijden: Het uitlenen van vrouwen bij deze Eskimo’s werd beslist door de mannen, en de vrouwen moesten maar accepteren dat ze uitgeleend werden of ze dat nou wilden of niet. 87 In sommige gevallen waren de vrouwen daar tenminste duidelijk heel boos over. 88 De manier waarop de Australische Aboriginals hun vrouwen behandelden was in één woord afschuwelijk. Vrouwen waren vrijwel niet in staat hun eigen echtgenoot te kiezen. 89 Ze worden beschreven als “bezit” van de mannen, die voor hen een echtgenoot kiezen. 90 Jonge vrouwen werden vaak gedwongen een oude man te trouwen, en moesten vervolgens werken om hun oude echtgenoot van levensbenodigdheden te voorzien. 91 Het is dan ook niet vreemd dat een jonge vrouw zich vaak verzette tegen een gedwongen huwelijk door weg te lopen. Dan werd ze vreselijk geslagen met een stok en keerde terug naar haar echtgenoot. Als ze bleef weglopen, werd er soms zelfs een speer in haar bovenbeen gestoken. 92 Een vrouw die gevangen zat in een vreselijk huwelijk mocht zich als toetje troosten met een minnaar, maar omdat dat “niet helemaal getolereerd werd” kon het leiden tot geweld. 93 Een vrouw kon er uiteindelijk zelfs vandoor gaan met haar minnaar. Maar: “Dan zou ze achtervolgd worden en als ze gepakt werd, werd het meisje voor dat moment gemeenschappelijk bezit van haar achtervolgers. Het stel werd dan teruggebracht naar het kamp waar, als ze van de juiste totemclan waren zodat ze wel met elkaar konden trouwen, de man een beproeving moest trotseren waarbij door de echtgenoot en zijn verwanten speren naar hem gegooid werden….en het meisje werd door haar verwanten afgeranseld. Als [het stel] tot verschillende totemclans behoorden, zodat ze niet met elkaar konden trouwen, werden ze als ze gevonden werden met een speer doorboord, omdat hun overtreding onvergeeflijk was.” 94

Hoewel er sprake was van “echte harmonie en wederzijds begrip in de meeste Aboriginalgezinnen,” werden de vrouwen toch geslagen.95 Volgens A. P. Elkin moesten vrouwen onder bepaalde omstandigheden — bijvoorbeeld bij sommige ceremoniële aangelegenheden — gedwongen seks ondergaan, wat “inhoudt dat de vrouw slechts een voorwerp is dat gebruikt kan worden op bepaalde maatschappelijk aanvaarde manieren.” 96 De vrouwen, zegt Elkin, “mogen vaak geen bezwaar maken,” 97 maar: “Soms leven ze in angst vanwege het gebruik dat van hen gemaakt wordt tijdens sommige ceremonies.” 98 Vanzelfsprekend wordt hier niet beweerd dat alle net genoemde toestanden in alle delen van het autochtone Australië voorkwamen. Op het hele continent was de cultuur niet overal hetzelfde. Coon zegt dat de Australiërs nomaden waren, maar verklaart ook dat in delen van zuidoost Australië, namelijk “De beter van water voorziene streken, in het bijzonder Victoria en de streek rond de Murrayrivier,” de inheemse bevolking “betrekkelijk sedentair” was. 99 In de drogere streken van zuidoost Australië moesten, volgens Massola, de Aboriginals in tijden van droogte lange afstanden afleggen tussen de snel-opdrogende bronnen. 100 Dit komt overeen met de uitgebreide nomadische manier van leven, die beschreven wordt voor andere delen van Australië, waar “Aboriginals in kleine familiegroepen van waterpoel naar waterpoel trokken langs duidelijk gebaande paden. Het hele kamp werd dan verplaatst en er was zelden sprake van een basiskamp.” 101 Als Coon vertelt dat de Aboriginals in de “beter van water voorziene streken” “betrekkelijk sedentair” waren, bedoelt hij zonder twijfel dat er “in vruchtbare streken goed voorziene kampplekken waren, dichtbij het water, waar de mensen altijd in bepaalde tijden van het jaar hun kamp opsloegen. Kampen vormden de basis van waaruit de mensen strooptochten hielden in de omringende wildernis, waarbij ze laat in de middag weer terugkeerden of daar een paar dagen doorbrachten.” 102 Coon vertelt dat in een deel van het goed van water voorziene gebied aan de Murrayrivier, elke plaatselijke clan een hoofdman had en een voornamelijk uit mannen bestaande raad, hoewel er in een paar gevallen ook vrouwen in de raad gekozen werden; terwijl er, verder naar het Noorden en Westen, maar weinig sprake was van een formeel leiderschap en het “toezicht op vrouwen en jongere mannen gedeeld werd tussen mannen van dertig tot vijftig jaar oud.” 103 De Australische vrouwen hadden dus maar weinig openlijke politieke macht. Toch oefenden de vrouwen, net als bij de Eskimo’s van Poncins en zonder twijfel ook in onze maatschappij, vaak een grote invloed uit op hun mansvolk 104.

Ook de Tasmaniërs waren nomadische jager-verzamelaars (hoewel sommigen “betrekkelijk sedentair” waren), 105 en het is niet duidelijk of zij vrouwen beter behandelden dan de Australiërs. In een verslag kunnen we lezen dat een groep, die in de buurt van de stad Hobart leefde, vóór de komst van de kolonisten, overvallen werd door hun buren die de mannen die hen tegen probeerden te houden doodden en hun vrouwen meenamen. En er bestaan nog meer verhalen over huwelijken met buitgemaakte vrouwen. Soms gebeurde het dat als een man van een naburige groep het recht had een meisje te trouwen, maar zij en haar ouders hem niet mochten, zij het meisje liever doodden dan haar af te staan;” 106 “De andere stammen beschouwde [een bepaalde stam] als lafaards, en overvielen hen om hun vrouwen te stelen;” 107 “Woorrady verkrachtte en doodde zijn schoonzuster.” 108

Ik zou hier duidelijk willen maken dat het niet mijn opzet is een pleidooi te houden tegen gendergelijkheid. Ik ben zelf zozeer een product van de huidige industriële maatschappij, dat ik besef dat mannen en vrouwen een gelijke status zouden moeten hebben. Wat dat betreft is mijn bedoeling gewoon de feiten te tonen met betrekking tot de verhouding tussen de geslachten in jagende-en-verzamelende gemeenschappen.


4. Er is een probleem met betrekking tot elke poging om uit opgetekende observaties van bestaande jager-verzamelaargemeenschappen conclusies te trekken over oorspronkelijke, “zuivere” jager-verzamelaarculturen. Als we een beschrijving hebben van een primitieve cultuur, zal die gewoonlijk geschreven zijn door een beschaafd iemand. Als het een gedetailleerde beschrijving is, betekent dat dat het beschreven volk zeer waarschijnlijk direct of indirect duidelijk contact gehad heeft met de beschaving en dergelijke contacten kunnen dramatische veranderingen teweegbrengen in een primitieve cultuur. Elizabeth Marshall Thomas beschrijft in het nawoord van de uitgave van haar boek The Harmless People,109 uit 1989, de rampzalig vernietigende uitwerking van de beschaving op de Bosjesmannen die zij kende. Harold B. Barclay heeft er (bijvoorbeeld) op gewezen dat de tegenwoordige Eskimo’s “heel blij zijn met hun krachtige geweren, motorboten, enzovoort.” 110 Onder dat “enzovoort” vallen ook sneeuwscooters. Daarom zegt Barclay, “de jager-verzamelaar van tegenwoordig is op geen enkele manier identiek met de jager-verzamelaars van duizend of tienduizend jaar geleden.” 111 Cashdan schrijft in 1989, “Alle jager-verzamelaars overal ter wereld staan tegenwoordig, direct of indirect, in contact met de wereldeconomie. Dit gegeven zou ons ervoor moeten hoeden om de huidige jager-verzamelaars niet te zien als ‘kiekjes’ van het verleden.” 112 Bij het zoeken naar bewijsmateriaal over de manier waarop de mensen leefden vóór de opkomst van de beschaving, zal natuurlijk niemand met enig gezond verstand zich richten op volkeren die motorboten, sneeuwscooters en krachtige geweren gebruiken,” 113 of op volkeren waarvan de cultuur duidelijk ernstig ontwricht is door het binnendringen van de beschaafde maatschappij. Wij zijn op zoek naar verhalen over jager-verzamelaars die (minstens) tientallen jaren geleden geschreven zijn, in een tijd toen — voor zover we weten — hun culturen nog niet ingrijpend veranderd waren door contact met de beschaving. Maar het is niet altijd eenvoudig om te weten of contact met de beschaving een primitieve cultuur veranderd heeft. Coon is zich duidelijk bewust van dit probleem en geeft in zijn uitmuntende overzicht van jager-verzamelaarsculturen het volgende voorbeeld van hoe een ogenschijnlijk geringe inmenging van de beschaving een dramatische uitwerking kan hebben op een primitieve cultuur: Toen “goedbedoelende missionarissen ijzeren bijlen uitdeelden” aan de inheemse Yir Yoront in Australië, hield de Yir-Yoront-wereld vrijwel op te bestaan. De mannen verloren hun gezag over hun vrouwen, er ontstond een generatiekloof,” en een handelsstructuur die zich over honderden mijlen uitstrekten raakte ontwricht. 114 Richard Lee’s Bosjesmannen zijn misschien wel het favoriete voorbeeld voor anarchoprimitivisten en linksige antropologen, die een politiek-correct beeld willen geven van de jager-verzamelaars, maar de Bosjesmannen van Lee behoorden tot de minst “zuivere” van de jager-verzamelaars die we hier vermeld hebben. Mogelijk zijn ze niet eens altijd jager-verzamelaar geweest. 115 In ieder geval hadden ze waarschijnlijk al een paar duizend jaar handel gedreven met landbouw- en herdersvolkeren. 116 Van de !Kung-bosjesmannen wist Elisabeth Thomas dat ze via handel metaal hadden bemachtigd, en datzelfde gold ook duidelijk voor de Bosjesmannen van Lee. Thomas schrijft: “In de tien tot twintig jaar nadat wij ons onderzoek begonnen, legden veel academici [daaronder valt waarschijnlijk ook Richard Lee] een enorme belangstelling aan de dag voor de Bosjesmannen. Veel van hen trokken naar Botswana om groepen !Kung-Bosjesmannen te bezoeken en op zeker moment leek in Botswana de verhouding antropoloog/Bosjesman bijna een op een te zijn.” 119 Het is duidelijk dat de aanwezigheid van zoveel antropologen het gedrag van de Bosjesmannen beïnvloed moet hebben. In de jaren vijftig, 120 toen Turnbull hen bestudeerde en nog meer in de jaren twintig en dertig 121 toen Schebesta onderzoek bij hen deed, hadden de Mbuti duidelijk niet veel rechtstreeks contact gehad met de beschaving, zodat Schebesta zover durfde te gaan dat hij beweerde dat “de Mbuti niet alleen als ras, maar ook psychisch en wat betreft hun cultuurgeschiedenis, een oerverschijnsel (Urphänomen) zijn onder de rassen en volkeren der Aarde.” 122 Toch waren de Mbuti, een paar jaar voordat Schebesta ze voor het eerst bezocht, al enigszins beïnvloed geraakt door de beschaving. 123 En eeuwen daarvoor hadden de Mbuti in nauw contact (waaronder uitgebreide handelsbetrekkingen vielen) gestaan met niet-beschaafde, in dorpen wonende gewassenverbouwers. 124 Zoals Schebesta schreef, “Het geloof dat de Mbuti hermetisch afgesloten waren geweest van de buitenwereld, is voor eens en altijd ontzenuwd.” 125 Turnbull gaat nog verder: “Dit wil op geen enkele manier zeggen dat het [sociale] systeem dat aangetroffen wordt onder de Mbuti, representatief is voor het oorspronkelijke jaag-en-verzamelsysteem van de pygmeeën; in werkelijkheid waarschijnlijk verre van dat, want de nadelige gevolgen van de invasie van het oerwoud door de in dorpen wonende landbouwers is enorm geweest.” 126

Hoewel sommige van Gontran de Poncins’ Eskimo’s “zuiverder” waren dan andere,127 blijkt dat ze allemaal op zijn minst enige handelswaar van de blanken bezaten. Als een lezer zich de moeite wil getroosten om de vroegste primaire bronnen te achterhalen — misschien ergens int het werk van Vilhjalmur Stefansson — met de bedoeling een oorspronkelijke en “zuivere” Eskimo-cultuur zo dicht mogelijk te benaderen, zie ik zijn of haar bevindingen gaarne tegemoet. Maar het is ook mogelijk dat, lang voor het contact met de Europeanen, de Eskimocultuur aangetast is door iets dat ze overgenomen hebben van een niet-jagende cultuur; want ze zijn met hun sledehonden niet al begonnen toen ze nog jager-verzamelaar waren. 128

Met de Siriono komen we dichter bij zuiverheid dan met de Bosjesmannen, Mbuti of Poncins’ Eskimo’s. De Siriono hadden zelfs geen honden, 129 en hoewel ze in beperkte mate gewassen verbouwden, beschouwden antropologen hun cultuur als Paleolithisch (Oude Stenen Tijdperk). 130 Sommige door Holmberg bestudeerde Siriono hadden vóór de komst van Holmberg weinig of geen contact met blanken, 131 en bij die Siriono werden zelden Europese werktuigen aangetroffen, 132 totdat Holmberg ze zelf introduceerde.133 In plaats daarvan vervaardigden de Siriono hun werktuigen van in de natuur voorkomende plaatselijke materialen.134 Bovendien waren de Siriono zo primitief dat ze maar tot drie konden tellen.135 Toch zou die Siriono-cultuur beïnvloed kunnen zijn door contact met meer “ontwikkelde” gemeenschappen, omdat Holmberg dacht dat de Siriono “waarschijnlijk een overblijfsel waren van een oude bevolking die uitgeroeid, opgenomen of verzwolgen was door meer ontwikkelde indringers.” 136 Lauriston Sharp opperde zelfs dat de Siriono misschien wel “gedegenereerd” [sic] waren “vanuit een meer ontwikkelde technologische toestand,” hoewel Holmberg deze visie verwierp en Sharp dit zelf “niet ter zake doende” vond. 137 Bovendien zouden de Siriono indirect beïnvloed kunnen zijn door de Europese beschaving, omdat waarschijnlijk op zijn minst een aantal ziekten waaraan zij leden, b.v. malaria, door de Europeanen naar Amerika was gebracht. 138 Het is niet vreemd dat de meeste jager-verzamelaars die ik hier heb vermeld — overeenkomend met die door de anarchoprimitivisten en politiek-correcte antropologen geciteerd worden — beïnvloed waren door direct of indirect contact met landbouw- of herdersvolkeren, zelfs lang voor hun eerste contact met de Europeanen, omdat buiten Australië, Tasmanië en het verre Westen en Oosten van de Amerika, “populaties die trouw bleven aan de oude manier van leven van de jager-verzamelaar klein en verspreid waren.” 139 Afgezien van sommige groepen die kleine eilandjes bewoonden, hadden ze dus noodzakelijkerwijs enige vorm van contact met de hen omringende niet-jager-verzamelaarpopulaties.


Waarschijnlijk waren de Australische Aboriginals en de Tasmaniërs de jager-verzamelaars die nog het zuiverst waren toen de Europeanen hen ontdekten. Australië was het enige werelddeel dat, tot de komst van de blanken, uitsluitend bewoond werd door jager-verzamelaars, en Tasmanië, een eiland net ten Zuiden van Australië was zelfs nog meer geïsoleerd. Maar Australië was misschien wel bezocht door Polynesiërs en in het Noorden van Australië bestond, vóór de komst van de Europeanen, enig beperkt contact met mensen uit Indonesië en Nieuw-Guinea. 140 Nog eerder contact met buitenstaanders, al dan niet jager-verzamelaars, is waarschijnlijk. 141 We beschikken dus niet over afdoend bewijsmateriaal dat kan aantonen dat jager-verzamelaarculturen, die zich tot voor kort hebben weten te handhaven, niet grondig beïnvloed zijn door contact met niet-jager-verzamelaars, tegen de tijd dat de eerste beschrijvingen van hen geschreven werden. Daarom is er altijd meer of minder sprake van onzekerheid bij het gebruikmaken van verslagen over jager-verzamelaargemeenschappen, als daarmee conclusies getrokken worden over de man-vrouwverhoudingen bij prehistorische jager-verzamelaars. En elke conclusie over de sociale man-vrouwverhoudingen, die getrokken wordt uit archeologische overblijfselen, kan alleen maar zeer speculatief zijn. Desgewenst kun je dus alle bewijsmateriaal van beschrijvingen van recente jager-verzamelaarculturen van de hand wijzen en in dat geval weten we vrijwel niets over de man-vrouwverhoudingen bij prehistorische jager-verzamelaars. Je kunt ook (met het nodige voorbehoud) het bewijsmateriaal van recente jager-verzamelaargemeenschappen aanvaarden en in dat geval wijst dat op een beduidende mate van mannelijke dominantie. In ieder geval zijn er geen bewijzen voorhanden die het anarchoprimitivistische geloof ondersteunen dat alle of de meeste mensengemeenschappen een volledige gendergelijkheid kenden, vóór de opkomst van landbouw en veeteelt, ongeveer tienduizend jaar geleden.


5. Ons overzicht van de feiten betreffende man-vrouwverhoudingen bij recente jager-verzamelaargemeenschappen, draagt ertoe bij dat er iets onthuld kan worden over de psyche van de anarchoprimitivisten en die van hun boezemvrienden, de politiek-correcte antropologen.


De anarchoprimitivisten en veel politiek-correcte antropologen voeren elk bewijs aan dat ze maar kunnen vinden om aan te tonen dat bij jager-verzamelaars sprake was van gendergelijkheid, terwijl ze systematisch het overvloedige bewijsmateriaal over genderongelijkheid negeren, dat te vinden is in ooggetuigenverklaringen over jager-verzamelaarculturen. De antropoloog Haviland beweert in zijn handboek Cultural Anthropology bijvoorbeeld, dat een “belangrijk kenmerk van de voedselverzamelende [jager-verzamelaar] gemeenschap haar egalitairisme is.” 142 Hij geeft toe dat de twee geslachten in dergelijke gemeenschappen misschien wel een andere status hebben gehad, maar beweert dat “statusverschillen op zich niet noodzakelijkerwijs enige ongelijkheid betekenen” en dat in “traditionele voedselverzamelende gemeenschappen, niets een speciale achting van vrouwen voor mannen noodzakelijk maakte.” 143 Als je de opgegeven pagina’s bekijkt in de index van Haviland voor de trefwoorden “Bosjesman”, “Ju/’hoansi” (een andere naam voor de Dobe-bosjesmannen), “Eskimo”, “Inuit” (een andere naam voor Eskimo’s), “Mbuti”, “Tasma-niër”, “Australiër”, en “Aboriginal” (de Siriono zijn niet opgenomen in de index), zal je geen vermelding vinden van het slaan van vrouwen, gedwongen huwelijk, gedwongen geslachtsgemeenschap, of enige andere aanwijzing voor mannelijke dominantie, die ik hierboven geciteerd heb. Haviland ontkent niet dat deze dingen voorkomen. Hij beweert bijvoorbeeld niet dat Turnbull deze verhalen over het slaan van vrouwen bij de Mbuti gewoon verzonnen heeft, of dat dit of dat bewijsmateriaal aantoont dat Australische Aboriginalvrouwen, vóór de komst van de Europeanen, niet onderhevig waren aan onvrijwillige seks. Hij gaat gewoon voorbij aan deze kwesties, alsof ze niet bestonden. En het is niet dat Haviland zich niet bewust was van die kwesties. Hij citeert bijvoorbeeld uit A. P. Elkins boek, The Australian Aborigines,144 een aanwijzing voor het feit dat hij niet alleen op de hoogte is van het boek, maar het ook nog ziet als een betrouwbare informatiebron. Toch levert het boek van Elkin, dat ik al eerder aangehaald heb, ruimschoots bewijsmateriaal voor de tirannie van de Australische Aboriginalmannen over hun vrouwen, 145 — bewijsmateriaal dat Haviland verzuimt te vermelden. Het is vrij duidelijk wat er aan de hand is: Gelijkheid van de geslachten is in de huidige maatschappij een fundamenteel geloofsartikel van de heersende ideologie. Als zeer aangepaste leden van die maatschappij, geloven politiek-correcte antropologen in het principe van gendergelijkheid, met iets dat grenst aan een religieuze overtuiging, en voelen de behoefte ons kleine zedenlesjes te geven, door ons ter bewondering voorbeelden voor te houden van een gendergelijkheid, die zogenaamd gold toen de mensheid nog in een ongerepte en onbedorven toestand verkeerde. Deze beschrijving van primitieve culturen komt voort uit de eigen behoefte van de antropologen om hun geloof opnieuw te bevestigen en heeft niets te maken met oprecht zoeken naar de waarheid.


Ander voorbeeld. Ik heb John Zerzan vier keer geschreven met het verzoek zijn beweringen over de gendergelijkheid bij jager-verzamelaars te onderbouwen. 146 De antwoorden die hij me gaf waren vaag en ontwijkend.147 Ik zou hier graag Zerzans brieven aan mij over dit onderwerp openbaar willen maken, zodat de lezer zelf zijn mening kan vormen. Maar toen ik Zerzan schriftelijk toestemming vroeg om zijn brieven openbaar te maken, weigerde hij me dat. 148 Met zijn brieven stuurde hij me fotokopieën mee van pagina’s uit een paar boeken die vage en algemene uitspraken bevatten, die ogenschijnlijk zijn beweringen over gendergelijkheid ondersteunden; bijvoorbeeld de volgende uitspraak van John E. Pfeiffer, die geen deskundige is, noch zelf ooggetuige van primitief gedrag, maar iemand die dit soort verhalen toegankelijk maakt voor het grote publiek: “Om onbekende redenen kwam dit seksisme op toen de mensen zich vestigden en begonnen te boeren, tegelijkertijd met het verschijnen van de ingewikkelde maatschappij.” 149


Zerzan stuurde me ook een fotokopie van een bladzijde uit Bonvillains boek, waarin de volgende uitspraak staat: “In voedselverzamelende (jager-verzamelaars) gemeenschappen is de mogelijkheid voor gendergelijkheid misschien het grootst.” Maar Zerzan stuurde geen kopieën mee van de bladzijden waarin Bonvillain zei dat mannelijke dominantie duidelijk aanwezig was in sommige jager-verzamelaargemeenschappen, zoals bij de Eskimo’s, of de bladzijden waarin ze informatie gaf die twijfel zaait over haar eigen bewering over gendergelijkheid bij de Dobe-Bosjesmannen, zoals ik hierboven besproken heb.

 

Zerzan gaf zelf toe dat het materiaal dat hij me stuurde “duidelijk niet afdoende” was, hoewel hij staande hield dat het “over het algemeen geheel representatief” was. 151 Toen ik bij hem aandrong op verdere onderbouwing van zijn beweringen, 152 stuurde hij me een kopie van zijn essay Future Primitive, uit het boek met dezelfde titel. 153 In dat essay citeert hij zijn meeste bronnen door alleen maar de achternaam van de schrijver te vermelden en de data van hun publicaties; kennelijk wordt van de lezer verwacht dat hij zelf verdere informatie zal zoeken in de lijst van referenties, die elders in het boek gegeven wordt. Omdat Zerzan me geen kopie van die referentielijst stuurde, kon ik zijn bronnen niet nagaan. Ik wees hem daarop, 154 maar hij heeft me nog steeds geen kopie van die lijst gestuurd. In ieder geval zijn er gegronde redenen om aan te nemen dat Zerzan niet kritisch is geweest bij het kiezen van zijn bronnen. Hij citeert bijvoorbeeld wijlen Laurens van der Post; 155 maar in zijn boek Teller of Many Tales, heeft J. D. F. Jones, een voormalig bewonderaar van Laurens van der Post, de laatste ontmaskerd als een leugenaar en bedrieger.


Zelfs bij de eerste indruk levert de informatie in Future Primitive ons niets betrouwbaars op over het onderwerp genderverhoudingen. Vage en algemene uitspraken zijn niet erg zinnig. Zoals ik al eerder betoogd heb, hebben Bonvillain en Turnbull algemene uitspraken gedaan over gendergelijkheid respectievelijk onder de Bosjesmannen en Mbuti, die werden tegengesproken door concrete feiten die Bonvillain en Turnbull zelf in dezelfde boeken naar voren brachten. Over andere onderwerpen dan gendergelijkheid zijn sommige uitspraken in Future Primitive aantoonbaar onjuist. Neem een paar voorbeelden:


i. Zerzan, die daarbij steunt op ene “De Vries’, beweert dat bij jager-verzamelaars de bevalling “zonder problemen en pijnloos” verloopt.” 156 O, echt waar? Dit is wat Elisabeth Thomas vanuit haar eigen ervaring bij de Bosjesmannen schrijft: “Bosjesmanvrouwen bevallen in hun eentje…tenzij een meisje zwanger is van haar eerste kind, in welk geval haar moeder haar mag helpen, of als een bevalling buitengewoon moeizaam gaat, in welk geval de vrouw hulp mag vragen van haar moeder of een andere vrouw. Tijdens de bevalling mag een vrouw haar kaken opeenklemmen, haar tranen laten lopen of tot bloedens toe op haar handen bijten, maar mag nooit huilen of laten zien dat ze bang is. 157

Omdat bij jager-verzamelaars de natuurlijke selectie de zwakken en geestelijke onvolwaardigen elimineert en primitieve vrouwen door hun werk in een goede lichamelijke conditie blijven, is het waarschijnlijk juist dat bij jager-verzamelaars de bevalling gemiddeld niet zo moeizaam verloopt als bij de tegenwoordige vrouwen. Volgens Schebesta verliep de bevalling bij Mbuti-vrouwen gewoonlijk gemakkelijk (hoewel dat niet inhoudt dat die pijnloos was). Anderzijds waren ze zeer beducht voor stuitbevallingen, die gewoonlijk een fatale afloop hadden, voor zowel moeder als kind. 158

ii. Zerzan beroept zich op ene “Duffy” als hij beweert dat de Mbuti “elke vorm van geweld tussen de ene en andere persoon met grote afschuw en weerzin bezien en dat nooit tonen tijdens hun dansen of als spel.” 159 Maar Hutereau en Turnbull hebben onafhankelijk van elkaar ooggetuigenverslagen geleverd volgens welke de Mbuti onderling wel degelijk geweldspelletjes speelden. 160 Nog belangrijker is dat er bij de Mbuti in het echte leven een heleboel geweld voorkwam. De boeken van Turnbull, The Forest People en Wayward Servants, wemelen van lijfelijke gevechten en afstraffingen. Om maar één van al die voorbeelden aan te halen, heeft Turnbull het over een vrouw die drie tanden verloor in een gevecht over een man met een andere vrouw. 161 Ik heb al de uitspraken vermeld van Turnbull over het slaan van vrouwen bij de Mbuti.


Vermeldenswaard is dat Zerzan gelooft dat onze voorouders over telepathische gaven beschikten. 162 Maar bijzonder onthullend is als iemand als Zerzan “Shanks en Tilley” citeert: “De taak van de archeologie is niet alleen maar het verleden interpreteren, maar ook de manier veranderen waarop het verleden geïnterpreteerd wordt, ten dienste van de reconstructie van de maatschappij in het heden.” 163 Dat is in feite een openlijk pleidooi voor de stelling dat archeologen hun bevindingen moeten verdraaien ten bate van politieke doeleinden. Is er een beter bewijs denkbaar voor de massale politisering die de afgelopen 35 tot 40 jaar plaatsgevonden heeft binnen de Amerikaanse antropologie? Met het oog op deze politisering moet alles in de recente antropologische literatuur, dat het gedrag van primitieve volkeren politiek-correct beschrijft, uiterst sceptisch bezien worden.


Nadat ik tegenover Zerzan een aantal voorbeelden van genderongelijkheid aangevoerd had, die ik hierboven besproken heb, stelde ik zijn oprechtheid ter discussie op grond van het feit dat hij “systematisch vrijwel alle bewijsmateriaal had uitgesloten, dat het geïdealiseerde beeld ondermijnt van de jager-verzamelaargemeenschappen” dat hij wilde laten zien. 164 Zerzan antwoordde dat hij “niet veel geloofwaardigs had gevonden dat zijn visie tegensprak.” 165 Deze uitspraak is zelf nauwelijks geloofwaardig. Een aantal voorbeelden die ik ten overstaan van Zerzan aangehaald had, (en hierboven behandeld heb) waren ontleend aan boeken waarop hij zelf vertrouwd had — die van Bonvillain en Turnbull. 166 Toch was hij er op een of andere manier in geslaagd in die boeken alle bewijsmateriaal over het hoofd te zien, die zijn beweringen tegenspraken. Aangezien Zerzan veel gelezen heeft over jager-verzamelaargemeenschappen en de Australische Aboriginals tot de meest bekende jager-verzamelaars behoren, vind ik het moeilijk te geloven dat hij nooit verhalen tegengekomen is over de mishandeling van vrouwen door de Australiërs. Toch heeft hij nooit melding gemaakt van dergelijke verhalen, zelfs niet met de bedoeling ze te weerleggen.


Je hoeft niet zonder meer aan te nemen dat Zerzan bewust oneerlijk is. Zoals Nietzsche zei: “De meest voorkomende leugen is de leugen die je jezelf vertelt; liegen tegen anderen is vrij uitzonderlijk.” 167 Met andere woorden, zelfbedrog gaat vaak vooraf aan het bedriegen van anderen. Een belangrijke factor, die algemeen bekend is bij professionele propagandisten, zou hier kunnen zijn dat mensen de neiging vertonen om zich af te sluiten — vergeten te zien of zich te herinneren — van informatie die ze onaangenaam vinden. 168 Omdat informatie die iemands ideologie in opspraak brengt uiterst onaangenaam is, volgt daaruit dat mensen geneigd zijn om dat soort informatie buiten te sluiten. Een jonge anarchoprimitivist, met wie ik gecorrespondeerd heb, heeft me een verbijsterend voorbeeld aan de hand gedaan van dit verschijnsel. Hij schreef me: “Er bestaat geen twijfel over de hardnekkigheid van het patriarchaat in alle andere gemeenschappen in de Stille Oceaan, maar bij de [Australische] Aboriginals lijkt dat volledig te ontbreken — Volgens A. P. Elkins The Australian Aborigines, zaten vrouwen helemaal niet vast in een inperkend huwelijk.” 169 Het was duidelijk dat mijn anarchoprimitivistische vriend Elkins bespreking had gelezen over de positie van de vrouw in de Australische Aboriginalgemeenschap. Hierboven heb een aantal ter zake doende pagina’s geciteerd uit Elkins boek, bijvoorbeeld die waarin hij verklaart dat Australische Aboriginalvrouwen soms in angst leven voor de gedwongen seks die zij moesten ondergaan tijdens bepaalde ceremonies. Elk weldenkend mens die de moeite neemt die bladzijden te lezen, 170 zal merken dat hij met zijn mond vol tanden staat als hij zou moeten uitleggen hoe mijn anarchoprimitivistische vriend dat materiaal gelezen zou kunnen hebben en dan in alle ernst kan beweren dat het patriarchaat volledig lijkt te ontbreken in de Australische Aboriginalgemeenschap — tenzij mijn vriend zich gewoon afgesloten heeft voor de informatie die hij ideologisch onaanvaardbaar vond. Mijn vriend twijfelde niet aan de nauwkeurigheid van Elkins informatie; in feite zag hij Elkin als een autoriteit. De informatie die wees op het bestaan van een patriarchaat bij de Australische Aboriginals was hij gewoon vergeten. Maar inmiddels moet het voor de lezer genoegzaam duidelijk zijn dat waar de anarchoprimitivisten (en veel antropologen) op uit zijn, niets te maken heeft met rationeel zoeken naar de waarheid over primitieve culturen. In plaats daarvan zijn ze bezig geweest met het creëren van een mythe.


6. Ik heb hier en daar al gelegenheid gehad melding te maken van geweld bij de nomadische jager-verzamelaars. Voorbeelden van geweld, waaronder dodelijk geweld, onder jager-verzamelaars zijn overvloedig. Om maar een paar van dat soort voorbeelden te geven: “Er is een verslag gepubliceerd van een gevecht op leven en dood tussen een inheemse groep Tasmaniërs die over oker beschikten en een aan de kust levende groep die ingestemd had met het ruilen van zeeschelpen voor het product van de anderen. De mensen uit het binnenland brachten hun oker mee, maar de kustbewoners arriveerden met lege handen. Er werden mensen gedood vanwege een schending van het vertrouwen over de twee materialen, die beide niet eetbaar en van geen enkel praktisch nut waren. Met andere woorden: de Tasmaniërs waren even ‘menselijk’ als de rest van de V.S.” 171 De Tasmaniërs maakten hun eigen speren “in twee lengtes….de korte waren voor de jacht, de langere om te vechten.” 172 Bij de jager-verzamelaars van de Adamaneilanden werden “krenkingen niet vergeten en kon dan later wraak genomen worden. De overvallers slopen door de jungle of naderden in kano’s. Ze besprongen hun slachtoffers bij verrassing, schoten [met pijlen] snel alle mannen en vrouwen dood die niet konden ontsnappen, en namen de niet-gewonde kinderen mee om ze te adopteren…;” “Als er genoeg leden in leven gebleven waren om opnieuw een groep te vormen, zouden ze uiteindelijk talrijk genoeg kunnen worden om wraak te nemen en zou er ten slotte een vete kunnen ontstaan. [Pogingen om vrede te sluiten] werden in gang gezet door de vrouwen, omdat zij het waren die de vijandelijkheden levend gehouden hadden, door hun mannen op te hitsen.” 173

Bij ten minste enkele groepen Australische Aboriginals daagden de vrouwen af en toe hun mannen uit tot dodelijke gewelddadigheden tegen andere mannen. 174 Bij de Eskimo’s bij wie Gontran de Poncins verbleef, werd “heel wat gemoord,” en soms was er een vrouw die haar man overhaalde om een andere man te doden. 175 Door prehistorische jager-verzamelaars vervaardigde grotschilderingen in het Oosten van Spanje vertonen groepen mannen die tegen elkaar vechten met pijl en boog. 176

Je zou steeds maar door kunnen gaan. Maar ik wil niet de indruk wekken dat alle jager-verzamelaars gewelddadig waren. Turnbull haalt talrijke niet-dodelijke gevechten en afstraffingen aan onder de Mbuti, maar in zijn boeken die ik gelezen heb vermeldt hij geen enkel geval van doodslag.177 Dat doet vermoeden dat dodelijk geweld bij de Mbuti zelden voorkwam in de periode dat Turnbull met hen omging. Siriono-vrouwen vochten soms lijfelijk, waarbij ze elkaar met stokken sloegen en ook bij de kinderen was er sprake van heel wat agressie, zelfs met stokken of brandende fakkels die gebruikt werden als wapen. 178 Maar mannen bevochten elkaar zelden met wapens, 179 en de Siriono waren niet oorlogszuchtig. 180 Toen ze tot het uiterste uitgedaagd werden doodden ze ook sommige blanken en tot het christendom bekeerde Indianen, 181 maar onder de Siriono zelf was opzettelijke doodslag vrijwel onbekend. 182 Bij de Bosjesmannen die Elisabeth Thomas kende kwam agressie, in welke vorm dan ook, nauwelijks voor, hoewel ze duidelijk maakt dat dat niet zonder meer gold voor alle Bosjesmangroepen. 183 Het is overigens belangrijk te beseffen dat dodelijk geweld bij primitieven in de verste verte niet te vergelijken valt met de huidige oorlogvoering. Als primitieven vechten schieten twee kleine groepjes mannen pijlen naar elkaar of slingeren strijdknotsen, omdat ze willen vechten, of omdat ze zichzelf, hun gezinnen of grondgebied willen verdedigen. In de tegenwoordige wereld vechten soldaten omdat ze daartoe gedwongen worden, of op zijn best omdat ze gehersenspoeld zijn zodat ze in een of andere maffe ideologie geloven zoals het Nazisme, socialisme of wat Amerikaanse politici graag “vrijheid” noemen. In ieder geval is de soldaat van tegenwoordig slechts een pion, een onnozele hals die niet sterft voor zijn gezin of stam, maar voor politici die hem uitbuiten. Als hij pech heeft gaat hij misschien niet dood maar komt afschuwelijk verminkt weer thuis, op een manier die nooit door een pijl of speer aangericht zou kunnen worden. Intussen zijn er wel duizenden niet-strijders gedood of verminkt. Het milieu is verwoest, niet alleen in het oorlogsgebied, maar ook thuis, door het toegenomen gebruik van natuurlijke hulpbronnen die nodig zijn om de oorlogsmachine te voeden. In vergelijking daarmee is het geweld van de primitieve mens betrekkelijk onschuldig. Dat is echter niet goed genoeg voor de anarchoprimitivisten of de tegenwoordige politiek-correcte antropologen. Zij kunnen het voorkomen van geweld bij jager-verzamelaars helemaal niet ontkennen, omdat het bewijsmateriaal daarvoor onweerlegbaar is. Maar om de hoeveelheid geweld in het verleden van de mens te minimaliseren zullen ze de waarheid zover uitrekken dat ze denken daarmee weg te kunnen komen. Het is de moeite waard om een voorbeeld te geven dat de domheid illustreert van sommige redeneringen die ze gebruiken. Met betrekking tot de Homo habilis, qua lichaamsbouw een primitieve voorloper van de tegenwoordige mens, schrijft de antropoloog Haviland: “Ze bemachtigen hun vlees niet door levende dieren te doden maar als aaseter; de Homo habilis kwam aan zijn vlees door dat van karkassen van dode dieren halen, in plaats van te jagen op levende dieren. We weten dat omdat de sporen van stenen werktuigen op de botten van geslachte dieren gewoonlijk over de sporen die de tanden van vleeseters gemaakt hebben, heen liggen. Het is dus duidelijk dat de Homo habilis de prooi niet als eerste bemachtigde.184

Maar Haviland had toch moeten weten dat veel of de meeste roofdieren zowel jagen als aaseten. Bijvoorbeeld beren, Afrikaanse leeuwen, marters, veelvraten, wolven, prairiehonden, jakhalzen, hyena’s, de Aziatische wasbeerhonden, de Komodovaraan en sommige gieren jagen en eten aas. 185 Dus het feit dat de Homo habilis aaseter was bewijst helemaal niet dat hij niet ook jaagde. Ik benadruk dat ik niet weet of me er druk over maak of de Homo habilis jaagde. Ik zie niet waarom het voor ons belangrijk zou zijn om te weten of tweemiljoen jaar geleden onze mensachtige voorouders bloeddorstige moordenaars waren, vreedzame vegetariërs of iets daartussenin. Het gaat er hier gewoon om, om te laten zien tot wat voor redeneringen sommige antropologen hun toevlucht nemen in hun poging om het verleden van de mens er zo politiek-correct mogelijk uit te laten zien. Omdat politiek correct zijn niet alleen het beeld verwrongen heeft van het verleden van de mens, maar ook van de wilde natuur in het algemeen, zou er op gewezen moeten worden dat dodelijk geweld bij wilde dieren zich niet beperkt tot het doden van de ene soort door een andere. Het doden van een soortgenoot door een andere soortgenoot komt ook voor. Het is bijvoorbeeld algemeen bekend dat wilde chimpansees vaak andere chimpansees doden.186 Olifanten doden soms een andere olifant tijdens een gevecht, en datzelfde geldt voor wilde varkens. 187 Zeevogels met de naam bruine gent, leggen in elk nest twee eieren. Nadat de eieren uitgebroed zijn valt het ene kuiken het andere aan en werkt het uit het nest, zodat het doodgaat. 188 Komodovaranen eten elkaar soms op, 189 en er zijn aanwijzingen voor dat kannibalisme voorkwam bij bepaalde dinosauriërs.190 (Het bewijsmateriaal voor kannibalisme bij prehistorische mensen is omstreden.) 191

Ik wil duidelijk stellen dat het op geen enkele manier mijn bedoeling is om geweld op te hemelen. Ik zie mensen (en dieren) liever vreedzaam met elkaar omgaan. Mijn opzet is alleen het irrationele te laten zien van het politiek-correcte beeld van primitieve mensen en de wilde natuur.


7. Een belangrijk bestanddeel van de anarchoprimitivistische mythe is het geloof dat jager-verzamelaarsgemeenschappen geen rivaliteit kenden en zich in plaats daarvan kenmerkten door samen delen en samen werken. Collin Turnbulls eerste publicaties over de Mbuti-pygmeeën lijken heel oprecht, maar zijn werk neigde in de loop der tijd steeds meer naar politieke correctheid.192

In 1983 (respectievelijk 18 en 21 jaar nadat hij Wayward Servants en The Forest People gepubliceerd had), noteerde Turnbull dat Mbuti-kinderen geen spelen met een wedstrijdelement kenden, 193 en nadat hij verwezen had naar de grote waarde die de tegenwoordige maatschappij volgens hem hecht aan “competitie” en ‘economische onafhankelijkheid,” 194 stelde hij daar “de beproefde oorspronkelijke waarden van het familie in het groot” tegenover: onafhankelijkheid, samenwerking en vertrouwen op de gemeenschap…in plaats van op jezelf” 195

Maar volgens Turnbulls vroegere eigen publicaties waren bij de Mbuti lijfelijke gevechten aan de orde van de dag. 196 Als zo’n gevecht geen vorm van rivaliteit is, wat is het dan wel? Het is eigenlijk duidelijk dat de Mbuti een heel ruzieachtig volk was, en naast lijfelijke gevechten vonden bij hen ook veel verbale ruzies plaats.197 Over het algemeen gesproken is elke ruzie, of die nou lijfelijk of verbaal uitgevochten wordt, een vorm van competitie: de belangen van de ene persoon zijn strijdig met die van een ander en hun ruziemaken is een poging van elk van beiden om zijn eigen belangen te verdedigen ten koste van die van de ander. De jaloezie van de Mbuti was ook een blijk van rivaliserende drijfveren. 198

Twee zaken waar de Mbuti ruzie over maakten waren partners en voedsel. Ik heb al het geval vermeld van twee vrouwen die om een man vochten, 199 en ruziemaken over voedsel kwam duidelijk vaak voor. 200 Vermeldenswaard is dat Turnbull in zijn vroegere werk de Mbuti beschreef als “individualisten.” 201 Er bestaat overvloedig bewijsmateriaal over de competitieve instelling en/of het individualisme bij primitieve volkeren. De Nuer (Afrikaanse veefokkers), de heidense Duitse stammen, de Indianen van de Cariben, de Siriono (die voornamelijk leefden van jagen en verzamelen) de Navajo, Apachen, Prairie-indianen en de Noor-Amerikaanse Indianen in het algemeen, zijn allemaal expliciet beschreven als “individualistisch.” 202 Maar “individualisme” is een vaag begrip dat voor verschillende personen verschillende dingen kan betekenen; het is dus zinniger om te kijken naar ondubbelzinnige gerapporteerde feiten. Een aantal van de werken die ik geciteerd heb in voetnoot 202, ondersteunen hun toepassing bij de volkeren van het begrip “individualistisch” met feiten. Holmberg schrijft:

“Wanneer een Indiaan [Siriono] volwassen is geworden spreidt hij een opmerkelijk individualisme en onverschilligheid ten opzicht van zijn kameraden te toon. De duidelijke onverschilligheid van het ene individu ten opzichte van het andere — zelfs binnen de familie — bleef me voortdurend verbazen in de tijd dat ik bij de Siriono verbleef. Vaak gingen mannen alleen op jacht — zonder zoiets als een afscheidsgroet — en bleven dan weken achtereen weg van de groep zonder enige bezorgdheid van de kant van hun medestamgenoten of zelfs hun vrouw….” “Onverschilligheid ten opzichte van de medemens komt voor in alle soorten en maten. Op zeker moment ging Ekwaita op jacht. Bij zijn terugkeer werd hij ongeveer vijfhonderd meter van het kamp overvallen door de duisternis. Het was pikkedonker en Ekwaita verdwaalde. Hij begon om hulp te roepen — of iemand hem vuur wilde brengen of door geroep naar het kamp kon leiden. Niemand besteedde aandacht aan zijn verzoek. Na ongeveer een half uur hield zijn geroep op en zei zijn zuster Seaci: ‘Waarschijnlijk gepakt door een jaguar.’ Toen Ekwaita de volgende ochtend terugkwam, vertelde hij me dat hij de nacht zittend op een boomtak doorgebracht had, om niet door een jaguar opgegeten te worden.” 203 Holmberg maakt herhaaldelijk opmerkingen over het gebrek aan hulpvaardigheid van de Siriono, en vertelt dat mensen die gebrekkig werden door ouderdom of ziekte door de anderen gewoon in de steek gelaten werden. 204 Bij andere primitieve volkeren neemt het individualisme andere vormen aan. Bij de meeste Noord-Amerikaanse Indianen was oorlogvoeren bijvoorbeeld een uitgesproken individualistische onderneming. “De Indianen, die zeer individualistisch zijn en vaak meer voor eigen glorie dan ten behoeve van de groep vechten, hebben nooit een krijgskunst ontwikkeld.” 205 Volgens de Cheyenne-Indiaan Wooden Leg: “Als een gevecht daadwerkelijk begon, was het een zaak van ieder voor zich. Er was geen sprake van geordend groeperen, geen gezamenlijke gestructureerde bewegingen, geen verplicht komen en gaan. Krijgers liepen lukraak door elkaar heen, iedereen zorgde alleen maar voor zichzelf, of hielp een vriend als dat nodig was en als zijn hoofd er naar stond om hem behulpzaam te zijn. De Siouxstammen leverden hun gevechten als een groep individuen, op dezelfde manier waarop wij en alle Indianen die ik ooit gekend heb dat doen.” 206

Gedurende de eerste helft van de 20e eeuw interviewde Stanley Vestal veel Prairie-Indianen, die zich die oude tijd nog herinnerden. Hij zegt daarover:


“Het kan niet vaak genoeg herhaald worden dat de Indiaan — behalve als hij zijn kamp verdedigt — volstrekt onverschillig stond ten opzichte van het totale resultaat van het gevecht: hij bekommerde zich alleen om zijn eigen succes. Steeds weer hebben ouden mannen me verteld, als we hadden over een bepaald gevecht: ‘Die dag is er niets gebeurd,’ wat gewoon betekent dat de spreker geen heldendaad heeft verricht;” 207 “Prairie-Indianen konden niet volgens plan oorlog voeren. Zij hadden geen discipline. Bij de sporadische gelegenheid waarbij ze wel een plan hadden, voerde een of andere eerzuchtige man dan zonder twijfel een voortijdige aanval uit.” 208

Vergelijk dat met het oorlog voeren van de tegenwoordige man: troepen bewegen zich voort, gehoorzamend aan zorgvuldig uitgewerkte plannen; iedereen moet een speciale taak uitvoeren, in samenwerking met anderen, en doet dat niet voor zijn eigen eer, maar ten behoeve van het leger als geheel. Bij het oorlog voeren is het dus de tegenwoordige man die samenwerkt en is de primitieve man over het algemeen een individualist.


Individualisme bij de primitieven beperkt zich niet tot oorlog voeren. Bij de Indianen in het subarctische Noord-Amerika, die jager-verzamelaars waren, was sprake van een “individualistische relatie met het bovennatuurlijke”, “zelfstandigheid,” en “werd veel waarde gehecht aan persoonlijke autonomie.” 209 Australische Aboriginalkinderen werd “geleerd zelfstandig te zijn.” 210 Bij de bosindianen in het Oosten van de Verenigde Staten, “werd grote nadruk gelegd op zelfstandigheid en individuele bekwaamheid,” 211 en de Navajo “drongen aan op zelfstandigheid.” 212 De Nuer in Afrika hemelden de deugden “eigenzinnigheid” en “onafhankelijkheid” op; “Hun enige karaktertoets is of iemand zich kan handhaven.” 213 Bewijzen van rivaliteit bij primitieven zijn overvloedig. Naast de Mbuti vochten in ieder geval ook een aantal andere jager-verzamelaars om partners en voedsel. “Je hoeft niet lang onder de Siriono te verkeren om te merken dat ruzie maken en vechten alomtegenwoordig zijn.” 214 Het merendeel van de ruzies “ontstond rechtstreeks over voedselkwesties,” maar bij de Siriono leidde ook seksuele jaloezie tot gevechten en ruzies. 215 De Australische Aboriginals vochten om het bezit van vrouwen. 216 Poncins vermeldt het geval van een Eskimo die een andere man doodde om zijn vrouw in te pikken en verklaart dat elke Eskimo zou doden om te voorkomen dat zijn vrouw wordt afgepakt. 217

Ondanks Turnbulls opmerking dat Mbuti-kinderen geen spelen met een wedstrijdelement kennen, deden sommige volwassen Mbuti aan touwtrekken, wat duidelijk een competitief spel is; 218 en bepaalde andere primitieve volkeren kenden ook competitieve spelen. Massola maakt melding van oorlogspelletjes bij de Australische Aboriginals, en een balspel, waarbij “de jongen die de bal het vaakst opving als winnaar werd beschouwd.” 219 Het spel lacrosse is ontstaan bij de Algonkin-Indianen. 220 Navaho-kinderen van beiderlei kunne hielden hardloopwedstrijden, 221 en bij de Prairie-Indianen waren bijna alle jongenspelletjes competitief. 222 De Cheyenne-Indiaan Wooden Leg beschreef een aantal competitieve sporten waar zijn volk aan deed: “Paardenraces, hardloopwedstrijden, worstelpartijen, schijfschieten met geweer en pijl en boog, pijlwerpen met de hand, zwemmen, springen en soortgelijke wedstrijden.” 223 De Cheyenne-Indianen wedijverden ook in oorlog, jacht en “alle belangrijke activiteiten.” 224

Richard E. Leakey citeert het volgende van Richard Lee: “Samen delen dringt diep door in het gedrag en de waarden van de !!Kung-[Bosjesmannen]-verzamelaars. Samen delen staat centraal in de manier van leven van voedselverzamelende gemeenschappen.” Leakey voegt daaraan toe: “Dit is geen etnisch kenmerk dat zich beperkte tot de !!Kung: het is een karaktertrek van jager-verzamelaars in het algemeen.” 225 Natuurlijk, wij delen ook. We betalen belasting. Ons belastinggeld wordt gebruikt om arme of gehandicapte mensen te helpen door middel van sociale bijstandprogramma’s, en andere overheidsactiviteiten uit te voeren, waarvan verondersteld wordt dat ze het algemeen welzijn bevorderen. Werkgevers delen met hun werknemers door hen loon te betalen. Maar hè! antwoord je dan, wij delen alleen omdat daartoe gedwongen worden. Als we proberen de belasting te ontduiken, moeten we naar de gevangenis; als een werkgever te weinig loon en faciliteiten biedt, wil niemand voor hem werken of krijgt hij misschien problemen met de wet op het minimumloon. Het verschil is dat jager-verzamelaars vrijwillig deelden, uit vriendelijke, hartelijke vrijgevigheid….ja toch?


Nou, niet helemaal. Net zoals ons samen delen gestuurd wordt door belastingwetten, cao’s en dergelijke, werd het delen in jager-verzamelaargemeenschappen doorgaans gestuurd door “strikte procedurele regels” die “in acht genomen moesten worden om de vrede te bewaren.” 226 Veel jager-verzamelaars deelden met evenveel tegenzin hun voedsel als wij onze belastingen betalen, en zorgden er even angstvallig voor dat ze ook maar niet iets minder kregen dan waar ze recht op hadden. Bij de Bosjesmannen van Richard Lee: “Vindt de verdeling [van vlees] zeer zorgvuldig plaats, volgens een aantal regels. Een onjuiste verdeling van het vlees kan de oorzaak zijn van bittere ruzies onder nauwe verwanten.” 227 Bij de Tikerarmiut-Eskimo’s konden, zelfs terwijl de regels voor het verdelen van walvisvlees “angstvallig in acht genomen werden, nog steeds luidruchtige ruzies voorkomen.” 228 De Siriono kenden voedseltaboes, die zouden kunnen dienen als regels voor de verdeling van vlees, maar vaak veronachtzaamd werden. 229 Hoewel de Siriono voedsel deelden, deden ze dat met enorme tegenzin: 230 “De mensen klaagden voortdurend en maakten ruzie over de verdeling van voedsel. Enia zei ooit op een avond tegen me: “Als iemand in de buurt van het huis komt, verstoppen de vrouwen het vlees. Vrouwen stoppen zelfs vlees in hun vagina om het te verbergen.” 231 “Als bijvoorbeeld iemand voedsel deelt met een familielid, heeft hij het recht iets terug te verwachten. Wederkerigheid is echter vrijwel altijd afgedwongen en soms zelfs vijandig. Samen delen komt in feite amper voor zonder een zekere mate van wederzijds wantrouwen en onbegrip.” 232 De Mbuti hadden regels voor het delen van vlees, 233 maar er was “vaak heel wat gekibbel over de verdeling van de jachtbuit.” 234 “Als een dier gedood is, wordt het meegenomen om het na terugkeer in het kamp te verdelen. Dat wil niet zeggen dat het delen plaatsvindt zonder enige ruzie of bitterheid. Integendeel, de ruzies die ontstaan als de jagers terug zijn in het kamp zijn vaak langdurig en luidruchtig;” 235 “Als de jagers teruggekeerd zijn in het kamp zijn er zowel mannen als vrouwen, maar vooral vrouwen, te zien die stiekem wat van de buit verbergen onder de bladeren van hun dak of in lege potten;” 236 “Het zou ongewoon zijn als een Mbuti-vrouw niet een deel van de vangst zou verbergen in het geval dat ze het moest delen met anderen.” 237 Het feit dat sommige jager-verzamelaars vaak ruzieden over de verdeling is in tegenspraak met de beweringen van de anarchoprimitivisten over de “primitieve overvloed.” Als voedsel zo gemakkelijk te verkrijgen was, waarom zouden ze er dan ruzie over maken? Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de algemene regel van samen delen bij jager-verzamelaars hoofdzakelijk gold voor vlees. Er was betrekkelijk weinig sprake van delen bij plantaardig voedsel, 238 zelfs als dat vaak het grootste gedeelte vormde van het dieet. 239

Maar ik wil niet de indruk wekken dat alle primitieve volkeren of alle jager-verzamelaars radicale individualisten waren die nooit samenwerkten en nooit deelden, behalve onder dwang. De Siriono waren wat betreft egoïsme, harteloosheid en niet samenwerken, een uitzondering. Bij de meeste primitieve volkeren waarover ik gelezen heb, schijnt een redelijk evenwicht te hebben bestaan tussen samenwerken en competitie, delen en egoïsme, individualisme en gemeenschapszin. Coon zegt dan wel dat jager-verzamelaars buiten het huishouden plantaardig voedsel, schelpdieren en dergelijke doorgaans niet deelden, maar duidt ook aan dat dergelijke voedingsmiddelen wel gedeeld werden met andere gezinnen, als die laatsten honger hadden. 240 Ondanks hun individualistische trekken hechtten de Cheyenne-Indianen (en waarschijnlijk ook ander Prairie-Indianen) veel waarde aan vrijgevigheid (d.w.z. vrijwillig delen), en datzelfde gold voor de Nuer.242 De Eskimo’s bij wie Gontran de Poncins een tijd doorbracht waren zo gul in het delen van hun bezittingen dat Poncins hun gemeenschap beschreef als “ogenschijnlijk communistisch” en verklaarde dat “ze allemaal samenwerkten en er geen grein egoïsme bestond.” 243 (Poncins merkte echter wel op dat een Eskimo verwachtte dat elk geschenk uiteindelijk terugbetaald werd met een tegengeschenk). 244 Hoe belangrijk de Mbuti samenwerken vonden bij de jacht en sommige andere activiteiten, is beschreven door Turnbull, 245 die ook vermeldt dat niet samen delen in tijden van schaarste een “misdrijf” was, 246 en dat de Mbuti tot op zekere hoogte ook deelden als daar geen noodzaak voor was. 247

In tegenstelling tot de door de Siriono betoonde harteloosheid, werden bij de Mbuti oude en gebrekkige mensen met zorg en respect bejegend, wat hoofdzakelijk voortkwam uit genegenheid en verantwoordelijkheidsgevoel. 248 Poncins Eskimo’s plachten hulpeloze oude mensen achterlaten om te sterven als het te moeilijk werd om nog langer voor hen te zorgen, maar ze moeten dat met tegenzin gedaan hebben, omdat zij, zolang ze die oude mensen bij zich hadden, “onderweg de oude mensen in de gaten hielden en vaak naar de slee terugliepen om te kijken of de oude mensen warm genoeg waren, het behaaglijk hadden, of misschien honger hadden en wat vis wilden.” 249

Zoals je steeds maar door kunt gaan met het geven van voorbeelden van egoïsme, competitie en agressie bij de jager-verzamelaars, kun je dat ook doen met voorbeelden van vrijgevigheid, samenwerken, en liefde bij hen. Ik heb voornamelijk alleen maar de nadruk gelegd op voorbeelden van egoïsme, competitie en agressie, omdat ik de behoefte had de mythe van de anarchoprimitivisten te ontzenuwen, die het leven van jager-verzamelaars afschildert als een soort politiek-correcte Hof van Eden.


Als Colin Turnbull de tegenwoordige “competitie,” “onafhankelijkheid,” en “zelfstandigheid” tegenover de “beproefde primitieve waarden van onderlinge afhankelijkheid, samenwerking en vertrouwen stellen in de gemeenschap” stelt, houdt hij zichzelf gewoon voor de gek. Zoals we eerder hebben gezien zijn de laatste waarden niet speciaal kenmerkend voor primitieve gemeenschappen. En je hoeft maar even na te denken om te zien dat zelfstandigheid in de huidige maatschappij vrijwel onmogelijk is geworden, en dat samenwerken en onderlinge afhankelijkheid zich ontwikkeld hebben tot een oneindig veel grotere omvang dan ooit het geval zou kunnen zijn in een primitieve samenleving.


Tegenwoordig zijn naties uitgebreide, buitengewoon georganiseerde systemen, waarin elke onderdeel afhankelijk is van elk ander onderdeel. Fabrieken en olieraffinaderijen zouden niet kunnen functioneren zonder door krachtcentrales geleverde elektriciteit, de krachtcentrales hebben reserveonderdelen nodig die vervaardigd worden in de fabrieken, de fabrieken hebben materialen nodig die niet vervoerd zouden kunnen worden zonder door olieraffinaderijen vervaardigde brandstof. De fabrieken, raffinaderijen en krachtcentrales zouden niet kunnen werken zonder arbeiders. De arbeiders hebben op boerenbedrijven geproduceerd voedsel nodig, de boerenbedrijven hebben brandstof en reserveonderdelen nodig voor tractoren en werktuigen en kunnen dus niet zonder de olieraffinaderijen en fabrieken, enzovoort. En zelfs een moderne natie is niet langer een zichzelf bedruipende eenheid. Elk land is in toenemende mate afhankelijk van de wereldeconomie. Omdat het tegenwoordige individu niet zou kunnen overleven zonder de goederen en diensten die geleverd worden door het wereldwijde techno-industriële mechaniek, is het absurd te spreken over zelfstandigheid. Om het hele mechaniek draaiende te houden, is een uitgebreid, tot in detail uitgewerkt, gechoreografeerd systeem nodig. Mensen moeten aanwezig zijn op hun werkplek op precies vastgestelde tijdstippen, en verrichten hun werk volgens gedetailleerde regels en procedures, om er zeker van te zijn dat elke verrichting van het individu in de pas loopt met die van ieder ander. Om het verkeer soepel en zonder ongelukken en files te laten verlopen, moeten mensen samenwerken door zich te voegen naar talrijke verkeersregels. Afspraken moeten nagekomen, belastingen betaald, vergunningen verleend, wetten gehoorzaamd worden, enz., enz., enz. Er is nooit een primitieve gemeenschap geweest, die een zo verreikend en uitgewerkt systeem van samenwerking had, of het gedrag van het individu zo gedetailleerd geregeld heeft. Onder deze omstandigheden lijkt de bewering dat de huidige maatschappij gekenmerkt wordt door “onafhankelijkheid” en “zelfstandigheid,” in tegenstelling tot de primitieve onderlinge afhankelijkheid en samenwerking, een bizarre uitspraak.


Daarop zou geantwoord kunnen worden dat de huidige mens alleen maar met het systeem samenwerkt omdat hij daartoe gedwongen wordt, terwijl ten minste een deel van het samenwerken van de primitieve mens min of meer vrijwillig is. Dat is natuurlijk juist en de reden daarvoor is duidelijk. Juist omdat ons systeem van samenwerken zo hoogontwikkeld is, is het buitengewoon veeleisend en daarom zó bezwarend voor het individu, dat maar weinig mensen zich daarin zouden schikken, als ze niet bang zouden zijn om hun baan te verliezen, een boete te moeten betalen of in de gevangenis te belanden. Het samenwerken van de primitieve mens kan deels vrijwillig zijn, juist omdat van de primitieve mens veel minder samenwerken wordt gevergd dan van de huidige mens. Wat de huidige maatschappij aan de buitenkant de schijn van individualisme, onafhankelijkheid en zelfstandigheid verleent, is het verdwijnen van de banden die individuen vroeger verenigden tot kleinschalige gemeenschappen. Tegenwoordig heeft het kerngezin doorgaans weinig te maken met zijn naaste buren of zelfs hun verwanten. De meeste mensen hebben vrienden, maar tegenwoordig zijn vrienden geneigd elkaar alleen maar te gebruiken ter vermaak. Doorgaans werken ze niet samen in economische of andere serieuze, praktische activiteiten, en bieden elkaar evenmin veel tastbare of economische zekerheid. Als je invalide wordt, verwacht je niet dat je vrienden je helpen. Je bent afhankelijk van verzekering of bijstand. Maar de banden van samenwerking en wederzijdse hulp die ooit de jager-verzamelaars aan zijn groep bonden, zijn niet gewoon in rook opgegaan. Ze zijn vervangen door banden die ons aan het techno-industriële systeem als geheel binden, en ons strakker vastbinden dan de jager-verzamelaar aan zijn groep. Het is absurd te beweren dat iemand onafhankelijk, zelfstandig of een individualist is, omdat hij tot een collectief behoort van honderden miljoenen mensen, in plaats tot van een van dertig of vijftig personen. Competitie is in ons maatschappij veel hechter verankerd dan dat in de meeste primitieve gemeenschappen het geval was. Zoals we hebben gezien konden Mbuti-vrouwen met hun vuisten ruziemaken om een man; ze konden met elkaar wedijveren over voedsel door wat te pikken of het op een schreeuwen zetten bij het verdelen van het vlees. Australische Aboriginal-mannen vochten met elkaar met dodelijke wapens om vrouwen.250 Maar een dergelijke onverholen en onbeperkte competitie kan in de tegenwoordige maatschappij niet geduld worden, omdat dat het ingewikkelde en nauwkeurig afgestemde systeem van samenwerken zou verstoren. Daarom heeft onze maatschappij uitlaatkleppen ontwikkeld voor de competitieve drijfveren die voor het systeem onschadelijk of soms zelfs nuttig zijn. Tegenwoordig wedijveren mannen niet om vrouwen, of omgekeerd, door te vechten. Mannen wedijveren om vrouwen door geld te verdienen en in een indrukwekkende auto te rijden; vrouwen wedijveren om mannen door aan hun aantrekkelijkheid en uiterlijk te werken. Leidinggevenden in bedrijven wedijveren door naar promotie te streven. In dit kader is competitie onder leidinggevenden een instrument dat hen aanmoedigt samen te werken met het bedrijf, want degene die de promotie in de wacht sleept, is degene die het bedrijf het best van dienst is. Het valt best aannemelijk te maken dat in de huidige maatschappij competitieve sporten functioneren als uitlaatklep voor agressieve en competitieve driften die ernstige verstorende gevolgen zouden hebben als ze geuit worden op de manier waarop veel primitieve volkeren dat met dergelijke driften doen. Het is duidelijk dat het systeem behoefte heeft aan mensen die coöperatief en gehoorzaam zijn en bereid zijn afhankelijkheid te aanvaarden. Zoals de historicus Theodore Von Laue dat stelt: “Als basis voor haar vrijheden vereist de geïndustrialiseerde maatschappij een ongelofelijke volgzaamheid [sic].” 251 Zodoende zijn gemeenschap, coöperatie en het helpen van anderen diepgewortelde, fundamentele waarden geworden van de huidige maatschappij. Maar hoe zit dat dan met de waarde die zogenaamd toegekend wordt aan onafhankelijkheid, individualisme en competitie? Terwijl de woorden “gemeenschap,” “samenwerken,” en “helpen” in onze maatschappij eenstemmig aanvaard worden als “goed, “zijn de woorden “individualisme” en “competitie” beladen en tweesnijdende woorden die met enige behoedzaamheid gebruikt dienen te worden, als je het risico van een afwijzende reactie wil vermijden. Ter illustratie de volgende anekdote: toen ik in de zevende of achtste klas zat vroeg onze onderwijzer, die geneigd was wat onbehouwen om te gaan met de kinderen, een meisje het land te noemen waarin ze woonde. Het meisje was niet zo snugger en wist kennelijk de volledige naam de Verenigde Staten van Amerika niet, dus antwoordde ze gewoon: “De Staten.” “Wat voor Staten?” vroeg de onderwijzer. Het meisje zat daar maar met een uitdrukkingsloos gezicht. De leraar bleef aandringen op een antwoord, tot ze een poging waagde: “De Gemeenschappelijke-staten?”


Waarom “gemeenschap”? Natuurlijk omdat “gemeenschappelijk” een lekker woord was, het soort woord dat een kind kon gebruiken om bij de onderwijzer een punt met een griffel te halen. Zou ooit een kind in een soortgelijke situatie hebben geantwoord “De Verenigde Competitie-staten” of de Verenigde Individualisme-staten?” Waarschijnlijk niet!


Het wordt doorgaans als vanzelfsprekend beschouwd dat woorden zoals “gemeenschap,” “samenwerken,” “helpen” en “samen delen” iets positiefs weergeven, maar “individualisme” wordt in de toonaangevende media of het onderwijssysteem zelden gebruikt in een ondubbelzinnig positieve betekenis. “Competitie” wordt wel vaker gebruikt in een positieve betekenis, maar op die manier alleen in een bepaalde context, waarin competitie nuttig (of in ieder geval onschadelijk) is voor het systeem. Competitie wordt bijvoorbeeld wenselijk geacht in de zakenwereld, omdat daardoor inefficiënte bedrijven uit de weg geruimd worden, andere bedrijven aangespoord worden om efficiënter te worden en daardoor economische en technologische vooruitgang bevorderd worden. Maar gewoonlijk wordt alleen gunstig gesproken over gecontroleerde competitie — dat wil zeggen, competitie die gebonden is aan regels, bedoeld om die onschadelijk of nuttig te maken. En als competitie gebruikt wordt in een positieve betekenis, wordt die altijd gerechtvaardigd als waardevol voor de samenleving. Zakelijke competitie wordt dus als goed geschouwd omdat het doelmatigheid en vooruitgang bevordert, die zogenaamd goed zijn voor de gemeenschap als geheel.


“Onafhankelijkheid” is ook een “goed” woord, maar alleen als het op bepaalde manieren gebruikt wordt. Als bijvoorbeeld iemand het heeft over gehandicapten “onafhankelijk” maken, wordt daaronder nooit verstaan hen onafhankelijk te maken van het systeem. Dan wordt alleen bedoeld dat ze van een betaalde baan voorzien moeten worden, zodat de samenleving niet opgezadeld wordt met de kosten voor hun onderhoud. Als ze eenmaal een baan gevonden hebben, zijn ze in alle opzichten even afhankelijk van het systeem als toen ze nog van de bijstand leefden en hebben dan heel wat minder vrijheid om zelf te bepalen hoe ze hun tijd doorbrengen. Maar waarom stellen politiek-correcte antropologen, en anderen zoals zij, dan zo graag de zogenaamde primitieve waarden als “gemeenschap,” “samenwerking,” samen delen” en “onderlinge afhankelijkheid” tegenover wat zij beweren dat de huidige waarden zijn: “competitie,” “individualisme” en “onafhankelijkheid”? Een belangrijk deel van het antwoord is zonder twijfel dat politiek-correcte mensen de waarden die de propaganda van het systeem hen geleerd heeft, waaronder de waarden “samenwerken,” “gemeenschap,” “helpen” enzovoort, te zeer eigen hebben gemaakt. Een andere waarde die zij zich door die propaganda eigen hebben gemaakt, is “verdraagzaamheid,” die in een transculturele context de neiging vertoont geïnterpreteerd te worden als neerbuigend instemmen met niet-Westerse culturen. Tegenwoordig wordt daarom een goed-aangepaste antropoloog geconfronteerd met een conflict: omdat hij verondersteld wordt verdraagzaam te zijn, vindt hij het moeilijk iets slechts te zeggen over primitieve culturen. Maar primitieve culturen leveren een overvloed aan voorbeelden van gedrag dat uitgesproken slecht is vanuit het standpunt van de huidige Westerse waarden. De antropoloog moet dus veel van dat “slechte” gedrag uit de beschrijvingen van primitieve culturen schrappen, om te voorkomen dat hij hen in een negatief daglicht zet. Bovendien heeft de politiek-correcte antropoloog, dankzij zijn eigen buitensporige aanpassing, de behoefte om te rebelleren. 252 Hij is te zeer aangepast om zich te ontdoen van de fundamentele waarden van de huidige maatschappij, en daarom uit hij zijn vijandigheid ten opzichte van die maatschappij door feiten te verdraaien, en zodoende de schijn te wekken dat de huidige maatschappij in een veel grotere mate afwijkt van haar eigen vastgestelde waarden dan in feite het geval is. Vandaar dat de antropoloog ten slotte de competitieve en individualistische aspecten van de huidige maatschappij uitvergroot, terwijl hij deze aspecten van primitieve gemeenschappen schromelijk afzwakt.


Er is natuurlijk meer aan de hand en ik kan niet beweren dat ik de psyche van die mensen helemaal begrijp. Het lijkt bijvoorbeeld overduidelijk dat de politiek-correcte beschrijving van jager-verzamelaars deels ingegeven is door de drang om een beeld te construeren van een pure en onschuldige, bij de dageraad van de tijd bestaande wereld, analoog aan de Hof van Eden, maar de reden van die drang is me niet duidelijk.


8. Hoe zit het met de relatie van jager-verzamelaars met dieren? Sommige anarchoprimitivisten lijken te denken dat dieren en mensen ooit “vreedzaam naast elkaar leefden” en dat hoewel dieren tegenwoordig soms mensen eten, “dergelijke aanvallen door dieren betrekkelijk zelden voorkomen” en “deze dieren gebrek aan voedsel hebben, wat te wijten is aan het opdringen van de beschaving en daardoor vooral gedreven worden door grote honger en radeloosheid. Dat is ook te wijten aan onze onwetendheid over de gedragingen en sporen van het dier, beschadigd gebladerte en andere signalen die onze voorouders [sic] wel kenden maar wij door onze domesticatie verleerd zijn.” 253 Het is zonder twijfel waar dat de kennis van jager-verzamelaars van de gewoonten van dieren hen veiliger maakte in de wildernis dan een tegenwoordige mens zou zijn. Het is ook waar dat aanvallen op mensen door wilde dieren betrekkelijk zeldzaam zijn en zijn geweest, waarschijnlijk omdat dieren door bittere ervaringen hebben geleerd dat het riskant is om op mensen te jagen. Maar voor jager-verzamelaars betekenden wilde dieren in vele omgevingen geen beduidend gevaar. De Siriono-jager “stond af en toe bloot aan aanvallen door jaguars, krokodillen en giftige slangen.” 254 Voor de Mbuti vormden luipaarden, kafferbuffels en krokodillen een heuse bedreiging. 255 Anderzijds werd, heel opmerkelijk, verteld dat de Kadar (jager-verzamelaars in India) “een wapenstilstand hadden gesloten met de tijgers, die hen in de oude tijden absoluut met rust lieten. 256 Daarvan is dit het enige geval dat ik ken. Jager-verzamelaars vormden een veel groter gevaar voor de dieren dan andersom, omdat zij natuurlijk op dieren jaagden voor hun voedsel. Zelfs de Kadar, die geen jachtwapens kenden en hoofdzakelijk van wilde bataten leefden, maakten af en toe gebruik van graafstokken om kleine dieren te doden voor voedsel. 257 Jachtmethoden konden wreed zijn. Mbuti-pygmeeën plachten met een giftige speer een olifant in de buik te steken; het dier stierf dan aan een peritonitis (een ontsteking van het buikvlies) binnen de daarop volgende 24 uur. 258 De Bosjesmannen schoten prooidieren met giftige pijlen en de dieren stierven dan een langzame dood in een tijdspanne die wel drie dagen kon duren. 259 Prehistorische jager-verzamelaars slachtten dieren massaal af door ze van steile rotsen of oevers af te jagen.260 Het gebeuren was nogal gruwelijk en waarschijnlijk pijnlijk voor de dieren, omdat sommigen van hen niet meteen doodvielen maar alleen maar gewond raakten. De Indiaan Wooden Leg zei: “Ik heb meegeholpen met antilopenkudden de afgrond in te jagen. Veel van hen werden gedood of braken poten. De gewonde dieren knuppelden we dood.” 261 Dat is nou niet precies wat anarchoprimitivisten aanspreekt. Anarchoprimitivisten zouden graag willen dat jager-verzamelaars dieren alleen maar in zoverre leed berokkenen als dat nodig was om aan vlees te komen. Maar dat klopt niet. Heel wat van de wreedheid van jager-verzamelaars was onnodig. In The Forest People, vertelt Turnbull:

“De jongen had met zijn eerste worp [de sindula] met zijn speer doorboord, en het dier aan de grond gespiesd door het vlezige deel van zijn buik heen. Maar het dier was nog steeds springlevend en vocht om vrij te komen. Maipe stak nog een speer in zijn nek, maar het bleef kronkelen en vechten. Pas toen een derde speer zijn hart doorboorde gaf het dier het gevecht op.

 

“Een opgewonden groep pygmeeën stond er omheen, wezen op het stervende dier en lachten. Een jongen van ongeveer negen jaar, wierp zich op de grond, kromp ineen tot een potsierlijk hoopje en deed de laatste stuiptrekkingen van de sindula na….

 

“Andere keren heb ik Pygmeeën bij nog levende vogels veren zien verschroeien, waarbij ze verklaarden dat het vlees malser is als ze langzaam doodgaan. En de jachthonden, hoe waardevol ze ook zijn, worden genadeloos rondgeschopt van de dag dat ze geboren worden tot de dag dat ze doodgaan.” 262

Een paar jaar later schreef Turnbull in Wayward Servants (Eigenzinnige dienaren): “Het moment van doden kan het best beschreven worden als een moment van intens mededogen en eerbied. De gekheid die vervolgens soms gemaakt wordt over het dode dier, vooral door de jeugd, lijkt bijna een reactie van opwinding, en er zit iets angstigs in hun gedrag. Anderzijds kan er met een levend gevangen vogel gespeeld worden, en de veren afgeschroeid worden boven een vuurtje terwijl het dier nog steeds fladdert en krijst, tot het ten slotte verbrandt of stikt. Ook dat wordt doorgaans gedaan door jonge mensen, die daarbij dezelfde zenuwachtige pret tonen; heel zelden is een jonge jager zo verstrooid [!?] dat hij datzelfde doet. Oude jagers en ouders keuren dat in het algemeen af, maar komen niet tussenbeide;” “Het respect schijnt niet bestemd te zijn voor het dier maar voor de jachtbuit, als gave van het woud.” 263 Dat lijkt niet helemaal te stroken met wat Turnbull eerder verklaarde in The Forest People. Misschien was Turnbull al begonnen met politiek-correct te worden toen hij Wayward Servants schreef. Maar zelfs als we de uitspraken in Wayward Servants nemen voor wat ze zijn, rest dat de Mbuti dieren onnodig wreed behandelden, afgezien van het feit of zij al dan niet “mededogen en eerbied” voor hen hadden. Als de Mbuti mededogen voor dieren hadden, waren ze wat dat betreft waarschijnlijk een uitzondering. Een kenmerk van jager-verzamelaars schijnt te zijn dat ze harteloos voor dieren zijn. De Eskimo’s bij wie Gontran de Poncins een tijd doorbracht, schopten en sloegen hun honden meedogenloos. 264 De Siriono vingen jonge dieren soms levend en brachten ze mee naar het kamp, maar gaven ze niets te eten; de dieren werden dan door de kinderen zo ruw behandeld dat ze binnen de kortste keren doodgingen. 265 Opgemerkt dient te worden dat veel jagende-en-verzamelende volkeren een gevoel voor eerbied voor of nauwe verbondenheid met wilde dieren voelden. Ik heb daarover al een uitspraak geciteerd van Turnbull in het geval van de Mbuti. Coon zegt dat “het in feite een standaardregel is bij jagers, dat ze nooit een wild dier dat ze gedood hebben bespotten of beledigen.” 266 (Zoals de passages van Turnbull die ik aangehaald heb laten zien, bestonden er uitzonderingen op die “standaardregel.”) Coon waagt zich aan speculaties als hij daaraan toevoegt dat “jagers een gevoel hebben voor de eenheid van de natuur en de combinatie van nederigheid en verantwoordelijkheid bij hun rol daarin.” 267 Wissler beschrijft de nauwe verbondenheid met en eerbied voor de natuur (waaronder wilde dieren) bij de Noord-Amerikaanse Indianen. 268 Holmberg vermeldt de banden en “verwantschap” van de Siriono met de dierenwereld. 269 Maar zoals we al hebben gezien voorkomen deze “banden” en “verwantschap” niet de fysieke wreedheid ten opzichte van dieren. Het is duidelijk dat dierenrechtenactivisten zouden gruwen over de manier waarop jager-verzamelaars dieren vaak behandelden. Voor mensen die jagende-en-verzamelende culturen als hun maatschappelijk ideaal zien, is het dus niet zinnig banden te onderhouden met de dierenrechtenbeweging.


9. Om het als het ware af te ronden, zal ik in het kort nog een paar andere elementen opnoemen van de anarchoprimitivistische mythe. Volgens de mythe is racisme een artefact van de beschaving. Maar het is niet duidelijk of dit wel juist is. De meeste primitieve volkeren konden natuurlijk geen racist zijn, omdat ze nooit in contact kwamen met een lid van een ras anders dan het hunne. Maar waar wel contacten voorkwamen tussen verschillende rassen, kan ik geen enkele reden bedenken om te geloven dat jager-verzamelaars daar minder vatbaar voor racisme waren dan de tegenwoordige mens. De Mbuti-pygmeeën waren niet alleen te onderscheiden van hun in dorpen wonende buren door hun geringere lichaamslengte, maar ook door hun gelaatstrekken en lichtere huidskleur. 270 De Mbuti spraken over de dorpsbewoners als “zwarte wilden” en “dieren” en zagen hen niet als echte mensen. 271 De dorpelingen spraken op hun beurt over de Mbuti ook als “wilden” en “dieren” en zagen de Mbuti ook niet als echte mensen. 272 Toch namen de dorpsbewoners vaak een Mbuti-vrouw, maar de enige reden daarvoor schijnt te zijn geweest dat hun eigen vrouwen, in het oerwoudmileu, een hele lage vruchtbaarheid hadden, terwijl de Mbuti-vrouwen een overvloed aan kinderen baarden. 273 de eerste-generatie-kinderen van gemengde huwelijken werden als minderwaardig beschouwd. 274 Vermeldenswaard is dat, terwijl Mbuti-vrouwen vaak met dorpsbewoners trouwden en in de dorpen woonden, dorpsvrouwen zelden een Mbuti-man trouwden, omdat zij “het harde zwerversleven van de woudnomaden schuwden en de voorkeur gaven aan het duurzame dorpsleven.” 275 Bovendien bleven de nakomelingen van gemengde bloede van de Mbuti-dorpeling-huwelijken doorgaans in het dorp hangen en “vonden zelden hun weg terug naar het oerwoud, omdat zij de voorkeur gaven aan het gerieflijkere dorpsleven boven het zware leven in het woud.” 276 Dit valt nauwelijks te rijmen met het beeld dat de anarchoprimitivisten hebben van het leven van jager-verzamelaars, een leven van rust en overvloed. In het voorgaande geval van wederzijdse racistische vijandschap bestond maar één partij — de Mbuti — uit jager-verzamelaars, want de dorpsbewoners waren landbouwers. Een mogelijk voorbeeld van racisme waarbij beide partijen jager-verzamelaar waren, wordt gevormd door de Indianen van het subarctische Noord-Amerika en de Eskimo’s, die elkaar haatten en vreesden; zij ontmoetten elkaar zelden behalve om te vechten. 277 En hoe zat het met de homofobie? Dat was evenmin onbekend onder jager-verzamelaars. Volgens Elisabeth Thomas was homoseksualiteit bij de Bosjesmannen die ze kende niet toegestaan 278 (hoewel daar niet noodzakelijkerwijs uit volgt dat dat voor alle Bosjesmangroepen gold). Volgens Turnbull werd bij de Mbuti “nooit gezinspeeld op homoseksualiteit, behalve als een grote belediging, maar dan alleen als iemand tot het uiterste getergd werd.” 279

De uitgever van het anarchoprimitivistische magazine Species Traitor beweerde in een brief aan mij dat in jager-verzamelaarculturen “mensen geen bezit hadden.” 280 Dat is onjuist. Onder jager-verzamelaars bestonden verschillende vormen van privé-eigendom — en niet alleen bij sedentaire groepen, zoals de Indianen van de Noordwestkust. Het is algemeen bekend dat de meeste jagende-en-verzamelende volkeren land in collectief bezit hadden. Dat wil zeggen dat elke groep van 30 tot 130 personen een gebied bezat waarin zij leefden. Coon geeft daar een uitgebreide bespreking van. 281 Minder bekend is dat jager-verzamelaars, zelfs nomadische, ook rechten konden doen gelden op natuurlijke hulpbronnen als individueel eigendom en in sommige gevallen konden dergelijke rechten zelfs geërfd worden. 282 Over de Bosjesmannen vertelt Elisabeth Thomas bijvoorbeeld: “Elke groep heeft een nauw omschreven territorium dat alleen door die groep gebruikt mag worden en hun grenzen worden strikt geëerbiedigd. Als iemand geboren is in een bepaalde streek heeft hij of zij het recht de meloenen te eten die daar groeien en alle gewassen van het veld. Een man eet de meloenen waar zijn vrouw dat mag en waar zijn vader en moeder dat mochten, zodat elke Bosjesman op die manier op allerlei plaatsen een soort rechten kan doen gelden. Gai at bijvoorbeeld meloenen in Ai a ha’o, omdat de moeder van zijn vrouw daar geboren was, en eveneens in zijn eigen geboorteplaats, de Okwa Omaramba.” 283

Bij de Vedda’s (jager-verzamelaars op Ceylon), “werd het groepsterritorium onderverdeeld voor individuele groepsleden, die hun bezit aan hun kinderen konden overdragen.” 284 Bij sommige Australische Aboriginals bestond een systeem van erfrechten voor goederen die verkregen waren in ruil voor uit een steengroeve afkomstige stenen. 285 Bij sommige andere Australische Aboriginals waren bepaalde vruchtbomen privé-bezit.286 De Mbuti gebruikten termieten als voedsel en bij hen kon een termietenheuvel privébezit zijn. 287 Draagbare voorwerpen zoals gereedschappen, kleding en versierselen waren bezit van individuele jager-verzamelaars. 288

Turnbull maakt melding van een betoog van ene W. Nippold, die daarmee wilde aantonen dat jager-verzamelaars, waaronder de Mbuti, een zeer ontwikkeld gevoel voor privé-eigendom hadden. Turnbull reageerde daarop met dat het “een omstreden onderwerp is en grotendeels een semantisch probleem.” 289 Wij hebben geen behoefte om hier te gaan muggenziften over wat al dan niet privé-eigendom is, en wat een “zeer ontwikkeld gevoel” daarvoor zou kunnen zijn. Het zij voldoende te zeggen dat een niet nader geduid geloof dat jager-verzamelaars geen privé-eigendom hadden, alleen maar nóg een element is van de anarchoprimitivistische mythe. Het is echter van belang op te merken dat nomadische jager-verzamelaars niet in die mate bezittingen vergaarden dat ze hun rijkdom konden gebruiken om andere mensen te domineren. 290 De jager-verzamelaar moest gewoonlijk zijn hele bezit op zijn eigen rug meedragen telkens wanneer het kamp verplaatst werd, of in het gunstigste geval kon hij het vervoeren in een kano of op een honden- of Indianenslee. 291 Met al die hulpmiddelen kan slechts een beperkte hoeveelheid bezittingen vervoerd worden, vandaar dat er een bovengrens is van de hoeveelheid bezittingen die een nomade nuttig kan verzamelen.


Eigendomsrechten op natuurlijke hulpbronnen hoeven niet vervoerd te worden, dus in theorie kon elke nomadische jager-verzamelaar een onbeperkte hoeveelheid van dat soort eigendom verzamelen. Maar in de praktijk ken ik geen enkel voorbeeld waarbij iemand, die tot een nomadische jagende-en-verzamelende groep behoorde, voldoende eigendomsrechten op natuurlijke hulpbronnen had verzameld om hem in staat te stellen anderen daarmee te domineren. Onder de condities van het nomadische jagen-en-verzamelen-leven zou het voor elk individu duidelijk heel moeilijk zijn om een exclusief recht af te dwingen op meer natuurlijke hulpbronnen dan hij zelf zou kunnen benutten. Gezien de afwezigheid van bijeengegaarde bezittingen bij nomadische jager-verzamelaars, lijkt het aannemelijk dat dat er bij de laatsten geen sprake zou zijn van sociale hiërarchieën, maar dat klopt niet helemaal. Er is duidelijk niet veel ruimte voor een sociale hiërarchie in een nomadengroep die op zijn hoogst 130 mensen (waaronder kinderen) omvat en vaak minder dan de helft. Bovendien hebben sommige jagende-en-verzamelende groepen een bewuste, consequente en kennelijk volledig geslaagde poging gedaan om te voorkomen dat ook maar iemand zichzelf boven de anderen plaatste. Bij de Mbuti waren bijvoorbeeld geen “geen leiders, raadslieden of oudsten;” 292 “Individueel gezag is ondenkbaar,” 293 en “elke poging tot toe-eigening van individueel gezag, of zelfs buitengewone invloed, wordt fel beantwoord door zo iemand belachelijk te maken of buiten te sluiten.” 294 In feite benadrukt Turnbull in zijn boeken steeds hoe onvermoeibaar de Mbuti zich er tegen verzetten dat iemand zich een hogere status toe-eigent. 295

De Indianen in het subarctische Noord-Amerika hadden geen hoofdmannen. 296 De Siriono hadden die wel, maar: “De voorrechten van het hoofdmanschap zijn gering. Een hoofdman doet voorstellen zoals over verder trekken, jachttochten, enz., maar die worden niet altijd opgevolgd door zijn stamgenoten. Als teken van zijn status heeft de hoofdman altijd meer dan één vrouw;” “Terwijl hoofdmannen er uitgebreid over klagen dat andere groepsleden hun verplichtingen aan hen niet nakomen, wordt er weinig aandacht besteed aan hun verzoeken;” “In het algemeen worden hoofdmannen beter onthaald dan de andere groepsleden. Hun verzoeken werpen veel vaker vruchten af dan die van anderen.” 297

De Bosjesmannen die Elisabeth Thomas kende “hebben geen leider of koning, alleen een hoofdman die in functie praktisch niet te onderscheiden is van de mensen die hij leidt en soms zal een groep niet eens een hoofdman hebben.” 298 Richard Lee’s !Kung-Bosjesmannen hadden geen leiders, 299 en evenals de Mbuti deden zij bewust moeite om te voorkomen dat iemand zich boven de anderen plaatste. 300 Sommige andere !Kung-Bosjesmannen hadden echter wel leiders of hoofdmannen; het hoofdmanschap was erfelijk en de hoofdman had echt gezag, want de hoofdman of leider bepaalt wie waar en wanneer op verzameltocht gaat, omdat de timing het jaar rond nauwkeurig luistert om de voedselvoorziening te verzekeren.” 301 Dat was wat Coon vertelde over de Bosjesmannen in de streek van de Gautscha-waterpoel en omdat Elisabeth Thomas die Bosjesmannen kende, 302 is het niet duidelijk hoe Coons uitspraak te rijmen valt met haar opmerking dat “een hoofdman in functie praktisch niet te onderscheiden valt van de mensen die hij leidt.” Ik heb geen toegang tot geschikte bibliotheekvoorzieningen; ik beschik zelfs niet over een complete kopie van het boek van Elisabeth Thomas, maar alleen fotokopieën van een paar pagina’s, zodat ik dit probleem over moet laten aan een lezer die misschien voldoende belangstelling heeft om dit op te pakken.


Hoe het ook zij, in sommige streken van Australië waren “machtige leiders, die door de kolonisten koning genoemd werden. De koning droeg een heel ingewikkelde tulband als kroon en werd altijd door mannen op de schouders gedragen.” 303 Ook in Tasmanië waren “territoriale leiders met aanzienlijke macht en in een aantal gevallen was hun functie in ieder geval erfelijk.” 304

Terwijl sociale stratificatie in veel of de meeste jagende-en-verzamelende gemeenschappen afwezig of gering was, is de verreikende aanname dat in dergelijke gemeenschappen elke hiërarchie afwezig was dus niet juist. Doorgaans wordt aangenomen, en niet alleen door anarchoprimitivisten, dat jager-verzamelaars goede natuurbeschermers waren. Ik heb niet veel informatie over dat onderwerp, maar voor zover ik weet lijkt het dat jager-verzamelaars een dubieuze staat van dienst hadden als natuurbeschermers. De Mbuti lijken het heel goed te doen. Schebesta geloofde dat zij hun bevolking vrijwillig beperkt hadden om te voorkomen dat hun natuurlijke hulpbronnen overbelast werden 305 (hoewel hij, ten minste in het gedeelte van zijn werk dat ik gelezen heb, geen verklaring geeft van zijn redenen om dat te geloven). Volgens Turnbull “is er sprake van een sterk gevoelde en uitgesproken behoefte om elk deel van het dier te gebruiken en nooit méér te doden dan nodig is voor de dagelijkse behoeften van de groep. Dat is misschien een van de redenen waarom de Mbuti zo terughoudend zijn om teveel dieren te doden en ze te bewaren als ruilmiddel voor de dorpsbewoners. 306

Turnbull zegt ook dat “volgens zoogdierkundigen, zoals Van Gelder, de [Mbuti]-jagers in feite de voortreffelijkste natuurbeschermers zijn die elke regering met oog voor natuurbescherming zich zou kunnen wensen.” 307 Maar toen Turnbull een Mbuti met de naam Kenge meenam voor een bezoek aan een wildreservaat ergens in de vlakte, werd Kenge verteld “dat hij meer wild zou gaan zien dan hij ooit in het woud gezien had, maar dat hij daarop niet mocht jagen. Dat kon Kenge niet begrijpen, omdat in zijn ogen wild was bedoeld om er op te jagen.” 308. Volgens Coon verbood de ethiek van de Tikerarmiut-eskimo’s hen op één dag meer dan vier wolven, veelvraten, vossen of marmotten te strikken. Deze ethiek stortte echter snel in toen de blanke handelaars arriveerden en de Tikerarmiut verleidden met handelswaar die zij konden verkrijgen in ruil voor de pelzen van voornoemde dieren.309

Zodra ze de beschikking kregen over ijzeren bijlen, begonnen de Siriono de wilde fruitbomen in hun gebied om te hakken omdat het gemakkelijker was om het fruit te oogsten door de boom om te hakken dan er in te klimmen. 310

Het is algemeen bekend dat sommige jager-verzamelaars opzettelijk bosbranden veroorzaakten omdat ze wisten dat leeggebrande grond meer voor hen geschikte eetbare planten zou opleveren. 311 Ik vind deze praktijken roekeloos verwoestend. Men denkt dat prehistorische jager-verzamelaars door overbejaging de oorzaak waren of in ieder geval bijgedragen hebben aan het uitsterven van sommige soorten grote zoogdieren, 312 hoewel dat zover ik weet nooit afdoende bewezen is. Het voorgaande raakt niet eens de kwestie van natuurbescherming versus roekeloosheid met het milieu van de kant van de jager-verzamelaars. Het is een vraagstuk dat grondig onderzoek verdient.


10. Ik kan niet zomaar generaliseren, omdat ik persoonlijk maar met een paar anarchoprimitivisten van gedachten gewisseld heb, maar het is duidelijk dat de opvattingen van ten minste sommige anarchoprimitivisten ongevoelig zijn voor alle feiten die daarmee in strijd zijn. Je kunt die mensen wijzen op allerlei feiten van het soort die ik hier aangevoerd heb en de uitspraken citeren van schrijvers die daadwerkelijk jager-verzamelaars bezocht hebben in een tijd waarin die nog betrekkelijk onbedorven waren, maar dan zal de rechtgelovige anarchoprimitivist toch nog altijd rationalisaties vinden, hoe geforceerd ook, om alle onaangename feiten niet serieus te nemen en zijn geloof in de mythe in stand te houden.


Denk ook aan de reactie van fundamentalistische christenen op elke rationele aanval op hun opvattingen. Welke feiten er ook aangevoerd worden, de fundamentalist zal altijd een argument vinden, hoe vergezocht ook, om ze weg te redeneren en zijn geloof goed te praten in de letterlijke en woordelijke waarheid van de Bijbel. In feite hangt er rond de anarchoprimitivist een geur van het vroege christendom. Het jagende-en-verzamelende Utopia van de anarchoprimitivisten komt overeen met de Hof van Eden, waarin Adam en Eva een behaaglijk en zondeloos leven leidden (Genesis 2). De uitvinding van de landbouw en beschaving komt overeen met de Zondenval: Adam en Eva aten de vrucht van de boom der kennis (Genesis 3:6), werden uit het Paradijs verdreven (Genesis 3:24) en moesten daarna hun brood verwerven in het zweet huns aanschijns door de bodem te bewerken (Genesis 3:19, 23). Bovendien verloren zij daardoor hun gendergelijkheid, omdat Eva ondergeschikt werd aan haar echtgenoot (Genesis 3:16). De revolutie waarvan de anarchoprimitivisten hopen dat die de beschaving zal omverwerpen, komt overeen met de Dag des Oordeels, de dag der verwoesting waarop Babylon zal vallen (Openbaring 18:2). De terugkeer naar het oorspronkelijke Utopia komt overeen met de komst van het Koninkrijk Gods, waarin “geen dood meer zal zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite” (Openbaring 21:4).

De hedendaagse activisten die hun lijf aan geweld blootstellen door deel te nemen aan masochistische verzetstactieken, zoals zichzelf vastketenen op wegen om de doortocht van vrachtwagens van houtkapbedrijven te verhinderen, komen overeen met de christelijke martelaren, de ware gelovigen die “onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en het woord van God” (Openbaring 20:4). Veganisme komt overeen met de dieetbeperkingen van veel religies, zoals de christelijke vastenperiode. Evenals de anarchoprimitivisten, benadrukten de vroege christenen het egalitarisme (“Alwie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden,” Mattheus 23:12) en samen delen (“en aan ieder werd uitgedeeld naar behoefte,” Handelingen 4:35). De geestelijke verwantschap tussen het anarchoprimitivisme en het vroege christendom voorspelt niet veel goeds. Zodra keizer Constantijn de christenen in de gelegenheid stelde om macht te verwerven, zetten ze hun principes overboord en sindsdien heeft het christendom, vaker wel dan niet, als steunpilaar gediend voor de gevestigde orde.


11. In het onderhavige artikel ben ik voornamelijk bezig geweest met het ontzenuwen van de anarchoprimitivistische mythe en heb daarom de nadruk gelegd op bepaalde aspecten van primitieve samenlevingen, die vanuit het standpunt van de huidige waarden als negatief gezien zullen worden. Maar deze medaille heeft ook een andere kant: Nomadische jagende-en-verzamelende gemeenschappen vertoonden veel trekken die zeer aantrekkelijk waren. Het is onder andere aannemelijk dat dergelijke gemeenschappen betrekkelijk vrij waren van psychische problemen waardoor de huidige mens geteisterd wordt, zoals chronische stress, depressies, eet- en slaapstoornissen, enzovoort; dat mensen in dergelijke gemeenschappen, in bepaalde van cruciaal belang zijnde opzichten (hoewel niet in alle opzichten) over een veel grotere persoonlijke autonomie beschikten dan de tegenwoordige mens; en dat jager-verzamelaars veel tevredener waren met hun manier van leven dan de tegenwoordige mens met de zijne.


Waarom dat van belang is? Omdat het laat zien dat chronische stress, angst en frustraties depressie, enzovoort, niet onvermijdelijk deel uitmaken van het mens-zijn, maar door de moderne beschaving teweeggebrachte stoornissen zijn. Slavernij is evenmin een onvermijdelijk deel van het mens-zijn: het voorbeeld van in ieder geval een aantal nomadische jager-verzamelaars laat zien, dat echte vrijheid wel mogelijk is. En wat nog belangrijker is: afgezien van of zij goede of slechte natuurbeschermers waren, waren primitieve volkeren niet in staat om hun milieu te verwoesten op een manier die ook maar in de verste verte in de buurt komt van de mate waarin de tegenwoordige mens dat doet. Primitieven beschikten gewoon niet over de kracht om zoveel schade aan te richten. Misschien hebben ze wel roekeloos gebruik gemaakt van vuur en door overbejaging het uitsterven bewerkstelligd van sommige diersoorten, maar ze wisten niet hoe ze grote rivieren konden afdammen, het aardoppervlak met duizenden vierkante kilometers steden en straten konden bedekken, of die grote hoeveelheden giftige chemicaliën en radioactieve afvalstoffen konden produceren, waarmee de huidige beschaving de wereld voor eens en voor altijd dreigt te vernietigen. Evenmin beschikten de primitieven over middelen om levensgevaarlijke krachten te ontketenen in de vorm van genetische manipulatie en superintelligente computers die binnen afzienbare tijd ontwikkeld zullen worden. Dat zijn gevaren die zelfs de technofielen zelf beangstigen. 313 Ik ben het dus eens met de anarchoprimitivisten dat de opkomst van de beschaving een grote ramp was en de Industriële Revolutie zelfs een nog grotere. Verder ben ik het ermee eens dat een revolutie tegen de huidige tijdgeest en de beschaving in het algemeen, noodzakelijk is. Maar je kunt geen doeltreffende revolutionaire beweging opzetten met halfzachte dromers, luiwammesen en charlatans. Daarvoor heb je vastberaden, praktische en realistische mensen nodig en dat soort mensen heeft geen behoefte aan de halfzachte, utopische anarchoprimitivistische mythe.

 

Slotopmerking

 

Toen ik dit artikel schreef was ik net begonnen met het lezen van IIe Band, 1e Teil [Boek 2, deel 1] van Schebesta’s Die Bambuti-Pygmäen vom Ituri. Nu ik dat gelezen heb en dankzij de aard van de discrepanties die ik aangetroffen heb tussen het verslag van Turnbull en dat van Schebesta, voel ik mij gedwongen serieuze twijfels te koesteren over de betrouwbaarheid van Turnbulls boek over de Mbuti-pygmeeën. Ik vermoed nu dat Turnbull zijn beschrijving van de Mbuti bewust of onbewust tendentieus heeft weergegeven om die aantrekkelijker te laten lijken voor de huidige linkse intellectuelen zoals hij zelf. Ik vind het nu echter niet nodig dit artikel zodanig te herschrijven dat het vertrouwen in Turnbull opgezegd wordt, omdat ik Turnbull hoofdzakelijk geciteerd heb voor de informatie die de Mbuti in een onaantrekkelijk daglicht zetten, b.v. door het slaan van hun vrouwen, vechten en ruzie maken over voedsel. Gezien de aard van Turnbulls vooringenomenheid, lijkt het veilig, als er dan al sprake van was, aan te nemen dat hij de mate waarin hij zag dat vrouwen geslagen worden en er gevochten en geruzied wordt te laag heeft opgegeven. Maar ik denk dat het alleen billijk is de lezer te waarschuwen dat, waar Turnbull de Mbuti aantrekkelijke of politiek correcte eigenschappen toeschrijft, er een zekere mate van scepsis op zijn plaats is. Mijn dank gaat uit naar een aantal personen die me boeken, artikelen of andere informatie over primitieve gemeenschappen gestuurd hebben en zonder hulp van wie het onderhavige artikel niet geschreven had kunnen worden: Facundo Bermudez, Chris J., Maijorie Kennedy, Alex Obledo, Patrick Scardo, Kevin Tucker, John Zerzan, en zes andere mensen die het mogelijk niet op prijs stellen dat hun naam openlijk vermeld wordt. Maar vooral wil ik de vrouw bedanken van wie ik hou, die mij meer nuttige informatie heeft verschaft dan wie dan ook, waaronder twee delen van Paul Schebesta’s prachtige boek over de Mbuti-pygmeeën.


Lijst van geciteerde werken


Vanwege het feit dat ik gevangen zit en niet rechtstreeks toegang heb tot bibliotheekvoorzieningen, is de in deze lijst gegeven bibliografische informatie in sommige gevallen incompleet. Ik denk echter dat dit in de meeste gevallen niet zal leiden tot enig serieus probleem bij het plaatsen van de geciteerde werken.


Werken, alfabetisch gerangschikt naar achternaam van de schrijver

 

Barclay, Harold B., brief aan de uitgever, in Anarchy: A Journal of Desire Armed, voorjaar/zomer 2002, pagina’s 70-71.
Black, Bob, “Primitive Affluence”, in The Abolition of Work / Primitive Affluence: Essays against work door Bob Black, Green Anarchist Books, BCM 1715, Londen WC1N3XX. Datum: 1998.
Bonvillain, Nancy, Women and Men: Cultural Constructs of Gender, tweede druk, Prentice Hall, Upper Saddle River, New Jersey, 1998.
Cashdan, Elizabeth, “Hunters and Gatherers: Economic Behavior in Bands”, in Stuart Plattner (red.), Economic Anthropology, Stanford University Press, 1989, pagina’s 21-48.
Coon, Carleton S., The Hunting Peoples, Little, Brown and Company, Boston, Toronto, 1971.
Davidson, H. R. Ellis, Gods and Myths of Northern Europe, Penguin Books, 1990.
Debo, Angie, Geronimo: The Man, His Time, His Place, University of Oklahoma Press, 1976.
Elkin, A. P., The Australian Aborigines, vierde druk, Anchor Books, Doubleday, Garden City, New York, 1964.
Evans-Pritchard, E. E., The Nuer, Oxford University Press, 1972.
Fernald, Merritt Lyndon, en Alfred Charles Kinsey, Edible Wild Plants of Eastern North America, Herziene Uitgave, Dover, New York, 1996.
Gibbons, Euell, Stalking the Wild Asparagus, Field Guide Edition, David McKay Company, New York, 1972.
Haviland, William A., Cultural Anthropology, negende druk, Harcourt Brace College Publishers, 1999.
Holmberg, Allan R., Nomads of the Long Bow: The Siriono of Eastern Bolivia, The Natural History Press, Garden City, New York, 1969.
Joy, Bill, “Why the Future Doesn’t Need Us”, Wired magazine, April 2000, pagina’s 238-262.
Leach, Douglas Edward, History of Indian-White Relations, Wilcomb E. Washburn, redacteur. Leakey, Richard E., The Making of Mankind, E. P. Dutton, New York, 1981.
Marquis, Thomas B. (Tolk), Wooden Leg: A Warrior Who Fought Custer, Bison Books, University of Nebraska Press, 1967.
Massola, Aldo, The Aborigines of South-Eastern Australia: As They Were, Heinemann, Melbourne, 1971.
Mercader, Julio (red.), Under the Canopy: The Archaeology of Tropical Rain Forests, Rutgers University Press, 2003.
Nietzsche, Friedrich, “The Antichrist”, §55; in Twilight of the Idols / The Antichrist, vertaald door R. J. Hollingdale, Penguin Classics, 1990.
Nitzberg, Julien, “Back to the Future Primitive” (interview met John Zerzan), Mean magazine. April 2001, pagina’s 68, 69, 78.
Pfeiffer, John E., The Emergence of Man, Harper & Row, New York, Evanston en Londen, 1969.
Pfeiffer, John E., The Emergence of Society, New York, 1977. Poncins, Gontran de, Kabloona, Time-Life Books inc., Alexandria, Virginia, 1980.
Rees, Martin, Our Final Century, Heinemann, 2003.
Richard, Gladys A., Navaho Religion: A Study of Symbolism, Princeton University Press, 1990.
Sahlins, Marshall, Stone Age Economics, Aldine Atherton, 1972.
Schebesta, Paul, Die Bambuti-Pygmäen vom Ituri, Institut Royal Colonial Belge, Brussels; I. Band, 1938; II. Band, T. Teil, 1941.
Thomas, Elizabeth Marshall, The Harmless People, Second Vintage Books Edition Random House, New York, 1989.
Turnbull, Colin M., The Forest People, Simon and Schuster, tekst copyright 161, voorwoord copyright, 1962.
Turnbull, Colin M., Wayward Servants: The Two Worlds of the African Pygmies, The Natural History Press, Garden City, New York, 1965.
Turnbull, Colin M., The Mbuti Pygmies: Change and Adaptation, Harcourt Brace College Publishers, 1983.
Vestal, Stanley, Sitting Bull, Champion of the Sioux: A Biography, University of Oklahoma Press, 1989.
Von Laue, Theodore H., Why Lenin? Why Stalin?, J. B. Lippencott, Co., New York, 1971.
Wissler, Clark, Indians of the United States, Herziene Uitgave, Anchor Books, Random House, New York, 1989.
Zerzan, John, “Future Primitive”, in Future Primitive and Other Essays, door dezelfde schrijver, 1994 editie.
Zerzan, John, “Whose Future?” in Species Traitor No.1.
 

Werken zonder vermelde schrijver

 

Encyclopedia Americana. Internationale Editie, 1998.
The New Encyclopaedia Britannica. Vijftiende druk, 2003 (afgekort als Encycl. Brit.). Noot: Exemplaren van de Encyclopaedia Britannica aangeduid met “vijftiende druk” en met een copyrightdatum anders dan 2003, zijn niet perse hetzelfde als de Britannica van 2003.

The Unabomber Manifesto, Industrial Society and Its Future.
 

Periodieken
 

Anarchy: A Journal of Desire Armed. P. O. Box 3448. Berkeley CA 94703, U.S.A.
Green Anarchy. P. O. Box 11331. Eugene. OR 97440.
Mean magazine.
Science News.
Species Traitor. P. O. Box 835. Greensburg PA 15601.
Time magazine.
Wired magazine.
Omdat de meeste hier aangehaalde werken bij herhaling geciteerd worden, worden de citaten in verkorte vorm weergegeven. Voor bibliografische details, zie de bijgevoegde Lijst van Geciteerde Werken (p. 167). “Encycl. Brit.” betekent “The New Encyclopaedia Britannica”, Vijftiende druk 2003.



NOTEN:


1 Voorbeeld: “What is ‘Green Anarchy’?”, door het Black and Green Network, Green Anarchy #9, September 2002, pagina 13 (“de werkdag van de jager-verzamelaar was gewoonlijk niet langer dan drie uur”).
2 Sahlins, pagina’s 1-39.
3 Bob Black. Primitive Affluence; zie de Lijst van Geciteerde Werken.
4 Sahlins, pagina 21.
5 Cashdan, Hunters and Gatherers: Economic Behavior in Bands.
6 Ibid., pagina 23.
7 Bob Black. Pagina’s 12-13. Cashdan, pagina 23.
8 Cashdan, pagina’s 23-24.
9 Ibid., pagina 24.
10 Ibid., pagina’s 24-25.
11 Ibid., pagina 26.
12 Poncins, pagina’s 11; 126.
13 Schebesta, II. Band, 1. Teil, pagina’s 9, 17-20,89, 93-96, 119, 159-160 (mannen vervaardigen werktuigen tijdens hun “vrije” uren), 170, Bildtafel X (foto van vrouwen met enorme ladingen brandhout op hun rug).

14 Turnbull, Change and Adaptation, pagina 18; Forest People, pagina 131.
15 Holmberg, pagina’s 48-51, 63, 67, 76-77, 82-83, 223, 265.
16 Ibid., pagina’s 75-76.
17 Ibid., pagina’s 100-101.
18 Ibid., pagina’s 63,76,100.
19 Ibid., pagina 223.
20 Ibid., pagina 222.
21 Ibid., pagina 224.
22 Ibid., pagina’s 87, 107, 157, 213, 220, 246, 248-49, 254, 268.
23 Cashdan, pagina 23.
24 Sahlins, pagina’s 15-17, 38-39.
25 Holmberg, pagina’s 107, 222.
26 De wildernis van de Siriono’s was niet helemaal ongebaand, aangezien zij herhaaldelijk dezelfde routes gebruikten. Holmberg, pagina 105. Hoe weinig overeenkomst die paden vertoonden met de goedverzorgde paden in onze staatsbossen kan opgemaakt worden uit het feit dat ze “nauwelijks zichtbaar” waren (pagina 51), “nooit vrijgemaakt werden” (pagina 105), en “voor niet-ingewijden onmogelijk te volgen waren” (pagina 106).
27 Holmberg, pagina 249.
28 Ibid., pagina 157.
29 Ibid., pagina’s 65, 249.
30 Ibid., pagina 65.
31 Er was niets uitzonderlijks aan de jacht- en verzamelactiviteiten van de Siriono. B.v.: “De Bosjesmannen hadden het spoor van het wildebeest gevolgd door doornstruiken en de dorre woestijn…” Thomas. pagina 198. “De mannen hadden het spoor van de buffel drie dagen lang gevolgd…” Ibid., pagina 190. Hoe hard het leven was van de Eskimo kan opgemaakt worden uit Poncins boek Kabloona. Zie ook de verhalen van Wooden Leg, een Noordelijke Cheyenne-indiaan, over de jachttochten (uitputting, sneeuwblindheid, bevroren voeten). Marquis. pagina’s 8-9.
32 Holmberg, pagina 65.
33 Dit argument wordt bijvoorbeeld aangevoerd door Haviland, pagina 167.
34 Fernald en Kinsey, pagina 149.
35 Ibid., pagina 148. Gibbons, pagina 217.
36 Voorbeelden daarvan in Fernald en Kinsey, passim.

37 Gibbons, hoofdstuk met de titel “The Proof of the Pudding”.
38 Coon, pagina’s 36. 179-180. 226, 228, 230, 262.
39 Cashdan, pagina 22. Coon, pagina’s 268-69, 390; zie ook pagina 253.
40 Voor hun vaardigheid zie b.v. Poncins, pagina’s 14-15, 38-39, 160, 209-210; Schebesta, II. Band, 1. Teil, pagina 7; Holmberg, pagina’s 120-21, 275; Coon, pagina’s 14, 49, 75, 82-83.
41 Dit is enigszins een oversimplificatie, aangezien opgelegd gezag en het geven van bevelen niet onbekend waren onder nomadische jager-verzamelaars, maar over het algemeen was er in dergelijke gemeenschappen sprake van een grote persoonlijke autonomie, zoals blijkt uit de in dit artikel aangehaalde werken. Zie b.v. Turnbull, Forest People, pagina 83; Poncins, pagina 174.
42 Nomadische jager-verzamelaars leefden doorgaans in groepen, bestaande uit 30 tot 130 individuen, waaronder kinderen en baby’s en in veel gevallen verdeelden deze groepen zich in nog kleinere groepjes. Coon, pagina 191. Cashdan, pagina 21. Siriono gingen vaak alleen of met zijn tweeën op jacht; de maximumgrootte van jagersgroep was zes tot zeven man. Holmberg, pagina 51. Efe-pygmeeën jaagden gewoonlijk in groepjes van twee tot vier. Coon, pagina 88.
43 Ik bewaar de bespreking van stress voor een andere gelegenheid, maar zie b.v. Poncins, pagina’s 212-13, 273. 292. Schebesta, II. Band. T. Teil, pagina 18, schrijft: “De activiteiten van de jager-verzamelaar kennen haast, noch kwellende zorgen over het dagelijkse brood.”
44 Holmberg, pagina 101.
45 Vóór de domesticatie/landbouw bestond het leven in feite uit nietsdoen….geslachtsgelijkheid.” Zerzan, Future Primitive, pagina 16.
46 “Tot amper 10.000 jaar geleden.......leefden mensen met handhaving van een egalitaire zedelijke instelling met overvloedige vrije tijd en gelijkheid van geslachtsrollen.” Zerzan, “Whose Future?”, Species Traitor No 1. De pagina’s in deze publicatie zijn niet genummerd.
47 Thomas, pagina’s 11, 284-87.
48 Encycl. Brit., Deel 22, artikel “Languages of the World,” paragraaf “African Languages”, subparagraaf “Khoisan Languages”, pagina’s 757-760.
49 Bonvillain, pagina 21.
50 Ibid., pagina 24.
51 Ibid., pagina 21.
52 Ibid., pagina’s 21-22.
53 Ibid., pagina 22.
54 Ibid., pagina 23.
55 Ibid., pagina’s 21-22.
56 Turnbull, Wayward Servants, pagina 270.
57 Turnbull, Forest People, pagina 154.
58 Turnbull, Wayward Servants, pagina 287.
59 Turnbull, Forest People, pagina 205.
60 Turnbull, Wayward Servants, pagina 211.
61 Ibid., pagina 192.
62 Turnbull, Forest People, pagina 204.
63 Ibid., pagina’s 207-08.
64 Ibid., pagina 208.
65 Ibid., pagina 122.
66 Turnbull, Wayward Servants, pagina’s 288-89. Forest People, pagina 265.
67 Turnbull, Forest People, pagina’s 115-16.
68 Turnbull. Wayward Servants, pagina 137.
69 “Ik ken geen enkel geval van verkrachting…..” Turnbull, Wayward Servants, pagina 121. Ik kan een duidelijke tegenstrijdigheid aanwijzen tussen deze bewering en de net geciteerde passage, alleen maar door aan te nemen dat Turnbull, omdat hij schreef voordat het begrip “verkrachting tijdens afspraakje” in zwang was gekomen, hij die gedwongen geslachtsgemeenschap in de elimahut, onder de door hem beschreven omstandigheden, niet als een echte verkrachting zag. Vandaar dat hij, als hij zegt dat hij niet op de hoogte is van verkrachting bij de Mbuti, waarschijnlijk verwees naar iets dat min of meer overeenkomt met wat wij “straatverkrachting” noemen in tegenstelling tot “verkrachting tijdens afspraakje.”

70 Turnbull, Wayward Servants, pagina 189. Turnbull is echter misschien inconsequent wat dit betreft. Zie de passage die ik zojuist geciteerd heb over Amabosu die zijn vrouw in het gezicht slaat en Ekianga’s reactie.
71 Ibid., pagina’s 287-89.
72 In Wayward Servants en Forest People wemelt het van talrijke voorbeelden.
73 Holmberg, pagina 125.
74 Ibid., pagina 129.
75 Ibid., pagina 147.
76 Ibid., pagina 163.
77 Ibid., pagina 202.
78 Ibid., pagina 148.
79 Ibid., pagina 128.
80 Ibid., pagina 147.
81 Bonvillain, pagina 295.
82 Ibid., pagina’s 38-45.
83 Poncins, pagina’s 113-14, 126.
84 Ibid., pagina’s 198. Zie ook pagina 117.
85 Ibid., pagina’s 114-15.
86 Ibid., pagina 126.
87 Ibid., pagina 113.
88 Ibid., pagina’s 112-13. Zie ook Coon, pagina 223 (“vaak zeggen de vrouwen dat ze dit niet op prijs stellen”).

89 Elkin, pagina’s 132-33. Massola, pagina 73.
90 Massola, pagina’s 74, 76.
91 Ibid., pagina 75. Elkin, pagina’s 133-34.
92 Massola, pagina 76.
93 Elkin, pagina 136. Massola, pagina’s 73, 75. Coon, pagina’s 260-61.
94 Massola, pagina’s 75-76.
95 Ibid., pagina’s 76-77.
96 Elkin, pagina’s 135, 137-38.
97 Ibid., pagina 138.
98 Ibid., pagina 138 (voetnoot 12).
99 Coon, pagina’s 105, 217, 253.
100 Massola, pagina 78.
101 Encycl. Brit., Deel 14, artikel “Australia”, pagina 437.
102 Ibid.
103 Coon, pagina’s 253, 255.
104 Massola, pagina 77.
105 Coon, pagina’s 105, 217.
106 Ibid., pagina 215.
107 Ibid., pagina 336.
108 Ibid., pagina 252.
109 Thomas, pagina’s 262-303.
110 Harold B. Barclay, brief aan de uitgever, Anarchy: A Journal of Desire Armed, Voorjaar/Zomer 2002, pagina’s 70-71.
111 Ibid.
112 Cashdan, pagina 21.
113 De door Poncins beschreven Eskimo’s maakten tot op zekere hoogte gebruik van geweren, maar dat waren niet hun belangrijkste middelen om zich voedsel te verschaffen; en ze hadden geen motorboten of sneeuwscooters.

114 Coon, pagina 276.
115 Haviland, pagina 168 (“sommige Bosjesmannen uit Zuid-Afrika zijn ooit boer geweest en andere nomadische herders”).

116 Ibid., pagina 167. Cashdan, pagina’s 43-44.
117 Thomas, pagina 94.
118 Pfeiffer. Emergence of Man, pagina’s 345-46. Pfeiffer is geen betrouwbare informatiebron, maar iedereen die toegang heeft tot goede bibliotheekvoorzieningen kan zelf de werken van Richard Lee raadplegen.

119 Thomas, pagina 284.
120 Turnbull. Forest People, pagina’s 20, 21, 27 & ongenummerde informatiepagina’s aan het eind van het boek.

121 Schebesta, 1. Band, pagina’s 37, 46, 48.
122 Ibid., pagina 404.
123 Ibid., pagina’s 141-42.
124 Ibid., passim, e.g., 1. Band, pagina 87; II. Band, 1. Teil, pagina 11.
125 Ibid., 1. Band, pagina 92.
126 Turnbull. Wayward Servants, pagina 16. Zie ook pagina’s 88-89.
127 Poncins, pagina’s 161-62.
128 Coen, pagina’s 58-59.
129 Holmberg, pagina 69. De Bosjesmannen van Richard Lee’s hadden honden. Sahlins “The Original Affluent
Society”. Ook de Mbuti. Turnbull. Forest People, pagina 101. Schebesta, II. Band. 1. Teil, pagina’s 89-93.
130 Lauriston Sharp, in Holmberg, pagina xii.
131 Holmberg, pagina’s xx-xxii, 1-3.
132 Ibid., pagina 26.
133 Ibid., pagina xxiii.
134 Ibid., pagina’s 25-26.
135 Ibid., pagina 121.
136 Ibid., pagina 10.
137 Ibid., pagina xii.
138 Zie Ibid., pagina’s 207, 225-26, “De belangrijkste aandoeningen waarvan de Siriono slachtoffer zijn, zijn malaria, dysenterie, mijnworm en huidaandoeningen,” pagina 226. Malaria werd waarschijnlijk door Europeanen naar de Amerika’s gebracht. Encycl. Brit., Vol. 7. artikel “malaria”, pagina 725.
139 Leakey, pagina 201 (onderschrift kaart).
140 Coon, pagina’s 25 (voetnoot), 67.
141 Encycl. Brit.. Vol. 14, artikel “Australia”, pagina 434.
142 Haviland, pagina 173.
143 Ibid.
144 Ibid., pagina 395.
145 Elkin, pagina’s 130-38.
146 Brieven van de schrijver aan John Zerzan: 2/13/03. pagina 2; 3/16/03; 5/2/3, pagina’s 5-6; 4/18/04.
pagina 1.
147 Brieven van John Zerzan aan de schrijver: 3/2/03; 3/18/03; 3/26/03; 5/1203; 4/28/04; 5/22/04. Het enige dat Zerzan in zijn brief schrijft en ik de moeite waard vind om te beantwoorden is zijn bewering dat de bronnen die ik geciteerd had “uit de tijd” waren (Brief aan de schrijver, 5/22/04, pagina 2). Hij leverde geen verklaring voor die bewering. Als een voormalig geschiedenisstudent zou Zerzan moeten beseffen hoe belangrijk het is om zo mogelijk terug te grijpen naar de primaire bronnen. In de huidige context betekent dat teruggaan tot de ooggetuigenverklaringen gebaseerd op bestudering van jager-verzamelaarsgemeenschappen, in een tijd waarin die nog betrekkelijk onbedorven waren. Maar er zijn al ten minste dertig jaar geen onbedorven primitieve volkeren meer. Vandaar dat alle oorspronkelijke bronnen die bruikbaar zijn voor de huidige doeleinden tot minstens dertig jaar geleden moeten teruggrijpen (d.w.z. vóór 1975) en doorgaans meer dan dat. Het is juist dat ik hier en in mijn brieven aan Zerzan niet alleen gesteund heb op primaire maar ook op secundaire bronnen, watt e wijten is aan het feit dat mijn opsluiting mijn toegang beperkt tot primaire bronnen. Maar Zerzan leverde hoe dan ook geen bewijsmateriaal waarmee de informatie die ik citeerde uit secundaire bronnen (of uit primaire bronnen) ontkracht kon worden. Evenmin heeft ook maar één van de meer recente bronnen die ik heb gezien, iets opgeleverd dat de betreffende informatie kon ontzenuwen. Meestal negeren ze dat soort informatie, alsof die niet bestaat. Het hele onderwerp wordt onder het tapijt geveegd.

148 Brief van de schrijver aan John Zerzan, 5/11/04. Brief van John Zerzan aan de schrijver, 5/20/04.
149 Pfeiffer, Emergence of Society, pagina 464? Ik kan niet met zekerheid het paginanummer geven, omdat het “afgeknipt” was van de fotokopie die Zerzan me stuurde.

150 Bonvillain, pagina 294. De fotokopie die Zerzan mij stuurde was echter uit de uitgave uit 1995 van het boek, waarin dezelfde zin staat op pagina 271.
151 Brief van John Zerzan aan de schrijver, 3/2/03 (voetnoot).
152 Brief van de schrijver aan John Zerzan, 5/2/03, pagina’s 5-6.
153 Zerzan, Future Primitive and Others Essays.
154 Brief van de schrijver aan John Zerzan. 4/18/04, pagina 1.
155 Zerzan, “Future Primitive”, pagina 32.
156 Ibid., pagina 33.
157 Thomas, pagina’s 156-57.
158 Schebesta, 1. Band, pagina 203.
159 Zerzan. “Future Primitive”, pagina 36.
160 Turnbull, Wayward Servants, pagina 138 & voetnoot 2.
161 Turnbull, Wayward Servants, pagina 206.
162 Zerzan, “Future Primitive”, pagina 26. In een interview met Julien Nitzberg, in het Mean magazine.
van april 2001, pagina 69, zei Zerzan: “Freud... geloofde dat vóór de taal bestond, de mensen heel telepathisch waren.” In mijn brief aan hem van 5/2/03, pagina 6, vroeg ik Zerzan mij de plaats aan te wijzen in de werken van Freud, waar hij dat beweerd had, maar Zerzan heft die vraag nooit beantwoord.

163 Zerzan, “Future Primitive”. pagina 15.
164 Brief van de schrijver aan John Zerzan. 4/18/04, pagina 6.
165 Brief van John Zerzan aan de schrijver. 4/28/04.
166 Zerzan stuurde me met zijn brief van 3/2/03 een fotokopie van Bonvillains boek. In “Future Primitive”, pagina’s 34, 36, citeert Zerzan “Turnbull (1962)” en “Turnbull (1965)”. Dat slaat waarschijnlijk op Forest People en Wayward Servants. In “Future Primitive”, pagina 33. haalt Zerzan ook het boek aan van Elisabeth Thomas; toch vergeet hij gemakshalve de uitspraken van Elisabeth Thomas over bevallingen, als hij beweert (op dezelfde pagina van “Future Primitive”) dat onder jager-verzamelaars bevallingen “probleem- en pijnlooos” verlopen.

167 Nietzsche, pagina 186.
168 Encycl. Brit. Vol. 26, artikel “Propaganda” pagina 176.
169 Brief van de uitgever van Species Traitor aan de schrijver, 417 /03, pagina 6.
170 Elkin, pagina’s 130-38.
171 Coon, pagina 172.
172 Ibid., pagina 75.
173 Ibid., pagina’s 243-44.
174 Massola, pagina 77.
175 Poncins, pagina’s 11-120, 125,162-65, 237-38, 244.
176 Encycl. Brit., Deel 28. artikel “Spain”, pagina 18.
177 Afgezien van infanticide, zijn Schebesta en Turnbull het erover eens dat wanneer er een tweeling geboren wordt maar een van de twee mocht blijven leven. Schebesta, 1. Band, pagina 138. Turnbull, Wayward Servants, pagina 130. Schebesta verklaart verder (zelfde bladzijde) dat kinderen met een aangeboren afwijking uit de weg geruimd warden. Turnbull maakt echter melding van een meisje dat geboren was met een “zieke heup” maar mocht blijven leven. Turnbull, Forest People, pagina 265. Schebesta, II. Band I. Teil, pagina’s 274, 277, geeft aan dat overtredingen en diefstal tot dodelijk geweld konden leiden, maar Turnbull maakt van dergelijke zaken geen melding.

178 Holmberg, pagina’s 126-27, 157, 209-210.
179 Ibid., pagina 157.
180 Ibid., pagina’s 11, 158-59.
181 Ibid., pagina’s 114, 159.
182 Ibid., pagina 152.
183 Thomas, pagina’s 284-87.
184 Haviland, pagina’s 77, 78.
185 Het is algemeen bekend dat prairiewolven en in ieder geval sommige berensoorten zowel jagen als aaseten. Voor leeuwen, marters, vossen, jakhalzen, hyena’s, wasberen, Komodovaranen en gieren, zie Encycl. Brit., Deel 4, pagina 910; Deel 6, pagina’s 196, 454, 945; Deel. 7, pagina’s 383, 884; Deel 9, pagina 876; Deel. 12, pagina 439; Deel 17, pagina 449; Deel. 23, pagina 421. Voor wolven en veelvraten, zie Encycopedia Americana, Internationale Editie, 1998, Deel 29, pagina’s 94-95, 102.
186 Zie b.v., Time magazine, 8/19/02, pagina 56.
187 Encycl. Brit., Vol. 23, artikel “Mammals”, pagina’s 436, 449-450.
188 “Sibling Desperado”, Science News, Deel. 163, februari 15, 2003.
189 Encycl. Brit., Deel 6, artikel “Komodo dragon”, pagina 945.
190 Ibid., Deel 17, artikel “Dinosaurs”, pagina 319.
191 Ibid., Deel 6, artikel “Krapina remains”, pagina’s 98 1-82; Deel 26, artikel “Prehistoric Peoples
and Cultures”, pagina 66.
192 Hier een paar voorbeelden die de politiek-correcte strekking weergeven van Turnbulls latere werk: In 1983 schreef Turnbull dat hij bezwaar had tegen het word “pygmee” omdat het “uitnodigt tot de aanname dat lengte een belangrijke factor is, terwijl het in Inturi opmerkelijk onbetekenend is voor zowel de Mbuti als hun buren, de langere Afrikanen die om hen heen wonen.” Change and Adaptation, eerste pagina van de Inleiding. Maar 21 jaar eerder had Turnbull geschreven: “Het feit dat zij [de Mbuti] gemiddeld minder dan viereneenhalve voet lang zijn is voor hen, hun langere buren, van geen belang. Wie hen uitlachen omdat ze zo klein zijn, zijn even lomp als olifanten, Forest People, pagina 14. “Zij [een bepaalde groep pygmeeën] hadden medelijden met me vanwege mijn lengte, dat mij zo lomp maakte,” Ibid., pagina 239. Turnbull beweerde in 1983 ook dat de Mbuti zich nooit verzet hadden tegen het binnenvallen in hun woud door de langere Afrikanen, Change and Adaptation, pagina 20. Maar Schebesta, 1. Band, pagina’s 81-84, maakte melding van mondelinge overleveringen volgens welke veel Mbuti daadwerkelijk gevochten hadden met de dorpelingen en zo doeltreffend dat zij hen ergens in de eerste helft van de negentiende eeuw geheel verdreven hadden uit het oostelijk deel van het oerwoud. Mondelinge overleveringen zijn onbetrouwbaar, maar deze verhalen waren zo wijdverbreid dat ze met enige waarschijnlijkheid aangeven dat er een dergelijk gevecht had plaatsgevonden. Turnbull verklaarde niet hoe hij wist dat deze overleveringen onjuist waren en dat de Mbuti niet gevochten hadden. Turnbull was op de hoogte van het werk van Schebesta. Zie b.v. Forest People, pagina 20.

193 Turnbull, Change and Adaptation, pagina 44.
194 Ibid., pagina 154.
195 Ibid., pagina 158.
196 Turnbull maakt melding van daadwerkelijke gevechten in Forest People, pagina’s 110, 122-23, en in Wayward Servants, pagina’s 188, 191, 201, 205, 206, 212.
197 Turnbull, Forest People, pagina’s 33, 107, 110; Wayward Servants, pagina’s 105,106,113, 157, 212, 216.
198 Turnbull, maakt melding van afgunst in Wayward Servants, pagina’s 103, 118,157.
199 Turnbull, Wayward Servants, pagina 206.
200 Turnbull, Forest People, pagina 107; Wayward Servants, pagina’s 157, 191,198, 201.
201 Turnbull, Wayward Servants, pagina 183.
202 Evans-Pritchard, pagina 90. Davidson, pagina’s 10, 205. Reichard, pagina’s xviii, xxi, xxxvii. Debo, pagina 71. Wissler, pagina 287. Holmberg, pagina’s 151, 259, 270 (voetnoot 5). Encycl. Brit., Vol. 2, artikel “Carib”, pagina 866; Deel 13, artikel “American Peoples, Native”, pagina 380.
203 Holmberg, pagina’s 259-260.
204 Ibid., pagina’s 93, 102, 224-26, 228, 256-57, 259, 270 (voetnoot 5).
205 Leach, pagina 130.
206 Marquis, pagina’s 119-122.
207 Vestal, pagina 60.
208 Ibid., pagina 179.
209 Encycl. Brit., Deel 13, artikel “American Peoples, Native”, pagina’s 351-52, 360.
210 Massola, pagina 72.
211 Encycl. Brit.. Deel 13, artikel “American Peoples, Native,” pagina’s 384, 386.
212 Reichard, pagina xxxix.
213 Evans-Pritchard, pagina’s 90, 181-83.
214 Holmberg, pagina 153.
215 Ibid., pagina’s 126-27, 141, 154.
216 Coon, pagina’s 260-61.
217 Poncins, pagina’s 125, 244.
218 Schebesta, II. Band, T. Teil, pagina 241.
219 Massola, pagina’s 78-80.
220 Wissler, pagina’s 223, 304.
221 Reichard, pagina 265.
222 Encycl. Brit., Deel 13, artikel “American Peoples, Native”, pagina 381.
223 Marquis, pagina 39.
224 Ibid., pagina’s 64, 66,120, 277.
225 Leakey, pagina 107.
226 Coon, pagina’s 176-77. Cashdan, pagina’s 37-38, wijst op “correcte” of “formele” regels bij het delen van vlees bij de Australische Aboriginals, Mbuti-pygmeeën en !Kung-bosjesmannen.

227 Richard B. Lee, geciteerd door Bonvillain, pagina 20.
228 Coon, pagina 125.
229 Holmberg, pagina’s 79-81.
230 Ibid., pagina’s 87-89, 154-56.
231 Ibid., pagina’s 154-55.
232 Ibid., pagina 151.
233 Cashdan, pagina 37. Turnbull, Forest People, pagina’s 96-97. Schebesta, II. Band, T. Teil, pagina’s
96, 97.
234 Turnbull, Forest People, pagina 107.
235 Turnbull, Wayward Servants, pagina’s 157-58. Schebesta, II. Band, T. Teil, pagina 97, maakt melding van een hevige ruzie over het verdelen van vlees dat “bijna tot bloedvergieten leidde.”

236 Turnbull, Wayward Servants, pagina 120.
237 Ibid., pagina 198.
238 Coon, pagina 176. Cashdan, pagina 38. Bonvillain, pagina 20. Turnbull, Wayward Servants, pagina 167. Encycl. Brit., Deel 14, artikel “Australia”, pagina 438.
239 Cashdan, pagina 28. Coon, pagina’s 72-73. Bonvillain, pagina 20. Encycl. Brit., Deel 14, artikel
“Australia”, pagina 438. Turnbull onderschat in Wayward Servants, pagina 178, mogelijk het belang van plantaardig voedsel in het dieet van de Mbuti (“jagen en verzamelen zijn even belangrijk voor het levensonderhoud”). Volgens Schebesta, 1. Band, pagina’s 70-71, 198; II. Band, T. Teil, pagina’s 11, 13-14, voedde de Mbuti zich voornamelijk met plantaardige producten. Hoogstens 30% van hun dieet bestond uit dierlijke producten en van die 30% bestond een aanzienlijk deel niet uit vlees maar uit voedsel zoals slangen en sprinkhanen die als groenten verzameld werden en waarop niet gejaagd werd.

240 Coon, pagina 176.
241 Marquis, pagina 159.
242 Evans-Pritchard, pagina 90.
243 Poncins, pagina’s78-79.
244 Ibid., pagina 121.
245 Turnbull, Wayward and Servants, b.v.., pagina 105.
246 Ibid., pagina’s 199-200 (voetnoot 5).
247 Ibid., pagina 113.
248 Ibid., pagina 153.
249 Poncins, pagina 237.
250 Coon, pagina 260.
251 Van Laue, pagina 202.
252 Voor een bespreking van dit en sommige andere psychologische onderwerpen die in deze paragraaf ter sprake komen, zie het Unabomber Manifesto, “Industrial Society and Its Future”, de paragrafen 6-32, 213-230.
253 “The Forgotten Language Among Humans and Nature”, Species Traitor, Nr. 2, Winter 2002. De pagina’s in deze publicatie zijn ongenummerd.
254 Holmberg, pagina 249. Zie ook pagina’s 61, 117, 260.
255 Turnbull, Forest People, pagina’s 35, 58, 79, 179; Wayward Servants. pagina’s 165, 168. Schebesta. 1. Band. pagina 68, Coon. pagina 71.
256 Coon, pagina 156.
257 Ibid., pagina’s 156, 158, 196.
258 Turnbull, Change and Adaptation, pagina 20; Wayward Servants, pagina 164. Schebesta, II. Band, 1. Teil, pagina’s 107-111, beschrijft nog andere wrede methoden om olifanten te doden.

259 Thomas, pagina’s 94. 190.
260 Wissler, pagina’s 14. 270. Coon, pagina 88.
261 Marquis, pagina 88.
262 Turnbull, Forest People, pagina 101. Schebesta. II. Band, 1, Teil, pagina 90, vermeldt ook dat de Mbuti hun jachthonden schopten.

263 Turnbull, Wayward Servants, pagina 161.
264 Poncins, pagina’s 29, 30, 49, 189, 196, 198-99, 212, 216.
265 Holmberg, pagina’s 69-70, 208.
266 Coon, pagina 119.
267 Ibid.
268 Wissler, pagina’s 124, 304-06.
269 Holmberg, pagina’s 111, 195.
270 Turnbull, Forest People, pagina’s 14, 33. Schebesta. 1. Band, passim, e.g., pagina’s 107, 181-84, 355
271 Turnbull, Forest People, pagina’s 47, 120, 167; Wayward Servants. pagina’s 61, 82; Change and
Adaptation, pagina 92.
272 Turnbull, Forest People. pagina’s 47, 234.
273 Schebesta, T. Band, pagina’s 106-07, 137.
274 Ibid., pagina 107.
275 Ibid., pagina 108.
276 Ibid., pagina 110.
277 Wissler, pagina 221. Zie ook Poncins, pagina 165 (Eskimo doodt twee Indianen), en Encycl. Brit., Deel 13, artikel “American Peoples, Native”, pagina 360 (subarctische Indianen bevechten Eskimo’s).

278 Thomas, pagina 87.
279 Turnbull, Wayward Servants, pagina 122.
280 Brief aan de schrijver van de uitgever van Species Traitor, 4/7 /03, pagina 7.
281 Coon, pagina’s 191-95.
282 Ibid., pagina 194.
283 Thomas, pagina’s 10, 82-83. Zie ook Cashdan, pagina 41.
284 Cashdan, pagina 41. Zie ook Coon, pagina 198.
285 Coon, pagina 27.
286 Ibid., pagina 168.
287 Schebesta, II. Band, 1. Teil, pagina’s 14, 21-22, 275-76.
288 Cashdan, pagina 40. Zie ook ibid., pagina 37, en Schebesta, II. Band, 1. Teil, pagina’s 276-78.
289 Turnbull, Wayward Servants, pagina 199 (voetnoot 5).
290 Zie Coon, pagina 268. Schebesta, II. Band, 1. Teil, pagina’s 8, 18, opmerking over het ontbreken bij de Mbuti van belangstelling voor het vergaren van bezittingen.

291 Zie Coon, pagina’s 57-67.
292 Turnbull, Wayward Servants, pagina 14.
293 Ibid., pagina 181.
294 Ibid., pagina 228.
295 Turnbull, Forest People, pagina’s 110, 125; Wayward Servants, pagina’s 27, 28, 42, 178-181, 183, 187, 256, 274, 294, 300. Schebesta, II. Band, 1. Teil, pagina 8, zegt dat de Mbuti ook maar enige neiging tot overheersing misten (Herrschsucht).
296 Encycl. Brit., Deel 13, artikel “American Peoples, Native”, pagina 360.
297 Holmberg, pagina’s 148-49.
298 Thomas, pagina 10.
299 Coon, pagina 238.
300 Bonvillain, pagina’s 20-21.
301 Coon, pagina 210.
302 Thomas, b.v., pagina’s 146-47, 199.
303 Coon, pagina 253.
304 Ibid., pagina 251.
305 Schebesta. 1. Band, pagina 106.
306 Turnbull, Wayward Servants, pagina 161.
307 Turnbull, Change and Adaptation, pagina 18.
308 Turnbull, Forest People, pagina 250.
309 Coon, pagina 104.
310 Holmberg, pagina’s 63-64, 268.
311 B.v. Encycl. Brit., Deel 14, artikel “Biosphere”, pagina’s 1191.1197; Mercader, pagina’s 2, 235, 238, 241, 282, 306, 309. Over ander roekeloos gebruik van vuur, zie Coon, pagina 6.
312 Mercader, pagina 233. Encycl. Brit., Deel 14, artikel “Biosphere”, pagina’s 1159, 1196; Deel 23, artikel “Mammals”, pagina’s 435, 448.
313 Zie Bill Joy, “Why the Future Doesn’t Need Us”, Wired magazine. April 2000; en Our Final Century, door de Britse Koninklijke Astronoom, Sir Martin Rees.
 

THE ANARCIST LIRARY

ANTI-COPYRIGHT

Maart 11, 2011

Ted Kaczynski

The Truth About Primitive Life: A Critique of Anarcho-primitivism.

2008


 

Over het idealiseren van het verleden:


<!doctype html public "-//w3c//dtd html 4.0 transitional//en">

Uit het paradijs verdreven

Ons verlangen onze vakantie door te brengen in een aards paradijs heeft een hel geschapen voor diegenen die wij buitensluiten


George Monbiot

Dinsdag 5 Augustus, 2003 The Guardian


Schilderij Het korenveld - John Constable - voltooid in 1826Het is ongetwijfeld een van de meest onbeschaamde vluchten uit de werkelijkheid ooit geschilderd. “Het korenveld” van John Constable - voltooid in 1826, dat nu op de nieuwe tentoonstelling van The National Gallery, “Het Paradijs” hangt - roept midden in The Enclosure Movement (beweging waarbij gemeenschappelijk land tot privébezit werd veranderd), een feilloze landelijke harmonie op. Net toen de gebruikers van de gemeenschappelijk gronden van hun land verdreven werden, hun oogsten vernield, hun huizen afgebroken en de dissidenten gedeporteerd of opgehangen werden, toverde Constable het uiteindelijke Engelse Arcadië tevoorschijn. Een hond leidt een schapenkudde de donkere schaduw van een dag in Augustus binnen. Een blozende boerenjongen drinkt uit een blinkende beek, zijn ezel achter hem. Op de achtergrond, omzoomd door grote iepen, werken mannen met hoeden en halsdoeken in een korenveld. Voorbij hen glanst een riviertje door de grazige weiden. Een kerk rijst op boven de bomen om de gelukkige bewoners en hun bestaande Hof van Eden te zegenen. Temidden van een landelijke hel, verzint Constable zijn hemel. Het is een fonkelende leugen, en wij moeten ons er niet over verbazen dat we in de catalogus van de galerij lezen dat dit “een van de lievelings-schilderijen van het land en ontelbare malen gereproduceerd is en in ontelbare huizen hangt”. Wat Constable gedaan heeft is wat menselijke wezens altijd gedaan hebben en waar ze tegenwoordig nog steeds mee doorgaan. Wij roepen, geconfronteerd met wreedheden, een wonder van vóór de Zondeval op. Wij construeren uit de menselijke hel onze Paradijzen, echt of ingebeeld. De keuze van het tijdstip van de tentoonstelling is goed omdat we in dit seizoen onze huizen verlaten op zoek naar het paradijs. Door dat te doen maken wij andere mensen ongelukkig. Het is niet alleen het geluid waarmee we hun levens vullen terwijl wij onze eigen rust najagen. Teneinde een Hof van Eden te scheppen waarin wij ons in onschuld en naaktheid vermaken, moeten we eerst anderen opdragen de bewoners ervan uit de weg te ruimen. Net als Constable zijn wij er bedreven in deze waarheid voor onszelf te verbergen. De Yosemite vallei in Californië werd door Abraham Lincoln tot de eerste openbare wildernis ter wereld bestemd. Zoals de historicus Simon Schama vermeldt: “De schitterende graslanden die op de eerste bejubelaars de indruk maakte van een oorspronkelijke Hof van Eden was in feite het resultaat van een te vuur en te zwaard opruimen van de Ahwahneechee-indianen (Miwok-stam) die het bewoonden”. De eerste blanken die de vallei binnentrokken waren soldaten om hen af te slachten. De Hof van Eden werd dus, als het tegenovergestelde van het bijbelse verhaal, gerealiseerd door de verdrijving van de mens. De kolonisten herdefiniëerden de door de Ahwanheechees beheerde woonplaats als wildernis met het doel zowel een tijdelijke als spirituele heerschappij te vestigen. Amerika’s Hof van Eden is met andere woorden eigenlijk zijn Kanaän, het land van melk en honing, wier inheemse bevolking eerst uitgeroeid moest worden voor de indringers het als hun geboorterecht konden opeisen. De Mozaïsche leer van het terra nullius (de inwoners hebben geen wettelijk recht op hun land), die de uitverkorenen van de Heer toestond “Moab’s slapen te verbrijzelen en alle zonen van Seth te verpletteren” (Numeri24:17) is de basis-geloofsbelijdenis van de veroveraar overal ter wereld geworden. Het zet zich voort bij het aankondigen van de bezettingen in het moderne Israël, dat nu tracht zichzelf in een ommuurde Hof te veranderen; het blijft nog steeds het richtsnoer voor de onteigeningen waarop veel van de wereldwijde toeristenindustrie is gebaseerd. In de tweede helft van de twintigste eeuw , toen de kosten van het internationale transport daalden, ontdekte regeringen een krachtige financiële prikkel om van de landen van de armen een paradijs voor de rijken te maken. Heel het oosten en zuiden van Afrika, het meest vruchtbare land van de nomaden en jagers-verzamelaars, werden tot “oorspronkelijke wildernis” verklaard. De bewoners werden buitengesloten; slechts diegenen die konden betalen werd toegestaan de hemel te betreden.


Je kunt op de website van het Ministerie van Tourisme van Kenya onder de kop “Wilderness” lezen over het Masai Mara-reservaat. Het leert je dat de oorspronkelijke bevolking, de Masai, “zichzelf evenzeer als deel van het leven van het land beschouwen als dat het land deel is van hun leven. Traditioneel jagen de Masai zelden en in harmonie met hun omgeving leven is een belangrijk bestanddeel van hun geloof”. Wat het niet vertelt is dat de Masai uit de “wildernis” waarin zij in harmonie met de flora en fauna leefden, verdreven zijn, omdat de toeristen niet verwachtten hen daar aan te treffen.
 

De regering van Botswana heeft net de verdrijving van de Gana- en de Gwi-Bosjesmannen uit het Centrale Kalahari-wildreservaat voltooid, op grond van het feit dat hun jacht en verzamelen “obsoleet” geworden is en dat hun aanwezigheid niet langer te rijmen valt met “het beschermen van de natuurlijke rijkdommen van het wildleven.”
 

Om van hen af te komen, zo heeft Survival International (Internationale organisatie ter ondersteuning van inheemse volkeren) aangetoond, heeft het hun watervoorziening afgesloten, en hen belastingen en boetes opgelegd, geslagen en mishandeld.
 

Bosjesmannen hebben daar ongeveer 20.000 jaar geleefd. Het wildleven wordt door hen niet bedreigd, maar de vrijheid van de diamantontginning en de toeristenindustrie zou dat wel eens kunnen doen. Nu ze de bosjesmannen uit hun stamland heeft verdreven, nodigt de regering toeristen uit om wat ze op haar website “het laatste paradijs” noemt, te bezoeken.
De voorgangers van deze wildreservaten waren de hertenkampen en andere aardse paradijzen die de aristocratie voor zichzelf in Engeland bouwden. De tuinen van Stowe in Buckinghamshire, ontworpen onder tuinarchitectuur van Capability Brown in de jaren veertig van de 18e eeuw in opdracht van de Whig politicus Lord Cobham, is een vallei, die de “Elyseïsche Velden” wordt genoemd, het paradijs van de Oude Grieken. Verscholen achter bomen in het hart van het paradijs staat een kerk: het enige overgebleven bewijs van een van de dorpen, die plaats hebben moeten maken voor het landgoed. Je kunt de literatuur van de National Trust erop naslaan om te zien of het enige verwijzing naar de mensen die daar geleefd hebben of op andere plaatsen die herschapen zijn in grote buitenplaatsen, bevat, maar je zult je tijd verdoen. Engelands grootste Non Governmental Organisation verhaalt uitvoerig de geschiedenis van de hemel, maar sluit zijn ogen voor de hel. We belazeren onszelf op precies dezelfde manier bij het bouwen van onze virtuele Paradijzen. Paul Gauguin zocht zijn Hof van onschuld in de Zuid-Pacific, maar in plaats daarvan vond hij een door de Franse kolonisatie en geslachtsziekten verwoeste samenleving. Net als Constable schilderde hij eigenlijk het paradijs: het tentoongestelde schilderij  in de National Gallery heeft hij grotendeels gekopieerd van een fries uit een Javaanse tempel, in welks onwaarschijnlijke Eden Gauguin zijn etherische Tahitianen invoegde. Het meest verontrustende schilderij op de tentoonstelling is misschien het “Landschap met een Watermolen” van Boucher. Op het Franse platteland in 1755 leefden het landvolk van schillen, gras en eikels, maar Boucher laat mollige dienstmeiden in wit linnen door hun taak drentelen, terwijl jongemannen in een bucolische praal aan de oever van de rivier rondhangen. Het schijnt dat het schilderij vervaardigd is om de muur van het huis van een landeigenaar te verfraaien. Vandaag de dag vinden we zulke leugens herhaald op onze TV-schermen, in de reis- en natuurprogramma’s die er op uit zijn ons te overtuigen dat alles op de speelplaats van de blanke man in orde is. De recente BBC-serie over Congo, gefilmd temidden van de slachtpartijen daar, liet ons weten dat “Congo dan wel ooit bekend was als ‘het hart van de duisternis’- maar dat het tegenwoordig meer lijkt op een stralende, prachtige wildernis” Het negeerde de moorden volledig. Het Paradijs is de basis-mythe van de kolonist. Niet in staat de waarheid van wat wij doen onder ogen te zien, extraheren wij uit onze peilloze collectieve schuld het verhaal van een oorspronkelijke onschuld.  www.monbiot.com
 

Ter illustratie het eerste hoofdstuk uit een boek van Fredy Perlman, een verheerlijker van de primitieve mens en vanzelfsprekend ook een evolutieleer-gelovige:


Tegen de Geschiedenis, tegen de Leviathan

Fredy Perlman (1934 – 1985)


Portret van de schrijver Fredy Perlman

 

(De eerste pagina’s van Fredy Perlmans boek: Against His-story, Against Leviathan!)

 

Hier zijn wij dan op een duistere vlakte

Gekweld door verwarde kreten van strijd en vlucht

Waar onwetende legers slaags raken in de nacht. (M. Arnold)

 

Niemand kan hier staan of liggen of zitten
Zelfs geen stilte in de bergen; daar raast
Een schrale, onvruchtbare en regenloze donderbui...(T.S. Eliot)

 

Die duistere vlakte is híer. Dit is het braakliggende land: Engeland, Amerika, Rusland, China, Israël, Frankrijk....

 

En wij zijn hier, als slachtoffers, toeschouwers, bedrijvers van martelingen, slachtingen, vergiftigingen, manipulaties, plunderingen.

 

Hic Rhodus! Dit is de plek om te springen, de plek om te dansen! Dit is de wildernis! Is er ooit een andere geweest? Dit is wreedheid! Noem je dat vrijheid? Dit is barbarij! Dit hier is het gevecht om te overleven. Hebben wij dat niet altijd al geweten? Is dat geen publiek geheim? Is dat niet altijd al het grote publieke geheim geweest?

 

Het blijft geheim. Het is algemeen bekend, maar wordt niet toegegeven. Voor het grote publiek ligt de wildernis elders, de barbarij ver weg, wreedheid in de blik van de ander. De schrale onvruchtbare regenloze donder, verwarde kreten van strijd en vlucht, naar buiten geprojecteerd, over zeeën en bergen naar het weidse onbekende. Wij staan aan de kant van de engelen.

 

Een gedaante, lijf van een leeuw, hoofd van een mens,

Starende blik, ledig en meedogenloos als de zon,

Roert zijn lome schoften….(W. B. Yeats, uit: The Second Coming)

 

...beweegt zijn lome schoften tegen de geprojecteerde wildernis, tegen de weerkaatste barbarij, tegen de woeste tronie die vanuit de vijver toekijkt, al bewegend de vijver leegt, de oevers vernietigt en waar ooit leven was een dorre krater achterlaat.

In een wonderlijk helder boek met de titel Beyond Geography, een boek dat ook de geschiedenis, technologie en beschaving overstijgt, haalt Frederick W. Turner (niet te verwarren met Frederick Jackson Turner, de pleitbezorger van de pionier) het doek op en zet het toneel in een badend licht.

Vóór Turner hebben anderen al het doek opgehaald; zij zijn degenen die het geheim openbaar hebben gemaakt, waaronder mijn tijdgenoten Toynbee, Drinnon, Jennings, Camatte, Debord, bij wie ik mijn licht heb opgestoken, en hun voorgangers Melville, Thoreau, Blake, Rousseau, Montaigne, Las Casas en Lao Tze, voor zover de schriftelijke overlevering teruggaat. Om voorbij de geografische grenzen te kunnen kijken gaat Turner voor zijn inzichten te rade bij mensengemeenschappen buiten het gezichtsveld van de beschaving. Met de ogen van de verworpenen kijkt hij naar deze ooit prachtige wereld, die rust op de rug van een schildpad, dit dubbelhartige continent met geleegde vijvers, vernietigde oevers, wouden die in dorre katers veranderden op het moment dat het Amerika genoemd werd.

 

...een weids beeld uit de Spiritus Mundi

 

Yeats concentreert zich op dat beeld en vraagt zich dan af:

 

En welk wild dier, — zijn tijd is eindelijk gekomen —

Sjokt voort naar Bethlehem, zijn geboorte tegemoet?

 

Het visioen is voor Turner even helder als het was voor Yeats:

 

Weer valt de duisternis; maar nu weet ik

Dat twintig eeuwen stenen slaap

Door een schommelwieg

Zijn verward tot een nachtmerrie

 

Lang geleden keerden zieners terug om hun visioenen te delen met hun gemeenschappen, zoals vrouwen hun graan en mannen hun jachtbuit deelden.

Maar er is geen gemeenschap meer. De herinnering aan een gemeenschap is een vervaagd beeld uit de Spiritus Mundi.

Tegenwoordig schrijft de ziener zijn visioen neer op een vel papier, op hellingen van dorre kraters, waar geharnaste bullebakken de wacht houden en het wachtwoord vragen: Positief Bewijs. Geen visioen gaat voorbij hun poorten. De enige zang die binnendringt is een verwaaide zang, schraal en lijkachtig als fossielen in het zand.

Turner, zelf een wachter, een professor, heeft de onverschrokkenheid van Bartholomeo de las Casas. Hij bestormt de poorten, weigert het wachtwoord te geven en zingt, tiert, danst bijna.

Het harnas laat los. Al is het niet gewoon versleten als kleren of maskers, al is het niet vastgekleefd aan gelaat en lichaam, al moeten huid en vlees samen daarmee afgerukt worden, het harnas laat los.

Niet lang geleden hebben velen de poorten bestormd. Pas onlangs zong iemand dat het web van fabrieken en mijnen de Goelagarchipel was en alle arbeiders zeks (namelijk dienstplichtigen, bewoners, leden van arbeiderstroepen) waren. Iemand anders zong dat de Nazi’s de oorlog verloren hadden maar hun nieuwe orde niet. Ketters zijn talrijk tegenwoordig. Gaat het regenen? Is het de schemer van een nieuwe dageraad? Of is het de schemer waarin Minerva’s uil kan zien omdat de dag voorbij is?

 

*  *  *

 

Turner, Toynbee en anderen richten zich op het beest dat het enige bekende thuis van de levende wezens vernietigt.

Turner geeft zijn boek als ondertitel, “De Westerse Geest tegen de Wildernis.” Met Westerse Geest bedoelt hij de houding of instelling, de ziel of geest van de Westerse Beschaving, tegenwoordig bekend als dé Beschaving.

Turner omschrijft Wildernis op dezelfde manier als de Westerse Geest dat doet, behalve dat voor Turner het begrip positief en voor de Westerse Geest negatief is: Wildernis omvat de hele Natuur en alle mensengemeenschappen, die buiten het gezichtsveld van de Beschaving liggen.

In A Study of History, uit Arnold Toynbee zijn enthousiasme voor de geschiedenis en beschaving. Nadat hij de opkomst en ondergang had gezien van het Derde Rijk van de Nazi’s, en alle ontwikkelingen die het in zijn kielzog teweegbracht, verloor Toynbee zijn enthousiasme. Hij beschreef dat verlies in zijn boek Mankind and Mother Earth. De inzichten in dat boek zijn verwant aan die van Turner; de Mensheid is Moeder Aarde in stukken aan het scheuren.

Toynbee’s begrip Mensheid omvat zowel de Westerse Geest als de mensengemeenschappen buiten het gezichtsveld van de Beschaving en zijn Moeder Aarde omvat alle leven.

Even leen ik het begrip Moeder Aarde van Toynbee. Zij is de hoofdfiguur. Ze leeft, ze is het leven zelf. Ze bedenkt en doet alles ontstaan wat groeit. Velen noemen haar de Natuur. De christenen noemen haar Wildernis. Een andere naam die Toynbee haar geeft is Biosfeer. Ze is het vasteland, het water en de aarde die onze planeet omhullen. Ze is het enige leefgebied van de levende wezens. Toynbee omschrijft haar als een dunne en kwetsbare huid, niet hoger dan vliegtuigen kunnen vliegen en niet dieper dan mijnen gegraven kunnen worden. Kalksteen, steenkool en olie die nu deel uitmaken van haar materie, bestonden ooit uit levende dingen. Selectief filtert ze de straling van de zon, precies zo dat zij het leven voor verbranding behoedt. Toynbee noemt haar een uitgroeisel, een glans of roestlaag op het aardoppervlak en veronderstelt dat er misschien geen andere Biosferen zijn.

Toynbee zegt dat de Mensheid, de mensen, met andere woorden, Wij, heel machtig zijn geworden, machtiger dan alle andere levende wezens en in ieder geval machtiger dan de Biosfeer. De mensheid is in staat om de tere korst te vernietigen en doet dat ook.

Er zijn veel manieren om over een val te spreken. Die kan beschreven worden vanuit het standpunt van het zichzelf in evenwicht houdende milieu, vanuit dat van de vallenzetter of het in de val gelopen dier. Zij kan zelfs beschreven worden vanuit het standpunt van de val zelf, namelijk vanuit het objectieve, wetenschappelijke en technologische standpunt.

Evenveel manieren zijn er om te spreken over de verwoesting van de biosfeer. Vanuit het standpunt van een enkele hoofdpersoon, de Aarde, kan gezegd worden dat Zij suïcide pleegt. Met twee hoofdpersonen, de Mensheid en Moeder Aarde, waarvan gezegd kan worden dat Wij Haar vermoorden. Iemand van ons die dit standpunt aanvaardt en zich geen raad weet van schaamte, zou willen dat we walvissen waren. Maar degene van ons die het standpunt inneemt van het dier in de val, zal op zoek gaan naar een derde hoofdrolspeler.

Toynbee’s hoofdpersoon, de Mensheid, is te vaag. Die omvat alle beschavingen en ook alle gemeenschappen buiten het gezichtsveld van de Beschaving. Toch leefden die gemeenschappen, zoals Toynbee zelf laat zien, duizenden generaties lang vreedzaam naast elkaar, zonder de Biosfeer enige schade te berokkenen. Zij zijn niet de vallenzetters, maar de in de val getrapten.

Wie is dan de verwoester van de Biosfeer? Turner wijst naar de Westerse Geest. Dat is de hoofdpersoon, die zich opstelt tegenover de Wildernis, die oproept tot een vernietigingsoorlog van de Geest tegen Natuur, Ziel tegen Lichaam, Technologie tegen Biosfeer, Beschaving tegen Moeder Aarde, god tegen allen.

Marxisten wijzen op de Kapitalistische productiewijze, soms alleen naar de Kapitalistische Klasse. Anarchisten wijzen naar de Staat. Camette wijst naar het Kapitaal. De Nieuwe Ketters wijzen naar de Technologie, Beschaving of beiden.

Terwijl Toynbee’s hoofdpersoon, de Mensheid, te vaag is, zijn veel van de anderen te beperkt.

De Marxisten zien slechts de balk in het oog van de vijand. Ze vervangen hun eigen schurk door een held, de Antikapitalistische productiewijze, de Revolutionaire Gevestigde Orde. Wat ze niet zien is dat hun held diezelfde “gedaante is met het lijf van een leeuw, hoofd van een mens, starende blik, en ledig en meedogenloos als de zon.” Wat ze niet zien is dat de Antikapitalistische productiewijze alleen maar zijn broeder wil overtreffen in het verwoesten van de Biosfeer.

De anarchisten zijn even divers als de Mensheid. Er zijn zowel overheids- en commerciële Anarchisten als anarchistische huurlingen. Zij zouden de staat willen vervangen door een netwerk van computercentra, fabrieken en mijnen, gecoördineerd door “de arbeiders zelf,” of een Anarchistenvakbond. Zij zouden dat geheel niet Staat noemen. De naamsverandering zou dan het beest uitdrijven.

Camatte, de Nieuwe Ranters en Turner zien de boosdoeners, Marxisten en Anarchisten, slechts als eigenschappen van de echte hoofdpersoon. Camatte geeft het monster een lijf; hij noemt het monster het Kapitaal, ontleent het begrip aan Marx maar geeft het een nieuwe inhoud. Hij belooft een beschrijving te geven van de oorsprong en traject van het monster, maar heeft dat tot nu toe nog niet gedaan. De Nieuwe Ranters hebben inzichten ontleend aan L. Mumford, J. Ellul en anderen, maar zijn, naar mijn weten, niet verder gegaan dan Camatte.

Turner gaat verder. Zijn bedoeling is niet alleen een beschrijving te geven van het lijf van het monster, maar hij weet dat het het lijf van het monster is dat het lichaam vernietigt van de mensengemeenschappen en dat van Moeder Aarde. Hij vertelt veel over de oorsprong en het traject van het monster en heeft het ook vaak over zijn pantser. Maar het monster een naam geven of zijn lijf beschrijven, valt buiten zijn bestek.

Mijn opzet is het lijf van het beest te behandelen. Want het heeft een lijf, een monsterlijk lijf, een lijf dat machtiger geworden is dan de Biosfeer. Misschien is het een lijf zonder eigen leven. Misschien is het iets doods, een enorm kadaver. Misschien beweegt het zijn trage schoften alleen als het bevolkt wordt door levende wezens. Maar het is zijn lijf dat de verwoestingen aanricht.

Als de Biosfeer een uitwas is van het planeetoppervlak, is het beest dat haar verwoest ook een uitwas. De Vernietiger der Aarde is een roestlaag of glans op het oppervlak van de mensengemeenschap. Die wordt niet door elke gemeenschap, elke Mensheid afgescheiden. Toynbee zelf geeft de schuld aan een uiterst kleine minderheid, aan een zeer klein aantal gemeenschappen. Misschien is dat kadaverachtige beest slechts afgescheiden door een enkele gemeenschap onder ontelbare.

 

*   *   *

 

Dat door een mensengemeenschap uitgescheiden beest is jong, hoogstens twee- of driehonderd generaties oud. Voor ik me daarop richt, zal ik eerst een blik werpen op mensengemeenschappen, want die zijn veel ouder, duizenden generaties oud.

Ons wordt verteld dat zelfs de mensengemeenschappen jong zijn, dat er een tijd was dat er alleen maar water was, tot een muskusrat naar de zeebodem dook en aarde op de rug van de schildpad legde. Dat wordt ons verteld.

Naar verluid waren de eerste wandelaars die baat hadden bij de inspanningen van de muskusrat reuzen of goden, die tegenwoordig dinosauriërs genoemd worden.

Moderne grafschenders hebben deze godenbotten opgegraven en uitgestald in de vitrines van het Positieve Bewijs. De grafschenders gebruiken die knekelkisten om alle van die van hun afwijkende verhalen uit het menselijke geheugen te verdrijven. Maar de verhalen van de grafschenders zijn saaier dan talloze andere verhalen en hun knekelkisten werpen slechts licht op de grafschenders zelf.

De verhalen zijn even divers als hun vertellers. In veel verhalen doet de herinnering pogingen om terug te gaan tot een tijdperk waarin zij huisde in een grootmoeder die de zwemmers, kruipers en lopers als haar verwanten kende, omdat zij zelf niet vaker op haar achterbenen liep dan zij.

In een heel oud verhaal viel de eerste grootmoeder op aarde vanuit een gat in de hemel.

In een hedendaags verhaal was ze een vis met snuit die, nadat ze speels het ademen geoefend had door haar snuit boven water te steken, dankzij dat kunstje overleefde toen haar vijver opdroogde.

In een ander oud verhaal verzwolg de Biosfeer meerdere grootmoeders, voordat hier de gemeenschappelijke voorouder zijn intrede deed en zal naar verwachting op haar beurt de achterachterkleinkinderen van die voorouder verzwelgen. Misschien zal blijken dat Toynbee zich vergist over de betrekkelijke macht van de twee hoofdpersonen.

Veel verhalen gaan over minivoorouders, dwergen; een hedendaags verhaal noemt hen boomtoepaja’s, dwergspitsmuizen.

Deze dwergen bewoonden de aarde terwijl de reuzen, de dinosauriërs, in het daglicht rondliepen. Behoedzame toepaja’s klommen uit de bomen om ’s nachts een feestmaal van insecten aan te richten, niet omdat de reuzen vals waren, maar vanwege het verschil in grootte. Veel toepaja’s hadden vrede met deze regeling en bleven boomtoepaja’s. Sommige, zonder twijfel een kleine minderheid, wilden ook overdag rondlopen.

Gelukkig voor die rustelozen, bevonden de dinosauriërs zich onder de grootmoeders die verzwolgen werden door de Biosfeer. Toen konden de voormalige boombewoners zich koesteren in de zon, of dansen en spelen in het heldere daglicht, zonder angst vertrapt te worden. Een klein gedeelte van hen werd onrustig; sommigen wilden kruipen, anderen vliegen. De zelfgenoegzame, behoudende meerderheid, gelukkig en tevreden met hun omgeving, bleef wat zij was.

 

*   *   *

 

De managers van de Goelagarchipel vertellen ons dat de zwemmers, kruipers, lopers en vliegers hun leven werkend doorbrengen om te kunnen eten.

Deze managers verkondigen hun nieuws te haastig. De veelkleurige schepsels zijn nog niet allemaal uitgestorven. Jij, lezer, hoeft je slechts onder hen te mengen, of ze gewoon van een afstand gadeslaan om te zien dat hun leven is gevuld met dansen, spelen en feesten. Zelfs jagen, besluipen, schijnbewegingen en springen is niet wat wij Werk noemen, maar wij noemen dat Plezier. De enige wezens die werken zijn de bewoners van de Goelagarchipel, de zeks.

De voorouders van de zeks werkten minder dan een eigenaar van een bedrijf. Ze wisten niet wat werk was. Ze leefden in een toestand die J.J. Rousseau de “natuurstaat” noemde. Dat woord van Rousseau zou teruggebracht moeten worden in het dagelijks spraakgebruik. Het werkt op de zenuwen van degenen die, in de woorden van R. Vaneigem, lijken in hun mond meedragen. Het maakt het harnas zichtbaar. Zeg “natuurstaat” en je zult de lijken naar buiten zien gluren.

Hou vol dat “vrijheid” en “natuurstaat” synoniem zijn en de lijken zullen je proberen te bijten. De getemden, de gedomesticeerden proberen het woord vrijheid te monopoliseren; zij zouden dat graag toepassen op hun eigen toestand. Voor de vrijen gebruiken ze het woord “wild.” Maar het is ook een publiek geheim dat de getemden, de gedomesticeerden, bij tijd en wijle wild worden, maar nooit vrij zijn zolang ze in hun hok blijven.

Zelfs het gewone woordenboek houdt dit geheim slechts deels verborgen. Het begint met te zeggen dat vrij ‘burger’ betekent! Maar vervolgens zegt het, “Vrij: a) niet bepaald door iets dat buiten de eigen aard of wezen ligt; b) bepaald door de keuze van de handelend persoon of zijn wensen….”

Het geheim is onthuld. Vogels zijn vrij tot mensen hen kooien. De Biosfeer, Moeder Aarde, is vrij wanneer ze zichzelf bevochtigt, wanneer ze zich uitspreidt in de zon en haar huid laat uitbarsten met veelkleurige haren, wemelend van kruipers en vliegers. Ze wordt niet bepaald door iets buiten haar eigen aard of wezen, tot een andere bol van gelijke omvang op haar te pletter slaat of een lijkachtig beest haar huid doorsnijdt en haar ingewanden doorklieft.

Vrij zijn bomen, vissen en insecten als ze van zaad uitgroeien tot volwassenheid, elk hun mogelijkheden verwezenlijken, hun wensen — tot de vrijheid der insecten beknot wordt door de vogels. De verorberde insecten hebben van hun vrijheid een gave gemaakt voor de vrijheid der vogels. Op haar beurt laat de vogel de zaden vallen van de lievelingsplant der insecten, bemest ze en draagt bij aan de vrijheid van het insectenbroed.

De natuurstaat is een gemeenschap van vrijheden.

Dat was het milieu van de eerste mensengemeenschappen en bleef dat duizenden generaties lang.

De huidige antropologen, die de Goelag meedragen in hun brein, brengen die mensengemeenschappen terug tot bewegingen die het meest op werk lijken, en geven de naam Verzamelaars aan mensen die hun geliefde voedsel bijeengaren en soms bewaren. Een bankmedewerker zou dergelijke gemeenschappen Spaarbanken noemen!

De zeks op een koffieplantage in Guatemala zijn Verzamelaars en de antropoloog is een Spaarbank. Hun vrije voorouders hadden wat belangrijkers te doen.

De !Kung hebben zich wonderbaarlijk in stand weten te houden tot in onze verwoestende tijd. R.E. Leakey sloeg hen gade in hun welige thuisland in de Afrikaanse wouden. Niets ontwikkelden ze behalve zichzelf. Ze maakten van zichzelf wat ze wilden zijn. Zij werden niet bepaald door iets anders buiten hun eigen wezen — niet door wekkers, niet door schulden, niet door bevelen van meerderen. Ze feestten en speelden aan een stuk door, behalve wanneer ze sliepen. Ze deelden alles binnen hun gemeenschap: voedsel, ervaringen, visioenen en gezangen. Grote persoonlijke tevredenheid, diepe innerlijke vreugde, kwamen voort uit dat delen.

(In de tegenwoordige wereld genieten wolven nog steeds van samen delen. Misschien is dat de reden dat regeringen een premie betalen aan mensen die wolven doden.)

S. Diamond observeerde, ook in Afrika, andere vrije mensen die zich tot in onze tijd hebben weten te handhaven. Hij kon zien dat ze niet werkten, maar wist niet hoe hij dat in het Engels moest zeggen. In plaats daarvan zei hij dat ze geen onderscheid maakten tussen werk en spel. Bedoelt Diamond dat de bezigheden van die vrije mensen het ene moment als werk gezien kunnen worden en het andere moment als spel, afhankelijk van hoe de antropoloog zich voelt? Bedoelt hij dat hij niet wist of hun bezigheden werk of spel was? Bedoelt hij dat wij, jij en ik, Diamonds geharnaste tijdgenoten, geen onderscheid kunnen maken tussen hun werk en spel?

Als de !Kung onze kantoren en fabrieken zouden bezoeken, zouden ze kunnen denken dat wij spelen. Waarom zouden we daar anders zijn?

Ik denk dat Diamond iets veel diepzinnigers wilde zeggen. Een arbeidsanalist die een beer gadeslaat in de buurt van een plek met bessenstruiken, weet niet wanneer hij zijn stopwatch in zou moeten drukken. Begint de beer te werken als hij naar een bessenstruik loopt, als hij de bes pakt, als hij zijn kaken opent? Is de analist niet erg snugger, dan zal hij misschien zeggen dat de beer geen onderscheid maakt tussen werk en spel. Heeft hij fantasie dan zal hij misschien zeggen dat de beer al voorpret heeft vanaf het moment dat de bessen beginnen te kleuren en al die bewegingen van de beer geen werk zijn.

Leakey en anderen opperden dat de gemeenschappelijke voorouders van de mens, onze eerste grootmoeders, ontstaan zijn in de welige Afrikaanse wouden, ergens in de buurt van het thuisland van de !Kung. De behoudende meerderheid, intens tevreden met de gulle vrijgevigheid van de natuur, gelukkig met hun verworvenheden, in harmonie met zichzelf en de wereld, hadden geen reden om hun thuisland te verlaten. Ze bleven.

Een kleine minderheid ging zwerven. Misschien volgden zij hun dromen. Misschien was hun favoriete waterpoel opgedroogd. Misschien waren hun favoriete dieren weggetrokken. Deze mensen waren heel dol op dieren; ze zagen de dieren als kameraad.

Verhaald wordt dat de zwervers naar elk woud, vlakte en waterkant van Eurazië zijn getrokken. Ze trokken of dreven naar bijna elk eiland. Ze trokken over de landbrug in de buurt van het noordelijke ijsland naar zuidelijkste punt van het tweeledige land dat Amerika genoemd zou worden.

De zwervers trokken naar warm en koude streken, naar gewesten met veel en weinig regen. Misschien hadden sommigen heimwee naar het warme thuisland dat ze verlaten hadden. Als dat zo was maakte de aanwezigheid van hun favoriete dieren, hun kameraden, hun verlies weer goed. Het eerbetoon dat sommigen van aan deze dieren gaven, kunnen we nog steeds zien op de grotwanden van Altamira, op de rotsen in Abrigo del Sol in het Amazonebekken.

Sommige vrouwen leerden van vogels en wind hoe ze zaden konden verzamelen. Sommige mannen leerden van wolven en arenden hoe ze konden jagen.

Maar niemand van hen werkte ooit. En iedereen weet dat. De geharnaste christenen die later die gemeenschappen “ontdekten,” wisten dat die mensen niet werkten en die kennis werkte op de christelijke zenuwen, knaagde, en leidde ertoe dat de lijken begonnen rond te gluren. De christenen spraken over vrouwen die in de velden hun “aanstootgevende dansen” ten beste gaven, in plaats zich te beperken tot het huishouden; ze zeiden dat jagers een heleboel duivels “hocus pocus” uitvoerden, voordat ze de boogpees spanden.

Deze christenen, arbeidsanalisten avant la lettre, konden niet vertellen waar het spel eindigde en het werk begon. Lang vertrouwd geweest met de bezigheden van de zeks, boezemden de aanstootgevende en duivelse heidenen, die beweerden dat de Vloek der Arbeid hen niet getroffen had, hen afkeer in. De christenen maakten snel een eind aan die “hocus pocus” en dansen, en zagen toe dat niemand werk niet meer kon onderscheiden van spel.

Onze voorouders — ik zal Turners woord gebruik en hen de Bezetenen noemen — hadden wel wat belangrijkers te doen dan te vechten om te overleven. Ze hadden de natuur lief en de natuur beantwoordde hun liefde. Waar ze zich ook bevonden, overal troffen ze overvloed aan, zoals Marshall Sahlins laat zien in zijn Stone Age Economics. Pierre Clastres verklaart in Society Against the State dat onder geen van de Bezetenen aantoonbaar sprake was van een strijd om het bestaan; dat is wel het geval bij de Berooiden in de diepten en aan de randen van de toenemende industrialisatie. Na een geweldige samenvatting van verhalen uit verre streken en tijden, een overzicht van de “primitieve cultuur als geheel,” besluit Leslie White dat “er voldoende te eten is voor een rijkdom van leven, iets dat onder de ‘beschaafden’ sporadisch voorkomt.” Ik zou het woord Primitief niet gebruiken om en volk met een rijk leven aan te duiden. Ik zou dat woord gebruiken voor mijzelf en mijn tijdgenoten, wij met ons steeds armzaliger leven.


Naar boven