Home

HANS MAGNUS ENZENSBERGER

LAS CASAS

OF

EEN TERUGBLIK IN DE TOEKOMST


Uit: Kurzgefasster Bericht von der Verwüstung der Westindischen Länder. Heruitgegeven door Hans Magnus Enzensberger, Insel Verlag Frankfurt am Main 1966 

Voorwoord bij: kort relaas van de verwoesting van de west-indische landen
Vertaald door Michel van Nieuwstadt
Uitgeverij De Arbeiderspers 1969

I

Of waar is, wat in dit boek Staat, of de auteur verdient, dat wij hem geloven, daarover smeult, brandt, laait al vierhonderd jaar lang een eindeloze strijd. Die strijd wordt uitgevochten door geleerden. Zij hebben met hun traktaten en dissertaties, hun onderzoeken en commentaren complete bibliotheken gevuld. Nog tot in onze dagen is een generatie van specialisten in Spanje, in Mexico, in Zuid-Amerika en in de Verenigde Staten met de vergeelde drukken, brieven en manuscripten uit de pen van de dominicaner monnik uit Sevilla bezig. Toch is de strijd rond Las Casas geen academische aangelegenheid. Wat ter discussie staat, is een volkerenmoord, gepleegd op twintig miljoen mensen.
Een dergelijk onrecht verdraagt zich slecht met de contemplatieve distantie van een geschiedschrijving sine ira et studio, en het is daarom weinig verwonderlijk, dat de vakbroeders van de monnik, de theologen, historici en juristen, in het kiezen van hun wapens alle reserves overboord wierpen. Waar argumenten ontbraken, grepen zij naar roestige messen. Die zijn, zoals wij zien zullen, vandaag nog altijd in gebruik. Nauwelijks was het Kort Relaas verschenen, of de hofhistoriograaf van Keizer Karel V, de beroemde dr. Juan Ginés de Sepúlveda, vervaardigde een pamflet Tegen de voorbarige, scandaleuze en ketterse beweringen, die Fray Bartolomé de Las Casas in een boek over de verovering van de West-Indische landen gedaan heeft, dat hij zonder toestemming van de autoriteiten liet drukken. De titel al bevat een niet mis te verstane wenk in de richting van de censuur en de inquisitie. Later is Las Casas als pleger van hoogverraad en Lutheraan gekwalificeerd. In 1562 bericht de raad van de stad Mexico in een verzoekschrift aan de koning, dat zijn geschriften zo’n beroering hebben verwekt, dat men de juristen en godgeleerden van deze stad opdracht heeft moeten geven tot het schrijven van een rapport tegen deze ‘onbeschaamde pater en zijn leerstellingen’: of de koning Las Casas openlijk zou willen berispen en zijn boeken verbieden. Een paar jaar later schrijft de vice-koning van Peru: ‘De boeken van deze fanatieke en boosaardige bisschop brengen de Spaanse heerschappij in Amerika in gevaar.’ Ook hij wenst een koninklijk verbod, ook hij geeft opdracht tot een weerlegging: voor de officiële historici wordt de strijd tegen Las Casas een bloeiend bedrijf. De rapporteur, ene Pedro Sarmiento de Gamboa, drukt zich als volgt uit: ‘De duivel heeft een doortrapte zet gedaan, door deze man uit de Kerk tot zijn werktuig te maken.’ In het jaar 1659 is de censor van de inquisitie-instantie van Aragon van oordeel: ‘Dit boek maakt melding van zeer verschrikkelijke en wreedaardige handelingen, die in de geschiedenis van andere naties hun gelijke niet hebben, en schrijft die toe aan de Spaanse soldaten en kolonisten, die door de katholieke koning waren uitgestuurd. Naar mijn opvatting zijn dergelijke meldingen beledigend voor Spanje. Zij moeten daarom verhinderd worden.’ In vervolg daarop kondigde het Heilige Tribunaal in Saragossa eindelijk, in het jaar 1660, een verbod van het boek af. Maar steeds weer duiken nieuwe uitgaven op: in 1748 laat de handelskamer van Sevilla een Latijnse vertaling in beslag nemen, en nog in 1784 eist de Spaanse ambassadeur in Parijs confiscatie van een herdruk.
Vanaf de zeventiende eeuw hebben de tegenstanders van Las Casas een nog elegantere methode ontwikkeld, om zich van hem te ontdoen. De historicus Jun Meléndez, een dominicaan, verklaarde onomwonden, dat het Kort Relaas een vervalsing was. Hij had ‘bij vooraanstaande autoriteiten’ geïnformeerd en was tot de bevinding gekomen, dat dit geschrift door een Fransman geschreven en onder een vervalste titel in het Spaans vertaald was. Dat was niet te verwonderen omdat de Spaanse taal, zoals bekend, als verkondigster der waarheid het hoogste aanzien genoot, was de vervalsers geen andere weg overgebleven, om hun leugens rond te strooien, dan deze. Nog in het jaar 1910 beweerde een Spaans historicus in alle ernst, dat het Kort Relaas menselijkerwijs gesproken niet van Las Casas kon stammen.
De reputatie van de beklaagde werd er met deze verbluffende vrijspraak niet bepaald beter op. Spaanstalige historici uit het recentere verleden hebben hem gekarakteriseerd als volgt: Hij zou ‘een geesteszieke’ (1927), ‘een verstokt anarchist’ (1933), ‘een prediker van het marxisme’ (1937), ‘een staatsgevaarlijk demagoog’ (1944), ‘een van de duivel bezeten nivelleerder’ geweest zijn, ‘ten prooi aan waanvoorstellingen, en zich uitdrukkend op onbeheerste en inopportune wijze’ (1947). En de meest prominente Spaanse geschiedschrijver van de twintigste eeuw, Ramón Menédez Pidal, heeft, in de ouderdom van 93 jaar, in 1963 in Madrid een omvangrijk boek gepubliceerd, om de geest van Las Casas definitief uit te drijven. De Amerikaan Lewis Hanke, die zijn leven gewijd heeft aan de bestudering van de conquista, merkt over dit staaltje van exorcisme op: ‘Don Ramón bestrijdt in hartstochtelijke termen, dat Las Casas een achtbaar man zou zijn geweest. Hij noemt hem een paranoïcus met grootheidswaanzin. Bij zijn terugblik op de conquista merkt Don Ramón, door zijn gekleurde bril, nauwelijks één dode Indiaan op: hij ziet in plaats daarvan een tableau van welbehagen en culturele vooruitgang, die Amerika aan de Spanjaarden te danken zou hebben.’ 

Alleen het weergaloze succes, dat aan het Kort Relaas ten deel gevallen is, maakt deze taaie en woedende polemiek begrijpelijk. Las Casas heeft veel geschreven: groots opgezette kronieken, theologische en juridische disputationes, verzoekschriften en traktaten. Tot op heden is er geen complete uitgave van zijn werken. De uit wetenschappelijk oogpunt belangwekkendste ervan zijn in 1877 en 1909 voor het eerst gepubliceerd. Waarom zij zo lang zijn verdonkeremaand, ligt voor de hand. Het Relaas is, zijn titel getrouw, niets meer dan een beknopte samenvatting van onderzoeksresultaten en ervaringen, die Las Casas elders gedetailleerd uitwerkt. Het was aan één enkele lezer toegedacht: Zijne Katholieke Majesteit, Koning Karel I van Spanje, als Karel V Keizer van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie; maar de boekdrukkunst, destijds in haar eerste bloeitijd, maakte heel Europa ermee bekend. Op de publicatie van het origineel, in 1552 in Sevilla, volgden vertalingen in alle wereldtalen van die tijd; Parijs 1579,Londen 1583, Amsterdam 1607, Venetië 1630 waren de eerste drukplaatsen, gevolgd door Barcelona, Brussel, Lyon, Frankfurt, later nog door Philadelphia, New York, Havana, Buenos Aires, Lima, Sâo Paulo, Mexico en Santiago de Chile.
De sensationele werking van het geschrift levert een vroeg bewijs voor de macht van de drukpers. Een eerste hoogtepunt bereikte die werking in het teken van de rivaliteit tussen Engeland en Spanje rond het einde van de zestiende eeuw. Een tweede golf van vertalingen bracht de Franse Verlichting. Tot een derde stortvloed van herdrukken kwam het tussen 1810 en 1830 in Latijns-Amerika: het Kort Relaas oefende toen direct invloed uit op de aanvoerders van de onafhankelijkheidsoorlogen tegen de Spaanse koloniale heerschappij; Simón Bolivar had een buitengewoon hoge achting voor Las Casas, en het feit dat hij zelf een afstammeling van de conquistadoren was heeft hem er niet in gehinderd diens geschrift aan zijn revolutionaire intenties dienstbaar te maken. En nog in de Spaans-Amerikaanse oorlog van 1899, die aan de Verenigde Staten de controle over het Caraïbisch gebied en de macht over de Filippijnen verzekerde, moest Las Casas als kroongetuige tegen de Spanjaarden fungeren.
Van het gore kielwater der machtspolitieke belangen is zijn werk niet verschoond gebleven. Steeds opnieuw hebben de tegenstanders van Spanje zich bediend van hem, vaak op farizeïsche wijze: en zo wekt het geen verbazing, dat de Spaanse wereld het tot op de dag van vandaag bediscussieert vanuit een gezichtshoek, die ons onnozel voorkomt: namelijk of het de ‘eer van Spanje’ zou bezoedelen of niet. Las Casas is tot de exponent der zogeheten Zwarte Legende geworden. Leyenda negra: zo noemen de Spaanse historici, met een terminologische truc, elke visie op de verovering van Zuid-Amerika, die niet recht van het officiële blad de Spaanse roem zingt: alsof alles, wat aan de ‘eer van Spanje’ afbreuk doet, eo ipso uit de lucht gegrepen is.
Deze hele polemiek is achterhaald en overbodig geworden. Spanjes eer is ons onverschillig. De Franse verlichtingsauteur Jean François Marmontel heeft in zijn boek over de verwoesting van het Inca-rijk, waarin hij zich op Las Casas beroept, al in 1777 gezegd, wat daarover te zeggen valt: ‘Alle naties hebben hun rovers en hun fanatici, hun tijden van barbarij, hun aanvallen van razernij.’ De kwestie van het nationale karakter is niet meer aan de orde. De uitroeiing van de Europese joden door de Duitsers, de deportaties onder Stalin, de uitbranding van Dresden en Nagasaki, de terreur van de Fransen in Algerije hebben zelfs voor wie stekeblind is duidelijk gemaakt, dat alle volken tot alles in staat zijn: en terwijl het Kort Relaas van de Verwoesting van de West-Indische landen door de Spanjaarden dit jaar opnieuw herdrukt wordt, maken wij mee, als getuigen, medeweters en medeplichtigen, de verwoesting van de Landen Achter mdi! door de Amerikanen.
De historici van de negentiende eeuw hebben hardnekkig, soms vertwijfeld geprobeerd, Las Casas te ontkrachten: niet alleen uit chauvinisme, of uit geniepigheid, maar omdat de gebeurtenissen, die hij beschrijft, hun geschiedenisbeeld verstoord hadden. Zij geloofden in de zending van het christendom of aan de ‘waarden’ van de Europese beschaving, en wat in hun eigen tijd in Kongo, 1n Indië en China gebeurde, ze zouden het evenmin voor mogelijk hebben gehouden als de volkerenmoord, die Las Casas beschrijft. 

Ons zijn dergelijke twijfels vreemd. Alleen elke dag de krant al zou volstaan om die twijfels weg te nemen. De actualiteit van dit boek is een monsterachtige actualiteit, — het ruikt doordringend gelijktijdig. Weliswaar is ook aan de manier, waarop wij het lezen, een moment van wanbegrip niet vreemd. Iedere historische analogie is dubbelzinnig: wie haar afwijst, voor hem wordt de geschiedenis een opeenhoping van nietszeggende feiten: wie haar voor klinkende munt aanneemt, de specifieke verschilpunten gladstrijkt, voor hem wordt zij tot een aaneenschakeling van zinloze herhalingen, en hij valt ten prooi aan de drogreden, dat, zoals het is, het zo ook altijd is geweest, en de stilzwijgende gevolgtrekking hieruit: zo zal het ook blijven.
Nee, Las Casas was niet onze tijdgenoot. Zijn relaas handelt over kolonialisme in zijn vroegste vorm, dat wil zeggen over pure roof, onverhulde plundering. Het gecompliceerde uitbuitingssysteem der internationale grondstoffenmarkten was in zijn tijd nog onbekend. Handelsbetrekkingen speelden bij de Spaanse conquista geen rol, en niet de verbreiding van een superieure materiële beschaving, geen ‘ontwikkelingspolitiek’ in wat voor vorm dan ook dienden ter rechtvaardiging ervan, enkel een vliesdun en formalistisch christendom, dat de heidenen bekeren wilde, als deze heidenen de komst van het christendom tenminste overleefden.
In zijn oertoestand zag het kolonialisme af van de fictie van partnerschap en ruilhandel. Het bood niets te koop aan, het nam, wat het vond: slaven, goud en genotmiddelen. Investeringen bleven beperkt tot de onmisbare kern van iedere koloniale uitbuiting: de bewapende macht, de administratie en de vloot. Om deze redenen konden de Spaanse veroveraars voor de dialectiek der slavernij blind blijven, waarvan Sartre het mechanisme in een paar zinnen heeft beschreven:
‘Dat is de ellende met de slavernij: als men een lid van onze soort temt, vermindert men zijn opbrengst, en hoe weinig men hem ook geeft, een mens als arbeidsdier zal altijd meer kosten dan hij opbrengt. Om deze reden zijn de kolonialisten gedwongen, de africhting halverwege af te breken. Het resultaat: noch een mens, noch een dier, maar een inboorling... Arme kolonialist: daar ligt de hele contradictie van zijn situatie. Hij zou hen, die hij uitplunderen wil, moeten doden. Maar precies dat is niet mogelijk, want hij moet hen immers ook uitbuiten. Hij kan de massamoord niet zo ver drijven, dat het een volkerenmoord wordt, en de slavernij niet zo ver, dat de slaaf tot een beest wordt gereduceerd, en daarom moet hij de teugels verliezen.’
Een dergelijk dilemma treedt pas dan op, wanneer de kolonisatie zich doelstellingen op lange termijn voor ogen stelt, overgaat tot rentabiliteitscalculaties. Aan een zo rationele uitbuitingsprocedure viel in de zestiende eeuw niet te denken: de conquistadoren kenden geen dubbele boekhouding, niet eens de schrijflat der simpele statistiek: de ontvolking van het continent baarde hen geen zorgen.
De tegenstanders van Las Casas hebben niet geaarzeld, hem als het ware voor de irrationaliteit van die volkerenmoord aansprakelijk te stellen. Op zijn getallen, zo heette het en zo heet het nog altijd, kan men zich niet verlaten: zij zouden een middeleeuwse instelling tegenover de aritmetica verraden. Twaalf, vijftien, twintig miljoen inwoners zelfs zou Zuid- en Midden-Amerika ten tijde van de verovering nooit ofte nimmer gehad hebben: net als in de berichten van de kruisvaarders betekent het woord ‘miljoen’ hier heel simpel ‘veel mensen’. Een dergelijke argumentatie heeft zonder meer iets weerzinwekkends. Zij zou Las Casas een leugenaar willen noemen, de moordenaars echter willen laten doorgaan voor zeer brave lieden, omdat zij toch in de plaats van twintig miljoen Indianen er maar acht, of vijf, of drie miljoen omgebracht zouden hebben. Zo neemt de Nationalzeitung und Soldatenzeitung de Duitse fascisten in bescherming, met de bewering, dat het helemaal geen zes miljoen joden geweest zijn, maar vijf.
Afgezien van de moral insanity die uit dergelijke tegenwerpingen spreekt, zijn zij ook zakelijk fout. Twee Amerikaanse onderzoekers hebben in de afgelopen jaren de demografische verhoudingen in het oude Mexico onderzocht. Zij kwamen tot de slotsom, dat in de dertig jaar die tussen de landing van Cortez en het schrijven van het Kort Relaas liggen, de bevolking van centraal Mexico van vijfentwintig tot iets meer dan zes miljoen is ingekrompen. Dat betekent, dat de conquista alleen al in Mexico negentien miljoen slachtoffers moet hebben geëist. Het aantal dat Las Casas noemt is vier miljoen. Zelfs wanneer men daarbij rekening houdt met de epidemieën, de virusziekten, de malaria, de honger en de dwangarbeid, d.w.z. met de indirecte oorzaken van de ontvolking, komt men tot de conclusie, dat Las Casas met zijn schattingen eerder te voorzichtig was.
Genoeg van deze rekensommen. Las Casas heeft langer dan veertig jaar in de Amerikaanse kolonies doorgebracht. Wat hij meedeelt, zijn voor het grootste deel observaties en ervaringen uit de eerste hand. Voor de authenticiteit ervan staat de levensloop van de getuige borg. Waar zij met de verklaringen van andere reporters in strijd zijn, moet het geschiedenisonderzoek zich inlaten met langdradige vergelijkingen. Tot een dergelijke discussie voelen wij ons niet verplicht. Wat voor een hedendaags lezer van het boek de doorslag geeft, zijn twee criteria, die door het academische wetenschapsbedrijf meestal worden genegeerd. Dat is, ten eerste, de innerlijke consistentie van het Kort Relaas, het oog voor details, de zorgvuldigheid in de episodetekening. Las Casas houdt zich zelden op met abstracte stellingen en hij beschrijft niet enkel de afschuwelijke wreedheden, maar hij laat ook het afmattende leven van alle dag zien: hij confronteert ons, als deze afkorting geoorloofd is, niet alleen met de ‘schommel van Boger’, maar ook met de strijd om de dagelijkse korst brood.
Een tweede, extern criterium voor zijn geloofwaardigheid is de precisie waarmee zijn blik de structuren van de koloniale machtsuitoefening registreert. Omdat die structuren thans nog voortbestaan, laten zijn gegevens zich verifiëren. Daar hoeft men geen hispanist voor te zijn, daarvoor volstaat een bezoek aan Zuid-Afrika.
Wie het Kort Relaas vanuit dergelijke gezichtshoeken nagaat, valt in de eerste plaats de economische scherpzinnigheid van zijn auteur op. De geestelijke Las Casas laat het geenszins bij theologische beschouwingen alleen, hij analyseert de onderbouw en brengt de techniek der kolonialistische uitbuiting aan het licht. De eerste stap daarin is de rekrutering van dwangarbeiders. Tot dit doel diende het zogenaamde encomienda-systeem. Encomienda betekent zoveel als aanbeveling. Een willekeurig aantal Indianen werd door de lokale machthebbers onder de verschillende Spanjaarden verdeeld en aan hen ‘aanbevolen’, met de motivering, dat zo’n beschermheerschap nodig was voor hun prompte bekering. In werkelijkheid was de status der beschermelingen die van lijfeigenen: zij waren aan hun nieuwe heren op genade of ongenade overgeleverd en zonder aanspraak op uitbetaling of onderhoud tot elke arbeidsprestatie verplicht, die de ‘beschermheer’ (encomendero) hun oplegde.
De economie van de kolonisators concentreerde zich op twee winstgevende vormen van arbeid, die tot op heden de economie van tal van Zuid-Amerikaanse naties domineren: de mijnbouw en de arbeid op plantages. Terwijl echter nu de Noord-Amerikaanse concerns vooral tin, koper, lood en vanadium uit de grond halen, hadden de conquistadores het slechts op één enkel metaal begrepen: het goud.
De verbinding naar het moederland was ten tijde van de conquista kostbaar, tijdrovend en gevaarlijk: de uitbuiting van de overzeese bezittingen moest zich daarom tot de kostbaarste goederen beperken. Zo is een verdere specialiteit Van de kolonisators te verklaren, de parelvisserij in de Caraïbische Zee, waarvan Las Casas een onvergetelijke beschrijving geeft: ‘Men laat de parelvissers namelijk , 4, of ook wel 5vadem diep in zee zakken, en dat van zonsopgang tot zonsondergang. Daar moeten zij de hele tijd dooi zonder adem te halen onder water rondzwemmen, en de oesters losrukken, waarin de parels groeien... Bijna niemand kan deze afschuwelijke manier van leven langer dan een paar dagen volhouden: want het is toch ook onmogelijk, dat mensen die zonder adem te halen moeten werken, lang zouden leven. In hun lichaam dringt onophoudelijk de kou van het water binnen: hun borst wordt door het steeds inhouden van de adem samengeperst: daardoor krijgen ze bloedspuwingen en buikloop en sterven daaraan. Hun haar, dat van nature zwart is, verbrandt en krijgt een heel andere kleur, het wordt vuurrood als het vel van zeewolven. Op hun rug vormt zich een aanslag van salpeter: kortom, zij zien eruit als monsters in mensengedaante.’
Dat is geen bericht van horen zeggen: zo kan alleen iemand spreken, die het verbrande haar en de korstige schouders met eigen ogen heeft gezien. De beschrijving die Las Casas gaf, leidde overigens tot een koninklijk verbod van de parelvisserij — een van de weinige en kortstondige overwinningen die de militante bisschop te beurt zijn gevallen. Een andere tak van handel waarvan Las Casas melding maakt, kon zich pas ontwikkelen, toen het ene gebied na het andere al was ontvolkt: de slavenhandel. Nadat zij de Indianen met miljoenen hadden afgemaakt en doodgetreiterd, stelden de kolonisators tot hun verbazing, en zelfs met een zekere spijt, vast dat zij arbeidskrachten te kort kwamen. Op dit ogenblik veranderde de wilde in koopwaar, de deportatie in een winstgevend bedrijf, dat door militairen en ambtenaren, die zich daartoe in primitieve N.V.’s aaneensloten, gedreven werd.
‘De gekoloniseerde wereld is een in tweeën gedeelde Wereld. De scheidslijn, de grens, wordt door kazernes en politieposten gemarkeerd. De rechtmatige en institutionele gesprekspartner van de gekoloniseerde, de woordvoerder van de kolonialist en van het onderdrukkingsregime is de gendarme of de soldaat... De agent van de macht bezigt de taal van het pure geweld. Hij versluiert de machtsuitoefening niet, hij stelt haar ten toon... De kolonialist is een exhibitionist. Zijn behoefte aan zekerheid leidt hem ertoe de gekoloniseerde met luide stem eraan te herinneren: “De baas hier ben ik”.’
Deze zinsneden stammen uit een moderne fenomenologie van de koloniale machtsuitoefening, die door Frantz Fanon in de eerste hoofdstukken van zijn boek Les damnés de la terre (1961) is ontwikkeld. De observaties die Las Casas vierhonderd jaar eerder deed, kloppen daarmee exact. Zelfs de ogenschijnlijk doelloze wreedheden, zelfs de terroristische willekeur van de conquistadores had de psychologische functie, de Nieuwe Wereld demonstratief in tweeën te snijden. Het bewijs dat de Indianen geen mensen waren, leverden de Spanjaarden iedere dag opnieuw door zo te handelen, alsof zij niet met mensen te doen hadden: ‘Werkelijk, zij droegen hen niet alleen minder gevoel en respect toe — en ik zeg de waarheid, want ik heb het zelf al die tijd met eigen ogen gezien — dan aan beesten, — mijn God, hadden zij hen al maar eens minder wreed dan hun vee behandeld! —, maar zij achtten hen niet hoger, verre van dat, dan de drek en het vuil op straat.’
(‘Wanneer het gezonde verstand wanhopig wijst op de overbodigheid van een gigantische apparatuur der terreur tegen volstrekt plooibare mensen,’ zo schrijft Hannah Arendt met betrekking tot de concentratiekampen van de twintigste eeuw, ‘zouden de totale machthebbers, als zij de waarheid wilden zeggen, kunnen antwoorden: Dit apparaat lijkt jullie alleen overbodig, omdat het de overbodig- making van mensen dient.’)
Maar de blinde terreur, door welke de kolonialisten laten zien, wie zij zijn en dat de gekoloniseerden niets zijn, leidt tot een nieuwe dilemma. Die terreur verzekert hun van hun identiteit en brengt tegelijk hun ideologie in gevaar. Mét de angst voor de gekoloniseerden ontneemt hij hun hun rechtvaardiging, waarvan zij geen afstand willen doen. Want de kolonialist wil niet alleen geweld, maar ook gelijk hebben: tot brakens toe zweert hij, een zending te hebben, God en Koning te dienen, de christelijke leer en de waarden der beschaving te verbreiden, kortom: eigenlijk iets hogers in de zin te hebben. Zonder een goed geweten redt hij het niet. Maar dat betekent, dat hij de terreur, die hij ostentatief uitoefent, verbergen moet en zijn eigen demonstratieve optreden moet verloochenen. Vandaar dat alle kolonialistische ondernemingen iets eigenaardig schizofreens, iets waanzinnig formalistisch hebben. Ook hiervoor levert het Kort Relaas een uitstekend voorbeeld:
‘Tengevolge van een hoogst gevaarlijke verblinding, waarmee al degenen geslagen werden, die tot op de dag van vandaag in Indië regeerden, werd in het bekeringswerk en met het oog op de zaligmaking van deze volkeren totaal verkeerd te werk gegaan. Men kan naar waarheid zeggen, dat zij dit in de daadwerkelijke praktijk volledig op de laatste plaats lieten komen, hoewel zij er voortdurend veel ophef van maakten, om andere dingen daarmee te bemantelen en goed te praten. Bij het feit dat zij in hun handelen, denken en in hun voorschriften zo diep gezonken waren, kwam nog dit, dat zij de Indianen bij wijze van bevel vermaanden, zij moesten en zouden het christelijk geloof aannemen en aan de koning van Castilië gehoorzaam zijn, anders zouden zij hen te vuur en te zwaard vervolgen, doden, of gevangen nemen enzovoort... Zodra de onzalige en goddeloze gouverneur de regeling getroffen had, dat de bevelen als boven genoemd uitgevaardigd zouden worden, probeerde hij daaraan, omdat zij op zich zelf absurd, onredelijk en onrechtvaardig waren, minstens een schijn van recht te verlenen. Hij gaf daarom het bevel, — of de moordenaars die hij uitstuurde, troffen uit zich zelf de regeling, dat de dorpen, waar zij merkten dat goud aanwezig was en die zij zouden willen beroven en plunderen, niet mochten worden overvallen, voordat de Indianen zich in hun huizen geheel veilig waanden. Dan naderden deze onmenselijke Spaanse rovers een dergelijk dorp bij nacht tot op een halve mijl afstand, kondigden af of liever lazen nog in diezelfde nacht de bovengenoemde bevelen onder elkaar voor, zeggende:
Caziques en Indianen van dit of dit dorp op het vasteland! Hierbij doen wij u weten, dat er slechts één God is, één paus, en één koning van Castilië, die heer is over dit land! Komt ogenblikkelijk hier, om u aan hem te onderwerpen enz. Doet gij dit niet, dan weet, dat wij u vervolgen, doden of gevangen nemen zullen enz. Tegen 4 uur ‘s morgens, als deze onschuldigen met vrouw en kinderen nog sliepen, vielen zij in het dorp binnen, staken de huizen in brand, die gewoonlijk alleen van stro waren, verbrandden vrouwen en kinderen levend, zodat velen nauwelijks wisten wat hun overkwam, sloegen hen dood voor ze wakker werden, en brachten degenen, die zij in leven wilden laten, alle denkbare martelingen toe, om hen of wel nog meer goud te voorschijn te laten halen dan zij er zelf al vonden, of wel andere plaatsen te laten noemen, waar dat te vinden was: zij brandmerkten wie zij overlieten tot slaaf en zochten, zodra het vuur geblust of uitgedoofd was, het goud bijeen dat zich in de huizen bevonden had.’
Onder de koloniale machtsuitoefening wordt de uitspraak, dat niet de moordenaar maar de vermoorde schuldig is, tot heersende leuze. De ‘inboorling’ is van meet af aan een potentiële misdadiger, die in toom moet worden gehouden, een hoogverrader, die de staatsorde bedreigt: ‘Degenen die niet terstond kwamen toegesneld... en hun lot niet in handen legden van zulke laaghartige, wrede en beestachtige mensen, die werden door hen — zo heet het bij Las Casas — rebellen en oproerkraaiers genoemd, die zich tegen de onderdanigheid aan Zijne Majesteit verzetten.’
Maar juist deze beschuldiging helpt de gekoloniseerden tot inzicht in hun situatie. Zij voert haar eigen vervulling met zich mee: de fictie wordt werkelijkheid, de gewelddadig onderdrukten grijpen naar geweld. Las Casas beschrijft meer dan eens gevallen waarin het tot gewapende verzetsacties kwam, zelfs tot kleine guerrilla’s. Hij noemt de overvallen door de Indianen, waarbij ‘een aanzienlijk aantal christenen’ om het leven kwam, ‘een rechtvaardige en heilige strijd’, en voegt daaraan toe: ‘Ieder redelijk en gerechtigheidslievend mens zal dat beamen.’ Onverschrokken, in drie grootse zinnen, waarop de eeuwen niets kunnen afdingen, denkt Las Casas zijngedachten ten einde: ‘De laaghartige, verblinde, van God verlaten en volkomen door hun slechtheid meegesleepte Spanjaarden zagen niet in, dat de Indianen er alle recht en reden gehad toe zouden hebben, als zij maar beter bewapend waren geweest, hen, de Spanjaarden in stukken te hakken en het land uit te smijten — dat zou geheel in overeenstemming zijn geweest met alle wetten van de natuur, van God en van de mensen. Nog minder konden zij begrijpen, dat, toen zij hun ongekende wreedheden, vergrijpen en onvergeeflijke misdaden tegen de Indianen begingen, zij onrechtvaardig, slecht en in strijd met de wet handelden. Integendeel, zij beoorlogen hen nog altijd, denken, geloven en schrijven, dat alle overwinningen die zij op de arme, onschuldige Indianen behalen, van God afkomstig zijn, — alsof zij alle rechtvaardige redenen hadden voor hun oorlogen.’
Het boek, dat Las Casas ons heeft nagelaten, is een schandaal. Het woord schandaal, in zijn oorspronkelijke betekenis genomen, betekent zoveel als valstrik. De geleerden die ons voor hem willen waarschuwen, hebben zich in dat oude skandalon verstrikt. Zij hebben er zelfs geen flauw vermoeden van, dat hun woordenstrijd slechts de verre echo is van een reusachtig conflict. De storm in het waterglas van een vakgebied verwijst naar andere stormen, de rimpelingen in het historisch bewustzijn wijzen naar enorme aardbevingen in de historische realiteit. Het proces, dat met de conquista begon, is onbeëindigd. Het heeft zijn verdere verloop nu in Zuid-Amerika, in Afrika en Azië. Niet wij zijn het, die tot oordelen over de monnik uit Sevilla competent zijn. Misschien heeft hij ons geoordeeld. 

II

Don Bartolomé de Las Casas is in 1474 als zoon van een edelman ter wereld gekomen. De familie stamde uit de Limousin en is in Andalusië tot welstand en in aanzien geraakt In 1492, toen Columbus zijn eerste reis naar het Westen aanvaardde, begon Las Casas op de universiteit van Salamanca met zijn studies theologie en rechten. Zijn vader, Don Francisco, was een van de eerste Europeanen die het nieuwe continent hebben gezien. De naam Las Casas komt voor in het register van opvarenden van de Santa Maria. Over de daden van de vader zijn wij slecht geïnformeerd, zijn aankomst in Amerika staat niet eens vast: er zijn namelijk historici die beweren, dat hij pas aan de tweede tocht van Columbus heeft deelgenomen. In ieder geval is Don Francisco al in 1497 naar Sevilla teruggekeerd. In de geschiedenis van de conquista heeft hij geen blijvende sporen achtergelaten.
Zijn zoon moet in de laatste jaren van de vijftiende eeuw zijn weg gevolgd zijn. Zijn aanwezigheid in Hispaniola vanaf 1502 is zeker: in 1511 werd hij in Santo Domingo tot priester gewijd. Met de Indiaanse cultuur heeft Don Bartolomé zich kennelijk al vroeg beziggehouden. Bekend is, dat hij een veelgevraagd tolk was. In de loop van zijn leven heeft hij zich meer dan een dozijn Indianendialecten aangeleerd. Verder gedroeg hij zich vijftien jaar lang niet anders dan de andere kolonisators. Hij maakte kennis met de leidende figuren van de verovering: Cortez, Pizarro, Alvarado, Pedrarias en Columbus de Jongere. In 1512 ging hij met Diego de Velásquez en Panfilio de Narvez naar Cuba. De expeditie had het op de ‘pacificatie’, dat wil zeggen de volledige onderwerping van het eiland begrepen. Zoals Las Casas zelf in zijn Geschiedenis van de Indische Landen bericht, werd hij daar ‘goed bedeeld’. Een aanzienlijk aantal Indianen werd hem ‘aanbevolen’. Ook een overeenkomstig rayon viel hem toe. Las Casas was daarmee bij het uitbuitingssysteem persoonlijk belanghebbende: hij dreef een winstgevend mijn- en plantagebedrijf en bekommerde zich, zoals hij zelf schrijft, ‘meer om zijn aardse goed en zijn mijngroeven dan om de christelijke leer: want hij was even verblind als de wereldlijke kolonisten.’
Het begin van zijn levenswerk valt exact te dateren, Op Pinksteren 1514, op de leeftijd van veertig jaar, moest Las Casas in de pas gestichte Ciudad de Espiritu Santo een preek houden. ‘Bij de voorbereiding op deze preek begon ik over enkele grondstellingen van de Heilige Schrift na te denken. Ik stuitte op een passage in het boek Sirach, hoofdstuk 34. Daar staat: De arme heeft niets dan een weinig brood: wie dat van hem afneemt, is een moordenaar. Wie de arbeider zijn loon afneemt, is een bloedhond... Ik dacht na over de ellende en de slavernij, waarin het inheemse volk hier leeft... Hoe meer ik daarover nadacht, des te meer raakte ik ervan overtuigd, dat alles wat wij de Indianen aandeden, niets anders is dan tirannie en onrecht... En hoeveel ik ook studeerde, ik vond in elk boek dat ik las, of het nu in het Latijn was of in het Spaans, steeds maar nieuwe bewijsgronden en overgeleverde leerstellingen, die vóór het recht van de West-Indische landen en tegen de roof, de wandaden en het onrecht pleitten, dat tegen hen bedreven werd.’ Deze ontdekking, een tweede ontdekking van de Nieuwe Wereld, een wereld waarvan vandaag de grenzen nog altijd niet vastliggen, heeft Las Casas tot aan zijn dood beziggehouden. Met een religieuze openbaring heeft zij niets uitstaande. Las Casas benadrukt met veel zorgvuldigheid, dat het om een inzicht gaat, dat voor iedereen toegankelijk is: hij benadrukt de rationaliteit ervan, en trekt er alle theoretische en praktische consequenties uit, die de flitsende logica van een grote intelligentie eruit kon trekken.
Hij doet om te beginnen afstand van zijn goederen en van de slaven die hem zijn toebedeeld, en gaat zich mengen in de administratieve praktijken van de conquistadores. Zijn eerste aanvalsobject zijn de terroristische methoden van hun rechtspraak. Al gauw komt het tot de eerste conflicten tussen de pater en de bevelhebbers over Cuba’s ‘pacificatie’. Las Casas intervenieert bij de gouverneur, stelt gratieverzoeken en smeekschriften op, vaak zonder resultaat. De controverse ontwikkelt haar eigen logica. De monnik komt tot de conclusie, dat de executies niet geïsoleerd van het systeem als geheel bestreden kunnen worden — een systeem dat op die executies aangewezen is om zich te kunnen handhaven. In het voorjaar van ix zoekt hij daarom de Koninklijke Generaal-Repartidor voor de Indische Landen op, die het. systeem van dwangarbeid representeert, en zegt hem rechtuit, dat zijn activiteiten ‘met alle goddelijke en menselijke wetten spotten’. Tegelijkertijd wendt Las Casas zich met verzoekschriften, rapporten en bezwaarschriften tot het Spaanse hof.
De ambtenaar van de Kroon moet de onbekende geestelijke hebben aanhoord zonder een spier te vertrekken: toch begonnen bij deze audiëntie de onenigheden en tegenkantingen, die Las Casas zijn leven lang zouden blijven begeleiden. Zijn brieven raakten weg, zijn inkomsten lieten op zich wachten en zijn pogingen een overtocht per schip te krijgen, stuitten op de grootste moeilijkheden. Las Casas had zich namelijk vast voorgenomen, naar Madrid te reizen, daar door te dringen tot bij de koning en de uitvaardiging te bewerkstellingen van wetten die het hele systeem van slavenarbeid uit zijn voegen moesten tillen. Deze opzet is karakteristiek voor Las Casas. Zijn tijdgenoten verklaarden hem voor gek. Toch was het mengsel van durf en naïeviteit, waarmee hij te werk ging, misschien wel zijn grootste kracht: steeds opnieuw heeft het Las Casas beschermd en zijn tegenstanders overrompeld. In de koloniën bestonden geen instanties bij wie hij op ondersteuning kon rekenen: clerus en leken, ambtenaren en particulieren waren daar gelijkelijk participanten in de firma, waarvan de winsten een bedreiging vormden voor Don Bartolomé’s ideeën. 

In de zomer van 1515 begon Las Casas aan de eerste van de veertien zeereizen die hij in totaal ondernam, om de bewoners der ‘West-Indische landen’ voor uitroeiing te behoeden. Via de biechtvader van de koning lukte het hem, tot bij Ferdinand V door te dringen en hem over de situatie in Amerika uitvoerig te informeren. Er bestaat van deze audiëntie geen schriftelijk verslag. In ieder geval was het zo, dat de koning zich gedrongen zag, een commissie in het leven te roepen, die zich met het ‘Indische Vraagstuk’ zou gaan occuperen. Las Casas werd in Sevilla gedagvaard: zijn uitlatingen waren voor de commissie aanleiding tot een aanbeveling aan de koning om de materie wettelijk te regelen. Het is de vraag, of destijds Don Bartolomé de regels van het spel waarmee hij zich had ingelaten, al kende — een spel dat zich, met steeds nieuwe uitvluchten, over een periode van meer dan vijftig jaar zou voortslepen. Hij wist vermoedelijk niet, dat de leden van de commissie, twee bisschoppen en een ambtenaar, bij de uitbuiting van West-Indië materieel geïnteresseerd waren: dat zij daaraan aanzienlijke sommen verdienden. Toen de koning, een paar maanden na de audiëntie, stierf, werd de commissie ontbonden. Over de Nieuwe Wetten werd met geen woord meer gerept. Op interventie bij de nieuwe monarch leek geen uitzicht te bestaan — Karel V, toen zestien jaar oud, verbleef niet in Spanje. Las Casas wendde zich nu tot de groot-inquisiteur, die tegelijk de koning vertegenwoordigde. Ximenes benoemde de dominicaan tot ‘Defensor universal de los Indios’, tot adviseur van alle instanties van de Spaanse Kroon voor het Indianenvraagstuk en tot verslag gever van een nieuwe commissie, die hem naar West-Indië begeleiden zou. Nieuwe manoeuvres, pogingen tot omkoping, denunciaties en intriges: nieuwe reizen, dagvaardingen, verslagen; vertragingen, hindernissen, openlijke en verdekte sabotage. In het jaar 1520 bereikte Las Casas eindelijk een audiëntie bij Karel V.
Het kwam tot een veelbewogen discussie, waarover wij tot in het detail geïnformeerd zijn. Aan het gesprek, dat naar de vorm aan de hearings in onze tijd doet denken, namen deel de kanselier van de Spaanse Kroon, verschillende leden van de Indische Raad, een vertegenwoordiger van de commissie uit 1516 plus de generaal-notaris voor de Indische gebieden, een zekere Conchillos, die de belangen van de slavenhandel vertegenwoordigde. Het heftige debat eindigde ermee, dat de generaal-notaris aan de koning zijn aftreden voorlegde. Het ontslag werd geaccepteerd. Las Casas ging heen met de titel koninklijk hofkapelaan. De koning nam de volgende beslissing: het optreden tot nu toe van de conquistadores in de Indische landen was in strijd met de wet; de Indische Raad moest een plan uitwerken, op grond waarvan de Amerikaanse bezittingen ‘zonder geweld van wapenen geregeerd kunnen worden’.
De man die aan het keizerlijk hof dergelijke resultaten boekte, was geen beginneling meer, maar een ervaren politicus, van de denkwijze der regerenden uitstekend op de hoogte. Las Casas had zijn onbevangenheid niet verloren, en hij was minder dan ooit bereid tot compromissen, integendeel, hij had zich verrassend snel ontwikkeld tot een groots tacticus. Aan de hand van een paar passages uit het Kort Relaas valt zijn argumentatie tegenover de koning te reconstrueren. Zij ging onvoorwaardelijk uit van de vooronderstelling, dat de monarch niets wist van de misdaden die in zijn naam werden bedreven:
‘Onze heer en koning werd door zekere hoogst schadelijke en bedrieglijke voorstellingen van zaken misleid; zoals men er in het algemeen steeds aan werkte, hem de waarheid te verhelen, de waarheid namelijk, dat de Spanjaarden in Indië tegen God en de mensen en tegen Zijne Koninklijke Hoogheid op de verschrikkelijkste manier zondigden.’
Zulke zinsneden spreken de koning vrij van iedere medeplichtigheid; des te gevaarlijker zijn zij voor zijn gevolmachtigden. De dubbelzinnigheid ervan komt aan het licht, zodra Las Casas het probleem aansnijdt, hoe de buit verdeeld zou moeten worden:
‘Uwe Majesteit heeft meer dienaren hier, dan Uwe Allerhoogste zelf misschien denkt. Want onder alle soldaten hier is er misschien niet één, die, als hij op roof, plundering, strooptocht en moord uitgaat, of Uwer Majesteits onderdanen verdoemt tot het vuur, opdat zij hem goud geven, die, zeg ik, niet de brutaliteit heeft, openlijk voor te geven, dat hij in dienst van Uwe Majesteit handelt: want onder deze titel zou ook Uwe Majesteit zijn aandeel van de gemaakte buit krijgen.’
Vanzelfsprekend zag Las Casas wel degelijk in, dat de Spaanse Kroon op de inkomsten uit de koloniën volledig was aangewezen. Het Augsburgse handelshuis van de Welsers had, een jaar voor de audiëntie, de verkiezing van Karel de Vijfde tot keizer gefinancierd. Zijn afhankelijkheid van de bankiers was nergens in heel Europa een geheim. Las Casas maakte ook van deze omstandigheid gebruik. Hij bracht als argument tegen de conquistadores te berde, dat hun gewelddadig optreden de koning jaar in jaar uit vele honderdduizenden kronen aan goud kostte; dat ging ten nadele van de staatskas en diende er alleen maar toe, dat lokale machthebbers steeds rijker werden. Dit argument wijst in de richting van een centralisatie en perfectionering van de koloniale uitbuiting, maar het heeft op Karel V ongetwijfeld meer indruk gemaakt dan alle theoretische en juridische bedenkingen, die Las Casas in stelling bracht. Overigens is Las Casas zelf het slachtoffer geworden van de tactische handigheid die hij bij de audiëntie van 1520 etaleerde. Hij moet bij die gelegenheid op de tere lichaamsbouw van de Indianen hebben gewezen en naar voren gebracht hebben, dat de inwoners van Afrika tegen de vermoeienissen van het werk in de mijnen en op de plantages veel eerder zouden zijn opgewassen. Deze hint is niet zonder weerklank gebleven. In de loop van de navolgende 350 jaar werden tussen de vijftien en twintig miljoen mensen uit Afrika weggehaald en als slaaf naar Amerika verkocht. De slavenhandel, een van de meest lucratieve handeltjes uit de wereldgeschiedenis, beriep zich op de woorden, die Las Casas in 1520 in de mond genomen had, en riep hem tot de patroonheilige ervan uit. Hij heeft zich niet verdedigd, maar in zijn Historia general de las Indias staan de lapidaire regels:
‘De priester Las Casas heeft als eerste aangeraden, dat men mensen uit Afrika naar West-Indië moest importeren. Toen hem ter ore kwam, dat de Portugezen volkomen wederrechtelijk in Afrika mensen vingen en die tot slaaf maakten, had hij bittere spijt van zijn woorden... Het recht van de Zwarten is gelijk aan dat van de Indianen.’ 

Las Casas had de goedkeuring van de koning weten te vinden. Maar de koning zat ver weg. De wetgeving verzandde. In de praktijk der Amerikaanse kolonisatie kwam weinig verandering. In 1523 trok Don Bartolomé zich terug in het dominicanenklooster op Hispaniola en bleef daar bijna tien jaar. In die tijd legde hij de theoretische fundamenten voor zijn latere acties. Zijn wetenschappelijk belangrijkste werken zijn toen geconcipieerd en globaal opgezet: eerst de Apologética historia de las Indias, daarna het bronnenonderzoek voor de Historia general. Voor de moderne geschiedschrijving over de conquista, die dan op de methode van Las Casas het een en ander mag hebben aan te merken, zijn deze werken onontbeerlijk. De schrijver ervan was toegerust met het instinct en de speurzin van de ware historicus. Hij verzamelde systematisch manuscripten, brieven en ambtelijke documenten, die op de verovering van Amerika betrekking hadden. Zo heeft het nageslacht aan hem bij voorbeeld de bekendheid met het scheepsdagboek van Columbus te danken: dat scheepsdagboek is via een afschrift uit zijn archief overgeleverd. Toch beperkte Las Casas zijn rol niet tot die van kroniekschrijver. Zijn begrip voor de Indiaanse culturen stelde hem in staat tot antropologische inzichten, die zijn tijdgenoten volkomen vreemd waren. Hij stond op het standpunt, dat de Amerikaanse culturen niet met Europese maatstaven gemeten konden worden. Men moest ze vanuit hun eigen vooronderstellingen proberen te begrijpen. Hij was waarschijnlijk de eerste die de Maya-tempel in Yucatan met de piramiden vergeleek. De Spanjaarden, aldus Las Casas, hadden geen reden zich boven de Indianen superieur te voelen: hij prefereerde hen in tal van opzichten boven zijn eigen landgenoten. Dergelijke inzichten kondigen, tweehonderd jaar vóór Vico het ontwaken van het historisch bewustzijn aan. Las Casas begreep de menselijke cultuur als een evolutionair proces en hij zag in, dat ‘beschaving’ geen enkelvoud maar meervoud is: hij ontdekte de ongelijktijdigheid van de historische ontwikkeling en de betrekkelijkheid van de positie van Europa daarin. In de zestiende eeuw staat hij met een dergelijk geschiedenisbegrip, voor zover ik zien kan, alleen. Het is de regeringen van het Westen, naar hun daden te oordelen, tot op heden vreemd gebleven. 

In de dertiger jaren hervatte Las Casas zijn politieke strijd. Hij bezocht Venezuela, Peru, Nieuw-Granada, Darien en Guatemala. In Nicaragua kwam het in 1539 tot een nieuwe uitbarsting. Een van de preken van de dominicaner-pater bracht de soldaten van een Spaans expeditiekorps tot deserteren. Hun strooptocht eindigde in een nederlaag voor de verzwakte troep. De commandant deed in Madrid aangifte tegen Las Casas wegens hoogverraad. Opnieuw moest hij de overtocht naar Spanje, die destijds acht tot zestien weken duurde, aanvaarden, om zich te gaan verantwoorden. De strafvervolging tegen hem vond geen doorgang. Hij bleef vier jaar lang in Spanje. In die tijd schreef hij het Kort Relaas, liet zich tot bisschop wijden en bewerkte eindelijk de totstandkoming van een omvattende wettelijke regeling van het ‘Indische Vraagstuk’. De Nieuwe Wetten — Las Nuevas Leyes de las Indias — werden in 1542 in Sevilla afgekondigd. Zij verboden vice-koningen en gouverneurs, alle ambtenaren van de koning, officieren en soldaten, geestelijken, kloosters en alle openbare instellingen, langs de weg der encomienda Indianen in dienst te nemen. Alle Indianen die onder deze wet vielen, of die zonder koninklijk bevel ‘aanbevolen’ waren, golden als vrijgelaten. Aan iedere inheemse arbeider kende de wet een passend loon toe. De parelvisserij werd verboden. De Nieuwe Wetten eindigden met de zinsnede: ‘Er moet tegenover de bewoners van de West-Indische landen in alles zo worden opgetreden als tegenover de vrije onderdanen van de Kroon van Castilië: want er bestaat tussen hen en deze laatsten geen verschil.’
De Nieuwe Wetten stuitten onmiddellijk op de verbitterde en georganiseerde tegenstand van de Spaanse koloniën in Amerika. De ondernemers verklaarden onomwonden, dat zij op slavenarbeid waren aangewezen. De rechters schaarden zich voor het merendeel aan de zijde der lokale belanghebbenden: maar ook waar zij niet corrupt waren, bleek het onmogelijk, de nieuwe rechtspraak tegen de wil van de militaire en civiele administratie in door te zetten. Na vier jaar liep de poging van de ‘beschermer van alle Indianen’ om hun rechten bij de wet veilig te stellen, definitief vast. Karel V herriep 20 november 1545, onder druk van de Amerikaanse lobby, de Nieuwe Wetten.
Las Casas, toen al een oud man, zal ongetwijfeld hebben ingezien, dat zijn strijd politiek niet te winnen viel. Maat hij peinsde er ondertussen niet over, de moed op te geven. Hij trok zich terug op een terrein waarop de pressure group van de landeigenaars hem niet pakken kon: de dagelijkse theologische praktijk. Als bisschop van Chiapa in Mexico gaf hij een geschrift uit met de volgende titel: Biechtstoel, dat is: Een handleiding voor alle biechtvaders die aan de Spaanse heren van de West-Indische landen het Sacrament hebben toe te dienen. Deze ‘biechtspiegel’ legt de voorwaarden vast, waaraan voldaan moest worden, wilde een conquistador, een plantage- of mijneigenaar, een slaven- of wapenhandelaar de absolutie kunnen krijgen. Las Casas verlangde, als conditie, de instelling van een notarieel protocol, waarin de biechteling zich tot volledige terugbetaling verplichten moest, en dat in juridisch bindende vorm. Omdat zulke documenten meestal op het sterfbed opgemaakt werden, was het gevolg: de opstelling van testamenten ten gunste van de Indianen. De handleiding omschrijft tot in details, hoe het vermogen van de stervende aangeslagen en hoe de nalatenschap vermogensrechtelijk geregeld moest worden. Het effect van het boek was sensationeel. Las Casas was een machtiger bondgenoot dan de koning op het spoor gekomen: de angst van de Spanjaarden voor de hel. De raadgevingen die hij de biechtvaders gaf, betekenden voor iedereen die de voorwaarden weigerde te vervullen, de kerkelijke ban. Vanzelfsprekend drong Las Casas met zijn biechtspiegel slechts in paar diocesen door. Na enkele jaren kwam de onder de gelovigen ontstane paniek tot bedaren, en de Biechtstoel raakte in de vergetelheid. Maar niettemin kwam het boek zijn auteur nog op een nieuwe aanklacht wegens hoogverraad en majesteitsschennis te staan: het zou beogen, zo heet het in de aanklacht, het koninklijke gezag in de West-Indische landen te ondergraven. Las Casas moest gevolg geven aan een dagvaarding naar Madrid. Hij verliet Amerika in de zomer van
1547. Hij zag de Nieuwe Wereld niet terug. Las Casas was bijna tachtig jaar oud. De strafvervolging.
tegen hem verzandde. Hij liet zich uit zijn bisschopsambt ontslaan. In de tien jaren die hem restten, zette hij zijn histtorische, antropologische en juridische onderzoekingen voort en publiceerde een eerste uitgave van zijn werken. Alles, wat hij dacht en schreef, was gecentreerd rond het probleem der kolonisatie. Tot een laatste grote optreden voor de politieke en academische wereldopenbaarheid van zijn tijd kwam het in het jaar 1550. Bij het beroemde dispuut van Valladolid. De man tegen wie Las Casas daar in het strijdperk trad, was de top-ideoloog van de conquista, Sepúlveda. Het debat werd van beide kanten met een uiterste aan scherpte gevoerd. Een schriftelijk verslag van het tweegesprek is bewaard gebleven. Uit de wijdlopige titel ervan wordt duidelijk, wat de kern van het twistgesprek was:
Disputatio, of twistgesprek tussen bisschop Fray Don Bartolomé de Las Casas, voormalig opperherder van de koninklijke stad Chiapa, die in de West-Indische landen ligt en onder Nieuw-Spanje hoort; en dr. Ginés de Sepúlveda, de hofkroniekschrijver van onze Heer de Keizer: over de vraag, of, zoals de doctor beweert, de verovering van de Indische landen en de oorlog legen de Indianen rechtmatig; dan wel, zoals de bisschop daartegenin naar voren brengt en verklaart, of die oorlog tiranniek, onrechtvaardig en onrechtmatig geweest is; welke vraag doorgrond werd in tegenwoordigheid van vele godgeleerden en rechtsgeleerden op een vergadering, die volgens de wens en de wil van Zijne Majesteit in Valladolid in het jaar 1550 bijeengeroepen is.
De controverse liep uit op een complete nederlaag voor Sepúlveda, die zich uit zijn ambt aan het hof terugtrok en wiens boek Over de rechtvaardige oorlog tegen de Indianen door de inquisitie verboden werd. Als alle andere overwinningen, die Las Casas wist te bevechten, was dit een schijnoverwinning. De theorie van de conquista kwam zwaar gehavend uit de strijd, maar aan de situatie van de Indianen veranderde niets.
Las Casas stierf in de zomer van 1566 in Madrid. Op zijn schrijftafel bevond zich zijn laatste manuscript, een geschrift over De Zestien remedies tegen de pest, die de Indianen heeft uitgeroeid. ‘Met de doodskaars in de hand’, zo staat in een bericht van een tijdgenoot te lezen, ‘en erop voorbereid, dat hij deze wereld ging verlaten, smeekte hij zijn vrienden, de verdediging van de Indianen voort te zetten. Hij zei, dat hij er bedroefd om was, dat hij zo weinig in hun voordeel had kunnen uitrichten, maar dat hij toch overtuigd was, dat hij in alles wat hij voor hen ondernomen had, juist gehandeld had.’
Er bestaat in Spanje geen monument dat zijn herinnering levend houdt, en niemand weet waar hij begraven is. 

Bartolomé de Las Casas was geen revolutionair. Omwentelingen heeft hij niet gepredikt. Zijn loyaliteit tegenover kerk en kroon staat buiten twijfel. Hij vocht voor de gelijkberechtiging van de Indianen als onderdanen van een overheid die hij erkende. Een radicale omverwerping van de maatschappelijke orde was voor hem evenmin denkbaar als voor zijn tijdgenoten: de bestaande orde wilde hij zover brengen, dat zij haar eigen ideologie inloste. Elke maatschappijstructuur houdt een utopie in, waarmee zij zich tooit en die zij tegelijkertijd verminkt. Las Casas vermoedde niet, dat deze belofte, die ook in de staatsidee van zijn tijd opgesloten lag, alleen tegen de prijs van een revolutie in vervulling kan gaan, gedeeltelijk, tijdelijk, voor zolang en voor zover niet een nieuwe vorm van machtsuitoefening haar weer inkapselt en opheft.
Toch waren aan Las Casas utopische gedachtengangen niet vreemd. Hij was een tijdgenoot van Thomas More en Machiavelli, van Rabelais en van Giovanni Botero. In het jaar 1521 probeerde hij niets minder dan zijn eigen Atlant is te stichten. In die onderneming wordt de een1ied van theorie en praktijk duidelijk, die voor zijn hele werk karakteristiek is. Zij eindigde met een catastrofe.
Op zijn audiëntie bij Karel V had Las Casas de keizer voorgesteld, dat hij, als bewijs, dat zijn theoretische principes tegen de praktijk bestand waren, een modelkolonie ‘van de ploeg en het woord’ zou stichten. De keizer wees hem bij decreet het district Cumaná in Venezuela toe, met als voorwaarde, ‘dat geen enkel Spaans onderdaan dit gebied gewapend betreden mag.’ Las Casas monsterde een schare boeren aan, rustte een onbewapende expeditie uit en begon aan de opbouw van zijn kolonie. Overvallen door dc Spaanse soldateska, inmengingen van slavenhandelaars in het vredesgebied, opstanden van de verbitterde Indianen, brandewijnsmokkel en gewelddaden hebben deze kolonie binnen de kortste keren teniet gedaan. Geen enkele van de vele nederlagen die Las Casas moest incasseren, heeft diepere indruk op hem gemaakt.
De bewijskracht van dit experiment is tot op de dag vandaag intact gebleven Er bestaat geen vreedzame kolonisatie. Niet op het woord en de ploeg, enkel op het zwaard en het vuur valt koloniale machtsuitoefening op te bouw en. Elke ‘Alliance for Progress’ heeft haar gorilla’s nodig, elke ‘vreedzame penetratie’ is op een commando bommenwerpers aangewezen, en elke ‘redelijke hervormer’ van het slag van een generaal Lansdale vindt zijn maarschalk Ky.
Bartolomé de Las Casas was geen reformist. Het neo-kolonialisme, dat thans de arme wereld beheerst, kan zich niet op hem beroepen. Bij de beantwoording van de beslissende vraag van het geweld, heeft Las Casas niet geaarzeld. De onderdrukte volkeren strijden, in zijn bewoordingen: ‘een gerechtvaardigde en heilige strijd, ieder redelijk en gerechtigheidslievend mens zal dat beamen.’
Deze strijd speelt zich voor onze ogen af. De oorlog in Vietnam is de proef op de som: het regime van de rijke over de arme volken, dat Las Casas als eerste beschreef, staat daar op het spel. De krantenkoppen, die wij elke morgen in onze brievenbus vinden, bewijzen, dat de verwoesting van de Indische landen voortduurt. Het Kort Relaas is een terugblik in onze eigen toekomst.

Naar boven