Home

Een Parabel

Door Zoölogos (pseudoniem van Frederik van Eeden)


Er was eens een rijk man, die een groot beest in een kooi hield. - Het beest was nuttig voor hem en heel sterk. Het kon stenen breken en zwaar werk doen. Daarom voedde de rijke man het. Ja! het beest was zo sterk dat de rijke man het niet aandurfde. Daarom hield hij het in een kooi.
Er was eens een dichter gekomen om het te zien. Hij bleef er lang en ernstig naar kijken, nam daarop een zeer groot stuk krijt en schreef boven het hok: ‘Schrecklichster der Schrecken.’
Maar er kwam ook een wijsgeer om het zonderlinge beest te zien. Deze keek nog langer en bedenkelijker dan de dichter en vroeg eindelijk:
‘Is het beest gegroeid?’
‘Hm!’ zei de rijke man, ‘het is misschien wel iets groter geworden.’
‘Ja! ja!’ zei de wijsgeer, ‘het zal nog meer groeien. Het hok zal te klein worden.’
‘Kom! kom! - zo’n vaart zal het vast niet lopen.’
Maar de rijke man was daar niet geheel gerust op en keek dikwijls naar zijn beest, of het hard groeide. Het werd ook slimmer en leerde allerlei geluiden maken, die op mensentaal leken.
‘Dat is een aap!’ zei een zoöloog die langs kwam. ‘Pas op, het zou nog wel eens een mens kunnen worden.’
‘Wat, dwaas!’ zei de rijke man, maar hij was er toch helemaal  niet gerust op.
En de wijsgeer kwam opnieuw en zei:
‘Echt! het hok wordt te klein. U moet er iets aan doen. Pas op als het beest losbreekt! - dat zou noodlottig zijn!’
Toen zei de zoon van de wijsgeer, die geluisterd had:
‘Zeker, mijn vader heeft gelijk. Het zal losbreken. Het komt er uit! er uit!’
En hij begon aan de spijlen van het hok te trekken en het beest te sarren, zodat het brulde en de tanden liet zien.
‘Ziet U wel! - het wil er uit!’
‘Gekheid!’ zei de rijke man, maar hij was heel bleek. ‘Het hok is sterk!’
‘Neen! neen! het is oud,’ zei de jonge man en brak een spijl van het hok weg. ‘Als het beest wil .... kijk maar!’
‘U moet een groter hok maken,’ zei de wijsgeer.
‘U moet het beest dresseren en laten rondlopen. Dan wordt het een mens!’ zei de zoöloog.
‘Gekheid,’ antwoordde de rijke man en hij gaf het beest klontjes suiker en zei: ‘zoet beestje! lief beestje!’
Maar het beest liet de tanden zien en schudde aan de spijlen, want het was gesard.
Toen bond de rijke man met wollen draadjes de spijlen van het hok vaster en plakte kranten voor de openingen.
‘Dat helpt niet,’ zei de wijsgeer.
Maar zijn zoon begon te schreeuwen: ‘Pas op! Pas op! het beest zal er uit komen! - Kijk maar! ksst! pak ze! pak ze! pak ze! - Het is te groot! het heeft recht om er uit te komen.’
‘Voorzichtig!’ - zei de wijsgeer. ‘Zou jij willen dat het er uit kwam? - Het zou ons immers verscheuren.’
‘Nee! ik wil het niet, helemaal niet,’ zei de jongen. ‘Maar het zal toch gebeuren! kijk maar! Ksst! ksst! - het heeft honger, en het zal u verscheuren, rijke man, het is allemaal uw schuld, u verdient het! - toe maar beest! pak ze! pak ze!’
‘Ik ga weg!’ zei de zoöloog.
Toen trok de jongen weer een spijl uit het hok weg. Nu kon het beest er juist door, - het sprong er brullend uit en verscheurde eerst de jongen, toen de rijke man en eindelijk de wijsgeer.
De zoöloog was gelukkig al vertrokken.
En het beest, nog niet slim genoeg om zijn eigen voedsel te zoeken, is later uit zichzelf weer in een ander hok gekropen. Daar zit het nog, maar het groeit nog steeds door.

* * *