Home

Een List:

Een Theorie van Alles, die Niets betekent

Door Mark Helprin

1999

Jaren geleden verhuisde ik naar Engeland, waar ik gelukkig maar even student aan een 'graduate school' was. Ik was volkomen alleen geweest na mijn aankomst en kende helemaal niemand op de Britse eilanden, maar mijn kennissenkring zou al gauw heel anders worden dan die thuis was geweest. Daaronder bevond zich een beroemde Engelsman die begon met wat mij een aarzelend proces leek te zijn geweest van mij laten kennismaken met een geheime rite. Een geheime rite? God bewaar me, ik haat zulke dingen. Lees maar verder, want ik ben daar weer vertrokken voordat ik diep verzeild was geraakt in mijn kennismaking en ik heb er geen moeite mee om erover te praten.

De geheime genootschappen die we kennen, zijn per definitie niet helemaal geheim. Sommige hebben iets potsierlijks, zoals de Geheime Dienst, waarvan sommige leden er zo mee in hun nopjes zijn om geheim agent te zijn, dat zij zich gedragen als orang-oetangs in het Louvre. (Er oplettend uitzien is niet hetzelfde als opletten.) Sommige genootschappen zijn geheim maar op een milde manier, zoals de Vrijmetselaars die vrijmetselaarsplakplaatjes op hun auto plakken en Vrijmetselaarsversierselen dragen. Natuurlijk weet niemand waar ze precies mee bezig zijn, maat dat weten ze zelf ook niet. Hoe kleiner een organisatie, hoe groter de kans op geheimhouding, maar bijvoorbeeld het geheime genootschap Skull and Bones van de Yale-universiteit, is alleen maar beroemd omdat verondersteld wordt dat het geheim is. Harvard heeft twee gelijksoortige elite-groepen, de Signet Society en de Porcellians, die feitelijk onbekend zijn omdat ze publiekelijk optreden. Door iedereen uit te dagen om op onderzoek te gaan, brengt geheimzinnigheid zichzelf koket ten val.

Maar niet altijd. Sommige geheimen zijn doorgaans zinnig. Binnen het berucht open Amerikaanse geheime-dienst-apparaat, zijn de binnenkamers volstrekt ondoorzichtig voor het publiek, en historici hebben veel geheime acties over het hoofd gezien, omdat de voormannen en hun uitvoerders tot hun dood hun mond hebben gehouden. Zo was het mogelijk ook met de rite, waar ik zo kortstondig kennis mee maakte en waarvan het geheim nog steeds veilig is.

Hoe het ook zij, het draaide om de Egyptische god Thoth, wiens vergriekste naam (natuurlijk) Hermes Trismegistos was. Toen de tandelijk gehandicapte jaargenoot (spleet tussen de tanden, maar hij kon wel ex tempore redevoeringen in het Latijn houden), die me hiermee liet kennismaken, mij daar voor het eerst over vertelde, dacht ik dat hij me in de maling nam, maar dat was niet zo. Hij zat ook niet aan de LSD. Hoewel het, voor zover ik weet, niet veel meer zou kunnen zijn geweest dan een soort 'ik heb de pest aan meisjes'-club voor maffe Engelse aristocraten, heeft het 'hermetisme' een lange, indrukwekkende en geheimzinnige geschiedenis, die ik, tot mijn verbazing, moest bestuderen. Op het eerste gezicht leek het nogal op de alledaagse oosterse mystiek-cultus van de Oudheid, waar ik, als jood, een diepgewortelde aversie tegen heb. (Om te beginnen kan ik wierook alleen al niet uitstaan.) Hoewel onnauwkeurig en tegenstrijdig (als je een geheim hebt, heb je noch precisie noch consistentie nodig), waren de belangrijkste thema’s dat alles in het universum in wezen één is; dat onderverdelingen (zoals tussen diverse takken van studie) derhalve denkbeeldig zijn en gedoemd om ten onder te gaan, en dat door een proces van ontwikkeling dat een half bewust onderzoek en half onbewust een zich op mystiek laten drijven is, de mens uiteindelijk zijn gescheiden inzichten zal verenigen, kennis van de eenheid zal verkrijgen, onsterfelijkheid bereikt en dan eigenlijk zal voortgaan om een god te worden.

Voor het grootste deel klinkt dit volstrekt vertrouwd. Het is het gewone gedoe van hoogmoed en ketterij, dat eigenlijk allemaal lijkt te worden tegengesproken door de loop van de geschiedenis en beschaamd te worden door de onveranderlijkheid van de menselijke natuur — niet de theoretische maar de feitelijke menselijke natuur. Maar toch kunnen deze overtuigingen niet zomaar afgeschreven worden als onpraktisch. Ze lopen als een rode draad door de eeuwen heen en hebben zich met een opmerkelijk resultaat geopenbaard in de Renaissance, in een spoor, dat in het Tijdperk van de Rede en in de magiër John Dee uit Mortlake, een Hermeticus wiens sturende formules er deels verantwoordelijk voor zijn dat ik dit in het Engels en niet in het Spaans schrijf, leidde via alchemie naar modern wetenschappelijk onderzoek.

Ik bezit de oude en subtiele boeken niet die ik (na in toga en knielend te hebben gezworen dat ik nooit open vuur zou maken op zijn grondgebied) raadpleegde in de Bodleian Library, dus kan ik niet bewijzen of in het hermetische oeuvre het woord ‘convergentie’te vinden is. Het is echter wel elders te vinden, en in een enigszins vertrouwde vermomming, hoewel niet zo vertrouwd als de bewoordingen waarin het is opgediend door de redactie van Forbes ASAP.  Ondanks zijn uitgesproken sfeer van absurditeit en zelfs krankzinnigheid, bevat het Hermetisme uitdrukkingen van wezenlijk menselijke neigingen, verleidingen en waarheden. Hoewel je het mag afzweren, zoals ik deed, voor je het goed en wel hebt opgepakt, komt het naar je terug vanuit verscheidene hoeken van het filosofisch kompas.

Bijvoorbeeld bij Teilhard de Chardin. In 1911 in Frankrijk tot jezuïetenpriester gewijd, en als heldhaftige brancardier in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, droeg hij merkbaar bij aan die grootse onderneming van de wetenschap; hij leefde in onherbergzame woestijnen, oerwouden en werd gevangen genomen in China tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij schreef niet, zoals algemeen en ten onrechte wordt aangenomen, om wetenschap en religie met elkaar te verzoenen, maar gewoon om de waarheid te vinden. Die waarheid, grootser dan welke menselijke onderneming dan ook, zou per definitie moeiteloos zowel de rede als de revelatie bevatten. Voor mij was Teilhards grote prestatie dat hij afrekende met het ongelukkige nihilisme gebaseerd op de onjuiste toepassing van de idee van entropie (als al het bestaande alleen maar vervalt en energieniveaus afnemen, dan is wat we weten of dromen niets meer dan een kaars die opbrandt) met een uiteenzetting van hoe elementaire natuurkrachten bijdragen aan het samenklonteren en dus aan een hogere vorm. Je kunt je niet vertrouwen op entropie als een filosofische stelregel en tegelijkertijd de evolutietheorie aanvaarden, en slechts weinigen die de evolutietheorie zouden verwerpen, zouden tevreden zijn met entropie als een filosofische stelregel. Dat wil zeggen dat het bewijsmateriaal van de evolutie — planetair, biologisch of systemisch in welke vorm dan ook — wijst naar een voortgang in de richting van een hogere toestand en de aanwezigheid veronderstelt van een sturende en organiserende kracht, ook al is dat alleen maar een onverklaarbare samenloop van natuurwetten. En als evolutie slechts een metafoor is voor de schepping, dan is het licht in de verte nog steeds hetzelfde.

Maar Teilhard ging veel verder, en stelde dat in de samenklontering van verscheidene elementen tot steeds complexere, knappere en gevoeligere dingen, een pad naar convergentie ligt, dat de verschillende verschijnselen zich, op hun weg omhoog, niet hebben ontwikkeld en zich niet ontwikkelen langs onafhankelijke lijnen, maar dat ze zich naar hetzelfde punt richten. Kortom: dat alles, dat zich in een stijgende lijn bevindt, móet convergeren. Zelfs in gescheiden evolutionaire ontwikkelingen, die eerder worden gekenmerkt door analogie dan door een gemeenschappelijke oorsprong (zoals die van vliegende vogels en insecten) sturen elementaire krachten aan op convergentie, zowel in vorm als in functie. Teilhards idee van een eensgezinde fysieke en spirituele evolutie, die elkaar op één punt zullen ontmoeten, - dat hoe dan ook God wordt genoemd, - is de diepere achtergrond van de hedendaagse fascinatie voor de idee van convergentie.

Maar zijn de aanwijzingen, voor wat sommigen mogelijk zien als een ophanden zijnde convergentie, alleen maar een analogie en dus ongeschikt voor de meer serieuze implicaties die daaraan worden toegeschreven? Zijn ze het resultaat van onzorgvuldig observeren en definiëren? En zit er een tekortkoming in het begrip convergentie, zelfs in zijn scherpste en meest elegante formulering? 

Convergentie (beweging naar of eindigend in hetzelfde punt) is geen coalescentie (dingen die samengroeien), concaulescentie (de coalescentie van gescheiden assen), concurrentie (gelijk op gaan), en ook geen conglomeratie (tot een min of meer afgeronde massa gevormd worden). De krachten en neigingen van het menselijk bestaan komen altijd samen of gaan uiteen. Zelfs als ze schuin lopen zijn ze, in verhouding tot elkaar, afwisselend dichterbij of verderaf. Dat is de aard der dingen, maar doen alsof ze op dit moment allemaal dichter bij elkaar lopen, of, nog onheilspellender, dat ze op weg zijn naar convergentie, is het hullen van de normale levenspatronen in een opgeblazen betekenis.

Als we ervoor kiezen om de klok rond te werken en winkelen zonder de gebruikelijke rust of verpozing, en als we liever op elk moment bereikbaar willen zijn, dan het risico te lopen een kans te missen doordat we ons afzonderen, en als onze leraren geringschattend hun stof onderverdelen in geschiedenis, literatuur en natuurwetenschap en het in plaats daarvan te lijf gaan als een vormeloos 'interdisciplinair' ratjetoe, dat hen ontslaat van de verantwoordelijkheid om te weten waar ze het over hebben, dan is dat niet omdat we op de drempel staan van een of andere enorme convergentie, maar omdat we de discipline, de scherpte en wijsheid missen, die vereist zijn als we onderverdelingen willen handhaven en onderscheid willen aanbrengen. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat we, in deze tijd, proberen om deze ernstige tekortkoming in een metafysische gloed te hullen, totdat het een succes lijkt.

Onder de juiste omstandigheden probeert generatie na generatie om van haar eigen cirkel een vierkant te maken, waarbij ze zich verbeeldt dat ze vlak bij de antwoorden is op de eeuwige vragen, terwijl ze zelfs niet in de buurt van een antwoord kan komen. Een onafhankelijke vertakking hiervan is de wetenschappelijke arrogantie die zichzelf, terwijl ze zich voedt met het natuurlijke ontzag van de mens voor het krachtigste instrument dat hij tot nog toe heeft bedacht, een wereld verbeeldt die draait volgens wetenschappelijke principes, een zogenaamd goedwillende dictatuur van de deskundigen. Maar hoewel de natuur te herkennen is aan de eenvoud en elegantie van haar wetten, waaraan alle natuurverschijnselen zich gewoon naar voegen, is de mensheid anders. Zij is een bijenkorf vol talloze en verrassende variabelen, die niet kan worden begrepen, en nog minder beheerd, volgens wetenschappelijke principes. Als daarop zulke principes worden toegepast, zijn dood en ellende het resultaat. Zoals de geschiedenis van de halve wereld in deze eeuw laat zien, zelfs als zoiets systematisch en zelfstandigs als een economie, wordt bestuurd volgens 'wetenschappelijke principes' (wat alleen maar datgene is, wat een of ander feilbaar persoon zegt dat het is), eindigt het in een armzalige mislukking. De mensheid heeft voor haar begrip en bestuur niet de wetenschap maar de kunst nodig, en als dat wordt vergeten, - zoals in het geval van Samuel Johnsons natuurfilosoof die, nadat hij een fles onder stroom heeft gezet, denkt dat het probleem van oorlog en vrede onbetekenende is, - is het resultaat onderdrukking. Het gevolg is een irrationele mensheid die door gefrustreerde en gekrenkte meesters wordt gedwongen te doen wat zij daarvan verwachten, en als je daaraan twijfelt, kijk dan maar naar de geschiedenis.

Wij staan op de drempel van een nieuw millennium en hoewel de getallensymboliek van het duizendjarige rijk zelfs minder betekenis heeft, wat betreft gebeurtenissen of omstandigheden, dan de stand der sterren en planeten hebben wat betreft lot of humeur, is de macht van georganiseerde geloof, massasuggestie en zelfbedrog aantoonbaar verantwoordelijk (net als tijdens de laatste millenniumwende) voor het gevoel dat er iets lonkt, wat allemaal inspeelt op het diepgewortelde verlangen naar een definitieve oplossing. Zelfs in het marxisme zal 'tegenstrijdigheid' een 'val' veroorzaken na een 'strijd', en de ontknoping zal, zoals in de meeste religies, de convergentie zijn van eerder gescheiden elementen, tot harmonie, tot een 'nieuwe hemel en een nieuwe aarde'.

Niet alleen willen wij, die nu leven, dat meer dan iemand het ooit heeft gewild; mijn generatie, de generatie die is geboren na de oorlog, is ervan overtuigd dat ze het ook verdient. Onze vaders kwamen terug na een gevecht van mythische proporties, en hun overwinning was absoluut. In de Onafhankelijkheidsoorlog bereikten we zelfbeschikking, maar we vernietigden Engeland niet. Na de Burgeroorlog verrezen we als één volk, dat desalniettemin voor de helft was verslagen. En in de Eerste Wereldoorlog sloten we een overeenkomst met een tegenstander die we niet hadden kunnen verpletteren en veranderen. Maar in de Tweede Wereldoorlog vernietigden en bezetten onze legers vijandelijke landen met meer macht en dreiging dan wij zelf ooit onder ogen hadden gehad. We maakten ze met de grond gelijk, en veroverden elke centimeter. Op een beroemde foto struint Churchill kranig door de restanten van Hitlers Kanselarij. Het was klaar. Het was af. Het was meer dan Wagneriaans. Daarbij vergeleken was de Ilias een kinderspel. En toch waren dat onze vaders, slechts een generatie van ons vandaan. Zij vertelden ons dat wij slimmer waren dan zij, dat wij op hun schouders zouden staan, dat zij voor ons hadden gevochten (wat waar was), en dat wij hen in de schaduw zouden stellen.

Omdat ze uitsluitend door de omstandigheden nooit een dergelijke mogelijkheid hebben gekregen, gingen vervolgens velen van ons zich dat inbeelden. Drugs hielpen daar waarschijnlijk een beetje bij, net als de overdaad aan materiële zaken, en de teloorgang van het onderwijssysteem. Deze generatie heeft het verleden misbruikt en te schande gemaakt en zichzelf wijsgemaakt dat ze in staat is de wereld te herstellen en herscheppen — niet volgens de principes die voorgaande generaties hebben bewezen met bloed, met geduld, en met karakter, maar juist in strijd met die principes, met haar eigen geheel van zelfgemaakte wetten, waarvan er nauwelijks één is die niet juist wél zal leiden tot de ellende en vernietiging die zij niet kent, omdat ze boven zulke dingen uit is getild door het verstand en de opofferingen van haar ouders. Deze generatie, die in grote lijnen meer heeft gedaan dan enige andere generatie om de oude pezen door te snijden, die ons heel en in leven hebben gehouden; deze generatie, karakterloos, koopziek en ijdel, die het vermogen is kwijtgeraakt zich te schamen, deze generatie, die de geschiedenis heeft onteerd, het woord begraven, de rust vermoord en die er zoveel mogelijk aan heeft gedaan om de wereld tot een tekenfilm te maken, is ervan overtuigd dat ze op iets reusachtigs afstevent: convergentie, kennis van alles, theorieën van alles, onsterfelijkheid, volmaaktheid.

Maar is dat wel zo? Neem bijvoorbeeld eens haar hoopvolle gemiauw over onsterfelijkheid. Als goede hermetici houden sommigen, die over zulke dingen speculeren, vast aan het idee dat onsterfelijkheid bijna om de hoek ligt. Het doet er niet toe dat de wereld van het leven als een rivier is die mysterieus over een waterval heen verdwijnt, en dat van al de miljarden die ons zijn voorgegaan, en van al de miljarden die vandaag in leven zijn en die onverbiddelijk naar die rand toe bewegen, niet één enkel mens nietover de rand is gegaan of niet zal gaan.

Tegenwoordig is het in bepaalde kringen in de modeom jezelf gerust te stellen met de hoop dat deze dood zal worden overwonnen door een apparaat, als dat waarin het wonder van de spreadsheet huist.

Maar de afstanden tussen verwachtingsvolle lippen en deze beker zijn zo enorm, dat je maar beter goed om je heen kunt kijken nu het nog kan, want zelfs als in zo’n verre toekomst alles wat in iemands geheugen zit kan worden bewaard of overgezet naar een of ander opslagmedium, is het niet de optelsom van die dingen waardoor de ziel wordt bepaald, maar de manier waarop ze zijn geïntegreerd en met welke snelheid, diepte, dapperheid en onvoorspelbaar vernuft. Het ging er niet om wat Raphaël allemaal wist, maar dat er dingen vol schoonheid gewoon uit zijn vingers kwamen. Al die enorme hoeveelheden informatie bijeengebracht in de Congres-bibliotheek vormen, in hun geheel, nog niet het begin van leven. Net zo min als dat allemaal gewoon aan elkaar koppelen bewustzijn zou creëren, waarvan de essentie een absoluut en definitief mysterie blijft. Er zal nooit een beter mechanisme worden gevonden om de ziel tot wieg te dienen, dan wat ons is gegeven, en als er uiteindelijk iets in de buurt zal komen, zal wat wordt weggelaten datgene zijn dan het meest op de voorgrond zal staan.

De illusie dat de mens te vervolmaken is, is gebaseerd op onwetendheid van zijn prachtige en ingewikkelde aard, die al zo subtiel en schitterend is afgewogen en evenwichtig is, dat het verbeteren ervan veel minder zou opleveren dan, laten we zeggen, het herschrijven van Shakespeare om hem te verbeteren, of een achtergrondbeat toe te voegen aan Mozarts 'Soave sia il vento'. Zelfs de faxloze en onwetende middeleeuwers wisten dat onsterfelijkheid niet alleen een van de dingen was van de hemel maar ook van de hel. Vandaar Paolo en Francesca en hun eeuwige kus. Tegenover elke tik staat een tak, tegenover elke overwinning een nederlaag. Dat is het evenwicht van de menselijke natuur, en dat kan niet ongedaan worden gemaakt.

En toch blijven we denken dat dat wel kan. Vaak, zoals bij Daedalus en Icarus, is het een kwestie de mate waarin, van tempo, van aanpassing, geduld en nederigheid, omdat onze bedenksels al te snel uit de hand lopen. Stalin, Hitler, Mussolini, Mao en hun honderden miljoenen volgelingen waren allemaal overtuigd van een droom van volmaaktheid, die ze eerst naar hun eigen land en vervolgens naar de wereld zouden brengen. Maar je hoeft geen psychotisch staatshoofd te zijn om aan die waanvoorstelling te lijden. Een van mijn studievrienden wilde destijds dolgraag de grootste bibliotheek van de wereld letterlijk platbranden en alles wat zich daarin bevond (d.w.z. vrijwel alle vastgelegde menselijke kennis) vervangen door de inhoud van zijn gehavende notitieblok. Volgens hem zou dit het begin moeten worden van een rechtvaardige nieuwe orde. Het spreekt vanzelf dat hij mij niet wilde laten zien wat hij had geschreven, omdat mijn bestaan zich op een te laag niveau afspeelde.

De elektriserende stroom van hoogmoed is van dien aard dat die alle klassen, alle soorten en alle tijden raakt. Iemand die begrijpelijk, zij het niet vergeeflijk, op zichzelf is gericht kan heel gemakkelijk de loop der dingen zien als een deel van een voorbestemde of zich ontvouwende harmonie, die gunstig is voor zijn eigen lot of overtuigingen. Gebrek aan nederigheid is het gevolg van onvoldoende aandacht voor hoe de wereld werkelijk werkt. De verheldering daarvan is vanaf het eerste begin een van de hoekstenen van de litteratuur geweest, en wat dat betreft bestaat er een les van de geschiedenis die overal opgaat. Kijk maar naar de dialectische plaatsing van uitspraken door drie van de Churchill de “Engelse vooraanstaande heren” noemde; in dit geval conservatieve politici in het staatsbestuur van de jaren dertig. Mussolini zei over hen: “uiteindelijk zijn deze mensen de vermoeide zonen van een lange reeks rijken, en zij zullen hun rijk verliezen.” (Hij had natuurlijk gelijk, maar het deed hem niet erg veel goed.)

Eerst de these van Sir Samuel Hoare, die in maart 1939 staatssecretaris van binnenlandse zaken was. Hij voorzag dat er een “gouden tijdperk” op het punt stond aan te breken, als “vijf mensen in Europa, de drie dictators en de premiers van Engeland en Frankrijk,” zouden convergeren (niet zijn woord), en dan binnen een onvoorstelbaar korte tijd de hele wereldgeschiedenis zouden veranderen.” De antithese kwam precies op dezelfde dag, toen Lord Halifax Ribbetrop vertelde dat (volgens de aantekeningen van Halifax), “de ervaring van de hele geschiedenis nodig is om te laten zien dat de druk van de feiten soms krachtiger is dan de wil van de mensen: en dat het, als de oorlog eenmaal in centraal Europa zou beginnen, volstrekt onmogelijk zou zijn om te zeggen waar die niet zou kunnen ophouden of wie er niet in betrokken zou kunnen worden.” En tot slot, de synthese, in de toespraak van Chamberlain tot het Lagerhuis op 3 september 1939: “Alles waar ik tijdens mijn publieke leven op heb gehoopt, alles waarin ik heb geloofd, is in puin gevallen.” Tot zover het gouden tijdperk.

Het optimisme en vertrouwen van het fin de siécle— dat van een eeuw geleden — liep dus uit op de Eerste Wereldoorlog; de Tweede Wereldoorlog; de Holocaust; de Koude Oorlog en haar begeleidende, kostbare gevolmachtigde oorlogen; en een eeuw of langer van vervreemding, ellende en dood als gevolg en verlichting van het lijden. Churchill was in staat om een uitzondering te maken op de regel van verblinding in het tijdperk van verzoening, alleen omdat hij voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog optimist was geweest en de bittere les had geleerd, die hij vervolgens onderwees— niet dat de ene of andere politiek altijd juist is, maar dat de hele geschiedenis door grootse verwachtingen altijd bedrogen worden en veranderen in een tragedie.

Thomas Hardy wist niet alleen dát het lot korte metten maakt met wat hij “de hoogmoed in het leven” noemde, maar ook hoe. In “Het Convergeren van de Twee: regels over de ondergang van de Titanic,” schreef hij:

Toen het chique schip groeide
In grootte, luister en aanblik
Groeide op een duistere, stille afstand de IJsberg ook

Vreemden leken zij te zijn:
Geen sterfelijk oog kon zien
De innige versmelting van hun latere verhaal

Of een teken dat hun paden
Zich naar elkaar bewogen om weldra
De twee helften te zijn van een voorval in augustus

Tot de Spinner van de Jaren
Zei: “Nu!” wat beiden horen
En de voltrekking komt en twee hemisferen botsen.

Teilhard de Chardins herkenbaar hermetische opvatting, dat verlossing wordt bereikt door de ontwikkeling en convergentie van menselijke kwaliteiten met het goddelijke, is een doctrine met een duistere kant die hij optimistisch en vol vertrouwen verkoos te negeren, een kant die Yeats (die van het ‘dit leven in evenwicht brengen met de dood’)uitdrukt met een gebruikelijke en verontrustende schoonheid:

'Daar zijn alle tonnenhoepels samengesmeed
Daar bijten alle slangen in hun staart
Daar convergeren alle stromen in één
Daar storten alle planeten in de zon.’

Dat er iets helemaal mis is met dat idee van convergentie, zelfs in zijn hoogste en meest verheven formulering wordt ondersteund door de meest welsprekende kritiek erop, in 'Everything That Rises Must Converge', een eenvoudig en diepzinnig kort verhaal van Flannery O’Connor. In dat verhaal rijden een moeder en een zoon in een bus door het Zuiden van Amerika, waar net de rassenscheiding is opgeheven. De moeder houdt vast aan de oude gebruiken en heeft daarin duidelijk ongelijk, maar in de praktijk is ze een aardig en goed mens. De zoon is de apostel van vooruitgang en rechtvaardigheid, maar in de praktijk is hij bekrompen en wreed. Hij vertegenwoordigt de trots op prestaties, geloof in de komende volmaaktheid, rede, rechtvaardigheid en de lineaire opvatting van de geschiedenis. Zij — nederigheid, traditie, behoud van het oude, circulariteit, continuïteit, genade en vergeving.
Het is geen toeval dat in de interactie tussen die twee, in de context van hun individuele geworstel, hij ontdekt dat zijn handelingen hem van 'zijn entree in de wereld van schuld en verdriet' hebben verzekerd. En het is geen toeval dat de titel van het verhaal, dat Flannery O’Connor schreef om de grote Franse filosoof aan te pakken, van Teilhard is, want het is een fluwelen weerlegging van zijn geloof dat de mensheid zich kan ontwikkelen tot volmaaktheid.
Als verlossing afhangt van ontwikkeling en vooruitgang, wat betekent dat voor de lammen, de zwakken, de verwarden en de onderdrukten? Zijn zij daarom minder geliefd bij God? In één enkel verhaal zette de dodelijk zieke Flannery O’Connor, met de Zuidelijke en Keltische kennis van hoogmoed en nederlaag van nature in haar bloed, Teilhards grootse eruditie, vele boeken en prachtige dromen schaakmat. Dat deed ze met net zo’n volkomen onverwachte, adembenemende kracht als de Maagd van Orleans of Anne Frank. Zij, die nooit wereldlijke roem zou kennen, of in deze wereld beloond zou worden, die stierf zonder echtgenoot of kinderen, die wel leed maar geen macht kende, zij kende de eenvoudige waarheid dat verlossing uiteindelijk een kwestie van genade is. Dat wil zeggen dat, als alles is gezegd en gedaan, de mens gewoon niet in staat is de belangrijkste gedeelten van zijn bestemming zelf te bepalen, en dat hij dat moet weten om zelfs de eenvoudige problemen te overleven die hij op zijn pad zal tegenkomen.

Convergentie is niet iets aan de horizon, maar een list van de menselijke ijdelheid. Je kunt wachten zo lang als je wilt, het komt toch niet.

Mark Helprin is senior fellow van het Claremont Institute for the Study of Statesmanship and Political Philosophy, redacteur van de Wall Street Journal en schrijver.
Dit artikel verscheen eerder in Forbes ASAP. www.claremont.org

Naar boven