Home


Een Episode uit Platland

of

hoe een platte burger

de derde dimensie ontdekt

AANGEVULD MET

EEN OVERZICHT VAN DE GESCHIEDENIS VAN UNÆA

door

Portret Charles Howard Hinton

Charles Howard Hinton

Illustratie Een Episode uit Platland

London:

SWAN SONNENSCHEIN & CO., LIMD.,

25, High Street, Bloomsbury


VOORWOORD

Vaak is er bezwaar gemaakt tegen het woord Platland en het begrip platte wezens, alsof het bestaan van een dergelijke streek en wezens die in die omgeving verkeren onmogelijk is. Aan al die twijfels wordt meteen een einde gemaakt in de inleiding bij dit verhaal, waarin een grondige analyse wordt gegeven van de structuur van deze mensen, van de natuurlijke geografie van de streek en een historische beschrijving van de gebeurtenissen uit het verleden.

In de behandeling van de Episode die het onderwerp vormt van dit verhaal, wordt echter een andere opzet en werkwijze gevolgd. Er wordt een poging gedaan om de fysieke en zeer vergaande beperkingen van die mensen op de achtergrond te plaatsen, zodat de lezer met een manier van waarnemen die bij hen een aan ons verwante aard herkent, de situatie kan leren begrijpen door middel van de gevoelens, daden, denkbeelden en worstelingen van de spelers zelf.

De lezer hoeft alleen maar te bedenken dat op het moment waarop het verhaal begint, de bewoners van Astria — deze platlanders, deze Unæërs — een beschaving hadden bereikt die, hoewel mechanisch niet zozeer ontwikkeld als de onze, toch wat betreft de organisatie van de Staat, het handelsbeleid, de ongelijke verdeling van bezit en de aantrekkelijkheid van de maatschappij, niet zo heel erg anders was dan onze situatie.


HOOFDSTUK

I. - EEN VLUCHTIGE BLIK OP DE UNÆASE MAATSCHAPPIJ
II. - DE STAATSMAN
III. - VADER EN DOCHTER
IV. - EEN DINEETJE
V. - HET BLOEMENFEEST
VI. - OP DE EENZAME BERG
VII. - LAURA’S BRIEF
VIII. - DE ORBIëR
IX. - LAURA GRIJPT EEN HAND
X. - DE CONFERENTIE
XI. - DE SAMENZWERING VAN CARTWRIGHT
XII. - DE AANVAL
XIII. - HET BELEG
XIV. - DE NIEUWE ORDE
XV. - EEN MIDDAGBEZOEK
XVI. - EEN TOEVALLIGE ONTMOETING
XVII. - DE REIS
XVIII. - DE HOOFDREDACTEUR
XIX. - OPNIEUW OP DE EENZAME BERG
XX. - APOLOGIE


INLEIDING

Op een dag legde ik een paar munten op tafel (fig. 1), en vermaakte mezelf door ze wat rond te schuiven. Het trof me dat het op een of andere manier echt op een soort planetenstelsel leek. De grote munt in het midden stelt dan de zon voor en de andere haar planeten, die er omheen reizen. En toen ik me daarbij voorstelde dat de planeten bewoonde werelden waren, die alleen maar rond hun eigen zon konden bewegen en over de tafel konden schuiven, zag ik dat we de wezens die deze werelden bewonen moeten zien op een manier, waarbij ze op de buitenranden van die werelden staan en niet over hun platte oppervlak lopen. Net zoals de aantrekkingskracht, in het geval van onze aarde, naar het middelpunt toe werkt en dat middelpunt onbereikbaar is, vanwege de ondoordringbaarheid van het lichaam waarop wij staan, zouden de bewoners van mijn muntenwerelden over een aantrekkingskracht beschikken die zich, vanaf het midden van de munt, in alle richtingen over het oppervlak van de tafel uitstrekt. "Omhoog" zou dan voor hen van het centrum uit naar buiten tot over de rand zijn, terwijl "omlaag" vanaf de rand naar binnen, naar het centrum toe zou betekenen. Het zou dus juist zijn om te zeggen, dat wezens die in die positie verkeren, op het randje staan. (fig. 2).

Illustratie Een Episode uit Platland    Illustratie Een Episode uit Platland


En toen zag ik, dat als ik aannam de het oppervlak van de tafel volmaakt glad was, zodat daarop niets de beweging zou kunnen belemmeren, deze wezens er helemaal geen benul van zouden hebben, dat er een oppervlak was, waar zij overheen schoven. Aangezien het oppervlak steeds contact maakt met elk bewegend ding, zouden zij daar geen bewust idee van hebben. In dat opzicht zou er geen verschil bestaan. En toen zag ik dat ik een afbeelding had van een tweedimensionale wereld, een wereld waarin haar schepsels zouden denken dat de ruimte zelf tweedimensionaal was.

We zien dat de schijven, waar deze werelden uit bestaan, op een of andere manier ondersteund moeten worden, maar wezens van een dergelijk universum zouden een dergelijke vraag niet stellen — ze zouden denken dat de hele aanwezige ruimte uit de omvang bestond van de bewegingen die zij maakten. Ze zouden nooit op de gedachte komen van een beweging van de tafel af of erin, omdat ze daar altijd contact mee maakten.

Maar het zou heel moeilijk zijn om te beseffen hoe "uit" een schijf, zoals bij een van mijn munten, als "omhoog" gevoeld zou kunnen worden en naar binnen, naar het middelpunt, als "omlaag." Om mijn geest op dit punt wat gerust te stellen, stelde ik mij voor dat ik op de evenaar van onze aarde stond, en daar langs keek, en dat er toen een grote stalen plaat naar beneden kwam en de aarde precies langs de evenaar doorsneed en vervolgens opnieuw naar beneden kwam en een plak evenwijdig aan de eerste afsneed. En toen bedacht ik dat die plak aarde en ikzelf tegen de plaat bleven plakken, zoals een plakje wortel aan een mes blijft hangen. Op die manier kreeg ik het gevoel dat ik me op een schijf bevond, met een "omhoog en omlaag" en een "vanaf en naar" het middelpunt van de schijf.

Maar ik had nog steeds niet het besef van een andere richting dan dat "vanaf en naar" — langs de rand van de schijf — en het "omhoog en omlaag" van het middelpunt af en er naartoe. Ik kon niet voorkomen dat ik mijzelf het gevoel van links en rechts toekende — van de stalen plaat af en erin. Om dat gevoel kwijt te raken, moest ik duidelijk mijn besef van mijn hele lichaam veranderen. Zonder het snijden zover door te drijven dat ik mijzelf als plakje zag, stelde ik mij voor dat ikzelf van een heel dun materiaal was gemaakt, precies even dik als de plak aarde, en veronderstelde dat ikzelf en de hele plak even dik waren, en precies even dicht tegen de plaat aanlagen.

"Als ik nu", zei ik toen, "geen besef had van die dikte, als de plaat volmaakt glad was en ikzelf en alles wat ik kende daar volmaakt vrij overheen bewoog, zou ik een tweedimensionale ervaring hebben. Het bewegen van mijn arm of het wijzen van mijn vinger, waren bewegingen die alleen in contact met de plaat konden plaatsvinden, en ik zou nooit naar een derde dimensie kunnen wijzen. Ik zou dat niet eens kunnen bedenken, want alle bewegingen van alle dingen vinden dan langs het oppervlak van de plaat plaats."

Zonder te bedenken dat ik slechts een lijn of driehoek was, of een andere meetkundige figuur, werd het me dus duidelijk dat ik me mijzelf kon voorstellen als een tweedimensionaal wezen. Als mijn dikte heel gering zou zijn en ik mij daar niet bewust van was en als ik nooit van het contact met een oppervlak zou afkomen, zou ik mezelf ervaren als een tweedimensionaal wezen. Het leek dus uiteindelijk toch mogelijk dat er echte tweedimensionale wezens waren. Maar als iets echt bestaat, is de enige reden om het niet te zien, dat het óf te klein óf te ver weg is — of misschien een heel andere reden. Dus ging ik proberen om deze tweedimensionale wezens te ontdekken en alles over ze te weten te komen. Ten slotte slaagde ik daarin en als ik je niet vertel hoe, ben ik bang dat het niet om een erg belangrijke reden gaat. Want als ik zou vertellen hoe iemand iets over hen te weten kan komen, ben ik bang dat Dhr. Wells of Dhr. Gelett Burges, of misschien een andere briljante schrijver over hen zouden gaan schrijven en die wezens zouden opdienen op een manier om geestig en humoristisch over te komen. Dan zou niemand naar mij luisteren. Omdat het nu eenmaal zo is, heb ik mij voorgenomen om mijzelf maar het plezier te doen om over hen te vertellen.

Een ding wat mij steeds heeft beziggehouden, vanaf het begin waarop ik over deze platte wezens ging nadenken, waren hun ogen.

Het is duidelijk dat zij niet, zoals wij, twee ogen naast elkaar zouden kunnen hebben, want hun lichamen hebben geen dikte om ze zo te plaatsen. Als zij dus twee ogen hadden, vroeg ik mij af of het ene boven het andere zat, of dat ze een oog aan de voorkant en het andere aan de achterkant van hun hoofd hadden. Over deze en andere vragen kreeg ik achtereenvolgens alle informatie, die men zich maar kan wensen. Door wat ik heb ontdekt, ben ik van deze schepsels gaan denken dat ze erg op onszelf lijken, weliswaar onder verschillende fysieke omstandigheden — maar hun drijfveren, doelen en karakter zijn maar weinig anders, hoewel de omstandigheden verschillend zijn. Het enige globale kenmerk van het verschil dat ik zou willen schetsen, is dat ze niet zo massief zijn als wij. Ze kunnen gemakkelijker tot actie worden aangezet, en politieke en andere veranderingen kunnen soepeler worden doorgevoerd dan bij ons. Zij nemen ook meer bekrompen standpunten in dan wij en bekijken de dingen niet op even ruime en verdraagzame manier.

Om alles dat ik heb te zeggen op een systematische manier aan de lezer voor te leggen, zal ik beginnen met een beknopte geschiedenis van Astria, waarbij ik de gebeurtenissen zal samenvatten, die op die planeet plaats hebben gevonden vanaf de vroegste tijden, totdat ik bij het tijdperk kom, waarover ik uitvoeriger heb geschreven. Door een selectie te maken uit het materiaal, dat tot mijn beschikking stond, heb ik uit die periode wat uitgesproken en persoonlijke informatie gegeven over personen, die in latere gebeurtenissen een belangrijke rol hebben gespeeld.


DE GESCHIEDENIS VAN ASTRIA

Astria is een vlakke wereld en haar bewoners lopen langs de rand ervan. "Omhoog" is van het middelpunt van de schijf af, en "omlaag" naar het middelpunt toe. Om mijzelf de moeite te besparen om op anatomische bijzonderheden in te gaan, zal ik een Astriër schematisch weergeven door middel van een driehoek. En het zal bijdragen aan de duidelijkheid van de verbeelding van de lezer, als hij zich een groot vel van een of andere stof voorstelt, waar Astria, haar zon, en alle stoffelijke lichamen van dat reepje universum, verticaal op gerangschikt worden. Hij zal dan een meer waarheidsgetrouw beeld krijgen van de ideeën over beweging en voortgang in deze wereld.

Illustratie Een Episode uit Platland

De rand van de vlakke wereld van Astria wordt door twee oceanen — de Zwarte Zee en de Witte Zee — in twee vrijwel gelijke delen verdeeld (fig. 3). Omdat de dagelijkse rotatiebeweging van Astria plaatsvindt in de richting die wordt aangegeven door de pijl, lijkt de zon op te gaan boven de Witte Zee. De richting vanaf de bewoonde streken naar de Witte Zee wordt dan het "Oosten" genoemd.

In de vroegste tijden was het bewoonde gebied verdeeld tussen twee volkeren, de Unæërs en de Scythiërs. Van deze beiden waren de Unæërs verreweg het meest beschaafd. In feite werd alles dat in Astria de hoop wekte dat zij het juweel van haar planetenstelsel zou worden, bij de Unæërs aangetroffen, terwijl de Scythiërs een roofzuchtig nomadisch bestaan leidden. Bedreven als zij waren in alle levenskunsten, werden de Unæërs geleidelijk door de Scythiërs teruggedreven en overwonnen.

Toen Caesar in zijn geschiedenis van de Gallische oorlogen het over de plattelanders had, zei hij dat het door hun cultuur kwam, dat ze door de barbaarse en gestaalde moed van de Germanen ten onder gingen. Hij doet alsof beschaving en cultuur op zichzelf al iets slopends en verzwakkends met zich meebrachten voor de strenge deugden. Maar er moet een andere reden worden gezocht voor de doorlopende nederlagen van de Unæërs, de onophoudelijke roof van hun territorium, het doorlopend opslorpen door de Scythiaanse horden van een lichtende streek in hun duisternis, die daarbij ouderdom noch geslacht ontzagen, en het land dat zij ooit hadden veroverd nooit meer prijsgaven.

Illustratie Een Episode uit Platland

Ik zal de oorzaak van de ellende van de Unæërs verduidelijken. Mijn globale en vlotte weergave van de bewoners van Astria, door middel van een driehoek (fig. 4), is voldoende om mij in staat te stellen om de hoofdkenmerken te beschrijven van hun lichamelijke uiterlijk. Ik maak op de gangbare manier gebruik van deze figuur van een driehoek, als een model of symbool, dat eenvoudig en gemakkelijk is te tekenen, en wat mij, zonder enig overbodig en onvoorzien probleem, in staat stelt om iets duidelijk te maken. Het laat iets zien waar ik mij vaak over heb verbaasd, namelijk dat er een zekere aanwijzing voor bestaat, dat het Astriase geheel van bestaan eerder is gemodelleerd naar het patroon van een hoger bestaan, dan dat het een volledige aanpassing is aan de eisen van haar eigen beperkte wereld.

Als we naar de driehoek kijken die een Astriër voorstelt, zien we dat er aan de ene rand twee armen en één oog zitten, terwijl aan de andere rand geen zintuig- of grijporganen aanwezig zijn. Als de Astriër dus naar het Oosten loopt, zou hij zijn weg duidelijk zien en als hij met iets bezig is, dat ten Oosten van hem was geplaatst, zou hij daar gemakkelijk aan kunnen werken; voorwerpen echter, die zich ten Westen van hem bevinden, zou hij alleen maar kunnen zien als hij zich om zou draaien en een lichaamshouding zou aannemen waar hij, ondanks de soepelheid van zijn lijf, moeite mee zou hebben en die hij maar moeizaam enige tijd zou kunnen volhouden. Voorwerpen ten Westen van hem zouden dus alleen maar op een zeer onhandige en ondoeltreffende manier kunnen worden bereikt.

Voor ons lijkt het alsof het voor een Astriër gemakkelijk zou zijn om zich om te draaien, zodat hij in westelijke richting zou kunnen kijken. Maar om dat te doen zouden wij het dunne lijf van de man op moeten tillen van het vlak waarop het voortglijdt. Een dergelijke handeling is natuurlijk onbegrijpelijk voor de bewoners van een platte wereld, en hun lichamen zouden een dergelijke handeling niet verdragen, omdat ze veel te dun zijn om zonder gevaar omgedraaid te worden en zelfs maar even zonder ondersteuning te zijn van het vlak waar zij overheenglijden. Iedereen in Astria was geboren met het gezicht naar het Oosten, en met de blik op het Oosten gericht ging hij dan verder, tot hij doodging.

Ik denk dat het nu duidelijk is waarom de Scythiërs zoveel overwicht bleken te hebben op de Unæërs bij het oorlog voeren. Het gestel van het Astriase lichaam was van dien aard, dat een Scythiase man zo’n overwicht had op een Unæische man, dat daar geen behendigheid of discipline tegenop kon.

Illustratie Een Episode uit Platland

De Scythiër, die ik weergeef als een gearceerde figuur, (fig. 5) kon de Unæër duidelijk zien en hem doeltreffende slagen uitdelen, terwijl de Unæër, die ik weergeef als een niet-gearceerde figuur, zich in bochten moest wringen om de Scythiër te zien, en hij kon hem alleen indirect en naar achteren aanvallen of slaan.

Daarom werden de Unæërs jaar na jaar binnen steeds nauwer wordende grenzen gedreven, tot er uiteindelijk, met de Witte Zee aan de ene kant en hun onbedwingbare dwazen aan de andere kant, geen andere afloop leek te zijn dan een definitieve en absolute uitroeiing.

Ondanks dit hopeloze vooruitzicht was er geen sprake van een demoralisatie van de nationale identiteit: literatuur en kunst veranderden in drijfveren van een ingrijpender aard dan in tijden toen het gevaar minder dichtbij was, en de grootste geesten wijdden zich aan het inprenten van een onverschrokken en stoïcijnse dapperheid en aan een religie die de dood van zijn verschrikkingen beroofde.

In het licht van latere gebeurtenissen is het gemakkelijk om te zeggen, dat de intellectuele energie van het ras beter ingezet had kunnen worden voor de bestudering van de natuur en om haar de geheimen te ontfutselen voor een meer efficiënte manier van oorlogvoeren. Maar het voor de hand liggende wordt altijd ontdekt via een niet voor de hand liggende weg. De geschiedenis van Unæa maakt geen uitzondering op die regel, zoals het volgende verslag van hun ontdekking van de manier waarop ze de Scythiërs het hoofd konden bieden, zal laten zien.

Onder de mensen van dit langzaam uitstervende ras, waren er een aantal die hun geest aan alle angsten van hun tijd onttrokken en, onbaatzuchtig en zonder enig eigenbelang, de bewegingen van verre sterren bestudeerden. En zo werd bij de Unæërs, net als bij ons, de Wetenschap van de Astronomie geboren. Wetenschap, die belangstelling, die waardering van de dingen, in en voor hun eigen belang, waar wij gewoonlijk over denken als het product van een welvarende en bevoorrechte maatschappij, dook plotseling op in Unæa, toen het bolwerk van hun nationaal bestaan afbrokkelde onder de woeste en aanhoudende slagen van hun aartsvijand.

En net zoals bij ons de Astronomische Wetenschap haar eerste gave aan de mens schonk, door ons de kunst van het navigeren te schenken, gaf in Unæa de Wetenschap door de Astronomie haar eerste gave aan deze stervelingen. Maar de gave bestond niet louter uit het vereenvoudigen van een kunst. Het was van een ongehoorde grootsheid, niets minder dan de redding van hun ras. Want door het bestuderen van de veranderingen van de hemellichamen, die verantwoordelijk waren voor hun wisselvalligheid, eclipsen en verstoringen, stuitten de astronomen op de gedachte van de cirkelvorm van hun aarde. En toen het nieuws rondging, toen het nieuws van de een op de ander werd overgebracht, dat hun aarde zonder twijfel rond was, werden de harten van dit intelligente volk zondermeer met een grote vreugde vervuld. Want iedereen begreep onvoorwaardelijk, dat als hun wereld rond was, een Unæër die om hun schijf zou heen lopen, in een positie terecht zou komen, waarbij hij evenveel overwicht op een Scythiër zou hebben, als die Scythiër nu over hem had.

Illustratie Een Episode uit Platland

Aan de rechterkant van de tekening (fig. 6) zien we dus een Scythiër en een Unæër in hun gewone vechtpositie; maar aan de linkerkant zien we een Unæër die rond zijn aardbol is gelopen en ten opzichte van de Scythiër in een gunstige positie is aangeland.

Het vooruitzicht om hun erfvijanden tegen te komen onder zulke omgekeerde omstandigheden, bezielde het volk met de grootste hartstocht, en een tijdperk van astronomische ontdekkingen, vergelijkbaar met de tijd die er tussen de inspanningen van Ptolemeus en Newton ligt, werd in een paar jaar overspannen. De Unæërs overwonnen de problemen van de astronomische observatie, die in feite aanzienlijk waren.

In Astria kan bijvoorbeeld een buis niet gebruikt worden — er bestaat geen manier waarop de tegenover elkaar liggende zijden bij elkaar kunnen worden gehouden. Om het passeren van hemellichamen te observeren, moesten er gaten in de aarde worden gegraven. Het schema hieronder (fig. 7) laat een Unæa-telescoop zien — een opening in de grond, bedekt met een lens. Het is duidelijk dat de astronoom door hetzelfde gat naar zijn observatieplaats moet afdalen waardoor hij zijn observaties doet. Als er nog een opening zou worden gemaakt, zoals te zien is in de tweede tekening, zou de aarde boven de kamer naar beneden vallen, omdat er geen ondersteuning is die het op zijn plaats kan houden.

Illustratie Een Episode uit Platland

Om de problemen te overwinnen, die zowel met hun mijnbouw als met hun astronomische observaties gepaard gingen, boorden de Unæërs alle bronnen van hun daadkrachtige intelligentie aan. En voor er vele decennia voorbij waren gegaan, na de ontdekking van de cirkelvorm van de aarde, hadden ze genoeg informatie gekregen over het verschijnsel van de getijden, om het bestaan van een continent van tegenvoeters te voorspellen. Ze hadden ontdekt dat het stijgen en dalen van de zee aan hun kust geringer was dan wat er zou gebeuren als de Witte en Zwarte Zee de grenzen van dezelfde oceaan waren.

Het bestaan van dat continent leverde een expeditie op, om het in de rug aanvallen van de Scythiërs uitvoerbaar te maken. Hoewel het mogelijk was, verschilde het in details van elke andere militaire operatie die ooit was uitgevoerd.

De problemen bij het doorkruisen van een nog niet ontdekt continent waren voor Astria bijna onoverkomelijk. In de onbewoonde streken waren alle wouden geveld en ‘s zomers was de bodem bedekt met een veerkrachtig en buigzaam graangewas, dat de graankorrels in een opgerold, geveerd blad droeg. Over de veerkrachtige oppervlakte, die dit soort vegetatie bood, kon je snel en gemakkelijk reizen. Maar in het ongerepte woud was het anders.

Het is duidelijk dat als twee Astriërs elkaar tegenkwamen, de een gedwongen was om over de ander heen te klimmen, om hem te passeren. Wij kunnen een beeld van hun toestand vormen door te denken aan twee koorddansers die, omdat zij noch naar links, noch naar rechts kunnen uitwijken, over elkaar heen of onder elkaar door moeten. Zij zouden wel een idee van rechts en links hebben, maar zouden daar toch geen gebruik van kunnen maken. Maar de Astriërs hadden er én geen idee van, én hadden er, ook als zij het gekund hadden, geen gebruik van kunnen maken, omdat al hun bewegingen zodanig waren beperkt dat zij alleen maar konden worden uitgevoerd binnen de voorwaarden van hun materiële bestaan, dat wil zeggen, dat ze het vel waartegen zij rondschoven niet konden verlaten. Als het passeren van iemand anders al zoveel problemen opleverde, kun je bedenken wat voor een obstakel een enkele boom zou bieden bij het vooruitlopen. Als hij nog overeind stond moest hij beklommen worden, of als hij was omgezaagd en daar dan lag, met die hele warboel van takken, moesten ze daar overheen.

Gezien de problemen met de navigatie, het betreden van een onbekend continent en de terugkeer daaruit en het bouwen van schepen om de Zwarte Zee te doorkruisen, werd de kortste periode die er kon verstrijken tussen het vertrek van de expeditie en de aankomst van de mensen die het hadden overleefd, geschat op honderdvijftig jaar. Van de mensen die vertrokken zou geen enkele het doel kunnen bereiken. Een deel van het volk moest zich afscheiden. Voor die onderneming moest een groep vastberaden dappere kerels worden uitgekozen, onversaagd, stoutmoedig en getrouw. Een uitgelezen groep moest zich toegang verschaffen tot de onvoorstelbare woestenij van de eenzame tegenvoeters. Voor hun eigen leven en dat van hun kinders kinderen moesten zij de doolhofachtige streken met ongerepte wouden doorkruisen, waarbij niets van wat heel Unæa als goedgezind, oprecht en eerzaam beschouwde het voor hen gemakkelijker zou maken. En toch moesten zij hun liefde voor Unæa bewaren; in de harten van toekomstige generaties moest de ster van de vaderlandsliefde rijzen, die ervoor moest zorgen dat zij tijdens de vermoeiende tocht trouw zouden blijven, terwijl zij stap na stap de last droegen van de laatste en enige hoop van hun land.

De expeditie vertrok en heel Unæa boog zich met nieuwe geestdrift over de opdracht om hun ongelijke strijd voort te zetten. Zij dachten er zelfs aan om vrouwelijke strijders in te zetten, iets dat in die tijd onvoorstelbaar was.

Illustratie Een Episode uit Platland

Toen ik het over de Astriërs had, heb ik eerst alleen maar mannenfiguurtjes getekend, die allemaal, zoals je kunt zien, onvermijdelijk naar het Oosten zijn gekeerd. Om een vrouw weer te geven moet een figuurtje worden getekend dat de andere kant op kijkt, dus naar het Westen (fig. 8).

Een vrouw uit Unæa zou dus, als haar zwakte en angst door training overwonnen zouden zijn, goed toegerust zijn om weerstand te bieden aan een aanval uit het Westen. De natuurlijke ontvankelijkheid van mannen voor vrouwen en van vrouwen voor mannen, die wij in onze wereld zien, is in Astria tot een zeer uitgesproken hoogte opgevoerd. Een man kan het gezicht van zijn vriend niet zien, maar hij kan wel naar het gezicht van een vrouw kijken en de verandering van gelaatsuitdrukking opmerken, die zijn woorden teweegbrengen. De Unæërs toonden een grote ridderlijkheid in de manier waarop zij vrouwen bejegenden, en het werd doorverteld als een van de ergste verschrikkingen van het laatste stadium van hun oorlog, dat er zelfs een serieus voorstel van vrouwen was overwogen, die hun vrouw-zijn opofferden, door vrouwen in de strijd tegen de Scythiase onderdrukkers te gooien.

Hoe goed de opdracht, die de zwervers over land en zee was toevertrouwd, werd uitgevoerd, is een thema waar Unæïsche schrijvers graag bij verwijlen. Uit de mensen die de woestenij binnenvielen, rees een wendbaar, ondernemend en dapper ras op, met maar een enkele gedachte, de gedachte aan een mooi Unæa. Op de rustplaatsen, waar met de wapenen werd geoefend, op de halteplaatsen waar overhangende rotspartijen hen tartten, werd steeds maar weer het oude verhaal verteld, van dat mooie en verre Unæa dat op hen wachtte, en toch was hun verhaal prachtig en helder, omdat zij steeds minder woorden gebruikten; het dialect van deze woudlopers was op een merkwaardige manier anders dan de zoete toonval van de taal van Unæa.

Het uitzicht op de kristalheldere wateren van de zee, aan het einde van hun honderd jaar durende mars, kwam voor hen als de vervulling van een profetie. Ze bouwden hun schepen, staken de oceaan over en vielen hun erfvijanden aan met een kracht waarin, in een enkele vlaag van vernietiging, alle energie, gratie, denken en streven van hun ras was samengebald.

Hun felle aanval was onweerstaanbaar. Toen ze de grenzen van hun vaderland bereikten had Scythia, als natie, opgehouden te bestaan.

Door de komst van hen, de lang van haar afgesneden kinderen, werd de verschrikkelijke onderdrukking opgeheven, die altijd zwaar op Unæa had gewogen. Al haar meest vurige zonen hadden zich op de oorlog toegelegd; nu legden zij zich toe op de vredeskunst. En met het definitieve en absolute verdwijnen van elke overheersing, die hun macht zou kunnen aanvechten, vond er een merkwaardige verandering van mening plaats. Juist door de volmaaktheid van zijn succes had het leger de weg bereid voor een onttakeling van de waardering, die het in haar greep had gehad.

De overlevers van de avontuurlijke groep, de oude helden die de Scythiërs in het nauw hadden gedreven, werden beloond door het schenken van stukken land. Toen kreeg Unæa de rust om over andere dingen dan oorlog te denken. Het ging niet goed met het merendeel van de oud-strijders. Zij waren slecht toegerust voor zaken, en aan de aanlokkelijke listen en behendige intriges van spitsvondige mensen, gingen velen van hen ten onder. Dat het leger zich gewonnen had gegeven en een onbeduidende factor was geworden, dus van de uitoefenaar van de absolute heerschappij minder dan een nul was geworden, was te wijten aan twee factoren. De generaal die door zijn aangeboren talent om te bevelen het leiderschap van de binnendringers van Scythia had verworven, was iemand die Wall heette en getypeerd werd door absolute en onopgesmukte toewijding aan zijn land. De uitspraak van Wall, "Soldaat en dienaar", werd het wachtwoord van de meer gedegen leden van de militaire klasse, net zoals voor zichzelf. De andere reden voor de geruisloze verdwijning van het militarisme was de verstandige verordening van de kapitalistische klasse, die als onderdeel van de grondwettelijke instellingen van het land een permanent leger instelde, omdat ze de tijd voorzagen waarin onverhoeds gevechten met de arbeidersklasse zouden kunnen uitbreken. De functie van dat leger was in wezen slechts die van een goedgeorganiseerde en zeer efficiënte politiemacht, maar door een hoog salaris vast te stellen — gezien het soort werk — en door de voorzorg om mensen uit te sluiten die uit klassen kwamen die afwijzend stonden tegen de heersende orde, stelde de heersende klasse dus een zeer daadkrachtige waarborg in tegen gezagsondermijning.

De wijsheid die door de stichters van de huidige instellingen van Unæa aan de dag werd gelegd, werd ruimschoots ten toon gespreid door de daaropvolgende loop der gebeurtenissen.

Nadat de eerste periode van groei voorbij was, bewees het veelzijdige en ondernemende volkskarakter zich door een snelle ontwikkeling van de organisatie, en het aanwenden van elk mogelijk bron om de gevormde organisaties te begunstigen.

De arbeiders beschikten over organisaties die zich uitstrekten over alle geschoolde arbeid in elke tak. De kapitalisten waren verenigd in organisaties die de bevoorrading beheersten van alle soorten goederen. Te midden van deze twee elkaar vijandig gezinde groeperingen, verdwenen de kleinere werkgevers van het toneel. Arbeid en Kapitaal bleven over, tegenover elkaar, en aan de zijde van het Kapitaal, met zijn tradities van eigen rechten, zijn bestuur door de besten en zijn beheersing en leiding van de gemeenschappelijke krachten, stond het leger, een algehele bescherming tegen elke poging om met geweld de grondwet buiten werking te stellen.

Klassenverschillen werden gewoon op bezit gebaseerd. De bekoring van vroegere tijden, toen het behoud van het land nog van het leger afhing, was daar volledig van gescheiden — behalve in tradities die in het leger zelf voortleefden.

Het merendeel van het volk beschouwden de soldaten als huurlingen in dienst van de kapitalisten, terwijl de kapitalisten de soldaten beschouwden als een van de verschillende klassen van mensen die voor hen wilden werken tegen een bescheiden geldbedrag. Dat is een kort overzicht van de geschiedenis van Unæa, die voorafging aan de periode, die ik tot onderwerp van een aparte studie heb gemaakt.


Een Episode uit Platland

HOOFDSTUK I

EEN VLUCHTIGE BLIK OP DE UNÆASE MAATSCHAPPIJ

Als drieër is het gadeslaan en observeren van het doen en laten van de tweeërs een van de interessantste dingen die ik ken. Neem bijvoorbeeld Mevr. Castle. Ik vermeld haar hier, niet omdat ze van enig belang is voor ons verhaal, maar om mijn punt te veraanschouwelijken. Ze is een algemeen erkende schoonheid, maar dat is niet waarom ze zo geliefd is. Dat komt door haar aangename opzettelijke loslippigheid. Ze flapt er dingen uit waarvan niemand zou kunnen geloven dat ze dat met opzet doet tenzij, zoals in het volgende geval, hij een drieër en zij een tweeër was.

De tweeërs waar ze mee praat komen er zeer waarschijnlijk achteraf achter dat ze niet zo impulsief was als het leek. Maar ik heb het voordeel dat ik op het moment waarop het gebeurt precies alles zie wat er zich afspeelt, wat voor invloed platte mensen op elkaar hebben en hoe ze elkaar in de war brengen en misleiden. Want er schuilen altijd heel wat bewuste of onbewuste terughoudendheid, voorwendsel en berekening in de manier waarop ze met elkaar omgaan. Behalve in het geval van Laura. Zij is de volmaakte eenvoud en zou altijd de uitwerking hebben van een tweeër in hoeveel dimensies ze ook zou bestaan. Misschien is dat de reden waarom ze allemaal zo op haar gesteld zijn — Harold Wall, Forest, Flower, en niet te vergeten de chagrijnige oude historicus Lake, bij wie een dichtader opengaat als hij met haar praat.

Ik zal nu beginnen met mijn verhaal waarin ik de voorvallen en gebeurtenissen die alleen afzonderlijke mensen betreffen zoveel mogelijk ongeschikt zal maken, want mijn onderwerp is een episode in het leven van een volk.

Harold Wall was de jongste zoon van generaal Wall. Hij had de vergissing begaan dat hij dienst genomen had in het Leger. Dat had hij gedaan op grond van de glans van wapenfeiten uit het verleden, de tradities die nog zwakjes voortleefde in de militaire dienst en de bestaande plichten die zijn vak met zich meebrachten, die hij zeer serieus nam, totdat hij radeloos verliefd werd op Laura Cartwright, de dochter van een van de rijkste en invloedrijkste mannen van het land. Toen had hij bedacht dat hij een beroep had waarin hij geen enkele mogelijkheid had om zich te onderscheiden. In Unæa lag geen taak voor een leger. Hij was niet meer dan een politieagent. Wat zijn vader hem had nagelaten zou vroeger als een bescheiden rijkdom gezien zijn, maar in deze tijd stelde het amper iets voor en nog minder gezien de enorme rijkdommen in een latere periode. Een jaar wedijveren met verkwistende jongemannen uit de hoofdstad en een poging de godin van de speculatie uit te dagen hadden een ernstige aanslag gepleegd op zijn erfenis. Hij krabbelde terug en ontdekte dat het, gezien een ernstige en onvoorziene waardedaling van het grondbezit, geen eenvoudige zaak was om aan zijn verplichtingen te voldoen. In plaats van met enig vertoon van mannelijkheid de hand van Cartwrights dochter te kunnen vragen, was het enige lot dat hij haar kon vragen met hem te delen het onopvallende en armzalige bestaan van een ondergeschikte officier in een dienst die ver afgeraakt was van haar ooit eerzame plek in de publieke waardering. In die situatie bood Cartwright, in zijn officiële hoedanigheid als minister van Buitenlandse Zaken, hem de functie aan van gouverneur van de Kolonie, die ze van plan waren te stichten op de kust van Septentria. Hij verzocht hem dringend het aanbod te aanvaarden omreden dat het gunstig was als iemand met zijn naam de leiding zou hebben over de eerste nederzetting in die verre streek en hij vertelde hem dat alleen al het feit dat hij aan het hoofd zou staan, het meest veelbelovende voorteken zou zijn voor succes bij de publieke opinie. Wall was het daarmee eens geweest. Hij aanvaardde de post. En nu was hij naar een van die openbare openluchtfestiviteiten gekomen die zo in zwang waren in Unæa in de hoop Laura tegen te komen, een paar woorden met haar te wisselen en een gesprekje te voeren waar hij misschien de komende jaren aan terug zou kunnen denken. Hij wilde duidelijk alleen gelaten worden, maar Mevr. Castle liep op hem toe, vastbesloten hem alle redenen te ontfutselen voor zijn vrijwillige ballingschap.

"Ha, Hr. Wall, ik heb u een tijd niet gezien — en is het waar dat u naar Septentria gaat?"

"Ja, Mevr. Castle."

"Ik zei dat ik het niet geloofde, u kunt toch niet menen dat u zichzelf zo gaat vergooien."

"Ik zie het als een goed begin."

"Over smaak valt niet te twisten, maar uw vader is daar ook naartoe gegaan, dus ik denk dat het in de familie zit — maar hij had kameraden en er was een doel. U hebt daar alleen maar boeren en arbeiders."

"Na verloop van tijd zal Septentria een even belangrijk land zijn als dit."

"O ja, maar intussen — Hr. Wall, u moet niet gaan. Als iets u hier zou houden, zou ik blijven. Maar, serieus, waarom zou u gaan? Dhr. Cartwright heeft u zonder twijfel omgepraat, hij kan iedereen overhalen om alles te doen."

"Integendeel, het is een grote kans, en ik ben Dhr. Cartwright daar heel erkentelijk voor."

"Hé, Harold, waar ben je de hele tijd geweest?" Het was Laura Cartwright die dat zei en toen ze zag hoe ze elkaar begroetten, kreeg Mevr. Castle opeens een inval, wat eigenlijk altijd gebeurde als er een mogelijkheid was om tweedracht te zaaien. Ze maakte de geniale veronderstelling dat Cartwright Wall deze verre baan had aangeboden om zich van een ongewenste huwelijkskandidaat af te maken. Ze ging zover als ze durfde met het onder woorden brengen van haar gedachten.

"O, lieve Laura," zei ze, "ik was zo blij dat ik Dhr. Wall zag, maar wat denk je dat Dhr. Cartwright gedaan heeft? Hij heeft Dhr. Wall gewoon gedwongen naar Septentria te gaan, net nu we de kans hadden hem vaker te zien," en ze fladderde weg.

Tegen de verbijsterende schoonheid in een doorzichtige lavendelblauwe wolk, met een onvoorstelbaar sierlijk gebogen hoedje en een heldere vragende blik, zei Harold verontschuldigend: "Het is niet eenvoudig Mevr. Castle iets uit te leggen."

"Dus papa wil dat je naar Septentria gaat, Harold?" zei ze, terwijl ze hem een bevallig vragende blik toewierp. Nee, helemaal niet, maar omdat ik hier niet kan blijven, bood hij me die kans."

"Ik begrijp niet waarom je hier niet zou kunnen blijven," zei het meisje.

"Het is ondoenlijk," zei hij.

"Dat is wat je zegt als je het niet wilt uitleggen. Zeg me nu niet dat er zakelijke redenen zijn die een dom meisje niet zou kunnen begrijpen."

"Nee, Laura, helemaal niet. Ik heb een hypotheek op mijn huis die betaald moet worden."

"Nou, Harold, verkoop het dan; het is veel waard; je hebt niet zoveel grond nodig."

"Ik heb het geprobeerd. Ik kan er niet genoeg voor krijgen om mijn schuld af te betalen."

"Harold, waar ben je allemaal geweest? Het hangt er vanaf waar je geweest bent en hoeveel moeite je hebt gedaan."

"Ik ben naar de Staatsbank geweest — daar loopt mijn hypotheek."

"Dat is een andere naam voor papa."

"En naar de Persepolis Trust Company."

"Papa is daar een van de directeuren; als een van die bedrijven bij je probeert af te dingen gaan ze natuurlijk allemaal onder één hoedje spelen —Harold, ik zou niet verkopen."

Harold schoof haar opmerking terzijde. "Dat bezit is niet meer zoveel waard als het was. Je vader heeft me een kans geboden waardoor ik alles kan laten zoals het is."

Een blos, roze als de vanzelf lichtgevende dageraad, straalde van haar gezicht en de kuiltjes in haar wangen verdwenen haast in deze nieuwe kleurschakering. Ze wist dat ze er harteloos uitzag, maar de kleine zege door Harold alles te vertellen wat hij niet wilde en het besef van haar macht over hem waren te heerlijk.

"Ja natuurlijk, Harold," zei ze, "het lijkt alsof papa eerst geprobeerd heeft je weg te jagen en je vervolgens beloond heeft omdat je weggaat. Wat voor reden kan dat hebben?"

"Is het niet waarschijnlijk," zei Wall, "dat je vader zich met mijn zaken bemoeit, want hij heeft trouwens ook gezegd dat het hem persoonlijk erg zou spijten als ik zou gaan."

Op Laura’s gezicht verscheen een uitdrukking van een lichte mate van ongeloof.

"Er is geen reden. Want wat voor reden zou er kunnen zijn?" zei hij.

"Dat moet je mij niet vragen," zei Laura ingetogen, "ik ben maar een meisje en heb helemaal niets kunnen zien van de plannen van mijn vader, hoezeer ik daar ook mijn best voor heb gedaan. Ik neem aan dat jullie daar in huiden gaan lopen als jullie kleren helemaal versleten zijn; ze zullen lekker en warm zijn bij die koude winters. Dus als je weer terugkomt Harold, zal ik een hele oude vrouw zijn en heel kouwelijk en je moet me beloven dat je dan een heleboel warme vachten meeneemt." Zo gezegd liep ze verder.

Geen twijfel dat die zinspeling op haar toekomstige gevoelens niet meer dan een toevallige uitspraak was van het meisje, maar voor Harold was het, als hij pas terug zou komen als Laura al oud was, alsof zijn hele leven de zon zou kunnen schijnen en de aarde bloeien zonder dat hij dat ooit zou zien, Hij besefte ook dat hij door dit aantrekkelijke meisje niet goed genoeg gevonden was en het gesprek was niet geweest wat hij gewild had. Hij wilde dat hun laatste gesprek lang en rustig zou zijn, zodat hij de komende jaren genoeg zou hebben om aan terug te denken en erop te kunnen teren. Maar er was helemaal niets bevredigends geweest aan hun onderhoud. Er was niet het geringste teken geweest van toenadering van Laura of dat ze het op prijs stelde. Maar wat zou het allemaal anders zijn als hij haar weer terug zou zien!

Dhr. Cartwright was op dat moment Harold dicht genoeg genaderd om hem te herkennen en zei,
"Goed dat ik je zie Wall; ik heb een of twee dingen in een verzegelde envelop gedaan, die volgend jaar opengemaakt mag worden. De winters worden zoveel kouder dat ik niet zeker weet of de oceaan wel lang genoeg ijsvrij blijft voor een doorgang aan het eind van de volgende zomer en ik wil deze onderwerpen niet eindeloos uitstellen. En dat is waar ook, je kunt heel wat aan je salaris toevoegen door hier vachten naartoe te verschepen; pak wat je pakken kunt. Volgens de weerkundige dienst krijgen we een periode van strenge winters."

Harold stond op het punt te zeggen dat zijn plichten als gouverneur niet verenigbaar waren met dit soort privéondernemingen, maar Cartwright gunde hem geen tijd.

"Laat maar," zei hij, "dat zou ik graag zien, wat daadkracht en ondernemingszin bij jonge mensen.
Heeft mijn dochter je al ontmoet?"

Overal in het rond kabbelende gesprekken, nooit heel ernstig, maar wel altijd geanimeerd. Deze platlanders, om het woord te gebruiken waarmee ze over elkaar spraken — niet met enig idee van geringschatting, maar om uiting te geven aan de buitengewone volheid van bestaan —, deze platlanders hadden een enorme verscheidenheid van zeer levendige interessen en geen onderwerp was voor hen te ernstig om er niet op in te gaan als het maar op een lichtvoetige en luchtige manier ingebracht werd. Sociale hervormingen, de laatste wetenschappelijke ontdekkingen, de nieuwste opvattingen over de Staat, waren allemaal gewenste onderwerpen die afwisseling brachten in het gebabbel over politiek en maatschappij.

Literatuur was vrijwel geheel verdwenen want de armen stonden te zeer onder druk door de noden van het dagelijkse leven om nog te lezen, en de rijken waren te zeer bezig met genoeglijke verzetjes om iets dat serieuze aandacht vroeg nog nauwkeurig te bestuderen. Anderzijds bloeide de wetenschap, uitgeoefend door een deskundige klasse van specialisten en door iedereen waarderend beschouwd, zelfs door de mensen die het minst in staat waren hun actieve geest te onderwerpen aan de veeleisende eentonigheid van geconcentreerd bezig zijn.

*****

"Laten we gaan luisteren wat hij vertelt," zei Agatha Harcourt, met haar blik gericht op een modieuze filosoof van het meest recente slag, die omringd werd door een groepje vrouwen."

"Wat heeft dat voor zin?" vroeg Forest, "hij dist je alleen maar theorieën op en ik kan je wel vertellen waar ze toe leiden."

"We kunnen toch eerst luisteren zodat we weten wat die theorieën zijn," zei ze.

Maar Edward Forest was niet van zins Agatha naar iemand anders dan zichzelf te laten luisteren.

Forest was een goed voorbeeld van de jonge welgestelde platlander. Hij had veel aangename eigenschappen en een alleraardigste gewoonte om zich volstrekt openhartig te uiten. Hij had allerlei armoede gekend of wat het betekende het te moeten doen zonder alles wat hij wilde. Omdat hij nu zelf gelukkig was wilde hij iedereen gelukkig maken en behalve dat hij het vermogen kwijtgeraakt was om nog ergens serieus over te zijn, zou je kunnen zeggen dat hij aan alle kanten deugde.

Hij genoot van zijn gesprekken met Agatha. Bij de meeste meisjes was aandacht als een klit, die gemakkelijker wat dieper vastgeduwd dan losgemaakt kon worden van waaraan ze zich vastgeklampt hadden. Maar hij kon Agatha’s gedachten daadwerkelijk bewegen, oppakken en op een andere plek weer neerzetten. Als hij zich op welk onderwerp dan ook concentreerde, kon hij een professor worden alleen al om het genoegen waarmee hij dan naar Agatha’s gezicht keek als ze naar hem luisterde als hij zijn college gaf. Allereerst kwam er dan een uitdrukking van verbazing, dan van een lichte verbijstering en daarna omarmde ze de nieuwe mening en maakte een opmerkinkje om te laten zien dat ze nieuwe feiten volledig aanvaardde. Ze had een gave om iets te geloven en geloven is uiteindelijk de belangrijkste factor voor kennis.

"Zijn theorieën zijn heel eenvoudig," zei hij, "hij is een moralist van de nieuwe richting en vertelt je dat je in plaats van naar de innerlijke stem, naar de stem van buiten moet luisteren."

"En je idealen bijstellen?" zei Agatha.

"Nee, juist versterken, de moralisten hebben geslapen, de vooruitgang van de beschaving heeft hen ingehaald. Denk aan wat de hele wetenschap gedaan heeft, zij heeft onze omgeving gemaakt en het enige dat we moeten doen is ons aanpassen aan de eisen die dat ons oplegt."

"Daar hou ik van," zei Agatha, "dat laat zien hoe machtig de wetenschap is."

"Ja," zei Forest. "Als we geen blijk geven van ons intellect, zouden we elk moment onder de voeten gelopen of verpletterd kunnen worden; we leven zo opeengepakt dat we elkaar goed moeten behandelen en die buitenposten brengen ons in contact met de uithoeken van de aarde, zodat we aan het geheel moeten denken. Het is een prachtige theorie, maar het is een vreselijke tijd voor me geweest toen ik dat consequent uit probeerde te voeren."

"Ik wist niet dat je daar een aanhanger van was."

"O, en ook nog een enthousiaste."

"Nou vertel me dan maar," zei Agatha, "hoe je tewerk bent gegaan."

"Een van de eerste dingen is zakelijke methoden in te brengen in je huiselijke kring. Ik had dus niet een dergelijke kring, dus begon ik bij mijzelf. Je weet hoe bijvoorbeeld bankiers en andere zakenlieden, als ze je schrijven, je een stuk papier toesturen en het enige wat je hoeft te doen is het te ondertekenen en dat is ook de manier die ik bij mijn correspondentie gebruik. Als ik een vriend schrijf sluit ik een antwoord bij en het enige dat hij hoeft te doen is het te ondertekenen. Je hebt geen idee hoe bevredigend de antwoorden zijn die ik krijg."

"Maar," zei Agatha, die er niet tegen kon als iets niet helemaal logisch was, "je zei dat je een vreselijke tijd gehad had."

"Ja, dat kwam door het volgende," en Forest ging verder en vertelde haar hoe hij, omdat hij te weten wilde komen hoe het stond met de gevoelens van een bepaalde jongedame tegenover hem en heel eerlijk wilde zijn, een half dozijn brieven bijgesloten had waaruit ze kon kiezen. Maar het meisje in kwestie had een even grote hekel aan lezen als aan schrijven gehad en omdat ze ervan uitging dat hij haar een cadeautje had gegeven dat ze bij haar correspondentie kon gebruiken, had ze de brieven willekeurig rondgestuurd aan jongemannen uit haar kennissenkring.

"Dat gaf een vreselijke hoop gedoe," zei hij. "Ja, dat zal best," zei Agatha, "maar niet voor jou."

"Denk aan mijn gevoelens — misschien heb ik wel aanleiding gegeven tot een slecht passende relatie."

"Was dat de laatste vóór Laura,?" vroeg ze. Forest keek haar aan met een blik die meer ergernis toonde dan dat ze dacht dat hij kon.

Maar al gauw hernam hij zich. Voor de door het lot begunstigden waren het leven en Platland inderdaad heerlijk. Het is een misvatting te veronderstellen dat dikte voor de natuur onmisbaar is om haar meest gulle gaven te laten zien. Kijk naar de pracht van bloemen, het schitterende kleurenspel van ragfijne draden, de opaalkleurige zweem van dunne parlemoerlaagjes. Juist in het dunne en ijle legt de natuur haar uiterste inspanningen en in deze mensen, allemaal dun en ijl, had de natuur een terrein gevonden dat paste bij haar vaardigheden.

En nadat zijn gevoel van ergernis voorbij was, konden er dus geen betere woorden gekozen worden dan waarmee Forest zijn gevoelens voor Laura aanroerde en zijn vastberadenheid om te blijven hopen en door te zetten. En nooit was een fijngevoelig begrip ooit troostender geweest dan wat Agatha toonde. Maar ze was zelf heel serieus en probeerde hem ter wille van hun vriendschap uit zijn verliefde gedachten te halen.

Agatha had de wetenschap bestudeerd en wist dat er nog veel meer was buiten de aangename invloed van een mooie buitenkant en probeerde daarom Forest naar die heerlijke geestelijke genoegens te sturen die hij zo vaak met haar gedeeld had. "Edward," zei ze, "het is niet wat Laura innerlijk is waar je wat om geeft, het is altijd om hoe ze er uitziet, je liefde voor haar is oppervlakkig."

"En dus echt," antwoordde hij, "dat oude drogbeeld van iets stoffelijks is nietszeggend. Ik wil Laura niet ontraadselen, het is om wat ze is dat ik van haar houd, ze is het wezen van het hele bestaan, alleen maar lieftalligheid."

Hoezeer Agatha ook meevoelde met Forest, ze had niet erg veel vertrouwen in het welslagen van zijn pogingen. Ze zuchtte zachtjes en bewaarde haar inspanningen voor een gunstigere gelegenheid.

*****

Toen hij wegliep van de opgewekte bijeenkomst, probeerde Harold het beeld van Laura uit zijn hoofd te zetten en riep daarvoor alles te hulp waarmee hij haar omlaag kon halen. Maar haar aangename bekoorlijkheden maakte aan al zijn aarzelende argumenten een einde. De tijd waarin ze als jongen en meisje samen gespeeld hadden was nog niet zo lang geleden — ooit was dat verschil er nog niet — het was toen zoiets als de zoon van zijn vader zijn en Cartwright was nog maar een van de vele opdringerige en daadkrachtige zakenlieden.

Nu kon Harold misschien nog hopen dat hij het zo ver zou brengen als een van de bedienden of tuinlieden van Cartwright en buiten rijkdom was er geen andere manier om je te onderscheiden. De mogelijkheden om geld te verdienen die ooit bestaan hadden, waren nu afgedekt door organisatievaardigheden aan het hoofd van grote bedrijven — waardoor er niets overgebleven was voor onafhankelijk ondernemen.

In dienst treden van een van de grote bedrijven en je omhoog werken tot een vertrouwelijke functie was tegenwoordig de enige manier waarop mensen rijk werden, met uitzondering van fortuinlijke uitvinders en slimme juristen.

Hij kon zich een voorstelling maken van het beleefde ongeloof waarmee haar vader het vragen om de hand van zijn dochter zou onthalen — die hele redelijke manier waarop hij zou zinspelen op een waanidee van een jongen en meisje dat niet ten nadele van zijn dochter gebruikt diende te worden.

Elke keer als hij Cartwright tegenkwam voelde hij een opstandige trots bij de manier van doen van de man. Nog een bewijs, zei hij tegen zichzelf, van hoe weinig geschikt hij was voor de gangbare gelegenheden om hogerop te komen.

De leiding over de Kolonie! Dat was nog eens een staaltje van geluk — en ongelooflijke verrassing.

Hij knarste met de kiezels onder zijn voeten toen hij bedacht hoe het avontuur aan de overzijde van de oceaan hem met vreugde vervuld zou hebben, als hij haar niet gekend had. Nu zag hij het als een soort dood.

*****

"Hallo, Wall, wanneer ga je?" Het was de socialistische afgevaardigde van de Nationale Wetgevende Raad die zich tot hem richtte.

Wall vertelde hem hoe de voorbereidingen ervoor stonden.

"Ik ben blij dat je gaat, dan hebben we iemand minder om rekening mee te houden."

"Ga maar mee, dat heb je nog maar één met wie je dat hoeft te doen."

"Nee, hier ben ik veiliger; denk je dat je, als je weer terugkomt, de zaken hier weer net zo zult aantreffen als ze nu zijn?"

"Zonder twijfel; jullie hebben hier wel die enorme massa stadsbevolking, maar het leger kan die wel in de hand houden. Als het er op aankomt zijn de plattelandsdistricten en hele arbeidersgroeperingen tegen jullie."

Het raadslid antwoordde verbolgen, "ja, de kapitalisten hebben zoals je zegt bepaalde groeperingen van ons omgekocht — ze laten hen meedoen met het plunderen van de gemeenschap en denken dat ze hen met lichaam en ziel ingepalmd hebben. Maar we zullen ze kapot maken."

"Zelfs dan zul je merken dat het een hele tijd kost om de bestaande orde der dingen te veranderen."

De afgevaardigde moest toegeven dat dit een juiste waarneming was. Dankzij de beperkte bewegingsmogelijkheden was in Astria een goedbewapende en gedisciplineerde krijgsmacht veel doeltreffender dan bij ons. Omdat hij tegen Wall niets in kon brengen, volstond hij met te zeggen:

"Je wilt dus zeggen dat de huidige staat even lang in stand zal blijven als jouw salaris gewoon betaald wordt?"

"Ja, als je het zo wilt stellen," zei Wall.

"En wie betaalt jou? Wie betaalt jou bijvoorbeeld, Wall, om deze stakkers mee te nemen zodat ze de hongerdood sterven?"

"De Handelsbank en Verenigde Mijnen."

"Helemaal niet, wij doen dat, de mensen die jij onderdrukt. Je weet hoe de prijs van kolen en olie deze afgelopen buitengewoon strenge winter gestegen is."

"Ja."

"Nou, de prijs daalt niet. De bank en de mijneigenaars hebben besloten die prijzen zo te handhaven; ze hebben een aflossingsfonds ingesteld om alle kosten van jouw expeditie in het tienvoudige verhalen."

Wall had een militaire afkeer van regeren door het volk. Zijn opvatting over de Staat was een gedisciplineerd geheel dat onder leiding samenwerkte. De oligarchie die in feite Unæa regeerde, maakte gebruik van economische krachten om dwang toe te passen; ze verschaften discipline en richting. Maar Wall mag misschien wel verontschuldigd worden voor zijn wens dat ze niet zo uitgesproken financieel deskundig zouden moeten zijn.

*****

Terug op de kazerne trof Harold een levendig gevoerde discussie aan. Het was een van de avonden waarop de jonge officieren bijeenkwamen om samen de maaltijd te gebruiken en met elkaar te praten.

Want uiterlijk konden ze dan wel allemaal lijken op een onbuigzaam, onnadenkend instrument, toch verliep het gesprek onder deze soldaten soms ongedwongen.

Toen Wall binnenkwam was een jonge man, Beam geheten, een fantasievol verhaal aan het vertellen.

"Vanuit de Elyseese Velden werd dwars door alle gevaarlijke woeste streken een zachtaardige en prachtige kudde schapen gestuurd om op deze aarde te verblijven, die toen onbewoond en vruchtbaar was. Voor een veilige overtocht voorzag de Grote Herder ze van honden die hen bewaakten, snelle en felle honden met lange hoektanden en onvermoeibare poten. Na menig gevecht brachten ze de mooie en zachtaardige kudde schapen op deze aarde, onderweg gevoed door gevolmachtigde van de Grote Herder die schapen en honden voorzag van het voedsel dat voor hen geschikt was.

"Maar eenmaal op aarde waar het heerlijke gras uitbundig groeide, richtten de schapen zich tot de gevolmachtigde van de Grote Herder en zeiden:

"‘Hier is het voedsel voortreffelijker dan we onderweg hadden, we hebben uit uw handen niets meer nodig.’

"‘En de honden dan?’ vroeg de gevolmachtigde.

"‘Als die ondankbare dieren het heerlijke voedsel van deze aarde niet op prijs stellen, is het hun eigen fout,’ antwoordden de schapen, ‘bovendien zit hun taak er op. Wat voor nut kunnen ze nog hebben op deze veilige aarde — wat voor dwaas kan ons nog iets aandoen?’

"De gevolmachtigde trok zich dus terug.

"En terwijl prachtige, vreedzame schapen op het gras van de aarde knabbelden, lagen de honden uitgeput en stervend op de grond. Een oude afgeleefde hond kon zijn poten niet meer bewegen en op hem liep een lam toe en schopte met de speelse sierlijkheid van zijn soort met zijn witte pootjes tegen de snuit van de afgetobde, nutteloze hond. Het tere pootje raakte klem tussen de hoektanden van de oude hond — de uitgehongerde kaken sloten zich er omheen en voedsel en leven, beter dan alles was hem ooit gegeven was, stroomde door zijn aderen. Op krachten gekomen stond hij op en liep naar de plek waar zijn broeders op de dood lagen te wachten en ging bij hen liggen. ‘Waar heb je voedsel gevonden?’ vroegen ze verrast. ‘Ik heb een lam opgegeten,’ antwoordde hij. Ze keken hem met afschuw aan, maar kort daarop grepen sommige van de jongere honden ook een schaap.

"En zo ontstond het wolvengeslacht — een geslacht dat als een vloek overgeleverd is in alle sprookjes, geschiedenissen en verhalen die door de schapen zijn verteld, maar het is even terecht zijn oorsprong te verhalen."

Wall verkeerde in een zeer slecht humeur. Toen de spreker klaar was, stond hij op en zei:

"Beam, jij zou vast wachten tot ik helemaal dood was, voordat je me zou grijpen." Zijn toehoorders bleven even stil en barstten toen in lachen uit. Als ze aan hem dachten in vergelijking met Wall zat er iets onzegbaar schaapachtigs in Beam. Ze begrepen dat lam en wolf individuele verschillen waren en dat het schijnbaar juiste onderscheid dat Beam gemaakt had tussen het leger en de rest van de gemeenschap ontmaskerd was. Met een soort huiver keerde het groepje soldaten zich, van de theoretici en opruiers die hen begonnen waren te beïnvloeden, terug naar de eenvoudige koers van loyaliteit, dat vermogen voor persoonlijke trouw die in de militaire dienst als het levensvuur was.

"Zeg wat tegen ons, Wall," riepen ze, "zeg ons vaarwel."

Maar Wall zei, "nee, ik ga naar bed," en liep weg.

Maar hij merkte dat hij onmogelijk kon slapen. In het donker en nietsdoen voelde hij zich alsof een groot zwart doodskleed hem in zijn plooien vasthield en voor altijd elke lichtstraal buitenhield en hij begreep dat het een wezenlijk gegeven van zijn bestaan was geworden dat zonder Laura alle plezier en hoop in zijn leven voor altijd verdwenen zouden zijn. Hij stond op en begon een grote stapel papieren over de Kolonie te ordenen en probeerde in het werk te vluchten door aantekeningen en berekeningen te maken. Naarmate de uren verstreken stilden zijn inspanningen zijn pijn. Toen hij vroeg in de morgen weer naar bed ging lag er een verslag klaar voor Cartwright, met daarin zijn laatste aanbevelingen en zijn schatting dat binnen iets meer dan een maand alles gereed zou zijn voor de reis.

Het was maar een schrale troost, maar hij koesterde de gedachte dat zijn brief bij haar thuis en haar misschien onder ogen zou komen.

Ook Laura Cartwright kon niet slapen. Ze schreeuwde het aanvankelijk uit van pure ergernis en ongeduld. "Wat is hij dom! kan hij het dan niet begrijpen? Ik zou willen dat ik het hem kon laten voelen; hij vertrekt zonder enig teken van spijt; kon ik hem alleen maar wat spijt laten hebben!" Maar toen ze zijn gezicht duidelijker voor ogen kreeg, leek hij eigenlijk helemaal niet zo gelukkig — alleen maar vastberaden en trots. "O! als het zijn trots is, is het helemaal hopeloos — die zou ik nooit kunnen breken."

De vogels begonnen te zingen. Ze liep naar het raam. Daar aan de hemel hing de stralende planeet Ardæa, de ster der verliefden, die het licht van de dageraad haast trotseerde. Nooit eerder had Laura haar zo opvallend en groot gezien.

"Jij schijnt uiteindelijk ook op hem," zei ze, "hij en ik zijn in dezelfde wereld." Een geheimzinnig gevoel van nabijheid wikkelde zich om haar heen en als het ware van binnenuit bereikte haar een boodschap: "wij horen bij elkaar — hij is van mij en ik ben van hem door alles wat het beste in ons beiden is. Ik weet dat hij op dit moment aan me denkt. Er is nooit een ogenblik geweest dat ik niet in het diepst van mijn hart aan hem gedacht heb en er zal nooit een ogenblik komen dat we niet aan elkaar denken."

Vanuit de door landtongen omsloten baai van haar meisjesjaren voer haar scheepje uit naar de diepe wateren van haar vrouw-zijn. Het had tegenwind en de lucht was naargeestig, maar in die grote verandering verdween haar meisjesachtige verdriet.

HOOFDSTUK II

DE STAATSMAN

Vanaf het tuinfeest begaf Cartwright zich naar een bijeenkomst van de meest actieve leden van de oligarchie die in wezen de zaken van Unæa regelden. Op zijn gezicht lag niet de tevreden uitdrukking die paste bij iemand die de top van zijn ambitie bereikt had. Hij was zijn loopbaan begonnen als een niet welgestelde jurist, maar zijn adviezen voor het grote bedrijf waarbij hij in dienst was, waren waardevol gebleken en zijn eigen zakelijke ondernemingen hadden succes gehad. Niet lang geleden waren er wat gesprekken geweest tussen hem en Forest, de grootste kapitalist van het land, over een samenwerking tussen de families. Omdat hij vreselijk op zijn hoede was, had hij geen uitgesproken antwoord gegeven, maar was begonnen de weg te bereiden. Hij hoorde zijn dochter listig uit, hield haar zorgvuldig in de gaten en ontdekte tot zijn ontsteltenis en verrassing dat ze in ieder geval meer aan Harold Wall dacht dan wenselijk was. Daarom vond hij dat de jonge Wall moest verdwijnen en de oude banden die nog dateerden uit het allereerste stadium van zijn bezigheden moesten voorgoed verbroken worden. Wall ging dus nu weg. De eerste stap was gezet, maar toch was zijn gezichtsuitdrukking grimmig en de begroeting die hij kreeg van zijn collega’s bij hun informele bijeenkomst beantwoordde hij op een norse en afwezige manier. De leden waren meer bedreven in het verwerven van bezit dan in het besturen van een Staat, maar hun groeiende verantwoordelijkheden werden aangepakt met dezelfde houding van doortastende bedrijvigheid, waarmee ze bij hun eigen ondernemingen tewerk waren gegaan. Met het inzicht voortgekomen uit een lange ervaring met het uitkiezen van menselijke instrumenten, herkenden ze in Cartwright een intellectuele scherpzinnigheid, ruime opvattingen en een gedegen en waakzame behoedzaamheid, waarop ze onvoorwaardelijk konden vertrouwen en vandaar zijn positie van overwicht.

De bezigheden van het moment waren opgeschort, zoals in elke bijeenkomst soms het geval is als zich een persoonlijke eigenaardigheid aandient. En jongeman die onlangs de beschikking gekregen had over zijn miljoenenerfenis hield een lange en ernstige voordracht, waarbij hij uitweidde over de geordende toestand van de massa en de toenemende concentratie van rijkdom en pleitte voor een systeem van religieus communisme.

De voordracht verveelde alle aanwezigen door de herhaling van onuitvoerbare plannen en met een vragende blik keek de voorzitter naar Cartwright. De laatste, die iets wilde zeggen dat helemaal niets te maken had met het onderwerp, nam van de gelegenheid om te antwoorden gebruik om het ter sprake te brengen.

"Vanavond verwelkomen we," zei hij, "een nieuwe aanwinst voor onze groep en evenzeer de mogelijkheid om de grondbeginselen te herzien van de sociale wetenschap, zoals wij die gekregen hebben, want als wij ons afvragen op welke manier we ons hele beleid kunnen veranderen zijn we doorgaans te zeer in beslag genomen door het nadenken over de volgende stap die we moeten nemen.

Om mijn eigen onbehouwen en eenvoudige manier te volgen om naar deze vraagstukken te kijken, denk ikzelf dat het weekloon de grootste kracht ter wereld is. Geef iemand zijn weekloon, zet hem aan het werk en hij zal geen vragen meer stellen, maar recht vooruit gaan. Vermenigvuldig die man met duizenden en je kunt bergen verzetten, zeeën doorkruisen en wetenschap en kunst bedrijven. Niets is te groot of het kan verwezenlijkt worden. Wij hebben de macht om die kracht te sturen en zouden lafaards zijn als we voor die verantwoordelijkheid zouden terugdeinzen. Ik heb geen zin om te zien dat Astria een wereld wordt van leeglopers, die elk jaar stemmen voor minder uren en meer loon. Dat gaat nooit gebeuren — als de macht ons uit handen valt zal die alleen maar na een periode van vechten en bloedvergieten in andere handen terechtkomen. De menselijke natuur vraagt om stalen banden van dwang en de noodzaak om een weekloon te verdienen heeft de plaats ingenomen van het oorspronkelijke gevecht tegen de natuur en de oorlogen van latere tijden. Als je enig besef hebt van hoe weldadig en belangrijk dat is, is het aan jullie om dat met je eigen middelen te bewerkstellingen — het maatschappelijke systeem is te veelomvattend voor je om veel schade aan te kunnen richten.

Hoe doeltreffend de mensheid is, hangt af van de gedrevenheid die sommigen van ons in ieder geval bereid zijn te handhaven. Ook onze eigen veiligheid hangt daarvan af." Daarna richtte hij zich stuurs tot de hele daar bijeengekomen groep. "Jullie, jullie allemaal, weten dat er eenmaal per vijftien jaar een tijdelijke verstoring opgetreden is in ons klimaat, waarin de winters kouder en de zomers warmer werden." Bij deze opmerking boog iedereen zich belangstellend naar voren. "Die verandering is toegeschreven aan de invloed op de door onze conjunctie met Ardæa teweeggebrachte verandering van onze baan. De afgelopen vijf jaar heb ik een aantal astronomen aan dit probleem laten werken en zij beweren dat de volgende conjunctie een nog duidelijkere uitwerking zal hebben. Het is geen loze theorie. Ik heb de cijfers naar mijn broer gestuurd en hij mag dan wel een zonderling zijn, maar kan wel heel goed duidelijk maken wat ze bedoelen. Hij schreef me een heleboel onzin over zijn eigen theorieën, in een poging ze onder de aandacht te brengen, maar het wezenlijke feit is dat hij geen fout kan ontdekken in de conclusies. In het kort is het gevaar het volgende. De winters zullen zo koud worden dat we een enorme toename van brandstof zullen krijgen om het leven draaglijk te maken. Op grond daarvan heb ik ons huidig verbruik een halt toegeroepen door de prijs van olie en steenkool te verhogen. De zomers zullen warmer worden, meren en oceanen zullen als door een vurige tong leeggelikt en onze oogsten zullen ernstig aangetast worden; misschien zullen we wel naar andere voedselbronnen moeten grijpen, want de toevoer zal vast en zeker onvoldoende worden. Omdat het een verlichting van onze overbevolking lijkt te geven, doet het me met het oog daarop genoegen te kunnen zeggen dat de vooruitzichten van de kolonisatie gunstig zijn. Als leider heb ik de hand weten te leggen op de jonge Wall; zijn naam telt zwaar bij de massa die, ondanks haar armoede bijzonder afkerig staat tegenover reizen naar nieuwe streken."

Hij zweeg even en keek met zijn verstandelijke blik naar het vooruitzicht in zijn hele onopgesmuktheid. Het gevaar zoals hij dat kende doemde alom zo dreigend op in vergelijking met het beeld dat hij geschetst had dat hij opeens emotioneel werd. Hij gaf daar lucht aan door op zijn opmerkingen terug te komen:

"Heel beminnelijk en met welwillende gevoelens, prediken jullie intussen een alomtegenwoordige rust en vrede. Maar ik zeg je dat, net als in het verleden, alleen de wanhopige noden van het individu en zijn laatste krachtinspanning bepalen, of het aan het werk met zijn handen of aan de wetenschap ligt, dat onze wereld zal blijven leven. Denken jullie echt dat met het beleid dat jullie zouden willen invoeren, ooit nog iets moeilijks gedaan zal worden?" De leden kenden Cartwright te goed om hem te zien als een loze paniekzaaier en namen zijn waarschuwing op als een waar serieuze aandacht aan besteed diende te worden.

"Het vooruitzicht," zei een van hen, "ziet er dreigend uit en we moeten alle passende voorzorgsmaatregelen nemen. Als een van hen zou ik willen opperen dat het niet raadzaam is dat deze voorspellingen algemeen bekend worden."

"Wij zijn absoluut de enigen die ervan op de hoogte zijn. Ik zal antwoorden voor de mensen die de berekeningen gemaakt hebben," zei Cartwright, "wat het publiek ervan weet is niets anders dan hun eigen ervaring met de klimaatveranderingen en een vaag verband daartussen met de naburige planeet.

Ons systeem kent een soort wonderbaarlijk evenwicht dat voorkomen heeft dat er ook maar iets algemeen bekend werd."

De gezamenlijke discussie viel daarna uiteen en Cartwright bleef met een commissie tot de ochtend spreken over het formeren van een korps, samengesteld uit de afstammelingen van de oorspronkelijke Scythiërs, op wie als louter blinde instrumenten vertrouwd kon worden. Gewapend met een nieuw explosief dat uitgevonden was door de scheikundigen in dienst van de raad, liet hij zien hoe deze mannen de besluiten van het uitvoerend orgaan ten uitvoer konden brengen, zelfs zonder steun van het reguliere leger — iets dat niet waarschijnlijk was, maar waar wel voor gewaakt diende te worden, aangezien daar tekenen waren van vrijheid van meningsuiting en een discussie over onderwerpen, die volledig in strijd waren met de oude tradities van de militaire dienst.

HOOFDSTUK III

VADER EN DOCHTER

Het was al ochtend toen Cartwright thuiskwam. Hij had voldoende aan een paar uur slaap en halverwege de ochtend zat hij in zijn studeerkamer zijn post door te nemen. Laura kwam binnen toen het ontbijt klaar stond. Hij begroette haar opgewekt. Haar golvende ochtendjapon, met alle kant, maakte haar nog mooier — de schat van zijn huis, iets wat hij niet zomaar zou afstaan!

"Papa," zei ze.

"Ja, schat? Wat zie je er weer mooi uit vanmorgen!"

"Dank u. Niet zo aardig doen, ik wil u een standje geven. Ik hoorde hoe laat u vannacht thuiskwam."

"Ik kon er niets aan doen, Laura, het kon niet anders. Er was een jongeman die een voordracht hield en ik moest daar op antwoorden."

"Maar als een jonge vrouw een voordracht houdt, weet u niets te zeggen; u weet dat u heel stout bent, papa; u had hem gewoon moeten laten begaan, zoals u dat met mij doet. Hé, een brief van Harold."

Had hij haar vader geschreven om hem te vragen of zij met hem mee mocht?

Langzaam opende en las Dhr. Cartwright de brief van Harold.

"Waar gaat het over?"

"Iets zakelijks over de Kolonie," antwoordde hij, stopte de brief in zijn zak en pakte een andere. "Saai gedoe," zei ze, terwijl ze op zijn knie zat, zoals ze dat als kind placht te doen. Hij was een geduldig man. Hij wist heel goed dat ze haar hoofd op zijn schouder legde omdat Harolds brief in zijn borstzak zat, maar toch gaf hij geen blijk van ergernis.

"Je bent zo snel groot geworden, Laura," zei hij, "dat ik haast vergeet dat het geen klein onverantwoordelijk meisje is waar ik mee praat. Toen ik zo oud was als jij, ontzegde ik me alle pleziertjes en voldoening — het was alleen maar werken. Ik wil niet zeggen dat ik het leven van een kluizenaar leidde, maar ik koos mijn vrienden en medewerkers onder de mensen die dezelfde ideeën en ambities als ikzelf hadden. We studeerden hard; we wilden iets voor ons land doen, wij legden ons erop toe ons voor te bereiden op de positie waarvan we voelden dat we die op zekere dag zouden bekleden. Denk nou niet dat ik je iets verwijt, Laura, ik zie je graag vrolijk en gelukkig en geniet van al je vriendschappen, maar ik wil wel dat je ook over andere dingen nadenkt. Je zou vaker moeten komen praten met je oude vader en hem laten vertellen over waar hij mee bezig is. Een dochter zou zich in haar vaders leven moeten kunnen verplaatsen en dan, mijn meisje, zou je het op een dag, weet je, verstandig vinden dat je met iemand trouwt die zich, net als ik, bekommert om de staat. Ik wil niet dat je alleen maar zijn ontspanning bent, maar ook de metgezellin in zijn ernstigere ogenblikken."

Laura’s hart zonk steeds dieper weg. Ze stond op het punt iets tegen haar vader te zeggen — ze wist niet wat — maar nu droogde de woordenbron in haar op.

Omstandigheden, omstandigheden! Wij zijn wezens van omstandigheden en het is vanzelfsprekend dat wij oog in oog daarmee beseffen dat we niet in staat zijn ze zorgvuldig te onderzoeken.

Laura had een leven geleid van onnadenkend geluk en hield ervan te behagen. De geringe sporen die haar opvoeding had achtergelaten, waren allemaal weggevaagd door de eisen van de luxueuze kringen waarin ze zich bewoog, die van hun vrouwen eisten dat ze op de eerste plaats genoegen schepten in dingen — want dingen kon zij hen onbeperkt en in overdaad verschaffen — maar ook een levendige belangstelling hadden voor de onbenulligheden van het moment, snelle en subtiele ontvankelijkheid en de aantrekkelijkheid en schoonheid die voortkomt uit het zichzelf niet als middelpunt hebben.

Meegesleept door de stroom die haar droeg, zou Laura uit zichzelf misschien nooit beseft hebben hoe lijdelijk ze meedreef, hoe ze als deel van het meubilair van de wereld gemaakt, geplaatst en geliefd werd, als ze niet eigenzinnig en onderzoekend naar iemand gekeken had die, als het ware, vastberaden en stevig op de oever stond en zich niet liet meeslepen door de vrolijk rondwervelende stroom.

Maar de boogpees had getrild, de pijl was afgeschoten en met de komst van de bescheiden nieuwe meester was alles veranderd — de vloed van feesten en gesprekken, bezigheden, interessen en mensen in haar leven, waren allemaal omstandigheden waarnaar ze nu met nieuwe vragen naar keek. Haar vader, haar leven en een duistere, zwijgzame en vertrekkende man hielden haar in hun greep.

Geketend en hulpeloos bezag ze de omstandigheden die ons allemaal de baas zijn en terwijl ze die onder ogen zag werd ze gegrepen door een plotseling verlangen daar dieper op in te gaan.

Is liefde een beperkte hartstocht voor elkaar die aanzwelt, wegebt en wegsterft? O, nee!

Aan het feit dat deze zelfde liefde zo wreed behandeld wordt, ligt nauwelijks een gewaagde onderneming van de geest of een vluchtige blik in het ongeziene ten grondslag. Want van nature is ze onsterfelijk en als de beminde uit het oog verdwijnt, blijven haar rusteloze vleugels verder wieken. Het onbekende, de geheimzinnige horizon, alles dat voorbij de grenzen van het denken ligt, dat, dat alles is voor de ongelukkige minnaar meeslepend en onweerstaanbaar verlokkelijk.

En nu vond Laura het opgewekte en luchtige gelach van haar vrienden, het overladen met boeketten en hoffelijkheden, allemaal betekenisloos. Op een of andere manier richtte zij zich tot serieuzere mensen, op zoek naar datgene dat overal ter wereld boven een onvervulde bestemming hangt.

HOOFDSTUK IV

EEN DINEETJE

De grootste luxe waarmee de Unæërs zich in hun eetkamers en eetzalen omringden waren spiegels.

Vanaf het uitmuntend gepolijste oppervlak van deze spiegels kwam tijdens feestelijke gelegenheden, schuin weerkaatst, het beeld van de ene deelnemer bij de andere terecht en het gegons van de argeloze oog in oog gesprekken, waarin de Unæërs opmerkelijk uitblonken, verspreidde zich als een uitgelezen boeket, waarbij door de weerkaatste vluchtige beelden en half opgevangen klanken van zijn buurman, iedereen aangemoedigd werd om doortastend de kostbaarheden, die het gesprek met zijn tafelgenoot hem bood, te onderzoeken.

Cartwright handhaafde zorgvuldig de naam van opzichtige en voor iedereen geldende gastvrijheid, want dat stelde hem in staat veel uiteenlopende mensen te peilen en te toetsen en aandacht te schenken aan alle verschillende stadia van de opvattingen van de Unæërs.

De gasten gadeslaan tijdens een van Cartwrights feestmalen is daarom een even goede gelegenheid als elke andere om een glimp op te vangen van de manieren en gewoonten van Unæa, te meer omdat we dan, met Laura’s ommekeer naar een serieuze houding en de bereidwilligheid waarmee aan haar geringste wensen tegemoetgekomen werd, om misschien iets meer kunnen onthullen dan de beleefde uitingen van aangename onbenulligheden door haar metgezellen.

We zullen dus zomaar iemand kiezen van deze mannen en vrouwen die zich koesteren in de armen van de Unæase luxe en met elkaar babbelen in dit schouwspel van licht, bloemen en stralende schoonheid.

Sylvester Barr reikte met een diepe buiging Julia Castle de stoel tegenover zich aan en citeerde uit een oud gedicht:

"Uit de stervende roos is de ziel ontvloden

En bloeit hierboven, goddelijk rood."

"Hoezo, mijn roos is helemaal niet verwelkt," zei Julia, terwijl ze omlaag keek naar de bloem in haar corsage en deed alsof ze niet de toespeling in de gaten had op de stralende kleuren van haar uiterlijk, waarin zij — misschien wel de knapste van alle Unæase vrouwen — terecht boven iedereen uitstak.

"Aanval keurig gepareerd," mompelde hij, "en ik begrijp dat ik verbannen wordt tot voorbij de verstgelegen ijzige poorten."

"De allerverste," zei ze.

"Zo is het nu altijd," zuchtte hij, "vanaf mijn vroegste jeugd ben ik altijd verkeerd begrepen."

"En dus hebt u uw opmerkelijk onopgesmukt taalgebruik ontwikkeld. Ik denk, Hr. Barr, dat waar we het dankbaarst voor moeten zijn is dat er vóór u al dichters zijn geweest."

"Hoezo?"

"Omdat als dat niet zo was, mensen niet van die verassende dingen zouden kunnen citeren."

"Maar weet u zeker," zei Sylvester Barr, "dat er vóór mij dichters zijn geweest?"

"Dat hangt af van wat u dichtkunst noemt," zei Julia.

"Dichtkunst is natuurlijk de ziel die verliefd is op de materie," zei Sylvester en voegde, schaamteloos uitgaand van Julia’s beperkingen, daaraan toe, "de meeste klassieke rijmelaars waren oude mannen en die dat niet waren, waren fijngevoelig."

"Rekent u hen dat aan als een tekortkoming?"

"Ja natuurlijk, jeugd en passie zijn altijd onbescheiden; wij worden gesmoord in uitspraken over de dood."

"Maar waarom zou u het werk van oude mannen uitspraken over de dood noemen?"

"Mevr. Castle, het is niet algemeen bekend, maar dood is niet een plotselinge gebeurtenis, die komt geleidelijk; denkt u dat een dichter voortleeft in een oud en zwak lichaam — nee, hij verlaat dat voor eeuwig nieuwe jeugd en schoonheid."

"Maar u zult oud worden."

"Ik — nee, ik niet — niet het ‘ik’ dat tegen u spreekt — misschien dat gedeelte van me dat bankrekeningen heeft en voertuigen huurt. Ik zal verdwenen zijn en wat ik het allerergst veracht is dat wat er achterblijft, waaraan ik mijn kleren, golfclubs en schulden achterlaat."

"En uw reputatie?"

"Ja, de arme stakker, ik krijg bijna medelijden als ik bedenk hoe hij, met dat en zijn oude kameraden die zitten te gniffelen als achtergrond, probeert zich een houding te geven en te zedenpreken. Stel je hem eens voor met die ingehouden vijandigheid die hij vriendschap en de vormelijkheid die hij liefde noemt, met zijn van gekte fonkelende gesloten ogen —ach! hoe zal het met u en mij dan vergaan? We zullen een eind heen zijn."

"Hr. Barr! Nooit eerder is me op een zo merkwaardige manier verzocht te vertrekken."

Door de alleraardigste verwarring van Mevr. Castle toen ze begreep wat voor bekentenis ze gedaan had, kon Barr het weer opperbest met zichzelf en haar vinden. Op zijn meest bezielde en gedurfde manier ging hij verder met het gesprek totdat het voor hen tijd was om te vertrekken.

*****

Agatha was een van de platlanders die je, denk ik, het allerliefst tegen zou willen gekomen. Ze was weliswaar een lichtgewicht, maar nam op een heel aangename manier de leiding. Ze was zo gekunsteld als ze maar kon zijn, maar geloofde zelf met een zo oprechte eenvoud in haar eigen gemaaktheid, dat ze die daarmee van alle onbeduidendheid ontdeed. Ze was het klassieke voorbeeld van de vrije vrouw, die al toneelspelend vergeet dat ze toneelspeelt. Wat ze echt was, bleef een raadsel, maar ze was altijd bereid mee te doen waar vrolijke gedachten met klatergoud speelden. In het huidige stadium van haar loopbaan verbeeldde ze zich dat een agnosticus en fysicus was, met een groot vertrouwen in atomen en behoud van energie. Als ik wat ongepast ben, komt dat omdat het onmogelijk is gepast te zijn als je het over Agatha hebt.

Ze had een levendige belangstelling gewekt bij de grote Brand. Een van de problemen waar het krachtige, maar traag bewegende brein van deze grote scheikundige zich mee bezig hield, was hoe haar wetenschappelijke scholing voltooid kon worden. Met zijn volkse achtergrond was hij onder de indruk van Agatha Harcourts slanke handen en aristocratische vrienden en kon nooit ook maar de minste aanstalten maken om haar te berispen of terecht te wijzen voor wat ze allemaal zei. Hij probeerde het goede zaad te zaaien van nauwkeurig observeren en exact meten, maar de oogst die hij binnenhaalde was van dien aard dat het hem af en toe tot wanhoop dreef.

Zij en Forest zaten bij elkaar en waren geleidelijk van oppervlakkige zaken terechtgekomen op onderwerpen waarvan Agatha vond dat ze die echt interessant moest vinden.

"Ik heb het net gehad over een opmerkelijke ontdekking."

Agatha vleide zich geriefelijk in haar stoel. Van alle mannen die ze tijdens dineetjes tegengekomen was, paste Forest zich het aardigst aan aan haar enthousiasme voor de wetenschap en zij placht zich dankbaar te richten op oude artikelen uit wetenschappelijke tijdschriften waar hij ter wille van haar wat over vertelde. Voor geen goud zou zij afbreuk willen doen aan zijn gevoel dat hij daardoor bij haar belangstelling wekte, door hem te laten blijken dat ze niet helemaal nieuw voor haar waren.

"O, vertel eens," mompelde ze.

"Het is echt heel ingewikkeld," antwoordde hij. "Het gaat over oorzaak en gevolg."

"Jij kan toch alles uitleggen?"

"Ik zal het proberen en als je het niet begrijpt is het mijn fout."

"Nee, mijn."

"In ieder geval gaat het om het volgende. Je weet dat de aarde rond de zon draait en niet de ruimte in vliegt, omdat de zon haar aantrekt. Het is alsof er een elastische band tussen die twee zit en de zon daar automatisch aan trekt."

"Ja," zei Agatha, "dat is de zwaartekracht."

"Nou, als je erover nadenkt," zei Forest, "zul je zien dat als je met een draad aan een voorwerp trekt, de beweging daarvan afhangt van hoe lang je blijft trekken. De ruk heeft niet meteen invloed op het uiteinde, maar verplaatst zich langs de draad, zoals je kunt zien als je aan een lang touw trekt."

"Dat is duidelijk," zei Agatha, "ik heb er alles over gehoord. De zwaartekracht plant zich voort met de zon als middelpunt en mensen proberen er nu achter te komen met welke snelheid."

"Dat is helemaal waar en er werd gedacht dat het helemaal geen tijd kostte, maar nu hebben ze iets heel merkwaardigs ontdekt."

"Gaat het heel snel?"

"Heel snel, het kost zelfs helemaal geen tijd, het komt aan nog vóór het vertrekt. Dat wil zeggen dat de aarde haar baan verandert nog voordat de trekkracht aankomt."

"O, dat is onmogelijk."

"Dat zou je kunnen zeggen, maar in de astronomie kunnen uiterst nauwkeurige waarnemingen gedaan worden en over de feiten bestaat hier geen twijfel. We moeten niet denken wat we graag willen, of wel, Agatha?"

"Nee," zei Agatha, "we moeten zien wat er gebeurt en dienovereenkomstig denken."

"Nou dan," riep Forest uit, "kijk eens wat een prachtige ontdekking dat is — wat voor licht het werpt op het verband tussen oorzaak en gevolg. Je weet dat bekend is dat oorzaak en gevolg met elkaar in verband staan, en doorgaans wordt verondersteld dat het gevolg na de oorzaak komt. Maar nu is dat verband ondubbelzinnig waargenomen en ontdekt dat het gevolg aan de oorzaak voorafgaat en wat hier klopt, klopt in alle andere gevallen."

"Maar hoe kan dat?" zei Agatha, die zo diep nadacht dat haar voorhoofd fronste.

"Dat kun je je wel afvragen, maar zoals Brand zegt, in de wetenschap moeten we afgaan op de feiten en niet zeggen wat ze moeten zijn en nu moeten we alle natuurwetten in een nieuw licht bekijken. Ik kan je ook nog iets vertellen dat het bewijst."

"Iets dat ik kan begrijpen, Edward?"

"O ja — ik heb je heel veel verteld, ja toch?"

"Ja, ik heb een heleboel van je geleerd."

"Goed, maar heb je soms niet het gevoel gehad dat je het daarvóór al wist?’

Agatha keek hem vragend aan. "Nou, ja, misschien af en toe."

"En bewijst dat dan niet," antwoordde hij triomfantelijk, "dat het gevolg aan de oorzaak voorafgaat —je wist die dingen voor de oorzaak waardoor je ze wist — dat ik ze je vertelde — plaatsvond."

"Hé, ja," zei Agatha, "naar jou luisteren is als een grote schrijver lezen. Iedereen zegt, ‘dat is precies wat ik altijd gedacht maar nooit gezegd heb.’"

"Precies," zei Forest.

"Maar," zei Agatha, "betekent dat dan niet dat we achteruitgaan?"

"Niemand kan zeggen waar dit toe leidt," antwoordde hij. "Het is als de ontdekking dat de aarde niet het middelpunt van het universum is; het verandert al onze begrippen."

"O, ga verder," zei Agatha, die gemakkelijk ging zitten om vreselijk te gaan genieten. Het gezicht van Forest kreeg een ernstige en plechtige uitdrukking. Met zijn ernstigste stem zei hij:

"Mensen hoeven nu niet langer bang te zijn over de vraag of er een doel en bedoeling in de wereld is.

Je ziet dat die er natuurlijk zijn — want het gevolg komt eerst en vertelt ook, minder belangrijk maar nog steeds interessant, wat de grootte van een atoom is."

"Hoe dan?"

"Welnu, hoe kleiner de oorzaak, hoe dichter hij samenvalt met zijn gevolg. Dus omdat de materie de oorzaak van zichzelf is hoeven we alleen maar uit te vinden hoe klein een oorzaak moet zijn om samen te vallen met zijn gevolg, om de grootte van een atoom te ontdekken, dat het materiedeeltje is dat werkelijk op zichzelf bestaat."

"Ik ben zo blij dat je me dit allemaal verteld hebt. Zal professor Brand niet verbaasd zijn als hij dat allemaal in mijn volgende essay ziet? Je vindt het toch niet erg, hè?"

"O, nee, hij zal denken dat je dat via gedachte-overbrenging van hem hebt."

"Ik geloof dat ik zo denk," zei Agatha, "ik kan zoveel beter nadenken als iedereen om me heen zit te praten en gelukkig is zoals nu en dan lijkt alles zo duidelijk."

"Natuurlijk zijn ze dat," zei Forest, "bij een zo opbeurende gelegenheid als deze. Kijk hoe belangstellend Laura luistert naar wat Dhr. Lake haar vertelt."

"Ja," zei Agatha, die een blik op de spiegel wierp, waarin een man in de bloei van zijn leven en Laura die helemaal opging in wat hij zei, weerkaatst werden, "haar vader heeft haar een standje gegeven omdat ze wuft was, maar ze is gewoon hevig bezig iedereen aan te klampen die een serieus gesprek met haar wil voeren."

"Laura heeft iets onnaspeurlijks," zei Forest, "iets dat elke kille analyse trotseert — je begrijpt wel wat ik bedoel, Agatha, als ik zeg dat ze als een lichaam is dat om een ander dan zijn eigen middelpunt draait. Als je met haar praat draait ze om je heen en haar eigen middelpunt ligt dan in jou. Ze pikt je ideeën op, die een zodanige uitwerking op haar hebben dat je bevangen wordt door een buitengewoon gevoel van macht en invloed. Dat een meisje zoals zij, dat al haar vrienden in haar opgewekte vitaliteit met zich meesleept, haar middelpunt in jou zou hebben, is een verschijnsel waarvan de onverklaarbaarheid zich verliest in een gevoel dat het klopt. En door haar al die tijd rechtstreekse eenvoud vraag je je af waartoe haar invloedsfeer in staat zou zijn als het middelpunt waar omheen ze werkelijk draait zichtbaar zou worden."

"Je hebt Laura niet slecht beschreven," zei Agatha.

*****

Laura was inderdaad in een interessant gesprek gewikkeld. Ze zat naast een befaamde historicus en na een paar beleefde opmerkingen zei ze, "Hr. Lake, ik heb u altijd al iets willen vragen — op school lezen wij uw boeken omdat u ze geschreven heeft, maar waarom heeft u ze eigenlijk geschreven?"

Dhr. Lake antwoordde kortaf, "ik heb ze geschreven omdat ik er goed voor betaald werd, zoveel werk, zoveel goud, zoals bij alles."

"Weet u nog de passage," ging Laura vriendelijk verder, "waar u zegt dat de Unæërs zich sterker ontwikkelden omdat ze dicht onder het oppervlak goud vonden en dat zo de handel opkwam?"

"Ja," antwoordde hij.

"Maar ik heb een paar mijningenieurs met papa horen praten en zij zeiden dat er in Scythia evenveel, zo niet meer goud onder het oppervlak zat dan in Unæa. Ik heb altijd gedacht dat wij ons ontwikkeld hebben omdat wij ons meer bekommerden om het doen van uitvindingen."

Het kind kan een tik met zijn knuistjes geven als het dat meteen daarna maar weer goed maakt," dacht Dhr. Lake. Hij schaamde zich eigenlijk over de prachtige en oppervlakkige veralgemening van zijn jeugdige leeftijdsgenoten en in plaats van zich beledigd te voelen doordat Laura er een van ontdekt had keek hij zijn vragenstelster belangstellend aan. Hij was vaak jaloers geweest op de modieuze mannen die hem gearmd met oogverblindende schoonheden voorbijliepen, maar nu was het zijn beurt om de kronkels van de Unæase geschiedenis te volgen met een zo prachtig trillende keel, een zo heerlijke stem en een zo heldere blik — alles komt af op iemand die wacht en werkt als hij wacht!

"Wat mij dreef was mijn bedoeling dat uit te zoeken," antwoordde hij. "Je weet dat water in de lucht opgezogen wordt en als regen naar beneden valt, die de aarde leven geeft en eenzelfde uitwaseming van onze geest het uitgestrekte onbekende in, valt neer als welomlijnde kennis, dat wil zeggen onze manier van leven en onze beschaving. Je vindt dat steeds weer; het was bijvoorbeeld wat je als niets anders dan een nieuwsgierige stroming kon zien, die leidde tot het prachtige behoud van onze Staat."

"Je bedoelt toen ze ontdekte dat de aarde rond was?" vroeg ze.

"Ja, en daar omheen reisden en ik begon de geschiedenis te bestuderen zodat ik aan de hand van het verleden zou kunnen vertellen wat verstandig was in de toekomst te doen."

"Wat fantastisch," zei ze, "en daarom leest dus iedereen uw boeken."

"Nee, de veranderingen en wisselingen van de afgelopen jaren zijn zo groot dat het verleden amper enig licht werpt op het heden en de mensen en eigenschappen die ons ooit in deze toestand hebben gebracht, zijn nu terzijde geschoven."

"Ja, is dat geen schande?" zei Laura.

"Onvermijdelijk, de wereld staat oog in oog met nieuwe problemen."

"Maar wat zijn ze trouw en moedig geweest! Hun nakomelingen zouden nu bij ons de hoogste positie moeten bekleden."

"Het land heeft behoefte aan andere eigenschappen dan een waakhondenmentaliteit," zei Lake, "de veiligheid van onze maatschappelijke orde is toevertrouwd aan de loyaliteit van mannen die wij niet meer als militairen nodig hebben en terecht tevreden zijn met die bescheiden en eerzame plaats; voor publieke aangelegenheden is een intellectuele en veelzijdige instelling vereist. Neem bijvoorbeeld Wall junior; deze gelegenheid om te vertrekken met een groep kolonisten is voor hem vrijwel de enige mogelijkheid om tevoorschijn te komen uit een volstrekte onbekendheid. Hij is niet geschikt voor de politiek. Gisteren zei hij nog tegen me dat mensen nooit in beweging komen, behalve uit angst; telkens als het leek dat ze spontaan gehandeld hadden, zei hij, kwam dat omdat er onder hen bepaalde daadkrachtige druktemakers waren die begrepen hoe ze het voor iemand gevaarlijker konden maken om zich stil te houden dan in beweging te komen. Met dat soort opvattingen kan hij in de politiek geen naam maken."

"Maar," zei Laura, "omdat hij aan het hoofd staat, zijn er wel veel mensen die ook zover weg willen gaan."

"Ja, dat is waar, de massa heeft een zeker vertrouwen in deze ouderwetse namen. En in het verleden heeft de rijke aristocratie heel wat kracht geput uit bondgenootschappen met die klasse. Maar die tijd is voorbij. Tegenwoordig zou een meisje amper meer iets zien in iemand met zijn beperkte mogelijkheden. Een dergelijk huwelijk zou betekenen dat ze zich helemaal begraaft."

Dit ging Laura te ver.

Ze voelde dat ze een kleur kreeg en veranderde van onderwerp. Onlangs had ze een aantal tegendraadse preken gehoord, waarin gewezen werd op de dwalingen van de oudere moederkerk, waaruit de hervormde kerk voortgekomen was, die een diepe indruk op haar gemaakt hadden.

"Hr. Lake," zei ze, "waarom geloven de Orbiërs nog steeds in hun valse leerstellingen?" Hij keek haar venijnig aan.

"Elke Orbiase jongedame is even duidelijk op de hoogte van de dwalingen van jouw kerk, als jij van die van haar."

"Maar," zei Laura, "na een tijdje zijn mensen het eens over elke ontdekking."

"Ontdekking!" zei Lake, "jij zou de oorsprong van je godsdienst een openbaring moeten noemen."

Laura die de toegeeflijkheid aangreep waarmee hij haar opmerkingen bejegende, zei:

"Het was evenzeer een onthulling als een openbaring, want als het allemaal in Scythia voorgevallen was, zou niemand er iets van geweten hebben."

"Ja," zei Lake, "zonder twijfel zat er iets van een ontdekking in, maar je kunt niet wat geldt voor de opkomst van onze instellingen, toepassen op een ontdekking die door zomaar iemand gedaan is. Onze instellingen komen door een ander en wonderbaarlijker proces tot stand."

"Nu begrijp ik," zei Laura, "waarom papa zegt dat u het individu prijst en de instelling verheerlijkt."

Zichtbaar verstoord schrok Lake op. "Weet je zeker dat je vader dat zei?

"Hij zei iets over individuen en instellingen," zei Laura.

"Ik ben ervan beschuldigd dat ik individuen hard behandeld, met de grond gelijk gemaakt en nooit geprezen heb."

"Maar zou u ze eigenlijk niet liever willen prijzen dan met de grond gelijk maken?"

"Nee, Mej. Cartwright." Lake was getroffen door de klap die Laura hem onopzettelijk had toegediend, want zijn naam van sarcastisch te zijn was iets wat hij uitermate koesterde. Hij sprak zonder voorbehoud en vertelde dit jonge meisje zijn diepste overtuigingen.

"Door, als een van haar middelen, gebruik te maken — ik zou dat niet willen ontkennen —, van de menselijke goedgelovigheid, heeft de Voorzienigheid, in haar ondoorgrondelijke wijsheid, lang geleden de instelling kerk gegrondvest — de Orbiase kerk. Daaruit is onze kerk voortgekomen. De wonderbaarlijke gebeurtenissen die de stichting van die instellingen vergezelden zien wij terecht als strikt beperkt tot het verleden. De Orbiërs denken dat die tegenwoordig nog steeds voorkomen en hebben daarnaast ook een heimelijk verlangen om zich de functies van de regering wederrechtelijk toe te eigenen. Zij houden zich niet aan het gepaste, beperkte werkterrein van de kerk en komen in aanvaring met de Staat. Maar alleen door onze instellingen zijn wij groot. Wat is een mens alleen?

Nee, mej. Cartwright, de taak van het individu is bijdragen aan het geheel, door zijn geloof deel uit te maken van de kerk, door gehoorzaamheid aan de wet een waardig lid van de Staat te zijn en door het inzetten van zijn talenten langs deugdelijke en algemeen aanvaarde lijnen zijn kleine aandeel te leveren aan de vooruitgang van de wetenschap. Iemand moet zichzelf eerst verheffen tot ons huidige ontwikkelingspeil voordat hij ons kan helpen en de enige manier om dat te doen is een doeltreffend instrument worden van de kerk, Staat of het wetenschappelijke gilde.

"Het grootste gevaar van onze tijd ligt in onbehouwen individuen die weigeren te geloven en daardoor de fundamenten van de kerk vernietigen, of een of andere wilde hervorming van Staat of wetenschap beginnen. Het enige wat ze doen is onbeschaafde instincten aan de dag leggen die juist onverenigbaar zijn met het bestaan van de maatschappij."

"Maar waarom laten we dergelijke lieden hun gang gaan," zei Laura.

"Helaas heeft de kerk ooit niet de noodzaak erkend van een zekere hoeveelheid rationalisme en mensen vervolgd van wie later ontdekt werd dat ze gelijk hadden. Daarom zijn we tegenwoordig voorzichtig met het onderdrukken van meningen. Maar deze ongelovigen en vernieuwers zijn onbehouwen lieden en een bron van vreselijke rampen voor de massa."

Hij hield op en Laura voelde dat wijsheid als die van hem het enige redmiddel was tegen een achtergrond van duistere gevaren.

*****

Als we even dit tafereel van bloemen, vruchten en vrolijk pratende mannen en vrouwen verlaten, onthult een blik ver terug in het verleden, het teruggetrokken leven van iemand van wie op een of andere manier nu iedereen afhankelijk lijkt te zijn. Want in dat land Unæa leefde toen iemand die niet vanuit een filosofie, maar vanuit een innerlijke en innige overtuiging zijn metgezellen vertelde over een ziel die in hen woonde — over een thuis waar die naartoe ging en een eeuwige liefde achter hun dagelijkse geploeter. Zijn gezag was zo indrukwekkend en krachtig dat de Unæërs eeuwenlang in een echte hemel voorbij hun wereld geloofden. Alle krachten om zich te verenigen ontwaakten in hen en ze werden begeesterd door een rationele en onberispelijke moed om hun Scythiase dwazen het hoofd te kunnen bieden. Maar het wetenschappelijke onderzoek en een steeds ruimere blik op hun wereld leverden geen informatie over dat hiernamaals. De lafhartige godsdienstleraren keerde zich af van het bestuderen van de feiten, ontleenden hun inspiratie nog alleen maar aan het verleden en lieten de verovering van de wereld over aan mensen, die van het waarnemen de enige bron van kennis maakten.

Het enige punt in alle bespiegelingen van de laatsten waar eenstemmigheid over bestond, was dat ze vastbesloten waren alles te verklaren aan de hand van wat ze wisten, hun ideeën en het beperkte, platte bereik van de gebeurtenissen en voorvallen in hun platte ruimte.

Net als bij de meerderheid van de ontwikkelde inwoners van Astria, gaven Lake’s opvattingen blijk van een sombere gemoedstoestand.

Op de achtergrond van hun gedachten waren de oude religieuze geloofsstellingen, maar ook het wetenschappelijke beeld van het Universum — een uitgestrekte ruimte waarin op verschillende werelden het leven en beschavingen ontstonden, tot bloei kwamen en ten onder gingen en niets anders achterlieten dan duistere bollen die rond uitgedoofde zonnen wentelden.

De oude tijden, toen heel Unæa zich verenigd had tot één grote inspanning, waren verdwenen om kennelijk nooit meer terug te keren. Voor de ontwikkeling van hun sociale organisatie vertrouwden zij op de wisselwerking tussen individu en omgeving en de manier waarop wij met deze blinde krachten van de maatschappij omgingen leek onvermijdelijk een toename van het klassenonderscheid teweeg te brengen, met overvloedige luxe enerzijds en economische slavernij anderzijds.

Hun leven bestond uit druk bezig zijn met het nastreven van hun ambities en doeleinden, maar de oude dogmatische opvattingen boden geen leidraad voor hun gezamenlijke handelen en, afgezien van de traag verlopende uitwerking van het principe van het overleven van de meest aangepaste, met al zijn pijnlijke gevechten, hadden zij geen wetenschappelijke duiding voor de zin van hun bestaan.

Het meest bezielende en heldere aspect van het Unæase leven was de vurigheid en het aangeboren geloof waarmee de nieuwe generatie zich in de strijd van het leven stortte. Er was geen sprake van verslapping, vermoeidheid of ontmoediging, maar alleen maar van steeds hernieuwde jeugdigheid en daadkracht.

*****

Het was nu tijd om van plaats en overbuurman te wisselen. Gezien de problemen met de bediening werden de diners gegeven in vrij lange zalen. En in dit prachtige exemplaar van een Persepolisachtige bouwstijl van Cartwright, zaten de gasten eerst aan het uiteinde. Als de eerste gang voorbij was verplaatsten ze zich en veranderden van gesprekspartner en dan werd midden in de zaal de tweede gang opgediend. De laatste gang werd genuttigd vlak bij de ingang en van daar liepen ze al met elkaar pratend op een ongedwongenere manier en vaker van gesprekspartner veranderend de tuin in.

Laura’s volgende buurman was een jonge bankier, die altijd vol nieuwtjes zat over hun gezamenlijke kennissen. Hij begon met te zeggen:

"Ik heb met u te doen gehad, Mej. Cartwright, Lake’s tijdschrift lezen is al erg genoeg, maar dat kun je nog altijd neerleggen, terwijl er bij de man zelf geen ontkomen aan is."

"Ik denk niet dat hij ooit met u gesproken heeft, want anders zou u dat niet zeggen," zei Laura.

"Helemaal waar, hij heeft zijn woorden nooit aan mij verspild; ik begrijp dat u me terecht kunt wijzen."

"Ik denk dat u nog veel vaker terecht gewezen moet worden, Hr. Field en ik zal dat zoveel mogelijk doen," zei Laura. En zo babbelden en lachten ze op de oude manier en hij kon zich niet herinneren dat hij haar eerder zo uitgelaten gezien had en zij was vastbesloten hem, als ze hen allemaal achter zou laten — als ze weg zou gaan — het gevoel te geven dat het verlies volmaakt verpletterend was.

Tijdens deze tweede gang had Mevr. Castle het genoegen van het gezelschap van Dhr. Cartwright en ze stuurde het gesprek behoedzaam naar een onderwerp dat zij hem heel graag hoorde behandelen.

Ze had zich echter de moeite kunnen besparen want Cartwright was, anders dan gewoonlijk, humeurig en afwezig. Maar opeens raakte hij opgewonden toen ze vertelde dat de Orbiase ‘Vereniging van Vrienden van de Armen’ een groot stuk grond verkocht had. In een tijd van voorspoed was de oorzaak van de voortdurende waardevermindering van de grond door Cartwright aanvaard als een soort wonderbaarlijke bijkomstigheid bij zijn opzet om Wall over te plaatsen naar een oord waar zijn bezigheden een gunstig werkterrein zouden vinden en hij had verder geen navraag gedaan naar de oorzaken van die waardevermindering. Opeens schoot het door zijn hoofd dat de Orbiërs mogelijk ook wat wisten over op de handen zijnde gebeurtenissen en zich al voorbereidden op de catastrofe. Onder hen bevonden zich astronomen die even goed waren als degenen die in dienst waren van de Staat en wat de staatsastronomen te weten waren gekomen, hadden zij mogelijk ook ontdekt. Maar hij vond het onbegrijpelijk dat ze afstand zouden nemen van de vaste substantie van de aarde — wat het minst onderhevig was aan verstoring — en verwierp het vermoeden dat zich bij hem aandiende, als iets waar hij in de toekomst wel over na zou denken.

"Heel verwarrend," zei Mevr. Castle, "deze plotselinge waardeveranderingen geven je het gevoel alsof je elk moment tot armoede kunt vervallen."

"Ja," zei Cartwright meevoelend, "het is een groot probleem."

"En dan die toename van de mijnbouweigendommen. Wist ik maar of ik die paar mijnaandelen die ik heb al dan niet zou moeten verkopen."

"Wie weet," antwoordde Cartwright. "Je moet met zoveel omstandigheden rekening houden. Als er nieuwe velden ontgonnen worden zullen de prijzen dalen, maar als de huidige koude winters aanhouden, blijven ze misschien wel hoog. Het is gewoon een loterij."

"U kent vast het rapport dat de Socialisten hebben verspreid," zei Mevr. Castle.

"Nee. Waar gaat het over?"

"Ze zeggen dat u de kolenprijs alleen maar verhoogt om de kosten van de Kolonie te verhalen en de prijs, als u de mensen hebt laten betalen, weer tot het normale peil zal zakken." Cartwright fronste zijn voorhoofd.

"Het lijken wel demagogen," zei hij. Ik heb medelijden met de mensen die overgeleverd zijn aan inhoudsloze praatjesmakers die, als ze aan de macht zijn, de natie tot allerlei dwaasheden zullen brengen en als ze die niet hebben, verdachtmakingen en wantrouwen zaaien. De prijsstijging heeft niet in het minst iets te maken met de Kolonie, het heeft er in de verste verten geen verband mee."

Mevr. Castle glimlachte hem vriendelijk toe en als ze haar gedachten onder woorden had gebracht, zou ze gezegd hebben: "Mijn beste platlander, waarom zou je me niet vertellen wat ik wil weten, zonder me te dwingen dat uit je te trekken?" Vooralsnog vond ze het heel verstandig om te speculeren met de waardestijging van de mijnaandelen.

Intussen was Sylvester Barr bij Agatha gaan zitten.

"Mag ik rekenen op uw gezelschap bij het bloemenfeest?" vroeg hij.

"Dat heb ik iemand anders al beloofd," antwoordde ze.

"Betekent die onuitgesproken belofte toen ik u afgelopen jaar naar de overkant roeide dan dus niets?" vroeg hij.

"Wat is een onuitgesproken belofte?" vroeg ze.

"In dit geval een onvervulde verwachting,’ antwoordde hij.

"Ik heb op het meer zo’n interessant gesprek gehad met Dhr. Forest, dat ik het niet kon afslaan toen hij me beloofde me nog meer te vertellen."

"Goed, maar wilt u me dan niet de kans geven u van gedachten te laten veranderen?"

"Ja," zei ze. "Dhr. Forest zou veel liever met Laura gaan, maar ze heeft Harold Wall gevraagd — die naar de Kolonie vertrekt, weet u wel — dus ze moet zich aan hem wijden en daarom bedachten Dhr. Forest en ik dat we onze geest maar eens moesten ontwikkelen."

"Ik heb gehoord, Mej. Harcourt, dat u heel serieus geworden bent. Ik neem aan dat Dhr. Forest met u over de wetenschap gesproken heeft.

"Ja."

"Ik wist niet dat Forest iets met wetenschap had."

"Dat wist ik ook niet, maar hij kan prachtig redeneren."

"En dus moet ik met u redeneren omdat u daar zo van houdt?"

"Ja."

"Dat is niet eerlijk — dus een van uw argumenterende vrienden zou u heel eenvoudig op de gedachte kunnen brengen dat dichtkunst iets vreselijks is, omdat ik daar geen goed argumenten vóór heb."

"Hoe zouden mijn argumenterende vrienden mij op die gedachte kunnen brengen?" vroeg Agatha.

"Natuurlijk door een gedicht te schrijven; het is voor u veel beter als ik de wetenschap links laat liggen en u vertel hoe mooi andere dingen zijn."

"Maar ik wil alleen maar luisteren naar wetenschappelijke dingen," zei Agatha.

"Is de geschiedenis van de wetenschap dan niet iets?" vroeg hij.

"Dat is goed."

"Welnu, ooit, heel lang geleden, waren er alleen maar bloemen op de aarde, prachtig en fleurig bloeiden ze van Oost naar West en hadden alles uit zichzelf; de wereldgeschiedenis was hun geschiedenis."

"Ja," zei Agatha, "dat zou ook niet anders kunnen — waar kijkt u zo ernstig naar?"

"Ik kan in de spiegel het gezicht van Dhr. Cartwright zien," antwoordde hij.

"Ziet hij er niet goed uit?"

"Ja, en gelukkig, hij doet vreselijk veel moeite om er gelukkig uit te zien."

"Hij probeert beleefd te doen tegen iemand die hij niet kan uitstaan; ga verder met uw verhaal."

"Dus de bloemen groeiden in het zonlicht en ’s nachts en de meeste waren zorgeloos en gelukkig. Maar sommigen begonnen te denken."

"Hoe kan een bloem denken? ze hebben niets waarmee ze kunnen denken."

"Dat hebben ze wel, ze denken met hun wortels en als ze heel hard denken groeien hun wortels uit tot kleine ronde gezwellen en dat zijn de hersenen van de bloemen. En hoe meer ze dachten, hoe meer ze wilden denken, totdat hun hersenen heel groot werden en ze knollen en bollen kregen. Het leek geen nut te hebben omdat ze er niets mee konden doen, maar ze hadden wel nog steeds prachtige gedachten en dachten steeds maar door."

"Wat grappig, maar had het wel enig nut?"

"Natuurlijk, want in de natuur is niets zomaar. De winters werden steeds kouder, zoals dat afgelopen tijd ook is geweest en de arme bloemen gingen allemaal dood, behalve de bloemen die hun knollen en hersenen hadden. Zij bleven ondergronds en leefden zolang totdat het weer verbeterde. Daarna sproten ze weer uit en dat is de reden waarom de oudste bloemen, waar alle andere van afstammen, bollen en knollen hebben. En nu begrijp je wat het belang van de wetenschap is, want dat is alleen om je hersenen te laten groeien. Het zijn onze knollen en als we allemaal de grotten en spelonken in vluchten, zijn het alleen de wetenschappers met grote breinen…."

"Hou maar op," zei Agatha, "ik zal je alles beloven als je maar ophoudt."

Sylvester Barr keek nog steeds naar de spiegel en ving af en toe een blik op van Cartwrights gezicht, waarvan, zoals hij opmerkte, die vreemde uitdrukking verdwenen was. Maar hoewel de uitdrukking verdwenen was, werkte het gevolg daarvan nog door en het kwam zonder twijfel door een bepaalde beïnvloeding dat zijn verhaal de vorm aannam die het had. Een enkele man kon niet de last dragen van het besef van het naderende einde van die hele gelukkige wereld zonder ergens een gelijkgestemde snaar te raken.

*****

Laura merkte dat ze voor de laatste gang van het diner met iets van een behoedzaam genoegen naast een echte ongelovige was gaan zitten. Flower was een jonge en uitmuntende hoogleraar in de biologie.

Laura vond geen manier om een eind te maken aan de discussie over theaters, sport en mensen, terwijl de gangen een voor een voorbij gingen, tot ze ten slotte vrijpostig zei: "Hr. Flower, gelooft u echt dat ik van een aap afstam?"

"Dat is niet eerlijk, Mej. Cartwright, iemand heeft u sprookjes over me verteld en de draak gestoken met mijn opvattingen zodat u me, als ik die verdedig, later nog veel meer zult uitlachen."

"Ik zal u niet nu uitlachen," zei ze. "Of ik daarna met mijn mond vol tanden zal staan kan ik u niet vertellen."

"Dan zal ik me bij het heden houden."

"Ja, doe maar."

"Het is waar dat ik, net als andere tegenwoordige geleerden, alle verklaringen die uit het verleden zijn overgeleverd, terzijde geschoven heb. Maar dat komt omdat we echt in iets wilden kunnen geloven, want we merkten dat de oude theorieën, om het zachtjes uit te drukken, vol innerlijke strijdigheden zaten en door naar de natuur te kijken ontdekten we gewoon een onuitputtelijke veelheid van dingen om in te geloven. Als je het zorgvuldig onderzoekt geven alle bestaande dingen je iets om in te geloven, namelijk het ding zelf. Aanvankelijk zei dat niet veel over andere dingen, maar geleidelijk werd er iets duidelijk en hebben we ontdekt dat er in de natuur sprake is van een alomtegenwoordig proces van minder naar meer ingewikkeld. In het begin was er alleen maar een nevelachtige stofwolk zwevend aan het firmament, daarna ontstonden door samenklontering sterrenstelsels en planeten die in hun eigen baan rondcirkelden. Vervolgens ontstonden levensvormen op deze planeet van ons en vanaf het allereerste begin hebben die zich ontwikkeld tot wat wij nu allemaal zien. U weet dat elk dier en elke plant onderhevig is aan minieme veranderingen. Elk dier of plantaardig gewas kan in de natuurlijke loop der dingen met zijn afstammelingen de hele aarde vullen. Uit dat ontelbare nageslacht worden sommigen uitgeselecteerd, namelijk degenen die het best aangepast zijn om te overleven. Zodoende wordt elke gunstige eigenschap bewaard en ontstaan geleidelijk al die aanpassingen waar wij ons zo over verbazen."

"Wat moet dat lang geduurd hebben!" zei Laura.

"Eeuwen en eeuwen, daar kun je je nauwelijks een voorstelling van vormen, maar wat betekent tijd in de evolutie? Dat is de machtige kracht, het wonderbaarlijke proces dat elke levensvorm doet ontstaan.

Geen enkele van die oude typeringen of hypothesen hebben we nog nodig, want we zien de hele wereld zichzelf onverbiddelijk en noodzakelijkerwijs ontwikkelen tot nieuwe vormen die steeds ingewikkelder worden."

"Maar," zei Laura, "je zou dezelfde redenering kunnen toepassen op de huishoudelijke apparaten die we hebben; ooit gebruikten we heel eenvoudige en nu zijn ze heel ingewikkeld, maar we weten dat voor alle veranderingen denken en ontwerpen nodig waren."

"O, ja," zei hij, "dat maakt deel uit van hetzelfde proces. Een organisme in een ondiep stuk van de zee loopt het gevaar uit te drogen als het eb wordt. Organismen die de neiging vertonen van daaruit naar diepere gedeelten te kruipen overleven, terwijl anderen die die neiging niet hebben sterven. Dat soort verrichtingen die gericht zijn op het behoud van de soort is de oorsprong van een sturende kracht die eeuwenlang steeds sterker geworden is en ons bewuste denken vormt; dat is allemaal een gevolg van deze machtige kracht."

"Dan zijn wij de hoogste vorm die er is!"

"De allerhoogste. Dit machtige proces heeft u en mij voortgebracht — u bent de top en bloem van dat allemaal en ik degene die daarvoor uw ogen kan openen. Deze kennis brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Wij, die ontdekken hoe de ene levensvorm voortkomt uit een andere en de wet van vooruitgang, hebben die inzichten gekregen uit de enig mogelijke bron die de koers van ons land kan sturen. Ik weet dat ik aanmatigend lijk, Mej. Cartwright, Laura, maar jij met je intelligentie bent geboren om meer dan slechts een toeschouwster te zijn of een dame die in de bloemetjes gezet of naar wier hand gedongen wordt. Geïnspireerd door deze gedachte heb ik je daarvoor nodig — wij samen, wat zouden we allemaal niet kunnen!"

"Maar," zei Laura haastig en een beetje geschrokken, "ik geloof geen zier van uw evolutie. Het lijkt mij zoiets alsof er een steen aan de voet van een heuvel ligt en later zie je die op de top van de heuvel liggen en u voelt zich verplicht te verklaren hoe die daar terecht gekomen is en hebt daar geen idee van en dus bedenkt u een soort principe waardoor hij daar uit zichzelf gekomen is."

"Maar we weten dat er ooit eenvoudige levensvormen op deze aarde waren en nu zien we de meest ingewikkelde vormen."

"Ja," zei Laura, "zo is het precies. Omdat u niet begrijpt hoe de verandering tot stand gekomen is, bedenkt u een verklaring hoe dat uit zichzelf gebeurd is. Als u werkelijk zou zien hoe het plaatsvindt, zou u verhaal volstrekt zinloos zijn."

"Nou, hoe is het dan gebeurd?"

"Door plannen maken, proberen en nadenken, zoals wij dingen maken,’ zei Laura.

"O dat is animisme, dat is fetisjisme, dat is betreurenswaardig," zei de professor.

"Wat een leuke woorden," zei Laura.

"Maar —"

"Als ik ze leuk vind zou het betreurenswaardig van u zijn als u zou proberen mij te laten denken wat ik niet wil."

"Maar ik zou graag willen dat u anders denkt."

"Nou, probeer maar," zei Laura, "ik ben zo blij dat u me verteld heeft wat u denkt, want volgens mij bent u een betrouwbare ongelovige. U wilt vast papa er niet uitgooien en de regering omverwerpen, of wel soms?"

"Nee," zei Flower, "natuurlijk niet. U moet me niet verwarren met die domme rationalisten."

"Nee, dat zal ik nooit meer doen," zei Laura, "u hebt een indrukwekkende manier van denken en als ik daar niet van houd, is dat jammer voor mij, maar niet mijn fout."

Het was tijd om de tuin in te gaan en gelukkig liep Agatha in de buurt te wandelen met een Orbiase priester. Laura vertelde haar professor dat haar nicht graag over wetenschappelijke zaken praatte en stelde hem aan haar voor en richtte zich tot de eerwaarde Lukas.

Laura had nooit iemand zo snel bereid gevonden om met haar over serieuze zaken te praten als deze Orbiase priester.

In de plutocratische maatschappij van Unæa, volledig in beslag genomen door materiële belangen, werden meisjes erin geoefend om voor alles een zeer levendige belangstelling aan de dag te leggen, zorg te besteden aan manieren en kleding en hun gesprekken werden des te beter gevonden, naarmate ze vlinderachtiger over de dingen van het moment heen fladderden. Maar hij stond nu opeens voor dit meisje een beschrijving te geven van het leven van een verpleegster die haar leven in een ziekenhuis doorbracht met de zieken en stakkers altijd om zich heen, maar van wie toch altijd een golf van geluk leek uit te stralen en hij dacht dat zij de allergelukkigste mens was die hij kende.

"Dat," antwoordde zij, "komt omdat er altijd iets groots en machtigs bij haar in de buurt is waarvan zij weet dat het volmaakt betrouwbaar is, maar wat als er iets groots en machtigs bij iemand in de buurt is waarvan hij niet zeker weet dat het betrouwbaar is?"

"Je kunt moeilijk anders gelukkig zijn, dan met een waarachtig en vredig geluk," antwoordde hij, "maar dat hoeft nooit te gebeuren, want voor iedereen die gelooft brengen wij het besef van iets groots en machtigs — dichterbij dan vader, moeder, echtgenoot of echtgenote — dat volmaakt heilig is."

"Ja," antwoordde ze, "ik heb het gehoord, maar ons is verteld dat het soms het beste voor ons is in het duister gelaten te worden, omdat we dan leren zelf te oordelen."

"Als je mij dat laat zeggen heb je een verkeerd idee van zelf oordelen. Dat betekent alleen beoordelen hoe je moet handelen, want God laat de wereld niet in duisternis, zijn wil wordt altijd duidelijk onthuld en er zijn mensen die hij gezonden heeft om die te verkondigen."

"Ja, ik weet dat u dat zegt," antwoordde ze, "maar misschien vergist u zich soms. U zegt dat de heerschappij de Orbiër toekomt en wij allemaal zijn onderdanen zouden moeten zijn."

"Ja," antwoordde hij, glimlachend.

"Maar dat is strijdig met de wet. U kunt niet zeggen dat opstandigheid goed is."

"Ik zei iets heel anders en dat zal gebeuren," antwoordde hij. "Wij zeggen niet breng jullie leiders ten val, maar als jullie leiders en jullie niet weten wat je moet doen, kom dan naar ons. Daar zullen jullie de opperste wijsheid vinden, want is het mogelijk dat God onvoldoende licht geschonken heeft om ons pad te verlichten? Het enige wat we hoeven te doen is die te aanvaarden."

"Maar als ik zoals u zou geloven," zei Laura, "zou ik mijn uiterste best doen de mensen ook te laten geloven, want nu gaan ze precies de tegenovergestelde kant op."

"Niet zozeer als je denkt," zei hij, "als mensen onzeker en verward zijn is er een voortdurende neiging zich naar de heilige vader te wenden. Vandaag nog vroeg je vader me of wij onze invloed niet konden aanwenden om de mensen warm te maken voor die Kolonie — ik zei ‘Nee.’ Menselijk gesproken lijkt het juist, maar de heilige vader heeft verklaard dat dat tegen Gods woord in gaat."

"Maar ik heb gehoord," zei ze, "dat Harold Wall een groot gevolg heeft dat bereid is met hem mee te gaan."

"Ja," antwoordde hij, "zij gaan en wij blijven."

Zat er een zweem van droefheid in zijn stem? Ze voelde zich ontvankelijk voor een stem die vol mededogen klonk, iemand met een gekweld hart, die welkom was in dat Babel van opgewekt pratende mannen en vrouwen. Hij beantwoordde haar blik met de woorden:

"Dochter, laat je geluk bestaan in het volgen van het goede, want bedenk dat je slechts een bloem bent op het veld, of een onderdeel dat de schepper in zijn werk plaatst; het is aan jou om te bestaan en laat het over aan een alwijze hand om je een plaats te geven — hetzij op deze aarde, hetzij daar voorbij, op een plek die voor jou is toebereid."

Hij sprak met liefdevolle ernst en Laura had het gevoel dat hij uitkeek op een wereld die voor haar verborgen was."

*****

"Laura," zei Agatha toen ze bij elkaar zaten in haar slaapkamer, "wat de eerwaarde Lukas je vanavond ook verteld heeft, je laat je toch niet bekeren, of wel?"

"Hij vertelde dat nooit iemand onzeker hoefde te zijn over wat goed is. Wat hij zei was prachtig."

"Ik zal je vertellen wat ik erover denk, Laura. Je weet dat er mensen zijn die denken dat je gewoon door het geloof beter kunt worden als je ziek bent. Wij geloven dat niet en het is eenvoudig te begrijpen dat wij volgens datzelfde principe door het geloof zouden kunnen proberen een huis te laten ontstaan, gewoon door te geloven dat het er al is, of al het andere wat we willen, zonder daar moeite voor te doen."

"Ja," zei Laura, "het zou heel gemakkelijk zijn als je dingen zou kunnen krijgen, gewoon door te geloven dat we ze al hebben, maar dat kunnen we niet, we moeten daar heel veel moeite voor doen."

"Heel veel moeite," zei Agatha, "en de manier om ze te krijgen is vaak heel indirect."

"Het zou me niets kunnen schelen hoe indirect, als het uiteindelijk maar goed komt," zei Laura.

"Nee, omdat je je vaders dochter bent, denk ik niet dat dat zo is."

"Het ergste bij papa is dat je pas weet wat hij wil, als het hem al gelukt is."

"Bedoel je dat je hem niet kan helpen?"

"Je kunt hem evenmin tegenhouden als helpen," zei Laura.

"Dat komt omdat je zo passief bent, Laura, je laat mensen met je doen wat ze willen; als je zelf enig initiatief zou tonen, zou je niet zozeer als leem in handen van je vader zijn."

"Ik ben geen leem."

"Wel waar, je bent heel aangename leem, je bent al verloofd en getrouwd voordat je enig leven van jezelf hebt gehad."

"Dat gaat niet gebeuren," zei Laura zenuwachtig.

"Nou, de enige manier om dat te stoppen is iets te doen; neem mij bijvoorbeeld, ze wilden me laten trouwen met iemand die ik niet mocht, dus dook ik in de wetenschap en zo langzamerhand zijn ze blij als ik al ooit zal trouwen."

"Ik heb altijd gedacht dat je een of andere reden moest hebben om je met wetenschap in te laten," zei Laura onvoorzichtig.

"Dat laat zien hoe weinig je ervan afweet," zei Agatha, "wetenschap is de prachtigste bezigheid ter wereld. Ik wist er niets van totdat — totdat iemand me erover vertelde. We willen weten en de enige manier is bij het begin te beginnen. We kunnen niet kiezen wat we weten en wetenschap is beginnen met te weten wat we kunnen weten. Hij zei dat we als een geketende reus zijn, die alleen kan beginnen te bewegen; we hebben nu pas een idee van de eenvoudigste werkelijke dingen om ons heen en op zekere dag zullen we daar doorheen breken en onszelf leren kennen en vooral tot het besef komen dat mensen daar zoveel over gefantaseerd hebben. Maar dat vereist hard werken."

"Ik zou willen dat ik me samen met jou in de wetenschap zou kunnen verdiepen," zei Laura.

"Ik denk dat je veel beter met kunst kunt beginnen," was Agatha’s weifelende antwoord.

HOOFDSTUK V

HET BLOEMENFEEST

Tijdens de afgelopen weken had Laura haar vader veel vaker gezien als voordien. Ze had geprobeerd hem in een wat evenwichtigere stemming te brengen en voelde dat hij haar minder dan vroeger als een kind behandelde.

Op de ochtend na het gesprek met Agatha, trof ze hem aan in een heel slecht humeur. "Ik heb een ondankbare taak," zei hij, "ik moet de mensen overhalen om te doen wat in hun eigen voordeel is en dan draaien ze zich om en verknoeien mijn plannen, uit pure lichtzinnigheid. Uit puur verzet verspreiden de Orbiërs een grievend bericht over de hele onderneming van de Kolonie. Het is zuiver schijnheiligheid."

"Maar, Papa, ze moeten daar toch een reden voor hebben, kunt u er geen bedenken?"

"Iets daar naartoe vervoeren is waarschijnlijk nogal moeilijk; de komende winter zal de oceaan vermoedelijk dichtvriezen, maar dat kunnen ze onmogelijk weten."

"Ze weten veel meer dan u denkt," zei Laura.

"Wat bedoel je, Laura?" zei haar vader op een toon waar ze van schrok, "vertel me meteen alles wat je weet."

"Ik weet niets, Papa."

"Waarom zei je dan dat ze meer wisten dan ik dacht?"

"Ik weet het niet."

"Laura, ik sta erop dat je het me vertelt."

"Ik kan het echt niet, Papa. De eerwaarde Lukas vertelde me dat de Orbiërs de waarheid kennen en dat iedereen naar hen toe komt voor raad." Cartwright keek haar onderzoekend aan.

"Hou je niets voor me achter, Laura?"

"Waarom stuurt u Harold weg?’ zei ze, "als u hem hier zoveel mogelijkheden kunt bieden?"

"Harold Wall is niet het soort man dat je gunsten kunt verlenen," zei Cartwright, "dit is een goede gelegenheid voor hem en ik hoop dat het zal leiden tot een lange en uitstekende loopbaan. Hij heeft toch niet iets tegen je gezegd, waardoor je hem meer dan als vriend ziet?"

"Nee, Papa."

"Dat soort gedachten moet je helemaal uit je hoofd zetten. Harold is een te gevoelige man om die gedachten te koesteren. Jij bent niet het meisje dat gaat zitten kniezen om iemand die jou uit zijn hoofd heeft gezet. En ik zeg je eerlijk dat, hoeveel die jongeman ook om je geeft, zijn trots een onoverkomelijke hindernis is. De enige manier waarop een Wall mij om de hand van mijn dochter zou vragen, zou als een gelijke zijn. Je kunt er vrij zeker van zijn dat je het laatste van hem gezien en gehoord hebt, tenzij er een wonder gebeurt. Het is net alsof je in een andere wereld geleefd hebt."

"Ik weet het, Papa."

"Heel wat levens worden besteed aan het verwerven van een positie en heel wat dromen van jongens en meisjes gaan over iets van hun leven maken. Bedenk dat je mijn dochter bent en ik bereid ben al het mogelijke voor je te doen."

"Ja, Papa," zei Laura, "ik weet het en ik zou u iets willen vragen."

"Goed!"

"Papa! Ik wil iets om mijn leven te vullen. Ik wil me in de wetenschap verdiepen."

"Wat? maakt dit aardige kopje zich daar druk over? Daar heb je niet de capaciteiten voor, Laura."

"Denkt u dat u alle hersenen van het gezin hebt, Papa? Is er niet wat voor mij overgebleven?"

"Goed dan," zei Cartwright na even nadenken, "dan moet je naar mijn broer. Je bent heel laat met daarmee te beginnen, maar hij zal wel zien wat hij ter wille van de familie nog van je kan maken."

Hugh Farmer, Cartwrights halfbroer, woonde in een ver verwijderde en sombere streek van Scythia en in de familie werd er altijd over hem gesproken als een buitengewoon geleerde man, zonder verzachtende menselijke trekken. Maar Laura had haar bedje gespreid en voelde dat ze daarop moest gaan liggen.

Maar toen haar vader voorstelde dat ze nog voor het eind van de week zou vertrekken, kwamen, hoewel ze zich ertegen verzette, toch de tranen.

"Hé, wat krijgen we nou, Laura," vroeg haar vader, "huilen omdat je gekregen hebt wat je wilde?’

"O, vader," zei ze, " Ik — kunt u me niet nog laten blijven voor het bloemenfeest?"

Cartwright glimlachte. Het was niet moeilijk mee te voelen met een kind dat zo druk bezig was met een komend feest.

Toen zijn kinderen klein waren had Cartwright in hun opvoeding zijn idee over een terugkeer naar de natuur door laten werken. Een groot deel van het jaar leefden ze op zijn landgoed aan de oever van het Albaanse meer en daar hadden ze een tijdverdrijf ontdekt dat, geregeld en geordend onder zijn systematische bemoeienissen, de wereld van de elite had bekoord. Een van Cartwrights bloemenfeesten niet bijwonen, betekende de fraaiste aanblik mislopen die Unæa kon bieden.

Met een onbeschrijfelijke gulheid ontsprongen aan die smalle streep grond een overvloed van bloemen, betovering en bekoring. De voetstappen van de voorbijgangers tegenhouden, de vruchtbare grond met rust laten, was het enige dat nodig was om die in staat te stellen een schitterende schoonheid te verschaffen. Zodoende was dit feest, het toppunt van modieuze geneugten, ontsprongen aan de vroege wandelingen van zijn kinderen en zijn eigen onderkennen van hoe het niet moest.

Het zou Laura wanhopig verdriet gedaan hebben als ze Harold niet nog een keer gezien had en op dit bloemenfeest waar ze hem tot eregast kon maken, zou ze alle mogelijkheden hebben waar ze naar verlangde. Ze wilde de kleingeestige, harteloze manier waarop ze hem zijn onderneming ontraden had weer goed maken. Eigenlijk vond ze het prachtig van hem. Dit vertrekken om uit de woestenij van Septentria een nieuw land te scheppen sprak haar aan. En ze wilde hem vertellen dat hij niet bang hoefde te zijn dat zij hem zou vergeten. Hoe kon ze dat beter doen dan met taferelen uit haar kindertijd waarin elke stap liefde en vertrouwen betekende. Laura had een zeer gelukkige jeugd gehad en tijdens dit bloemenfeest zou zij hem, stap voor stap, langs de oude veelbetreden weg meevoeren — ze wist dat ze hem regelrecht het thuis van liefde en vertrouwen binnen kon leiden, dat haar moeder lang geleden gemaakt had en misschien zou ze de kans krijgen om te zeggen, "Harold, als je bij je grote werk ooit moe, eenzaam of verdrietig bent, bedenk dan dat er ver weg iemand is die alleen maar aan je denkt."

Woensdagochtend vroeg verlieten alle vrienden van Laura — jonge mannen en vrouwen en heel wat oudere mensen die niet bang waren om moe te worden — de stad voor een zware dagreis. De voertuigen in Astria, die heel traag en log zijn, bieden niet dat gerieflijke reizen dat die van ons doen en zo bereikte de groep, laat op de avond, vermoeid en aan de avondmaaltijd en slapen toe, ongeveer een kilometer van de oever van het meer en hooggelegen in de Albaanse heuvels, het buitenverblijf dat voor hen ingericht was.

De volgende morgen, nog voor het licht begon te worden, klonk het teken om op te staan en toen de zon de wolken ging vergulden, begonnen de jonge mannen en vrouwen hun wandeling over de grond die al dagen door geen enkele Astriase voet was betreden. En toen doemde de bloemenzee voor hen op.

Er waren grote dagbloemen, klaprozen en asters, langstelige witte, statig knikkende orchideeën en nog heel veel meer bloemen waar we de naam niet van weten. Er was geen enkele vorm die een uitbundige fantasie maar kon bedenken, of hij was daar en richtte zich, geurend en met dauwdruppels overladen, op in de tastbare dichte pracht van de aanbrekende dag. De meisjes verzamelden ze handenvol. Als bloemen die door een of andere liefhebbende hand werden geplukt, trokken zij op hun beurt wenkend, glimlachend en zingend hun zusters mee om hen te laten delen in hun avontuur en plezier. Op de zandige oever van het meer lagen bootjes en toen de zon hoog aan de hemel stond, dobberden over het water in elk een door bloemen omkranste achteroverleunende koningin en haar lange roeispaan hanterende onderdaan, die haar voortroeide op het kalme oppervlak van de binnenzee.

Die reis voerde Harold steeds verder het betoverde land in totdat hij het gevoel kreeg dat het, als hij in de verlaten woestenij van de Tegenvoeterskust zijn leven in zijn eentje zou slijten, goed besteed zou zijn met die hele gezegende herinnering aan dat een uur durende opgewekte gesprek op het meer, waar op Laura’s borst de weerschijn glansde van de donkergetinte bloemen en die grote witte lelie, spierwit, met de groene aaneengesloten bladeren en de zuiverwitte bloemkelk.

Terwijl ze ronddobberden praatten ze zoals nooit eerder gepraat hadden, de wind dreef hen voort en met de heldere hemel boven zich, zeilden ze weg naar een nieuw land. Ze was niet langer de prijs, de aanbedene, de verre godin, het wezen op een afstand dat veroverd moest worden, maar de dierbare nabije metgezellin, die zijn gedachten deelde; de hele dag door kwam ze onzegbaar en onmerkbaar dichter naar hem toe, werd werkelijker voor hem en twijfel, onrust en angst vielen af van het beeld dat hij van haar had — hij merkte dat ze echt en sterk was en als ze later uit elkaar zouden drijven, zou dat niet komen door iets onbeduidends als een tussenliggende oceaan of jarenlang respijt. Laura borg zich in zijn hart als een godin, buiten bereik van onheil, die niet bij gelegenheid veroverd, noch door omstandigheden verloren kon worden, maar alsof ze naast hem groeide als een ander zelf, dat niet aangetast door andere mensen, noch door ook maar iets anders van hem verwijderd kon worden. En toch werd er geen woord gezegd over wat ze voor elkaar voelden. Laura uitte gewoon terloops haar aanlokkelijke stemmingsbeelden, vertelde hem over de goede oude tijden en als een zwijgende verrassing kwam het in hem op dat het zijn werk was, dat grootse dat hij ging doen, waar haar leven omheendraaide en waar haar gedachten zich op richtten.

In de laatste boot die de overkant bereikte zaten Agatha en Forest, die in een diep gesprek waren gewikkeld en geen aandacht schonken aan de onbeduidende interrupties waarmee de anderen hen probeerden te storen. Voor zover nagegaan kon worden, was het onderwerp waarbij ze terechtgekomen waren de ongekende mogelijkheden van pasgetrouwde vrouwen voor het bestuderen van de soortvariatie tijdens het domesticatieproces.

Om de gewichtige aard van het gesprek aan te geven gooide iemand vanaf de oever een steen en zoals vaak het geval is werd de grap met meer enthousiasme uitgehaald dan met kiesheid. Voordat ze in de gaten kregen wat er gedaan was begonnen de golven over Forests boot heen te slaan. Agatha slaakte een kreet van schrik.

"Niet schrikken," zei Forest, leunde achterover over de achtersteven, waarbij door zijn gewicht de punt omhoogkwam en riep, "springen."

"Springen, Agatha, voordat je kopje onder gaat," riepen de opgewekte stemmen vanaf de kust.

"En jij dan, Edward?" zei ze, weifelend.

"O, trek je van mij niets aan," zei Forest. "Als ik alleen ga roeien moet ik vaak naar de oever terugzwemmen, want dan is de boot gevuld met zwaarwichtige gedachten."

"Dat had je me moeten vertellen voordat je me vroeg mee te gaan," zei Agatha verontwaardigd en bracht zich met een sprong in veiligheid.

Maar Forest had zijn roeiriem onder de bedreigde boot geduwd, kon zo voorkomen dat hij zonk en voegde zich met een onverstoorbare ernst weer bij de anderen.

Op de oever dansten, wandelden en praatten ze nog verder. Daarna keerden ze ’s avonds allemaal weer terug met de veerboot, terwijl ze zingend hun weg baanden door de blauwzwarte nacht. Nadat ze geslapen hadden in het buitenhuis reden ze weer naar de stad, na een dag van eenvoudig en vanzelfsprekend plezier. Zo kwam het bloemenfeest ten einde.

HOOFDSTUK VI

OP DE EENZAME BERG

Kort na het bloemenfeest, ging Laura op weg om een lang bezoek te brengen aan haar oom in Scythia. Maar voor ik iets ga vertellen over de gebeurtenissen die in Eenzame Berg plaatsvonden, zijn eerst een paar woorden over het karakter en leven van Hugh Farmer op zijn plaats. Hij was de enige persoon in Unæa die in de derde dimensie geloofde. De gebeurtenissen die ertoe hadden geleid dat Farmer daarin ging geloven, vormen een episode die een van de meest merkwaardige was in Platland of waar ook je maar kunt bedenken in de ruimte. Net als bij ons was het in Unæa de gewoonte om een getal weer te geven door een lijn, en een vierkant door een kwadraat. Als het getal 2 werd weergegeven door een lijn, werd 4, het kwadraat van dat getal voorgesteld door het vierkant op die lijn. Het was ook geheel vanzelfsprekend voor de Unæërs dat de derde macht van 2, dus 8, weergegeven kon worden door een figuur met een dimensie meer dan een vierkant. Zij hadden een formeel begrip van een kubus. Maar bedenken dat een dergelijke figuur werkelijk bestond, was in tegenspraak met elk principe van hun wetenschap. Als basis houdt wetenschap observatie in — iets dat door de zintuigen wordt verstrekt en waarmee het denken aan de gang gaat. Aan de andere kant betekende de voorstelling van een ruimte van drie dimensies, dat het denken een onjuiste rol werd toebedeeld, het een onjuiste taak laten uitvoeren. Het denken zou niet iets in leven kunnen roepen, het kon alleen maar te werk gaan met bestaande dingen. De denkers uit Unæa zouden dan dus net zo gemakkelijk in monsters en draken kunnen geloven als in een driedimensionale ruimte. Begrippen zoals een driedimensionale ruimte werden namelijk ontleend aan het denken en waren niet gebaseerd op bewijsmateriaal van de zintuigen. Farmer was het helemaal eens met die hartstochtelijke overtuiging van het primaat van de zintuigen, die het denken het materiaal verschaften om mee te werken. Maar in zijn tijd was er een sekte die beweerde dat de ziel afzonderlijk en gescheiden van het lichaam bestond. Zij beweerden dat het mogelijk was om contact te maken met zielen van doden, en stelden dat deze geestelijke wezens zichzelf zichtbaar en tastbaar konden maken. Welnu, Farmer beschouwde alles wat gezien en gevoeld kon worden als een rechtmatig voorwerp voor wetenschappelijk onderzoek en dus nam hij de bestudering van deze spirituele verschijnselen ter hand. Hij voelde zich een slachtoffer van goochelarij. Er werden hem kunstjes geflikt en in zijn bijzijn werden er merkwaardige en onverklaarbare verschijnselen opgeroepen. En door een wonderlijke samenloop van omstandigheden, gebeurde het dus dat de fantastische voorvallen die hem werden aangesmeerd, van dien aard waren dat ze werkelijk teweeggebracht zouden kunnen worden als er een derde dimensie zou bestaan. In zijn ruimte waren ze heel wonderbaarlijk. Maar in de driedimensionale ruimte zouden ze helemaal wonderbaarlijk zijn. In Platland is bijvoorbeeld een doos een aan vier kanten afgescheiden gedeelte, net zoals een leeg vierkant. Farmer zag nu eerst voorwerpen buiten een dergelijk aan vier kanten afgescheiden gedeelte, en vervolgens daarbinnen, zonder dat er iets met de zijden was gebeurd. Als een driedimensionaal gebeuren zou het natuurlijk geen probleem zijn om een voorwerp van buiten een vierkant, naar binnen te verplaatsen. Het zou gewoon inhouden dat het opgetild zou worden en op een andere plaats weer zou worden neergelegd. Farmer was getuige van dergelijke en andere gebeurtenissen. Hij geloofde dat ze werkelijk gebeurden. Daardoor ging hij geloven in een driedimensionale ruimte. Zijn zintuigen riepen in hem dat schokeffect op, wat de enige manier was waarmee een vakkundige en bedachtzame Unæër ertoe kon worden gebracht om iets te geloven. En dit schokeffect dat zijn zintuigen teweegbrachten, dit op een merkwaardige en indirecte manier zien en voelen, leidde ertoe dat hij in de derde dimensie ging geloven. Toen de eerste stap was genomen en hij mentaal aan driedimensionale vormen gewend en mee vertrouwd geraakt was, leverden zij geen probleem meer voor hem op. Ze waren duidelijk vanzelfsprekend en hij zag dat het absurd was om het bestaan tot een vlak te beperken. Maar zijn enthousiasme over zijn nieuwe opvattingen zorgden ervoor dat hij ruzies en onenigheden kreeg met zijn tijdgenoten. Hij vond het verstandig om zich terug te trekken op een klein landgoed in Scythia, waar hij eigenaar van was. Daar schudde hij de last van de afwijzing door andere mensen van zich af en verbleef daar in de eenzame gelukzaligheid van de kennis van de drie dimensies.

*****

Er was niets dat Hugh Farmers verrassing en ergernis zou hebben kunnen evenaren, toen zijn prachtige nicht verscheen en aankondigde dat zij van plan was om samen met hem de natuurwetenschap te bestuderen. Hij vertelde haar dat hij absoluut geen tijd had en trok zich diep in zijn woning terug.

Maar zij was druk bezig in zijn kamers, zette bloemen op zijn boekenplanken, en als hij van de honger naar buiten kwam, vond hij het niet erg onaangenaam om tegenover een frisse jongedame te gaan zitten.

Zoals vaak het geval is met mensen die echt iets weten, was hij voor een jong iemand de laatste bij wie zij op zoek kon gaan naar informatie. Hij begon hardop te denken.

"Heb je het nooit gek gevonden," zei hij, "dat er twee vormen kunnen bestaan, die allebei in de rangschikking van hun onderdelen precies hetzelfde zijn, maar zó dat wij de ene niet in de andere kunnen veranderen?"

"Zulke vormen bestaan niet," zei ze."

"Ja, ze bestaan wel," en hij liet haar twee driehoeken zien en wees aan dat ze allebei dezelfde hoeken hadden en dezelfde lengten, maar dat de een niet in de andere kon veranderen, hoe zij ze ook zou schuiven.

Illustratie Een Episode uit Platland

Laura keek ernaar. Ze deden haar denken aan de kleine fantasiefiguurtjes, de poppen waar ze als kind mee speelde, want die poppen waren uitgeknipt in de vorm van driehoeken, en de driehoek die de ene kant op keek gebruikte ze altijd als jongenspop en de driehoek die de andere kant op keek als meisjespop.

"Ze lijken precies op de poppen die ik altijd zelf maakte," zei ze, "de ene is net een jongenspop en de andere een meisjespop."

"Ja," zei hij, en kon je de ene ooit in de andere veranderen?"

"Nee," zei ze.

"Waarom niet?"

"Waarom zou je dat dan willen?"

Hij bromde, "Ik zei niet dat ik dat wilde, maar als twee dingen precies hetzelfde zijn zouden ze op dezelfde plaats neergezet kunnen worden."

"Natuurlijk zou dat moeten kunnen," zei ze om hem een plezier te doen."

"Nou," zei hij, "als je een derde dimensie bedenkt, zou je de een in de ander kunnen veranderen."

"O, ik heb iets over de derde dimensie gehoord," zei ze.

"Ja?, wat weet je er dan van?"

"Dat is waar onze ziel naar toe gaat, onze geest, bedoel ik; natuurlijk zou je daar de ene in de andere kunnen veranderen. Dat is wat ze bedoelen met dat er in de wereld hierboven geen verschil tussen mannen en vrouwen bestaat — het is voor poppen precies hetzelfde als voor ons."

"Ik wist niet dat jouw vader een domme dochter had," zei de oude man, en ging weer naar zijn kamer.

Laura hield daar wel van. Het was zo anders dan de manier waarop er altijd met haar was gepraat. Eigenlijk maakte haar oom een enorme indruk op haar. En dat hij niet van haar hield, gaf haar de kracht om het gevecht aan te gaan om hem voor zich te winnen. Zijn boeken slingerden overal rond. Ze nam er een mee naar haar slaapkamer en omdat ze geen wijs kon worden uit de tekeningen, begon ze die over te tekenen en te ontdekken hoe ze van die nieuwsgierige opmerkingen kon maken. In de stilte van de nacht hoorde ze steeds weer voetstappen — op en neer, op en neer — en toen ze in slaap viel ging dat nog steeds door — rusteloze, zenuwachtige stappen, als die van een gekooid en gekweld mens. Bezorgdg keek ze de volgende ochtend naar haar oom. Hij zag er helemaal niet anders uit, maar ze was er zeker van dat hij nauwelijks had geslapen."

"Oom," zei ze, "waarom ziet u er zo ongelukkig uit?"

"Waarom denk je dat ik niet gelukkig ben?"

"Ik weet dat u dat niet bent."

"Ik ben een oude man en zal wel gauw doodgaan."

"Maar niet alle oude mensen zijn ongelukkig."

"Ach, maar zij zullen de wereld jong en fris verlaten. Nog voor ik ga zal een koudegolf ons allemaal treffen, en zullen de meren en zeeën bevriezen. Niets groens zal meer bloeien, slechts een paar dingen in diepe spelonken, en de mensen zullen zich met spoedig uitdovende vuren een weg banen in een ellendig bestaan, dat het einde zal betekenen van de grootsheid van onze aarde."

"Kind, jouw vader heeft zijn kennis gelukkig voor jou verborgen gehouden."

"O, Oom, zag hij er daarom zo afgemat en verdrietig uit?"

"Ja. Een uitzichtloos geheim meedragen zoals dat, is voldoende om moe en verdrietig te worden.

Alleen de volstrekte zekerheid ervan, zou hem kunnen dwingen om dat toe te geven. Hij stuurde mij het werk dat hij had verricht en ik ontdekte dat zijn rekenaars in elk twijfelachtig geval de meest gunstige hypothese hadden aangenomen. Ik neem ze dat niet kwalijk. Het alternatief is te gruwelijk. In de meest gunstige veronderstelling zal onze aarde, na de volgende ontmoeting met de grote planeet Ardæa, in een nieuwe baan worden geslingerd — we zullen dan ver de koude ruimte in gaan totdat de aarde bevroren is en vervolgens zullen wij terugsnellen en zo dicht bij de zon terechtkomen, dat het aardoppervlak elke dag kokend heet zal worden. Misschien zullen een paar van ons in diepe grotten en spelonken overleven."

"Als u daar zeker van bent, Oom, zou u dat moeten vertellen, zodat wij ons daar allemaal op kunnen voorbereiden."

"Voorbereiden waarop?"

"Waarop? beste Oom, ons lichaam is niet alles. Als u of ik doodgaan, weten we dat onze zielen blijven leven, en geoordeeld worden naar alle goed en kwaad in ons leven. U zou het iedereen moeten vertellen."

"En hen alle normen en waarden laten vernietigen in één kortdurende slemppartij? Nee Laura, jij kent de wereld niet. Er zit meer gezond verstand bij gewone mensen dan bij al jouw kleinzielige idealisten. Wij zijn hier voor een opdracht en niet voor een theatraal toneelspel om al onze goede eigenschappen ten toon te spreiden, en als mensen weten dat die opdracht ten einde loopt, zullen de dwalingen van hun predikers geen enkele invloed meer op hen hebben."

"Dat zijn geen dwalingen, Oom."

"Het is nog erger, Laura. Het is egoïstische zwendel. Mijn hart draait om in mijn lijf, kind, als ik hoor hoe die welbespraakte predikers zo zelfverzekerd de weg wijzen op grond van iets waarop geen enkele gewone zakenman, zelfs voor de meest eenvoudige transactie, zou vertrouwen. Als we hebben geleerd dat iets zekerder is dan al het andere, is het dat we iets alleen bij benadering kunnen weten. Maar het enige wat zij doen is uitgaan van het ultieme. Zij weten, vast en zeker, wat er is, en van daaruit leiden ze af wat er moet zijn."

"Maar gelooft u dan in God, Oom?"

"Ik weet niet wat zij met God bedoelen. Die hele theologie is één groot verzinsel, dat aan de verkeerde kant begint en voorkomt dat wij dat nabije hogere ontdekken, dat wij anders misschien wel zouden kunnen leren kennen. De dwazen," mompelde hij, "met de instrumenten in hun handen en ogen die naar de hemel staren — en die dan weigeren te gebruiken. Weigeren tot het te laat is."

Met een huivering in haar hart bij zijn hartstochtelijke blik, worstelde Laura met het raadsel van zijn ontroering. Het was geen hulpeloze treurigheid, die op hem drukte — geen wanhoop; er was iets anders dan de ondergang van de wereld dat zijn geest vervulde, iets dat hij haar niet wilde vertellen. Opeens zei ze, terwijl ze naar zijn geheime gedachte raadde, "Oom, zou u de wereld kunnen redden?"

"Wat heeft je vader je verteld?"

"Niets. Maar ik weet dat u zich niet zo zou voelen als u dat niet zou kunnen."

"Maar niemand zal naar me luisteren."

"Kijk, wat voor zin heeft het om iedereen te haten? Ze bedoelen het echt allemaal goed. Het komt alleen maar omdat zij u niet begrijpen. Ga het die geleerde mensen vertellen die onderzoek doen naar de aarde en de sterren."

"Je begrijpt het niet, Laura. Wetenschappers zijn nog dogmatischer dan theologen, omdat zij kunnen bewijzen dat ze gelijk hebben. Zij kunnen zich beroepen op het bewijsmateriaal van hun zintuigen."

"Ik was net als zij, en dacht dat ikzelf, mijn denkvermogen en alle talenten waar ik over beschikte, werden voortgebracht door de dingen om mij heen; dat het gebeuren dat ik kende mij zou maken, als ik het maar voldoende zou begrijpen. Ik lachte me te pletter bij het idee van een spiritueel bestaan, naast de materie. En wat een derde dimensie betreft, leek het me belachelijk om iets aan te nemen waar we geen bewijs voor hadden. Maar ik leerde een volstrekt oprecht en waarheidsgetrouw iemand kennen, die over buitengewone vermogens beschikte. Hij beweerde dat hij in contact stond met de geestenwereld, en liet mij een heleboel zien, wat mensen voor wonderbaarlijk houden. Wat ik merkte is dat deze wonderen iets was wat driedimensionale wezens heel gemakkelijk zouden kunnen doen. Wetenschappers noemden hem een bedrieger en oplichter. Maar ik kende hem te goed om mij bij dat koor te voegen. Hij zorgde ervoor dat ik in de derde dimensie ging geloven door het enige bewijs dat ik zou aanvaarden — het bewijs van mijn eigen zintuigen. En, Laura, ik ben er trots op dat ik kan zeggen dat ik mijn weldoener altijd trouw ben gebleven. Dat was de enige daad in mijn hele leven die ik een mens waardig beschouw. Maar het stelt niks voor, zou jij misschien kunnen zeggen, om alleen maar te verkondigen dat er in kleine materiedeeltjes bepaalde dingen gebeuren. Maar het heeft me alle vrienden gekost die ik had. Ik kon zelfs mijn armzalige en onbeduidende positie niet handhaven. Het leek erop dat ieders beroepsreputatie belangrijker was, dan dat ze iets met mij te maken wilden hebben. Als ik dan een experiment deed dat glashelder was, schreven zij het toe aan bedrog. En, Laura, het klopt dat het ons zou redden als iedereen het maar zou geloven."

"Maar", zei Laura, "als u in geesten gelooft, zouden de geestelijken wel naar u luisteren."

"Dat zou me wat zijn. Ik zeg je, Laura, dat die mensen zo bedreven zijn in dingen die niet bestaan, dat zij iedereen die hen zou vertellen hoe de dingen, waar zij het over hebben, misschien echt in elkaar zitten, graag levend zouden willen verbranden, als zij daardoor zouden kunnen doorgaan met hun keuze voor dat soort dingen. Nee, zij beschikken zelf over een gesloten systeem, en hun idee over het denken is dat het bestaat uit het precies ontcijferen van wat er in oude boeken is geschreven en uit te zoeken of deze of gene man echt heeft geleefd, als er wordt vermeld dat hij heeft geleefd. Dat is het soort troep waar zij een ten ondergaande wereld mee opzadelen."

"Maar als zij mensen beter maken?"

"Ja, ja, dat is een idee van hen, wat ze echt begrijpen, als ik daarover nadenk. Ik heb het bij jouw vader geprobeerd. Ik probeer het steeds bij wetenschappers, maar zij sturen mijn werk altijd beleefd terug. Ik weet wat ze erover denken."

"Oom, ik ken iemand die u zou willen helpen."

"Je bent een schat," zei hij, terwijl hij haar naar zich toe trok, "er is iemand die heel veel van je houdt."

"Waarom zegt u dat?"

"Mijn schat, ik weet het."

"Oom, ik zal eerlijk tegen u zijn; ik voel op een of andere manier dat ik het u kan vertellen. Ik hou heel veel van iemand. Hij heeft nog nooit iets tegen me gezegd, maar ik hoop, ik ben er bijna zeker van, dat hij ook van mij houdt. Zo voel ik dat. Er bestaat een grote bron van liefde waar wij allemaal uit drinken. Ik hou dan wel van veel mensen en denk vaak aan ze, maar er is er maar een die kleur aan al mijn gedachten geeft. Alles wat ik denk, zeg of doe heeft op een of andere manier met hem te maken; en elke mooie gedachte die in mij opkomt, verwijst naar hem. Nou, Oom, lach me niet uit. Ik zeg echt niet dat hij de allerbeste is, maar ik voel gewoon wat ik u over hem verteld. En als ik aan al die dingen denk en hoeveel van zijn persoonlijkheid mijn beste deel is geworden, kan ik niet anders dan geloven dat hij op een of andere manier iets van mij heeft overgenomen."

Farmer pakte haar hand vast. "Ik dank je, schat, omdat je in je hart hebt laten kijken, Ja, ik denk dat hij ook vast van jou houdt. Ken ik hem?"

Het is Harold Wall," zei Laura.

"Ik heb zijn vader gekend, Na de grote oorlog kon hij nauwelijks onze taal spreken. Hij gebruikte een dialect dat tijdens de lange reis was ontstaan. Aan het eind van zijn leven was hij nog steeds dezelfde — ruig, onbeschaafd en niet in staat om zich aan te passen. De mensen vereerden hem vanwege de manier waarop hij zijn mensen door de woestijn heen had geleid, maar ze hielden niet van hem. Zijn leven was opgebruikt door die krachtsinspanning, zoals het mijne door de mijne. Misschien zal zijn zoon begrijpen dat ook ik heb gewaagd en gewonnen, terwijl ik voor ieder ander een leuterende oude kindse man ben, die een nauwelijks begrijpelijke taal spreekt." "Ik denk", voegde hij daaraan toe, "dat jouw vader niet erg met hem ingenomen is."

"Hij heeft daar nooit wat over gezegd, daar is hij te trots voor. Als hij iets om mij geeft, zou hij nooit iets zeggen."

"Dat is goed. Laura, er is iets dat me zegt dat de band die jullie beiden met elkaar verbindt, heel innig en echt is. Jullie moeten niet, zoals andere geliefden vaak doen, alleen maar aan elkaar denken; maar vanuit de grote tederheid en oprechtheid van jullie genegenheid, moeten jullie jezelf veranderen en opofferen — voor elkaar — om ons allemaal te helpen en te redden. Schrijf hem maar en stuur hem een boodschap van mij. Zeg hem dat hij zijn land kan redden."


HOOFDSTUK VII

LAURA’S BRIEF

Eenzame Berg

Lieve Harold,

Ik ben bij mijn oom. Voordat ik de stad uitging heb ik een heleboel meer van mijn vader gezien dan gewoonlijk. En ik heb gemerkt dat hij iets op zijn hart had, iets dat hij voor zichzelf hield. Hij was wel heel boos omdat hij dacht dat ik hem door had.

Wij zijn ons niet bewust geweest van een vreselijk gevaar dat boven ons hoofd en boven de hele wereld hangt. Mijn vader weet het, mijn oom weet het. Als je naar de Directeur van de Staatssterrenwacht gaat en hem zegt dat je van mijn oom komt zal hij je niet teleurstellen, hoewel het gevaar geheim moet worden gehouden. Het gaat om het volgende. De zomers zijn warmer geworden en de winters kouder, omdat we door Ardæa uit onze omloopbaan worden getrokken.

Over een tijdje zullen we doodvriezen of levend verbranden. Mijn oom weet een manier om ons te redden. Kom alsjeblieft en laat hem jou vertellen wat dat is. Zelf kan hij niets doen, maar met jouw hulp kan hij ons weer in veiligheid brengen,

Je oprecht toegenegen,

Laura Cartwright


Als een van ons de weg had genomen die Wall in antwoord op onze brief was ingeslagen, waarbij wij dan door de drukke steden heen waren gelopen en langs de verspreid liggende dorpen en eenzame huizen die op onze weg lagen, zouden wij een vreemd gevoel van isolement hebben ervaren — alsof onze niet gedeelde kennis hersenschimmig was en al die onbewuste mensen wel in het bezit van de waarheid waren en wij niet.

Hoe zou aan de eeuwenlange dagelijkse gang van zakendoen, ruilhandel en commercie — de dringende en noodzakelijke zorg van iedereen voor zijn eigen zaken — hoe zou aan het opgaan van iedereen in zijn eigen microscopisch kleine hoekje een eind gemaakt kunnen worden! Door hun volledig in beslag genomen zijn door hun eigen zaken, had de mensheid ongetwijfeld het recht verkregen om een basis te hebben, waar alles ongestoord op rustte. Het firmament, het hemelgewelf, de veranderingen van de seizoenen, de constructie van de aarde, moesten op zijn minst betrouwbaar zijn. Maar Wall had het staatsgeheim uit de tegenstribbelende astronoom gewrongen en aanvaard. Hij geloofde in de interplanetaire veranderlijkheid en was bereid om na te denken over de middelen om dat af te wenden. Er was geen gebrek aan gebeurtenissen, die hij zou kunnen zien als onheilspellend en tekenend. Hevige stormen hadden op de kust gebeukt. Een getijdengolf met een ongekende hoogte had ernstige schade toegebracht aan de schepen die voor zijn expeditie waren uitgerust. De geschrokken kolonisten weigerden uit te zeilen totdat de zee weer tot haar gebruikelijke kalmte was teruggekeerd.

Maar zijn houding, zijn bereidheid om te geloven in een theorie en daarnaar te handelen, kan alleen maar worden verklaard uit de geschiedenis van zijn volk. We moeten bedenken dat Unæa haar bestaan aan de zee dankte — het was het idee van de cirkelvorm van de aarde dat Unæa had gered van vernietiging door de hand van de Scythiërs — en daarom hadden de Unæërs een andere houding ten opzichte van ideeën dan wij, omdat wij tot de barbaarse horden behoren die in feite de mensen die ideeën hadden — de Grieken en Romeinen — van de aarde hebben geveegd. Ideeën zijn voor ons af en toe van nut, maar wij voelen dat wij in wezen heel goed zonder kunnen. De Unæërs waren anders, zij bezaten het vermogen om ideeën te verwezenlijken en daarnaar te handelen, iets wat ons vreemd is. Als onze geschiedenis net zo was verlopen als de geschiedenis van Astria, dan hadden de Scythiërs Unæa overweldigd en de rijzende ster van de beschaving in vele eeuwen van duisternis gedompeld.

In die periode van zijn leven was Wall vrij van dat soort aanvallen van ongebreidelde en egoïstische eerzucht, die zich later tegen hemzelf richtten. Zijn leven was, zij het onopvallend, eenvoudig en recht door zee geweest. Voor iemand die nog zo jong was, oefende hij een opmerkelijke invloed uit op zijn kameraden, misschien dankzij zijn kracht, die tijdens een crisis zo vaak tot een onverwacht maar onweerstaanbaar scherpzinnig besluit bleek te leiden, waarbij hij de gemoederen van iedereen met zich meesleepte — een invloed die tot op zekere hoogte te danken was aan de verborgen hartstocht die achter heel zijn openhartige kameraadschap school en een trekje aan zijn innige verbondenheid gaf van dat enthousiasme voor het onbereikbare, dat reiken voorbij de kennelijke grenzen van het lot, dat in iedereen sluimert.

Sommigen zouden kunnen denken dat hij tijdens zijn reis vervuld was van een gewetenloze eerzucht, bereid om voor een goede afloop toe te slaan met het meest subtiele instinct. En dat is ongetwijfeld juist. Strikt genomen valt zijn koers niet te verdedigen. Maar er is ook nog een andere kant. We zullen kijken naar de laatste nacht van zijn tocht, toen hij haast maakte.

Langzaam rees Ardæa omhoog, de door de stervelingen geprezene, het goddelijke hemellichaam, de legendarische geliefde van de aarde, waarop dichters ooit overdadig hun aanbidding richtten. Zij rees langzaam, zonderling vurig, en helder brandend, want eindelijk was dat koude hart geraakt: de kuise en eenzame, de jageres van de hemelen, was van haar eenzame pad afgeraakt, en als een antwoord, boog ze al af in een ogenblik van duizelingwekkende werveling van hartstocht om haar aardse geliefde te verlokken tot een eeuwige dood. Maar argeloos! Altijd die fabeltjes die een schijn van doelgerichtheid toekennen aan de loop van de dingen. In de van tevoren bepaalde veranderingen van de hemellichamen, in die grootse profane afwisselingen, bestaat slechts een enkele wet, en het kille ritme van de kosmos, de warme polsslag van het hart, het plan van de geest, en alle gefantaseerde legenden van de ziel der dingen, zijn slechts als een onbeduidende plons van een kiezelsteen in de oceaan.

Maar vanwaar dit bonzen? deze hartstocht voor het leven, die hij in zich op voelde rijzen, toen hij het einde van zijn tocht naderde? In de waas waarin zijn hele bestaan zich in het bestaan van iemand anders verloor, zat daar niet iets in dat even groots was als de onvermijdelijke gang van de wereld?

Met de gedachte aan haar en wat zij voor hem betekende, sloeg hij een andere weg in, een andere weg naar die weidse beschouwing van de onmetelijkheid, maar in dit innige, uiterst geheime en werkelijke zich één voelen, bereikte hij iets dat even waar en krachtig was als alle wezenlijke verre droombeelden over hemel en aarde.

Had zij hem niet verteld dat er nog hoop was? Oog in oog met deze grote catastrofe stonden hij en zij niet alleen. Liefde, hoop en vertrouwen waren er altijd geweest, waren altijd het uitgestrekte mechanische universum onverschrokken tegemoet getreden. Wat van die eeuwenlange omwentelingen van de planeten, was niet de eeuwenlange inspanning geweest van waarachtige mensen? Onmetelijke, reusachtige krachten droegen bij aan het rondwentelen van de hemellichamen, eeuw na eeuw en generatie na generatie, in de kloppende mensenharten, die ook zwoegden, hun bouwwerken optrokken en hun krachten gereed maakten. Het leger dat Unæa had gered en dat nu, nadat het zijn inzet had laten varen, een zieltogend bestaan leidde, en ondanks zijn wanhoop toch nog in staat was tot een absoluut overwicht, zou dat leger nu misschien, door alle krachten van het land te bundelen, bijeen te garen uit machteloze handen, de aarde kunnen redden — wat zou haar brief anders bedoelen dan die boodschap?

Harold stond tegenover een oude man, gebogen en uitgemergeld, maar met een ernstig gezicht en een doordringend starende blik, en zijn geliefde stond er zwijgend bij. De oude man vroeg hem: "Heb je de astronomen uitgehoord?"

"Ja, ze hebben alle twijfels bij mij weggenomen."

"In de grootsheid van het gevaar dat ons bedreigt," zei Farmer, "heeft alles wat het menselijk vernuft heeft bedacht niets te betekenen. Geen enkele bekende kracht kan de baan van onze aarde veranderen. Voor zover onze wetenschap weet, is de afloop hopeloos."

"Dat is de mening van de mensen die het probleem hebben bestudeerd."

"Maar het is moeilijk om een grens aan te geven aan wat mogelijk is. Wat mensen denken dat mogelijk is, hangt van twee factoren af, niet van een. Het hangt af van feiten en van ideeën. Welnu, de wetenschap heeft zich bezig gehouden met het ontwikkelen van een bepaald en beperkt scala van ideeën — dat zijn maar een paar van de vele ideeën uit het verleden — net die paar die wij door observatie en experiment staven. Maar er zijn veel meer ideeën dan deze en ik denk dat onze richting meer ligt in het verwerven van nieuwe ideeën, dan in die ene richting die wij in de afgelopen paar eeuwen zijn gegaan — het uitwerken van de gevolgen van de ideeën die we hebben."

"Er bestaat één idee waar ik mijn hele leven lang naar heb geprobeerd te leven en dat een volmaakt nieuwe reeks van gedachten en fysieke mogelijkheden verschaft. Het is het idee van een derde dimensie. Volgens dat idee ben je, als je denkt dat je je in een lege ruimte bevindt, daar in werkelijkheid niet in. Er moet een of andere fysieke reden zijn, een bron van weerstand, die je verhindert om naar de derde dimensie te gaan. Dat is iets dat zich naast je bevindt, een substantie waarmee je in contact staat telkens als je beweegt, dat je nooit kunt zien omdat het je daar nooit van loskomt en je dus op een deeltje lijkt dat over een gladde rand glijdt — de rand voorkomt dat het deeltje anders beweegt dan in een lijn."

"Welnu, over dat iets dat zich naast je bevindt, zijn alle bewegingsrichtingen mogelijk, die wij kunnen aanwijzen, en door een werking uit te oefenen op die naastgelegen substantie, kunnen wij onze bewegingen tegenhouden en veranderen. De manier, en de enige manier waardoor wij aan de catastrofe kunnen ontkomen, is door een werking uit te oefenen op die naastgelegen substantie, zodat we de baan van onze wereld af kunnen buigen. Dat kan. Ik zal je uitleggen hoe."

Harold antwoordde, "zeggen dat er iets naast de ruimte bestaat dat zich oneindig ver uitstrekt om ons heen, klinkt mij absurd in de oren. U hebt een wetenschappelijke theorie, leg het voor aan geleerden, en als het waar is kunt u ze overtuigen."

Farmer maakte een gebaar van berusting, maar Laura pakte zijn hand in haar warme greep, glimlachte bemoedigend, en fluisterde, "hij wil alleen maar weten wat u al hebt gedaan."

"Ik heb geprobeerd," zei Farmer, "de wetenschappelijke kringen te overtuigen. Zij gaan ervan uit dat mijn visie slechts een formele analogie is en zijn niet bereid moeite te doen om zich eraan te wennen, wat noodzakelijk is om te ervaren dat het klopt."

"Maar u kunt toch bewijzen dat het klopt."

"Dat is zo, maar daar willen ze op geen enkele manier aan. De voorwaarden voor mijn bewijs hebben teveel met mijzelf te maken en zijn te individueel. Ze noemen het spiritueel gegoochel en willen er geen moment aandacht aan besteden. Je moet proberen het te begrijpen."

"Op de eerste plaats," zei Wall, "betwijfel ik of ik het zou kunnen begrijpen, hoeveel tijd u er ook aan zou besteden om het uit te leggen en op de tweede plaats kan het nauwelijks iets uitmaken of ik het al dan niet begrijp. Ik ben maar een soldaat en gehoorzaam bevelen. Maar er zijn heel veel scherpzinnige mannen die grote invloed hebben in de regering en u zou zich tot hen moeten richten."

"Je bedoelt zeker mijn broer en anderen zoals hij," zei Farmer. "Zij betalen geleerden om voor hen te denken."

"Dan," zei Harold, "is er nog maar één mogelijkheid over. Als u de mensen in beweging wilt krijgen moet u dat via de kerken doen."

"Je moet daar niet licht over denken; het soort mensen dat daar de leiding heeft zou geen flauw benul hebben van wat ik bedoel."

"Ik kan daar alleen op een globale en eenvoudige manier over oordelen, " zei Harold, "maar ik zou zeggen dat daar even knappe koppen bij zitten als onder geleerden. U moet erop vertrouwen dat ze u zullen begrijpen. Omdat ze zover van u afstaan zal het voor hen gemakkelijker zijn dan voor mensen die dichter bij u staan."

"Wat moet ik dan tegen ze zeggen?" vroeg de oude man.

"Vertel hen precies wat u denkt — wees eerlijk en laat hen zelf oordelen. Schrijf duidelijk voor me op waar het gevaar in bestaat. Ik zal dat dan gebruiken om voor u de weg te banen."

Verrast door de wending die de zaak genomen had, liep de oude man het huis in om het op te schrijven en Laura en Harold bleven tegenover elkaar zittend achter.

Hij keek naar het tengere, aantrekkelijke figuurtje dat tegenover hem zat — de vreugde van de aarde, het licht van de sterren — zo echt; en dit plan van een ziener, die slingerende, doolhofachtige, duistere en verborgen gedachtenkronkels die, als ze aan het licht kwamen, alleen maar ontwrichting en allerlei conflicten teweeg zouden brengen, betekende haar veroveren, voor zich winnen. Even stond hij op het punt te zeggen: "Laura, laat deze teugelloze dromer met rust; jij en ik zijn echt, laten we gewoon onszelf zijn." Maar wat zou dat opleveren? Niets, behalve één heerlijk moment. En dat was onmogelijk. Hij zou haar roeping aanvaarden, de zaak van deze dromer op zijn schouders nemen, doorzien, maar niet haar vertrouwen in hem gebruiken om haar voor zich te winnen. Ze moest niet haar hart in gevaar brengen in het hachelijke avontuur en het conflict dat hij voorzag. Hij wilde niet die ketenen en banden op haar werpen van het wanhopige verdriet van het afscheid nemen dat hij zelf zo goed kende. De teerling was geworpen. Hij begaf zich in woelige wateren en zij die zo-even nog zo nabij was, was als het dierbare land dat een zwemmer achter zich gelaten heeft. Ongeduldig zei hij:

"Hoe kan iemand die gelooft in wat hij doet, hier maar wat aanrommelen in plaats van de handen uit de mouwen te steken?"

"Maar je gelooft toch in hem, Harold?"

"Het enige dat ik ten gunste van hem kan zeggen is dat hij bereid lijkt te zijn zijn eigen beperkingen te erkennen."

"Hij is de wijste man die ooit geleefd heeft. Als je niet aardig voor hem bent zal ik nooit meer een woord tegen je zeggen."

"Ik behandel hem zo goed als hij verdient."

"Verdient! Je bent geprikkeld omdat je geen woord begrijpt van wat hij zegt."

"Precies."

"Harold, je bent ongelofelijk lomp. Ik kan begrijpen waarom niemand met je overweg kan. Maar oom heeft het me allemaal uitgelegd. Het is prachtig."

"En ik neem aan dat je het begreep?"

"Natuurlijk, ik ben slim. Het gaat helemaal de verkeerde kant op."

"Ik veronderstel dat jij weet wat de goede kant is."

"Natuurlijk," zei Laura.

De golven werpen zich onafgebroken op de rotsen die ze nooit kunnen bewegen; waarom ze daarvan houden is omdat zij ze nooit kunnen bewegen; en zo wierp Laura zich op de vastberadenheid van de man.

"Je zou," zei ze, "moeten leren begrijpen wat hij bedoelt en het dan aan anderen uitleggen."

"Jij denkt dat de wereld uit aangename redelijkheid bestaat."

"Jouw fout, Harold, is dat je denkt dat alles met geweld gedaan kan worden. Ik kan mensen honderd keer beter overreden dan jij."

"Het beste wat je kan doen, Laura, is je hier helemaal buitenhouden."

"Wat ben je ondankbaar! Je zou er helemaal nooit iets van afgeweten hebben als ik het je niet verteld had."

"Eén keer vertellen is genoeg."

"Ik heb je uitgenodigd en nu behandel je me zo."

"Luister, Laura! Je oom en jij moeten ze snel mogelijk vertrekken. Als je weer thuis bent, blijf dan rustig bij je vader en stel je voor dat je dit allemaal gedroomd hebt."

Laura protesteerde, maar Harold was vastberaden. IJzer maakt degelijke gereedschappen, maar vrouwen behandelen iets liever zachtaardiger. Wat een tegenstelling was het met het beeld dat haar oom van Harold en haar had, die zichin de volheid van hun liefde aaneensloten voor een uiterste inspanning! Harold repte met geen woord over liefde — hij schoof haar gewoon opzij. "O! ik ben een intelligent menselijk wezen," zei ze, "geen pop of marionet." Ze keek hem uitdagend aan, maar ontmoette een blik nog erger dan die van haar vader. Ze voelde zich gekwetst, hulpeloos en weggewuifd. Wall maakte een fout toen hij haar aankeek zoals hij een ondergeschikte op het slagveld zou aankijken. Hij zette veel op het spel door een ondernemend meisje zo te behandelen.

Opeens raakte de zonovergoten hemel gevuld met een doorzichtige mist, alles werd vaag en ver, bleek en spookachtig, de hele aarde werd een schaduw en als verdwaalde en rondtastende wezens, die alleen maar een redder uit hun eeuwige eenzaamheid zoeken, bewogen ze zich steeds dichter naar elkaar toe….en toen hoorde ze Farmer vanuit het huis aan komen lopen, zagen dat lucht weer blauw was en de zon weer scheen; om hen heen was de dag van werken, de dag van veel mensen ontmoeten, de dag van saaie kleinigheden, van gevaar, gezwoeg, plezier, pijn; maar nooit de dag waarop ze dat beeld van zichzelf zouden vergeten, daar alleen, in een wereld van schaduwen.

HOOFDSTUK VIII

DE ORBIëR

Wall merkte dat het gemakkelijker was dan hij had verwacht om met Farmer een gesprek te voeren. Er bestond een alomheersend vaag gevoel van onbehagen en verwachting. Een aantal enorme uitgravingen die de regering had laten verrichten in streken, waar niemand tot dan toe had gedacht om naar kolen of erts te zoeken, had aanleiding gegeven tot een gevoel van geheimzinnigheid en geheimhouding.

Zelf zei hij niets over de dreigende ramp, maar hij zocht toehoorders uit, van wie hij zeker was over hun oordeel, kiesheid en stilzwijgen, als zij de boodschap van Farmer zouden horen.

Het meest onverwachte van al zijn successen was het gemak, waarmee hij voor Farmer een onderhoud kon regelen met het hoofd van de kerk van de Bolbewoners. Het is de moeite waard om verslag te doen van de incidenten die zich tijdens die bijeenkomst afspeelden, omdat zij een beeld geven van de problemen waarop de bekendmaking van Farmers theorie stuitte, en van de argumenten waarmee hij die probeerde te overwinnen.

De Opperpriester van Unæa, de leider van de oudste staatsgodsdienst, waarin de drang naar een efficiënte organisatie en het afzonderen van de clerus van het gewone mensenleven, hand in hand waren gegaan, zat in de gehoorzaal.

Rond hem zaten priesters die van alle takken van menselijke inspanningen of onderwijs hun levenslange opdracht hadden gemaakt en allemaal waren ingetoomd tot het maximum van absolute gehoorzaamheid, zodat als het fiat was uitgegaan van de broze man, Gods vice-regent, geen enkele twijfel of aarzeling hun geest dwarsboomde, maar alleen dat feit werd aanvaard, waarover zij uiterst vrijmoedig en scherpzinnig hadden gediscussieerd.

Farmer stond voor hem en zag in hem de verpersoonlijking van alles wat hij haatte, de overmacht van iets anders dan de rede, de hooghartige aanspraak om anders te oordelen dan bij benadering — de eerste oorzaak van elke dwaling, de reden waarom de onjuist gerichte inspanningen van de mensen bitter en tevergeefs bleven, en de ware weg naar het begrijpen van de wereld uit hun hoofd werd gepraat en zij daarvan werden afgehouden.

Farmer stond trots voor de broze man — die hem, weggezonken in de grote troon en het staatsiekleed, ontving met onnatuurlijk stilzwijgen en vervreemding — en begon te vertellen over de astronomische situatie en de op handen zijnde vernietiging van de wereld.

Voor het eerst bliksemden de pauselijke ogen. "Je zou kunnen weten dat dat al bekend is," zei hij. "De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig (Luc. 10:2) Ik vraag u, hou het kort."

Deze rustige aanvaarding van de situatie in het centrum van de kerk, van waaruit zij de wereld liet zien dat zich niet meer dan een rimpeling over het oppervlak had verspreid, maakte indruk op Farmer. Zij wisten dus alles en toonden geen enkel teken van bezorgdheid! Hoe anders dan zijn eigen opwinding, deze houding van die mensen, die in het einde van alles slechts een dringendere roep voor hun eigen werk zagen!

"Heilige vader!" zei hij, terwijl hij de aanspreekwijze van dat geloof gebruikte, "ik zal net zo kort zijn als strookt met het verschil van onze manier van denken. Ik ben naar u toegekomen omdat u de inspanningen van de halve wereld beheerst en als u ermee instemt om die een bepaalde richting op te sturen, kunt u deze ramp afwenden."

"Ga verder, mijn zoon."

"Het begin van mijn idee was dat alles zich in de ruimte bevindt."

"Iedereen met wie wij in contact komen kennen wij als een wezen in de ruimte; elke handeling in ons dagelijkse leven, elke gedachte die wij hebben wordt ontleend aan dingen of personen in de ruimte; zelfs de openbaring, waarin u gelooft, heeft dezelfde oorsprong. Die komt van iemand die is gezien en aangeraakt."

"En als al het werkelijke dat we kennen zich in de ruimte bevindt, is datgene wat zich niet in de ruimte bevindt onwerkelijk. Een onstoffelijk bestaan is niets. Daarom dacht ik dat de enige manier om meer te weten te komen — echt te weten, en niet te bedenken — was om steeds meer kennis te verwerven over dingen in de ruimte."

"Ik geef toe dat er in de ruimte veel wezens aanwezig zijn, personages zoals u volgens de overleveringen van uw kerk beweert; maar de enige manier om ze te kennen is het begrijpen dat het ruimtewezens zijn."

"En als je het zo bekijkt, leek het mij belangrijk om te veronderstellen dat de ruimte meer dan twee dimensies heeft. Mogelijk zijn uw wonderverhalen vertekend en zouden we rationeel achter fantastische inzichten over echte dingen en wezens in deze ruimte kunnen komen."

"Misschien is ook veel dat in de wetenschap onverklaarbaar is alleen maar duister om dezelfde reden, namelijk dat de ruimte driedimensionaal is."

"Ik ben daar namelijk zelf geweest."

"Stel je iemand voor in een maatschappij waar rechtvaardigheid heerst. Als hij niet zou weten wat rechtvaardigheid is, hoe zou hij dan kunnen weten welke rol dat in de instellingen van de maatschappij speelt? Er zijn ongetwijfeld allerlei dingen die hij niet begrijpt maar het zou onzinnig zijn als hij zegt dat alles wat onverklaarbaar is, veroorzaakt wordt door rechtvaardigheid."

"De enige manier waarop hij dan iets over die maatschappij te weten kan komen is zijn eigen gevoel van rechtvaardigheid en pas als hij dat ontwikkelt kan hij begrijpen wat rechtvaardigheid in zijn omgeving doet."

"Ik had zelf geen idee van de vormen en bewegingen die in een driedimensionale ruimte zouden kunnen bestaan. De enige manier om te weten of er echt drie dimensies waren, was dus het idee van drie dimensies in mijzelf te ontwikkelen."

"Dus maakte ik, hoewel ik zelf slechts een 2D-mens ben, een opsomming van de meest eenvoudige dingen waar een 3D-mens mee te maken zou hebben. Ik maakte schetsen die een beeld gaven van wat een 2D-mens door zien en voelen zou kunnen weten over voorwerpen van een 3D-mens."

"En ik merkte dat er een gevoel voor driedimensionale vormen en bewegingen in mij ontwaakte. Het leek alsof ze heel vanzelfsprekend werden. Het was alsof ikzelf echt een 3D-mens was en ik alleen maar als een 2D-mens kon denken, door de manier waarop ik mijn eigen lichaam ervoer."

"Vanuit die hypothese, die mij het nodige werk verschafte bij het ontwikkelen van mijn gevoel voor drie dimensies, is het mij gelukt om duidelijk te zien dat ik eigenlijk een hoger wezen ben, dat oog in oog staat met een hogere werkelijkheid, en dat ik iets kan ontwaren van de onvoorstelbare reikwijdte van krachten en mogelijkheden die voor ons liggen."

"Wat is dan de relatie tussen een 3D-mens en onze lichaamsstructuur? Wij weten dat wij uiterlijke dingen niet rechtstreeks gewaarworden. Als we bekijken wat er gebeurt als wij door middel van onze zintuigen kijken of enige kennis verwerven, merken we dat er bepaalde veranderingen in ons plaats vinden. Het zijn die veranderingen die ons bewustzijn beïnvloeden. De uitwendige voorwerpen kunnen dat niet rechtstreeks doen. De invloed van de dingenwereld in datgene wat eigenlijk gewaarwordt, vindt plaats in uiterst kleine stapjes."

Een van de professoren van de Heilige Raad onderbrak Farmer op dit punt en zei:

"U komt dus nu op het mysterie van het denken. Het denken, de persoonlijkheid, is zelf onstoffelijk en kan met geen enkele natuurkundige theorie worden verklaard."

"Nee," antwoordde Farmer, "ik zeg alleen maar dat er, voordat je aan het mysterie van het zelf en de persoonlijkheid toekomt, een tussengebied bestaat dat verkend moet worden. Je kunt de processen in dat gebied onderzoeken, zonder aan het mysterie van het denken toe te komen."

"Als je terechtkomt bij de minieme werkingen van de natuur, kom je bij acties in een drievoudige ruimte, en datgene wat daadwerkelijk ons hele lichaam bezielt en stuurt, heeft precies dezelfde soort activiteit."

"De 3D-mens is klein vergeleken met onze lichamen, maar grootte alleen is geen belemmering voor enige complexiteit van structuur. Wij zijn 3D-mensen, die het doen en laten van lichaamsstructuren sturen, die zijn beperkt tot bewegingen in twee richtingen."

"Maar dan rijst de vraag: als de ruimte echt drie dimensies heeft, waarom nemen wij dan slechts een tweedimensionale wereld waar?"

"Daar kan maar één antwoord op zijn. Omdat wij begrensd zijn. Onze lichamen wordt in hun bewegingsvrijheid belemmerd. Wij kunnen ons met onze lichaamsstructuren slechts in twee dimensies bewegen omdat iets ons verhindert, alle dingen, deze planeten, werelden en zonnen verhindert om vrij te bewegen."

"Wat ons tegenhoudt noem ik het naastgelegen iets of wezen. Welke richting wij ook uit wijzen en kijken, wij kiezen alleen maar een richting langs zijn grens, nooit een richting daarin of daar vandaan. En met dat erkennen van dat naastgelegen iets, opent zich opeens een nieuw terrein van mogelijkheden."

"Als wij onszelf vrij in de ruimte zouden bevinden, zou er geen manier zijn om de baan van onze planeet te beïnvloeden."

"Maar omdat wij altijd contact met dat naastgelegen iets maken, zouden we, als we daar een spijker in zouden kunnen slaan, onze beweging kunnen vertragen. Je zou ook, als je de drie dimensies bestudeert, intuïtief begrijpen dat je daar een groef in kunt duwen, zodat de beweging van iemands lichaam afgebogen zou kunnen worden, door de groef op een juiste manier tegen het naastgelegen iets te drukken."

Op dat punt hield Farmer op, omdat hij een tegenwerping verwachtte, want deze mogelijkheid, die wijzelf heel eenvoudig kunnen uitdrukken door het woord "schaatsen," was een woord dat grote problemen opleverde voor het begrip van de Unæërs. Wij weten dat een lichaam dat over een glad oppervlak glijdt gemakkelijk van koers kan worden veranderd. Een ijsboot, bijvoorbeeld, op het oppervlak van bevroren meer, kan van koers worden veranderd door het wijzigen van de hoek die de rand van het zwaard, die op het ijs rust, maakt. Maar voor de Unæërs was een dergelijke werkwijze totaal onbegrijpelijk.

"We kunnen dus aannemen," zei de professor van de Heilige Raad, "dat er in die ruimte die u heeft bedacht, allerlei mogelijkheden zouden bestaan, waar die ene die u oppert er een van is.

Farmer vervolgde: "Ik kan u verzekeren dat die mogelijkheid bestaat, en ik zie een verband met de steeds weer opduikende overgeleverde getuigenissen, over mensen die in de lucht zijn opgestegen en over een kracht die boven de invloed van de aardse zwaartekracht uitstijgt."

"De oorsprong van deze verslagen is volgens mij een raadselachtig gevoel over het bestaan van een naastgelegen iets en een heimelijk gevoel van een mogelijkheid om onszelf op een andere manier te sturen dan via het contact met iets, dat we met onze eigen ogen kunnen zien of met onze handen kunnen aanraken."

"Een dergelijke kracht, waarmee wij de bewegingen van onze lichamen omhoog en omlaag kunnen richten, is triviaal en onbelangrijk. Maar het betekent iets dat enorm belangrijk is en grote consequenties heeft. Wij bevinden ons op de aarde, onze lichamen maken deel uit van haar massa en elke richting die wij aan de beweging van ons lichaam kunnen geven, zouden we, als we de krachtsinspanningen van alle mensen zouden samenbundelen, op de aarde kunnen overbrengen."

"Het is duidelijk dat wij, als wij de baan van onze planeet zouden kunnen sturen, de gevaren zouden kunnen keren, die onze te korte afstand tot Ardæa met zich zal meebrengen."

"Wij beschikken niet over uitwendige middelen om invloed op dat naastgelegen iets uit te oefenen. Wij 2D-mensen beschikken niet over dat vermogen. Maar 3D-mensen, ons eigen zelf, deze 3D-mensen zijn machtig."

"Door te denken aan opstijgen en door de lucht zweven, schakelt de 3D-mens, dus mijn echte zelf, activiteiten van zichzelf in."

"Het zelf oefent een werking uit op het naastgelegen iets, drukt daar een groef in, zodat de beweging die mijn lichaam gemeenschappelijk heeft met de hele aarde, wordt afgebogen en ik de neiging vertoon om omhoog te gaan. Ik heb de proef op de som genomen. Ik heb gemerkt dat mijn gewicht afneemt, als ik de gedachten denk die ik heb beschreven."

"Welnu, als alle mensen zich toegewijd bij elkaar zouden aansluiten en zouden denken dat ze opstegen en als engelen door de lucht zweefden, zouden ze een kracht uitoefenen, voldoende om een zekere afwijking van de baan van onze planeet teweeg te brengen, weliswaar een hele geringe, maar er is maar een hele kleine nodig. Zo zouden we veilig langs Ardæa kunnen scheren."

Farmers theorie was tweeledig. Ten eerste, dat door het samenbundelen en reorganiseren van de moleculaire hersenstructuur, zodanige veranderingen in de materie teweeggebracht zouden kunnen worden, dat het resultaat zou zijn dat een lichaam, dat voortglijdt over het oppervlak, waarop alle Astriase dingen zich bewegen, in zijn baan zou worden afgebogen; en ten tweede, dat door aan bepaalde gedachten te denken, in het brein van de denkers ook moleculaire veranderen zouden plaatsvinden. Hij poneerde dat er een overeenstemming bestond tussen de bewuste gedachte aan opstijgen en zweven en de minieme veranderingen die door het denken aan opstijgen en zweven bij de denker, door een totaal onbekend procedé, teweeg zouden worden gebracht.

Mensen van dat idee te overtuigen was een taak die vrijwel onoverkomelijke problemen opleverde. Hij had de bekende hulpmiddelen van de taal van de Unæërs opgebruikt en alles verteld wat daarover gezegd kon worden, aan mensen die kennelijk zijn gedachtegang niet konden volgen. Daarom richtte hij zich tot de opperpriester en besloot met de volgende woorden:

"Ik ben naar u toegekomen, omdat u de leiding heeft over de godsdienstige praktijken van de helft van de mensheid. Als u een bepaalde spiritualiteit zou gelasten, waarbij specifieke gedachten op vastgestelde tijden zou worden uitgeoefend en alle bezieling van uw gelovigen samengebundeld zou worden, zou u het proces in gang zetten waarmee de 3D-mensen, ons wezenlijke zelf, de wereld zouden kunnen redden van de op handen zijnde ramp.

"Heilige vader, hebt u mij nog wat te vragen?"

"Nee, mijn zoon, aanvaard de zegen van een oude man die, net als uzelf, zijn uiterste best heeft gedaan om trouw te blijven aan de opdracht die hem is toebedeeld."

En zo eindigde de bijeenkomst.

Terwijl de opperste leider zwijgend en zo bewegingloos alsof het leek dat hij dood was, bleef zitten, bespraken de priesters zoals gewoonlijk openlijk de onderwerpen van het vraaggesprek.

"Ik heb het idee," zei een van hen, "dat er enige verdienste schuilt in zijn voorstel. Het is niet erg waarschijnlijk dat de mensen nog lang onwetend zullen blijven van de naderende ramp en als ze overreed zouden kunnen worden om dat idee te geloven, zou dat hen ertoe kunnen brengen dat ze aandacht gaan besteden aan het bijwonen van kerkdiensten en zouden er in onze grote kathedralen voortdurend plechtigheden plaatsvinden."

"Zijn gedachtegang is samenhangend, maar te ingewikkeld om enige uitwerking te hebben op de geest van het volk," zei een priester die zijn hele leven gewijd had aan het vervolgen van de wetenschap. "Ik zeg niet dat hij geestelijk labiel is, maar hij heeft niet onder zijn medemensen geleefd; hij weet niet wat er gaande is en heeft in zijn teruggetrokken bestaan de ene na de andere stap genomen, totdat hij in een onwerkelijke wereld is gaan leven. Ik beticht hem niet van opzettelijke misleiding, maar hij is iemand die we als uitermate onbeduidend moeten zien."

"Merkwaardig die passie voor het concrete," zei een professor in de filosofie van het heilige college, "we moeten altijd in beelden onderwijzen, mensen zijn niet in staat vurig en krachtig te geloven, tenzij ze over het onderwerp van hun geloof als iets tastbaars en werkelijks kunnen denken — u ziet dit ook in het huidige geval. Dhr. Farmer is afgedwaald van de leer van de kerk en van elke vorm van geopenbaarde godsdienst en heeft voor zichzelf een scherpzinnige rechtvaardiging bedacht om in iets werkelijks, hoger dan zichzelf te geloven."

"Er is niets nieuws," zei een jonge geleerde, "we zien oude gedachten regelmatig weer de kop op steken, oude ketterijen die opnieuw aan kracht winnen. Tot voor kort hebben lompe en materialistische lieden het idee in stand gehouden van een minuscule stoffelijke ziel. Dit opgeblazen waanidee verschijnt opnieuw als de driedimensionale mens. De hele theorie van een drievoudige ruimte is slechts een verzinsel waarin kunstig een oude ketterij verborgen wordt."

"Er is nog een belangrijke vraag," zei een potige prelaat, de schatbewaarder van de heilige geldbuidel, "omdat Dhr. Farmer op de hoogte is van het naderende einde zullen anderen dat al gauw ook weten en ik denk dat het als beleid het beste zou zijn als we stoppen met de verkoop van ons grondbezit. Mensen zouden kunnen denken dat wij uit eigenbelang gebruik maken van voorkennis."

"Denkt u, Kardinaal Fairface," zei de bejaarde paus met een zweem van een glimlach rond zijn lippen, "dat het waarschijnlijker is dat iemand geld dan landerijen kan meenemen naar de volgende wereld?"

Kardinaal Fairface liep rood aan, maar hij antwoordde nederig, "de uitwerking van de verspreiding van die kennis zal vast en zeker een waardevermindering veroorzaken, uwe Eminentie, met het oog daarop vroeg ik om uw orders."

"Ga door met verkopen," zei de paus, "het is van belang dat alle werkzaamheden zo lang mogelijk doorgaan en we moeten de gelegenheid hebben om bangeriken bij te staan."

"Wat wil uwe Eminentie wat betreft de houding van de gelovigen ten opzichte van wat deze man leert?" vroeg een gewetensraadsman.

"Zijn invloed is verwaarloosbaar," antwoordde de paus, "en niet elke eigenaardigheid hoeft in de gaten gehouden te worden. Uiteindelijk is het beter te denken dat de ziel iets luchtigs is, dan luchtig te denken over de ziel."

HOOFDSTUK IX

LAURA GRIJPT EEN HAND

Na haar terugkeer naar Persepolis merkte Laura dat ze weer werd opgenomen door datzelfde opgewekte, wervelende gezelschap dat zij had achtergelaten. Op het gezicht van sommigen van haar vaders collega’s ontdekte ze sporen van dezelfde angstige vooringenomenheid die op zijn gezicht duidelijk te lezen was, maar ze merkte niet dat er bij het volk in het algemeen enig uitgesproken vermoeden was van een dreigend gevaar. Er was een vaag gevoel van onbehagen en rusteloosheid dat zonder twijfel afkomstig was van een subtiele overdracht van onuitgesproken gedachten, maar niets duidelijkers dan dat. Haar oom liet niets van zich horen en er was geen teken dat hij en Harold ergens mee begonnen waren, tenzij het een religieuze opleving was die de aanwezigheid van geestelijken en predikanten uit de verste streken met zich meebracht.

Op een dag kwam ze Harold tegen.

"Het is moeilijk," zei hij, "om niets te doen, maar ik heb geen woord laten vallen."

"Dat is goed."

"Geloven ze in de ideeën van oom?"

"Ze denken dat enige hoop beter is dan geen hoop."

"Maar jij, Harold, wat denk jij?"

"Het gaat mij niet aan zelf te denken. De regering heeft opdracht gegeven voor het bouwen van enorme ondergrondse ruimten verspreid over het hele land en onder allerlei voorwendsels waaruit blijkt wat ze denken. Je oom volgen lijkt me een beter idee dan sterven als een rat in een hol. Net vandaag komen in het paleis van de Orbiase paus alle geestelijken van elke denominatie bijeen voor een beraad."

"Dat kan niet, Harold."

"Raar, maar waar."

"Hebben al die verschillende mensen dan hun verzet opgegeven?"

"We zullen zien. Hou het nog even stil."

"Maar Harold, waar zal dit allemaal toe leiden? Zodra de predikanten het de mensen gaan uitleggen, zal mijn vader ze volslagen belachelijk maken. Dat levert niets op."

"Ze kunnen de publieke opinie sturen."

"Je vertelt me steeds weer hetzelfde. Zeg me de waarheid, Harold," antwoordde ze, terwijl ze een dwingende blik op hem wierp.

"Het ziet er naar uit dat er geen uitweg is."

"Harold, je moet het leger overhalen; als zij zich vastberaden ergens achter scharen kan niets hen weerstaan."

"Ik ken mijn medesoldaten heel goed, Laura, de theorieën van je oom zouden gewoon onbegrijpelijke woorden voor hen zijn. En zelfs als ze het zouden geloven, zouden de sterke mannen niet in beweging komen. Het zit bij ons ingebakken, Laura, dat we dienaar van de Staat zijn. Ik zou een paar stakkers in beweging kunnen zetten, Laura, maar niet van harte, niet van harte. Denk je dat iemand van ons zijn gelofte zou breken voor ook maar iets dat je oom zou kunnen zeggen?"

"O, Harold, wat komt er van ons terecht?"

"Laura, in aanwezigheid van dat uiterlijke gevaar, zijn van binnen onberekenbare krachten aan het werk — jij en ik kennen die, ze liggen buiten alles wat jouw vader met zijn waakzame blik afgespeurd heeft. Ik voel iets in me groeien dat op zijn hoede is en klaar staat om het geschikte moment te grijpen. Ik ben bezig met het voorbereiden van de voedingsbodem. Ik moet invloed, macht en gewicht zien te krijgen, geen mensen die bereid zijn tot elke wanhoopsactie waar ik ze op uit stuur.

Ga naar huis en vertrouw op me omdat ik je dat zeg en wat ze later ook over me zullen zeggen, bedenk altijd dat ik eenvoudig en waarachtig was — je soldaat die door jou uitgenodigd is."

"Harold," zei ze, "zal je heel voorzichtig zijn? Heb je mijn oom gewaarschuwd dat hij niets tegen mijn vader moest zeggen?"

"Ik heb hem gevraagd niets over mij te vertellen — je vader hecht weinig belang aan zijn overtuigingskracht; ik weet dat hij heeft geprobeerd je vader te spreken te krijgen, om de zaak met hem te bespreken."

"Als papa met hem spreekt, zal hij alles ontdekken wat hij wil. Ik moet gaan en mijn oom op het hart drukken hoe belangrijk het is dat hij niets over jou vertelt."

Laura trof haar oom zozeer in gedachten verzonken aan, dat ze hem telkens weer aan moest spreken; ten slotte zei ze: "oom, hoe kunt u zo druk met uzelf bezig zijn, terwijl u al uw kracht in zou moeten zetten om mensen te overtuigen?"

"Ik kan er niets aan doen," antwoordde hij, "maar ik moet steeds denken dat er een andere manier moet zijn om invloed uit te oefenen op dit ‘iets’ dat naast ons ligt, dan door middel van de duistere processen van ons brein. Ik probeer me een beeld te vormen van wat de structuur van onze materie in werkelijkheid is."

"Het is zonder twijfel beter nu gebruik te maken van wat u weet, dan proberen iets nieuws te bedenken."

"Ja," antwoordde hij, "wat mij betreft, ja — hoewel de jonge mensen die op zullen groeien met de ideeën die ik met moeite verworven heb — nou, die zullen vast lachen als ze zien hoe ik voorbijgegaan ben aan wat zo voor de hand lag."

"Dan kunt u op me letten."

"Goed, Laura."

"Hebt u met mijn vader over uw plannen gesproken?"

"Ja."

"Maar u weet hoe vooringenomen hij is."

"Ik weet het, natuurlijk moeten we rekening houden met verzet, maar de waarheid en oprechtheid vinden een weg waar alle andere middelen falen."

"Hebt u hem verteld over Harolds plannen?"

"Harold heeft geen andere plannen dan een gesprek met mij."

"Maar hebt u hem verteld dat u samen met Harold bezig bent?"

"Dat kan best, ik heb een openhartig gesprek met hem gehad en hij vertrok weer uiterst welwillend."

Laura zag heel duidelijk dat haar oom de laatste ter wereld was om een samenzweerder te zijn en ze was niet gerustgesteld door zijn verhaal over de vriendelijkheid van haar vader. Ze besloot Harold te trotseren en haar verantwoordelijkheid te nemen, maar om dat met recht te kunnen doen, moest ze eerst begrijpen wat de theorie van haar oom inhield. Wat ze zich daarvan herinnerde was heel vaag, maar ze zette zich schrap voor de grootste intellectuele inspanning van haar leven en zei, "goed, oom, vertel me wat uw ideeën zijn, zodat ik kan herhalen wat u zegt."

Opeens werden ze getroffen door een rommelend lawaai, het huis trilde en Laura greep zich in paniek aan hem vast.

"Dat is het enige dat we konden verwachten," zei hij, "de nieuwe richting van de aantrekkingskracht heeft de aardkorst verstoord, die uiteindelijk in een zeer broos evenwicht verkeert — er komen nog veel van dit soort aardbevingen," en onbewogen deed hij, te midden van het trillende huis en het geluid van gedreun in de verte, zijn uiterste best om haar alles uit te leggen."

Maar onderweg naar huis door de straten van de stad, ontwaarde ze een uiterst opgewonden en verward schouwspel. Sommigen die heimelijk de indruk hadden gehad dat het einde in zicht was, gaven hun terughoudendheid op. Het nieuws verspreidde zich en weldra zou iedereen, van de ene tot de andere kant van het land, van alles op de hoogte zijn. De werkelijke schade was gering, maar de uitwerking die het op het volk had was overweldigend en er heerste een onbeschrijfelijke paniek.

Laura merkte dat haar vader zich in haar afwezigheid vreselijk had opgewonden.

"Dochter," zei hij, "ik ben al lang van plan geweest om met jou over een heel belangrijk onderwerp te praten, maar ik heb daar steeds van afgezien. Deze gelegenheid moet ik niet voorbij laten gaan."

Laura vertelde hem dat ze alles al wist.

"Dat maakt mijn taak des te korter," antwoordde hij, "ik heb bedacht dat het voor jou tijd is om een echtgenoot te nemen."

"Niet nu!" riep ze uit.

"Jawel, mijn kind, we kunnen verwachten dat maar een paar van ons zullen overleven. Ik heb onderaardse ruimten ingericht, die met alle benodigde proviand volgestouwd zullen worden; daar kunnen aan aantal van jullie de overgangsperiode doorbrengen en weer tevoorschijn komen als de nieuwe orde der dingen is aangebroken."

"Papa, ik ga liever dood dan zo te worden opgesloten."

"Dat is niet wat je wilt. Wij moeten ernaar streven dat een aantal van onze beste mensen, mensen die het meest geschikt zijn om de bestemming van ons ras voort te zetten, zullen overleven. Het is niet aan jou om dat in twijfel te trekken — het besluit ligt geheel buiten jouw vermogen om dat te veranderen. Elke aarzeling die je voelt kan ik eenvoudig wegnemen. Ik weet dat je je aangetrokken voelde tot die Harold Wall. Wat je ook voor hem hebt gevoeld, dat is meteen over, als ik je vertel dat hij gebruik maakt van deze naderende ramp om een oproer te ontketenen. Hij wordt verteerd door een roekeloze en gewetenloze eerzucht. Hij is gegrepen door de irreële romantische hunkering van jouw arme oom en dat gebruikt hij nu als pressiemiddel. Daarmee heeft hij geprobeerd een aantal zwakbegaafde romantici ervan te overtuigen dat er een of andere manier bestaat om het gevaar te keren. Hij doet nu pogingen om van dit gevaar dat de wereld bedreigt, een aanleiding te maken om wanorde te stichten en zijn eigen eerzucht bot te vieren. Hij is onophoudelijk bezig geweest om zijn banden met zijn mede-officieren aan te halen, om hen verraders van hun eigen woord van eer te maken."

"Papa!"

"Ja. Hij heeft zijn vertrouwelingen zo goed uitgekozen, dat wij niet over een rechtstreeks bewijs beschikken, maar het leger is geïnfiltreerd met de wetenschap van wat ik geheim heb proberen te houden. Door de heersende paniek hebben wij speciale maatregelen door kunnen voeren. Voor het vallen van de avond zal hij gearresteerd en als hij zich verzet, ter plekke geëxecuteerd worden. Ze zullen hem geen genade tonen — hij zal naar Septentria worden gestuurd — niet als leider, wat hij misschien is geweest — maar als gevangene. Je kunt je een beeld vormen van de slechtheid van die man, als ik je vertel dat wij besloten hebben om een compagnie Scythiase soldaten in te zetten. Wij kunnen niet zeggen in hoeverre zijn intriges doorgedrongen zijn tot de gewone troepen."

Haar vader wierp het hele gewicht van zijn onverzoenlijke blik op haar. Zij voelde de stalen vastberadenheid en het onvermurwbare voornemen waarmee hij zijn weg had bevochten en elke tegenstander had gevloerd. In haar machteloosheid was haar enige gedachte dat zij op een of andere manier Harold moest waarschuwen.

Hij beschouwde haar stilzwijgen als overgave. "Iemand die jou lang heeft liefgehad en die, volgens mij, niet zonder bezieling is, is vandaag hier om je ten huwelijk te vragen. Je moet luisteren naar de ingevingen van je hart en naar mijn wens om daarin toe te stemmen."

"Maar, Papa ik heb al zoveel mensen moed ingesproken, zoals u dat noemt."

"Je weet vast wie ik bedoel, Edward Forest."

"Ik hou heel erg veel van Edward."

"De een zaait, de ander maait, mijn kind, maar laten we het daar niet over hebben. Ben je het met me eens dat het Edward Forest wordt?"

"Hoe kan ik dat nou zeggen, voordat hij me heeft gevraagd?"

"Geen gekheid, meisje."

Laura deinsde terug, ze was wanhopig, ze moest meteen Harold iets laten horen. Wat zou er gebeuren als zij zichzelf voor haar hele leven zou binden, nu zij Harold zou kunnen redden!

"Ja, Vader," zei ze.

"Je moet me goed begrijpen, Laura, ze hebben je vandaag met die Wall zien praten. Ik wil niet dat je erin betrokken wordt. Je mag niet onder mijn ogen vandaan, totdat je mijn huis voorgoed verlaat."

"U hebt niet veel vertrouwen in me, Vader."

"Hoe zou ik dat kunnen met zo’n veelbetekenende uitdrukking op je gezicht — nee, Laura, eens zal je me dankbaar zijn." En hij liet haar alleen.

Toen ze opkeek, stond Edward Forest voor haar. "Omdat je erin hebt toegestemd me te zien, krijg ik hoop. Je hebt gezien dat mijn liefde de jouwe is, aanvaard je mijn levenslange toewijding?"

Haar zwijgen gaf hem moed. Hij kuste haar bleke, koele lippen. Het was teveel — wat stelde haar instemming, haar toegeven voor, als zij Harold niet zou kunnen redden. Ze was razend, vooral omdat haar vader zo stiekem voorzorgsmaatregelen had genomen om te voorkomen dat zij hem zou verraden.

Ze duwde hem weg en zei, "ik wou dat ik dood was."

"Laura, hoezo, heb ik je dan gekwetst? Je vader heeft me verteld dat je geen hekel aan me hebt."

Eén moment bood ze weerstand — hij keek zo triest, en een enkel woord van haar zou zo’n blijdschap op zijn gezicht toveren, dat hij alles voor haar zou willen doen. Ze wist zeker dat ze hem kon ompraten om haar boodschap over te brengen. Maar zij herinnerde zich de woorden van Farmer, "waarheid en oprechtheid komen pas aan bod als alle andere middelen falen."

Ze lachte opgewekt. "Kijk niet zo beteuterd, Edward," zei ze, "Papa heeft me voor de gek gehouden."

Ik heb alleen maar gezegd dat ik met je wilde trouwen, om de kans te krijgen om je alleen te spreken.

Ik denk dat je me kunt krijgen, als je erop aandringt, maar er is iets dat veel belangrijker is."

"Iets voor mij?" zei hij, "als de wereld er morgen niet meer is?"

"Maar daar komt geen einde aan; wij gaan allemaal lang en gelukkig leven en jij kunt daarmee helpen, meer dan wie dan ook — jij bent vast niet op de hoogte van de gunstige berichten en hoop, of wel?"

"Nee, Laura, ik heb gehoord dat het allemaal tevergeefs is."

"Denk je dan, Edward, dat God deze prachtige wereld alleen maar heeft geschapen om haar op die manier te vernietigen?"

"Het zorgt er niet voor dat ik in God geloof."

"Edward, ik zal je er alles over vertellen. Je weet dat in vroegere tijden mensen boodschappen van God kregen, die vertelden wat zijn wil was."

"Ja, dat heb ik gehoord."

"En heb je je ooit afgevraagd waarom dat altijd door mensen gebeurde en niet door een of ander reusachtig wezen?"

"Nee, ik heb die dingen altijd op gezag van anderen aangenomen."

"Welnu, ik zal je zeggen waarom. Denk je echt dat jijzelf je ziel bent? Denk je niet dat het zoiets als je lichaam is, alleen heel dun en schimmig, niet precies echt, maar net zo gevormd als ons lichaam?"

"Ja, ik vermoed dat ik daar zo over denk, als ik er al aan denk."

"Maar dat is helemaal verkeerd. Ik zal je vertellen wat mijn oom zegt. Hij heeft ontdekt dat wat wij de hele ruimte noemen, daar maar een klein stukje van is. En we worden op een merkwaardige manier beperkt in alle bewegingen die ons lichaam maakt. Er bestaan echt drie dimensies en niet maar twee. De echte wereld is een wereld van een hogere ruimte. Als we over onszelf in een hogere ruimte willen denken, moeten we eerst de andere kant op en denken over een wezen in een wereld van een lagere ruimte. Denk maar aan een wezentje dat beperkt is tot een leven in een rechte lijn. Een dergelijk wezen zou helemaal niet bedenken dat het ergens tegen leunde, maar dat wat voor en achter hem is, de hele ruimte uitmaakt, en niet ontdekken dat het zich bovenop iets anders bevond. Dus wij, in de drievoudige wereld, worden ondersteund in een richting die wij niet kennen. En net zoals het lijnwezentje in werkelijkheid een bepaalde dikte moet hebben, moeten wij een dikte hebben in een richting die wij niet kunnen aanwijzen."

"Je weet dus dat ze ons hebben verteld dat onze ziel in de wereld is gekomen en de beperkingen daarvan op zich heeft genomen. In werkelijkheid is de zaak als volgt: onze zielen, deze hogere wezens, zijn in een gedeelte van het universum terechtgekomen, waar het werk dat gedaan moet worden, zich in onze tweevoudige ruimte bevindt. Het is alsof iemand van ons een heel nauwe tunnel zit, waar hij maar één kant op kan."

"Wat dat werk is weten we nog niet, maar het begint met het overwinnen van de wereldproblemen en allemaal eendrachtig samen te leven, zodat we samen kunnen werken, als we weten wat er de doen staat. De zielen die in deze wereld terechtkomen, vormen hechte groepen, en een heel groot aantal van allerlei soorten sluit zich aaneen en bezielt een lichaam, maar ze staan allemaal onder een enkele ziel, iemands ware zelf. En die ware-zelf-ziel stuurt alle andere in het lichaam, zoals een kapitein op een schip een heleboel mensen stuurt, waarbij iedereen zijn eigen werk heeft. En de sturende ziel die tot taak heeft onze handelingen te sturen, deze ziel vergeet vrijwel helemaal haar ware bestaan; zij is zeer trouw aan haar werk en wordt daardoor opgeslorpt. Zij denkt dat zij maar twee dimensies heeft en niets wat ze ziet herinnert haar aan haar ware bestaan. Wij zijn verborgen voor alle andere zielen van het universum, zoals iemand in een nauwe tunnel dat voor ons zou zijn. Als de andere zielen tot ons willen spreken, moeten zij zich verplaatsen naar onze omstandigheden; zij moeten een van onze beperkte lichamen aannemen — daarom heeft de stem van God altijd via mensen gesproken. En nu weet God dat er een groot gevaar dreigt, dat zijn hele werk gaat verknoeien. Daarom heeft hij ons gestuurd. Hij heeft een ziel met een boodschap gestuurd, zodat wij weten wat er echt met ons aan de hand is, zodat wij, door onze eigen ware manier van handelen te begrijpen, niet die van het lichaam maar die van de ziel, een volledig nieuwe manier van werken leren en onszelf zullen redden."

"Maar, Laura" zei Edward Forest, "wat heb jij een merkwaardig idee over de ziel; de taak van de ziel is het goede te doen, goed te worden en zichzelf te verbeteren."

"Nee, het is een heel armzalige ziel die dat denkt," zei Laura, "alle mensen met een grote ziel proberen iets tot stand te brengen in de wereld — zoals mijn vader. Hij heeft een grote ziel, maar een heel verkeerde; goede zielen verlagen zichzelf natuurlijk niet door verkeerde dingen te doen; als zij niet kunnen krijgen wat ze oprecht willen, zouden zij het liever opgeven en het een ander laten proberen. Er zijn er veel meer. Maar, Edward, zeg dat je me gelooft, je ziel moet voelen dat wat ik zeg waar is."

"Ik zie niet dat dat iets te maken heeft met de botsing met Ardæa," zei hij.

"Ah, dat is nou juist wat het wel heeft, want we hebben nooit gedacht aan dat steunvlak waar wij ons tegenaan bevinden. We zitten tegen iets aan en er bestaat een manier waarop wij ons daaraan vast kunnen houden, zodat wij de manier waarop de aarde voortbeweegt kunnen veranderen."

"Ben je daar zeker van, Laura?"

"Ja, ik ben er heel zeker van, Edward, en ik wil iets doen om mee te helpen."

"Hoe bedoel je?"

"O, Edward begrijp je dan niet dat mijn vader dat allemaal gaat stoppen en dat ik je dat toevertrouw?"

Op het gezicht van Forest verscheen een uitdrukking die zo raadselachtig was, dat Laura zweeg.

"Wat is er, Edward, ben je bang?"

"Nee," zei hij, "er waren wat tegenstrijdige gevoelens, waardoor ik mijn voorhoofd fronste. Ik weet niet zo goed waar ik aan toe ben."

"Je bent nu hier en wil me helpen," zei ze.

"Ja, natuurlijk, Laura," zei hij, "maar er is nog iets anders."

"Denk je niet," ging hij verder, "dat jij jouw talenten in het huishouden zult vergooien? Er steekt een uiterst welbespraakte professor in je."

"O, zeg dat niet," antwoordde ze.

"Als ik weer thuis ben, zal ik mijn hele kennis van wiskunde, geesten, astronomie en ook theologie weer op moeten halen, Laura. Ik denk dat het heel vermoeiend zal zijn."

Ze keek hem geschrokken aan.

"Ik heb je nu een voorstel gedaan," ging hij verder, "maar ik wist niets af van je talenten. Ik vraag me af of je overgehaald zou kunnen worden om mij mijn voorstel in te laten trekken."

Ze keek hem peinzend aan, een vreemde mengeling van opluchting en ontsteltenis beving haar. Geen enkele invloed op hem hebben! Zijn hele lange toewijding door maar een paar woorden verdampt! Ze kon het niet aan — en toch, op geen enkele manier gebonden!

"Ik wacht op je antwoord, Laura, mag ik het intrekken?"

"Onder voorwaarden", antwoordde ze.

"Goed," zei hij, "onder voorwaarden — ik zal je zeggen welke — dat ik je beste vriend mag zijn en dat ik je op elke mogelijke manier mag helpen. Wat wil je dat ik nu doe, meteen?"

"O, Edward," zei ze, met tranen van dankbaarheid, "ik zal nooit vergeten hoe goed je me hebt begrepen."

"Laura," zei hij, "je bent fantastisch, je doet me denken aan de profetessen en sybillen van vroeger. Je hebt een grootse loopbaan voor je."

"Vertel me nou eens," ging hij verder op zakelijke toon, "ik denk dat er iets heel dringends is — iets wat je me meteen wilt laten doen."

"Ja, Edward," zei ze, "het hangt allemaal van jou af. Mijn oom weet hoe hij de wereld kan redden, maar gaf de hoop op, toen het niet lukte dat anderen zich bij hem aansloten, totdat Harold bij hem kwam en hij hem kon vertellen wat er moest gebeuren. Harold heeft dus een onderhoud met hem gehad. Nou gelooft mijn vader daar helemaal niets van. Hij denkt dat Harold gebruik maakt van de angst van de mensen om een revolutie voor te bereiden. Hij beschikt over een bevel om hem te arresteren en gaat een compagnie Scythiërs op hem af sturen om hem gevangen te nemren. Je moet Harold nu waarschuwen."

Edward Forest fronste zijn voorhoofd. "Ondanks zijn hele inschattingsvermogen, maakt jouw vader een fatale vergissing. Ik heb hem gezegd dat dat werven van die barbaren, als een speciaal regiment, een vergissing was. Er bestaat geen twijfel over de loyaliteit van het leger, en als dat wel zo was, zou zo’n teken van wantrouwen uiterst dom zijn. Ik zal Wall gaan vertellen wat jij zegt, maar je vader is niet iemand die eerst dreigt voor hij toeslaat; de klap is waarschijnlijk al gevallen."

"Nee, Edward," zei ze, "nog niet; ik weet dat het nog niet is gebeurd, want hij houdt mij hier vast."

"Ik ga meteen," antwoordde hij, "je moet niet zo bang zijn."

HOOFDSTUK X

DE CONFERENTIE

Forest begon niet overijld aan zijn taak. Om het resultaat daarvan en de in de geschiedenis van Unæa zo vruchtbare gevolgen van deze dag te verklaren, is het nodig een paar uur terug te gaan tot het moment waarop de morgen nog in rust verkeerde, toen het hoofd van de mensen nog niet in de war geraakt was door de aardbeving en de enige werkzame krachten die waren, die Harold in beweging gezet hadden bij zijn geslaagde vasthoudendheid om Farmer toehoorders te verschaffen. Toen hij Laura tegenkwam, was Wall onderweg naar Farmer om hem te verzoeken te verschijnen bij de grote vergadering die door de Orbiase paus bijeengeroepen was. Toen ze samen op weg waren naar het pauselijke paleis voelde hij het als zijn plicht Farmer te wijzen op de ernst van de situatie. Het was niet gewoon een kwestie van argumenten en woorden, zoals Farmer leek te denken, maar de hele zaak kwam neer op een onenigheid die elk moment zeer ernstige gevolgen met zich mee zou kunnen brengen.

Cartwright, op zijn hoede als altijd, had zich op de hoogte laten houden van het doen en laten van Farmer. Hij was ernstig ontstemd over het verraad van zijn vertrouwen en lachte smalend om iedereen die echt geloofde in de buitenissige voorstellen die zijn broer opperde. In zijn ogen was de hele beweging een nauwelijks verhulde samenzwering tegen de regering en dat hij niet eerder toegeslagen had was gewoon te wijten aan het feit dat het hem niet gelukt was een aantal koppige leden van de raad in beweging te brengen. Wall wist dat de klap elk moment kon vallen en met Cartwright en zijn geleerde raadslieden die hij in zijn macht had, kon dat niet lang meer duren.

"U hebt een gesprek gehad met de geestelijken van alle denominaties," merkte hij onderweg naar het concilie op tegen Farmer, "wat voor indruk hebt u daarvan gekregen?"

"Dat brein van die geestelijken zit merkwaardig in elkaar, het lijkt elke grip op de werkelijkheid verloren te hebben; of iets al dan niet waar is, is het laatste dat ze in overweging nemen. Wat wij geloven is in hun ogen min of meer een kwestie van keuze en wat ik zeg bekijken ze niet oprecht en rechtstreeks, maar vanuit het standpunt van of het kan bijdragen aan de verspreiding van hun dogma’s."

"Goed," zei Wall, "hoe minder invloed ze op u gehad hebben, hoe meer u dat waarschijnlijk op hen gehad heeft, maar wat denkt u zelf van hen?"

"Ik mag ze niet," zei Farmer, "de enige dingen die we onafhankelijk van onszelf weten zijn de eigenschappen van de materie en de fysische samenstelling van de dingen in het algemeen, die we kennen zonder enige inmenging van onszelf — ze geven een zo zuiver en onpartijdig mogelijk beeld.

Overal waar sprake is van menselijke gevoelens zoals juist, plicht en goed, zijn we overgeleverd aan onze eigen waanideeën en hangen onze meningen af van oefening, onze voorafgaande omstandigheden en allerlei vooroordelen. Als er al enige openbaring is, dan is dat in de wetten van het stoffelijke universum, ten opzichte waarvan menselijke gevoelens geen zier voorstellen. Zij draaien de waarheid om en zien ideeën van juist en onjuist als openbaring, terwijl die nou net uitgesproken het menselijke deel daarvan uitmaken. Zodoende overstelpen ze mensen met allerlei valse idealen en dwingen ons voor zover ze kunnen met al hun invloed hen te volgen. Gelukkig is hen de controle die ze ooit over de mensen hadden ontnomen en hebben ze zich erin moeten schikken dat ze nog alleen maar konden overheersen door beïnvloeding."

"Dat zich erin schikken is maar flinterdun," zei Wall, "een luipaard kan zijn vlekken niet veranderen en de dwang die ze zouden uitoefenen als zij dat maar konden is grenzeloos — overigens heel terecht; ik haat dat hele vormeloze staatslichaam van ons, het wil alleen maar discipline en aanpassing. De enige manier om mensen in beweging te brengen is het verduiveld onaangenaam voor ze te maken als ze het niet op jouw manier doen. In alle grote bewegingen in de geschiedenis zijn het een paar man geweest die de kudde opgedreven hebben. Maar uw kritiek op de geestelijken lijkt me volstrekt onverantwoord; u hebt niet hun problemen gehad en zonder dat u daar ervaring mee hebt gehad kunt u op geen enkele manier oordelen over hun manieren. U moet met hen werken en uw enige mogelijkheid is dat u onderweg iets tegenkomt dat zij op hun weg naar vooruitgang ook herkend hebben. Stel dat het als volgt is — u hebt in uw onderzoek alles terzijde geschoven dat fysisch niet mogelijk is, zij hebben op hun weg alles terzijde geschoven dat niet in overeenstemming is met de diepste en meest wezenlijke aard van de mens. Is er een gebied waarin u elkaar begrijpt? Bedenk dat zij op hun manier oprecht zijn geweest, zoals u dat op uw manier bent geweest. Vandaag zullen we ze ontmoeten en moet u uw laatste woorden spreken. Spreek in ieder geval zó dat ze u begrijpen."

"Wat bedoel je met ‘laatste woorden’?" vroeg Farmer.

"U denkt toch niet dat u zoveel mensen ontmoet en gesproken hebt zonder dat uw inspanningen het onderwerp van algemene aandacht zijn geweest. De mensen met wie u gesproken hebt kunnen dan wel uw vertrouwelijkheid respecteren, maar uw broer wantrouwt u naar alle waarschijnlijkheid. Hij heeft zijn plannen en het is niet erg waarschijnlijk dat hij enige beweging duldt die daar strijdig mee is. Hij is van plan grote onderaardse ruimten uit te laten graven en die te vullen met voedselvoorraden, zodat een deel van de mensheid misschien kan overleven, in ieder geval enige tijd. Tenzij u voldoende invloed krijgt om hem te overwinnen, zal u doeltreffend het zwijgen opgelegd worden. U hebt nu een grote kans. De opperpriester heeft een uitnodiging gestuurd naar alle geestelijken van alle religies om naar hem toe te komen voor een gemeenschappelijk beraad. Hij kwam tot de conclusie dat hij, wat hij ook besloot, slechts de helft van de aardbewoners kon leiden, terwijl wij ze allemaal willen. Actie is zinloos tenzij dat overal gebeurt en hij heeft gemerkt dat het uiteindelijk voor de aanhangers van alle godsdiensten mogelijk is een gemeenschappelijke basis te vinden."

Het was inderdaad een opmerkelijke vergadering die bijeengekomen was in het paleis van de Orbiase paus. Rij na rij een aaneenschakeling van gezichten van kerkleiders, die allemaal in hun hart een deel droegen van de wil die vorm geeft aan de doeleinden van mensen, die allemaal in hun hoofd, zoals dat een bedienaar van het geloof betaamt, een deel droegen van de verantwoordelijkheid om die wil uit te voeren. Uit de verste uithoeken van het land waren ze gekomen, geroepen door het angstige voorgevoel dat er een beroep op hen gedaan zou worden om iets meer te doen dan het individuele handelen van de mensen te beïnvloeden.

Door de versnippering van de geloofsovertuigingen had de kerk al lang geleden de politieke macht verloren. Door de ingewikkeldheid van het leven, vanuit het oogpunt van de wetenschap, had de kerk moeten toegeven dat het sturen van de gang van zaken buiten het bereik van de godsdienst lag — alleen het persoonlijke geweten en het regelen van het gezinsleven vielen daar nog onder.

Wat was dan die vreemde roep — deze ongekende oproep, die hen allemaal als bezeten door iets gemeenschappelijks, naar dat paleis bracht dat voor de helft van hen symbool was van een dwaling bij uitstek?

Ze hadden gehoor gegeven aan de oproep in het licht van de gedachte dat misschien nu, in deze laatste dagen, Gods wil geopenbaard zou worden, niet zoals zij die verkondigden in hun diensten, in de plicht van het voorbereiden op een toekomstige wereld, in het handhaven van een richtlijn waarvan het belang in het denken lag — maar juist in iets heel eenvoudigs en ondubbelzinnigs, zoals heel vroeger, in het uitvoeren van iets duidelijks, een eenvoudige dienst binnen het wereldgebeuren.

*****

In het paleis van de Bolbewoners, stond Farmer voor de machtige voltallige vergadering van prelaten, priesters en geestelijken van elke denominatie. De invloed en kracht van hun karakters, die hem zo vreemd waren, leken geen indruk op hem te maken. In een paar simpele woorden legde hij zijn gedachten voor hen op tafel, op een manier waarvan hij dacht dat ze dat het beste zouden begrijpen.

"Wie zal vertellen wat in de geschiedenis van ons ras de opdracht en het plan is geweest, waardoor wij op deze grote waarheden zijn gestuit, kennis die ons onthult wat we zijn en waardoor wij invloed en greep op ons lot krijgen?"

"Ik kan geen opdracht of plan ontdekken, behalve dat wij, als het zover is, alles zullen aangrijpen wat van belang is om te weten."

"Dus lang geleden, toen onze mechanische krachten nog niets voorstelden en onze rationele kennis van de natuur belachelijk pover was, hebt u — met de mensen die zich door uw bemoeienissen bij u hebben aangesloten — hebt u dus de ziel ontdekt. Er bevindt zich iets binnen in ons, dat boven het lichaam uitstijgt en daar los van staat en een hoger doel dient dan louter zelfbehoud. Maar deze ontdekking, groots en in alle opzichten belangrijk, was niet volledig en afgerond; het hing af en hangt nog steeds af van een innerlijke intuïtie van de menselijke natuur, en was en is niet gerelateerd aan het rationele systeem van dingen, zoals wij dat kennen."

"En toen het onderzoek naar de aard van de materiele wereld om ons heen geleidelijk vooruitgang boekte, viel deze ontdekking van de ziel, die nabije en vertrouwde kennis, niet langer samen met wat onze zintuigen registreerden."

"We vonden namelijk geen echte plek waar de ziel naartoe kon, zoals in de vroegste tijden stilzwijgend werd geloofd. Wij dachten dat het lichaam niets anders was dan een dierlijk organisme. En daarom moet je tot op de dag van vandaag, als je je boodschap aan de wereld verkondigt, op een ander bewijs vertrouwen, op andere principes, dan die, die de normale gang van zaken regeren."

"Maar ik heb de ziel opnieuw ontdekt. Ik heb haar niet ontdekt via een innerlijke overtuiging, niet door de overweldigende energie van haar oordeel over ons geweten en onze daden. Ik heb haar ontdekt als een echt wezen, dat evenveel bijdraagt aan de visie op deze fysieke wereld, als ze heeft gedaan om onze verwachting als menselijke wezens te vergroten. Net zoals de intuïtieve kennis van de ziel ons zedelijk bestaan boven het instinctieve van het dier heeft verheven, zo verheft de verstandelijke kennis van de ziel ons intellectuele bestaan boven de gewone gang van zaken."

"Want in ons denken hebben we een leven geleefd, waarin wij berustten in de onderdrukking van het lichaam, terwijl wij — ons wezenlijke zelf, onze ziel — , als wij ons ware bestaan kennen, daar vrij van zullen zijn. En deze kennis komt tot ons, juist nu het nodig is, juist op het moment dat wij boven onze toestand van onderwerping uit moeten stijgen, om onszelf te redden."

"Dat zou ons naar de grotere en hogere wereld leiden. En keer u niet van mij af, als u denkt dat ik het over onbeduidende dingen heb. U verhaalt ons over het summum van liefde, tot uitdrukking gebracht in alledaagse plichten. Wij bereiken de vrijheid van ons intellectueel bestaan door het denken over alledaagse en onbeduidende dingen."

"Ik zeg u dat het idee van vroeger dat de ziel iets werkelijk bestaands is, juist is, niet ontdaan van de franjes van ons leven, ja eerder nog steeds meer omhuld met een onbeschrijfelijke volheid van bestaan — dat zou u moeten weten — ; volg me en u zult de ziel rationeel en welbewust leren kennen, terwijl u haar nu kent als iets dat boven de trage passen van het verstand uitspringt."

"De te volgen weg is de volgende. Bedenk een wezen dat tot een lijn is beperkt. U zult misschien denken aan een insect, dat niet zonder zijn houvast kan, maar dat beeld is onjuist, want voor zover het insect de plek voelt waar het op zit, heeft het weet van twee dimensies. Een wezen dat beperkt is tot een lijn, zou geen flauw benul van iets anders hebben, dan wat zich in diezelfde lijn voor of achter hem bevindt. En het is juist door dat soort beperking van zijn bestaan dat hij bepaalde handelingen als onmogelijk beschouwt."

"Het lijnschepsel heeft twee uiteinden, dat wij het kopeinde en staarteinde zouden kunnen noemen. De kop wijst de ene en de staart de andere kant op. Met geen mogelijkheid kan het lijnwezen deze richtingen onderling verwisselen. Stel nu dat er twee lijnwezens zijn, waarbij de kop van het ene de ene kant op wijst en de kop van het andere de andere kant. Voor hen zou het onmogelijk lijken dat ze zo zouden worden neergezet dat hun koppen dezelfde kant uit zouden wijzen."

"Wij zien echter dat het eenvoudig is om ze zo neer te zetten dat ze dezelfde richting uit wijzen. We kunnen ze gewoon omdraaien zodat ze dezelfde kant op kijken. Dat kunnen wij doen omdat wij gebruik kunnen maken van twee dimensies. Omdat zij niet in staat zijn om zich in twee dimensies te bewegen, denken zij dat het niet kan. Zij denken dat het bij de aard van de ruimte hoort dat dat niet mogelijk is. Maar wij begrijpen dat het feit dat het voor hen niet mogelijk is om zich zo te verplaatsen dat ze dezelfde kant op wijzen, gewoon laat zien dat ze beperkt zijn, dat zij bij het bewegen van hun lichaam niet over mogelijkheden beschikken, die in feite wel bestaan."

"Als wij nu naar onszelf kijken, ontdekken we ook iets wat niet kan. Stel je twee rechthoekige driehoeken voor, die symmetrisch op een rechte lijn zijn geplaatst. We kunnen deze driehoeken blijven verschuiven, maar we kunnen de ene nooit de plaats van de andere in laten nemen — er blijft altijd enige incongruentie bestaan."

Ik zeg dus dat die onmogelijkheid geen echte onmogelijkheid is — het is gewoon een gevolg van onze beperktheid. Als wij ons in de derde dimensie zouden kunnen bewegen, zouden we heel eenvoudig een van die driehoeken zo kunnen plaatsen, dat die precies in ruimte van de andere zou passen. Het is dezelfde onmogelijkheid die wij als teken van onze eigen beperking beschouwen. Neem nou het lijnwezen. Het ontdekken van de tweede dimensie zou hem er bewust van maken, dat hij altijd met iets in contact staat — zijn wereld is niet een wereld van een lege ruimte, maar een die op iets anders steunt — er is iets aanwezig, waar hij zou denken dat een lege ruimte bestond, iets dat tegen hem aan ligt.

"Dat geldt ook voor ons. Als wij rechtop staan en onze handen bewegen, denken we dat wij ons in een lege ruimte bevinden, afgezien van de rand van de aarde waar we op staan. Maar dat is niet zo. Voor ons bestaat er ook iets dat zich naast ons bevindt, en hoe wij ons ook bewegen, wij maken daar altijd contact mee en wij bewegen daar langs, welke kant wij ook met onze armen uit wijzen."

"Het bestaan zelf strekt zich grenzeloos uit, ondoorgrondelijk, aan beide zijden van dat naastgelegen iets. Als u dat beseft, dan kan niemand meer twijfelen aan wat ik heb gezegd; als u dat eenmaal tot u door laat dringen, zult u nooit meer naar het blauwe hemelgewelf staren zonder een bijkomend mysterieus gevoel. Hoever u uw blik ook in die peilloze diepten zult werpen, die glijdt dan slechts langs iets bestaands, dat zich onpeilbaar uitstrekt in een richting, waar u niets over weet."

"En als wij dat weten, valt ons iets van dat oude gevoel van het hemelse wonder te beurt, want dan vullen niet langer gesternten de hele ruimte met een eindeloze herhaling van hetzelfde, maar bestaat er de mogelijkheid van een onverhoeds en wonderbaarlijk begrijpen van wezens, waar de mensen van weleer over droomden. En als wij alleen maar over dat hele gevoel heen konden kijken, zouden we weten wat er aan beide zijden van al het zichtbare ligt."

"Dat begrijpen ligt in de toekomst — maar wat betekent het nu voor ons?"

"Als u het mysterie van ons bestaan wilt verklaren, onze relatie met het omvangrijkere universum wilt ontdekken, ga dan terug en vraag u af hoe een lijnwezen zou kunnen bestaan. In een lijn kan geen enkel werkelijk wezen bestaan. Alle werkelijke dingen of wezens moeten over alle bestaande dimensies beschikken. Maar een werkelijk wezen zoals wijzelf, onmiskenbaar in het bezit van twee dimensies, kan in omstandigheden verkeren, die het slechts als eendimensionaal ervaart. Het kan deel uitmaken van een structuur die tot een eendimensionale beweging is beperkt."

"Denk bijvoorbeeld aan een schip, dat op het water vaart. Het kan maar in een enkele lijn bewegen. Stel dat de kapitein die het bestuurt, zich niet bewust is van zijn eigen bewegingen en gewoon bij al zijn gedachten de beweging van het schip betrekt en zichzelf daarmee identificeert, dan zou hij zichzelf als een lijnwezen kunnen zien. Maar als op een of andere manier het idee in hem zou opkomen, dat er twee dimensies zijn, als hij bij zijn eigen lichaamsbesef te rade zou gaan, en zou beseffen dat hij op zichzelf staat en los staat van wat hij bestuurt, dan zou hij over een overvloed aan ervaringen beschikken van tweedimensionale bewegingen. Het enige wat hij zou hoeven doen is zichzelf wakker schudden en zich bewust worden van zijn eigen wezenlijke manier van bestaan."

"Zo is dat ook bij ons."

"In wezen zijn wij hogere wezens, in bezit van een hogere manier van handelen, dan wij bij onze lichaamsbewegingen beseffen. Dat wezen, dat wij in werkelijkheid zelf zijn (ons zelf is), is de ziel, en op het moment dat het zich in zijn doen en laten bewust is geworden van zichzelf, als het heeft begrepen dat het meester van zijn eigen lichaam is en los van en boven een louter dierlijk leven staat, is het klaar om wakker te worden en te begrijpen dat het meer is dan de bewegingen van de dingen. De lichaamsbewegingen zijn ondergeschikt, veel ruimer dan onze eigen bewegingen. De mechanismen en bewegingen, die met de ziel te maken hebben, zijn superieur aan de welke het kan vatten door middel van het gevoel, superieur aan de welke die het ziet door middel van het lichamelijke zien."

"Je kunt dat bewijzen door het zelf te proberen. Ik heb mijn eigen ziel gewekt en kan nu denken aan driedimensionale dingen, hoe ze werken en elkaar beïnvloeden."

"En ik heb ontdekt dat wat voorbij alles ligt wat ik u heb verteld, net zoals de kapitein van een schip, een activiteit ontplooit die onafhankelijk van het schip is. Zo ontplooit onze ziel een activiteit die onafhankelijk is van het lichaam. Onze ziel kan een werking uitoefenen op het naastgelegen iets. Wijzelf, de aarde en al het andere, glijden in de baan waarin onze planeet beweegt, in een snel tempo over dat naastgelegen iets. Bij elke beweging die wij met ons lichaam maken, oefenen wij alleen maar een werking uit op dingen, die allemaal op dezelfde manier deel uitmaken van deze beweging. Maar onze zielen kunnen rechtstreeks invloed uitoefenen op het naastgelegen iets. En door die werking beschikken wij over de mogelijkheid om de richting van onze bewegingen te beïnvloeden, anders dan door tegen iets dat we kunnen zien te drukken of aan te trekken."

"Op dit moment is het nog duister hoe dit moet worden gedaan. De organen in het lichaam, waarmee de ziel dit resultaat teweegbrengt, zijn voor ons te klein om ze te kunnen onderscheiden. Het enige wat we weten is dat we rationeel hun bestaan kunnen voorspellen. En die oude legenden over mensen die de lucht in stegen of door de lucht vlogen, zijn juist gebaseerd op het feit dat er een relatie bestaat met dat naastliggende iets, dat iemand in staat stelt om door de activiteit van zijn ziel, niet gestuurd op de manier van al onze andere gewone lichamelijke uitingen, de richting van zijn beweging ten opzichte van de beweging van de aarde te veranderen."

"Als ik mijn geest met bezieling vul, en mij voorstel dat ik als een engel opstijg en door de lucht zweef, komt dat omdat mijn ziel iets doet waardoor ik omhoogstijg, namelijk door mijn richting te veranderen door in te werken op het naastgelegen iets."

"Als alle mensen dezelfde gedachten zouden hebben, zouden ze allemaal de neiging vertonen om op te stijgen en zou de samengebalde kracht enorm zijn, genoeg om de koers van de aarde in haar omloopbaan te beïnvloeden. De kracht zou groot genoeg zijn maar, tenzij die gereguleerd zou worden, zou het effect van de kracht die op het ene moment werd uitgeoefend, teniet worden gedaan door een die op een ander moment zou aangrijpen."

"Als we echter geschikte momenten uitkiezen, kunnen we, door spirituele oefeningen, door het hele mensdom verenigd in de gedachte aan een verheerlijkt opstijgen en zweven boven de aarde, de koers van onze planeet wijzigen. We kunnen net die minieme afwijking bewerkstelligen, die ons in staat zal stellen om Ardæa veilig te passeren."

"U staat nu oog in oog met het probleem. Het gevaar bestaat echt. Het dwingt ons om te stoppen met het verklaren van de wereld met onze ideeën en in plaats daarvan moeten wij proberen om de werkelijkheid te begrijpen."

Nou waren er in Astria een soort filosofen, die het Al als een reusachtig wezen beschouwden, dat gericht was op zijn eigen ontwikkeling. Ze zeiden dat er verschillende mensen waren, die bedenkingen hadden over het feit dat dat wezen zijn eigen gedachten gebrekkig en onvolledig begreep. Sommige denominaties vonden dat deze filosofen een waardevolle bijdrage hadden geleverd aan het verdedigen van de godsdienst en werden voor zeer diepzinnig gehouden. Een van hen rees overeind en sprak:

"Wij kunnen nooit buiten onze eigen ideeën geraken; het is absurd om te spreken over de werkelijkheid, alsof dat iets anders zou zijn dan een idee."

"Ik blijf hier niet," zei Farmer, "om over dit probleem te discussiëren. Dat is alleen maar een kwestie van woorden. Ik heb voor mijzelf ontdekt, dat woorden nooit een doorslaggevende betekenis hebben als je ze nader bekijkt, maar van een afstand kunnen ze heel goed dienen om een algemene tendens of een onderscheid aan te duiden. En het onderscheid waar ik op heb gezinspeeld is duidelijk. Van onze tweedimensionale lichamen hebben wij, of krijgen wij door abstraheren, het idee dat zij door een rand worden begrensd. En vanuit deze rand of lijn, kunnen wij de verdere abstractie van een punt maken. Wij kunnen proberen om, door van deze abstracties, deze ideeën, gebruik te maken, de wereld te verklaren. Aan de andere kant kunnen we proberen te begrijpen dat wat wij over de dingen denken louter abstracties zijn. Wij moeten ideeën vormen, die wij niet hebben gekregen. En met het oog op die noodzaak, die al eerder aan de orde is geweest, denk ik dat de globale en kant-en-klare manier die wij hebben om onze ideeën tegenover de werkelijkheid te stellen, blijkt geeft van en wijst op een verschil in onze manier van te werk gaan. Om Ardæa aan te kunnen, moeten we nieuwe ideeën ontwikkelen, want met onze huidige ideeën, zoals u best weet, is er geen mogelijkheid om vernietiging te voorkomen.

Ik heb ontdekt dat ik, door bepaalde gedachten te denken, de activiteit van dat echte wezen, mijn ziel dus, willekeurig kan sturen. Ik kan mijn eigen gewicht veranderen. Iedereen heeft de kracht in zich om dat te doen. Een gewichtsverandering kan echter alleen plaats vinden door ons inwerken op het naastgelegen iets, en dat is nou juist de handeling die nodig is om de koers van onze planeet te veranderen. Onze zielen hebben dat vermogen. Door de gedachten die deze werking teweegbrengen in te voeren in uw vormen van aanbidding en uw gelovigen te bewegen die met een vurige toewijding te volgen, kunt u de koers van de aarde veranderen en veilig langs Ardæa scheren. Elke wezen moet soms rekening houden met de onherroepelijke feitelijkheden van zijn bestaan of anders te gronde gaan. Dat is bij ons nu het geval. Hoewel wij, voor zover het onze lichamelijke lotgevallen betreft, in een tweedimensionale toestand verkeren, moeten wij handelen naar de driedimensionale werkelijkheid.

"En als uw gelovigen door deze aanbidding de wereld geleidelijk in veiligheid brengen, kunt u met de waarheid voor de dag komen, waar zij aanvankelijk ondoordacht en blind op zullen reageren; u kunt ze dan vertellen over echte ziel. Zelf zult u niet langer blind in de traditie rondtasten, maar meer te weten komen over de ziel. U zult het bestuderen van de ziel niet alleen benaderen vanuit het bewustzijn, maar als een objectieve werkelijkheid. En als u aarzelt om mijn visie over te nemen, omdat u denkt dat u de ziel verlaagt door haar als iets kleins te beschouwen, moet u bedenken dat u haar, hoewel ze klein is, in ieder geval wel kan meten, ze heeft immers een dikte in een richting, die u niet kunt aangeven. Er bevindt zich meer in een vierkant, zij het weinig, dan in een oneindige lijn. En dus bevindt zich genoeg materie in een ziel om eindeloze universums te vormen, zoals wij die opvatten."

Tijdens deze hele toespraak bleef de paus van de Bolbewoners onbeweeglijk zitten; zijn gelaat, bleek en mager, was als van een dode, die niet door woorden bereikt kan worden, en zijn blik was alsof hij in een diepgelegen gewest was weggezonken, waaruit hij nooit zou weerkeren.

De eerste die het woord nam was een bisschop van de Letterlijke Kerk. Zijn leer hield zich getrouw aan de heilige schriften.

"Broeders," sprak hij, "als wij beginnen met het zorgvuldige overwegen van wat wij hebben gehoord, moet onze eerste gedachte zijn, ‘hoe komt het overeen met de boodschap, waarvan wij plechtig hebben beloofd, dat wij die de wereld zullen verkondigen?’ Die van ons is een boodschap van verlossing, niet alleen van aards geluk, en wij moeten geen enkele belofte toestaan, hoe oprecht ook, die het licht dooft, waarover wij beschikken, of ons mogelijk kan verzwakken in de verkondiging van de waarheid."

Farmer viel hem in de rede: "Juist, u ziet dat het alle sporen vernietigt van wat u leert en waar u rekening mee houdt. Bij gebrek aan iets anders feitelijks om over te denken, identificeert u zich met deze lichamen en al uw ideeën over goed en kwaad concentreren zich op fysieke betrekkingen. U gelooft dat de aarde een plek is om deugden ten toon te spreiden. Wat u eet, hoe u in de echt verbindt, weer scheidt, hoe u zich richt tot uw eigen lichaam en dat van uw buurman — dat is het enige wat u denkt. U werpt niet eens een vluchtige blik op het echte werk van de mens, het is alleen maar een onbarmhartig bezig zijn met uiterst onbelangrijke zaken."

Wall zag niet dat er een teken werd gegeven vanuit de zetel van de Bolbewoner, maar er moest een wenk zijn gegeven, want een prelaat die vlakbij de paus zat rees overeind.

"Wij zijn Mr. Farmer dank verschuldigd," sprak hij, "omdat hij de echte kwestie zo duidelijk voor ons uit de doeken heeft gedaan, zodat wij daarover kunnen beraadslagen. Dhr. Farmer is met een nieuwe opvatting over het lichaam gekomen en als hij gelijk heeft, zal het nodig zijn dat wij onze ideeën over de ziel heroverwegen. Deze twee aspecten kunnen nooit door elkaar gehaald worden, en zijn kritiek op ons, in het licht van zijn nieuwe opvatting over het lichaam, is uiterst welkom. Maar die kwestie heeft niets te maken met onze huidige overwegingen. Zij zijn, als ik het goed begrijp, bedoeld voor ons doen en laten in de praktijk."

Deze paar woorden waren voldoende om de discussie op inhoudelijke onderwerpen te brengen. Er brak een tijd aan van een serieus debat, en de breinen van de deelnemers waren daar zo door in beslag genomen dat zij nauwelijks aandacht besteedden aan het schudden van de muren toen de aardbeving kwam. Ze besteedden geen enkele aandacht aan de tijdingen die hen vertelden over de chaotische toestand van de bevolking. De ene na de andere spreker leverde zijn argumenten voor of tegen de inzichten van Farmer, en langzamerhand bereikte de stemming van de vergadering het punt waarop zij verklaarde dat zij ervóór was om een openbare verklaring uit te doen gaan over de hele wereld, en alle mogelijk druk uit te oefenen op de regering om een onderzoekscommissie in te stellen. Maar Wall trad naar voren, terwijl zijn lange zwaard zijn stappen begeleidde, tot waar hij naar hun midden afdaalde.

"Er is een stem," sprak hij, "die binnenin iedereen spreekt en hem uiteindelijk vertelt wat hij moet doen. Dat is de stem van God. En in u bevindt zich de stem van God voor de mensen. U hebt dat al vele malen eerder verklaard. Dit is niet het moment om het zus of zo te draaien. Of dit is een goddelijk persoon en geloven wij hem, of hij is duivels en dan keren wij hem de rug toe. Ik leg nu een staf voor u neer — en hij maakte een gebaar alsof hij iets voor zich neer smeet — het is een ijzeren staf, die alles verbrijzelt wat hij raakt. Dat is het leger. Zijn eer ligt in gehoorzaamheid; als u het beveelt in naam van God, in wiens naam de gelofte bij elke taak staat, verdwijnt elke loyaliteit aan iets anders. In afwachting van het horen van Gods stem staat het leger dan sls één man voor u."

De plechtigheid van dat moment werd hen duidelijk, toen de onbeschrijfelijke invloed, die uitging van de man die had gesproken, de stilte doordrong. Het leek bijna alsof elk ademen was gestokt. Een enkel woord kon de afgrond ontketenen. Door het vrijkomen van die onberekenbare kracht, belichaamd in die ene man, schrompelden de vredelievende mensen ineen, ontzet door zijn eenvoudige woorden….. De paus van Bolbewoners en al zijn priesters, prelaten en monniken waren opgestaan. En van de lippen van de broze oude man, kwam een stem, helder en plechtig:

"God heeft gesproken," sprak hij, "met de stem van de dienaar die hij heeft uitverkoren. Hij heeft de wereld gered." Toen legde hij zijn hand op Wall en sprak, "ik onthef u van uw gelofte. Verkondig de wereld de tijding van de Verlossing."

Vanuit het Orbiase paleis vertrok een enorme stoet, met een boodschap van vrede en rust voor het verbijsterde volk. Met net toen ze het statige gebouw uitliepen, liep een troep soldaten met een donkere huid op hen toe. Deze onwetende mannen waren vreselijk bijgelovig en bogen naar hun gewoonte, zonder te wachten op het bevel van hun officier, om de religieuze stoet te laten passeren.

Forest, die ze voorbijgelopen was, nam van de gelegenheid gebruik, drong zich naar voren en vertelde hen om wat voor reden deze mensen gekomen waren. Heel wat verloren de moed. Die hoop, zo dichtbij en toch zo ver weg. En de oude vloek van het land, de Scythiase dwaas uit Unæa in deze reïncarnatie, het oude gevaar, stond klaar om de billijkste hoop de grond in te boren. Maar de Orbiase paus kwam onbewogen naar voren en de schittering van de goddelijke kracht glansde in de schuin vallende stralen van de zon — en verlichtten zijn eenzame gestalte. Hij sprak. De bijgelovige gemoedstoestand van de mensen die voor hem stonden maakten hen als was in zijn handen. Hij vertelde hen over het einde van de wereld, veroordeelde hun zonden en zei dat ze allemaal de dood hadden verdiend — daarna sprak hij over vergeving en hoop. Als ondersteuning van de boodschap verschenen ze jammerend en schreeuwend voor hem en hun officieren keerden terug, hun opdracht was niet vervuld.

Maar op zulke mensen kon niet gerekend worden. Wall kende de aard van het leger. Hij had zijn mede-officiers op de hoogte gebracht van het dreigende gevaar, samen hadden ze de maatregelen besproken die door de regering genomen waren om daar het hoofd aan te bieden en met zijn allen hadden ze het onvermogen en de ondoeltreffendheid van het centrale gezag gevoeld. Hij had hen verteld over een plan dat bedacht maar door de regering verworpen was — en toen ze hem meer vroegen, had hij gewoon gezegd dat ze niets konden doen omdat ze soldaat en door hun eed gebonden waren. Of Astria ten onder ging of het overleefde, zij waren slechts instrumenten, die gewoon gebruikt werden om op bevel van anderen aan te vallen. Voor mensen die aldus voorbereid waren kwam de plotselinge machtsovername door de geestelijke als een licht uit de Hemel dat hun enige pad onthulde.

Mannen die bereid waren meteen in actie te komen, verzamelden zich rond Wall, de anderen aarzelden en waren niet genegen verantwoordelijkheid te nemen en vrijwel zonder strijd ging de militaire organisatie van Unæa over in handen van haar nieuwe meesters. Het zwaard rustte nu in andere handen.

In de stad waar paniek heerste en zelfs de fundamenten trilden, was het enige zekere en stabiele waarop de mensen konden vertrouwen en bouwen, het dwingende besluit van de geestelijken die zich door de hele stad verspreidden en iedereen enigszins geruststelden. Tegen het vallen van de avond was die verspreiding van de morele kracht, die uitging van de nieuwe leidende figuren van het lot van de natie, van dien aard dat degenen, en dat waren er veel, die Wall tegen zich in het harnas joegen, geen mannen konden vinden die hen tegen hem konden aanvoeren. Hij was de situatie meester. Hij gaf orders om alle politieke leiders van wie hij gevaar duchtte te arresteren en ontbond alle vertegenwoordigende vergaderingen. Meteen achter de golf van wanhoop, die zich over het hele land verspreidde en vertelde over de vernietiging en dood van de wereld, kwam een andere, die vertelde over hoop, Gods interregnum, een reorganisatie en een wonderbaarlijke verlossing. Een uitnodiging vloog naar alle uithoeken van de aarde en riep iedereen op tot een algemene inspanning waarin en waardoor alleen de redding van de wereld tot stand gebracht moest worden.

In deze zalen waarin de vertegenwoordigers van de natie hadden gezeten, die allemaal gebonden waren aan bepaalde lokale belangen en zich bezighielden met de verdeling van de belastingen en het behartigen van die belangen, zetelde nu de paus van de Orbiase kerk, oppermachtig doordat zijn aanhangers zich aaneengesloten hadden, en leidde de besprekingen van de kerkvergadering. Hun eerste taak was eenvoudig. Farmer had een zorgvuldige lijst van regels opgesteld, waarin de strekking, vorm en tijdstippen van te houden de kerkdiensten beschreven werd.

In het besef dat elke poging om de werkelijke gedachtegang te verklaren waarop deze regels waren gebaseerd volstrekt zinloos was, vaardigden zij een bevel uit tot absolute en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan deze regels en omdat in het hele land de oorlogstoestand afgekondigd was, konden zij erop rekenen dat dat nagekomen werd. Maar er restte nog het vraagstuk van de economische reorganisatie van de maatschappij.

Alle beroepswerkzaamheden, verklaarde Farmer, moesten opgeschort worden, behalve wat noodzakelijk was voor het levensonderhoud van de mensheid. Het vraagstuk van lonen en distributiemiddelen stuitte op de totale ontwrichting van de gang van zaken in de burgermaatschappij.

Midden onder de discussies waarmee ze deze problemen te lijf gingen, kwam opeens het nieuws dat het wapenarsenaal ingenomen was door een groep ontevredenen en dat het contact met het westelijke deel van Astria verbroken was. Het wapenarsenaal was een sterke vesting die gebouwd was ten tijde van de oude oorlogen en werd nu gebruikt door deskundigen in dienst van de Staat, die zich bezighielden met het vervaardigen van explosieven. Het was een heel massief bouwwerk en zijn verdedigers waren ervan verzekerd dat ze goed voorzien waren van oorlogstuig. Het was een rots waar het net te water gelaten schip van staat heel goed op te pletter kon lopen.

HOOFDSTUK XI

DE SAMENZWERING VAN CARTWRIGHT

Cartwright had een veilige schuilplaats gevonden. Hij hield zijn vinger te goed op de pols van de gebeurtenissen om niet, zoals zijn collega’s, gevangen te worden door het net dat Wall over hen heen geworpen had. Bij zich had hij de historicus Lake, Flower, Laura’s evolutievriend en Agatha, die vermomd als een marktverkoopster — dat deed ze heel toegewijd — de rol van boodschapper speelde.

Ze hadden zich verzameld rond de man die ze allemaal zagen als de meest bekwame in de hele Staat en, nu alle hulpmiddelen en bronnen, partijen en aanhangers, die hij met elkaar verzoend, gemanipuleerd en gecontroleerd had, weggevaagd waren, met zijn toenemende morele grootheid en zelfbewuste onkreukbaarheid standvastig overeind bleef staan als de laatste steun en hoop van de Staat in haar wanhopige gevaar.

"Dit is afschuwelijk," zei Lake, "dit land is krankzinnig geworden. En wat me het allermeest stoort is de onbeschaamdheid van dit alles. Het is een verkrachting van de Rede, de Rede die niet in de een of de ander, maar in de hele mensheid, met alle inspanningen van de beste mensen onze instellingen en Staat opgebouwd heeft — deze Rede is verkracht en misbruikt vanwege een enkele dolende denker."

"Die Rede," zei Cartwright, "is slechts een naam, die niets betekent behalve in zoverre ze werkzaam is in jou en mij; de vraag is wat er gedaan moet worden."

"Maar het is een voldongen feit."

"Dan wil ik nóg een voldongen feit."

"Onmogelijk," zei Lake, "het land is ten prooi gevallen aan bijgeloof. Het is een belediging voor elk redelijk mens, maar het leger is een volstrekt redeloos instrument en de clerus heeft de massa in haar greep. De gewapende macht en de macht van de massa zijn beiden tegen ons."

"De beschaving," zei Flower, "heeft in een enkele dag meer verloren dan ze in de afgelopen duizend jaar gewonnen heeft. De priesters zullen het volk wennen aan een blinde verering van en vertrouwen in het bovennatuurlijke en de hele vrijheid van denken zal vernietigd worden."

"Wat zeggen onze wetenschappelijke vrienden, Agatha?" vroeg Cartwright.

"Je had moeten horen hoe ze niets heel lieten van de theorieën van Dhr. Farmer," antwoordde ze. "Hij sprak een bijeenkomst toe, hoewel geen recht had zijn gezicht te laten zien in een wetenschappelijke vergadering, omdat hij al lang geleden afstand had genomen van elke gemeenschap. Maar hij verscheen nu toch. Ze vroegen hem of observatie en experiment niet het begin was van elke wetenschap. Hij stond met zijn mond vol tanden. Daarna vroegen ze hem ‘als er een derde dimensie is, waarom dan geen vierde?’ Je had moeten zien hoe van slag hij was; hij begon met iets te zeggen over zijn gewicht veranderen door middel van een wilsinspanning. Door de stilte die viel verstijfde hij. De wetenschap las hem de les, hoewel hij de hele macht van de Staat achter zich had."

Cartwright keek naar Agatha. "Vreemd," zei hij, peinzend, "dat de wetenschap, de meester van alle krachten, die zelf niet zou hebben."

"Het is de fout van ons onderwijssysteem, we hadden alles moeten afschaffen behalve rationeel onderricht," zei Flower, "dan hadden de priesters deze mogelijkheid niet gekregen."

"Makkelijk praten dat we het anders hadden moeten doen," zei Cartwright, "ik heb tenminste naar beste weten gehandeld. Ik heb die Wall al lang op het oog gehad, maar zijn eerzucht onderschat. Als iemand met een middelmatig intellect heeft hij alles te danken aan geschikte gelegenheden. Door een afschuwelijk schenden van mijn vertrouwen, teweeggebracht door die beroerde dwaasheid van mijn broer, is hij in bezit gekomen van mijn geheim en heeft dat zonder er verder over na te denken ingezet ten bate van zichzelf. Kun je je, bij dit alomtegenwoordige gevaar, iets weerzinwekkenders voorstellen dan alleen maar op je eigen belang uit zijn? Terwijl al die mensen van ons die volledig in beslag genomen waren door zorg dragen voor de wereld, eigende hij zich stiekem onze kennis toe en maakte daar gewetenloos gebruik van. Zo iemand moet even ongenadig afgemaakt worden als een hondsdolle hond. En dan is hij op dit moment ook nog eens de feitelijke heerser van Astria!"

"Nee," zei Agatha, "hij zegt dat hij de orders van de Orbiërs gehoorzaamt."

"Dat zegt hij," antwoordde Cartwright, "maar eens zien hoe lang dat duurt. Zo ver is het dus gekomen met de grootsheid van Astria! Maar ik heb een plan. Agatha, jij bent een vrouw, maar alles hangt van jou af — jij kan komen en gaan zonder argwaan te wekken. Je moet alle vrouwelijke zwakte laten varen en voor de redding van je land zo hard werken als niemand ooit heeft gedaan."

"Ik zal alles doen wat een vrouw kan," zei Agatha.

"Wij moeten een pagina uit het boek van de vijand scheuren," zei Cartwright. "Hij heeft zijn succes behaald door een blinde kracht in handen van een enkele klasse te leggen — door het leger te overhandigen aan de kerk. De geleerden moeten het land redden en die kracht — die hebben ze al."

Zijn toehoorders staarden hem ongelovig aan, maar Cartwright ging verder. "De scheikundigen hebben onlangs een nieuwe springstof uitgevonden, tienmaal krachtiger dan de oude varianten en die met onze projectielen twee keer zover weggeschoten kunnen worden. Er zit een zwakke plek in Walls harnas. Hij heeft de scheikundigen niet uit het arsenaal verwijderd. Zij hebben genoeg springstof om de bewakers in dat fort op te blazen en alle troepen die hen aanvallen af te schrikken — zijn kracht is vreselijk. Welnu, Agatha, jij moet de mensen van wie ik je de naam geef gaan opzoeken en hen vertellen dat ze alle wetenschappers op wie ze volledig kunnen vertrouwen, moeten verzamelen in de buurt van het arsenaal. Daarna moet je de deskundigen die daar werken vertellen wat ze moeten doen — zij kunnen daar vrij in- en uitgaan, dus dat zal geen problemen geven. Op een vooraf vastgesteld tijdstip moeten ze het garnizoen vernietigen, de buiten verzamelde mensen kunnen naar binnen en de wetenschap heeft dan een leger dat, met deze nieuwe springstof, elk aantal met de oude projectielen gewapende troepen kan vernietigen. De inmiddels bestaande voorraad is voldoende voor de eerste acties. We zullen dan even tijd proberen te winnen totdat er een ruime voorraad is vervaardigd, want dat proces neemt maar drie dagen in beslag. Dan zijn wij de baas. Ik zal het risico nemen dat ik ontdekt wordt en mij voegen bij de menigte die buiten het arsenaal staat te wachten en jullie allemaal naar de overwinning voeren. Het geheime plan van Wall is gegroeid als een paddenstoel in het donker.

Het daglicht van de wetenschap zal een einde maken aan haar vergiftige groei."

HOOFDSTUK XII

DE AANVAL

Meteen klonk het geluid van geweervuur. Wall haastte zich naar het arsenaal. Zijn reactie op de wapenstilstandsvlag die op de borstwering wapperde, was dat hij dacht dat het maar om een opstandje ging, dat met een paar woorden bezworen kon worden en toen hij verder liep om de vertegenwoordiger van de daar aanwezigen te ontmoeten, stond hij opeens oog in oog met Cartwright.

De laatste zei: "ik ben de vertegenwoordiger van alle vooraanstaande geleerden van onze hoofdstad.

Wij zijn niet met veel, maar wel vastbesloten liever te sterven dan te zwichten voor een bewind dat op louter bijgeloof gebaseerd is. Wil je een boodschap van ons overbrengen aan de gezagsdragers?"

"Ik zal luisteren naar wat u te zeggen hebt," zei Wall.

"Ik wil je eerst zeggen dat wij allemaal je verraad veroordelen — je hebt misbruik gemaakt van de onvrede van het leger om de Staat over te dragen aan uitslovers."

"Wat is uw boodschap?" vroeg Wall.

"Daar kom ik zo op. Ik moet nog één ding toevoegen. Het is iets persoonlijks, maar omdat dit de laatste keer dat we elkaar zien moet ik het je vertellen, zodat je je misschien zult realiseren dat je optreden alom veroordeeld wordt. Toen mijn dochter hoorde wat je gedaan had, verwierp ze je. Ik weet niet wat voor informele verstandhouding er tussen jullie was. Dat is nu allemaal voorbij. Ze is inmiddels verloofd met mijn vriend Forest. Toch smeekte ze hem je te redden uit de handen van de mannen die ik gestuurd had om je te arresteren en je zo nodig neer te schieten. Dus Forest heeft je gewaarschuwd en mijn plannen gedwarsboomd. Als je geslaagd bent is dat louter te danken aan Forests welwillendheid ten opzichte van een verslagen rivaal."

"Is dat de boodschap die u wilt laten overbrengen?" vroeg Wall.

"Nee, dat is dit. Wij zijn een kleine maar vastberaden groep, we zullen het fort liever opblazen dan ons overgeven, in de hoop dat wij zodoende onze medeburgers kunnen aanzetten om in opstand te komen tegen de tirannie. Maar als er iets in je plan zit, als je al een mogelijk plan hebt om Astria te redden van een dreigende ramp, zijn we tezelfdertijd bereid ons verzet op te geven. Laat ons van gedachten wisselen met jouw vertegenwoordigers, vandaag besteden aan een discussie, en dan komen we morgen met een besluit. Als er enige redelijke verwachting is dat je plan kan slagen, zullen we loyaal meewerken."

"U hebt al de gelegenheid gehad om te discussiëren."

"Geloof me, we zullen de argumenten met een andere instelling afwegen, nu we weten dat als we niet instemmen de dood ons wacht. Dan zijn we misschien te overijld te werk gegaan, maar de wetenschap is evenzeer als de godsdienst bereid aan te zetten tot een martelaarsdood."

"Ik weiger u boodschap aan te nemen," zei Wall. "Ik geef u een uur en als u zich dan niet overgeeft zijn de gevolgen voor u."

Cartwright had zijn woorden met de grootste zorg voorbereid. Door Wall ongewenste waarheden te vertellen hoopte hij dat hij zijn beschrijving van de opstelling van zijn groep voor waar zou houden.

Zijn enige opzet was op een of andere manier een paar dagen te winnen voordat de onvermijdelijke aanval zou plaatsvinden. Er was munitie genoeg voor een hele dag vechten. Door twee dagen respijt zou hij de situatie meester kunnen zijn.

Het was hem niet gelukt enige indruk op Wall te maken, maar met het oog op het eventuele mislukken van het overleg had hij, met zijn gebruikelijke voorzorgen, geregeld dat onder een aantal leden van de raad geschreven berichten verspreid en zijn argumenten door betrouwbare bondgenoten verkondigd zouden worden. Dus in plaats van hem vrij te laten in zijn optreden, ontving Wall een boodschap waarin hij gemaand werd zich te houden aan de uitslag van de beraadslagingen van het gezag. In de zaal werden verschillende meningen geopperd over de juiste koers die gevolgd moest worden ten opzichte van deze rebellie, waar heel weinig mensen aan deelnamen, maar die toch zo tekenend was voor de houding van de ontwikkelde klasse.

"Ze hebben ons gezag aangetast, ze moeten meteen gestraft worden, onderhandelen is onmogelijk," zei de fanatiekste.

"Van onze kant is de revolutie zonder bloedvergieten of geweld geweest. Laten we daar geen smet op werpen als wij het door een dag uitstel kunnen winnen," zei de meest vriendelijke en gematigde. Anderen zeiden dat met deze ongelovigen weigeren te praten een verkeerde uitwerking zou hebben.

Een bisschop die namens de Hervormde Kerk sprak, verklaarde dat toevlucht nemen tot wapengeweld, in plaats van te vertrouwen op de kracht van de rede, van lafheid en eigen onzekerheid zou getuigen maar dat, als hun tegenstanders door argumenten overtuigd konden worden, het voor eens en altijd elke reden voor vijandschap zou wegnemen.

Nu," zei hij, "is het enige moment waarop de opstandelingen met ons een gesprek op voet van gelijkwaardigheid kunnen hebben. Als we hen nu kunnen overtuigen, kan niemand later aanvoeren dat wij onze inzichten met dwang hebben opgelegd. Bovendien moeten we ons niet schuldig maken aan bloedvergieten. Een aanval zou heel veel levens kosten. Laten we die verantwoordelijkheid niet op ons nemen totdat alle andere manieren gefaald hebben."

Het eindresultaat was dat door een grote meerderheid bij stemming bepaald werd dat de actie tegen de opstandelingen een dag uitgesteld zou worden en hun vertegenwoordigers ontvangen werden voor een beraad met Farmer.

Wall zat met gebogen hoofd op een voor hem bestemde plaats en hoorde nauwelijks wat er gezegd werd. Tot zijn matte en schrijnende stemming drong een duivelse trouweloosheid door. Wat vals was deze man, die mooipratende Cartwright en Laura zijn dochter, even trouweloos! Wat had de vader zijn stoere rol van volhardende leugenaar goed gespeeld — en had ook de dochter gelogen met elk woord, blik en stembuiging? En hem schoot dat enige redmiddel te binnen van het wilde dier oog in oog met de jager, dat eenvoudige redmiddel — het verlangen, de razernij voor een plotselinge sprong. De vader, die doortrapte leugenaar — de dochter, de verleidster die hem verachtte en trouweloze die hem in vervoering bracht — de vader bestrijden en de andere vergeten was de enige manier waarop een eenvoudige ziel zich kon bevrijden uit het vervloekte net dat voor altijd om hem heen geweven zou worden.

Hij stond op en zei: "Wees zuinig met bezieling. Die zal zich niet uitstrekken tot de dagelijkse gang van zaken. Dit is een valstrik waar geen kind in zou trappen. Denkt u nu echt dat een aantal fatsoenlijke en oprechte mannen de bewakers in het arsenaal vermoord hebben — want het was niets anders dan moord — omdat ze in de gelegenheid gesteld wilden worden om te discussiëren? Dat is alleen maar een voorwendsel. Daar zit een of ander complot achter, waarvoor ze tijd wilden winnen.

Het arsenaal moet vallen, als kost het onze laatste man. En u, wat doet u hier eigenlijk? Uw plaats is bij uw parochies. Ieder van u, van de hoogste tot de laagste, is daar nodig. Laat alle macht in handen van een enkele man, die meteen de zaken, ten goede of ten kwade kan regelen en laten wij al onze energie in het werk stoppen."

En hij schreed naar buiten, nam zijn positie in voor het arsenaal en zette op de vlakte zijn stormtroepen in beweging.

HOOFDSTUK XIII

HET BELEG

Met het eerste schot vanuit het fort werden Cartwrights misleidende voorwendsels onthuld en doemde een nieuwe manier van oorlogvoeren op in heel haar duistere draagwijdte.

Het schootsveld van de verdedigers bedroeg een ongelofelijk afstand en de voorste troepenlinies werden weggevaagd, vernietigd. De dapperste troepen van Astria aarzelden en deinsden ervoor terug om zich in de zone van stof en bloedbad te begeven. Om de verspreiding van paniek te voorkomen gaf

Wall het bevel de aanval te staken, trok zijn troepen terug uit het zicht van het bloeddoordrenkte plein en wachtte een paar uur, totdat er grote stapels hout verzameld en aangestoken waren. De wind blies richting arsenaal en in de allesomhullende rook stuurde hij groep na groep in open gelederen naar voren. Als water liet hij zijn troepen die helse duisternis instromen, opgezweept door het gedreun en gebulder van verminkende explosies, waaruit af en toe lijkbleek van angst een halfverdwaasde man opdoemde. Opeens draaide de wind maar de duisternis rukte op en telkens als het ene regiment ten dode opgeschreven opgerukt was, stuurde hij het volgende. En Ardæa dat kwaadaardig in het Oosten opkwam keek omlaag en vroeg zich af of zij nog een ergere vernietiging kon aanrichten dan die deze verdoemde zielen elkaar aandeden. Bij het aanbreken van de dag lag de vlakte helemaal tot aan het fort bezaaid met lijken, brokstukken van stormladders stonden tegen de muren op en vanuit die talloze lichamen doemde een gedaante op, snelde zwaaiend met zijn armen weg en viel door een gericht schot vrijwel meteen neer.

Wall begreep wat die actie van de onbekende held betekende. "De gracht ligt vol," zei hij tegen de groep officieren naast zich.

In het dagende licht leek de vijand met haar aanvallers te spelen, in een gruwelijke speelsheid lieten ze een aantal naderen en maaide ze dan opeens neer. En dan veegde ze met hun vuurgeweld het terrein van voor tot achter weer schoon.

Twee generaals, vergrijsd in hun eervolle dienstjaren, stapten naar voren.

"U hebt de krijgsraad niet bijeengeroepen, sir," zei een van hen, "maar het is nu hoog tijd om dat alsnog te doen, want dit bloedbad kunnen we onmogelijk laten voortduren — het is geen oorlog."

Uit handen van de dienstdoende officier nam Wall het dagorderboek aan. Hij schreef op, "de aanval zal doorgaan totdat ik het tegenbevel geef," gaf het boek terug en plaatste zich aan het hoofd van de troepen die vanuit hun schuilplaats oprukten. Het was een van de luwten te midden van de razernij.

Aan het hoofd van zijn mannen liep hij in de richting van de borstweringen in de verte, totdat hij de verdedigers die ze bemanden duidelijk kon onderscheiden. En toen ze gehoord hadden dat hij was vertrokken en omdat ze wisten dat deze bevelen niet ingetrokken zouden worden, golfden overal achter hem de manschappen van het Unæaanse leger de heuvel op, waarachter ze zich opgesteld hadden, over de top heen en stortten zich in de dodenvallei.

Vanaf de borstwering sloeg Cartwright de nieuwe aanval gade en zag de ontelbare zwerm naderen.

"De munitie raakt op," zei zijn adjudant, "er zijn nog maar ongeveer honderd bommen over, misschien zal een grote aanval hen afschrikken." Cartwright keek nog eens — de hele vlakte bewoog van de mannen en aan het hoofd zijn gehate dwaas. Dat was Wall! — hem neerschieten zou even eenvoudig zijn als hem een hand geven."

Cartwright sloeg op zijn voorhoofd. "Goeie God, hij meent het." Een vreemd gevoel schoot door zijn grote hart. Ondanks al zijn bedrog en snode plannen brandde in hem een vurige liefde voor Unæa, in wezen hield hij van zijn land, alleen op die manier vond hij de kracht die hem overwicht en macht gaf.

"Hij heeft me verslagen," zei hij, "de goedgelovige dwaas — hij geeft om Unæa, hij moet in leven blijven." Hij strekte zich languit en zwaaide met zijn armen als een teken van wapenstilstand. Wall liep door en liet zijn mannen het vuren staken.

"We willen onderhandelen — stop!" riep Cartwright. "Ik wil niet onderhandelen," antwoordde Wall.

Cartwright draaide zich om. "Dit heeft geen zin," zei hij tegen zijn aanhangers. "We kunnen er hoogstens nog een paar meer doden."

En zo betrad Wall, in de naargeestige stilte van de laatste vertegenwoordigers van het licht van de rede, het fort. Over de hele vlakte weerklonk een hevig geschreeuw — mannen wierpen zich op de verminkte doden, kusten ze, noemden hen helden en zegenden ze, want in alle oorlogen van Unæa had zij nooit zulke waarachtige kinderen gehad als zij die deze dag gestorven waren.

Na de val van het arsenaal kwamen de hoofdofficieren bijeen op het hoofdkwartier van Wall om de dagelijkse zaken te bespreken. Ondanks het gevoel van persoonlijk verlies, dat iedereen voelde bij het gemis van zoveel van hun kameraden, was in elk hart een gevoel van grote tevredenheid. De rust van de wapenstilstand had de geest van het leger niet vernietigd. Deze mannen daar hadden zich even waardig onderscheiden als al degenen die het lot van Unæa op hun schouders getorst hadden. Voor Wall voelden zij de instinctieve dankbaarheid die mensen altijd voelen voor iemand die tot het bittere eind alles waar ze toe in staat zijn duidelijk uit laat komen. Gevoegd bij hun waardering voor zijn onbuigzame onwrikbaarheid, was de vernietigende kracht die zij door zijn onverzettelijke vastbeslotenheid kregen, een gevoel van iets buitengewoons in zijn overwicht. Het arsenaal was onder zijn ogen gevallen. De verdedigers hadden voor hem gesidderd.

Een van de oudste veteranen legde zijn hand op Walls schouder en zei:

"Dit is precies wat jouw vader ook gedaan zou hebben. Hij zou de laatste man erop uit gestuurd hebben."

"Soldaten, broeders," zei Wall, "wij hebben onze taak getrouw uitgevoerd. Maar er is een grens waar voorbij geen enkel instrument door onbekwame handen gebruikt zou moeten worden. We zijn alleen maar ontkomen aan de vloek van de ene debatvergadering, om onder die van een andere te vallen. In jullie naam zal ik vragen of ze het gewone gezonde verstand willen gebruiken. De staatsaangelegenheden moeten in bekwame handen gelegd worden totdat de crisis voorbij is."

"Heb je het niet gehoord," zei Beam, "de vergadering bleef maar discussiëren totdat je het arsenaal innam. Daarna deden ze alles zoals je hen verteld had — misschien ben je dat vergeten. Die toespraak van je had een prachtige uitwerking."

Wall fronste zijn voorhoofd.

Beams waanidee dat redevoeringen houden en schrijven invloed had op de loop van de gebeurtenissen werd af en toe vreselijk vervelend.

"Ik herken daarin," zei hij, "de hand van de Orbiër. Toen hij de top bereikt had van de eeuwenlange eerzucht van zijn kerk, moet het hem heel wat gekost hebben om daar weer afstand van te doen.

Medesoldaten, ze hebben de macht aan mij overgedragen. Moge ik daar wijs gebruik van maken en die even getrouw uitoefenen, als deze crisis voorbij is."

Walls aanvaarden van de macht werd door zijn kameraden gezien als het logische gevolg van de gebeurtenissen. Er was geen enkele tegenstem. Met dit volledig ontbreken van formaliteit werd zijn gezag aanvaard en alsof het slechts een onbeduidende gebeurtenis was, ging de discussie verder met detailkwesties die meteen aandacht vroegen.

"De families van de gevangenen, generaal, maken zich ernstige zorgen om hen," zei een officier. "Ik heb laten weten dat u hen streng laat bewaken om hen tegen rechtstreeks geweld te beschermen, maar de vraag die ik niet kan beantwoorden is wat u met ze gaat doen."

"Je kunt antwoorden dat hun leven niet in gevaar is," zei Wall.

"Neem me niet kwalijk," zei Beam, "maar ik denk dat u hen van vijanden in uw meest toegewijde aanhangers kan veranderen."

"Hoe zou je de situatie willen verbeteren?" antwoordde Wall.

"Ik zou ze ongeveer in de volgende bewoordingen toespreken," zei Beam.

"Ik kan geen enkele rechtvaardiging vinden voor jullie opstand. Jullie hebben geen plan om Astria te redden en voor zover de mensen het begrijpen was jullie opzet de onderaardse ruimten te bezetten en daar zelf in te kruipen en een eerlijke verdeling van die armzalige schuilplaatsen te verhinderen. Het is niet eenvoudig om enig onderscheid te maken tussen jullie en moordenaars. Jullie moeten terechtstaan.

Maar gezien de huidige vijandigheid ten opzichte van jullie zal het moeilijk zijn een eerlijk proces te waarborgen. De voorlopige regering die door mij geleid wordt, wil zichzelf niet in verlegenheid brengen met dat probleem. Mijn probleem is de Staat te organiseren om ons gevaar het hoofd te kunnen bieden en jullie proces kan overgelaten worden aan de instantie waaraan ik het gezag over zal dragen. De samenstelling van die instantie zal hoofdzakelijk afhangen van de manier waarop jullie in de ogen van het volk jezelf vrijspreken. Wij hebben voor onze taak elke wetenschappelijke hulpbron nodig en de toewijding van elke inwoner van Astria."

Beam straalde van enthousiasme.

"Een heel aardige toespraak," zei Wall, "ik zou willen dat ik jouw talent had, Beam, maar wat voor uitwerking zou het hebben? kan je je enige situatie voorstellen waarin Cartwright niet tegen mij zou samenzweren?"

"Er zijn nog anderen naast hem," zei Beam.

"Ja, heel wat anderen, ik heb al een paar van hun gevangenen laten ondervragen en er zijn een aantal heel rijke mensen bij betrokken. Ik ga beslag laten leggen op de bezittingen van iedereen die er mee te maken heeft en geef ze weer vrij zodra de opwinding tot bedaren is gekomen; hun praatjes tegen mij zullen ook voor anderen een waarschuwing zijn om niet hun geld op het spel te zetten. In deze noodzakelijke ontwrichting van de hele normale gang van zaken zal ons belangrijkste probleem zijn dat we fondsen moeten verschaffen en dat die bron ons over de eerste moeilijkheden heen zal helpen."

Ondanks de druk van de zaken die zijn aandacht opeisten, vond Wall een gelegenheid om een gehaaste reis te maken naar de stad waar Laura naartoe vertrokken was. Hij ontmoette haar zonder ook maar iets van de vreugde die zij verwacht had op zijn gezicht te zien. Wat waren zijn woorden anders dan ze verwacht had!

"Ik hoor, Laura, dat je Forest beloofd hebt met hem te trouwen," zei hij. "Is dat waar?" Laura was sprakeloos. Wat dan nog als ze beloofd had met Forest te trouwen? Hij was er uitermate op gebrand hem te redden. Waarom zou hij haar dat kwalijk nemen? Ze had er geen flauw benul van dat Harold niet alle omstandigheden kende, omdat ze dacht dat de enige persoon die hem dat verteld kon hebben Forest was. Ze was gekwetst en verontwaardigd; was dat nu zijn vertrouwen en geloof in haar?

"Ja," antwoordde ze met een trotse blik naar hem.

"Ik kon het pas geloven als ik het uit je eigen mond had gehoord," antwoordde hij. Verward — afschuwelijk verward en teleurgesteld zag ze hem vertrekken, een wrede hand omknelde haar hart waardoor ze niets kon zeggen. Hij draaide zich om, maar de laatste blik die hij haar gaf was trots en kil.

HOOFDSTUK XIV

DE NIEUWE ORDE

Een van onze filosofen die net de eerste mechanische kracht, de hefboom, ontdekt had, riep uit, "Geef me een plaats om te staan en ik breng de aarde in beweging."

En op een soortgelijke manier riep lang geleden een filosoof uit Unæa die de buitengewone voortstuwingskracht ontwaarde die ze verkregen bij hun eerst pogingen bij het navigeren op in plaats van in het water, toen hij zag hoe de lompste boot of vlot de mensen een enorme kracht gaf, louter door het feit dat ze zich in het ene medium bevonden en er kracht uitgeoefend werd in het andere, "geef me een verschil en ik kan alles."

De Unæërs legden zich toe op het ten nutte maken van een verschil, een verschil dat voor de zintuigen niet waarneembaar was en alleen maar voorspeld was door een duistere theorie en slecht verkregen was door een nog duistere deductie. De verschrikkelijke koude winters zoals die zich voordeden leken hen met een ijzige vingerwijzing te waarschuwen voor het gevaar waarin ze verkeerden. Over het hele land verspreid en vooral in de steden werden dagelijks kerkdiensten gehouden, waar de door Farmer bedachte rituelen uitgevoerd werden. Zoals te verwachten was, waren de meer ontwikkelde klassen onverschillige en onwillige aanwezigen. De schuilplaatsen, de uitgestrekt ondergrondse ruimten die door Cartwright waren aangelegd, leken hen een rationelere voorzorgsmaatregel te bieden. Maar in haar onwetendheid en blinde gehoorzaamheid verrichtte de massa getrouw haar taak. Voor actieve geesten was de inperking van gewone bezigheden, het belemmeren van vrije concurrentie en het instampen van bepaalde manieren van denken als plicht, uiterst ergerlijk. Cartwright bekeek deze gevoelens van ongenoegen op een zelfingenomen manier, maar zag voorlopig af van elk openlijk ingrijpen.

Het was hem gelukt uit boedel van zijn voormalige bezittingen een paar roeden land te redden, met het resultaat van jarenlang experimenteren met het aanpassen van granen aan veranderde omstandigheden van hitte en kou. Hij was erin geslaagd een variëteit te ontwikkelen die, onder de nieuwe klimaatomstandigheden van Astria, een onverminderd rijke opbrengst leverde, terwijl alle andere gewone soorten een ernstig afgenomen vruchtbaarheid vertoonden. Na zijn kortdurende ontluistering verscheen hij opnieuw, maar nu als hoofd van de invloedrijke raad van bestuur van de Organisatie voor Wetenschappelijke Landbouw en leefde weer helemaal als voorheen. Op zekere dag hield hij na een bijeenkomst Forest staande.

"Mijn dochter heeft me verteld," zei hij, "dat jij en zij overeengekomen zijn jullie verloving te beëindigen. Ik stel de tact die je getoond hebt zeer op prijs. In haar opgewonden toestand en met de invloeden waaraan ze blootgesteld was, was ze nauwelijks zichzelf."

"Ik vond dat het niet het geschikte moment was," zei Forest, "maar mijn bedoeling is onveranderd."

"Hoezeer jullie aan elkaar gehecht zijn, maak ik op uit de verschrikkelijke vergissing die ze je heeft laten begaan. Het is niet zeker, maar heel goed mogelijk, dat de mannen die ik gestuurd had Wall op het moment van zijn overwinning hadden kunnen arresteren en dan zou deze hele vreselijke ontwrichting vermeden zijn."

"Maar mogelijk zit er toch iets in Farmers plan."

"Wat krijgen we nou, mijn beste Forest, dat is niets voor jou. Niets is zekerder dan dat de ruimte zich slechts in twee dimensies uitstrekt. Alleen al het idee van een derde dimensie is een rariteit van de verbeelding. De enige mensen die deze aanname heel even zouden dulden zijn van die wiskundigen die dol zijn op paradoxen ter wille van de paradox en een voorliefde hebben om dingen, evenredig met hun ongeloofwaardigheid, te geloven. Maar neem nu eens het hypothetische geval dat zulk een aanname juist was, dan grenst de absurditeit dat de baan van de aarde verandert door de manier waarop je je hoofd houdt en de gedachten die je denkt, aan pure krankzinnigheid. Nee, vriend, wat er met je gebeurd is, is wat met zoveel mannen gebeurt — je hoofd is helemaal op hol geraakt door een vrouw. Wij mannen weten dat wij daar allemaal vatbaar voor zijn, zelfs de sterksten en besten van ons — ik weet het uit eigen ervaring — en we zijn toegeeflijk, als het maar niet te vaak hoeft. Die beginnende dictatoriale macht van ons zal binnen de kortste keren verdampen. Als we de wijk nemen naar de schuilplaatsen die ik heb laten inrichten, wie zal er dan nog aandacht aan hem schenken? Of als we dat niet doen, als onze planeet veilig langs het kritieke punt scheert, zal niemand geloven dat dat gekomen is door zijn lachwekkende erediensten. Hij zal weggehoond worden. De mensen zullen zijn bemoeienis met al hun vrijheden niet lang dulden. Een militaire avonturier kan een Staat zoals die van ons niet blijvend in de hand houden. Ondanks zijn macht wordt hij nu al gemeden door alle beste mensen. Laura loopt niet het gevaar hem tegen te komen en ik heb gemerkt dat ze op dit moment buitengewoon handelbaar is. Ze heeft hem niet meer gezien of geprobeerd met hem te corresponderen. Jij hebt haar sympathie en vriendschap en alle mogelijkheden. Doe er je voordeel mee. Als ik je een goede raad mag geven zou ik, als ik jou was, snel en heimelijk trouwen, want je weet maar nooit tot wat voor eigenzinnige gewelddaden deze avonturier zijn toevlucht zal nemen als hij merkt dat zijn prooi hem ontsnapt. Maar op dit moment geeft hij geen teken van enige toenadering. Hij is waarschijnlijk verguld met zijn eigen succes."

"Hij heeft me aangesteld als regeringsvertegenwoordiger van het Albaanse Merendistrict," zei Forest.

"Hij wil je de beslommeringen over je inkomen ontnemen en daarom geeft hij je iets om je tijd mee te vullen, zoals hij dat met zovelen doet. De streek is niet ver weg, dus in feite kun je hier blijven wonen."

*****

Er was een jaar verstreken. Farmer, die nu hoofd was van de Dienst Regelingen Religieuze Erediensten, had zijn intrek genomen in Persepolis. Het huis van Cartwright was een ontmoetingsplaats voor al degenen die het nieuwe bewind afkeurden en Laura was omringd door invloeden die vijandig ten opzicht van Harold waren. Ze ging vaak op bezoek bij haar oom, maar hij, volledig in beslag genomen door zijn bezigheden, had alleen maar indirect op Harold gezinspeeld, totdat hun gesprek op een dag wat vertrouwelijker werd.

"Wanneer komt Harold terug?" vroeg Farmer.

"Ik weet het niet," antwoordde Laura.

"Vreemd. Heeft hij je onlangs niet geschreven?’

"Nee, Oom, waarom zou hij?"

"Maar, Laura, er is toch niets tussen jullie in gekomen?’

"Harold is te serieus, Oom, door het geringste wat hem niet bevalt wordt hij al boos."

"Hij moet zoveel doen, Laura. Je moet toegeeflijk zijn."

"Ik zou voor hem toegeeflijk zijn als hij dat ook voor mij is."

"Laura, je bent anders geworden dan het meisje dat ik kende, ik had nooit gedacht dat je wispelturig zou zijn."

"Ik mag Dhr. Forest veel meer dan Harold. Hij vertelt me dingen waar ik in kan komen, hij is interessant."

"Forest brengt de helft van de tijd, die hij zou moeten besteden aan het in de gaten houden van het hem toegewezen gebied van het land, door in de stad. Harold zie je dat nog niet doen."

"Edward heeft zijn werkzaamheden uitstekend ingedeeld. Het loopt als een trein."

"Niets kan het oog van de baas vervangen."

"Het hangt allemaal af van de hoeveelheid verstand die de baas in zijn werk stopt. Edward kan alles binnen hele korte tijd regelen."

"Het is merkwaardig je de intelligentie van Edward af te horen meten aan die van Harold. Toen niemand iets zag in wat ik zei, begreep Harold al het belang ervan."

"Oom, Harold heeft nooit ook maar één woord begrepen van wat u zei en heeft dat ook nooit geprobeerd."

Farmer stond op, liep heen en weer, bleef tegenover haar stilstaan en zei: "Laura, jij bent het slechtste meisje ooit. Het is me nu duidelijk dat hij alles gedaan heeft uit liefde voor jou en jij bent zo onaangedaan als een porseleinen beeldje. Dat doet nou de grote wereld met onze vrouwen! Het enige waar ze aan denken is gevleid worden. Een man die rake uitspraken kan doen en onbenulligheden in hun oor kan fluisteren……"

"Hebt u Harold ooit onbenulligheden horen fluisteren," vroeg Laura.

"Nee, ik zeg ook niet dat hij dat doet."

"Dan is het hoog tijd dat hij dat leert," zei Laura. "Hij heeft me behandeld als een ding, als een stuk hout. Mijn vader had vertrouwen in Agatha. Hij heeft ervoor gezorgd dat ze hem hielp. Hij weet hoe vrouwen in elkaar zitten, maar het enige waar Harold aan denkt is zijn eigen gang gaan en als je ook maar iets doet wat hem niet bevalt, behandelt hij je als een slaaf."

"Laura, je bent een vrouw waar ze het hart uitgelaten hebben. Het maakt je niet uit hoe iemand van je houdt, als hij niet de manieren van een heertje heeft, telt hij niet mee."

"Harold geeft eigenlijk om niemand, het enig wat hij wil is de baas spelen. Hij gebruikt u, de Orbiër en het leger en nu is hij de enige die belangrijk is."

"Hij gebruikt je niet."

"Hij geeft niet genoeg om me, om me te gebruiken."

"Jij bent een probleem Laura, en gelukkig gaat de oplossing ervan mijn verstand te boven."

"Ik begrijp mezelf heel goed en ik kan mensen dingen uitleggen zoals u dat nooit zou kunnen."

"En hoe zat dat dan met mijn lessen op school, Laura?"

Bij het allereerste woord dat u zegt raken de kinderen al in verwarring en al die tijd dat u aanwezig bent komen ze daar niet van bij. Het laatste idee dat in u opkomt, gaat met u aan de haal. Herinnert u zich nog hoe u me onderricht begon te geven in de wetenschap? De directeur heeft me als een speciale gunst gevraagd u zover te krijgen dat u daar niet meer naartoe gaat en de kinderen aan uw systeem opoffert."

"Dat wil dus zeggen dat ze mijn manier helemaal niet willen. Niemand van hen gelooft erin."

Hij sprak op een zeer mismoedige toon. Laura was tevreden met de somberheid waarin ze hem gedompeld had en begon het weer een beetje goed te maken.

"Nou, Oom, ik wel. Het lijkt me een heel omslachtig plan, maar na een tijdje merk je dat je heel anders denkt, lijkt het alsof je je heel anders voelt. Ik zal uw lessen overnemen; u bent een lieve, goede oom en ik zal zorgen dat al uw plannen uitgevoerd worden, wat die vreselijke directeur er ook van zegt."

HOOFDSTUK XV

EEN MIDDAGBEZOEK

"Agatha," zei Laura, "hier is Dhr. Forest, hij is gekomen om met jou een gesprekje over wetenschap te hebben." Agatha glimlachte al op voorhand, maar Forest keek haar zeer vooringenomen aan toen hij haar een hand gaf. Toen hij Cartwrights huis binnenging had hij niet de bedoeling om over wetenschap te praten, maar het werd meteen duidelijk dat het wel van hem verwacht werd.

Hij was bijgekomen van de klap die Laura hem had toegediend. Ze moesten niet denken dat hij wispelturig of veranderlijk van aard was. Hij had, wat hij van nature deed, openhartig zijn gevoelens geuit zoals elke minnaar dat zou hebben gedaan als het dierbare onderwerp van zijn toewijding op dezelfde intellectuele manier gesproken had zoals Laura dat had gedaan bij die gedenkwaardige gelegenheid. Sindsdien had hij Laura met verbazing en behoedzaam benaderd en toen hij merkte dat het verschijnsel zich niet herhaalde, vatte hij zijn oude bewondering weer op.

"Wat is er?" vroeg Agatha. "u kijkt zo ondoorgrondelijk."

"Het is zo fantastisch," antwoordde hij.

"Ah," zuchtte ze.

Maar met Agatha was heel gemakkelijk een gesprek over wetenschap te voeren. De uitgebreidheid van het onderwerp en Agatha’s ontvankelijke houding gaf hem een ruime keuze uit interessante gespreksthema’s. Daarnaast vinden troepen die een vesting bestormen bij hun oprukken vaak beschutting bij de voorzieningen die de verdedigers zelf aangelegd hebben en in dat licht overzag hij met een kritische blik de situatie.

Na een pauze die paste bij de waardigheid van zijn aankondiging, merkte hij op, "de wetenschap heeft een nieuwe verovering gemaakt."

"Wat dan?"

"Het Verschijnsel Maatschappij."

"O, nee, Hr. Forest; dat hangt af van wat mensen willen doen. Wetenschap gaat over de wetten van de Natuur."

"Toch is er een manier ontdekt om van ons maatschappelijk bestaan een exacte wetenschap te maken.

Elke statistiek daarover — elk jaar precies zoveel weglopers, precies zoveel huwelijken — wordt ogenschijnlijk bepaald door menselijke motieven, maar de totale som is onveranderlijk, daar heerst een onverbiddelijke wet."

"Is dat echt zo?"

"Ja. Je kunt misschien wel denken dat je om een persoonlijke reden afziet van trouwen, maar dat verbeeld je je maar, want de werkelijke reden is omdat het gemiddelde moet kloppen. Maar er is één uitzondering. Enige tijd geleden heb ik me verdiept in de wetenschap van de statistiek en heb gegevenstabellen gemaakt en daarbij iets uiterst merkwaardigs ontdekt. Het aantal huwelijken in deze stad is jaar na jaar en maand na maand hetzelfde geweest, maar afgelopen maart steeg het tot 3000 boven het gemiddelde. Zou je dan niet zeggen dat er een of andere oorzaak voor moet zijn?"

"Natuurlijk," zei Agatha, en het deed Forest genoegen dat Laura ook luisterde.

"Welnu, dat was een ongewone omstandigheid die mijn aandacht trok en ik begon met een onderzoek.

Ik deed dat zo kies mogelijk. Ik zocht de echtparen uit van wie de leeftijd bij hun huwelijk in die maand maart wat ongewoon was, ik bedoel die er wat lang mee gewacht hadden en stuurde medewerkers van het statistisch genootschap erop uit — keurige mensen die op de meest tactvolle manier uitlegden dat hun belangstelling zuiver wetenschappelijk was en de benodigde vragen stelden."

"Vertelden ze het?"

"Ja," zei Forest. "Als ze er eenmaal van overtuigd waren dat het zuiver wetenschappelijk was beantwoordden ze de vragen en ik ontdekte dus iets buitengewoons."

"Wat dan?"

"Ik kwam tot de ontdekking dat al die huwelijken een enkele oorzaak hadden. Ongeveer vijftien jaar geleden werd een jongeman wiens naam ik moet verzwijgen — noem hem Charles — verliefd op ene laten we zeggen Mej. Smith. Het waren allebei zeer aantrekkelijke personen en er was nog een meisje dat heimelijk verliefd was op Charles, terwijl Mej. Smith een paar openlijk verklaarde huwelijkskandidaten had. Maar er kwamen hindernissen op de weg van de liefde van Charles en Mej. Smith. Hun wegen scheidden zich. Ze trouwden beiden niet. Waarom? Omdat geen van beiden zich in staat voelde de beslissende stap om te trouwen te nemen, zolang de ander vrijgezel was. En de dingers naar de hand van Mej. Smith konden zichzelf er niet toe brengen een huwelijksband te sluiten zolang zij nog tot hun mogelijkheden behoorde. En al die jonge mensen van vijftien jaar geleden waren aantrekkelijk en aardig en wekten tedere gevoelens op bij leden van een tweede cirkel, maar geen van hen kon het over zijn hart verkrijgen om te trouwen totdat het meisje dat van Charles hield — of de mededingers, de een of de ander, van Mej. Smith — trouwde. En zo ging het verder in steeds uitgebreidere vertakkingen. Voor al die mensen was er geen andere reden om niet te trouwen dan dat iemand anders niet getrouwd was. Dit ging dus 15 jaar zo door, totdat de oorspronkelijke Mej. Smith in maart van dit jaar in het huwelijk trad — niet met Charles, maar met iemand anders. Daarna trouwde Charles en toen kwam er een stormloop op de burgerlijke stand en de afdeling vergunningen, ze vielen over elkaar heen als kegels op een rij om maar te kunnen trouwen. En telkens als ik nu naar de aangiften van mijn provincie kijk en de lijsten van de ongehuwde mannen en vrouwen zie, krijg ik een hevig gevoel van medelijden. Denk eens aan al die vruchteloze levens, gewoon omdat een of andere eerste stel elkaar is kwijtgeraakt en daar niet overheen kon komen!"

"Wat geweldig," zei Agatha. "Dat laat zien hoe alles door oorzaak en gevolg met elkaar samenhangt."

"Ja," zei Forest, "dat laat zien hoe nuttig het is om alles met behulp van statistiek te bestuderen."

"Ik moet dat opschrijven in mijn citatenboek," zei Agatha en stond op.

"Vergeet de getallen niet," zei Forest. "je had het beter meteen op kunnen schrijven. Drieduizend huwelijken boven het gemiddelde, tussen maart en mei." Agatha liep weg om de informatie te noteren.

"Edward," zei Laura, "hoe kun je Agatha nou dit soort dingen vertellen?"

"O, ik overdrijf een beetje, Laura, maar in wezen klopt het. Ik wil openhartig met je praten, omdat je het hebt gehoord — besef je wel waar je mee bezig bent? Mej. Cartwright en Generaal Wall trokken elkaar ooit aan, maar er bleek sprake te zijn van een onverenigbaarheid van karakters. Beiden trouwen niet omdat de ander het niet doet en daardoor wordt een hele menigte ongelukkigen het geluk onthouden. Zonder twijfel heeft de Generaal zijn bewonderaarsters, jij hebt er velen die nooit zullen trouwen omdat jij alleenstaand bent."

"Dat is niet waar, Edward."

"Professor Flower, bijvoorbeeld — ze hebben hem horen zeggen dat het begeleiden van jouw denken de meest bezielende taak is die een wetenschapper kan hebben en dan zijn er nog anderen, niet te vergeten ikzelf. En allemaal hebben we onze trieste gevolgen, verijdelde hoop; anderen staan op de rand; Agatha bijvoorbeeld zal nooit trouwen, totdat ik dat doe."

"Je gaat veel te ver, Edward. Ik heb nooit geweten dat je zo verwaand was. Agatha is niet verliefd op je."

"Nee, ze is verliefd op Brand en Brand heeft besloten met haar te trouwen als hij haar wetenschappelijke opleiding voltooid heeft. Ik vertel Agatha steeds een paar van mijn wetenschappelijke ideeën en die vertelt ze dan door aan Brand alsof ze van haar zelf zijn — nou, hij bewondert haar te zeer om te laten zien dat hij daar niet mee is ingenomen, maar hij maakt daaruit op dat hij helemaal opnieuw moet beginnen."

"Edward, hoe kun je? Je moet meteen ophouden met die kwajongensstreken."

"En heb jij ook maar enig recht om mij mijn gedrag voor te schrijven? Nee, Laura, als je met me trouwt zou het allemaal goed kunnen komen. Trouw dan gewoon met me om sociologische redenen."

Er zat een soort hapering in zijn stem, die verborgen achter zijn grappenmakerij zijn felheid verraadde en het voor Laura heel moeilijk maakte om daarop te antwoorden.

"Edward, je bent heel aardig en goed, maar ik zou niet met je kunnen trouwen. Dat is gewoon onmogelijk."

"Als we ons dan verloven, Laura," zei hij. "Dan zal je aan me wennen en zal je zien of het echt onmogelijk is," en hij boog zich naar voren en kuste haar.

"O, nee, Edward," zei ze, "het is onmogelijk. Vraag het me niet."

Hij had begrepen dat hij te hard van stapel was gelopen; maar hij verontschuldigde zich, want hij kon er echt niets aan doen en toen hij wegging voelde hij zich eigenlijk helemaal niet zo onvoldaan. Hij had een stap gewonnen in het haar rationeel naar de situatie laten kijken.

HOOFDSTUK XVI

EEN TOEVALLIGE ONTMOETING

Walls taak was in ieder geval niet eenvoudig. Zijn grootste probleem was de aanpak van de boerenstand. Zij waren gegriefd door de nieuwe regels. Zij werkten, zeiden ze, terwijl anderen niets deden — want de inspanningen waarmee de baan van de planeet afgebogen moest worden maakten op hen niet de indruk van werk — en voor hun werk moesten ze betaald worden.

Welnu, aangezien de normale productie opgeschort was, afgezien van een bepaalde hoeveelheid die nodig was om de allernoodzakelijkste artikelen te verschaffen, zou de boeren betalen betekenen dat de geldcirculatie zou stoppen, want dan zou alles naar de voedselproducenten gaan en er zou van hen niets terugkomen. Zodoende werd hen de opbrengst van hun arbeid ontnomen, voor wat zij zagen als een onrechtvaardige en armzalige tegenprestatie. Om de daadwerkelijke en openlijke oproeren te bezweren die voortkwamen uit de onvrede in de landbouwdistricten, werd van Wall gevraagd dat hij doorlopend op reis was. Hij bedacht een manier om de ordeverstoringen de kop in te drukken, waarmee hij veel vergde van de krachten van zijn luitenants.

Vermoedelijk had hij geen zin om zich te verdiepen in de nieuwe denkrichting en de vervelendste gelegenheden bij zijn reizen waren die waarbij hem gevraagd werd de nationale onderwijsinstellingen te inspecteren en te bemoedigen.

Een van die vervelende momenten overkwam hem toen hij in juli, de oogstmaand, terugkeerde naar Persepolis. De directeur van de befaamde school van de hoofdstad legde hem uit hoe de kinderen, door middel van modellen die het beeld van een driedimensionaal object lieten zien, geleerd werd die voorwerpen als iets natuurlijks te zien, waarmee het grote struikelblok — het ontbreken van zintuiglijke waarneming — weggenomen werd.

"Het is zonder twijfel een feit," zei de directeur, "dat deze nieuwe opvatting over het bestaan een opmerkelijke invloed heeft op de kracht en reikwijdte van de wil. Op de eerste plaats, als de kinderen te weten komen dat het werkelijke bestaan een dimensie heeft die ze met hun fysieke ogen niet kunnen waarnemen en een bewegingsvrijheid die zij met hun ledematen niet hebben, dan beseffen ze dat zij niet dit lichaam zijn, dan beseffen ze dat ze een wezen van dit verhevener soort zijn, die dit lichaam van een lager niveau bestuurt. En die opvatting van bewegingen op een hoger niveau, die hogere activiteiten, lijken een reactie teweeg te brengen in hun lichamelijke gesteldheid. Het is alsof er in elk kind een menigte wezens aanwezig is die kunnen leiden tot een hoger intelligentiepeil dan tot nu toe het geval is geweest.

"De duidelijkste vergelijking is die met een leger, een leger waarvan de soldaten gewoon weten dat drillen een goed en nuttig hulpmiddel is. Maar als de afzonderlijke soldaten, naast het drillen, hun verstand leren oefenen, kan een generaal oneindig veel meer met hen doen. Ze zullen zichzelf in de juiste formatie opstellen en niet afhankelijk zijn van de processen die hij moet toepassen om hen zijn wil over te brengen. En zo merk ik ook dat het lichaam van onze kinderen een verandering ondergaat.

Om het bespelen van een muziekinstrument te leren was het vroeger nodig de hand te drillen door voortdurende herhalingen van de daarvoor noodzakelijke bewegingen, maar nu zorg ik ervoor dat het kind een heel duidelijk beeld krijgt van de anatomie van spieren en zenuwen die vereist zijn om de werking teweeg te brengen die ik wil. Op een of andere manier dringt deze kennis vanuit het brein van het kind door tot de ontwakende entiteiten van het lichaam en de verandering van de gesteldheid die ik voor ogen heb, het vermogen om die te bewerkstelligen, vereist maar heel weinig oefening. Ik voorzie dus prachtige resultaten. Tot nu toe zijn deze subdominante krachten van het lichaam betrokken geweest bij het onderhouden van de vitale processen die de status quo in stand houden.

"Maar ik zie geen reden waarom ze niet zouden veranderen en die vitale processen zich aanpassen.

Wij weten dat er een intelligentie schuilt in deze subdominante krachten die kleine verwondingen kunnen herstellen en het volmaakte beeld van een ongeschonden toestand terug kunnen brengen. Ik denk dat door middel van diezelfde versterkte en met het dominante brein in contact gebrachte intelligentie, structurele veranderingen teweeggebracht kunnen worden en dan niet alleen van die reparaties die weer tot de oude toestand leiden. Ik geloof dat er een plaatselijke lichtgevoeligheid bewerkstelligd kan worden en dat het mogelijk zal zijn nieuwe organen in het leven te roepen, van dien aard dat we objecten aan weerszijden van ons gewaar kunnen worden."

Wall had gesproken met de leraren in de provincie, maar was niemand tegengekomen die zich met deze directeur verwant voelde.

"Sir," zei hij afgemeten, "ik ben misschien ouderwets in mijn opvattingen, maar ik denk dat het klaslokaal de laatste plek is voor wilde theorieën."

"U hoeft alleen maar zelf te kijken, om te zien hoe ongegrond uw kritiek is," merkte de directeur op en leidde hem de school binnen. De aangename geluiden van de kinderstemmen bereikten Harolds oren, verweven met de tere, maar doordringende melodie van een uitbundige sopraan. Onwillekeurig bleef hij stilstaan. Even gleed hij weer over het Albaanse meer in de met bloemenslingers behangen boot, met Laura tegenover zich.

Ze betraden het klaslokaal en de directeur begon met "Mej. Cartwright. . ." maar zweeg opeens want in haar verwarring had Laura haar boek laten vallen en stond daar met een strakke blik en een gezicht dat afwisselend bleek en rood werd.

"Harold!" bracht ze er hijgend uit — en hij die bij geen enkele gevaar ook maar één keer een teken van ontreddering had getoond, bleef in uiterste verwarring stilstaan tegenover het meisje.

"Laura," riep hij uit. In een enkele gelukkige flits ontmoetten hun ogen elkaar. De directeur die zag dat haar aan hem voorstellen overbodig was, trok zich tactvol terug.

De kinderen keken en giechelden. Nog nooit hadden zij hun lerares, die elke bezoeker met een zo zelfverzekerde vriendelijkheid begroette en zo voorbereid was op elke onverwachte gebeurtenis, zo ontdaan gezien. Ze vroegen zich allemaal af wat er ging gebeuren. Ten slotte zei Laura:

"Ik ben blij je weer te zien." De woorden waren eenvoudig, maar was er ooit een uitspraak met een zo goddelijke inhoud?

"Ik had helemaal niet bedacht je hier aan te treffen," zei hij. En weer werd hij begroet door dat onuitsprekelijke licht, maar ze zei gewoon:

"Ga zitten, ik onderwijs hier de ideeën van mijn oom."

Terwijl hij haar gadesloeg drongen in een snelle opeenvolging de duizend-en-een gebeurtenissen uit hun leven zich aan hem op, en hij kreeg zelfs enig idee van wat ze zei. Ze gebruikte een aantal woorden die hij nooit eerder gehoord had, want het maakte deel uit van Farmers plan om alles waarover hij nadacht te benoemen en hij hoopte daarmee de woordenschat van Unæa te verrijken met duizenden nieuwe woorden. Laura probeerde haar uiterste best te doen om de kinderen in te wijden in hun nieuwe taaldomein. Maar zonder grote aandacht was het niet mogelijk om deze woorden in hun juiste verband te gebruiken en Laura werd geleidelijk steeds meer zichzelf.

Want ze stond oog in oog met het grootste probleem waarmee de bewoners van Unæa te maken hadden. Ze bevond zich in een lokaal met tirannieke wezentjes, die er een kwaadaardig genoegen in schiepen als ze in verwarring gebracht werden en onvoldoendes haalden wanneer ze ook maar in het minst afweek van het uiterst precieze woordgebruik of hen de eenvoudigste, vanzelfsprekende gevolgtrekking liet maken. Wat de les zelf betreft is dit niet de geëigende plek daar wat over te zeggen, omdat we genoodzaakt zijn te stoppen als we toekomen aan wat werkelijk van belang is. Ik volsta met te zeggen dat Laura toen ze die gaf haar zelfbeheersing weer helemaal terug had. Zowel in Unæa als hier waren mensen met iets veel belangrijkers bezig dan hun eigen pleziertjes of ellende, hoe heerlijk of wanhopig ook. En Laura was op haar post: wat ze ook voelde, ze moest haar deel bijdragen om de grote machine in beweging te houden.

"Zo," zei Harold, toen de les afgelopen was, "wil je beweren dat je de kinderen echt iets leert over de derde dimensie?"

"Ja, ze leren er alles over."

"Maar kun je me die dan laten zien? Als die dimensie bestaat, moet die ergens zijn."

Laura liet peinzend haar mooie hoofdje zakken, "ik ben er zelf niet zeker van, Harold."

"Het doet me goed je dat te horen zeggen; onderweg hebben we niet veel tijd om over dat soort dingen na te denken en we hebben het gevoel dat we achterop geraakt zijn als we horen dat zelfs de kinderen er alles van begrijpen. Ik ben langs het landgoed van je vader gekomen. Hij heeft goed werk verricht met zijn nieuwe plantenvariëteiten. Ik heb daar bewondering voor. Hij heeft geen moment verloren laten gaan nadat hij helemaal gestopt was, maar is vastberaden een nieuwe weg ingeslagen, zonder ook maar één gedachte te verknoeien met het verleden."

"Maar, Harold, het is natuurlijk om af en toe terug te kijken."

"O, ja, daar kunnen we niets aan doen."

"Oom vraagt zich af waarom je hem niet op komt zoeken."

"Ik zou niets liever willen," zei Harold, blij dat ze toch een beetje ‘terug wilde kijken,’ "dan een rustig gesprek hebben met mijn oude vriend. Velen van ons denken dat je vader de sterkste man is die we hebben en dat we niets beters kunnen doen dan hem de leiding geven als ik terugtreed. En dat duurt misschien niet eens zo lang meer. Hij zou het gemakkelijker vinden om de touwtjes in handen te houden als er nog angst genoeg is om mensen te laten samenwerken. Je weet dat ik een heleboel ongrondwettige dingen heb gedaan en als de kranten weer zullen verschijnen zullen ze zeker de mensen tegen me opzetten, tenzij ik en alles wat ik gedaan heb dan een oud verhaal zijn geworden."

"Ik denk niet dat je eerder zult kunnen terugtreden dan wanneer de periode van gevaar voorbij is," zei Laura, "en je zou aardiger over de mensen moeten denken dan je nu doet."

"Pluk de dag," zei Wall, blij dat hij merkte dat ze hem niet zag als iemand die zich de macht van haar vader wederrechtelijk toegeëigend had, "laten we nu naar je oom gaan."

"Hij zal blij zijn je te zien," zei Laura gewoon, "maar eerst moet je onze directeur gaan bedanken."

Dus begaf Harold zich naar het kantoor en legde uit hoezeer hij beïnvloed was door zijn persoonlijke inspectie van het onderwijssysteem en daarna vertrok hij zowaar met Laura, die de hele weg elke stap zette alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

Hoewel het het tijdstip was waarop de Unæaanse hogere kringen gewoon waren zich het overvloedigst te laten zien, waren in Farmers huis maar een paar mensen aanwezig. De enige bezoekers waren twee Orbiase priesters, Lukas en Percival, die als vriendendienst de leegte van de officiële ambtswoning wat minder verdacht wilden maken en Forest, die zijn schitterende ster overal wel had willen zoeken.

"Waar komen jullie vandaan?" vroeg Farmer, terwijl hij in Harolds hand kneep.

"Het allerlaatst zijn we in de Nationale Academie geweest," antwoordde Harold.

"En wat voor indruk heb je gekregen van het nieuwe systeem?"

"Wat een buitengewone man hebt u als directeur gekregen," antwoordde Wall, die de vraag ontweek.

"Ik zie je aan voor iemand die behoorlijk scherpzinnig is," zei Farmer. "Toen ik begon met de kennis over de derde dimensie op school in te voeren, merkte ik dat de hersenen van alle leraren geatrofieerd waren door hun contact met de jeugd. Bovendien waren ze zolang gewend geweest dingen uit te leggen die niemand begreep, dat ze het idee van wat begrijpen is kwijtgeraakt waren. Dus ging ik koortsachtig op zoek en bedacht dat in het bedrijfsleven geleidelijk een soort mensen ontstaan was die in hun levensonderhoud voorzagen door meningen te vormen. Daar, waar hun talenten tot ontwikkeling waren gekomen door vrije concurrentie, trof ik een klasse werkers aan die in hun vermogen om mensen iets te laten geloven de professionele opvoeders ver achter zich laten. Welnu, door het staken van de productie was er helemaal geen werk meer voor de mensen die hun talenten hadden gewijd aan het aanbevelen van de ene koopwaar boven de andere. Wat lag er dan meer voor de hand dan de buitengewone overredingskracht waarover zij beschikken in te zetten ten behoeve van de schoolkinderen en zodoende in het belang van de waarheid gebruik te maken van de kracht van goedgelovigheid. De directeur is iemand die, zoals hij me vaak voor de voeten werpt als we ruzie hebben, in het bedrijfsleven tien keer zoveel verdiende als ik ooit hoop te krijgen."

"Iedereen zou denken," zei Laura tussenbeide komend, "dat mijn oom een volstrekte tiran was, maar dat is hij echt niet. Hoeveel van dit soort nieuwe professoren hebt u aangesteld? Eerlijk zeggen."

"Tot nu toe één," zei Farmer.

"Een is genoeg," merkte Wall op.

"En kijk eens hoe hij jou behandelt," riep Laura, "hij wil niet eens dat je in de buurt van een school komt, omdat je iedereen die je spreekt in verwarring brengt."

"Je bent vooringenomen tegen hem, Laura," merkte Farmer peinzend op, "bijna even erg als de professoren. Zij dreigden gezamenlijk ontslag te nemen, maar toen ik deze directeur aanstelde gaven ze hun verzet heel edelmoedig op. Liever dan hun leerlingen over te leveren aan mensen als hij, hebben ze ermee ingestemd op hun post te blijven. Maar ze vergissen zich nog steeds. De nieuwe directeur boekt prachtige resultaten.

"Ik ben de enige die er onder te lijden heeft — ik wil mensen anders laten denken en de manier waarvan ik zeker weet dat het de beste is, daar wil niemand aan. Ze zeggen dat het te lang duurt en vervelend is. Maar zullen echt anders moeten gaan denken. Ze kunnen niet voorkomen dat ze op een of andere manier in de derde dimensie gaan geloven, en dan zullen ze overal anders over denken."

"Dat is precies wat ik al gedacht heb," zei een van de priesters, "Dhr. Farmer denkt anders dan de rest van ons, hij heeft zichzelf zolang geoefend in zijn systeem, dat dingen die ons verbazen voor hem heel vanzelfsprekend lijken. Ik heb hem vaak willen vragen wat hij werkelijk bedoelde met zijn aanval op ons tijdens de vergadering in het Orbiase paleis."

"Dat had beter niet gezegd kunnen worden," antwoordde Farmer.

"Helemaal niet, het interesseerde ons zeer, maar we begrepen niet hoe we ervan beschuldigd konden worden dat we teveel belang hechten aan het lichaam als we alleen aan de ziel proberen te denken."

"Dat is nu juist uw fout," zei Farmer, "het is onmogelijk om alleen aan de ziel te denken. Je kunt geen wil bedenken zonder natuurlijke processen waar die op kan inwerken, die duidelijke resultaten teweegbrengt. Als alles zomaar gebeurt kan ik me niet mezelf voorstellen als iemand die een wilsdaad verricht. Vandaar dat de ziel in verband staat met het lichaam. Dat geldt ook voor u en als u dat niet goed begrijpt, zit daar de fout. Het is onmogelijk een wezen te bedenken dat kan willen en handelen, zonder een wereld van dingen die niet willen en voelen en waarmee dat wezen duidelijke resultaten teweeg kan brengen. Sommige mensen zeggen dat je je geen wereld voor kan stellen zonder geest.

Kleur bestaat niet tenzij er een wezen met bewustzijn is, enzovoort. Maar in mijn ogen is dat argument niet afdoende — bovendien leidt het tot idealisme en idealisme is de enige volstrekt heilloze soort filosofie. Welke andere manier van onderzoek je ook kiest, soms kun je een nieuw idee krijgen, maar idealisten zijn zo druk bezig met steeds maar weer bewijzen dat het bestaande een manifestatie is van de ideeën die ze hebben, dat ze onmogelijk een nieuw idee kunnen krijgen."

"We zullen afstand nemen van de idealisten," zei de priester, "ik biedt ze u aan als een zoenoffer als u me vertelt wat uw bezwaar tegen ons is."

"Iedereen," zei Farmer, "kan vanuit twee standpunten beoordeeld worden, het ene wat betreft het werk dat hij verricht en het andere de manier waarop hij zich gedraagt. We kunnen tekortkomingen in zijn gedrag vergeven als hij zijn werk goed doet. De ziel zou dus ook op die twee manieren beoordeeld moeten worden."

"Wij denken dat het uitermate belangrijk is dat iedereen zijn ziel plooit naar de nauwgezette vervulling van zijn plicht."

"Ja," antwoordde Farmer, "maar dat betekent dat zijn plicht uit een of andere hoedanigheid moet blijken en niet als heel gewoon en zomaar iets doen. Het feit is dat we op uw manier helemaal geen onderscheid tussen lichaam en ziel kunnen maken. We hebben dus individuen die van nature twee aspecten hebben, die u lichaam en ziel noemt, maar het is onmogelijk ze in die twee bestanddelen te scheiden. Als we over de ziel denken moeten we dat doen als over een nieuw individu dat zowel geestelijke als stoffelijke banden heeft. Ik denk dat het een heel klein wezentje is dat uw lichaam leidt en stuurt, zoals uw lichamelijke vorm een machine zou leiden en sturen. Onze ziel snelt langs deze onmisbare wereld en doet dat door middel van ons lichaam. Het is niet eerlijk, het is ontmoedigend om te veeleisend te zijn over de precieze manier waarop zij hun machine besturen. Nou vraag ik u, zijn we niet allemaal beter af nu er kennelijk een echt karwei is waarbij onze zielen samen druk doende zijn om de baan van onze planeet af te buigen?"

"Ik denk dat ik geen zier beter af ben," zei Laura, "toen ik gisteren in de Kathedraal was en alle anderen zich probeerden voor te stellen dat ze een engel waren die omhoog zweefde, dacht ik dat ik een zwart duiveltje was dat omlaag viel."

"Laura," zei Farmer bezorgd, "voelde je je dan niet afschuwelijk onrustig?"

"Nee," zei Laura, "ik voelde me zo soepel en snel omlaag vallen dat ik bang werd en weggegaan ben."

"Ik denk dat wij niet wezenlijk van u verschillen," zei de priester, "maar gezien wat wij weten over de menselijke natuur moeten wij rekening houden met veel dat u over het hoofd ziet."

Farmer had rustig gesproken maar inwendig werd hij steeds verontwaardigder. Hij besefte dat hij radicaal anders was dan Lukas. Alle kwaad in de wereld schreef hij toe aan het opleggen van valse idealen. Hij maakte aanstalten om te vertellen wat er op zijn hart lag en zijn vrienden te laten weten wat hij werkelijk dacht. Maar er was iets dat hem tegenhield. Door de aanwezigheid van Lukas en Percival werd hij zich bewust van zijn eigen lompe en merkwaardige dwaasheid. Deze "religie" van Lukas was zoiets krachtigs, zo onverklaarbaar en taai, en die liefde van Harold was ook zo sterk, dat ze niet ingeperkt of een bepaalde plek in de wereld toegewezen kon worden. Wie was hij om regels uit te vaardigen voor een wereld waarin dit soort dingen voorkwamen? Hij volstond met te zeggen, "misschien zie ik wel een heleboel van de menselijke natuur over het hoofd, dat lijkt heel erg op wat jij ooit tegen me gezegd hebt, Harold, ja toch?"

Maar Harold gaf geen antwoord. Na de woorden van Laura, moest hij daar de hele tijd aan denken. Hij wist dat hij zich, zelfs een aards onmens zoals hij, ook zou voelen alsof hij naar de hoogste hemel omhoog zweefde als zij van hem en hij van haar zou zijn. En als ze werkelijk van Forest hield, zou ze dan ook zo gesproken hebben? Denken een zwart duiveltje zijn, was niet iets voor een verliefd meisje.

Farmer drong niet aan op een antwoord, maar bleef zich tot Lukas richten.

"Ik heb alles ontleend aan het beschouwen van onbezielde dingen en wat ik zou kunnen zeggen over de menselijke natuur stelt niet veel voor. Maar ik heb het idee dat u aanmatigend bent als u beweert dat u de menselijke geest kunt sturen, als u zich niet verheft tot het huidige intellectuele peil. Iemand die de bedoeling heeft werkelijk iets te doen, maakt voor zijn werk gebruik van gereedschappen — en het gereedschap voor het denken is de ruimte — alleen als we denken dat de dingen zich in de ruimte bevinden kunnen we daar met ons denken grip op krijgen. De idealen die u ons op wilt dringen ontstaan toevallig en u kiest daar eerder voor omdat ze voldoen aan uw veeleisende smaak, dan omdat ze de werkelijke doeleinden zijn van het menselijk streven. U blijft hangen in het verleden terwijl voor u het zwaard voor het grijpen ligt dat u kunt gebruiken om u een weg te banen naar het weten wat de ziel werkelijk is, wat haar werking is."

"Wat is dat dan voor zwaard dat zo geheimzinnig uit de lucht komt vallen?" vroeg Lukas.

"Dat is nou de driedimensionale ruimte," zei Farmer.

"U bent een echte enthousiasteling," zei Lukas, "maar ik kan geen enkel verband ontdekken tussen een meetkundige uitbreiding en de geestelijke aard van de mens. U hebt het over dingen die geen enkel verband met elkaar hebben. De gevoelens die door de goddelijke maker van de wereld in ons gelegd zijn zijn volstrekt onafhankelijk van ruimte en tijd. Zijn wil wordt onthuld binnen in het hart aan de mensen die de boodschap aanvaarden die Hij de wereld ingestuurd heeft. Ik kan uw wilde en roekeloze zoektocht naar zekerheid begrijpen, dat overkomt iedereen die het pad van het geloof verlaten heeft en, geloof me, wij bedenken geen idealen, eisen niet zomaar wat van de menselijke natuur, maar we spreken Gods wil zoals Hij spreekt door middel van de onfeilbare leider van Zijn kerk."

Laura had aandachtig naar hun gesprek geluisterd en mengde zich er nu in.

"Hr. Lukas, ik vind dat u helemaal niet aardig bent voor oom, hij is zo goed als iemand maar kan zijn."

"Vertel me, Laura," antwoordde hij glimlachend, "wat zou ik dan moeten doen?"

"U weet dat hij niet aan u kan toegeven, dus zou aan hem moeten toegeven en erachter proberen te komen wat hij bedoelt."

"Ik zou al heel blij zijn als hij me niet dom vindt," zei Lukas.

"Wat ik bedoel is heel eenvoudig," zei Farmer, "aan de hand van hun lichaam zoeken wij van alles uit over mensen die we kennen en in deze stoffelijke wereld gaat dat over ouders en kinderen, geliefden en vrienden. U zegt dat er meer is dan zij. Akkoord. Maar waarom zouden we afstand doen van de manier waarop we alles ontdekt hebben wat we weten? De ruimte is veel groter dan we denken.

Als we vertrouwd raken met zoals ze werkelijk is, zullen we de voorwerpen vinden die ten opzichte van ons hoger staan, waarover u ons vertelt en dan zoals ze werkelijk zijn en niet zoals we denken dat ze zijn. We moeten onszelf oefenen om die hogere ruimtelijke dingen proberen te begrijpen en door dat te doen betreden we een prachtige wereld met allerlei nieuwe mogelijkheden. Zelfs de eenvoudigste dingen in de driedimensionale ruimte kunnen in onze ruimte niet getoond worden, behalve door middel van ongerijmde tweedimensionale dingen. Als je wilt weten wat hogere ruimtelijke dingen zijn, moet je de dingen in onze ruimte bestuderen die ongerijmd, onvoorstelbaar en onlogisch zijn, maar je moet je daarin oefenen en dan zal je ontdekken dat deze onlogische verschijnselen in de hogere werkelijkheid wel logisch zijn — dan zal je de enige zekere manier leren om te ontdekken waar de religie zich mee bezig houdt."

"Maar," zei Lukas, "heb ik dan geen gelijk, Hr. Farmer, als ik aanneem dat er geen einde aan de ruimte is, dat die geen eindigheid bevat en eeuwig de ene na de andere ruimte ontstaat?"

"Ja, zonder twijfel," zei Farmer.

"Op die manier zou ik dus nooit iets uiteindelijks kunnen vinden, zou ik nooit God kunnen kennen."

"Natuurlijk niet," zei Farmer, "je kunt alleen dingen bij benadering weten en daar eindeloos in verder gaan."

"Maar hebt u er ooit over nagedacht," vroeg Lukas, "waar dit hele idee over de ruimte afkomstig van is, hebt u er nooit genoeg van gekregen en geprobeerd daar voorbij te gaan? Dat is wat de religie doet.

En omdat een hoger ruimtelijk voorwerp alleen gekend kan worden door ongerijmde verschijnselen in een ongerijmde lagere ruimte, als iets dat ongerijmd, onvoorstelbaar en onlogisch is, kunnen we het object van religie helemaal nooit en in geen enkel ruimtelijk systeem kennen, behalve als iets onvoorstelbaars. Maar onze vermogens beperken zich niet tot ruimtelijke waarnemingen. Door de onmogelijke en, zo u wilt, onlogische beweringen van de religie, kunnen wij de ziel ontvankelijk maken voor iets dat helemaal boven het ruimtelijk inzicht uitgaat. Omdat religie iets is dat de ruimte te boven gaat, moet het een mysterie zijn als wij er op een ruimtelijke manier uiting aan geven."

Farmer antwoordde niet. Met al zijn geestelijke activiteiten was hij toch iemand die uitermate beperkt was en nu werd hij geconfronteerd met een idee dat helemaal nieuw voor hem was.

Hij gaf geen antwoord. Forest verbrak de stilte door te zeggen:

"Laura, het doet me genoegen nu ik weet dat je de zomer gaat doorbrengen in mijn district." Dit plan van haar vader waar ze nu dus onverwacht iets over hoorde, overrompelde Laura.

"Ik heb genoeg van dat deel van het land," zei ze, "ik ken het al zo goed."

Het was natuurlijk volstrekt belachelijk om te praten over genoeg hebben van de prachtigste streek van Astria. En Forest, die bang was dat ze een nog meer uitgesproken bezwaar zou maken, of misschien wel helemaal zou weigeren te gaan, zei haastig:

"Ik denk dat ik je nog iets over het Albaanse Meer kan vertellen dat zelfs jij niet weet. Bedenk maar eens hoe merkwaardig het is een dergelijke hoeveelheid water aan te treffen die zover vooruitsteekt in de vlakte. Het is geen natuurlijk meer, want oorspronkelijk was het een kleine bodeminzinking, maar de boeren hebben ten behoeve van de irrigatie een dam gebouwd, zodat ze in het dal beneden gewassen kunnen telen."

"Maar ze zijn niet erg happig om die met anderen te delen," zei Wall.

"Integendeel, ik vind het juist een redelijk slag mensen als hen de zaken maar duidelijk uitgelegd worden."

"Dan zijn ze heel anders dan ik in andere streken van het land aangetroffen heb, alle problemen komen door de boeren."

"Ik hoop dat u overgehaald wordt om u bij ons aan te sluiten, generaal," zei Forest, die door een plotselinge ingeving de reden begreep van Laura’s afwijzing van de onderneming en waarom ze zich niet verwaardigde ook maar enige bijdrage te leveren aan het ingewikkelde netwerk dat Cartwright bezig was rond zijn dochter te weven. Hij werd beloond met een dankbare blik — hij wist nu zeker dat ze zou komen.

"Dank u," zei Wall, enigszins stug, "ik zal het doen als het kan."

*****

Terwijl hij naar huis terugliep zei hij tegen Beam:

"Als een zegevierende rivaal je zou vragen achter zijn zegekar aan te lopen, wat zou je dan doen Beam?"

"Ik zou zeggen—"

"Ik vroeg je niet wat je zou zeggen, maar wat je zou doen?"

"Ik zou een doodshoofd op een feest zijn."

"Ik zou proberen iets te zijn dat niet zo erg is als dat. Ik zeg je, Beam, dat er in deze stad een meisje is waardoor overal waar ze een stap zet de bloemen opbloeien — als ik haar een keer per dag zou kunnen zien, zouden de boeren niets kunnen doen waar ik me druk over zou maken. Waar zijn je laatste rapporten?"

HOOFDSTUK XVII

DE REIS

Uit de manier waarop Cartwright babbelde met zijn medereizigers zou niemand hebben kunnen opmaken dat hij vol vertrouwen uitkeek naar het moment waarop de een onthoofd en de ander levenslang opgesloten zou worden.

Maar dat was het lot dat hij voor Wall en Farmer bepaald had, en hij legde een grote zorg aan de dag voor hun welzijn, veroorzaakt door de begrijpelijke spijt die hij voelde bij het vooruitzicht dat hij weldra afscheid van hen zou nemen. Gokkers die om een hoge inzet spelen kunnen een onderbreking inlassen en de drie mannen hadden, ondanks hun meningsverschillen, elkaar veel te vertellen en afgezien van de drukkende hitte was er geen enkele vervelend moment. Ze vertrokken laat in de middag en vorderden in rustige etappes; op de tweede dag begonnen ze met de afdaling van de dichterbij gelegen heuvels die uitkeken over de vlakte die ze over moesten steken om de bergachtige streek te bereiken die hun einddoel was.

Na de afdaling bereikten ze een vlak, rotsachtig terrein, met maar een dunne laag grond bedekt, maar beroemd om zijn buitengewone vruchtbaarheid die te danken was aan de watervoorziening uit het Albaanse Meer op de tegenovergelegen helling.

Terwijl ze over die vlakte trokken moesten ze allemaal wel merken hoe uiterst armzalig de toestand van de gewassen was, die nu bijna rijp voor de oogst waren en Cartwright maakte lachend een bedekte toespeling op het nut van dit soort graangewassen.

Forest reageerde niet — hij voelde zich geschokt bij de armzalige vertoning die zijn boeren boden, nadat hij zijn vertrouwen in hen had uitgesproken.

"Het was ongeveer hier," zei Cartwright, "dat een van de schuilplaatsen die ik ontworpen had uitgegraven is."

"Papa," riep Laura, die een stukje voorop liep, "waarom is dit — het klinkt alsof de bodem van metaal is?"

"Je staat op een stuk metaal," zei hij, "een metalen plaat die de ingang van een schuilplaats bedekt."

"Papa, ik heb altijd een van die plekken willen zien,’ zei ze, "kunnen we niet het luik optillen en naar binnen kijken?"

"Wat voor zin heeft dat," zei Cartwright, "mijn broer zegt dat ze nutteloos zijn."

"Helemaal niet, vriend," zei Farmer, "alles heeft zijn nut; op zekere dag kunnen ze nuttig zijn. Door een blind instinct maken de vogels hun nest en dan blijkt het een volledig onverwacht nut te hebben."

"Ik ben het met je eens," zei Cartwright, "vaak gebeurt wat je niet verwacht — we moeten verder, Laura, we gaan er niet inkijken." Hij zei dat op een vriendelijke manier, omdat hij het gevoel had dat Farmer naar aanleiding van het zien van de naargeestige opening wel eens het idee van een gevangenis kon krijgen, maar Laura deed een beroep op Forest.

"Jullie mannen zijn zo sterk,’ zei ze, "zij zouden het uiteinde gemakkelijk op kunnen tillen."

Haar woord was een bevel, de groep hield stil en onder het gras, dat er overheen gekropen was, werd het einde van de plaat gevonden, die na een paar pogingen omhoog kwam. Een voor een kwamen ze naar voren en keken naar binnen.

"Hé, er komt geen eind aan," zei Laura, die luisterde en geen weerkaatsing hoorde van een steen die ze naar beneden had laten vallen.

"Vanaf die schacht strekt de grot zich naar voren en achteren uit," zei Forest, "ik heb gehoord dat ze heel droog en ruim zijn."

"O, Oom," zei Laura, "als u er niet was geweest, zouden we allemaal hebben moeten afdalen in die verschrikkelijke spelonken."

"Toch kunnen ze nog heel nuttig blijken te zijn," zei Farmer, "we zijn in geen geval buiten gevaar. De aardmassa is heel groot en met behulp van de nietige gedachten van de mensen niet eenvoudig in beweging te brengen." Dat zei hij om te voorkomen dat Cartwright zich te zeer beschaamd zou voelen over het feit dat hij dergelijke nutteloze spelonken had laten uitgraven.

"Doe dat afschuwelijke ding dicht, ik hoop dat we het nooit meer open zullen maken, nooit meer," zei Laura.

"Je zou er nog wel eens heel blij mee kunnen zijn," hield haar oom aan.

Het was voor de hele groep een opluchting toen het luik weer dichtviel. In de heldere wereld, de stralende zon, de bries die haar geuren vervoerde en het hele schouwspel van het weelderige gewaad van de natuur voor hen uitgespreid, met de gedachten van eeuwen versmolten in hun geest, hun hart afgestemd op liefde en mededogen, hoop en vastberadenheid, — hoe kon het dan gebeuren dat een toevallige nabijheid van een of andere verre, inerte massa zo bedreigend kon zijn dat het zou kunnen noodzaken tot een afdaling in die afgrond, een gedwongen afzondering in die afschuwelijke en onzekere schuilplaats!

De rustplaats voor de nacht was vlak in de buurt en daar had Forest een bijeenkomst geregeld met de inspecteur die als taak had rapport uit te brengen over de hoeveelheid graan die het district voor dat jaar zou leveren.

De inspecteur maakte zijn opwachting vergezeld door meerdere boeren, met een stuurse gezichtsuitdrukking. Het bleek dat er in het hele district maar heel weinig graan was, afgezien van de kleine hoeveelheid die nodig was om de behoefte van de bewoners te dekken.

"Sir," zei de inspecteur, "deze mensen hebben allerlei verontschuldigingen gemaakt, maar alle omstandigheden zijn gunstig geweest voor een goede oogst."

Forest ondervroeg de onwillige getuigen en ontlokte hen al gauw de bekentenis dat ze hun akkers niet ingezaaid hadden — ze zagen geen reden waarom ze voor niets zouden werken en hadden alleen voor eigen behoefte gezaaid.

Boos en overhaast verklaarde Forest geërgerd dat hij al het graan dat ze hadden in beslag zou nemen.

"Waar moeten wij dan van leven?" vroegen ze.

"Jullie kunnen leven op wortelen en bessen, volgend jaar beter," zei hij en stuurde de koppige mannen weg.

"Kom, Forest," zei Wall, "verknoei je reis niet voor zoiets onbenulligs, ik heb je verteld dat ze op allerlei streken zinden, neem deze luchthartig op en laten we ons voordeel doen met jouw populariteit."

"Ik moet erover nadenken," zei Forest, "morgen is er nog tijd genoeg."

Maar de dag daarop, toen de voorbereidingen getroffen waren voor een vroeg vertrek, merkte Wall op, "ik hou hier niet van Forest. Kijk zover als je kan vooruit, geen levend wezen te bekennen."

Het was waar — zover als het oog reikte steeg nergens rook omhoog en was geen mens te zien.

En terwijl ze stonden te kijken, ving hun oog op de tegenoverliggende helling in de verte een zilveren schittering op.

"Dat is water," zei Forest, "het meer stroomt over."

"Erger nog," zei Wall, toen dat witte zich verspreidde.

"Ik denk dat die schoften de dam opgeblazen hebben," zei Forest, zijn ogen strak in de verte gericht.

En dat bleek zo te zijn. Microscopisch klein in de verte, maar met een onvoorstelbare snelheid naderde een golf — een verterende en verzwelgende golf, die alles wegvaagde wat op haar weg kwam. Geen enkele snelheid kon hen in veiligheid brengen op de heuvels achter hen. Een plotselinge dood staarde hen aan.

Zich bewust van het gevaar en hoe hopeloos het was, keerde Forest zich naar Laura.

"Ik heb je hier naartoe gebracht," zei hij, "jij, voor wie ik duizend doden zou willen sterven."

"Mej. Cartwright moet toch een keer doodgaan," merkte Wall op, "laten we intussen zo dicht mogelijk in de buurt van de heuvels proberen te komen."

Toen ze over de ondergrondse ruimte heen renden, bleef hij stilstaan.

"We zouden hierin kunnen schuilen," zei hij, "als we zeker zouden weten dat we er ooit weer uit kunnen."

"Laten we het water erin leiden," zei Laura.

Ze liepen er overheen en toen zette Wall een stel soldaten van de gewapende geleide aan het werk. In een paar tellen was het luik dat de opening bedekte losgewrikt en in de diepte gegooid.

Laura was stil blijven staan en keek naar de mannen die aan het werk waren. Wall smeekte haar op te schieten.

"Ik wil kijken," antwoordde ze en bleef net achter hem staan.

De enorme golf kwam brekend aanrollen en het schuim spatte tot hoog boven hun hoofden — sprong op hen af, maar verdween in de wijd gapende afgrond. Alleen de golfkam sloeg om en wierp hen in een verwarde kluwen neer.

Op dat moment van een naderende dood, die hen opeens bedreigde en zo snel weer was afgewend, kwam een heerlijk gevoel van nabijheid over zowel Harold als Laura heen. Als alleen de elementen hen in elkaars armen hadden geworpen zou geen misverstand hen hebben kunnen scheiden. Maar golven zijn blind. De krachten van de natuur moeten verder rollen en Farmers filosofische uiteenzettingen waren nog niet afgelopen. Vandaar dat de kwaadaardige elementen deze arme platte wezens op een verwarde hoop gooiden en Laura zich aan de eerste de beste die ze tegenkwam vastklampte en Forests arm vastgreep. Toen het gele water teruggezogen was in de afgrond waarin de vloed vanuit de verte zich bulderend omlaag bleef storten, zag Wall hoe zij door iemand anders weer teder tot leven gewekt werd. Die aanblik was teveel voor hem en hij haastte zich terug naar de stad.

HOOFDSTUK XVIII

DE HOOFDREDACTEUR

Cartwright had zijn inspanningen gericht op het kneden van de publieke opinie, omdat hij van mening was dat dat de zekerste manier was om weer een rationele regeringsvorm te krijgen en zelf aan de macht te komen. De tijd naderde waarop de astronomische observaties met betrekking tot de baan van Astria aan het publiek meegedeeld zouden worden. Met het oog daarop had hij in gezelschap van Lake een vertrouwelijk onderhoud met de hoofdredacteur van de meeste gelezen krant in Persepolis.

"Verspreid over elke gemeenschap," zei Cartwright, "is altijd een bepaalde hoeveelheid intelligentie aanwezig."

"Ja," zei de hoofdredacteur, "daar doen wij een beroep op."

"Godsdienstoefeningen," zei Lake, "die niet in overeenstemming zijn met de vroomheid van hen die ze uitvoeren, zijn buitengewoon ergerlijk."

"Mijn redactie is wat dat betreft eensgezind," zei de hoofdredacteur.

"Bovendien," merkte Cartwright op, "een verstoring van alle werkzaamheden, een ontwrichting van alle handel en nering, kunnen alleen geduld worden als de resultaten onmiddellijk en schokkend zijn."

Enige tijd zwegen de drie mannen en ten slotte merkte de hoofdredacteur op:

"De tijd lijkt rijp voor actie, maar het gevaar bestaat altijd dat onze publicaties opnieuw opgeschort worden."

"Ja," zei Cartwright, "het zal nodig zijn voorzichtig te beginnen, maar de mensen zullen niet opnieuw dulden dat de kranten verboden worden. Zulke gewelddadigheden zouden alleen maar willekeurig en incidenteel kunnen zijn. Als de hele Pers eenstemmig is, kan ze zeggen wat ze wil en bovendien heb ik een fonds ingesteld dat individuele eigenaars tegen verlies zal verzekeren."

"Ik zie een grote tijd aanbreken voor de journalistiek," zei de hoofdredacteur fel.

"Ja," zei Cartwright, "de bijzondere talenten van de journalist kunnen nu ingezet worden ten gunste van het land."

"Je zou," zei Lake, "je schrijvers meteen aan het werk moeten zetten om het onderwerp van Farmers theorieën te bestuderen."

"Je onderschat hun talent," zei de hoofdredacteur, "ze weten genoeg om elk onderwerp in een krabbel duidelijk te maken, doorwrochte artikelen hebben geen invloed op de publieke opinie."

"Lake," zei Cartwright, "je hebt een verkeerd idee over literatuur. Als mensen iets lezen, doen ze alleen maar hun eigen ideeën op in een andere samenstelling of netjes geïllustreerd. Welnu, Farmers idee is, afgezien van dat het onjuist is, een nieuw idee, het is nog nergens in druk verschenen, dus we zullen het helemaal op onze eigen manier kunnen doen. Het hele bedrog moet in het belachelijke getrokken worden."

"Wanneer zullen we beginnen?" vroeg de hoofdredacteur, handenwrijvend.

"De precieze berekeningen van onze situatie zullen binnen een maand klaar zijn," antwoordde Cartwright. "Tot die tijd vage toespelingen en verhuld sarcasme. Na die tijd, ontslag, het hele bedrog zal ontmaskerd worden en het leger zal afstand nemen van de avonturier; ter wille van zijn eigen goede naam zal het hem niet kunnen steunen, de aard van zijn misdaden zullen aan het licht komen."

Zo werd alles voorbereid. Maar de pijl van dat belachelijk maken brak opeens!

*****

Uiterst nauwkeurige observaties die dagelijks gedurende twee jaar werden uitgevoerd, werden aan een hoogst minutieus onderzoek onderworpen en met de grootste zorgvuldigheid uitgewerkt door deskundige rekenaars. En daaruit bleek dat de baan van de planeet een aanwijsbare fractie van een graad was afgeweken. Aangetoond, zichtbaar gemaakt, duidelijk gemerkt alsof er met een vinger op was gewezen, onthuld door hun gewijzigde koers in de ruimte, werden zij zich allemaal bewust van hun gemeenschappelijke wil. Het was alsof een ziel zich bewust werd van haar belichaming in een lichamelijk geheel. Opgewonden vreugde, de wonderbaarlijke, de onverklaarbare kracht van het bewegen — dat was over Unæa heen gedaald. De bewoners van Astria wisten dat in hun met elkaar samenwerken, een wezen dat het oversteeg, zijn eigenmachtige koers was ingeslagen.

De rijen van het gezonde verstand schrompelden ineen, het platform van de deskundige mening werd weggevaagd.

"Eppursi muove,(Galileo, En toch beweegt ze)" de grootse woorden, die het begin van het begrijpen van het leven markeerden, hetzij intellectueel, hetzij fysiek, hadden geklonken en deze planeet en alles wat zich daarop bevond, zwenkte naar haar nieuwe baan.

Cartwrights journalistieke campagne, zo omstandig voorbereid, was al mislukt voor ze begon. De verplaatsingen en bewegingen waar de astronomen zich mee bezig hielden, waren echter zo gering dat sommige deskundige critici staande hielden dat het hele resultaat dubieus was, en te wijten was aan fouten bij het observeren. Maar dergelijke muggenziftende stemmen kregen geen gehoor, om twee redenen:

In de eerste plaats begon de winter, die anders inviel met een enorme koudegolf, mild en aangenaam en in de tweede plaats vond er bij de mensen een verandering van denken plaats.

Deze uiterst reële en levende ruimte, die wij kennen, kan worden beschouwd als een voorbeeld van de wetten van samenwerking en verandering, en haar eigenschappen kunnen worden afgeleid uit de algebra, of ze kan gewoon als ruimte worden gezien en er kan van worden gehouden ter wille van de ruimte zelf. De geest kan haar steeds vollediger begrijpen in haar directe complexiteit, met een weten uit de eerste hand dat ze werkelijk bestaat, zelfs als daar de zin aan wordt ontnomen door haar uitgestrektheid in alle richtingen.

Maar wie zal zeggen wat het beste is? De magie van de algebra of de liefde voor de ruimte?

Maar hoe dan ook, in Astria gebeurde het dat alle beoefenaars van de combinaties van een, twee en drie, en alle ontwerpers van alle mogelijke configuraties die vanuit abstracte principes in deze hogere ruimte konden optreden, er niet in slaagden om in de theorie van Farmer enig houvast voor de werkelijkheid te vinden.

Maar onder de mensen die hadden geleerd om met behulp van modellen de aspecten en zienswijzen van de hogere werkelijkheid zichtbaar en tastbaar te maken, waren een aantal die, door een soort innerlijk ontwaken, opeens wisten wat de derde dimensie was.

En deze mensen, die liever voelden, dan dat ze over die hogere ruimte redeneerden, beseften in het diepst van hun hart wat deze arme zwervers in een land van twee dimensies nooit konden zien of aanraken — de eigenlijke aard van bewegende en werkende driedimensionale dingen — zaken die zij in hun platte voorstellingsvermogen niet anders konden begrijpen dan dingen die op elkaar volgden. En met dat weten van hun diepste gevoel, zagen zij bij het onderzoek van de minutieuze en verborgen processen, die zich in de natuur afspeelden, een patroon en voorbeeld, die hun geheimen ontsloten.

Ze ontdekten dat vele merkwaardige en onverklaarbare resultaten, sfinxachtige wetenschappelijke raadsels, de meeste eenvoudige en te verwachte gevolgen waren van de bewegingen die zij innerlijk teweegbrachten. We zien heel duidelijk dat als de desbetreffende deeltjes klein genoeg zijn, de bewegingen, zelfs in Astria, driedimensionaal moeten zijn, want de dingen bestaan echt, en al zijn ze in de derde dimensie klein, ze zijn niet zo klein dat ze helemaal verdwijnen. Zo was de grondige kennis van de derde dimensie de sleutel die het mysterie van het hele kleine ontsloot. En zo, magnifiek gegidst tussen wat sommigen als gigantische waandenkbeelden zouden noemen en grote vergissingen door, gleed het gedegen schip van Het Denken veilig de haven binnen.

Farmer volgde het werk van de jongere generatie met belangstelling, maar ook met een steeds intenser gevoel van zijn eigen onmacht. Voor hem leek het alsof de mens de gezegende vonk van de rede loochende, want alle dingen die hij in zijn lange jaren had kunnen ontdekken waren ontdekt door anderen, die in jaren voor hem nog kinderen waren. Hij verliet de drukke stad en de mensenmenigten en, deels gekwetst, deels met plezier, maar helemaal verheugd omdat het gevaar voor de dierbare wereld nu geweken was, wijdde hij zich aan zijn tuin in het verre Scythia. Die rebelse en vijandige geest vergat haar worstelingen en wisselvalligheden bij het kijken naar de kleine groene parels die uit de donkere aarde omhoogsproten.

HOOFDSTUK XIX

OPNIEUW OP DE EENZAME BERG

"Je hebt meer kleur in je gezicht, Laura, je bent een ander meisje dan een week geleden." Vanaf de hellingen van de Eenzame Berg strekte zich een prachtige vlakte uit en de scherpe herfstwind blies zonder enige zweem van aarzeling of vermoeidheid.

"Oom, u bent aardiger voor mij dan wie dan ook," zei Laura.

"Schat," zei de oude man, "daar heb ik een reden voor. Je kwam en in mijn eenzame en moeizame afzondering wierp jij je genegenheid om me heen — schat, ik kan je niet zeggen hoe die me omhulde en heilzaam voor me was."

"En ben ik nog enigszins van pas gekomen? U bent zo aardig en goed en ik heb zoveel rust hier. Thuis willen ze heel vriendelijk voor me zijn, maar er ligt een soort van druk — en hier ben ik als een van uw bloemen waarvan u de blaadjes openmaakt. Het is zo rustig en vredig hier."

Toen Laura deze tweede keer zijn eenzaamheid kwam verbreken, verwelkomde Farmer haar op een heel andere manier dan de eerste keer en toen hij zich afvroeg waarom ze hem op kwam zoeken, gaf haar bleekheid hem redenen te over om te geloven dat het was zoals ze zei — de plattelandslucht en de rust en dus sprak hij tegen haar en wachtte af tot zij uit zichzelf wat zei.

"Ja," zei hij, "voor deze rust heb ik al mijn geploeter achtergelaten. Ik voelde me beschaamd toen ik merkte dat zelfs beginners meer wisten over wat ik uit zou moeten leggen dan ik en mij meer konden vertellen dan ik ooit had gedroomd. Samenwerken is iets prachtigs en door elkaar te helpen gaan ze al gauw iemand die alleen werkt voorbij. Er is een grote rust over me gekomen en ik zie hoe de wereld voortsnelt naar verbazingwekkende ideeën die ik niet kan volgen. En als ik mijn bloemen zo prachtig zie bloeien, glijdt die oude weerstand uit me weg. Je weet toch nog wel hoe ik meestal praatte?"

"Ja, Oom."

"En Harold vertelde me dat ik van buitenaf oordeelde en dat ik, als ik de problemen van andere mensen had, precies hetzelfde als zij zou doen, weet je nog?"

"Ja," zei Laura.

"En toch zat er iets in, in wat ik voelde. Kan het dat je de tekortkomingen voelt in wat andere mensen zeggen zonder dat je daar iets voor in de plaats kunt stellen?"

"O ja, maar u bracht iets anders in."

"Nee, Laura, alleen de manier om iets anders te ontdekken. Ik was boos op hen vanwege de manier waarop zij dachten. Maar ze probeerden echt iets anders te doen dan denken. Ik zal je iets vertellen.

Hier in de buurt is een grot, diep onder de grond — je hoeft er niet naar op zoek te gaan, want je kunt die toch nooit vinden — maar het is een diepe grot en als ik erin afdaal betreed ik een donkere rust en daarna, als ik gewend ben aan het donker, zie ik een nieuwe uitgang, een toegang naar een andere wereld. Ik zal je daar wat over vertellen. We denken allemaal over dingen, onszelf en elk voorwerp en wezen, als iets dat op zichzelf bestaat, waarvan, als touwen die ze met elkaar verbinden, verbindingen naar andere dingen of mensen uitgaan. Bestaan, zoals wij daarover denken, is bestaan op zichzelf.

Maar als ik vanuit mijn grot kijk, zie ik een andere wereld, de wereld van bestaan voor de ander. Dat is de echte wereld, Laura! Er is niet zoiets als bestaan op zich, alle bestaan is bestaan in en voor anderen.

Als we liefhebben, Laura, is het niet zozeer dat we iets doen, maar dan ontdekken we het bestaan zelf — liefde is niet iets dat al dan niet komt, maar het is het proeven van het bestaan. Hoe kunnen mensen dat tonen door te denken? Ze zouden helemaal niet moeten denken, want de enige manier waarop zij kunnen denken is ideeën vormen over bestaan op zichzelf, over afzonderlijke dingen."

"Maar, Oom, als we niet over de dingen zelf kunnen praten, zou het heel moeilijk zijn om iets te zeggen."

"Wat voor zin heeft het iets te zeggen? Daarom ben ik zo gesteld op die gewetenloze geliefde van je. Harold zegt niets, hij doet iets."

"Hij is niet gewetenloos, Oom."

"Laura, je weet heel goed dat als hij niet begreep wat ik zei en niet wist of het waar was; het meest voor de hand liggende wat hij had kunnen doen was mij op een gewone manier een kans te geven en een onderhoud met mij te hebben. En wat deed hij? De Ouden vergeleken liefde met krankzinnigheid — sommigen worden daardoor beïnvloed in hun uiterlijk optreden, anderen worden er innerlijk door aangetast, zonder dat er een uiterlijk teken van onrust is. Bij Harold werkte het op die laatste manier, hij ging zijn gang zonder het geringste teken van wroeging. Hoe kun je het anders verklaren?"

"Ik begrijp niets van Harold," zei Laura, "hij doet altijd precies het tegenovergestelde van wat ik verwacht."

"Vanwege jou, Laura, werd hij innerlijk zo hevig aangegrepen, omdat jij voor hem stond voor alles wat goed was — jij, mijn kind, liet hem zien waar de wereld werkelijk behoefte aan had. Is er nadat jij een beroep op hem deed ooit één moment geweest, waarop hij niet zo snel en doeltreffend mogelijk aan de slag ging om te verwezenlijken wat jij hem vertelde?"

"Was ik dat voor hem?"

"Laura, niet alleen jij en niet alleen hij. Je hebt geen idee wat voor macht overal ter wereld in broze en onwetende handen ligt. Soms denk ik wel eens dat die kleine wezentjes die ons lichaam leiden en sturen voorgevoelens en een vooruitziendheid hebben waar we niets van weten en dat een stem uit het verborgene van de dingen hem door zijn liefde voor jou opriep om te werken aan het redden van de wereld. Maar wat, Laura, wat beteken jij voor Forest? iemand die hij wel kan krijgen, maar alleen de meeste begerenswaardige uit zovelen. Vrolijk en opgewekt kan hij met je praten, je belangstelling wekken, je vermaken, zijn lichtvoetige geest kan met je in de pas blijven. Maar is dat alles? Kijk verder. Stel je voor hoe jij en Harold samen op een eenzame heuveltop staan, met de lucht en hemel overal om jullie heen, waar niets anders is dan de natuur en jullie twee. Stel je voor wat hij tegen je zou kunnen zeggen, hoe hij zegt, ‘Laura, er is iets diepers en stevigers dan deze hele aarde, het wezen dat alles maakt, dat alles beweegt, dat mij tot jou brengt’— hij zou vast en zeker een snaar in je hart raken."

Laura herinnerde zich het moment waarop ze samen met Harold naar de naderende golf stond te kijken en die gelukzaligheid van dat ene moment ,oog in oog met het niets, daalde weer over haar neer.

"Oom," zei ze, "ik vraag me af of u ooit getrouwd bent geweest."

"Mag ik hem schrijven, mijn kind," antwoordde hij, "hem laten weten dat je hier bent?"

"O, nee," riep ze uit, "nee, als u dat doet ga ik meteen weg."

"Ik stelde je die vraag alleen om je voor te bereiden, Laura," zei de oude man triest. "Toen hij wist dat je hier was heeft Harold me meteen geschreven en liet weten dat hij kwam. Hij zal over een uur hier zijn. Maar ik wil hem niet zien. Sinds jij afstand van hem hebt genomen kan ik het niet aan hem te ontmoeten. Zeg hem dat ik ziek ben — dat ik me niet lekker voel. Verontschuldig me; ik verwacht niet dat hij me wil zien." En nadat hij dat gezegd had, slofte de oude man het huis in en liet Laura glimlachend achter op het gras.

HOOFDSTUK XX

APOLOGIE

Zonder enige twijfel heeft de lezer zich zitten ergeren over de overbodige rijkdom aan persoonlijke details waarmee de voorgaande bladzijden overladen zijn. Dat is de tekortkoming van de historicus.

Het is zijn plicht een veelheid van gebeurtenissen en voorvallen de revue te laten passeren. Het is goed voor hem als ze zijn belangstelling wekken, maar hij zou zich door die belangstelling niet moeten laten meeslepen en het publiek daarmee lastig vallen.

Want wat de lezer wil weten is de uitwerking van hun ontdekking op de gedachten en meningen van de Unæërs — de totale verandering die erdoor teweeggebracht werd. Dat kan het best geïllustreerd worden met een mythologie die opeens bij hen opdook. Net als andere volkeren schiepen de Unæërs mythologieën die, hoewel ze geen wetenschappelijke waarde hebben, toch van onschatbaar belang zijn om een beeld te geven van de gedachtegang en de opvattingen van een volk. Want in de mythologie worden de principes en werkwijzen die rechtmatig ingezet en gebruikt worden met betrekking tot het nabije, geprojecteerd en wordt aangenomen dat het geheel, de totale geschiedenis van het Universum, zich volgens hetzelfde patroon voltrekt. In de mythologie die bij de Unæërs ontstond na de ontdekking van de derde dimensie, bleef dat in wezen belangrijkste feit in de ervaring van elk mens — het onderscheid tussen het grote en het kleine — op de eerste plaats staan. Het verschil tussen het grote en kleine werd gezien als iets basaals en fundamenteels en vormde als het ware het uitgangspunt van hun waandenkbeelden.

Dit is de mythologie:

In den beginne, zeiden de Unæërs, waren de mensen driedimensionaal, ja, zelfs meer dan dat, met een overvloed aan dimensies en alle macht, vermogens en eigenschappen, en leidden een gelukzalig leven met alles dat hart of geest maar kon wensen.

Maar ze waren nietig. Nietig in een uitgestrekt universum. Om als een kleine familie, die op een heuvel leefde, te kunnen liefhebben, zingen en genieten, helemaal gelukkig en tevreden te zijn, moesten ze zwoegen en ploeteren om de overstromingen, de gure omstandigheden van de seizoenen en de gevaren van de natuur bedwingen. Dus omdat ze onbeduidend waren in een uitgestrekt Universum moesten deze schitterende wezens gevaar en problemen het hoofd bieden. De inspanningen van elk individu op zich waren gering en ondoelmatig en daarom sloten zij zich aaneen, verenigden hun inspanningen, vormden organismen die door hun volmaakte handelen en de precieze en voortreffelijke manier waarop zij functioneerden niet louter een samengesteld geheel werden, maar een nieuw individu. Elk van die individuen betekende enkel en alleen door het feit dat het bestond, gewoon doordat het aanwezig is, de bescherming, waarborg en verzekering van het gelukkige, grootse leven van zijn samenstellende delen en scheppers. En elk van hen begon, dankzij zijn heelheid en volmaaktheid, een leven van nieuwe ervaringen, betekenis en nieuwe gevaren. Want om deze nieuwe wezens, nieuwe individuen, breidde zich het uitgestrekte Universum uit. Het gevaar was niet voorbij, maar lag op een andere manier op de loer. De taak om zich te organiseren was niet voorbij, maar had een andere omvang aangenomen en vereiste andere middelen. Toen ontsproot vanuit het leven daar binnenin, vanuit dat gelukkige leven, boordevol krachten en activiteiten, de gedachte, het plan, de scherpzinnige waarneming, het begrijpen van de principes die het nieuwe individu het vermogen gaven om deze nieuwe, vreemde en grotere gevaren het hoofd te bieden.

En zo volgden, cyclus na cyclus, inspanning en resultaat elkaar op. Maar zelf bleven de volmaakte en gelukkige organismen, die een gelukzalig leven leidden, dat de voltooiing betekende van een periode van inspanningen, nietig, onbeduidend en blootgesteld aan gevaren in een uitgestrekt Universum.

En, zeiden de Unæërs, ons lichaam is slechts een stadium in dit zich steeds uitbreidende beschermingsgebeuren. Het ontwikkelingsproces verloopt in één richting, duurt eeuwig en is de verovering van het grote door het kleine. Binnen het lichaam vinden processen plaats die alles overtreffen, wat door de menselijke vindingrijkheid bedacht kan worden. Daarbinnen bevindt zich een daarmee evenredige intelligentie en, in overeenstemming met het volmaakte functioneren, een innerlijk geluk en het lichaam bestaat om dat te beschermen. Maar zelf zijn de mensen nietig en moeten zich in het uitgestrekte Universum ter bescherming aaneensluiten, moeten groepen vormen waarin de kracht van de gecoördineerde actie, een herhaling is van de kracht van de gecoördineerde actie van een individu. In de plicht, moed en trouw van het individu ligt de samenhang van de Natie, die slechts als een organisme bestaat, dankzij een hogere orde van handelen van de individuen die haar samen vormen. En dus dankzij krachten, emoties en eigenschappen die veel verhevener zijn dan die waarvan hij zich bewust is in zijn individuele bestaan, komt het individu tot stand. Zoals hij maakt, wordt hij gemaakt.

Tot zover hun mythologie. Hoe kwamen de Unæërs daarbij? Dat was het volgende. Opeens ontdekten ze dat de vraag die gesteld moest worden over de bewegingen, over de verschillende soorten processen die in de natuur plaatsvinden, niet "hoe komen zij vanuit rust tot stand?" was, maar, "hoe komt het dat driedimensionale processen en bewegingen zodanig veranderd en ingeperkt worden dat ze de bewegingen teweegbrengen die wij zien?"

Dus achter wat naar hun ervaring eenvoudig was, vonden ze iets ingewikkelders. Als ze alle voorwerpen en vormen uit hun hoofd zetten, dachten ze alleen aan Ruimte, gewoon Ruimte voor iedereen. En deze Ruimte, deze keuzemogelijkheid, was een tweedimensionale Ruimte. Maar ze ontdekten dat deze tweedimensionale loutere leegte niet bestond, dat die gevormd werd door werkelijke dingen en alleen mogelijk was op basis van iets werkelijks. Dat in een platte wereld leven een oppervlak betekende waarop zij zich bewogen; en dat betekende weer het bestaan van een hele reeks fysische verschijnselen die hen onbekend waren. Ook hier zat weer iets ingewikkelds achter.

Zodoende verdween de hele opvatting van een homogene, uitgebreide materie waaruit dingen afgescheiden werden — en werd de vraag, "hoe komt het dat wij in deze oneindig ingewikkeldere, werkelijkere driedimensionale wereld de indruk krijgen van eenvoud en eenvormigheid — onze tweedimensionale eenvoud?"

Omdat ze merkten dat het gemakkelijk was — en in feite de juiste manier — om over dingen te denken door te veronderstellen dat ze opgebouwd waren uit iets eenvoudigs, waren ze tot de conclusie gekomen dat deze uitbreiding van dit eenvoudigs, zich buiten henzelf bevond. Ze hadden hun manieren van denken geprojecteerd en aangenomen dat het Universum daaruit gevormd was.

Toen ze daarna hun gedachten op zichzelf richtten, moesten ze wel toegeven dat achter hun bewust verwerkelijkte zelf nog iets ingewikkelders zat. En toen ze dat idee probeerden te bevestigen, merkten ze dat ze over driedimensionale dingen konden denken. Toen ze dat een eerlijke kans gaven, ontdekten ze dat het denken aan dingen en bewegingen in de driedimensionale ruimte natuurlijker was dan hun oude denken over tweedimensionale dingen. In zichzelf troffen zij een denkvermogen aan dat voor altijd en volledig hun oude opvatting verving, namelijk zichzelf en hun geestelijke vermogens proberen te verklaren door hun verband met hun omgeving, de omgeving, dat wil zeggen waarin hun lichaam zich bewoog. Ze zagen in dat ze voordien de betekenis van hun bestaan verkeerd begrepen hadden. Ze waren niet op een of andere geheimzinnige manier ontstaan door de onderlinge wisselwerking van organisme en omgeving, maar waren zelf de actieve scheppers. Hun taak was het aftappen van de krachten van het leven van binnenuit, zodat ze de problemen van het Universum dat zich ver om hen heen uitstrekte het hoofd konden bieden. Van binnenuit, vanuit het prachtige intellectuele- en gevoelsleven, haalden ze hun begripsvermogen, haalden ze de principes waardoor hun wetenschap gelijke pas liep met de problemen van de grotere wereld om hen heen, en van binnenuit haalden ze ook de principes van eendracht, medegevoel en persoonlijke bezigheden waardoor hun sociale leven intenser, krachtiger werd.

Bij het denken over zichzelf waren er twee manieren waarop de Unæërs te werk konden gaan. We zullen die twee manieren verduidelijken. Als we in onze wereld over water denken, de substantie water, kunnen we zeggen dat het uit vloeistof bestaat, uitbreiding, gewicht en een zekere viscositeit heeft. Of we kunnen zeggen dat het uit twee andere substanties bestaat, Zuurstof en Waterstof. In het eerste geval hebben we het over eigenschappen en die zijn niet stoffelijk, terwijl we in het tweede geval bestanddelen vinden die wel stoffelijk zijn en beiden helemaal niets met abstracties te maken hebben.

Bij het denken over zichzelf konden de Unæërs uitgaan van het bewustzijn, de wil en een heleboel andere eigenschappen. Of ze konden zich afvragen, wat is dat werkelijke iets waaruit ik besta? Met behulp van die laatste manier kwamen ze tot de volgende conclusie. Als ze nadachten over hun lichaam werd het hen duidelijk dat die uitgebreide massa — wij zouden zeggen: een vliesachtige uitbreiding —in zekere zin secundair en afgeleid moest zijn. Werkelijke bewegingen en dingen waren driedimensionaal. Vandaar dat alles wat in hen werkelijk actief en doeltreffend was, driedimensionaal moest zijn. Maar het was alleen in het allerkleinste, in de activiteiten die te klein waren voor hun waarnemingsvermogen, dat er sprake was van enige driedimensionale activiteit. Hoewel ze er niet van hielden waren ze dus toch genoodzaakt te denken over datgene dat ze niet zelf waren, als een wezentje in een tweedimensionaal uitgebreid organisme.

Dat was de gedachtegang die tot de Unæaanse mythologie leidde.

De werkelijke reden waarom het de Unæërs zoveel tijd kostte om het bestaan van de derde dimensie te aanvaarden, was omdat dat een zo grote verandering betekende in hun gebruikelijke manier van denken.

Nu nog een ander onderwerp. Het is onmogelijk het emotionele, persoonlijke bestaan van een mens te scheiden van de feitelijke verbanden waarin hij zich bevindt. Zijn gevoelens en de andere mensen met wie hij in contact staat, zijn karakter, enerzijds en het geheel van mogelijkheden van zijn manier van doen anderzijds, kunnen niet van elkaar gescheiden en afzonderlijk onderzocht worden.

Het staat dus vast dat het uitzicht op een andere orde van fysische activiteit, de ontdekking dat het Universum zoveel uitgestrekter is dan ze dachten, invloed moet hebben gehad op het karakter, emoties en gevoelens van de Unæërs.

En dan nog iets, de suggestie van Lukas dat er nog een andere manier van denken is dan ruimtelijk denken, een manier die geen afstand doet van ruimtelijke voorstellingen in ruil voor metafysische abstracties, maar gebruik maakt van die voorstellingen om iets nog fundamentelers te tonen, die suggestie, die enerzijds zoveel vrijheid laat voor de onbeperkte toepassing van ruimtelijk denken en anderzijds een nieuwe horizon openlegt, verdient nadere aandacht.

Maar voorgaande bladzijden zetten de geschiedenis van Unæa helaas voort tot de dag van vandaag en er zijn geen gegevens waarmee het verslag uitgebreid kan worden.

* * *

Naar boven