Home

HET LAND VAN DE

BLOEIENDE PERZIKBOMEN

Tao Hua Yuan Ji

door

Tao Yuanming

Titelplaat


Inleiding bij deze vertaling:

Dit verhaaltje is een van de weinige Chinese vertellingen over een utopia, hoewel ook hierin elementen in voorkomen die niet thuishoren in een ideale wereld. In een ideale wereld schamen mensen zich niet en dragen dus geen kleren, zijn tevreden en hebben dus geen enkele behoefte aan alcohol, denken niet aan de dag van morgen en bebouwen dus niet het land, hebben eerbied voor het leven en zijn dus vegetariërs en leiden een zwervend bestaan. Zoals David Thoreau dat verwoordde in Walden: ‘Maar helaas. De mensen zijn werktuigen geworden van hun werktuigen. De man die vrij en blij vruchten plukte als hij honger had, is nu een landbouwer geworden; en hij die ooit onder een boom schuilde is nu een thuiszitter. Wij slaan niet meer een kamp op voor een nacht, maar wij hebben ons vastgeklit op de grond en de hemel vergeten.’ In de Tao Teh Ching, ontdaan van de aankoeksels van eeuwen, is daarvan nog een echo te horen. En in de Don Quichot schreef Cervantes: ‘Welzalig tijden en eeuwen, die de Ouden de naam De Gouden gaven, en niet omdat het goud, dat in onze eeuw van ijzer zo hoog op prijs wordt gesteld in die gelukkige jaren zonder moeite verkregen werd, maar omdat zij die toen leefden de twee woorden mijn en dijn niet kenden. In die gezegende tijd van deugd en rechtvaardigheid waren alle dingen gemeenschappelijk bezit: niemand behoefde zich om in zijn dagelijks onderhoud te voorzien andere moeite te getroosten dan de hand uit te strekken en het van de krachtige bomen te plukken die met hun zoete en rijpe vruchten gastvrij tot eten noodden. Heldere bronnen en snelstromende rivieren boden in weelderige overvloed een even smakelijk als kristalhelder water. In de rotskloven en holle bomen verzamelden de nijvere en schrandere bijen hun volkeren en schonken een ieder zonder aanzien des persoons de rijke oogst van haar zoete arbeid. De stoere kurkeik leverde als ware hij tot niets anders geschapen vol hoffelijkheid zijn brede en lichte schors, waarmee men de daken van de behuizingen dekte, die door grove palen gestut, enkel dienden ter bescherming tegen weer en wind. Alle was toen vrede, vriendschap en eendracht. Het logge kouter van de kromme ploeg had de milde buik van ons aller moeder aarde nog niet geopend en doorwroet; want die vruchtbare en rijke schoot schonk zonder dwang al wat de mensen die destijds haar zonen waren, aan voedsel, verzadiging en vermaak behoefden. Men zag de ongekunstelde en schone herderinnen over berg en dal dwalen met ongedekt hoofd, en met niet meer kleren aan het lichaam dan nodig waren eerbaar te bedekken wat de eerbaarheid vordert en altijd gevorderd heeft dat bedekt wordt. En haar tooi was niet die welke tegenwoordig gebruikelijk is en waaraan het Tyrisch purper en de op zo menige wijze geplooide zijde glans en luister moeten bijzetten; nee, hij bestond slechts uit enkele samengevlochten groene blaren van kleefkruid en klimop, waarmede zij allicht even trots en sierlijk rondliepen als tegenwoordig onze dames aan het hof met de vreemde en zonderlinge bedenksels welke de zucht tot buitenissigheden haar geleerd heeft. Toen werd de taal der liefde eenvoudig en ongekunsteld gesproken, volkomen zoals de ziel ze ingaf en zonder dat men naar gemaakte en onnatuurlijke omhaal van woorden zocht om verliefde gedachten schromelijk te overdrijven. Leugen, bedrog en kwaadwilligheid hadden waarheid en oprechtheid nog niet vertroebeld. De gerechtigheid bewoog zich vrij op haar eigen gebied, waarvan de grenzen niet geschonden en overschreden werden door begunstiging en eigenbelang, zoals die haar thans aantasten, verzwakken en achtervolgen. Willekeur was het brein van de rechter nog onbekend; aangezien er niets te oordelen viel en niemand geoordeeld werd (Uit: De geestrijke ridder Don Quichot van de Mancha, vert. Werumeus Buning en C.F. A van Dam, uitg. Querido, 1992).


HET LAND VAN DE BLOEIENDE PERZIKBOMEN

In het Taiyantijdperk, 2 tijdens de Jindynastie, 3 was er in Wuling 4 eens een man die als visser in zijn levensonderhoud voorzag. Op een dag roeide hij over een rivier en vergat hoe ver hij al was gevaren. Opeens ontwaarde hij een groep bloeiende perzikbomen, die over een paar honderd passen langs beide oevers groeiden en waartussen geen enkele andere boom stond. Het gras groeide welig en geurig en overal dwarrelden bloemblaadjes neer. En omdat hij deze plek heel ongewoon vond, voer de visser door en vroeg zich af hoe ver die zich uitstrekte.

De groep bomen eindigde bij de bron van de rivier, waar de visser een rotswand aantrof waarin zich een smalle doorgang bevond en aan het eind daarvan dacht hij licht te zien. Hij stapte uit zijn bootje en betrad de rotsspleet. Het eerste stuk was zo smal dat hij nauwelijks vooruit kon komen, maar toen hij wat verder was gelopen werd de kloof opeens breder en ontwaarde hij een uitgestrekte vlakte met indrukwekkende huizen, prachtige landerijen, glinsterende vijvers, moerbeibomen, bamboebosjes en wat dies meer zij. De visser onderscheidde paden die kriskras door de velden liepen en in de verte kon hij het geluid van kippen en honden horen. De mannen en vrouwen die op de akkers werkten droegen allemaal kleren die er hetzelfde uitzagen als in de buitenwereld. De oude mensen en kinderen leken gelukkig te zijn en zich te vermaken.

De mensen waren vreselijk verbaasd toen ze de visser zagen en vroegen hem waar hij vandaan gekomen was. Hij vertelde hen dat uitvoerig en daarna nodigde de mensen hem uit in hun huis, haalden wijn tevoorschijn, slachtten een kip en bereidden een maaltijd. Andere dorpelingen vernamen van de komst van de visser en kwamen hem allemaal vragen stellen. Daarna vertelden ze hem dat hun voorouders, om de beproevingen van de oorlog tijdens de Qin-dynastie 5 te ontvluchten, hun gezinnen en goede buren naar dit ontoegankelijke oord hadden gebracht en daar nooit meer weggegaan waren en dat ze zich sindsdien nooit meer naar buiten gewaagd hadden. Ze vroegen de visser welke dynastie er nu aan het bewind was. Ze waren niet eens bekend met de Han-dynastie, 6 laat staan de Wei 7 en Jin. Zeer omstandig vertelde de visser hen alles wat hij wist en de dorpelingen waren verbaasd en slaakten zuchten van mededogen. Daarna nodigden ook andere dorpelingen de visser in hun huis uit, waar ze hem eten en drinken gaven. Na een paar dagen nam de visser afscheid, waarbij ze hem op het hart drukten niets over hen te vertellen tegen de mensen in de buitenwereld.

De visser verliet door de kloof weer het dal, vond zijn boot en volgde dezelfde weg terug waarlangs hij gekomen was, maar liet overal merktekens achter. Toen hij in Wuling aankwam begaf hij zich naar de prefectuur en vertelde de prefect wat er gebeurd was. De prefect stuurde meteen mannen met de visser mee om de plekken te gaan zoeken waar hij een merkteken had gezet, maar ze verdwaalden en konden op geen enkele manier de goede weg vinden.

Liu Zhiji 8 uit Nanyang 9 was een achtenswaardige geleerde. Nadat hij dit verhaal gehoord had, probeerde hij naarstig dit oord te vinden. Maar zijn zoektocht was vergeefs en hij bezweek ten slotte aan een ziekte. Daarna heeft nooit meer iemand ernaar gezocht.

Noten

[1] Chinese natuurdichter, c. 365-427. Dit verhaal is een van de bekendste werken van de dichter.
[2] 376-396 AD.
[3] 265-420 (eigenlijk twee opeenvolgende dynastieën, de Oost- en Westdynastie.
[4] Stad in de huidige provincie Hunan.
[5] 221-206 B.C.
[6] 206 B.C. tot A.D. 220.
[7] 220-265 A.D.
[8] Geschiedschrijver van de Jin-dynastie.
[9] Stad in de huidige provincie Henan.