Home

Georg Büchner

Portret Georg Büchner

1813 - † 1837

Der Hessische Landbote



Inleiding van de vertaler:


En daar zitten ze dan, de "rijken" en "voornamen" in hun schouwburgen, theaters en muziektempels, royaal gesubsidieerd met belastingpenningen van het volk, en genieten van Büchners toneelstukken en Alban Bergs opera Wozzeck, maar hebben niet in de gaten dat juist zij daarin worden aangeklaagd. In wezen een nogal masochistische bezigheid, ware het niet dat zij zich echt van geen kwaad bewust zijn. Het gaat in hun ogen over heel iets anders en de belangrijkste reden van die verblinding is, dat ze niet kunnen vergelijken, dat ze geen patronen kunnen herkennen, dat ze denken dat het altijd over anderen gaat. Maar zij zijn het die nog steeds een maatschappij in stand houden, die aan de lopende band Wozzecks uitbraakt, zij zijn de Eloi die een onderwereld van Morlocks hebben gecreëerd, zij zijn de 

Houyhnhnms die over de ruggen van Yahoos hun eigen elitaire wereldje bevolken, blind voor het onrecht in deze maatschappij. Büchner klaagt hen nog steeds aan.


________________________________________________________________


Eerste Mededeling [Juli-versie]

Darmstadt, juli 1834


Woord vooraf


Deze krant moet het Hessische land op de hoogte stellen van de waarheid, maar wie de waarheid vertelt, wordt verhangen. Zelfs iemand die waarheid leest wordt misschien door meinedige rechters gestraft. Daarom moet iedereen die deze krant in handen krijgt het volgende in acht nemen:

  1. Je moet het blad zorgvuldig buitenshuis voor de politie verstoppen;
  2. Je mag het alleen aan betrouwbare vrienden geven;
  3. Mensen die je niet vertrouwt, zoals je jezelf, mag je het alleen stiekem geven;
  4. Wordt het blad toch bij iemand aangetroffen, die het heeft gelezen, dan moet hij toegeven dat hij het net naar de districtsraad had willen brengen;
  5. Wie het blad niet heeft gelezen, als het in zijn bezit wordt aangetroffen, treft natuurlijk geen blaam.
Vrede aan de krotten! Oorlog aan de paleizen!


Het ziet ernaar uit dat in 1834 de Bijbelse leugens worden afgestraft. Het ziet ernaar uit alsof God op de vijfde dag de boeren en handarbeiders en op de zesde dag de vorsten en voorname mensen heeft geschapen en alsof de Heer tot hen heeft gezegd: heerst over alle gedierte, dat op aarde rondkruipt, waarbij hij de boeren en burgers tot de wormen heeft gerekend. Het leven van de hooggeplaatsten is één lange zondag, ze wonen in mooie huizen, dragen sierlijke kleren en hebben bolle gezichten en een eigen taal. Voor hen ligt het volk als mest op de akker. De boer loopt achter de ploeg en laat die door de os trekken. Maar de rijke loopt achter hem aan en neemt het graan en laat hem de stoppels. Het leven van de boer is één lange werkdag. Vreemden putten onder zijn ogen zijn akker uit, zijn lijf is vereelt en zijn zweet is het zout op de dis van de hooggeplaatste.


Het groothertogdom Hessen telt 718.373 inwoners, die jaarlijks aan de staat 6.363.364 gulden afdragen, als:


Tabel


Dat geld is de bloedtiende, die uit het lijf van het volk wordt gewrongen. Ongeveer 700.000 mensen zweten, kreunen en hongeren daarvoor. In naam van de staat wordt het afgeperst; de afpersers beroepen zich op de regering en de regering zegt dat het nodig is om de orde in de staat te bewaren. Wat is dat dan voor iets geweldigs: de staat? Als er in een land een aantal mensen wonen en er bestaan daar regels en wetten, waarnaar zij zich moeten richten, dan vormen ze een staat, zo zegt men. Allemaal samen vormen ze dus de staat. De ordebewaarders in de staat zijn de wetten, waardoor iedereen beschermd wordt en die voor het welzijn van hen zouden moeten gelden. – Kijk nou eens wat men in het Groothertogdom van de staat gemaakt heeft; kijk wat het betekent: de orde in de staat bewaren! 700.000 Mensen betalen daarvoor 6 miljoen, d.w.z. er worden boerenknollen en ploegstieren van hen gemaakt, zodat ze gedisciplineerd leven. Gedisciplineerd leven betekent hongerlijden en uitgezogen worden.


Illustratie Der Hessische Landbote

Wie zijn het dan die deze orde geschapen hebben en erop toezien dat die orde gehandhaafd wordt? Dat is de groothertogelijke regering. De regering wordt gevormd door de Groothertog en zijn hoogste ambtenaren. De andere ambtenaren zijn mensen, die door de regering aangesteld worden, om die orde te bewaren. Hun aantal is enorm: staats- en regeringsraadsleden, district- en gewestraadsleden, geestelijke en schoolraadsleden, financiële en vorstelijke raadsleden enz. die allemaal over een leger van secretarissen enz. beschikken. Het volk is hun kudde, zij zijn de herders, uitmelkers en slavendrijvers. Ze dragen de huiden van de boeren, in hun huizen bevindt zich de roofbuit van de armen; de tranen van weduwen en wezen zijn het vet op hun gezichten. Zelf heersen ze in vrijheid en manen het volk tot onderdanigheid. Hen geven jullie 6.000.000 fl. aan belastingen; zij geven zich de moeite om jullie te regeren; d.w.z. zich door jullie te laten voeren en jullie van je mensen- en burgerrechten te beroven. Kijk wat de oogst van jullie zweet is.


Voor het ministerie van binnenlandse zaken en justitie wordt 1.110.607 gulden betaald. Daarvoor hebben jullie een woestenij aan wetten, opeengehoopt uit willekeurige voorschriften uit alle tijden, meestal in een vreemde taal geschreven. De onzin van alle vorige geslachten is daarin op jullie overgegaan; de druk, waaronder zij zijn bezweken, is op jullie voortgewalst. De wet is eigendom van een onbeduidende klasse van voorname en geleerde lieden, die zichzelf door hun eigen knoeiwerk de heerschappij toebedeelt. De rechtspraak is slechts een middel om jullie onder de duim te houden, zodat zij jullie gemakkelijker kunnen afbeulen. Zij spreekt volgens wetten, die jullie niet vatten, volgens regels, waar jullie niets van afweten, spreken oordelen uit, waar jullie niets van begrijpen. Zij is onomkoopbaar, omdat zij zich zo duur laat betalen, dat ze geen steekpenningen nodig heeft. Maar haar meeste dienaren hebben zich met huid en haar aan de regering verkocht. Hun luie stoelen staan op een geldhoop van 461.373 gulden (zoveel bedragen de uitgaven voor gerechtshoven en strafprocessen). Tenues, stokken en sabels van haar onkwetsbare dienaren zijn voor 197.502 gulden aan zilver beslagen (zoveel kost dus de politie, de gendarmerie enz.) Justitie is in Duitsland al honderden jaren de hoer van de Duitse vorsten. Iedere schrede waarmee jullie haar naderen, moeten jullie met zilver plaveien en haar uitspraken betalen jullie met armoe en vernedering. Denk aan het stempelbiljet, denk aan jullie buigen in het kantoor, en hoe jullie op wacht staan voor hen. Denk aan jullie kosten voor schrijvers en gerechtsdienaren. Jullie mogen je buurman aanklagen, die een aardappel van jullie steelt; maar klaag eens over de diefstal, die van staatswegen elke dag in naam van heffingen en belastingen aan jullie eigendom wordt begaan, zodat legio nutteloze ambtenaren zich kunnen vetmesten door jullie zweet; klaag er eens over dat jullie aan de willekeur van een aantal vetbuiken zijn overgeleverd en dat die willekeur wet heet; klaag erover dat jullie de ploegpaarden van de staat zijn; klaag over jullie verloren mensenrechten: waar zijn de gerechtshoven die jullie klachten in ontvangst nemen, waar zijn de rechters, waar is de rechtspraak? – De ketenen van jullie medeburgers uit Vogelsberg, die men naar Rokkenburg heeft gesleept, zullen jullie antwoord geven.


En als dan eindelijk een rechter of een andere ambtenaar, - van de weinigen voor wie recht en het algemeen welzijn liever is, dan hun eigen buik en de Mammon, - raadgever en geen beul van het volk wil zijn, dan wordt hij zelf door hoogste raadscollege van de vorst gestraft.


Voor het ministerie van financiën: 1.551502 fl.
 

Daarmee worden de belastinghoofdambtenaren, hoofdontvangers, en belastinginners bezoldigd. Daarvoor wordt de opbrengst van jullie akkers uitgerekend en jullie koppen geteld. Over de grond onder jullie voeten, de happen tussen jullie tanden wordt belasting geheven. Daarom zitten de heren in hun pakken bijeen en staat het volk naakt en gebogen voor hen. Ze leggen de handen op hun lendenen en schouders en rekenen uit, hoeveel die nog kunnen hebben, en als ze barmhartig zijn, gebeurt dat zoals men een dier ontziet, dat men niet te hard wil aanpakken.


Voor het krijgswezen wordt 914.820 gulden uitgegeven.
 

Daarvoor krijgen jullie zonen een kleurig tenue aan hun lijf, een geweer of een trommel op de schouder en mogen elke herfst één keer met losse flodders schieten. Er wordt verteld hoe de heren van het koninklijke hof en alle kinderen van fatsoenlijke mensen, vooropgegaan door een stelletje ongeregelde knapen van de adel, samen met trommels en trompetten door de brede straten van de steden trekken. Voor de 90.000 gulden moeten jullie zonen voor de tirannen een eed afleggen en op wacht staan bij hun paleizen. Met hun trommels overstemmen zij jullie gezucht, met hun kolven verpletteren ze jullie schedel, als jullie durven te denken, dat jullie vrije mensen zijn. Zij zijn de wettige moordenaars, die wettige rovers beschermen, denk aan Södel! [1] Jullie broeders, jullie kinderen waren daar broeder- en vadermoordenaars.


Voor de pensioenen: 480.000 gulden.


Daarvoor worden mensen in de watten gelegd, nadat ze een bepaalde tijd de staat trouw hebben gediend, d.w.z. als ze ijverige handlangers bij de keurig georganiseerde uitzuigerij zijn geweest, die men recht en orde noemt.


Voor het staatsministerie en de raad van staten: 174.600 gulden.


De grootste schurken bevinden zich tegenwoordig overal in Duitsland het dichtst bij de vorsten, in ieder geval in het Groothertogdom: als er dus een fatsoenlijk man in de raad van state komt, wordt hij uitgestoten. Als echter tegenwoordig ook een fatsoenlijk man minister kan zijn of blijven, zou hij, zoals de zaken er nu in Duitsland voorstaan, slechts een marionet zijn, waar de vorstelijke marionet aan trekt en aan die vorstelijke marionet trekt dan weer een kamerdienaar of een koetsier, of zijn vrouw en haar gunsteling, of zijn halfbroer – of allemaal samen. In Duitsland staat het er tegenwoordig voor, zoals de profeet Micha in hoofdstuk 7: 3-4, schrijft: "De vorst eist en de rechter laat zich betalen, en de grote, die spreekt naar eigen believen; en zo zetten zij de zaak in elkaar. De beste van hen is als een doornstruik en de meest oprechte erger dan een stekelheg." Jullie moeten die doornen en stekels duur betalen; want voor dat groothertogelijke huis en hof moeten jullie ook nog 827.772  gulden afdragen.


De instellingen, de mensen waar ik tot nu toe over heb gesproken, zijn slechts werktuigen, zijn slechts dienaren. Zij doen niets in jullie naam; onder de benoeming tot hun ambt staat een L., dat betekent Ludwig bij de gratie Gods en ze spreken met eerbied: "in naam van de Groothertog." Dat is hun strijdkreet, als zij jullie werktuigen veilen, jullie vee wegdrijven, jullie in de kerker werpen. In naam van de Groothertog zeggen ze dan, en de mens die zij zo noemen heet: onkwetsbaar, heilig, soeverein, koninklijke hoogheid. Ga echter eens naar dat mensenkind toe en kijk door zijn vorstenmantel heen. Het eet, als het honger heeft en slaapt als zijn ogen zwaar worden. Kijk, het kruipt net zo naakt en soepel in de wereld als jullie, en wordt er net zo hard en stijf uitgedragen als jullie, en toch heeft het zijn voet in jullie nek, heeft 700.000 mensen voor zijn ploeg gespannen, heeft ministers die verantwoordelijk zijn, voor wat hij doet, heeft macht over eigendom door belastingen die het uitschrijft, over jullie leven door wetten die het maakt, het heeft adellijke heren en dames om zich heen, wat hofhouding heet, en zijn goddelijke macht gaat over op zijn kinderen, met vrouwen die uit even bovenmenselijke geslachten stammen.


Wee, jullie afgodendienaren! – Jullie zijn als heidenen, die de krokodil aanbidden, waardoor ze zelf verscheurd worden. Jullie zetten hem een kroon op, maar het is een doornenkroon, die in jullie eigen hoofd drukt; jullie geven hem een scepter in de hand, maar het is een roede, waarmee jullie zelf getuchtigd worden; jullie zetten hem op jullie troon, maar het is een martelstoel voor jullie en jullie kinderen. De vorst is de kop van de bloedzuiger, die over jullie heenkruipt, de ministers zijn zijn tanden en de ambtenaren zijn staart. De hongerige magen van alle voorname heren, onder wie hij de hoge posities verdeelt, zijn laatkoppen, die hij verspreid over het land aanstelt. Die L. die onder zijn besluiten staat, is het teken van het beest, dat door de afgodendienaren van onze tijd wordt aanbeden. Zijn vorstenmantel is het tapijt, waarop de adellijke heren en dames en het hof zich over elkaar heenwentelen – met ridderorden en sjerpen bedekken zij hun zweren en met kostbare gewaden bekleden ze hun melaatse lijven. De dochters van het volk zijn hun maagden en hoeren, de zonen van het volk hun lakeien en soldaten. Ga maar eens naar Darmstadt en zie hoe de heren zich daar met jullie geld vermaken en vertel dan aan jullie hongerende vrouwen en kinderen, dat jullie brood vreemde buiken lekker dikgemaakt heeft, vertel hen over de mooie kleren, die met jullie zweet zijn geverfd, en over de sierlijke sjerpen, die uit het eelt van jullie handen gesneden zijn, vertel hen over de statige huizen, die van de knekels van het volk zijn gebouwd; en kruip dan weer in jullie rokerige hutten en buig je boven jullie steenachtige akkers, zodat jullie kinderen ook ooit kunnen gaan kijken, als een erfprins met een erfprinses gaat zorgen voor een nieuwe erfprins, en zodat ze door de geopende glazen deuren het tafelkleed kunnen zien, waarvan de heren eten en de met het vet van de boeren gevulde lampen kunnen ruiken, waarmee men het geheel verlicht. Jullie pikken dat allemaal, omdat die schurken jullie vertellen: "deze regering is van God." Deze regering is niet van God, maar van de vader der leugen. Deze Duitse vorsten vormen geen rechtmatige overheid; de Duitse keizer, die voorheen vrij door het volk werd gekozen, hebben zij al eeuwen veracht en uiteindelijk geheel verraden. De macht der Duitse vorsten is geen keuze van het volk, maar is uit verraad en meineed voorgekomen, en daarom is haar wezen en doen door God vervloekt; hun wijsheid is bedrog, hun gerechtigheid uitzuigen. Ze vertrappen het land en verpletteren de ellendigen. Jullie lasteren God, als jullie een van deze vorsten een gezalfde des Heren noemen, want dat wil zeggen dat God de duivel heeft gezalfd en tot vorst over de Duitse aarde heeft gesteld. Deze vorsten hebben Duitsland, ons geliefde vaderland, verscheurd, deze vorsten hebben de keizer, die onze vrije voorvaderen hebben gekozen, verraden en nu eisen deze verraders en mensenkwellers trouw van jullie! – Het rijk der duisternis neigt echter ten einde. Nog even en het Duitsland, dat nu nog door de vorsten uitgezogen wordt, zal als een Vrijstaat, met een door het volk gekozen overheid, weer herrijzen. De Heilige Schrift zegt: geeft de keizer wat des keizers is. Wat komt dan deze vorst, deze verrader toe? – Het deel van Judas!


Voor de stenden: 16.000 gulden.


In 1789 was het volk in Frankrijk het zat om nog langer het werkpaard van de koning te zijn. Het kwam in opstand en stelde mannen aan, die het vertrouwde. Die mannen kwamen bij elkaar en zeiden dat de koning een mens als ieder ander was, dat hij alleen maar de eerste dienaar in de staat was, dat hij zich voor het volk diende te verantwoorden en dat hij, als hij zijn ambt slecht uitoefende, gestraft moest kunnen worden. Vervolgens maakten ze de rechten van de mens kenbaar: "Niemand erft door geboorte een recht of titel, niemand verwerft door eigendom een recht boven iemand anders. De hoogste macht bestaat uit de wil van allen of van de meerderheid. Deze wil is wet; zij wordt verkondigd door de stenden of de volksvertegenwoordigers, die door iedereen worden gekozen en waarvoor iedereen gekozen kan worden; deze gekozenen spreken de wil van hun kiezers uit, en zo komt de wil van de meerderheid van hen overeen met de wil van de meerderheid van het volk; de koning heeft alleen voor de uitvoering van de door hen uitgevaardigde wetten te zorgen." De koning zwoer trouw aan deze statuten, maar werd echter meinedig jegens het volk en het volk berechtte hem, zoals het een verrader betaamt. Toen schaften de Fransen de erfelijke waardigheid van de koning af en kozen in vrijheid een nieuwe overheid, waartoe het volk in redelijkheid en volgens de Heilige Schrift recht had. De mannen, die moesten waken over de uitvoering van de wetten, werden benoemd door de vergadering van volksvertegenwoordigers; zij vormden de nieuwe overheid. Zo werden regering en wetten dus door het volk gekozen en was Frankrijk een Vrijstaat.


De overige koningen waren echter hevig ontdaan door de macht van het Franse volk en dachten dat ze over dat eerste koninklijke lijk allemaal hun hals zouden kunnen breken en dat hun mishandelde onderdanen door de vrijheidsroep van de Fransen misschien zouden kunnen ontwaken. Van alle kanten stortten zij zich, met een enorm krijgsapparaat en wapenarsenaal, op Frankrijk en een groot gedeelte van de adel en voorname mensen in het land stond op en sloot zich aan bij de vijand. Toen werd het volk grimmig en kwam fel in opstand. Het vernietigde de verraders en verpletterde de huurlingen van de koning. De jonge vrijheid groeide op het bloed van de tirannen; de tronen beefden en de volkeren juichten voor haar lokroep. Maar zelf verkochten de Fransen hun prille vrijheid voor de roem, die Napoleon hen bood, en hieven hem op de keizerstroon. – Toen liet de Almachtige het leger van de keizer in Rusland doodvriezen, tuchtigde Frankrijk met de knoet van de kozakken, opdat Frankrijk zich van de afgodendienst van het erfelijke koningsschap zou bekeren en de God zou dienen, die de mens vrij en gelijk heeft geschapen. Maar toen zijn straftijd voorbij was en dappere mannen in juli 1830 koning Karel X het land uitjoegen, keerde het bevrijde Frankrijk zich echter opnieuw tot het semi-erfelijke koningschap en haalde zich met de huichelaar Louis Philippe een nieuwe tuchtroede op de hals. In Duitsland en heel Europa heerste een grote vreugde toen Karel X van de troon gestoten was, en de onderdrukte Duitse staten richtten zich op de strijd voor de vrijheid. Toen beraadslaagden de vorsten, hoe zij aan de woede van het volk konden ontkomen en de listigen onder hen zeiden: laten wij een deel van onze macht afstaan, zodat we de rest kunnen behouden. En zij begaven zich tot het volk en spraken: wij willen jullie de vrijheid schenken, waar jullie voor willen strijden. – En sidderend van angst wierpen zij hen een paar brokken toe en vroegen hen om genade. Helaas vertrouwde het volk hen en legde zich te ruste. – En zo werd Duitsland op dezelfde manier bedrogen als Frankrijk.


Waaruit bestaat die grondwet in Duitsland dan? Alleen maar lege strohalmen, waar de vorsten de graankorrels voor zichzelf uit hebben geslagen. Wat zijn onze landdagen? Louter trage vrachtkarren, die men een of twee keer de roofzucht van de vorsten en hun ministers in de weg legt, waarmee men nooit een vaste burcht voor de Duitse vrijheid op kan bouwen. Wat zijn onze kieswetten? Niets anders dan krenkingen van de burger- en mensenrechten van de meeste Duitsers. Denk maar aan de kieswet in het Groothertogdom, volgens welke niemand anders gekozen kan worden, dan iemand die zeer bemiddeld is, hoe rechtschapen en welwillend hij ook is; dus weliemand als Grolmann, die jullie voor twee miljoen wilde bestelen. Denk aan de grondwet van het Groothertogdom. – Volgens de artikelen daarvan is de Groothertog onkwetsbaar, heilig en geen verantwoording schuldig. Zijn waardigheid is binnen zijn familie erfelijk, hij heeft het recht om oorlog te voeren en het militaire apparaat staat uitsluitend hem ter beschikking. Hij roept de stenden bijeen, verdaagt of ontbindt de bijeenkomst. De stenden durven geen wetsvoorstel in te dienen, maar moeten om een wet smeken, en het wordt onvoorwaardelijk aan het goeddunken van de vorst overgelaten of hij die toestaat of weigert. Hij blijft in het bezit van een vrijwel onbeperkte macht, hij mag alleen geen nieuwe wetten instellen en geen nieuwe belastingen uitschrijven zonder toestemming van de stenden. Deels stoort hij zich echter niet aan deze toestemming, deels heeft hij genoeg aan de oude wetten, die de taak van de macht van de vorst bepalen, en daarom heeft hij geen nieuwe wetten nodig. Een dergelijke grondwet is een ellendig rampzalig iets. Wat valt er van stenden te verwachten die aan een dergelijke grondwet gebonden zijn? Waren er maar onder de gekozenen geen verraders en lafaards, bestonden ze maar uit louter vastberaden vrienden van het volk! Wat valt er van stenden te verwachten, die nauwelijks in staat zijn om de rampzalige vodjes van een armzalige grondwet te verdedigen? – het enige verzet dat ze hadden kunnen bieden, was het weigeren van de twee miljoen gulden, die de Groothertog zich door het diep in de schulden zittende volk wilde laten schenken om zijn eigen schulden te betalen. Hadden de stenden van het Groothertogdom maar voldoende rechten, en had het Groothertogdom, - maar dan alleen het Groothertogdom, - maar een weerbare grondwet, dan zou er aan die pracht snel een einde komen. Maar de roofgieren in Wenen en Berlijn zouden dan hun beulsklauwen uitstrekken en de prille vrijheid met wortel en tak uitroeien. Het hele Duitse volk moet zijn vrijheid bevechten. En die tijd, geliefde medeburgers, is niet ver meer. – De vorst heeft het mooie Duitse land, dat vele eeuwen het prachtigste rijk op aarde was, in handen van vreemde en inheemse uitzuigers gegeven, omdat het hart van het Duitse volk van de vrijheid en gelijkheid van zijn ouders en van de vreze des Heren was afgevallen, omdat jullie je aan de afgodendienst van vele heertjes, hertogjes en kleinduimpjes-koningen hadden overgegeven.


De vorst, die de knuppel van de vreemde drijver Napoleon heeft gebroken, zal ook de afgodenbeelden van onze inheemse tirannen laten verbrijzelen, door de handen van het volk. Die afgodenbeelden mogen dan wel glanzen van het goud en edelstenen, van orden en eretekens, maar in hun binnenste sterft de worm niet en hun voeten zijn van leem. – God zal jullie de kracht geven om hun voeten te verpletteren, zodra jullie je bekeren van jullie onwaarachtige levenswandel en de waarheid erkennen: "dat er maar één God is en buiten hem geen goden, die zich hoogheden en allerhoogste, heilig en niet-verantwoordelijk laten noemen; dat God alle mensen vrij en met gelijke rechten heeft geschapen en dat voor het heil door God geen andere overheid is verordend, dan een die gegrondvest is op het vertrouwen van het volk en door het volk uitdrukkelijk of stilzwijgend is gekozen; dat daarentegen de overheid, de machthebbers, geen recht over een volk heeft, maar dus van God is, zoals de duivel ook van God is, en dat de gehoorzaamheid jegens een dergelijke duivelse overheid slechts geldt, totdat haar duivelse macht kan worden gebroken; - dat God, die een volk door middel van zijn taal heeft verenigd, de machthebbers, die het verscheuren en vierendelen, of zelfs in dertig stukken uiteentrekken, als volksmoordenaars en tirannen hier tijdelijk en daar eeuwig zal straffen, want de Schrift zegt: wat God heeft verenigd, zal de mens niet scheiden; en dat de Almachtige, die uit een woestenij een paradijs kan scheppen, ook een land van geweeklaag en ellende weer kan herscheppen tot een paradijs, zoals ons kostbare Duitsland was, voordat haar vorsten het verscheurden en uitzogen."


Toen het Duitse rijk rot en voos geworden was, en de Duitsers van God en vrijheid afgevallen waren, heeft God het rijk tot puinhopen laten vervallen, om het tot een vrijstaat te verjongen. Hij heeft een tijd lang de "Satansengelen" de macht gegeven, om Duitsland met vuisten te slaan; hij heeft "de machtigen, de wereldheersers dezer duisternis, de boze geesten in de hemelse gewesten"(Efez. 6:12) de macht gegeven, om de burgers en boeren te kwellen en hun bloed uit te zuigen en om hun moedwil bot te vieren op allen, die recht en vrijheid meer liefhebben dan onrecht en slavernij…..Maar de maat is vol!


Zie dat door God gebrandmerkte monster, koning Ludwig van Beieren, de godslasteraar, die fatsoenlijke mannen voor zijn beeld dwingt neer te knielen, en mensen die van de waarheid getuigen door meinedige rechters tot de kerker laat veroordelen; het varken, dat zich in alle Italiaanse lastermodderpoelen rond wentelt; de wolf, die zich voor zijn Baals-hofhouding door meinedige stenden jaarlijks vijf miljoen laat toekennen, en vraag dan: "Is dat een overheid die voor het heil door God verordend is?"


Ha! Gij zijt de overheid, door God?

God deelt zegen uit;
Gij rooft, gij kwelt, gij kerkert

Gij goddeloze, gij tiran!


Ik zeg jullie: hij en zijn medevorsten hebben de maat volgemaakt. God, die Duitsland omwille van zijn zonden, door deze vorsten heeft geslagen, zal het weer helen. "Hij zal de dorens en distels lostrekken en ze tezamen in brand steken." (Jes. 27:4)


Evenmin als de bochel nog groeit, waarmee God deze koning Ludwig heeft gebrandmerkt, zullen de schanddaden van deze vorst nog groter kunnen worden. De maat is vol. De Heer zal jullie dwingburchten vernietigen en dan zal in Duitsland leven en kracht, het heil der vrijheid weer opbloeien. De vorsten hebben van de Duitse aarde één grote dodenakker gemaakt, zoals Ezechiël in hoofdstuk 37 beschrijft: "De Heer voerde mij naar een groot veld, dat vol beenderen lag, zij waren zeer dor." Maar hoe luidde het woord van de Heer tot de verdorde beenderen?: "Zie ik breng geest in u, en gij zult herleven. Ik zal spieren op u leggen, vlees op u doen komen, u met een huid overtrekken, en geest in u brengen, zodat gij herleeft, en gij zult weten dat ik de Here ben." En het woord des Here zal zich ook aan Duitsland waarachtig betonen, zoals de profeet spreekt: "Zie er ontstond een geruis, en zie, een beweging en de beenderen voegden zich aaneen, zoals zij bij elkander behoorden…..En de geest kwam in hen en zij herleefden en gingen op hun voeten staan, een geweldig groot leger."


Zoals de profeet het beschrijft, is de toestand tot nu toe in Duitsland: jullie beenderen zijn verdord, want de orde waarin jullie leven, is louter uitzuigerij. Zes miljoen betalen jullie in het Groothertogdom aan een handvol mensen, aan wier willekeur jullie leven en eigendom is overgeleverd, en bij de anderen in het verscheurde Duitsland is het niet anders. Jullie zijn niets, jullie hebben niets! Jullie zijn rechteloos. Jullie moeten afgeven wat jullie onverzadigbare uitpersers eisen, en alles verdragen waarmee zij jullie opzadelen. Zover het oog van een tiran reikt – en Duitsland heeft daar wel dertig van – verdort land en volk. Maar zoals de profeet schrijft, zullen ze spoedig in Duitsland op hun voeten gaan staan: de dag der opstanding komt zonder dralen. Op de dodenakker zal beweging ontstaan en het zal ruisen en de herleefden zullen een groot leger vormen.


Heft de ogen op en tel het groepje van jullie uitpersers, die alleen maar sterk zijn door het bloed, dat zij jullie uitzuigen en door jullie armen, die jullie hen willoos lenen. Van hen zijn er in het Groothertogdom misschien 10.000 en van jullie 700.000 en dat is ook de verhouding tussen het aantal mensen van het volk en zijn uitpersers in de rest van Duitsland. Zij dreigen wel met wapens en krijgslieden, maar ik zeg jullie: wie het zwaard tegen het volk verheft, zal door het zwaard van het volk omkomen. Duitsland is nu een dodenakker, maar spoedig zal het een paradijs zijn. Het Duitse volk is een lichaam en jullie zijn de ledematen van dat lichaam. Het is om het even waar de schijndode begint te stuiptrekken. Als de Heer dan zijn teken geeft door de mannen, waarmee hij de volkeren uit onderdanigheid naar vrijheid leidt, sta dan op en het hele lichaam zal met jullie opstaan.

Jullie hebben je lange jaren gebogen op de doornakker van het knechtschap, maar dan zullen jullie zweten van de warmte in de wijngaard van de vrijheid, en jullie zullen vrij zijn tot in het duizendste geslacht.


Jullie hebben jullie levenlang de aarde omgewoeld, maar dan zullen jullie een graf voor jullie tirannen graven. Jullie hebben de dwingburchten gebouwd, maar dan zullen jullie ze omverhalen en een huis voor de vrijheid bouwen. Dan kunnen jullie je kinderen in vrijheid dopen met het water des levens. En totdat de Heer jullie roept met zijn boodschappers en tekenen, waakt dan en bereid je voor in de geest en bidt zelf en leer je kinderen bidden: "Heer, verbrijzel de knuppels van onze drijvers en laat uw rijk komen, het rijk der gerechtigheid. Amen"


Noten


[1] Met het bloedbad van Södel werd in september 1830 een protestmars van Hessische boeren in het dorp Södel met geweld uiteengeslagen. De reden van het protest was de ellendige toestand waarin de plattelandsbevolking zich in die tijd bevond. Door hogere belastingen, een snelle bevolkingstoename en misoogsten hadden de boeren grote problemen met hun levensonderhoud, wat  in de omgeving tot meerdere hongeropstanden leidde. Het bloedbad van Södel is daarbij van een bijzondere betekenis, omdat het een van de redenen was, waarom Georg Büchner in Gießen de Vereniging voor Mensenrechten oprichtte en als vlugschrift de Hessische Landbote schreef.

__________________________________________________________________________________

De Hessische Landbote

uit de Duitse Wikepedia,

De Hessische Landbote is een oorspronkelijk door Georg Büchner in 1834 geschreven, en na een redactionele bewerking door Friedrich Ludwig Weidig, pastoor uit Butzbach, gedrukt en gepubliceerd 8-pagina-lang pamflet, tegen de sociale misstanden in die tijd. Het eerste exemplaar van het vlugschrift werd in de nacht van 31 juli 1834 in het geheim verspreid.


INHOUD


Het vlugschrift begint na een kort "voorwoord"( met aanwijzingen voor de lezer, hoe ze de illegale tekst het beste kunnen beschermen) met de uitroep: "Vrede aan de krotten! Oorlog aan de paleizen!" De oplage van het vlugschrift is onbekend, maar waarschijnlijk bedroeg het tussen de 1200 tot 1500 exemplaren.


De schrijvers vergelijken de maatschappelijke toestand in het Hessen van die tijd met een (aangepast) voorbeeld van het scheppingsverhaal uit de Bijbel, waarin ze zich uitdagend afvragen of  - anders dan er in Genesis staat – de "boeren en handarbeiders" soms op de vijfde in plaats van de zesde dag zijn geschapen en daarom tot de dieren gerekend moeten worden, die door de op de zesde dag geschapen mensen, "de vorsten en voornamen," naar willekeur overheerst kunnen worden. Bovendien bestempelen de schrijvers justitie als "de hoer der vorsten;" het is "slechts een middel om jullie in het gareel te houden, zodat men jullie beter uit kan zuigen."


Het grondmotief van dit strijdschrift dat als een rode draad door de hele tekst loopt, is het verband tussen dit Bijbelse karakter en de opsomming van bedragen van de (hoge) belastingheffingen en (zinloze) uitgaven van het Groothertogdom Hessen. Zo probeerden Büchner en Weidig het gelovige volk te overtuigen van de noodzaak van een revolutie en van de gerechtvaardigdheid van een opstand tegen de Groothertog en het staatsbestel – die volgens de toenmalige opvatting "bij gratie Gods" gegeven en daardoor onaantastbaar waren.


Het vlugschrift, waarvan de eerst druk in Offenbach werd vervaardigd, is door Leopold Eichelberg nog een keer bewerkt en in Marburg nagedrukt. Bij de bewerking werden deels hele passages verwijderd, soms toegevoegd. Als je bijvoorbeeld de redactie van juli en november 1834 met elkaar vergelijkt, dan ontbreekt in de tekst van november de bovengenoemde inleidende tekst, en het vlugschrift begint meteen met de oproep "vrede aan de krotten…" Büchners oertekst is niet overgeleverd. Uitgangspunt voor het onderzoek is de pas door Weidig omgewerkte vorm. Volgens mededelingen was Büchner razend over de door Weidig aangebrachte veranderingen en was niet langer bereid om de tekst als de zijne te erkennen. Dat wekt het vermoeden dat de veranderingen nogal ingrijpend zijn geweest. Het Büchner-onderzoek vermoedt dat vooral in het tweede gedeelte door Weidig de meeste ingrepen zijn gedaan.

Gevolgen

De aangevallen overheid reageerde fel op het verschijnen van het vlugschrift. Er werd een bevel tot aanhouding tegen Büchner uitgevaardigd, met signalement. Hij kon echter in 1835 de Franse grens naar Straatsburg overvluchten. Weidig, die na een gedwongen overplaatsing, inmiddels pastoor in Ober-Gleen was, werd samen met andere tegenstanders in hechtenis genomen. Hij werd eerst in Friedberg en later in Darmstadt opgesloten. Daar werd hij aan onmenselijke gevangenistoestanden blootgesteld, gemarteld, en kwam in 1837 onder nooit opgehelderde omstandigheden om het leven. Het officiële onderzoek stelde zelfmoord (door het doorsnijden van zijn polsen) vast.


Een in 1975 door de Universiteit van Heidelberg opgesteld forensisch "rapport," dat vanzelfsprekend alleen maar een herwaardering van de beschreven bevindingen kon zijn, bevestigde dat en wees erop dat de dood door het achterwege laten van hulp bespoedigd is. De ondergang en dood van "pastoor Weidig" werd in de jaren rond 1840 een politiek strijdmiddel. Daarbij werd ook het verhaal verspreid dat er sprake was geweest van invloed van buitenaf, tot zelfs de bewering dat het moord was, wat evenmin bewezen als weerlegd kan worden. Zogenaamd "nieuwe onderzoek" mist de wezenlijke basis, namelijk het beschikbaar zijn van onafhankelijke bronnen.

Evaluatie

De Hessische Landbote moet worden opgevat als een oproep tot revolutie aan de plattelandsbevolking, zowel tegen de adellijke bovenlaag, als (tenminste in het origineel van Büchner) tegen de rijke, liberale burgerij, waarbij Weidig later Büchners begrip "de rijken" door "de voornamen" vervangen zou hebben, juist om de kritiek op de eersten af te zwakken. Historisch ging daar het Hambacher Feest aan vooraf, waarbij weliswaar mensen uit de oppositie uit alle bevolkingslagen bij elkaar kwamen, maar die zich niet konden samenbundelen tot een gemeenschappelijk optreden tegen de heersende klasse. Dat werd duidelijk bij de slecht georganiseerde en daarom meteen neergeslagen Frankfurter Wachsensturm (waarbij een politiepost annex gevangenis werd bestormd). Een samenbundeling op een breder vlak kon met name niet bereikt worden, omdat de liberale burgerij zich steeds weer door de adel liet afschepen met kleine concessies en beloften. Dat was echter nutteloos voor de arme en hongerende Hessische plattelandsbevolking, die weliswaar af en toe door protesten aandacht vroeg, maar die, zoals bij het bloedbad van Södel in 1830, met geweld werden neergeslagen.


Daarom werden de boeren in de Landbote opgeroepen om zowel tegen de heersende, als tegen de bezittende klasse in opstand te komen. Volgens Büchner kan "alleen de hoge nood van de grote massa veranderingen teweegbrengen." In latere geschriften drukt Büchner zich nog duidelijker, misschien gelatener uit; zo geeft hij in een brief aan Gutzkow uitdrukking aan zijn geloof, dat het volk niet door idealisme tot een revolutie is te verleiden: "En die grote klasse zelf? Daarvoor bestaan maar twee hefbomen, materiële ellende en religieus fanatisme." Ook zonder religieus fanatisme bedienen Büchner en Weidig zich in de Hessische Landbote van deze beide hefbomen, om de "de grote klasse" voor hun doel te winnen: de schrijvers brengen de boeren vooral de materiële ellende in contrast met "de voornamen" onder ogen en leveren tegelijkertijd een rechtvaardiging voor de nagestreefde opstand.


De Hessische Landbote geldt als een van de belangrijkste geschriften van de Vormärz (1830 – 1850)

___________________________________________________________________________


"Vrede aan de krotten! Oorlog aan de paleizen!"


Guerre aux châteaux! Paix aux chaumières!
Dat is het vaakgebruikte devies tijdens de Franse Revolutie, wat aan de Franse schrijver Nicolas Chamfort wordt toegeschreven.


1.

Aan het vlugschrift "Der Hessische Landbote'' gingen met name twee gebeurtenissen vooraf, die tekenend waren voor de politieke situatie en het karakter van de antifeodale oppositie in Duitsland en waaruit Büchner zijn lering trok: De eerste was het Hambacher Feest, waar alle schakeringen van de Duitse oppositie, van het gedweep met alles wat Duits was tot aan de republikeinse eis voor volkssoevereiniteit, vertegenwoordigd waren. Deze coalitie was echter niet in staat tot politiek optreden, want de gedelegeerden verlieten Hambach zonder gemeenschappelijk programma. Daarom reageerde het establishment des te harder; de besluiten van Karlsbad werden opnieuw opgelegd, perscensuur en het vervolgen van volksopruiers verscherpt en de oppositie naar de achtergrond verdrongen of vernietigd. Alleen de actiefste groeperingen planden een bewapende opstand, die op 30 april 1833 culmineerde in de bestorming van de het politiebureau in Frankfurt. De actie was echter slecht gepland, en slecht uitgevoerd, de Frankfurter burgers grepen niet naar de wapens en op het platteland bleven de boeren rustig. Büchner distantieerde zich van deze actie, omdat hij het geïsoleerde karakter van deze gebeurtenis had onderkend.

In de brief van 5 april 1833 aan zijn familie wijst Büchner erop, dat geweld dan wel nodig is, maar dat het ook door de massa gedragen moet worden. De Frankfurter coupplegers vergisten zich, omdat ze geloofden, dat het volk bereid was tot een opstand:

"Vergissen is overigens geen zonde, en de Duitse onverschilligheid is in feite van dien aard, dat dat alle berekeningen te schande maakt."

En in juli 1833 schrijft Büchner aan zijn familie:

"Ik zal dan wel steeds volgens mijn eigen principes handelen, maar ik heb de afgelopen tijd geleerd, dat alleen de uiterste nood van de grote massa veranderingen nabij kan brengen en dat elke activiteit en roepen van de enkeling vergeefs gekkenwerk is."

__________________________________________________________________________________


2.

Georg Büchner had van de revolutie van 1830 begrepen, dat de zegevierende burgerij onmiddellijk bereid was om het belang van het volk te verraden, zodra het zag dat aan haar eigen eisen was voldaan. Dat gebeurde ook in Hessen, toen in september 1830 een boerenopstand uitbrak, een hongeropstand, die tijdens het "bloedbad van Södel" werd neergeslagen, de liberale burgerij, tevredengesteld door constitutionele concessies, zich vervolgens aan de zijde van de regering schaarde en in een oproep "tot gehoorzaamheid aan de overheid" maande. Büchner trok daaruit de conclusie, dat voor het bevechten van de maatschappelijke verbetering van de massa de bezitloze klasse niets van de burgerij had te verwachten, en dat in plaats daarvan de strijd ook tegen de "rijken" gevoerd moest worden, als het niet alleen de machtsverhoudingen, maar ook de bezitsverhoudingen wilde veranderen.

Daarom richtte Büchners strekking van de "Hessische Landbote" zich niet alleen tegen de feodale machten, maar ook tegen de gegoede burgerij. Dat was juist Büchners beslissende inzicht, waardoor hij boven de burgerlijke oppositie uitsteeg. Machtsverhoudingen waren dus een kwestie van bezitsverhoudingen, en achter politieke kwesties lagen uiteindelijke maatschappelijke kwesties.

Anders was het met Friedrich Ludwig Weidig. Hij was een "christelijke patriot," die het "keizerschap van het volk" aanhing. Hij kende echter uit eigen ervaring de nood van het volk en richtte zijn activiteiten op dat facet van de maatschappij, een optreden, waardoor hij zich onderscheidde van de studentencorpsleden en gegoede liberalen met de zwart-rood-gouden corpskleuren. Want, terwijl het hen om politieke rechten ging, wilde Weidig vechten voor de verbetering van de maatschappelijke positie van boeren en handarbeiders. Weidigs strategie richtte zich op een grote coalitie tegen de vorstelijke machthebbers. Daarom verwachtte hij alleen iets van een pragmatisch bondgenootschap van de meest uiteenlopende fracties tegen de gemeenschappelijke vijand. In het belang van dat doel was hij bereid tot vergaande compromissen en bewust tactisch tewerkgaan. Voor hem kwam het nauwelijks aan op helderheid van perspectieven en scherpte van analyse. Büchner heeft hem daarom ook verweten dat hij een opportunist was.

__________________________________________________________________________________


3.
De ''Hessische Landbote" heeft dus twee schrijvers gehad, met verschillende politieke opvattingen. Het hoofdbestanddeel van het geschrift kwam voort uit de pen van Büchner: hij maakte op een doeltreffende manier gebruik van de opruiende middelen van beeldspraak en statistiek. Hij wees op het bezit, op het parasitisme van vorsten en liberale burgers, en haalde daar God noch grondwet bij.

Weidig heeft echter het geschrift ingrijpend gewijzigd. Deze veranderingen zijn bekend en ook vermeld door "rode August" een van de medesamenzweerders van Büchner. Weidig voorzag het geschrift van een inleiding, herzag de aanvalsrichting op belangrijke punten in de zin van een nagestreefde coalitie met de liberale burgerij en ontwikkelde aan het slot van het geschrift een christelijk visioen. Hij bleef erbij, dat de "rijken" vervangen moesten worden door de "voornamen" en spitste het geschrift toe op een polemiek tegen de Groothertog, het hof, de ambtenaren en de adellijke steunpilaren van de regering. Op die manier werd er een andere uitleg gegeven aan de nagestreefde maatschappelijke revolutie en teruggevoerd naar een strijd van de burgerlijke klasse tegen het monarchische en feodale systeem. Bovendien plaatste Weidig naast de schetsen en getallen van Büchner, Bijbelse citaten van Jesaja en Ezechiël, omdat hij uiteindelijk wist dat voor de Hessische boeren Jesaja en Ezechiël meer gezaghebbend waren dan Robespierre en Babeuf. Waar Büchner de kritiek op vorst en adel als oorlogsverklaring tegen de burgerlijke economie en maatschappij voortzet, plaatst Weidig het ideaal van het volkskeizerschap "met een christelijk stempel," het ideaal van een op standen gebaseerd Duitse eenheidsstaat, met een grote "Rijks- en volksdag" en "vrije verkiezingen door haar medeburgers."

__________________________________________________________________________________


4.
Het theoretische concept van Büchner was superieur aan dat van Weidig. Het was op zichzelf sluitend, had duidelijker grip op de historische ontwikkeling, met name van de burgerij, reikte over de horizon van de Duitse "louche tirannie" heen, maar overschatte de revolutionaire daadkracht van de boeren. De "Hessische Landbote" had geen effect, de boeren leverden het vlugschrift gewetensvol in bij de politieautoriteiten, en een ander gedeelte van het vlugschrift werd nog voor de verspreiding in beslag genomen, omdat het plan verraden was. Een aantal "samenzweerders" werd in hechtenis genomen, Büchner – met een opsporingsbevel gezocht – moest uiteindelijk naar Frankrijk vluchten en rond Weidig trok zich het politienet samen: hij werd opgesloten in een kerker en bezweek tot slot aan de murw makende omstandigheden van zijn gevangenschap en de sadistische behandeling door de onderzoeksrechter Georgi, van beroep regeringscommissaris en alcoholist.


(Uittreksel van H. M. Enzensberger: Georg Büchner. Ludwig Weidig. Der Hessische Landbote. Teksten, brieven en processtukken. Met commentaar van H. M. E.  Frankfurt 1974 )

___________________________________________________________________________


5.
Over de vraag, wat in de "Hessischen Landbote" aan Büchner en wat aan Weidig toegeschreven moet worden, is de stand van zaken bij het onderzoek als volgt: het voorwoord bij de eerste druk (van juli) blijkt uit twee verschillende handschriften te bestaan: de eerste helft van het gedrukte voorbeeld, vanaf de "lamp," waarmee met "met het vet van de boeren voor verlichting zorgt," is van Büchner afkomstig en is waarschijnlijk maar op vier of vijf plaatsen door Weidig bewerkt. De hele tweede helft van de tekst van de Landbote, vanaf de passage "dat pikken jullie allemaal, omdat de schurken jullie vertellen: dat de regering bij gratie Gods bestaat" is in Weidigs handschrift bij zetter en drukker afgeleverd.


Bron: Mayer, Thomas Michael: Büchner und Weidig - Frühkommunismus und revolutionäre Demokratie. Zur Textverteilung des "Hessischen Landboten", in Georg Büchner I/II, Text + Kritik, München 1979/82
Georg Büchner, Werke und Briefe, Hanser Verlag München 1980, Kommentar S. 452

_______________________________________________________________________________


De bewaard gebleven briewisseling wordt in het recente Büchner-onderzoek in vier groepen ingedeeld, die overeenkomen met de stadia van de biografie van Büchner.

  • Het gelukkige eerste verblijf tijdens zijn studie in Straatsburg, van herfst 1831 tot zomer 1833.
  • De door depressie en politieke activiteit gekenmerkte periode in Gießen en Darmstadt, tot februari 1835, die eindigde met Büchners vlucht op politieke gronden.
  • De ballingschap in Straatsburg tot oktober 1836
  • Tot slot de laatste levensmaanden als universiteitsdocent in Zürich, gekenmerkt door een intensieve litteraire en wetenschappelijke arbeid.

__________________________________________________________________________________



Uit: Georg Büchner, Werke und Briefe, naar de historisch-kritische uitgave van W.R.Lehmann, Hanser München, 1980, pag. 245-91 en 485/6


7. Aan de familie

Straatsburg, 5 april 1833


Vandaag heb ik jullie brief met de verhalen uit Frankfurt ontvangen. Mijn mening is de volgende: als er in onze tijd iets moet helpen, dan is dat geweld. Wij weten wat wij van onze tijd kunnen verwachten. Alles waarin zij hebben toegegeven, werd hen door noodzaak afgedwongen. En zelfs die concessies zijn ons toegeworpen, als een afgetroggelde genade en rampzalig speelgoed, om het zich eeuwig vergapende volk zijn te nauw vastgesnoerde ceintuur te laten vergeten. Het is een blikken geweertje en een houten sabel, waarmee alleen een Duitser de smakeloosheid kan begaan om soldaatje te spelen. Onze stenden zijn een satire op het gezonde verstand, wij kunnen het daar niet nog een eeuw mee doen, en als wij het resultaat dan samenvatten, heeft het volk voor de mooie praatjes van zijn vertegenwoordigers nog steeds even duur betaald, als de Romeinse keizer, die zijn hofdichter voor twee onbeholpen gedichten 2000 gulden liet betalen. Men verwijt de jonge mensen het gebruik van geweld. Bevinden wij ons soms niet in een eeuwige toestand van geweld? Omdat wij in de kerker zijn geboren en opgegroeid, merken we niet meer, dat ons hoofd door een gat heensteekt, onze handen en voeten vastgeklonken zijn en er een prop in onze mond zit. Wat noemen jullie dan een wettelijke toestand? Een wet, die de grote massa van staatsburgers slaafs vee maakt, om de onnatuurlijke behoeften van een onbeduidende en verdorven minderheid te bevredigen? En deze wet, die gesteund wordt door barbaars militair geweld en door de domme sluwheid van haar vertegenwoordigers, deze wet doet recht en gezond verstand een eeuwig barbaars geweld aan en ik zal daar met mijn mond en handen tegen strijden, waar ik maar kan. Als ik niet heb deelgenomen aan wat er gebeurt is, en niet deel zal nemen aan wat er misschien gaat gebeuren, dan gebeurt dat niet uit afkeuring of angst, maar alleen omdat ik op het huidige tijdstip elke revolutionaire beweging als een vergeefse onderneming zie en niet de verblinding wil delen van de mensen, die in het Duitse volk een volk zien dat bereid is tot de strijd."

__________________________________________________________________________________


14. Aan August Stöber


Darmstadt, 9 december 1833


... De politieke toestanden kunnen mij razend maken. Het arme volk sleept geduldig de kar voort, waarop de vorsten en liberalen hun apenkuren uithalen. Ik bid elke avond tot de hennep en de lantaarn."

__________________________________________________________________________________


18. Aan de bruid


[Gießen, na 10 maart 1834.]


"... ik heb je laten wachten! Ik pak al een paar dagen de pen ter hand, maar het was mij niet mogelijk om maar een enkel woord te schrijven. Ik bestudeer de geschiedenis van de revolutie. Ik voel me verpletterd onder het gruwelijke fatalisme van de geschiedenis. Ik ontdek in de menselijke natuur een overrompelende gelijkheid, in de menselijke verhoudingen een onontkoombaar geweld, dat iedereen en niemand is verleend. De enkeling is slechts schuim op de golf, grootheid louter toeval, de heerschappij van het genie een marionettenspel, een lachwekkende worsteling tegen een voorbije wet. Dat toegeven is het allerbelangrijkste, het te beheersen een onmogelijkheid. Het komt niet langer in mij op om te buigen voor de paradepaarden en hoeksteunen van de geschiedenis. Mijn ogen zijn aan bloed gewend. Maar ik ben geen guillotinemes. Dat moet is een van de verdomwoorden, waarmee de mens gedoopt wordt. De uitspraak: er moet eerst ellende komen, maar wee degene door wie het komt – is huiveringwekkend! Wat is het toch dat binnen in ons liegt, moordt en steelt? Ik wil er verder niet over nadenken."

__________________________________________________________________________________


42. Aan de familie


Straatsburg, begin augustus 1835


".... ik heb Gutzkows prachtige kritiek gelezen en tot mijn vreugde gemerkt, dat ik geen aanleg voor ijdelheid heb. Wat overigens de zogenaamde onzedelijkheid van mijn boek betreft, kan ik daar het volgende op antwoorden: de dramatische dichter is in mijn ogen niets anders dan een geschiedschrijver, maar steekt boven de laatste uit, doordat hij ons het verhaal een tweede keer verschaft en ons dat rechtstreeks vertelt, in plaats van een droge vertelling op te dissen; doordat hij het leven in de tijd verplaatst, in plaats van karakteristieke karakters, en in plaats van beschrijvingen figuren schetst. Zijn belangrijkste taak is om de geschiedenis, zoals zij zich werkelijk heeft voorgedaan, zo nabij mogelijk te komen. Zijn boek mag noch zedelijker, noch onzedelijker zijn dan de geschiedenis zelf; de geschiedenis is echter door Onze Lieve Heer niet als litteratuur voor jonge dames geschapen, en daarom valt het mij ook niet kwalijk te nemen, als mijn drama daar evenmin geschikt voor is. Ik kan immers van die Danton en de bandieten van de revolutie geen helden van de deugd maken! Toen ik hun liederlijkheid schetste, moest ik even liederlijk zijn als zij, toen ik hun goddeloosheid wilde laten zien, moest ik ze net als atheïsten laten spreken. Als er een paar onfatsoenlijke uitdrukkingen in voorkomen, moet men maar denken aan het alom bekende, obscene taalgebruik van de toenmalige tijd, waarvan wat mijn personages zeggen, maar een zwakke afspiegeling is. Men zou mij alleen kunnen verwijten dat ik een dergelijk materiaal heb uitgekozen. Maar de tegenwerping is al lang weerlegd. Als men dat zou aanvaarden, dan zouden de grootste meesterwerken van de dichtkunst verworpen moeten worden. De dichter is geen moralist, hij bedenkt en schept figuren, hij laat de verleden tijd herleven, en de mensen zouden daarvan kunnen leren, net zogoed als van het bestuderen en observeren van de geschiedenis, en van wat zich in het menselijke leven om hen heen afspeelt. Als men dat zou willen, dan zou men geen geschiedenis mogen bestuderen, omdat daarin heel veel immorele dingen worden verteld; dan zou men met geblinddoekte ogen door de stegen moeten lopen, omdat men daar anders onfatsoenlijke dingen zou kunnen zien, en zou men moord en brand moeten schreeuwen over een God, die een wereld heeft geschapen, waarin zich zoveel liederlijkheden afspelen. Als men mij bovendien nog zou willen vertellen, dat de dichter de wereld niet moet tonen zoals zij is, maar zoals zij zou moeten zijn, dan antwoord ik, dat ik het niet beter maken wil dan Onze Lieve Heer, die de wereld ongetwijfeld heeft geschapen zoals die moet zijn. Wat de zogenaamde dichter van het ideaal betreft, vind ik dat zij bijna alleen maar marionetten met hemelsblauwe neuzen en een geaffecteerde hoogdravendheid hebben geleverd, maar geen mensen van vlees en bloed, wier leed en vreugde ik kan meevoelen, en wier doen en laten mij afschuw of bewondering inboezemen. Kortom, ik heb veel op met Goethe of Shakespeare, maar heel weinig met Schiller."

__________________________________________________________________________________


47. Aan de familie


Straatsburg, oktober 1835


. "... ik heb hier allerlei interessante aantekeningen aangeschaft over een vriend van Goethe, een ongelukkige dichter met de naam Lenz, die zich hier tegelijkertijd met Goethe heeft opgehouden en halfgek is geworden. Ik denk dat ik daarover een artikel in de Duitse Revue laat publiceren. Ik ben ook op zoek naar stof over een filosofisch of natuurhistorisch onderwerp. Nu nog even doorstuderen en de weg ligt vrij. Er zijn hier mensen, die mij een stralende toekomst voorspellen. Daar heb ik niets tegen."

__________________________________________________________________________________


51. Aan de familie


Straatsburg 1 januari 1836


"... Gutzkow heeft in zijn kringen moedig voor de vrijheid gevochten; de weinigen, die nog overeind staan en durven te spreken, moet men kennelijk ook nog monddood maken! Overigens behoor ik zelf niet tot de zogenaamde Jonge Duitsland, de litteraire partij van Gutzkow en Heine. Alleen een volstrekt onjuist opvatten van onze maatschappelijke verhoudingen kan mensen laten geloven, dat door journalistiek litteratuur een volledige omvorming van onze religieuze en maatschappelijke denkbeelden mogelijk zou zijn."

__________________________________________________________________________________


54. Aan Gutzkow


Straatsburg 1836

"Beste vriend!
 

... Om eerlijk te zijn, lijkt mij overigens dat jij en jouw vrienden niet echt de verstandigste weg zijn ingeslagen. De maatschappij door middel van het idee, vanuit de ontwikkelde klasse hervormen? Onmogelijk! Onze tijd is zuiver materieel; als jullie meteen rechtstreekser politiek te werk waren gegaan, dan waren jullie binnen korte tijd op het punt aangekomen, waar de hervorming vanzelf was opgehouden. Jullie zullen nooit boven de breuk tussen de ontwikkelde en onontwikkelde maatschappij uit kunnen komen.

Ik heb mijzelf ervan overtuigd, dat de ontwikkelde en welgestelde minderheid, hoeveel concessies zij ook voor zichzelf wil hebben van de machthebbers, nooit haar vinnige verhouding met de grote klasse wil opgeven. En de grote klasse zelf? Voor haar bestaan er maar twee hefbomen, materiële ellende en religieus fanatisme. Elke partij die deze hefboom weet te benutten, zal zegevieren. Onze tijd heeft ijzer en brood nodig – en vervolgens een kruis of zoiets dergelijks. Ik geloof, dat men bij maatschappelijke zaken van een absoluut rechtsbeginsel moet uitgaan, op zoek moet gaan naar de vorming van een nieuw geestelijk leven bij het volk en de uitgeleefde hedendaagse maatschappij naar de duivel moet laten gaan. Met wat voor bedoeling moet zoiets als dit, nog tussen hemel en aarde rondzwerven? Het hele leven daarin bestaat alleen maar uit pogingen om de vreselijke verveling te verdrijven. Ze mag uitsterven, dat is het enige nieuwe, dat ze nog kan meemaken. […]


Illustratie Opsporing verzocht Opsporing verzocht

De hieronder gesignaleerde Georg Büchner, medisch student uit Darmstadt, heeft zich door het verlaten van zijn vaderland onttrokken aan het gerechtelijke onderzoek vanwege zijn vermoedelijke deelname aan staatsverraderlijke activiteiten. Men verzoekt derhalve de openbare instanties in binnen- en buitenland, deze persoon bij geval van betrapping te arresteren en veilig bewaakt op onderstaande plaats af te laten leveren,

Darmstadt 13 juni 1835

De door het hofgerecht van de provincie Oberhessen van het groothertogdom aangestelde onderzoeksrechter, de

hofgerechtraad, Georgi

Persoonsbeschrijving.

Leeftijd: 21 jaar,

Lengte: 6 voet, 9 duim, nieuwe Hessische maat,

Haar: blond,

Voorhoofd: zeer gewelfd,

Kleur ogen: grijs,

Neus: krachtig,

Mond: klein,

Baard: blond,

Kin: rond,

Gelaat: ovaal,

Gelaatskleur: fris,

Gestalte: krachtig, slank,

Bijzonder kenteken: kortzichtigheid.

__________________________________________________


Korte biografie van Georg Büchner


Georg Büchner kwam ter wereld als zoon van de districtsarts Ernst Büchner. Hij was de oudste van zes kinderen. Zijn broer Wilhelm werd fabrikant en politicus, zijn zus Louise schrijfster en lerares vrouwenrecht, broer Ludwig werd filosoof en schrijver en Alexander hoogleraar litteratuurgeschiedenis.


Zijn moeder leerde hem lezen en schrijven, onderwees hem in de Bijbel en leerde hem talrijke volksliedjes. Met zijn vader had Georg een moeizame relatie. Ernst Büchner was een overtuigde monarchist en vereerde Napoleon, omdat die een einde had gemaakt aan allerlei geheime activiteiten. Hij was zeer streng voor zijn kinderen.


Na zijn middelbare school ging hij in 1831 medicijnen studeren aan de Universiteit van Straatsburg en woonde op kamers bij een evangelische predikant. Hij ging zich voor politiek interesseren en in 1932 hield hij voor de studentenvereniging een lezing over de politieke verhoudingen in Duitsland. In datzelfde jaar verloofde hij zich in het geheim met de dochter van zijn hospes. Haar stuurde hij de zogenaamde fatalisme-brief, waarin Büchner zijn programma van de mens als onderwerp van de geschiedenis formuleert (de mens zou niet actief in kunnen grijpen in het allesverslindende proces van de geschiedenis, hij wordt het schuim op de golf, een speelbal.) De tijd in Straatsburg noemt Büchner later zijn gelukkigste periode. In november 1833 verhuisde Büchner naar de universiteit van Gießen, omdat slechts twee jaar studie aan een buitenlandse universiteit was toegestaan. Daar, in het groothertogdom Hessen, maakte hij rechtstreeks kennis met de pesterijen van de overheid en de macht van de staat. Hij interesseerde zich uitsluitend voor filosofie en medicijnen. Later werd een van Büchners docenten het voorbeeld voor de dokter in Woyzeck, die men zich nauwelijks dommer en gruwelijker kan voorstellen. Ook over zijn medestudenten was hij niet tevreden. Hij vond hen niet radicaal genoeg. Daarom richtte hij met een oude schoolkameraad uit Darmstadt en een aantal andere studenten, de "Vereniging voor Mensenrechten" op, een geheime organisatie naar Frans voorbeeld, met het doel om de politieke verhoudingen omver te werpen.


Begin 1834 werd Büchner geïntroduceerd bij Friedrich Ludwig Weidig, een van de oppositieleiders in Hessen. Het kwam weer tot een onenigheid. Weidig wilde een verbond met de welgestelde liberalen, industriëlen en handelslieden, omdat hij alleen op die manier een kans voor de uitvoering van zijn revolutionaire ideeën zag. Büchner zag echter als basisprobleem de materiële ongelijkheid en armoede van de plattelandsbevolking. Hij was dus tegen een coalitie met de welgestelden.


In juli 1834 werd de Hessische Landbote gedrukt, die door Büchner was geschreven en door Weidig tegen de zin van Büchner ingrijpend was bewerkt. Het riep de Hessische plattelandsbevolking op tot een opstand tegen hun onderdrukking. Weidig had de passages die duidelijk strijdig waren met de liberale verbondspartners gladgestreken. Büchner vond dat Weidig daarmee aan de tekst de eigenlijke bedoeling had ontnomen. Ondanks de afzwakkingen van Weidig werd het geschrift door veel liberale en industriële oppositieleden scherp bekritiseerd. Bij de plattelandsbevolking vond het enigermate ingang en daarom werd in september 1834 zelfs een tweede druk plaatsvond. De tekst daarvan was door de medesamenzweerder Leopold Eichelberg nog verder afgezwakt. In augustus werd Karl Minnigrode, een van de samenzweerders, gearresteerd met 150 exemplaren van de Landbote. Op 4 augustus liet de universiteitsrechter Georgi in het geheim de kamer van Büchner doorzoeken. Een dag later werd Büchner door Georgi verhoord, maar niet gearresteerd.


In 1835 schreef hij, naar eigen zeggen, binnen vijf weken Dantons Dood en stuurde het manuscript naar Karl Gutzkow, met het verzoek om een snelle publicatie. Hij had het geld nodig voor zijn voorgenomen vlucht. Dantons Dood beschrijft het mislukken van de Franse Revolutie. In tegenstelling tot de historische Danton, onderkent de litteraire Danton van begin af aan de zinloosheid van zijn onderneming. Nadat Büchner geen gevolg had gegeven aan de dagvaarding van de onderzoeksrechter, werd hij via een opsporingsbericht gezocht. Op 9 maart vluchtte hij naar Straatsburg. Na zijn vlucht verbrak zijn vader ieder contact met hem, maar stond zijn moeder wel toe om Georg verder met geld te steunen.


Dantons Dood werd eind juli gepubliceerd. In diezelfde zomer vertaalde hij twee drama’s, Victor Hugo’s Lucretia Borgia en Maria Tudor. In de herfst hield hij zich bezig met het verhaal Lenz, waarin hij het psychische lijden van de schrijver Jakob Lenz beschreef.


In de winter van 1835 wijdde hij zich weer aan de wetenschap. Het jaar daarop schreef hij zijn dissertatie Verhandeling over het zenuwstelsel van de barbeel. In datzelfde voorjaar ontstond ook zijn Leonce en Lena.


In 1836 werd hem aan de universiteit van Zürich de doctorstitel verleend en begon hij zijn werk als privaatdocent. Nog voor zijn verhuizing naar Zürich was Büchner in Straatsburg begonnen met Woyzeck. Het werk bleef fragmentarisch.


Op 2 februari 1837 kreeg hij een ernstige vorm van tyfus en stierf daaraan op 19 februari, in het bijzijn van zijn bruid. Hij werd begraven op het stadskerkhof van Zürich.


Hij had zichzelf en de revolutie verloochend.


(Geraadpleegd: Wikepedia.de)



OVER GEORG BÜCHNER

Uit: H.P.G. Quack De socialisten



In Hessen werd, in de academie-stad Gieszen, in het voorjaar van 1834, het eerste Duitse socialistische pamflet van de negentiende eeuw geschreven en verspreid.


Schrijver van het pamflet was een twintigjarige student Georg Büchner, met wiens kortstondig opflakkerende leven wij ons een ogenblik moeten bezighouden [1] Hij was een zeldzaam begaafde jonge man. Zijn grote kennis, de adel van zijn geest, zijn intense gemoedsleven werden gewaardeerd door al zijn tijdgenoten, studenten aan de academie. Met warme toewijding was hij aan de studie van de natuurwetenschappen begonnen, en tegelijk wist zijn dichterlijke geest, vooral in het drama, een eigen letterkundig gebied te veroveren. Maar bovenal trok hij zich de zaak aan van het in politieke en sociale verhoudingen zo onrechtvaardig behandelde Duitse volk. En de geschiedenis heeft gewild, dat, juist door zijn werkzaamheid op dat laatste terrein, zijn herinnering is blijven leven, hoe jong hij ook stierf. Hij overleed al op 23-jarige leeftijd, in 1837. Toeristen, die ‘s zomers een paar dagen in Zürich vertoeven, dwalen wel eens over de heuvels, die de aan het meer liggende stad omgeven, en zien dan dat er op een kleine hoogte, aan de westelijke helling van de Zürichberg, op de zogenaamde Germania-heuvel, tegen een kleine lindeboom, een steen te zijner eer is opgericht. Op die steen zijn gegrift zijn naam, de dagtekeningen van zijn geboorte en overlijden, en verder de volgende  regels van Herwegh:


Ein unvollendet Lied sinkt er in 's Grab,

Der Verse schönsten nimmt er mit hinab.


Hij werd 27 October 1813 in de buurt van Darmstadt geboren. Zijn vader was er geneesheer en zou zelf spoedig een praktijk in Darmstadt beginnen. Die vader was een toonbeeld van deugdzaamheid en correcte plichtsvervulling, streng voor zichzelf maar ook voor anderen. Hij was nog uit het tijdperk van Napoleon, had als officier van gezondheid de grote veldtochten medegemaakt en was met hart en ziel een bewonderaar van Napoleon gebleven; verder een man van orde en tucht, en van het hout, waaruit conservatieve aanhangers of hoofdbeambten van de regering worden gesneden [2]. De moeder, ene Reusz, nicht van de bekende professor in de theologie te Straatsburg, was juist het tegenbeeld van die vader: vol Duits enthousiasme, zin voor kunst en literatuur, dwepend met Schiller en Körner. De zoon Georg, oudste kind van een vrij uitgebreid gezin, aardde helemaal naar zijn moeder. Hij verdiepte zich ook in Duitse dichters: een Matthison, een Bürger. Later  zal hij zich hartstochtelijk op het natuuronderzoek storten. Zijn vader besliste, dat hij medicijnen moest studeren. Daarvoor ging hij naar de Franse academie van Straatsburg, waar familieleden van zijn moeder woonden en waar hij zich op anatomie en zoölogie zou toeleggen. Hij kwam daar aan in oktober 1831. Men was dáár, in de hoofdstad van de Elzas, nog altijd vol herinneringen aan wat heel Frankrijk in de glorierijke julimaand van het jaar 1830 had beleefd. Vrijheidsideeën werden er met geestdrift geuit, en de jonge Duitse student moest bij zichzelf zonderlinge vergelijkingen maken tussen het vreugdevolle, blijde, actieve, politieke leven in Frankrijk en de doffe, drukkende slaaptoestand, waarin zijn eigen vaderland en in de eerste plaats het groothertogdom Hessen verkeerden, gebukt als zij gingen onder de zware reactie [3]. Hij had al een open oog voor Franse inzichten, maar nu leerde hij de radicale stromingen kennen, ook die van de socialisten daar. Levendig volgde hij, vanuit de verte, met zijn blikken en gedachten, wat in Duitsland door de jeugd, hoe onbezonnen dan ook, voor vrijheid hier en daar werd gedaan; hij volgde met spanning de onbesuisde, waanzinnige aanslag te Frankfurt op 3 April 1833 ondernomen en verijdeld [4]. Hij droomde van verbonden en geheime genootschappen, zoals Frankrijk die in die dagen kende. Intussen verwaarloosde hij zijn studie niet. Met de meeste ijver werkte hij aan zijn natuurstudie onder leiding van geleerde professoren. Net als de jonge Goethe, toen deze op het eind van de 18de eeuw in Straatsburg studeerde, vond zijn hart er zijn eerste (voor hem enige) liefde, en bestond zijn verpozing in het beklimmen van de Dom. Vanaf die hoge toren richtte hij dan zijn blikken op Duitsland, het naar zijn inzien vertrapte en vernederde Duitsland. In die stemming verliet hij, na een verblijf van twee jaar, in juli 1833 Straatsburg, om zijn studie te voltooien aan de Hessische hogeschool te Gieszen.


In Gieszen vond toen de gebeurtenis plaats, waardoor zijn naam in de geschiedenis van het socialisme blijft leven. In Duitsland teruggekomen, in de kleine, enge, benauwende beambten- en professorenwereld, voelde hij op knagende wijze het geweldig contrast tussen het van vrijheid tintelende Frankrijk en het éénzelvige, in dode vormen versteende, onderworpen Duitsland. Hij sloot zich aan bij groeperingen om verzet tegen de Duitse vorsten te bieden, maar hij ging meteen verder dan de versten. Bleven de anderen staan bij politieke liberale aspiraties, de jonge Büchner begreep, dat men zich vóór alles de belangen van de massa moest aantrekken, en wel in de eerste plaats haar materiële belangen. Wat hadden de arme boeren en handwerkslieden aan de fraaiste wetten over vrije drukpers en vrije vereniging? Büchner vroeg leniging van hun noden en ellende. Zij moesten eten en als mensen leven. Hij was als student te Gieszen al zeer snel in contact gekomen met een ‘Schuldirector’ te Butzbach bij Gieszen: de predikant Weidig. Ook deze offerde geheel zijn levenskracht en zijn geldelijk vermogen op voor het volk, maar vooral om, op de manier van de ‘Burschenschaften’ van het jaar 1815, Duitsland aanhoudend te doordringen van die hoge, ideële, zelfstandige geest, die de Germaanse jeugd tijdens de bevrijdingsoorlogen tegen Napoleon bezield had. Er waren verschilpunten genoeg tussen Weidig en Büchner. Weidig dacht in de eerste plaats aan politieke rechten van de vrije staatsburger; Büchner beefde vooral van woede bij de tegenstelling tussen arm en rijk. Weidig wilde een Duitse protestantse keizer, tronend over het tot éénheid gebrachte Duitsland; Büchner droomde slechts van de sociale republiek. Weidig gruwde van de Franse revolutie en wilde niets weten van de emancipatie van de Joden; Büchner verlangde gelijkheid voor allen, zoals de Franse conventie dat had uitgesproken. Weidig hield vast aan de Kerk en het overgeleverde protestantse Christendom; Büchner was filosoof en op zijn best een pantheïst. Maar zij zouden voor het ogenblik samengaan. Zij zouden elkaar helpen. Büchner richtte nu op Franse leest een geheim genootschap op, een ‘Gesellschaft der Menschenrechte’, in navolging van ‘La Société des droits de l'homme’ te Parijs, en zou vlugschriften schrijven om de boeren en burgers tegen de overheid op te zetten. De titel van de vlugschriften, die op onbepaalde tijden konden uitkomen, zou luiden: ‘Der Hessische Landbote’. In Maart 1834 schreef Büchner het eerste van deze vlugschriften, dat ook het enige zou blijven.


Zoals het daar voor ons ligt [5] negen eng gedrukte octavoblaadjes groot, is het niet zuiver Büchners werk. Hij moest overleggen met Weidig, en deze zou op de door hem ingerichte geheime drukkerij het stuk ter perse leggen. Büchner moest dus goedvinden, dat Weidig - terwille van het gezamenlijke grote doel - er enige veranderingen in aanbracht. Weidig heeft van die voorwaarde een ruim gebruik gemaakt, en er vooral veel bijbelteksten ingelast, die op de boerenstand moesten inwerken. Maar zelfs onder bedekking van zulk een kalklaag, is de brochure bijtend en giftig genoeg. Luister bijvoorbeeld naar het begin:


Vrede aan de hutten! Oorlog aan de paleizen! Het ziet ernaar uit dat in 1834 de Bijbelse leugens worden afgestraft. Het ziet ernaar uit alsof God op de vijfde dag de boeren en handarbeiders en op de zesde dag de vorsten en voorname mensen heeft geschapen en alsof de Heer tot hen heeft gezegd: heerst over alle gedierte, dat op aarde rondkruipt, waarbij hij de boeren en burgers tot de wormen heeft gerekend. Het leven van de hooggeplaatsten is één lange zondag, ze wonen in mooie huizen, dragen sierlijke kleren en hebben bolle gezichten en een eigen taal. Voor hen ligt het volk als mest op de akker. De boer loopt achter de ploeg en laat die door de os trekken. Maar de rijke loopt achter hem aan en neemt het graan en laat hem de stoppels. Het leven van de boer is één lange werkdag. Vreemden putten onder zijn ogen zijn akker uit, zijn lijf is vereelt en zijn zweet is het zout op de dis van de hooggeplaatste. –


Na die aanhef gaat Büchner de Staatsbegroting van Hessen ontleden. Er wordt, volgens hem, door de 700,000 inwoners ongeveer 6½ miljoen gulden opgebracht. De schrijver ontleedt aan wie die zes en een half miljoen ten goede komen, en hij komt tot de slotsom, dat de gelden alleen worden gebruikt voor de regering en voor de rijken zelf.


‘Ga maar eens naar Darmstadt en zie hoe de heren zich daar met jullie geld vermaken en vertel dan aan jullie hongerende vrouwen en kinderen, dat jullie brood vreemde buiken lekker dikgemaakt heeft, vertel hen over de mooie kleren, die met jullie zweet zijn geverfd, en over de sierlijke sjerpen, die uit het eelt van jullie handen gesneden zijn, vertel hen over de statige huizen, die van de knekels van het volk zijn gebouwd; en kruip dan weer in jullie rokerige hutten en buig je boven jullie steenachtige akkers, zodat jullie kinderen ook ooit kunnen gaan kijken, als een erfprins met een erfprinses gaat zorgen voor een nieuwe erfprins, en zodat ze door de geopende glazen deuren het tafelkleed kunnen zien, waarvan de heren eten en de met het vet van de boeren gevulde lampen kunnen ruiken, waarmee men het geheel verlicht. Jullie pikken dat allemaal, omdat die schurken jullie vertellen: "deze regering is van God." Deze regering is niet van God, maar van de vader der leugen.’


Het moet dus in Duitsland allemaal anders worden. Verwacht echter niets - zo gaat hij verder met nieuwe grondwetten.


‘Waaruit bestaat die grondwet in Duitsland dan? Alleen maar lege strohalmen, waar de vorsten de graankorrels voor zichzelf uit hebben geslagen. Wat zijn onze landdagen? Louter trage vrachtkarren, die men een of twee keer de roofzucht van de vorsten en hun ministers in de weg legt, waarmee men nooit een vaste burcht voor de Duitse vrijheid op kan bouwen. Wat zijn onze kieswetten? Niets anders dan krenkingen van de burger- en mensenrechten van de meeste Duitsers.’. Neen, weg met al die constituties en andere wetten. ‘Daarvoor hebben jullie een woestenij aan wetten, opeengehoopt uit willekeurige voorschriften uit alle tijden, meestal in een vreemde taal geschreven. De onzin van alle vorige geslachten is daarin op jullie overgegaan; de druk, waaronder zij zijn bezweken, is op jullie voortgewalst. De wet is eigendom van een onbeduidende klasse van voorname en geleerde lieden, die zichzelf door hun eigen knoeiwerk de heerschappij toebedeelt. De rechtspraak is slechts een middel om jullie onder de duim te houden, zodat zij jullie gemakkelijker kunnen afbeulen. Zij spreekt volgens wetten, die jullie niet vatten, volgens regels, waar jullie niets van afweten, spreken oordelen uit, waar jullie niets van begrijpen..... Justitie is in Duitsland al honderden jaren de hoer van de Duitse vorsten. Iedere schrede waarmee jullie haar naderen, moeten jullie met zilver plaveien en haar uitspraken betalen jullie met armoe en vernedering. Denk aan het stempelbiljet, denk aan jullie buigen in het kantoor, en hoe jullie op wacht staan voor hen. Denk aan jullie kosten voor schrijvers en gerechtsdienaren. Jullie mogen je buurman aanklagen, die een aardappel van jullie steelt; maar klaag eens over de diefstal, die van staatswegen elke dag in naam van heffingen en belastingen aan jullie eigendom wordt begaan, zodat legio nutteloze ambtenaren zich kunnen vetmesten door jullie zweet; klaag er eens over dat jullie aan de willekeur van een aantal vetbuiken zijn overgeleverd en dat die willekeur wet heet; klaag erover dat jullie de ploegpaarden van de staat zijn; klaag over jullie verloren mensenrechten: waar zijn de gerechtshoven die jullie klachten in ontvangst nemen, waar zijn de rechters, waar is de rechtspraak? – De ketenen van jullie medeburgers uit Vogelsberg, die men naar Rokkenburg heeft gesleept, zullen jullie antwoord geven.’. –


Zo giert en buldert dit pamflet. Het geeft nog een trap tegen koning Ludwig van Beieren, ‘het door God gebrandmerkte monster, het varken, dat zich in de Italiaanse lastermodderpoelen rondwentelt’; het scheldt in de verte op Louis Philippe, den huichelaar met zijn half-legitieme koningschap; en roept tenslotte het volk op om wakker te worden en zich op te richten.


‘Jullie hebben je lange jaren gebogen op de doornakker van het knechtschap, maar dan zullen jullie zweten van de warmte in de wijngaard van de vrijheid ….. Jullie hebben jullie levenlang de aarde omgewoeld, maar dan zullen jullie een graf voor jullie tirannen graven..’


Dat pamflet zou vanuit Butzbach en Gieszen verspreid worden onder alle boeren in Hessen. Een van de eerste samenzweerders - de student Minnegerode - die, op 1 Augustus 1834, de brochures tussen zijn kleren verstopt in Gieszen binnenbracht, werd daar al aan de poort aangehouden. In het geheime genootschap, dat door Büchner was georganiseerd, school een verrader, een zekere Kuhl, die de plannen van de samenzweerders aan de regering verried.


Merkwaardig: die verrader had Büchner veel te lief om hem aan te geven. Hij noemde dus de politie allerlei namen, ook die van Weidig, die later in de kerker werd gegooid en dáár stierf - maar Büchner gaf hij aanvankelijk niet aan. De regering begon echter verdenking tegen hem te koesteren. Hij verliet Gieszen dus en ging eind augustus 1834 bij zijn ouders te Darmstadt wonen.


Dáár, onder het dak en onder de ogen van een strenge vader, die ook argwaan tegen hem begon te koesteren, bracht hij een barre winter door. Ogenschijnlijk was hij bezig in het laboratorium van zijn vader, maar in werkelijkheid organiseerde hij in Darmstadt opnieuw een geheim genootschap, weer een ‘Gesellschaft der Menschenrechte’, waartoe een 35-tal zonen uit Darmstadt behoorden. Voorts schreef hij een wild hartstochtelijk drama: ‘Danton's dood’, dat hij einde februari 1835 aan Karl Gutzkow stuurde. Hij begon intussen bang te worden. De uitwerking van het pamflet op het volk was hem niet meegevallen. Voorzover de exemplaren op het platteland bij dagloners en in de hutten waren terechtgekomen, was het enige resultaat, dat de arme lieden het nummer van de ‘Landbote’ zo gauw mogelijk naar de veldwachters en dienders brachten, zodat, wonderlijk genoeg, de regering in het bezit kwam van bijna de hele voorraad van de gedrukte exemplaren [7]. Verder begon de vader steeds strengere blikken op hem te werpen. En - wat het ergste was - de regering kreeg nu in overvloed bewijzen in handen, dat Büchner een van de hoofdschuldigen van alles was. Hij werd op 27 Februari 1835 voor den rechter van instructie gedaagd. Büchner begreep, dat hij verloren had en dat hij in de kerker terecht zou komen. Hij nam wat geld aan, waarschijnlijk van zijn moeder, en vluchtte haastig de Franse grens over. Voor zijn vader was hij voortaan dood: zijn naam werd niet meer in het bijzijn van zijn vader uitgesproken.


Zelf was hij naar Straatsburg gegaan, waar hij het meisje, dat hij liefhad, terugvond. Hij leefde er stil en werkte hard aan zijn natuurstudie. Enkele letterkundige opstellen werden ook ter hand genomen, maar in de eerste plaats vervulde hem nu de studie voor zijn vak. De hoogleraren te Straatsburg begonnen hem opnieuw zeer te waarderen en hielpen hem verder.


Zo dong hij naar en verkreeg hij een positie als privaat-docent in de vergelijkende anatomie aan de universiteit te Zürich. In oktober 1836 vertrok haar daar naartoe. Opgewekt begon hij daar met zijn voordrachten, maar al in februari van het volgende jaar overviel hem een kwaadaardige ziekte, waaraan hij op 18 februari 1837 in Zürich bezweek. Hij was toen drie en twintig en een half jaar oud [8].


Zijn naam zou echter in Duitsland blijven leven. Zijn herinnering werd door de latere socialisten geëerd. Nog altijd wordt hij in die kringen herdacht als een voorloper van Ferdinand Lasalle. Enkele van zijn broeders en zusters zouden er tevens voor zorgen, dat de door hem gedragen naam ook in wijdere kringen werd genoemd. Wij denken bijvoorbeeld aan zijn jongere broer, dr. Ludwig Büchner, de auteur van ‘Kracht en Stof’ [9]; wij denken ook aan zijn zuster, Louise Büchner - de vriendin van prinses Alice te Darmstadt, Victoria's dochter - die altijd werkzaam was, om de positie en de werkkring van de vrouw in Duitsland te verbeteren en te verfijnen.


Zelf liet Georg Büchner geen leerlingen na. Trouwens hij was zo jong. Twee mannen beriepen zich later echter voortdurend op hem. De eerste was August Becker [10], een toen 22-jarig ‘Bettelstudent’ in Gieszen, die wij later in Zwitserland zullen ontmoeten. Hij zag er in die dagen al heel buitenissig en excentriek uit. Zijn rode haar en lange rode baard hadden hem de bijnaam ‘rode’ Becker gegeven. Verder droeg hij geen jas maar slechts een mouw-vest, had een zwarte baret op zijn hoofd, hoge ruiterlaarzen aan zijn benen, en een geweldig dikke knuppel in de hand. Zijn gestorven vader was in Hessen predikant geweest, en had zijn gezin in bittere armoe achtergelaten. August Becker had als enig inkomen dagelijks zeven kreutzer, die hijzelf moest innen, en die hij slechts kreeg onder voorwaarde dat hij theologie zou studeren. Hij verkeerde nu, te arm om te leven en toch verder te rijk om van honger om te komen, in voortdurende opstand tegen de maatschappij: het type van de proletariër van de geest. Hij had zich aan Büchner gehecht en verrichtte voor hem allerlei kleine diensten. Hij schreef zijn opstellen netjes over, zo ook het pamflet ‘Der Hessische Landbote’, voordat het geschrift naar de drukkerij ging; verder was hij de meest betrouwbare bode van het geheim genootschap [11]. - De tweede adept, die zich ook op Büchners omgang zou beroemen, was Karl Schapper, student te Gieszen, die nog bijtijds wist te vluchten. Hij zou later onder de uitgewekenen een grote rol spelen in Parijs en Londen.


NOTEN


[1]Wij volgen hier de vrij uitgebreide biografie (180 bladzijden) die Karl Emil Franzos geplaatst heeft als voorwoord van de uitgave van ‘Georg Büchners sämmtliche Werke und handschriftlicher Nachlasz.’ Frankfort, 1879.

[2] Een broer van hem, Willem Büchner, was naar Holland gegaan, en had aldaar als geneesheer een grote faam gemaakt. Diens zoon was dr. Büchner te Amsterdam, een in zijn tijd bekend lid van de Eerste Kamer van de Staten-Generaal.

[3] In dat Hessen waren net enkele boeren-opstanden tegen het heffen van de drukkende belastingen te Södel uit elkaar gejaagd.

[4] Aan die Frankfurtse aanslag had ook de bekende literator dr. Müller-Strübing meegedaan, over wie dr. Byvanck in ‘De Gids’ van October 1893 schrijft.

[5] De titel van het blaadje luidt: ‘Der Hessische Landbote. Erste Botschaft.’ Het blaadje dat wij bezitten is waarschijnlijk een tweede druk, want het is gedateerd: ‘Darmstadt, in Nov. 1834’. Zie ook ‘Büchners sämmtliche Werke’, 1879, pag. 283.

[6] Overal waar Büchner het woord rijk had gebruikt, werd het door Weidig veranderd in voornaam. Zie Franzos, in het voorwoord bij ‘Büchners sämmtliche Werke’ 1879, pag. 114.

[7] Zie Franzos, in het voorwoord bij ‘Büchners sämmtliche Werke,’ 1879, pag. 147.

[8] Een paar dagen na Büchners dood stierf ook - door zelfmoord - Weidig in de gevangenis. Weidigs dood bepaalde (naar men zegt) de roeping van Wilhelm Liebknecht, detijds een jongen van elf jaar, die familie van hem was, zie Franz Mehring, ‘Geschichte van de deutschen Sozialdemokratie’, 1897, deel I, pag. 63.

[9] Dr. Ludwig Büchner stierf in Mei 1899. Van tijd tot tijd treffen wij ook hem aan onder de socialisten. In 1863 sprak hij zich uit ten voordele van Lassalle, zie Lassalle's ‘Reden und Schriften,’ II, 1892, pag. 503. In het jaar 1867 was hij secretaris op het congres van de ‘Internationale’ te Lausanne. Later vervreemde hij van de arbeiders-beweging, zie ‘Die neue Zeit,’ 1898/99. II, pag. 196.

[10] Zie Bernstein's ‘Documente des Socialismus’, Band I, Februari 1902, p. 203. Een broer, Alexander Becker, gaat na 1848 naar Frankrijk; onderwijst er Duits; laat zich naturaliseren tot Fransman. Zie over zijn Mémoires ‘Le Temps’ van 18 Maart 1900.

[11] Zie Franzos, in het voorwoord bij de uitgave van de ‘sämmtliche Werke’ van Büchner, pag. 92-97.


Pyramide van het kapitalistische systeem

Naar boven