Home


Gustave Flaubert, 1821 - 1880

EEN REIS NAAR DE HEL

Uit: Art et Progrès, 1835

I. En ik stond op de top van het Atlasgebergte, en vandaar sloeg ik de aarde gade, haar goud en haar slijk, haar deugd en haar trots.

II. En aan mij verscheen Satan en Satan sprak tot mij: "Kom mee met mij, kijk en zie; en dan zul je mijn koninkrijk zien, mijn eigen wereld die mij toebehoort."

III. En Satan nam mij mee en toonde mij de wereld.

IV. En zwevend door de lucht kwamen wij aan in Europa. Daar wees hij mij wetenschappers aan, letterkundigen, vrouwen, mannen, ijdeltuiten, wijsneuzen, koningen en wijzen; dat waren de meest gestoorden.

V. En ik zag een broeder die zijn eigen broeder doodde, een moeder die haar eigen dochter bedroog, schrijvers die, door de invloed van hun pen, het volk misleidden, priesters die hun gelovigen verraadden, betweters die de jeugd lieten smachten, en de oorlog die de mensen wegmaaide.

VI. Daar een intrigant, kruipend door het slijk, naar de voeten van de hooggeplaatsten, en die hun hielen likte; zij stortten neer en terugvallend in het slijk huiverde hij bij het neertuimelen van die hoofden, wat hij zelf had aangericht.

VII. Hier een koning die zich verlustigde in zijn bed van schande, waarin zij van vader op zoon lessen in overspel kregen; hij verlustigde zich aan de gunsten van zijn lievelingscourtisane, die Frankrijk regeerde en het volk juichte hem toe, omdat zijn ogen waren geblinddoekt.

VIII. En ik zag twee reuzen: de eerste oud, gebogen, gerimpeld en mager, die steunde op een lange kronkelige stok, betweterij genaamd; de andere was jong, trots, sterk en met een herculische gestalte, een hoofd als een dichter en armen van goud; hij steunde op een reusachtige knots die echter door de kronkelige stok was beschadigd; die knots was het verstand.

IX. En die twee vochten hevig met elkaar, en ten slotte bezweek de grijsaard. Ik vroeg hem zijn naam.

— Absolutisme, antwoordde hij mij.

— En je overwinnaar?

— Hij heeft twee namen.

— Welke?

— Sommigen noemen haar Beschaving, en anderen Vrijheid.

X. En toen nam Satan mij mee naar een tempel, maar naar een verwoeste tempel.

XI. En het volk smolt sarcofagen om er kanonskogels van te maken, en het stof vloog op van gruwel; die wereld was een wereld van bloed.

XII. En de bouwvallen bleven verlaten achter. En een man, een arme man in lompen, met een bleek gelaat, een man gebukt onder ellende, laster en schande, een van degenen wier voorhoofd, gerimpeld door zorgen, in twintig jaar alle kwaad van een hele eeuw omvat, zette zich daar neer aan de voet van een pilaar. 

XIII. En hij leek als een mier aan de voet van de piramide.

XIV. En lange tijd sloeg hij de mensen gade; allen zagen hem aan met verachting en medelijden, en hij vervloekte hen allen; want die grijsaard was de Waarheid.

XV. Toon mij je koninkrijk, sprak ik tot Satan.

— Ziedaar !

— Hoe zo ?

En Satan antwoordde mij:

— Die wereld, dat is de hel!