Home

BARON D’HOLBACH

HET CHRISTENDOM ONTSLUIERD


Titelpagina Het Christendom ontsluierd

Bijgeloof is een dwaze fout: wie [de Goden] bemind moeten worden vreest het, wie het eert kwetst het. Wat maakt het immers uit of je de goden ontkent of belastert? (Seneca, Brieven aan Lucillus, brief 123)


INLEIDING:

Paul-Henri Thiry, Baron d’Holbach (1723-1789) was een Frans-Duitse schrijver. Hij werd geboren als Paul Heinrich Dietrich in Edesheim in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts. Hij werd opgevoed in Parijs door zijn oom Franz Adam Holbach, die met speculeren op de Parijse beurs miljonair geworden was. Met zijn financiële steun studeerde Paul-Henri van 1744 tot 1748 rechten aan de Leidse universiteit. In 1753 stierven zowel zijn vader als zijn oom en lieten de toen 30-jarige d’Holbach achter met een enorme erfenis, waardoor hij de rest van zijn leven in grote weelde kon leven. Hij kon daardoor ook in zijn huis in Parijs een literaire salon organiseren, die ongeveer dertig jaar lang, tweemaal per week gehouden werd. Die salon werd uitsluitend bezocht door mannelijke bezoekers, waaronder Diderot, Grimm, Condillac, Condorcet, d’Alembert, Raynal, Helvétius en enige tijd ook Jean-Jacques Rousseau. Ook prominente Engelse bezoekers kwamen daar, waaronder Adam Smith, David Hume, Horace Walpole en Edward Gibbon. Er heerste een zeer intellectualistische en elitaire sfeer. Het gezelschap, ook wel de kliek van d’Holbach genoemd, ontpopte zich later als de grootste vijand van Jean-Jacques Rousseau, dat niets naliet om hem zwart te maken.

In dat milieu ontstonden de schrijfsels van d’Holbach, waaronder Le Christianisme Dévoilé, die hij allemaal anoniem publiceerde en tijdens zijn leven aan allerlei andere anderen werden toegeschreven. Op 31 december 1768 schrijft Voltaire aan d’Alembert: "Ik weet wie Le Christianisme Dévoilé geschreven heeft, maar ik heb dat nooit rondverteld." Hij had bij de inhoud nogal wat bedenkingen, want in december 1766 schrijft hij aan mevrouw de Saint-Julien: "Ik heb de gewoonte in de kantlijn van mijn boeken te schrijven wat ik ervan vind. Als u de moeite neemt naar Ferney te komen, zult u zien dat de kantlijnen van Le Christianisme Dévoilé vol staan met kanttekeningen waaruit blijkt dat de schrijver zich in de belangrijkste feiten vergist heeft."

Le Christianisme Dévoilé is een vileine en vernietigende analyse van het geïnstitutionaliseerde christendom, uit de koker van een Machiavellistische, intellectualistische en elitaire flapdrol, die het kind met het badwater weggooit, als de oorspronkelijke boodschap van het Evangelie gezien wordt als het kind en het geïnstitutionaliseerde christendom als het badwater. De Bergrede, de heldere compilatie van die boodschap, was en zal altijd een bedreiging vormen voor de elite. Terecht schrijft d’Holbach dus dat zelfs het geïnstitutionaliseerde christendom gevaarlijk is voor de maatschappij, maar het ware christendom, is dat vele malen erger, want zoals in het Thomasevangelie staat, moet geen steen meer op de ander blijven. Het is het gevecht tussen ratio en gevoel, waarbij de Encyclopedisten de geloofsartikelen van het geïnstitutionaliseerde en dus ontaarde christendom, naadloos vervingen door de geloofsartikelen van de wetenschap. Maar het maakt ook duidelijk waarom de kliek van d’Holbach het zo gemunt had op Jean-Jacques Rousseau, die durfde te schrijven: "Almachtige God, verlos ons van de wetenschappen en de verderfelijke kunsten van onze vaderen en geef ons de onwetendheid, onschuld en armoede terug."

Toch was Le Christianisme Dévoilé in zijn tijd een zeer gewaagd geschrift. Gie van den Berghe schrijft daarover: "Augustus 1765, Abbeville, twee adellijke jongelui lopen een processie voorbij zonder de hoed af te nemen. Verklikkers beweren dat ze goddeloze liederen zongen en in de buurt werd een kruis beschadigd. Eén van de beschuldigden ontkomt naar het buitenland, maar Jean-François Le Fèvre, chevalier de La Barre, wordt opgepakt. Bij een huiszoeking treft men een beduimeld exemplaar aan van Voltaire’s pas verschenen Dictionnaire philosophique. De negentienjarige La Barre wordt op 4 juni 1766 tot de tortuur veroordeeld - tong uitgetrokken, hoofd afgehakt, lichaam verbrand. Dat is het fanatieke klimaat waarin het eerste werk van baron d'Holbach verscheen, Le Christianisme Dévoilé (1761), een felle aanklacht tegen religieus fanatisme en intolerantie. Het boek, dat nu gedateerd aandoet, sloeg in als een ‘bom op het huis van de Heer’ (Denis Diderot). Wie werd betrapt met een van de brandstapel gered exemplaar, riskeerde negen jaar dwangarbeid."

De vertaler.


INHOUD

Voorwoord

Hoofdstuk I: Over de noodzaak om de eigen godsdienst te onderzoeken en over de hindernissen die men tegenkomt bij dit onderzoek.
Hoofdstuk II: Kort overzicht van de geschiedenis van het Joodse volk.
Hoofdstuk III: Kort overzicht van de geschiedenis van het christendom.
Hoofdstuk IV: Over de christelijke mythologie, of de denkbeelden die het christendom ons gegeven heeft over God en zijn optreden.
Hoofdstuk V: Over de Openbaring.
Hoofdstuk VI: De bewijzen van de christelijke godsdienst, wonderen, profetieën en martelaren.
Hoofdstuk VII: De mysteries van de christelijke godsdienst.
Hoofdstuk VIII: Andere mysteries en dogma’s van het christendom.
Hoofdstuk IX: Over rituelen, geheimzinnige ceremonies, of de geestenbezwering van de christenen.
Hoofdstuk X: De heilige boeken van de christenen.
Hoofdstuk XI: Over de christelijke moraal.
Hoofdstuk XII: Over de christelijke deugden.
Hoofdstuk XIII: Over de gebruiken en plichten van de christelijke godsdienst.
Hoofdstuk XIV: De invloed van de christelijke godsdienst op de politiek.
Hoofdstuk XV: Over de kerk, of het priesterdom van de christenen.
Hoofdstuk XVI: Besluit.

VOORWOORD

Brief van de schrijver aan de Heer …

Mijnheer,

Ik ben u erkentelijk voor het toezenden van uw kanttekeningen bij mijn werk.

Ik ben gevoelig voor de lof die u zo vriendelijk bent mij toe te zwaaien en te zeer gesteld op de waarheid om aanstoot te kunnen nemen aan de vrijmoedigheid waarmee u uw bedenkingen te berde brengt. Voor mij zijn ze belangrijk genoeg om daar al mijn aandacht aan te wijden. Het zou voor een filosoof bedenkelijk zijn als hij niet zo moedig is dat hij ervoor openstaat als zijn meningen weersproken worden. Wij zijn geen theologen; onze geschillen zijn van dien aard dat ze op een vriendschappelijke manier beslecht kunnen worden; en omdat ze geen enkele gelijkenis vertonen met die van de apostelen van het bijgeloof, die alleen maar elkaar proberen te verrassen met bedrieglijke argumenten en, ten koste van oprechtheid, bekvechten om hun eigen ijdelheid en eigenzinnigheid te verdedigen.

Wij willen allebei het goede voor de mensheid. Wij zoeken de waarheid. Nu dat zo is, kunnen we het vast met elkaar eens worden.

U geeft meteen toe dat het noodzakelijk is de godsdienst te onderzoeken en haar gedachtegoed te onderwerpen aan het gerecht van de rede. U begrijpt dat het christendom de toets der kritiek niet kan doorstaan. Voor het gezond verstand kan het alleen maar overkomen als een samenraapsel van absurditeiten, onsamenhangende verzinsels, onzinnige dogma's, kinderachtige rituelen en ideeën ontleend aan de Chaldeeën, Egyptenaren, Feniciërs, Grieken en Romeinen. Kortom, u moet toegeven dat dit godsdienstsysteem slechts een wanstaltig brouwsel is van oud bijgeloof, voortgebracht door Oosters fanatisme en op allerlei manieren gewijzigd door omstandigheden, tijd, belangen, grillen en vooroordelen van diegenen die zich uitgegeven hebben voor bezielden, Gods gezanten en vertolkers van zijn wil.

U huivert bij de gruweldaden die de christenen, steeds als ze aan de macht waren, in hun onverdraagzaamheid hebben bedreven. U begrijpt dat een godsdienst, die gevestigd is op het gezag van een bloeddorstige God, niets anders kan zijn dan een bloeddorstige godsdienst. U klaagt over de krankzinnigheid, die zich van kinds af aan meester maakt van de geest van vorsten en volken en hen gelijkelijk slaaf maakt van het bijgeloof en zijn priesters, hen verhindert hun werkelijke belangen te leren kennen, doof maakt voor de rede en afhoudt van de belangrijke onderwerpen die hen bezig zouden moeten houden. U erkent dat een godsdienst, gevestigd op bevlogenheid of bedrog, geen onweerlegbare beginselen kan bevatten, een eeuwige bron van twist moet zijn en altijd moet uitlopen op verwarring, vervolgingen en verwoestingen, vooral als de politieke macht zich denkt te moeten mengen in haar geschillen. Tot slot zult u zelfs moeten toegeven dat een goed christen, die zijn gedrag letterlijk afstemt op wat het evangelie hem als het meest volmaakte voorschrijft, geen van de beginselen kent waarop in deze wereld de ware moraal is gebaseerd en niets anders is dan een nutteloze misantroop, als hij weinig krachtdadig, of een opgewonden fanaticus, als hij heetgebakerd is.

Hoe is het mogelijk dat u, na deze bekentenissen, mijn werk nog steeds gevaarlijk vindt? Zelf zegt u dat iemand die verstandig is, zelf moet denken, maar dat er voor het volk een godsdienst moet zijn, goed of slecht en dat die een noodzakelijke rem is voor eenvoudige en onontwikkelde geesten, die zonder haar geen reden zouden hebben om zich van misdaad en ondeugd te onthouden. U neemt aan dat religieuze vooroordelen niet bijgesteld kunnen worden. U vindt dat de vorsten, de enigen die dat teweeg zouden kunnen brengen, te veel bezig zijn om hun onderdanen blind te houden, omdat zij daar zelf baat bij hebben

Dat zijn, als ik mij niet vergis, de belangrijkste bedenkingen die u tegen mij ingebracht hebt. Ik zal proberen ze uit de weg te ruimen.

Allereerst geloof ik niet dat een boek voor het volk gevaarlijk kan zijn. Het volk leest evenmin als het denkt. Het heeft er noch tijd voor, noch het vermogen. Anderzijds is het niet de godsdienst, maar de wet die de lieden van het volk in bedwang houdt en als een waanzinnige hen zou zeggen dat ze moeten stelen of moorden, zal de galg hen waarschuwen dat niet te doen. Bovendien staat vast dat, als zich onder het volk toevallig iemand zou bevinden die in staat is een filosofisch werk te lezen, niet te duchten valt dat die man een schurk is.

Boeken zijn slechts bestemd voor dat deel van de natie, dat door omstandigheden, opvoeding en opvattingen, boven de misdaad verheven is. Dat ontwikkelde deel van de maatschappij, dat het andere regeert, leest en beoordeelt de boeken. Als ze verkeerde of schadelijke stelregels zouden bevatten, worden ze weldra of tot vergetelheid veroordeeld of aan afschuw van het publiek overgeleverd. Als ze waarheden bevatten, leveren ze geen enkel gevaar op. Het zijn fanatici, priesters en onwetenden die revoluties teweegbrengen. Onbaatzuchtige en verstandige ontwikkelde mensen, zijn altijd gesteld op rust.

U, mijnheer, behoort niet tot de groep van kleinmoedige denkers, die geloven dat de waarheid schadelijk kan zijn. Zij schaadt alleen mensen die anderen bedriegen, maar zal altijd heilzaam zijn voor de rest van de mensheid.

Alles moet u er al lang van overtuigd hebben, dat alle ellende, waardoor wij mensen geteisterd worden, alleen uit onze dwalingen voortkomt, uit onze verkeerd begrepen belangen, uit onze vooroordelen en verkeerde ideeën die wij aan de dingen hechten.

Mits men in zijn geest nog alles op een rijtje heeft, valt het eenvoudig te begrijpen, dat vooral de godsdienstige vooroordelen de politiek en moraal hebben verdorven. Zijn het niet religieuze en bovennatuurlijke ideeën, waardoor vorsten als goden werden gezien? Het is dus de godsdienst die despoten en tirannen voortbrengt, die vervolgens ondeugdelijke wetten opstellen. Door hun voorbeeld ontaardden de hooggeplaatsten, die op hun beurt de volken verdierven. De verdorven volken werden ongelukkige slaven, die zichzelf schade berokkenden omdat ze de hooggeplaatsten wilden behagen en zichzelf aan de ellende onttrekken. Koningen werden beeltenissen van God genoemd. Ze werden helemaal aan hem gelijkgesteld. Ze bepaalden zelf wat rechtvaardig of onrechtvaardig was. Hun wil rechtvaardigde vaak onderdrukking, geweld en plundering en door laaghartigheid, ondeugd en misdaad kon men in bij hen in de gunst raken. Op die manier zijn de naties gevuld met verdorven burgers, die onder hun door godsdienstige opvattingen ontaarde leiders, openlijk of in het verborgene voortdurend strijd voerden en geen enkele reden hadden om deugdzaam te leven.

Wat kan de godsdienst aanrichten in een zodanig geordende maatschappij? Hebben haar verschrikkingen of onuitsprekelijke beloften de mens ooit verhinderd zich over te geven aan zijn hartstochten of zijn geluk te zoeken langs de gemakkelijkste weg? Heeft de godsdienst invloed gehad op het zedelijk gedrag van de heersers, die hun goddelijke macht aan haar te danken hadden? Zien we niet dat de godvruchtigste vorsten steeds weer de onrechtvaardigste oorlogen ondernemen en het bloed en de bezittingen van hun onderdanen zinloos verkwisten? Zien we ze niet het brood uit de handen van de armen roven om de schatten van de onverzadigbare rijke te vergroten en diefstal, afpersing en onrechtvaardigheden toelaten of zelfs bevelen? Maakt deze godsdienst, die door zoveel heersers als steun voor hun bewind beschouwd wordt, hen menselijker, geordender, gematigder, kuiser en trouwer aan hun plechtige beloften? Helaas, we hoeven maar de geschiedenis te raadplegen om rechtzinnige heersers aan te treffen, die uiterst nauwgezet geloofsijver en godsdienstigheid aan de dag legden, maar tegelijkertijd meinedig waren, overweldigers, overspeligen, dieven, moordenaars, mensen die zich feitelijk gedroegen alsof ze de god die ze met de mond beleden helemaal niet vreesden. Bij de ogendienaren, die hen omringen, zien we een voortdurende mengeling van christendom en misdaad, vroomheid en onrecht, trouw en treiterij, godsdienst en verraad. Zien we niet dat er onder de priesters van een arme en gekruisigde god, wier bestaan afhangt van zijn godsdienst en die beweren dat er zonder haar geen moraal kan bestaan, sprake is van hoogmoed, gierigheid, wulpsheid en een geest van heerszucht en wraak? Heeft hun voortdurend en steeds herhaald gepreek in al die eeuwen enige invloed gehad op de zeden van de naties? Zijn de bekeringen die hun praatjes teweeg hebben gebracht echt zinvol geweest? Veranderen ze het hart van de mensen die naar hen luisteren? Die geleerde heren moeten zelf toegeven dat bekeringen zeer zeldzaam zijn. Zij leven nog steeds in het droesem der tijden. De verdorvenheid van de mensen neemt nog iedere dag toe en dag in dag uit varen ze uit tegen ondeugd en misdaad, die door de gewoonte gewettigd en door de regering aangemoedigd worden. Omdat ze door de publieke opinie in de hand gewerkt en door de machthebbers beloond worden, heeft iedereen er belang bij daaraan mee te doen, op straffe van ongelukkig zijn.

Diezelfde priesters geven toe dat de godsdienst, waarvan de geboden van kinds af aan ingeprent zijn en onafgebroken herhaald worden, niets kan uitrichten tegen de verloedering van de zeden. De godsdienst wordt door de mensen altijd terzijde geschoven, zodra ze zich verzet tegen hun verlangens. Ze luisteren alleen naar haar als het hun hartstochten goed uitkomt, als ze instemt met hun verlangens en met de ideeën die ze hebben over geluk. De vrijdenker drijft met haar de spot als ze zijn uitspattingen veroordeelt. De eerzuchtige veracht haar als ze grenzen stelt aan zijn wensen. De gierigaard luistert niet naar haar als ze hem voorhoudt dat hij zijn rijkdom moet verdelen en de ogendienaar lacht om haar onnozelheid, als ze hem gebiedt oprecht en eerlijk te zijn. Anderzijds toont de heerser zich gewillig bij haar preken als ze hem vertelt dat hij het evenbeeld is van de godheid; dat hij precies zo moet zijn; dat hij meester is over het leven en bezit van zijn onderdanen en dat hij ze uit moet roeien als ze anders denken dan hijzelf.

Lichtgeraakte lieden luisteren gretig naar de voorschriften van hun priesters, als hen bevolen wordt te haten. Wraakzuchtigen gehoorzamen hen als ze van hen zelf wraak mogen nemen, onder het voorwendsel hun God te wreken. Kortom, de godsdienst verandert niets aan de hartstochten van de mensen. Ze luisteren alleen maar als ze het eens is met hun verlangens. Ze verandert hen pas op hun sterfbed, maar dan is die ommekeer van geen enkel nut meer voor de wereld. De vergiffenis van de hemel, die de stervende vergeefs wordt beloofd als hij berouw toont, moedigt de levenden aan om tot de laatste snik in het kwaad te volharden.

Het deugdzaamheid prediken van de godsdienst is vergeefs, als die in tegenspraak is met de belangen van de mens of hem nergens toe leidt. Men kan geen zeden opleggen aan een natie waar de vorst zelf zedeloos en niet deugdzaam is, de hooggeplaatsten deugdzaamheid als een zwakheid beschouwen, de priesters haar onteren door hun gedrag en de man uit het volk, ondanks de prachtige toespraken van haar predikers, heel goed beseft dat hij, om zich te onttrekken aan de ellende, beter kan toegeven aan de ondeugden die veel machtiger zijn dan hijzelf. In dergelijke maatschappijen kan de moraal alleen maar een vruchteloze bespiegeling zijn, goed om de geest te oefenen, maar zonder enige invloed op iemands gedrag, misschien afgezien van een kleine groep personen die door hun instelling gematigd en tevreden met hun lot zijn geworden.

Iedereen die fortuin wil maken of zijn lot verzachten, laat zich meeslepen door de grote stroom, die hem dwingt de hindernissen te overwinnen die door zijn geweten opgeworpen worden.

Het is dus niet de priester, maar het staatshoofd, dat de zeden in een natie ingang kan doen vinden.

Hij moet het goede voorbeeld geven, de misdaad afschrikken door straffen, een deugdzaam leven aanmoedigen door beloningen en vooral toezicht houden op het openbare onderwijs, met de bedoeling dat in het hart van zijn onderdanen alleen hartstochten gezaaid worden, die heilzaam zijn voor de maatschappij.

Bij ons houdt het onderwijs zich amper bezig met politiek en vertoont de grootste onverschilligheid ten opzichte van het belangrijkste onderwerp voor het welzijn van de staat. Bij vrijwel alle volken beperkt het openbare onderwijs zich tegenwoordig tot het aanleren van talen die nutteloos zijn voor het merendeel van degenen die ze leren. In plaats van de moraal wordt de christenen een aantal wonderbaarlijke verzinsels en onbegrijpelijke dogma's ingeprent, van een godsdienst die haaks staat op het gezond verstand. Vanaf de eerste stappen die jongeman in de studie zet, wordt hem geleerd dat hij afstand moet doen van wat zijn zintuigen hem vertellen, zijn verstand moet onderdrukken, dat afgedaan wordt als een onbetrouwbare gids, en dat hij zich blindelings moet onderwerpen aan het gezag van zijn meesters. Maar wie zijn die meesters? Dat zijn de priesters die er belang bij hebben om het geheel van de meningen in stand te houden, waarvan zij de vruchten plukken. Deze ingehuurde opvoedkundigen, vol onwetendheid en vooroordelen, spreken zelden dezelfde taal als de maatschappij. Is hun verachtelijke en bekrompen geest trouwens wel in staat hun leerlingen te onderwijzen in iets wat ze zelf niet weten? Zijn deze waanwijze lieden, die zelfs verachtelijk zijn in de ogen van hen die hun kinderen aan hen toevertrouwen, eigenlijk wel in staat om bij hun leerlingen een verlangen naar roem op te wekken, naar edelmoedige wedijver en ruimhartige opvattingen, die de bron zijn van alle eigenschappen die heilzaam zijn voor de republiek? Zullen ze hen leren het algemeen welzijn lief te hebben, het vaderland te dienen, de plichten van mens en burger te kennen, van huisvader en kinderen, van meesters en knechten? Natuurlijk niet. Het is duidelijk dat uit de handen van die dwaze en verachtelijke gidsen alleen maar onwetende bijgelovigen komen, die, als de lessen die ze gekregen hebben hen ten goede zijn gekomen, nog steeds niets weten over zaken waar de maatschappij behoefte aan heeft, en waarvan ze dus nutteloze leden zijn geworden.

Naar welke kant we onze blik ook richten, overal zien we dat de studie van de belangrijkste onderwerpen voor de mens totaal verwaarloosd wordt. De moraal, waaronder ik ook de politiek reken, telt vrijwel niet mee in de Europese opvoeding. De enige moraal die de christenen aangeleerd wordt is de bevlogen, onuitvoerbare, tegenstrijdige en onzekere moraal, die wij in het evangelie vermeld vinden. Zoals ik denk aangetoond te hebben is die alleen maar geëigend om het verstand neer te halen, de deugd te leren haten, van de mens een verachtelijke slaaf te maken en de veerkracht van de geest te breken. Als die moraal gezaaid wordt in verhitte geesten komen daar slechts onstuimige fanatici uit voort, die de fundamenten van de maatschappij aan het wankelen kunnen brengen.

Ondanks de nutteloosheid en verdorvenheid van de moraal die het christendom de mensen leert, durven haar volgelingen ons ook nog te vertellen, dat er zonder godsdienst geen zedelijkheid bestaat. Maar wat betekent zedelijkheid in de taal van de christenen? Dat betekent onophoudelijk bidden, tempels bezoeken, boete doen en zich onthouden van genoegens. Het betekent een leven in stille overpeinzingen en afzondering. Wat voor goeds leveren zulke praktijken op voor de maatschappij, die in acht genomen kunnen worden zonder een zweem van deugdzaamheid? Dergelijke zeden kunnen wel naar de hemel leiden, maar zijn op aarde volstrekt nutteloos. En als dat werkelijk deugden zijn, moeten we toegeven dat er zonder godsdienst geen deugden kunnen bestaan. Anderzijds kan men echter trouw alles in acht nemen wat het christendom voorschrijft, zonder enig deugdzaam leven te leiden waarvan ons gezonde verstand ons laat zien dat dat noodzakelijk om een politieke maatschappij in stand te houden.

De religieuze moraal en de politieke moraal dienen dus duidelijk van elkaar onderscheiden te worden. De eerste maakt heiligen, de andere burgers. De ene maakt nutteloze en voor de wereld zelfs schadelijke mensen, de andere heeft als doel nuttige en actieve leden voor de maatschappij te vormen, die in staat zijn haar te dienen, hun plichten als echtgenoot vader, vriend en metgezel kunnen vervullen, wat verder ook hun metafysische opvattingen ook mogen zijn, die, wat de theologie ook zegt, veel minder zeker zijn dan de regels van het gezond verstand.

Het staat vast dat de mens in feite een sociaal wezen is dat overal zijn geluk in zoekt, dat het goede doet als het in zijn belang is en doorgaans niet zo slecht is, omdat het zonder dat af zou moeten zien van zijn welzijn. Het blijkt dus dat als de opvoeding de mensen hun onderlinge menselijke verhoudingen leert zien en de plichten die daaruit voortvloeien; als de regering met behulp van wetten, beloningen en straffen de lessen bevestigt die de opvoeding geleerd heeft; als geluk vergezeld gaat van nuttige en deugdzame handelingen; als schaamteloosheid, minachting en straffen, de straf zijn voor misdaden en ondeugden, de mensen over een menselijke moraal zullen beschikken, gefundeerd op hun eigen natuur, de behoeften van de naties, het belang van de volken en van hen die hen regeren. Deze moraal, die onafhankelijk is van de hoogdravende opvattingen van de theologie, zal misschien niets gemeen hebben met de godsdienstige moraal. Maar de maatschappij heeft niets te verliezen met die laatste moraal die, zoals aangetoond is, doorlopend strijdig is met het geluk van de staten, de rust binnen de gezinnen en de eenheid van de burgers.

Een staatshoofd, aan wie de maatschappij het opperste gezag heeft toevertrouwd, heeft de grote prikkels in handen die op de mensen inwerken. Hij heeft meer macht dan de goden om de zeden te bepalen en te hervormen. Zijn aanwezigheid, beloningen en dreigementen, wat zeg ik? één enkele blik van hem, kan heel wat meer dan alle preken van de priesters.

Eerbewijzen, waardigheden en rijkdommen hebben in deze wereld een veel grotere invloed, zelfs op de meeste godsdienstige mensen, dan alle hoogdravende beloften van de godsdienst. De meest toegewijde ogendienaar vreest zijn koning meer dan zijn god.

Het is dus, ik herhaal, het staatshoofd dat moet prediken. Hem komt toe de zeden te hervormen. Ze zullen goed zijn als de vorst zelf goed en deugdzaam is en als de burgers een eerlijke opvoeding zullen krijgen, door hen tijdig door deugdzame beginselen te laten bezielen, ze te wennen aan het eerbiedigen van de deugd, de misdaad te verafschuwen, ondeugd te verachten en eerloosheid te vrezen. Deze opvoeding zal niet vruchteloos zijn. Zijn voortdurende voorbeeld zal de burgers tonen dat door talent en deugd eerbewijzen, welzijn, onderscheidingen en gunsten te verkrijgen zijn en dat ondeugd enkel leidt tot verachting en eerloosheid. Een verlicht vorst, aan het hoofd van een natie die gevoed wordt door zulke beginselen, zal dan werkelijk groot en machtig zijn en gerespecteerd worden. Zijn toespraken zullen doeltreffender zijn dan die van de priesters, die al eeuwenlang tevergeefs tegen de verdorvenheid van het volk uitvaren.

Als de priesters zich wederrechtelijk de zeggenschap van de vorst over het recht op onderrichting van het volk hebben toegeëigend, dan moet hij hen dat recht ontnemen. Hij mag in ieder geval niet toestaan dat uitsluitend de priesters de vrijheid hebben om de zeden van de natie te bepalen en hun eigen moraal te verkondigen. De machthebber moet de priesters zelf beteugelen als ze duidelijk kwalijke principes aanleren die nadelig zijn voor het welzijn van de maatschappij. Als zij dat zo nodig willen, laat hen dan maar vertellen dat hun god zich in brood verandert, maar nooit dat wie weigert in onuitsprekelijke mysteries te geloven, gehaat en vernietigd moet worden. In de maatschappij moet geen enkele bevlogene de mogelijkheid krijgen de onderdanen tegen het gezag op te zetten, tweedracht te zaaien, de banden die de burgers verenigen te verbreken en met zijn meningen de openbare vrede te verstoren. Als de soeverein dat wil kan hij de clerus zelf in toom houden. Fanatisme wordt beschaamd als het merkt dat het geen bijval vindt. De priesters verwachten van de vorst wat ze verlangen, maar het merendeel van hen is altijd bereid om de vermeende belangen van de godsdienst en het geweten op te offeren, als ze dit offer voordelig achten.

Als mij verteld wordt dat vorsten denken dat ze altijd belang hebben bij het in stand houden van de godsdienst en haar bedienaars te ontzien, in ieder geval om politieke redenen, zelfs als zij zich daarover zelf bedriegen, is mijn antwoord dat door een overvloed aan voorbeelden de machthebbers er eenvoudig van overtuigd kunnen worden, dat de christelijke godsdienst altijd honderdvoudig schadelijker is geweest voor hun gelijken; dat het priesterdom altijd de rivaal is geweest van het koningschap en dat altijd zal blijven, en dat de christelijke priesters in wezen de minst onderdanige burgers zijn. Mijn antwoord is dat het elke verlichte vorst eenvoudig duidelijk valt te maken dat zijn werkelijk belang is een gelukkige volk te regeren; dat van het welzijn dat hij zijn onderdanen verschaft zijn eigen zekerheid en grootsheid zullen afhangen. Kortom, dat zijn geluk verbonden is met dat van zijn volk, en dat hij aan het hoofd van een natie, samengesteld uit eerlijke en deugdzame burgers, sterker zal staan dan aan het hoofd van een troep onwetende en verdorven slaven, die hij moet bedriegen om ze in toom te kunnen houden, en overstelpen met leugens om ze de baas te worden.

Laten we dus niet wanhopen dat niet op zekere dag de waarheid zal doordringen tot de troon. Als inzichten van verstand en wetenschap zoveel moeite ondervinden om de vorsten te bereiken, komt dat doordat de belanghebbende priesters en onverzadigbare ogendienaren hen in een eeuwige kindsheid proberen te houden, hen de macht en het belang van hersenschimmen tonen en afleiden van zaken die nodig zijn voor hun ware geluk. Elke machthebber, die de moed heeft zelf te denken, zal begrijpen dat zijn macht altijd wankel en onzeker zal zijn, zolang zij slechts steunt op de spookbeelden van de godsdienst, de dwalingen van het volk en de grillen van de clerus. Hij zal de nadelen merken die het gevolg zijn van een fanatiek bewind, dat tot nu toe slechts waanwijze onwetenden heeft voortgebracht, koppige en dikwijls opstandige christenen, burgers die niet in staat zijn de natie te dienen, een onnozel volk dat klaar staat om de indrukken op te vangen van de gidsen die het op een dwaalspoor brengen. Hij zal enorm veel hulp ondervinden van de goederen hem in handen zullen vallen, die zo lang door nutteloze lieden wederrechtelijk ontvreemd werden van de natie die ze, onder het voorwendsel het volk te onderrichten, hebben misleid en verscheurd. Die religieuze grondslagen, die het gezond verstand het schaamrood naar de kaken doen stijgen, en slechts gediend hebben als beloning voor luiheid, onbeschaamdheid, om luxe in stand te houden en de hoogmoed van de clerus in de hand te werken, zullen door een doortastende en verstandige vorst vervangen worden door instellingen die nuttig zijn voor de staat, geëigend om talenten te doen ontluiken, de jeugd te vormen, diensten en deugden te belonen, het volk te vertroosten en de burgers zich te laten ontplooien.

Ik verbeeld me, mijnheer, dat deze overwegingen mij in uw ogen van alle blaam zullen zuiveren. Ik ding niet naar bijval van mensen die geloven dat ze belang hebben bij het ongeluk van hun medeburgers. Zij zijn het niet die ik probeer te overtuigen. Slechte en onredelijke lieden valt niets duidelijk te maken. Ik waag dus te hopen dat u mijn boek niet meer gevaarlijk zult vinden en mijn verwachtingen niet langer volstrekt hersenschimmig.

Veel zedeloze mensen hebben de godsdienst aangevallen omdat die strijdig was met hun verlangens. Veel verstandige mensen hebben haar veracht omdat ze haar belachelijk vonden. Voor veel mensen is zij om het even geweest, omdat zij daar de werkelijke nadelen niet van gezien hebben. Ik val haar aan als burger, omdat ik haar schadelijk acht voor het geluk van de staat, een vijand voor de vooruitgang van de menselijke geest, en strijdig met een gezonde moraal, waarvan de belangen nooit gescheiden kunnen worden van die van de politiek. Ik besluit dit schrijven met een uitspraak van een dichter, die net als ik een vijand van het bijgeloof is:

Si tibi vera videtur,
Dede manus, & si falsa est, accingere contra.
(Als het u waar lijkt, reik de hand
en als het onwaar is, bereid u voor om er tegenin te gaan, Lucretius, Boek II.)

Parijs, 4 mei 1758.

HOOFDSTUK I

Over de noodzaak om de eigen godsdienst te onderzoeken en over de hindernissen die men tegenkomt bij dit onderzoek.

Een redelijk mens moet in al zijn handelingen zijn eigen geluk en dat van zijn naasten voor ogen houden.

De godsdienst, waarbij alles samenspant om die ons te laten zien als het belangrijkste voor ons tijdelijke en eeuwige geluk, biedt ons voordelen, voor zover ze ons bestaan in deze wereld gelukkig maakt en wij ervan verzekerd zijn, dat ze de verlokkelijke beloften zal vervullen, die zij ons doet voor het hiernamaals. Onze plichten tegenover de god, die we zien als de meester over ons lot, kunnen slechts gegrond zijn op alle goeds dat wij van hem kunnen verwachten of op het onheil dat we van hem te vrezen hebben. Het is dus noodzakelijk dat de mens de redenen van zijn hoop en zijn angsten onderzoekt. Hij moet daarvoor te rade gaan bij zijn eigen ervaring en verstand, het enige dat hem in dit ondermaanse kan leiden. Door de voordelen te bezien die de godsdienst hem, hier in de zichtbare wereld die hij bewoont, kan verschaffen, zal hij ook kunnen oordelen over het bestaan van de voordelen die de godsdienst hem beloofd heeft in een onzichtbare wereld, waarnaar zij hem verplicht zijn blik te wenden.

De meeste mensen houden alleen uit gewoonte van hun godsdienst. Ze hebben nooit serieus de redenen onderzocht die hen daarmee verbindt, of de drijfveren van hun gedrag en de oorsprong van hun overtuigingen. Zo gezien is de zaak die ze allemaal als de belangrijkste voor zichzelf beschouwen ook altijd datgene waarvoor ze de grootste angst hebben om zich erin te verdiepen. Ze volgen de wegen die hun vaderen voor hen hebben uitgestippeld. Ze geloven omdat hen van kinds af aan gezegd is dat ze moesten geloven. Ze hopen omdat hun voorvaderen hebben gehoopt. Ze zijn bang omdat hun voorgangers bang geweest zijn. Vrijwel nooit hebben ze de moeite genomen zich rekenschap te geven van de drijfveren van hun geloof. Heel weinig mensen beschikken over de benodigde vrije tijd om dat te onderzoeken, of het vermogen om na te denken over de voorwerpen van hun gebruikelijke eerbied, hun weinig doordachte aanhankelijkheid en hun op overlevering gegronde angsten. De naties worden voortdurend meegesleept door de stroom der gewoonten, voorbeelden en vooroordelen. De opvoeding went de geest aan de meest monsterachtige overtuigingen, zoals het lichaam zich aanpast aan de meest ongemakkelijke houdingen. Alles wat lang geduurd heeft lijkt heilig voor de mensen. Ze zouden zich schuldig voelen als ze hun vermetele blikken zouden richten op zaken die bekleed zijn met het zegel van de Oudheid. Vooringenomen voor de wijsheid van hun vaderen, hebben ze niet voldoende eigendunk om na hen zelf nog iets te onderzoeken. Ze zien niet dat de mens te allen tijde het slachtoffer was van zijn vooroordelen, van zijn vrees en hoop en dat het juist die redenen zijn geweest die hem dat onderzoek vrijwel altijd onmogelijk hebben gemaakt.

Het gewone volk, druk bezig met de noodzakelijke werkzaamheden voor zijn levensonderhoud, stelt een blind vertrouwen in hen die beweren het te leiden. Het laat aan hen de zorg over voor zich te denken. Het onderschrijft zonder moeite alles wat het voorgeschreven wordt. Het zou vrezen zijn god te beledigen als het ook maar één moment zou twijfelen aan de goede trouw van de lieden die in zijn naam spreken. De machtigen, de rijken en de mensen van stand, ook al zijn ze beter op de hoogte dan het gewone volk, hebben er belang bij om zich te voegen naar die vooroordelen en ze zelfs te handhaven. Omdat ze zich overgeven aan slapheid, losbandigheid en vermaak zijn ze trouwens op geen enkele manier in staat om zich bezig te houden met een godsdienst die altijd moet wijken voor hun hartstochten, neigingen en het verlangen om zich te vermaken. Tijdens onze kinderjaren ontvangen wij alle indrukken die men ons wil geven. In de afhankelijke positie waarin wij door onze zwakheid verkeren hebben wij noch het vermogen, noch de ervaring en de nodige moed om te twijfelen aan wat ons aangeleerd wordt. Tijdens onze jongelingsjaren verhinderen onstuimige passies en de voortdurende vervoering van de zinnen ons te denken aan een godsdienst die te netelig en te droevig is om er aangenaam mee bezig te kunnen zijn. Als een jonge man haar bijgeval onderzoekt, is dat onsamenhangend of vooringenomen. Een oppervlakkige blik maakt hem meteen afkerig van een zo onaangenaam onderwerp.

Tot rijpheid gekomen, slorpen allerlei zorgen, nieuwe hartstochten, eerzuchtige ideeën, belangrijkheid, macht, het verlangen naar rijkdom en doorlopende bezigheden alle aandacht op van de volwassene. Er resten hem slechts weinig ogenblikken om na te denken over een godsdienst waarvoor hij nooit de tijd heeft gehad om zich erin te verdiepen. In de ouderdom staan uitgedoofde vermogens, haast machinale gewoonten en door leeftijd en gebreken verzwakte organen ons niet meer toe terug te keren naar de bron van onze ingewortelde overtuigingen. De vrees voor de dood, die wij voor ogen hebben, zou trouwens een onderzoek, waarbij de angst de boventoon voert, zeer verdacht maken.

Dat is de manier waarop eenmaal aanvaarde godsdienstige overtuigingen, zich eeuwenlang kunnen handhaven. Zo geven ook de naties eeuw na eeuw ideeën door die ze nooit onderzocht hebben. Ze geloven dat het geluk samenhangt met hun instellingen, die bij nader onderzoek de bron zouden kunnen blijken van het merendeel van hun ellende. Het gezag levert daarbij ook nog steun aan de vooroordelen van de mensen. Het verbiedt hen het onderzoek en dwingt hen tot onwetendheid. Het staat altijd klaar om de mensen te straffen die zouden proberen ze te ontzenuwen.

Laten we ons er dan ook niet over verbazen als we zien dat dwaling en mensheid nagenoeg samenvallen. Alles schijnt samen te spannen om haar verblinding eeuwig te laten voortduren. Alle krachten werken samen om voor haar de waarheid te verbergen. De tirannen haten en onderdrukken de waarheid, omdat die hun onterechte en hersenschimmige aanspraken ter discussie kan stellen. De clerus belastert haar, omdat de waarheid haar pronkerige aanspraken teniet doet. De onwetendheid, laksheid en hartstochten van de volken, maken hen handlangers van degenen die er belang bij hebben ze te verblinden, onder het juk te houden en voordeel te doen met hun tegenspoed. Daardoor zuchten de naties onder overgeërfde kwalen. Nooit komen ze op de gedachte die te genezen, of omdat ze er de bron niet van kennen, of omdat de gewoonte hen heeft laten wennen aan het ongeluk en zelfs de wens zich verlichting te verschaffen ontnomen heeft.

Als voor ons de godsdienst het belangrijkst zou zijn, als zij noodzakelijkerwijze heel ons levenswandel zou beïnvloeden, als haar invloed zich niet uitsluitend zou beperken tot ons bestaan in deze wereld, maar ook tot het leven dat de mens verwacht in de volgende, zou er zonder twijfel niets belangrijker zijn dan een zeer grondig onderzoek onzerzijds. Religie is echter een onderwerp waarbij de gewone man heel wat goedgelovigheid tentoonspreidt. Dezelfde mens die het serieuste onderzoek zou uitvoeren naar iets dat voor zijn welzijn het onbelangrijkst is, doet echter geen enkele moeite om achter de beweegredenen te komen die hem iets hebben laten geloven en dingen laten doen waarvan, naar zijn eigen zeggen, zijn tijdelijke en eeuwig geluk afhangt. Hij beroept zich daarvoor blindelings op degenen die het toeval hem als gids gegeven heeft. Hij vertrouwt hen de zorg toe voor hem daarover na te denken en slaagt er zelfs in van zijn luiheid en lichtgelovigheid een verdienste te maken. Wat betreft de godsdienst gaan mensen er prat op dat ze voor altijd blijven hangen in hun kindsheid en onontwikkeldheid.

Toch zijn er te allen tijde mensen geweest die, nadat ze de vooroordelen van hun medeburgers ontzenuwd hadden, waagden hen de waarheid te vertellen. Maar wat kon hun zwakke stem doen tegen dwalingen die met de moedermelk ingedronken waren, bevestigd door de gewoonte, gemachtigd door het voorbeeld en versterkt door een politiek die vaak medeplichtig was aan haar eigen ondergang? De indrukwekkende kreten van het bedrog legden iedereen die wilde protesteren ten gunste van de rede weldra het zwijgen op. Vergeefs poogde de filosoof de mensen moed in te spreken, terwijl hun priesters en koningen hen dwongen te beven van angst.

Het zekerste middel om de mensen te bedriegen en hen hun vooroordelen voort te laten zetten, is hen bedriegen in hun jeugd. Bij vrijwel alle hedendaagse volken lijkt de bedoeling van de opvoeding het vormen van fanatici, dwepers en kloosterlingen, dat wil zeggen, schadelijke mensen, mensen zonder nut voor de maatschappij. Nooit komt men op het idee burgers te vormen. Zelfs de vorsten, die doorgaans slachtoffer zijn van de bijgelovige opvoeding die men hen geeft, blijven hun leven lang in de grootste onwetendheid van hun plichten en de werkelijke belangen van hun staat. Ze verbeelden zich alles gedaan te hebben voor hun onderdanen, als ze hun geest laten vullen met religieuze gedachten, in plaats van goede wetten, die hun meesters ontslaan van de hachelijke taak hen goed te regeren. De godsdienst schijnt alleen bedacht te zijn om de vorsten en hun volken evenzeer tot slaaf te maken van het priesterdom, dat slechts bezig is met het voortdurend opwerpen van hindernissen voor het geluk van de naties. Overal waar zij het heft in handen heeft, beschikt de vorst slechts over geringe macht en zijn zijn onderdanen verstoken van bedrijvigheid, wetenschap, grootmoedigheid en nijverheid. Kortom, van de noodzakelijke hoedanigheden voor het in stand houden van de maatschappij.

 

Als men in een christelijke staat enige bedrijvigheid opmerkt, als men er wetenschap aantreft, als men er sociale zeden ontmoet, is dat ondanks hun religieuze overtuigingen. Steeds als de natuur het vermag zal zij de mens terugbrengen naar het verstand en hem dwingen aan zijn eigen geluk te werken. Als alle christelijke naties zich zouden houden aan hun beginselen, zouden ze ondergedompeld zijn in de grootste futloosheid. Onze streken zouden dan bewoond worden door een klein aantal vrome wilden, die elkaar louter zouden ontmoeten om elkaar schade te berokkenen. Wat voor zin heeft het immers om zich bezig te houden met een wereld, die door de godsdienst aan haar leerlingen wordt voorgesteld als een doorreisplaats? Wat kan bedrijvigheid betekenen voor een volk, dat dagelijks te horen krijgt dat zijn God wil dat het bidt, zichzelf kwelt, in angst leeft en onafgebroken jammert? Hoe zou een maatschappij stand kunnen houden, die samengesteld is uit mensen die ervan overtuigd worden dat ze moeten ijveren voor hun godsdienst en hun medemensen moeten haten en vernietigen vanwege hun opvattingen? Ten slotte, hoe kan men menselijkheid, gerechtigheid en deugden verwachten van een menigte fanatici, aan wie als voorbeeld een wrede, dubbelhartige en kwaadaardige god voorgehouden wordt, die genoegen schept in het zien van tranen bij zijn ongelukkige schepselen, valstrikken voor hen spant, hen straft omdat ze daarin getrapt zijn en diefstal, misdaad en bloedbaden beveelt? Maar dat zijn wel de eigenschappen die het christendom zijn god toeschrijft, dat hem geërfd heeft van de joden. Deze god was een sultan, een despoot, een tiran, aan wie alles was toegestaan. Toch werd van die god het toonbeeld van volmaaktheid gemaakt. In zijn naam werden de meest weerzinwekkende misdaden bedreven. En zodra ze begaan waren, werden de grootste misdaden altijd gerechtvaardigd, om zijn zaak te ondersteunen of bij hem in de gunst te komen.

Zo werd de christelijke godsdienst, die er prat op gaat een onwankelbare steun te zijn voor de moraal en de mensen de sterkste beweegredenen te bieden voor een deugdzaam leven, een bron van verdeeldheid, razernij en misdaden. Onder het voorwendsel hen vrede te brengen, bracht ze hen slechts razernij, haat, tweedracht en oorlog. Ze voorzag hen van duizend en een vernuftige middelen om zichzelf te kwellen en liet over hen gesels neerdalen die hun vaderen nooit gekend hadden. Als de christen verstandig was geweest, zou hij duizend keer de vredige onwetendheid van zijn afgodische voorvaderen benijd hebben.

Als de zeden van de volken niets te winnen hebben bij de christelijke godsdienst, zou de macht van de koningen, van wie zij beweert de steun te zijn, er niet veel baat bij hebben. In elke staat werden twee verschillende machten ingesteld. De macht van de godsdienst, die God zelf als grondslag had, overtrof vrijwel altijd die van de vorst. Hij werd gedwongen de dienaar van de priesters te zijn en telkens als hij weigerde voor hen te knielen werd hij vogelvrij verklaard, uit zijn rechten ontzet en vermoord door zijn onderdanen, die door de priesters tot opstand werden aangezet, of door fanatici, die uit handen van de priesters hun mes hadden gekregen.

Vóór het christendom, was de machthebber in de staat eveneens de machthebber over de priesters. Sinds de wereld christelijk is, is de machthebber slechts de belangrijkste slaaf van het priesterdom, de uitvoerder van zijn wraak en decreten.

Wij komen dus tot de conclusie dat de christelijke godsdienst geen recht heeft om zich erop te beroemen dat ze voordelen biedt aan moraal of politiek. Laten we haar dus de sluier afrukken waarin ze zich hult. Laten we terugkeren naar haar bronnen. Laten we haar beginselen onderzoeken. Laten we haar volgen in haar opmars. Dan zullen we ontdekken dat ze, omdat ze gevestigd is op bedrog, onwetendheid en goedgelovigheid, nooit nuttig is geweest en nooit nuttig zal zijn, behalve voor de lieden die denken belang te hebben bij het bedriegen van de mensheid. Nooit zal ze ophouden de naties de grootste ellende te berokkenen. In plaats van het geluk dat ze hen beloofde te brengen, heeft ze slechts gediend om ze aan te zetten tot razernij, onder te dompelen in bloed, te laten verzinken in waanzin en misdaad en hen hun echte belangen en heiligste plichten te doen vergeten.

Hoofdstuk II 

Kort overzicht van de geschiedenis van het Joodse volk.

In een klein gebied, vrijwel onbekend aan andere volken, leefde een volk waarvan de stichters lange tijd slaaf waren geweest van de Egyptenaren. Ze werden uit hun slavernij bevrijd door een priester uit Heliopolis die, door zijn vernuft en grote kennis, overwicht over hen wist uit te oefenen. Deze man, bekend onder de naam Mozes, was grootgebracht met de wetenschappen van die streek, die rijk aan wonderen en de bron van allerlei bijgeloof was. Hij had zich aan het hoofd gesteld van een troep vluchtelingen, die hij er van overtuigde dat hij de vertolker was van de wil van hun god, met wie hij persoonlijke gesprekken voerde en van wie hij rechtstreeks bevelen ontving. Naar verluidt, zette hij zijn opdracht kracht bij door werken uit te voeren die voor mensen, die onbekend waren met de wetten der natuur en zijn kunstgrepen, bovennatuurlijk leken. Het eerste bevel dat hij hen gaf, in opdracht van hun god, was het bestelen van hun meesters, die ze op het punt stonden te verlaten. Toen hij ze zich zodoende in Egypte door plunderingen had laten verrijken en zich van hun vertrouwen had verzekerd, leidde hij hen de woestijn in, waar hij hen gedurende veertig jaar liet wennen aan de meest blinde gehoorzaamheid. Hij onderrichtte hen in de wil van de hemel en vreemde rituelen die bij de allerhoogste in de gunst vielen, en vertelde prachtige verhalen over hun voorouders. Hij zette hen vooral aan tot de giftigste haat tegenover de goden van andere volken en de zorgvuldigst voorbereide wreedheid tegen hen die ze aanbaden. Door bloedbaden en zijn hardvochtige optreden maakte hij van hen slaven, die zich plooiden naar zijn wil, steeds bereid waren om hem te helpen bij zijn hartstochten en zich op te offeren voor zijn eerzuchtige plannen. Kortom, hij maakte van de Hebreeën razende en wrede monsters. Nadat hij hen dus met vernielzucht had bezield, wees hij hen op de landen en bezittingen van hun buren, als de erfenis die God hen had toebedacht.

Trots op de bescherming van jehovah trokken de Hebreeën de overwinning tegemoet. De hemel wettigde hun schurkenstreken en wreedheden. Hand in hand met hebzucht, smoorde de godsdienst bij hen de kreten van de natuur, en onder het bevel van hun onmenselijke leiders vernietigden ze de volken van Kanaän, met een barbaarsheid die tegen de borst stuit bij iedereen, die niet door zijn bijgeloof totaal van zijn verstand beroofd is. Hun razernij, in opdracht van de hemel, spaarde in de steden waarin die monsters met hun zegevierende legers binnentrokken, zuigeling, noch krachteloze grijsaard of zwangere vrouw. In opdracht van hun god of zijn profeten, werd het gegeven woord verkracht, de gerechtigheid geschonden en werden wreedheden begaan.

Als rovers, overweldigers en moordenaars slaagden de Hebreeën erin zich te vestigen in een weinig vruchtbaar land, maar dat ze, na hun verblijf in de woestijn, weldadig vonden. Op gezag van hun priesters, de zichtbare vertegenwoordigers van hun verborgen God, stichtten ze daar een staat, die verafschuwd werd door haar buren en in alle opzichten het voorwerp werd van haat en verachting. Gedurende lange tijd regeerde het priesterdom, onder de naam theocratie, dit verblinde en eenzelvige volk. Het overtuigde het volk ervan dat zij, als zij aan hun priesters gehoorzaamden, dat aan god zelf deden.

Ondanks het door de omstandigheden opgedrongen bijgeloof en omdat het misschien het juk van de priesters moe was, wilde het volk der Hebreeën uiteindelijk koningen hebben, naar het voorbeeld van de andere naties. Maar bij de keuze van een heerser voelde het zich verplicht bij een profeet te rade te gaan. Zo begon bij de Hebreeën de monarchie, waarvan de vorsten in hun optreden echter altijd gedwarsboomd werden door priesters, bevlogen lieden en eerzuchtige profeten, die onophoudelijk hindernissen opwierpen voor de vorsten, van wie zij vonden dat ze te weinig tegemoet kwamen aan hun wensen. De geschiedenis van de joden toont ons, in al haar tijdperken, alleen maar koningen die zich blind onderwierpen aan het priesterdom, of eeuwig in gevecht daarmee waren en wel moesten bezwijken onder zijn slagen.

Het wrede of lachwekkende bijgeloof van het joodse volk maakte het tot gezworen vijand van de mensheid en het voorwerp van haar verontwaardiging en verachting. Het volk was doorlopend opstandig en werd altijd slecht behandeld door de veroveraars van zijn armzalige streken. Achtereenvolgens werd het slaaf van de Egyptenaren, Babyloniërs en Grieken. Onophoudelijk onderging het de hardvochtigste, maar zeer verdiende behandeling. Terwijl het vaak zijn God ontrouw was, omdat het een afschuw had van zijn wreedheid, evenals van de tirannie van zijn priesters, onderwierpen het zich nooit aan zijn koningen. Die koningen, die vergeefs de joden trachtten te verpletteren onder hun ijzeren scepter, slaagden er nooit in van hen trouwe onderdanen te maken. De jood werd steeds het slachtoffer en de bedrogene van zijn bezielde lieden. En in de grootste ellende beschermde zijn koppige fanatisme, onzinnige verwachtingen en onvermoeibare bijgelovigheid hem tegen de slagen van het lot. Ten slotte kwam Judea, zoals de rest van de wereld, onder het juk van de Romeinen.

Als iets verachtelijks voor hun nieuwe meesters, werd de jood hardvochtig en hooghartig bejegend door de mensen die een hartgrondige afkeer hadden van zijn wetten. Verbitterd door de tegenspoed werd het volk nog oproeriger, fanatieker en verblinder. Trots op de beloften van zijn god en vol vertrouwen in de voorspellingen van welvaart, die het nooit genoot, en aangemoedigd door bevlogenen of bedriegers, die inspeelden op zijn goedgelovigheid, bleef het joodse volk op een messias wachten, een koning, een bevrijder, die het zou bevrijden van het juk waaronder het zuchtte, en het zou doen heersen over alle volken van het universum.

Hoofdstuk III

Kort overzicht van de geschiedenis van het christendom.

Te midden van dat volk, dat zogezien voorbestemd was om zich te voeden met verwachtingen en hersenschimmen, stond een nieuwe bevlogene op, van wie de volgelingen erin geslaagd zijn het aangezicht van de aarde te veranderen.

Een arme jood die zich voordeed als een afstammeling van koning David en lange tijd genegeerd was in zijn eigen land, was plotseling uit zijn onbekendheid opgedoken om bekeerlingen te gaan maken. Die vond hij in het onwetendste deel van het volk, dat hij zijn leer verkondigde en ervan overtuigde dat hij Gods zoon was, de bevrijder van hun onderdrukte natie en de messias die door hun profeten was aangekondigd. Zijn volgelingen, oftewel bedriegers en verleiders, gaven schitterende getuigenissen over zijn macht. Zij beweerden dat zijn opdracht bewezen werd door talloze wonderen. Het enige wonder dat hij niet kon verrichten, was het overtuigen van de joden, die helemaal niet onder de indruk waren van zijn heilzame en wonderlijke werken, maar hem op een onterende manier ter dood brachten.

Zo stierf de Gods zoon voor het oog van heel Jeruzalem. Maar zijn aanhangers beweerden, dat hij, drie dagen na zijn dood, in het geheim herrezen was.

Zichtbaar voor hen alleen en onzichtbaar voor de natie die hij zijn licht was komen brengen en tot zijn leer bekeren, onderhield de verrezen Jezus, naar men zegt, zich enige tijd later met zijn leerlingen, waarna hij ten hemel voer. Daar werd hij weer God net als zijn vader, en deelde met hem in de aanbidding en de verering van de aanhangers van zijn wet. Door het opeenhopen van bijgelovigheden, bedenken van leugens, smeden van dogma's en verzamelen van mysteries, hebben zijn volgelingen geleidelijk een vormloos en onsamenhangend religieus systeem gebouwd, dat het christendom werd genoemd, naar de naam van zijn stichter Christus.

De verschillende naties waaraan de joden achtereenvolgens onderworpen waren geweest, hadden hen besmet met een veelheid aan dogma's uit het heidendom. Zo nam de joodse godsdienst, die van oorsprong Egyptisch was, rituelen, godsdienstige begrippen en denkbeelden over, van de volken waarmee de joden in contact waren geweest.

Het is dus niet verwonderlijk als wij zien dat de joden en de christenen die hen opvolgden, doordrenkt zijn met ideeën die ze ontleend hebben aan de Feniciërs, Perzen, Grieken en Romeinen. De dwalingen van mensen op het gebied van godsdienst, komen over het algemeen met elkaar overeen. Ze lijken alleen anders door hun samenstelling. De omgang van de joden en christenen met de Grieken, bracht hen vooral op de hoogte van de filosofie van Plato, die zo zeer overeenkwam met de uitbundige geest van de oosterlingen en de aard van een godsdienst, die ontoegankelijk zijn voor het verstand als een plicht beschouwde. Paulus, de eerzuchtigste en meest gedreven leerling van Jezus, bracht zijn leer, die hij gekruid had met verheven en wonderlijke zaken, naar de volken van Griekenland, Azië en zelfs naar de inwoners van Rome. Ook hij had aanhangers, want iedereen die tot de verbeelding spreekt van onontwikkelde lieden kan hun belangstelling opwekken. Die ijverige apostel kan met recht doorgaan voor de stichter van een godsdienst, die zich zonder hem niet had kunnen verspreiden, mede door het gebrek aan inzicht van zijn onwetende medeleerlingen, van wie hij niet aarzelde afscheid te nemen, om leider te worden van zijn eigen sekte.

Hoe het ook zij, bij zijn opkomst was het christendom gedwongen zich te beperken tot het gewone volk. Het werd slechts aangenomen door de verachtelijkste lieden onder de joden en heidenen. Bij dat soort lieden komt het wonderbaarlijke het meest tot zijn recht.

Een ongelukkige god, die een onschuldig slachtoffer was van kwaadaardigheid, een vijand van rijken en machtigen en een troostend voorbeeld voor ongelukkigen. De strenge zeden, verachting van rijkdom en ogenschijnlijk onbaatzuchtige bezorgdheid van de eerste verkondigers van het evangelie, van wie het streven zich beperkte tot het beheersen van de geest. De gelijkheid die de godsdienst onder de mensen bracht, de gemeenschap van goederen en het verlenen van onderlinge hulp die de leden van die sekte zich lieten welgevallen, waren zeer geëigende middelen om aan de wensen van de armen tegemoet te komen, en het aantal christenen snel te doen toenemen. Saamhorigheid, eensgezindheid en wederzijdse vriendschap, wat de eerste christenen doorlopend werd aanbevolen, moesten oprechte mensen verleiden. Door haar onderwerping aan de machthebbers, lijdzaamheid, armoede en onbekendheid, werd de opkomende sekte ongevaarlijk geacht door een regering, die gewend was allerlei sekten te gedogen. Hierdoor kregen de stichters van het christendom vele aanhangers onder het volk. Als dwarsligger of vijand hadden ze alleen enkele bijgelovige priesters of joden, die er belang bij hadden de gevestigde godsdienst te behouden. Langzamerhand kreeg de nieuwe eredienst, die schuilging onder het verborgen optreden van haar aanhangers en de schimmigheid van zijn mysteries, zeer diepe wortels en raakte te sterk verbreid om nog onderdrukt te kunnen worden.

De Romeinse regering kreeg te laat de sterke groei van het verachte genootschap in de gaten. De christenen werden talrijk en durfden de heidense goden te trotseren, tot zelfs in hun tempels.

De keizers en gezagsdragers werden ongerust en wilden de sekte die hen zou kunnen overschaduwen, de kop indrukken. Zij vervolgden de lieden die ze niet met zachte hand tot de orde konden roepen en die door hun fanatisme standvastig waren. Folteringen werkten alleen maar in hun voordeel en vervolgingen deed het aantal van hun vrienden toenemen. Hun standvastigheid leek immers tijdens de folteringen bovennatuurlijk en goddelijk, voor degenen die daar getuige van waren. De bevlogenheid werkte aanstekelijk en de tirannie zorgde alleen maar voor nieuwe verdedigers van de sekte die men wilde onderdrukken.

Dat ophemelen van de wonderbaarlijke opmars van het christendom moet eindelijk eens ophouden. Het was de godsdienst van de arme. Het verkondigde een arme god. Het werd gepredikt door armen aan arme onwetenden. Het gaf hen vertroosting in hun armzalige toestand. De naargeestige ideeën kwamen overeen met de toestand van ongelukkige en behoeftige mensen. De eendracht en de samenhorigheid, die zo bewonderd worden onder de eerste christenen, zijn helemaal niet zo verwonderlijk. Een opkomende en onderdrukte sekte blijft bijeen en vreest uiteenlopende belangen. Hoe zouden in die eerste tijden haar priesters, die als onruststokers zelf vervolgd en behandeld werden, het aangedurfd hebben onverdraagzaamheid en vervolging te prediken? Het hardvochtig optreden tegen de eerste christenen kon hen uiteindelijk niet van gedachten doen veranderen, omdat tirannie prikkelt en de geest van de mens onbedwingbaar is, als het gaat om overtuigingen, waarvan hij denkt dat zijn heil afhankelijk is. Dat is het onvermijdelijke gevolg van vervolging. Toch hebben de christenen, bij wie het voorbeeld van hun eigen sekte hen de ogen geopend zou moeten hebben, zich tot nu toe zelf nooit kunnen genezen van de drang om te vervolgen.

De Romeinse keizers, die zelf christen waren geworden, dat wil zeggen meegesleept waren door een stroom die alomvattend was geworden, waardoor ze gedwongen waren zich te bedienen van de hulp van een machtige sekte, lieten die godsdienst de troon bestijgen. Ze beschermden de kerk en haar bedienaars en wilden dat die ogendienaren hun ideeën overnamen. Met lede ogen zagen ze de mensen aan, die gehecht bleven aan de oude godsdienst. Langzamerhand kwamen zij zover dat zij het beoefenen ervan verboden en het eindigde met een verbod op straffe van de dood. Meedogenloos werden de mensen vervolgd, die zich hielden aan de cultus van hun vaderen. Met rente betaalden de christenen de heidenen de ellende terug die hen door hen was aangedaan. Overal in het Romeinse Rijk braken oproeren uit, veroorzaakt door de ongebreidelde inzet van de keizers en de vredelievende priesters, die kort daarvoor alleen maar mildheid en inschikkelijkheid hadden gepredikt.

Om politieke en bijgelovige redenen overstelpten de keizers de clerus met giften en weldaden, die ze vaak niet naar waarde wist te schatten. Zij bekrachtigden haar gezag. Vervolgens eerbiedigden ze de macht die door haarzelf als iets goddelijks in het leven was geroepen. De priesters werden ontheven van alle burgerlijke functies, zodat niets hen zou afleiden van hun heilige ambt. Zo werden de opperpriesters, van een voorheen kruiperige en vervolgde sekte, onafhankelijk. Toen ze ten slotte machtiger geworden waren dan de koningen, matigden ze zich weldra het recht toe zelf te bevelen. Die priesters van een vreedzame god, die bijna altijd onderling verdeeld waren, brachten hun hartstochten en razernij over op het volk. Het verbijsterde universum zag, onder de wet der genade, twisten en ellende ontstaan, die het nooit ondervonden had onder de vreedzame goden, die vroeger deel hadden aan het eerbetoon van de stervelingen.

Dat was het beloop van een bijgeloof, dat oorspronkelijk onschuldig was, maar later, in plaats van mensen gelukkig te maken, een twistappel werd en de vruchtbare kiem van hun rampzaligheden.

Vrede op aarde, aan de mensen van goede wil. Zo kondigt dat evangelie zich aan. Het heeft de mensheid meer bloed gekost dan al de andere religies ter wereld samen.

Bemin uw god met al uw krachten, en uw naaste als uzelf. Dat is volgens de wetgever en de god van de christenen de som van hun plichten. Toch zien we dat die christenen onmogelijk kunnen houden van die wrede, strenge en grillige god, die ze aanbidden. Anderzijds zien we hen onophoudelijk bezig met het kwellen, vervolgen en vernietigen van hun naasten en broeders. Door welke ommekeer is een godsdienst, die getuigt van mildheid, eendracht, nederigheid, vergeven van beledigingen en onderwerping aan de machthebbers, een duizendvoudig teken van tweedracht, razernij, opstandigheid, oorlog en de afschuwelijkste misdaden geworden? Hoe hebben de priesters van een god van vrede zijn naam als voorwendsel kunnen gebruiken om de maatschappij in verwarring te brengen, menselijkheid uit te bannen, de meest ongehoorde misdaden toe te staan, burgers tegen elkaar op te zetten en vorsten te vermoorden? Om al deze strijdigheden te verklaren, volstaat het een blik te werpen op de god die de christenen van de joden hebben geërfd. Niet tevreden met de afschuwelijke kleuren waarmee Mozes hem afgeschilderd had, hebben de christenen zijn beeld nog erger misvormd. De tijdelijke straffen in dit leven zijn de enige waarover de Hebreeuwse wetgever spreekt. De christen ziet hoe zijn barbaarse god zich razend en mateloos wreekt tot in alle eeuwigheid. Kortom, het fanatisme van de christenen voedt zich met het weerzinwekkende idee van een hel, waar hun god, veranderd in een even onrechtvaardige als onverbiddelijke beul, zich laaft aan de tranen van zijn ongelukkige schepsels en hun bestaan aldaar tot in de eeuwigheid laat voortduren, om hen voor altijd ongelukkig te maken.

Daar is hij bezig met zijn wraak en geniet van de martelingen van de zondaar. Hij luistert met plezier naar het vergeefse gehuil waarmee zijn brandende kerker weergalmt. De hoop een einde te zien komen aan zijn smarten zal geen moment zijn martelingen onderbreken.

Kortom, terwijl het christendom de afschrikwekkende god van de joden overgenomen heeft, maakt het zijn wreedheid alleen maar erger. Het stelt hem voor als de meest onzinnige, bedrieglijke en wrede tiran, die de menselijke geest ooit heeft kunnen bedenken. Het veronderstelt dat hij zijn onderdanen behandelt met een onrechtvaardigheid en barbaarsheid, die een duivel waardig zijn. Om ons ervan te overtuigen dat dat waar is, zullen we het beeld schetsen van de joodse mythologie, die overgenomen en nog buitensporiger gemaakt is door de christenen.

Hoofdstuk IV 

Over de christelijke mythologie, of de denkbeelden die het christendom ons gegeven heeft over God en zijn optreden.

Door een onbegrijpelijke daad van zijn almacht heeft god uit het niets het heelal te voorschijn getoverd. Hij schiep een wereld die als verblijfplaats moet dienen voor de mens, die hij naar zijn evenbeeld geschapen had. Nauwelijks had die mens, het weergaloze resultaat van de werken van zijn god, het licht gezien of zijn schepper spant hem een valstrik, waarvan hij zonder twijfel wist dat de mens daarin zou trappen. Een sprekende slang verleidt een vrouw, die niet verrast is door dat verschijnsel. Overgehaald door de slang, zet ze haar echtgenoot aan tot het eten van de door God zelf verboden vrucht.

Met die lichte overtreding haalt Adam, de vader van de mensheid, zichzelf en zijn onschuldig nageslacht een veelheid aan rampen op de hals, die tot de dood leiden, zonder dat er daarmee een einde aan komt. Door een overtreding van één enkele mens, wordt de hele mensheid voorwerp van de hemelse gramschap. Voor een onopzettelijke verblinding wordt zij gestraft met een wereldomvattende zondvloed.

God betreurt dat hij de wereld heeft bevolkt, maar vindt het gemakkelijker de mensheid te verdrinken en te vernietigen dan van mening te veranderen.

Toch ontsnapt een klein aantal rechtvaardigen aan die gesel. De ondergelopen aarde en de vernietiging van de mensheid zijn niet genoeg voor gods onverzoenlijke wraak.

Een nieuwe mensheid verschijnt. Hoewel die voortkomt uit Gods vrienden, die hij uit de zondvloed heeft gered, begint die mensheid hem opnieuw te ergeren, door nieuwe misdaden. De almachtige slaagt er maar niet in een schepsel te maken zoals hij wil. Opnieuw maakt verderf zich meester van de volken, en weer ontsteekt Jehovah in toorn.

Ten slotte laat hij, partijdig in zijn liefde en voorkeur, zijn oog vallen op een Assyrische afgodendienaar. Hij belooft hem dat zijn volk, zo talrijk als de sterren aan de hemel of de zandkorrels aan zee, altijd de gunst zal genieten van zijn god. Aan dit uitverkoren volk zal God zijn wil openbaren. Voor dit volk verstoort hij honderd en een keer de orde die hij aangebracht heeft in de natuur. Ten behoeve van dat volk is hij onrechtvaardig en vernietigt hij hele naties. Toch is dat uitverkoren volk niet gelukkiger en ook niet meer gehecht aan zijn god. Het loopt voortdurend vreemde goden achterna waarvan het de hulp verwacht die zijn eigen god hen ontzegt. Het beledigt die god, door wie het uitgeroeid kan worden. De ene keer wordt het door die god gestraft, de andere keer getroost. Dan weer haat hij het zonder reden om er vervolgens, met nog minder redenen, weer van te houden. Ten slotte, omdat hij op geen enkele manier in staat is een ontaard volk weer aan zich te binden, een volk dat hij halsstarrig blijft liefhebben, stuurt hij daar zijn eigen zoon naar toe. Naar die zoon wordt niet geluisterd.

Nog mooier! Die geliefde zoon, gelijk aan God de vader, wordt ter dood gebracht door een volk dat het voorwerp is van de hardnekkige liefde van zijn vader, die de mensheid niet kan redden, zonder zijn eigen zoon op te offeren. Zo wordt een onschuldige god het slachtoffer van een rechtvaardige god, die hem liefheeft. Beiden stemmen in met dit vreemde offer, dat noodzakelijk geacht wordt door een god die wist dat dit zinloos zou zijn voor een verhard volk en er niets door zou veranderen. Zal de dood van een god, wat nutteloos was voor Israël, dan wel kunnen dienen als zoenoffer voor de zonden der mensheid? Ondanks het eeuwige verbond, plechtig bezegeld door de allerhoogste en zo vaak door hem vernieuwd met zijn nakomelingen, blijkt het uitverkoren volk ten slotte toch in de steek gelaten te worden door zijn god, die het niet meer bij zich kon terugbrengen. De verdiensten van het lijden en dood van de zoon komen ten goede aan de volken die eertijds uitgesloten waren van zijn weldaden. Zij hebben zich verzoend met de hemel, die ten opzichte van hen voortaan rechtvaardiger is geworden. De mensheid geniet weer Gods genade. Maar ondanks de inspanningen van de godheid, zijn zijn gunsten zinloos. De mensen blijven zondigen. Ze blijven de hemelse toorn opstoken en verdienen eeuwige straffen, die bestemd zijn voor het merendeel van hen.

Dit is de ware geschiedenis van de god waarop het christendom gevestigd werd.

Is het, na een zo vreemd, wreed en onredelijk optreden van de godheid, dan verwonderlijk te zien dat de aanbidders van die god geen enkele idee hebben van hun plichten, geen rechtvaardigheid kennen, menselijkheid met voeten treden en in hun begeestering pogingen doen om gelijk te worden aan de barbaarse godheid, die ze aanbidden en als voorbeeld nemen? Wat voor toegeeflijkheid kunnen ze verwachten van een god die zijn eigen zoon niet gespaard heeft? Wat voor toegeeflijkheid zal een christen, die overtuigd is van dat verzinsel, voor zijn naaste tonen? Zal het in hem opkomen dat de beste manier om zijn god te behagen, even meedogenloos zijn betekent als zijn god? Het is in ieder geval duidelijk dat de aanhangers van een dergelijke god, een onzekere moraal moeten hebben, waarvan de beginselen geen enkele bestendigheid hebben. Die god is inderdaad niet altijd onrechtvaardig en wreed. Zijn gedrag is veranderlijk. De ene keer schept hij voor de mens een hele natuur, dan weer lijkt hij diezelfde mens alleen maar geschapen te hebben om daar zijn willekeurige toorn op bot te vieren. De ene keer koestert hij hem ondanks zijn fouten, en dan weer veroordeelt hij de hele mensheid tot ellende. En dat voor een appel! Welnu, die onwankelbare god, wordt afwisselend gedreven door liefde en toorn, wraak en medelijden, weldadigheid en spijt. In zijn gedrag heeft hij nooit de standvastigheid betoond, die kenmerkend is voor wijsheid. Partijdig in zijn genegenheid voor een verachtelijk volk en zonder reden wreed voor de rest van de mensheid, zet hij het aan tot bedrog, diefstal en moord en verplicht zijn geliefde volk zonder aarzelen de gruwelijkste misdaden te begaan, zijn woord te breken en de mensenrechten te verachten. Bij andere gelegenheden verbiedt hij diezelfde misdaden, gebiedt hij hen rechtvaardigheid en schrijft hij de mensen voor zich te onthouden van handelingen die de orde in de maatschappij zouden kunnen verstoren. Deze god, die zich tegelijkertijd de god van wraak noemt, de god van barmhartigheid, de god van legers en de god van vrede, blaast voortdurend warmte en kou in. Daardoor laat hij geen een van zijn aanbidders vrij in zijn eigen gedrag en wordt zijn moraal willekeurig. Is het bij dat alles dan verwonderlijk dat de christenen het er tot nu toe met elkaar nooit eens zijn geworden over de vraag of het in de ogen van hun god gepaster is, toegeeflijkheid te tonen tegenover mensen, of hen uit te roeien wegens een verschil van opvattingen? Kortom, het is voor hen een probleem om te weten wat passender is, andersdenkenden afslachten en vermoorden of hen in vrede laten leven en menselijk behandelen.

De christenen verzuimen echter niet het merkwaardige en zo vaak onrechtvaardige gedrag van hun god, dat wij hem zien vertonen in de heilige boeken, goed te praten. Deze god, zeggen zij, is de absolute meester over zijn schepselen en mag daar dus naar believen over beschikken, zonder dat hij daarvoor van onrechtvaardigheid beticht kan worden. Hem mag hem geen rekenschap gevraagd worden over zijn daden, want zijn rechtvaardigheid is niet die van de mensen. De mens heeft niet het recht hem te laken. Het valt eenvoudig te zien dat dit antwoord ontoereikend is. Door hun god rechtvaardigheid toe te schrijven, kunnen de mensen eigenlijk alleen maar een idee hebben van die deugd, door te veronderstellen dat die in haar gevolgen lijkt op de rechtvaardigheid onder hun medemensen. Als de goddelijke rechtvaardigheid niet op die van de mensen lijkt, weten we het niet meer en kennen wij hem een hoedanigheid toe waarvan we geen flauw benul hebben. Wanneer ons verteld wordt, dat god zijn schepselen niets verplicht is, wordt verondersteld dat hij een tiran is, die alleen zijn eigen grillen volgt en daarom geen voorbeeld kan zijn voor onze rechtvaardigheid, die niets meer met ons zelf te maken heeft, omdat alle betrekkingen wederzijds moeten zijn. Als god zijn schepselen niets verplicht is, hoe zouden zij hem dan iets verplicht kunnen zijn? Als, zoals ons voortdurend voorgehouden wordt, de mensen met betrekking tot god als klei in de handen van de pottenbakker zijn, dan kunnen er geen morele verhoudingen bestaan tussen hen en hem.

Toch is elke godsdienst op die verhouding gebaseerd. Dus zeggen dat god zijn schepselen niets verplicht is en zijn rechtvaardigheid niet dezelfde is als die van de mensen, ondergraaft de beginselen van elke rechtvaardigheid en van elke godsdienst, die veronderstelt dat god de mensen moet belonen voor het goede en straffen voor het kwaad.

Men zal niet nalaten ons te vertellen, dat de rechtvaardigheid van god in een ander leven zal blijken. Als dat zo is, kunnen we hem niet rechtvaardig noemen in dit leven, waarin wij de deugd zo vaak onderdrukt en de ondeugd beloond zien worden.

Zolang dat de stand van zaken is, zullen wij geen rechtvaardigheid kunnen toeschrijven aan een god, die zich tijdelijke onrechtvaardigheden veroorlooft, tenminste tijdens dit leven, het enige waarover wij kunnen oordelen en waarvan wij veronderstellen dat hij bereid is die ooit weer goed te maken. Maar is dit niet een te goedkope veronderstelling? Als die god de vrijheid neemt om ook maar even onrechtvaardig te zijn, waarom zouden wij ons dan moeten verbeelden dat hij dat later ook niet zal zijn? Hoe kunnen we trouwens een rechtvaardigheid, die ook met zichzelf in tegenspraak kan zijn, in overeenstemming brengen met de onveranderlijkheid van die god? Wat zo-even gezegd is over Gods rechtvaardigheid, kan ook gelden voor de goedheid die aan hem toegeschreven wordt en waarop de mensen hun plichten jegens hem baseren. Als deze god almachtig is, als hij de maker van alle dingen is, als er niets gebeurt anders dan op zijn bevel, hoe kan hem dan goedheid toegeschreven worden, in een wereld waarin zijn schepselen voortdurend blootgesteld zijn aan rampen, wrede ziekten, maatschappelijke en morele omwentelingen, en tot slot de dood? De mensen kunnen een god alleen maar goedheid toeschrijven, als ze van hem ook goedheid ontvangen. Vanaf het moment dat ze kwaad ondervinden, is deze god niet langer goed voor hen. De theologen verdedigen de goedheid van hun god, door te ontkennen dat hij de bewerker is van het kwaad. Dat schrijven ze toe aan een kwaadaardig wezen, ontleend aan de magie, dat voortdurend bezig is de mensheid schade te berokkenen en de voor hen heilzame bedoelingen van de voorzienigheid te dwarsbomen.

God, vertellen die geleerden ons, is niet de bewerker van het kwaad, maar laat het alleen toe. Zien ze dan niet, dat het kwaad toelaten hetzelfde is als het begaan, als die almachtige god dat zou kunnen verhinderen? Welnu, hoe vallen het vaak wrede gedrag en de bloeddorstige bevelen, die de heilige boeken aan hem toeschrijven, in het christelijke systeem te rijmen met de goedheid of wijsheid van God? Hoe kan een christen goedheid toeschrijven aan een god, die een enorm aantal mensen alleen maar geschapen heeft, om voor ze eeuwig te verdoemen? Men zal ons ongetwijfeld voorhouden, dat het gedrag van God voor ons een ondoordringbaar mysterie is, dat we niet het recht hebben dat te onderzoeken, dat ons machteloze verstand steeds weer zal verdwalen, als het de diepten van de goddelijke wijsheid zou willen doorgronden, dat wij God in alle stilte moeten aanbidden en ons bevend moeten onderwerpen aan de orakels van een god die zelf zijn wil kenbaar heeft gemaakt. Ons wordt de mond gesnoerd, doordat ons verteld wordt dat de godheid zich aan de mensen heeft geopenbaard.

Hoofdstuk V 

Over de Openbaring

Hoe kunnen we, zonder de hulp in te roepen van het verstand, te weten komen of het waar is dat god gesproken heeft? Maar verwerpt anderzijds de christelijke godsdienst het verstand dan niet? Verbiedt zij niet het gebruik ervan bij het onderzoeken van de wonderlijke dogma’s die zij ons biedt? Vaart zij niet onophoudelijk uit tegen een werelds verstand, dat zij beschuldigt van ontoereikendheid en vaak ziet als rebellie tegen de hemel? Voordat we een oordeel kunnen vellen over de goddelijke openbaring, moeten we een juist beeld hebben over de godheid. Maar waar moeten we dat beeld vandaan halen, anders dan uit diezelfde openbaring, omdat ons verstand te zwak is om op te stijgen naar de kennis van het opperwezen? Dus de openbaring zelf moet ons het gezag van de openbaring aantonen. Laten wij, ondanks die vicieuze cirkel, de boeken openslaan die ons inzicht moeten geven en waaraan wij ons verstand moeten onderwerpen.

Vinden wij daar nauwkeurige denkbeelden over de god, van wie ons orakels worden verkondigd? Zouden wij kunnen weten waaraan wij ons moeten houden bij zijn eigenschappen? Is die god geen opeenhoping van tegenstrijdige hoedanigheden, die een onverklaarbaar raadsel vormt? Als, zoals aangenomen wordt, die openbaring afkomstig is van God zelf, hoe kunnen we dan vertrouwen op de god van de christenen, die afgebeeld wordt als onrechtvaardig, bedrieglijk, dubbelhartig, iemand die valstrikken legt voor de mensen, er genoegen in schept ze te misleiden, te verblinden en te verharden; die tekenen geeft om ze te bedriegen en over hen de geest van duizeling en dwaling uitstort? Zogezien moet iemand die de christelijke openbaring wil begrijpen, vanaf de eerste stap wel wantrouwend en verbijsterd raken. Hij weet niet of de god, die tegen hem gesproken heeft, niet de bedoeling heeft hem te bedriegen, zoals hij al zoveel anderen bedrogen heeft, volgens zijn eigen zeggen. Wordt hij bovendien dan niet gedwongen zelf over hem na te denken, als hij de eindeloze twisten ziet van zijn gewijde gidsen, die het nooit eens zijn kunnen worden over de manier waarop bepaalde orakels, van een godheid die zich kenbaar maakt, opgevat moeten worden.

Zullen de onzekerheden en angsten van iemand die oprecht de door de christenen aanvaarde openbaring onderzoekt, niet alleen maar toenemen, als hij ziet dat hun god zich slechts kenbaar heeft willen maken aan enkele uitverkorenen, terwijl hij verborgen heeft willen blijven voor de andere stervelingen, voor wie die openbaring even noodzakelijk was? Hoe zou hij kunnen weten dat hij niet behoort bij degenen aan wie zijn partijdige god zich niet kenbaar heeft willen maken? Moet zijn gemoed niet in verwarring raken bij het zien van een god, die zich slechts vertoont aan en zijn raadsbesluiten laat verkondigen door een zeer beperkt aantal mensen, vergeleken met de hele mensheid? Is het niet verleidelijk die god te beschuldigen van afschuwelijke kwaadaardigheid, aangezien hij, door zich aan zoveel volken niet te vertonen, heeft bewerkstelligd dat zij gedurende een lange opeenvolging van eeuwen, te gronde moesten gaan? Wat voor beeld moet hij zich niet vormen van een god die miljoenen mensen straft, omdat zij geheime wetten veronachtzaamd hebben, die hij zelf slechts stiekem bekend gemaakt heeft in een duistere en vergeten uithoek van Azië? Dus als de christen zelf de geopenbaarde boeken raadpleegt, moet alles wel samenspannen om hem op zijn hoede te laten zijn voor een god die tegen hem spreekt. Alles zet hem aan tot wantrouwen over diens morele aard. Alles wordt onzeker voor hem. Zijn god lijkt, samen met de vertolkers van zijn zogenaamde wensen, het plan opgevat te hebben de duisternis van zijn onwetendheid alleen maar te vergroten. Om zijn twijfels blijvend te maken, wordt hem dus gezegd dat die geopenbaarde wensen mysteries zijn, dat wil zeggen, zaken die ontoegankelijk zijn voor de menselijke geest. Als dat het geval is, waarom moest hij dan zo nodig spreken? Moet een god zich aan de mensen vertonen, om niet begrepen te worden? Is dat gedrag niet even lachwekkend als krankzinnig? Zeggen dat God zich slechts openbaart om mysteries te verkondigen, wil zeggen dat God zich slechts openbaart om ongekend te blijven, om zijn wegen voor ons te verbergen, om onze geest in de war te brengen en om onze onwetendheid en onzekerheden te vergroten.

Een openbaring die waarachtig is en afkomstig van een rechtvaardige en goede god, en voor iedereen nodig zou zijn, moet voldoende duidelijk zijn om door de hele mensheid begrepen te kunnen worden. Is dat bij de openbaring, waarop de joodse leer en het christendom zich baseren, ook het geval? De Elementen van Euclides is begrijpelijk voor iedereen die zich daarin verdiept. Dat boek roept geen enkel meningsverschil op bij meetkundigen. Is de bijbel even duidelijk en veroorzaken de geopenbaarde waarheden geen enkele woordenwisseling onder de theologen die ze verkondigen? Door welk onheil behoeven de geschriften, die door god zelf geopenbaard zijn, verklaringen en vragen ze inzichten van hogerhand, om geloofd en begrepen te kunnen worden? Is het niet verbijsterend, dat wat moet dienen om alle mensen te leiden, door geen van hen begrepen wordt? Is het niet wreed, dat wat het belangrijkst voor hen is, het minst gekend wordt? Het zijn allemaal mysteries, duisternis, onzekerheden en stof voor twistgesprekken, in een godsdienst die verkondigd is door de allerhoogste om de mensheid te onderrichten. Het oude en nieuwe testament bevatten wezenlijke waarheden voor de mens en toch kan niemand ze begrijpen. Iedereen vat ze anders op, en de theologen zijn het nooit eens over de manier waarop ze uitgelegd moeten worden. Ontevreden over de mysteries die in de heilige boeken staan, hebben de priesters van het christendom eeuw na eeuw nieuwe bedacht, die hun leerlingen moeten geloven, hoewel zijn stichter en hun god zich daarover nooit uitgelaten hebben. Geen enkele christen mag evenmin twijfelen aan het mysterie van de drievuldigheid en de vleeswording, als aan de werkzaamheid van de sacramenten en toch heeft Jezus Christus nooit iets gezegd over die zaken. In de christelijke godsdienst lijkt alles overgelaten te worden aan de verbeelding, aan grillen, aan willekeurige besluiten van haar bedienaars, die zich het recht aanmatigen om zelf mysteries en geloofsartikelen te verzinnen, naar gelang hun eigen belangen dat eisen. Zo blijft die openbaring overeind, door middel van de kerk, die beweert geïnspireerd te zijn door de godheid en in plaats van de geest van haar kinderen te onderrichten, die alleen maar in de war brengt en laat verzinken in een zee van onzekerheden.

Dat zijn de gevolgen van die openbaring, die als grondslag dient voor het christendom, en waarvan de echtheid niet betwijfeld mag worden. God, zo wordt ons verteld, heeft de mensen toegesproken. Maar wanneer heeft hij gesproken? Duizenden jaren geleden heeft hij gesproken tegen uitverkoren mensen, van wie hij zijn spreekbuis heeft gemaakt. Maar hoe kunnen wij ons ervan vergewissen dat die god echt gesproken heeft, anders dan door af te gaan op de getuigenis van dezelfde mensen die zeggen dat zij van hem opdrachten hebben gekregen? Die vertolkers van de goddelijke wil zijn dus mensen. Maar hebben die er zelf dan geen last van dat ze zichzelf en anderen bedriegen? Hoe kunnen we te weten komen of de getuigenissen waarvan die hemelse spreekbuizen zichzelf overtuigen, te vertrouwen zijn? Hoe kunnen we weten of zij niet het slachtoffer zijn van een te levendige verbeelding, of een of andere illusie? Hoe kunnen we tegenwoordig ontdekken of het echt waar is dat Mozes met zijn god gesproken heeft en hij een paar duizend jaar geleden van hem de wet van het joodse volk heeft ontvangen? Wat was de gemoedstoestand van die Mozes? Was hij onaangedaan, begeesterd of ernstig of was het een schurk, was hij eerzuchtig of onverschillig, waarheidlievend of was het een leugenaar? Kunnen we afgaan op een getuigenis van iemand die, na zoveel wonderen te hebben verricht, zijn volk nooit van zijn afgoderij heeft kunnen afbrengen en, nadat hij zevenenveertigduizend Israëlieten aan het zwaard had laten rijgen, het lef had te verklaren dat hij de zachtaardigste van alle mensen was? Zijn de boeken, die aan Mozes toegeschreven worden, waarin zoveel gebeurtenissen vermeld worden van na zijn tijd, wel waarheidsgetrouw? Tot slot, welk bewijs hebben wij over zijn opdracht, anders dan de getuigenis van zeshonderdduizend onontwikkelde en bijgelovige, onwetende en goedgelovige Israëlieten, die misschien het slachtoffer waren van een wrede wetgever, die altijd klaar stond om hen te vernietigen, of nooit geweten hebben wat ze achteraf op rekening moesten schrijven van die beroemde wetgever? Welk bewijs geeft de christelijke godsdienst ons over de opdracht van Jezus Christus? Weten wij iets van zijn karakter en temperament? Hoeveel geloof kunnen wij hechten aan de getuigenis van zijn leerlingen die, naar eigen zeggen, onontwikkelde mannen en verstoken van kennis waren en zich daardoor gemakkelijk lieten verblinden door slinksheden van een handige bedrieger? Is de getuigenis van de meest ontwikkelde mensen uit Jerusalem voor ons niet veel zwaarwegender dan die van een paar onwetenden, die doorgaans slachtoffer waren van iemand die hen wilde bedriegen? Dat brengt ons bij het onderzoek van de bewijzen, waarop het christendom gevestigd is.

Hoofdstuk VI 

De bewijzen van de christelijke godsdienst, wonderen, profetieën en martelaren.

In voorgaande hoofdstukken, hebben wij de terechte redenen gezien die ons hebben doen twijfelen aan de aan de joden en christenen geschonken openbaring. Om daarop terug te komen: het christendom biedt trouwens geen enkel voordeel boven alle andere religies ter wereld, die allemaal, ondanks hun gebrek aan overeenstemming, zeggen dat ze voortgekomen zijn uit de godheid en beweren dat zij het alleenrecht hebben op zijn gunsten. De Indiër beweert dat Brahma zelf de stichter van zijn eredienst is. De Scandinaviër heeft de zijne van de geduchte Odin. Terwijl jood en christen die van hen gekregen hebben van Jehovah, door bemiddeling van Mozes en Jezus Christus, beweert de Mohammedaan dat hij die van hem ontvangen heeft van zijn profeet, die geïnspireerd was door dezelfde god. Zo te zien zeggen alle religies dat ze afkomstig zijn uit de hemel. Allemaal verbieden ze gebruik te maken van het verstand om hun heilige aanspraken te onderzoeken. Allemaal beweren ze waar te zijn, met uitsluiting van alle andere. Allemaal bedreigen ze iedereen, die weigert zich aan hun gezag te onderwerpen met de goddelijke toorn. Tot slot zijn ze allemaal bedrieglijk van aard, door de overduidelijke tegenstrijdigheden, waar ze vol mee zitten; door de monsterlijke, duistere en vaak verfoeilijke eigenschappen, die zij aan de godheid toebedelen; door de zonderlinge wetten die zij aan hem toeschrijven en door de twistgesprekken die dat op levert onder hun aanhangers. Uiteindelijk tonen alle religies die wij op aarde zien ons slechts een veelheid aan leugens en droombeelden, die het verstand allemaal evenzeer in opstand brengen. De christelijke godsdienst heeft, wat aanspraken betreft, dus helemaal niets voor op andere bijgeloven, waarmee het hele universum besmet is en haar hemelse oorsprong wordt haar betwist door alle andere, met evenveel recht als zij die van hen betwist.

Hoe kunnen we dan ten gunste van haar beslissen? Waarmee kunnen we de deugdelijkheid van haar aanspraken bewijzen? Heeft ze onderscheidende eigenschappen die verdienen dat wij aan haar de voorkeur geven, en wat zijn die dan? Leert zij ons, beter dan alle andere, het wezen en de aard van de godheid kennen? Helaas! dat maakt ze alleen maar onbegrijpelijker. Zij toont de godheid slecht als een grillige tiran, van wie de luimen nu eens heilzaam, maar het vaakst schadelijk zijn voor de mensheid. Maakt zij betere mensen? Helaas! overal zien wij dat zij verdeeldheid brengt, mensen tegen elkaar opzet, ze onverdraagzaam maakt en hen dwingt de beul van hun broeders te zijn. Maakt zij rijken niet welvarend en machtig? Zien wij niet overal waar zij aan de macht is, slechts tot slaaf gemaakte volken, verstoken van levenskracht, energie, bedrijvigheid, gedompeld in een beschamende lethargie en zonder enig besef van de ware moraal? Wat zijn dan die tekenen, waarvan men wil dat wij daarin zien dat het christendom beter is dan alle andere religies? Dat zijn, naar men ons zegt, haar wonderen, haar profetieën en haar martelaren.

Maar ik zie wonderen, profetieën en martelaren in alle religies ter wereld. Ik zie overal mensen, listiger en ontwikkelder dan het gewone volk, die het bedriegen door middel van hun gewichtigheid en het verblinden door hun werken, waarvan het gelooft dat ze bovennatuurlijk zijn, omdat het niet op de hoogte is van hun kunstgrepen en de geheimen der natuur.

Als de jood mij verhaalt over de wonderen van Mozes, zie ik die zogenaamde wonderen verricht worden onder het oog van het alleronwetendste, stompzinnigste, verwerpelijkste en goedgelovigste volk, waarvan de getuigenis voor mij geen enkele waarde heeft. Bovendien heb ik een vermoeden dat die wonderen in die heilige boeken van de Hebreeën zijn ingevoegd, lang na de dood van degenen die ze hadden kunnen logenstraffen. Als de christen, om mij een bewijs te leveren van de wonderen van Jezus Christus, vertelt over Jerusalem en de getuigenis van heel Galilea, zie ik nog steeds slechts een onwetende bevolking die ze kan staven of ik vraag hem hoe het mogelijk was dat een heel volk, dat getuige was van de wonderen van de messias, instemde met zijn dood en daar zelfs nadrukkelijk om vroeg? Zou de bevolking van Londen of Parijs dulden dat onder haar ogen iemand ter dood gebracht werd, die doden tot leven had gewekt, blinden weer ziende had gemaakt, kreupelen weer had doen lopen en lammen had genezen? Als de joden de dood van Jezus hebben geëist, zijn alle wonderen nietszeggend voor iedereen, die niet vooringenomen is.

Kan men anderzijds niet zowel de wonderen van Mozes, als die van Jezus, stellen tegenover die door Mohammed verricht werden voor het oog van alle mensen uit Mekka en heel Arabië? Het gevolg van de wonderen van Mohammed was in ieder geval dat hij de arabieren ervan overtuigde dat hij een godmens was. De wonderen van Jezus hebben niemand overtuigd van zijn goddelijke opdracht. Zelfs Paulus, die zijn meeste gedreven leerling werd, werd niet overtuigd door de wonderen, waarvan in zijn tijd nog zoveel getuigen waren. Hij had een nieuw wonder nodig om daarvan overtuigd te raken.

Met welk recht wil men ons tegenwoordig doen geloven in wonderen die in de tijd van de apostelen niet overtuigend waren, dat wil zeggen kort nadat ze waren verricht? Ze moeten ons niet vertellen dat de wonderen van Jezus-Christus evenzeer bewezen zijn als enig feit uit de wereldse geschiedenis en dat in twijfel willen trekken even lachwekkend is als twijfelen aan het bestaan van Scipio of Caesar, waarin wij alleen geloven door de verslagen van de geschiedschrijvers die ons daarover verhaald hebben. Dat een legergeneraal of een held bestaan heeft, is niet ongeloofwaardig, maar dat is niet hetzelfde als een wonder. Wij hechten geloof aan waarschijnlijke feitelijkheden, die door Titus-Livius verteld zijn, terwijl wij met verachting de wonderen verwerpen, waar hij verslag van doet. Mensen verbinden vaak de stompzinnigste goedgelovigheid aan de voortreffelijkste talenten. Het christendom levert ons daar talloze voorbeelden van. Wat betreft de godsdienst zijn alle getuigen verdacht. Zelfs de meest ontwikkelde man ziet heel slecht, als begeestering hem in haar greep heeft, als hij in een roes van fanatisme verkeert, of misleid wordt door zijn verbeelding. Een wonder is iets onmogelijks. God zou dus niet onveranderlijk zijn, als hij de natuurlijke orde zou veranderen.

Men zou ons wellicht kunnen zeggen dat God, of zijn uitverkorenen, zonder de orde der dingen te veranderen, in de natuur onbekende mogelijkheden kunnen vinden, die andere mensen onbekend zijn. Maar dan zijn hun verrichtingen niet bovennatuurlijk en zou er niets wonderlijks aan zitten. Een wonder is in feite strijdig met de onveranderlijke natuurwetten. Derhalve kan God, zonder zijn eigen wijsheid geweld aan te doen, geen wonderen verrichten. Een verstandig mens, die een wonder zou zien, zou toch terecht mogen twijfelen, ook als hij goed heeft gekeken. Hij zou dan moeten onderzoeken of dat ongewone gebeuren, dat hij niet begrijpt, niet te wijten is aan een of andere natuurlijke oorzaak, waarvan hij niet weet hoe die in haar werk gaat.

Maar laten we even aannemen dat wonderen wel mogelijk zijn en dat die van Jezus echt plaats gevonden hebben, of in ieder geval niet in de evangeliën ingevoegd zijn, lang nadat ze verricht zijn. Zijn de getuigen die ze doorgegeven hebben, de apostelen die ze gezien hebben, wel geloofwaardig en is hun getuigenis niet weerlegbaar? Waren die getuigen wel slim genoeg? Naar eigen zeggen van de christenen, waren het onontwikkelde mannen, uit de heffe des volks, en derhalve bijgelovig en niet in staat ze te onderzoeken.

Hadden die getuigen er geen belang bij? Nee, het was voor hen natuurlijk van het allergrootste belang om die wonderbaarlijke gebeurtenissen staande te houden, die de goddelijkheid van hun meester aantoonden en de waarheid van de godsdienst die zij wilden vestigen. Zijn diezelfde gebeurtenissen bevestigd door geschiedschrijvers uit die tijd? Geen van hen heeft daarover gesproken en in een zo bijgelovige stad als Jeruzalem, was geen enkele jood en geen enkele heiden te vinden die hadden horen spreken over die uitzonderlijkste en meest opgeblazen gebeurtenissen, die de geschiedenis ooit vermeld heeft. Het zijn altijd alleen de christenen die de wonderen van de Christus verkondigen. Ze willen dat wij geloven dat bij de dood van Gods zoon de aarde heeft gebeefd, de zon verduisterde en de doden uit het graf zijn opgestaan. Hoe kan het dat die zo uitzonderlijke gebeurtenissen alleen maar door een paar christenen zijn opgemerkt? Waren zij dan de enigen die dat waarnamen? Ze willen dat wij geloven dat de Christus opgestaan is uit de dood. Als getuigen worden dan de apostelen, vrouwen en leerlingen aangehaald. Zou voor het stichten van een nieuwe sekte, een plechtstatige verschijning op een openbare plaats, niet veel doeltreffender geweest zijn, dan al die geheime verschijningen aan belanghebbende lieden? Volgens Paulus is het christelijk geloof gegrondvest op de verrijzenis van Jezus Christus. Dat feit moet dan voor de mensen bewezen worden, op de duidelijkste en onbetwistbaarste manier. Valt de verlosser van de wereld geen moedwil te verwijten, omdat hij zich uitsluitend vertoond heeft aan zijn leerlingen en uitverkorenen? Wilde hij dan niet dat iedereen in hem geloofde? Naar verluidt, verdienden de joden, die de Christus ter dood gebracht hebben, dat ze met blindheid werden geslagen. Maar als dat zo is, waarom verkondigden de apostelen hen dan het evangelie? Konden zij verwachten dat ze meer geloof hechtten aan hun verhaal, dan aan hun eigen ogen? Bovendien lijken de wonderen uitsluitend bedacht te zijn, als vervanging van degelijke argumenten. De waarheid en vanzelfsprekendheden hebben geen wonderen nodig om aanvaard te worden. Is het niet zeer verwonderlijk dat de godheid het eenvoudiger vindt om de natuurlijke orde te verstoren dan de mens duidelijke waarheden te leren, die geëigend zijn om hem te overtuigen en in staat zijn instemming af te dwingen? Wonderen zijn slechts bedacht om de mensen zaken te bewijzen, die volstrekt ongeloofwaardig zijn. Als mensen verstandig toegesproken worden, zijn wonderen helemaal niet nodig. Het zijn dus ongeloofwaardige zaken die als bewijs dienen voor andere ongeloofwaardige zaken.

Vrijwel alle bedriegers, die de volken met een godsdienst opgescheept hebben, hebben hen onwaarschijnlijke dingen verkondigd. Vervolgens hebben ze wonderen verricht om de mensen te dwingen te geloven wat zij verkondigden. Jullie, hebben ze gezegd, kunnen niet begrijpen wat ik jullie vertel, maar ik zal jullie bewijzen dat wat ik zeg waar is, door voor jullie ogen iets te doen wat jullie niet kunnen begrijpen. De mensen hebben genoegen genomen met die argumenten. Altijd heeft hun hartstocht voor het wonderbaarlijke hen verhindert zelf te denken. Zij zagen niet dat wonderen onmogelijke dingen niet kunnen bewijzen, noch de waarheid wezenlijk kunnen veranderen. Wat voor wonderen iemand, of zo men wil, god zelf ook verricht, ze kunnen nooit bewijzen dat twee plus twee geen vier, of drie geen een is; dat een onstoffelijk wezen, zonder organen, tot de mensen heeft kunnen spreken; dat een wijs, rechtvaardig en goed wezen opdracht heeft kunnen geven voor dwaasheden, onrechtvaardigheden, wreedheden, enz. Daaruit valt op te maken dat wonderen niets bewijzen, behalve dat degenen die de mensen willen bedriegen slim en leugenachtig te werk gaan om de leugens die zij hen verkondigen te bekrachtigen en de domme goedgelovigheid van de mensen die door die bedriegers misleid worden. Die laatsten zijn altijd begonnen met liegen, door verkeerde ideeën over de godheid te vertellen en te beweren dat ze vertrouwelijk met hem omgingen. En om die ongeloofwaardige wonderen te staven, verrichtten ze ongeloofwaardige werken, die ze toeschreven aan het almachtige wezen dat die mogelijk maakte. Iedereen die wonderen verricht, moet geen waarheden, maar leugens bewijzen.

De waarheid is eenvoudig en duidelijk: het wonder verkondigt altijd iets dat niet waar is.

De natuur is altijd waarachtig: zij gaat te werk volgens wetten die nooit met elkaar in tegenspraak zijn.

Zeggen dat God wonderen verricht, wil zeggen dat hij zichzelf tegenspreekt; dat hij de wetten loochent die hij de natuur zelf voorgeschreven heeft; dat hij het mensenverstand onbruikbaar maakt, waarvan hij zelf de maker is.

Mensen die ons vertellen dat wij moeten afzien van ervaring en het verstand moeten uitschakelen, zijn allemaal bedriegers.

De wonderen, waarover het christendom ons verhaalt, zijn dus, net als die van alle andere godsdiensten, slechts gegrondvest op de goedgelovigheid van de volken, hun begeestering, hun onwetendheid en de doortraptheid van bedriegers.

Hetzelfde kunnen we zeggen van profetieën.

Te allen tijde zijn de mensen nieuwsgierig geweest naar de toekomst. Derhalve vonden ze mensen die bereid waren hen daarmee van dienst te zijn. Bij alle volken ter wereld zien we tovenaars, waarzeggers en profeten. De joden waren wat betreft niet beter af dan de tartaren, negers, wilden en alle andere volken ter aarde, die allemaal beschikten over lieden die bereid waren hen te bedriegen in ruil voor geschenken. Die wonderdoeners hadden al snel in de gaten dat hun orakels vaag en dubbelzinnig moesten zijn, zodat ze niet door de uitkomst door de mand konden vallen. Het kan dus niet verrassend zijn dat joodse profetieën duister zijn en van dien aard, dat daarin alles gevonden kan worden, wat gezocht wordt. De wonderen die door de christenen aan Jezus Christus toegeschreven worden, zijn door de joden, die nog steeds op een messias zaten te wachten, niet vanuit hetzelfde standpunt gezien als dat van de eersten, die geloofden dat hij achttien eeuwen geleden gekomen is.

De joodse profeten hebben te allen tijde, een volk dat bekommerd en ontevreden was over zijn lot, een bevrijder aangekondigd, die ook verwacht werd door de Romeinen en door vrijwel alle naties ter wereld. Van nature hopen alle mensen op het einde van hun ellende en geloven dat de voorzienigheid zich niet kan onttrekken aan de plicht hen gelukkiger te maken. De joden, die bijgeloviger waren dan alle andere volken en steunden op de belofte van hun god, zijn altijd in afwachting geweest van een veroveraar, of een koning, die hun lot zou veranderen en hen aan de schande zou ontrukken. Hoe kan die bevrijder gezien worden in de persoon Jezus, juist de verwoester en niet de hersteller van de natie der Hebreeën, die volgens hem, geen enkel deel meer had aan de gunst van haar god? Het ontbreekt er nog maar aan dat ze zeggen dat de vernietiging en verstrooiing van het joodse volk voorzegd waren en dat dat een overtuigend bewijs leverde voor de profetieën van de christenen.

Mijn antwoord is dat het eenvoudig was de verstrooiing en vernietiging te voorspellen van een volk dat eeuwig onrustig, onstuimig en opstandig tegen zijn eigen leiders was en altijd verscheurd werd door innerlijke verdeeldheid. Bovendien was dat volk herhaaldelijk veroverd en verstrooid. De tempel, die door Titus verwoest werd, was dat al eerder door Nebucadnezar, die de stammen gevankelijk naar Assyrië overbracht en verspreidde over zijn staten.

Wij wijzen op de verstrooiing van de joden en niet op die van andere veroverde naties, omdat de laatsten na een bepaalde tijd altijd zijn opgegaan in de natie der veroveraars, terwijl de joden zich niet mengden onder de volken te midden waarvan zij leefden en daar altijd gescheiden van bleven.

Is datzelfde niet ook het geval met de ghebers of parsen in Perzië en Hindoestan, evenals met de armeniërs die in mohammedaanse streken wonen? De joden bleven verstrooid, omdat ze asociaal, onverdraagzaam en blindelings gehecht zijn aan hun bijgeloof.

De christenen hebben dus geen enkele reden om prat te gaan op de profetieën die in de boeken van de Hebreeën staan, noch om zich te laten voorstaan op degenen, die ze als bewaarder zien van de rechten van een godsdienst die ze verafschuwen. Judea was te allen tijde onderworpen aan de priesters, die een zeer grote invloed hadden op de staatszaken, zich mengden in de politiek en heilzame of rampzalige gebeurtenissen voorspelden, die te verwachten waren. Geen enkel land telde een groter aantal bevlogenen. We zien dat de profeten ook openbare scholen hadden waar zij mensen, die zij daarvoor waardig bevonden, in de mysteriën van hun vak inwijdden, of die, door een goedgelovig volk te bedriegen, ten koste daarvan, aanzien en middelen om in hun levensonderhoud te voorzien wilden verwerven.

De kunst om te profeteren werd dus een echt beroep, of zo men wil, een zeer nuttige en lucratieve bedrijfstak in een armzalige natie, die ervan overtuigd was dat haar god onafgebroken met haar bezig was. De grote baten, die deze handel van bedriegers opleverde, moesten wel verdeeldheid zaaien onder de joodse profeten. Wij zien dan ook dat ze elkaar afkraakten. Iedereen bejegende zijn rivaal als een valse profeet en beweerde dat die bezeten was door een kwade geest. Tussen de bedriegers onderling waren altijd onenigheden, om uit te maken wie het voorrecht had zijn medeburgers te bedriegen.

Als wij het gedrag bekijken van die in het oude testament zo geprezen profeten, ontdekken we dat het allesbehalve deugdzame figuren waren. We zien aanmatigende priesters, die altijd maar bezig waren met staatszaken, die ze steeds weer in verband wisten te brengen met godsdienstzaken. Wij treffen onder hen oproerlingen aan, die voortdurend samenspanden tegen machthebbers die hen onvoldoende onderdanig waren, hun plannen dwarsboomden, het volk tegen hen opzetten en er vaak in slaagden hen ten val te brengen en zodoende de rampzalige voorspellingen lieten uitkomen, die zij zelf over hen gedaan hadden.

We zien dat het merendeel van de profeten, die een rol spelen in de joodse geschiedenis, uit oproerkraaiers bestaat, die onophoudelijk bezig zijn met het omverwerpen van de staat, oproeren teweeg te brengen en het bestrijden van het burgerlijk gezag, waarvan de priesters altijd vijanden zijn geweest, omdat zij vonden dat het onvoldoende inschikkelijk was en hun belangen te weinig diende. Hoe het ook zij, door de weloverwogen vaagheid van de profetieën konden die, die de messias, of de bevrijder van Israël, als onderwerp hadden, toegepast worden op elke ongewone man, elke dweper of profeet, die in Jerusalem of Judea opdook. De christenen van wie de geest opgewonden is door het idee van hun Christus, denken dat overal te hebben gezien, en hebben het duidelijk herkend in de duisterste passages van het oude testament. Met behulp van allegorieën, scherpzinnigheden, verklaringen en gezochte interpretaties, zijn zij erin geslaagd zichzelf te begoochelen en uitgesproken voorspellingen te ontdekken in onsamenhangende droombeelden, vage orakels en de absurde onzin van profeten.

Mensen doen niet moeilijk over zaken die overeenstemmen met hun meningen. Als wij de profetieën van de Hebreeën onbevooroordeeld bekijken, zien we slechts een onsamenhangend allegaartje, dat louter het resultaat is van fanatisme en waanzin. We zien dat die profetieën even duister en raadselachtig zijn, als de orakels van de heidenen. Uiteindelijk zal dat alles ons aantonen dat die zogenaamde goddelijke orakels niets anders zijn dan koortsdromen en leugens van bepaalde mensen, die gewend waren misbruik te maken van de goedgelovigheid van een bijgelovig volk, dat geloof hechtte aan dromen, visioenen, verschijningen en toverij en gretig alle droombeelden aanvaardde, die het voorgeschoteld werd, mits ze waren opgesierd met wonderen.

Overal waar de mensen onwetend waren, doken profeten, dwepers en wonderdoeners op. Die bedrijfstakken namen steeds evenredig af met de ontwikkeling van de naties.

Tot slot voegde het christendom aan de hoeveelheid bewijzen voor de waarachtigheid van zijn dogma’s, een groot aantal martelaren toe. Die hebben met hun bloed de waarheid bekrachtigd van religieuze overtuigingen, die zij zelf aanvaard hadden. Er is geen enkele godsdienst op aarde die niet haar eigen vurige verdedigers heeft gehad, die bereid waren om hun leven te offeren voor ideeën, waarvan men hen had overtuigd dat daar het eeuwige geluk van afhing.

Iedereen die bijgelovig en onwetend is, houdt hardnekkig vast aan zijn eigen vooroordelen. Zijn goedgelovigheid verhindert hem zijn geestelijk leiders ervan te verdenken dat ze hem ooit zouden kunnen bedriegen. Door zijn ijdelheid denkt hij dat hij niet bedrogen kan worden. Ten slotte, als zijn verbeelding maar groot genoeg is en de godheid bereid zijn moed te belonen, is er geen foltering meer die hij niet trotseert en doorstaat. In zijn roes zal hij kortstondige marteling verachten. Hij zal lachen te midden van zijn beulen. Zijn krankzinnige geest zal hem zelf ongevoelig voor pijn maken. Medelijden ontdooit dan het hart van de toeschouwers. Zij bewonderen de wonderbaarlijke standvastigheid van de martelaar. Zijn begeestering maakt zich meester van hen. Zij geloven in zijn rechtvaardige zaak en zijn moed, die op hen bovennatuurlijk en goddelijk overkomt, en een ontwijfelbaar bewijs wordt van de waarheid van zijn overtuigingen. Het is alsof de begeestering zich als een soort besmetting uitbreidt. De mens wordt altijd geboeid door iemand die de grootste standvastigheid tentoonspreidt en tirannie trekt medestanders aan van iedereen die zij vervolgt. Zo moeten, door een natuurlijke werking en de standvastigheid van de eerste christenen, bekeerlingen zijn ontstaan. Martelaars bewijzen niets, behalve de kracht van begeestering, verblinding en hardnekkigheid, die bijgeloof en de wrede waanzin van al die mensen die hun naasten vervolgen vanwege hun overtuiging teweeg kan brengen.

Alle krachtige hartstochten hebben hun martelaars. Hoogmoed, ijdelheid, vooroordelen, liefde, begeestering van het publiek en zelfs de misdaad maken dagelijks martelaars, of brengen in ieder geval teweeg dat degenen die door die hartstochten in vervoering raken, hun ogen sluiten voor gevaren. Is het dan nog verrassend dat bevlogenheid en fanatisme, de twee krachtigste hartstochten van de mens, zo vaak degenen die zij in vervoering brachten door de verwachtingen die zij schepten, de dood tegemoet lieten treden. Trouwens, als het christendom zijn martelaars heeft, waar het zich op beroemt, heeft het jodendom dan niet de zijne? Zijn de ongelukkige joden, die door de inquisitie tot de brandstapel veroordeeld werden, dan geen martelaars voor hun godsdienst, die door hun standvastigheid evenveel ten gunste van haar bewijzen, als die van de christelijke martelaars dat ten gunste van het christendom doen? Als martelaars een bewijs zouden zijn voor de waarheid van een godsdienst, wil dat nog niet zeggen dat de godsdienst, noch de sekte, als waar beschouwd kan worden.

Tot slot, onder het, misschien overdreven, aantal martelaars waarop het christendom prat gaat, zijn er ettelijke die eerder slachtoffer waren van een onbezonnen geloofsijver, een onstuimig gemoed of een oproerige geest, dan van een religieuze bezieling. De kerk durft niet de mensen te rechtvaardigen, die door hun onvoorzichtige gedrevenheid soms zover zijn gegaan dat ze de openbare orde verstoorden, afgodsbeelden verbrijzelden en heidense tempels omverwierpen. Als dat soort mensen als martelaar beschouwd zou worden, zouden alle oproerlingen en alle verstoorders van de maatschappij, recht hebben op die titel, als men hen laat straffen.

Hoofdstuk VII

De mysteries van de christelijke godsdienst.

Iemand iets onthullen, betekent hem een geheim vertellen, waar hij voordien niet van op de hoogte was. Als aan christenen gevraagd wordt wat de belangrijke geheimen zijn waarvoor God zelf zich de moeite getroost heeft om ze te onthullen, zullen zij ons vertellen dat de grootste van die geheimen en het noodzakelijkste voor de mensheid, die van de eenheid van de godheid is, een geheim dat volgens hen, de mens niet zelf had kunnen bedenken.

Maar hebben wij niet het recht om te vragen of die bewering wel waar is? Het valt niet te betwijfelen dat Mozes de Hebreeën een enkele god heeft verkondigd en dat hij niet al die moeite heeft gedaan om hen vijand van de afgoderij en het veelgodendom van de andere volken te maken, waarvan hij hen het geloof en de eredienst had voorgesteld als iets verfoeilijks in de ogen van de hemelse vorst die hen uit Egypte had weg laten voeren.

Maar heeft niet een groot aantal heidense wijzen, zonder hulp van de joodse openbaring, ook een oppergod ontdekt, de meester van alle andere goden? Was bovendien niet het Lot, waaraan alle goden van het heidendom ondergeschikt waren, een enkele god, van wie het hele wezen zich onderwierp aan de hoogste wet? Noch de joden, noch de christenen hebben het recht zich te beroemen op de eigenschappen die Mozes zijn godheid heeft toebedeeld. Wij kunnen die alleen maar zien als een grillige alleenheerser, toornig, vervuld van wreedheid, onrechtvaardigheid, partijdigheid en kwaadaardigheid, van wie het gedrag iedereen, die daarover nadenkt, in een toestand van vreselijkste verbijstering moet brengen. Als hem onbegrijpelijke eigenschappen worden toebedeeld, wat moet een christelijke theoloog daar dan nog aan toevoegen? Betekent zeggen dat hij een geest is, een onstoffelijk wezen, dat in niets lijkt op wat onze zintuigen ons vertellen, de godheid kennen? Wordt de menselijke geest niet in verwarring gebracht door nietszeggende eigenschappen als, oneindig, onmetelijk, eeuwig, almachtig, alwetend, enz., waarmee men die god opgesierd heeft om hem nog onbegrijpelijker te maken? Hoe vallen wijsheid, goedheid, rechtvaardigheid en andere morele eigenschappen die aan die god toegekend worden, te rijmen met het vreemde en vaak wrede gedrag, die de boeken van de christenen en Hebreeën hem op elke pagina toeschrijven? Was het niet beter geweest de mens in volstrekte onwetendheid te laten over de godheid, dan hem een god vol tegenstrijdigheden te tonen, die voortdurend aanleiding is voor twisten en als voorwendsel dient om zijn rust te verstoren? Een dergelijke god verkondigen, betekent de mensen niets anders onthullen, dan het voornemen hen in de grootste verwarring te brengen en ze aan te zetten tot onenigheid, elkaar schade te berokkenen en ongelukkig te maken.

Hoe het ook zij, is het wel waar dat het christendom maar een enkele god aanvaardt, dezelfde als die van Mozes? Zien wij de christenen, onder de naam drie-eenheid, niet een drievoudige godheid aanbidden? De oppergod brengt van alle eeuwigheid een zoon voort, die gelijk is aan hem. Uit die ene en andere god komt een derde voort, gelijk aan de eerste twee. Die drie goden, even goddelijk, even volmaakt en even machtig, vormen desalniettemin een enkele god.

Is alleen al die uitleg niet voldoende om aan te tonen hoe absurd dat is? Heeft de godheid zich soms de moeite getroost de mensheid te onderrichten, door het onthullen van dergelijke mysteries? Hebben de onwetendste en wildste volken misschien nog monsterlijkere opvattingen voorgebracht, die nog geëigender waren om het verstand in de war te brengen? Toch bevatten de boeken van Mozes niets dat aanleiding heeft kunnen geven voor een zo merkwaardig systeem. Alleen aan de hand van vergezochte verklaringen, kan beweerd worden dat het dogma van de drie-eenheid in de bijbel te vinden is. De joden die tevreden waren met de ene god, die hun wetgever hen verkondigd had, hebben nooit bedacht die te verdrievuldigen.

De tweede van die goden of, volgens de woorden van de christenen, de tweede persoon van de drie-eenheid, is bekleed met een menselijke natuur, vlees geworden in de schoot van een maagd en heeft, omdat hij afstand had gedaan van zijn goddelijkheid, blootgestaan aan de ongemakken waarmee de menselijke soort behept is en heeft zelfs een smadelijke dood ondergaan om te boeten voor de zonden van de hele wereld. Dat noemt het christendom het mysterie van de vleeswording. Wie ziet niet dat die absurde denkbeelden zijn ontleend aan de Egyptenaren, Indiërs en Grieken, van wie de lachwekkende mythologieën veronderstelden dat de goden met een menselijke gedaante behept waren en de onderdanen, zoals de mens, met gebreken? Zo dringt het christendom ons op dat een god mens wordt, zonder afbreuk te doen aan zijn goddelijkheid, heeft kunnen lijden en sterven, zich als offer aan heeft kunnen bieden aan zichzelf en het niet heeft kunnen laten een even zonderling gedrag te vertonen, om zijn eigen gramschap te stillen. Dat noemen de christenen het mysterie van de verlossing van de mensheid.

Maar die dode god is wel herrezen. Net als Adonis in Fenicië, Osiris in Egypte en Atis in Phrygië die eertijds het symbool waren van een regelmatig stervende en herboren wordende natuur, herrees de god van de christenen uit zijn eigen as en verliet zegevierend zijn graf.

Dat zijn de wonderbaarlijke geheimen, of verheven mysteries, die de christelijke godsdienst haar leerlingen onthult. Dat zijn de ideeën, nu eens groots en dan weer afschuwelijk, maar altijd onbegrijpelijk, die zij geeft van de godheid. Dat zijn dus de inzichten die de openbaring onze geest schenkt! Het lijkt dat de openbaring die door de christenen aanvaard wordt, slechts dient om de nevels waaronder de goddelijke essentie schuilgaat voor de ogen van de mensen te verdichten.

God, wordt ons verteld, heeft zichzelf belachelijk willen maken, om de nieuwsgierigheid te beschamen van degenen, die hij, naar ons verzekerd wordt, toch wegwijs wilde maken door middel van een bijzondere genade.

Wat valt er te brouwen van een openbaring die, in plaats van iets te verhelderen, er plezier in schept om de helderste denkbeelden ingewikkeld te maken? Ondanks de openbaring, waar de christenen zo prat op gaan, heeft hun geest dus geen enkel inzicht in het wezen dat als grondslag dient voor elke godsdienst. Integendeel, die befaamde openbaring dient slechts om alle ideeën die daarover gevormd kunnen worden, duister te maken. De heilige schrift noemt hem een verborgen god. David vertelt ons dat hij zijn schuilplaats heeft in de duisternis, waar de troebele wateren en wolken hem een tent zijn, die hem bedekt. Welnu, de christenen, die door God zelf op de hoogte zijn gebracht, hebben over hem slechts tegenstrijdige ideeën en met elkaar onverenigbare opvattingen, die zijn bestaan twijfelachtig maken, of zelfs onmogelijk in de ogen van iedereen die bij zijn verstand te rade gaat.

Wat voor beeld roept een god eigenlijk op die, nadat hij de wereld geschapen had voor het geluk van de mens, toch toelaat dat het grootste gedeelte van de mensheid ongelukkig is in deze en de volgende wereld? Hoe kan een god, die zelf de opperste gelukzaligheid geniet, aanstoot nemen aan de daden van zijn schepsels? Die god is dus toegankelijk voor verdriet. Zijn wezen kan zich dus zorgen maken. Dus is hij afhankelijk van de mens, die hem naar believen kan verheugen of kwetsen. Waarom gunt een god zijn schepsels een heilloze vrijheid, die zij kunnen misbruiken om hem te kwetsen en zichzelf te gronde te richten? Hoe kan een god mens worden en hoe kan de schepper van het leven en de natuur zelf sterven? Hoe kan een enkele god zich in drieën delen, zonder zijn eenheid te schaden? Ons wordt geantwoord dat die zaken mysteries zijn, maar die mysteries vernietigen het bestaan van diezelfde god. Is het niet verstandiger, net als Zarathustra of Mani, in de natuur twee principes aan te nemen, of twee tegengestelde machten, dan met het christendom een almachtige god aan te nemen, die niet de macht heeft om het kwaad te verhinderen; een rechtvaardige, maar wel partijdige god; een goedertierende, maar wel onverzoenlijk god, die in alle eeuwigheid de misdaden van een moment zal straffen; een enkelvoudige god, die zich verdrievuldigt; een god die het grondbeginsel is van alle schepsels, maar wel toestaat dat zij kunnen sterven, omdat hij niet de macht heeft om op een ander manier aan zijn goddelijke gerechtigheid te voldoen? Als in eenzelfde god die tegenstrijdigheden niet tegelijkertijd aanwezig kunnen zijn, is het bestaan van de god der joden en christen zonder twijfel onmogelijk. Daaruit valt alleen maar op te maken dat de godgeleerden van het christendom, door de eigenschappen waarvan zij zich bediend hebben om de godheid op te sieren, of liever, te misvormen, in plaats van hem kenbaar te maken, alleen maar vernietigd hebben, of in ieder geval onherkenbaar hebben gemaakt. Zo heeft de openbaring door middel van verzinsels en mysteries het verstand van de mensen alleen maar in verwarring gebracht en zijn de eenvoudige denkbeelden, die zij zich kunnen vormen van het onmisbare wezen, dat met zijn onveranderlijke wetten de natuur bestuurt, onzeker geworden. Het bestaan van een god kan ontkend worden, maar het is in ieder geval zeker dat de god die door de christenen aanbeden wordt en van wie hun godsdienst beweert zijn gedrag, opdrachten en eigenschappen te onthullen, onaanvaardbaar is. Geen enkel idee hebben over de godheid kan dan wel atheïstisch zijn, maar de christelijke theologie kan alleen maar gezien worden als een voornemen om het bestaan van het opperwezen teniet te doen.

Hoofdstuk VIII

Andere mysteries en dogma’s van het christendom.

Ontevreden met de geheimzinnige nevels waarin het christendom de godheid gehuld heeft en de joodse verzinsels die het voor zijn rekening heeft genomen, lijken de christelijke godgeleerden alleen nog maar bezig te zijn met het aantal mysteries te vergroten en het verstand van hun leerlingen steeds meer in verwarring te brengen. De religie, die bedoeld was om de naties wijzer te maken, is niets anders dan een samenraapsel van raadsels. Het is een doolhof, waaruit met gezond verstand onmogelijk te ontsnappen valt. Wat in het oude bijgeloof als het onbegrijpelijkst gezien werd, moest noodzakelijkerwijs ingebed worden in een religieus systeem, dat van het verstand het eeuwige zwijgen opleggen een stelregel maakte. In de handen van de christelijke priesters is het noodlot van de Grieken veranderd in de predestinatieleer.

Volgens dat tirannieke dogma, is door de god der barmhartigheid het overgrote deel van de ongelukkige stervelingen voorbeschikt tot eeuwige folteringen. Hij plaatste ze alleen maar voor even in deze wereld, om hen daar op een verkeerde manier gebruik te laten maken van hun vermogens en vrijheid, teneinde hen de onverzoenlijke gramschap van hun schepper te laten verdienen. Een god, vol zorgzaamheid en goedheid, schenkt de mens een vrije wil, terwijl die god heel goed weet dat hij die heel slecht weet te gebruiken, zodat hem de eeuwige verdoemenis toekomt. Zodoende schenkt de godheid het merendeel van de mensen alleen maar het leven, het benodigde verlangen naar geluk, en staat hen alleen maar toe te handelen, om zelf het genoegen te smaken ze in de hel te kunnen werpen.

Er is niets gruwelijkers dan de beschrijvingen die het christendom ons geeft van die verblijfplaats, bestemd voor het overgrote deel van de mensheid. Een barmhartige god die voor eeuwig zijn dorst lest met de tranen van de ellendigen, die hij slechts het leven heeft geschonken om ze ongelukkig te maken. De zondaar, opgesloten in duistere krochten, zal voor altijd prijsgegeven worden aan verterende vlammen. De gewelven van die gevangenis weerkaatsen alleen maar geknars der tanden en jammerklachten. De folteringen die daar miljoenen eeuwen ondergaan zullen worden, zijn pas net begonnen en er zal geen vertroostende hoop zijn dat die straffen op zekere dag zullen eindigen. Kortom, door een daad van zijn almacht maakte god de mens vatbaar voor onophoudelijk en eindeloos lijden. Door zijn rechtvaardigheid zal hij eindige misdaden, waarvan de gevolgen beperkt worden door de tijd, kunnen vergelden met eeuwigdurende straffen. Dat is het beeld dat de christen zich vormt van een god, die zijn liefde betoont. Die tiran schenkt hem alleen het leven, om hem ongelukkig te maken, het verstand om hem te misleiden, driften om hem te laten verdwalen en vrijheid om hem datgene te laten doen waardoor hij voor eeuwig verloren gaat. Tot slot stelt hij hem boven de dieren, alleen maar om hem te kunnen blootstellen aan kwellingen, waar die dieren, evenals onbezielde dingen verstoken van zijn.

Het dogma van de predestinatie maakt het lot van de mens veel droeviger dan dat van stenen en wilde dieren.

Het christendom belooft weliswaar een heerlijke verblijfplaats aan de mensen die de godheid heeft uitverkoren om zijn liefde te ontvangen, maar die plek is slechts voorbehouden aan een klein aantal uitverkorenen die, zonder enige eigen verdienste, toch recht zullen hebben op de goedheid van hun god, die partij kiest voor hen en wreed is voor de overige mensen.

Zo hebben de Tartarus en het Elysium uit de heidense mythologie, die bedacht zijn door bedriegers, die de mensen of wilden doen beven of verleiden, een plaats gekregen in het religieuze systeem van de christenen, die de naam van die verblijfplaatsen veranderden in paradijs en hel. Ze zullen niet verzuimen ons te vertellen dat het dogma van de beloning en straf in het volgende leven, voor de mens nuttig en noodzakelijk is, omdat hij zich anders zonder angst zal overgeven aan de grootste uitspattingen. Mijn antwoord daarop is dat de wetgever van de joden dat zogenaamde mysterie voor hen zorgvuldig verborgen heeft gehouden en dat het dogma van het toekomstige leven deel uitmaakte van het geheim dat, in de mysteriedienst van de Grieken, alleen onthuld werd aan ingewijden. Dat dogma was onbekend bij het gewone volk. De maatschappij stond dat niet toe. Bovendien worden mensen niet in toom gehouden door angsten voor de verre toekomst, die door de hartstochten altijd geringschat en betwijfeld worden, maar door goede wetten, een verstandige opvoeding, en eerzame principes.

Als de machthebbers wijs en rechtvaardige zouden regeren, zouden ze om het volk in bedwang te houden geen behoefte hebben aan het dogma van toekomstige beloningen en straffen. Mensen zullen altijd meer onder de indruk zijn van bestaande voordelen en zichtbare straffen, dat van genoegens en straffen die hen in het vooruitzicht worden gesteld voor een volgend leven. Angst voor de hel zal misdadigers niet van iets weerhouden, dat angst voor verachting, schande en de galg ook niet kan. Zijn de christelijke naties soms niet vol boosdoeners, die onophoudelijk de hel trotseren, waarvan ze het bestaan nooit betwijfeld hebben? Hoe het ook zij, het dogma van het toekomstige leven veronderstelt dat de mens zichzelf zal overleven, of op zijn minst na zijn dood beloningen en straffen tegemoet kan zien, die de godsdienst hem in het vooruitzicht heeft gesteld. Volgens het christendom zullen de doden ooit weer hun lichaam aannemen. Door een wonder van de almachtige zullen de uiteengevallen en verstrooide moleculen, die hun lichaam vormden, weer bijeenkomen. Hun lichaam zal zich opnieuw met hun onsterfelijke ziel verbinden. Dat zijn de wonderbaarlijke ideeën, die het dogma van de wederopstanding biedt.

De joden, van wie de wetgever nooit over dat vreemde verschijnsel heeft gesproken, schijnen dat ontleend te hebben van de magiërs, tijdens hun Babylonische gevangenschap. Toch werd dat bij hen niet alom aangenomen. De farizeeën aanvaardden de wederopstanding, de sadduceeën verwierpen die. Tegenwoordig is dat een van de fundamentele aangelegenheden van de christelijke godsdienst. Haar aanhangers geloven stellig dat zij ooit zullen herrijzen, en dat hun wederopstanding gevolgd zal worden door het laatste oordeel en het einde van de wereld. Volgens hen zal God, die alles weet en zelfs de meest verborgen gedachten van de mensen kent, terugkeren op de wolken, om hen nauwkeurig rekenschap te laten geven van hun gedrag. Hij zal hen oordelen met het grootste vertoon en na dat oordeel zal hun lot onherroepelijk beslist zijn. De goeden zullen toegelaten worden tot de heerlijke verblijfplaats die de godheid heeft voorbehouden aan zijn uitverkorenen en engelen. De slechten zullen in de vlammen geworpen worden die bestemd zijn voor de duivels, de vijand van God en de mensen.

Het christendom aanvaardt dus onzichtbare wezens, die andersoortig zijn dan de mens, waarvan het ene deel de wil van de allerhoogste uitvoert en het andere deel voortdurend bezig is zijn plannen te doorkruisen. De eersten staan bekend onder de naam engelen, of boodschappers, die ondergeschikt zijn aan God. Er wordt beweerd dat hij zich van hen bedient om toezicht te houden op het besturen van het universum en vooral het in stand houden van de mens.

Die weldadige wezens zijn, volgens de christenen, louter geest, maar beschikken wel over het vermogen zich zichtbaar te maken, door een menselijk gedaante aan te nemen. De heilige boeken van de joden en christenen staan vol met verschijningen van die wonderbaarlijke wezens, die door de godheid naar mensen toegestuurd worden die hij wil begunstigen en hen moeten dienen als gids en beschermer en wachter van hun God. Daaraan is te zien dat wat, in de verbeelding van de christenen, de goede engelen zijn, in die van de heidenen de nimfen, laren of huisgoden zijn en voor onze romanschrijvers feeën.

Dat tweede soort onbekende wezens werd aangeduid met de naam, demon, duivel of kwade geest. Ze worden beschouwd als vijand van de mensheid, mensenkweller en verleider, die doorlopend bezig zijn haar tot zonde te verleiden.

De christenen schrijven hen een buitengewone kracht toe, het vermogen om wonderen te verrichten die lijken op die van de allerhoogste en vooral een macht die zich kan meten met die van hem en die er vaak in slaagt zijn plannen vergeefs te maken.

Hoewel de christelijke godsdienst aan de demon uitdrukkelijk niet dezelfde macht toekent als aan God, veronderstelt zij wel dat die kwade geest de mensen belet het geluk te bereiken waartoe de godheid hen heeft voorbestemd en die het overgrote deel ten verderve voert. Kortom, volgens de ideeën van het christendom strekt de heerschappij van de duivel zich verder uit dan die van het opperwezen. Die laatste slaagt er amper in een paar uitverkorenen te redden, terwijl de eerste een enorme menigte, die niet de kracht heeft om weerstand te bieden aan zijn gevaarlijke ingevingen, naar de verdoemenis voert. Wie ziet niet dat Satan, de demon, die voor de christenen iets afschrikwekkends is, ontleend is aan het dogma van de twee principes, dat eertijds aanvaardt werd in Egypte en het hele Oosten. Osiris en Typhon van de Egyptenaren en Ahoera Mazda en Ahriman van de Perzen en Chaldeeën hebben zonder twijfel de nooit eindigende oorlog teweeggebracht die nog steeds gevoerd wordt tussen de god van de christenen en zijn geduchte tegenstander.

Door dat systeem hebben de mensen gedacht het goede en kwade dat hen overkwam te kunnen begrijpen.

Een almachtige duivel dient de godheid om de onvermijdelijke rampen en weinige goede dingen die de mensheid toebedeeld worden, goed te praten.

Dat zijn de schrikbarende en mysterieuze dogma’s waarover de christenen het eens zijn. Er zijn nog verschillende andere, die bij andere sekten behoren.

Zo bestaat binnen het christendom een sekte met een zeer groot aantal aanhangers, die daarnaast nog een tijdelijke verblijfplaats aanvaardt, onder de naam vagevuur, waar de minder misdadige zielen, die de hel niet hebben verdiend, enige tijd worden opgevangen, om daar door strenge straffen te boeten voor de misstappen die ze in dit leven begaan hebben. Daarna worden ze toegelaten tot de verblijfplaats van de eeuwige gelukzaligheid. Dat dogma, dat duidelijk ontleend is aan de droombeelden van Plato, is in handen van de priesters van de roomse kerk, een onuitputtelijke bron van rijkdom, aangezien zij zich aanmatigen om de poorten te kunnen openen van het vagevuur. Ze beweren dat hun machtige gebeden de strengheid van de goddelijke besluiten kunnen verzachten en de kwellingen kunnen bekorten van de zielen, die door een rechtvaardige god tot dat rampzalige verblijf veroordeeld worden.

Het voorgaande laat ons zien dat de christelijke godsdienst niets nagelaten heeft om haar aanhangers angst en ontzetting in te boezemen. Door mensen vreselijk bang te maken, kunnen zij in toom gehouden worden en raakt hun verstand vertroebeld.

Hoofdstuk IX

Over rituelen, geheimzinnige ceremonies, of de geestenbezwering van de christenen.

Als de door de christelijke godsdienst bedachte dogma’s, voor het verstand ontoegankelijke geheimen zijn; als de god die zij verkondigt, een onbegrijpelijke god is, moeten wij ons er niet over verbazen als we zien dat die godsdienst in haar rituelen en ceremonies een onbegrijpelijke en geheimzinnige toon aanslaat.

Onder een god, die zich alleen maar openbaart om het menselijk verstand in verwarring te brengen, moet alles wel onbegrijpelijk zijn en het gezond verstand op een dwaalspoor gebracht worden.

De belangrijkste ceremonie van het christendom, zonder welke geen enkel mens behouden kan worden, wordt het doopsel genoemd; het bestaat in het gieten van water over het hoofd van een kind, of een volwassene, onder het aanroepen van de drie-eenheid. Door de geheimzinnige kracht van dat water en de woorden waarmee het gepaard gaat, wordt de mens geestelijk vernieuwd; hij wordt schoongewassen van smetten die, vanaf de eerste voorvader van de mensheid, van geslacht tot geslacht zijn doorgegeven; kortom, hij wordt kind van God en in staat gesteld om deel te hebben aan zijn glorie, als hij deze wereld verlaat.

Toch sterft de mens, volgens de christenen, alleen ten gevolge van de zonde van Adam; maar als die zonde door het doopsel uitgewist wordt, hoe komt het dan dat de christenen onderhevig zijn aan de dood? Men zal ons misschien zeggen dat het de geestelijke dood is en niet die van het lichaam, waarvan JC de mensen bevrijd heeft; maar die geestelijke dood is niet anders dan de zonde; en als dat het geval is, hoe kunnen de christenen dan doorgaan met zondigen, alsof ze niet vrijgekocht en verlost zijn van de zonde? Daaraan is te zien dat het doopsel een ondoordringbaar mysterie is voor het verstand, dat bij ondervinding de doeltreffendheid daarvan logenstraft.

In enkele christelijke sekten laat een bisschop of een priester, onder het uitspreken van woorden en het aanbrengen van een beetje olie op het voorhoofd, de heilige geest neerdalen in een jong mens of kind; door die ceremonie wordt de christen bevestigd in zijn geloof en ontvangt van de allerhoogste onzichtbaar een heleboel genade.

Van alle christenen nemen zij die zich, door het volmaaktst afstand te doen van hun verstand, het meest inlaten met de strekking van hun onbegrijpelijke godsdienst, geen genoegen met mysteries die ze gemeen hebben met de andere sekten, en nemen er nog een bij, dat een uitermate vreemde verrassing biedt, namelijk dat van de transsubstantiatie. Als gevolg van de geduchte stem van een priester, wordt de god van het universum gedwongen af te dalen vanuit zijn luisterrijke verblijfplaats, om zich in brood te veranderen en dat God geworden brood is onderwerp van aanbidding geworden bij een volk, dat er prat op gaat afgoderij te verachten.

Het is onvermijdelijk om in de kinderachtige ceremonies, waaraan de christenen in hun begeestering zoveel waarde hechten, zeer kenmerkende overblijfselen te zien van de bij de oosterse volken toegepaste geestenbezwering. Gedwongen door de magische kracht van een paar door ceremonies begeleide woorden, geeft de godheid gehoor aan de stem van zijn priesters, of van hen die het geheim kennen dat teweeg te brengen, en op hun bevel doet het wonderen. Dat soort magie wordt voortdurend aan de dag gelegd door de priesters van het christendom: zij overtuigen hun leerlingen ervan dat de aan de traditie ontleende formules, willekeurige handelingen en lichaamsgebaren, in staat zijn de God van de natuur te dwingen zijn wetten op te schorten, zich te plooien naar hun wensen en zijn genade uit te delen. Zo verwerft de priester in die godsdienst het recht om God te gebieden: met die macht oefent hij invloed uit op zijn God; op die onvervalste geestenbezwering, of de geheimzinnige verstandhouding tussen aarde en hemel, zijn die kinderachtige en lachwekkende ceremonies gegrondvest, die de christenen sacramenten noemen. We hebben die geestenbezwering al gezien in het doopsel, het vormsel en de eucharistie; wij vinden haar ook terug in de boetedoening, dat wil zeggen in de macht die de priesters van enkele sekten zich aanmatigen om in naam van de hemel de zonden kwijt te schelden, die hen opgebiecht worden. Van diezelfde geestenbezwering is sprake in het systeem, dat wil zeggen, in de ceremonies die aan sommige mensen een heilige inborst verlenen, die hen onderscheidt van de wereldse stervelingen.

Diezelfde geestenbezwering is ook te vinden in de handelingen en rituelen, die de laatste ogenblikken van een stervende vermoeien en ook in het huwelijk, waar de christen aanneemt dat die natuurlijke verbintenis niet goedgekeurd kan worden door de hemel, als de ceremonies van een priester het niet geldig maken en daaraan niet de instemming van de almachtige verleend wordt.

Kortom, wij zien die witte magie of geestenbezwering in de geboden, formules, liturgie en in alle ceremonies van de christenen; wij vinden ze in de door hen gekoesterde mening dat de, op een bepaalde manier gerangschikte, woorden de wil van hun god kunnen veranderen en hem kunnen dwingen zijn onveranderlijke raadsbesluiten te wijzigen.

Zij toont haar doeltreffendheid in haar duiveluitdrijvingen, dat wil zeggen, in de ceremonies waarmee zij met behulp van magisch water en enkele woorden, gelooft kwade geesten uit te kunnen drijven, die de mensheid teisteren. Het wijwater dat, bij de christenen, de plaats heeft ingenomen van het reinigingswater van de Romeinen, bezit volgens hen zeer verbazingwekkende eigenschappen; plaatsen en dingen, die eerst werelds waren, maakt het heilig. Ten slotte draagt de christelijke geestenbezwering, door een bisschop toegepast bij de inwijding van koningen, ertoe bij dat de leiders van de naties achtenswaardiger worden in de ogen van de volken en verleent hen een volmaakt goddelijk stempel.

Alles is dus mysterie, alles is magie en alles is onbegrijpelijk in de dogma’s, evenals in de eredienst van een door de godheid geopenbaarde religie, die de mensheid uit haar verblinding wilde halen.

Hoofdstuk X

De heilige boeken van de christenen.

Om haar hemelse oorsprong aan te tonen, vestigt de christelijke godsdienst haar aanspraken op boeken die zij als heilig beschouwt en zijn ingegeven door God zelf. Laten we dus bezien hoe die aanspraken onderbouwd worden; laten we onderzoeken of die werken werkelijk de wijsheid, alwetendheid en volmaaktheid hebben, die wij aan de godheid toeschrijven.

De bijbel, die voor de christenen een voorwerp van verering is en waarin geen enkel niet geïnspireerd woord staat, is tot stand gebracht door het bijeenvoegen van de weinig met elkaar overeenstemmende heilige boeken van de Hebreeën, bekend onder de naam ‘het oude testament, samen met meer recentere boeken, eveneens ingegeven aan de stichters van het christendom, bekend onder de naam ‘het nieuwe testament.’ Aan het begin van die verzameling, die als basis en wetboek dient voor de christelijke godsdienst, bevinden zich vijf aan Mozes toegeschreven boeken, die bij het schrijven daarvan, naar men zegt, slechts gods secretaris was. Hij gaat daarin terug naar de oorsprong der dingen; hij wil ons inwijden in het mysterie van de schepping van de wereld, terwijl hij daarover zelf slechts vage en verwarde ideeën heeft, die elk moment een grote onwetendheid over de natuurwetten aan het licht brengen. Een paar dagen nadat hij het licht geschapen heeft, schept God de zon die, voor ons planetenstelsel, de lichtbron is.

God, die op geen enkele manier afgebeeld kan worden, schept de mens naar zijn evenbeeld; hij schept hem mannelijk en vrouwelijk, vergeet weldra wat hij gedaan heeft en schept vervolgens de vrouw uit een van de ribben van de man; kortom, vanaf het begin van de bijbel zien we alleen maar onwetendheid en tegenstrijdigheden. Uit alles blijkt dat de kosmogonie van de Hebreeën niet meer is dan een samenraapsel van fabels en allegorieën, die ons geen enkel idee kunnen geven van de dingen en alleen maar geëigend is om een onontwikkeld, onwetend en onbehouwen volk, dat onbekend is met wetenschappen en nadenken, tevreden te stellen.

In de overige aan Mozes toegeschreven werken, zien we een menigte aan onwaarschijnlijke en wonderbaarlijke verhalen, een opeenhoping van lachwekkende en willekeurige wetten; ten slotte besluit de schrijver met het vermelden van zijn eigen dood. De boeken, na die van Mozes, staan niet minder vol onwetendheid; Jozua laat de zon stilstaan, die dan niet meer draait; Samson, de Hercules van de joden, is zo sterk dat hij een tempel kan doen instorten…..als je zou willen ingaan op alle vergissingen en fabels, die te vinden zijn in alle passages van een boek, dat ze onbeschaamd aan de heilige geest toeschrijven, zou dat eindeloos zijn. De hele geschiedenis van de Hebreeën biedt ons een enorme hoeveelheid sprookjes, die de ernst van de geschiedenis en de grootsheid van god onwaardig zijn; vanuit het standpunt van het gezond verstand is het lachwekkend en het lijkt alleen maar bedacht te zijn om de goedgelovigheid van een onnozel en stompzinnig volk bezig te houden.

Die vormloze verzameling is doorweven met duistere en onsamenhangende orakels, waarvan sommige, geïnspireerde of profeterende, de een na de ander het bijgeloof van de joden hebben gevoed. Kortom, in het oude testament getuigt alles van begeestering, fanatisme en waanzin, dat vaak opgetuigd is met hoogdravende taal; alles is erin te vinden, behalve gezond verstand, degelijke logica en redelijkheid, die hardnekkig weggelaten lijken te zijn uit een boek dat als leidraad dient voor de Hebreeën en christenen.

De verachtelijke en vaak absurde ideeën die dat boek ons verschaft over de godheid, zijn intussen wel duidelijk; in zijn hele optreden blijkt hij lachwekkend; hij praat met twee monden; hij spreekt zichzelf elk moment tegen; hij handelt onvoorzichtig; hij betreurt wat hij heeft gedaan; met de ene hand bouwt hij, om het met de andere weer te vernietigen; als hij de hele mensheid straft met de dood, vanwege de zonde van één mens, verkondigt hij door middel van Ezechiël dat het rechtvaardig is en hij de kinderen niet verantwoordelijk stelt voor de zonden van hun vaderen. Door de stem van Mozes beveelt hij de Israëlieten de Egyptenaren te bestelen; in de tien geboden, bekend gemaakt door de wet van Mozes, verbiedt hij hen te stelen en te doden: kortom, Jehova, die altijd in tegenspraak is met zichzelf, verandert, in dat door zijn geest geïnspireerde boek, al naar gelang de omstandigheden, gedraagt zich nooit consequent en laat zich vaak zien met de trekken van een tiran, die zelfs bij de meest verstokte slechteriken het bloed naar de kaken doet stijgen.

Als we onze ogen op het nieuwe testament richten, zien we eveneens niets dat de geest van waarheid verkondigt, die dat boek naar verwachting zou moeten oproepen. Vier historici of fabeldichters hebben de wonderbaarlijke geschiedenis van de Messias opgeschreven; er bestaat weinig overeenstemming over zijn levensomstandigheden en ze spreken elkaar soms zonneklaar tegen. De door Mattheus geleverde stamboom van Christus, lijkt niet op die van Lucas; een van de evangelisten laat hem naar Egypte reizen, een andere rept met geen woord over die vlucht; de een laat zijn zending drie jaar duren, de ander maar drie maanden. We zien evenmin overeenstemming over de omstandigheden van de feiten die zij vermelden.

Marcus zegt dat Jezus op het derde uur sterft, dat wil zeggen om negen uur ’s morgens; Johannes zegt dat hij op het zesde uur sterft, dat wil zeggen om twaalf uur. Volgen Mattheus en Marcus zien de vrouwen, die na de dood van Jezus het graf bezoeken, maar één engel; volgens Lucas en Johannes zien ze er twee.

Volgens de eersten bevinden die engelen zich buiten en volgens de anderen binnen in de graftombe. Door de evangelisten, getuigen of geïnspireerden, worden bovendien verschillende van de wonderen van Jezus anders vermeld. Datzelfde geldt ook voor zijn verschijningen na zijn verrijzenis. Lijkt het niet dat al de dingen ons wel moeten doen twijfelen aan de onfeilbaarheid van de evangelisten en de echtheid van hun goddelijke ingevingen? Wat te zeggen van de onjuiste en niet bestaande profetieën die in het evangelie toegepast worden op Jezus? Zo beweert Mattheus dat Jeremia voorzegd heeft dat de Christus verraden zou worden voor dertig zilverlingen, terwijl die profetie bij Jeremia nergens te vinden is.

Niets is vreemder dan de manier waarop de christelijke geleerden zich uit die problemen weten te redden. Hun oplossingen zijn alleen maar bedacht om mensen tevreden te stellen, die het als hun plicht zien hun verblinding in stand te houden. Ieder redelijk mens zal begrijpen dat dat hele gedoe met die scherpzinnigheden nooit zulke overduidelijke tegenstrijdigheden met elkaar kan verzoenen en dat de inspanningen van hun vertolkers alleen maar de zwakte van hun zaak bewijzen. Kan met die uitvluchten, spitsvondigheden en leugens de godheid gediend worden? Diezelfde tegenstrijdigheden en dwalingen zullen we terugvinden in de hoogdravende wartaal die aan Paulus toegeschreven wordt.

Die man, vervuld van de geest Gods, vertoont in zijn verhandelingen en brieven niets anders dan de begeestering van een dolleman. Zelfs de geleerdste tekstverklaringen kunnen de tegenstrijdigheden, raadsels en onsamenhangende opmerkingen waarmee al zijn geschriften vol staan, niet begrijpelijk maken of met elkaar in overeenstemming brengen en evenmin de veranderlijkheid van zijn optreden, dat nu eens het jodendom gunstig gezind en dan weer ertegen gekant is. Uit de andere aan de apostelen toegeschreven geschriften valt ook niet meer zinnigs te halen. Het lijkt dat die door de godheid geïnspireerde personen, alleen maar op aarde zijn gekomen om hun leerlingen te verhinderen ook maar iets te begrijpen van de leer die zij hen wilden onderrichten.

Tot slot wordt de verzameling geschriften die het nieuwe testament vormen, afgesloten met het mystieke boek, dat bekend staat onder de naam de Apocalyps van Johannes, een onbegrijpelijk werk, waarin de schrijver geprobeerd heeft alle akelige en rampzalige ideeën die in de bijbel staan te overtreffen; hij toont daarin de gekwelde mensheid het vooruitzicht van een wereld die op het punt staat ten onder te gaan; hij voedt de verbeelding van de christenen met angstaanjagende ideeën, die uitermate geschikt zijn om hen te doen huiveren, afkerig te maken van een vergankelijk leven en nutteloos of schadelijk te maken voor de maatschappij. Dat is het einde van het fanatisme dat past bij een verzameling, die vereerd wordt door de christenen, maar lachwekkend en verachtelijk is voor de verstandige mens; een god vol wijsheid en goedheid onwaardig; verfoeilijk voor iedereen die de ellende ziet dat het aanricht op aarde.

Dus door een boek als de bijbel, dat wil zeggen een werk vol afschrikwekkende fabels, afschuwelijke ideeën en schokkende tegenstrijdigheden over de godheid, als leidraad te nemen voor hun gedrag en meningen, hebben de christenen nooit kunnen weten waaraan ze zich moesten houden; zijn het nooit eens kunnen worden over de manier waarop ze naar de wil moesten luisteren van een veranderlijke en wispelturige god en hebben nooit precies geweten wat die god van hen verlangde: zo werd dat duistere boek voor hen een twistappel, een bron van onuitputtelijke ruzies, een arsenaal waarin de meest tegen elkaar gekante partijen zich gelijkelijk van wapens konden voorzien. De meetkundigen hebben geen enkel meningsverschil over de fundamentele principes van hun wetenschap; door welke noodlottigheid is dan het aan de christenen geopenbaarde boek, dat de fundamenten bevat van hun goddelijke religie en waarvan hun eeuwige zaligheid afhangt, dan zo onbegrijpelijk en onderhevig aan twistgesprekken, die zo vaak de aarde van bloed doordrenkt hebben? Moet een dergelijk boek, te oordelen naar de gevolgen, dan niet gezien worden als het werk van een kwaadaardig genie, van de geest van leugen en duisternis, in plaats van dat van een God die belang stelt in het behoud en het geluk van de mensen en hen wil onderrichten?

Hoofdstuk XI

Over de christelijke moraal

Als we moeten afgaan op de geleerden onder de christenen, lijkt het dat er, vóór de komst van de stichter van hun sekte, op aarde geen echte moraal bestond; zij schetsen ons een wereld die geheel ondergedompeld is in duisternis en misdaad: toch was de moraal altijd onmisbaar voor de mensen; een maatschappij zonder moraal kan niet standhouden.

Vóór Jezus Christus, zien we bloeiende naties en verlichte filosofen, die de mensen onophoudelijk aan hun plichten herinnerd hebben; kortom, we vinden bij Socrates, Confucius en de Indiase gymnosofisten, stelregels die op geen enkele manier onderdoen voor die van de Messias van de christenen. We vinden in het heidendom voorbeelden van rechtvaardigheid, menselijkheid, vaderlandsliefde, matigheid, belangeloosheid, geduld en zachtmoedigheid, die de aanspraken van het christendom ten zeerste logenstraffen en bewijzen dat er vóór hun stichter deugden bestonden die heel wat tastbaarder waren, dan die hij ons is komen onderrichten.

Moeten de mensen een bovennatuurlijke openbaring hebben, om hen te leren dat rechtvaardigheid noodzakelijk is om een maatschappij in stand te houden en onrechtvaardigheid alleen maar vijanden oplevert, die bereid zijn elkaar te schaden? Moet er een sprekende God zijn, om hen te laten zien dat bijeengebrachte mensen behoefte hebben aan van elkaar te houden en zich te lenen voor wederzijdse hulp? Moet er hulp van boven komen, om te ontdekken dat wraak een kwaad is en een belediging van de wetten van het land die, omdat ze rechtvaardig zijn, belast zijn met het wreken van de burgers? Is het vergeven van beledigingen niet een gevolg van dat principe en zorgt haat er niet voor dat ze eeuwig blijven bestaan, omdat er dan sprake is van onverzoenlijkheid? Is het vergeven van vijanden niet het gevolg van grootmoedigheid, die ons een voorsprong geeft op hem die ons kwetst? Maakt onze vijanden goed doen, ons niet de meerdere van hen? Is dat gedrag soms niet geschikt om vrienden te maken? Voelt niet iedereen die uit is op zijn eigen behoud, dat ondeugden, onmatigheid en wellust zijn leven in gevaar brengen? Tot slot, heeft de ervaring niet elk denkend wezen bewezen dat de misdaad leidt tot haat van zijn medemensen, dat de ondeugd juist schadelijk is voor degenen die daardoor aangetast zijn en de deugd achting en liefde opwekt voor hen die haar koesteren? Als mensen ook maar even nadenken over wie ze zijn, over hun werkelijke belangen en het doel van de maatschappij, merken ze dat ze voor elkaar moeten zorgen. Goede wetten dwingen hen goed te zijn en dan hebben ze er geen behoefte meer aan om uit de hemel regels neer te laten dalen, die noodzakelijk zijn voor hun behoud en geluk. Het verstand is toereikend om ons de plichten te leren ten opzichte van onze medemensen. Wat voor hulp kan het halen uit de godsdienst, waardoor het onafgebroken tegengesproken en vernederd wordt? Men zal ons zonder twijfel zeggen dat de godsdienst helemaal niet in tegenspraak is met de moraal, maar haar juist als steun dient en haar verplichtingen heiliger maakt door ze de instemming van de godheid te verlenen. Mijn antwoord is dan dat de christelijke godsdienst de moraal helemaal niet steunt, maar haar onvast en onzeker maakt. Het is onmogelijk haar degelijk te vestigen op de uitgesproken wil van een veranderlijke, vooringenomen en wispelturige God, die met dezelfde mond rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid gebiedt, eendracht en bloedbad, verdraagzaamheid en vervolging. Ik zeg dat het onmogelijk is de voorschriften te volgen van een redelijke moraal, onder de heerschappij van een godsdienst die van de vernietigendste ijver, begeestering en fanatisme een deugd maakt. Ik zeg dat een religie die ons beveelt een despoot na te volgen, die er genoegen in schept om voor zijn onderdanen valstrikken te spannen, onverzoenlijk is in zijn wraak en wil dat iedereen die hem per ongeluk mishaagt uitgeroeid wordt, onverenigbaar is met de hele moraal. De misdaden waarmee het christendom, meer dan alle andere religies, bezoedeld is, hebben als voorwendsel alleen het behagen gehad van een zo eenzelvige god, die het van de joden heeft overgenomen. Het morele karakter van die god moet onherroepelijk het gedrag sturen van hen die hem aanbidden.

Als die god veranderlijk is, zullen zijn aanbidders ook veranderen, zal hun moraal onbestemd zijn en hun willekeurige gedrag hun gemoedstoestand volgen.

Dat kan ons de bron aanduiden van de onzekerheid waarin de christenen verkeren, als het er om gaat te bepalen of verdraagzaam zijn ten aanzien van mensen, die in hun meningen van hen verschillen, meer in overeenstemming is met de geest van hun godsdienst, dan ze te vervolgen. Beide partijen vinden in de bijbel nauwgezette bevelen van de godheid, die een zo tegengesteld gedrag wettigen.

Nu eens verklaart Jehova dat hij de volken die afgoden aanbidden haat en dat ze uitgeroeid moeten worden, dan weer verbiedt Mozes kwaad te spreken over de goden van die naties en vervolgens verbiedt Gods zoon de vervolging, nadat hij eerst zelf heeft gezegd dat die mensen verhinderd moet worden zijn koninkrijk binnen te gaan. Maar met het idee van een strenge en wrede god, die op de geest een veel krachtigere en diepere indruk maakt dan een goedaardige god, achten de ware christenen zich vrijwel altijd verplicht te ijveren tegen hen, van wie zij aannemen dat ze vijand zijn van hun God.

Zij hebben zich verbeeld dat ze hem niet konden beledigen door fel te zijn voor zijn zaak: soms waren het trouwens zijn eigen bevelen, waardoor zij zich vrijwel altijd zekerder hebben gevoeld om de mensen te vervolgen, te martelen en te doden, van wie zij dachten dat ze doelwit waren van de hemelse toorn. Verdraagzaamheid werd alleen betoond door lafhartige en weinig ijverige christenen, met een aard die weinig overeenkomsten vertoonde met de god die zij dienden.

Moet een ware christen zich niet genoodzaakt voelen wreed en bloeddorstig te zijn, als hem als voorbeeld de heiligen en helden van het oude testament worden voorgehouden? Vindt hij soms geen redenen om wreed te zijn, in het optreden van Mozes, de wetgever die twee maal het bloed van de Israëlieten liet vloeien en meer dan veertigduizend slachtoffers liet offeren aan zijn god? Vindt hij niet in de verderfelijke wreedheid van Pinehas, Jahel en Judith een reden om zijn eigen wreedheid te rechtvaardigen? Ziet hij dan niet in David, dat volmaakte voorbeeld van koningen, een barbaars, lasterlijk, overspelig en opstandig monster, dat hem niet belemmert een man naar Gods hart te zijn? Kortom, alles in de bijbel lijkt de christen te verkondigen dat de godheid alleen behaagd kan worden door een verwoede ijver en dat die ijver toereikend is om alle misdaden voor diens ogen te verbergen.

Het moet ons dus niet verbazen dat we de christenen elkaar onophoudelijk zien vervolgen; als zij verdraagzaam waren, was dat alleen omdat ze zelf vervolgd werden, of te zwak waren om de anderen te vervolgen; zodra ze aan de macht waren, lieten zij die voelen aan hen die niet dezelfde meningen hadden als zij, vooral wat de aangelegenheden van hun godsdienst betrof. Vanaf de stichting van de het christendom, zien we verschillende sekten met elkaar vechten; we zien de christenen elkaar haten, zich afsplitsen, elkaar benadelen en met een zeer doordachte wreedheid wederzijds behandelen; we zien vorsten, navolgers van David, prat gaan op de razernij van hun met elkaar twistende priesters en zelf te vuur en te zwaard de godheid dienen; we zien koningen zelf slachtoffer worden, van een godsdienstfanatisme, dat niets ontziet, als het denkt zijn God te gehoorzamen.

Kortom, de godsdienst die zich erop beroemt eendracht en vrede te brengen, heeft achttien eeuwen lang meer verwoestingen aangericht en meer bloed doen vloeien dat alle bijgeloven van het heidendom bij elkaar.

Ze richtte een scheidsmuur op tussen de burgers van dezelfde staten; eenheid en tederheid werden verbannen uit de gezinnen; onrechtvaardig en onmenselijk zijn werd een plicht. Onder een god die zo onrechtvaardig is dat hij aanstoot neemt aan de dwalingen van de mensen, wordt iedereen onrechtvaardig; onder een jaloerse en wraakzuchtige god, acht iedereen zich verplicht deel te nemen aan zijn ruzies en hem als hij beledigd wordt te wreken; tot slot, onder een bloeddorstige god, werd mensenbloed vergieten als een verdienste gezien.

Dat zijn de belangrijke diensten die de christelijke godsdienst de moraal bewezen heeft. Nu moeten ze ons niet vertellen dat die gruwelen hebben plaatsgevonden door een schandelijk misbruik van die godsdienst; de geest van vervolging en onverdraagzaamheid, is de geest van een godsdienst die gelooft voortgekomen te zijn uit een god die angstvallig bezorgd is om zijn macht, die uitdrukkelijk bevel gegeven heeft tot moord, van wie de vrienden onmenselijke vervolgers zijn geweest en die in zijn buitensporige toorn, zijn eigen zoon niet gespaard heeft. Als iemand een god dient met een zo afschuwelijk karakter, is hij er zekerder van dat hij hem behaagt door zijn vijanden te vernietigen, dan als hij ze hun schepper rustig laat beledigen.

Een dergelijke godheid moet dus dienen als voorwendsel voor de meest verderfelijke uitspattingen; de gedrevenheid om hem te eren, zal een sluier zijn die de hartstochten zal bedekken van alle bedriegers of fanatici, die beweren vertolker te zijn van de wil van de hemel; een vorst zal denken dat hij zich kan overgeven aan de grootste misdaden, omdat hij gelooft die uit te kunnen wissen met het bloed van de vijanden van zijn god.

Als een vanzelfsprekend gevolg van diezelfde principes, kan een onverdraagzame godsdienst alleen maar voorwaardelijk onderworpen zijn aan het gezag van wereldlijke vorsten. Een jood of christen, kan de gezagsdragers van een natie alleen gehoorzamen, als hun bevelen overeenstemmen met de willekeurige en vaak onzinnige wil van die god. Maar wie moet beslissen of de bevelen van de vorsten, die het gunstigst zijn voor de maatschappij, stroken met de wil van die god? Dat zijn dan zonder twijfel de medewerkers van de godheid, de uitleggers van zijn orakels, de ingewijden in zijn geheimen.

Dus in een christelijke staat, moeten de onderdanen meer onderworpen zijn aan de priesters, dan aan de vorst. Sterker nog. Als die vorst de Heer beledigt, diens eredienst verwaarloost, weigert zijn dogma’s te aanvaarden en zich niet onderwerpt aan zijn priesters, moet hij het recht verliezen om een volk te regeren, waarvan hij de godsdienst in gevaar brengt. Sterker nog. Als het leven van een dergelijke vorst een belemmering is voor het geluk van zijn onderdanen, voor de heerschappij van God en de voorspoed van de kerk, moet hij verwijderd worden uit het getal der levenden, zodra de priesters dat bevelen.

Een overvloed aan voorbeelden toont ons dat de christenen vaak die verachtelijke stelregels gevolgd hebben; honderd maal heeft het fanatisme onderdanen de wapens in handen gegeven tegen hun rechtmatige vorst en ellende in de maatschappij gebracht. Onder het christendom waren de priesters altijd scheidsrechter over het lot van de koningen; het kon die priesters maar heel weinig schelen of alles op aarde in verwarring gebracht werd, als de godsdienst maar geëerbiedigd werd: het volk kwam in opstand tegen zijn vorst, telkens als het ervan overtuigd werd dat zijn vorst in opstand was gekomen tegen zijn god. Oproer en koningsmoord zijn zodoende als rechtmatig voorgesteld voor de gedreven christenen, die een God moesten gehoorzamen, in plaats van mensen en zonder hun eeuwige heil in gevaar te brengen, niet konden kiezen tussen de eeuwige alleenheerser en de vorsten der aarde.

Gezien die rampzalige, uit de principes van het christendom voortvloeiende, stelregels, is het niet verwonderlijk dat we, sinds zijn komst naar Europa, zo vaak zien dat volken in opstand komen, vorsten zo schandelijk onteerd zijn onder het priesterlijk gezag, machthebbers die afgezet zijn door de priesters, fanatici die de wapens opnemen tegen de wereldlijke en ten slotte vermoorde vorsten. Vinden bijvoorbeeld de christelijke priesters hun opstandige praatjes niet gewettigd in het oude testament? Worden de opstandelingen tegen de koningen niet gerechtvaardigd door het voorbeeld van David? Worden de overweldigingen, gewelddadigheden, trouweloosheid en de overduidelijke schendingen van de rechten van natuur en mens, niet gewettigd door het voorbeeld van Gods volk en zijn leiders? Dat is dus de steun aan de moraal van een religie, waarvan het belangrijkste principe is het aanvaarden van de god van de joden, dat wil zeggen, van een tiran, van wie de grillige wilsbesluiten doorlopend de regels tenietdoen, die noodzakelijk zijn om een maatschappij in stand te houden. Die God schept het rechtvaardige en onrechtvaardige; zijn opperste wil verandert kwaad in goed en misdaad in deugd; in zijn wispelturigheid werpt hij de wetten omver die hij zelf de natuur heeft opgelegd; als het hem behaagt, vernietigt hij de tussen de mensen bestaande banden, ontslaat zichzelf van elke plicht jegens zijn schepselen en lijkt goed te keuren dat zij zich aan geen enkele vastgestelde wet houden, behalve aan de wetten die hij hen, onder verschillende omstandigheden, zelf voorschrijft door middel van de stem van zijn spreekbuizen en de door hem geïnspireerden.

Als ze de baas zijn prediken ze alleen maar onderwerping; als ze geloven dat ze benadeeld worden, prediken ze de revolutie; zijn ze te zwak, dan prediken ze verdraagzaamheid, geduld en zachtmoedigheid; zijn ze sterker, dan prediken ze vervolging, wraak, roof en wreedheid. In hun heilige boeken vinden ze doorlopend iets om de tegenstrijdige stelregels die ze uitkramen te wettigen; in de orakels van een weinig morele en veranderlijke god, vinden ze bevelen die lijnrecht tegenover elkaar staan. De moraal op een dergelijke god grondvesten of op boeken die tegelijkertijd zulke tegenstrijdige wetten bevatten, betekent haar een onzekere basis verschaffen, haar grondvesten op de wispelturigheid van hen die uit naam van God spreken, op het gemoed van al zijn aanbidders.

De moraal moet gegrondvest zijn op onveranderlijke regels; een god die die regels tenietdoet, vernietigt zijn eigen werk. Als die God de maker is van de mens, als hij het geluk van zijn schepsels beoogt en betrokken is bij het behoud van de mensheid, wil hij dat de mens rechtvaardig, menselijk en liefdadig is; hij heeft nooit kunnen willen dat hij onrechtvaardig, fanatiek en wreed is.

Uit wat hierboven gezegd is, kunnen we leren wat we moeten denken van de geleerden, die voorgeven dat zonder de christelijke godsdienst, geen enkel mens een moraal of deugd kan hebben. In de tegenovergestelde stelling schuilt vast meer waarheid en er zou gesteld kunnen worden dat iedere christen, die zich voorneemt zijn god na te volgen en de, uit zijn mond voortgekomen, vaak onrechtvaardige en vernietigende geboden in praktijk brengt, noodzakelijkerwijs een slecht mens moet zijn. Als ons verteld wordt dat die geboden niet altijd onrechtvaardig zijn en de heilige boeken vaak van goedheid, eenheid en rechtvaardigheid getuigen, is mijn antwoord dat de christen een onbestendig moraal moet hebben en nu eens goed en dan weer slecht is, al naar gelang zijn eigen belang en gezindheid.

Daaruit volgt dat de christen die vasthoudt aan zijn religieuze ideeën, geen echte moraal kan hebben, of onophoudelijk moet weifelen tussen misdaad en deugd.

Loopt hij, anderzijds, niet het gevaar dat hij de moraal verbindt met de godsdienst? Wordt hem niet een gebrekkige en rampzalige steun verschaft als hij de moraal wil bouwen op de godsdienst, in plaats van te steunen op de moraal zelf? In feite kan de godsdienst de toets der kritiek niet doorstaan en iedereen die de zwakte en onjuistheid van de bewijzen zou ontdekken, waarop de godsdienst gevestigd is, waarop gezegd wordt dat de moraal is gebaseerd, zal geneigd zijn te geloven dat die moraal net zozeer een hersenspinsel is, als de godsdienst die daarvoor als grondslag dient. Daarom zien we zo vaak dat slechte mensen, nadat ze het juk van de godsdienst afgeschud hebben, zich overgeven aan losbandigheid, onmatigheid en misdaad. Bij het achterlaten van de slavernij van het bijgeloof, vervallen ze in een totale anarchie en geloven dat alles geoorloofd is, omdat ze hebben ontdekt dat de godsdienst maar een fabel was. Daarom zijn de woorden ongelovig en losbandig helaas synoniemen geworden.

Het zal geen nadelen opleveren als, in plaats van een theologische moraal, een natuurlijke moraal onderricht wordt.

In plaats van losbandigheid, misdaden en ondeugden te verbieden, omdat God en de godsdienst die overtredingen afkeuren, zou gezegd moeten worden dat elke overmaat schadelijk is voor het behoud van de mens, hem verachtelijk maakt in de ogen van de maatschappij en verboden wordt door de rede, die wil dat de mens zichzelf in stand houdt en door de natuur, die wil dat hij zich bezighoudt met zijn duurzame geluk. Kortom, wat Gods wil ook is, toch is het, onafhankelijk van de beloningen en straffen die de godsdienst verkondigt voor het leven na de dood, gemakkelijk om iedereen te laten zien dat zijn belang in deze wereld, bestaat in het in acht nemen van zijn gezondheid, de gebruiken te eerbiedigen, de waardering van zijn medemensen te verwerven en tot slot fatsoenlijk, matig en deugdzaam te zijn. Degenen bij wie de hartstochten hen verhinderen gehoor te geven aan zo’n duidelijke, op de rede gebaseerde, principes, zullen niet gehoorzamer zijn aan de stem van een godsdienst, waarin zij niet langer geloven, zodra zij zich kant tegen hun losbandige neigingen.

Het moet dus afgelopen zijn met ons de zogenaamde voordelen aan te prijzen, die de christelijke godsdienst de moraal biedt; de principes die zij uit haar heilige boeken haalt, beogen de moraal te vernietigen; het bondgenootschap tussen die twee, dient om de moraal te verzwakken: bovendien toont de ervaring ons dat de zeden van de christelijke naties vaak meer bedorven zijn, dan die naar welke de ongelovigen en wilden handelen; de eersten zijn tenminste meer onderhevig aan godsdienstfanatisme, een hartstocht die zo geëigend is om rechtvaardigheid en sociale deugden uit de maatschappij te verdrijven.

Tegenover één goedgelovige sterveling, die door de christelijke religie behouden wordt, drijft zij duizenden tot de misdaad; tegenover één mens die zij zedelijk maakt, veroorzaakt zij honderd fanatici, honderd vervolgers en honderd onverdraagzamen, die veel schadelijker zijn voor de maatschappij, dan zelfs de onbeschaamdste losbandigen, die alleen zichzelf maar schaden.

Het staat in iedere geval vast dat de meest christelijke naties van Europa, niet de naties zijn waarin de ware moraal het bekendst is en het best in acht genomen wordt. In Spanje, Portugal en Italië, waar de bijgelovigste sekte van het christendom haar verblijfplaats heeft gevestigd, leven de volken in de schandelijkste onwetendheid van hun plichten; diefstal, moord, vervolging en losbandigheid hebben daar een hoogtepunt bereikt; het wemelt daar van de bijgelovigen; er zijn maar heel weinig deugdzame mensen te vinden en de godsdienst zelf, de handlanger van de misdaad, verschaft misdadigers een toevluchtsoord en eenvoudige middelen om zich weer met de godheid te verzoenen.

Gebeden, oefeningen en ceremonies, lijken mensen te ontheffen van een deugdzaam leven. In de landen die zich erop beroemen dat ze het christendom in al zijn zuiverheid bezitten, heeft de godsdienst de aandacht van haar aanhangers dermate in beslag genomen, dat zij de moraal volledig ontkennen en denken dat ze aan al hun plichten voldaan hebben, zodra ze tonen dat ze zich gewetensvol wijden aan de onbeduidendheden van de godsdienst, die op geen enkele manier bijdragen aan het geluk van de maatschappij.

Hoofdstuk XII

Over de christelijke deugden

Wat zo-even gezegd is, toont ons meteen wat we moeten denken over de christelijke moraal. Als we de deugden onderzoeken die het christendom aanbeveelt, vinden we daarin de stempel van begeestering en zien dat ze weinig geschikt zijn voor de mens, hem uittillen boven zijn omgeving, nutteloos zijn voor de maatschappij en uiterst gevaarlijke gevolgen voor haar hebben: tot slot vinden we in de voorschriften, of de zo geroemde raadgevingen die J C ons is komen brengen, alleen maar overdreven leefregels, die onmogelijk in praktijk gebracht kunnen worden; regels die, letterlijk genomen, de maatschappij schaden: in de voorschriften die wel gevolgd kunnen worden, vinden we niets dat niet al beter bekend was bij de wijzen uit de oudheid, en dan ook nog zonder hulp van de openbaring.

Volgens de Messias bestaat zijn hele wet in God liefhebben boven alles en de naaste als jezelf.

Is dat gebod mogelijk? Een toornige, wispelturige en onrechtvaardige god liefhebben, de god van de joden liefhebben! Hoe kan iemand een onrechtvaardige en onverzoenlijke god liefhebben, die zo wreed is dat hij zijn schepsel voor eeuwig verdoemt! Hoe kan iemand het meeste gevreesde voorwerp liefhebben dat de menselijke geest ooit heeft kunnen voortbrengen! Is zoiets dan bedacht om in het hart van de mens een gevoel van liefde op te wekken? Hoe kan iemand iets liefhebben, waarvoor hij bang is? Hoe kan iemand een god koesteren, onder de roede van wie hij moet huiveren? Betekent jezelf ervan overtuigen dat je een zo vreselijk wezen, dat zo geëigend is om tegen in opstand te komen, liefhebt niet jezelf bedriegen? Je naaste liefhebben als jezelf, is dat wel mogelijk? Ieder mens houdt van nature meer van zichzelf dan van alle anderen; hij houdt van hen alleen al naar gelang zij bijdragen aan zijn eigen geluk; hij is deugdzaam zodra hij zijn naaste goed doet; hij is edelmoedig als hij voor hem zijn liefde voor zichzelf opgeeft; maar altijd heeft hij hem alleen maar lief vanwege de nuttige eigenschappen die hij in hem vindt; hij kan hem alleen maar liefhebben als hij hem kent en zijn liefde voor hem richt zich onherroepelijk op de gunsten die hij van hem ontvangt.

Je vijanden liefhebben is dus een onmogelijk gebod. Wij kunnen afzien van iemand kwaad te doen die ons schaadt; maar liefde is een opwelling van het hart, die zich pas in ons roert als wij een voorwerp zien dat wij gunstig voor onszelf achten. Bij beschaafde volken hebben rechtvaardige wetten wraak nemen, of zichzelf recht verschaffen altijd verboden; een gevoel van edelmoedigheid, grootmoedigheid of moed, kan ons ertoe brengen iemand goed te doen die ons kwetst; wij worden op dat moment groter dan hij en kunnen zelfs zijn gemoedstoestand veranderen. Zonder terug te grijpen op een bovennatuurlijke moraal, voelen wij dus dat ons eigen belang van ons verlangt dat wij de wraak in ons hart smoren. Laten de christenen dus ophouden met ons de vergeving van beledigingen aan te prijzen, als een gebod dat alleen een god kan schenken en een bewijs is van de moraal van de godheid; lang vóór de Messias, had Pythagoras al gezegd, dat iemand zich alleen moet wreken op zijn vijand door hem tot vriend te maken; en Socrates zegt in de Crito, dat een mens die onrecht is aangedaan, zich niet mag wreken door een ander onrecht.

Zonder twijfel vergat Jezus dat hij tegen mensen sprak, toen hij, om ze naar volmaaktheid toe te leiden, zei dat ze afstand moesten doen van hun bezittingen ten behoeve van de hebzucht van de eerste de beste rover; de andere wang toe moesten keren, om een nieuwe klap in ontvangst te nemen; geen weerstand te bieden tegen zelfs het onrechtvaardigste geweld; af te zien van alle vergankelijke rijkdommen van deze wereld; huis, goederen, ouders en vrienden te verlaten om hem te volgen en zich te onthouden van vermaak, zelfs het onschuldigste.

Wie ziet niet in die prachtige raadgevingen de taal van de begeestering, van de hyperbool? Zijn die wonderbaarlijke raadgevingen niet bedacht om de mens te ontmoedigen en hem tot wanhoop te drijven? Is het letterlijk in praktijk brengen van al die dingen niet vernietigend voor de maatschappij? Wat moeten we zeggen van een moraal, die het hart gebiedt afstand te doen van dingen, die zijn verstand hem gebiedt lief te hebben? Betekent het welzijn dat de natuur ons biedt weigeren, niet de weldaden van de godheid verachten? Wat voor goeds voor de maatschappij kan er voortkomen uit de eenzelvige en zwaarmoedige deugden, die de christenen als idealen zien? Wordt iemand wel nuttig voor de maatschappij, als zijn geest doorlopend verontrust is door denkbeeldige angsten, akelige ideeën en sombere zorgen, die hem verhinderen zich bezig te houden met wat hij verplicht is aan zijn gezin, eigen land en hen die hem omringen? Als hij zich houdt aan die vreugdeloze principes, moet hij dan niet even onuitstaanbaar worden voor zichzelf als voor anderen? In het algemeen zou je kunnen zeggen dat fanatisme en begeestering de grondslag vormen voor de moraal van de Christus; de deugden die hij aanbeveelt, beogen de mensen af te zonderen, ze in een sombere stemming te dompelen en vaak om ze schadelijk te maken voor hun medemensen. Hier op aarde zijn menselijke deugden nodig, maar de christen ziet de zijne alleen voor voorbij de ware wereld; de maatschappij heeft echte deugden nodig, die haar in stand houden en energie en bezigheden geven; gezinnen hebben waakzaamheid, genegenheid en werk nodig; alle leden van de mensheid hebben behoefte aan het verlangen zich te voorzien van rechtmatige genoegens en het gezamenlijke geluk te vergroten.

Het christendom houdt zich doorlopend bezig met de mensen omlaag te halen door verpletterende angsten, of te bedwelmen door kleingeestige verwachtingen, gevoelens die evenzeer geëigend zijn om ze van hun echte plichten af te leiden.

Als de christen de principes van zijn wetgever letterlijk navolgt, zal hij altijd een nutteloos lid van de maatschappij blijven, of daar schadelijk voor zijn.

Wat voor voordelen kan de mensheid eigenlijk halen uit de ideale deugden, die de christenen evangelisch, goddelijk of godsdienstig noemen, verkiezen boven de sociale, menselijke en werkelijke deugden en zonder welke zij beweren dat God niet behaagd kan worden en ze ook niet kunnen deelnemen aan zijn glorie? Laten we die zo geroemde deugden eens nader bezien; laten we kijken wat voor nut ze hebben voor de maatschappij en of ze, als noodzakelijk voor het welzijn van de mensheid, werkelijk de voorkeur verdienen die ze gegeven wordt, boven de deugden die ons verstand ons ingeeft.

De belangrijkste christelijke deugd, die als basis dient voor alle andere, is het geloof. Het bestaat in een onmogelijke overtuiging van geopenbaarde dogma’s en ongerijmde fabels, die het christendom zijn leerlingen opdraagt te geloven. Daaruit blijkt dat die deugd een totaal afstand doen van het gezond verstand vereist, een ondoenlijke instemming met onwaarschijnlijke feiten en blinde onderwerping aan het gezag van de priesters, die de enige waarborg zijn voor de waarheid van de dogma’s en wonderen, die iedere christen moet geloven, op straffe van verdoemd te worden.

Hoewel die deugd noodzakelijk is voor alle mensen, is het toch een hemelse gave en het gevolg van een speciale genade; zij verbiedt twijfel en onderzoek, ontneemt de mens zijn recht om zijn eigen verstand te gebruiken en de vrijheid van denken; en over zaken waarvan hij moet geloven dat ze zeer belangrijk zijn voor zijn eeuwige geluk, verlaagt zij hem tot de stompzinnigheid van de dieren. Daaruit blijkt dat het geloof een deugd is, bedacht door mensen, die bang zijn voor de inzichten van het verstand, hun medemensen willen bedriegen om ze te onderwerpen aan hun eigen gezag en hen proberen te vernederen om macht over hen uit te oefenen. Als het geloof een deugd is, is ze vast en zeker alleen maar van nut voor de geestelijk leiders, die daar als enigen de vruchten van plukken.

Die deugd kan alleen maar rampzalig zijn voor de rest van de mensen, aan wie zij leert het verstand te verachten, dat hen onderscheidt van de dieren en het enige is dat hen in deze wereld kan leiden. In feite stelt het christendom ons dat verstand voor als iets verdorvens, als een onbetrouwbare gids, waarvan het lijkt te beweren dat het niet gemaakt is voor redelijke wezens.

Maar zou de christelijke schriftgeleerden niet gevraagd moeten worden in hoeverre er afstand gedaan moet worden van het verstand? Nemen zij daar in bepaalde gevallen niet ook zelf hun toevlucht toe? Is het soms niet het verstand waarop zij zich beroepen, wanneer het gaat om het bestaan van God te bewijzen? Als het verstand verdorven is, hoe moet er dan mee omgegaan worden in een zo belangrijke zaak als het bestaan van God? Hoe het ook zij, als iemand zegt dat hij iets gelooft dat hij niet begrijpt, is dat duidelijk een leugen; geloven zonder zich rekenschap te geven van wat hij gelooft, is iets absurds. Hij moet dus de motieven van zijn geloof afwegen. Maar wat de motieven van de christen zijn? Het is het vertrouwen dat hij heeft in de gidsen die hem onderrichten. Maar waarop is dat vertrouwen gebaseerd? Op de openbaring.

Maar waarop is die openbaring zelf dan gebaseerd? Op het gezag van de geestelijk leidsmannen. Dat is de manier waarop de christenen redeneren. Hun argumenten ten gunste van het geloof, komen op het volgende neer: om te geloven in een religie, moet je geloof hebben en om geloof te hebben, moet je geloven in de religie; met andere woorden, je moet dus geloof hebben, om te geloven in de noodzaak van het geloof.

Zodra iemand gaat redeneren, verdwijnt het geloof; die deugd doorstaat nooit een bezonnen onderzoek; dat maakt de priesters van het christendom zo vijandig ten opzichte van de wetenschap. De stichter van de godsdienst heeft zelf verkondigd dat zijn geloof alleen maar bedoeld is voor de eenvoudigen van geest en de kinderen. Het geloof is het gevolg van een genade, die God zelden toebedeeld aan ontwikkelde mensen, die gewend zijn hun gezond verstand te raadplegen; het is alleen bedoeld voor mensen die niet kunnen nadenken, voor door begeestering benevelde zielen, of voor mensen die onbedwingbaar gehecht zijn aan de vooroordelen uit hun jeugd. De wetenschap is, en zal altijd het mikpunt van haat blijven van de christelijke schriftgeleerden; zij zouden vijand van zichzelf zijn, als ze zouden houden van geleerden.

Een tweede christelijke deugd, die voortvloeit uit de eerste, is de hoop die gebaseerd is op verfraaide beloften, die het christendom doet aan mensen die zichzelf ongelukkig maken in dit leven, het voedt hun begeestering; het zorgt ervoor dat zij het zicht op het aanwezige geluk verliezen; het maakt hen nutteloos voor de maatschappij; het doet hen stellig geloven dat God in de hemel hun nutteloosheid, sombere gemoedstoestand, afkeer van genot, onzinnige zelfkwellingen, gebeden en nietsdoen zal belonen.

Hoe kan iemand, die in een roes verkeert door die opgeblazen verwachtingen, zich bezighouden met het feitelijk geluk van de mensen die hem omringen, als hij onverschillig staat ten opzichte van zijn eigen geluk? Beseft hij dan niet dat hij alleen door zichzelf ongelukkig te maken in deze wereld, mag hopen dat hij zijn God behaagt? Hoe aantrekkelijk de ideeën ook zijn, die de christen maakt over de toekomst, in feite worden die vergiftigd door zijn godsdienst en de verschrikkingen van een jaloerse god, die wil dat hij met angst en beven aan zijn heil werkt, zijn eigenwijsheid straft en hem meedogenloos verdoemt, als hij zo zwak is dat hij een enkel moment in zijn leven mens is.

De derde christelijke deugd is de naastenliefde; zij bestaat in God en de naaste liefhebben. We hebben al gezien hoe moeilijk het is, om niet te zeggen onmogelijk, gevoelens van genegenheid te hebben voor iemand waar je bang voor bent. Zonder twijfel zal dan gezegd worden dat die angst van de christenen een kinderlijke angst is, maar woorden veranderen niets aan het wezen van de dingen; angst is een passie die het lijnrecht tegenovergestelde is van liefde.

Een zoon, die bang is voor zijn vader en een reden heeft om diens woede te wantrouwen en beducht is voor zijn grillen, zal hem nooit oprecht kunnen liefhebben. De liefde van een christen voor zijn god, kan dus nooit echt zijn; vriendschap proberen op te wekken voor een strenge meester, voor wie hem de schrik om het hart slaat, die hij nooit anders kan liefhebben dan als een tiran en aan wie zijn mond het eerbetoon brengt, dat zijn hart hem weigert, is tevergeefs.

De godvruchtige is niet eerlijk tegenover zichzelf, als hij beweert zijn god te koesteren; zijn genegenheid is een voorgewend eerbetoon, vergelijkbaar met dat, dat iemand denkt verplicht te zijn aan onmenselijke tirannen die, zelfs als ze hun onderdanen kwaad berokkenen, uiterlijke tekenen van hun aanhankelijkheid verlangen.

Als sommige gevoelige zielen er, op grond van illusies, in slagen bij zichzelf een liefde voor god op te wekken, dan is dat een mystieke en romantische hartstocht, teweeggebracht door een verhitte gemoedstoestand, door een vurige verbeelding, die ertoe leidt dat ze hun god van zijn beste kant zien en hun ogen sluiten voor zijn werkelijke tekortkomingen.

De liefde voor God is niet het minst onbegrijpelijke mysterie van onze godsdienst.

Naastenliefde, gezien als liefde voor onze medemensen, is een deugdzame en noodzakelijke gezindheid. Zij is niets anders dan liefdevolle menselijkheid, waardoor wij belangstelling hebben voor onze medemensen, die ons ertoe brengt hen hulp te verlenen en ons met hen verbindt. Maar hoe is die band met anderen te rijmen met de bevelen van een jaloerse god, die wil dat wij alleen hém liefhebben en er in slaagt de zoon van zijn vader te scheiden en de vriend van diens vriend? Volgens de geboden van het evangelie, zou het een misdaad zijn om god een hart te bieden dat verdeeld is door een of ander aards voorwerp; het zou afgoderij zijn om een schepsel te laten wedijveren met de schepper. Hoe zouden we trouwens mensen kunnen liefhebben die de godheid doorlopend kwetsen, of voor ons doorlopend een reden zijn om hem te kwetsen? Hoe kunnen we zondaars liefhebben? Bovendien laat de ervaring ons zien dat de godvruchtigen, gedwongen door het principe om zichzelf te haten, maar heel weinig geneigd zijn de anderen beter te behandelen, hun leven aangenaam te maken en toegeeflijk voor hen te zijn. Zij die zo handelen, hebben de volmaakte goddelijke liefde niet bereikt. Kortom, wij zien dat mensen die de naam hebben dat ze hun schepper het vurigst liefhebben, niet veel genegenheid tonen voor hun onbeduidende medeschepsels; we zien daarentegen dat zij doorgaans leed toebrengen aan iedereen in hun buurt, schamper de tekortkomingen van hun medemensen onthullen en toegeeflijkheid voor de menselijke kwetsbaarheid als een misdaad zien.

In feite moet een oprechte liefde voor de godheid vergezeld gaan van gedrevenheid; een ware christen moet er aanstoot aan nemen als hij ziet dat zijn god beledigd wordt; hij moet zich wapenen met een rechtvaardige en heilige wreedheid, om de schuldigen te beteugelen; hij moet er vurig naar verlangen dat de godsdienst de dienst uitmaakt. Die gedrevenheid, ontleend aan de liefde voor god, is de bron van vervolgingen en gewelddadigheden, waaraan het christendom zich zo vaak schuldig heeft gemaakt; het is die gedrevenheid die zowel beulen als martelaars voortbrengt; die maakt dat de onverdraagzame de bliksem uit de handen van de allerhoogste rukt, onder het voorwendsel zijn beledigingen te wreken; die ervoor zorgt dat de leden van eenzelfde familie, de burgers van eenzelfde staat elkaar verachten en kwellen vanwege meningen en vaak om kinderachtige ceremonies, die door die gedrevenheid gezien worden als zaken van het grootste belang; het is die gedrevenheid die in ons Europa duizend, door hun wreedheden zo opmerkelijke, godsdienstoorlogen aangestoken heeft; en tot slot, ten bate van de godsdienst laster heeft goedgepraat, verraad, bloedbaden, bedrog en leugen, zodra het erom ging Gods zaak te steunen. De humeurigste, opvliegendste en verdorvenste mensen, zijn doorgaans het gedrevenst; zij hopen dat de hemel hen, vanwege hun gedrevenheid, hun verdorven zeden zal vergeven en al hun andere losbandigheden.

Door diezelfde gedrevenheid, zien wij begeesterde christenen de aarde en zeeën doorkruisen, om de macht van hun God uit te breiden, voor hem bekeerlingen te maken en nieuwe onderdanen te werven.

Door die gedrevenheid geloven missionarissen dat ze verplicht zijn de rust te verstoren van staten die zij als ongelovig zien, terwijl ze het heel vreemd zouden vinden als er in hun eigen land missionarissen zouden komen om hen een andere wet te verkondigen. Als de verbreiders van het geloof de macht in handen hadden, verwekten ze tijdens hun veroveringen, afschuwelijke opstanden, of legden gewelddadigheden aan de dag bij de onderworpen volken, die heel dienstig waren om bij die laatsten hun godheid verfoeilijk te maken.

Zij geloofden zonder twijfel dat de mensen, aan wie hun God zo lang onbekend gebleven was, alleen maar dieren konden zijn, tegen wie ze de grootste wreedheden mochten begaan. Voor een christen was een ongelovige nooit meer dan een hond.

Dat de christelijke naties zich de bezittingen van de inwoners van de nieuwe wereld wederrechtelijk hebben toegeëigend, is zonder twijfel een gevolg van ideeën van de joden.

De Castilianen en Portugezen, hadden kennelijk dezelfde rechten om zich meester te maken van Amerika en Afrika, als de Hebreeën om zich de gebieden van de Kaänieten toe te eigenen en de inwoners af te slachten, of ze tot slaaf te maken.

Matigde een priester van de god van gerechtigheid en vrede, zich dan niet het recht aan, om verre landen te verdelen onder de Europese vorsten, die hij wilde begunstigen? Die duidelijke overtredingen van het recht van de natuur en de mensen, waren rechtmatig in de ogen van de christelijke vorsten, ten behoeve van wie de godsdienst hebzucht, wreedheid en overweldiging zegende.

Tot slot ziet het christendom nederigheid als een verheven deugd; zij hecht daar de grootste waarde aan. Je hebt natuurlijk geen goddelijke en bovennatuurlijke inzichten nodig, om te begrijpen dat trots mensen kwetst en hen die dat aan anderen tonen, onaangenaam maakt. Als je er maar even over nadenkt, ben je ervan overtuigd dat arrogantie, verwaandheid en ijdelheid onaangename en verachtelijke eigenschappen zijn; maar de nederigheid van de christen moet nog veel verder gaan; hij moet zijn verstand opgeven, zijn deugden wantrouwen, weigeren zijn goede daden recht te laten wedervaren, en de zozeer verdiende achting voor zichzelf verliezen. Daaruit blijkt dat die zogenaamde deugd alleen maar dient om de mens omlaag te halen, zijn eigen ogen te schande te maken en bij hem alle krachten en elk verlangen om zich nuttig te maken voor de maatschappij, te verstikken. Mensen verbieden zichzelf te waarderen en waardering van anderen te verdienen, betekent het vernietigen van de krachtigste drijfveer die hen tot grote daden, studie en bedrijvigheid brengt. Hij lijkt alsof de enige bedoeling van het christendom is verachtelijke slaven te maken, die nutteloos zijn voor de wereld en bij wie hun hele deugdzaamheid vervangen wordt door blinde onderwerping aan hun priesters.

Het hoeft ons dus niet te verbazen dat een godsdienst, die zich erop laat voorstaan dat ze bovennatuurlijk is, moet proberen de mens van zijn natuur te ontdoen: in haar waanzinnige geestdrift verbiedt zij hem in feite van zichzelf te houden; zij gebiedt hem genot te haten en pijn te koesteren; als hij zich uit vrije wil kwaad aandoet, rekent zij hem dat aan als een verdienste. Vandaar die zelfkastijdingen, die voor de gezondheid verwoestende boetedoeningen, die buitensporige verstervingen, die wrede ontberingen, die onzinnige oefeningen en tot slot die langzame zelfmoorden, waarmee de fanatiekste christenen de hemel denken te verdienen. Weliswaar achten niet alle christenen zich in staat tot deze wonderbaarlijke idealen, maar ze geloven wel allemaal dat ze, om zichzelf te redden, min of meer verplicht zijn hun zinnen te kastijden en afstand te doen van de weldaden, die een goede god hen aanbiedt, omdat ze aannemen dat het die god stoort als zij daarvan gebruik maken en hij die weldaden alleen maar aanbiedt met de bedoeling dat zij daarvan afzien.

Hoe zou het verstand voor onszelf vernietigende deugden goed kunnen keuren? Hoe zou het gezond verstand een god kunnen aanvaarden, die gebiedt dat je jezelf ongelukkig moet maken en er behagen in schept de kwellingen te aanschouwen die zijn schepsels zichzelf aandoen? Wat voor voordelen kan de maatschappij halen uit deugden, die de mens somber en ellendig maken en ervoor zorgen dat hij niet nuttig kan zijn voor het vaderland? Zijn verstand en ervaring, zonder hulp van bijgeloof, dan niet toereikend om ons te tonen dat tot het uiterste doorgedreven hartstochten en genoegens, zich tegen onszelf richten en misbruik maken van de beste dingen een echt kwaad wordt? Dwingt onze natuur ons niet tot matigheid en ons te onthouden van zaken die ons kunnen schaden? Kortom, moet een wezen dat zichzelf in stand wil houden, niet zijn neigingen matigen en vermijden wat zijn vernietiging beoogt? Het is duidelijk dat het christendom, althans indirect, zelfmoord goedkeurt.

Vooral in de eerste tijden van het christendom werden, als gevolg van die fanatieke ideeën, de woestijnen en wouden bevolkt met volmaakte christenen die, door zich terug te trekken uit de wereld, hun families steun onthielden en hun vaderland burgers, om zich over te leveren aan een leven van nietsdoen en beschouwen.

Vanaf die tijd hebben die legioenen van monniken en kluizenaars zich, onder het vaandel van verschillende dwepers, aaneengesloten tot een volksleger dat nutteloos of schadelijk voor de staat was. Door de talenten, die nodig waren voor hun medeburgers, te begraven en zich te wijden aan nietsdoen en het celibaat, dachten ze de hemel te verdienen. In de landen waar de christenen het trouwst zijn aan hun godsdienst, verplicht zich zodoende een menigte mensen, uit vroomheid, levenslang nutteloos en ongelukkig te zijn. Wat een vreselijk wreed hart dat de aan een, voor ons geluk gemaakt, verleidelijk geslacht, ontlokte tranen het lot van die slachtoffers ontzegt! Helaas bedrogen door de begeestering van hun jeugd, of gedwongen door de belangstellende blikken van een eisende familie, zijn ze voor altijd verbannen uit de wereld; een lichtvaardige eed bindt hen voor altijd aan verveling, eenzaamheid, slavernij en ellende; plichten, die strijdig zijn met de natuur, dwingen hen tot maagdelijkheid.

Vroeg of laat komt een gerijpter gemoed in hen in opstand en laat ze zuchten onder de onbezonnen geloften; de maatschappij straft hen door hun nutteloosheid en vrijwillige onvruchtbaarheid aan de vergetelheid prijs te geven; afgesneden van hun families, slijten zij in verveling, bitterheid en tranen, een leven dat doorlopend gehinderd wordt door lastige en tirannieke gevangenbewaarders; ten slotte kunnen ze, afgezonderd en zonder steun en banden, nog alleen maar een afschuwelijke troost vinden in het verleiden van andere slachtoffers, die met hen de verveling van hun afzondering en hun ongeneeslijke kwelling delen.

Kortom, het christendom lijkt zich tot taak gesteld te hebben de gehele natuur en het verstand te bestrijden; als het sommige, door het gezond verstand goedgekeurde, deugden aanvaardt, wil het ze altijd overdrijven; het houdt nooit de gulden middenweg, die het teken van volmaaktheid is. Wellust, losbandigheid en overspel, kortom, ongeoorloofde en schandelijke genoegens, zijn duidelijk zaken waaraan iedereen weerstand moet bieden, die gehecht is aan zijn behoud en de achting van zijn medeburgers wil verdienen. De heidenen hebben die waarheid gevoeld en onderwezen, ondanks dat het christendom hen losbandige zeden verwijt. De christelijke godsdienst, die maar weinig tevreden is met die redelijke stelregels, beveelt het celibaat aan als een volmaakte toestand; de zo gewettigde huwelijkse verbintenis is in zijn ogen een onvolmaaktheid. De vader van de god van de christenen heeft in Genesis gezegd: het is niet goed dat de mens alleen zij. Hij heeft alle wezens uitdrukkelijk bevolen in aantal toe te nemen en zich te vermenigvuldigen. In het evangelie komt zijn zoon die wetten tenietdoen; hij beweert dat de mens, om volmaakt te kunnen zijn, zich het huwelijk moet ontzeggen, weerstand moet bieden aan een van de dringendste behoeften die de natuur de mens ingegeven heeft, moet sterven zonder nageslacht en de staat burgers en zichzelf steun in zijn ouderdom moet onthouden.

Als wij te rade gaan bij ons verstand, zien we dat liefdesgenot ons schaadt, als we dat in overmaat tot ons nemen; dat het een misdaad is als het anderen schade berokkent; we begrijpen dat een meisje verleiden betekent dat ze veroordeeld wordt tot schande en eerloosheid en haar de voordelen van de maatschappij ontnomen worden; we zien dat overspel inbreuk maakt op de rechten van de ander, de huwelijksverbintenis vernietigt en in ieder geval de harten scheidt die bedoeld waren om elkaar lief te hebben; daaruit maken wij op dat het huwelijk, het enige middel om eerzaam en wettig de natuurlijke behoefte te bevredigen, de maatschappij te bevolken en steun te verkrijgen, een veel eerbaardere en heiligere toestand is dan dat verwoestende celibaat, die vrijwillige castratie, dat door het christendom zo onbeschaamd veranderd wordt in een deugd. Door de lokroep van het genot nodigt de natuur, of de schepper van de natuur, de mensen uit zich te vermenigvuldigen; hij heeft nadrukkelijk verklaard dat de vrouw noodzakelijk is voor de man; de ervaring heeft geleerd dat ze een gemeenschap moeten vormen, niet alleen om voorbijgaande genoegens te genieten, maar ook om bij elkaar steun te vinden om het leed van het leven te kunnen verduren, kinderen groot te brengen, van hen burgers te maken en in hen steun te vinden in de ouderdom. Door de man een grotere kracht toe te bedelen dan zijn metgezellin, wilde zij dat hij werkte om zijn gezin te onderhouden; door die metgezellin zwakkere organen te schenken, heeft zij haar bestemd voor minder moeizame, maar niet minder noodzakelijke bezigheden; door haar een gevoeliger en zachtaardiger gemoed te geven, wilde zij dat zij haar tedere gevoelens vooral aan haar kwetsbare kinderen zou wijden. Ziedaar de banden die het christendom wil verhinderen zich te vormen; ziedaar de ideeën die het wil dwarsbomen door, als een volmaakte toestand, een celibaat voor te stellen dat de maatschappij ontvolkt, strijdig is met de natuur, aanspoort tot losbandigheid, mensen afzondert en alleen maar voordelig kan zijn voor het verfoeilijk beleid van de priesters van sommige christelijke sekten, die zich van hun medeburgers afzonderen als hun plicht zien, teneinde een heilloos geheel te vormen, dat zich vereeuwigt zonder nageslacht.

Als het christendom al zo toegeeflijk was om het huwelijk toe te staan van twee van zijn volgelingen, die niet durfden of konden streven naar volmaaktheid, lijkt het dat het ze daarmee gestraft heeft, door de onaangename belemmeringen die het die verbintenis opgelegd heeft; zo zien we dat echtscheiding door de christelijke godsdienst verboden wordt; de ondeugdelijkste aangegane verbintenissen zijn onverbreekbaar geworden; mensen die eenmaal getrouwd zijn worden gedwongen voor altijd te zuchten vanwege hun onvoorzichtigheid, zelfs als het huwelijk, dat als doel en basis alleen welzijn, tederheid en genegenheid kan hebben, voor hen een bron wordt van ruzies, bitterheid en ellende. In overleg met die wrede godsdienst, stemt de wet in met de ongelukkigen te verhinderen hun ketenen te verbreken. Het lijkt dat het christendom alles in het werk gesteld heeft om de mens af te brengen van het huwelijk en hem het celibaat te laten verkiezen, wat noodzakelijkerwijs leidt tot losbandigheid, overspel en echtscheiding. Toch heeft de god van de joden echtscheiding toegestaan en wij begrijpen niet met welk recht zijn zoon, die de wet van Mozes kwam vervullen, een zo zinvolle toestemming heeft herroepen.

We spreken hier niet over de andere belemmeringen die de kerk, vanaf haar stichter, het huwelijk opgelegd heeft. Lijkt het niet dat zij, door het huwelijk tussen bloedverwanten te verwerpen, verboden heeft dat zij die zich met elkaar willen verbinden, elkaar volmaakt kennen en zeer teder liefhebben? Dat zijn de idealen die het christendom zijn kinderen aanbiedt, dat zijn de deugden die het verkiest boven de deugden die het, misprijzend, menselijk noemt. Sterker nog, het verwerpt en ontkent die laatsten en noemt ze vals en onwettig, omdat de mensen die ze bezitten, niet het geloof hebben. Hoezo? Die zo beminnelijke en heldhaftige deugden van Griekenland en Rome, waren dus geen echte deugden! Als de rechtvaardigheid, menselijkheid, welwillendheid, matigheid en het geduld van een heiden, geen deugden zijn, waaraan kan die naam dan wel gegeven worden? Beweren dat de rechtvaardigheid van een heiden geen rechtvaardigheid is, dat zijn goedheid geen goedheid is en zijn liefdadigheid een misdaad, wil dat niet zeggen dat daarmee alle ideeën over de moraal tenietgedaan worden? Zijn die werkelijke deugden van mensen als Socrates, Cato, Epictetus en Antoninus, dan niet te verkiezen boven de gedrevenheid van mensen als Cyrillus, de halsstarrigheid van Athanasius, de nutteloosheid van Antonius, de opstandigheid van Chrysostomus, de wreedheid van Dominicus en de laaghartigheid van Franciscus? Alle deugden die door het christendom bewonderd worden zijn, of overdreven en fanatiek, of ze beogen de mens angstvallig, verachtelijk en ongelukkig te maken; als ze hem moed geven, wordt hij weldra koppig, hooghartig, wreed en schadelijk voor de maatschappij. Zo moet hij zijn om te beantwoorden aan de ideeën van een godsdienst die de aarde veracht en niet schroomt daarop verwarring te stichten, als haar jaloerse god maar over haar vijanden zegeviert.

Met een dergelijke godsdienst is geen enkele moraal verenigbaar.

Hoofdstuk XIII

Over de gebruiken en plichten van de christelijke godsdienst.

Terwijl de deugden van het christendom niets degelijks en werkelijks inhouden, of enige invloed hebben waarmee het verstand kan instemmen, ziet het des te meer verdienstelijks in een groot aantal lastige, nutteloze en vaak gevaarlijke gebruiken, waarvan het voor zijn toegewijde aanhangers plichten maakt en die het hen opdient als betrouwbare middelen om de godheid gunstig te stemmen, zijn genade te verkrijgen en zijn onuitsprekelijke beloningen te verdienen.

De belangrijkste en wezenlijkste plicht van het christendom, is bidden.

Aan onafgebroken gebed verbindt het christendom zijn geluk; zijn god, waarvan het veronderstelt dat die vol goedheid is, wil dat hem gevraagd wordt zijn genade te verspreiden; hij verleent die alleen als mensen opdringerig zijn; omdat hij, net als de vorsten der aarde, gevoelig is voor gevlei, eist hij een ceremonie, want hij geeft alleen gunstig gehoor aan wensen, als ze in een bepaalde vorm worden aangeboden. Wat te zeggen van een vader die, terwijl hij de behoeften van zijn kinderen kent, niet bereid is hen het benodigde voedsel te geven, tenzij zij dat afdwingen met vurige en vaak nutteloze smeekbeden? Maar betekent anderzijds God gedragsregels voor schrijven dan niet zijn wijsheid wantrouwen? Betekent geloven dat zijn eigen schepsel hem kan dwingen zijn raadsbesluiten te veranderen, niet zijn onveranderlijkheid in twijfel trekken? Als hij alles weet, waarom zou hij dan doorlopend op de hoogte gesteld moeten worden van de gemoedstoestand en verlangens van zijn onderdanen? Als hij almachtig is, hoe kan hij dan gevleid worden door hun eerbetoon, hun herhaalde onderwerping en de machteloosheid, waarmee zij zich aan zijn voeten werpen? Kortom, het gebed veronderstelt een wispelturige god, die kort van memorie is, gevoelig voor loftuitingen, gevleid is als hij zijn onderdanen zich voor hem ziet vernederen en er elk moment op uit is steeds weer tekenen van hun onderwerping te ontvangen.

Kunnen die, aan de vorsten der aarde ontleende, ideeën wel toegepast worden op een almachtig wezen, dat het universum uitsluitend voor de mens heeft geschapen en alleen maar uit is op diens geluk? Is het voorstelbaar dat een almachtig wezen, zonder gelijke of rivalen, gehecht is aan zijn roem? Is dat roem voor een wezen dat nergens mee vergeleken kan worden? Zien de christenen dan niet dat ze, door hun god te willen verheffen en eren, hem in werkelijkheid alleen maar neerhalen en onteren? Het komt voor in het systeem van de christelijke godsdienst, dat de gebeden van de een werkzaam zijn voor de ander; haar voor zijn gunstelingen partijdige god, neemt alleen hun gebeden in ontvangst; naar zijn volk luistert hij alleen als zijn wensen hem aangeboden worden door zijn medewerkers. Zo wordt God een sultan, die alleen maar toegankelijk is voor zijn ministers, vizieren, eunuchen en haremvrouwen. Vandaar die ontelbare hoeveelheid priesters, kluizenaars, monniken en religieuzen, die geen andere functie hebben dan hun werkeloze handen ten hemel heffen en dag en nacht te bidden, om haar gunsten voor de maatschappij te verkrijgen. De naties betalen een hoge prijs voor die belangrijke diensten en de vrome nietsnutten leven in pracht en praal, terwijl de werkelijke verdiensten, werk en bedrijvigheid, in ellende wegkwijnen.

Onder het voorwendsel dat hij zich bezighoudt met het gebed en ceremonies van zijn eredienst, is de christen, vooral in bepaalde zeer bijgelovige sekten, verplicht niets te doen en een groot deel van het jaar met zijn armen over elkaar te blijven zitten; hij wordt ervan overtuigd dat hij door zijn nutteloosheid god eert; feesten, die in het belang van de priesters en door de goedgelovigheid van het volk overal tegelijk plaatsvinden, schorten het werk van miljoenen armen op; de gewone man gaat bidden in een tempel, in plaats van zijn akker te bewerken; daar doet hij zijn ogen te goed aan kinderachtige ceremonies en zijn oren aan fabels en dogma’s waarvan hij niets kan begrijpen. Een tirannieke godsdienst rekent het een ambachtsman of landbouwer als een misdaad aan als hij zich, tijdens de dagen die gewijd zijn aan lediggang, bezig durft te houden met de zorg om een kinderrijk en noodlijdend gezin te onderhouden en de regering straft, eensgezind met de godsdienst, de mensen die zo stoutmoedig zijn om hun brood te verdienen, in plaats van te bidden of met hun armen over elkaar te zitten.

Zou het verstand die bizarre verplichting om zich te onthouden van vlees en bepaalde voedingsmiddelen, die sommige christelijk sekten opleggen, kunnen onderschrijven? Als gevolg van die wet is het volk dat leeft van zijn arbeid, gedwongen gedurende zeer lange tussenpozen, genoegen te nemen met duur en ongezond voedsel, dat nauwelijks geschikt is om op krachten te komen.

Wat een verwerpelijke en lachwekkende ideeën moeten die krankzinnigen hebben van hun god, van wie zij geloven dat hij zich stoort aan het soort spijzen die terechtkomt in de maag van zijn schepsels? Maar voor geld wordt de hemel inschikkelijker.

De priesters van de christenen zijn onophoudelijk bezig geweest met hun goedgelovige aanhangers in de weg te zitten, met het doel ze te dwingen overtredingen te begaan; het kwam er op neer dat ze de gelegenheid wilde hebben om hen duur te laten boeten voor hun zogenaamde overtredingen. Alles in het christendom, tot aan zonden toe, valt uit in het voordeel van de priester.

Geen enkele eredienst bracht ooit haar aanhangers in een totalere en aanhoudendere afhankelijkheid van hun priesters, dan het christendom; nooit verloren zij hun prooi uit het oog; ze namen de deugdelijkste maatregelen om de mensen te onderwerpen en een bijdrage te laten leveren aan hun macht, rijkdom en heerschappij. Omdat ze middelaar waren tussen de hemelse alleenheerser en zijn onderdanen, werden die priesters gezien als regerende hovelingen, als ministers belast met de machtsuitoefening in zijn naam, als gunstelingen aan wie de godheid niets kon weigeren. Zo werden de medewerkers van de allerhoogste, absolute meesters over het lot van de christenen; zij maakten zich meester van slaven die zich uit angst en door vooroordelen levenslang aan hen onderwierpen; zij bonden hen aan zich door een groot aantal even kinderachtige als bizarre ceremonies en plichten en zorgden ervoor dat zij die zagen als onmisbaar en noodzakelijk voor hun heil. Het nalaten van die plichten rekenden zij hen aan al zeer ernstige misdaden, als een duidelijke inbreuk op de regels van moraal en verstand.

Het hoeft ons dus niet te verbazen als we zien dat in de meest christelijke, dat wil zeggen, de bijgelovigste sekten, de mens doorlopend geteisterd wordt door de priesters. Amper is hij uit de schoot van zijn moeder gekomen of zijn priester doopt hem voor geld, onder het voorwendsel dat hij een zogenaamde erfzonde van hem afwast en hem verzoent met een god die hij nog niet heeft kunnen kwetsen; met behulp van woorden en betovering, ontrukt hij hem aan het rijk van de duivel. Vanaf zijn prilste kindertijd wordt zijn opvoeding doorgaans toevertrouwd aan de priesters, van wie het belangrijkste oogmerk is hem op tijd de vooroordelen in te prenten die, naar hun mening, noodzakelijk zijn; ze voeden hem met vreselijke angsten, die zijn leven lang steeds talrijker worden; ze onderrichten hem de fabels van een wonderbaarlijke godsdienst, haar onzinnige dogma’s en onbegrijpelijke mysteries; kortom, ze maken er een bijgelovige christen van en nooit een nuttige burger, of een verstandig mens. Er is maar één ding dat hem als noodzakelijk voorgehouden wordt en dat is vroom onderworpen zijn aan zijn godsdienst.

Wees vroom, wordt hem gezegd, wees blind, veracht je verstand, houd je bezig met de hemel en veronachtzaam de aarde, dat is alles wat God van je vraagt om je te leiden naar het geluk.

Om de christen te steunen in die verachtelijke en fanatieke ideeën, waarmee zijn jeugd doordrenkt was, wordt hem, in bepaalde sekten, bevolen om in hun midden herhaaldelijk getuigenis af te leggen van zijn verborgenste misstappen, zijn onbekendste daden en zijn geheimste gedachten; ze dwingen hem zich te vernederen aan hun voeten en eer te betonen aan hun macht; zij jagen de schuldige angst aan en als zij hem waardig achten, verzoenen ze hem vervolgens met de godheid die hem op bevel van zijn priester, de zonden waarmee hij zich bezoedeld heeft, kwijtscheldt.

De christelijke sekten, die deze praktijken aanvaarden, prijzen ze ons aan als een zeer nuttige teugel voor de zeden, die ook zeer geschikt is om de hartstochten van de mensen in toom te houden; maar de ervaring leert ons dat landen waarin dat gebruik het getrouwst in acht genomen wordt, helemaal niet zuiverdere zeden hebben dan de andere, maar juist veel losbandiger zijn. Dat gemakkelijke boetedoen, moedigt de misdaad alleen maar aan. Het leven van de christenen is een afwisseling van ontregelingen en bekentenissen; het priesterdom is de enige die voordeel heeft van dat gebruik, dat het inzet om absolute macht uit te oefenen over het geweten van de mensen. Wat een macht moet dat zijn van een klasse van mensen, die naar eigen believen de poorten van de hemel kunnen openen en sluiten, de geheimen van de gezinnen kennen en naar verkiezing in de geesten het fanatisme kunnen doen ontbranden! Zonder toestemming van het priesterdom kan de christen niet deelnemen aan zijn heilige mysteries, want de priesters hebben het recht hem daarvan buiten te sluiten. Hij zou zich over dat zogenaamde verlies heen kunnen zetten, maar de kerkelijke banvloeken, of geëxcommuniceerd worden door de priesters, betekenen voor de mens een werkelijk kwaad; die geestelijke kwellingen brengen tijdelijke gevolgen teweeg en iedere burger, die zich de onmin van de kerk op de hals haalt loopt ook het gevaar op die van de regering en wordt dan voor zijn medeburgers een doelwit van verachting.

We hebben al gezien dat de bedienaren van de godsdienst zich bemoeien met de huwelijksaangelegenheden; zonder hun instemming kan een christen geen vader worden; hij moet zich onderwerpen aan de wispelturige gebruiken van de godsdienst; zonder dat zal de politiek, in overleg met de godsdienst, zijn kinderen uitsluiten van het burgerschap.

In de loop van zijn leven is de christen, op straffe van schuldig bevonden te worden, verplicht de ceremonies van zijn eredienst en het onderricht van zijn priesters bij te wonen; als hij die belangrijke plicht trouw vervult, denkt hij dat hij een uitverkorene is van zijn god en is hij ervan overtuigd dat hij niets hoeft te doen voor de maatschappij. Zo nemen nutteloze bezigheden de plaats in van de moraal, die overal ondergeschikt is aan de godsdienst, die zij zou moeten gebieden.

Als het einde van zijn leven is aangebroken, wordt de christen, uitgestrekt op zijn bed, in zijn laatste ogenblikken nog steeds bestookt door zijn priesters. In sommige christelijke sekten, lijkt de godsdienst haar best te doen om voor de mens de dood nog duizend maal bitterder te maken. Een rustige priester komt onrust brengen aan de armzalige sponde van een stervende; onder het voorwendsel hem te verzoenen met zijn god, laat hij hem genieten van het schouwspel van zijn eigen einde.

Dat gebruik kan dan wel verwoestend zijn voor de burgers, maar is in ieder geval wel zeer nuttig voor het priesterdom, dat een groot deel van zijn rijkdommen dankt aan heilzame angsten die het, bij voorkeur, rijke en stervende christenen inboezemt. De moraal haalt daar niet dezelfde voordelen uit: de ervaring leert ons dat het merendeel van de christenen, die hun leven onbezorgd doorbrengen in losbandigheid en misdaad, zich bij hun sterven weer gaan bekommeren om hun verzoening met God: met behulp van een laat berouw en milde giften aan de priester, vergeeft hij hen hun zonden en stelt hen in staat te hopen dat de hemel vergeving zal schenken voor de plunderingen, onrechtvaardigheden en misdaden die zij begaan hebben in de hele loop van een leven, dat schadelijk was voor hun medemensen.

Zelfs de dood maakt geen einde aan de macht van het priesterdom over de christenen van bepaalde sekten; de priesters buiten zijn lijk uit; voor je stoffelijk omhulsel verwerf je, tegen betaling, het recht om bijgezet te worden in een tempel en in de steden besmetting en ziekte te verspreiden. Sterker nog! De priesterlijke macht strekt zich zelfs nog uit voorbij de grenzen van de dood. Voor veel geld zijn bij de kerk gebeden te koop, om de zielen van de doden te bevrijden van de kwellingen die in het hiernamaals bestemd zijn om ze te zuiveren. Gelukkig de rijken, in een godsdienst waarin je met behulp van geld Gods gunstelingen ertoe kunt zetten tot hem te bidden om de kwellingen kwijt te schelden die zijn onveranderlijke gerechtigheid je heeft opgelegd! Dat zijn de belangrijkste plichten die het christendom als noodzakelijk aanbeveelt en van het naleven waarvan het het heil afhankelijk maakt. Dat zijn de willekeurige, lachwekkende en schadelijke bezigheden die het vaak in plaats durft te stellen van de plichten jegens de maatschappij. We zullen niet de verschillende bijgelovige praktijken bestrijden, die door sommige sekten eerbiedig aanvaard en door andere verworpen worden, zoals de eer die betoond wordt ter nagedachtenis van de vrome fanatici, begeesterde helden en duistere beschouwers, die de roomse opperpriester onder het tal van heiligen schaart. We zullen het niet hebben over de pelgrimstochten, waaraan de bijgelovige volken zoveel waarde hechten en evenmin over de aflaten, met behulp waarvan de zonden vergeven worden. Wij volstaan met te zeggen dat die zaken, door het volk dat ze aanvaardt, doorgaans veel hoger geschat worden, dan de regels van de moraal, die vaak volstrekt veronachtzaamd worden. Het kost de mens veel minder moeite om zich te houden aan rituelen, ceremonies en gebruiken, dan deugdzaam te zijn. Een goede christen is iemand die zich precies houdt aan wat zijn priesters van hem verlangen; in plaats van alle deugden, vragen ze van hem blind, ruimhartig en onderworpen te zijn.

Hoofdstuk XIV

De invloed van de christelijke godsdienst op de politiek

Nu we gezien hebben hoe nutteloos en zelfs gevaarlijk de idealen, deugden en plichten zijn, die de christelijke godsdienst ons voorhoudt, zullen we bekijken of zij een meer heilzame invloed heeft op de politiek, of ze de naties waarin zij gevestigd is en trouw in acht genomen wordt, werkelijk welzijn verschaft. We merken meteen dat overal waar het christendom aanvaard is, sprake is van twee wetgevingen die tegenover elkaar staan en elkaar wederzijds bestrijden. De politiek is in het leven geroepen om onder de burgers eenheid en eendracht te handhaven. Hoewel zij hen predikt elkaar lief te hebben en in vrede te leven, doet de christelijke godsdienst dat voorschrift meteen teniet, door onvermijdelijke afsplitsingen die zich voordoen onder haar aanhangers, die gedwongen worden de dubbelzinnige orakels die de heilige boeken hen verkondigen, op verschillende manieren op te vatten.

Vanaf het begin van het christendom, zien we zeer felle twistgesprekken onder zijn geleerden. Daarna vinden we in alle eeuwen alleen maar schisma’s en ketterijen, gevolgd door vervolgingen en gevechten, die zeer geëigend zijn om die zo geroemde eendracht te vernietigen, die onmogelijk wordt in een godsdienst waarin alles duister is. In alle twistgesprekken over de religie, geloven beide partijen God aan hun kant te hebben, als gevolg waarvan ze stijfkoppig zijn.

Hoe zou het anders kunnen, als ze Gods zaak verwarren met hun eigen ijdelheid? Omdat ze nauwelijks bereid zijn toe te geven, vechten ze met elkaar, kwellen en verscheuren elkaar totdat geweld een eind maakt aan de ruzies, die nooit iets te maken hebben met het gezond verstand. Bij al die onder christenen gerezen onenigheden, was het politiek gezag in feite altijd genoodzaakt tussenbeide te komen; de vorsten kozen partij in die kleingeestige twistgesprekken van de priesters, die zij zagen als zaken van het grootste belang. In een door god zelf gestichte godsdienst zijn geen kleinigheden; daarom nemen de vorsten de wapens op tegen een deel van hun onderdanen; de denkwijze van het hof bepaalde de overtuigingen en het geloof van de onderdanen; de meningen die het steunde, waren de enige waarachtige; de volgelingen werden de bewakers van de orthodoxie en de anderen ketters en rebellen, van wie de eersten het als een plicht beschouwden die laatsten uit te roeien.

Door hun vooroordelen of verkeerd beleid, hebben de vorsten onderdanen, die over de godsdienst niet dezelfde meningen hadden als zij, altijd gezien als slechte, voor de staat schadelijke burgers en vijanden van hun bewind.

Als ze de priesters hun onbeschaamde ruzies zelf uit hadden laten vechten, zouden er, om daar gewicht aan toe te kennen, geen vervolgingen plaatsgevonden hebben en waren die ruzies vanzelf tot bedaren gekomen, of hadden geen invloed gehad op de openbare orde. Als die koningen onpartijdig de goeden zouden hebben beloond en de slechten gestraft, zonder rekening te houden met hun ideeën, eredienst en ceremonies, zouden ze niet een groot aantal van hun onderdanen gedwongen hebben gezworen vijand te worden van de macht die hen onderdrukte.

Door middel van onrechtvaardigheden, gewelddaden en vervolgingen, hebben de christelijke vorsten altijd geprobeerd de ketters te beteugelen. Had het gezond verstand hen niet moeten laten zien dat dat gedrag alleen maar diende om huichelaars te maken en verborgen vijanden, of zelfs opstanden teweeg te brengen?

Maar die overwegingen zijn niet besteed aan vorsten, bij wie het christendom vanaf hun kindertijd alles in het werk gesteld heeft om ze te voeden met fanatisme en vooroordelen. Als enige deugd moedigt het bij hen een hardnekkige voorkeur aan voor onbenulligheden, een onstuimige geestdrift voor dogma’s die niets te maken hebben met het welzijn van de staat en een felle woede tegen iedereen die weigert te buigen onder hun tirannieke opvattingen. Vandaar dat de vorsten het gemakkelijker vinden om ze te vernietigen, dan met zachte hand weer in het gareel te brengen: hun hooghartige alleenheerschappij verlaagt zich niet tot nadenken.

De godsdienst overtuigt hen ervan dat de tirannie rechtmatig is en wreedheid verdienstelijk, als het gaat om de zaak van de hemel.

In feite verandert het christendom de machthebbers, die het begunstigen, altijd in alleenheersers en tirannen; het stelt ze voor als godheden op aarde; het zorgt ervoor dat hun grillen geëerbiedigd worden als de wil van de hemel zelf; het levert hen hele volken als kudden slaven, waarover zij naar believen kunnen beschikken. Vanwege hun ijveren voor de godsdienst, vergeeft het vaak de meest verdorven alleenheersers hun onrechtvaardigheden, gewelddaden en misdaden en beveelt de naties, op straffe van de allerhoogste te ontstemmen, zonder morren te zuchten onder het zwaard dat hen slaat in plaats van beschermt. Het hoeft ons dus niet te verbazen dat we, vanaf de stichting van christelijke godsdienst, zoveel naties zien zuchten onder vrome tirannen, die geen andere verdienste hadden dan een blinde gehechtheid aan de godsdienst en zich bovendien de weerzinwekkendste misdaden veroorloofden, de afschuwelijkste tirannie, de schandelijkste uitspattingen en de ongebreideldste lichtzinnigheid. Wat die onrechtvaardigheden, onderdrukking en plunderingen van de, of godsdienstige, of huichelachtige alleenheersers ook mochten zijn, de priesters zorgden voor het in toom houden van hun onderdanen. Het hoeft ons evenmin te verbazen dat we zoveel onbekwame of slechte vorsten zien, die op hun beurt de belangen steunen van een godsdienst, waaraan hun verkeerde beleid behoefte had, om hun eigen gezag te steunen. Om te regeren zouden de koningen die bijgelovigheid niet nodig hebben, als ze rechtvaardig, verlicht en deugdzaam waren, hun ware plichten kenden en vervulden en zich werkelijk bezighielden met het geluk van hun onderdanen; maar omdat zich schikken in de rituelen gemakkelijker is dan talenten hebben, of deugdzaam leven, vond het christendom in de vorsten veel te vaak steun om het in stand te houden en zelfs beulen bereid om het te dienen.

De bedienaren van de godsdienst waren niet even inschikkelijk voor vorsten, die weigerden gemene zaak met hen te maken, zich in hun twisten te mengen of hun hartstochten te dienen; ze kwamen in opstand tegen degenen die hen wilden weerstaan, hun uitspattingen wilden straffen, hen tot rede brengen, hun eerzuchtige aanspraken matigen of aan hun onschendbaarheid komen. Dan klaagden de priesters luid over goddeloosheid en heiligschennis, beweerden dat de vorst de hand op het wierookvat legde of zich de door God zelf aan hen verleende rechten wederrechtelijk toe-eigende; kortom, dan probeerden ze het volk in opstand te brengen tegen het meest wettige gezag en bewapenden fanatici tegen de vorsten, die zich voordeden als tiran, om maar niet onderworpen te worden aan de kerk.

De hemel was altijd bereid het aan haar medewerkers begane onrecht te wreken; zij onderwierpen zich en predikten onderwerping alleen als hen toegestaan werd deel te nemen aan het gezag, of als ze te zwak waren om dat te weerstaan.

Dat is de reden waarom wij, bij het ontstaan van het christendom, zijn machteloze apostelen onderdanigheid zien prediken; zodra het merkte dat het zich kon handhaven, predikte het vervolging; zodra het merkte dat het machtig was, predikte het de revolutie, zette koningen af of liet ze vermoorden.

Binnen alle politieke maatschappijen waar het christendom is gevestigd, bestaan twee wedijverende machten, die elkaar doorlopend bestrijden en waardoor de staat doorgaans verscheurd wordt. De onderdanen zijn verdeeld en de een vecht voor zijn vorst en de ander vecht, of gelooft te vechten voor zijn god.

Zolang het priesterdom de geest van het volk mag vergiftigen met fanatisme en vooroordelen, moeten  de laatsten het uiteindelijk altijd winnen,.

Door ze te onderrichten kan verhinderd worden dat de onderdanen zich overleveren aan fanatisme; door ze geleidelijk te bevrijden van het juk van bijgelovigheid, kan de macht van het priesterdom verminderd worden, die in een onwetend land dat bedekt is met duisternis, altijd grenzeloos zal zijn en groter dan die van de koningen.

Maar het merendeel van de vorsten vreest dat de mensen onderricht worden; als handlangers van het priesterdom, spannen ze daarmee samen, om het verstand te smoren en iedereen, die de moed heeft er toch blijk van te geven, te vervolgen. Blind voor hun eigen belangen en die van de natie, proberen ze alleen slaven te bevelen, die door de priesters naar believen dom gehouden worden.

Ook zien we dat er beschamende onwetendheid en volstrekte moedeloosheid heerst in de landen, die op een zeer absolute manier overheerst worden door het christendom: samen met hun priesters lijken de vorsten daar de ondergang te beramen van de wetenschap, kunsten en nijverheid, die alleen maar de kinderen kunnen zijn van de vrijheid van denken. Onder de christelijke naties zijn de minst bijgelovige het meest vrij, machtigst en gelukkigst. In de landen waarin de alleenheerschappij over de geest een geheime verstandhouding heeft met de wereldlijke alleenheerschappij, zijn de volken gedompeld in nietsdoen, luiheid en afstomping.

De volken van Europa, die zich erop beroemen dat ze het zuiverste geloof bezitten, zijn niet zonder meer het bloeiendst en machtigst; vorsten die zelf slaaf zijn van de godsdienst, bevelen alleen maar andere slaven, die onvoldoende energie en moed hebben om zelf rijk te worden en zich in te zetten voor het welzijn van de staat. In dat soort streken, is alleen de priester heel rijk en de rest kwijnt weg in diepe armoede.

Maar wat gaan de macht en het geluk van naties, een godsdienst aan, die wil dat dat haar aanhangers zich in deze wereld niet bezighouden met geluk, rijkdom als iets schadelijks ziet, een arme god predikt en het vernederen van de ziel en het versterven van de zinnen aanbeveelt? Om het volk te noodzaken die stelregels in praktijk te brengen, heeft het priesterdom zich in meerdere christelijke staten meester gemaakt van het grootste deel van de rijkdommen, terwijl de andere burgers in ellende op zoek zijn naar hun heil.

Dat zijn de voordelen die de christelijke godsdienst de politieke maatschappij verschaft; zij vormt een onafhankelijke staat binnen de staat; wanneer de vorsten niet inschikkelijk zijn maakt zij hun onderdanen opstandig en fanatiek. Als ze het eens is met de politiek, verplettert, onteert en verarmt het de natie en ontneemt haar wetenschap en nijverheid; als ze zich ervan afscheidt, maakt ze de burgers asociaal, onstuimig, onverdraagzaam en opstandig.

Als we de geboden van die godsdienst nader bezien en de stelregels die voortvloeien uit haar principes, zien we dat ze alles verbiedt wat een staat tot bloei kan brengen.

We hebben al de ideeën over onvolmaaktheid gezien, die het christendom in verband brengt met het huwelijk en de waardering die het toont voor het celibaat: die ideeën zijn niet geschikt om de groei van de bevolking te bevorderen, die ontegenzeglijk de belangrijkste bron is van de macht van een staat.

Handel is evenzeer strijdig met de opvattingen van een godsdienst, waarvan de stichter de banvloek uitspreekt over de rijken en ze uitsluit van het koninkrijk der hemelen. Ook de hele nijverheid is verboden voor volmaakte christenen, die op aarde een tijdelijk leven leiden en zich nooit moeten bekommeren om de dag van morgen.

Moet een christen niet even vermetel als inconsequent zijn, als hij toestemt in legerdienst? Is iemand die nooit mag aannemen dat hij aangenaam is voor zijn god, of in staat van genade verkeert, niet een dwaas als hij zich blootstelt aan de eeuwige verdoemenis? Maakt een christen die liefdadigheid betoont jegens zijn naaste en zijn vijanden lief moet hebben, zich niet schuldig aan de allergrootste misdaad, als hij iemand ter dood brengt, van wie hij de omstandigheden niet kent en die hij misschien met één slag de hel in werpt? Voor het christendom is een soldaat een monster, tenzij hij voor Gods zaak strijdt. Als hij dan sterft, wordt hij een martelaar.

Het christendom heeft altijd de oorlog verklaard aan de wetenschappen en menselijke kennis; die werden beschouwd als een belemmering voor het heil; kennis maakt hoogmoedig, zegt een apostel. Mensen die hun verstand moeten onderwerpen aan het juk van het geloof, hebben dat verstand en studie niet nodig. Omdat, naar het oordeel van de christenen, de stichters van hun godsdienst onbeschaafde en onwetende mensen waren, moeten hun leerlingen niet ontwikkelder zijn dan zij, om de fabels en droombeelden te kunnen aanvaarden die deze dromers hen hebben overgeleverd. Er is altijd opgemerkt dat de ontwikkeldste mensen doorgaans maar slechte christenen zijn.

Nog afgezien van het feit dat de wetenschap het geloof aan het wankelen kan brengen, leidt het de christen af van het werken aan zijn heil, wat de enige echte noodzaak is. De wetenschap kan dan wel nuttig zijn voor de politieke maatschappij, maar voor de godsdienst en haar bedienaren is onwetendheid nog veel nuttiger. De tijden zonder wetenschap en nijverheid, waren gouden tijden voor de kerk van Jezus Christus. Toen waren de koningen ook het meest onderworpen aan haar en maakten haar bedienaren zich meester van alle rijkdommen van de maatschappij.

De priesters van een zeer talrijke sekte wilden dat de aan hen onderworpen mensen, zelfs niet op de hoogte waren van de heilige boeken, die de regels bevatten die zij moesten volgen. Hun optreden is zonder twijfel heel verstandig; de bijbel lezen is de allerbeste manier om de christen af te helpen van zijn eerbied voor dat boek.

Kortom, door het strikt opvolgen van de stelregels van het christendom, zou geen enkele maatschappij kunnen overleven.

Wie die bewering betwijfelt, moet maar een luisteren naar wat de eerste kerkvaders zeiden en dan zal hij zien dat hun moraal volstrekt onverenigbaar is met het behoud en de macht van een staat. Dan zal hij zien dat volgens Lactantius, niemand soldaat kan zijn; volgens Justinus niemand moet trouwen; volgens Tertullianus niemand gezagsdrager kan zijn; volgens Chrysostomus niemand handel moet drijven; volgens een heel groot aantal kerkvaders, niemand kennis moet verwerven. Tot slot, dat die stelregels samenvoegen met die van de verlosser van de wereld, een christen oplevert die zich, zoals hij moet, richt op zijn volmaaktheid en het meest nutteloze lid is van zijn land, gezin en voor iedereen die hem omringt; het is een beschouwende leegloper, die alleen maar denkt aan het hiernamaals, niets gemeen heeft met de belangen van deze wereld en voor wie niets dringender is als die zo snel mogelijk te verlaten.

Laten we luisteren naar Eusebius van Caesarea en zien of de christen niet een echte fanaticus is, aan wie de maatschappij geen enkel nut kan ontlenen. "De levenswijze, van de christelijke kerk," zegt hij, "overstijgt onze huidige natuur en het gemeenschappelijk leven van de mensen; daarin wordt niet gezocht naar huwelijk, kinderen of rijkdommen; uiteindelijk is zij volledig vreemd aan de menselijke levenswijze; zij is alleen gericht op de eredienst voor god en alleen gewijd aan een enorme liefde voor hemelse zaken. Vrijwel geheel onthecht van het sterfelijk leven en alleen maar met hun lichaam op aarde, zijn zij die deze levenswijze volgen geestelijk helemaal in de hemel en vertoeven daar al als een zuivere en hemelse intelligentie; zij verachten het leven van de andere mensen."

Iemand die volledig overtuigd is van de waarheden van het christendom, kan zich in feite hier op aarde nergens aan hechten; alles is voor hem een gelegenheid tot zondigen; althans alles zal hem afleiden van het denken aan zijn heil. Gelukkig zijn christenen inconsequent, dwalen onophoudelijk af van hun verheven beschouwingen en zien af van hun fanatieke streven naar volmaaktheid, want anders zou geen enkele christelijke maatschappij kunnen standhouden en zouden de door het evangelie onderrichte naties terugvallen in een primitieve toestand. Er zouden alleen nog maar schuwe wezens te zien zijn, bij wie de banden met de gemeenschap geheel verbroken zijn, die in dit tranendal alleen maar bidden en zuchten en zich bezighouden met zichzelf en de anderen ongelukkig te maken, teneinde de hemel te verdienen.

Tot slot, een godsdienst waarvan de stelregels beogen de mensen onverdraagzaam te maken, de vorsten vervolger en de onderdanen of slaaf of rebel; een godsdienst waarvan de duistere dogma’s eeuwig het onderwerp zijn van twistgesprekken; een godsdienst waarvan de principes de mensen ontmoedigen en ze afleiden van te denken aan hun ware belangen; een dergelijke godsdienst, zeg ik, is verwoestend voor elke maatschappij.

Hoofdstuk XV

Over de kerk, of het priesterdom van de christenen.

Te allen tijde zijn er mensen geweest die voordeel wisten te halen uit de dwalingen van deze wereld. Dankzij de angsten van het gewone volk hebben de priesters van alle godsdiensten een manier gevonden om hun eigen macht te vestigen en rijkdommen en aanzien te verwerven; maar geen enkele godsdienst had zoveel redenen als het christendom, om de volken te onderwerpen aan het priesterdom.

De eerste verkondigers van het evangelie, de apostelen, de eerste priesters van het christendom, zijn hen voorgesteld als volmaakt goddelijke mensen, die bezield waren door de geest Gods en deelnamen aan zijn almacht. Ondanks het feit dat niet al hun opvolgers dezelfde voorrechten genoten, wordt naar de mening van sommige christenen hun priestercorps, of de kerk, onafgebroken onderricht door de heilige geest, die het nooit af laat weten; gezamenlijk zijn ze onfeilbaar en daardoor worden hun besluiten even heilig als die van de godheid zelf, of betekenen niets anders dan een onafgebroken openbaring.

Volgens de zo grootse ideeën die het christendom ons geeft over het priesterdom, moet het, op grond van de rechten die het ontleent aan Jezus Christus zelf, de baas spelen over de naties, geen enkele belemmering aantreffen voor haar wilsbesluiten en zelfs de koningen doen buigen onder haar gezag. We moeten dus niet verbaasd zijn over de enorme macht die de christelijke priesters zo lang uitgeoefend hebben in de wereld; zij moest onbegrensd zijn, omdat zij zich baseerde op het gezag van de almachtige; zij moest tiranniek zijn omdat mensen niet het recht hebben om gods macht in te perken; zij moest ontaarden in misbruik, omdat de priesters, die haar uitoefenden, overmoedige en verdorven mensen waren, aangezien ze niet gestraft konden worden.

In de aanvang van het christendom, verkondigden de apostelen, op grond van de opdracht van JC, het evangelie aan de joden en heidenen; het nieuwe van hun leer leverde hen, zoals we gezien hebben, bekeerlingen onder het volk; vervuld van geestdrift voor hun nieuwe ideeën vormden de nieuwe christenen, in elke stad, eigen geestelijke broederschappen, die geleid werden door, door de apostelen aangestelde, mensen; zij, die het geloof uit de eerste hand hadden gekregen, hielden doorlopend toezicht op de verschillende christelijke gemeenschappen die zij hadden gevormd. Dat schijnt de oorsprong te zijn van de bisschoppen, of opzichters, die in de kerk tot op heden zijn blijven bestaan; een oorsprong waarop de kroonprinsen van de priesters van het tegenwoordige christendom zich nog steeds beroemen. We weten dat in die sekte de leden hun bezittingen gemeenschappelijk hadden; het schijnt dat dat een plicht was die strikt nageleefd werd; dat is de reden waarom op bevel van Petrus, twee van de nieuwe christenen doodgeslagen werden, omdat ze iets van hun eigen bezit achtergehouden hadden.

De inkomsten van die gemeenschap stonden ter beschikking van de apostelen en na hen van de opzichters of bisschoppen, of de priesters, die ze vervingen; en terwijl de priester van het altaar moest leven, is het aannemelijk dat die bisschoppen zichzelf betaalden door eigenhandig in te staatskas te graaien. Maakten ze nieuwe geestelijke veroveringen, dan moesten ze zonder twijfel genoegen nemen met vrijwillige bijdragen van hun bekeerlingen. Hoe het ook zij, de schatten die opgehoopt werden door de goedgelovige vroomheid van de gelovigen, werden het doelwit van de hebzucht van de priesters en brachten onder hen onenigheid teweeg; ieder van hen wilde regeren en beschikken over de zilverlingen van de gemeenschap: vandaar de kuiperijen en partijen, die we zien opkomen samen met Gods kerk.

De priesters waren altijd de eersten die de geestdrift voor de godsdienst weer opwekten; eerzucht en hebzucht moesten hen weldra de dwaling leren inzien van de stelregels over belangeloosheid, die zij anderen onderwezen.

Zolang het christendom veracht en vervolgd werd, bestreden zijn in tweedracht verkerende bisschoppen en priesters elkaar in het geheim en werd er geen ruchtbaarheid gegeven aan hun twisten; maar toen Constantijn zijn macht wilde vergroten met behulp van een partij die zeer talrijk was geworden en zich door haar onbekendheid had kunnen uitbreiden, veranderde de aanblik van de kerk totaal; verlokt door de macht en hovelingen geworden, vochten de leiders van de christenen nu openlijk met elkaar: ze betrokken de vorsten in hun twisten; ze vervolgden hun rivalen en geleidelijk overstelpt met eer en rijkdommen, waren in hen niet langer de opvolgers te herkennen van de arme apostelen of boodschappers, die Jezus had gestuurd om zijn leer te verkondigen; ze werden zelf vorsten die, gesteund door de wapenen der mening, in staat waren de alleenheersers de wet te stellen en de wereld in brand te zetten.

Door een rampzalige onvoorzichtigheid had het opperpriesterschap zich, onder Constantijn, losgemaakt van het rijk; de keizers hadden weldra een reden om dat te berouwen.

In feite wist de bisschop van Rome, van de stad die oudtijds de meesteres der wereld was en waarvan de naam alleen al indruk maakte op de naties, op een handige manier te profiteren van de onlusten in het rijk en de zwakte van de keizers, die te ver weg waren om hun gedragingen in de gaten te houden. Zo slaagde de roomse opperpriester, door middel van kuiperijen en intriges, erin plaats te nemen op de troon van de Caesars. Daarom hadden de Scipio’s al gevochten; in het Westen werd hij gezien als de alleenheerser van de kerk, als de wereldbisschop, als de plaatsbekleder van J C op aarde en tot slot als de onfeilbare spreekbuis van de godheid.

In het Oosten werden die hoogmoedige titels verworpen, maar de opperpriester van de romeinen heerste zonder mededinger over het grootste gedeelte van de christelijke wereld; hij werd een god op aarde; door de stompzinnigheid van de vorsten, werd hij de scheidsrechter van hun lot; hij vestigde een theocratie, of een goddelijke regering, waarvan hij de leider was en de koningen zijn schildknapen waren.

Als zij de euvele moed hadden hem te weerstaan onttroonde hij ze en zette de volken tegen hen op: kortom, gedurende een lange reeks eeuwen waren zijn geestelijke wapens sterker dan de wereldlijke; hij had de bevoegdheid kronen te verdelen, werd altijd gehoorzaamd door de afgestompte naties, zaaide verdeeldheid onder de vorsten, om over hen te kunnen heersen en zijn heerschappij zou stand hebben gehouden tot vandaag de dag, als toenemende kennis, waar de alleenheersers vijandig tegenover schenen te staan, ze niet geleidelijk op de hoogte had gebracht, of als ze, tegen de principes van hun godsdienst in niet meer gehoor gegeven hadden aan hun eerzucht dan aan hun plicht.

Als de bedienaren van de kerk hun macht gekregen hebben van Jezus Christus zelf, betekent dus in opstand komen tegen hem, zijn vertegenwoordigers weerstaan. Net als hun onderdanen kunnen ze zich, zonder een misdaad te plegen, niet onttrekken aan het gezag van God: het geestelijk gezag dat afkomstig is van de hemelse heerser, moet zwaarder wegen dan het wereldlijke, dat afkomstig is van de mensen; een echt christelijke vorst moet dienaar zijn van de kerk, ofwel de belangrijkste slaaf van de priesters.

Het hoeft ons dus niet te verbazen dat in de eeuwen der onwetendheid, de priesters machtiger waren dan de koningen en altijd bij voorkeur gehoorzaamd werden door het volk, dat meer gehecht was aan de belangen van de hemel dan aan die van de aarde. In bijgelovige naties moet beter geluisterd worden naar de stem van de allerhoogste en zijn vertolkers, dan naar die van plicht, rechtvaardigheid en verstand. Een goede, aan de kerk onderworpen christen, moet telkens als de kerk hem iets beveelt blind en onverstandig zijn; wie het recht heeft ons dwaas te maken, heeft ook het recht ons misdaden op te dragen.

Anderzijds kunnen mensen, van wie de macht op aarde van God zelf afkomstig is, van geen enkele andere macht afhankelijk zijn: dus de onafhankelijkheid van het priesterdom van de christenen is gebaseerd op de principes van hun godsdienst: daarom kan het zich daar altijd op laten voorstaan. Het is dus niet verrassend dat de priesters van het christendom, rijk gemaakt en overladen met geschenken door de gulheid van koning en volk, de echte bron van hun weelde en voorrechten niet willen weten.

Bij verrassing of door onvoorzichtigheid kunnen de mensen hen, wat door anderen geschonken is, weer afnemen; de naties, die hun vooroordelen doorzien hebben, kunnen op een dag protesteren tegen de, dankzij angst of door bedrog afgedwongen, gaven. De priesters kennen al die bezwaren; zij beweren dus dat ze alles wat de mensen hen hebben geschonken van God alleen gekregen hebben en als door een verbazingwekkend wonder, worden ze op hun woord geloofd.

Zo werden de belangen van het priesterdom gescheiden van die van de maatschappij; aan God toegewijde mensen, die uitverkoren waren om zijn medewerker te zijn, waren niet langer burger; ze werden niet gehouden voor wereldse onderdanen; de wetten en burgerlijke rechtbanken hadden geen enkele macht meer over hen; ze werden alleen maar geoordeeld door mensen van hun eigen slag. Daardoor bleven de grootste uitspattingen ongestraft; onderworpen aan God alleen, werden ze persoonlijk onkwetsbaar en heilig. De heersers waren verplicht hun bezittingen te verdedigen en hen te beschermen, zonder dat ze bijdroegen aan de openbare belastingen, of althans wel zoveel als dienstig was voor hun eigen belangen; kortom, die vereerde mannen waren ongestraft schadelijk en slecht en leefden alleen in de maatschappij om haar te verslinden, onder het voorwendsel haar te voeden met onderricht en voor haar te bidden.

Wat voor nut hebben de naties in die achttien eeuwen eigenlijk van hun onderricht gehad? Zijn die onfeilbare mensen het ooit met elkaar eens kunnen worden over de belangrijkste punten van hun door de godheid geopenbaarde godsdienst? Is een openbaring die doorlopend commentaren en interpretaties behoeft niet merkwaardig? Wat te denken van heilige schriften die elke sekte zo anders opvat? Volken die onophoudelijk gevoed zijn met het onderricht van zoveel herders, volken die kennis van het evangelie is onderwezen, zijn niet deugdzamer en ook niet beter op de hoogte van wat het allerbelangrijkst voor hen is. Hen wordt verteld dat ze zich moeten onderwerpen aan de kerk, maar die kerk is het nooit met zichzelf eens; zij houdt zich te allen tijden bezig met het hervormen, verklaren, vernietigen en weer oplappen van haar hemelse leer; haar bedienaren bedenken naar behoefte nieuwe dogma’s, die onbekend waren aan de stichters van de kerk. Elk tijdperk ziet nieuwe mysteries verschijnen, nieuwe formuleringen en nieuwe geloofsartikelen. Ondanks de ingevingen van de heilige geest, is het christendom nooit duidelijk, eenvoudig en consequent kunnen worden, wat de onmiskenbare bewijzen van een deugdelijk systeem zijn. Concilies, canons en die menigte decreten en wetten, die het wetboek vormen van de kerk, hebben tot nu toe de geloofszaken van de kerk niet kunnen bepalen.

Als een weldenkende heiden zich wil aansluiten bij het christendom, wordt hij vanaf de eerste stappen ten zeerste in verlegenheid gebracht, bij de aanblik van de veelheid aan sekten, waarvan elk beweert het zekerst naar het heil te leiden en zich het nauwgezetst te houden aan het woord Gods. Voor welk van die sekten moet hij kiezen als hij ziet dat ze elkaar met afschuw bekijken en sommigen daarvan de andere meedogenloos verdoemen; dat ze elkaar, in plaats van te dulden, kwellen en vervolgen en dat degenen die aan de macht zijn, hun rivalen de meest weloverwogen wreedheden en gewelddadigheden aandoen, die uitermate strijdig zijn met orde in de maatschappij? Want, en dan geven we geen verkeerde voorstelling van zaken, het christendom heeft, niet tevreden met de mensen geweld aan te doen, om ze uiterlijk aan zijn eredienst te onderwerpen, een manier bedacht om het denken te tiranniseren en het geweten te kwellen; een manier die onbekend is bij alle heidense bijgeloven. De gedrevenheid van de bedienaren van de kerk, beperkt zich niet tot de buitenkant; ze snuffelen tot in de krochten van het hart; schaamteloos schenden ze zijn ondoordringbare heiligdom; zij rechtvaardigen hun heiligschennis en vernuftige wreedheden, door het grote belang dat ze hechten aan het zielenheil.

Dat zijn de gevolgen die noodzakelijkerwijs voortkomen uit de principes van een godsdienst, die gelooft dat de dwaling een misdaad is, die de toorn van haar god verdient. Ten gevolge van die ideeën zijn de priesters, met instemming van de vorsten, in bepaalde landen belast met het handhaven van het geloof in al zijn zuiverheid. Als rechter over hun eigen zaak, veroordelen ze mensen tot de brandstapel die meningen hebben die zij gevaarlijk achten; omgeven door verklikkers, begluren ze de daden en gesprekken van de burgers en offeren iedereen, die hen in de schaduw stelt, op aan hun zekerheid. Op die afschuwelijke grondbeginselen is de inquisitie gebaseerd; zij wil schuldigen vinden en alleen al dat ze bestaat, is voldoende om argwaan te wekken.

Dat zijn de principes van een bloeddorstige rechtbank, die overal de onwetendheid en afstomping in stand houdt, waar het onjuiste beleid van de koningen haar toestaat haar gewelddadigheden te bedrijven. In de landen, die denken dat ze verlichter en vrijer zijn, zien we bisschoppen, die zich er niet voor schamen om formulieren en geloofsbelijdenissen te laten tekenen door mensen die afhankelijk van hen zijn; ze stellen hen strikvragen. Sterker nog. Zelfs de vrouwen zijn niet uitgesloten van hun onderzoek; een kerkvoogd wil weten hoe ze denken over voor hen onbegrijpelijke spitsvondigheden, die zij zelf bedacht hebben.

De twistgesprekken tussen de priesters van het christendom hebben aanleiding gegeven tot wrok, haat en ketterij. Dat zien we vanaf het ontstaan van de kerk.

Een systeem dat gebaseerd is op wonderen, fabels en duistere orakels, moet wel een vruchtbare bron zijn van onenigheden.

In plaats van zich bezig te houden met nuttige kennis, doen de theologen dat alleen maar met hun dogma’s; in plaats van de ware moraal te bestuderen en het volk zijn ware plichten te leren kennen, proberen ze aanhangers te winnen.

De priesters van het christendom houden zich onledig met nutteloze beschouwingen van een barbaarse en raadselachtige wetenschap die, onder de naam wetenschap van God, of theologie, de achting verwerft van het gewone volk. Dat systeem, met een waanwijze, halsstarrige en beredeneerde onwetendheid, waarin het op de god van de christenen lijkt, was dus even onbegrijpelijk als hij.

Zo brengen twistgesprekken, twistgesprekken voort.

Vaak houden diepzinnige genieën, die medelijden verdienen, zich in alle rust bezig met kinderachtige scherpzinnigheden, nutteloze vragen en willekeurige meningen die in plaats van dat ze nuttig zijn voor de maatschappij, alleen maar verwarring scheppen. Het volk bemoeit zich met ruzies die het nooit begrijpt; de vorsten nemen het op voor de priesters die zij willen begunstigen; met zwaardhouwen beslissen ze over de orthodoxie en de partij die zij uitkiezen, verplettert alle andere, want de heersers denken altijd dat ze verplicht zijn zich te mengen in theologische twistgesprekken; zij zien niet dat ze, door zich erin te mensen, die belangrijk en gewichtig maken en altijd roepen de christelijke priesters de hulp van de mensen in, om opvattingen in stand te houden, waarvan ze niettemin geloven dat God hen verzekerd heeft dat ze blijven bestaan.

De helden die wij in de annalen van de kerk vinden, laten ons alleen maar halsstarrige fanatici zien, die slachtoffer werden van hun eigen dwaze ideeën, of bezeten vervolgers, die hun tegenstanders met de grootste onmenselijkheid behandelden; of oproerkraaiers die de naties in verwarring brachten. De wereld ten tijde van onze voorvaders, is ontvolkt door de uitwassen te verdedigen die de lachlust opwekken van een nageslacht, dat niet minder dwaas is dan zij.

In vrijwel alle tijden is er luid geklaagd over de misbruiken van de kerk en werd er gesproken over hervorming. Ondanks die zogenaamde hervorming van de leider en leden van de kerk, ontaardde die altijd. De hebzuchtige, onstuimige en oproerige priesters deden de naties zuchten onder de last van hun ondeugden en de vorsten waren te zwak om ze weer tot rede te brengen. Alleen de verdeeldheid onder de tirannen en hun ruzies, verminderden voor de volken en vorsten het gewicht van het juk. Na een groot aantal eeuwen geduurd te hebben, werd de heerschappij van de roomse opperpriester ten slotte aan het wankelen gebracht door geestdriftige, geprikkelde lieden en opstandige onderdanen, die waagden een onderzoek in te stellen naar de rechten van die geduchte despoot: meerdere vorsten die genoeg hadden van hun slavernij en armoede, schaarden zich achter de opvattingen die ze aandroegen om zich meester te kunnen maken van de restanten van de clerus. Zo werd de eenheid van de kerk verscheurd, de sekten namen in aantal toe en iedereen streed om zijn eigen systeem te verdedigen.

De stichters van die nieuwe sekte, die door de opperpriester van Rome behandeld werden als nieuwlichters, ketters en goddelozen, verwierpen weliswaar enige van hun oude meningen, maar tevreden met het zetten van enkele passen richting gezond verstand, durfden ze nooit het juk van het bijgeloof helemaal af te werpen; zij bleven de heilige boeken van de christenen eerbiedigen; zij beschouwden ze als de enige leidraad van de gelovigen; zij beweerden daarin de principes te vinden van hun meningen; ten slotte gaven ze die duistere boeken, waarin iedereen met gemak alles kan vinden wat hij wil en de godheid vaak zichzelf tegenspreekt, in handen van hun aanhangers, die weldra verdwaalden in dat kronkelig labyrint en nieuwe sekten in het leven riepen.

Zo lieten de leiders van die sekten, de zogenaamde hervormers, alleen maar een glimp van de waarheid zien, of richtten zich op kleinigheden; ze bleven de heilige orakels van de christenen eerbiedigen en hun wrede en bizarre god erkennen; ze bewonderden hun onzinnige mythologie en hun tegen het gezond verstand gekante dogma’s; tot slot namen ze hun volslagen onbegrijpelijke mysteries over, maar deden moeilijk over enkele andere. Het is dus niet verrassend dat heel Europa, ondanks de hervormingen, last kreeg van fanatisme, twisten, vervolgingen en oorlogen; door de droombeelden van de vernieuwers werd het alleen maar in nieuwe ellende gestort; aan alle kanten vloeide bloed en de volken werden niet verstandiger en ook niet gelukkiger.

De priesters van alle sekten wilden altijd de baas spelen en dat hun besluiten als onfeilbaar en heilig werden gezien: als ze aan de macht waren, vervolgden ze; altijd lieten de naties zich hun gewelddadigheden welgevallen; altijd werden de staten aan het wankelen gebracht door hun heilloze opvattingen. Het wezen van elke sekte die het christendom als basis heeft is onverdraagzaamheid en de geest van vervolging; een wrede en partijdige god, die zich stoort aan de meningen van de mensen, kan zich niet voegen naar een zachtaardige en menselijke godsdienst. Tot slot, in elke christelijke sekte zal de priester altijd een macht uitoefenen die schadelijk kan worden voor de maatschappij; hij zal daarin aanleiding zijn voor begeesterde, mystieke en fanatieke mensen, die verwarring stichten, telkens als hen te verstaan wordt gegeven dat de Gods zaak dat vraagt, de kerk in gevaar is, of als het gaat om te strijden voor de eer van de allerhoogste.

In de christelijke landen zien we ook dat de wereldlijke macht zich onderdanig onderwerpt aan het priesterdom, dat zich bezig houdt met het uitoefenen van zijn wil, zijn vijanden uit te roeien, te werken aan zijn aanzien en het handhaven van zijn rechten, rijkdommen en onschendbaarheid. In vrijwel alle naties die onderworpen zijn aan het evangelie, zijn de mensen die het meest lijdzaam, oproerig en nutteloos zijn, de meeste geëerden en best beloonden. Door zijn bijgelovigheid, gelooft het volk dat er nooit genoeg gedaan wordt voor de medewerkers van zijn god. Alle sekten denken daar hetzelfde over.

Overal misleiden de priesters de heersers, dwingen de politiek zich te voegen naar de godsdienst en verzetten zich tegen de voor de staat gunstigste instellingen. Overal zijn ze de onderwijzers van de jeugd, die zij vanaf hun kindertijd voeden met hun betreurenswaardige vooroordelen.

Maar vooral in de streken die onderworpen zijn gebleven aan de roomse hogepriester, heeft het priesterdom altijd beschikt over de grootste rijkdommen en macht. Door hun bijgelovigheid onderwierpen ook de koningen zich en werden slechts de uitvoerders van zijn vaak wrede wil; telkens als de priester het beval, waren ze bereid het zwaard te trekken. De alleenheersers van de roomse sekte, die blinder waren dan alle andere, waren zo onvoorzichtig dat ze de bedienaren van de kerk vertrouwden, waardoor zij zich bijna altijd hun belangstellende blikken lieten welgevallen. Door haar onverdraagzame gewelddadigheden en wrede vervolgingen, wiste die sekte alle andere uit. Haar onstuimige en wrede aard maakte haar terecht verfoeilijk voor de minder onverstandige naties, dat wil zeggen, minder christelijke.

Het hoeft ons niet te verbazen dat de roomse godsdienst zuiver bedacht was om het priesterdom almachtig te maken; haar priesters hadden de gave om zich gelijk te kunnen stellen met de godheid, hun zaak was altijd de zijne, hun eer was Gods eer, hun orakels waren goddelijke orakels, hun bezittingen behoorden toe aan het koninkrijk der hemelen; hun trots, hebzucht en wreedheden, werden gewettigd door de belangen van hun hemelse meester; bovendien zag in die sekte de priester zijn heerser aan zijn voeten, die hem nederig zijn zonden opbiechte en hem vroeg hem te verzoenen met zijn god. Zelden werd een priester gezien die zijn heilige ambt inzette voor het geluk van het volk; hij dacht er niet aan de machthebbers een verwijt te maken over het onrechtvaardige misbruik maken van hun macht, de ellende van hun onderdanen, de tranen van de verdrukten; te schuchter of te veel hoveling om de waarheid in hun oren te laten donderen, spreekt hij met hen niet over de veelvuldige kwellingen waaronder de naties zuchten, over de drukkende belastingen waaronder ze bezwijken, de nutteloze oorlogen die hen vernietigen, of de doorlopende inbreuken op de rechten van de burger; voor die zaken heeft de kerk geen belangstelling, die ten minste enig nut zou kunnen hebben, als zij haar macht zou inzetten om de uitspattingen van de bijgelovige tirannen te beteugelen.

De angsten voor het hiernamaals zouden vergeeflijke leugens zijn, als ze dienen om de koningen te doen beven. Dat was niet de opzet van de bedienaren van de godsdienst; ze kwamen vrijwel nooit op voor de belangen van het volk; ze bewierookten hun tirannie; ze waren toegeeflijk voor hun feitelijke misdaden; ze voorzagen hen van gemakkelijke boetedoeningen; ze beloofden vergeving door de hemel, als zij zich geestdriftig in haar twisten stortten. Zo heerste in de roomse godsdienst het priesterdom over de koningen en werd door hen gesteund in zijn heerschappij over de onderdanen. Bijgeloof en despotisme sloten dus een blijvend verbond en herenigden hun inspanningen, om het volk slaaf en ongelukkig te maken. De priester onderwierp de onderdanen, door middel van godsdienstige angsten, zodat de heerser ze kon kwellen; die laatste verleende hem als beloning vrijheid, weelde en aanzien en verplichtte zich al zijn vijanden te vernietigen.

Wat moeten we zeggen van die geleerden, die de christenen haarklovers noemen, van die zogenaamde zedeprekers, die hebben willen meten tot hoever het schepsel, zonder zijn heil op het spel te zetten, zijn schepper kan beledigen? Die diepzinnige mannen hebben de christelijke moraal verrijkt met een lachwekkende lijst van zonden; zij kennen de mate van toorn die elke zonde opwekt in de gal van het opperwezen. De ware moraal kent alleen een maatstaf om de misstappen van de mensen te meten; de ernstigste zijn de fouten die de meeste schade toebrengen aan de maatschappij. Gedrag dat onszelf schaadt, is onvoorzichtig en onverstandig; gedrag dat anderen schaadt, is onrechtvaardig en misdadig.

Alles, tot aan nietsdoen toe, wordt bij de priesters van het christendom beloond.

Lachwekkende grondslagen zorgen ervoor dat een menigte nietsnutten niet onbemiddeld kan leven en zonder een enkele bijdrage te leveren, de maatschappij teistert. Het al door belastingen overstelpte volk, wordt ook nog gekweld door die bloedzuigers, die hen voor veel geld nutteloze gebeden laten kopen, of zorgeloos maken en terwijl de talentvolle man, de arbeidzame geleerde en de moedige krijgsman in armoede wegkwijnen, of alleen kunnen beschikken over het hoogst noodzakelijke, genieten de luie monniken en nietsdoende priesters, in de staten die dat dulden, een schandelijke overvloed.

Kortom, het christendom maakt de maatschappij medeplichtig aan al het kwaad dat de medewerkers van de godheid daarin aanrichten; noch de, door de ervaring van zoveel eeuwen, aangetoonde nutteloosheid van gebeden, noch de bloedige gevolgen van hun rampzalige twisten, zelfs niet hun losbandigheden en uitspattingen, hebben de naties uit de droom geholpen over die goddelijke mannen, van wier aanwezigheid zij geloven dat hun heil afhangt.

Hoofdstuk XVI

Besluit.

Alles wat tot nu toe gezegd is, toont overduidelijk aan dat de christelijke godsdienst strijdig is met de gezonde politiek en het welzijn van de naties. Zij kan alleen van voordeel zijn voor vorsten, die verstoken zijn van kennis en deugden, geloven dat ze het bewind moeten voeren over slaven en, om ze ongestraft te kunnen beroven en te tiranniseren, samenspannen met het priesterdom, waarvan de functie altijd bedriegen is geweest, in naam van de hemel. Maar die onvoorzichtige vorsten moeten bedenken dat ze, om te kunnen slagen in hun ondernemingen, zich er niet aan kunnen onttrekken dat ze zelf slaaf zijn van de priesters, die onherroepelijk hun heilige wapens tegen hen zullen keren, als zij zich niet aan hen onderwerpen, of weigeren hun hartstochten te dienen.

Hierboven hebben we gezien dat de christelijke godsdienst, door haar fanatieke deugden, onzinnige idealen en haar ijveren, even schadelijk is voor de gezonde moraal en het gezond verstand, het geluk van de individuen en de eenheid van gezinnen. Het valt eenvoudig te begrijpen dat een christen, die als voorbeeld het idee heeft van een droevige en lijdende god, doorlopend somber moet zijn en zichzelf ongelukkig maakt.

Als deze wereld niets anders is dan een doorreis en dit leven een pelgrimstocht, zou het heel onzinnig zijn ergens aan te hechten hier op aarde. Als zijn god gekwetst is, hetzij door daden, hetzij door meningen van zijn medemensen, moet de christen, als hij daartoe de macht heeft, hen streng straffen, want anders ontbreekt het hem aan ijver en genegenheid voor die god. Een goede christen moet de wereld ontvluchten, of haar voor zichzelf en de anderen onaangenaam maken.

Deze overwegingen kunnen toereikend zijn als antwoord op de mensen, die beweren dat het christendom nuttig is voor politiek en moraal en de mens zonder godsdienst niet deugdzaam en ook geen goede burger kan zijn. In het omgekeerde van die stelling schuilt zonder twijfel veel meer waarheid en het lijkt zeker dat een volmaakte christen, die zich houdt aan de principes van zijn godsdienst, trouw de goddelijke mensen navolgt die zij hem als voorbeeld stelt, boete doet, in afzondering leeft en zijn begeestering, fanatisme en halsstarrigheid inbrengt in de maatschappij; zo iemand, beweer ik, zou geen enkele ware deugd bezitten en zou, of een nutteloos lid van de staat zijn, of een lastige en gevaarlijke burger.

Als we de voorstanders van het christendom moeten geloven, lijkt het dat er in de landen waar die godsdienst niet gevestigd is, geen sprake is van een moraal: slechts één vluchtige blik op de wereld, toont ons dat er overal deugden zijn; zonder die zou geen enkele politieke maatschappij stand kunnen houden. Bij de Chinezen, Indiërs en mohammedanen, zijn zonder twijfel goede vaders te vinden, goede echtgenoten, gezeglijke en dankbare kinderen, aan hun vorsten trouwe onderdanen en er zouden nog meer fatsoenlijke mensen zijn, zoals bij ons, als ze goed geregeerd zouden worden en als een verstandig beleid, in plaats van hen vanaf de kindertijd te onderrichten in onzinnige religies, hen rechtvaardige wetten zou geven, een zuivere niet door fanatisme bezoedelde moraal zou onderrichten, door middel van beloningen zou aansporen goed te doen en ze af te wenden van de misdaad, door middel van gevoelige straffen.

In feite, ik herhaal het nogmaals, lijkt het dat de godsdienst overal alleen maar bedacht is om de heersers de moeite te besparen om rechtvaardig te zijn, goede wetten te maken en goed te regeren. Godsdienst is de kunst om de mensen dronken te maken van geestdrift en ze te verhinderen zich bezig te houden met alle kwaad, waarmee degenen die hen regeren, hen hier op aarde overstelpen. Met behulp van onzichtbare machten, waarmee ze gedreigd worden, worden ze gedwongen in stilte te lijden onder de ellende die hen daardoor aangedaan wordt; bij hen wordt de hoop gewekt dat ze, als ze maar aanvaarden dat ze in deze wereld ongelukkig zijn, in het hiernamaals gelukkiger zullen zijn.

Zo is de godsdienst de belangrijkste toeverlaat geworden van een onrechtvaardige en laffe politiek, die gelooft dat zij de mensen moet bedriegen, om ze gemakkelijker te kunnen overheersen. Verlichte en deugdzame vorsten moeten zich verre houden van dat soort laaghartige middelen; ze moeten leren wat hun werkelijke belangen zijn en beseffen dat die verbonden zijn met die van hun onderdanen, dat ze zelf niet echt machtig kunnen zijn, als ze niet gediend worden door moedige, actieve, arbeidzame en deugdzame burgers, de gehecht zijn aan hun meesters zelf en, tot slot, dat die meesters beseffen dat die verknochtheid van hun onderdanen alleen gebaseerd kan zijn op het geluk dat hen verschaft wordt.

Als de koningen doordrongen zouden zijn van die belangrijkste waarheden, zouden ze, om de naties te kunnen regeren, geen behoefte hebben aan godsdienst en priesters. Als ze rechtvaardig en billijk zouden zijn en strikt in het belonen van talenten en deugden en het ontmoedigen van nutteloosheid, ondeugden en misdaad, dan zouden hun staten zich weldra vullen met nuttige burgers, die begrijpen dat hun eigen belang hen aanmoedigt het vaderland te dienen en te verdedigen en de heerser te koesteren, die de bewerker van zijn geluk is; om hun plichten te vervullen zouden ze dan geen behoefte hebben aan een openbaring, mysteries, paradijs of hel.

Als ze niet gesteund wordt door het opperste gezag, zal de moraal altijd vruchteloos zijn.

De alleenheerser moet de opperpriester van zijn volk zijn; hem alleen komt het onderrichten van de moraal toe, aansporen tot deugdzaamheid en rechtvaardigheid, het goede voorbeeld geven en misbruik en ondeugden straffen. Hij verzwakt zijn macht, zodra hij toestaat dat zich in zijn staat een macht verheft, waarvan de belangen afwijken van die van hem, de moraal niets gemeen heeft met de moraal die nodig is voor zijn onderdanen en de principes rechtstreeks strijdig zijn met de principes die nuttig zijn voor de maatschappij. Omdat ze het onderwijs neergelegd hebben bij begeesterde en fanatieke priesters, hebben de christelijke vorsten in hun staat alleen maar bijgelovige onderdanen, die geen andere deugd hebben dan een blind geloof, een felle ijver en een weinig doordachte onderwerping aan kinderachtige ceremonies, kortom, bizarre ideeën, die hun gedrag niet beïnvloeden, of het beter maken.

Zien we, ondanks de heilzame invloeden die toegeschreven worden aan de christelijke godsdienst, in werkelijkheid meer deugden bij degenen die haar belijden, dan bij hen die haar ontkennen? Zijn de mensen, die vrijgekocht zijn door het bloed van een god zelf, rechtvaardiger, ordelijker en oprechter dan anderen? Is er bij die christenen, die zo overtuigd zijn van hun godsdienst, geen sprake van onderdrukking, roof, ontucht en overspel? Is er bij die van het geloof vervulde hovelingen, geen intriges, trouweloosheid en lasterpraat te vinden? Hoe kan het dat er bij die priesters, die anderen gevreesde dogma’s verkondigen en vreselijke straffen, onrechtvaardigheid, ondeugden en laaghartigheid te vinden zijn? Tot slot, zijn het soms ongelovigen of sterke karakters, die door hun dagelijkse uitspattingen straf verdienen? Al die mensen zijn christenen, voor wie de religie geen belemmering vormt en die onophoudelijk de overduidelijke plichten van de moraal verzaken, willens en wetens een god beledigen van wie ze weten dat ze hem ontstemd hebben en zich, bij hun sterven, verbeelden dat ze door een laat berouw, de hemel, die zij hun leven lang hebben beledigd, kunnen sussen.

Maar we ontkennen niet dat de christelijke godsdienst niet af en toe een belemmering vormt voor sommige angstvallige zielen, die niet de onstuimigheid of heilloze energie hebben om grote misdaden te begaan en ook niet de verstoktheid, die de gewoonte om kwaad te doen veroorzaakt. Maar zelfs zonder godsdienst zouden die schuchtere zielen oprecht geweest zijn; de angst om zich bij hun medemensen gehaat te maken, zich verachting op de hals te halen of aanzien te verliezen, zouden hen evenzeer afgehouden hebben van die verstoktheid.

Mensen die zo blind zijn dat ze, ondanks alle dreigementen van de godsdienst, die overwegingen met voeten treden, zullen ze evenzeer verachten.

Evenmin kan ontkend worden dat de angst voor een god, die de geheimste gedachten van de mensen doorgrondt, voor heel wat mensen een belemmering vormt; maar die belemmering richt niets uit tegen sterke hartstochten, die als kenmerk hebben dat ze blind maken voor alle zaken die de maatschappij schaden.

Anderzijds heeft iemand, die doorgaans oprecht is, het niet nodig dat hij gezien wordt, om goed te doen; hij is bang dat hij zichzelf moet verachten, gedwongen wordt zichzelf te haten en wroeging te hebben, wat afschuwelijke gevoelens zijn voor iedereen die geen verstokte misdadiger is.

Ze moeten ons nu niet vertellen dat de mens, zonder angst voor God, geen wroeging kan hebben. Iedereen die een fatsoenlijke opvoeding genoten heeft, moet in zichzelf wel een pijnlijk gevoel ervaren, gemengd met schaamte en angst, telkens als hij nadenkt over de oneervolle daden, waarmee hij zich heeft weten te bezoedelen: hij oordeelt vaak strenger over zichzelf dan de anderen; hij is beducht voor de blikken van zijn medemensen; hij zou zichzelf willen ontvluchten en daarin bestaat de wroeging.

Kortom, de godsdienst werpt geen enkele belemmering op tegen de hartstochten van de mensen, die het verstand, de opvoeding en de gezonde moraal niet nog doeltreffender kunnen doen. Als slechte mensen zeker zouden weten dat ze gestraft worden, telkens als ze op de gedachte komen iets oneervols te doen, zouden ze gedwongen worden daarvan af te zien. In een goed ingerichte maatschappij, moet de ondeugd altijd vergezeld gaan van misprijzen; de opvoeding, geleid door het algemeen belang, moet mensen altijd leren zichzelf hoog te achten, beducht te zijn voor verachting door anderen en banger te zijn voor schande dan voor de dood. Maar die moraal kan niet in de smaak vallen bij een godsdienst, die zegt dat mensen zichzelf moeten verachten en haten, de achting van anderen moeten ontvluchten en alleen maar moeten proberen een god te behagen, van wie het gedrag onverklaarbaar is.

Tot slot, als de christelijke godsdienst, zoals beweerd wordt, een belemmering is voor de verborgen misdaden van de mensen en op sommige individuen een heilzame werking heeft, kunnen die zo zeldzame, zwakke en twijfelachtige voordelen, dan opwegen tegen de zichtbare, onmiskenbare enorme misdaden, die deze godsdienst op aarde begaat? Welke verhinderde geheime misdaden, welke voor de maatschappij nutteloze bekeringen, welk onvruchtbaar en laat berouw en welke onbeduidende schadeloosstelling, kunnen opwegen tegen de onophoudelijke twisten, bloedige oorlogen, afschuwelijke bloedbaden en ongehoorde wreedheden, waarvan de christelijke godsdienst sinds haar stichting oorzaak en voorwendsel is geweest? Tegen een geheime voor die godsdienst beangstigende gedachte, bewapent zij hele naties om elkaar te vernietigen; in het hart van een miljoen fanatici ontsteekt zij het vuur, brengt gezinnen en staten in verwarring en bevloeit de aarde met tranen en bloed.

Na dat alles moet het gezond verstand maar uitmaken wat voor voordelen het goede nieuws, dat hun god hen is komen verkondigen, oplevert.

Veel oprechte mensen, die overtuigd zijn van het kwaad dat het christendom bij de mensen heeft aangericht, willen dat niet zien als een noodzakelijk kwaad, maar als iets dat ze zonder gevaar kunnen proberen uit te roeien. De mens, vertellen ze ons, is bijgelovig; hij heeft hersenschimmen nodig; het stoort hem als ze hem die willen afnemen. Maar mijn antwoord is dan, dat de mens bijgelovig is omdat vanaf zijn kindertijd alles bijdraagt om hem zo te maken; hij verwacht zijn geluk van hersenschimmen, omdat zijn regering hem de werkelijkheid onthoudt; hij wordt nooit boos op zijn heersers, als zij hem goed doen; zij zijn dus sterker dan de priesters en hun god.

In feite kan alleen de heerser het volk tot rede brengen; door goed voor hen te zijn, zal hij hun vertrouwen en liefde winnen; over hun hersenschimmen zal hij hen geleidelijk uit de droom helpen, als hij dat zelf tenminste is; hij zal verhinderen dat het bijgeloof schade aanricht, door het te verachten en zich nooit te mengen in zijn onbenullige ruzies, door daarin verdeeldheid te zaaien en verdraagzaamheid mogelijk te maken tussen de verschillende elkaar bestrijdende sekten, die het masker zullen afwerpen en elkaar wederzijds belachelijk zullen maken: ten slotte zal het bijgeloof uit zichzelf verdwijnen, als de vorst, door de geest de vrijheid te geven, het verstand toelaat zijn dwaasheden te bestrijden. Werkelijke verdraagzaamheid en vrijheid van denken bieden het echte tegenwicht tegen godsdienstfanatisme; door ze in te zetten, zal een vorst altijd de baas zijn in zijn staat; hij zal zijn macht niet delen met oproerige priesters, die niets vermogen tegen een verlichte, daadkrachtige en deugdzame vorst. Dan is het bedrog bedeesd, de wapens vallen uit zijn handen bij de aanblik van een heerser, die het durft te verachten en gesteund wordt door de liefde van zijn volk en de kracht van de waarheid.

Terwijl een misdadige en onwetende politiek vrijwel overal gebruikt gemaakt heeft van de godsdienst, om het volk onderdanig te maken, zal een deugdzame en verstandigere politiek, om de natie gelukkig te maken, haar langzamerhand verzwakken en tenietdoen; terwijl de opvoeding tot nu toe alleen maar heeft gediend om mensen begeesterd en fanatiek te maken, zal een verstandigere opvoeding goede burgers vormen: terwijl een moraal die gesteund wordt door wonderen en gebaseerd is op de toekomst, niet in staat is geweest de hartstochten van de mensen in te tomen, zal een moraal, die gebaseerd is op de werkelijke en aanwezige behoeften van de mensheid, hen bewijzen dat in een goed ingerichte maatschappij, geluk altijd de beloning is van de deugd en dat schande, verachting en straffen het soldij zijn van de ondeugd en metgezellen van de misdaad.

Zodoende zijn heersers niet bang als ze zien dat hun onderdanen uit de droom geholpen worden over hun bijgeloof, dat hen zelf ook tot slaaf maakt en al eeuwenlang het geluk van hun staat in de weg staat.

Als de dwaling een kwaad is, moeten zij daar de waarheid tegenover stellen; als begeestering schadelijk is, moeten zij die bestrijden met de wapens van het verstand; uit Azië moeten ze een religie verdrijven die voorgebracht is door de levendige verbeelding van de oosterlingen, opdat ons Europa verstandig, gelukkig en vrij moge zijn; opdat te zien is dat daar de zeden, voortvarendheid, edelmoedigheid, nijverheid, vriendelijkheid en rust heersen; opdat in de schaduw van de wetten de heerser moge bevelen en de onderdaan gehoorzamen; opdat beiden in zekerheid mogen leven. Mag het verstand dan niet hopen dat het op een dag een gezag kan verspreiden, dat al zolang wederrechtelijk toegeëigend is door dwaling, illusie en betovering? Zullen de naties dan nooit afzien van de ijdele hoop en gaan denken aan hun werkelijke belangen? Zullen ze dan nooit het juk afwerpen van die hoogmoedige priesters, van die vervloekte tirannen, die alleen belangstelling hebben voor de dwalingen van deze wereld? Nee, laten wij ons ervoor hoeden dat te geloven; de waarheid moet uiteindelijk zegevieren over de leugen; de vorsten en volken, hun goedgelovigheid moe, zullen zich tot haar wenden; het verstand zal hun ketenen verbreken; de boeien van het bijgeloof zullen breken bij het horen van haar oppermachtige stem, bestemd om intelligente wezens onverdeeld te gebieden. Amen.

Naar boven