Home


De Ware Verhalen van

PHILIP K. DICK

de Drie Stigmata van

Moby K. Dick

de Vijf Inbraken van

Dokter Dick

uit


Omslag van het blad Rolling Stone


Inbreken bij het geniaalste sciencefictionbrein ter wereld — Is het de echte wereld, of niet?


Door Paul Williams


Illustratie




Paul Williams, oprichter van ‘Crawdaddy’ en

schrijver van ‘Das Energi’ en ‘Outlaw Blues,’

heeft meer dan zeven jaar gecorrespondeerd

met Philip K. Dick. Onlangs bekende Dick in

een brief aan Williams: "Sinds de politie geen

belangstelling meer voor me heeft, is er niets

meer om voor te leven."

 

I.

 

17 November 1971. Philip K. Dick, een geniale schrijver die zeer bekend is in sciencefiction-kringen, deed de voordeur open van zijn huis in San Rafael in Californië en knipte het licht aan in zijn woonkamer. Zij stereo-installatie was weg. De vloer stond onder water en lag bezaaid met stukken asbest. De brandwerende, 1100 pond zware, uit asbest en staal bestaande kluis, waarin hij zijn kostbare manuscripten bewaarde, was opgeblazen met zware explosieven.

"Goddank," dacht hij bij zichzelf, "Goddank! Dan ben ik toch niet gek."


Er is iets aan de hand met de gewone werkelijkheid, waardoor in aanwezigheid van Philip K. Dick alles wat schemerig wordt. Phil Dick is een sciencefictionschrijver, en dat al 24 jaar, en het gemeenschappelijk thema dat door al zijn verhalen heenloopt is, "Dingen zijn zelden wat ze lijken"— een zin die Phil tijdens mijn driedaagse verblijf bij hem thuis verschillende malen herhaalde. Hij woont in Fullerton, in Orange County (Californië), kennelijk voor een geniale schrijver een vanzelfsprekende plek om neer te strijken, nadat hij door krachten, die zijn pet te boven gingen, verdreven was uit het enigszins kleinsteedse San Rafael. Het nieuwe huis ligt nog geen dan tien mijl van Disneyland af.

In Amerika is Philip K. Dick, buiten de sciencefiction-subcultuur onbekend, maar in Europa en met name in Frankrijk, wordt hij alom beschouwd als een van de grootste nog levende Amerikaanse schrijvers. De meeste van zijn 36 boeken worden doorlopend herdrukt in Duitsland, Frankrijk en Engeland en Jean-Pierre Gorin, een gerenommeerde Franse filmregisseur, probeert op dit moment geld bij elkaar te krijgen voor een Hollywoodproductie van een van Phil Dicks boeken, met de titel Ubik.

Misschien is Phils beschrijving van Amerika gewoon te waarheidsgetrouw om hier op prijs gesteld te worden. Maar Dicks fans denken dat het een kwestie van tijd is. De meeste van hen denken dat Dick op dit moment op het punt staat een vloedgolf van populariteit te krijgen, vergelijkbaar met wat Kurt Vonnegut overkwam aan het eind van de jaren zestig. Als dat zal gebeuren, zal er een wervelwind van twijfels, gruwelen en geschater over Amerika razen, die de bladzijden zullen wegblazen van een aantal bijzondere en geliefde boeken, die ooit in dit land geschreven zijn.

 

"O, Paul, beste vriend, het is zo fijn iets van je te horen. Er zijn zo’n vreselijke dingen met me gebeurd, sinds de laatste keer dat ik je gezien heb. Ongeveer een jaar geleden heeft iemand me een loer gedraaid. Ik kwam thuis en ontdekte dat mijn kluis opgeblazen was met een kneedbom van ’t leger, ruiten aan scherven, sloten gemold, alles van waarde verdwenen, zoals een stereo-installatie, zakelijke brieven en bankafschriften, correspondentie en artikelen, overal troep…ik kon daar daarna niet meer blijven vanwege de schade en alles wat ik kwijt was. Later kreeg ik dreigtelefoontjes en dan zeiden ze dat het volgende keer nog erger zou worden. Er kwamen twee politieagenten van het districtsbureau, een hoop foto’s gemaakt, onderzoek en dat soort dingen — een hele tijd later werd een Black Panther gearresteerd, met mijn geweer dat hij die nacht uit mijn brandkast had gestolen; ik had dat gekocht om mezelf te beschermen, omdat ik wist dat die overval een keer zou komen.

Ik weet nog steeds niet wie en waarom precies; ik heb een hoop theorieën gehoord. In de natte troep op de vloer, voetafdrukken van grote legerschoenen. Ze zijn met een stel geweest. Snel en luidruchtig gewerkt. Een gehoorde theorie: zoiets als de Birchers, de Minuteman (anticommunistische extremisten. Vert.) Het leek op een militaire operatie, wat ze volgens mij doorzoeken en in beslagnemen noemen. De politieagenten zeiden terloops, ‘Wij willen hier in Marin County geen actievoerder hebben. Je kunt beter vertrekken, anders krijg je op een avond een kogel in je rug. Of erger.’ Ik vroeg wat ‘of erger’ betekende en de politieagent zei, ‘Dat wil je niet weten.’ Ik deed wat hij voorstelde. Ik ben uit het district vertrokken, helemaal naar Canada. Ik ben nooit meer terug geweest.

"E waren in die tijd een stelletje mensen die zich vijandig tegenover mij gedroegen, maar ik dacht dat het geheime agenten van de narcoticabrigade waren en zo heb ik ze ook bejegend. Ik heb me duidelijk vergist. Dit is een verhaal dat ik nooit eerder heb verteld; en nu, een jaar later, ben ik nog steeds bang om het te vertellen. Ik zal het ooit vertellen, maar ik ben vreselijk bang. Ze zeiden me dat ik mijn voordracht in Vancouver niet meer levend zou meemaken. ‘Als dat zo is,’ zeiden ze, ‘zal iemand die zich voor jou uitgeeft dat doen.’ Als ik daar alleen al aan terugdenk, begin ik weer te trillen. Ik verwachtte echt dat ik in februari niet meer zou leven en dat vertelde ik ook aan anderen, maar niet waarom.

Ik werd belazerd door levensgevaarlijke mensen die een spel op leven en dood speelden: ik zag een hoop wapens, explosieven, geluiddempers — ze chanteerden me, terreur en psychologische intimidatie. Het kwam verdomd dichtbij. Ze dreigden me te arresteren en probeerden me steeds in de val te laten lopen. Verdomme, ik kan het je niet eens schrijven, zelfs jou niet. Het was zo verrekt erg. Ze probeerden me zelfs bij een moord te betrekken, een samenzwering om iemand te vermoorden, en zeiden dan dat dat de enige manier was om het er levend af te brengen. Maar ik ben ‘m gesmeerd. De angst blijft, vooral nu, omdat ik toevallig meer informatie in handen heb gekregen over die illegale en geheime paramilitaire organisatie, die achter me aanzat in Marin County en ik denk dat ik nu weet waaruit die bestond. Geen Minutemen of Panthers. Paul, het is een neo-nazigroep."

 

(Uit een brief van Philip K. Dick aan Paul Williams, 11 november 1972.)

 

II.

 

Philip K. Dick heeft zijn boeken beschreven als boeken die "de sluier proberen te doorboren van wat alleen maar ogenschijnlijk echt is, om zodoende te ontdekken wat echt echt is." Hij is heel goed in het creëren van werkelijkheden, die vervolgens uit elkaar gaan vallen. In Time Out of Joint, een in 1959 gepubliceerd boek van Phil Dick, loopt de hoofdpersoon, midden op een gewone dag, naar een frisdrankkraam toe, als opeens de hele plek onder zijn ogen verdwijnt. Het enige wat blijft liggen op de plek waar die altijd stond, is een stuk papier met het daarop gedrukte woord "frisdrankkraam."

Aan het eind van het boek, na een reeks (steeds beangstigendere) gelijksoortige voorvallen, ontdekken we dat onze hoofdpersoon helemaal niet in 1959 leeft, maar in een imitatie van 1959, die speciaal voor hem is opgebouwd in het jaar 1995, om hem op die manier te misleiden en zodoende zijn weigering te ondervangen om zijn unieke psychische krachten in te zetten in een wereldoorlog. Dus terwijl onze hoofdpersoon voor het prijzengeld puzzels zit op te lossen in een krant uit 1959, is hij in feite bezig met het bepalen van de posities van vijandige raketten in 1995.

Het is allemaal prachtig, vreselijk vermakelijk, vooral als je ooit al het vermoeden hebt gehad dat de wereld een onwerkelijke constructie is, die alleen maar opgebouwd is om je te verhinderen te weten te komen wie je echt bent. Wat vanzelfsprekend ook zo is. Paranoia is het echte waarnemen. Phil Dick staat aan de kant van de gekken, wat hem in feite een schrijver van onze tijd maakt.

Het meest bekende boek van Dick is waarschijnlijk The Man in the High Castle, dat in 1963 de Hugo-Award kreeg voor het beste sciencefiction-boek van het jaar. Het gaat over een ander universum, waarin Duitsland en Japan de Tweede Wereldoorlog wonnen en onderling Amerika verdeelden. Japan krijgt natuurlijk Californië en de Japanse bureaucraten en zakenlieden die het bewind over het gebied overnemen brengen een boek mee dat de I Ching heet (dat, in 1961, toen High Castle geschreven werd, in Amerika nog onbekend was, behalve bij Jungiaanse geleerden en studenten Chinese literatuur. De mensen van wie ik, in het midden van de jaren zestig, wist dat ze veel op hadden met de I Ching en andere mensen daartoe overhaalden, hadden allemaal voor het eerst iets gehoord over het boek, doordat ze het boek van Phil Dick hadden gelezen.)

The Man in the High Castle is het soort boek — net als Pynchons V. of Borges’ Labyrinten — dat de lezer overrompelt door zijn verfijning: de zorgvuldigheid waarmee het zaken van gevoel en verstand behandelt, die zelden in het gedrukte woord besproken worden. De verbeeldingskracht, het vermogen om een volledig andere werkelijkheid en de mensen die zich daarin bevinden tot leven te roepen, zijn indrukwekkend. High Castle is als het ware een spiegelbeeld van onze eigen werkelijkheid, dat op een subtiele manier de wereld waarin wij leven verheldert door onze aandacht te richten op de punten waarin zij van elkaar verschillen.

In de wereld van High Castle leest iedereen een nieuw boek — in de ban gedaan door zowel de autoriteiten in het Oosten van de V.S. als de Japanse in het Westen — dat De Sprinkhaan Liegt Vreselijk heet, geschreven door Hawthorne Abendsen. Abendsens boek gaat over een wereld waarin Roosevelt in 1933 niet vermoord werd en de Verenigde Staten en Engeland de Tweede Wereldoorlog wonnen…

Phil Dick met zijn zoontje Cris De verwikkelingen in het boek zijn ingewikkeld en fascinerend, maar anders dan bij de meeste sciencefiction, gaat dit boek zowel over mensen als over gebeurtenissen. De personages van Dick zijn uitzonderlijk: Mr. Tagomi, de Japanse bureaucraat die flipt als hij zich realiseert dat het kwaad echt bestaat, "Feitelijk is het zoiets als cement;" Frank Frink, de onzekere geweermaker die juwelier geworden is, een jood die zich in San Francisco verscholen houdt; Juliana Frink, Franks beeldschone, schizoïde ex-vrouw, nu judo-lerares in de Rocky Mountains-Vrijstaat…We worden meegesleept in ieders twijfels, verlangens, in zijn/haar besef van politieke en menselijke werkelijkheden.

Dicks personages zijn uiterst bescheiden (dat wil zeggen, gewoon, geloofwaardig) maar mensen worden groot door hun uithoudingsvermogen in hun confrontatie met een onzekere wereld. Dick bekommert zich om de mensen in zijn boeken — hij bedenkt wel zelf vreselijke dingen die hen overkomen, maar dat gaat in zekere zin zijn macht te boven; hij is als een god die ertoe veroordeeld is toe te kijken hoe zijn universums even snel uiteenvallen als hij ze schept, terwijl zijn arme, geliefde schepsels zich daarin bevinden — en uiteindelijk voelen wij, de lezers, evenzeer mee met de personages als de schrijver. Wij delen in hun onbeduidende overwinninkjes en teleurstellingen; wij lachen om hun absurde gedragingen, omdat we hun angsten herkennen als de onze.

 

Philip K. Dick is 46 jaar. Ik ontmoette hem voor het eerste tijdens het Sciencefiction-wereldcongres in Berkeley (de locatie van het congres wisselt elk jaar; gemiddeld vindt er om de vier jaar een Wereldcongres plaats aan de Westkust). Dat was het jaar waarin de sciencefictionfans — nogal laat —drugs ontdekten en we allemaal rondstruinden in het Claremonthotel en veterinaire tranquilizers slikten, waarvan we dachten dat het THC-capsules waren. Phil reageerde heel klinisch; hij wilde weten hoeveel ieder had ingenomen en wat hun symptomen waren. Zoals de meeste sciencefiction-schrijvers op het congres, liep hij wat chagrijnig rond en zoog het ‘egoboo’ op (een woord uit de "SF"-subcultuur, een afkorting van "ego boost" [opgeblazen ego], waarvan betekenis en bruikbaarheid duidelijk moge zijn). Ik gaf hem een artikel dat ik geschreven had voor een krant in Boston, waarin hij "de Herman Melville van de twintigste eeuw" genoemd werd.

"Toen ik begin 1970 Phil opnieuw tegenkwam in San Rafael, vertelde hij me dat hij een schrijversblok had, omdat zijn arts hem verteld had dat hij moest stoppen met alle amfetamines en psychedelische drugs, omdat anders zijn lever eraan zou gaan. Al zijn boeken (op dat moment meer dan 30) waren geschreven onder invloed van amfetamines, maar echt allemaal? En was hij echt gestopt met schrijven? Ik verzekerde hem dat zijn Muze vast snel weer zou terugkeren, amfetamines of niet. Maar in feite schreef Phil de drie volgende jaren geen woord meer — behalve persoonlijke brieven.

Maar — zoals ik later ontdekte —hij was toch niet gestopt met amfetamines.

De relatie tussen Phil en drugs is altijd bizar geweest. In 1963 schreef hij het klassieke LSD-boek aller tijden, The Three Stigmata of Palmer Eldritch, twee jaar voordat hij voor het eerst psychedelische drugs gebruikte. Mensen die het boek hebben gelezen (waaronder Timothy Leary, een Phil Dick-fan van het eerste uur) kunnen dat nauwelijks geloven, maar ik heb genoeg met vrienden van Phil gepraat om te weten dat het waar is. Phil beschrijft dingen het best, voordat hij ze zelf ervaren heeft. Hij is een angstaanjagend talent als je erover nadenkt.

 

III.

 

Net vóór Halloween in 1974, vloog ik naar Californië om Phil Dick te interviewen. Een korte-afstand-pendelvliegtuig bracht me van L.A. naar Orange County: ik ontwaarde met struikgewas bedekte heuvels en een ontbost landschap, gevolgd door eindeloze rijen identieke rode daken en blauwe zwembaden in de achtertuinen. In het vliegtuig hing een bordje: welkom aan boord van de tijdmachine. Ik had niet meteen door wat het betekende. We landden tegen de avond in Fullerton en namen een taxi naar Cameo-Lane.

Portret van Tessa Phil lag te slapen. Zijn vrouw, Tessa, nam mijn koffer over en stelde me voor aan Christopher, hun zoontje van één jaar. Phil heeft drie kinderen verwekt bij drie verschillende vrouwen; Chris is zijn eerste zoon. Tessa B. Dick — Phil Dicks vijfde vrouw — is klein van gestalte, knap en ziet er verzorgd uit. Ze is 21.

Tessa. 'Tessa en ik begonnen met twee onverenigbare werkelijkheden….Maar nu zijn wij een verbindingswerkelijkheid aan het maken.’

Phil werd wakker met een voorbijgaande humeurigheid, maar vertelde me vervolgens hoe blij hij was me te zien. We begonnen meteen te praten — gezinnen, belevenissen, herinneringen. Ik kreeg al snel de indruk en dat bleef zo, dat Phil gegroeid was sinds ik hem de laatste keer had gezien. Het was niet alleen vergeleken met Tessa: het was de manier waarop hij zich gedroeg — als hij over straat loopt zien mensen hem als een uitsmijter uit de Spaanse buurt. Hij leek groter, potiger. Als een vriendelijke beer — helemaal niet meer het beeld dat ik van hem had uit San Rafael. Was deze verandering een weerspiegeling van zijn ervaringen van de afgelopen jaren? Of schuilt er in Phil iets dat van week tot week verandert?

Tessa kocht wat eten voor me en cassettebandjes en batterijen. Af en toe riep Phil, terwijl zij het eten stond klaar te maken, "Sneller. Sneller!" Tessa’s onvermijdelijke antwoord: "Ik sla je (terwijl ze haar vuist ophief). Phil: "Ze slaat me. Paul. Wat kan ik daartegen doen? Ik ben doodsbang voor haar."

We dronken aan een stuk door koffie en spraken over duizend en een dingen. Phils congreslid is Charles Wiggins, de welbespraakte, charmante ex-Nixon-verdediger in de Gerechtelijke Commissie van het Huis van Afgevaardigden. Phil correspondeerde met Wiggins in de tijd dat de hoorzittingen over Nixon plaatsvonden. Wiggins luisterde naar hem, beantwoordde zijn brieven persoonlijk en gedetailleerd, en schrijft op zeker moment dat hij na lezing van een van Phils brieven, zijn uitspraak over een bepaald onderwerp van de grondwet heroverwogen en herroepen heeft. Phil en ik waren het erover eens dat de herroeping van Wiggins tijdens het radio-interview op de maandag dat ze het onmiskenbare bewijsmateriaal ontdekten, een van de schokkendste momenten was van het hele Watergate-drama.

We spraken over Phils boeken. "Ik heb een klein beeldschermpje in mijn hoofd en daar lopen mensen overheen."

PW: "Echte mensen?"

PKD: "Ze zijn klein. Paul, ongeveer zó groot [geschater]. Dat realiseerde ik me pas toen ik het scenario schreef [voor Ubik — Phils eerste scenario, afgelopen jaar binnen drie weken voltooid], waarbij ik het geheel moest visualiseren en me toen realiseerde dat ik dat niet hoefde omdat ik dat altijd al deed en geen andere manier wist. Ik kwam op een punt waarbij ik letterlijk steeds opkeek, typen, typen en typen dan weer opkijken. Ze liepen rond, weet je, en ik deed dan als volgt, opkijken, typen en dan zeggen, ‘En nu loopt Joe de deur uit, bam!" Bij een personage concludeerde ik dat hij een kind had, omdat ik een driewieler op de uitrit kon zien staan."

We hadden het over drugs en schrijven. In tegenspraak met de inleiding van Harlan Ellison bij een verhaal van Phil, "Faith of Our Fathers," waarin staat dat het was geschreven toen Phil onder invloed van LSD verkeerde, heeft hij nooit iets geschreven onder invloed van psychedelische drugs. ("Ik heb het één keer geprobeerd, maar er kwam alleen maar Latijn en Sanskriet uit") en in feite heeft hij maar een paar psychedelische trips meegemaakt. De verbijsterende, vaak hallucinaties verwekkende visie op de werkelijkheid, die tot uiting komt in Phil Dicks werk, kan waarschijnlijk eerder toegeschreven worden aan Phils eigen breinchemie, dan aan de chemische stoffen die hij heeft ingenomen.

Maar dan is er dat vreemde verhaal van zijn achttien jaar met amfetamines….

PW: "Je hebt gezegd dat je alle boeken, vanaf begin 1957 tot een paar jaar geleden, op amfetamines geschreven hebt. Is dat niet overdreven?"

PKD: "Nee, dat is niet overdreven, dat is zo. A Scanner Darkly [Dicks meest recente boek, nog niet gepubliceerd] was het eerste boek dat ik geschreven heb zonder amfetamines.

"Weet je, ik dacht dat er een rechtstreeks verband was tussen amfetamines en schrijven. Ik schreef de snelheid waarmee ik alles op papier zette, mijn grote productiviteit en mijn gedrevenheid toe aan de amfetamines. Meestal dacht ik echt dat ik niet kon schrijven als ik ze niet innam.

"Maar toen ik Scanner schreef, merkte ik dat ik precies hetzelfde deed wat ik gedaan had toen ik nog amfetamines nam, dat wil zeggen dat ik ongelofelijk lang achter elkaar kon werken, heel weinig eten…"

Tessa: "Hij ging meestal pas om half drie ’s nachts naar bed en om drie uur zei hij dan "Ik moet nog even iets opschrijven en dan stond hij op en werkte nog een uur door. En dan weer om zeven uur ’s ochtends opstaan en de hele dag doorwerken."

Potretten van Phil en TessaPKD: "Ik denk dat als je me toen gezien had, je vast gedacht had dat ik amfetamine gebruikte. En toen ik bijna klaar was, voelde ik me helemaal uitgewrongen en opgefokt en stortte in. Het leken wel onthoudingsverschijnselen. En het is inmiddels jaren geleden dat ik amfetamines heb geslikt.

"Waar we het nu eigenlijk over hebben, maar wat ik me niet realiseerde, is een manier van werken. Het is mijn manier om een boek te schrijven. Ik maak geen aantekeningen, dus als ik maar weinig per dag schrijf, verlies ik de draad uit het oog, en krijg die dan niet meer te pakken. De enige manier waarop het me wel lukt is gewoon doorwerken tot het af is. Het merendeel van mijn boeken is in drie tot acht weken geschreven en ik heb echt geen idee hoe ik dat anders kan doen. Gewoon doorduwen, als een enkele heldhaftige aanval, een tour de force, het is een onafgebroken tour de force.

"Ik stopte dus met het slikken van amfetamines en het maakte geen enkel verschil, noch ten goede noch ten kwade. Ik had nog steeds last van bijwerkingen en andere klachten. Ik was nog steeds overgevoelig en werd nog steeds zomaar boos, precies hetzelfde, ’t is zo grappig….

"En dat bevestigde de diagnose die ze ooit bij me gesteld hadden. Ze ontdekte iets merkwaardigs bij me en dat was dat, als ik amfetamines slikte, die door mijn lever ontgift werden en dus nooit mijn hersenen bereikten! Dat was in het Hoover-kliniek van het Stanfordziekenhuis, dat qua diagnostiek de beste reputatie geniet van de hele Westkust. Ze zeiden dat het echt merkwaardig was om te zien dat iemand iets inneemt, wat bij onderzoek nooit zijn hersenen bereikt.."

PW: "Waarom was je in die kliniek?"

PKD: "Nou, mijn vriendin had mij daar laten opnemen, omdat ze dacht dat ik verslaafd was aan drugs. Heb ik je dat niet verteld? Dat is nog zo’n vermakelijk verhaal, net als mijn suïcideverhalen.

"Het was in 1971. Ik woonde destijds in Palo Alto, met dat volstrekt geflipte wijf dat zelf ooit amfetamines gespoten had, LSD slikte en opgenomen was geweest in een psychiatrische inrichting — ik woonde daar dus, was in dat huis getrokken, met haar getrouwd en wat dies meer zij. En maar ruzie maken. Op zekere dag kwam ze thuis met haar psychiater en vertelden ze me dat ze me in een gekkenhuis lieten opnemen omdat ik aan drugs verslaafd was en af moest kicken.

"Ik zei, ik ga terug naar San Rafael.’ En toen zei zij, ‘Nee, dat gaat niet door, want het is mijn auto; jouw auto staat nog in San Rafael, dat is 40 mijl, 70 mijl of zoiets — je kunt hoe dan ook niet terug, je hebt niet eens geld, wat ben je verdomme dan van plan? Hier blijf je niet, dan gooit ik je gewoon de deur uit.’ En die psychiater zei, ‘Je kunt het maar beter doen, Phil; je moet stoppen met die drugsverslaving.’ Hij nam zijn patiënt in bescherming; zij was zijn patiënt en zij kon niet tegen al die conflicten van het samenwonen. Ze legden me uit dat ik zo opgefokt, onder invloed en overspannen was dat ik duidelijk niet terug kon rijden naar San Rafael….nou, als een psychiater je zoiets vertelt, klinkt het aannemelijk, het zijn net priesters. "

"Ik ging daar dus naartoe, het was echt een aardig ziekenhuis en de volgende ochtend kwam ik daar dat mooie meisje tegen en begon haar te vertellen dat ik een groot schrijver was, wat….., nou ik weet niet zeker of dat erop wijst dat iemand overspannen, geflipt of onder invloed en dat soort dingen is. Ik liet mijn vriendin een van mijn boeken, The Three Stigmata, meebrengen en was de hele dag bezig het meisje het boek uit te leggen en met haar te praten. Omdat ik echt niet wist wat ik anders moest doen — ik was nog nooit afgekickt en nooit eerder in een psychiatrische inrichting geweest — deed ik gewoon…. ze was een vreselijk mooie meid en ik zat daar maar met haar te kletsen. En de volgende ochtend zei de psychiater, ‘Je kunt vertrekken.’

"En toen zei ik, ‘Maar ze denken dat ik hier twee of drie weken of een maand of zo moet blijven.’ Zegt hij weer, ‘Nee, je diagnose is inmiddels bekend, je bent niet verslaafd aan drugs, er is niets met je aan de hand.’

"De uitslag, die was ondertekend door vier dokters, die het lichamelijke en psychologische onderzoek hadden uitgevoerd, was dat de amfetamines lichamelijk geen invloed op me hadden en dat ze in feite het zenuwweefsel niet bereikten, maar dat ze werden uitgescheiden door het ontgiftingsproces van de lever. Ze zeiden dat dat niet gold als ik het zou spuiten — wat ik nooit gedaan heb — omdat het dan de lever zou omzeilen.

"Ze zeiden ook dat ik waarschijnlijk amfetamines zou blijven gebruiken, om wat voor onduidelijke redenen ik ze ook nam, en ik, als het moment zou aanbreken dat ze niet langer een psychisch doel dienden, er gewoon mee zou stoppen. En dat deed ik dus, een paar maanden later al.

"Het deed me echt goed toen ik hun eensluidende diagnose hoorde, dat ik niet verslaafd was. Dat ik amfetamines om een of andere merkwaardige reden nam, waarvan ik nu denk dat ze me daarmee tegen mij zelf wilden beschermen, als je begrijpt wat ik bedoel. Ik leefde in de drugssubcultuur en door het te slikken, ging ik daar….

"Wij weten niet in hoeverre wij beïnvloed worden door onze omgeving. Allemaal namen ze een of andere vorm van drugs, en ik zou niet geweten hebben hoe ik me had moeten gedragen als ik niets had gehad om in te nemen."

Het kwam op dat moment niet in uw interviewer op om Phil Dick te vragen waarom hij tien jaar daarvoor begonnen was met amfetamines, voordat hij te maken kreeg met een "drugssubcultuur"….

 

"Ik had gevoel alsof die avond een orkaan over me heen geraasd was"


Theodor Sturgeon, die zijn eerste ontmoeting

beschrijft met Philip K. Dick.

 

IV.

 

De inbraak in het vorige huis van Philip K. Dick, in San Rafael in Californië, blijft hem fascineren, tot op de dag van vandaag. Hij heeft een aantal theorieën over wat er feitelijk gebeurd is; tijdens de drie dagen dat ik in zijn huis verbleef, bespraken we ten minste acht verschillende scenario’s, verklaringen voor de inbraak, die strookten met de bekende details. Telkens opperde Phil een nieuwe theorie en dat deed hij dan met de hartstocht van iets waarvan hij volkomen overtuigd was — dát was het, hij was er eindelijk achter! De discussie die we voerden waren opwindend, stimulerend; ik had ontzag voor zijn vermogen de details van een gebeurtenis te schiften en opnieuw te schiften en doorlopend op nieuwe ideeën te komen over wat er echt gebeurd was, nieuwe en andere en altijd op een merkwaardige manier overtuigende beeldende beschrijvingen van dezelfde werkelijkheid, dezelfde gebeurtenis. Ik ging me langzamerhand realiseren dat het aan mij was om uit te maken wat echt echt was.

Een biografische opmerking: in 1948, mijn geboortejaar, verliet Phil Dick voortijdig de universiteit (het UC in Berkeley), omdat hij anders verplicht mee moest doen met het ROTC (Reserve Officers’ Training Corps). Hij was zijn tijd altijd al vooruit. Hij kreeg een baantje in een platenwinkel. Een jaar of twee later begon hij met het schrijven van sciencefiction en verkocht in december 1951 zijn eerste korte verhaal. Tegen 1953 was hij op dat gebied een van de meest wijd en zijd gepubliceerde schrijvers van korte verhalen.

Hij is een Boogschutter, in 1928 geboren op de geboortedag van Beethoven. In een in 1963 gemaakt overzicht van sciencefiction-schrijvers noemt hij een van de belangrijkste invloeden op zijn schrijven, ‘mijn eigen zenuwinzinking,’ die hem overkwam op mijn 19e en daarna nogmaals op zijn 24e en 33e. Dit soort kwellingen geeft een gunstige ontwikkeling van je standpunt, maar ten koste van de geneugten des levens; misschien kun je daardoor wel een betere schrijver worden, maar het wordt veel te duur betaald."

Het engste boek dat Philip Dick ooit geschreven heeft is The Three Stigmata of Palmer Eldritch, mogelijk een weerspiegeling van die derde zenuwinzinking. Het boek gaat over drugs, het is ten minste deels geïnspireerd door een artikel dat Phil las (in ’62 of ’63) over de effecten van LSD.

Portret van Phil DickHet boek speelt zich af ergens in het begin van de 21e eeuw. De oceanen zijn aan het verdampen en in New York is de temperatuur in mei 80 graden Celsius. Het verhaal begint met dat Barney Mayerson wakker wordt in een vreemd bed met een vrouw naast zich die hij niet kent en meteen naar zijn kofferpsychiater grijpt. De koffer (die in verbinding staat met een computer, die zich in Barney’s appartementencomplex bevindt) legt de situatie uit: Zij is Rondinella Fugate, Barney’s nieuwe assistente bij Perky-Pat-Leefomgevingen. Zij wil zijn baan hebben.

De taak van Barney is uitzoeken wat de nieuwste mode gaat worden, zodat hij kan bepalen waar ze hun uiterst kleine miniaturen van moeten gaan maken. Perky-Pat-Leefomgevingen verkoopt miniatuuromgevingen, compleet met alle bijdetijdse accessoires. Deze "omgevingen" worden aangeschaft door liefhebbers van de illegale drug Can-D — die hoofdzakelijk wordt gebruikt door kolonisten op Mars, een rampzalige planeet die wij proberen te bevolken omdat de aarde het niet lang meer zal maken.

Leo Bulero, Barney’s baas en directeur van PPL heeft een probleem. De afvallige industrieel Palmer Eldritch, die net teruggekeerd is van een tienjarig verblijf in een ander sterrenstelsel, heeft een of andere merkwaardige buitenaardse drug meegebracht die moet gaan concurreren met Can-D en ervoor moet zorgen dat Perky-Pat-Leefomgevingen failliet gaat.

De manier waarop Can-D werkt is als volgt:

Je zit in je keetje op Mars en kauwt op wat Can-D, waardoor je gaat denken dat je weer terug op Aarde bent, met een vriendin in een gerieflijk huis woont en in een dure sportwagen rijdt. Het meisje is Perky Pat en jij bent Walt, tenzij je een vrouw bent, want dan ben je natuurlijk Pat. En de prachtige kleren, het meubilair en al je andere bezittingen zijn allemaal hele kleine miniatuurtjes, die je aangeschaft hebt (met truffelvelletjes als geld) om neer te zetten in je leefomgeving, die een voorstelling is van de wereld waarin je terecht komt als je Can-D kauwt. Verander de leefomgeving en je verandert de illusoire wereld.

Sommige mensen geloven dat het innemen van de drug iemand daadwerkelijk buiten ruimte en tijd plaatst; dat het dus geen illusie is. Rond dit idee ontstaat een godsdienstcultus.

In elk hoofdstuk staan talloze verwikkelingen en heerlijke lekkernijen uit de toekomstige geschiedenis en cultuur, maar de belangrijkste gebeurtenis in het begin van het boek is dat Leo Barney, in een ziekenhuis op de Maan, Palmer Eldritch tegenkomt en hem een dosis van de nieuwe drug wordt toegediend die Eldritch heeft meegebracht, Chew-Z.

Chew-Z brengt een soort uitstapje teweeg. Leo ontdekt dat hij zich opeens ergens in de buitenlucht bevindt, op een grasrijke plek, in de buurt van een klein meisje dat met een jojo speelt. Hij begint met haar te praten over zijn zakelijke problemen. Een monsterlijke spookrat rent voorbij. Dr. Smile, de kofferpsychiater duikt op in het gras; Leo vraagt hem meteen contact met iemand op te nemen om hem hier weg te halen. Dan wordt Leo aangevallen door een of ander weerzinwekkend wezentje "De gluck greep hem bij zijn enkel en probeerde hem leeg te zuigen; het had zijn huid doorboord met hele dunne buisjes die op trilharen leken"). Hij wordt gered door Palmer Eldritch, die met hem een gesprek begint over de aard van de drug.

Het blijkt dat Eldritch het kleine meisje was en een deel van hem was ook de gluck. Leo Bulero zet het idee meteen uit zijn hoofd, gaat aan het werk en maakt een gluckenval. Daarna vervaardigt hij een ladder die naar een lichtgevende kring aan de hemel leidt, klimt de ladder op en duikt op in New York City, waar hij gaat schuilen voor de gloeiend hete zon en een taxi naar zijn kantoor neemt. Hij zegt zijn secretaresse dat ze Barney Mayerson moet gaan halen. Barney komt binnen en kan niet uitleggen waarom hij niet meteen een poging ondernomen heeft om Leo te redden, toen hij van Dr. Smile die boodschap kreeg …."Je bent in ieder geval weer terug."

Natuurlijk ben ik weer terug," zegt Bulero, "Ik heb voor me zelf een ladder hier naartoe gemaakt. Krijg ik nog een antwoord op mijn vraag waarom je niets gedaan hebt? Ik denk ’t niet. Maar zoals je zelf zegt, je was niet nodig. Ik heb nu een idee over wat dat nieuwe stofje Chew-Z is…. Het ergste ervan is dat het solipsistisch is. Met Can-D kan je nog iets waardevols intermenselijks ervaren, in die zin dat de anderen in je keetje…."Hij wachtte even geërgerd. "Wat is er aan de hand, mevrouw Fugate? Waar zit u naar te staren?" Roni Fugate mompelde, "Neem u het me niet kwalijk, meneer Bulero, maar er zit een beest onder uw bureau."

Leo bukte en gluurde onder zijn bureau.

Er was iets dat zich tussen de onderkant van het bureau en de vloer had gewurmd; zijn ogen keken hem groenachtig en zonder te knipperen aan.

Het stoof opeens weg en haastte zich naar de deur. Het was nog erger dan glucken. Hij kon het even goed observeren.

Leo zei, "Nou, dat was dat. Neem me niet kwalijk, mevrouw Fugate, u kunt ook weer terug naar uw kamer; voor ons is het geen punt van gesprek wat wij zullen ondernemen tegen het op handen zijnde op de markt verschijnen van Chew-Z. Ik praat namelijk met niemand meer; ik zit hier gewoon wat tegen mezelf te kletsen."

Op die manier doorboort een pijl vanaf de boog van de schrijver de kern van onze veronderstelde werkelijkheid. Leo komt uiteindelijk weer terug op Aarde, maar nooit meer helemaal uit zijn Chew-Z-trip. En geleidelijk begint iedereen op Aarde, en vooral op Mars, het uiterlijk te krijgen van Palmer Eldritch — die stalen tanden heeft, kille glazen ogen binnen metalen oogleden (getransplanteerde ogen, nadat een zakenrelatie zoutzuur in zijn gezicht had gegooid) en een kunstarm met verwisselbare handen. Mensen die verslaafd raken aan Chew-Z treffen overal Palmer Eldritch aan — ook al ben je niet menselijk, toch kun je een gastheer zijn voor een of andere buitenaardse indringer — overal waar ze komen. Soms worden ze zelfs Palmer Eldritch. Maar Leo, die op het hoogtepunt van zijn Chew-Z-trip in de toekomst is geweest en het monument heeft gezien dat opgericht was op de plek waar hij Eldritch vermoordde, vecht moedig door. Het boek is een trip in een trip in een trip, "geen droom [volgens de schrijver] en zelfs geen hallucinatie; het is een toestand waarin de personages terechtkomen…en hun pogingen hun weg terug te vinden naar ‘gezondheid.’"

John Lennon heeft ooit gezegd dat hij een film wilde maken van The Three Stigmata. Jonathan Taplin, regisseur van Mean Streets, heeft het verder geschopt dan Lennon en is op dit moment bezig met het verwerven van de rechten. Toen het boek vertaald werd in het Duits, werd de titel veranderd in LSD-Astronauten. The Man in the High Castle is een menselijker, medelevender boek. Maar als je in je nekvel gegrepen en uitgeknepen wilt worden als een natte dweil, is The Three Stigmata het boek dat dit met je zal doen.

Phil beweert dat het hem, nadat hij het af had, vijf jaar heeft gekost om de moed te verzamelen over te lezen wat hij geschreven had.

 

V.

 

"Hoewel ik de Evangeliën voor deze eeuw heb geschreven, zal ik eindigen in de goot."

 

Herman Melville, rond 1851

(tijdens het schrijven van Moby Dick)

 

Sciencefiction schrijven is een verdomd moeilijke manier om aan de kost te komen. Philip Dick ("De meest consequent geniale sciencefiction-schrijver ter wereld"— John Brunner; "Zijn hele werk is het allerbelangrijkste van alle sciencefiction-schrijvers"— Norman Spinrad) verkocht zijn meest recente boek voor $2500 aan een gerenommeerde uitgever. Dat is in iedere geval een verbetering van $750 vergeleken met wat hij kreeg voor Time Out of Joint. Als Phil het zou moeten hebben van zijn huidige werk als bron van inkomen, zou hij vier boeken per jaar moeten schrijven om alleen zijn hoofd boven water te kunnen houden.

Tref hem in een depressieve bui en hij zal je vertellen dat zijn eerste boek, Solar Lottery (1955) zijn grootste succes was en dat het sindsdien alleen maar bergafwaarts gegaan is.

Donald Wollheim, Phils redacteur bij Ace-Books op het moment dat die uitgeverij Solar Lottery publiceerde, legt uit dat er in 1955 minder uitgevers en minder boeken waren, zodat een sciencefiction-pocket een betere verspreiding kreeg en er de eerste keer wel 150.000 exemplaren van verkocht konden worden — wat tegenwoordig ongekend is, met uitzondering van de supersterren Heinlein, Clarke en Asimov. Solar Lottery is dus een voortreffelijk boek, dat bij Ace een aantal malen herdrukt is en waarvan inmiddels meer dan 300.000 exemplaren verkocht zijn en geen enkel van Phils latere boeken, behalve The Man in the High Castle — in 1963 uitgegeven als thriller door Popular Library — heeft dat verkooprecord ook maar benaderd. Het succes van het uitgeven van sciencefiction als geheel, heeft het voor afzonderlijke boeken moeilijker gemaakt.

En Wollheim, de enige uitgever die Phils boeken wilde kopen in het begin van zijn carrière, is de enige uitgever die de afgelopen jaren nieuwe boeken van Dick heeft gekocht — de andere pocketboekuitgevers zijn al tevreden met herdrukken van Dicks boeken, die zij jaren geleden hebben gekocht.

Deze herdrukken houden Dick onder de aandacht van het publiek — tegenwoordig heeft de gemiddelde boekwinkel tussen de vier en tien boeken van Phil Dick op de sciencefiction-plank staan — maar ze leveren hem zelden enig inkomen op. Pocketboek-uitgevers — Acer is de grootste zondaar — zijn gewoon zo geslepen dat ze bijhouden dat hun verkopen precies overeenkomen met het oorspronkelijke voorschot van de schrijver op zijn aandeel in de opbrengst. Het maakt niet uit hoe lang geleden een boek is uitgegeven of hoe goed het is ontvangen, altijd lijkt het maar $1500 op te leveren. En het deel van de opbrengst van boeken die in het begin van de jaren vijftig gekocht zijn, is in ieder geval mager. Dus zelfs als de afrekening eerlijk is, komt er toch niet veel geld binnen.

Phil heeft echter nog een troef in handen, waardoor zijn financiële situatie niet al te tragisch wordt en dat is zijn succes in het buitenland. Tegenwoordig haalt hij meer dan de helft van zijn inkomen uit rechten in Europa, wat uitzonderlijk is als je beseft hoe weinig geld er doorgaans gemoeid is met de verkoop van vertaalrechten voor een "genre"-boek. Wat er speelt is dat Phil een groot aantal boeken op zijn naam heeft staan, dat hij populair is in Frankrijk, Engeland, Duitsland, Japan, Italië, Polen, Nederland, Portugal, Spanje, Denemarken en Zweden — en in sommige landen zijn faam en verkoopbaarheid zo groot zijn, dat uitgevers tegen elkaar opbieden voor de rechten op zijn boeken. En buitenlandse uitgevers betalen opnieuw als de boeken herdrukt worden. Dat is gewoon een erezaak, die niet onvoordelig is, maar dat gaat niet op voor ons eigen land.

Het heeft me altijd gefascineerd als ik denk aan al die belangrijke boeken die tijdens het leven van hun schrijvers onopgemerkte mislukkingen zijn geweest. Moby Dick beleefde in zijn tijd maar één druk, een paar duizend exemplaren, waarvan het merendeel twee jaar na publicatie vernietigd werd bij een brand in de opslag van de uitgever. Ik beschouw Philip Dick als een groot schrijver; maar het lijkt alsof hij helemaal geen eigentijds publiek zou hebben — verdomme, hij zou niet eens gepubliceerd zijn — als sciencefiction niet zou hebben bestaan.

Sciencefiction is een zichzelf in stand houdende zijstraat van de moderne literatuur, waarover veel mensen, waaronder ik zelf, van mening zijn dat het meer belangrijke boeken heeft voortgebracht dan de meeste hoofdstraten. Sciencefiction-boeken kunnen over het algemeen beschreven worden als boeken over toekomstige situaties, ruimtereizen, tijdreizen, boeken die op een of andere manier uit ons zelf zijn voortgekomen, dankzij de wetenschappelijke vooruitgang of wat dies meer zij. Vaak, zoals in veel van Phils boeken, is de situatie geregredieerd; wat we dan zien is onze eigen beschaving in een bepaalde toestand van verval.

SF houdt zichzelf in stand in die zin dat het bijna altijd wordt geschreven door mensen die al sciencefiction lazen in hun tienerjaren, ervan genoten, in de gaten kregen dat het een speciaal genre was, dat veraf stond van de literatuur als geheel en bewust zelf "sciencefiction-schrijvers" werden, hun werk verkochten aan tijdschriften en boekuitgevers die zich in die materie specialiseerden en voor mensen schreven die zichzelf als "sciencefiction-lezers" zagen.

Toen Phil Dick begon met schrijven, stuurde hij zijn verhalen naar zowel sciencefiction- als gewone tijdschriften. Alleen zijn sciencefiction-verhalen werden gepubliceerd. Na enige tijd gaf hij het op korte sciencefiction-verhalen te verkopen op de niet-SF-markt, maar bleef wanhopig proberen aanvaard te worden als een gewone schrijver. In 1954 , rond de tijd dat hij ook Solar Lottery schreef, schreef hij een 650-pagina’s dik boek met de titel Voices from the Street, net als Solar Lottery geïnspireerd door de werken van de Franse realisten — Stendhal en Flaubert. In de daarop volgende zes jaar schreef hij nog tien gewone romans, waarvan tot op heden geen enkele gepubliceerd is. (Confessions of a Crap Artist, een vermakelijke en afschuwelijk nauwkeurige beschrijving van het leven in Californië in de jaren zestig, is onlangs uitgegeven, in een gelimiteerde oplage, door een kleine uitgeverij. Het boek werd geschreven in 1959. Phils zaakwaarnemer — en nadat die had afgehaakt, Phil zelf — stuurde het boek naar vrijwel alle uitgeverijen in die branche, zonder enig resultaat.

De sciencefiction-wereld heeft Phil altijd gunstig onthaald en misschien het beste in hem naar boven gebracht. Aanvaard worden als sciencefiction-schrijver, en alleen als sciencefiction-schrijver, heeft Phil genoodzaakt moeite te doen om zowel omgevingen te creëren als personages; omdat dynamiek het wezen vormt van elk boek van Phil Dick, waarbij hij steeds de relaties tussen de personages en hun omgeving wijzigt, is het misschien een door de omstandigheden afgedwongen vorm, waardoor zijn genialiteit de vrije loop krijgt. Zijn gewone boeken gaan over gewone mensen in een gewone wereld. Gewone mensen in een buitengewone wereld maakt het lezen veel interessanter.

Het is nog steeds een verdomd moeilijk manier om aan de kost te komen.

 

In 1962, nadat The Man in the High Castle als gebonden boek gepubliceerd en met luid gejuich ontvangen was, schreef Phil een boek met de titel Martian Time-Slip, dat minstens even goed, zo niet beter is. Het is een boek over schizofrenie en het hedendaagse leven, autistische kinderen, verslaafde huisvrouwen, machtswellustige loodgieters (op Mars) en de broosheid van systemen van gedeelde overtuigingen, die de mensenmaatschappij bijeenhouden. Het boek is geestig, pijnlijk en gruwelijk in zijn uitwerking op gevoel en brein; de onderwerpen van het boek lopen vooruit op Ronald. D. Laing en veel andere goeroes van de jaren zestig en zeventig; paragraaf na paragraaf is de kwaliteit van het proza voortreffelijk. Er zijn maar weinig hedendaagse boeken die dat kunnen evenaren. Maar voor de schrijver was het boek, in zijn eigen woorden, "een beslissende nederlaag."

Het was een nederlaag door wat er gebeurde nadat hij het voltooid had: "Ik dacht dat ik met High Castle en Martian Time-Slip de kloof had overbrugd tussen de gewone experimentele roman en sciencefiction. Opeens had ik een manier ontdekt om alles te doen wat ik wilde als schrijver. Ik had een hele reeks boeken in gedachten, een idee over een nieuw soort sciencefiction, een vervolg op die twee boeken. Toen werd Time-Slip afgewezen door Putnam en alle andere uitgevers waar we het naartoe stuurden.

"Mijn wereld stortte in. Ik was gebroken. Ik had ergens een misrekening gemaakt en ik wist niet waar. De door mij achteraf gemaakte beoordeling over de markt, liep leeg als een ballon! Ik greep terug naar een eerdere opvatting over mijn schrijven. De boeken die een vervolg hadden kunnen worden op Time-Slip, waren weg."

Uiteindelijk werd Martian Time-Slip in 1964 gepubliceerd door Ballantine, aanvankelijk als pocketboek. Het is al zeven jaar niet meer verkrijgbaar.

Phil had meer succes met de reeks boeken, waaronder drie van zijn beste, Ubik, Three Stigmata en Now wait for Last Year, die door Doubleday in gebonden formaat uitgegeven en later verkocht werden als een herdruk in pocketformaat voor bedragen tot $10.000 (de schrijver kreeg de helft).

Maar de gebonden boeken van Phil hebben de afgelopen jaren minder belangstelling getrokken van pocketboekuitgevers — deels omdat de eerdere boeken matig verkochten en deels omdat er al zoveel materiaal van Dick verkrijgbaar is, dat sciencefiction-lezers het niet allemaal in zich op kunnen nemen. Als Phil Dick in de toekomst een commercieel succes zal worden, zal dat gebeuren doordat hij op een of andere manier het publiek zal bereiken, dat op hem zit te wachten buiten de grenzen van de sciencefiction-markt.

 

VI.

 

EERSTE THEORIE OVER DE INBRAAK

 

In de zomer van 1974 schoot bij Phil de schouder uit de kom en ging hij naar het ziekenhuis in Fullerton, in Californië, om die te laten opereren. In het ziekenhuis kwam hij een vent tegen die zei dat hij lid was van de commando’s (Special Forces) en samengewerkt had met de CIA. Phil vertelde die man over de manier waarop er in 1971 in zijn huis was ingebroken, brandkast opgeblazen, bankafschriften gestolen, enz.

Die man van de Special Forces vroeg hem toen: "Is het wel eens bij je opgekomen dat de regering dat gedaan heeft?"

Later vroeg hij, "Wat voor werk doe je eigenlijk?" Phil antwoordde: "Ik ben schrijver. "OK, maar wat schrijf je dan?" "Fictie, romans en sciencefiction."

"Nou, dan zal ik je vertellen wat ik je eigenlijk wilde zeggen, "zei de man. "Ik wilde zeggen dat je huis is overvallen omdat je iets geschreven hebt dat waar was en je dat niet besefte. Gezien het feit dat ze het op je archief hadden gemunt, papieren verdwenen zijn, het soort explosieven, de toestand waarin je huis achtergelaten werd en het soort zaken waar je mee bezig bent, heb ik het vermoeden dat de regering er achter probeerde te komen wat je wist over iets wat je zelf verzonnen en over geschreven hebt.

"Maar ik zal je nog iets vertellen," vervolgde zijn ziekenhuisgenoot, "als ik gelijk heb, zal je daar nooit achter kunnen komen. Ze hebben duidelijk niets aangetroffen wat kon bevestigen dat je wist dat het waar was waar je over schreef. Je zult dus nooit kunnen uitmaken welke stukken….heb je veel geschreven?"

"O ja, verdomd veel."

"Nou, hoe wil je daar dan achter komen? Ze hebben kennelijk niets gevonden; als dat wel zo was geweest, zou je snel uit de weg geruimd zijn…."

(Er is een beroemd voorval geweest tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarbij iets soortgelijks echt gebeurd is. De FBI bracht een bezoek aan John Campbell, de uitgever van Astounding Science Fiction, om hem door te zagen over een verhaal dat hij net had gepubliceerd — "Deadline," van Cleve Cartmill — waarin de uitwerking van een atoombom veel te gedetailleerd beschreven werd. Campbell en Cartmill slaagden erin de FBI-agenten ervan te overtuigen dat het verhaal uitsluitend gebaseerd was op intelligent speculeren, in plaats van op gestolen informatie en ten slotte werd de zaak afgeblazen.

(Phil suggereerde zelfs dat twee specifieke stukken de aandacht van de regering getrokken zouden kunnen hebben: een boek met de titel The Penultimate Truth, geschreven in 1963, waarin een beschrijving wordt gegeven van "het afschuwelijk zenuwgaswapen van de V.S." en de naam genoemd wordt van een bestaand bedrijf, dat het spul daadwerkelijk vervaardigt — dus geen geheim; maar stel dat de strekking van het verhaal overeenkomsten vertoont met een feitelijk strikt geheim scenario van het leger?….en een kort verhaal dat Faith of Our Fathers heette, dat over een hoge regeringsambtenaar gaat, die per ongeluk zijn dagelijkse dosis hallucinerende middelen niet inneemt en als gevolg daarvan de Leider ziet zoals hij echt is.

Zou een zo onschuldig verzonnen verhaal een commando-overval teweeg kunnen brengen op het huis van een schrijver? Na Watergate — de inbraak in het kantoor van Lewis Fielding vond plaats twee maanden vóór de aanval op Phils huis — en de onthullingen over de CIA, wie weet?)

 

TWEEDE THEORIE OVER DE INBRAAK

 

Bij verschillende gelegenheden beschreef Phil mij, vrij gedetailleerd, de gebeurtenissen, onmiddellijk vóór en na de inbraak in 1971; in grote trekken kwamen zijn beschrijvingen op een indrukwekkend manier met elkaar overeen. (Alleen de conclusies die hij daaruit trok waren onlogisch.)

Zijn vierde vrouw, Nancy, was in 1970 bij hem weggegaan. Phil bood weerstand tegen zijn depressie door zich te omringen met mensen — hoofdzakelijk tieners. Er kwamen kinderen bij hem thuis in Santa Venetia (een bouwproject op de zoutvlakten in het noordelijke deel van San Rafael) om wat rond te hangen, naar The Grateful Dead te luisteren en gitaar te spelen versterkt door Phils enorme Fender-basversterkers. Gewone jongelui vonden Phil te raar naar hun smaak en zin. De mafketels bleven hangen. Er waren junkies, gevechten met messen, allerlei krankzinnigheden. Phil vertelt dat hij in die periode van 18 maanden 11 mensen naar de plaatselijke psychiatrische kliniek reed (ik veronderstel dat hij bedoelde dat hij hen daar naartoe reed in zijn auto). Het is niet zo dat Phil geniet van ellende; hij heeft gewoon een enorm inlevingsvermogen voor iedereen die van de planeet dreigt af te vallen.

Kort voor de inbraak vertelde Stephanie, een meisje dat in het huis verbleef, aan Phil, "Dit huis wordt nog een keer overvallen, ik kan ze daarbuiten al voelen." Daarna zag Phil om drie uur ’s ochtends een jongen wegrennen bij de achterdeur. Hij kocht een geweer (tweedehands, om de wachttijd te omzeilen) en gooide Stephanie het huis uit. Op 17 november ging hij boodschappen doen bij de kruidenier. Zij auto begaf het. Vier uur later kwam hij eindelijk weer thuis — en ontdekte de inbraak.

"Weet je wat voor gevoel ik toen had? ‘Goddank!’ Net als Stephanie had ik namelijk al tegen de politie, mijn vrienden en mijzelf gezegd: ‘Ik weet dat ik vijanden heb, ik weet dat ze dit huis een keer gaan overvallen, ik weet dat ze het op gaan blazen.’ Daarom had ik een geweer aangeschaft, om mijzelf te verdedigen en mijn vrienden zeiden toen, ‘Hij heeft een geweer gekocht om een eind aan zijn leven te maken; hij is knetter.’"

Phil belde de politie, die ongeveer een half uur later arriveerde. De archiefkast was opgeblazen en lag open, er waren wat papieren uitgehaald — correspondentie en checks. Verder onderzoek bracht aan het licht dat het hele huis doorzocht was — kasten, laden met kleren — en alle bankafschriften die in het huis lagen waren meegenomen ("van meer dan twintig jaar — het moet een hoop tijd gekost hebben om die allemaal te vinden"). De dure stereo-installatie was verdwenen, net als Phils geweer, maar andere waardvolle voorwerpen, zoals sieraden met amethisten die in de kluis lagen, waren helemaal over het hoofd gezien. De deur van de koelkast stond open.

PW: "Er zitten duidelijk kanten aan de zaak — de checks, de overgeslagen sieraden — die niet passen bij een gewone diefstal. Stel dat het iemand was die boos op je was, die op een of andere manier ruzie met je had…?

PKD: "Ik vermoedde toen ook al zoiets en mijn vrienden ook. Er speelden zich zoveel ruzies af in mijn omgeving, dat mijn vrienden die het zagen dachten dat een paar anderen vrienden van me dat gedaan hadden. Dat was natuurlijk een mogelijkheid, wrok — en er zat iets van wrok in, gewoon omdat het zo ontwrichtend was…."

 

DERDE THEORIE OVER DE INBRAAK

 

PKD: "Het eerste waardoor ik ging denken dat er wel eens meer aan de hand zou kunnen zijn, was toen ik de volgende ochtend de lijst van alles wat er gestolen was naar het politiebureau bracht, zoals de agenten hadden gevraagd. De mensen op het politiebureau weigerden de lijst aan te nemen en vertelden me dat er de vorige avond geen inbraak had plaatsgevonden! Het dagrapport vermeldde niets. Ik vertelde het meisje aan de balie dat ze zich vergisten en dat ze iemand moesten sturen om opnieuw de boel te onderzoeken. Er gingen een paar dagen voorbij, maar er kwam niemand, zodat ik ze weer opbelde en zij mij weer vertelden dat er geen melding van een inbraak was geweest.

"Toen zei ik dat ze toch echt iemand moesten sturen, dat er geen sprake was van diefstal, maar iets veel ernstigers dan diefstal, dat het meer een soort doorzoeken en in beslagnemen was geweest.

"Daarna kwamen er meteen twee politie-inspecteurs (in plaats van de agenten die eerder waren geweest) en een van hen betichtte mij ervan dat ik het zelf had gedaan. Nadat hij rondgekeken had, keek hij me grijnzend aan en vroeg me waarom ik het had gedaan. En toen werd ik pas echt nijdig. Hij zei, "Waarom strooi je dat asbest overal in het rond? Waarom heb je dat gedaan? Toen werd het rood voor mijn ogen. Ik zei, ‘Ik ben niet eens verzekerd, waarom zou ik dan zoiets doen, jullie zijn echt gek, eerst vertellen jullie dat er geen rapport is over de overval…."

PW: (later in het interview): "Over de theorie dat je het zelf hebt gedaan…"

PKD: "Ik kon het niet gedaan hebben. Maar sommige mensen dachten van wel."

PW: "Wat was hun theorie dan, waarom…?"

PKD: "Om mijn sporen uit te wissen, om te verhullen waar ik echt mee bezig ben. Dat zou dus zo bedreigend zijn dat zij het de moeite waard vonden. Ik moest voor een dekmantel zorgen…"

PW: "Of bewijzen dat je paranoia al die tijd terecht was geweest?"

PKD: "Dat denk ik."

 

VIERDE THEORIE OVER DE INBRAAK

 

PKF: "Kijk, de zaak was officieel opgelost door de inspecteur, die gezegd had dat hij daarmee belast was. Hij gebruikte die uitdrukking, ‘Ik heb de zaak opgelost.’"

PW: "Kwam hij tot de conclusie dat er echt een inbraak was geweest en dat iemand dat gedaan had?"

PKD: "Ja; het kwam vanuit het huis aan de achterkant. Ik zag aan hem dat hij het wist. Alle belangrijke toegangsplekken lagen aan de achterkant. En er ontbraken planken van de omheining. En ik had gemerkt dat het huis aan de achterkant die avond leeg was, wat ongewoon was.

"Er woonde een zwart gezin in dat huis, waarmee ik bevriend was. En die vent die met het geweer gepakt werd — ze hadden een vent opgepakt met mijn geweer, zeiden ze — was een zwarte man. Hij werd gearresteerd door een ander politieafdeling…."

PW: "Vroegen ze je een aanklacht of zoiets in te dienen?"

PKD: "Integendeel. Toen was er opeens een muur van stilzwijgen. Ze vroegen me alleen het serienummer en de lengte van de loop op te geven. Later vroeg ik schriftelijk of de man terecht had gestaan en als dat zo was, wat dan het resultaat was en of er iets van de andere spullen was teruggevonden. Nooit antwoord gekregen. Na een week of zo, keerde het gezin terug in het huis achter me en later zag ik de jongen, die gearresteerd was met het geweer, aan komen rijden, zijn auto parkeren en met hen praten. Hij kende hen, hij kwam uit de buurt. En de zwarte dame van de overkant van de straat, beweerde dat zijn auto dezelfde was als de auto die zij die avond voor mijn huis had zien staan."

PW: "Zaten in die buurt meer zwarten dan blanken?"

PKD: "De buurt werd steeds zwarter en een hoop van de zwarten waren militant, heel militant. Ik kwam erachter dat ze de blanken, die vóór mij eigenaar van het huis waren geweest, weggejaagd hadden. Met het mes op de keel. In zekere zin waren ze eigenlijk de blanken uit de buurt aan het gooien — maar mij hebben ze altijd heel voorkomend behandeld.

"Maar de theorie is dat mijn huis overvallen werd door zwarte terroristen om mij de buurt uit te krijgen — maar dat gaat niet op voor het allergeheimzinnigste. Het was de tijd van het proces tegen Angela Davis. Deze mensen, de militante zwarten, werden gehaat door de politie in San Rafael. Als die mensen ermee te maken hadden, begrijp ik niet waarom de politie geen belangstelling toonde voor het onderzoeken van die inbraak, zelfs antwoord weigerde te geven op mijn herhaaldelijk schriftelijk gestelde vragen of er al dan niet een rechtszitting was geweest.

"Een jongen die ik ken opperde dat de inbraak was gepleegd door de autoriteiten, die bewijs hoopten te vinden dat ik rechtstreekse banden had met zwarte militanten. Zou ik dus op die manier voor de rechter gebracht kunnen worden, omdat ik deel uitmaakte van dat Angela-Davis-communistische-hippie-zwarten-gedoe? Ze waren op zoek naar bezwarende bewijsstukken, brieven van bekende radicalen, bankafschriften, die mij in verband zouden kunnen brengen met militante groeperingen.

"Er liepen altijd een heleboel mensen het huis in en uit en ik was de intellectueel, een schrijver, die zich engageerde met hippies….De autoriteiten konden nooit met zekerheid weten waar ik mee bezig was, totdat ze in mijn huis konden komen en een blik op mijn papieren werpen.

"Tijdens mijn verblijf in Canada de winter daarop, verdwenen alle overgebleven zakelijke stukken uit dat huis, alles wat eerder over het hoofd was gezien."

"En dan nog iets, een verhaal dat me door een ander meisje werd verteld, maar ik weet niet in hoeverre het waar is: Ze zei dat de inspecteurs bij haar gekomen waren, die haar een verklaring wilden aftroggelen, haar vroegen meineed te plegen en dat ze moest zeggen dat ik een misdrijf had gepleegd en als ze dat niet deed, ze haar op zouden pakken voor diefstal.."

 

VIJFDE THEORIE OVER DE INBRAAK

 

Deze theorie vertoont merkwaardige parallellen met Phils aangekondigde boek, A Scanner Darkly. Scanner is een beschrijving van de drugssubcultuur, waarschijnlijk de beste die ooit geschreven is, vol gitzwarte humor en pijnlijk echte mensen. Deze mensen verschroeien hun hersenen, zonder dat zij zich dat realiseren, met een gefingeerde drug. In het eerste hoofdstuk komt een jongen voor die 50 keer per dag onder de douche gaat omdat hij ingebeelde torren van zijn lijf probeert te wassen.

Het boek gaat over een junk die de opdracht krijgt zich schuil te houden. In dit geval, in de nabije toekomst, dragen junks elektronische scanners waarmee zij hun verslagen doorgeven, zodat hun meerderen, die best eens infiltranten in de groep zouden kunnen zijn, hun ware identiteit niet kennen. Iemand kan dus zomaar de opdracht krijgen om verslag te doen van zijn eigen activiteiten. Wat er gebeurt met onze junk is dat hij de drug inneemt (die als bijnaam "dood" heeft), zodat hij in alle andere mensen overgaat en zijn hersenen langzaam wegrotten. Ten slotte weet hij niet meer dat degene over wie hij verslag uitbrengt hij zelf is — en hij raakt er steeds meer verstrikt, wordt steeds achterdochtiger….

Wat de theorie betreft: Phil hoorde in de periode dat onze gebeurtenis plaatsvond, dat er bij het Leger een desoriënterende drug was gestolen en op straat verhandeld werd onder de naam "mello jello." De drug schakelde mensen uit zonder dat ze het beseften; de stof werd opgeslagen in hun celweefsels (zegt Phil); en het leger wilde het spul terug hebben.

En rond die tijd hing er een jongen rond het huis van Phil, een echt onguur type, die Phil vertelde dat hij in het geheim werkte voor een gezondheidsorganisatie, die de bron en verspreiding probeerde uit te zoeken van een spirocheet die uit Vietnam afkomstig was en een snel verlopende tertiaire syfilis veroorzaakte. De symptomen die hij beschreef leken op de progressief toenemende verschijnselen van "mello jello."

Phil had redenen te over, zegt hij, om zich over deze jongen te verbazen — toen hij vreselijk stoned was vroeg hij bijvoorbeeld aan Phil: "Kun je geloven dat ik er ooit zo uitgezien heb?" en liet hem een foto zien. De foto zat op een persoonsbewijs van de luchtmacht. En toen hij en Phil op zekere dag werden aangehouden door de politie, wierpen de agenten een blik op de jongen en zeiden, "Jij zit bij het leger, hè? "Ja," zei hij en de agenten gingen er meteen vandoor.

Theorie: de jongen werkte bij de militaire inlichtingendienst en was op zoek naar "mello jello"-gebruikers. Het huis werd overvallen door een afdeling van het leger, dat informatie probeerde te vinden waardoor ze hun drugs terug konden krijgen.

 

Als ik mijn aantekeningen doorblader, besef ik dat eindeloos door zou kunnen gaan. Het plaatselijke heroïne-afkickcentrum verzekerde Phil dat het onmiskenbaar het werk was van de Terra-Linda-Minutemen ("Ze proberen het er uit te laten zien alsof de linksen het hebben gedaan, ze slaan dan twee vliegen in één klap") .

Er was een advocaat die ervan overtuigd was — let wel, het is nooit Phil zelf die deze theorieën verzint! — dat het huis overvallen was door godsdienstfanaten, die op zoek waren naar occulte documenten die wijlen bisschop James Pike aan Phil gegeven zou hebben (in een van zijn boeken vermeldt Phil zijn vriendschap met bisschop Pike en bedankt hem voor "de schat aan theologisch materiaal" die Pike hem ter beschikking had gesteld).

Maar het belangrijkst is niet "Wat zou er gebeurd kunnen zijn?" Het belangrijkste is, "Wat is er gebeurd?" Ja toch? Ik ben daar niet meer zo zeker van.

Op zaterdagochtend, drie dagen na mijn aankomst in Fullerton (in die tijd zijn Phil en ik één keer het huis uit geweest om op mijn verzoek een bezoek te brengen aan de universiteitsbibliotheek, die de Philip K. Dick-collectie herbergt), pakte ik mijn cassettebandjes en papieren in, bedankte Tessa voor haar kookkunsten, nam afscheid van Phil en Christopher en ging terug naar de "tijdmachine," vlucht 344 met Golden Air naar Los Angeles.

Ik was op weg naar Marin County, naar de stad San Rafael, om de zaak zelf te gaan bekijken.

 

VII.

 

In San Rafael begaf ik me naar het gebouw van de plaatselijke krant, de Independent-Journal. Het kostte me twee uur om te vinden wat ik zocht: één regel uit het overzicht van woninginbraken, waarvan de week daarvoor verslag was gedaan door de ordehandhavers van Marin- en Sonoma-County.

"Santa Venetia, woensdag. Persoonlijke bezittingen, ter waarde van $660, ontvreemd op 18 november, uit de woning van Philip Kindred Dick aan de Hacienda-Way."

Er was iets vreemds aan dat stuk, misschien onbeduidend — het stond in de krant van 29 november, terwijl alle andere inbraken van 18 november vermeld werden in het overzicht dat een week eerder was afgedrukt, op 22 november. Zou dat een bevestiging kunnen zijn van Phils verhaal over de politie die beweerde dat het allemaal nooit had plaatsgevonden? Misschien was dit verslag toegevoegd aan de lijst van de week daarop en geantidateerd, dus pas nadat de politie tot de conclusie was gekomen dat de inbraak uiteindelijk op de lijst vermeld moest worden als waar gebeurd. Of zou het gewoon een administratieve vergissing zijn…?

Ik sprak met twee mensen die vóór en na de inbraak in de buurt van het huis waren geweest. Beiden hadden de kluis en de rest van het huis gezien, na de overval; beiden beschreven het tafereel redelijk gedetailleerd, zonder, wat belangrijke aspecten betreft, op enig moment strijdig te zijn met wat Phil me had verteld. Ze kenden natuurlijk Phil allebei, maar niet elkaar. Loren Cavit was een aantal keren in het huis geweest; ze had Phil uitgenodigd om een lezing te geven in haar highschoolklas, nadat ze een verhaal van hem had gelezen in een schoolboek. Tom Schmidt, ook begin 20, had in 1970 in Phils huis gewoond en was het jaar daarop een regelmatige bezoeker geweest. Toen ik Tom opbelde en hem uitlegde waar ik mee bezig was, begon hij meteen aan de telefoon een aantal van mijn vragen te beantwoorden en hield toen opeens op. "Het klinkt misschien wat raar, maar er speelden zich toen een hoop zonderlinge dingen af rond dat huis, en eh, en dit telefoongesprek zou daar heel goed in kunnen passen…." Ik stelde hem voor Phil te bellen om mij na te trekken. Dat deed hij en de dag daarop hadden we een uitvoerig gesprek tijdens een lunch in het cafetaria van het streekcentrum van Marin County, het toneel van de schietpartij in het gerechtsgebouw, waarbij een mislukte poging werd gedaan om George Jackson te bevrijden en waardoor Angela Davis tijdelijk moest onderduiken.

Tom dacht dat Phil "in een fantasiewereld leefde," en "dat hij de naam had af en toe met zichzelf op de loop te gaan — dat is een deel van zijn overleven." Door wat hij van het huis had gezien, na de inbraak, had hij het idee gekregen dat, wie het ook geweest waren, "zij naar meer op zoek waren geweest dan alleen maar iets om te verkopen." En hij voegde daaraan toe dat er, voorafgaande aan de inbraak op 17 november, nog minstens twee andere inbraken hadden plaatsgevonden in het huis van Phil, mogelijk door bekenden, en in ieder geval uitsluitend gemotiveerd door de waarde van de meegenomen spullen.

Loren Cavi zei dat het leek alsof de kluis opengebroken was, maar dat die er ook verbrand uitzag en er brandplekken op de muren zaten. En, "Het moet ook iemand geweest zijn die wist wanneer Phil niet thuis was, omdat dat maar zelden gebeurde." Ik nam haar mee naar een stel dat Phil ook kende en ze waren het er allemaal over eens dat het waarschijnlijk gedaan was door mensen die in het huis zelf verbleven, of mensen uit de buurt.

De nacht na de inbraak bracht Phil door in het huis van een andere sciencefiction-schrijver, Avram Davidson. Avram vertelde dat Phil tegenover hem verklaard had dat het hem "compleet een raadsel" was wie het gedaan zou kunnen hebben; tegelijkertijd leek hij "innerlijk onaangedaan en verbaasd over de doeltreffendheid van klus."

Ik praatte met mensen over de inbraak, niet zozeer in de hoop dat ik "de zaak op kon lossen" (ik lijk wel een niet overtuigende Californische detective, die niet eens kan autorijden en aantekeningen maakt die hij achteraf niet eens kan ontcijferen) maar in de hoop die verdomde zaak vanuit een ander standpunt te kunnen zien. Wat ik ontdekte was dat de inbraak niet geheimzinniger leek, maar wel heel minder opwindend was, als er op een andere manier naar gekeken werd, dan vanuit de ogen van Phil. En ik realiseerde me dat het voor mij eigenlijk niet uitmaakte wie drie jaar daarvoor ingebroken had in het huis van Philip Dick, of waarom. De vraag die ik mij stelde was in wezen een literaire vraag, een theologische vraag: Hoe reëel is Phil Dicks realiteitsbesef en in hoeverre doorkruist dat het besef van gewone mensen, van mij zelf?

Mijn laatste bezoek bracht ik, nadat ik afscheid had genomen van Tom Schmidt, aan de tweede verdieping van het streekcentrum, onder het cafetaria en boven de rechtszaal: het bureau van de sheriff van Marin County. Ik vroeg aan de balie om het politieverslag over deze merkwaardige inbraak. Ze wilden mij dat niet laten inzien en stuurden me door naar iemand anders. Allemaal vertelden ze me dat ze mij geen toestemming konden of wilden geven om de verslagen na te trekken en als ik dan aanhield verwezen ze me naar hun meerdere. Ten slotte was de dienstdoende districtscommandant, Teague, bereid mij uit de nood te helpen; ongeveer tien minuten lang spitte hij zelf het archief met microfilms door en beantwoordde vervolgens mijn vragen, terwijl hij naar het rapport keek onder het vergrotingsapparaat. Zelf kon ik het verslag niet zien.

In het rapport stond dat er sprake was van een stalen kluis, die opengeboord of opengebroken was — de huiseigenaar beweerde dat die opgeblazen was, maar volgens de agent die het rapport opgesteld had, leek het erop dat hij opengebroken was. Er was een geweer ontvreemd. Vermeld werd dat de stereo-installatie weg was. Het dossier gaf aan dat er al eerder was ingebroken, "geen verslag van gemaakt, maar via via gehoord." Er waren geen gegevens over verdere ontwikkelingen: "Wij hadden geen enkele verdachte." Ik vroeg naar de jongen die vermoedelijk was opgepakt met het geweer —commandant Teague zei dat dat een andere zaak was, die hier niet vanzelfsprekend mee te maken had.

Dat was alles. Ik liep naar beneden en wachtte op mijn bus.

 

VIII.

 

"Het lijkt precies op iets uit een boek van Philip K. Dick"

 

— uit een "Talk of the Town"-column

in de New Yorker, van 5 augustus 1974,

waarin verslag wordt gedaan van een

wedstrijd tijdens de wereldkampioenschappen

van de Rugbybond op Randall’s Island.

 

Wat is de werkelijkheid? Als, wat ik in Marin County aantrof, de evenwichtige en nuchtere versie is — er waren wat spullen ontvreemd, misschien door mensen die hij kende — dan moet ik zeggen dat ik toch de voorkeur geef aan de krankzinnig versie, die veel meer leven in de brouwerij brengt.

Wat is er nu echt aan de hand? De werkelijkheid van Phil Dick kruist de mijne op heel veel plaatsen en dat is wat voor mij zo aantrekkelijk is in zijn boeken. Hij ziet de dingen niet in saaie mogelijkheden. Hij ziet alle sprankelende — en angstaanjagende — mogelijkheden, de ingewikkelde, levende, ademende en veranderende werkelijkheid waar andere schrijvers voor terugschrikken.

Phil schreef een boek met de titel Ubik, wat in Frankrijk onder jonge marxisten en andere Franse smaakmakers een soort cultusachtige populariteit geniet; het boek gaat over mensen die merken dat de werkelijkheid overal om hen heen in verval raakt, uiteenvalt tot haar eerdere vorm, zodat de auto’s van 1985 opeens Willys-Knights uit 1939 en verse pakjes sigaretten oud en muf worden. Boodschappen die bestemd zijn voor die mensen, beginnen overal in hun omgeving op te duiken, op de achterkant van luciferdoosjes, in TV-reclames, op de muren van toiletten — boodschappen van een voormalige baas, die onlangs overleden is. Maar hij beweert dat zij dood zijn. Zij leven in een kosmische projectie van het heden in de toekomst (Joe Chip kan niet uit zijn appartement omdat er een stuiver nodig is om de deur open te maken en die heeft hij niet) die helaas ontaardt in een gruwelijke projectie van het heden in het verleden, de plek waar altijd leven was, maar nu niet meer.

Phil schreef Ubik in 1966, maar tijdens het schrijven van het filmscenario — voor de film die er of nooit zal komen of Phils naam tot een huis-, tuin- en keukenwoord zal maken — heeft Phil zich weer teruggetrokken de werkelijkheid van Ubik, zoals hij zegt, zelfs zover dat hij weer scenes begon te dromen uit Ubik….zelfs zes maanden voordat hij wist dat hij het scenario ging schrijven.

"Wist je dat Ubik echt bestaat," vroeg hij me in een brief, "en dat we ons in een soort grot bevinden, zoals Plato al zei, en dat ze ons daar aan een stuk door naar rare films laten kijken? En dat nu en dan de werkelijkheid daar doorheen breekt, wat veroorzaakt wordt door een vriend van ons die ooit hier was en vervolgens stierf, maar weer teruggekomen is? Herinner me eraan dat ik het je moet uitleggen als je weer hier bent."

Nog een, uit de context gehaald, citaat uit een niet gepubliceerde brievenverzameling met de titel The Dark-Haired Girl:

"Tessa en ik begonnen met tegenstrijdige werkelijkheden en merkten dat die, als wij elkaars werkelijkheid toetsten, ineenstortte. Maar op dit moment zijn wij, in plaats van elkaars werkelijkheid wederzijds te vernietigen, daartussen een verbindingswerkelijkheid aan het creëren. Als twee mensen dezelfde droom dromen, is het niet langer een illusie; de belangrijkste toets die de werkelijkheid onderscheidt van een hallucinatie is de consensus gentium, een werkelijkheid die iemand anders of meerdere anderen ook zien.

"Het is de idios kosmos, de eigen droom, in tegenstelling tot ons aller gedeelde droom, de koinos kosmos.

Wat nieuw is in onze tijd is dat we beginnen te zien dat de koinos kosmos kneedbaar is en trilt — dat het onstoffelijke ervan ons angst aanjaagt — en het meer-dan-louter-damp zijn van de hallucinatie. Net als bij SF, vormt zich halverwege een derde realiteit.

De boeken zijn de leidraad en ik blijf er verschillende noemen, omdat geen enkel van Phil Dicks boeken het antwoord heeft. Het lezen van die boeken is een voortdurende ervaring, een levenslange bezigheid — ik ben erdoor gegrepen in 1967 en heb sindsdien per jaar gemiddeld zes boeken van Dick gelezen. Sommige boeken zijn beter dan andere, maar het is niet eenvoudig ze een cijfer te geven: ik weet dat iedereen zijn eigen voorkeuren heeft. Soms kan een boek van Dick, dat me de eerst keer dat ik het las niets zei, mij de tweede keer volledig verpletteren.

Ik voel me verpletterd in de zin dat mijn realiteitsbesef tot aan het breekpunt toeneemt; dat is een zeer aangename en dankbare ervaring. De boekenschrijver wordt op een andere manier verpletterd:

"Waar het mij om gaat is het schrijven, bezig zijn met het vervaardigen van het boek, omdat ik me, terwijl ik dat aan het doen ben, op dat bijzondere moment, in de wereld bevind waarover ik schrijf. Die is echt voor mij, volkomen en uiterst echt. Vervolgens, als ik klaar ben en moet ophouden, mij voor altijd uit die wereld moet terugtrekken…… dat verplettert me. De mannen en vrouwen praten niet meer. Ze lopen niet meer rond. Ik ben alleen."

Terwijl andere schrijvers hun personages afmaken, worstelt Phil om ze in leven te houden, doorgaans oog in oog met gruwelijke omstandigheden die hij, als hun schrijver, zelf gecreëerd heeft. Dit is echter niet gewoon een spelletje schaak; Phil gelooft in de gruwelen, hij ziet ze. Diezelfde omstandigheden spelen in zijn eigen leven een rol en hij worstelt daarmee met een goed ontwikkeld gevoel voor humor, dat op geen enkele manier de intensiteit logenstraft van wat hij ervaart. Toen hij in Vancouver verbleef, nadat hij vertrokken was uit San Rafael en voordat hij naar Fullerton verhuisde, deed hij een suïcidepoging. Hij slikte 700 mg. kaliumbromide — maar schreef ook op een stuk karton met grote letters het telefoonnummer van de suïcidekliniek, voor het geval dat hij van gedachten zou veranderen. "Gelukkig was het laatste nummer een 1 en dat kon ik nog amper draaien…."

Als twee mensen dezelfde droom dromen, is het niet langer een illusie. Philip K. Dicks boeken en leven zijn daar een ultieme bevestiging van; zij versterken ons gevoel over wat echt echt is. Zij voeden ook onze twijfels over al het andere.

In de komende tien jaar of zo, zal Phils veelvoudige wereldbeeld — zijn vermogen om tegelijkertijd vijf tegenstrijdige werkelijkheden te zien en te hanteren — een eerste vereiste worden om op een gezonde manier te overleven. Meerdere mensen hebben erop gewezen dat de werkelijkheid — voor ons allemaal — steeds meer gaat lijken op een boek van Phil Dick.

In Hollywood en New York zijn vier verschillende regisseurs bezig met het maken van een film naar boeken van Phil Dick (naast de al eerder genoemde twee, heeft Jay Cox de exclusieve rechten verworven voor Time Out of Joint, en Herb Jaffe is bezig met Do Androids Dream of Electric Sheep?) In Europa gaan geruchten — zonder twijfel voorbarig — dat Phil genomineerd zal worden voor de Nobelprijs. En in Fullerton zet Tessa koffie en zit Phil op de post te wachten, onrustig en vol verwachting.

De meest consequent briljante sciencefiction-schrijver ter wereld probeert te bedenken hoe hij de volgende dag door moet komen.