Home

Gedachten bij Dostojevski’s “De Idioot”

door

Hermann Hesse

1919

Titelplaat Gedachten bij Dostojevski’s De Idioot


Dostojevski’s “Idioot”, vorst Lev Myshkin, is vaak vergeleken met Jezus. Natuurlijk kan dat. Ieder mens die aangeroerd wordt door een magische waarheid, zijn denken niet meer van zijn leven scheidt en daardoor te midden van zijn omgeving vereenzaamt en tegenstander van iedereen wordt, kan met Jezus vergeleken worden. Bovendien heb ik het idee dat de overeenkomst tussen Myshkin en Jezus niet bepaald opvallend is. Mij valt bij Myshkin wel een, weliswaar belangrijke, karaktertrek op die aan Jezus doet denken: zijn schuchtere kuisheid. Die heimelijk angst voor de andere kunne en seksualiteit is een karaktertrek die bij de “historische,” de Jezus van de Evangeliën, niet mocht ontbreken en ook duidelijk mede tot zijn opdracht in de wereld behoort. Zelfs bij een zo oppervlakkige beschrijving van Jezus zoals die van Renan, ontbreekt die karaktertrek niet.


Het is merkwaardig — hoe weinig dat eeuwige vergelijken van Myshkin en Jezus me ook aanstaat — maar ook ik zie dat beide beelden onbewust met elkaar verbonden zijn. Het viel me pas laat en door een onbeduidende karaktertrek op. Op een dag, toen ik aan de Idioot dacht, viel het me op dat mijn eerste gedachte aan hem altijd een ogenschijnlijk bijkomstige was. Als ik aan hem denk, zie ik in het eerste opflitsende moment van het beeld, daarnaast steeds een bijzonder, op zich onbeduidend tafereel. Zo vergaat het me ook met de Verlosser. Als ik door een associatie bij het begrip “Jezus” terechtkom of het woord Jezus mijn oog of oor treft, zie ik in de eerste flits nooit Jezus aan het kruis, Jezus in de woestijn, Jezus als wonderdoener of Jezus als de verrezene, maar ik zie hem op het moment waarop hij in de Hof van Gethsemane de laatste kelk der vereenzaming drinkt, waar de weeën van het moeten sterven en de verhevenere wedergeboorte zijn ziel verscheuren en hoe hij daar in een laatste ontroerend kinderlijke behoefte aan troost, zich omdraait naar zijn discipelen, op zoek naar wat warmte en menselijke nabijheid, een vluchtige aangename illusie te midden van zijn hopeloze eenzaamheid — en dat die discipelen dan slapen! Daar liggen ze en slapen, de dappere Petrus, de mooie Johannes, allemaal bij elkaar, al die rechtschapen lieden, in wie Jezus zich willens en wetens steeds weer liefdevol placht te vergissen, aan wie hij zijn gedachten, gedeelten van zijn gedachten meedeelt, alsof ze zijn taal verstaan, alsof het mogelijk is zijn gedachten daadwerkelijk aan deze mensen mee te delen, zoiets als een soortgelijke trilling bij hen op te wekken, zoiets als begrijpen, als verwantschap, saamhorigheid bij hen te vinden. En nu, op het moment waarop de kwelling ondraaglijk is, draait hij zich om naar deze kameraden, naar de enige die hij heeft en is zo volmaakt openhartig, zo helemaal mens, zo volkomen lijdend, dat hij hen nu meer dan ooit nabij zou kunnen komen, dat hij aan elk onnozelste woord, in elk enigszins vriendelijk gebaar van hen iets als troost en opbeurends zou kunnen vinden — maar nee, ze zijn er niet, ze slapen, ze snurken. Dit afschuwelijke ogenblik heeft, ik weet niet hoe, al in mijn hele vroege jeugd een diepe indruk op me gemaakt en zoals ik al heb gezegd, als ik aan Jezus denk, dan komt steeds meteen en onvermijdelijk de herinnering aan dat ogenblik in me boven.


De parallel dienaangaande bij Myshkin is de volgende. Als ik aan hem, aan de “idioot” denk, is het eveneens een ogenschijnlijk niet zo belangrijk moment, dat mij het eerst te binnen schiet, en toch is het eveneens het moment van een ongelooflijk, totaal isolement, een tragische vereenzaming. Het tafereel, dat ik bedoel, is de avond in Pavlovsk, in het huis van Lebedev, waar de vorst, een paar dagen na zijn epileptische aanval, als herstellende de hele familie Jepantchin ontvangen heeft, als plotseling in dit opgewekte en verzorgde, hoewel ook al met heimelijke spanningen en angstgevoelens beladen gezelschap, de jonge heren revolutionairen en nihilisten binnentreden, als de spraakzame knaap Hippolyt met zijn zogenaamde “zoon van Pavlichev,” met de “bokser” en de anderen zomaar binnenvalt, deze onaangename, steeds weer weerzinwekkende, bij het lezen enigszins stuitende en walgelijke scene, waarin deze beperkte en misleide jonge mensen in hun hulpeloze boosheid zo schel, kwetsbaar en naakt als het ware op een overbelicht podium staan, waarbij elk, elk afzonderlijk woord van hen twee keer pijn doet, een keer vanwege de uitwerking op de goede Myshkin en dan ook nog vanwege de meedogenloze manier waarop de spreker zichzelf daarmee blootgeeft en overlevert — deze opmerkelijke en onvergetelijke, hoewel in de roman zelf niet al te belangrijke of benadrukte passage, bedoel ik. Aan de ene kant het gezelschap, de eleganten, de mensen van de wereld, de rijken, machtigen en conservatieven, aan de andere kant de woedende jeugd, onverbiddelijk, die niets anders kent dan opstandigheid, niets anders kent dan haar haat tegen al het traditionele, meedogenloos, woest, wild, onnoemlijk stompzinnig met heel haar theoretisch intellectualisme, — en tussen die twee partijen in staat de vorst, alleen, kwetsbaar, van beide kanten kritisch en uiterst gespannen bekeken. En hoe het afloopt? Het eindigt ermee dat Myshkin, ondanks een paar missers, die hem in de opwinding ontglippen, zich geheel volgens zijn goede, vriendelijke en kinderlijke aard gedraagt, dat hij het onverdraaglijke glimlachend aanvaardt, zelfs het onbeschaamdste onzelfzuchtig beantwoordt, bereid is alle schuld op zich te nemen, bij zichzelf te zoeken…. en dat hij daarmee volledig onderuitgaat en veracht wordt, niet bijvoorbeeld door de ene of de andere partij, niet door de jongeren tegen de ouderen, of omgekeerd, maar door beiden, door beiden! Allemaal keren ze zich van hem af, iedereen heeft hij op de tenen getrapt, gedurende een moment zijn alle uiterste tegenstellingen in het gezelschap, leeftijd, overtuiging, volledig gedoofd en allemaal zijn ze er eensgezind, volkomen eensgezind in dat zij zich verontrust en woedend van hem afkeren, van hem die de enige zuivere onder hen is!


Maar waarop berust de onmogelijkheid van deze idioot in de wereld der anderen? Waarom begrijpt niemand hem, op wie toch bijna iedereen op een of andere manier gesteld is, wiens zachtmoedigheid iedereen aanstaat, ja vaak voorbeeldig lijkt? Wat scheidt hem, de magische mens, van de andere, de gewone mensen? Waarom hebben ze gelijk als ze hem afwijzen? Waarom moeten ze dat doen, onherroepelijk? Waarom moet het hem net vergaan als Jezus, die ten slotte niet alleen door de wereld, maar ook door al zijn discipelen verlaten was?


Dat komt omdat de idioot anders denkt dan de anderen. Niet dat hij minder logisch, meer kinderlijk-associatief denkt dan zij. Dat is het niet. Zijn denken is dat wat ik het “magische” noem. Hij, deze zachtmoedige idioot, ontkent het hele leven, het hele denken en voelen, de hele wereld en werkelijkheid van de anderen. Voor hem is de werkelijkheid iets volstrekt anders dan voor hen. Hun werkelijkheid is voor hem volmaakt schimmig. Daarom, omdat hij een geheel nieuwe werkelijkheid ziet en eist, wordt hij hun vijand.


Het onderscheid is niet dat de anderen macht en geld, gezin en staat en dergelijke hoogachten, en hij niet. Het is niet zo dat hij het geestelijke vertolkt en zij het materiële of hoe men dat ook formuleren wil! Nee, dat is het ook niet. Ook voor de idioot bestaat het materiële, hij erkent het belang van die dingen helemaal, hoewel ze voor hem minder belangrijk zijn. Zijn verlangen, zijn ideaal is niet de ascese van de Indiërs, een versterven van de wereld van schijn, ten gunste van de op zichzelf genoegzame geest, waarvan hij denkt dat dat de enige werkelijkheid is.


Nee, over de wederzijdse rechten van natuur en geest, over hun noodzakelijkerwijs op elkaar inwerken, zou Myshkin het goed met de anderen kunnen vinden. Alleen is de gelijktijdigheid en gelijkberechtiging van beide werelden voor hen een zaak van het verstand en voor hem leven en werkelijkheid! Om dat te verhelderen zullen we het wat anders verwoorden.


Myshkin onderscheidt zich van de anderen omdat hij als “idioot” en epilepticus, die echter tegelijkertijd een zeer wijs man is, veel nauwere en rechtstreeksere betrekkingen tot het onbewuste heeft dan zij. Voor hem is de meest fantastische ervaring die halve seconde van de grootste gevoeligheid en inzicht, die hij enige malen heeft meegemaakt, dat magische vermogen gedurende een moment, gedurende die flits van één moment alles te kunnen zijn, mee te voelen, alles mee te kunnen lijden, alles te begrijpen en te beamen wat er in de wereld is. Daar ligt de kern van zijn wezen. Hij heeft niets gelezen over magie en mystieke wijsheid, heeft die niet bestudeerd en bewonderd, maar heeft dat (zij het in zeer sporadische momenten) daadwerkelijk ervaren. Hij heeft niet alleen buitengewone en belangrijke gedachten en invallen gehad, maar heeft ook een of meerder malen op de magische drempel gestaan, waar alles bevestigd wordt, waar niet alleen de meest onwaarschijnlijke gedachte waar is, maar ook het tegendeel van al die gedachten.


Dat is het afschrikwekkende, door de anderen terecht gevreesde aan die man. Hij staat niet helemaal alleen, niet de hele wereld is tegen hem. Er zijn nog een paar mensen, een paar zeer twijfelachtige, zeer bedreigde en bedreigende mensen, die hem gevoelsmatig begrijpen: Rogoshin en Nastasja. Door misdadigers en hysterici wordt hij begrepen, hij, de onschuldige, het zachtmoedige kind!


Maar dit kind is, bij God, niet zo zachtmoedig als het lijkt. Zijn onschuld is niet ongevaarlijk en de mensen schrikken terecht van hem.


De idioot bevindt zich, zoals ik al zei, af en toe op de grens, vanwaar van elke gedachte ook het tegendeel als waar ervaren wordt. Dat wil zeggen, hij heeft het gevoel dat er geen enkele gedachte, geen wet, geen karakter of vorming bestaat, die waar en juist zou zijn anders dan vanuit één pool — en bij elke pool behoort een tegenpool. Het bepalen van een pool, het aannemen van een standpunt, van waaruit de wereld aanschouwd en geordend wordt, is het belangrijkste principe van elke vorming, elke cultuur, elke maatschappij en moraal. Hij die geest en natuur, goed en kwaad, als is het maar voor een enkel moment, als verwisselbaar ervaart, is de gevaarlijkste vijand van elke ordening. Want daar begint het tegendeel van ordening, daar begint de chaos.


Een denken dat terugkeert naar het onbewuste, naar de chaos, vernietigt elke menselijke ordening. Over de “idioot” wordt een keer in het gesprek gezegd dat hij alleen maar de waarheid zegt, niets meer of minder en dat dat deerniswekkend is! Zo is dat. Alles is waar en op alles kan ja gezegd worden. Om de wereld te ordenen, om doelen te bereiken, om wet, maatschappij, organisatie, cultuur en moraal mogelijk te maken, moet na dat ja het nee komen, moet de wereld in tegenstellingen, in goed en kwaad ingedeeld worden. De eerste vaststelling van elk nee, van elk verbod, kan dan wel volledig willekeurig zijn — het wordt onaantastbaar zodra het een wet wordt, zodra het gevolgen heeft, zodra het het fundament van een opvatting en systeem geworden is.


De hoogste werkelijkheid in de zin van de menselijke cultuur is dat ingedeeld zijn van de wereld in licht en duister, goed en kwaad, toegestaan en verboden. Maar de hoogste werkelijkheid voor Myshkin is de magische ervaring van de omkeerbaarheid van alle bepalingen, van het gelijkberechtigd aanwezig zijn van de tegenpolen. Als we het tot het einde doorvoeren, brengt de “idioot” het matriarchaat binnen in het bewustzijn en schaft de cultuur af. Hij verbrijzelt niet de tafelen der wet, maar draait ze alleen maar om en laat zien dat op de achterkant het tegendeel geschreven staat.


Dat deze vijand van het systeem, deze verschrikkelijke vernietiger niet als misdadiger optreedt, maar als een lieve, schuchtere man overvloeiend van kinderlijkheid en charme, van deugdelijke trouwhartigheid en belangeloze goedmoedigheid, is het geheim van dit angstaanjagende boek. Dostojevski heeft vanuit een diepgevoelde ervaring deze man als ziek, als een epilepticus beschreven. Alle dragers van het nieuwe, van het angstaanjagende, van het ongewisse toekomstige, alle voorboden van een voorvoelde chaos, zijn bij Dostojevski zieke, twijfelachtige, belaste mensen: Rogoshin, Nastasja en later de vier Karamazovs. Allemaal worden ze beschreven als ontspoorde, als zonderlinge en uitzonderlijke figuren, maar allemaal zo dat wij voor hun ontspoord en geestesziek zijn iets voelen van de heilige achting, die de Aziaat denkt de waanzinnige verschuldigd te zijn.


Het opmerkelijke en eigenaardige, het belangrijke en noodlottige is niet dat ergens in Rusland in de jaren vijftig en zestig van de negentiende eeuw een geniale epilepticus dit soort fantasieën heeft gehad en dergelijke personages bedacht heeft. Van belang is dat deze boeken sinds drie decennia door de Europese jeugd steeds meer als belangrijk en profetisch gezien worden. Het eigenaardige is dat wij deze misdadigers, hysterici en idioten van Dostojevski heel anders bekijken dan wij dat doen bij al die andere misdagers of dwazen uit andere populaire romans, dat wij ze zo griezelig begrijpen, dat we iets in onszelf vinden, wat aan deze mensen verwant en met hen overeenkomstig moet zijn.


Dat ligt niet aan toevalligheden en nog minder aan de uiterlijke en literaire elementen in Dostojevski’s werk. Hoe verbluffend vele kenmerken bij hem ook zijn — denk alleen maar aan hoe hij vooruitloopt met een al hoogontwikkelde psychologie van het onbewuste —, zijn werk wordt door ons niet bewonderd als de uiting van diepe inzichten en grote vaardigheden, niet als het artistiek verwoorden van een ons in wezen bekende en vertrouwde wereld, maar wij ervaren het als profetisch, als een voorafspiegeling van ontwrichting en chaos die, zoals wij zien, ook Europa al enige jaren openlijk in hun greep hebben.


Niet dat de wereld van deze bedachte personages een toekomstbeeld in de zin van een ideaal zou zijn — dat zal niemand zo opvatten. Nee, bij Myshkin en al die personages hebben wij niet het gevoel dat ze een voorbeeld zijn in de zin van “zo moet je worden!,” maar iets onontkoombaars, in de zin van: “hier moeten wij doorheen, dit is onze bestemming!”


De toekomst is ongewis, maar de weg die hier getoond wordt, is eenduidig. Het betekent een nieuwe mentaliteit. Hij leidt via Myshkin, vereist het “magische” denken, het aanvaarden van de chaos. Terugkeren naar het ongeordende. Terugkeren naar het onbewuste, vormloze, naar het dier en nog veel verder terug, terugkeren naar het begin van alles. Niet om daar te blijven, niet om dier, om oerslijm te worden, maar om ons opnieuw te oriënteren, om aan de wortels van ons bestaan vergeten drijfveren en ontwikkelingsmogelijkheden terug te vinden, om ons opnieuw een scheppen, waarderen en verdelen van de wereld ten doel te kunnen stellen. Geen enkel programma kan ons leren die weg te vinden, geen enkele revolutie rukt de poorten daar naartoe voor ons open. Ieder van ons zal één uur in zijn leven op de grens van Myshkin moeten staan, bij zichzelf iets ervaren, van wat Myshkin ervoer in zijn helderziende seconden, en Dostojevski zelf in de minuten, toen hij vlak voor zijn terechtstelling stond en waar hij met de blik van een profeet weer uitkwam.


Naar boven