Home


1844

De wereldbrand

EARTH'S HOLOCAUST

door Nathaniel Hawthorne (Salem, Massachusetts, 4 juli 1804 - Plymouth, New Hampshire, 30 juli 1864)


  OP EEN KEER - het doet er weinig of niet toe of dat nu in de verleden of in de komende tijd is - was deze uitgestrekte wereld zo overladen geraakt met een opeenhoping van afgedragen rotzooi, dat de bewoners besloten zich daar door middel van een groot vreugdevuur van te ontdoen. De plek die daarvoor, onder protest van de verzekeringsmaatschappijen en even centraal gelegen als welke andere plek ook op de aardbol, werd uitgezocht was een van de meest uitgestrekte prairies in het Westen, waar de vlammen geen menselijke nederzetting in gevaar konden brengen en waar een uitgebreide menigte toeschouwers de voorstelling geriefelijk zou kunnen bewonderen. Omdat ik wel hou van dit soort schouwspelen en ik mij tevens verbeelde, dat de luister van dit vreugdevuur wellicht iets diepers of een morele waarheid, eertijds in mist of duisternis verborgen, zou kunnen openbaren, schikte het mij derwaarts te reizen om het bij te wonen. Bij mijn aankomst was, hoewel de stapel van de ertoe veroordeelde rotzooi nog betrekkelijke klein was, de brand er al in gestoken. Er was midden op die grenzeloze vlakte, bij het vallen van de avond, als een eenzame verwijderde ster aan het firmament, slechts een flakkerende gloed waarneembaar, waar niemand van zou kunnen verwachten, dat het op zo'n meedogenloze gloed, als het voornemen was, zou uitlopen. Ieder ogenblik echter arriveerden er reizigers te voet, vrouwen met geheven schorten, mannen te paard, kruiwagens, volgestouwde bagagewagens en andere voertuigen, grote en kleine en van ver en nabij, volgeladen met zaken die nergens anders voor geschikt bevonden waren dan om verbrand te worden. 
   "Wat voor spullen zijn er gebruikt om de fik erin te steken?" vroeg ik aan een omstander, want ik wilde me graag van het hele verloop van de zaak, van begin tot eind, op de hoogte houden.
   De persoon tot wie ik mij richtte, was een sombere man, vijftig jaar oud of daaromtrent, die daar kennelijk als toeschouwer naartoe gekomen was; hij maakte onmiddellijk op mij de indruk alsof hij voor zichzelf de werkelijke waarde van het leven in alle facetten gewogen had en daarom weinig persoonlijk belang hechtte aan het oordeel, dat de wereld daarover zou kunnen vellen. Voor hij mijn vraag beantwoordde, keek hij me bij het opvlammende licht van het vuur recht in mijn ogen.
   "O, gewoon wat kurkdroge brandbare spullen," antwoordde hij, "en uitermate geschikt voor het doel - in feite niets anders dan kranten van gisteren, tijdschriften van afgelopen maand en de droge bladeren van afgelopen jaar. Hier komt nu nog wat verouderde troep, dat als een handvol houtkrullen vlam zal vatten."

   Terwijl hij sprak naderden een paar onguur-uitziende mannen de rand van het vreugdevuur en gooiden er, naar het er uitzag, de hele rotzooi van de Hoge Raad van Adel in; de wapentekenen van de familiewapens, de helmtekens en wapenbeelden van roemrijke families; stambomen, die zich als lichtende lijnen uitstrekten, terug in de mist van duistere tijden, samen met sterren, kousenbanden en geborduurde kragen, waarvan elk, hoe armzalig en prullerig het voor het ongeoefende oog ook mocht lijken, eens een ontzaggelijke betekenis had gehad en in werkelijkheid nog steeds had en door de aanbidders van een luisterrijk verleden, tot de meest kostbare van de morele of materiele zaken werden gerekend. Vermengd met deze verwarde stapel, die met armen vol tegelijk in de vlammen geworpen werd, waren ontelbare ridderordes, waaronder die van alle Europesche soevereiniteiten; en Napoleons onderscheiding van het Legioen van Eer, welks linten verstrikt waren in die van de oude orde van St. Louis. Daar waren ook de medailles van ons eigen genootschap van Cincinnati, door middel waarvan men bijna, zoals de geschiedenis ons leert, een orde van erfelijke ridders kon laten afstammen van de koningbedwingers van de Revolutie. En daarnaast waren er de adelbrieven van Duitse graven en baronnen, van Spaanse grandes en Engelse peers, vanaf de wormstekige door Willem de Veroveraar getekende oorkonden tot aan het fonkelnieuwe perkament van de laatste lord, die zijn eretekenen uit de fraaie hand van Victoria had ontvangen. 

   Bij het zien van deze dichte massa's rook die, vermengd met heldere uitbarstingen van vlammen, die uit deze immense hoop wereldse onderscheidingen gulpten en kolkten, hief de menigte proletarische toeschouwers een vreugdekreet aan en klapten met zo'n nadruk in hun handen, dat het tegen het uitspansel weerkaatste.  Dit was, na eeuwen, hún moment van triomf over schepsels van dezelfde stof en dezelfde spirituele zwakheden, die het gewaagd hadden zich de privileges toe te eigenen, die slechts aan des Hemels hoogste bekwaamheid toegedicht kunnen worden. Maar nu snelde er een grijsharige man op de brandende hoop toe, gekleed in een jas, waarvan het leek alsof er aan de bovenkant een ster of een ander onderscheidingsteken met geweld afgerukt was. Hij droeg op zijn gezicht geen tekenen van intellectuele kracht, maar toch was het een optreden - de vanzelfsprekende en bijna natuurlijke waardigheid - van iemand, die een erfgenaam was van het besef van zijn eigen maatschappelijke superioriteit en die dat, tot dat moment, nooit in twijfel getrokken had.    

   "Mensen," schreeuwde hij, terwijl hij met smart en verbijstering naar de puinhoop staarde van wat hem in zijn ogen het dierbaarst was, maar desalniettemin met een zekere statigheid; "mensen, wat hebben jullie gedaan! Dit vuur verteert alles wat jullie vooruitgang op het barbarendom betekende of dat jullie de terugval daartoe zou kunnen hebben verhinderen. Wij, - mensen van bevoorrechte klassen - zijn diegenen geweest, die van eeuw tot eeuw de oude ridderlijke geest in leven hebben gehouden; de goedhartige en edelmoedige gedachte; het hogere, zuiverder en verfijndere en tedere leven! Met de edellieden gooi je ook de dichter, de schilder en de beeldhouwer weg - alle schone kunsten; want wij waren hun beschermheren en schiepen de atmosfeer waarin zij bloeiden. Door het majestueuze klassenonderscheid af te schaffen verliest de maatschappij niet alleen haar gratie, maar ook haar stabiliteit - "

   Ongetwijfeld had hij nog meer willen zeggen, maar er verhief zich een luid misbaar, uitbundig, smalend en verontwaardigd, dat de smeekbede van de gevallen edelman volkomen overspoelde, zózeer dat hij, terwijl hij een wanhoopsblik op zijn eigen halfverbrande stamboom wierp, zich in de menigte terugtrok, blij zich te kunnen verschuilen onder zijn pasontdekte onbeduidendheid.

   "Laat hem zijn sterren danken dat wij hem niet in hetzelfde vuur geworpen hebben!" riep een onbeschoft figuur, terwijl hij de gloeiende as met zijn voeten wegschopte. "En laat voortaan niemand ook maar een stukje schimmelig perkament tonen als zijn volmacht om over zijn gelijken te heersen! Als hij zijn kracht aan het wapen ontleent, het zij zo; dat is één manier van superioriteit. Als hij hersens heeft, wijsheid, de kracht van zijn karakter, laat die hoedanigheden dan voor hem doen wat ze vermogen. Maar vanaf deze dag mag geen sterveling meer hopen op een positie en respect door te rekenen op de muffe beenderen van zijn voorvaderen! Die onzin is afgeschaft." 

   "Als maar niet tegen die tijd," merkte echter de sombere toeschouwer naast mij met gedempte stem op - "daarvoor nog grotere onzin in de plaats komt. Maar dit soort onzin heeft zichzelf aardig overleefd."

   Er was maar weinig tijd om boven de as van deze eerbiedwaardige rotzooi te mijmeren of te moraliseren; want voor het half opgebrand was, arriveerde er weer een menigte van de andere kant van de zee, die de purperen mantels van de vorsten, de kronen, de rijksappels en scepters van keizers en koningen met zich meedroeg. Al deze dingen waren tot nutteloze prullaria gevonnist, op z'n best als speeltjes, slechts geschikt voor de kindsheid van de wereld, of als roeden om die wereld in haar onvolwassenheid te regeren en te kastijden; maar waarvan de universele mensheid, in haar volwassen gestalte niet langer kon dulden ermee beledigd te worden. Deze koninklijke symbolen werden kennelijk nu als zo verachtelijk beschouwd, dat de vergulde kroon en de klatergouden mantels van de toneelkoning van het Drury-Lane Theater, te midden van de rest in het vuur geworpen werden, ongetwijfeld als een bespotting van zijn mede-vorsten op het grote wereldtoneel. Het was een vreemd gezicht om de kroonjuwelen van Engeland te ontdekken, flonkerend en flikkerend, midden in het vuur. Sommige ervan waren overgeleverd vanuit de tijd van de Saksische prinsen; andere waren tegen grote bedragen verworven, of toevalligerwijze geroofd van de dode voorhoofden van inheemse Hindoestaanse despoten; en het geheel vlamde nu met een zo verblindende gloed, alsof er op die plek een ster was neergevallen en in stukken uiteengespat. De praal van de vernietigde monarchie weerkaatste slechts in die onschatbaar kostbare stenen. Maar genoeg hierover. Het zou alleen maar saai zijn om te beschrijven hoe de mantel van de Oostenrijkse Keizer in tondel veranderde en hoe de posten en zuilen van de Franse troon een verkoolde hoop werden, die onmogelijk te onderscheiden was van welk ander hout dan ook. Laat ik er echter nog aan toevoegen, dat ik zag hoe een van de verbannen Polen het vreugdevuur oppookte met de scepter van de Russische Tsaar, die hij vervolgens in de vlammen slingerde.   

   "Hier is de stank van verschroeide gewaden is volkomen ondraaglijk," merkte mijn nieuwe kennis op, toen de bries ons in de rook van een koninklijke garderobe hulde. "Laten we uit de wind gaan en kijken wat ze aan de andere kant van het vreugdevuur aan het doen zijn."

   Zo gezegd liepen we erom heen en waren net op tijd om getuige te zijn van een uitgestrekte stoet van Washingtonianen - zoals de aanhangers van de geheelonthouding zich tegenwoordig noemen - vergezeld door duizenden Ierse volgelingen van pater Mattheus, met de grote apostel aan het hoofd. Zij leverden een grote bijdrage aan het vreugdevuur; namelijk niets minder dan alle okshoofden en fusten drank van de wereld, die zij voor zich uit over de prairie rolden.

   "Welnu, mijn kinderen," riep pater Mattheus uit, toen zij de rand van het vreugdevuur bereikten - "nog één duwtje en het werk zit er op! En laten we nu een stukje achteruit gaan en zien hoe Satan met zijn eigen drank afrekent!"

   Aldus schoof de stoet, nadat ze hun houten vaten binnen het bereik van de vlammen hadden geplaatst, achteruit tot op een veilige afstand en weldra zagen ze alles in een vlammenzee, die tot de wolken reikte, uiteen barsten, waarbij de hemel zelf in brand dreigde te vliegen. En daar was wel reden voor. Want hier was 's werelds hele voorraad spiritualia, die in plaats van zoals voorheen een uitzinnig licht in de ogen van afzonderlijke zuiplappen te ontsteken, in een verbijsterende gloed, die het hele mensdom schrik aanjoeg, opsteeg. Het was de som van dat hevige vuur, dat anders de harten van miljoenen verschroeid had. Intussen werden ontelbare flessen kostbare wijn in de vlammen, die aan de inhoud likten alsof ze ervan hielden, geworpen en ze groeiden, net als andere dronkaards, deste blijmoediger en verwoed, naarmate ze er meer van dronken. Nooit weer zal de onverzadigbare dorst van de vuurduivel zó verwend worden! Hier waren de schatten van vermaarde spiritualiën der levensgenieters, die op de oceaan heen en weer geslingerd waren, gerijpt in de zon en lang gekoesterd in de spelonken der aarde - het gouden, het robijnrode sap van welke uitgelezen wijngaarden dan ook - de hele wijnoogst van Tokay - die zich in een grote stroom  met de verachtelijke vloeistoffen van het alledaagse bierhuis vermengden en bijdroegen aan de verheviging van juist die vuurzee zelve. En terwijl dat alles in een gigantische spiraal opsteeg en zich verenigde met het licht van de sterren, schreeuwde de menigte het uit, alsof de uitgestrekte aarde jubelde over haar verlossing van de vloek van eeuwen. 

   Maar de vreugde was niet algemeen. Velen waren de mening toegedaan dat het menselijk leven somberder dan ooit zou worden, als die kortdurende verlichting ineen zou schrompelen. Terwijl de hervormers aan het werk waren, ving ik gemompelde protesten op van een aantal achtenswaardige heren met rode neuzen en jichtige schoenen; en een haveloze beroemdheid, wiens gezicht eruit zag als een hart waarin het vuur gedoofd is, uitte nu zijn onvrede openlijker en stoutmoediger:     

   "Waar is deze wereld dan nog goed voor," sprak de laatste zuiplap, "nu we nooit meer vrolijk kunnen zijn? Wat moet dan de arme man in zijn leed en verwarring troosten? hoe moet hij zijn hart verwarmen tegen de koude winden van deze droefgeestige aarde? en wat zijn jullie van plan hem te bieden in ruil voor de troost die jullie hem ontnomen hebben? Hoe moeten oude vrienden nu samen bij de haard zitten zonder een opwekkend glas tussen hen in? Krijg de klere met jullie hervorming!  Het is een trieste wereld, een kille wereld, een zelfzuchtige wereld, een gemene wereld, een eerlijke kameraad onwaardig, nu die goeie kameraadschappelijkheid voor immer verdwenen is!" 

   Deze toespraak ontketende een grote vrolijkheid onder de omstanders. Maar hoe belachelijk het gevoel ook was, ik kon het niet helpen dat ik medelijden had met de eenzame toestand van die laatste zuiplap, wiens vrolijke kornuiten zich van hem hadden gedistantieerd en de arme kerel hadden achtergelaten, zonder ook maar een enkele ziel om samen met hem van zijn drank te nippen en inderdaad, zelfs zonder enige drank om van te nippen. Overigens was het in dit geval niet helemaal waar, want ik had gezien hoe hij op een steels moment een fles sterke brandewijn, die naast het vreugdevuur viel, achterover drukte en in zijn zak verborg.

   Toen ze op deze manier met de geestrijke en gefermenteerde dranken hadden afgerekend, dreef de ijver van de hervormers hen er vervolgens toe het vuur met alle theekisten en koffiebalen ter wereld aan te vullen. En daar kwamen de planters uit Virginia, die hun tabaksoogst meebrachten. Terwijl die, samen zo hoog als een berg, op de stapel van nutteloosheid geworpen werd, bewierookten ze de atmosfeer met zo'n sterke geur dat ik dacht we nooit meer zuivere lucht zouden kunnen inademen. Dat offer leek de liefhebbers van het kruid meer te onthutsen dan alles wat zij tot dan toe gezien hadden.
   "Welja, ze hebben mijn pijp gedoofd," sprak een oude heer en gooide hem nijdig in de vlammen. "Waar gaan we met deze wereld heen? Al het rijke en geurige - alle geur van het leven - wordt als nutteloos veroordeeld. Nu ze het hebben aangestoken, zou het volstaan, als deze onzinnige hervormers zichzelf in het vreugdevuur zouden werpen!" 

   "Heb geduld," antwoordde een toegewijde conservatief; "daar zal het uiteindelijk wel op uitdraaien. Eerst zullen ze ons erin smijten en tot slot zichzelf."    

   Nu wende ik mijn aandacht van de algemene en systematische hervormingsmaatregelen naar de individuele bijdragen aan dit gedenkwaardige vreugdevuur. In veel gevallen waren die zeer amusant. Een arme kerel gooide er zijn lege portemonnaie in en een ander een bundel valse of verlopen bankbiljetten. Chique dames gooiden hun hoeden van het laatste seizoen in het vuur, samen met stapels linten, gele kant, en nog veel meer halfsleetse modeartikelen, die allen in het vuur zelfs nog vluchtiger bleken dan ze in de mode waren geweest. Een menigte geliefden van beide seksen - afgewezen meisjes of vrijgezellen, en stellen die genoeg van elkaar hadden - gooiden er pakken geparfumeerde brieven en dweperige sonnetten in. Een broodpoliticus, door verlies van zijn functie van zijn dagelijks brood beroofd, gooide er zijn tanden in, die ook nog eens vals bleken te zijn. De weleerwaarde Sydney Smith - die voor dat doel alleen, de hele Atlantische Oceaan overgestoken was - naderde het vreugdevuur met een bittere grijns en gooide er een aantal afgewezen convenanten in, hoewel ze bekrachtigd waren met het grote zegel van een soevereine staat. Een jongetje van vijf jaar, in de vroegtijdige mannelijkheid van dit tijdperk, gooide er zijn speelgoed in; een gediplomeerd student zijn diploma, een apotheker, geruïneerd door de verbreiding van de homeopathie, zijn hele voorraad drogerij en medicijnen; een geneesheer zijn bibliotheek; een predikant zijn oude preken; en een keurige heer van de oude school zijn leerboek der etiquette, dat hij eerder geschreven had ten bate van de volgende generatie. Een weduwe, die tot een tweede huwelijk besloten had, wierp stiekem de miniatuur van haar overleden echtgenoot in de vlammen. Een jongeman, de bons gegeven door zijn minnares, zou graag zijn eigen wanhopige hart in de vlammen geworpen hebben, maar kon geen manier vinden om het uit zijn borst te rukken. Een Amerikaanse schrijver, wiens werken door het publiek genegeerd waren, gooide zijn eigen pen in het vreugdevuur en wijdde zich aan een minder ontmoedigende bezigheid. Ik was wat geschokt, toen ik toevallig hoorde, dat een aantal jongedames, zeer achtenswaardig van uiterlijk, van plan waren hun jurken en onderrokken in de vlammen te werpen, en vermoedelijk ook de rest van hun kleren, tezamen met de manieren, plichten, functies en verantwoordelijkheden van de andere sekse.

   Ik kan niet zeggen wat zij met dat plan beoogden, maar mijn aandacht werd plotseling naar een arm, wanhopig en halfwaanzinnig meisje getrokken, dat poogde, terwijl ze uitriep dat zij, dood of levend, het meest waardeloze schepsel was, zichzelf in het vuur te werpen, te midden van al die verwoeste en gebroken wereldse rommel. Een goeie kerel rende echter toe om haar te redden.

   "Geduld, mijn arm kind!" zei hij, terwijl hij haar uit de verwoede omarming van de vernietigende engel terugtrok. "heb geduld en onderwerp je aan des Hemels wil. Zolang je een levende ziel bezit, kan alles tot de eerste frisheid hersteld worden. Deze zaken en scheppingen van de menselijke verbeelding, dienen nergens anders voor dan, als zij eenmaal hun tijd gehad hebben, om verbrand te worden. Maar jouw dag is de eeuwigheid!"  

   "Ja," zei het ongelukkige meisje, wier waanzin nu tot een diepe moedeloosheid leek gedaald  "ja, en het licht van de zon is onzichtbaar gemaakt!" 

  Nu ging onder de toeschouwers het gerucht, dat alle oorlogswapens en munitie in het vreugdevuur gegooid zouden worden, met uitzondering van 's werelds voorraad buskruit, die alreeds, als de meest veilige manier om ervan af te komen, in zee was geloosd. Dit bericht leek een grote verscheidenheid aan meningen wakker te roepen. De hoopvolle filantropist achtte het een teken dat het nieuwe millennium reeds aangebroken was; terwijl mensen van een ander slag, in wier ogen de mensheid een geslacht van buldoggen (de Engelsen, noot van de vertaler) was, voorspelden dat alle oude dapperheid, bezieling, adeldom, edelmoedigheid en grootmoedigheid van het ras zouden verdwijnen; deze eigenschappen hadden als voedsel namelijk bloed nodig. Zij stelden zichzelf echter gerust in het geloof dat de voorgenomen afschaffing van de oorlog onuitvoerbaar was, hoe lang het ook zou duren.

   Hoe het ook zij, ontelbare grote kanonnen, wier donder gedurende lange tijd de stem van de veldslag geweest was - de artillerie van de Armada, de belegeringstreinen van Malborough en het vijandige geschut van Napoleon en Wellington - werden middenin het vuur gerold. Door een onafgebroken aanvoer van brandstoffen was het nu tot zo'n hevigheid toegenomen, dat brons noch ijzer het konden weerstaan. Het was prachtig om te zien hoe deze gruwelijke slachtinstrumenten als wassen speelgoed wegsmolten. Vervolgens cirkelden de legers der aarde rond de vuurhaard en wierpen er, terwijl de militaire kapellen triomfmarsen speelden, hun musketten en zwaarden in. De vaandeldragers wierpen nog eenmaal een blik opwaarts naar hun banieren, allemaal aan flarden geschoten en beschreven met de namen van overwinningsslagvelden, gaven hen een laatste zwaai op de wind en streken hen neer in de vlammen, die hen weggraaiden in hun jacht naar de wolken. Toen deze ceremonie voorbij was, bleef de aarde achter zonder enig wapen in haar handen, behalve mogelijk een paar oude koninklijke wapens en roestige zwaarden en andere trofeeën van de revolutie, in enkele van onze staatsarsenalen. En nu werden de trommels geslagen en de trompetten schetterden allen tezamen als een voorspel voor de proclamatie van de universele en eeuwige vrede, en de aankondiging dat eer niet langer door bloed behaald kon worden, maar dat het menselijk ras zich voortaan zou beijveren voor het opperste onderlinge welzijn, en dat alleen goedheid, in de toekomstige annalen van de aarde, aanspraak zou kunnen maken op de lof der dapperheid. Dienovereenkomstig werden de gezegende tijdingen verkondigd en ze veroorzaakten een eindeloze vreugde onder diegenen die ontzet waren geweest door de gruwel en absurditeit van de oorlog. 

   Maar ik zag een grijnslach over het verschroeide gezicht van een statige oude commandant glijden - door zijn door oorlog afgetobde gestalte en rijke militaire dracht had hij een van Napoleons beroemde maarschalken kunnen zijn - die samen met de rest van 's werelds soldatendom net zijn zwaard, dat gedurende een halve eeuw in zijn rechterhand thuis was geweest, had weggesmeten.

   "Welja, welja!" bromde hij. "Laat ze maar verkondigen wat ze willen; maar uiteindelijk zullen we merken dat heel deze dwaasheid alleen maar meer werk gegeven heeft voor de wapensmeden en kanonnengieters."

   "Waarom, heer," riep ik in verbazing uit, "verbeeldt u zich dat het menselijk ras ooit weer zover op zijn schreden naar het verleden zal terugkeren, dat het opnieuw een zwaard zal smeden of opnieuw een kanon zal gieten?" 

   "Dat zal niet nodig zijn," merkte iemand die noch een blijk van welwillendheid voelde, noch daar vertrouwen in had, schamper op. "Toen Kaïn zijn broer wilde vermoorden, was hij ook niet verlegen om een wapen."    

   "We zullen zien," antwoordde de oud-commandant. "Als ik het mis heb, zoveel te beter, maar naar mijn mening - zonder dat ik wil pretenderen dat ik over de zaak filosofeer - ligt de noodzaak van oorlog veel dieper dan deze oprechte heren veronderstellen. Wat! Is er soms een slagveld voor al die luttele redetwisten van individuen, en zal er niet een groot gerechtshof nodig zijn voor het beslechten van nationale problemen? Het slagveld is het enige hof waar zulke processen uitgeprobeerd kunnen worden!" 

   "U vergeet, generaal," hernam ik, "dat in dit gevorderde stadium van beschaving, de Rede en de Filantropie tezamen juist zo'n benodigd tribunaal zullen instellen."

   "O, dat ben ik inderdaad vergeten!" zei de oude krijger, terwijl hij weghinkte.

   Het vuur moest nu aangevuld worden met materialen die tot nu toe als van nog groter belang voor het welzijn van de maatschappij werden beschouwd, dan de oorlogsvoorraden, die wij alreeds vernietigd hadden zien worden. Een groep hervormers was de hele wereld over gereisd op zoek naar apparaten, waarmee de verschillende naties doorgaans de doodstraf ten uitvoer brachten. Een huivering voer door de menigte toen deze afgrijselijke symbolen naderbij gesleept werden. Zelfs de vlammen leken aanvankelijk weg te schrompelen, terwijl ze de vorm en moorddadige vernuft van elk in een volle lichtgloed ten toon spreidden, wat op zich voldoende was om de mensheid te overtuigen van de langdurige en dodelijke dwaling van de menselijke wet. Deze oude werktuigen van wreedheid - deze afgrijselijke monsters van techniek - deze uitvindingen, waarvan het leek dat zij iets ergers dan het menselijk hart nodig hadden gehad om bedacht te worden, en die zich in de duistere hoeken van oude gevangenissen hadden schuilgehouden, het onderwerp van een met doodsangst geslagen overlevering - werden nu aan het daglicht gebracht. Beulsbijlen, met de roest van edel en koninklijk bloed er nog op, en een uitgebreide verzameling stroppen, die de adem van proletarische slachtoffers hadden verstikt, werden er tezamen ingeworpen. Een schreeuw begroette de aankomst van de guillotine, die naar voren werd gerold op dezelfde wielen die hem van de ene naar de andere met bloed bevlekte straat van Parijs hadden gedragen. Maar het luidste lawaai van applaus, dat de verre hemel de triomf van 's werelds verlossing mededeelde, steeg op toen de galgen verschenen. Een onguur uitziende man echter, rende naar voren en brulde schor, terwijl hij zich in de baan van de hervormers opstelde en met een woeste razernij vocht om hun voortgang te verhinderen. 

  Het was misschien niet erg verrassend dat juist de beul zo zijn best zou doen om de machinerie te rechtvaardigen en te verdedigen, waarmee hij zelf zijn kost verdiend had en meer waardevolle personen hun dood. Maar het verdient een speciale vermelding, dat mensen uit hele andere kringen - zelfs uit die klasse aan wier hoede de wereld geneigd is haar welzijn toe te vertrouwen - de mening van de beul over de kwestie deelden. 

   "Wacht, mijn broeders!" schreeuwde een van hen. "Jullie zijn misleid door een valse filantropie! jullie weten niet wat jullie doen. De galg is een door de Hemel ingesteld instrument! Zet het dus eerbiedig terug en plaats het weer op zijn oude plek; anders zal de wereld spoedig tot een puinhoop en woestenij vervallen!"

   "Voorwaarts, voorwaarts!" schreeuwde een leider van de hervorming. "Het vuur in met het vervloekte instrument van 's mensens bloedige politiek. Hoe kan het mensenrecht weldadigheid en liefde inprenten, terwijl het volhardt in het oprichten van galgen als zijn belangrijkste symbool! Nog één duw en de wereld zal van haar grootste vergissing verlost zijn!"

   Duizend handen, die niettemin walgden van de aanraking, verleenden hun hulp en smeten de onheilspellende vracht ver, heel ver in het midden van de kolkende vuurzee. Daar zag men haar noodlottige en verafschuwde beeld, eerst zwart, toen gloeiende kool en vervolgens as worden.

   "Goed gedaan!" riep ik uit. 

   "Ja, dat was goed gedaan," antwoordde - maar met minder enthousiasme dan ik verwachtte - de bedachtzame toeschouwer, die nog steeds naast me stond; "goed gedaan, als de wereld voor deze maatregel maar goed genoeg zou zijn. De dood is echter een idee waar je niet gemakkelijk buiten kunt, in elk stadium tussen de oorspronkelijke onschuld en die andere zuiverheid en volmaaktheid, waartoe wij wellicht, na de hele cirkel doorlopen te hebben, zijn voorbestemd die te bereiken. Maar het is in elk geval goed dat het experiment nu uitgeprobeerd wordt. 

   "Te koud, te koud!" riep de jonge vurige leider in zijn triomf ongeduldig uit. "Laat het hart hier net zo goed als het intellect aan het woord. En laat wat betreft de rijpheid - en wat betreft de vooruitgang - de mensheid altijd het hoogste, beste en edelste doen, waar zij zich in elke willekeurige periode van bewust is geworden. Dat kan dan nooit verkeerd of op een verkeerd tijdstip zijn."

   Ik weet niet of het de opwinding van het tafereel was of dat de eerbare mensen rond het vreugdevuur echt elk moment meer verlicht werden; maar zij namen vervolgens maatregelen waar ik nauwelijks op voorbereid was om daar tot het eind in mee te gaan. Sommigen gooiden bijvoorbeeld hun trouwboekjes in de vlammen en verklaarden zichzelf tot kandidaat voor een hoger, heiliger en veelomvattender vereniging, dan diegene die vanaf de aanvang van de tijd, in de vorm van de echtelijke band had bestaan.  Anderen haastten zich naar de kluizen van de banken en de geldkisten van de rijken - die allemaal, voor deze voorbestemde gelegenheid, voor de eerste de beste openstonden - en voerden hele balen papiergeld aan om het vuur weer leven in te blazen, en tonnen munten om te laten versmelten in de hevigheid van de gloed. Voortaan, zeiden ze, zou de universele goedheid, ongemunt en onuitputtelijk, de gulden valuta van de wereld zijn. Bij deze tijding trokken de bankiers en beursspeculanten bleek weg; en de zakkenroller, die een grote oogst onder de menigte had buitgemaakt, viel in een dodelijke flauwte neer. Een paar zakenmensen verbrandden hun aantekenboeken en grootboeken, de rekeningen en obligaties van hun crediteuren en alle andere bewijsstukken van schulden aan henzelf; terwijl misschien een zelfs nog groter aantal hun hervormingsijver bevredigden met het opofferen van elke onbehagelijke herinnering aan hun eigen schulden. Toen steeg er een kreet op, dat het moment was aangebroken waarop de akten van eigendom van grondbezit aan de vlammen prijsgegeven zouden worden, waarmee hele aardbodem weer aan de gemeenschap, van welke het abusievelijk onttrokken was en uiterst onevenredig over individuen was verdeeld, zou vervallen. Een andere groep eiste dat alle geschreven grondwetten, officiële regeringsformaliteiten, wetgevende akten, de gezamenlijke landswetten, en al het andere waarop de menselijke vindingrijkheid het gewaagd had de stempel van zijn willekeurige wetten te drukken, tegelijkertijd vernietigd zouden worden, en daarmee de voleindigde wereld net zo vrij zouden achterlaten als de eerstgeschapen mens.

   Of er aangaande deze voorstellen uiteindelijk enige actie werd ondernomen, is mij niet bekend; want net op dat moment waren er andere zaken gaande die mijn sympathie meer deelden. 

   "Kijk, kijk! wat een stapels boeken en brochures!" schreeuwde iemand, die kennelijk geen liefhebber van litteratuur was. "Nou zullen we een fantastische fik krijgen!"

   "Dat is het hem net," sprak een moderne filosoof. "Nu zullen we verlost worden van het gewicht van het denken van de doden, dat tot nu toe zo zwaar op het levende intellect heeft gedrukt, dat het niet tot enige zelfwerkzaamheid in staat is geweest. Goed gedaan, m'n jongens! In het vuur ermee! Nu verlichten jullie inderdaad de wereld!" 

   "Maar wat moet er van de Handel terechtkomen?" riep een razende boekverkoper uit.

   "O, laten zij vooral hun handel vergezellen," merkte een schrijver koeltjes op. "het zal een indrukwekkende brandstapel worden!" 

   De waarheid was, dat het menselijk soort nu een stadium in de vooruitgang had bereikt, zover voorbij het punt waarover de meest wijze en gevatte mensen uit voorbije tijden ook maar hadden kunnen dromen, dat het een duidelijke absurditeit zou zijn geweest om de aarde nog langer te belasten met hun armzalige prestaties op litterair gebied. Bijgevolg had een gedegen en vorsend onderzoek de boekwinkels, de boekkiosken, openbare en privé-bibliotheken en zelfs de boekenplank bij de haard, afgezocht en men had 's werelds volledige hoeveelheid gedrukt papier meegebracht, gebonden of in losse vellen, om de alreeds torenhoge massa van ons roemrijke vreugdevuur te doen zwellen. Dikke, zware folianten, het werk bevattend van lexicografen, commentatoren en encyclopedisten, werden erin gesmeten en terwijl ze met een loodzware bons tussen de gloeiende sintels vielen, smeulden ze, als rot hout, weg. De kleine rijk vergulde Franse boekdelen van de afgelopen eeuw, met de honderden banden van Voltaire, verdwenen in een schitterende vonkenregen en kleine vlammenschichten; terwijl de hedendaagse litteratuur van datzelfde land rood en blauw brandde, een hels licht op de gezichten van de toeschouwers wierp en hen allen veranderde in bontgekleurde duivels. Een verzameling Duitse verhalen zond een geur van zwavel uit. De Engelse standaardschrijvers vormden een uitstekende brandstof, en vertoonden over het algemeen de eigenschappen van degelijke eiken houtblokken. Met name de werken van Milton zonden een krachtige gloed omhoog en kleurden geleidelijk rood, wat beloofde dat ze het langer dan welk ander materiaal van de stapel dan ook, zouden uithouden. Uit Shakespeare gutste een vlam van zulk een pracht dat mensen hun ogen ervoor afdekten als voor de kracht van de middagzon; zelfs toen de werken van zijn eigen commentatoren op hem geworpen werden hield hij niet op een verblindende straling van onder uit de zware hoop te flitsen. Ik geloof dat hij nog steeds even hevig gloeit als ooit. 

   "Kon een dichter maar zijn licht opsteken aan die schitterende vlam," merkte ik op, "dan zou hij zijn middernachtelijke lampolie tenminste voor een goed doel gebruiken."

   "Dat is nou juist wat de moderne dichters tezeer geneigd zijn te doen, of in ieder geval pogen te doen," antwoordde een criticus. "Het belangrijkste profijt dat je van deze vlammenzee van de voorbije litteratuur kunt verwachten is ongetwijfeld, dat schrijvers voortaan gedwongen zijn hun licht op te steken bij de zon of de sterren. 

   "Als ze zo hoog kunnen reiken," zei ik. "Maar die taak vraagt om een reus, die naderhand het licht onder zijn minderen kan uitdelen. Niet iedereen kan zoals Prometheus, het vuur uit de hemel stelen; maar als hij die daad eenmaal verricht heeft, zouden er duizend harten door kunnen ontvlammen."

   Het verbaasde me zeer te merken hoe vaag de verhouding tussen de stoffelijke massa van een willekeurige schrijver en de eigenschap van een schitterende en langdurige verbranding was. Er was bijvoorbeeld nog geen kwartoboek van de afgelopen eeuw - trouwens ook niet van de huidige - dat het kon opnemen, in het bijzonder, met een klein goud-op-snede kinderboek, dat de "Sprookjes van Moeder de Gans" bevatte. Het "Leven en Dood van Klein Duimpje" ging langer mee dan de biografie van Malborough. Een heldendicht - trouwens een dozijn ervan - veranderde in witte as, voordat ook maar een vel van een oude ballade half verteerd was. In meer dan een geval, terwijl toegejuichte gedichtenbundels tot niet meer in staat bleken dan een verstikkende rook, steeg een veronachtzaamd liedje van een of ander naamloze zanger - misschien uit een hoekje van de krant - op naar de sterren, met een even schitterende flakkering als die van henzelf. Nu ik het over de eigenschappen van de vlammen heb, zond volgens mij Shelley's poëzie een helderder licht uit dan bijna alle andere voortbrengsels uit zijn tijd, prachtig contrasterend met de grillige en felle schijnsels en golven van zwarte damp, die uit de boekdelen van Lord Byron flitsten en kolkten. Wat Tom Moore betreft, sommige van zijn liederen verspreidden een geur als van een brandende medicijnpil. 

   Ik stelde een bijzonder belang in het aanschouwen van de verbranding van Amerikaanse schrijvers en ik hield met mijn horloge nauwgezet de precieze tijdsduur bij waarin de meeste van hen van armoedig gedrukte boeken veranderden in niet te onderscheiden as. Het zou echter boosaardig, zo niet gewaagd, zijn om deze afschuwelijke geheimen te verraden, zodat ik mij tevreden zal stellen met op te merken dat het niet steevast de schrijver was, die het vaakst door het publiek in de mond genomen werd, die het er in het vreugdevuur het beste afbracht. Ik herinner me in het bijzonder dat een grote hoeveelheid van uitstekende ontvlambaarheid ten toon gespreid werd door een dunne dichtbundel van Ellery Channing; hoewel er, om de waarheid te spreken, bepaalde delen waren die op een zeer onaangename manier sisten en sputterden. Er deed zich een ook merkwaardig verschijnsel met betrekking tot verschillende, zowel eigen als buitenlandse schrijvers, voor. Hun boeken, ofschoon van zeer respectabel aanzien, smolten, in plaats van vlam te vatten of zelfs maar hun inhoud als rook uit te smeulen, plotseling weg, op een wijze die te kennen gaf dat ze van ijs waren.  

   Als het geen gebrek aan bescheidenheid moge zijn om mijn eigen werken te vermelden, moet ik hier bekennen dat ik met vaderlijke belangstelling naar ze uitgekeken heb, maar tevergeefs. Waarschijnlijk waren zij ook bij de eerste werking van de hitte in damp overgegaan; ik kan, op z'n best, alleen hopen, dat zij, op hun rustige wijze, een of twee flonkerende vonken hebben bijgedragen aan de luister van die avond.

   "Helaas, wie ben ik!" zo beklaagde een gezette heer met een bril met groene glazen, zichzelf. De wereld is totaal verruïneerd en er is niets meer om voor te leven! Mijn levenswerk is mij afhandig gemaakt. Geen enkel boek meer over om te liefkozen of voor de handel!"

   "Dat," merkte de bedaarde toeschouwer naast mij op, "is een boekenworm - een van die mensen die geboren zijn om dode gedachten te herkauwen. Zoals je ziet zijn zijn kleren bedekt met het stof van bibliotheken. Hij heeft geen inwendige ideeënbron; en ik zie niet, in alle ernst, nu die ouwe voorraad afgeschaft is, wat er van die arme ziel terecht moet komen. Hebt u een woord van troost voor hem?" 

   "Mijn waarde heer," sprak ik tot de wanhopige boekenworm, "is de Natuur niet beter dan een boek? is het menselijk hart niet dieper dan welk filosofisch systeem dan ook? is het leven niet overladen met meer  lessen dan waarnemers uit het verleden in spreuken op hebben kunnen schrijven? Verheug u! Het grote boek van de Tijd ligt nog steeds helemaal voor ons open; en als we het juist lezen, zal het voor ons een boek van eeuwige Waarheid zijn." 

   "O, mijn boeken, mijn boeken, mijn kostbare, gedrukte boeken!" herhaalde de troosteloze boekenworm weer. "Mijn enige werkelijkheid was een gebonden boek en nu zullen ze zelfs geen schimmig pamflet voor me overlaten!"

   In werkelijkheid daalden nu de laatste restanten van de litteratuur van alle eeuwen, in de vorm van een wolk pamfletten van de persen van de Nieuwe Wereld, op de vlammende stapel neer. Deze werden insgelijks in een ogenblik verteerd en lieten de aarde, voor de eerste keer sinds de dagen van Cadmus, vrij van de letterpest achter - een benijdenswaardig werkterrein voor de schrijvers van de komende generatie!  

   "Welnu! en is er verder nog iets te doen?" vroeg ik wat ongerust. "Tenzij we de aarde zelf in de fik steken en er vervolgens zelf dapper af de oneindige ruimte in springen, zie ik niet wat we verder nog kunnen hervormen." 

   "Je vergist je vreselijk, mijn goede vriend," sprak de toeschouwer. "Geloof me, men zal het vuur niet toestaan te doven zonder dat er een brandstof aan toegevoegd is, die vele mensen, die ons tot nu toe een welwillende hand hebben geleend, zal verbijsteren."

   Er leek nochtans voor een korte tijd een rustpauze te zijn ingetreden, waarin de leiders van de beweging waarschijnlijk beraadslaagden over wat er verder moest gebeuren. Intussen gooide een filosoof zijn theorie in de vlammen; een offer dat, door degenen, die het naar waarde wisten te schatten, als het meest opmerkelijke dat er tot nu toe was gebeurd beschouwd werd. De verbranding was echter allesbehalve schitterend. Een paar onvermoeibare mensen, die een moment rust versmaadden, hielden zich nu bezig met het verzamelen van alle verdorde en afgevallen bladeren van het woud en stookten het vreugdevuur daarmee tot een grotere hoogte dan ooit tevoren op. Maar dat was slechts een intermezzo.

   "Daar komt de nieuwe brandstof, waar ik het over had," sprak mijn metgezel. 

   Tot mijn ontsteltenis droegen de mensen, die nu de lege plek rond het torenhoge vuur naderden, koorhemden en andere priesterkleden, mijters, kromstaven en een ratjetoe van Paapse en Protestantse symbolen, waarmee het leek dat zij de Acte van Geloof wilden vervullen. Kruisen van de torenspitsen van oude kathedralen werden met even weinig wroeging op de hoop gesmeten, alsof de eerbied van eeuwen, die in lange stoeten onder de hoogverheven torens voorbijgegaan waren, niet tegen hen als de heiligste der symbolen op had gezien. Het doopvont, waarin de zuigelingen aan God gewijd waren; de wijvaten, waaruit de Vroomheid de heilige dronk ontving, werden aan dezelfde vernietiging prijsgegeven. Het raakte mijn hart misschien het meest toen ik te midden van deze gewijde relikwieën brokstukken van de nederige communiebanken en onversierde kansels zag, waarvan ik me realiseerde, dat ze uit de bedehuizen van New England gerukt waren. Deze eenvoudige bouwsels hadden alle geheiligde versierselen, die hun Puriteinse stichters hadden geschonken, in stand kunnen houden, zelfs nu het machtige bouwsel van de Sint Pieter zijn rotzooi naar het vuur van deze verschrikkelijke offerande had gestuurd. Toch voelde ik, dat dit slechts de uiterlijkheden van de religie waren en heel gerust door zielen die heel goed de diepere betekenis ervan beseften, opgegeven zouden kunnen worden.

   "Het is allemaal best," zei ik opgewekt. "De bospaden zullen de gangpaden van onze kathedraal zijn - het firmament zelve zal het plafond vormen! Waarom zou er een dak nodig zijn tussen de Godheid en zijn aanbidders? Ons geloof kan zich best veroorloven alle draperieën, die zelfs de heiligste mensen erover heen gegooid hebben, te verliezen en in zijn eenvoud zal het alleen maar verhevener zijn. " 

   "Juist," sprak mijn metgezel. "Maar zullen ze hier ophouden?" 

   De twijfel die in zijn vraag schuilde was heel terecht. In de reeds eerder beschreven algehele boekvernietiging, was één heilig exemplaar - dat buiten de catalogus van de menselijke litteratuur en er in zekere zin toch aan het hoofd van stond - gespaard gebleven. Maar de Titaan der vernieuwing - engel of duivel, dubbel in zijn natuur en tot daden in staat, die pasten bij beide karakters - had eerst slechts de oude en voze vormen van de dingen afgeschud en had nu, naar het scheen, zijn gruwelijke hand op de hoofdpijlers, die het hele bouwsel van onze morele en spirituele toestand droegen, gelegd. De bewoners der aarde waren tezeer verlicht geraakt om hun geloof binnen een vorm van woorden af te bakenen, of om het spirituele, door welke analogie met ons stoffelijk bestaan dan ook, in te perken. Waarheden, waarbij de hemelen huiverden, waren nu nog slechts een fabel van 's werelds kindsheid. Wat bleef er dan anders over als de ultieme offerande van de menselijke dwaling, om op de gloeiende kolen van die afschuwelijke stapel gegooid te worden, dan het Boek, dat, hoewel het voor de vergangene eeuwen een hemelse openbaring was geweest, slechts een stem uit lagere regionen was, gezien het huidige menselijke soort? Het werd gedaan! Boven op de vlammende berg van leugens en versleten waarheid - zaken die de aarde nooit nodig gehad had of niet meer nodig had, of die ze kinderlijk zat was geworden - viel de zware Kerkbijbel, dat grote oude boek, dat zolang op het kussen van de katheder gelegen had en waar de plechtige stem van de zielenherder op zovele Sabbathsdagen heilig uiting aan gegeven had. Zo viel ook de familiebijbel neer, die de reeds lang begraven patriarch aan zijn kinderen had voorgelezen - in voor- en tegenspoed, bij de haard en in de zomerse schaduw van de bomen - en die als een erfstuk van generatie op generatie was overgegaan. Daar viel het zakbijbeltje, het kleine boekske, dat de zielsvriend van een of ander verkreukeld kind was geweest, dat daaruit moed geput had bij het gevecht op leven en dood, en vastberaden beiden het hoofd geboden had in de vaste overtuiging van onsterfelijkheid 

   Dat werd allemaal in de woeste en rebelse vuurzee gesmeten; en toen stak een machtige wind op die over de vlakte huilde, met een zo godverlaten gegier, alsof het de razende jammerklachten waren van de Aarde over het verlies van de Hemelse zonneschijn, en het schudde aan de gigantische vlammenpiramide en joeg de sintels van de half verteerde afschuwelijkheden op de toeschouwers neer. 

   "Dit is verschrikkelijk!" zei ik en ik voelde dat mijn wangen verbleekten en zag eenzelfde verandering op de gezichten tegenover me. 

   "Houdt toch goede moed," antwoordde de man die ik al zo vaak gesproken had. Hij bleef rustig, met een eigenaardige kalmte, naar het tafereel staren, alsof het hem slechts als toeschouwer aanging. "Houdt goede moed - en juich nog niet teveel; want er is, in het resultaat van dit vreugdevuur, veel minder van zowel goed als kwaad, dan de wereld zou willen durven geloven."  

   "Hoe is dat dan mogelijk?" riep ik ongeduldig uit. "Heeft het niet alles vernietigd? Heeft het niet elk menselijk of goddelijk toevoegsel van onze sterfelijke toestand, dat voldoende substantie had om door het vuur aangetast te worden, opgeslokt en versmolten? Zal er morgenvroeg voor ons iets beters of slechters dan een hoop sintels en as zijn overgebleven?" 

   "Dat zal er zeker," sprak mijn ernstige vriend. "Kom morgenvroeg - of wanneer het brandbare gedeelte van de stapel helemaal is uitgebrand - maar hierheen en je zult tussen de as al het waardevolle vinden dat je in de vlammen hebt zien gooien. Vertrouw me, de wereld van morgen zal zich weer verrijken met het goud en de diamanten die door de wereld van vandaag weggeworpen zijn. Niet één waarheid is vernietigd - noch zo diep begraven onder de as, of zij zal uiteindelijk weer opgerakeld worden."

   Dit was een vreemde verzekering. Toch was ik geneigd hem te geloven; des te meer toen ik te midden van de rondwentelende vlammen een exemplaar van de Heilige Schrift ontwaarde, waarvan de bladzijden, in plaats van te verkolen, slechts een nog verblindender witheid aannamen dan toen ze van de vingerafdrukken van de menselijke onvolmaaktheid gezuiverd waren. Bepaalde kanttekeningen en commentaren zwichtten weliswaar voor de hevigheid van de vuurtest, maar zonder ook maar aan de geringste syllabe die uit de pen van de inspiratie ontvlamd was, schade te berokkenen.

   "Ja - daar is het bewijs van wat je zei," antwoordde ik terwijl ik me naar de toeschouwer wendde. "Maar als alleen wat slecht is de werking van het vuur kan voelen, dan is deze vuurzee zeker van onschatbaar nut geweest. Toch laat u, als ik u goed begrijp, een twijfel doorschemeren over het vooruitzicht op het nut dat de wereld ervan heeft."

   "Luister maar naar de woorden van deze helden," sprak hij, terwijl hij wees naar een groep die voor de brandende stapel stond. "Mogelijk kunnen zij u onbedoeld iets leren." 

   De mensen, die hij aangewezen had, waren de onmenselijke en uiterst aardse figuren, die zo furieus opgetreden waren bij de verdediging van de galgen - om kort te gaan, de beul, samen met de laatste dief en de laatste moordenaar -, die zich alle drie rond de laatste zuiplap geschaard hadden. Deze laatste gaf vrijgevig de laatste fles brandewijn door, die hij uit de alomvattende vernietiging van de wijnen en spiritualia had gered. Het kleine en gezellige groepje scheen zich in het laatste stadium van moedeloosheid te bevinden, in aanmerking genomen dat de gezuiverde wereld wel totaal anders moest zijn dan de wereldbol die ze tot dan toe gekend hadden en daarom slechts een vreemde en desolate verblijfplaats voor mensen van hun slag.  

   "De beste raad voor ons allemaal," merkte de beul op, "is dat ik jullie - zo gauw we de laatste drup drank ophebben - mijn drie vrienden, aan een geriefelijk eind zal helpen aan de dichtstbijzijnde boom en mijzelf dan vervolgens aan dezelfde tak zal verhangen. Dit is voor ons geen wereld meer."

   "Poe, poe, mijn beste vrienden!" sprak een persoon met een donkere gelaatskleur, die zich nu bij de groep voegde - zijn teint was inderdaad angstaanjagend donker en zijn ogen gloeiden met een roder licht dan van het vreugdevuur - "Wees niet zo terneergeslagen, mijn beste vrienden; jullie zullen nog goede dagen zien. Er is één ding dat die betweters vergeten zijn in het vuur te gooien, en zonder dat stelt de hele rest van de brand helemaal niets voor; ja, al hadden ze de hele aarde tot as verbrand."

   "En wat mag dat dan wel wezen?" vroeg de laatste moordenaar benieuwd.

   "Wat dacht je van het menselijk hart zelf!" sprak de vreemdeling met het donkere gelaat, met een onheilspellende grijnslach. "En tenzij zij een manier vinden om die gore krochten te zuiveren, zullen daaruit opnieuw alle vormen van kwaad en ellende voortspruiten - dezelfde oude vormen, of nog ergere - waar ze zich zo'n grote moeite voor getroost hebben om die tot as te vernietigen. Ik heb er deze hele levenslange nacht bijgestaan en geschaterd in mijn vuistje bij het hele gedoe. O, geloof me op mijn woord, 't zal toch weer de oude wereld worden!" 

   Dit kort onderonsje verschafte me een onderwerp voor een langdurige overpeinzing. Wat een droeve waarheid - als het waar zou zijn - dat het eeuwenlange streven van de Mens naar volmaaktheid slechts gediend had om hem de spot van het Beginsel van het Kwaad te laten verdienen, omdat er gewoon een dwaling in het werkelijke fundament van de zaak zit!  Het hart - het hart - die kleine grenzeloze bol, waarin het oorspronkelijke kwaad huist, waarvan de misdaad en ellende van deze uitwendige wereld slechts zinnebeelden waren. Laten we die inwendige bol zuiveren en de vele vormen van het kwaad die in de buitenwereld rondwaren en die nu bijna onze enige werkelijkheden zijn, zullen tot vage hersenspinsels terugkeren en vanzelf verdwijnen. Maar als we niet dieper gaan dan het verstand en alleen maar met dat instrument trachten te onderkennen en te verbeteren wat verkeerd is, zal onze hele inspanning een droom blijken; zo onwezenlijk, dat het er niets toe doet of de brandstapel, die ik zo getrouw beschreven heb, wat wij liever een werkelijk gebeuren noemen is en een vuur dat onze handen verschroeit - of slechts een fosforescerende straling en een parabel van mijn eigen brein! 

Commentaar:
Het is haast onbeschrijfelijk wat er, sinds Hawthorne dit schreef, aan rotzooi, die deze aarde en alle hoofden van de mensen bevuilt, is bijgekomen, maar aan de kern van zijn boodschap is niets veranderd. De stapel zal alleen hoger worden. Het is begrijpelijk en aandoenlijk tegelijk om de twijfel (of de angst om verketterd te worden?) te zien die het verbranden van de Bijbel bij hem oproept.  Hij durft zelfs niet te zien in wat voor verstikkende, stinkende en gore rook die zou opgaan. Of zou hij dat wel hebben gedurfd als hij het Internet tot zijn beschikking had gehad?.
 

Over Nathaniel Hawthorne

Onderstaande is een samenvatting van het essay van Jorge Luis Borges, gepubliceerd in "De cultus van het Boek", uitgegeven in 1981 door "De Bezige Bij", ISBN 90 234 1540 en opnieuw in Borges' werken in 4 delen, deel 3 "De Geschiedenis van de Eeuwigheid en andere Essays" ISBN 90 234 11773

Commentaar in blauw

Hawthorne werd in 1804, in de haven van Salem, geboren.  Salem ging, toen al, gebukt onder twee voor Amerika ongewone euvels: het was een heel oude, zij het arme stad; het was een stad in verval.  In die oude, vervallen stad met zijn onvervalste bijbelse naam woonde Hawthorne tot 1836; hij hield ervan met de trieste liefde die ons wordt ingegeven door personen die niet van ons houden, mislukkingen, ziekten, manieën; in wezen is het geen leugen te zeggen dat hij er nooit van is weggegaan.  Vijftig jaar later, in Londen of Rome, toefde hij nog altijd in zijn puriteinse Salem; bij voorbeeld toen hij, midden in de negentiende eeuw, afkeurde dat beeldhouwers naakten maakten.
Zijn vader, kapitein Nathaniel Hawthorne, stierf in 1808, in Suriname, aan de gele koorts; een van zijn voorvaders, John Hawthorne, was rechter geweest tijdens de heksenprocessen van 1692 waarbij negentien vrouwen, onder wie een slavin, Tituba, tot de strop werden veroordeeld.  Tijdens die zonderlinge processen (tegenwoordig kent het fanatisme andere vormen) ging Justice Hawthorne streng maar ongetwijfeld eerlijk te werk.  'Hij blonk zo uit', schreef Nathaniel, onze Nathaniel, 'in het martelen van heksen, dat we gevoeglijk mogen aannemen dat het bloed van de ongelukkigen een smet op hem heeft nagelaten.  Een smet zo diep dat hij nog altijd moet zitten op zijn oude botten, op het kerkhof in Charter Street, als zij inmiddels niet tot stof zijn vergaan.' Na dit schilderachtige detail voegt Hawthorne er aan toe: 'Ik weet niet of mijn voorouders berouw hebben gehad en God hebben gesmeekt om erbarmen; ik doe het alsnog, namens hen, in de hoop dat iedere vloek die over ons geslacht mag zijn gekomen vanaf nu is weggenomen.' Toen kapitein Hawthorne was gestorven, trok zijn weduwe, Nathaniels moeder, zich terug in haar slaapkamer, op de tweede verdieping.  Daar lagen ook de kamers van de meisjes, Louise en Elizabeth; die van Nathaniel lag op de bovenste verdieping.  Die mensen aten niet samen en spraken nauwelijks met elkaar; het eten werd op een blad voor hun deur gezet.  Nathaniel bracht de dagen door met het schrijven van fantastische verhalen; tegen de avond maakte hij een wandeling.  Deze steelse leefwijze hield hij twaalf jaar vol.  In 1837 schreef hij Longfellow: 'Ik heb me teruggetrokken, zonder de geringste bedoeling om het te doen, zonder het geringste vermoeden dat het me zou overkomen.  Ik heb van mijzelf een gevangene gemaakt, ik heb mijzelf opgesloten in een kerker, en nu kan ik de sleutel niet meer vinden, en ook al was de deur open, dan nog zou ik haast niet naar buiten durven.' Hawthorne was lang, knap, slank, donker.  Hij had de schommelende gang van een zeeman.  In die tijd bestond er (ongetwijfeld tot geluk van de kinderen) nog geen kinderliteratuur; Hawthorne had op zijn zesde Pilgrim's Progress gelezen; het eerste boek dat hij van zijn geld kocht was The Faerie Queene; twee allegorieën.  Ook las hij, al zeggen zijn biografen het niet, de bijbel, misschien dezelfde als die welke de eerste Hawthorne, William Hawthorne, van Wilton, in 1630, tegelijk met een zwaard, uit Engeland had meegebracht.
Het is bekend dat Hawthorne door Edgar Allan Poe werd beticht van allegorisme en dat Poe die activiteit en dat genre onverdedigbaar achtte. Hawthorne was iemand met een gestadige, curieuze fantasie maar hij was, om zo te zeggen, wars van denken.  Niet dat hij dom was; ik bedoel dat hij dacht in beelden, intuïtief, zoals vrouwen plegen te doen, niet via een dialectisch mechanisme.  Eén esthetische fout speelde hem parten: het puriteinse verlangen om van iedere fantasie een fabel te maken, bracht hem er toe moraliteiten toe te voegen die af en toe vervalsend en vervormend werken (voor de solipsistische Borges, de boekenworm uit Earth's Holocaust in optima forma, een brein gevuld met woorden, schrijvers en labyrinten, voor wie slechts boeken zijn wereld en zijn medeschepselen waren, waren moraliteiten iets uit een andere wereld).  Er zijn schriften bewaard gebleven waarin hij, in het kort, plots noteerde; in één ervan, uit 1836, staat: 'Een slang is toegelaten tot de maag van een man en wordt door hem van zijn vijftiende tot zijn vijfendertigste gevoed, wat gepaard gaat met gruwelijke pijnen.' Dat is genoeg, maar Hawthorne acht zich verplicht er bij te zetten: 'Kan misschien een embleem zijn van jaloezie of een andere verdorven passie.' Nog een voorbeeld, ditmaal uit 1838: 'Een reeks vreemde, geheimzinnige, vreselijke gebeurtenissen laten plaatsvinden die iemands geluk verwoesten.  Deze de schuld laten geven aan geheime vijanden en uiteindelijk laten ontdekken dat hij zelf de enige schuldige en de oorzaak is.  Moraal: het geluk zit in onszelf.' Nog één, uit het zelfde jaar: 'Iemand denkt, als hij wakker is, gunstig over een ander en vertrouwt hem volledig, maar hij wordt verontrust door dromen waarin die vriend zich gedraagt als een doodsvijand.  Uiteindelijk blijkt dat het gedroomde karakter het ware was.  De dromen hadden gelijk.  Verklaring: de waarheid wordt instinctief waargenomen.' Zulke spelletjes, zulke kortstondige samenvloeiingen van de imaginaire wereld en de werkelijke wereld - de wereld waarvan we tijdens het lezen doen of zij werkelijk is - zijn, of lijken ons, modern.  Hun oorsprong, hun aloude oorsprong, bevindt zich misschien op die plek in de Ilias waar Helena van Troje haar kleed weeft, want wat ze weeft is het strijdgewoel en de rampspoed van de Trojaanse oorlog zelf.  Dit detail moet indruk hebben gemaakt op Vergilius, want in de Aeneïs staat dat Aeneas, strijder in de Trojaanse oorlog, bij de poort van Carthago kwam en in het marmer van een tempel taferelen uit die oorlog zag uitgehouwen met, te midden van vele andere krijgersgestalten, ook zijn eigen beeltenis.  Hawthorne hield van dergelijke raakpunten tussen het imaginaire en het werkelijke, van reflecties en duplicaties in de kunst; ook kan men uit de schetsen die ik heb aangehaald opmaken, dat hij neigde tot de pantheïstische opvatting dat één mens de anderen is, dat één mens alle mensen is.
Er is met de schetsen iets ernstigers aan de hand dan duplicaties en pantheïsme, ernstiger voor iemand die een romanschrijver wil zijn, bedoel ik.  Men merkt dat Hawthorne's prikkel, dat Hawthorne's vertrekpunt, in het algemeen gevormd werd door een situatie.  Door een situatie, niet door een karakter.  Hawthorne bedacht eerst, misschien onbewust, een situatie en zocht vervolgens de karakters om deze te belichamen. Zo'n werkwijze kan knappe verhalen opleveren, of toelaten, omdat daarin, vanwege de kortheid, het plot zichtbaarder is dan de spelers, maar geen knappe romans, waarin de algemene lijn (zo die er is) pas zichtbaar wordt aan het eind en één slecht verzonnen karakter alle andere in zijn buurt kan aantasten met irrealiteit.  
De wereld van Kafka is het jodendom, en die van Hawthorne de toorn en vergelding van het Oude Testament.  
Op dit punt zou ik, zonder ook maar enigszins afbreuk aan Hawthorne te doen, een opmerking willen inlassen.  De omstandigheid, de vreemde omstandigheid dat we, in een verhaal van Hawthorne dat in het begin van de negentiende eeuw werd geschreven, dezelfde sfeer proeven als in de verhalen die Kafka in het begin van de twintigste eeuw maakte, mag ons niet doen vergeten dat Kafka's sfeer is gecreëerd, is bepaald, door Kafka.  Wakefield is een voorafschaduwing van Franz Kafka, maar deze wijzigt, en verfijnt, de lectuur van Wakefield.  De verplichting is wederzijds, een groot schrijver creëert zijn voorgangers.  Hij creëert ze en hij rechtvaardigt ze, op de een of andere manier.  Wat zou, bij voorbeeld, Marlowe zijn zonder Shakespeare?
Schopenhauer heeft de beroemde woorden geschreven dat er geen handeling, geen gedachte, geen ziekte bestaat, die niet vrijwillig is (ook Schopenhauer was een gelovige in de mythe van de vrije wil, de noodlottige erfenis van Augustinus); als daarin een kern van waarheid zit, zou de gissing passen dat Nathaniel Hawthorne zich jarenlang van de maatschappij afzijdig hield opdat in het universum, waarvan misschien verscheidenheid het doel is, de unieke geschiedenis van Wakefield niet zou ontbreken.  Als Kafka dat verhaal had geschreven, was het Wakefield nooit gelukt om weer thuis te komen; Hawthorne staat hem toe naar huis terug te gaan, maar zijn terugkeer is niet minder jammerlijk of gruwelijk dan zijn langdurige afwezigheid.
Een parabel van Hawthorne, die op het punt stond meesterlijk te zijn maar het niet is omdat zij wordt ontsierd door ethische preoccupatie, is Earth's Holocaust, de holocaust van de Aarde. Hawthorne heeft zich, hier, laten meeslepen door de christelijke, in het bijzonder de calvinistische, doctrine van de ingeboren slechtheid van de mens (eigenlijk is het verbijsterend dat Borges dit leest, terwijl het er helemaal niet staat) en schijnt niet te hebben gemerkt dat zijn parabel over een denkbeeldige verwoesting van alle dingen zich niet alleen tot een morele, maar ook tot een filosofische betekenis leent.  Immers, als de wereld een droom van Iemand is, als er Iemand is die ons op dit moment droomt en de geschiedenis van het universum droomt, zoals de doctrine van de idealistische school wil, houdt de uitroeiing van godsdiensten en kunsten, de algemene verbranding van bibliotheken, niet veel meer in dan de verwoesting van het meubilair van een droom.(Hier maakt Borges een merkwaardige en fundamentele vergissing. Zijn gedicht "Ik ben niet eens stof" eindigt hij met de George Berkely-achtige metafoor: "Mijn God, mijn dromer, blijf mij dromen". Zijn Dromer droomt Borges, de anderen en de wereld, maar niet Borges' gedachten, niet zijn dromen, niet zijn emoties, niet zijn angsten en is derhalve niet verantwoordelijk  voor het ontstaan voor het meubilair van Borges' droom. Dus houdt de uitroeiing van godsdiensten en kunsten, en de algemene verbranding van bibliotheken, niet veel meer in dan de verwoesting van het meubilair van Borges' eigen droom, van zijn eigen hersenspinsels. Het brein waaraan dit meubilair, waarmee deze wereld bevuild en waardoor deze veranderd is, ontsproten is, is het brein van alle toneelspelers, die vergeten zijn dat ze mens zijn, met al zijn hersenspinnige en van realiteitszin gespeende gedachten. Borges is niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk blind voor wat Hawthorne in werkelijkheid schrijft). Het brein dat dit meubilair eens droomde, zal het opnieuw dromen; zolang het brein blijft dromen, zal er niets verloren zijn.  Het geloof in deze waarheid, die fantastisch aandoet, maakte dat Schopenhauer, in Parerga und Paralipomena, de geschiedenis vergelijkt met een caleidoscoop waarin de figuren veranderen, niet de stukjes glas, en met een eeuwige, verwarde tragikomedie waarin de rollen en de maskers veranderen, maar niet de spelers (altijd zijn de spelers in wezen mensen geweest en nog steeds, die zich niet als mens maar als toneelspelers op het wereldtoneel gedragen, in de tragische illusie dat hun spel het leven is, dat hun levensvervulling in hun maatschappelijke taak ligt en dat hun masker een onlosmakelijk deel van henzelf is) en dat de algemene geschiedenis in ieder mens zit, inspireerde Emerson tot het schrijven van zijn gedicht History.
Wat de fantasie om het verleden uit te wissen betreft, ik weet niet of het op z'n plaats is er aan te herinneren dat hiertoe driehonderd jaar vóór Christus, met averechts resultaat, een poging werd gedaan in China.  Herbert Allen Giles schrijft: 'Minister Li Su stelde voor de geschiedenis te laten beginnen met de nieuwe monarch, die de titel van Eerste Keizer aannam.  Om de ijdele pretenties van de oudheid af te kappen, werd de confiscatie en verbranding gelast van alle boeken, met uitzondering van studieboeken op het gebied van landbouw, artsenij en astrologie.  Wie zijn boeken verstopte, werd gemerkt met een gloeiend ijzer en gedwongen te werken aan de bouw van de Grote Muur.  Vele kostbare boeken gingen verloren; aan de opofferingsgezindheid en de moed (de kortzichtigheid) van anonieme of onbekende geletterden dankt het nageslacht het (rampzalige) behoud van Confucius' canon.  Volgens zeggen werden er zoveel literatoren omgebracht wegens ongehoorzaamheid aan de keizerlijke bevelen, dat er 's winters meloenen groeiden op de plaats waar zij werden begraven.' Halverwege de zeventiende eeuw leefde het plan weer op in Engeland, onder de puriteinen, onder Hawthorne's voorouders.  'Op één van de volksparlementen die door Cromwell werden bijeengeroepen,' vertelt Samuel Johnson, 'werd in ernst geopperd de archieven van de Londense Tower te verbranden, iedere herinnering aan iets verledens uit te wissen en een heel nieuwe leefwijze te beginnen.' Oftewel, het plan om het verleden te vernietigen kwam al in het verleden voor en vormt - op paradoxale wijze - één van de bewijzen dat het verleden zich niet laat vernietigen.  Het verleden is onverwoestbaar; vroeg of laat komt alles terug, en één van de dingen die terugkomen is het plan om het verleden te vernietigen. (Als Borges hier stelt dat het verleden onverwoestbaar is, zegt hij met andere woorden, dat hij niet in staat geweest is met zijn eigen verleden af te rekenen) 
Evenals Stevenson, ook een zoon van puriteinen, bleef Hawthorne altijd het gevoel houden dat zijn taak als schrijver frivool of, wat erger is, zondig was.  In zijn voorwoord bij The Scarlet Letter stelt hij zich voor hoe de schimmen van zijn voorouders toekijken terwijl hij zijn roman schrijft.  Het is een merkwaardige passage.  'Wat zit hij te doen?' vraagt een aloude schim de andere. 'Hij schrijft verhalen!  Wat voor bezigheid mag dat wel zijn, wat voor manier om God te eren of de mensen in zijn tijd en generatie van dienst te zijn?  De ontaarde had net zo goed violist kunnen zijn.' De passage is merkwaardig omdat zij een soort bekentenis inhoudt en duidt op innerlijke scrupules.  Zij duidt ook op de aloude controverse tussen ethiek en esthetiek of, zo men wil, tussen theologie en esthetiek.  Een van de eerste getuigenissen van deze controverse staat in de Heilige Schrift, waar de mensen verboden wordt afgoden te aanbidden.  Een andere is die van Plato, die in boek X van De Staat als volgt redeneert: 'God schept het Archetype (de oeridee) tafel; de timmerman, een kopie.' Een andere is die van Mohammed, die verklaarde dat iedere weergave van een levend iets op de dag des Oordeels voor de Heer moet worden gebracht.  De engelen zullen de maker gelasten haar te bezielen; hij zal in gebreke blijven en zij zullen hem, voor een bepaalde tijd, in de Hel werpen.  Sommige moslimgeleerden beweren dat alleen afbeeldingen die in staat zijn een schaduw te werpen (sculpturen) verboden zijn... Van Plotinus wordt verteld dat hij zich bijna schaamde om in een lichaam te wonen en dat hij de beeldhouwers de vereeuwiging van zijn trekken ontzegde.  Op een keer verzocht een vriend hem zich te laten portretteren; Plotinus antwoordde: 'Het is al vermoeiend genoeg deze kopie waarin de natuur me gevangen houdt te moeten meezeulen.  Zou ik ook nog eens moeten goedvinden dat de afbeelding van die kopie wordt vereeuwigd?'
Nathaniel Hawthorne loste de moeilijkheid (die niet denkbeeldig is) op de ons bekende wijze op; hij maakte moraliteiten en fabels; hij stelde, probeerde dit althans, de kunst in dienst van het geweten.  Zo wil hij, om ons tot een enkel voorbeeld te bepalen, in de roman The House of the Seven Gables aantonen dat het kwaad dat door een generatie is bedreven, in de volgende voortleeft en verdergaat, als een soort geërfde straf. Dat Hawthorne morele doeleinden nastreefde, of duldde, ontkracht zijn werk niet, kan het niet ontkrachten.  In de loop van een leven dat minder aan leven dan aan lezen was gewijd, heb ik vele malen kunnen constateren dat literaire doeleinden en literaire theorieën slechts prikkels zijn en dat het uiteindelijke werk ze doorgaans loochent of zelfs weerspreekt.  Als een auteur iets heeft, zal geen enkel oogmerk, hoe onbenullig of onjuist ook, zijn werk op onherstelbare wijze aantasten.  Een auteur kan last hebben van absurde vooroordelen, maar als zijn werk oprecht is, als het beantwoordt aan een oprechte visie, kan het niet absurd zijn. Bij Hawthorne was de kiemvisie altijd waarachtig; het valse, het eventuele valse, zijn de moraliteiten die hij in de laatste alinea stopte of de personages die hij bedacht, die hij in elkaar zette, om ze te vertegenwoordigen (dit is de mening van de amorele Borges, dwalend en verdwaald in zijn eigen labyrinten, de wereldvreemde bibliothecaris, de tragische zoeker, die nooit gevonden heeft en die in zijn gedicht "De wroeging" schrijft: "Ik heb de ergste zonde begaan, die een mens kan begaan. Ik ben niet gelukkig geweest").  De personages in The Scarlet Letter - met name Hester Prynne, de heldin - zijn onafhankelijker, autonomer, dan die in zijn overige werk; zij lijken doorgaans op de bewoners van de meeste romans en zijn niet louter projecties van Hawthorne, in lichte vermomming. Johnson merkt op dat geen enkele schrijver er van houdt iets aan zijn tijdgenoten verschuldigd te zijn; Hawthorne ging aan ze voorbij zoveel hij kon.  Misschien deed hij daar goed aan; misschien lijken onze tijdgenoten - altijd - te veel op ons, en wie naar nieuwe dingen zoekt zal die eerder vinden bij de Ouden.  Hawthorne, aldus zijn biografen, las De Quincey niet, las Keats niet, las Victor Hugo niet - die elkaar evenmin lazen.  Groussac duldde niet dat een Amerikaan wel eens origineel kon zijn; in Hawthorne laakte hij 'de opvallende invloed van Hoffmann', een uitspraak die gebaseerd lijkt op een gelijk verdeelde onbekendheid met beide auteurs.  Hawthorne's verbeelding is romantisch; zijn stijl past, enkele uitwassen ten spijt, bij de achttiende eeuw, bij het zwakke einde van de bewonderenswaardige achttiende eeuw. 
De wereld van dromen is de wereld van Hawthorne.  Hij nam zich ooit voor een droom te schrijven, 'die moest zijn als een echte droom, en het gebrek aan samenhang, de eigenaardigheden en de ongerichtheid van dromen moest bezitten' en bij verbaasde zich er over dat niemand, tot op de dag van toen, iets dergelijks had gedaan.  In het zelfde dagboek waarin hij dit vreemde plan optekent - door onze hele 'moderne' literatuur vergeefs nagestreefd en, misschien, alleen verwezenlijkt door Lewis Caroll - noteerde hij duizenden dagelijkse impressies, kleine concrete observaties (het gedrag van een kip, de schaduw van een tak op de muur) die zes delen beslaan en in hun onverklaarbare overvloed de schrik van alle biografen zijn.  'Het zijn net plezierige, maar overbodige brieven,' schrijft Henry James, onthutst, 'die iemand zichzelf heeft geschreven met het voornemen niets compromitterends te zeggen uit angst dat ze op het postkantoor zullen worden opengemaakt.' Ik voor mij houd het er op dat Nathaniel Hawthorne deze trivialiteiten al die jaren registreerde om zichzelf te bewijzen dat hij echt was, om zich op de een of andere manier te bevrijden van het gevoel van onwezenlijkheid, van schimmigheid, dat hem placht te bekruipen.
Op een dag in 1840 schreef hij: 'Hier ben ik, op mijn gebruikelijke kamer, waar ik altijd lijk te zijn.  Hier heb ik vele verhalen geschreven, veel die ik later heb verbrand, veel die ongetwijfeld dat zelfde vurige lot verdienen.  Dit is een behekste kamer, want haar ruimte is bevolkt geweest door duizenden en nog eens duizenden visioenen, waarvan enkele nu zichtbaar zijn voor de wereld.  Soms dacht ik in mijn graf te liggen, bevroren, stilgevallen, verstijfd; dan weer dacht ik gelukkig te zijn... Nu begin ik te begrijpen waarom ik al die jaren gevangen zat in deze eenzame kamer en waarom ik de onzichtbare tralies niet kon breken.  Als het me eerder gelukt was te ontsnappen, zou ik nu hard en ruw zijn, bedekt met aards stof, en mijn hart zou zijn vereelt... Wij zijn waarlijk slechts schimmen...'
In de regels die ik zojuist citeerde, heeft Hawthorne het over 'duizenden en nog eens duizenden visioenen'.  Misschien is dit niet overdreven; de twaalf delen van Hawthorne's complete werken zijn er maar een paar van de zeer vele die hij in zijn dagboek schetste. (Tussen de voltooide zit er één - Mr. Higginbotham's Catastrophe - dat een voorafschaduwing is van de detective story die Poe zou uitvinden.) Miss Margaret Fuller, die hem leerde kennen in de utopische gemeenschap van Brook Farm, schreef later: 'Van die oceaan hebben we maar een paar druppels gehad', en Emerson, ook met hem bevriend, meende dat Hawthorne nooit het volle pond heeft gegeven.  Hawthorne trouwde in 1842, dat wil zeggen, toen hij achtendertig was; tot dan toe was zijn leven bijna zuiver imaginair, mentaal, geweest.  Hij werkte bij de Bostonse douane, was consul van de Verenigde Staten in Liverpool, woonde in Florence, in Rome en in Londen, maar zijn werkelijkheid was, altijd, de ijle, schemerige of maanachtige, wereld van de fantastische verbeelding.
Hawthorne stierf op 18 mei 1864, in de bergen van New Hampshire.  Zijn dood was kalm en mysterieus, want zij kwam in de slaap.  Niets belet ons ons voor te stellen dat hij dromend stierf en wij kunnen zelfs de geschiedenis die hij droomde - de laatste van een onafzienbare reeks - verzinnen en de wijze waarop de dood haar bekroonde of uitwiste.

* * *

Naar boven