Home
DE AMSTERDAMMER, WEEKBLAD VOOR
NEDERLAND
8 Sept. '16 - No. 2046
EEN MACHTIG BROUWSEL I -
hertaling
Het is ongelofelijk! meer dan tien jaren ligt dat stuk proza
openlijk ter lezing. Enige honderden hebben het de schrijver horen
voordragen, en vermoedelijk hebben nog enige honderden het gelezen. En
niemand kent het, niemand praat erover, het ligt daar maar stil, in
zijn lieve witte omslag, met zijn dreigende, verschrikkelijke zwarte
woorden - en rondom lacht en zwatelt en zwendelt de bende, en
filosofeert en danst en schiet elkaar dood - terwijl de sombere Brouwer
van dat hels-hemelse brouwsel vrij rondloopt, nu eens in een net
colbertje, dan weer in een deftige toga, en door iedereen wordt
beschouwd als een in onze samenleving passend, min of meer interessant
en niet alleen onschadelijk, maar zelfs zeer achtenswaardig en nuttig
individu.
Ongelofelijk is het. Een verbijsterend bewijs van de wezenloze
vaagheid, de suffe sleur, de ontoe-rekenbaarheid van de menigte.
De mensen-wereld schijnt mij een grote kinderpartij, waar de lieve
kleintjes dansen en krakelen in hun beste pakjes - en in het midden van
de pret ligt een groot ding, niemand let er op, het lijkt wel dood -
wat is het? Een kussen? Een crapaud? Kom er eens dicht bij en bekijk
het eens goed. Een sidderend lichte beweging, een paar strakke ogen,
een snel uitgeschoten tongetje - het ding leeft hoor! Een grote boa.
Pas op, kindertjes.
Verbaasd vragen de lezers waar ik het over heb. Ze hebben
nooit zo iets gevaarlijks opgemerkt, en geloven ook niet dat een stuk proza
zoveel kwaad kan.
Ik heb het over een boekje, getiteld Leven, Kunst en Mystiek -
voordracht in Delft gehouden voor het gezelschap Vrije Studie in 1905,
door de toenmalige student L.E.J. Brouwer, thans professor in de
mathésis aan de Amsterdamsche Universiteit en lid van de Koninklijke
Academie van Wetenschappen.
Begrijpt mij nu wel, kindertjes! Ik zelf vind die boa niet zulk een
lelijk beest. Ik vind hem prachtig en machtig - hoewel ik een en ander
op hem aan te merken heb - en hem beter op zijn plaats vind in de
wildernis dan op ons kinderbal.
Maar gij! - kindertjes! - gij behoort hem te vrezen, te verafschuwen,
te verfoeien - gij behoort onmiddellijk op de vlucht te slaan en de
politie te waarschuwen, en de brandweer op te schellen en een aantal
ervaren oppassers van Artis te laten komen, met touwen en strikken en
wat verder nodig is om zulk een ongure gast te breidelen en veilig
achter de dikke glasruiten van het reptielen-huis te bergen, waar hij
straffeloos kan worden aangegaapt, met griezeling bewonderd en in zijn
geheimzinnig ijzingwekkend leven bestudeerd.
Deze honderd bladzijden Hollandsch proza zijn wel de machtigste, maar
ook de verschrikkelijkste, naar mijn mening, die in deze eeuw zijn
gepubliceerd. Ze zijn schoon en diep en vol waarheid. Maar ze zijn fel
revolutionair, volstrekt-vijandig aan onze gehele maatschappij. Ze gaan
regelrecht in tegen de orde, het geloof en het recht van de mensen.
Daarin komen ze overeen met vele profeten-woorden - en het zou bijna
een belachelijke inconsequentie, een onvergefelijke onbenulligheid
zijn, als de mensheid, die Socrates vergiftigde, de profeten stenigde,
Jezus kruiste en Bruno verbrandde, deze geweldige onheilbrouwer liet
rondlopen zonder hem op te knopen of ten minste achter prikkeldraad te
interneren.
En zie! - de man is professor aan de Amsterdamsche Universiteit en lid
van de Koninklijke Academie. En dat is hij alles geworden na de
publicatie van dat stoute stuk. Is hij er soms van teruggekomen? Heeft
hij zijn woorden ingetrokken? Ik heb er niets van vernomen. Ik meen
zeker te weten van niet.
Maar lieve hemel, wat voor soezebollen zitten er dan toch in de
academische- en regerings-lichamen! kunnen die mensen alleen cijferen
en administreren - en helemaal geen Hollandsch lezen?
Ze moeten toch, vóór zijn benoeming kennis genomen hebben van al zijn
geschriften, ook van dit geschrift.
Nu zijn Excellenties en Hooggeleerden, als het algemeen menselijke
wijsheid geldt, soms merkwaardig incompetent. Vooral in onze dagen is
dat op pijnlijke wijze aan het licht gekomen.
Men moet aannemen dat ze eigenlijk, in wijsgerige zaken, geen ernst van
onzin kunnen onderscheiden. Ze hebben over die honderd bladzijden heen
gelezen en gedacht: "nu ja! dat is maar zo wat fantastisch gezwets van
een onbesuisde jongeling. Dat telt niet mee. Daar meent hij natuurlijk
niets van. Wij hebben alleen met zijn mathematisch vernuft te maken.
Dat is geniaal en solide. Ergo, wij negeren die buitensporigheden, die
hij zelf wel gauw vergeten zal, en wij nemen hem op in onze officiële,
academische Hemel, waar hij tronen mag tussen de gelauwerden en
geridderden, en zich zonder twijfel spoedig even bezadigd, even
correct-weten-schappelijk en fatsoenlijk gedragen zal als wij allen."
Deze houding is echter min of meer ridicuul. Ze schijnt te getuigen van
een hoge wetenschappelijke neutraliteit. Maar in waarheid bewijst ze
onwetendheid in de hoogste geestes-functies van de mens, en
onbekwaamheid in het lezen en verstaan van onze taal.
Want het meest opvallende in die honderd bladzijden proza is het met
nadruk verwerpen van het menselijk intellect als hoogste geestelijke
functie. Daardoor stelt de schrijver die kleine brochure zelf
nadrukkelijk boven zijn mathematisch-wetenschappelijke prestaties, en
de Excellenties en Hooggeleerden hadden zich behoren af te vragen, of
het pas gaf, en overeenkwam met de waardigheid van de Staat, en van de
officiële wetenschap, zulk een aartsketter in hun midden op te nemen.
Misschien denken sommigen mijner lezers aan de benoeming van professor
Bolland, als een soortgelijk geval. Maar dat heeft er niets van.
Bolland is wat zonderling, wat eigengereid, wat ruw in zijn optreden,
wat bazig in zijn houding, maar Bolland is geen ketter. Hij gelooft in
de zuivere Rede, in het intellect, in de wetenschap - al acht hij zijn
wetenschap de vorstin aller wetenschappen.
Maar Brouwer is een echte ketter, en staat ketters tegenover het hele
geestesleven van de mensheid waarin hij verkeert. Hij spreekt van "zonden
van de Wetenschap" - van "het geloof aan een werkelijkheid"
en van "het logische denken" als van dwalingen,
aardse banden waaruit wij verlost moeten worden. Hij spreekt van het
verstand als een geschenk des Duivels, waarvan
men zich ontdoen moet.
Bij zulke ketterijen vergeleken, is de leer van Bolland onschadelijk
conventioneel gebabbel.
Nu komt het wel voor, dat begaafde jonge mensen, door onvoldoende
studie, door gebrek aan een kritische omgeving, door dilettantisme dus,
aan het dóórslaan gaan, en pennevruchten publiceren, waarvoor ze zich
later schamen.
Er zijn ook permanente warhoofden, die er van alles uitflappen, luk
raak, soms schijnbaar zeer diep, soms bespottelijk en er hun leven lang
niet aan toekomen om zich daarover te schamen.
Maar de drieëntwintigjarige student, die de honderd bladzijden proza
schreef, was geen warhoofd, Warhoofden kunnen nog wel eens bij
vergissing of door protectie professor worden - maar leden van de
Academie worden ze niet.
En evenmin was de student Brouwer een dilettant, van het slag Piet
Pijl. Hij weet drommels goed wat hij zegt, elk woord is zwaar van
innerlijk wel-beproefde overtuiging. En hij weet niet minder secuur wat
er over de onderwerpen die hij bespreekt reeds in de wereld is gezegd.
Het is dus in elk opzicht gewenst en de moeite waard zijn geschrift met
de grootste zorg en aandacht te bestuderen en te bespreken.
Ik hoop dat de lezer mij hierin geduldig zal willen volgen.
FREDERIK VAN EEDEN

LEVEN, KUNST EN MYSTIEK
door
L.E.J. BROUWER
DELFT - J. WALTMAN Jr. - 1905
INHOUD.
I. De tragische Wereld
II. De Weg naar Zelfkennis
III. De val door het Verstand
IV. De Verzoening
V. De Taal
VI. Immanente Waarheid
VII. Transcendente Waarheid
VIII. Het bevrijde Leven
IX. Economie
I
Nederland ontstond en werd in stand gehouden door het
aanslibsel van de rivieren. Er vormde zich een evenwicht van duinen, delta,
getijden en afwatering. Een evenwicht waar tijdelijke overstromingen
van gedeelten van de delta deel van uitmaakten. En in dat land kon een
krachtig mensengeslacht leven en gedijen. Maar de mensen waren niet
tevreden. Men bouwde langs de rivieren dijken om de
overstromingen te regelen of te voorkomen, verlegde naar willekeur ter
verbetering van afwatering of scheepvaartverbinding beddingen en hakte
intussen de bossen om. Geen wonder dat hiermee het subtiele evenwicht
van Nederland werd verstoord. De Zuiderzee werd verknoeid en de duinen
werden langzaam maar onverbiddelijk weggeslagen. Geen wonder ook dat er
tegenwoordig steeds zwaarder werk nodig is, om het land voor de
algehele ondergang te behoeden. En is het niet merkwaardig te zien, hoe
die zelf op de hals gehaalde arbeid niet alleen als onvermijdelijk
wordt gezien, maar dat er zelfs een verheven karakter aan wordt gegeven
van een in naam van God of het onontkoombare Lot opgelegde taak?
De mensen leefden oorspronkelijk in afzondering. Ieder voor zich
trachtte in de voortbrengende natuur, omringd door verderfelijke
verleidingen, zijn evenwicht te bewaren. Dát vulde hun leven. Mensen
bemoeiden zich niet met elkaar. Er was geen zorg om de dag van morgen.
Dus ook geen werk en geen verdriet, geen haat, geen angst en ook geen
genot. Maar de mensen waren niet tevreden. Men streefde naar macht over
elkaar en naar zekerheid over de toekomst. Zo werd het evenwicht
verbroken. De arbeid voor de onderdrukten werd steeds smartelijker en
de intriges van de machthebbers steeds gruwelijker. Zo werd iedereen
tegelijkertijd onderdrukte en onderdrukker. Het oude instinct van
verdeeldheid leeft nog steeds voort in bleke nijd en jaloezie.
Dieren en mensen lieten elkaar oorspronkelijk ongemoeid, totdat de
ontevreden mensen op een deel van de dieren gingen vegeteren en
trachtten de andere dieren uit te roeien. Zo werd, met alle ellende van
dien, de oorspronkelijke orde uit haar verband gerukt. De moeite, zorg
en de arbeid van het verzorgen van de huisdieren, de ziekte door de
parasitaire voeding en een tijd lang met een hevige strijd tegen wilde
dieren, die nog niet uitgeroeid waren. Nog ernstiger werd de mens in
huis en hof door ongedierte en in het eigen lijf door bacteriën
bestookt. Terwijl alles uit opstand tegen Gods wil is voortgekomen is
de wetenschap zelfs trots op dat gevecht en berust zelfs in Gods wil!
Tot het evenwicht van het eeuwige en alomtegenwoordige leven behoort,
dat iedereen als zijn tijd gekomen is, uit dit aardse leven wordt
weggeroepen. Ook, dat hij tot die tijd lichamelijk en psychisch ziek
is, zoals past bij zijn verderfelijke gemoedstoestand van
spaarzaamheid, zucht naar macht, ijdelheid en angst. Maar ook daar is
men weer niet tevreden mee en knoeit aan de lichamen met medicijnen en
voorgeschreven leefwijzen en aan de zielen met hypnose en suggestie. Zo
verstoort men het vagevuur van de lusten, en verbreekt het evenwicht
tussen psychische verantwoordelijkheid en de lichamelijke toestand. Het
lichaamsgevoel is zozeer van het morele besef afgeweken, dat men voor
zijn misdrijven en voor zijn daden op deze aarde, inderdaad niet meer
verantwoordelijk gesteld kan worden. De geneeskunde gaat de laatste
tijd prat op verlenging van de, overigens nog veel te korte, duur van
het menselijk leven. Maar wat heeft dat voor waarde? Het is even
tragisch dit leven ná zijn tijd, als vóór zijn tijd te verlaten, en wat
de dood betreft: "De Natuur richt nooit schade aan zonder dat zij daar
iets beters voor in de plaats stelt"
Intussen hangt toch ook de waarheid in de lucht. Je kent het liedje
van: "Visje, visje van de zee (Piggelmee)," het spreekwoord zegt:
,"eerlijkheid duurt het langst", dat het betere de vijand is van het
goede, en "al is de leugen nóg zo snel, de waarheid achterhaalt haar
wel". Om kinderen te dresseren de waarheid te spreken, houden opvoeders
hen voor, dat een leugentje nooit baat, want dat het ene het andere
uitlokt, en dat ze uiteindelijk wel in een warnet verstrikt moeten
raken. En tot slot zijn al die romans in omloop, die levendig
schilderen, hoe het kwaad uiteindelijk zichzelf straft.
De volgende waarheid dringt zich wel degelijk aan ons op:
"Wanneer uw verstand u een
daad voorhoudt, die uw toestand lijkt te kunnen verbeteren, terwijl uw
geweten die daad niet sanctioneert, laat haar dan na. Want het verstand
ziet nooit de wereld in haar geheel, en de middelen die het voor het
beperkte beoogde doel voorschrijft, zullen langs ondoorgrondelijke
wegen aan het geheel slechts schade toebrengen."
"Als het in dit leven zo
zou zijn, dat wij altijd een spiegel voor ons zouden hebben, waarin wij in
één ogenblik alle dingen tegelijkertijd zouden kunnen zien en
herkennen, dan zouden onze daden en kennis geen probleem zijn.
Aangezien wij ons echter van het ene naar het andere wenden kunnen wij
ons niet met het ene bezighouden, zonder ons voor het andere af te
sluiten"(Meister Eckehart)
Maar al hangt de waarheid in de lucht, toch is het leven van ieder
mens afzonderlijk en van de volkeren als geheel, één aaneenrijgen van
zonden tegen de waarheid. Steeds weer worden alle pogingen verijdeld.
Steeds worden er weer nieuwe pogingen gedaan. Alle luchtkastelen
storten in en allemaal worden ze door nieuwe vervangen.
Het leven van het individu is een illusie. Het is een moeizaam
najagen van doelen, wat uiteindelijk op een ontgoocheling uitloopt. Op
het moment van zijn dood, die hij onvoorbereid en in volledige
raadselachtigheid afwacht, schrikt hij bij het besef, dat hij zijn
leven heeft vergooid, ware het niet dat zijn verstand hem geruststelt
en sust met de gedachte, dat het leven zonder illusies toch
eigenlijk helemaal niets geweest zou zijn, of dat hij in elk geval, als
batig saldo, een aardige dosis ervaring in het graf zal meenemen.
Ja, die arrogante ouden van dagen. Ze maken zich wijs, dat alleen
ervaring, schade en schande en een lang leven van zonde, gekerfd op hun
verstijfde en van alle natuurlijkheid ontdane gelaatstrekken en
stralend uit hun levenloze ogen, tot wijsheid voert. En ze laten, als
het er op aankomt, na de jongeren te zeggen, waar het in het leven om
draait.
Het leven van de mensheid als geheel is één arrogant bevuilen van haar
nesten over de hele gave aarde, een knagend en schendend knoeien aan
haar moederend gewas, en een onvruchtbaar maken van haar rijke
scheppingskracht, totdat het alle leven heeft verziekt. Op deze
verdorde aarde gaat de mensheid kankerend ten onder.
De dwaasheid in hun hoofd, die dát veroorzaakt en hen zelf gek maakt,
noemen ze: "De wereld begrijpen."
II
Kijk nu eens, nu ik je zo de tragiek van deze maatschappij heb
geschetst, naar jezelf. Je hebt een bewustzijn. Een bewustzijn, waarvan
de inhoud voortdurend verandert. Ben je de baas over die veranderingen
of niet? Je zult zeggen van niet. Want je bevindt je in een wereld, die
je niet zelf gecreëerd hebt, en daarin overkomt je van alles, waar je
tevoren geen weet van had. Maar is het niet zo dat een deel van de
inhoud je bewustzijn door je stemming bepaald wordt en dat je daar
ongetwijfeld invloed op uit kunt oefenen? Je kent toch de uitdrukking:
"je hartstochten beheersen". Of zijn dat loze woorden voor je?
Ongetwijfeld heb je nu en dan zelf zo'n religieuze ervaring, waarbij je
het gevoel hebt alsof je loskomt van je hartstochten, van je angst en
verlangens, van tijd en ruimte, dus van de hele manier waarop je de
wereld ziet. En tot slot ken je die veelzeggende uitdrukking: "Naar
jezelf kijken." Je schijnt dus over zoiets als een oplettendheid te
beschikken, die zich om jezelf heen beweegt, en die jezelf bij die
beweging enigszins in je macht hebt. Wat dat "zelf" is, daar zul je
niet veel over kunnen zeggen en je zult er ook niet echt over kunnen
nadenken, want je voelt wel, dat alle nadenken en alle spreken zich ver
van het zelf afspeelt. Met nadenken of met woorden kun je ook niet
dichter bij het zelf komen, maar alleen met dat "naar jezelf kijken",
als het je gegeven wordt. Verder geeft dat naar jezelf kijken een
gevoel van dat het je moeite kost. Het lijkt alsof je daarbij een
weerstand moet overwinnen en dat je aandacht sterk geneigd is om te
blijven hangen waar ze is. Het lijkt alsof de weerstand aanmerkelijk
groter is bij beweging naar het zelf toe, dan bij beweging er van af.
Wordt het je desalniettemin gegeven alle weerstand te overwinnen en
verder te gaan, dan gaan je hartstochten zwijgen. Je voelt je loskomen
van de oude manier van kijken, los van tijd en ruimte en alle andere
dingen. Dan gaan je niet langer geblinddoekte ogen open in een
verheugende stilte.
"Wanneer alle beelden van
de ziel verdwijnen en ze alleen het Enige Ene ziet, dan vindt het naakte
zijn van de ziel het naakte vormloze Zijn van de Goddelijke Eenheid,
dat is het Voortreffelijke Zijn, dat ontvangend in zichzelf ligt"
(Meister Eckehart)
"Wanneer je één ogenblik in datgene kunt verwijlen in
waar geen schepsel woont, dan hoor je wat
God spreekt".
"Het is in je. En als je in staat bent één uur al je willen en
je zintuigen een zwijgen te leggen, dan zul je de onuitsprekelijke
woorden van God horen."
" Wanneer je zwijgt in de zinnen en de wil van je
ikheid, dan wordt in jou het eeuwige horen, zien en spreken openbaar,
en God hoort en ziet door jou. Je eigen horen, willen en zien belemmert
je, waardoor je God ziet, noch hoort."
"Wanneer je
stil bent, ben je hetgeen God was, vóór er natuur en schepsel was, en
waaruit Hij jouw natuur en vorm maakte. Dan hoor en zie je met datgene
waarmee God in jou zag en hoorde, vóór je eigen willen, zien en horen
begon." (Jakob Boehme. Uit: 'Over het Bovenzinnelijke Leven')
Dan begrijp je dan al je vroegere gedachten, en begrijpt dan
ook dat ze voorheen wel onbegrijpelijk voor je moesten zijn. Begrijpen in
de zin van er vrede mee hebben en ze als van zelf sprekend vinden. Het
is alsof je ze tegelijkertijd allemaal weer doormaakt, en toch niet
doormaakt. Niet doormaakt in de zin van dat je je er totaal niet door
gebonden voelt. Daarbij ervaar je tegelijkertijd ook een oneindige
rijkdom van andere beelden, een mengeling van allerlei werelden, die nu
evenveel, maar ook even weinig recht van bestaan hebben, als de jou
voorheen als reëel ervaren wereld. En in die ineenvloeiende kleurenzee,
zonder scheiding, zonder zekerheid, en toch zonder beweging, in die
chaos zonder wanorde, zie je een weg, die je vanzelf volgt, maar ook
net zo goed niet zou kunnen volgen. Je erkent je "Vrije Wil", voor
zoverre die vrij was zich aan deze maatschappij, waarin causaliteit de
wet uitmaakt, te onttrekken en vrij te blijven. Dan pas heeft je vrije
wil de juiste koers gevonden, die hij vrij en omkeerbaar volgt. Want
het Zelf gaat gestaag en omkeerbaar zijn eigen weg, en alle uit het
Zelf voortkomende beelden hebben een richting die daar parallel aan is
en die ze gestaag en omkeerbaar volgen. Je voelt je dan vrij, om al dan
niet in de boeien van veelheid, scheiding, tijd, ruimte en bewustzijn
van je lichaam terug te keren, maar je doet het niet. Of beter gezegd,
je doet het tegelijkertijd wel en niet. Terwijl je er vrij buiten
blijft, leef je je gebonden lichamelijke leven in de mensenwereld
lucide verder. Je leeft geketend en beseft hoe je die ketenen zelf
vrijwillig aanvaardt en hoe ze slechts aanwezig zijn, zolang je
vrijwillig in de mist loopt. De gebeurtenissen volgen elkaar op in de
door de causaliteit bepaalde tijd, omdat je zélf in die mist de
gebeurtenissen in die volgorde wilt zien. Maar door de muren van de
causaliteit heen, glijden en vloeien voortdurend de "wonderen", die
alleen voor de vrijen, de verlichten, zichtbaar zijn. Je ziet hoe de
"wonderen" voortdurend in deze geketende wereld doordringen en hoe de
onzichtbare wrekende handen, die de eeuwige Gerechtigheid handhaven,
zich manifesteren. Maar ook merk je hoe boven de fysieke causaliteit
een duidelijke stroom in je eigen levensloop valt te bespeuren,
gedirigeerd door het Zelf, en parallel met de stroom van het Zelf,
en hoe het zogenaamde toeval
met vaste wonderbaarlijke hand
wordt bestuurd.
En door je wijsheid
leef je in een bestendige vreugde
je leven in deze tragische wereld,
en beseft: ,Er is geen kwaad, en geen gevaar;
mij kan niets overkomen."
"Ik ben een kind, door God bemind,
en voor het geluk geschapen."
Je reis door deze trieste wereld is dan een gestaag voortgaan
in een lichte kleurrijke wolk en in liefde voor al het vanzelfsprekende
daarin. In liefde, ook voor je dwalende en hunkerende medemensen. Want
je ziet de wereld niet meer als een van het Zelf gescheiden
werkelijkheid, maar gestuurd vanuit het Zelf en met het Zelf
meestromend. Je voelt je almachtig, want je wilt alleen, wat met die
stroom meegaat, en daarbij zullen bergen voor je wijken. Je voelt je
alwetend, want je voelt in alle emanaties hoe in de tijdloze stroom
verleden, heden en toekomst in jezelf samenvallen. Zo vraag je je niet
af, wat je moet doen. Je doet het Goede vanzelf. Zo
verlang je ook niet om iets te begrijpen, want alles is
vanzelfsprekend.
En steeds speelt op de achtergrond een pijnloze onvrede over jezelf, en
de overtuiging dat alle vroeger ondervonden ellende je eigen
verantwoordelijkheid was. Je had namelijk het Zelf losgelaten en je
geketende bewustzijn was zonder zijn leiding. Je bewustzijn had massa
en traagheid gekregen en volgde dwalend niet-omkeerbare wegen, heen en
weer geslingerd door Verlangen én Angst.
Je ziet dan hoe angst en zuinigheid, die het resultaat zijn van het je
overgeven aan de illusie van tijd en verlangen en zucht naar macht, die
het resultaat zijn van het je overgeven aan de illusie van ruimte, je
geleerd hebben, die eigenschappen als op zichzelf staande te zien. Nu
besef je dat het maar irreële vluchtige uitingen van het Zelf waren,
die met datgene waaruit ze voortgekomen waren, niets te maken hadden.
En je zult zien hoe de dwaalwegen van verlangen en angst de dwaler tot
ploeteren leiden. Tot de moeizame arbeid in het zweet zijns aanschijns,
die steeds nieuwe onomkeerbare veranderingen en een steeds diepere
ellende met zich meebrengt. Zo bezie je dan met een glimlach de
werkelijkheid van de tragiek van deze maatschappij, je vroegere
illusie, met daarin de illusie van je eigen Angst en Verlangen, arbeid
en pijn. Maar daar wordt je geluk niet meer door vertroebeld. Want ook
dát is een irreëel hersenspinsel. Het hersenspinsel van verdriet en
herinnering.
III
En even onberoerd aanschouw je dan de door Angst en Verlangen
gevallen en dwalende mensheid. Gevallen en dwalend door zuinigheid en
zucht naar macht, door tijd en ruimte en zonder vleugels, om zich
daarmee naar Zelfinzicht te verheffen. Onwrikbaar vastgeketend aan het
kind van Tijd en Ruimte, het verstand, dat bij de mensheid in het hoofd
versteend is. Dat is het symbool van de val van de mensheid. Wilde
stammen zien koppensnellen als een reinigingsproces en ervaren het als
het summum van genot, wanneer ze dat bij de meest ontwikkelde volkeren
in praktijk brengen. Daar schuilt een diep wijsgerig inzicht in.
Namelijk, dat in de levende natuur een grotere differentiëring met een
zwaardere verdoemenis gepaard gaat. Dat inzicht zit bij hen niet in het
hoofd, maar in het hart.
Het hooggeachte verstand stelt de mens dus in staat en dwingt hem
tegelijkertijd, om in Verlangen en Angst verder te leven, in plaats van
dat het hem tot middel dient om voor zijn eigen bestwil, zijn toevlucht
in Zelfinzicht te zoeken. Het dient tot middel om de verbijsterende
tegenstrijdigheid van de dwalende denkbeelden op te heffen door ze, in
plaats van afzonderlijk met het Zelf, met elkaar in verband te brengen.
Zo blijft de mens zich vastklampen aan de schijnzekerheid van een eigen
hoogmoedig gecreëerde en aan causaliteit gebonden, "werkelijkheid",
waarin hij zich uiteindelijk volkomen machteloos zal voelen.
Dat verstand doet in het Leven van Verlangen van de mensen satanisch
dienst door tussen de twee hersenspinsels, doel en middel, een verband
te leggen. Het intellect reikt de mensen, gefixeerd op het verlangen
naar het ene ding, het streven naar een ander ding als middel daartoe
aan. Bijvoorbeeld het maken van een dam om de bedding van een rivier te
verleggen. Het huis in brand steken om op een ander zijn jaloezie bot
te vieren. Om veilig voor roofdieren te zijn, zijn huis op palen
bouwen. Om de zon op zijn huis te laten schijnen bomen om te hakken.
Met die omkering in het waarnemen van doel en middel gaat een
verandering van het lichaamsgevoel gepaard. Men kan dan ook een
verandering in de bloedverdeling waarnemen, die van het hoofd uitgaat.
Ook hierin zie je hoezeer hoofd en verstand met elkaar verbonden zijn.
De daad, die het middel zoekt, mist nu echter altijd enigszins doel.
Het middel heeft een richting, die een hoek, zij het een kleine, maakt
met de richting die naar het doel wijst. Het werkt dus, behalve in de
richting van het doel ook nog op andere vlakken, een werking die, als
men die niet in de gaten zou houden, misschien zeer schadelijk zou
kunnen zijn. Maar het gaat nog verder. Langzamerhand verliest de
aandacht het doel geheel uit het oog en ziet alleen nog het middel. En
in deze trieste wereld, waar uit Angst en Verlangen tegelijkertijd met
het verstand, Dressuur en Imitatie zijn voortgesproten en waarin
niemand het hele mensengedoe meer overziet, zien velen een doel in wat
oorspronkelijk een middel was. Zij jagen dus een, laten we zeggen, doel
van de tweede orde na, waarbij misschien wéér een middel ontdekt wordt.
En dat maakt opnieuw een kleine hoek met het bijbehorende doel. Wordt
op die manier die verleidelijke sprong van doel naar middel enige malen
herhaald, dan kan het gemakkelijk gebeuren, dat uiteindelijk een
richting wordt ingeslagen, die behalve haar afwijking op andere
vlakken, ook nog eens met de aanvankelijke richting een stompe hoek
maakt en haar dus tegenwerkt. De industrie leverde oorspronkelijk haar
producten met het doel om daarmee in de natuur een milieu met zo
gunstig mogelijke voorwaarden voor het menselijk leven te scheppen.
Daarbij verloor men uit het oog, dat die producten zelf uit natuurlijke
producten vervaardigd werden, waarbij men de natuur verstoorde. Zo werd
het evenwicht van de menselijke levensvoorwaarden verbroken, wat meer
nadeel opleverde, dan de industrieproducten ooit aan voordeel zouden
kunnen opleveren. Al het benodigde houtmateriaal heeft bijvoorbeeld
zoveel bos doen verdwijnen of verknoeid, dat in gematigde gewesten
bijna geen voedselgewassen voor de mens meer vanzelf groeien. En verder
ging men het produceren van de industriële producten als doel op zich
zien. Bij het nastreven daarvan, werden nieuwe industrieën in het leven
geroepen om werktuigen te leven om de oude productie te vereenvoudigen.
Dat gaf opnieuw een knauw in het oude evenwicht. Kortzichtig ging men
in verre landen grondstoffen halen, wat handel en scheepvaart in het
leven riep, met alle lichamelijke en morele verschrikkingen en
onderdrukking van de volkeren onderling van dien.
Omdat men wanhopig het Zelf, dat alles van verleden en toekomst weet,
had verlaten ontstond daarbij ook nog onzekerheid omtrent de toekomst.
Onzekerheid omtrent de toekomst en de wens om vooruit te kunnen zien.
Die onzekerheid riep de wetenschap, die oorspronkelijk in dienst van de
industrie stond, in het leven. De wetenschap, die in en over de
buitenwereld generaliserende stellingen poneert, die Deo volente,
zullen uitkomen. Maarals die dan onjuist blijken roepen de mensen: "O
ja, we hadden die en die stilzwijgende vooronderstelling gemaakt," Uit
machteloosheid gaan ze de stelling vervolgens ingewikkeld maken en
zogenaamd verbeteren. Maar het blijft niet bij een wetenschap in dienst
van de industrie. Het middel wordt weer doel op zichzelf. Men gaat
wetenschap bedrijven om de wetenschap. Inmiddels is het lichamelijke
bewustzijn zover afgedwaald, dat het uitsluitend in het hoofd is
geconcentreerd en dat de rest van het lichaam volledig genegeerd wordt.
Tegelijkertijd raakt de mens overtuigd van het bestaan van zichzelf als
zelfstandig individu en van een daarvan gescheiden en onafhanke-lijke
buitenwereld. Nu treden pas echt in alle hevigheid veranderingen in de
aandacht op, die hier het wetenschappelijk denken vormen. Want een
richting van de wil, die tot het hoofd beperkt is, is een
wetenschappelijke overtuiging. Een wetenschappelijke waarheid is niet
meer dan een zekere verdwazing van het, hier uitsluitend in het hoofd
levend, verlangen. Het onbehagen van elke wetenschap wordt dan ook
steeds groter. Klimt ze te hoog, dan wordt ze door een nóg grotere
inperking aan het oog onttrokken, doordat de basis van die wetenschap
als iets zelfstandigs buiten de wetenschap zelf gezien wordt. Men gaat
op zoek naar de "grondslagen" van die wetenschap, wat al gauw een
nieuwe wetenschap wordt. Men gaat op zoek naar de gemeenschappelijke
grondslagen van de wetenschap en beoefent "kennistheorie". Maar het
onbehagen groeit steeds verder, totdat alle koppen in de war raken.
Sommigen houden er tenslotte gewoon mee op. Hebben ze b.v. lang
nagedacht over het ongrijpbare verband tussen het waarnemend
bewustzijn, dat zich tegelijkertijd met het buiten de wereld leven
ontwikkelt, en die buitenwereld zelf, die zelf weer alleen bestaat door
en in vormen van het waarnemend bewustzijn - een probleem dat uit de
vergissing van het funderen van een eigen wereldbeeld voortgesproten is
- dan stoppen ze het, eveneens en tegelijkertijd met dat wereldbeeld
zelfgecreëerde Ik, in het gat en zeggen: Ja, er moet natuurlijk wel
iets onbegrijpe-lijks overblijven, want ik ben het zelf, die het moet
begrijpen. - Maar er zijn er ook, die van geen ophouden weten en die
tot in het absurde doorgaan. Ze worden kaalhoofdig, bijziend, corpulent
en hun maag werkt niet meer. En steunend van de astma en maagkwalen,
verkeren ze in de
illusie dat het evenwicht op deze manier bereikbaar is en dat ze er
bijna zijn.
Dit over de wetenschap. De laatste bloem en de verstarring van de
cultuur.
De door de menselijke cultuur voortgebrachte levensomstandigheden halen
het niet bij de haar oorspronkelijk gegevene. Erger nog. Niemand had
baat bij wat er bereikt werd. Ieder individu bleef zijn leven
voortslepen in het leefklimaat van een van de hulpindustrieën. Wat een
milieu vergeleken bij maagdelijke natuur die de naakte en onbedorven
mens oorspronkelijk geboden werd! De weinige met het vermogen om, van
datgene wat bereikt werd, in vrijheid te genieten, wisten daar door hun
verdorven instincten geen raad mee!
De volken slepen elkaar mee in de ellende van de cultuur, omdat de
cultuur het van de natuur wint. Het is toch bekend, dat kleinzieligheid
en laffe berekening altijd over heldenmoed zegevieren. Heldendom is
immers niets anders, dan onverzettelijk een halt toeroepen aan de
eeuwige spreuk: "Het doel heiligt de middelen!" Een halt toeroepen aan
het eindeloze werk van het intellect en aan het eindeloze door elkaar
halen van doel en middel. Maar aan de andere kant is ook de, aan het
oorspronkelijke doel, tegenwerkende kracht van de intellectuele
verwikkeling zo groot, dat wie uit een toestand van volledige naïviteit
opeens met volledige inzet een of ander handwerk of wetenschap ter hand
neemt met een wat dat betreft onbedorven lichaam of onbedorven
verstand, steeds de meerdere is van wie daarin een lange "Bildung"
achter de rug heeft. De Boeren en Japanners, die zich uit het niets op
de moderne oorlog storten, presteren meer dan de Engelsen en Russen. En
dominee Felke geneest met gezond verstand en zelfvertrouwen meer zieken
dan medische professoren.
Door alle bomen zien de cultuurmensen het bos niet meer. Sterker nog,
ze weten niet eens meer, dat er een bos is. Wie zich afvraagt, waarvoor
hij eigenlijk leeft, wordt in het dagelijkse leven, waarin eigenlijk
juist alleen die vraag zinnig is, voor gek versleten. In het gekerkerde
leven van Verlangens en Angsten van deze maatschappij is voor die
vraag- naast de massapsychose van een systeem dat een aantal dingen,
van wijn en rijkdom tot liefde en wijsheid toe, op zichzelf
begerenswaard heeft bepaald en een aantal dingen, van tocht, kou,
honger en armoede tot moord en overspel toe, op zichzelf angstwekkend
bepaald heeft, - geen plaats. Het is een systeem, dat men met moeite
maar tevergeefs in stand probeert te houden. Het wemelt van allerlei
behoeften die voor eigen bevrediging elk voor zich tot moeizame arbeid
noden, wat weer het onbevredigd blijven van andere behoeften betekent.
Zo blijft uiteindelijk elke bevrediging illusoir. Ieders aardse leven
eindigt met een grote onvoldaanheid en de ineenstorting van het
systeem. Met de dood stort alles in. De dood loochent hun hele leven.
Hij is de gewelddadige manifestatie van het Zelf in deze afgegrensde en
zelfgecreëerde maatschappij. De dood betekent de onvermijdelijke
instorting van de hoogmoedig gebouwde toren van Babel.
Het Zelf manifesteert zich echter in dit bekrompen leven ook al
vóór de dood, in de vorm van het geheel van verlangens en in het, door
het verstand als drager van de dwaasheden en verzelfstandigde
verlangens en angsten van de mens, geconstrueerde wereldbeeld. Dáár
laat het Zelf van zich horen in het spreken van het Geweten, de weemoed
over het verloren Paradijs en in het vage bewustzijn van het stille
levensgeluk, dat de mensen oorspronkelijk was toebedeeld. En in de hang
naar zaligheid, naar religieuze zekerheid en naar het vrije leven in
overgave die, aangepast aan deze tragische wereld, honger naar het
hogere, verheffende en transcendente wordt.
Maar het Geweten, dat in deze ingeperkte wereld spreekt, wordt gesust.
Binnen de afgesloten categorieën dringt het wel door, maar binnen die
categorieën wordt de aandacht er van afgeleid - door sterke prikkeling
en door overdadige bevrediging van andere behoeften - of het wordt dóór
die aandacht geassimileerd - dat wil zeggen dat het als een behoefte
binnen het gesloten systeem wordt gezien, die binnen dat systeem
bevredigd moet worden.
Beide manieren van het sussen van het geweten, die eigenlijk aanleiding
tot boetedoening en inkering zou moeten zijn, worden door de industrie
ingelijfd en verkracht tot een stimulans voor nieuwe doelstellingen en
nieuw genot.
De hele genotmiddelenindustrie en het publieke vermaak, van kaartspel
en wijn tot de meeste Fraaie Letteren toe, bestaat uit het sussen van
het geweten door het afleiden van de aandacht.
Ook de kunst- en poëzie-industrie enerzijds, en de godsdienst-industrie
anderzijds, ontlenen hun bestaan aan het sussen van het geweten door
aanvaarding en schijnbevrediging van de verlangens binnen het gesloten
systeem. Daarin leeft het Zelf, maar wordt door zijn eigen kinderen
verloochend en in de boeien geslagen. De muziek is verworden tot een
grof-zinnelijk gevoel voor maat en deun. Het hopsasa en de taal,
waartoe de poëzie veroordeeld is, is niet minder verwerpelijk. Datgene,
wat van alle verlangen, genot en angst af zou moeten leiden, dient
slechts als een nieuw genot en brengt mensen niet van hun verlangens
af. Zoals ook de mooie bloemen in de natuur en die andere mooie
bloemen, de vrouwen, niet als mooi worden gezien, maar met het
verlangen om ze te plukken en te bezitten. Zoals maagdelijke wouden
slechts met verrukking worden aangestaard, om ze in cultuur te brengen.
In de toren van Babel veroordeelt de Bijbel alle bouwen en menselijk
scheppen, maar de religie prijst als haar fraaiste tempels die
bouwsels, die het menselijk scheppen en eerzucht het zuiverst
uitkristalliseren. Terwijl ze alle angst zou moeten uitbannen, bood de
religie, juist inspelend op die angst, een enerzijds geruststellend en
anderzijds bangmakend geloof, dat rationeel in stand moet worden
gehouden. De kunst, die van de vaste vormen zou moeten bevrijden, wordt
overal in vaste vormen vastgelegd. En terwijl ze eigenlijk zou moeten
dienen om alles af te leren, zijn er scholen voor: men kan kunst leren.
Kunst en religie zijn in deze maatschappij slechts een
morfine-industrie op grote schaal. De hang naar een beter leven wordt
ermee gesust en verdoofd. Alleen iemand, die een radertje in het
mechaniek van de maatschappij is en daarmee het heilloze massawerk
helpt continueren, wordt met rust gelaten. Kunst en religie sussen hem
in slaap en verdoven hem door hem in boeken en op het toneel
hervormers, revolutionairen, kluizenaars, diepe minachting voor wet en
gezag en zelfverloochening, vrijwillige armoede en honger, een vrij
leven, een loochenen van de buitenwereld, onverschilligheid voor
tegenspoed en het Koninkrijk Gods voor te spiegelen. Daar zal hij met
diep ontzag die mensen en evangeliën vereren. Maar als hij zo iemand in
levende lijve tegen zou komen, zou hij hem, verontwaardigd en bang, in
de gevangenis of het krankzinnigengesticht op laten sluiten. Een
moeilijk leven vol gevaren en magische krachten, waarin je ieder
ogenblik de dood in de ogen kunt zien, maar waarin ten slotte de
Rechtvaardigheid en het Zuivere Geweten zegeviert, kortom een leven,
zoals wij het uit schuldgevoel zouden moeten leiden, maar dat we
angstig ontvlucht zijn, is verbannen naar roman en melodrama. Dáár
wordt het graag bewonderd, maar in het dagelijks leven gruwt men van
zoiets. Het werkelijke leven eist aankleding, voor lichamen, gesprekken
en omgang. Het hoort niet méér van zich te laten zien, dan wat bij het
bekrompen leven hoort: het Hoofd, het Intellect en de in de
maatschappij verrichte daden. Het hoort ook niet méér van elkaar te
willen zien. Door derden verraste intimiteit wekt schaamte op.
Maar Zelfinzicht ziet al die geklede lichamen, levens en opvattingen
als lelijk, afschuwelijk, als innerlijk tegenstrijdig en als
karikaturen. De Heiland uitgezonderd, kan iedereen als een karikatuur
beschouwd worden.
Naaktheid, in de ruimste zin des woords, wordt slechts in het
afgesloten intellect bewonderd. Men gaat niet daadwerkelijk over tot de
lange moeizame tocht vol pijn in ziel en stoffelijke leven, vol smart
en ziekte, van het opgeven van het intellect en dan een voor een van
alle hartstochten, waarbij elke stap nieuw verdriet en
noodzakelijkerwijs een nieuwe stap teweegbrengt. Waarbij men zich pas
langzaam voelt herrijzen tot die uiteindelijk doorbrekende met
littekens overdekte naaktheid. Er is geen rustpauze op die weg. Wie
eenmaal begonnen is en dán blijft staan, heeft het nog moeilijker, dan
wie rustig blijft zitten waar hij zit. Zo is een vegetariër, die in
zijn oude omgeving blijft hangen, een onmogelijkheid. Zo'n situatie
volhouden, toont een meer dan gemiddeld onbeschoft gedrag en laat zien
dat het vleeseten niet uit een innerlijke drang, maar uit een
bespottelijke wens of een bespottelijke na-aperij wordt nagelaten. De
vruchten van onze beschaving en macht over andere mensenrassen staan in
nauw verband met ons vleesgebruik. Zo'n vegetariër is dus een parasiet.
Die parasiterende halfslachtigheid gaat voor de meeste mensen, die
vegetarisme, Vrije Liefde en anarchisme in praktijk brengen, op. De
sociaal-democratie is, vergeleken met al die kleine evangelietjes, van
die weerzin-wekkendheid vrij.
De immorele en ontaarde levens worden in de lelijkheid en ziekelijkheid
van de lichamen weerspiegeld. Al die geklede en gekunstelde mensen, die
starre maskers van automaten, laten het onbedorven instinct schrikken.
En ook hier wordt de hang naar beter gesust. De medische industrie
tracht voor de verbannen lichamen een quasi-normale toestand te
handhaven. De honger naar vechten en leven in de vrije natuur wordt
door dieetvoorschriften en medicijnen afgeleid en de hang naar
buitenlucht wordt met name door overvoeding afgeleid. Gymnastiek en
sport sussen het lichamelijke geweten door schijnbevrediging. En in
badplaatsen en sanatoria heeft de vis medicatrix naturae, die de
meedogenloze doodsvijandin van de cultuur zou moeten zijn, in dienst
van haar overweldigster, nederig het lakeienkleed aangetrokken.
De medische industrie was bij barbiers en kwakzalvers in juiste handen.
Bedreven als medische wetenschap in het afgesloten intellect, treft ze
veel minder doel.
Ook binnen het gesloten systeem van de wetenschap schept de
manifestatie van het Zelf behoeften, die binnen datzelfde systeem
bevredigd worden. Ook in de wetenschap bestaat honger naar iets hogers,
maar die wordt gestild met openbaringsgeloofsartikelen, metafysica,
moraal- en kunstfilosofie, spiritisme en theosofie, die allemaal de
mens aan de misstappen van de wetenschap overgeven, aan het geloof in
werkelijkheid en logisch denken. Ook hier bestaat in plaats van een
reddende vlucht uit aardse ketenen, slechts stolling tot ongevoeligheid
in een schijnevenwicht, ten koste van een steeds verdere complicatie
van de behoeften, steeds slechtere levensomstandigheden, steeds
zwaarder werk en een steeds verder afdwalen.
Een enkele maal breekt het Geweten in deze maatschappij door, verlost
van de banden met die tragische wereld. Zo manifesteert zich bij velen
rond de achttien jaar een zuiver centrale en niet zomaar artistieke
bewondering voor Dromers, Monniken en Kluizenaars en enkele van hen
kunnen niet anders, dan zich min of meer weigeren te buigen voor wat de
bezadigden het Leven noemen. Zij kunnen niet anders dan een
hartgrondige, dat is een in het hart en niet in het hoofd gegronde,
spot voelen voor alle vruchten van de cultuur, voor alle medearbeiders
in de maatschappelijke chaos, voor alle medebouwers aan de toren van
Babel, voor alle talentvolle koorddansers en goochelaars, die trots
zijn op iets, waarvoor ze zouden moeten vluchten en zich zouden moeten
schamen, en voor maatschappijverbeteraars van alle gezindten, die doen
alsof God ons in het Leven geplaatst zou hebben om Zijn werk te
verbeteren.
Maar dat vrije Geweten blijft niet in leven. De dressuur, die het
inspint, ligt op de loer. Eerst beseffen ze dat er geen werk te
verrichten is en dat er niets moois en niets belangrijks is. Vervolgens
gaan ze zoeken naar wat nog mooier en nog belangrijker is, dan wat de
mensen vragen. En uiteindelijk buigen ze het hoofd nog verder en worden
een eerzaam lid van de samenleving, lakei in het grote paleis van
verdorvenheid. Ze worden Lakeien met al hun lafheid voor de meester en
al hun wreedheid voor de vreemdeling, met verachtelijk en vernederend
werk, parasiteren tegelijkertijd stuitend onrechtvaardig en zijn bang
voor het eigen vege lijf.
IV
Je ziet nu dat deze dwalende maatschappij alleen bestaat, doordat
ze dwaalt. Door haar niet "doing right". Een rechtvaardige
wereld is voor jou even ongerijmd, als je eigen sterfelijkheid.
Dwaasheid en ongeluk sturen, met elkaar in evenwicht, deze
maatschappij. En een streven naar een betere orde, zou slechts een
druppel meer in die zee van dwaasheid betekenen. Voor een door jou als
werkelijk ervaren wereld is het essentieel, dat ze vol is van strijd en
strijdige, met elkaar onverzoenlijke belangen en dat ze altijd naar een
uitwendig evenwicht zoekt, dat met een uiterlijk bestaan onverenigbaar
is. Elke poging om de onevenwichtigheid op te heffen geeft slechts een
verplaatsing van die onevenwichtigheid. Het is onvermijdelijk dat een
uiterlijk zichtbare wereld op de illusie van de vrije wil leeft. Zo
zoekt ze naar geluk, terwijl die wil toch onlosmakelijk in de
causaliteit gevangen zit. Zo komt het dat alle machtsontplooiing, elke
krachtige levensuiting en alle bloei en groei, als men wil wel plaats
zal vinden, maar om, ondanks alle benauwde geploeter om het eenmaal
bereikte te handhaven, helaas weer te vervluchtigen. Over alles wat op
deze aarde tot stand gebracht is, vertelt het korte verhaal in twee
bedrijven, genaamd: "Grandeur" et "Décadence", en:
"In Gods raadsbesluit is verordend
Dat men van het liefste wat men heeft -
Moet scheiden."
Zo heb je je dus neergelegd bij deze dwalende wereld en vindt
haar troosteloosheid vanzelfsprekend. Sterker nog. Je voelt het als je
onontkoombare karma, waarmee je je verzoend hebt en dat je moet
vervullen. Jij, die weggedreven bent uit het Zelf, en die je geplaatst
ziet in het leven, waar pijn en werk, verlangen en angst, je deel zijn
en alle Waarheid voor je verhuld is. Je ziet dat leven als de weg van
je plicht, en leeft het, alsof het uit je Zelf gestuurd wordt. Dat wil
zeggen dat je alle aardse banden die je onontkoombare karma vormen, als
rechtmatig beschouwt, en dat die zo lang blijven bestaan, tot God je
ervan verlost. Laat je niet door nieuwe verlangens daarvan afwijken en
verzwaar je karma niet ondoordacht. Maar probeer ook niet beter te
willen zijn, dan je bent, want dát zou een vrijwillig volgen van een
onjuist verlangen betekenen. Tracht ook niet de wereld beter te willen
hebben dan ze is, want dát zou een onjuiste zucht naar macht inhouden.
Zeg liever: "Wat is nou een God, die geen vlees wordt in een tragische
wereld?"
"Het verlangen dat van de
Goddelijke kracht naar de natuur uitgaat, waaruit de natuur en de vrije
wil ontstaan zijn, smacht naar verlossing van de natuurlijke (wereldse)
vrije wil. Datzelfde verlangen is samen met het stempel der natuur in
jouw wil geplant, om reden dat zij daarmee God heeft binnengehaald. Aan
het einde der tijden zal zij van de van de opgezadelde ijdelheid van de
natuur verlost worden en uitmonden in een kristalheldere natuur.
Dan zal het duidelijk worden waarom God haar in de tijd opgesloten en
aan de pijn van het lijden onderworpen heeft, namelijk omdat de mens
door de natuurlijke pijn door vormen, gedaante en sterfelijkheid zijn
eeuwige kracht zal ervaren en dat hem zijn scheppende leven in die tijd
en ook zijn spel van verzet tegen de Goddelijke wijsheid onthuld zal
worden. Want door de dwaasheid openbaart zich de wijsheid, omdat de
dwaasheid zich eigen macht aanmeet, maar een andere basis en oorsprong
heeft en eindig is. Zo wordt het eeuwige leven door de dwaasheid
tentoongespreid, opdat daarin een lofprijzing ter ere van God opwelt en
het eeuwige, onveranderlijke in het sterfelijke gezien wordt."
"Opdat je de eeuwige gelukzaligheid in jezelf zult ontdekken, moet de
felheid van de kwelling - niet al horend bij de werkelijkheid, maar als
een mogelijkheid tot verandering of ontrouw - leiden tot de
gelukzaligheid en moet de duisternis leiden tot de openbaring van het
licht, opdat je de openbaring van het licht zult ervaren. Was je
volmaakt gebleven, het was niet nodig geweest. Uit het tegenstrijdige
zul je begrijpen wat liefde en lijden zijn." (Jacob Boehme, Theoscopia).
Zo zul je je dan met jouw wereld verzoend hebben en die niet
proberen te veranderen. Zo zul je werken, eten en slapen en rondreizen
in jouw wereld, omdat je het als je onontkoombare karma voelt. En juist
daardoor, door je nederigheid, zul je zoveel te meer in de volheid des
Heren groeien, die je, los van je plicht, beschermt voor verlangens en
angsten.
V
Het verstand is onlosmakelijk verbonden met de taal. Het leven met
het verstand maakt het onmogelijk, om op directe wijze - door gebaar en
oogcontact, instinctief, of nog materielozer, over elke scheiding in
afstand heen - met elkaar te communiceren. Dus gaan de mensen zichzelf
en hun kroost dresseren in het maken van contact door middel van tekens
in de vorm van grove klanken. Dat gaat moeizaam en nogal onbeholpen,
want nooit nog heeft iemand door middel van de taal zijn ziel aan een
ander kunnen blootleggen. Taal kan alleen een bestaande onderlinge
verstandhouding begeleiden. Waar twee mensen toch al dezelfde
verlangens en behoeften hebben, maar de stuurloos dwalende verlangens
ieder ogenblik dreigen om op zijpaden van elkaar af te drijven, houden
ze elkaar door het gemeenschappelijke van de taal moeizaam en
angstvallig bijeen. Alleen in zéér eng afgegrensde hersenspinsels,
zoals die uitsluitend in intellectuele wetenschappen - die geen
enkel verband met de werkelijkheid hebben die dus het minst met het
eigenlijke mens-zijn te maken hebben - voorkomen, is het elkaar
begrijpen vrij lang en goed vol te houden. Over "gelijk" en over
"driehoek", zal weinig misverstand mogelijk zijn. Toch zullen daarbij
twee personen nooit precies hetzelfde voelen, en zelfs bij de meest
nauw omschreven wetenschappen, de logica en de wiskunde, die eigenlijk
niet scherp van elkaar te onderscheiden zijn, zullen bij de
grondbegrippen, waaruit ze zijn opgebouwd, geen twee mensen hetzelfde
denken. Maar toch loopt hier de wil bij beiden parallel. Bij beiden
wordt op dezelfde wijze, door een klein onbelangrijk gebied in het
hoofd, de aandacht afgeleid. Zo beantwoordt de taal ook aan haar doel,
waar een aantal mensen samen tegen de vijand vechten, of samen een huis
bouwen of een brug, of samen handel drijven of bezig zijn een koop te
sluiten, dat wil zeggen, om de wil van de afzonderlijke personen in
hetzelfde spoor te houden.
Maar het gebruik van de taal wordt ridicuul, wanneer het gaat over
subtiele nuances van de wil, zonder dat naar die nuances wordt geleefd.
Zoals bij zogenaamde wijsgeren of metafysici die het met elkaar hebben
over moraal, over God, over bewustzijn, onsterfelijkheid en de vrije
wil. Mensen, die elkaar niet eens liefhebben, laat staan dat ze een
onderling begrip in de subtiele bewegingen van de ziel delen. Ja, die
elkaar soms zelfs niet eens persoonlijk kennen. Dan praten ze óf langs
elkaar heen, óf ze bouwen een logisch systeempje, dat alle verband met
de werkelijkheid mist. Want logica is leven in de hersenen en kan dan
wel het leven daarbuiten begeleiden, maar kan het leven nooit
eigenmachtig een richting opsturen. Het met elkaar eens zijn kan schijn
en logica met voeten treden. Zo kan het gezamenlijk zeggen: "er is geen
kwaad" en "er is niets dan kwaad" slaan op eenzelfde "het met elkaar
eens zijn."
Het gebruik van de taal is ook ridicuul, waar een meningsverschil is en
waar men door redeneren probeert het eens te worden. Beide partijen
verkeren daar zodanig onder invloed van de publieke massapsychose, dat
ze zich zouden schamen toe te geven dat ze "onredelijk" zijn, dat wil
zeggen toe te geven, dat ze iets anders zoeken, dan het
quasi-algemeengeldige, de door de maatschappij voorgehouden hersenschim
van het "goede" en "juiste". En zo kan hier dus de taal, die van een
verlangen naar hetzelfde uitgaat, een gevecht vergezellen. Maar
uiteindelijk zouden ze net zo goed kunnen zwijgen. Ze spelen niets
anders dan hun wil uit, spelen op elkaars verlangen en angst in en dan
wint de sterkste.
Ook in de conversatie is de taal ridicuul. Ieder bazelt, maar het is de
kunst te bazelen, zonder dat het ridicule de, binnen het gezelschap
heersende, conventies doorbreekt. Die kunst om anderen de loef af te
steken, hú n ridiculiteit bloot te leggen en zelf voortdurend binnen de
perken en gedekt te blijven en daarbij toch de subtielste onderwerpen
aan te durven raken, is een virtuositeit, die vooral in Frankrijk hoog
in ere staat en waarmee men de naam van "spirituel" verwerft. Zulke
spiegelgevechten zijn ten minste meer te verteren, dan de would-be
ernstige prietpraat over kunst en politiek.
Komisch wordt de taal in de conversatie tussen jongens en meisjes. Hier
is de goede verstandhouding van tevoren al in orde en heeft
allesbehalve de hulp van de taal nodig. Zij dient hier juist om de
goede verstandhouding te verdoezelen, in dienst van de schaamte, die
haar niet onder ogen durft te zien. Zij dient hier, om door grappen de
ernst te verhullen. Ernst is in zo'n gesprek alleen geoorloofd, waar
het gedwongen samenzijn tot een plichtmatige uitwisseling van enige
volzinnen noopt. Zo gauw men ernst tussen de beide seksen binnen laat
sluipen, gaat al het edele van de schroom verloren. Wie ernst heeft
laten zien, kan niet alles meer laten zien. Hoewel gespeelde ernst, een
soort van speelse behaagzucht, vaak het enige verdedigings-middel tegen
onbeschaafde indringers van de eerbaarheid is.
Het toppunt van weerzinwekkendheid hierin wordt bereikt in
verenigingen, zoals er onder Amsterdamse studenten een bestaat, waar
mannelijke en vrouwelijke leden gezamenlijk "het seksuele vraagstuk
bestuderen", zoals ze het noemen. De vereniging noemt zich "Ethos", en
is het meest liederlijke wat zich tot nu toe publiekelijk heeft durven
vertonen. Dat het in deze maatschappij mogelijk is, bewijst slechts,
hoe ver het kritisch besef van de mensen van hun basale instincten
afgedreven en rationeel ingekapseld is.
In het dagelijks leven heeft de taal alleen zin om de al gelijkgestemde
wil van twee personen op hetzelfde spoor te houden. Daarbij heeft men
aan het geloof in een voor alle mensen geldende, buiten hen en
onafhankelijk van hen bestaande werkelijkheid, een zo'n belachelijke
waarde toegekend, dat "de waarheid spreken" vaak minder doeltreffend
is, dan het zogenaamde "liegen". Als iemand gevangen zit in het geloof
aan een logisch samenhangend complex van uiterlijkheden, dat hij
werkelijkheid noemt, (wat moeiteloos in een bepaald gebied van de
hersenen te lokaliseren valt) dan is het vrijwel onmogelijk hem in die
onzin te volgen. Men zal dan op z'n minst moeten overdrijven om toch de
gewenste stemming bij hem op te roepen met woorden, die door hem zelf
als overeenkomstig zijn werkelijkheid geaccepteerd worden. Zo kunnen de
subtiele plagerijtjes, die een man zijn vrouw aandoet, een
buitenstaander misschien niets zeggen, maar hij zal ze wel enigszins
kunnen aanvoelen, als hem bepaalde tastbare feiten, die wel niet echt
gebeurd zijn, maar die in die bewuste relatie als uiterste consequentie
mogelijk zouden zijn, als echt gebeurd worden verteld. De aandacht kan
zich zo moeilijk uit het intellect losmaken, dat alleen buitengewone
feiten nog tot het basale gevoel van de mensen doordringen. Met de taal
als slavin van de waan van de werkelijkheid, is de wáárheid niet te
zeggen.
Trachten niet de "comédie de caractére" en het naturalisme op dezelfde
manier een blik op de wereld als werkelijkheid mee te delen, door die
werkelijkheid te overdrijven of te verzinnen? En onderscheidt zich op
dezelfde manier de schilderkunst niet van het kopiëren van de natuur?
Zoals taal het willen beheersen van elkaars wil, het willen samenhouden
van elkaars wil kan begeleiden, zo begeleidt het krijgsgeschreeuw van
de Indianen het willen breken van elkaars wil.
De taal is op zichzelf zinloos, en alle wijsbegeerte, die daarmee
zekerheid wilde brengen, bracht zichzelf alleen maar in verlegenheid.
En dutte men in bij die veronderstelde zekerheid, dan kwamen
ontoereikendheden en tegenstrijdigheden later toch aan het licht. Een
taal, die geen zekerheid aan de wil ontleent en die op zichzelf in het
zuivere "begrip" wil voortleven, is een onding. Het is een grote kunst
om een tijdlang door te kunnen spreken, zonder op tegenstrijdigheden,
of op impliciete, op de wil gebaseerde, vooroordelen te worden betrapt.
Dat noemen ze nou "hegelen" waarvoor je hersenkracht van iemand, als de
heer Bolland, nodig hebt. Een hersenkracht die vergelijkbaar is met die
van een acrobaat. De heer Bollandlaat zien, dat het spreken in de
gesloten rede en het onttrekken van de taal aan de soevereiniteit van
passie en aandoening, waaruit ze net als alle levensuitingen ontstaan
zijn, mogelijk is, zonder dat je er ziek of gek van wordt. Zo laat een
fysioloog soms zien, dat voortleven van het kikkerhart, ook al is het
van het organisme gescheiden, mogelijk is. Maar dat kikkerhart houdt
het maar een tijdje uit, en zo zegt de heer Bolland ook, dat zijn
filosofie slechts zijn Zondagse pak is. En als het "hegelen" levende
zaken beroert, zoals liefde, natuur en politiek, dan levert het slechts
levenloze uitspraken, die voor het leven onzinnig zijn.
De taal leeft slechts met en door de cultuur, die aan de ene kant een
behoefte aan wederzijds begrip en aan de andere kant de onmogelijkheid
van een direct contact met zich meebrengt. Maar ook bevestigt het
taalgebruik de cultuur, doordat ze zich op haar terrein afspeelt.
Mensen met taal verliezen primaire verlangens, die, hoe onnatuurlijk
ook, veel dichter bij het Zelf stonden. Bang voor hun enige vaderland,
de eenzaamheid, worden de mensen automaten in dienst van die
monstermachine: het maatschappelijk verkeer. Hun aandacht heeft zich
van alle andere invloeden en wezenlijke contacten afgesloten. Breken
die invloeden toch door binnen de categorieën van hun intellectuele
wereldbeeld met zelfgeschapen "natuur"wetten, dan trachten ze die eerst
gewoon te loochenen. Als dát niet lukt, gaan ze die invloeden
bestuderen en rubriceren en binnen het terrein van de hooggeroemde
"wetenschap" halen. Ze realiseren zich niet dat op alle invloeden het
zuiverst wordt gereageerd bij het eenvoudig openstellen van het
onbevangen gevoel, niet belemmerd door enige kennis. Zelfs het meest
eenvoudige werk in het dagelijks leven zou beter in een gedachteloze en
nederige sleur kunnen worden verricht, dan vanuit enige kennis van
zaken. Maar dan zouden die bij dat dagelijks leven niet noodzakelijk
betrokken invloeden in elk geval als naar Gods wil en voor onze kennis
verborgen beschouwd dienen te worden. Alleen zo kan men rustig op zijn
daden en mening vertrouwen. Teiresias en Cassandra waren geen leden van
Verenigingen voor Psychologisch Onderzoek. Ze zagen de toekomst, toen
het nodig was, maar ze hadden om dat inzicht niet gevraagd en hadden er
nog minder moeite voor gedaan.
Voor de tegenwoordige wetenschap is echter niets heilig genoeg. Is er
eenmaal een invloed geconstateerd, dan moet die worden onderzocht en
binnen oude, intellectuele categorieën gepast worden. En dan moeten
daarover de vragen: "hoe oud?" - "hoe ver?" - "hoe groot?" - "hoe
sterk?" en "hoe duur?" beantwoord worden.
Maar wie het gevoel nog uit het keurslijf van de conventies van de
publieke opinie kan bevrijden en wie zijn fijnere waarneming
gecultiveerd en in ere gehouden en niet als "niet ter zake" opzij
geschoven heeft, zal vast op zijn droomgezichten en voorgevoelens
vertrouwen, zonder die te willen verklaren. Hij zal de hem gegeven
tekens buiten zijn hoofd om begrijpen en zal ieders karakter van zijn
gezicht aflezen, of nog eenvoudiger en directer uit zijn handen, waar
geen maskers van onechtheid en behaagzucht af te rukken vallen. Voor
hem staan de meest beroemde en geleerde mannen, met zelfgenoegzaamheid
op hun gezicht, door dwazen toegejuicht, bewonderd en op een troon
gehouden - na een blik op hun handen, naakt en ontdaan van alle glorie,
te kijk. Zelfs de meest gewiekste redenaar of filosoof, waar hij geen
woord tegenin kan brengen, wordt door zijn handen ontmaskerd.
Maar dat geldt niet voor wie de Fysiognomie van Lavater of de
Chiromantie van Papuss heeft bestudeerd, of ook maar enige rationele
overweging met zijn intuïtieve blik heeft vermengd.
Voorgevoelens en inzichten zullen degene die zijn onbevangen zintuigen
nederig openstelt, het leven steeds tijdig de weg wijzen. Maar niet bij
degene die telepathie en spiritisme wetenschappelijk heeft onderzocht,
of aan seances en voorstellingen op dat gebied heeft meegedaan.
En wie, zoals de theosofen, wat van het leven na de dood wil weten, die
zal het daarginds jammerlijk vergaan.
Al die mensen, die die dingen aan de wetenschap willen onderwerpen, zal
het lukken, omdat ze het zo willen zien. Zij hebben hun nederige
onbevangenheid verloochend en de schijnevenwichten, waarin ze een
toevlucht menen gevonden te hebben, zullen steeds door nieuwe
ontdekkingen worden verstoord. Steeds zwaarder en gecompliceerder wordt
de arbeid van het lichaam op aarde, en zo gaat het ook met het denken
en het onderzoek door het intellect. En steeds zal, ondanks
zwaartekracht en massa, het geloof letterlijk "bergen verzetten" en
over het water lopen. Zelfinzicht zal spelenderwijs alle "natuur"wetten
breken.
VI
Het uitbreken van de Waarheid binnen het afgebakende leven
zijn de manifestaties van het Zelf in de vormen van dat leven. Overal en altijd
hangt de Waarheid in de lucht en wáár ze uitbreekt is komt het voor de
goede verstaander steeds weer op hetzelfde neer.
De Waarheid, die doorbreekt, verwijst naar het leven dat, vanuit het
teruggevonden en niet meer losgelaten Zelf, nederig de aardse boeien
heeft aanvaard, volkomen bewust van het voldongen karma van deze
tragische maatschappij en van zijn eigen individualiteit daarin.
Toch is het niet de Waarheid, die iemand kan helpen het Zelf weer te
vinden. Wat dat wel kan stijgt boven de vormen van deze maatschappij
uit, en is alleen mystiek met het woord "Goddelijke genade" aan te
duiden.
Immanente Waarheid is de waarheid die: 1. In deze maatschappij op het
onontkoombare karma van die wereld wijst, 2. In alle emoties naar de
Eeuwige Gerechtigheid verwijst, 3. Als van zelfsprekend op de botsing
van de tegenstrijdige en nooit met elkaar te verzoenen belangen, wijst,
4. Weg van alle uiterlijkheden, uitingen van het gekerkerde verlangen, wijst.
Transcendente Waarheid is de waarheid die in deze maatschappij wijst
naar het persoonlijke leven, bevrijd uit de ketenen van angst en
verlangen, waar de gelukzaligheid en wijsheid en de stille juichkreten
van de Zelfkennis bloeien op nederigheid, armoede, en rustige
plichtsvervulling in het aardse leven, wat je eigen onontkoombare karma is.
De immanente waarheid verheldert, de transcendente waarheid maakt vroom.
De immanente waarheid ziet de "idee" van de wereld. Vanuit het
gezichtspunt van de zogenaamde "werkelijkheid" zal ze leugenachtig of
overdreven schijnen, vanwege de onechte vormen, waarin ze zich moet
kleden. Dat doet ze in de literatuur en in de beeldende kunst. Ze is
strijdig met de heersende opvattingen, die allemaal uit het beschouwen
van de uiterlijke wereld zijn voortgekomen, wat wil zeggen, beïnvloed
door de verlangens van de mensen. En toch wordt de immanente waarheid
alleen getolereerd, zolang ze in het bekrompen leven ingepast kan
worden, zonder de constructie ervan te ontwrichten. Zo gaat het in de
muziek, die een beroep op de zintuigen doet, die nog niet door het
intellect zijn aangetast. Veel minder in beeldende kunst, zoals de Lex
Heinze heeft laten zien. Maar het minst wordt het in de literatuur
getolereerd, die zich direct op het intellect, op het leven zelf,
richt. Daar is ze verplicht als een gehoorzame dienaresse van de leugen
van de cultuur op te treden, om als verheffende, veredelende of
stichtende afwisseling te worden genoten, maar niet om au sérieux te
worden genomen in de eis, de wereld anders te bekijken. Dode schrijvers
lijken zich minder dan tijdgenoten direct tot de levende wil van de
lezers te richten. Deze laatsten kunnen in de literatuur alleen naam
maken als ze arbeiders in de industrie van gewetensussende schijn,
verheffing of prikkeling worden. En ook de waarheid kan hen daarbij in
een dikke, aan het heersende cultuursysteem ontleende verpakking, tot
materiaal dienen. Maar later, als het cultuursysteem veranderd is, is
hun verpakking niet meer actueel en leven ze zelfs als dode schrijvers
niet voort. Een naakte waarheid wordt een tijdgenoot nimmer vergeven,
maar over het werk van een dode legt het verleden een verzoenende
sluier van onwerkelijkheid. Bij hen wordt de naakte waarheid als vaag
aangevoelde stichting gelaten geslikt.
De waarheid wordt in poëzie gemakkelijker dan in proza getolereerd.
Daar heeft ze in het maatgevoel, een van de banaalste
sentimentaliteiten van het in de tijd gevangen intellect, het
slavinnekleed aangetrokken en begeleidt daar het beste wat ze heeft met
"rikketik, rikketik", "flauwe kul, flauwe kul", en maakt de indruk,
eigenlijk zelf niet te geloven, wat ze zegt. Hoor je het versje:
"La vie est vaine
Un peu d'amour,
un peu de haine,
Et puis bonjour",
dan krijg je de indruk van zomaar een stemminkje, zoals er
zovele aan onze cultuur ontluiken, maar niet van een intens ervaren
cultuurvijandige waarheid.
En opnieuw spreekt de waarheid in boeken en op het toneel veiliger, dan
in een serieus gesprek. Dáár past degene, die zijn leven lief heeft, wel op.
Vooral ook op de preekstoel klinkt de waarheid onwerkelijk en wordt
rustig aanhoord. De dominee preekt dan wel dat het zondig is om bezorgd
te zijn over de dag van morgen, maar zelf heeft hij zijn huis tegen
brand en inbraak verzekerd. Misschien wordt nergens meer waarheid
gesproken dan in de kerken, maar nergens ook is ze zo zorgvuldig
gereduceerd tot iets om wel te aanhoren, maar niet om naar te leven.
Kunst, die echt waar is, zal overal gezond verstand, causaliteit en
wetenschap als leugen aan de kaak stellen. Het rekent af met het
optimisme, dat het onzinnige aardse gedoe in gang houdt. De kunst zal
in ieder mensenleven het wrekend Noodlot zien en dat illusie en hoop en
vertrouwen op zekerheid in deze maatschappij, nog rampzaliger is dan
het hersenspinsel van de causaliteit. De kunst zal als consequentie van
de veelheid in deze maatschappij, bij elk afzonderlijk deel een
beperkte wil zien, die nooit tot rust komt en steeds weer teniet gedaan
wordt door de tegenovergestelde wil van een ander afzonderlijk deel. In
tijden waarin in geen andere kennis dan die van het intellect en in
geen andere natuurkrachten, dan die van het dagelijkse leven wordt
geloofd, zal de innerlijke waarheid in de kunst onverstoorbaar blijven
spreken over magie, voorgevoelens, moord door gedachte, opstanding van
doden, genezingen door liefde, geestverschijningen en hemelse
boodschappen. Zij zal geen mensen aan tuberculose en jicht en
bloedvergiftiging zien sterven, maar omdat hun tijd gekomen is. Zij zal
iemand, die morgen verpletterd door een vallende boom sterft, er niet
minder op aankijken dan iemand die door een beroerte sterft.
Vanuit dit gezichtspunt is de kunst in het naturalisme oneerlijk.
Volgens Zola beschrijft het naturalisme de natuur, zoals ze wordt
gezien door het individuele temperament. Het tempera-ment is niet meer
dan een tot dolzinnig enthousiasme prikkelen van de verbeelding en
staat niet hoger, dan de emoties van een Zondagavondpubliek voor een
melodrama. En als dat er afgelaten wordt, resteert in wezen niet meer
dan een gedeelte van de buitenkant van de wereld, meestal van de
menselijke samenleving, dat als een door de causaliteit beïnvloed op
zichzelf staand fysisch verschijnsel beschouwd wordt. Dus blijft het
een als ieder ander min of meer gereguleerd "historisch materialisme",
een verdwazing van de wetenschap, maar geen waarheid.
En de spottende blik van Molière op menselijke verlangens, zwakheden,
domheden en tekortkomingen, is alleen een negatieve waarheid. Het
verstoort de automatenblik, die zijn medemensen optimistisch,
waarderend en misschien bevreesd bekijkt. Maar het positieve, dat
daarvoor in de plaats gesteld wordt, blijft een zinloos, onbeduidend en
onbegrepen spel van uiterlijkheden, een "komediespel" in de slechts
mogelijke betekenis. Het is niet beter dan de visie van de astronomie
op de grote kosmische gebeurtenissen.
De naakte immanente waarheid staat los van de heersende toestanden, van
het heersende cultuursysteem. Daarom is Kunst, die de waarheid toont,
van alle tijden.
Ware kunst is te herkennen, naarmate ze meer wijst op de
zelfvernietiging van de waan van de dag of van het hersenspinsel van de
ruimte.
De eerste wordt in de muziek getoond, maar veel volmaakter, hoewel
minder hevig, in de literatuur en daar het meest duidelijk in het
drama, waar ze de tijd vanuit een stilstaand "nu" bekijkt. Het
verhalende epos, laat de toeschouwer de kloof door afstand in de tijd
zien, waardoor het vanzelf in uiterlijkheden blijft steken. Verder
treedt de komedie in haar stilstaande "nu" niet uit de tijd, maar leeft
naast de tijd. Het blijft in een vervloeiing van de tijd steken. Haar
ontkenningen overtuigen niet en leveren, omdat ze bij het uiterlijke
blijven stilstaan, slechts prikkelende emoties op. In de tragedie
echter wordt uit de tijd in een stilstaand heden getreden. Dát wordt
als een voortdurende schepping en onafwendbare bevrijding van het leven
uit de waan van de tijd beschouwd. Een worden en verworden. Een illusie
en een wrede ontgooche-ling door het Noodlot, wiens grote over de aarde
uitgespreide nevelvleugels, alle uitstijgen boven het onontkoombare
karma, meedogenloos in het slijk terugwerpt. Die nederige
onderworpenheid aan het Noodlot wordt als rechtvaardig en
vanzelfsprekend beschouwd, net zo goed als dat het hoogmoed vernedert.
Een lijdzame wereld zou geen bestaansgrond hebben.
Het karma wil boven zichzelf uitstijgen en wordt in zichzelf teruggeduwd.
Zo kun je in de treurspelen van Sophocles en Shakespeare over Oedipus,
King Lear en Julius Caesar, die in machteloze dwaling hun lot moeten
volvoeren, van het begin af aan het einde voorvoelen. In Hamlet worden
illusie en desillusie zo sterk als één gevoeld, dat zij hier als het
ware beiden steeds samen optreden. De held sterft in het stuk duizend
doden. Terwijl hij in zijn daden zekerheid zoekt, wordt die hem direct
ontnomen, zodat hij telkens weer voelbaar wordt gedwongen zich alleen
van zijn karma te ontdoen. En ten slotte komt de dood, wiens tragische
rechtvaardigheid, als ontkenning van het Leven zelf, onverbrekelijk met
elk goed treurspel is verbonden. Het spreekt vanzelf dat Hamlet aan het
einde van het stuk sterft. Onder elke illusie van geluk, trouw en
liefde, was de grond onder zijn voeten vandaan geslagen. Waarom dan
niet evengoed onder het leven, de samenvatting van dat alles? Zo moet
ook in King Lear Cordelia, die niets misdreven had, evengoed als haar
boze zusters haar leven met de dood betalen.
Al het positieve in het leven, elke daad, elke karaktertrek, goed of
slecht, zal zichzelf met een wrede dood straffen. Een wrede dood, want
hij wordt smartelijk ervaren, of hij nou van te voren gevreesd en in de
laatste uren als pijnlijk ervaren wordt of niet. En in deze trieste
wereld verricht iedereen daden en iedereen heeft een karakter en leeft
dus in de erfzonde van zijn geboorte en in afwachting van smartelijke
boetedoening.
Het vloeien van de tijd ontbreekt in de beeldende kunst. Die kan dus
niet wijzen op de zichzelf straffende illusie van de tijd. Maar dieper
en directer dan het drama kan de kunst wijzen op de illusie van de
ruimte, de illusie van de veelheid, die in het heden zijn straf al
uitgediend heeft, de pijn van het zich machteloos niet-begrijpend
blindstaren op die veelheid. De pijn, waar men zich voor afsluit, van
het nooit bevredigde verlangen van het willen bezitten en zich weer
verenigen met het eigen, zich smartelijk verlaten voelende, individuele
zelf. Verder en verder afdwalend richt de aandacht zich op de
buitenwereld en verzwaart zo de last van het karma. Het leidt naar
zucht naar macht, zucht naar geld, eerzucht en.....naar de illusie van
de vrouw. Ook dat laatste is een verzwaring van het karma. Want voor de
vrouw is bij geen enkele man plaats in het onontkoombare karma. Zij is
een Sirene die hem van zijn weg afleidt.
Er is een evenwicht tussen de schuld, waarmee de mensheid belast is en
de haar opgelegde arbeid en moeite. Zo is er ook een evenwicht tussen
de lichtzinnigheid van de vrouw en haar neiging tot karmaverzwaring en
de mate van vrouwelijkheid, die zij de maatschappij als verleiding
biedt. In een maatschappij, die tot een nederige aanvaarding van het
karma gekomen zou zijn, zouden geen vrouwen zijn. Maar als de
maatschappij dat punt bereikt zou hebben, dan zou ze geen bestaansgrond
meer hebben. Zo is het voortbestaan van deze maatschappij
onafscheidelijk van enerzijds haar lichtzinnigheid en anderzijds haar
dulden van vrouwelijkheid verbonden. Het is wonderlijk dat beiden ook
door ondervinding onafscheidelijk worden gezien.
Het is een goed voorbeeld van de verschillende, eeuwig strijdende en
nooit met elkaar te verzoenen belangen in de veelheid van deze
maatschappij. De man die, wil hij niet onnaden-kend zijn karma
verzwaren en ten onder gaan, de vrouw moet mijden en negeren - luister
hoe bij Shakespeare Antonius bekoord door Cleopatra machteloos
uitroept: "I must from this enchanting queen break off" - en de vrouw,
die niet zonder de man kan, terwijl haar onontkoombare karma alleen
maar haar sekse betreft. Daarom is het verschil tussen het wezen van
een vrouw en een leeuwin kleiner, dan tussen twee mannelijke
tweelingbroeders.
De vrouw moet leven in een wereld, waarvan ze alles voelt, zonder iets
er in te kunnen betekenen. In haar lichaam voelt ze de idee van soort,
ras en familie, zonder dat ze daar aan mag toegeven. Eén ding slechts
mag ze. Eén, die haar ideaal is, met de ogen volgen, zonder iets van
hem voor zichzelf te vragen, geen wederliefde, zelfs niet door hem te
worden opgemerkt. Ze moet een werktuig van de hemel zijn, om de banden
van zijn karma, waar hij zich mee verzoend heeft, los te maken. Ze zal
trachten storende verleidingen verre van hem te houden. Maar daarbij
zal ze niet merken, dat ze zo gauw ze zijn leven binnentreedt en hij
haar allesgevende liefde gaat voelen, zelf de grootste verleiding voor
hem wordt. Met haar begrip en aandacht helpt ze hem, zijn leven te
zuiveren. Daaronder, in de duistere onderwereld van de sekse waarmee ze
belast is, lokt ze hem op paden, die hem tot verderf voeren.
Nederig moet ze zijn en nederig moet ze alle onedele werk uit zíjn
handen willen nemen, alle ándere werk dan het pure uitleven van de
mogelijkheden van het lichaam, waarin hij de aarde bewandelt. Zonder
aarzeling moet ze haar leven geven om zijn evenwicht te redden.
Rustig moet haar blik zijn, volhoudend en geduldig leeft ze voort en
doet, wat voor de geliefde is. Haar lijf is ongerimpeld, onbewogen,
zonder verleidelijke hartstocht, onbewust van haar verleidelijkheid, en
tegelijkertijd in zijn tergende rust zo onuitstaanbaar verleidelijk,
dat geen man het uithoudt,
De Venus van Milo laat het vrouwelijke karma duidelijk zien; dat karma
van de starre, begeerteloze, onbewuste en toch zo demonisch verleidende
vrouw.
Maar zuivere vrouwenliefde kan heel goed zonder verleiding bestaan. Zo
kun je dat soms, het meest onvertroebeld, in de liefde van zuster tot
broer zien.
Intussen zal de man net zo goed als de vrouw tegen zijn karma zondigen
en het verzwaren. Zij, door haar vrouwelijke hartstocht naar de
geliefde, die zijn leven op zichzelf wil richten, en hij door zijn
mannelijke activiteit. Een voorbeeld van het eerste is de monoloog van
Gretchen in Faust:
"Meine Ruh ist hin,
Mein Herz ist schwer;
Ich finde sie nimmer
Und nimmermehr.
Wo ich ihn nicht hab'
Ist mir das Grab,
Die ganze Welt
Ist mir vergällt.
Mein armer Kopf
Ist mir verrückt
Mein armer Sinn
Ist mir zerstückt
Mein Ruh ist hin,
Min Herz ist schwer;
Ich finde sie nimmer
Und nimmermehr.
Nach ihm nur schau' ich
Zum Fenster hinaus,
Nach ihm nur geh' ich
Aus dem Haus
|
Sein hoher Gang
Sein' edle Gestalt
ISeines Mundes Lächeln
Seiner Augen Gewalt,
Und seiner Rede
Zauberflusz,
Sein Händedruck,
Und ach! sein Kusz!
Ruh ist hin,
Mein Herz ist schwer;
Ich finde sie nimmer
Und nimmermehr.
Mein Busen drängt
Sich nach ihm hin;
Ach, durft' ich fassen
Und halten ihn!
Und küssen ihn,
So wie ich wollt',
An seinen Küssen
Vergehen sollt'!"
|
Die vrouwelijke hartstocht is heel iets anders dan de mannelijke.
Die is onafhankelijk van de illusie van ruimte en kent dus geen
bevrediging door bezit. Het is een blinde hersenschim in haar zelf. De
straf is uiteindelijk meestal een walgen van de man die zij
aanvankelijk begeerde en een toch niet kunnen laten hem te begeren.
De zonde van de mannelijke activiteit, het zich uitleven op de in haar
lichaam uitgedrukte idee, met het ontkennen dat haar vrouwelijkheid dat
niet toelaat, wordt door de hedendaagse critici die het spoor bijster
zijn, gesanctioneerd. Er mag zelfs straffeloos over "gelijkwaardigheid
van man en vrouw" gemompeld worden. Nou zal wat menselijke dwaasheid
wil toch wel gebeuren. Misschien zal al het mannenwerk van nu mede door
vrouwen worden verricht en misschien zelfs uitsluitend in vrouwenhanden
overgaan. Toch kan de menselijke dwaasheid niets aan de grote lijnen
van het onontkoombare karma van deze maatschappij veranderen. De
toestand blijft hetzelfde. Het edele, telkens weer aan de idee van
soort en ras aangepaste werk blijft voor de mannen en het onedele
zoveel mogelijk voor de vrouwen. Het langzamerhand in bezit nemen van
bepaald werk door de vrouw, zal onverbiddelijk leiden tot een
degradatie van dat werk. De waardering van werk verandert met de tijd.
Vechten en jagen was edel in de riddertijd, later werd dat de politiek
en laatste tijd de wetenschap, vooral het soort wetenschap dat op de
universiteit beoefend wordt. Vrouwen waren altijd van dat edele werk
uitgesloten. Twee verschijnselen van de allerlaatste tijd zijn de
degradatie van de universiteiten tot kweekscholen voor loondienaars in
onaangenaam, ellendig noodzakelijk, mensonterend werk in de
maatschappij en het verschijnen van de vrouwen op die plaatsen. Tot
voor kort werd een positie in de staat, in het publieke leven, als iets
eerbiedwaardigs, zelfs metafysisch gezien en een maatschappelijke
betrekking gold als een edele taak. Huishoudelijk werk was
noodzakelijk, maar ellendig en onedel. Maar socialistische stromingen
hebben in de vorige eeuw dat eerbiedwaardige weggespoeld en
tegelijkertijd namen vrouwen functies in de maatschappij in. Voorlopig
alleen nog op onder-geschikte en administratieve plekken. Het grote
geheel in gang houden vereist nog mannelijke hartstochten en mannelijke
dwaasheid. Als de staat echter aan het eind van de socialistische
verwording een gesmeerd lopende automaat geworden zal zijn, zal de
administratie misschien geheel aan de vrouwen overgelaten worden. Dat
het geld voor het levensonderhoud door de man wordt verdiend, is even
weinig essentieel, als het geld zelf. Het is iets bijkomstigs van deze
tijd, waar meer of minder verdienen met meer of minder edel werk
gepaard gaat. Bij de oude Germanen gold destijds de zorg voor het
levensonderhoud en het bebouwen van de grond als onedel werk en dus
deden de vrouwen dat.
Als alle productieve arbeid door het socialisme saai en onedel gemaakt
zal zijn, zal het uitsluitend nog door de vrouwen worden verricht.
Intussen zullen de mannen, ieder naar zijn aanleg, aan sport en
gymnastiek doen en vechten, filosoferen, tuinieren, houtsnijden,
reizen, dieren dresseren en alles doen, wat dan nog als edel werk
beschouwd wordt, tot dobbelen om wat de vrouw verdient toe. In feite is
dat veel edeler dan bruggen bouwen of mijnen graven.
Zo brengt de zonde van de mannelijke activiteit de vrouwen tot een
machteloos gevecht tegen het noodlot, dat hen alleen het onedele werk
toebedeeld heeft. Dat straft zichzelf weer door het onbehaaglijke
gevoel dat zij, nooit van binnenuit de sterkende aandrang tot dat
mannenwerk ervaart. Hoe goed ze het werk ook kan doen, nooit zal ze
begrijpen wat ze doet.
Van wat voor soort haar mannelijke activiteit ook is - gewoon leven
naar het mannelijke idee, of lichtzinnige afdwalingen daarvan - het
maakt haar zonde niet groter of kleiner. Een amazone, een schrijfster
of een schilderes, is niet beter dan een vrouwelijke dokter of slager.
Een menslievende vrouw is even belachelijk als een wrede of een
eerzuchtige vrouw.
Is een vrouw echter in staat zich vrij van hartstocht en activiteit te
houden, dan zal ze toch de knellende banden om haar natuur ervaren, als
straf voor haar oude schuld, van het niet kennen en vinden van haar
ideaal. Tastend zal ze, slechts in staat aan subtiele sentimentjes van
een man deel te nemen, in haar kinderlijkheid eerst kleine mannelijke
talenten en denkbeelden bewonderen en delen. Slechts aan de minderheid
wordt daarna een individu, die uitdrukking aan zijn Noodlot geeft, in
zijn geheel geopenbaard. Dat kan pas liefde worden genoemd. Dan ziet
zij zijn Noodlot en Levensgang beter dan hijzelf en moet zij bij zijn
afdwalingen de druk, hem niet zo hoog te kunnen achten als zij zou
willen, geduldig dragen. En valt hij duurzaam uit zijn karma, anders
dan naar haar toe, de enige val die ze niet kan zien - dan is zijn
vallen naar zichzelf toe, tevens een van haar weg vallen. Zij moet
alles wat haar leven inhoud geeft opgeven. Toch doet ze alleen zo haar
plicht. Zich uit wanhoop aan hem blijven vastklampen zou een teken van
mannelijke verbetenheid zijn. Het is geen echte liefde, die verachting
overleeft. Ze zal haar eenzaamheid geduldig dragen, tot een nieuwe,
hogere mannelijke sfeer voor haar opengaat, een minder belastend
mannelijk karma. Zo zal de een na de ander haar geliefde worden. En
telkens laat ze hem los, als hij duurzaam uit zijn karma valt, of als
een andere man, in een hogere fase, op haar weg komt. En in en door
haar leven wordt haar ideaal haar pas duidelijk: het hoogste mannelijk
wezen, dat voorbij angst en begeerte is. Een mens die niet meer uit
zijn karma kan vallen, omdat hij boven zijn karma uitgestegen is. Die
geen belang hecht aan macht of talenten, noch aan uiterlijk of karakter
en die slechts bescheiden moedig is en alles helder ziet. Voor de rest
van haar leven is het besef van dat ideaal en dat nergens ter wereld
kunnen vinden, haar laatste kwelling.
Maar zo is de levensloop van vrouwen niet, want ook vrouwen dwalen door
hun karma. Allereerst wil haar vrouwelijke hartstocht de geliefde naar
zich toe trekken. Ze ervaart zichzelf als een leegte, die ze met hem
wil opvullen. Vervolgens creëert haar mannelijke activiteit, die haar
lichaam belast, als haar ideaal niet het hoogste mannelijk principe,
maar een of ander eigenschap, namelijk een eigenschap, die bij haar
eigen karakter past, terwijl de man datgene, wat hij in zijn
onwetendheid buiten zichzelf projecteert, wil bezitten en dus het
gemakkelijkst op het tegenovergestelde van zijn eigen type valt.
Opnieuw is dit een voorbeeld van strijdige belangen in deze
maatschappij.
Bij Gretchen in Faust zie je die bewondering van een eigenschap van
mannelijke activiteit:
"Du lieber Gott! ware so
ein Mann
Nicht alles, alles denken kann!
Beschämt nur steh' ich vor ihm da,
Und sag' zu allen Sachen ja.
Ein doch ein arm unwissend Kind,
Begreife nicht, was er an mir findhet."
Maar de vrouw dwaalt steeds verder af. Ze wordt, verblind door
eerzucht, angst en jalousie, ook ván haar ideaal weg, naar andere
mannen toegetrokken. Is ze zich op een mannelijke manier van haar type
bewust en heeft ze een mannelijke zucht naar macht, dan zal ze mannen
gaan verleiden, en zo haar ideaal voor zijn tegendeel verruilen.
Zo bedroevend is de toestand van de liefde in deze maatschappij en zo
hoort het. De zuivere vormen van liefde kunnen pas komen, met het
verdwijnen van deze maatschappij en haar zelfingenomenheid.
De waarheid in de kunst laat een constant patroon zien: de man behoort
de vrouw te mijden en te negeren, maar de vrouw behoort in de man te
leven, zich nietswaardig, krachteloos en waardeloos te achten en alles
aan de geliefde op te offeren. Een echte vrouw is bleek, soepel, zonder
expressieve lijnen, met doffe, dromerige ogen, heeft geen spierkracht,
en deinst nergens voor terug. En een man, die zich aan een vrouw
overgeeft, verliest zijn leven. Het wordt in het kort verhaald in een
visioen van Marie Madeleine:
"Ich träumte ja nur. - Ich
sah einen Baum,
so jugendüppig, zo frühlingsstark,
und ich sah eine Tropenblume im Traum
die zich um ihn wand, und sie trank sein Mark.
Sie war sehr weise. Und seltsam erschlafft
im Sonnenhauch einer fremden Flur.
Und sie trank sein Blut und trank seine Kraft.
Da verdorrte van de Baum. - Ich träumte ja nur."
Een kunstwerk, waarin alleen de vrouw een verheven indruk in
de liefde maakt, doet erg werkelijkheidgetrouw aan. De man is daarin een
volledig ontredderde stumper. In Hamlet, het allerwaarachtigste van
alle treurspelen, spreidt de held ook het mannelijk karma zo zuiver ten
toon, dat hij zich terwille van zijn geweten ondanks alle liefde, die
hij voor Ophelia voelt, en ondanks alle verleidende bekoring, waardoor
hij zich bevangen voelt, niet kán laten gaan en zich niet kán geven!
Maar bij háár wordt alle aandacht opgeslorpt door zijn Noodlot,
verdriet en verwarring en door zijn niets ontzienende levensweg.
Overal maakt mannelijke liefde de indruk van lichtzinnigheid en
tragische verblinding en vrouwelijke liefde van een verheven
beproeving. Dat beeld van het liefdeleven is het onderwerp van
Shakespeare's Antonius en Cleopatra. Zij wil het leven in de hoogste
vorm, die ze bevatten kan en zoals ze dat in de geliefde ziet
verwerkelijkt, met hem delen. Hij wordt daardoor juist van zijn
levensweg afgeleid en vergooit voor haar de edelste reden van zijn
bestaan, waardoor zijn leven te gronde gaat. Zij neemt vervolgens, na
zijn dood, na het verdwijnen van het leven dat haar deed leven, zonder
aarzeling ook afscheid van haar eigen leven, dat nu voor haar
inhoud-loos is geworden. Weduweverbranding is een heilige rite, maar de
barbaarse westerse regeringen verbieden het als barbaars.
Adelbert von Chamisso zong helder over de vrouwenliefde. Waar twee van
de drie zusters over het lijden van hun liefde vertellen, ziet hij de
pijn van de derde het duidelijkst. Zij zegt:
......vier Worte nur: ich
wurde nie geliebt;"
beter zou zijn geweest: "ich habe nie geliebt."
Hoe een vrouw pas door liefde bestaat, maar daarbij haar
individualiteit verliest, spreekt uit haar woorden:
"Den Freund, in dem
erschrocken und entzückt
Ich selber mich verloren und gefunden."
En luister, hoe weinig ze hem naar zich toe wil trekken en haar
leven aan het zijne binden wil:
"Wandle, wandle deine Bahnen;
Nur betrachten deinen Schein,
Nur in Demuth ihn betrachten,
Selig nur und traurig sein !"
En:
"Höre nicht mein stilles
Beten,
Deinem Glücke nur geweiht."
Want de meest heilige liefde gaat met de grootste schaamte
gepaard, een voor hem instinctief ontwijken van de verleiding, die van haar
uitgaat. Want of hij in verleiding raakt of niet, alleen al het denken
aan haar leidt hem af.
Wat ze doet en wat haar omstandigheden zijn, is voor haar geluk van
geen belang. Voor haar zijn alleen zijn leven en zijn lotgevallen van
belang. Alleen het dieet van de geliefde beïnvloedt de gezondheid van
een ideale vrouw. Niet haar eigen dieet. Ook fysiek leeft ze letterlijk
alleen van liefde. Elke ziekte is door zijn adem, door zijn handen,
direct te genezen. Zij heeft geen wederkerige macht over hem.
Daar ze alleen maar in liefde leeft, zal ze zelf geen behoefte, noch
een richting voor een eigen leven voelen. Menselijke, dat wil zeggen,
mannelijke begeerten zijn haar vreemd. Matigheid en nuchterheid zijn
speciaal vrouwelijke eigenschappen. In wereldse ambities en politieke
overtuigingen zal ze naïef de geliefde volgen. Klakkeloos van hem
overgenomen opvattingen zal ze als objectief vaststaande axioma's tegen
alle aanvallen door derden verdedigen. Bij twistgesprekken met zo'n
vrouw komt de ridiculiteit van de taal als middel om tot
overeenstemming te komen, helder voor de dag in de vorm van de beruchte
"vrouwenlogica". Goethe sprak:
die Weiber,
die bestandig
Zurück nur fallen auf ihr erstes Wort,
Wenn man Vernunft gesprochen stundenlang".
De immanente waarheid breekt óók in de wetenschap verder door. De
wetenschap heeft het waargenomene van de waarnemer (het ik) gescheiden,
het in een onafhankelijk van het waargenomen bedachte buitenwereld
geplaatst en de band met het alleen voedende en sturende Zelf verloren.
Zo bouwt de wetenschap bú iten het leven een hersenschimmig
wiskundig-logisch substraat en bínnen het leven een Toren van Babel met
alle spraakverwarring van dien. Maar een mens met zelfinzicht beschouwt
de huidige toestand van deze maatschappij veroorzaakt door het eigen
belaste karma, en de verwarring, die door het doen en denken in de
wereld gesticht wordt, als eigen ondoordachte verzwaringen van dat
karma. Hij zal zich dus uit deze maatschappij terugtrekken en zich niet
meer bemoeien met die door eigen hoogmoedig ingrijpen in de natuur
teweeggebrachte verschijnselen, waar de tegenwoordige natuurweten-schap
zich voornamelijk mee bezig houdt. En wat men als onafhankelijk van
eigen daden beschouwt, zal hij zien en ervaren als een door een steeds
groter wordende gespletenheid over zichzelf afgeroepen vloek. Die vloek
zal hij ondergaan vanuit het Zelf en zowel vrij als vanzelf-sprekend
noodzakelijk beschouwen. Levend in wat hij ziet als de ene pool van die
polarisatie, zal hij daarbij de band met de andere pool, die eeuwige
zekerheid, rust en wijsheid geeft, niet verliezen. Zo zal hij de blauwe
onwankelbare hemel ervaren als de exacte tegenpool van zijn eigen
nederige en contemplatieve stemming, de onwankelbare loop van de
sterren als tegenpool van eigen vrijheid, en de kleuren en vertakkingen
van de planten als tegenpool van de andere kleuren en het stromen van
de hartstochten in het eigen bloed.
Als immanente waarheid breken die inzichten in de wetenschap van deze
cultuur door. De alchemie en de astrologie waren in het verleden ook
zo'n storende doorbraken. De chemie en astronomie van tegenwoordig zijn
ware slavinnen van de cultuur, net zo goed als alle huidige
natuurwetenschappen. De doorbrekende Waarheid verplaatst het
zwaartepunt telkens weer van het waargenomene naar de waarnemer terug.
Copernicus verplaatste de omwenteling van de hemellichamen naar de
aarde. Ooit zullen die omwenteling nog in het eigen lichaam plaatsen.
Kant zette, in plaats van de eigenschappen van de dingen te
onderzoeken, de indeling van de dingen in categorieën in zijn hoofd
zelf. Positieve kwantitatieve eigenschappen worden steeds weer
vervangen door polaire, zoals bijvoorbeeld in de nieuwere theorieën
over elektriciteit en licht. Ondanks de kleurentheorie van Newton, die
de lichtstralen in het medium ontbond, gingen Goethe en Schopenhauer,
meer gevoelig voor de Waarheid, de kleuren beschouwen als een polaire
splitsing van de activiteit van het oog.
Dat helpt natuurlijk allemaal niets. Het laat deze wereld even dom. Het
is geen Zelfkennis, geen terugkeer tot de vrije waarheid, maar een
optreden van de Waarheid in de vormen van Dwaasheid.
En het meest voelbaar breekt de immanente waarheid in deze maatschappij
door in het altijd maar weer optreden van ongeluk bij alle manieren van
streven naar geluk. Het ongeluk loochent geluk, door binnen de vormen
van geluk als mislukking ervan op te treden. De kaartenhuisjes
waarbinnen de mensen zich zo angstig opsluiten, storten eens allemaal
in. Aan iedere stervende wordt duidelijk, dat weer een leven leeg is
geweest. Het is een waarschuwing, dat ondanks alle arbeid en geknoei,
het Noodlot deze maatschappij binnen haar banen houdt.
VII
Aan iedereen, die van de immanente waarheid van de
buitenwereld doordrongen is en die de onvermijdelijke desillusie van alle
inspanningen en de onontkoombaarheid van het karma heeft onderkend,
wijst dat inzicht naar de Hereniging van de wereld met het Zelf. Het
wijst naar de transcendente waarheid. De transcendente waarheid
verbeeldt in deze tragische wereld het Koninkrijk Gods, de eeuwig
emanerende en resorberende Zelfkennis, het onbestendige van alle
denkbeelden en het παντα ρεϊ van Heraclitus
ontkent ook op zichzelf staande en gesloten denkbeelden. De
transcendente waarheid maakt een eind aan verlangens en angsten en
intellectuele meningen. "Wenselijk" of "beangstigend" zijn namelijk
slechts uitingen van het intellect dat nog in dienst van de rigide wil
staat en objectief betekent het alleen dat het op zichzelf staande
intellect zich vastgedraaid heeft.
Ze kan in het bekrompen leven een onwerkelijke indruk maken. Ze
voorziet dan als gewetensussend middel in een behoefte en wordt
met graagte ontvangen
of ze ondermijnt de systemen van het bekrompen leven ook daadwerkelijk.
In die verstorende vorm haat en verbant deze maatschappij haar
hardnekkig. Toch komt ze altijd weer terug.
In muziek en beeldende kunst, die meer als buiten het leven staande
beschouwd en gevoeld worden, wordt de transcendente waarheid goed
verdragen, maar wel slechts in mondjesmaat. Wat er voor het merendeel
in die kunsten, overeenkomstig de maatschappelijke behoefte
geproduceerd wordt, is dan ook in het aanschouwende netzomin immanente
waarheid als transcendente waarheid in het morele. Hier leidt bijna
alles, óf grof prikkelend de aandacht van het Geweten af, óf het
bevestigt maatschappelijke idealen. Het stut bijtijds de zwakke muren
van het huisje van de conventies, door aan officieel toegestane
hartstochten en fantasietjes uitdrukking te geven, zodat de mensen zich
daar met des te meer vertrouwen aan over kunnen geven. Of het schildert
allerlei andere hartstochten, die in de heersende cultuur mogelijk
zijn, zodat de mensen zullen kunnen blijven geloven, dat die cultuur
nog niet zo beroerd is.
Transcendente waarheid duikt slechts bij enkelen op: Bach, Leonardo.
Bijna al het morele in de gangbare beroemde muziek en beeldende kunst
is prikkelend en anarchistisch in slechte zin: Beethoven, Wagner,
Rubens, Raphaël, Rembrandt.
Idealenbevestigend zijn bijvoorbeeld Grieg, Michelangelo, Palestrina en
alle goede kerkelijke muziek; Giotto, Memling en alle religieuze
schilderkunst.
Natuurlijk zijn de grenzen niet zo exact te trekken. In bijna alle
duurzaam gebleken kunst, zit wel een heel klein vonkje waarheid, want
zo krijgen de mensen de waarheid het liefst opgediend. De rol van kunst
is in tijden van luxe, hoofdzakelijk de behoefte aan een prikkelende,
in tijden van strijd en moeite aan een idealenbevestigende waarheid.
In de taal is de transcendente nog veel moeilijker dan de immanente
waarheid te openbaren, zonder het volk te kwetsen. Een duidelijke, ware
uitspraak, met nadruk en ernst gezegd, wordt evenmin vergeven, als het
openbaar verrichten van een wonder. Iedereen voelt bij de transcendente
waarheid, dat het over hemzelf gaat en dat hem min of meer wordt
gezegd, dat hij op moet houden met zijn onrechtvaardige en dwaze manier
van leven, omdat hem anders de straffen van de hel wachten. Die pil is
door een prikkelend metrum of welluidende klanken niet of nauwelijks te
vergulden, ook niet door er, om geen verbittering te wekken,
uitdrukkelijk aan toe te voegen, dat de zaak niet au sérieux genomen
moet worden. De kerk hebben de mensen helemaal leren zien als iets dat
buiten het leven staat, maar toch blijft het zaak er op de kansel
omheen te blijven draaien en niet al te precies te vertellen, waarop
het staat. Zelfs bij het werk van dode schrijvers, dat als een
bedenksel uit lang vervlogen tijden wordt beschouwd en waarin de
zelfingenomen mensen altijd iets pathologisch zien, blijft een sterke
verdunning vereist. Zoals bij Spinoza, waar de waarheid door verdunning
zo onherkenbaar is geworden, dat iedereen er uithaalt wat in zijn kraam
te pas komt en zelfs de socialisten het boek zo interpreteren, dat het
met hú n zaak in overeenstemming te brengen is.
Voor tijdgenoten is een zó grote verdunning vereist, dat zij, die echt
de waarheid in zich voelen, geen effect zullen hebben, ondanks het feit
dat zij door hun persoonlijke manier van leven tot wijd in de omtrek
een niet mis te verstaan voorbeeld geven. Ze zullen het uitstralen,
zelfs al houden ze hun mond. Daarom zal het volk hen verbeten
tegenwerken. Zelfs de besten, die hen vereren, zullen hen bestrijden,
uit een plichtmatige verdediging van hun eigen middel-matigheid.
Intussen zijn ze door hun waarheid minder kwetsbaar. Voor de Heiland
waren alle kwellingen verloren moeite. Toen ze hem gekruisigd hadden,
hadden ze Hem nog niets aangedaan.
Zo breekt de transcendente waarheid dus in de taal uitsluitend in de
na-apers door, die de woorden van de profeet vaag hebben aangevoeld en
als waarheid herkend hebben en alleen al door hun persoonlijkheid de
vereiste verdunning gegeven hebben. Zij worden in hun kringen dan ook
als geniale of zeer wijze mensen vereerd. Hun uiterlijk, met de
waarheid in strijd, laat zien dat ze niet serieus genomen moeten
worden. Ze worden deste aangenamer en interessanter gevonden om het
geheimzinnige dat hen omgeeft. Want niemand begrijpt, hoe zo iemand aan
zulke ideeën komt, die hij in zijn uiterlijk zo weinig uitstraalt.
De grote zorg van de na-apers is natuurlijk om de profeet uit de
omgeving, waarin ze zelf schitteren, weg te houden en op die manier
zorgvuldig hun eigen mysterieusheid te behoeden. Ze zullen hun
geestelijke vader eerst proberen dood te zwijgen en vervolgens te
verloochenen. Die ongerustheid is echter meestal niet nodig, want de
overeenkomst tussen het verdunde en het onverdunde wordt niet
gemakkelijk onderkend.
De schrijver, van werken over transcendente waarheid die tot ons zijn
gekomen, is meestal een na-aper geweest. Zijn geestelijke vader zal
nooit de drang tot schrijven hebben gehad, maar de waarheid straalde
zijn leven lang, oneindig veel sterker en zonder dat hij sprak of
schreef, van zijn persoon af. Hij zou in de vereiste verdunning niet
eens kunnen schrijven, maar had ook geen behoefte, om de bovenaardse
waarheid, op aarde te verspreiden of om de onuitspre-kelijke waarheid
in taal uit te drukken.
En hij zal ook nalaten, brokken van de waarheid bij zijn medemensen
ingang te doen vinden, door een appèl op hun bekrompen leven en op hun
angsten en verlangens te doen. Door hen bijvoorbeeld de rampzalige
gevolgen van hun daden en de rampzalige consequenties van hun meningen
voor te spiegelen, of door hen te laten zien, dat hun verschillende
verlangens tegenstrijdig met elkaar zijn en dat hun vastgeroeste
meningen elkaar niet verdragen. Hij wil niet voorkomen dat het kwaad
zichzelf straft, en beseft, dat een op die manier tenietgedaan
verlangen of dwaling slechts voor een andere plaats zal maken. Want het
is de dorst naar hartstocht en dwaasheid, die in de mensen zit. Wordt
het ene daaraan onttrokken, dan werpt hij zich weldra op het andere.
Maar die tactiek wordt graag door de na-apers gebruikt. Zij zullen de
wereld van allerlei slechts, doms en onrechtvaardigs bevrijden, voor
weldoeners van de mensheid worden aangezien en de mensheid net zo
ongelukkig laten als ze was. Zij zullen de mensen hun domme meningen
afnemen en er hun andere domme meningen voor in de plaats geven en ze
zullen voor wijzen worden versleten en de mensheid net zo dom laten als
ze was.
In het besef, dat bijna alle mensen er naar reikhalzen, zich beter
dan anderen te kunnen voelen en te kunnen roepen: "Heer, ik dank u, dat
ik niet ben, gelijk deze" en zich belangrijk te voelen om een geloof
dat zij - en anderen niet - aanhangen, trommelen ze verenigingen van
vegetariërs en theosofen bij elkaar. Ze kweken zelfs socialisten onder
de bezitters, die niet merken, hoe krom het is, zich socialist te
noemen en zich aan zijn kapitaal blijven vastklampen.
Ze slaagden erin de mensen minder jaloers en hebzuchtig te maken,
zonder enige betekenis. Vroeger lukte dat door hen voor te houden dat
alle weldaden in het hiernamaals duizendvoudig vergoed zouden worden.
Tegenwoordig wijzen ze hen erop, dat een leven van liefde en
broederschap een ideale toestand voor mensen is, en dat wie naar die
toestand streeft, het goede doet, en beter is dan anderen. Soms beweren
ze zelfs, dat liefde tonen de gelaats-uitdrukking mooier maakt en op
die manier, voor wie daar oog voor heeft, zichtbaar is.
Het daarbij gevoegde aanschouwelijk kosmisch systeempje ging vroeger
over Hemel, Engelen, Laatste Oordeel, Uitverkorenen en Eeuwige
Zaligheid of Verdoemenis. Tegenwoordig gaat het over Odstralen,
Magnetisme, Somnambulisme, Reïncarnatie en Zeven Hemelen, maar steeds
met dien verstande, dat het alleen voor de besten, voor hen die er rijp
voor zijn, weggelegd is om tot dat geloof te komen.
Elke waarheid wordt, om ingang te doen vinden, pasklaar gemaakt en van
toelichting voorzien.
Als ze zeggen: "Tracht niet eerzuchtig te schijnen, wat je niet bent",
voegen ze daaraan toe, hoe zo'n schone schijn tot angst en ziekte
leidt, en hoe uiteindelijk alle schijn toch ontmaskerd wordt.
Ze zeggen niet gewoon openlijk: "Security is mortal's greatest enemy;
elke cent kapitaal, die je bezit, is een smet en sparen is zondig. De
innerlijke stem verbiedt het je", maar lichten het toe met: "Kijk maar
naar de bomen en bloemen en wilde dieren, die leven óók bij de dag en
redden het net zo goed". Zo ontkennen ze de angst en zuinigheid van de
mensen niet, maar erkennen en sussen dat. Anderzijds steunen ze het
zelfs, met woorden als: "Kapitaalbezit verspert de weg tot geluk, want
alleen de bittere noodzaak - honger en koude - geeft een zuivere
ontwikkeling en die psychische zekerheid, die voor een lichamelijke
gezondheid noodzakelijk is." En de mensen zullen dat inzien, hen gelijk
geven en hen grote wijzen vinden en verder blijven sparen en
parasiteren.
Ze zeggen niet gewoon: "Je behoort geen kleren te dragen. Die
verhulling is een teken van angst, hoogmoed en ijdelheid", maar lichten
dat toe met de belangrijke rol van de buikadem-haling in de
stofwisseling, dus met de heilzame werking van het aan de zuivere lucht
blootstellen van de naakte huid. Zo worden zij hygiënische genieën en
hervormers en de bête mensen gaan luchtbaden en al gauw licht- en
zonnebaden nemen, wanneer ook de werking van het zonlicht wordt
ontdekt. En uiteindelijk schemerbaden, duisternisbaden, regenbaden,
windbaden, maanbaden, sterrebaden, bosbaden en weidebaden, áls maar
aangetoond wordt, dat ze gezond zijn. En de mensen blijven even
ongezond, want het is hun verdorven karakter, dat hen dan toch op
andere wijzen tegen hun gezondheid laat zondigen.
Ze zeggen niet kortweg: "Bid en Werk", maar maken duidelijk, dat bidden
een samenvatting, een concentratie is, die hen beter de levensweg doet
overzien, hen daarna opgewekt en zeker doet gaan en hen voor
verblinding en misslagen behoedt.
Ze zeggen niet gewoon: "Je behoort naakt in de natuur te leven, die
natuur intact te laten en niet te arbeiden", maar lichten dat toe met:
"Je bent bang voor te veel warmteverlies. Besef dan dat onze voorouders
hier naakt leefden, in een tijd dat het klimaat volstrekt niet zachter
was dan nu. Dat de Jakoeten bij 40 graden vorst zogoed als naakt lopen.
Als je bang bent, dat de natuur niet je voldoende zal voeden, als je
niet arbeidt, bedenk dan, dat wat de natuur voortbrengt, zolang dat
nodig is door haar vanzelf in stand gehouden zal worden. En bedenk
verder, dat Catharina van Siena helemaal niet at. Uiteindelijk ben je
bang, dat wilde dieren je kostbare lijf zullen verscheuren. Weet dan
dat geen wild dier een echt goed mens zal aanvallen. Zo'n mens heeft
iets in zijn blik, dat jouw glazige ogen, die dat niet hebben, ook niet
zien, maar wilde dieren wel. Alleen vroegere volkeren, die in onvrede
leefden, moesten, om de wilde dieren te bestrijden, echte helden zijn."
Ze zullen niet gewoon zeggen: "Alle gebruik van verkeersmiddelen is
uit den boze", maar ze zullen daarbij wijzen op de nadelen van de rook
van treinen voor de gezondheid, en de zenuwbeschadigende invloed van
het elektromagnetisch veld van de electrische trams en op de
onvermijdelijke lichamelijke disharmonie, die op verplaatsing in het
krachtveld van de aarde zonder de daarbij behorende spierbeweging moet
volgen.
En als ze zeggen: "Alle cultuur is uit den boze. Parasiteren op
natuurkrachten is even strijdig met het geweten, als parasiteren op
mensen en dieren", dan wijzen ze als toelichting op alle degeneratie,
ziekte en ellende, die de cultuur met zich mee heeft gebracht.
Ja, soms verklaren ze zich bereid, om met de dwazen, hun medemensen, te
debatteren. Waar hun uitspraken de wil van de anderen zouden moeten
ontkennen, gaan ze bij een debat niet alleen van die wil van de anderen
uit, maar doen ook nog eens alsof ze zelf diezelfde wil met hen delen.
En om een waarheid aan de man te brengen, zullen ze niet schromen, haar
op een nadrukkelijke bevestiging en verkondiging van een gangbare
dwaasheid te baseren. Zo wordt de waarheid van het maatschappelijk
onrecht en de plicht tot beter leven door economische hervormers op
onzinnige principes van angst en verlangen gebaseerd, alsof "het
betere" pas bij gevulde magen zou kunnen bestaan - "primum vivere,
deinde philosophari" roepen ze uit - alsof door verstandig redeneren en
vervolgens actief ingrijpen een uitweg uit alle kwaad zou zijn te vinden.
Vaak zullen ze ook, tot troost van de toehoorders, in de toelichting
bij hun ontkenningen, die ontkenningen weer stilzwijgend herroepen. Zo
zeggen ze niet gewoon: "Ontdoe je van de waan van de
onveranderlijkheid van de materie. Het Zelf kan alles onbeperkt
scheppen", maar voegen daaraan verklaringen en hypothesen over wat stof
dan wel is, toe, waarbij ze even onzinnig opnieuw de onveranderlijkheid
van andere dingen, misschien elektronen, introduceren.
En aan de uitspraak: "Ontdoe je van je verstand, dat geschenk van de
duivel", voegen ze iets toe, dat zich weer op standpunt van het
verstand dat ze verwerpen stelt, bijvoorbeeld: "De natuur is oneindig
veel knapper ingericht, dan je verstand ooit kan bevatten, zodat het
nooit de zekerheid zal geven die je beoogt." Terwijl deze maatschappij
helemaal niet prettig of ingewikkeld, maar voor wie in staat is het
verstand uit te schakelen alleen maar vanzelfsprekend is. Deze
maatschappij wordt alleen als aangenaam ervaren door een arbeidend
verstand dat beseft, dat zijn arbeid geen einde heeft.
Zo is de rol van de predikers niet meer dan een leiding geven, een
vrijblijvend begeleiding bij het veranderen en ontwikkelen van de op
deze aarde bestaande verlangens zelf. Hier leiden alle dwaasheden een
tijdelijk bestaan, tot ze zichzelf hebben overleefd en rijp zijn om
door predikers opgedoekt te worden om voor nieuwe dwaasheden plaats te
maken. Maar steeds blijven de mensen doen, alsof het doel de middelen
heiligt. In hun dwaasheid ontwaren ze een voor hen wenselijk doel en
jagen het na met door henzelf als stuitend ervaren middelen. Ze ervaren
het fokken en melken en voeren van koeien als stuitend en verwachten
daar toch zegeningen van. Ze blijven vlees en melk gebruiken, tot hun
daar het schadelijke van wordt aangetoond. Ze ervaren het planten en
snoeien en mesten in de tuinbouw als stuitend, en verwachten daar toch
zegeningen van. Ze blijven gekweekte groenten en vruchten gebruiken,
tot hen daar het schadelijke van wordt aangetoond. Ze ervaren het werk
aan spinnewiel en weefgetouw als stuitend, maar blijven gordijnen en
kleden gebruiken, tot hen daar het schadelijke van wordt aangetoond. Ze
ervaren alle arbeid en ambitie als stuitend, maar toch verwachten ze
zegeningen van de cultuur. Zelfs wie ontgoocheld raakt en het opgeeft,
gaat toch weer ergens anders zijn best doen en arbeiden, want zijn best
doen en arbeiden ligt in nu eenmaal in zijn aard.
Zo zie je hoe in de geschiedenis van deze maatschappij de menselijke
gevangenis slechts vervormd wordt, maar nooit worden de muren
afgebroken.
Tot de morele woordkunst, die niets met transcendente waarheid heeft te
maken, behoort de lyriek. Daarin wordt gedroomd over emoties, die uit
de krankzinnigheid van deze cultuur opbloeien. Naarmate ze minder of
meer intellectueel is, zal ze voor de lezers alleen maar prikkelend
zijn of zijn idealen bevestigen.
Het bezingt liefde en weemoed, passie en wanhoop, wolken, strand en
zee, papavers, maan en madeliefjes, zoals die in deze gekerkerde wereld
verschijnen. De lezer hoort zijn eigen fantasieën weerklinken en vindt
er aangename steun, meer zelfvertrouwen en tevredenheid in. Dat vindt
hij heel prettig. Zijn genoegen is het grootst, als er "Weltschmerz"
in doorklinkt. Dat schijnt hem stilzwijgend de troostende belofte van
evenwicht te geven, dat uit die "Weltschmerz" door stimulering van
zijn gevoel vervolmaakt wordt. Tevreden kan hij dan in een bodemloos
gemijmer zijn eigen onvrede ontvluchten, zodat hij tijdelijk vrij van
pijn is.
Zoals alle koopwaar, worden ook waarheid en lyriek vervalst. Ze worden
zelfs bijna niet onvervalst aangetroffen. Netzomin als de fabrikanten
van kindermeel en vleesextract in de waarde van hun product geloven en
netzomin als de leiders van spiritistische seances te goeder trouw
zijn, geloven de meeste filosofen en moralisten in wat ze schrijven en
hebben de meeste lyrici zelf in hun verzen hun geluk gevonden. Maar het
kritisch vermogen van de bedorven instincten is niet zuiver. Ook het
vervalste wordt geaccepteerd. Mundus vult decipi. De priesters geloven
niet, wat ze de menigte voorhouden. De leiders van politieke partijen
bedriegen het volk willens en wetens, met woorden die ze zelf niet
begrijpen. De meeste dichters, schilders en verdere artiesten, hebben
zich ook die rol aangemeten, vanuit een slechte kans op een plaats in
de arbeidsmarkt, door zwakheid of luiheid. En het kritiekloze publiek
erkende na enige tijd hun plaats in het kunstvak, waar ze alleen maar
vervalste waar leveren, omdat ze niet anders kunnen.
Sóms klinkt zomaar in het leven een begeleiding van de transcendente
waarheid door. De waarheid zelf blijft buiten - buiten het bekrompen
leven en wordt dus niet begrepen. De uitingsvormen van de waarheid
lijken uit het leven, waar ze een deel van uitmaken, volledig verdwenen
te zijn. De ziener blijft, na terugkeer tot zijn nederige, aardse taak,
"geloven" in zijn, door Zelfkennis, plotseling begrepen beelden, als
een begeleiding door een hogere wijsheid. Daaruit roept hij natrillend
de sturende stem van de Zelfkennis weer op.
Die beelden zijn het harmonische resultaat van een luisteren naar het
Zelf en werken in deze maatschappij.
Voor wie zijn aandacht op deze maatschappij richt, spreken ze niet.
Maar wie leeft in Zelfkennis, bevrijd van begeerte, angst en kennis,
wie deze in maatschappij geen richting ziet en volgt en niets doet, dan
wat anderen van hem willen, en zich zo voor onomkeerbare daden, dus
voor karmaverzwaring, behoedt; wie zich door niets laat beïnvloeden,
alles buiten zich om laat gebeuren, zich niet ontwikkelt, maar zich
stil op zijn plaats handhaaft en zich tegelijkertijd vrij voelt om
onbewegelijk buiten deze maatschappij te blijven, waarin hij aan zijn
karma en aan verdriet, veroudering, ontbinding en dood is ontsnapt -
die voelt hoe de beelden van een ander, die in diezelfde toestand
verkeert, ook in zijn leven de waarheid begeleiden, zwevend boven deze
maatschappij en los van de vormen van deze maatschappij.
De in het leven gekerkerden noemen dat echter mystiek. Ze vinden het
duister, maar wel waar. Het is het licht dat voor de duisterlingen
duister is.
De mystieke beelden worden in vormen gegoten, die het dichtst bij de
nederige maar heilige taak staan, die ze in deze tragische wereld moet
vervullen. Ze zullen dus niet gauw in muziek of beeldende kunst
verschijnen, maar vooral in wat het dichtst bij de menselijke vloek
staat, het intellect, dus in woorden.
De mystiek ontkent dat er ook maar iets positiefs in het bekrompen
leven schuilt zonder daar rekenschap van te geven. Zij spiegelt in
vreemde beeldende klanken het eindeloos emanerende en resorberende
Zelf. Slechts voor wie de melodie kent, heeft die begeleiding zin. Maar
hij zal het herkennen, ook bij een vreemde begeleiding op een vreemd
instrument, zoals de beelden van de oude en middeleeuwse mystici,
ontleend aan hú n stoffelijke buitenwereld. De mensen van deze tijd
hebben, in de omgeving, waar hun plichten liggen, de buitenwereld niet
zo levendig en niet zo pantheïstisch leren zien. Maar daarom zijn die
beelden voor hen niet minder te begrijpen.
Soms leggen woorden van waarheid, net als de mystieke woorden, geen
rekenschap aan het intellect af, maar zijn wel toegankelijk voor het
intellect. De mensen, die ze spraken, kenden de weg naar Zelfkennis,
maar plaatsten die woorden, in het gekerkerde leven, telkens als op
zichzelfstaand buiten zichzelf. Om zich te sterken door woorden van
inzicht en levensvoering lieten ze die op zich inwerken, terwijl ze
binnen het systeem van het bekrompen leven, waarop ze weer hun aandacht
hadden gericht, verder leefden. Ze kunnen hemi-mystieken genoemd
worden. Hun werken zijn voor de verstaander irritant omdat ze de
bovenaardse waarheid niet verheven genoeg houden. En voor de
niet-verstaander zijn ze uiterst gevaarlijk. Mensen die naar zekerheid
zoeken en die ze tegenkomen, worden er door tot allerlei
buitensporigheden gebracht. Aan bijna alle godsdienstige dweepzucht en
sektevorming ligt een hemi-mystiek verkondigde waarheid ten grondslag.
Vanuit dit standpunt had de Kerk groot gelijk met de veroordeling van
de ketterij van Eckehart, Huss, Luther en Calvijn, die wat boven de
aarde gelaten behoort te worden, naar de aarde neerhaalden. Die mensen
konden zich niet staande houden in het onbewogen aanschouwen van de
wisselvalligheden hier beneden en het als Gods wil beschouwen. Door hun
eigen onzekerheid verleid, lieten ze die op hun wil en hun wil op hun
onzekerheid inwerken.
Ook de bijbel bevat veel te veel hemi-mystiek, om straffeloos door de
menigte gelezen te kunnen worden.
Maar de oude Indiërs en Chinezen en sommige Kerkvaders en ook Jacob
Boehme zijn veel zuiverder mystici. Die houden hun uitspraken buiten
het praktische leven en onbegrijpelijk voor het praktische verstand.
Wel kunnen grote intellecten van die werken, in hun benevelde hersenen,
soms beelden maken, waarin dan grote waarheden verschijnen, die de
essentie van het oorspronkelijke volmaakt hebben verloren. Maar de
menigte begrijpt daar niets van, zodat het spelletje voor zwakke zielen
ongevaarlijk is . Want meer dan een spelletje is het niet, als
zogenaamde wijsgeren de betekenis van God, Drie-eenheid, Onbevlekte
Ontvangenis of Brahma-Wishnu-çiwa rationeel verklaren. Nou, meer dan
een spelletje is de exegese van de Bijbel ook niet.
Zuivere mystiek is voor het intellect, voor het bekrompen leven,
zinloos. Ze roept niet het geweten van slechte mensen wakker, laat de
Groten der Aarde met rust, en wordt door hen als een onschadelijke
curiositeit met rust gelaten.
Verder kan er, omdat mystiek buiten het rationele leven staat,
verstandelijk niet veel anders dan negatiefs over worden gezegd.
Ze kan niet worden geleerd, maar alleen herkend worden. Waarheid
schrijven kan iedereen met talent, en talent kan leven in een
gekerkerde geest. De waarheid begrijpen kan ieder met gezonde aardse
zintuigen. Mystiek schrijven of herkennen vereist een vrijheid van
ziel, die niet door aardse krachten te verwerven is, maar alleen door
goddelijke genade geschonken wordt.
Mystiek is heel iets anders als occulte wetenschap. Veeleer het
tegenovergestelde, omdat mystiek alle weten ontkent, en occultisme de
hang naar weten tot in het uiterste volgt. Occultisme is amoreel.
Mystieke wijsheid kan niet zonder morele hoogheid.
Nergens volgt mystiek een lijn of een juiste volgorde. Elke spreuk
staat op zich zelf en heeft geen andere die er aan vooraf moet gaan of
die erop moet volgen, zoals begrijpelijk is voor iets, dat met datgene
wat buiten de tijd is, samenhangt. Metafysische vraagstukken, zoals
onsterfe-lijkheid, vrije wil, de zin van kunst en godsdienst en de
grondslagen van de moraal, zijn hier niet meer dan raadselachtige
uitvloeisels van het intellect en daarmee is het raadselachtige van al
die vraagstukken verdwenen. Bovendien blijkt dat ze met het verstand
onoplosbaar zijn.
Voor het verstand klinkt mystiek onsamenhangend, orakelachtig, soms
bombastisch en kan de toets van de kritiek niet doorstaan. En voor het
verstand lijkt het alsof het wemelt van de tegenstrijdigheden.
Hier volgen wat mystieke klanken, die zweven boven wat er in de vorige
hoofdstukken verteld is:
"De eerste Eigenschap is
de begeerlijkheid, gelijk een Magneet, namelijk, de vattelijkheid van de
Wil, alwaar de Wil iets wil zijn, en toch niets heeft waaruit hij zich
tot iets maakt. Zo voert hij zich in een aannemelijkheid van zichzelf,
drukt zichzelf samen, en vat zichzelf tot een iets. En ditzelfde iets
is niets anders dan alleen een scherpe Magnetische honger, een
wrangheid, gelijk een stijfheid, waarvan ook hardheid, koude en wezen
ontstaat.
De tweede Eigenschap van de eeuwige natuur ontstaat uit
de eerste, en zij is het trekken of bewegen in de scherpte, want de
Magneet maakt stijfheid, en de beweging verbreekt de stijfheid wederom;
het is een altijddurende strijd in zichzelf. Zo ontstaat tussen deze
beide Eigenschappen een bittere wee, zijnde een prikkel der
bevindelijkheid, die er zonder scherpte en beweging niet zou zijn.
De derde Eigenschap van de eeuwige natuur is de angst,
zijnde het willen dat zich in aannemelijkheid tot natuur en ietsheid heeft
ingevoerd. Deze beweging is gelijk een draaiend rad. Niet dat daar een
zodanig draaien is, maar zo is het in de Eigenschappen, want de
begeerte trekt in zichzelf, en de beweging dringt uit zichzelf. Deze
angst is het ware fundament van de hel - in zoverre ze niet - zoals
eeuwig in God geschiedt - in de vrijheid van het licht verzwolgen en
opgeheven wordt (Boehme, uit Clavis of de Sleutel)
"Het schepsel moet in deemoed en gehoorzaam onder God
blijven en zich niet verder verheffen; want het is nog niet aan God gelijk; God
wil kinderen en geen heren bij zich hebben: Hij is de Heer en niemand
anders." (ib. p. 65.)
"Voor God het woord van de schepping begreep, draaide het
wiel van de eeuwige essentiën zonder wezen in het wonder. Toen Hij echter
goedkeuring aan de wil gaf, zetelde die zich in het wezen. En toen is
de tijd begonnen, die voordien in eeuwigheid niet bestond. "(ib. p.
66.)
"Daar de openbaring van de eeuwige en de uiterlijke
stoffelijke en gevallen natuur tegenover elkaar staan, zo staan ook de
geesten van de duistere wereld tegenover de geesten van de heilige
wereld, bijzonder echter tegenover de mensen, die openlijk in het kwade
en het goede staan. Zo heeft de goede God het ene tegenover het andere
geplaatst, opdat zijn heerlijkheid zich zou openbaren, beiden is zijn
liefde en in zijn toorn." (ib. p. 78).
"De engelen zijn onze dienaren en wachters, omdat wij
Christen en geen dieren zijn ". (ib. p. 79.)
"Er moet gestreden worden tot het duistere, harde en gesloten
middelpunt uiteenbarst en de hemelse vonk middenin vangt, waaruit
spoedig de edele lelietak, als uit een goddelijk mosterdzaadje, zoals
Christus zegt, uitbot. Men moet ernstig en met grote deemoed bidden en
men moet met het eigen verstand een tijdsspanne een zot zijn, en
zichzelf daarin als dwaas beschouwen, tot Christus in deze nieuwe mens
gedaante aanneemt." (ib. I. p. 183).
"Het is zeer wel mogelijk dat een arme dode zondaar bekeerd
wordt, als hij bij de beelden stil wil staan en één moment
wil luisteren naar wat de Heer in hem spreekt. Maar de verstokte,
verbitterde geest, wil de stem van de Heer niet in zichzelve horen
spreken, maar zegt slechts: Letter! Letter! het geschreven woord is het
alleen. Dat haalt hij her en der aan en beroemd zich daarop, maar het
levende woord, dat de woorden heeft uitgesproken, duldt hij niet in
zich noch wil hij het horen. Wil hij echter tot inzicht komen, dan moet
hij zich de letters eerst laten doden, vervolgens wordt de geest in de
letters pas echt levend." (ib. III p. 215). "Nu en dan
slepen de van nature onstuimige zinnen het denken mee, ook van een wijs
mens, zelfs al streeft hij naar volmaking.
Laat iemand daarom, als hij de zinnen onder beheersing
gebracht en zijn gedachten verstild heeft, standvastig in yoga verblijven met
zijn denken op Mij als Allerhoogste gericht. Want hij wiens zinnen
onder beheersing zijn gebracht, is stabiel van denken geworden.
De mens, die verwijlt hij de objecten der zinnen, raakt
eraan
gehecht; uit gehechtheid ontstaat begeerte; uit de geest komt toorn.
Uit toom ontstaat begoocheling; uit begoocheling een verward
geheugen; uit een verward geheugen het verloren gaan van de rede; en
door het verloren gaan van de rede gaat hij ten onder.
Maar de mens met zelfbeheersing, die zich beweegt temidden van
de objecten der zinnen zonder er door aangetrokken of afgestoten te
worden, en die zich heeft onderworpen aan het Zelf, komt tot vrede des
harten.
In die vrede wordt alle leed en smart gedoofd want de rede komt
snel tot evenwicht als de mens de vrede des harten kent.
De onbeheerste, onharmonische mens, kent de zuivere rede
niet; ook kent de onharmonische mens de concentratie niet, wie de
concentratie niet kent, heeft geen vrede; en hoe kan er geluk zijn voor
de mens zonder vrede? (Bhagavad Gîta II, 60-66).
" Men moet niet verheugd zijn, als men het aangename verkrijgt,
en geen smart voelen, als men het onaangename verkrijgt. Laat uw gemoed
in een wolkenloze helderheid in Brahma rusten, zodat gij Brahma erkent
en in hem leeft.
Hij wiens zelf ongehecht is aan de objecten daarbuiten, en
vreugde vindt in zichzelf; diens ziel is door overgave met Brahma
verenigd, in eeuwige gelukzaligheid.
De genietingen door beroering van de zinnen met de buitenwereld
bergen smart in zich, want ze hebben een begin en een einde; de wijzen
zoeken daarin geen vreugde.
Hij die nog vóór hij van het lichaam bevrijd is, in staat is
hier op aarde weerstand te bieden aan de onstuimige kracht van begeerte
en hartstocht, is een gelukkig mens.
Hij die innerlijk gelukkig is en met zichzelf in vrede leeft en
in zichzelf het licht van de verlichting vindt, zulk een yogi is één
met Brahma, en vindt het Nirvana in zichzelf. (Bhagavad Gita V, 20-24).
"Wanneer door geestelijke beschouwing getemd, de gedachten
tot volledige rust gekomen zijn, en wanneer hij in zichzelf schouwend, de
innerlijke vrede in zichzelf gevonden heeft;
Wanneer hij met die oneindige gelukzaligheid vervult, die
voorbij het zinnelijke toeft en die slechts de ziel vatten kan - en
wanneer hij daarin vast verblijvend, niet meer van de eeuwige waarheid
afstand doet,
Wanneer hij inziet dat als hij dat verkregen heeft, er niets
hogers en beters te verwerven is; en wanneer hij daarin blijft en niet
meer, zelfs niet door een grote smart geschokt wordt,
Dan zal hij ervaren hebben dat de vereniging met het hoogste,
de scheiding is van alles, wat lijden brengt.(Bhagavad Gîta VI, 20-23).
VIII
Het Zelf, de transcendente waarheid, is ook in het dagelijks leven
de metgezel van de vrijen in deze maatschappij. De vrijen die met hun
oude, voldongen karma afrekenen, zonder zich met nieuw karma op te
zadelen. De vrijen die nooit de nederig aanvaarde muren met geweld
verbreken, maar ook nooit schromen om, zogauw zich buiten hun eigen
toedoen een poort naar bevrijding opent, die door te gaan. De vrijen
die doorgaans hun stoffelijke lichaam als beperking ervaren, maar dat
aanvaarden, tot het God behaagt hen te verlossen en hen tot zich te
nemen. Voor hun medemensen zal hun invloed in de wereld nietig lijken.
Toch zijn juist zij de uitvoerders van het Noodlot, dat schijnbare
toeval, dat buiten de causaliteit om, in het leven rechtspreekt en
wreekt. Maar met hun doelbewuste handelen zullen ze niet in de loop van
de gebeurtenissen ingrijpen. Ze zullen het kwaad dat zichzelf straft
niet hinderen en het dus ook niet de moeite waard vinden de waarheid te
prediken. Maar ondanks al hun nederigheid en terughoudendheid zal de
waarachtigheid in hun optreden het geweten van de mensen lastig vallen
en hun woede tegen hen opzwepen. Uit die hen aangedane smaad en pijn
komen de evangelisatiebewegingen over de hele wereld voort,
ogenschijnlijk positief en nieuw, maar uiteindelijk alleen maar
negatief. Het is slechts wraak op het oude.
Hun leven vertoont een veronachtzamen van genot, bezit en eer, en ook
van werk, behalve van dat wat op hun weg komt. Want ze kennen geen
tijdelijk doel en geen levensdoel en zoeken evenmin contact met hun
medemensen. Verenigingen zijn voor hen slechts de zwaarste bezinksels
van de dikke mensenvloeistof.
. Zo zal bij een man het leven op absolute afzondering gericht zijn,
maar niet bij een vrouw. Haar leven blijft een zoeken en zich, tussen
het menselijke, dat wil zeggen, het mannelijke in begeven. Want zijn
onlosmakelijke karma, waardoor en waaruit zijn leven gestuurd wordt, is
de omgeving waarin hij geplaatst is, en de manier waarop hij daarop
reageert is zijn intellect. Haar karma is de hunkering naar het
mannelijke, zoals het leeft in de geliefde. Door die hunkering naar
menselijkheid buiten maar onverbiddelijk van haar gescheiden, voert
haar leven naar een langzame reiniging. Milieu, omstandigheden en eigen
menselijke mogelijkheden zal ze negeren. Haar leven blijft gericht op
de geliefde en blijft dus in deze maatschappij. Ze voelt, dat ze aan
geen ontvluchten mag denken, zolang ze geen man is. Zijn weg leidt deze
maatschappij uit en hij ijvert, zodra hij zich van zijn mannelijkheid
bewust wordt, tot boetedoening en de eliminatie daarvan.
Aanvankelijk zal hij verstandelijk volgzaam en actief met de gewoonten
en idealen van zijn omgeving hebben meegedaan, terwijl hij intussen
nauwlettend luisterde en geduldig de ontdekking van de innerlijke
tegenstrijdigheden van het verstand afwachtte. En omdat hij die
ontdekking niet geforceerd heeft, zal hij die pas in de uiterste
consequenties van de filosofie, waarin hij als in de top van een kegel
vastliep, verkregen hebben. Maar toen vloog de waan van deze
maatschappij weg en werd hem het Zelf geopenbaard. Vanaf dat moment
zullen wetenschap en nadenken uit zijn leven verdwenen zijn omdat hij
ze als consequenties van een willekeurige afgrenzing onderkend heeft.
Hij leeft nog slechts in het heden, aanvaardt blijmoedig zijn omgeving
en omstandigheden en reageert daar omkeerbaar op. Hij geeft nauwlettend
acht op elke gelegenheid, om aan een door zijn omgeving uitgeoefende
dwang te ontsnappen. En na de eerste kleine ontvluchting voelt hij zich
niet meer thuis onder de mensen, die hij door ongewilde, uit de
begonnen bevrijding voortvloeiende, buitenissigheden gaat irriteren.
Hij gaat zich storen aan alles wat hem aan de gemeenschap bindt. Dat
dwingt hem tot de uiterste voorzichtigheid in de sociale omgang en
levert hem de moeilijke taak om met omstandigheden te leven zonder zich
de door die omstandigheden te laten beïnvloeden. De verleiding zou
groot zijn om de kleine bevrijding prijs te geven en in het oude leven
terug te vallen, ware het niet, dat hem uit het Zelf almacht en
absolute wijsheid overvloedig toevloeien, die samen met mystiek zijn
weg steeds weer openen. Door de immanente en transcendente waarheid
houden ze dreigende stollingen in het leven vloeibaar, die aan iedere
verstarring eigen zijn en die kiem vormen van het weer vervluchtigen
van die verstarring.
Zo zullen die storende emoties zijn geduldig afwachtende gang slechts
de samenleving uit sturen. Zijn behoeften worden steeds geringer. Aan
die lichamelijke belastingen en wat er van overblijft, zal hij, uit
pure weerzin tegen parasiteren, steeds directer door eigen arbeid
voldoen en zijn pure weerzin tegen die arbeid, zal tot het verdwijnen
van arbeid en behoeften leiden.
Zo schrijdt buiten eigen toedoen het langzame losmaken van zijn
omgeving en het vervluchtigen van de intellectuele mist voort, die hij
samen met zijn onreine omgeving deemoedig verdraagt. Zo ziet hij zijn
levensweg als een boslaan, die aan het eind duister leek, maar die
steeds meer en meer opklaart.
Hij verzeilt in een steeds grotere afzondering, armoede en
bewegingloosheid. De samenleving zal hem uiteindelijk als kluizenaar
zien, die heide zoekt boven domme vegetatie en nacht boven het domme
daglicht. Hij zal veel in de Oceaan baden. Hij weet dat hij afstevent
op een nog grotere armoe, in het geloof van:
"Het is een arm mens, die
aan alle dingen die God geschapen heeft, niet genoeg heeft. Het is een arm
mens, die niets wil, niets weet en niets heeft."
"En het is echter zo met de mens gesteld, dat God in hem
een plaats vindt, waarin Hij werkzaam kan zijn, daarom zeggen wij: zolang
dat in de mens is, is de mens niet arm in de diepste armoede, want God
bedoelt met zijn werken niet dat de mens een plaats in zich heeft,
waarin God werkzaam kan zijn, maar het is een armoede van geest, waar
de mens voor God en al Zijn werken zo ledig moet zijn, dat God, wanneer
Hij in de ziel wil werken, zelf die plaats is, waarin hij werkzaam wil
zijn en dat doet hij gaarne. Dan is de mens wat hij was en dan neemt
hij af noch toe, want dan is hij een onbewegelijk Oorzaak, die alle
dingen beweegt. Hier vindt God geen plaats in hem, want de bereikt met
zijn armoede dat hij eeuwig is en altijd blijven zal; Hier is God een
van geest, en dat is de diepste armoede die men vinden kan." (Meester
Eckehart).
Het weinige wat hij nog doet, doet hij omkeerbaar. Het maakt
hem niets uit of zijn werk resultaat oplevert. Omdat al zijn daden
omkeerbaar zijn, kan hij zich net zo goed in het kwade, als in het
goede laten gaan. Soms zál hij het kwade doen, soms zál het lijken
alsof hij zijn aardse banden verzwaart. De wegen van het Zelf zijn
ondoorgrondelijk. Misschien zal hij in het leven terugkeren en daar
zonder berouw blijven en daar ogenschijnlijk reddeloos door
hartstochten regelrecht naar de hel worden voortgedreven. Maar het
raakt hem niet, hij staat buiten deze maatschappij. Hij heeft er geen
verplichtingen meer aan. Hij kan er niet zondigen. Hij doet er niets.
Hij is al lang dood. Zijn aandacht zweeft in betere gewesten en:
"L'apostasie est permise, quand le cœur est pur." (Flaubert).
De juiste ware gemoedsrust
is het afsterven van de afkeer tegen God. Wie zijn zelfheid volkomen
verlaat en zich met zijn gemoed en begeerte, zinnen en willen aan Gods
erbarmen, in het sterven van Jezus Christus, overgeeft, die is met de
aardse wereld met de wil afgestorven en is een tweevoudig mens. De
afkeer werkt nu in zichzelf, ook tot de dood; maar de gelaten wil leeft
in de dood van Christus en staat daar immer in zijn opstanding in God
op. En of die eigen begeerte zondigt, dat toch niets anders kan dan
zondigen, zo leeft toch de gelaten wil niet in de zonde; want hij is
van de begeerte naar zonde afgestorven en leeft door Christus in God,
in het land van de levenden, maar de zelfheid leeft in het land van de
dood, als in een altoos sterven." (Boehme ed. Claassen III p. 263).
,Wie in zijn binnenste de hemel der gelukzaligheid vindt, wie
zich in zijn geestelijke zelfbewustzijn over zijn oneindige Zijn
verheugt en een volkomen tevredenheid in zichzelf (in God) heeft, voor
hem is er geen werk meer te verrichten.
want boven alle werelden verheven, bekommert hij zich niet meer
over wat er in deze maatschappij gebeurt of ook niet gebeurt; en hoeft
hij tot geen enkel schepsel zijn toevlucht te zoeken.
Doe daarom, wat er gedaan moet worden, maar zonder
betrokkenheid. Wie zonder enige betrokkenheid handelt, bereikt het Al-Ene.
Alles was gebeurt wordt door de krachten van de natuur
volbracht. Wiens ziel door eigendunk verblindt is, denkt dat hij de
handelende is.
Wie echter het wezenlijk onderscheid kent tussen natuur en het
Oer-Zijn, en wie de krachten onderkent die in de krachten werkzaam
zijn, die voelt zich niet aan zijn daden gebonden." (Bhagavad Gîta III
17-19; 27-28)
"Wiens zuivere geest vast verenigd is, wie zichzelf beheerst,
wiens zinnen onderworpen zijn, en een mat allen is, wordt ofschoon hij
handelt, daardoor niet beroerd.
Wie in het Ene opgaat, wie de waarheid kent, die zegt met
recht; "Niet ik ben het die handelt!" wanneer zijn natuur ziet, hoort,
voelt, waakt, ruikt, eet, slaapt en ademt.
In het spreken, vasthouden of laten gebeuren, het openen of
sluiten van de ogen, weet hij dat het de zintuigen zijn, die zich met
de wereld der zinnen bezig houden.
Wie ongebonden alles in naam van de Allerhoogste verricht,
wordt niet door zijn zonden bevlekt; zoals het in het water drijvende
lotusblad niet door het water bezoedeld wordt.
De volmaakten, van alle banden met deze maatschappij verlost,
volbrengen hun werk door lichaam, gemoed en verstand en zelfs door de
zintuigen, ter reiniging van hun wezen.
De toegewijde, die afstand doet van de vruchten zijner arbeid,
bereikt de eeuwige vrede. De mens van deze maatschappij, meegesleept
door begeerten, is gebonden." (Bhagavad Gîta V 7-12).
Maar de vrije mens heeft, of hij nou voortgaat door elke poort
te ontvluchten of in het leven terugkeert, de muren van het leven niet
aangeraakt. Hij heeft er geen contact mee gehad en geen druk van
ondervonden. Juist daardoor blijven die muren transparant voor zijn
schoonheid, die alleen voor zijn gelijken zichtbaar is. Hij straalt
door alles wat hem bindt, zijn huis, zijn kleren, zijn vaderland en
zijn lichaam, als zijn "idee", het karma, dat hem vanaf zijn geboorte
belastte, en waarboven hij uitgestegen is. Die schoonheid is vrij van
deze maatschappij en dus vrij van verwording en vergankelijkheid. Het
is de schoonheid van vrijheid, zichtbaar in gebondenheid, waarin de
vrijheid altijd op de proef gesteld wordt.
Zolang hij nog niet uit de samenleving weg is, zullen er vrouwen zijn,
wier leven naar het zijne toestroomt. Worden ze door hartstocht
gedreven of zoeken ze in hun zwakke mannelijkheid zijn steun, dan
dringt hun leven niet tot het zijne door, want ze zien hem niet. Maar
leven ze ín hem in een gereinigd vrouwelijk leven, als vrouwen zonder
eigen leven, dan zien ze hem, en zal hun leven samenvloeien met het
zijne. Omdat dan verder de afwezigheid van een eigen leven de vrouwen
niet toestaat, van de samenleving los te komen, zal het door die
vrouwen zijn, dat hij tot het laatst contact houdt met de samenleving.
Het zal door zijn vrouwen zijn, dat hij uiteindelijk nog door dunne
draden met de samenleving verbonden is. Hun onbewust uitgestraalde
verleiding zal hij als de vreemde bekorende gloed van bloemen in zijn
droom beschouwen, die door een aanraking verdwijnt en de schuldige
gedood heeft. Maar het heiligt het leven van hem, die er in eerbiedig
ontzag langsheen gaat. Die verleiding die immaterieel is, en juist
daarom buiten bereik van de in veelheid en materie gevangen aandacht,
die ze prikkelt. Maar in de heldere ziel, die zich immaterieel
handhaaft, dringt ze zonder weerstand door.
De vrouwen, die hartstochtelijk om hem heen zweven, zijn als vampiers,
maar voor hem, evenals als de roofdieren van zijn eenzaamheid,
onschadelijk.
Op het eind wordt hij in de samenleving niet meer gezien, want: "Alle
Dinge, die Gott schuf, tun ihm nicht genüge." Is hij dood, dan is hij
aan zijn karma, dus aan alle verder Bestaan en Beperking ontsnapt. Maar
juist, omdat hij aan zijn karma is ontsnapt, is er voor hem geen reden
meer om dood te gaan. Maar ook niet om in een land met onbekende
verten, en onbegrepen medemensen te leven. Hij zal dus naakt zijn op
een niet te groot en niet te klein eenzaam eiland, dat hij kan
overzien. Ligt het op de aarde? Neen, want de aarde heeft geen reden
van bestaan meer en is dus niet meer. De zee is kalm, de horizon
scherp. Hij voelt de behoeften van zijn lichaam, waarvan hij al wist
dat ze niet fysiek waren, verdwijnen. Nu is er, juist daarom, geen
reden meer, waarom zijn lichaam zou sterven. Hij eet niet meer, hij
overziet zijn eiland in het rond, een vos, een paar konijnen vluchten
ritselend. Hij ziet het niet - de vogels zitten stil op de takken. Hij
hurkt neer op het strand, en kijkt naar de horizon. Een zachte regen
valt. Aan de hemel achter hem staat de maan, over de zee ligt een bleke
glans. De vogels, ook achter hem, kijken hem aan, zwijgend, verwonderd,
maar verlamd. Alles staat stil, zal altijd blijven en is ten eeuwigen
dage geweest.
Dit laatste was mystiek. Als immanente waarheid opgesloten in het kleed
van de fantasie, laat Flaubert het zien in "Le Gymnosophiste":
"Aan de rand van het woud
staat iets vreemds, iets wat op een stapel hout lijkt - een man -
volledig naakt en bedekt met koeienmest, uitgedroogder dan een mummie;
zijn gewrichten, aan het uiteinde van zijn botten, die op stokken
lijken, zijn als knokkels. Hij heeft stukken schors aan zijn oren, een
zeer lang gezicht, zijn neus is als van een gier. Zijn linkerarm steekt
recht in de lucht, verstijfd, onbuigzaam als een staak; - en
hij heeft daar zo lang gestaan dat de vogels een nest in zijn
haren gemaakt hebben.
Op de vier hoeken van zijn brandstapel branden vier vuren. De
zon schijnt precies op zijn gezicht. Hij slaat die met wijd open ogen
gade." Dan zegt hij, (de vlammen spelen om hem heen):
"Als een rinoceros heb ik mij in de eenzaamheid
teruggetrokken. Ik woon in die boom daar achter mij.
En ik voed me met bloemen en vruchten, en houdt zo zorgvuldig
de regels in acht dat zelfs een hond mij iet kan zien eten.
Omdat het bestaan voortkomt uit ontaarding, de ontaarding uit
de begeerte, de begeerte uit het gevoel, het gevoel uit het contact,
ben ik alle doen ontvlucht, elk contact; en - zonder meer te bewegen
dan de steen op een graf, ademend door mijn twee neusgaten, mijn blik
gefixeerd op mijn neus, en de ether in mijn geest, de wereld in mijn
ledematen, de maan in mijn hart wetend, - overdacht ik het wezen van de
grote Ziel, waaruit als vuurvonken onafgebroken de levensbeginselen
ontsnappen.
Ik heb eindelijk de hoogste Ziel in alle wezens gezien en alle
wezens in de hoogste ziel; -en ik ben erin geslaagd mijn ziel, waarin
ik al mijn zinnen had teruggetrokken, daar te doen ingaan,
Ik heb mijn kennis rechtstreeks uit de hemel gekregen, zoals de
vogel Tchataka die slechts zijn dorst lest aan de regendruppels.
Daardoor ken ik de dingen, de dingen die niet meer bestaan.
Voor mij is er nu geen hoop meer en geen angst, geen geluk,
geen deugd, dag noch nacht, jij noch ik, absoluut niets.
Mijn gruwelijke ontberingen hebben mij krachtiger gemaakt dan
alle Machten. Eén samentrekking van mijn gedachte kan honderd
koningszonen doden, koningen onttronen, deze maatschappij
ontwrichten......Ik heb een afkeer gekregen van vorm, een afkeer van
waarnemen, een afkeer zelfs van de kennis zelf - want de gedachte
overleeft het voorbijgaande feit dat het veroorzaakte niet, en de geest
is net zo'n illusie als de rest.
Al het geschapene zal ten ondergaan en alles wat dood is zal
herleven; de schepsels die nu verdwenen zijn vertoeven nog niet
geformeerd in de baarmoeders, en zullen op aarde wederkeren om met
smart de andere schepsels bij te staan.
Maar omdat ik door een eindeloze menigte van levens gegaan ben
in omhulsels van goden, mensen en dieren, zie ik verder af van die
reis, ik wil die afmatting niet meer! Ik verlaat die smerige herberg
van mijn lichaam, gemetseld met vlees, roodgekleurd met bloed, bedekt
met een afzichtelijke huid, vol vuil; - en als beloning ga ik eindelijk
slapen, dieper dan het absolute, in de "Vernietiging."
Misschien vindt je het vreemd dat voor het leven, dat de meest
hoogstaanden en wijzen kiezen, zo weinig capaciteiten nodig zijn en dat
die ledigheid en overgave zo gemakkelijk is. Maar je moet bedenken dat
zij al in het begin van die levensgang alle streven naar moeilijke en
kunstige dingen en naar de ontwikkeling van capaciteiten, hadden
afgeleerd. Al lang hebben ze op aarde niets meer vereerd, niets meer
bewonderd en weten, dat er niets eerbied- en niets bewonderenswaardigs
is. Ze zien hun talenten als verleidingen, die naar actie in deze
maatschappij lokken (die zich weer opdringt als waar het in de wereld
werkelijk om draait). Maar machteloos stuiten die verleidingen af op
het inzicht in de "Grandeur et Décadence" van alle aardse grootheid en
alle aardse krachtsontplooiing. Vanaf het moment dat hen de innerlijke
tegenstrijdigheid van het intellect werd onthuld, hebben ze hun
talenten ontweken en genegeerd. In deze maatschappij doen ze geen
kunstjes, niet eens voorspellen, in het besef dat, al kijken ze door
verleden en toekomst heen, dat met de uiterlijkheden van deze
maatschappij en de taal niets te maken heeft, laat staan ermee uit te
drukken is.
Maar met wat op hun weg komt kunnen ze alles, en meer dan kunsten, dan
kunnen ze wonderen verrichten.
En nu de vrije vrouwelijke levensloop. Die voert door het dichtste van
de samenleving heen, en eindigt er in, ook al blijft haar eigenlijke
kern er buiten, want die is buiten tijd en ruimte.
Zij zal evenmin zekerheid zoeken of erkennen. Op niets en niemand zal
ze vertrouwen. Aan niets en niemand zal ze trouw zijn. Maar door de
scheidingsmuur, die door haar onontkoombare karma om haar heen gebouwd
is, is ze gedoemd het hoogst voor haar waarneembare mannelijke te
aanbidden en haar uitwendige leven aan zijn vrije ontplooiing aan te
passen. Geen wetten en gewoonten van de samenleving zullen haar daarbij
binden. Ongehinderd strooit ze misdaad en wreedheid op haar weg. En met
diezelfde onmatigheid behoedt ze op die weg haar eigen leven, dat op
zichzelf van geen belang is, in dienst van de beminde. Daaraan offert
ze, openhartig, zonder schaamte en tot eigen eer, mensenlevens op. Ze
probeert ervoor te zorgen, dat hij háár niet doorheeft, maar mocht zijn
leven aan het hare gaan raken, dan zal ze verkiezen hem te dienen in de
meest nederige en verachte taak, in het besef, dat de vrouw, zonder
ziel en schuldig aan de zondeval, in deze maatschappij voor niets te goed is.
De muur om haar heen zal opengaan, als haar geliefde blijvend uit zijn
karma valt. Daaruit blijkt de innerlijke tegenstrijdigheid van dat
karma, dat zichzelf in de steek laat. Daaruit blijkt ook het illusoire
van haar ideaal. Maar. . . . als ze een groter mannelijk karma
tegenkomt, dan schijnt een groter licht door de oude grensmuur heen,
die dan een niets blijkt te zijn, met een achterkant, die de voorkant
opheft. De diepere en lichtere wand, die achter de oude zichtbaar
geworden is, trekt haar volledige aandacht. De nieuwe geliefde heeft
haar gehele hart. Voor zijn eigen bestwil wordt de oude misschien met
geveinsde trouw bedrogen.
Het bescheiden leven van de vrije man bestaat uit intellectueel
reageren op zijn omgeving. De vrouw leeft een leven van liefde, dat
háár onontkoombare karma is, . . . totdat de laatste, ijlste en
lichtste muur gevallen is en ze in de lege ruimte staart. De
schijnzekerheid in de mannelijkheid buiten haar, waardoor haar
vrouwelijkheid alleen kon bestaan, is vervluchtigd. Dan is ook haar
leven volbracht. Bij die laatste onthulling is haar leven ineengestort.
Nadat ze achter elkaar velen gediend heeft, in een steeds in zuiverder
stadium, verschijnt haar de laatste Vriend, in wie het mannelijke
zichzelf heeft opgeheven en die als hoogste mannelijke beginsel tot
zijn Vader is weergekeerd. De laatste Vriend, die ze niet ander kan
dienen, dan door hem los te laten en weg te gaan. En ze gaat weg en
legt zich neer om te sterven.
IX
Er is nog iets, waar het vrije leven zijn handen zorgvuldig niet
aan vuil maakt, zolang het banden met de maatschappij heeft, namelijk
de economie. Het is absoluut zeker dat, voor deze maatschappij, onzin
en onrecht essentieel zijn. Zou de maatschappij beter zijn en zouden
liefde en broederschap regeren, dan zou deze maatschappij geen reden
van bestaan hebben en er gewoon niet zijn. Het is niet aanlokkelijk
rationeel de manieren en wetmatigheden van die rampspoed en dat onrecht
nader onder de ogen te zien. De vrije mens ervaart van deze
maatschappij slechts datgene, wat voor er hem zelf aan dwang en grenzen
bestaat en de doem van zijn eigen schuldenlast, die hij door
boetedoening ongedaan moet maken. Al zijn aandacht is op die doem en de
zich langzaam voltrekkende vrijwording gericht. Nergens glijdt hij in
verleidingen af. Noch streeft hij iets begerenswaardigs na, noch maakt
hij iets betreurens-waardigs goed. Want wie iets als begerens- of
betreurenswaardig beschouwt, die ziet het als iets buiten zichzelf, als
deel van een wereld die onafhankelijk en onveranderlijk bestaat, als
deel van een vast en onvervreemdbaar bezit, dat men kan kweken,
verzorgen, zuiveren en doen groeien, zoals men met zijn bloemen en
kippen kan doen. Invloed uitoefenen op de buiten-wereld is een teken
van verblinding, ijdelheid en zucht naar macht, of het nu om de wereld
te verbeteren of voor eigen macht is.
De vrijen zien hun medemensen veel meer als tot medelijden verleidende
en hun levensweg storende hersenspinsels, die als schuldenlast
verdragen moeten worden. Hun vrijheid dulden die medemensen niet naast
zich. En de vrijen glijden daar behoedzaam langs heen.
Het overhoop halen en veranderen van de maatschappij zullen ze rustig
aan de gekken met ambitie overlaten. Ze weten toch dat die gekken er
altijd zullen zijn en zijn niet bang voor de mogelijkheid dat er tekort
aan zou zijn. Want als er geen mensen zouden zijn die de illusie hebben
de wereld te kunnen regeren, dan zou de wereld volmaakt zijn en geen
regering en geen gemeenschapszorg nodig hebben.
En als de maatschappij volmaakt zou zijn, dan zou die er helemaal niet
meer zijn.
De verandering van de maatschappelijke leugen wordt door de hand van de
waarheid, vermomd als leugen gestuurd, en het blijft daarom niet bij
een louterend verbreken van het oude onrecht en de oude onzin. Uit de
drang van mensen naar onzin en verlangen groeien nieuwe onzin en nieuw
onrecht.
Kijk maar hoe de theorieën, die een uitgeleefde maatschappij, een
verouderd systeem van onrecht, ondermijnen, in hun eigen positieve
opvattingen de kiem van een kwaad, dat even groot is als het oude,
dragen.
Ze hebben het over "Rechten van de mens, " alsof de mens in het leven
rechten en als straf voor zijn geboren-worden vreselijk ellendige
plichten meegebracht heeft.
Ze hebben het over de noodzaak van "arbeid" en het geluk dat het met
zich meebrengt. Alsof de arbeid van de mensheid iets anders zou zijn,
dan een blinde stuiptrekking van angst voor iets wat geen kwaad is, en
van een verlangen naar wat ellende brengt. Die arbeid, waardoor het
insectenleger van de mensensoort Moeder Natuur, die haar voortgebracht
en in evenwicht gehouden heeft, heeft teruggedrongen en weggevreten,
zodat de arbeid eenzaam, in ellende, zonder evenwicht en zonder steun,
om het leven te rekken, diensten aanneemt van helse machten, zoals
cohesie en vuur. Die arbeid, die met helse machten luxe schept, die
wegvloeit in zinnelijkheid, de mensheid nóg verder uitbreidt, nóg
ellendiger en nóg meer van de diensten van de hel afhankelijk maakt.
Die arbeid die, zolang de misstappen van de mensen deze maat-schappij
onherroepelijk maken, als werktuig van angst en begeerte, die wereld
onafwendbaar somber, dwaas en ongelukkig in stand zal houden.
Ze hebben het over "arme verdrukten" en over "onderdrukte klassen"!
Alsof hier ook maar iémand in een toestand van onderdrukking geboren
zou worden, die het niet verdient! Alsof er een maatschappelijke
beperking zou kunnen bestaan voor diegene, die zich niet uit angst
heeft gebogen! Is de aarde dan niet de tuin van ellende, existerend
door innerlijke tegenstrijdigheid, waar in een machteloze worsteling en
neergesmakte overmoed ieder loon naar werk en schuld ontvangt? En zal
het zo niet blijven en zullen de mensen niet tegen hun straffen vechten
om ze te in stand te houden?
Ze praten dan ook over talenten en levensvreugde, die in de arme
onderdrukte klassen niet tot hun recht zouden komen. Nou bestáát
levensvreugde helemaal niet. Er wordt alleen maar naar verlangd, want
het leven is vreugdeloos. En talenten verleiden tot het afdwalen van de
aandacht, en negeren van talenten behoedt voor veel onzin en veel
verdriet. Maar mócht bij iemand, in het leven op weg naar vrijheid,
door boetedoening en verlossing van zijn karma, het woekeren met zijn
talenten behoren, dan zal hem dat lukken als hij contact met het Zelf
houdt, al
was hij in de meest onderdrukte klasse geboren.
Of ze hebben het over het "Rechtvaardigheid" en roepen in kinderlijke
overmoed voor de toekomstige vreugde, dat de "Rechtvaardigheid"
uiteindelijk eens op aarde zal heersen. Maar is het recht niet gewoon
een manier om een gemeenschap van mensen stabiel te houden, waarin het
uitdrukking geeft aan hun verdeeldheid in afhankelijkheid? Heeft de
mensheid zich niet in het recht verenigd uit gemeenschappelijke angst
voor het onzekere en voor elkaar? Heeft het intussen iets anders
opgeleverd dan het verderweg verplaatsen van het terrein van
onzekerheid en onderlinge strijd, dan toen ze openlijk en met alle
beschikbare middelen elkaar vermoordden? Met het recht als basis, wordt
de strijd feller en stuitender, dan zonder recht. Het weerzinwekkende
begint al bij het duel, waar wapenen èn het begin van het gevecht de
spontaniteit missen. Maar bij ons is niet alleen het vuistrecht
afgeschaft en duelleren we niet meer, maar we moeten ook onze schulden
betalen en mogen geen valse handtekeningen zetten, waardoor de
gluiperige macht van het geld en de parasitaire staatsinrichting
beschermd blijven, en het terrein van geoorloofde strijd naar een
hoogst onfrisse achterhoek verplaatst is. En dáár ligt nu het
zwaartepunt van het maatschappelijk leven, dáár vermoorden en bedriegen
ze elkaar. Trouwens, wie daar niet wil vechten en het recht wil
negeren, die doet maar. De strijd tégen het recht is uitnodigender en
menswaardiger dan die met het recht in handen. En voor wie helemaal
niet bang is, is het recht geen moeilijke partij. Schrik niet: 90% van
alle moorden worden nooit opgelost. Troost je met de gedachte dat het
voor de vermoorden het beste was en dat ze hun lot verdienden.
De economen en volksleiders spreken ook graag over de "toekomstige
staat, met mensen die bewust met elkaar samenwerken". Dat zou misschien
voor mensen zonder angst en verlangen mogelijk zijn, maar dié zouden
helemaal niet werken en een wereld met zo'n mensen zou dus
onbestaanbaar zijn. En onder het volk dat zich, hunkerend samengelopen
en luisterend, al dat moois laat vertellen, weet ieder voor zichzelf
wel, dat hij niet aan de eisen voor zo'n toekomstige staat beantwoordt.
Maar het volk is door hevig verlangen zó verblind, dat het niet eens
durft te zien, hoe zijn leiders afgezonderd van hen in onrechtmatige
rijkdom leven en macht over hen uitoefenen. Ja, dat in een politieke
partij een grotere mensonterende discipline en onderdrukking van de
persoonlijke ontplooiing heerst, dan de staat, die ze bestrijdt, over
zijn meest verdrukte onderdanen uitoefent. Socialistische arbeiders
zijn meer slaaf van hun leiders dan van hun economische meesters.
Vroeger vocht het volk voor de heren in naam van bevrijding en
verdediging van het land. Nu vechten ze ook voor de beloofde bevrijding
en verdediging van de klasse. Maar het volk zelf wordt nooit bevrijd,
het blijft onderdrukt en geëxploiteerd ten bate van de begeerten of
onzinnige waanideeën en idealen van enkelen.
Het terrein van die onderdrukking en exploitatie verplaatst zich
slechts, onder leiding van de doorgebroken waarheid. Het onrecht zelf
blijft, rijkelijk door angst en verlangen en dwaasheid gevoed en in
zijn tijdelijke vorm steeds weer door een nieuw aspect van het "recht",
onder-steund.
Neen, deze maatschappij kan niet zodanig veranderd worden, dat ze
mensen het goede geeft. De levensomstandigheden van de maatschappij
blijven rampzalig en het leven van elk mens blijft een ellende, die hij
door een hoopvol streven naar verbetering van zijn lot en door
ontwikkeling slechts vergroot. Alleen als men álles op zou geven en
overal vrede mee zou hebben, zou de ellende verdwenen zijn. Maar kijk
naar deze maatschappij vol ongelukkigen, die denken dat ze iets
bezitten, bang zijn om dat bezit los te laten, en hoopvol ploeteren om
nog meer te verwerven. Kijk naar dit volk, dat naar luxe en naar
rijkdom streeft en hoewel zijn rijkdom verzekerd is en zijn effecten in
veiligheid gebracht zijn, met een even onverzadigbare honger naar
kennis, macht, gezondheid, of eer, of zingenot doorgaat.
Maar alleen degene, die beseft dat hij niets bezit en niets kan
bezitten en dat er geen zekerheid te vinden is en die zich in berusting
overgeeft, die alles opoffert, die alles geeft, die niets meer weet en
niets meer wil en niets meer wil weten, die alles loslaat en verzaakt,
wordt alles gegeven en voor hem opent zich de wereld van vrijheid, van
pijnloze contemplatie, de wereld van het niets.
Naar boven
|