Home



HET VALLADOLID-DEBAT

Uit:

Œuvres de Don Barthélemi las Casas,

évêque de Chiapa,

defenseur de la liberte des naturels de l'Amerique.

door

JUAN ANTONIO LLORENTE


Schrijver van de Geschiedenis van de Spaanse Inquisitie,lid

van verschillende Europese Wetenschapssociëteiten, enz.


Parijs


1822



Portret Juan Ginés de Sepúlveda
   
Twistgesprek tussen Dominicander paters bisschop Las Casas en doctor Sepúlveda over de rechten van de Spaanse koning bij de verovering van Amerika, in 1550 gehouden voor de Hoge Raad van de Indische Landen.    
Portret de Las Casas

Opmerking: Als je nu voor 'Evangelie' gewoon 'democratie' invult, zul je zien dat er niets veranderd is. Het machtsspel is gebleven, de dystopie en poppetjes hebben een andere naam gekregen: de religie is het kapitalisme, de godsdienst de democratie en de eredienst het consumeren geworden. Ach, de parallellen zijn legio. Moet in bijvoorbeeld Afganistan het kapitalisme verkondigd en de inwoners tot de democratie bekeerd worden, alvorens het in te lijven bij Het Systeem? Of moet het eerst gewapenderhand onderworpen worden? Er is niets nieuws onder de zon!


Scène uit de film: La Controverse de Valladolid, 1992

Scène uit de film: La Controverse de Valladolid, 1992


VIERDE

BESCHOUWING.

Vraagstuk met betrekking tot de rechten van de Spaanse koningbij de verovering van de Indische Landen, behandeld te Valladolid in 1550, op last van Zijne Majesteit.

VOORWOORD VANJUAN ANTONIO LLORENTE.

Doctor Juan Ginés de Sepúlveda, geschiedschrijver van keizer en koning Karel V, schreef op aandringen van enkele Spanjaarden, die het bij de Amerikanen ingevoerde dictatoriale systeem wilden handhaven, een in dialoogvorm en het Latijn opgesteld werk, ten bewijze van de twee belangrijkste stellingen: 10 dat de tegen de Indianen gevoerde oorlogen rechtvaardig waren; 20 dat de koning die volkeren als slaaf mocht overdragen aan de Spaanse kolonisten.


Hij diende bij de Hoge Raad voor de Indische Landen een verzoek in om zijn werk te laten drukken. Dat werd afgewezen. Daarna vroeg hij de keizer zijn verzoek voor te leggen aan de Raad van Castilië die de monarch, na bestudering van het stuk, voorstelde publicatie toe te staan. Dat werd ingewilligd middels een akte die in 1543 getekend werd in Aranda de Duero.


Dat geschiedde in de tijd dat don Barthelomeo de Las Casas vanuit Amerika in Spanje arriveerde. Hij voorzag de rampzalige gevolgen van het werk van Sepúlveda en vocht het aan. Zijn inspanningen waren voor de Raad van Castilië aanleiding om de universiteiten van Alcada en Salamanca te raadplegen. Beiden namen een besluit tégen de publicatie van het boek en de Raad van Castilië herriep de toestemming om het te laten drukken.


Sepúlveda besloot zijn geschrift, met de titel Verweerschrift (Apologie), naar Rome te sturen. Die titel had hij daaraan gegeven omdat hij daarmee antwoordde op de grieven die hem in vertrouwen meegedeeld waren door zijn goede vriend, de bisschop van Segovia.


Nadat het boek in Rome gedrukt was, kwam een groot aantal exemplaren in Spanje terecht. In opdracht van de keizer, die de invoer verboden had, werden ze in beslag genomen.


Sepúlveda had voor de middenklasse van de inwoners van het koninkrijk in het Spaans een korte samenvatting van zijn werk gemaakt, in de hoop medestanders te ronselen tegen de benadering van Las Casas, vanwege alle goeds dat naar zijn zeggen de verovering had opgebracht voor de Spanjaarden van die klasse.


Las Casas trok zijn plan en publiceerde onmiddellijk een beknopt geschrift met de titel Verweerschrift met betrekking tot de opvattingen van de bisschop van Chiapa ten gunste van de vrijheid van de Indianen. Daarin deed hij een felle aanval op de principes van zijn tegenstander en wees op de rampzalige gevolgen van het beleid dat deze wilde invoeren.


Die twist bracht bij het hof een andere teweeg, vergelijkbaar met een soort burgeroorlog. Een groot aantal machtige mannen koos partij voor Sepúlveda en sommige andere voor de bisschop van Chiapa. Het vraagstuk trok sterk de aandacht van het gezag en de monarch kon daarin onmogelijk onpartijdig blijven. Hij droeg de Raad van de Indische Landen op de zaak grondig te bestuderen, nadat hij de twee tegenstanders had laten horen, ten overstaan van een vergadering van theologen en rechtsgeleerden, die hij zelf benoemd had. Hij wilde dat alle leden van die belangrijke vergadering vrijmoedig hun mening uitten en dat die over de Indische Landen de leidraad zou zijn in het verslag dat zij van hem moesten maken.


Toen iedereen aanwezig was liet men Sepúlveda komen, die gehoord werd in een zitting die even lang duurde, als hij ter verdediging van zijn beleid wenste te spreken.


Daarna kwam de bisschop van Chiapa, die tijdens vijf zittingen het niet gepubliceerde boek van Sepúlveda bestreed, waarover ik hierboven gesproken heb.


Het onderwerp van die beschouwing was de Raad van de Indische Landen en de opdracht om pater Domingo de Soto, van de orde der Dominicanen en lid van de vergadering, te belasten met het opstellen van een overzicht en de grondgedachten van beide werken en een exemplaar van zijn verslag te verstrekken aan alle bij de vergadering aanwezige theologen, rechtsgeleerden en raadslieden van de Indische Landen.


Nadat de verhandeling bekend gemaakt was, vroeg Sepúlveda toestemming om Las Casas van repliek te dienen, omdat hij had gesproken zonder te bedenken wat er tegen zijn leerstellingen ingebracht zou gaan worden. Daartoe stelde hij twaalf artikelen op, die hem toereikend leken om het verweerschrift van de bisschop van Chiapa te weerleggen.


Las Casas antwoordde schriftelijk en vocht de twaalf grondgedachten van de geschiedschrijver aan.


Het oordeel van de vergadering was overeenkomstig de mening van de kerkvoogd, maar helaas voor de Indianen werden de maatregelen die door de vergadering aangenomen waren nooit doeltreffend uitgevoerd. De volgende drie artikelen omvatten alles wat met betrekking tot deze zaak gezegd en gepubliceerd is.

EERSTE ARTIKEL.

Samenvattend verslag van de grondgedachten die als uitgangspunt gediend hebben van de tegenstrijdige opvattingen van de bisschop van Chiapa en de geschiedschrijver van de koning, over de ter discussie staande onderwerpen met betrekking tot Amerika; opgesteld door de eerwaarde Domingo de Soto, in opdracht van de koninklijke Hoge Raad van de Indische Landen en de vergadering van theologen en rechtsgeleerden, belegd in Valladolid in 1550.


Zeer doorluchtige, luisterrijke en eerwaarde Heren en Paters. Uwe Edelachtbaren, Excellenties en Hoogeerwaarde Heren hebben mij belast met het beknopt weergeven van wat de doorluchtige doctor Sepúlveda en de hoogeerwaarde bisschop van Chiapa hebben gezegd tijdens de vergadering, zodat het besluit dat genomen moet worden, gegrond is op een volledige en volmaakte kennis van de desbetreffende zaak. Mij is te kennen gegeven niet te spreken over mijn eigen mening en mij te beperken tot een betrouwbare uiteenzetting van wat beide tegenstanders te berde hebben gebracht. Als mij die regel niet was opgelegd, zou ik voor het vraagstuk maar een paar dagen nodig gehad hebben; maar ik hoop die opdracht, die op dit moment niet afgemaakt kan worden, als mij dat toegestaan wordt, later nog te voltooien.


Uwe Edelachtbaren, Excellenties en Hoogeerwaarde Heren willen in kennis gesteld worden van de wrede maatregelen en de wetten uitgevaardigd dienen te worden om de Katholieke godsdienst gemakkelijker te kunnen verbreiden in de Nieuwe Wereld, die God voor ons onthuld heeft, zodanig dat de koning kan voldoen aan de voorschriften van de bul van Alexander en zonder gevaar voor het geweten van Zijne Majesteit.


Noch de eerwaarde bisschop, noch de doorluchtige doctor hebben overwogen in hun beschouwingen om het onderwerp in zijn algemeenheid te behandelen. Zij hebben hun onderzoek beperkt tot de vraag of het al dan niet toegestaan is rechtstreeks oorlog te voeren met de Indianen, om hen te onderwerpen en vervolgens het Evangelie te verkondigen.


Doctor Sepúlveda beantwoordt dat bevestigend en zegt dat het niet alleen toegestaan is, maar zelfs rechtmatig om tegen de Indianen ten strijde te trekken en, na ze te hebben overwonnen, te bekeren.


De eerwaarde bisschop beweert daarentegen dat oorlog slechts een kwalijk middel is, dat bovendien onrechtvaardig is en strijdig met de geest van de Katholieke godsdienst.


Bij de uiteenzetting van de grondgedachten van ieder van beide tegenstanders, moet ik erop wijzen dat de doctor geen schriftelijk betoog heeft gehouden en genoegen heeft genomen met verslag te doen van het grootste gedeelte van de inhoud van zijn werk, terwijl de eerwaarde bisschop het zijne heeft voorgelezen.


In het geschrift van de laatste vindt men niet de ordentelijkheid en overzichtelijkheid die door de doctor betracht zijn, waardoor laatstgenoemde dat niet artikel voor artikel heeft kunnen weerleggen. Hij heeft vreemde overwegingen vermengd met onderwerpen die zijn tegenstander behandeld heeft.


Als uwe Edelachtbaren, Excellenties en Hoogeerwaarde Heren het gewicht willen weten van de over en weer aangevoerde argumenten, is het zinvol het werk van Sepúlveda door te lezen, zoals u dat al gedaan hebt met dat van Las Casas.


Intussen zeg ik alvast dat de doorluchtige doctor zijn beleid verdedigt met behulp van overwegingen die tot de volgende vier teruggebracht kunnen worden:


Hij zegt:

  1. Dat de oorlog rechtvaardig is en de Indianen die hebben verdiend vanwege hun ontzaglijke misdaden, in het bijzonder die van afgoderij en andere zonden tegen de natuurwetten, waaraan zij zich onophoudelijk schuldig maken.
  2. Dat de Indianen een onbeschaafd volk zijn, van nature onderdanig en derhalve noodzakelijkerwijs slaaf van andere, beschaafdere volkeren, zoals het Spaanse volk.
  3. Dat deze middelen de enige zijn die in de Indische Landen de vestiging van de christelijke godsdienst kunnen waarborgen. Dat het resultaat daarvan onfeilbaar is indien ze toegepast worden, maar dat het zonder dat onmogelijk is datgene te bereiken wat men wenst.
  4. Dat er een eind gemaakt moet worden aan alle kwaad dat de mensheid door de Indianen berokkend wordt, omdat aangetoond is dat zij andere mensen doden om ze te offeren aan hun afgoden en zelfs op te eten.

Doctor Sepúlveda beijvert zich om zijn eerste overweging te staven met aan de Heilige Schrift ontleende getuigenissen en voorbeelden, aan de leer van verschillende kerkelijke rechtsgeleerden en gedachten over de gruwelijkheid van de misdaden waarvan hij de Indianen beschuldigt.


In de mondelinge uiteenzetting die u aanhoord hebt, heeft hij minder feiten geciteerd dan in zijn geschrift; hij heeft zich beperkt tot twee of drie.


In hoofdstuk IX van Deuteronomium wordt gezegd dat God verschillende volkeren wilde laten vernietigen vanwege hun goddeloosheid. Aangetoond is dat dat vonnis gewapenderhand uitgevoerd werd door de Israëlieten. Volgens de doctor kan daaruit opgemaakt worden dat elke oorlog die gevoerd wordt tegen goddelozen, om hen te straffen voor hun goddeloosheid, even rechtvaardig is als die van Gods volk.


Deze leer wordt ondersteund door hoofdstuk XII van hetzelfde boek, waar wij zien dat God de Hebreeën het bevel geeft de tempels van de Heidenen omver te werpen en hun afgoden te verbrijzelen en door hoofdstuk XXVI van Leviticus, waarin God zijn volk dreigt te vernietigen, evenals de afgoden aanbiddende volkeren, als het hun gruwelen zak navolgen.


Wat betreft de manier waarop oorlog gevoerd moet worden tegen de Indianen, heeft Sepúlveda verwezen naar het XXe hoofdstuk van Deuteronomium. God raadt daar de Israëlieten aan, als zij ten strijde trekken, de steden eerst vrede aan te bieden vóór ze aan te vallen; ze niet onheus te bejegenen als ze die aanvaarden en genoegen te nemen met het opleggen van cijns. In het andere geval moeten zij zich van hen meester maken en de inwoners over de kling jagen, met uitzondering van vrouwen en kinderen. De tekst voegt daaraan toe dat ook alle zeer ver gelegen steden evenzo behandeld dienen te worden. De doctor heeft dat ver gelegen uitgelegd met de woorden dat het hier niet alleen gaat om steden die zich stoffelijk op een verre afstand van Gods volk bevinden, maar ook steden die, door hun religieuze geloof, daar moreel ver van afwijken. De doctor is wel van mening dat die strengheid niet zo ver doorgedreven moet worden, door alle Indianen te doden.


De eerwaarde bisschop beijvert zich om met verschillende overwegingen de eerste redenering van de doctor te ontzenuwen. Het staat niet vast, heeft hij gezegd, dat de afgoderij van de Kaänieten de drijfveer is geweest van de verdelgingsoorlog die de Israëlieten tegen hen voerden. De reden heeft eerder gelegen in de belofte die God gedaan had, om dat land te schenken aan de nakomelingen van Abraham, Izaäk en Jacob, waarvan hij de vervulling bestemd had voor de tijd van Mozes en Jozua. Die belofte wordt aangekondigd in het XXe hoofdstuk van het boek Genesis en op andere plaatsen van de Schrift. Als de oorlog tegen Kanaän geen andere reden had gehad dan afgoderij, zou die ook gevoerd zijn tegen alle afgodische volkeren, terwijl de Israëlieten alleen degenen aanvielen die hen het in bezit nemen van het Beloofde Land weigerden. Dat blijkt ook uit de tekst van het XXIIe hoofdstuk van Deuteronomium, want daarin wordt Gods volk verboden oorlog te voeren tegen de Egyptenaren en Idumeërs, te midden waarvan het als vreemdeling had gewoond. Las Casas voegt daaraan toe dat het ver gelegen van enkele steden, waarvan sprake is, een werkelijke en fysieke afstand betekent en er geen enkele noodzaak is dat in geestelijke zin te verstaan, zoals de schrijver van het commentaar dat wil.


De dreigementen die God uitspreekt tegen de Israëlieten, vormen geen enkele bewijs voor de mening van Sepúlveda. Zij waren Gods volk en niemand zou zich erover moeten verbazen dat de goddelijke Majesteit hen dreigt, omdat zij zijn uitverkoren volk waren. Het betreft hier dus geen vreemde volkeren. Vergeefs spreekt de doctor over de bestraffing van Sodom en verschillende andere goddeloze steden, omdat in de Bijbel veel gebeurtenissen eerder vermeld worden om ons bewondering in te boezemen voor Gods optreden, dan ons die steden leren na te volgen. Dat is de mening van Augustinus en Gregorius de Grote over het onderwerp, die door doctor Sepúlveda als voorbeeld aangehaald is.


Uit de heilige tekst, zegt de eerwaarde bisschop, blijkt niet alleen niet dat die oorlog ten doel had de Kaänieten te straffen voor hun afgoderij, maar dat is ook amper voorstelbaar, want volgens de leer van de Katholieke kerk is een oorlog tegen ongelovigen nooit toegestaan om ze te straffen voor hun dwalingen, noch om ze te dwingen christen te worden. Dat hebben Augustinus, Thomas van Aquino en andere Kerkvaders geleerd. De beroemde passage in het Evangelie (Joh.14:15-24), waar de heer des huizes zijn dienstknecht opdracht geeft mensen dwingen de feestzaal binnen te gaan, zonder dat zij dat willen, betekent niet dat ze gedwongen moeten worden met behulp van fysieke wapens, in plaats van de wapens van onderrichten en overtuigen, gebaseerd op onweerlegbare en dwingende redenen. Dat is de betekenis die door Johannes Chrysostomos en andere grote kerkelijke rechtsgeleerden aan die woorden gegeven is. Dat is ook de mening van Innocentius IV in zijn commentaar op het hoofdstuk Majores, met de titel de Baptismo, opgenomen in de Decretalen.


De eerwaarde bisschop zegt verder dat er niets anders gezegd kan worden ten gunste van het systeem van oorlog voeren tegen de Indianen, dan wat beweerd wordt dat sommige keizers, met heilige mannen als raadgever, met afgodendienaars hebben gedaan, zoals Constantijn de Grote met de Goten en Sarmaten onder paus Silvester, en andere keizers tijdens het pontificaat en naar de wens van Gregorius de Grote. Want die beweringen zijn volstrekt onwaar en geen enkele wordt gestaafd door bewijzen. Toen Constantijn oorlog voerde tegen de Goten en Sarmaten, was dat omdat zij sommige streken van het Romeinse Rijk binnengevallen waren. Paulus Orosius en andere geschiedschrijvers uit die tijd of aangrenzend aan die periode, laten ons dat weten. Gregorius de Grote beraamde helemaal geen oorlog, maar stuurde de monnik Augustinus en zijn metgezellen naar de heidenen in Engeland om het Evangelie te verkondigen, na hen, volgens de getuigenis van Beda en de diaken Johannes, op het hart gedrukt te hebben alles te vermijden wat naar geweld zweemde, en slechts gebruik te maken van het middel van overreding. Het is alleen bekend dat de grote paus de oorlogen, die de patriarch Gennadius in zijn tijd voerde, indirect goedkeurde, door te zeggen dat die veel minder ten doel hadden bloed te doen vloeien, dan de grenzen uit te breiden van het rijk waar de ware God werd aanbeden, en verkondigers van het Evangelie naar de veroverde landen te kunnen sturen. Maar als men die periode van de geschiedenis onderzoekt en goed begrijpt, is daarin geen enkel woord te vinden dat bewijst dat Gregorius de Grote wilde dat oorlog gevoerd werd tegen de afgodendienaren, om al degenen die men gewapenderhand onderworpen had, tot het christendom te bekeren.


Verder zegt de kerkvoogd Las Casas dat Paulus verklaart dat het hem niet betaamt zich te mengen in de gewoonten en gebruiken van de christenen. Met andere woorden, als hij erkent dienaangaande geen enkel recht te hebben, zou hij hen dan wel aangeraden hebben een verdelgingsoorlog te voeren? Niets is meer in overeenstemming met die principes dan het optreden van Jezus-Christus, die weigert zich te mengen in de verdeling van een erfenis tussen twee broers en tegen hen zegt: Wie heeft mij als rechter over u aangesteld? (Luc. 12:14) Ook Augustinus dacht dat het christenen niet betaamde deel te nemen in een zaak tegen de heidenen, noch hun afgodsbeelden omver te werpen, maar dat het, om ze te bekeren, wel nuttig kon zijn gebruik te maken van alle mogelijke welwillendheid en mildheid.


Doctor Sepúlveda heeft ook gezegd dat de Indianen het verdienen dat er oorlog tegen hen gevoerd wordt. Niet alleen omdat zij zich schuldig maken aan afgoderij, maar ook omdat ze een groot aantal andere zonden begaan tegen de natuur, onder andere dat zij onschuldige mensen offeren aan hun goden. De eerwaarde bisschop beantwoordt dat met te zeggen dat het vaststaat dat dat niet waar is, en er geen enkel woord in het Evangelie staat, dat vorsten het recht verleent een dergelijke zonde te straffen. Ongelovigheid is een veel grotere zonde dan afgoderij. Toch heeft Thomas van Aquino gezegd dat dat niet de zeer zware straf zal krijgen die het verdient, wanneer God de levenden en doden zal oordelen, omdat het bij de ongelovigen niet als zonde bekend staat. Daarom zegt Paulus ook tegen de Atheners: Wat gij dan, zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u(Hand. 17:23).


De doctor zegt verder dat een groot aantal wijze kerkelijke rechtsgeleerden van mening waren dat een oorlog tegen afgodendienaren altijd rechtvaardig is. De eerwaarde bisschop zegt dat dat slechts tot op zekere hoogte waar is en in sommige bijzondere omstandigheden:

  1. Als het gaat om streken te heroveren die christelijk waren voordat ze onder de macht van afgodendienaren kwamen, zoals Algiers en andere kuststeden van Barbarije.
  2. Wanneer de ongelovigen de christelijke godsdienst kwetsen door hun tempels en religieuze erediensten te ontheiligen. Zo verbood keizer Constantijn de heidenen afgodsbeelden te hebben, overal waar ze voor de christenen een steen des aanstoots waren.
  3. Wanneer zij de christenen beledigen door openlijk de christelijke godsdienst te beschimpen.
  4. Wanneer zij zich verzetten tegen de verkondiging van het Evangelie, zonder andere reden dan hun haat tegen de religie van Jezus-Christus. Want als de verkondigers verschijnen met het wapen in de hand, is de weigering van de heidenen om het Evangelie te laten verkondigen geen voldoende reden om hen de oorlog te verklaren, omdat gewapenderhand evangeliseren een afdwaling van de leer van Jezus-Christus is.
  5. Wanneer de ongelovigen oorlog voeren tegen de christenen, zoals de mohammedanen doorgaans doen.
  6. Wanneer zij onschuldige en hulpeloze mensen vervolgen, die onder bescherming van de Kerk vallen. En zelfs hier deelt Las Casas niet de mening van de kerkelijke rechtsgeleerden en verklaart dat, als er geen andere manieren zijn om ze te beschermen, het een geringer kwaad is een paar onschuldige christenen te laten sterven dan een oorlog te ondernemen, waarvan de gevolgen onvergelijkbaar rampzaliger zijn en niet altijd het resultaat geeft dat men zich had voorgesteld.

Uit die principes heeft hij de gevolgtrekking gemaakt dat de oorlog tegen de Indianen ongeoorloofd is en tot zonde leidt, hoe afgodisch men hen ook vindt, zolang ze maar niet de christenen kwetsen in hun godsdienst. En dat oorlog niet minder zondig is als die gevoerd wordt vanwege hun zondigen tegen de natuur, waarvan ze beschuldigd worden, zelfs wanneer ze zich daaraan daadwerkelijk schuldig maken.


De tweede belangrijke reden waarop doctor Sepúlveda de rechtvaardigheid van een oorlog tegen de Indianen meent te kunnen grondvesten, kan teruggebracht worden tot hen voor te stellen als een onbeschaafd volk, onderdanig en barbaars en uitsluitend geschikt om te leven in ondergeschiktheid aan andere, meer ontwikkelde mensen, zoals de Spanjaarden die hen, na hen door middel van de wapenen onderworpen te hebben, zouden kunnen onderrichten en besturen.


Het antwoord van de eerwaarde bisschop was dat het verkeerd is om te veronderstellen dat de Indianen onbeschaafd en onderdanig van aard zijn. Dat hun zeden zelfs niets barbaars tonen als zij in een gemeenschap leven, onder bevriende leiders en bestuurd door wetten die slechts daden straffen die zij zelf misdadig vinden. Zij zijn ook bij lange na niet zo onwetend als doctor Sepúlveda beweert, omdat zij huizen bouwen, wapens vervaardigen, brood kunnen maken en zich kunnen voorzien van andere zaken die noodzakelijk zijn voor het leven, hoewel hun kunsten, gewoonten en gebruiken in geen enkel opzicht lijken op de welke, waardoor de Spanjaarden zich onderscheiden. Door zodoende de feiten te ontkrachten, waarvan Sepúlveda veronderstelt dat ze waar zijn, doet zijn tegenstander de conclusies teniet die daaruit door hem zijn afgeleid.


De derde belangrijke reden van doctor Sepúlveda is dat het, door de Indianen gewapenderhand te onderwerpen, gemakkelijker en eenvoudiger en daardoor geëigender is, hen daarna het Evangelie te verkondigen. Dat ze dan beter overtuigd kunnen worden van de waarheid van de christelijke godsdienst en doeltreffender tot het door haar gewenste gedrag gebracht kunnen worden. De eerwaarde bisschop bestrijdt dat derde punt op verschillende manieren en verdedigt de tegenovergestelde mening met meerdere argumenten, die ik zal aangeven.


Religie, zegt hij, staat niet toe de waarheden te bewijzen die zij door zuiver natuurlijke redeneringen onderricht. Zoals Paulus zegt moet de geest zich onderwerpen en tegelijkertijd lofzingen (1 Cor. 14:15), wat als een zeer belangrijke voorwaarde veronderstelt dat degenen, die haar predikers aanhoren, hen als betrouwbare mensen zien, die niet in staat zijn tot bedrog. Dat goedgunstige idee, dat voorafgaat aan elke prediking, kan alleen maar ontstaan in de geest van de Indianen, als zij getuige zijn van het deugdzame, vreedzame, belangeloze en volstrekt oprechte gedrag van de prediker, de enige eigenschappen die de afgodendienaar ertoe kunnen brengen dat hij met aandacht en respect naar hem luistert. In de Indische Landen heeft de ervaring dat bewezen, en het is door het gezonde verstand bevestigd, dat die leer die van de evangelisten, apostelen en Kerkvaders is geweest. Om dat aan te tonen heeft de eerwaarde bisschop een groot aantal passages aangehaald. Hij voegt daaraan toe dat die onmogelijk in overeenstemming gebracht kunnen worden met het idee dat afgodendienaren eerst gewapenderhand onderworpen moeten worden, om ze vervolgens te bekeren. Die manier brengt immers, in plaats van de geest toegankelijk te maken voor de waarheid, alleen maar haat teweeg tegen iedereen die tot het volk van de vijand behoort, en het ligt niet voor de hand dat men dan nog vertrouwen heeft in wat de prediker verkondigt. Die manier van bekeren doet hem denken aan die van Mohammed, die daarvoor gebruik liet maken van het zwaard, in tegenstelling tot Jezus-Christus die zijn apostelen op het hart drukte zich te midden van de heidenen voor te doen als schapen tussen de wolven (Matth. 10:16). Ook Gregorius de Grote zei, nadat hij had vernomen dat men met wapens de godsdienst onder de heidense volkeren ging vestigen, "kijk, een nieuwe en ongehoorde manier om te bekeren. Men denkt het geloof op te kunnen leggen met zweepslagen."


Vergeefs zou men kunnen beweren dat de oorlog tegen de Indianen niet gevoerd wordt om hen te dwingen het christelijke geloof te aanvaarden, maar alleen om hen te onderwerpen om hen daarna gemakkelijker te kunnen onderrichten. Zeker is dat men zijn toevlucht zoekt tot geweld en de bekering van een deel van de inboorlingen alleen maar plaatsvindt, omdat ze bang zijn voor wat ze anderen hebben zien ondergaan, zonder dat er van hun kant sprake is van innerlijke bekering of een eigenmachtige verandering van hun wil.


De manier om heidenen te bekeren door middel van oorlog is duidelijk in strijd met alle principes van het christendom. Volgens de leer en het voorbeeld van haar goddelijke stichter, moet hen eerst verteld worden dat het doopsel alle zonden uitwist, die begaan zijn vóór dit teken van het nieuwe verbond, zonder dat de ziel onderhevig is aan enige moeite voor hun boetedoening. De Here vergeeft hen immers allemaal door zijn genade, zodat de verkondiger van de religie kan beginnen met heilzame daden en de christenen pas in moeilijkheden brengt als degenen die onderworpen zijn aan zijn wetten door de zalving van het doopsel weer de wegen der zonden betreden en de toorn van God opwekken. Maar dat is het tegenovergestelde van wat men ziet gebeuren als de verkondiging begint met een oorlog, zoals die van Mohammed, omdat de religie zich dan, in plaats van met die belangeloze en milde vergeving van alle zonden, slechts zal aandienen om met het zwaard der verdelging de vreselijkste smarten te berokkenen.


Als, zoals hierboven gezegd is, de kerkelijke rechtsgeleerden toestaan dat er vijandelijkheden plaatsvinden tegen de volkeren die zich verzetten tegen de verkondiging van het Evangelie, is dat principe alleen maar toepasbaar onder omstandigheden waarbij men zeker kan weten dat die volkeren de aard van de religie kennen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de mohammedanen, die weten dat het belijden van het christendom hen niet berooft van de voordelen van het sociaal contract, die even verenigbaar zijn met de christelijke religie als met het mohammedanisme. Maar die leer van de rechtsgeleerden kan niet toegepast worden op volkeren die, op het moment waarop hen toestemming gevraagd worden bij hen het geloof te verkondigen, niet beseffen dat het een nieuwe religie is en de verkondigers die verschijnen ervan verdenken dat ze spionnen zijn, gestuurd om het land te verkennen en daarna de veroveraars aangeven hoe ze het moeten binnenvallen. In die omstandigheden kan er dus geen motief bestaan dat volstaat om hen de oorlog te verklaren, ten einde hen te dwingen missionarissen toe te laten.


Jezus-Christus heeft ons inderdaad opgedragen overal ter wereld aan alle mensen het Evangelie te verkondigen. Omdat ons die verplichting opgelegd is, hebben sommige mensen daaruit willen opmaken dat dat het recht veronderstelt om alle hindernissen te overwinnen. En als, om dat doel te bereiken, oorlog noodzakelijk is, is dat middel dus toegestaan, als gevolg van die goddelijke opdracht. Die redenering heeft alles van een drogreden, omdat de verplichting om overal ter wereld het geloof te verkondigen de voorwaarde veronderstelt dat de volkeren ons willen ontvangen en naar ons willen luisteren. Daarom stond Jezus-Christus de mensen die hij uitstuurde geen enkele dwingend uiterlijk geweld toe. Hij drukte hen daarentegen op het hart dat ze, als inwoners van een stad niet naar hen wilden luisteren, naar een andere moesten gaan en overal hun bediening moesten beginnen met het verkondigen van vrede. De apostelen vroegen hem het vuur uit de hemel te doen neerdalen op Samaria, omdat haar inwoners weigerden de goddelijke wetgever te aanvaarden. In plaats van hun verontwaardiging goed te keuren, wees hij hen streng terecht en zei hen dat zij nog niet echt begrepen hadden hoe vreedzaam, mild, nederig en barmhartig de verkondigers van het Evangelie moesten zijn.


Mensen die nooit toegezegd hebben te luisteren naar het onderricht van de dogma's en zedenleer van het christendom, zijn geen enkele verplichting aangegaan om onder hen de aanwezigheid van predikers te dulden. Daarom hebben zij niemand een terechte reden verschaft om voor een dergelijke reden oorlog met hen te voeren. Dat beweert de eerwaarde bisschop. Maar uwe Heerlijkheden, Excellenties en Hoogeerwaarde Heren moeten dit vraagstuk zelf onderzoeken en beslissen in hoeverre dat waar is.


De vierde belangrijke reden van doctor Sepúlveda is dat de Indianen de menselijkheid geweld aandoen door onschuldige mensen te vermoorden en als slachtoffer te offeren aan hun afgoden. Die zonde staat alle vorsten van de beschaafde landen toe oorlog tegen de Indianen te voeren, totdat die barbaarse gewoonte bij hen uitgeroeid is.


De eerwaarde bisschop ontkent die conclusie, omdat noch door het Evangelie, noch door enige andere tekst van de Heilige Schrift, aangetoond is dat God een vorst de verplichting heeft opgelegd om een einde te maken aan de wantoestanden die heersen in een land, dat niet aan zijn wetten onderworpen is.


Het middel dat men daartegen zou willen gebruiken zou opnieuw een oorzaak zijn van een overvloed aan zonden, omdat een oorlog doorgaans gepaard gaat met roof, moord, geweld, verkrachting en alle andere mogelijke kwaad. In dit geval zal de oorlog dus een geneesmiddel zijn dat erger is dan de kwaal, want daardoor komen samen met de schuldige duizenden onschuldige mensen om, terwijl daarbij slechts een klein aantal mensen gered wordt, die toch voorbestemd zijn voor afgoderij. Met andere woorden, het Evangelie verbiedt het uitrukken van het onkruid, omdat het tijdens de groei nog vermengd is met koren, om te voorkomen dat het samen daarmee uitgerukt wordt (Matth.13:29): Jezus-Christus wil dat het met rust gelaten wordt tot de oogsttijd, dat wil zeggen tot de Dag des Oordeels.


Verder moet niet vergeten worden dat, als in beschaafde landen het offeren van menselijke slachtoffers als een barbaarse gewoonte geldt, dat niet wil zeggen dat bij nagenoeg onbeschaafde volkeren die misdaad niet even groot is als wij nu denken. Voor ons staat vast dat dat in de ogen van God niet zo is, maar het wat betreft de mensen terecht is om daar anders over te denken.


Die volkeren zijn ervan overtuigd dat ze een religieuze handeling verrichten die de godheid een welbehagen is. Als zij die gunstig willen stemmen, offeren zij hem wat zij als het beste en verhevenste beschouwen, dat wil zeggen de mens zelf. En om voor hem dat offer nog aangenamer te maken, kiezen zij daarvoor iemand die zuiver en onschuldig is. Volgens hen is niets beter in staat God te behagen en door dat te doen, geven ze toe aan een religieuze overtuiging, en vinden die cultus helemaal niet onmenselijk.


De Indianen van Amerika zijn niet de enigen en eersten die in die dwaling vervallen zijn. Eusebius verhaalt in zijn boek Evangelische Voorbereiding, evenals Clemens, Lactantius en veel andere betrouwbare schrijvers, dat dit een gebruik was bij een groot aantal oude volkeren, waarvan zij ons de namen noemen. De Heilige Schrift vertelt ons over Jefta, die zijn dochter offert om de belofte te vervullen die hij afgelegd had te midden van het uitverkoren volk (Richteren 11:39). Bovendien lijkt het dat God een dergelijk offer niet altijd veroordeelt, aangezien hij om het geloof van Abraham op de proef te stellen, hem zelf beveelt zijn zoon Izaäk te offeren en pas de arm die hem zal treffen tegenhoudt als Abraham zijn zonde al begaan heeft, als het waar is dat instemmen met het offeren van onschuldige mensen in alle gevallen een zonde is. Vergeefs zal men aanvoeren dat die gebeurtenissen grote mysteries verhullen en daaruit niets opgemaakt kan worden. Die mysteries bestonden in Gods denken, maar bij Abraham zien wij slechts een daad van gehoorzaamheid, en als die aartsvader had gedacht dat mensenoffers brengen zo barbaars was, dat niets dat kon verontschuldigen, zou hij betwijfeld hebben of degene die hem het bevel kwam brengen om zijn zoon Izaäk te offeren wel een boodschapper van God was en niet een duivelse geest, in de gedaante van een engel des lichts.


Daaruit volgt dat barbaarse volkeren niet zo misdadig zijn als ze op het eerste oog lijken, en hun gebruik om mensenoffers te brengen aan hun valse goden geen voldoende reden is voor oorlog. De Romeinen kwamen tijdens hun veroveringen volkeren tegen die gewend waren aan soortgelijke offers. Toch hebben zij geen enkel volk daarvoor gestraft en volstonden met hen te waarschuwen dat dat gebruik misdadig was en voor altijd afgeschaft diende te worden.


Als de enige reden voor het voeren van oorlog het verhinderen van het offeren van mensen was, zou dat voor het echte doel nutteloos zijn. Oorlog kan immers slechts dienen om het verlangen om zich voor Gods zaak in te zetten groter te maken, door een middel dat des te meer geoorloofd en religieus is, naarmate het afschuwelijker is voor het volk dat de oorlog zal veroorzaken. Men zal dan zien dat offers in het openbaar ophouden, maar in het geheim zullen toenemen. Kortom, in de samenleving bestaat geen enkele wet, goddelijk noch menselijk, die het kwaad toestaat, wat voor goeds daar ook uit voort moge komen.


De eerwaarde bisschop besluit zijn beschouwing met het aandragen van manieren om in de Indische Landen het Evangelie te verspreiden, zodanig dat die landen rechtmatig onderworpen blijven aan de koning van Castilië. Daartoe verdeelt hij Amerika in twee verschillende gebieden; het ene dat de missionarissen in alle veiligheid kunnen betreden en het andere waar ze niet welkom zijn.


Hij denkt dat de verkondigers van het Evangelie wel naar het eerste kunnen gaan, maar zonder soldaten en vergezeld van vreedzame mensen, met een onberispelijke levenswandel, onderricht in de waarheden van de catechismus en de principes van een goede moraal. Door een goed voorbeeld, wijze gesprekken en de evangelische leer over vrede en maatschappelijke deugden, zullen mensen gaan houden van de christelijke religie, haar moraal en van de vorst die zulke vreedzame mensen stuurt, die geëerbiedigd zullen worden als vertolkers van een nuttige en onpartijdige gerechtigheid.


Wat betreft de landen die de Spanjaarden nog niet in bezit hebben genomen, denkt de eerwaarde bisschop dat missionarissen moeten wachten op gunstigere omstandigheden om ze te bezoeken. Hij wil dat men zich voorbereidt op dat moment, door het bouwen van enkele vestingen aan de grenzen van de landen die, krachtens de bul van paus Alexander VI, al onderworpen zijn aan de koning van Spanje. Als die nederzettingen gebouwd zijn, moet gepobeerd worden, onafhankelijk van hoe ver weg ze wonen, handel en vreedzame betrekkingen te onderhouden met de Indianen, waarbij zorgvuldig alles vermeden moet worden, waardoor ze kunnen vrezen voor vervolgingen. Een goede aanpak zal vertrouwen wekken. Dat zal dan blijken en zal de dag aanbreken waarop de verkondigers van het Evangelie zich te midden van hen kunnen vertonen, net als vroeger vergezeld van kundige mensen, en die volkeren alle goeds brengen wat men voornemens is.


Die manieren om te bekeren zijn overeenkomstig de geest van de bul van Alexander VI, evenals die van paus Paulus, waarin wordt gezegd dat de Indianen onderdaan worden van de koning van Spanje, zodra zij bekeerd zijn. Dat wil niet zeggen dat zij het vruchtgebruik moeten verliezen van wat zij in eigendom hebben, maar alleen de manier waarop zij de heerschappij van Zijne Majesteit erkennen, namelijk door hem een geringe cijns te betalen als blijk van hun erkentelijkheid voor de bescherming, rechtvaardigheid en het onderricht dat zij te danken hebben aan het bestuur van de koning.


Dat, Heren, is een samenvattend verslag van wat de geleerde doctor en de eerwaarde bisschop gezegd en geschreven hebben, zodat u zich met kennis van zaken zult kunnen uitspreken over wat er gedaan dient te worden ter meerdere eer en glorie van God.


De eerwaarde bisschop is veel uitvoeriger in zijn verslag dan de doctor, omdat hij een groot aantal jaren doorgebracht heeft onder de Indianen en zijn inspanningen gewijd heeft aan het ter sprake brengen van alles wat volgens hem kon bijdragen aan hun geluk. De drijfveren die de geleerde geschiedschrijver bewogen hebben zijn niet minder achtenswaardig en ook zijn inspanningen verdienen uw erkenning.

TWEEDE ARTIKEL.

Antwoord van doctor Sepúlveda op de beweegredenen van bisschop Las Casas, opgenomen in het kort samengevatte verslag van voorgaand artikel en in zijn beschouwing.


Zeer doorluchtige, luisterrijke en eerwaarde Heren, uwe Edelachtbaren en Excellenties, bijeengeroepen om de functie van rechter uit te oefenen, hebt gedurende vijf of zes dagen de lezing aanhoord die de eerwaarde bisschop van Chiapa heeft gehouden over een verhandeling, aan het schrijven waarvan hij verschillende jaren heeft besteed en waarin hij eigen of aan anderen ontleende argumenten naar voren heeft gebracht, , met de bedoeling aan te tonen dat de verovering van de Indische Landen onrechtvaardig is, als dat met oorlog gepaard gaat, om vervolgens de bewoners te bekeren, zoals tot nu toe geschied is, gehoor gevend aan de bul van Alexander VI.


Ik neem het op voor het gezag van de Heilige Stoel in hetgeen zij heeft bevolen en goedgekeurd, en voor de rechten van de koning en zoals die is toegepast volgens de principes van het recht, wat niets anders betekent dan het verdedigen van de eer van onze koningen en die van de Spaanse natie.


Ik vraag zo welwillend te zijn enkele momenten met aandacht naar mij te luisteren, omdat ik de eerwaarde bisschop dien te antwoorden en de onhoudbaarheid van zijn argumenten aan te tonen, wat mij niet moeilijk zal vallen.


Ik zal het kort houden, uit achting voor de zeer wijze rechters, van wie zeer moeilijke regeringszaken alle zorgvuldigheid eisen, die ook bekend staan door hun rechtvaardigheidsliefde en onkreukbaarheid en ontoegankelijk zijn voor elke andere gedachte dan altijd recht en waarheid te plaatsen boven alle menselijke overwegingen.

EERSTE TEGENWERPING.

De eerwaarde bisschop zegt eerst dat het Beloofde Land verschillende afgodische naties bevat, afgezien van die God de Israëlieten opgedragen heeft te vernietigen. Toch gebiedt God niet oorlog tegen hen te voeren. Daaruit maakt de eerwaarde bisschop op dat de eigenschap afgoderij geen afdoende reden is om een volk aan te vallen, als er los van hun afgoderij geen andere redenen zijn om aldus te werk te gaan.


Mijn antwoord daarop is dat er op de grote wegen veel dieven zijn die straffeloos blijven, omdat ze niet gepakt kunnen worden, of om andere redenen. En toch zou het een grote dwaasheid zijn daaruit op te maken dat het misdrijf diefstal niet voldoende is om alle dieven te vervolgen, en alleen de dieven, die de rechter in zijn bevelschrift genoemd heeft, gearresteerd moeten worden.


Ik zeg dus dat de ware reden waarom God het bevel gaf alle bewoners van het Beloofde Land te vernietigen was om hen te straffen voor de zonden van afgoderij en veel andere niet minder afschuwelijke. Dat God dat zelf aankondigde toen hij de aartsvader Abraham zijn beloften deed en de passages in Deuteronomium en Genesis op die manier opgevat moeten worden.


Ik beweer niet dat de oorlog tegen de Indianen een echte nabootsing moet zijn van die van de Israëlieten tegen de Kaänieten, maar alleen dat die zolang tegen hen gevoerd moet worden, totdat zij voldoende onderworpen zijn om de verkondiging van het Evangelie te aanhoren.

TWEEDE TEGENWERPING.

De eerwaarde bisschop heeft gezegd dat het compelle intrare (dwing ze binnen te komen) uit het Evangelie, zich niet uitstrekt tot lichamelijke dwang, maar tot het overtuigen van onze geest, teweeggebracht door onweerstaanbare argumenten.


Toch staat vast dat dat de mening is geweest van Augustinus, zoals te lezen valt in zijn brieven aan Vincentius, Anastasius en Donatus, met betrekking tot de bekering van de afgescheiden Donatisten. In twee van zijn brieven is Gregorius de Grote het wat dat betreft eens met de bisschop van Hippo (Epistula 23, lib. I; ep. 6o, lib. IX.).

DERDE TEGENWERPING.

De bisschop van Chiapa denkt te moeten laten zien dat de strengheid waarover Augustinus spreekt, bedoeld was tegen ketters en niet tegen heidenen. Mijn antwoord daarop is dat als die niet toegestaan was tegen de eersten, dat dan ook niet geoorloofd heeft kunnen zijn tegen de laatsten, omdat de bedoeling in beide gevallen bekering tot de christelijke godsdienst was. Bovendien spreekt de geleerde Augustinus elders ook over die tegen de heidenen uitgeoefende dwang, met name in zijn achtenveertigste brief, waar hij de edicten aanhaalt van de christelijke keizers, die de afgodendiensten verbieden. Daaruit maakt hij op dat het eveneens toegestaan is die uit te vaardigen tegen andere ketters.


En nu niet zeggen dat het hier gaat om onderdanen van het Keizerrijk, want ik maak daar zelfs uit op dat dwang dan nog meer geoorloofd is, omdat het een onafhankelijke natie betreft en buitenlanders minder omzichtigheid verdienen. Daarvoor beroep ik mij op Gregorius, die ik zo-even aangehaald heb. Hij vond dat Gennadius, prefect van Afrika, een aanleiding had om oorlog te voeren tegen de afgodendienaren, om ze te dwingen zich te onderwerpen aan de Romeinen en daarna het christendom aan te nemen.

VIERDE TEGENWERPING.

Bisschop Las Casas beweert dat de heiligen nooit koningen aangeraden hebben de wapens op te nemen tegen de heidenen om ze te bekeren. Maar die zaak is bij lange na niet zo zeker als hij denkt. Want er wordt verteld dat paus Adrianus er bij Karel de Grote op aandrong oorlog te voeren tegen de Lombarden, die geen christenen waren. Augustinus heeft de edicten van de keizers tegen de heidenen geprezen en op straffe van dood verbood Constantijn in het openbaar afgodendienst te bedrijven, na paus Silvester en andere heilige personen geraadpleegd te hebben. Gregorius juichte de verovering toe van het deel van Afrika dat grensde aan de Romeinse provincies, omdat hij voorzag dat het geloof zou gaan doordringen in die streken, waar het nog onbekend was. Thomas van Aquino verklaart dat het priesters toegestaan is vorsten van raad te dienen over rechtvaardige oorlogen en dat laatstgenoemden de ongelovigen, van wie het gedrag een steen des aanstoots is, kunnen dwingen het christendom te belijden en eveneens diegenen die zich verzetten tegen het uitoefenen van de christelijke godsdienst door hinderlijke praatjes of het vervolgen van christenen. Met andere woorden, die leer gaat ervan uit dat fysieke dwang toegestaan is, hetzij door middel van opgelegde wetten als de ongelovigen onderdaan van de Staat zijn, hetzij gewapenderhand als zij onafhankelijk zijn.

VIJFDE TEGENWERPING.

De eerwaarde bisschop gelooft dat de paus niet de bedoeling heeft gehad de Spaanse koning toe te staan ten strijde te trekken tegen de Indianen, om hen te onderwerpen en te bekeren, omdat Zijne Heiligheid geen enkele macht had over volkeren, die niet het doopsel hadden ontvangen. Hij grondvest zijn leerstelling op de eerste brief aan de Corinthiërs, waarin Paulus, die zich herinnert wat er gezegd is over enkele afgodische buren van het land waar hij zich bevindt, het volgende zegt: "Staat het soms aan mij hen te oordelen die buiten zijn? God zal hen oordelen (1 Cor. 5:12-13)."


Hoewel het niet aan de paus is de ongelovigen te oordelen, is mijn antwoord daarop dat daaruit niet volgt dat hij zich niet tot op zekere hoogte kan mengen in wat er onder hen gebeurt. Hij heeft het recht hen verkondigers van het Evangelie te sturen om hen te bekeren en, volgens de leer van Augustinus en Thomas van Aquino, valt onder die mogelijkheid alles wat het welslagen van die onderneming kan verzekeren.


Als gebruik maken van de oorlog, om ongelovigen te onderwerpen, ten einde hen vervolgens Gods woord te verkondigen, gezien wordt als een nuttig middel om uiteindelijk een vrijwillige bekering te bereiken, heeft de Kerk het recht daartoe haar toevlucht te nemen, door zich tot de vorsten te richten. In dat optreden schuilt niets dat strijdig is met wat Paulus zegt. De verdraagzaamheid waarmee men sommige heidenen bejegent, bewijst niet dat dat bij allen gedaan moet worden. Augustinus uit zich weliswaar in zijn brief aan Marcellinus als volgt: "Als wij ze toch niet kunnen verbeteren, laten we dan de mensen steunen, die zich verbeelden met ongebreidelde ondeugden een republiek in stand kunnen houden, die de eerste Romeinen slechts konden grondvesten op de deugd." Maar elders prijst hij de prefect Gennadius omdat hij oorlog gevoerd heeft tegen de heidenen in Afrika, om hen het geloof te doen aannemen, nadat hij hen eerst onderworpen had aan de wetten van het Rijk.

ZESDE TEGENWERPING.

De eerbiedwaardige bisschop die ik bestrijd, zegt verder dat de macht waarvan hier sprake is, niet de paus toebehoort. Hij steunt daarbij op wat Jezus-Christus niet kon toekennen aan Petrus, omdat hijzelf, voor zover hij mens was, in feite niet bekleed was met de opperheerschappij over de wereld en haar koninkrijken, hoewel hij die wel had kunnen ontvangen als het nuttig geweest was voor de vestiging van het geloof op aarde.


Ik antwoord daarop dat die leer niet in alle gevallen opgaat. Jezus-Christus heeft het ambt vervuld van geestelijk zielenherder. De eerwaarde bisschop zegt dat zelf, terwijl hij daaraan toevoegt dat Jezus-Christus, buiten de schapen van zijn kudde Israël, nog andere had die hij zijn schaapskooi binnen wilde leiden. Dat zijn vader hem alle macht had verleend, om dat uit te voeren volgens zijn wil, zowel in de hemel als op aarde. Dat hij daar in feite over beschikte als hij zijn apostelen meedeelt dat ze de wereld in moeten trekken om aan alle mensen het Evangelie te verkondigen, maar wel Petrus van de andere apostelen onderscheidt door hem voorrechten toe te kennen, omdat hij wilde dat hij de leider en voorzitter van zijn Kerk was. Dat die omstandigheden toestaan op de paus toe te passen, wat Gods geest door de psalmist heeft laten verkondigen aangaande Jezus-Christus: "Vraag mij en ik zal volkeren geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit (Ps. 2:8)."


Het is evenmin juist om op een algemene manier de gevolgtrekking te maken dat, zelfs als de paus de macht zou hebben om de ongelovigen te dwingen, hij daarvan geen gebruik zou kunnen maken, omdat dat volgens Augustinus zou betekenen dat hun afkeer van het geloof toeneemt, in plaats van dat ze hun afgoden verbrijzelen en beschimpen. Augustinus spreekt hier over de ketterse circoncellions, een soort fanatici die, terwijl ze uit een ijdel principe uit waren op de roem van martelaar, naar de afgodendienaren snelden, hun beelden en goden verbrijzelden, door die bespottingen hun wraak uitlokten en zich lieten doden.

ZEVENDE TEGENWERPING.

De eerwaarde bisschop geeft toe dat de kerkelijke rechtsgeleerden erkennen dat de Kerk het recht heeft oorlog te voeren tegen de ongelovigen, ten einde de afgodendienst en andere zonden tegen de natuur te verhinderen, omdat de godslasteringen van de heidenen een belemmering vormen voor de uitoefening van de christelijke godsdienst.


Maar het zijn niet de kerkelijke rechtsgeleerden die die laatste beperking opgelegd hebben aan de desbetreffende macht. Er is heel wat onbezonnenheid nodig om die leer terug te brengen binnen zo nauwe grenzen, omdat godslastering niet een even grote misdaad is als afgoderij. En als men toegeeft dat het, omdat het aanstootgevend is om een oorlog te rechtvaardigen, toch voldoende is, kan men dat met meer reden zeggen van die andere misdaad die veel ernstiger is.

ACHTSTE TEGENWERPING.

De eerwaarde bisschop ontkent dat de Indianen in Amerika barbaren zijn, onder het voorwendsel dat ze steden en orde kennen.


Maar Thomas van Aquino verklaart dat naties, die misdadige gewoonten hebben die strijdig zijn met de natuurwetten, als barbaars beschouwd moeten worden, omdat die gewoonten openbaar zijn, algemeen verbreid en geen tegenstand van de wet noch andersoortig ondervinden. Dat kan men dus waarnemen bij de Indianen. Een historicus die lang in Amerika gewoond heeft, en veel rondgereisd heeft op het vasteland, zegt in hoofdstuk 6 van het derde boek van zijn Kroniek, dat de Indianen weinig verstand hebben en hun zeden ontaard zijn. Die getuigenis wordt bevestigd door alles wat verhaald wordt door de Spanjaarden, die terugkeren uit de Nieuwe Wereld.

NEGENDE TEGENWERPING.

De bisschop van Chiapa zegt ook dat de oorlogen bij de overwonnenen een diepe haat opwekken voor de godsdienst van de overwinnaars en dat die instelling daar verergert door elk schandaal dat het bandeloze leven van de soldaten oplevert, omdat de Indianen daardoor geloven dat de christelijke godsdienst slechts verachting en afschuw verdient.


Maar bedenk dat wij al eerder hebben gezegd dat wij geen oorlog beramen om het met elkaar eens te worden, maar alleen om de Indianen te onderwerpen. Als ze onderdaan van de koning van Spanje worden zullen de predikers hen Gods woord verkondigen en geen moeite hebben hen, door de uitleg van de christelijke godsdienst en het gedrag van echte christenen, aan te tonen dat onze godsdienst heilig, vreedzaam en vreemd is aan de door de soldaten begane uitspattingen. Augustinus zegt in zijn achtenveertigste brief, waarover ik al eerder heb gesproken, het volgende met betrekking tot de heidenen: "Als men angst verspreidt onder de ongelovigen zonder hen de waarheid te onderrichten, is zulk soort overheersing onrechtvaardig; en als men genoegen neemt met hen de leer te verkondigen zonder hen enige angst in te boezemen, zal de ingewortelde gewoonte van hun oude geloof de verkondiging veel moeilijker maken en niet bij machte zijn in hun ziel het verlangen naar het eeuwige heil op te wekken." De gek haat de dokter; het kind heeft een afkeer van zijn meester. En toch blijft de laatste zijn leerling onderwijzen en de eerste zijn zieke behandelen; en ooit zal de dag komen, zegt Augustinus weer, waarop beiden elkaar zullen vinden.

TIENDE TEGENWERPING.

De eerwaarde bisschop beweert dat het strijdig met gerechtigheid is om ongelovigen te dwingen naar de verkondiging van het Evangelie te luisteren.


Niets is minder zeker dan die opvatting. De paus heeft het recht missionarissen uit te kiezen en ze naar alle streken der aarde te sturen. Welnu, dat recht zou van generlei waarde zijn als Jezus-Christus de apostelen, en dus de paus, niet de benodigde middelen verleend had om dat uit te voeren. Men mag niet denken dat onze goddelijke meester zijn boodschappers heeft opgedragen om overal zijn woord te verkondigen zonder hen te bekleden met de benodigde macht voor hun opdracht. Dat is de mening van Thomas van Aquino.

ELFDE TEGENWERPING.

De verdediger van de Indianen zegt dat de noodzaak om een eind te maken aan de mensenoffers bij de bewoners van Amerika, een ontoereikende reden is om oorlog tegen hen te voeren, omdat dat middel de teloorgang van een nog groter deel van de wereld zal meebrengen en de onschuldigen zal omringen met schuldigen.


Ik denk hier meerdere dwalingen op te kunnen merken in de leer van de eerwaarde bisschop. Bijna alle Spanjaarden, die in Amerika aankomen, bevestigen dat, alleen al op het vasteland, elk jaar meer dan twintigduizend mensen geofferd worden aan afgoden. Daaruit volgt dat in de dertig jaar vanaf de verovering, het leven gered is van meer dan zeshonderdduizend individuen, terwijl volgens de meest gangbare mening het slechts vijfduizend zielen gekost heeft om dat land te bemachtigen. Een beleid volgen dat zoveel mensen, waarvan de zielen gered zouden zijn als ze gedoopt waren, laat sterven, is een kwaad dat veel gruwelijker is dan de oorlog. Augustinus dacht dat de dood van iemand zonder doopsel, een veel grotere ramp is dan die van een groot aantal anderen die wel gedoopt zijn (Epist. 75).


Vergeefs haalt de bisschop van Chiapa de Romeinen aan, omdat Plinius, Plutarchus en andere Ouden over het offeren van menselijke slachtoffers spreken als onvergeeflijke gruwelen. In de steden waar die plaatsvinden is niemand onschuldig, omdat iedereen zich daar min of meer medeplichtig maakt aan die inbreuk op de wetten van het gezonde verstand. Maar de kwalijkheden van een rechtvaardige oorlog kunnen de vorst niet aangerekend worden, omdat hij die niet goedkeurt, noch daar opdracht voor geeft, maar juist alles doet om ze te voorkomen.


Nog minder gegrond beweert de eerwaarde bisschop, zowel in zijn beschouwing, als in een ouder geschrift, dat hij de titel Confesonario (Biechtstoel) heeft gegeven, de afgoderij van de Indianen te kunnen verontschuldigen, terwijl niets die enorme zonde kan rechtvaardigen. Paulus zegt dat ook tegen de Romeinen, en die zonde goedkeuren is een even grote misdaad als die begaan.


Met diezelfde bedoeling het voorbeeld van Abraham aanhalen is misbruik maken van de Heilige Schrift, omdat God niet toestaat dat dat offer wordt voltrokken en de uitvoering ervan juist verhindert.


Een ander dwaling is beweren dat degenen aan wie het Evangelie en het in acht nemen van de natuurwetten verkondigd wordt, niet verplicht zijn te geloven. Want Jezus-Christus heeft gezegd dat iemand die niet geloofd verdoemd zal worden.

TWAALFDE TEGENWERPING.

Bovendien beweert de verdediger van de Indische Landen dat oorlog tegen hen voeren om hen te onderwerpen en vervolgens het Evangelie te verkondigen, tegen de bedoeling van paus Alexander VI ingaan betekent, zoals op valt te maken uit de verklaring van Paulus III.


Die bewering is onjuist. De bedoelingen van Alexander werden ten uitvoer gebracht door Ferdinand en Isabella. Die paus leefde tot meer dan tien jaar na de verovering van Amerika, die krachtens zijn bul plaatsvond en nooit heeft hij geklaagd over het gedrag van zijn vorsten. Men ziet juist dat hij hen meer dan eens prees, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings, in verschillende brieven met betrekking tot de geestelijke en kerkelijke zaken van de Nieuwe Wereld.


Paulus III volgde hetzelfde beleid en de bul, die door de eerwaarde bisschop aangehaald wordt, bewijst niets dat in zijn voordeel spreekt. Het enige dat daarin te vinden is, is dat de paus, toen hij hoorde dat de Spaanse soldaten de Indianen als lastdier gebruikten en tot slaaf maakten, tegen de bedoelingen van de koning in, blijk gaf van zijn ontstemming en wilde dat ze menselijk behandeld werden, omdat het mensen en redelijke wezens waren.


Vanaf de eerste verovering tot in onze tijd, hebben alle pausen geweten dat de koningen van Spanje altijd hetzelfde beleid gevolgd hebben om hun heerschappij te vestigen in Amerika. Dat wil zeggen dat begonnen is met het onderwerpen van de bewoners en hen vervolgens het Evangelie te verkondigen. Toch heeft geen van hen geklaagd. Door middel van speciale bullen hebben zij juist ingestemd met het optreden en de ijver van de Katholieke koningen, omdat zij in Amerika bisdommen en andere voor de godsdienst gunstige instellingen hebben gevestigd.


Het vertoonde optreden wordt volledig gerechtvaardigd door de redelijkheid. Als de verkondiging voorafgegaan was aan de verovering, zou dat onbillijk zijn geweest, omdat, als de Indianen het katholieke geloof al hadden aangenomen, er geen enkele reden was geweest om ze te onderwerpen. Door juist te beginnen met de oorlog weet men zeker dat de verkondiging eenvoudig zal zijn. Waarschijnlijk zullen de Indianen er baat bij hebben en zal er van hun kant geen sprake zijn van herroeping of afvalligheid.


Van mening zijn, zoals de eerwaarde bisschop, dat onze koningen het recht hebben om de Indianen te onderwerpen, nadat hen het Evangelie is verkondigd, betekent beweren dat in het geval zij, evenals hun leiders, weigeren de koning van Castilië te erkennen als hun heerser en hem cijns te betalen, hij het recht zou hebben om oorlog tegen hen te voeren. Maar het is duidelijk dat dat dan zonder wettige reden zou zijn, of veel onredelijker zou zijn dan voorafgaand aan de verkondiging, omdat als de opzet de vestiging van het christendom zou zijn, aanvallen en binnenvallen niet meer nodig zijn, als dat werk eenmaal voltooid was.


Het gevolg van wat ik zo-even uiteengezet heb, is dat alles wat de eerwaarde bisschop heeft gezegd in zijn verweerschrift, en alles wat hij heeft beweerd ten overstaan van Uwe Heren en Excellenties, uitsluitend beoogt te doen geloven dat de in Amerika gemaakte veroveringen onrechtvaardig en heerszuchtig zijn geweest (zelfs als die, zegt hij, in overeenstemming zijn geweest met de voorschriften van de Spaanse koningen), en te ondersteunen wat hij al naar voren heeft gebracht in zijn Confesonario, dat niets anders is dan een onvervalst lasterlijk schotschrift tegen onze koningen en natie.


Zijn leer probeert te bewijzen dat de Spaanse koning geen veroveringen meer moet maken in Amerika. Als die raad opgevolgd wordt, zal hij niets terechtbrengen van wat hij op zich heeft genomen, namelijk het Evangelie verbreiden met alle middelen die in zijn vermogen liggen.


Het is onloochenbaar dat een eind gemaakt wordt aan de verkondiging van het geloof onder de Indianen, als er niet langer oorlog met hen gevoerd wordt om hen te onderwerpen. Want stel dat de koning toch missionarissen zou willen sturen naar hun kusten, dan zou geen enkele priester voor dertig dukaten per maand die niet veroverde landen willen betreden. Als dat tegenwoordig wel gebeurt, komt dat omdat ze vergezeld worden door een legermacht, waarmee zij hulpmiddelen en zekerheid delen. Als zij alleen komen, zouden ze door de Indianen niet toegelaten of meteen uitgemoord worden, zoals dat met meerdere missionarissen enkele jaren geleden in Florida is gebeurd, nadat ze dat land binnengedrongen waren op aanraden van de eerwaarde bisschop Las Casas.


Laten we even aannemen dat dat kwaad niet zou geschieden. Dan is het op zijn minst onbetwistbaar dat honderd jaar verkondiging minder effect zou hebben dan vijftien dagen als de Indianen wel waren onderworpen, omdat zij in het laatste geval niet tegengehouden zouden worden door angst voor hun eigen priesters en cazieken.


De bisschop van Chiapa miskent de kracht van die redenen. Hij heeft daarentegen zijn uiterste best gedaan om de rechten van onze vorst op het bezit van Amerika te vernietigen. Zijn bedoeling lijkt te zijn iedereen te doen geloven dat de koningen van Castilië dat land onterecht in bezit hebben, en uitsluitend door het recht van binnenvallen. En als hij toch enige toegeeflijkheid ten opzichte van hen betracht, is dat alleen maar uit respect voor hen en omdat hij niet ontkent alles te vrezen of te hopen te hebben van hem die de Staat bestuurt.


Ik kom dus tot het besluit dat het zeer rechtvaardig is om oorlog te voeren tegen de onafhankelijke Indianen van Amerika, om ze te dwingen hun afgoderij en hun erediensten en de gewoonte om mensenoffers te brengen aan hun goden te staken, evenals de ondeugden die afbreuk doen aan de natuur of de wetten van de rede geweld aandoen. Ze moeten onderworpen worden, zodat de verkondiging van het Evangelie geen belemmeringen ondervindt, en zijn goddelijke moraal ingang kan vinden. Ten slotte moet dat omdat zij, als zij onderworpen zijn, geregeld Gods woord kunnen aanhoren en zich kunnen bekeren, zodat zij, als hun bekering gevolgd wordt door zeer grondig onderricht, standvastiger zullen worden, en er geen gevaar meer dreigt hen te zien terugkeren naar hun valse geloof, als zij eenmaal onder het dienstbare gezag zijn geplaatst van de Spanjaarden.


Ik denk geantwoord te hebben op de tegenwerpingen van de eerwaarde bisschop en dewelke deel uitmaken van zijn systeem. Ik heb dat in grote trekken al gedaan in mijn boek, dat in vele exemplaren verspreid is in Spanje. En in de Samenvatting, die gedrukt is in Rome, na onderzoek en met goedkeuring van de pauselijke vicaris, de beheerder van het heilige paleis en een auditeur van de Rota (kerkelijke rechtbank), is het gunstige oordeel te vinden dat uitgesproken is door andere zeer geleerde personen uit die hoofdstad van de Katholieke wereld.


Dat gegeven en lezing van de bullen van paus Alexander en zijn opvolgers, moeten volstaan om alle bezwaren op te heffen en alle twijfels weg te nemen. Als dat bij sommige mensen niet gebeurd is, nodig ik ze uit mijn boek of Samenvatting te lezen, en de inhoud te overwegen, die alles omvat wat van belang is te weten om dit vraagstuk goed te kunnen begrijpen en te beoordelen.

DERDE ARTIKEL.

Weerwoord van de eerwaarde bisschop Las Casas op de antwoorden van doctor Sepúlveda.


Zeer doorluchtige en luisterrijke Heren en hoogeerwaarde en zeergeleerde Paters. Deze luisterrijke vergadering is zo goed geweest mij te vergunnen in haar aanwezigheid enkele geschriften voor te lezen en voor te leggen, waarin het mijn bedoeling is geweest de onrechtvaardigheid aan te tonen van de oorlogen die gevoerd worden tegen de inboorlingen van Amerika, ten einde de regering te bewegen daar een einde aan te maken, welke naam er ook aan gegeven is en welke beweegreden er ook is geweest om ze te ondernemen. Er zijn Spanjaarden die een mening hebben die tegenovergesteld is aan de mijne, en ik weet dat zij tegen mijn leerstellingen geschreven hebben. Toch ben ik nooit persoonlijk aangevallen en zonder de sfeer van de algemeenheden te buiten te gaan, ben ik trouw geweest aan de regel, die mij heeft gedwongen geen enkele van mijn tegenstanders met naam te noemen.


Het lijkt nu dat de geleerde en achtenswaardige doctor Sepúlveda zich zo-even uitgeroepen heeft tot belangrijkste verdediger van het beleid dat ik heb aangevochten en heeft willen antwoorden op de argumenten van mijn Verweerschrift. Ik heb nu de eer uwe Heren en Excellenties kennis te laten maken met een gedeelte daarvan.


Omdat doctor Sepúlveda zichzelf heeft blootgegeven en niet vreest de hele wereld te laten weten dat hij de aanstichter is van de verfoeilijke goddeloosheden waarvan zijn leer de bron is, denk ik te voldoen aan de plicht van rechtvaardigheid als ik die in het openbaar bestrijd, om het vergif aan te wijzen en te laten zien hoezeer die leer de naam christen vermag te onteren en bloed te doen vergieten.


Ik verzoek uwe Edelachtbaren, Excellenties en Hoogeerwaarde Heren ervan overtuigd te zijn dat ik door geen enkel eigenbelang gedreven wordt bij het behandelen van het vraagstuk dat u mij vergunt met u te bespreken. Dat is niet van belang voor mijzelf, maar voor de eer en glorie van God en zijn heilige religie, voor die van onze koningen en natie, voor het welzijn van Spanje, de Indische Landen en de menselijkheid.


Niemand moet zich ontzag laten inboezemen door het vertoon dat de doctor aanwendt om de eer van onze koningen te verdedigen. Datzelfde geldt voor het zogenaamde recht dat hij wil doen vinden in een verovering die slechts bereikt is door een veelheid aan wreedheden, godslasterlijkheden en andere niet minder verfoeilijke misdaden. Dat is immers alleen maar een zeer gebrekkig middel om wat dat betreft het geweten te sussen en, tegen alle schijn van rechtvaardigheid, de aard van rechtmatigheid te geven aan de eigendomsaanspraak, waar de rede niets van dat alles kan ontdekken.


Nee, er schuilt niets rechtmatigs in het overweldigen van volkeren die een vreedzaam leven leiden te midden van hun gezinnen, en een verdelgingsoorlog tegen hen te voeren, onder het voorwendsel zich te voegen naar de een pauselijke bul, die wil dat ze bekeerd worden. Een dergelijke zaak verdedigen, betekent zich uitgeven als een vijand van de godsdienst, de koning, Spanje, de Indische Landen en de menselijkheid, omdat daardoor, in plaats van de oplossing aan te dragen voor zoveel euvelen van lichaam en ziel, door al die onloochenbare gebeurtenissen aan te tonen, geprobeerd wordt het geweten in slaap te sussen, zodat dat beleid niets aan kracht inboet.


Ik denk in mijn Verweerschrift het onweerlegbare bewijs te hebben geleverd van de waarheid van mijn mening. Doctor Sepúlveda wil u echter overtuigen van het tegenovergestelde, na de hele inhoud teruggebracht te hebben tot twaalf stellingen, die hij in verkorte vorm overgenomen heeft uit mijn geschrift en met evenveel verschillende en afzonderlijke antwoorden bestrijdt. Dat verplicht mij ze te verdedigen door een gelijk aantal weerwoorden, ten einde de uitwerking te voorkomen die zijn werk teweeg kan brengen in weinig oplettende geesten.

EERSTE WEERWOORD.

Toen ik zei dat het afslachten van de zeven stammen in het Beloofde Land de vervulling was van de belofte die gedaan was aan de afstammelingen van Abraham, heb ik niet ontkend dat God tegelijkertijd de afgoderij van die volkeren heeft willen straffen. Maar omdat God slechts zeven stammen liet uitroeien, hoewel dat aantal veel groter was, bewijst die uitzondering duidelijk dat de hoedanigheid afgoderij onvoldoende is om een verdelgingsoorlog te wettigen.


En zelfs als aangenomen kan worden dat het tegenovergestelde te bewijzen valt, volgt daaruit nog niet dat het optreden van de Israëlieten, die Gods stem gehoorzaamden, door de christenen altijd nagevolgd moet worden. De wet van Mozes was een onverbiddelijke wet. Die van Jezus-Christus is er een van genade en mildheid, vrede, zachtmoedigheid en barmhartigheid. Van Jezus-Christus zelf leerden de apostelen en de tweeënzeventig discipelen de enige ware manier om het christendom te verbreiden. Alles wat daarvan afwijkt, is strijdig met zijn wil, vooral als men voornemens is bloed te vergieten zoals Mohammed of degenen die Amerika veroverd hebben.


De doctor verklaart dat helemaal niet gedacht moet worden dat de oorlog tegen de Indianen, die door hem aanbevolen wordt, een verdelgingsoorlog moet zijn, zoals die de Israëlieten voerden tegen de Kaänieten. Maar als dat zijn gematigdheid is, wat voor zin heeft het dan zich daarop te verlaten, omdat in de Bijbel ook te lezen is dat God zijn volk beval vrede aan te bieden en zelfs een verbond te sluiten met de aan Kaäna grenzende afgodische naties? Zijn de Indische Landen dan soms het door God aan de Spaanse koningen Beloofde Land?


Als men het erover eens is dat het niet gaat om een oorlog op leven en dood te voeren tegen de Indianen, maar hen alleen te onderwerpen om hen vervolgens het Evangelie te verkondigen, welke grens moet er dan getrokken worden tussen die twee soorten oorlog? Is die, die door de doctor voorgesteld wordt, de beste? Kan die gevoerd worden zonder moorden, zonder plundering, zonder geweld en zonder een ontelbare hoeveelheid andere zonden te begaan, nog afgezien van die arme Indianen die de bergen in vluchten en daar verscheurd worden door wilde beesten en de bevolking die men in die enorme uitgestrektheid van het land ziet verdwijnen? De doctor moet die gevolgen wel vergelijken met de grenzen die hij wil opleggen aan de gematigde oorlog die hij zich heeft voorgesteld en waarvan hij noch in de Bijbelse, noch in de wereldse geschiedenis ook maar één voorbeeld kan vinden.


Kortom, nooit zal doctor Sepúlveda, noch met teksten uit de Heilige Schrift, noch door de leer van ook maar één Kerkvader, kunnen bewijzen dat het geoorloofd is tegen soevereine volkeren oorlog te voeren, op welk manier dan ook, met de bedoeling hen te onderwerpen om vervolgens Gods woord te verkondigen, als die aanval niet van hun kant uitgelokt wordt door vijandigheden. Welnu, nooit hebben de Indianen zoiets gedaan tegen de Spanjaarden.

TWEEDE WEERWOORD.

Vergeefs beweert de doctor dat hij het compelle intrare uit het Evangelie juist heeft uitgelegd en zodoende de raadgeving rechtvaardigt, die hij geeft om de afgodendienaren de feestzaal binnen te leiden. Alle Kerkvaders zijn het er over eens dat de desbetreffende dwang niets anders is dan de kracht van overreding, omdat het niet aan de Kerk is met geweld het geloof, dat beschouwd kan worden als waar, in de geest in te prenten. Als Augustinus soms een andere mening lijkt te zijn toegedaan, komt dat alleen maar omdat hij over ketters spreekt die, na de ware leer van de kerk overgenomen te hebben, vervolgens de ijdele moed hebben gehad aan een andere de voorkeur te geven. Ik heb dat onderwerp uitvoerig behandeld in mijn Verweerschrift, en volgens mij de verklaring gegeven van het probleem en van alle passages die aangehaald zijn ter ondersteuning van lijfelijke dwang.

DERDE WEERWOORD.

De heer Sepúlveda lijkt de brieven van Augustinus en Gregorius te willen misbruiken om ons ervan te overtuigen dat zij de oorlog tegen de ongelovigen, vanwege afgoderij, goedkeurden. Maar ze hoeven alleen maar gelezen te worden om te zien dat hij ze te onpas aanhaalt.


Ik geef toe dat Constantijn en zijn opvolgers door Augustinus geprezen worden, omdat zij de afgodendienst verboden hebben. Maar de wetten die zij daaromtrent uitvaardigden betroffen slechts de onderdanen van het Keizerrijk, en de prefecten van de provincies werden gewaarschuwd om die nooit toe te passen op anderen. Maar wat heeft een verbod, opgelegd aan onderworpen volkeren, om zich niet aan afgoderij over te geven, gemeen met een oorlog die tegen soevereine volkeren gevoerd wordt?


Gregorius de Grote keurde weliswaar goed dat Gennadius, prefect van Afrika, oorlog gevoerd had tegen de afgodendienaren in Afrika, aangrenzend aan het Romeinse Rijk, maar hoe kan de doctor bewijzen dat die Gennadius zich bij die onderneming voorgenomen had de afgoderij te vernietigen of af te zwakken? Gregorius vermeldt dat enkele volkeren, bekend onder de naam Daciërs, zich toen bij de Kerk aansloten, wat niet verhindert te veronderstellen dat de reden van die oorlog slechts gevormd werd door de wereldlijke belangen van het Rijk.

VIERDE WEERWOORD.

De doctor heeft evenmin redenen om te beweren dat de paus het recht heeft om de koningen te verplichten de wapens op te nemen tegen de ongelovigen, de vijanden van de Kerk. Als opvolger van Petrus mag hij zich in geen enkele oorlog mengen, omdat zijn ambt in wezen vreedzaam, nederig en vol goedheid en barmhartigheid is, volgens het uitdrukkelijk gebod van Jezus-Christus zelf.


Toen Karel de Grote door paus Adrianus ertoe gebracht werd oorlog te voeren tegen de koning van de Lombarden, was dat niet omdat de laatste een heiden was, maar omdat hij zich meester had gemaakt van land dat onder het gezag van Rome viel. Dat blijkt uit alle historische monumenten uit de negende eeuw. Als dat waar is, zou dat trouwens alleen aantonen dat dat het beleid was van paus Adrianus, die zijn eigen belangen verdedigde, door die van de Romeinen te verdedigen.


Het is evenmin terecht dat de schrijver Thomas van Aquino aanhaalt ter ondersteuning van zijn mening. Die Kerkleraar zegt dat de erediensten van de afgodendienaren niet geduld mogen worden, tenzij verbieden wat dat betreft een schandaal veroorzaakt of onaangename gevolgen heeft. Maar hij voegt daaraan niet toe dat daarom oorlog gevoerd moet worden tegen de afgodendienaren. Hij wil alleen maar zeggen dat een vorst bij zijn optreden rekening moet houden met zijn eigen onderdanen, wanneer het gaat om het al dan niet verbieden van afgoderij. Dat is iets heel anders is dan het huidige vraagstuk.


En zelfs gesteld dat Thomas hier de vraag heeft willen behandelen of een vorst al dan niet volkeren aan moet vallen die niet aan hem onderworpen zijn, om hen te beletten afgodendienaar te zijn, dan maakt hij toch altijd nog een uitzondering voor het geval waarin verdraagzaamheid jegens hen een kwaad, zoals een schandaal of het gevaar van een oproer, kan voorkomen, en waarin gehoopt mag worden dat die vrijheid hen er ongemerkt toe kan brengen het christendom te aanvaarden (Secunda secundæ, q. 10, art. 15). Kijk maar eens of die uitzondering nu ook niet kan gelden voor Amerika! Is het soms niet rampzalig de Indianen te tarten door een oorlog die, door de verwoestingen die zij aanricht, voor hen zo noodlottig is? Is er dan niets anders mogelijk dan die haat, die de aan de dood ontsnapte Indianen opvatten voor de christelijke godsdienst? Is er dan geen reden meer om te hopen dat zij bekeerd kunnen worden op een vreedzamere en zachtmoedigere manier?


Thomas lijkt dan wel te zeggen dat de kwaadsprekerij tegen de christelijke godsdienst een reden voor oorlog kan zijn, maar het staat evenzeer vast dat die zonde altijd gepaard gaat met afgoderij. Maar hier is sprake van een godslastering die totaal anders is dan diegene waarvoor het geoorloofd is om toevlucht te nemen tot wapens. De rechtstreekse godslastering en in het bijzonder die tegen de godsdienst is voor elke goede christen iets onverdraaglijks. Maar die andere wordt altijd geduld. Dat doen wij ten opzichte van mohammedanen en joden, hoewel beiden net als de afgodendienaren godslasteringen uitspreken tegen onze godsdienst, omdat die slechts het gevolg is van hun religieuze stelsel.

VIJFDE WEERWOORD.

De doctor zegt terecht dat de paus het recht heeft missionarissen te sturen naar de landen van de ongelovigen. Hij vergist zich echter als hij beweert dat dat recht tevens inhoudt, dat hij tegen hen oorlog mag voeren om hen te dwingen die missionarissen toe te laten. Hij zal zijn opvatting met geen enkele uitspraak kunnen staven. Bovendien zal dat middel allesbehalve het gewenste gevolg teweegbrengen, maar zonder twijfel bij het onrechtmatig binnengevallen volk een zeer grote haat opwekken tegen alles wat een onrechtmatige aanvaller aanbiedt. Van de godsdienst van het land, die door dat volk naar het voorbeeld van hun voorouders aangehangen wordt, zal niet gemakkelijk afstand gedaan worden voor de godsdienst die zijn vijanden gewapenderhand komen prediken. Paulus verklaart dat hij geen enkel gezag heeft over mensen die nog geen lidmaat van de Kerk zijn. Het is duidelijk dat hij dan spreekt als een vijand van de Katholieke godsdienst, als die opgevat moet worden op de manier van doctor Sepúlveda, of zoals Mohammed de zijne opvatte tijdens zijn veroveringen.

ZESDE WEERWOORD.

Het is van weinig belang voor het onderwerp van deze discussie dat Jezus-Christus van zijn vader alle macht over hemel en aarde ontvangen had, omdat de doctor moest aantonen dat Jezus-Christus die helemaal overgedragen had aan Petrus, en wilde dat het recht om ongelovigen te vervolgen ten behoeve van de godsdienst daar deel van uitmaakte. Maar dat is nou juist wat hij niet aangetoond heeft en nooit zal kunnen aantonen.

ZEVENDE WEERWOORD.

Doctor Sepúlveda ontkent dat de kerkelijke rechtsgeleerden het recht om oorlog te voeren tegen de ongelovigen hadden ingeperkt tot het ene geval, waarin zij zich door hun godslasteringen verzetten tegen de eredienst en de verbreiding van de christelijke godsdienst. Maar om zich daarvan te vergewissen is het voldoende de uiteenzetting te lezen in hoofdstuk 8, quod super his, met de titel de voto et voti redemptione van de Decretalen van Gregorius IX. Daarin worden de kruistochten behandeld, die ondernomen werden om het Heilige Land te bevrijden van de mohammedanen. Dat was een onderneming die de wijsheid wel moet goedkeuren, omdat het een groot schandaal was te zien dat een land dat eertijds in bezit was van de christenen, binnengevallen werd door de grootste vijanden van het christendom, van wie de godslasteringen de christelijke eredienst onmogelijk maakten in Jeruzalem, Bethlehem, Nazareth en andere evenzeer vereerde plaatsen. Welke conclusies met betrekking tot ons vraagstuk kunnen er getrokken worden uit wat de kerkelijke rechtsgeleerden zeggen over dit onderwerp? Het staat vast dat zij net zo gesproken hadden als ik, als zij zich hadden kunnen uitspreken over de rechtmatigheid van een oorlog, ondernomen tegen de inwoners van een land die de christenen nooit gekend, nooit gekwetst, noch hen door hun godslasteringen gehinderd hadden in de uitoefening van hun godsdienst. Als de uitspraak van de rechtsgeleerden niet uitdrukkelijk soortgelijk zou zijn aan de mijne, komt dat omdat die slechts toepasbaar was op de oorlogen in Palestina, die het onderwerp waren van hun commentaren en leerstellingen.

ACHTSTE WEERWOORD.

Sepúlveda blijft de Indianen bejegenen als barbaren, verstoken van elke moraal en vrijwel zonder verstand. Hij beroept zich daarbij op de historicus Gonzales d'Oviedo en andere personen die in Amerika zijn geweest. Maar hij moet vast weinig waarde hechten aan het kennen de waarheid, als hij zich verlaat op de getuigenis van een schrijver, die gerekend wordt tot de schandelijke rovers en moordenaars die onder de naam van krijgslieden dat ongelukkige land door strooptochten geteisterd hebben. Oviedo toont dat zelf genoegzaam aan in het voorwoord en het achtste hoofdstuk van het zesde boek van zijn bedrieglijke kroniek, waarin bijna evenveel leugens te vinden zijn als er bladzijden zijn. Die andere personen die, ten overstaan van doctor Sepúlveda, dezelfde feiten beweerd hebben, hebben zonder ook twijfel deelgenomen aan de wreedheden en gruwelijke aanslagen van Oviedo, en moeten omzichtig beoordeeld worden als het gaat om de waarheid van de feiten. Waarom heeft hij niet al die geestelijken ondervraagd die de Indische Landen bezocht hebben en teruggekeerd zijn naar Spanje? Zij zouden hem de hele waarheid verteld hebben. Dan zou hij nu weten dat de Indianen een zeer scherpzinnig verstand hebben, dat geëigend is voor de ontwikkeling van alle wetenschappen en kunsten; een buitengewone ijver om vooruit te komen in de kennis die zij intussen hebben verworven en een volmaakte gewilligheid ten opzichte van de raadgevingen die hen gegeven worden bij het onderricht. Dat zij opmerkelijke ideeën hebben over de moraal en de natuurwet. Dat bij hen verdorven gebruiken bestaan met betrekking tot merkwaardige zaken in hun religieuze stelsel, kan slechts toegeschreven worden aan individuen, zoals dat ook geldt in Spanje en andere delen van de beschaafde wereld. Die eigenschappen moeten voldoende zijn om hen geen barbaren te noemen, zoals dat gedaan werd in de Oudheid met volkeren die Grieks noch Romeins waren. Keurt de doctor het dan goed dat de Romeinen, na Córdoba, zijn vaderstad, ingenomen te hebben of Sevilla, de mijne, de inwoners, onze voorouders, onder elkaar verdeelden als slaven, nadat zij hen uitgeplunderd hadden? Dat ze hen vervolgens van honger lieten sterven of bezwijken onder slagen? Pompeius Trogus en veel andere Romeinse geschiedschrijvers behandelden onze voorouders vanaf die tijd als barbaarse en onbeschaafde volkeren. Maar het is vooral opmerkelijk dat de Indianen, barbaren of niet, noch Spanje, noch de christelijke godsdienst enig kwaad berokkend hebben.

NEGENDE WEERWOORD.

Hij wil de toestand van de Indianen vergelijken met die van de zieke gek en het kind, in aanwezigheid van de dokter en de onderwijzer. Maar hier is duidelijk sprake van een grote onwetendheid. Augustinus heeft die vergelijking gebruikt in zijn brief aan de prefect Bonifatius als hij het heeft over de Donatisten, die zich afgescheiden hadden, maar toch christen waren en onderdaan van het Rijk. Is dat dan wel van toepassing op de Indianen, die noch de Spaanse koning, noch de christelijke godsdienst erkennen? Dat doet denken aan een andere onjuistheid van de doctor die, bij het overschrijven van een passage van de achtenveertigste brief van Augustinus, daar het woord afgodendienaren ingevoegd heeft, wat niet in de tekst staat. Want Augustinus spreekt daar over Donatisten en niet over heidenen. Het is dus duidelijk dat hij met een dergelijke benadering sterk staat tegenover zijn tegenstanders en hen kan overstelpen met het gewicht van gezaghebbende mensen, als die laatsten de originele stukken niet kunnen of willen raadplegen.


Met betrekking tot afgodendienaren is de echte mening van Augustinus te vinden in wat hij zegt over de zoon van de centurion. Volgens de vrome bisschop moeten de ongelovigen bekeerd worden door middel van liefde. Sepúlveda heeft het raadzaam gevonden ook Gregorius te citeren, maar die grote paus verkondigt in zijn vierendertigste brief een leer die volledig tegenovergesteld is aan die van hem. "Wat betreft degenen," zegt hij, "die niet in de christelijke religie geloven, is onze plicht hen te lokken door hen met mildheid en goedheid uit te nodigen en te overreden, in plaats hen die door de mildheid van de prediking en de gedachte aan het Laatste Oordeel zijn voorbereid op het aanvaarden van onze heilige religie, af te stoten door angst en dreigementen. Het is oneindig veel doelmatiger hen door middel van zachtaardige en liefhebbende raadgevingen te bewegen tot het luisteren naar Gods woord, dan hen vrees aan te jagen door een buitensporige strengheid."


Ik zou het aantal gezaghebbende mensen en passages kunnen verveelvoudigen om mijn mening nog onweerlegbaarder te maken, maar ik denk dat het gezonde verstand toereikend is om te kunnen beseffen dat God niet kan goedkeuren dat de bekering van mensen voorbereid wordt op een manier die strijdig is met liefde, mildheid, vrede en gezindheid, kortom, door middel van gewelddadigheden, een afschuwelijk idee dat Mohammed als eerste bedacht heeft, hoewel niet vaststaat dat die valse profeet met het zwaard meer kwaad aangericht heeft dan de veroveraars van Amerika.

TIENDE WEERWOORD.

Doctor Sepúlveda probeert te bewijzen dat de paus het recht toekomt om lijfelijke dwang uit te oefenen tegen degenen die weigeren te luisteren naar het Evangelie, omdat, als God hem de verplichting opgelegd heeft het te verkondigen, hij, volgens hem, hem ook de middelen heeft moeten verschaffen om de Indianen toegankelijk te maken voor de prediking. Maar de redenering van doctor is hier zeer ondeugdelijk. Ten eerste, omdat hij van geweld een principe maakt, terwijl het recht om te spreken niet het recht inhoudt om mensen te dwingen te luisteren. Ten tweede omdat, zelfs in de veronderstelling dat het ene uit het andere volgt, niet bewezen is dat het aanwenden van dwangmiddelen eigenmachtig kan zijn, en altijd moet bestaan uit oorlog tegen een onschuldig volk, waartegen de veroveraars allerlei aanvallen kunnen uitvoeren en afschuwelijke zonden kunnen bedrijven. Wie durft dan nog te beweren dat hij het idee dat die maatregelen geoorloofd zijn kan rijmen met de leer van Jezus-Christus en zijn apostelen? Heeft de Verlosser van de mensheid ons niet gezegd dat wij hem na moeten volgen? Paulus heeft de Efeziërs vermaand door barmhartigheid God na te volgen (Ef. 5:1), als zijn beminde kinderen. Weest allen mijn navolgers, schrijft hij aan de Filippenzen en volg het voorbeeld van hen die mij navolgen (Fil. 3:17). Gregorius zei dat de daden van Jezus-Christus een les voor ons zijn, en Augustinus dat die voorbeelden geboden zijn, die wij na moeten volgen. Ik kan die leer onmogelijk rijmen met die van doctor Sepúlveda.

ELFDE WEERWOORD.

De doctor beweert dat in al die jaren in Nieuw-Spanje meer dan vijfduizend mensenoffers zijn gebracht. Hij heeft die grote leugen echter slechts kunnen funderen op de getuigenis van schurken die, om enige schijn van gerechtigheid te verlenen aan hun schandelijke optreden, in Spanje schaamteloos zijn gaan liegen. Nee, dat aantal is nooit meer geweest dan vijftig, en als die mensenoffers wel zozeer zouden zijn toegenomen, is het ongelofelijk dat wij in dat land nog zoveel mensen zijn tegengekomen. Maar waarvan alle geestelijken en het kleine aantal leken, die aanwezig geweest zijn bij de verovering, wel kunnen getuigen is dat de Spanjaarden in één jaar meer mensenoffers aan hun eigen afgod gebracht hebben, dat wil zeggen aan de hebzucht, dan de Indianen in een eeuw geofferd hebben aan de god die zij als de ware beschouwen, in die zin dat hun veroveraars meer dan vijfmiljoen Indianen gedood hebben en het uitgestrekte land, dat veel groter is dan heel Europa en een deel van Azië, in een woestenij veranderd hebben.


De doctor beklaagt het lot van de kinderen van de Indianen, die zonder doopsel sterven. Zou hij niet nog meer moeten jammeren over de vijfmiljoen volwassenen die zijn gesneuveld onder het zwaard van de Spanjaarden, en zonder twijfel vervuld waren met de diepste haat tegen hun moordenaars?


Hij vindt dat ik me opstel als verdediger van de afgoderij van de Indianen. Dat is louter laster. Ik wil voor God allesbehalve de misdaad rechtvaardigen, hem te verwarren met voorwerpen die niet Zijne Majesteit zijn en kunnen zijn.


Maar ik heb gezegd en zeg nogmaals dat, zolang de Indianen, gedompeld in onwetendheid, geloven dat de eredienst die zij voor hun afgoden houden, bestemd is voor de ware God, die eredienst noch ongerijmd, noch uitdrukkelijk strijdig zal zijn met de natuurlijke rede. En ik voeg daaraan toe dat het gebruik om mensenoffers te brengen aan de godheid niet alleen bekend was bij de Spanjaarden, Galliërs en andere door de Ouden barbaars genoemde volkeren, maar ook bij de Romeinen door wie  ze uiteindelijk veroordeeld en afgeschaft zijn.


Plutarchus verhaalt in zijn Problemata (Problemata, pag. 466.) dat sommige barbaren de Romeinen aantoonden dat ze redenen hadden om de goden mensenoffers te brengen. En de Romeinen, getroffen door het kwaad dat Hannibal hen berokkend had, geloofden zelf dat zij de onsterfelijke goden vertoornd hadden. Om ze tot bedaren te brengen, offerden zij hen, volgens Plutarchus en Titus Livius (Hist. Dec. 3, liv. II.), op het forum een man en vrouw van zowel de Galliërs als van de Grieken. In een ander geval, toen ze ten prooi waren gevallen aan een afschuwelijke hongersnood en ander grote rampen, brachten ze, volgens Dionysius van Halicarnassus, ook mensenoffers (Hist., lib. I.). De reden die zij daarvoor gaven was dezelfde die Julius Cesar in de mond legde van de Spanjaarden en Galliërs (De bello Gallico, lib. VI.). Dat wil zeggen de opperheerschappij van God, aan wie de mensen alles te danken hebben, omdat alle dingen niets betekenen vergeleken met de aard van dat Wezen, zijn macht, en het belang dat ze hebben zich daarin te schikken. Daaruit maakten ze op dat als God vertoornd is op de mensen vanwege hun zonden, het enige middel om hem tot bedaren te brengen een zoenoffer was. Ik geef toe dat dat een dwaling is. Maar afgezien van hun geloof wat dat betreft, kan niet ontkend worden dat zij niet alleen niet zondigden tegen de natuur, maar juist aan hun wetten gehoorzaamden en zelfs een religieuze handeling verrichtten.


Sepúlveda denkt dat de rampspoed die oorlog met zich meebrengt de vorst niet aangerekend kan worden, omdat hij slechts verantwoordelijk is voor de redenen waarvoor die gevoerd wordt, en dat de rest alleen maar toevallige gevolgen zijn. Maar die leer kan hoe dan ook niet zonder beperking aanvaard worden. Augustinus zegt dat de vrede bewaren een wilsdaad is en oorlog voeren het gevolg moet zijn van noodzaak. Paus Nicolaas voegt daaraan toe dat de vorsten, als die reden niet aanwezig is, die niet moeten ondernemen, niet alleen niet tijdens de vastentijd (wat toen al ter discussie stond), maar in geen enkel ander jaargetijde. Daaruit volgt dat de verantwoordelijkheid voor de afschuwelijke misdaden die hun soldaten in Amerika bedrijven en hebben bedreven, bij de Spaanse koningen blijft rusten, omdat zij geen enkele reden hebben om de Indianen aan te vallen. Omdat oorlog van hun kant een vrijwillige daad is, kunnen ze niet doen alsof die geen rampzalige en onvermijdelijke gevolgen heeft, wat voldoende is om aan die vijandigheden een heel duidelijk onrechtvaardig karakter te geven. De aan Gerson ontleende passage, die de doctor vermeldt om zijn leer te staven, ontkracht uitgerekend zijn eigen opvatting: "Oorlog, zegt hij, houdt alleen op een doodzonde te zijn, als zij de republiek enig voordeel verschaft door de grootste kwellingen, die op dat moment gevoeld worden, uit de weg te ruimen."


Ik wil helemaal niet de zaak van de afgoderij van de Indianen verdedigen, wat door de doctor mij ten laste wordt gelegd. Ik zeg alleen dat zij, zolang men hen niet kan aantonen dat zij zich in hun erediensten slechts richten tot onmachtige goden, voor de mensen verontschuldigd kunnen worden. De Indianen zijn verplicht een eredienst voor God te houden. In hun dwalende geest geloven zij dat een afgod God is, en zien derhalve hem aanbidden als hun godsdienstplicht. Ik zeg dus nogmaals dat hun misdaad niet van dien aard is dat daarmee een oorlog gerechtvaardigd kan worden, die andere mensen tegen hen willen voeren, uitsluitend vanwege de zonde van onwetendheid en het is God voorbehouden degenen te straffen die zich daaraan schuldig maken.


Ik vergis me ook niet als ik het voorbeeld van Abraham aanvoer. Sepúlveda zegt dat God een mensenoffer niet toestaat en de arm tegenhield die Izaäk zou treffen. Maar als God hem de opdracht gaf en Abraham gehoorzaamde, wat is er dan nog meer nodig om de toestemming van de godheid nog zekerder te maken? De herroeping van het bevel dat hij had gegeven doet dat niet teniet en omdat het afkomstig was van God zelf, kon het niet onrechtvaardig zijn. En wat die dochter van Jefta aangaat: zijn offer was echt en werd ook uitgevoerd, en toch werd niet alleen haar vader daar niet voor gestraft, maar de Kerkvaders beschouwden die Israëliet zelfs als een van de belangrijkste mannen van zijn volk, en ook Paulus spreekt met lof over hem in zijn brief aan de Hebreeën (11:32).


Sepúlveda vervalt zelf in een veel ernstigere dwaling, als hij de tekst van het Evangelie aanhaalt, die zegt dat iemand die bij de verkondiging van het Evangelie niet zal geloven, verdoemd zal worden. Heb ik soms het tegenovergestelde beweerd? Maar dat veronderstelt dat degenen die het aanhoren, overtuigd zijn van de evangelische waarheden. Ik heb gezegd en zeg nogmaals dat de Indianen niet verplicht zijn te geloven, zolang ze niet overtuigd zijn. Volstaat het dat een Spaanse soldaat tegen een Indiaan schreeuwt: Wordt christen of ik vermoord je….? Dat is niet het Evangelie verkondigen zoals Jezus-Christus en de apostelen dat gedaan hebben. Dat is het voorbeeld van Mohammed navolgen, en de waarheid verkondigen, zoals die bedrieger de leugen verkondigde.

TWAALFDE WEERWOORD.

De manier waarop de doctor mijn laatste tegenwerping weerlegd heeft, bevat ernstige en verderfelijke dwalingen. Zijn besluit het geweten van de koning te willen sussen heeft hem in de afgrond gestort. Nu ik vertoornd over hem schrijf, doop ik mijn pen in bloed. Ik zal proberen mij in te houden.


Hij begint met ons te misleiden over de beweegredenen die voorgeschreven worden door de bul van Alexander VI. Omdat ik over dit vraagstuk schrijf met alle oprechtheid waartoe ik in staat ben, zal ik letterlijk een voorschrift uit die bul aanhalen, omdat daaruit de ware strekking blijkt. "Gij uitgezondenen," wordt daar gezegd, "hebt de eilanden en het vasteland ontdekt, bewoond door een groot aantal vreedzame mensen….Wij sporen u nadrukkelijk aan, vanwege de liefde die wij God verschuldigd zijn en de verplichting die u op u genomen hebt door het ontvangen van het doopsel, te gehoorzamen aan de bevelen van de Heilige Zetel, en nodigen u in het bijzonder uit, in de geest van Onze Heer Jezus-Christus (wanneer u deze onderneming uit gedrevenheid voor het rechtzinnige geloof, zult beginnen en voortzetten), u alle inspanningen te getroosten om de volkeren uit die streken te bekeren tot de christelijke godsdienst…..Wij dragen u eveneens op, krachtens de heilige gehoorzaamheid die wij verschuldigd zijn, naar voornoemde eilanden en het vasteland mensen te sturen, die bekend staan om hun rechtschapenheid, God vrezen, wijs en verstandig zijn en veel ervaring hebben, om die volkeren te onderrichten in het Katholieke geloof en hen te leren haar moraal lief te hebben. Voor de verwezenlijking van dat werk zult u alle geëigende zorgvuldigheid inzetten, zoals u ons hebt beloofd en waarvan wij niet twijfelen dat u dat zult uitvoeren, krachtens uw oprechte vroomheid en vorstelijke edelmoedigheid."


Uit de tekst van die bul, maar ook uit het relaas dat Christoffel Columbus naar de Majesteiten Ferdinand en Isabella stuurde en de verantwoording die die laatsten aflegden aan de paus, blijkt dat de landen, die zo dichtbevolkt waren met Indianen, in rust verkeerden. Het is dus duidelijk dat het niet strookt met de heiligheid van het ambt van de Kerkleider als iemand gemachtigd wordt oorlog te voeren tegen volkeren die in vrede leven, met de enige opzet die landen te veroveren en de inwoners te onderwerpen, om hen vervolgens het Evangelie te verkondigen.


Vanwege de plichten die zij op zich genomen hebben bij het doopsel, bezweert de paus Ferdinand en Isabella, de bevelen van de Heilige Stoel getrouw op te volgen en daarom missionarissen te sturen, die de inwoners van die nieuw ontdekte landen moeten onderrichten in het Katholieke geloof en zijn moraal.


Doctor Sepúlveda maakt daaruit op dat hij zijn vorsten toestaat hen te onderwerpen voordat hen het Evangelie verkondigd wordt. Mijn vraag is of dat een juiste gevolgtrekking is. Is een dergelijk beleid in overeenstemming met de verplichtingen die hen zijn opgelegd door het doopsel? Als het Evangelie en de juiste moraal verkondigen de enige bedoeling is van het door de paus uitgevaardigde bevel, krachtens de heilige gehoorzaamheid die hem verschuldigd is, waarom brengt de doctor dan niet dat andere artikel ter sprake waarin gezegd wordt dat het, om de te voldoen aan de bedoelingen van de paus, niet nodig is het gedrag na te volgen van Jezus-Christus en zijn apostelen, maar juist dat van Mohammed, en overal ontsteltenis en dood te zaaien?


De doctor die van de ene dwaling in de andere vervalt, veronderstelt, tegen elke waarheid in, dat Ferdinand en Isabella, om zich te voegen naar de bevelen van de paus, wilden dat begonnen werd met de onderwerping van de Indianen, vóór ze te onderrichten. Toch behelsden hun voorschriften nadrukkelijk het tegenovergestelde. Ik zal nu een gedeelte van de voorschriften citeren, die de grote admiraal gegeven werden, toen hij zich klaarmaakte voor zijn tweede reis naar Amerika. "Ten eerste, omdat God zich verwaardigd heeft, krachtens zijn barmhartigheid, te vergunnen dat voornoemde eilanden en het vasteland ontdekt werden voor onze heersers, de koning en koningin, door de bevoegdheid van don Christoffel Columbus, hun admiraal, onderkoning en gouverneur van die landen, die hunne Hoogheden medegedeeld heeft dat de inwoners van die streken geheel bereid zijn zich te bekeren tot ons heilige Katholieke geloof, omdat zij aan geen enkele wet of sekte gebonden zijn, bevelen hunne Hoogheden, die zeer voldaan zijn over die toestand die zozeer van belang is voor hun streven ten dienste van God en de verbreiding van zijn Evangelie, voornoemde admiraal, bevelhebber en onderkoning, alle middelen en hulpbronnen in te zetten, die in zijn macht liggen, om de bewoners van voornoemde eilanden en het vasteland ertoe te brengen onze godsdienst aan te nemen. En om de uitvoering van dat voornemen te vergemakkelijken, sturen zij met voornoemde Christoffel Columbus pater Buil en monniken mee, die naar Spanje gekomen Indianen in dienst hebben en door hen mee terug genomen zullen worden naar hun land, om de anderen nauwgezette kennis te verschaffen van ons heilige geloof, na die te hebben verworven bij onze missionarissen, van wie zij de taal hebben geleerd tijdens hun verblijf in ons koninkrijk. Voor het welslagen van deze onderneming willen hunne Hoogheden ook dat de admiraal, wanneer het leger zijn bestemming heeft bereikt, ervoor waakt dat alle personen die daar deel van uit zullen maken, evenals degenen die later naar de Indische Landen zullen gaan, voornoemde Indianen welwillend en vriendschappelijk bejegenen. Dat zij hen geen enkel kwaad berokkenen, maar juist hun gunst winnen door hun gesprekken, vertrouwelijkheid en alle goeds dat zij hen kunnen doen. Tevens dragen zij de admiraal op hen enkele goederen te verschaffen, die hij vanuit Spanje mee zal nemen om ze te ruilen met zaken die de Spanjaarden kunnen gebruiken en hen daarnaast zeer te ontzien. Indien het voorvalt dat de soldaten of leden van de expeditie zich schuldig maken aan enige uitspatting ten opzichte van de Indianen, zal voornoemde admiraal, in zijn hoedanigheid als onderkoning en gouverneur, hen een zware straf opleggen, krachtens het gezag dat hem is toevertrouwd, enz."


Dat fragment is voldoende om te laten zien dat de koningen van Spanje de pauselijke bul en de plichten die zij moesten vervullen, beter begrepen dan doctor Sepúlveda. Dat zij, in plaats van te spreken over oorlog en verwoesting, voordat het Evangelie verkondigd werd aan de Indianen, wilden dat alles bereikt zou worden door middel van liefde, vertrouwelijkheid en gesprekken over alles wat de inwoners welgevallig kon zijn. Dat die laatsten, die helemaal niet verdienden dat ze als vijand behandeld werden, altijd bereid waren het Evangelie te aanhoren, omdat hun hart, doordat ze bij geen enkele sekte behoorden, volledig onbevangen was. Ten slotte is het duidelijk dat de doctor vergeten heeft wat hij verschuldigd is aan de waarheid, doordat hij oppert dat Ferdinand en Isabella wilden dat de Indianen met het zwaard onderworpen werden, en met hen pas daarna over de godsdienst gesproken moest worden. Ik zal dat aantonen met de volgende passage uit het testament van koningin Isabella.


"Item, in de tijd waarin de eilanden en het vasteland van de Oceaan ons door de apostolische Heilige Stoel toegewezen werden, was onze belangrijkste doelstelling, toen wij paus Alexander VI, zaliger gedachtenis, toestemming vroegen die te veroveren, alles in het werk te stellen om de inwoners te bekeren tot onze heilige godsdienst en hen met dat heilige werk belaste kerkvoogden, monniken, priesters en andere wijze en godvrezende mensen te sturen, en tevens te bezielen met de voorliefde voor een ordelijk leven, wat nog nadrukkelijker vermeld wordt in de bul van gunning. Daarom verzoek ik de koning, mijn Heer, en draag de prinses, mijn dochter en de prins, haar echtgenoot, op dat werk te ondernemen en te volvoeren, het te beschouwen als hun belangrijkste zaak en er de grootst mogelijke zorg aan te besteden. Ik beveel hen aan niet te dulden dat de bewoners van de al ontdekte of nog te ontdekken eilanden, enige schade leiden aan hun bezittingen, noch persoonlijk en juist behandeld worden met evenveel goedheid als rechtvaardigheid. Dat als zij zich beklagen over enig onrecht, men zich zal beijveren om dat goed te maken en dat niet toegestaan wordt dat er, in alles wat gedaan zal worden in het belang van de verovering, niet afgeweken wordt van de voorschriften van de bul en wat ons daarover aanbevolen is door haar schrijver."


In de archieven van de Raad van de Indische Landen bevinden zich een groot aantal voorschriften, beschikkingen en koninklijke kennisgevingen, waaruit nadrukkelijk blijkt dat de Spaanse koningen herhaaldelijk hebben aanbevolen bij de Indianen datzelfde beleid van gerechtigheid en goedheid te volgen. Daarin staan hun doeleinden, uitgedrukt in de krachtigste bewoordingen, en de nadrukkelijkste verboden om oorlog te voeren tegen de Indianen en hen door een slechte behandeling af te schrikken en daardoor de gebruiken en godsdienst van de christenen gehaat te maken. Die documenten tonen de onjuistheid aan van alles wat de doctor naar voren heeft gebracht, en betekenen een ernstige beschuldiging, voor het feit dat hij de voorkeur gegeven heeft aan de verslagen van bedriegers, in plaats van zich op de hoogte te stellen door het raadplegen van de oorspronkelijke bronnen.


Daaruit volgt dat er tot nu toe tegen de Indianen geen enkele oorlog gevoerd is, zonder dat daarbij de zeer uitgesproken bevelen van de Spaanse koningen werden overtreden. Er dient gesproken te worden over al die moorden, moordaanslagen, brandstichtingen, plunderingen, vervolgingen en andere wrede behandelingen, waarover ik aan de hand van dertig stellingen geschreven heb in mijn Beschouwing, gepubliceerd ter verheldering en verdediging van mijn andere boek met de titel ElConfesonario (De Biechtstoel). Als die argumenten niet overtuigend zijn, zijn er nog meer te vinden in mijn Verweerschrift. Daarin staat alles wat er te zeggen valt over dit onderwerp en in het bijzonder de antwoorden op de drogredenen die de kwaadwillige Sepúlveda en andere vijanden van de Indianen aanvoeren tegen verschillende voorschriften in de bul van Alexander VI.


Hetzelfde werk toont ook de onoprechtheid aan waarmee de doctor de bullen citeert, die door de andere pausen, opvolgers van Alexander, op verschillende tijdstippen uitgevaardigd werden ten behoeve van de oprichting van bisdommen, kathedralen en klooster. Want in geen van die door de Heilige Stoel uitgevaardigde stukken is sprake van oorlog, verovering, of enige andere van die bloeddorstige ondernemingen die bij Sepúlveda en zijn medestanders zo in de smaak vallen, maar alleen van de godsdienst en haar eredienst. Het is dus zinloos die in deze discussie te memoreren, en als Sepúlveda het tegenovergestelde doet, is dat een redekunstige list, om zijn lezers te misleiden.


Hij verwisselt de plicht en het recht om ongelovigen te bekeren, die nooit hebben horen spreken over onze godsdienst en derhalve ook niet over de bevoegdheden en handelingen die van nature voortkomen uit dat ambt, met de plicht en het recht preken te houden voor mensen die wel christen zijn door het doopsel, maar hun beloften niet nakomen en de voorrechten schenden die hen om zo te zeggen toegekend zijn door hun geloofsbelijdenis. Hij verwisselt de rechten van de Kerk en de pausen, die daar de leiders van zijn, met betrekking tot de Indianen aan wie het Evangelie niet verkondigd is, met de rechten over de volkeren, waarmee de Kerk en haar leiders bekleed zijn, nadat die zijn gedoopt. Door die ideeën door elkaar te halen, trekt doctor Sepúlveda een groot aantal onjuiste theologische en juridische conclusies.


Omdat er sprake is van het verkondigen van Gods woord aan de heidenen, ze te bekeren en te dopen, kan de Kerk geen enkele aanspraak maken op het recht om mensen te dwingen, zoals bijvoorbeeld hen verplichten de verkondiging toe te laten, te komen luisteren, of elke gelijksoortige handeling. De Kerk heeft niet het recht een oorlog uit te roepen of direct of indirect geweld te plegen onder die volkeren, omdat zij, als zij niet gedoopt zijn, niet onder het kerkelijke gezag vallen. Elke leer die daar strijdig mee is, loopt onherroepelijk uit op de manier van Mohammed en kwetst openlijk de leer van Jezus-Christus en de apostelen.


Maar andere regels moeten gevolgd worden ten opzichte van Indianen die het doopsel al ontvangen hebben. Als men hen het Evangelie verkondigt, met alle omzichtigheid van de christelijke barmhartigheid, als hun bekering ongedwongen en vrijwillig plaatsgevonden heeft, als zij het doopsel ontvangen hebben en langdurig omgang hebben gehad met christenen, om meer kennis op de doen over onze dogma's, schaart hun terugvallen in afgoderij hen voortaan niet onder de categorie heidenen, maar die van de ketters. Net als zij zijn zij dan onderworpen aan het gezag van de Kerk. En hier zou de discussie moeten gaan over wat het kerkelijke gezag mag doen en de grenzen die het moet respecteren overeenkomstig de tijdgeest, plaats en andere omstandigheden.


Alexander VI, zijn opvolger Paulus III, en enkele andere pausen, die zich bezig gehouden hebben met de gunning van de Indische Landen aan de koningen van Castilië, hebben nooit melding gemaakt van oorlog als een middel dat aangewend kan worden om hun inwoners te bekeren. Want zij wisten heel goed dat die volkeren niet onderworpen waren aan de Kerk. Zij hebben slechts gesproken over de verkondiging van het Evangelie, ervan overtuigd dat hun geestelijke macht zich niet verder uitstrekte, in die zin dat de gunning van de Indische Landen en het Vasteland aan de koningen van Castilië, niet verder moest gaan dan een speciale of beperkte gunning van het recht om het geloof te verkondigen, als een gevolg van de ontdekking. Een zeer belangrijke gunning, omdat de hoop en mogelijkheid om in die streken het christendom te vestigen, voor de Spaanse koningen een voorbereiding was voor het recht zowel het volk als zijn leiders een onbeperkte bescherming te bieden, als zij er door hun inspanningen in zouden slagen bij hen de beschaving, handel, nieuwe kennis en andere voordelen die de godsdienst ingang te doen vinden en de aanwending daarvan teweeg zouden kunnen brengen.


Maar diezelfde pausen, die de bekering van die volkeren voorzagen, konden daar toen over spreken alsof zij door het doopsel al kinderen van de Kerk geworden waren en op hen, zoals op de andere christenen, de wetten toepassen van het kerkelijke bestuur. Pausen worden gezien als geestelijke leermeesters van de hele christelijke wereld. Zij geloven dat ze in die hoedanigheid gemachtigd zijn alle politieke maatregelen uit te vaardigen die hen zinvol lijken voor het zielenheil van Rooms Katholieke christenen. Daaruit kunnen we opmaken dat Alexander VI, Paulus III en de andere pausen het zinvol vonden voor het desbetreffende geestelijke doel, dat hun nieuwe onderdanen door het geloof de koningen van Castilië zouden zien als hun wereldlijke meesters, aan wie zij de kennis van het Evangelie en de zegeningen van de beschaving te danken hadden. Zij dachten ook dat die instelling van belang was voor het welslagen van de onderneming, en dat de Indianen standvastig in het geloof gemaakt konden worden, door in hun midden door de Spaanse koningen bisschoppen, priesters, aalmoezeniers, predikers en godsdienstonderwijzers te laten plaatsen, die moedig genoeg waren om de Indianen het Evangelie te gaan verkondigen en geestelijke hulp te verlenen. Dat hebben ze ook daadwerkelijk gedaan, volgens de voorschriften van de katholieke koningen en onze heer en meester, en de verordeningen van de Raad van de Indische Landen. Dat is de werkelijke rechtsgrond van de verwerving van de provincies van Amerika door de koningen van Castilië. Dat is wat door de pausen verleend is, en ze zouden nooit iets anders bedoeld kunnen hebben, omdat ze niet het recht hadden te beschikken over de soevereiniteit van de Indische Landen, zolang hun inwoners door het belijden van het christendom geen lid van de Kerk waren. Daaruit blijkt dat de pausen helemaal niet wilden toestaan dat er oorlog gevoerd werd tegen de Indianen, en hoever doctor Sepúlveda van de waarheid afstaat als hij veronderstelt dat de, tegen die ongelukkigen ondernomen bloeddorstige expedities, bevolen zijn door onze koningen en in overeenstemming met de voorschriften van de pauselijke bullen.


Doctor Sepúlveda belastert mij als hij mij aanwrijft dat ik beweerd heb dat de Spaanse koningen wettelijk geen enkel recht hebben op het bezit van Amerika en ik, als ik het tegenovergestelde zeg, dat alleen maar doe om de keizer welgevallig te zijn, vanwege het goeds en kwaads dat Zijne majesteit mij kan aandoen. Wat ik naar voren heb gebracht in mijn dertig stellingen in mijn Confesonario, en in een groot aantal andere beschouwingen, zal ik onvermoeibaar blijven zeggen en wil dat hier ook nog een keer herhalen. Het komt allemaal neer op de verklaring dat alle oorlogen die tot nu toe zijn gevoerd, of in de toekomst gevoerd zullen worden om Amerika te veroveren, onrechtvaardig zijn geweest, wreed en heerszuchtig, vanwege de aard en de manier waarop te werk is gegaan, zonder reden en zonder aanleiding, en dat hun resultaat geen deugdelijk en onaanvechtbaar recht kan geven op de verwerving van en heerschappij over dat land.


Die stelling doet niet teniet wat ik elders heb gezegd, namelijk dat de koningen van Castilië de provincies die al veroverd zijn rechtmatig in bezit hebben. Dienaangaande is hun recht gebaseerd op de gunning van paus Alexander, omdat hen de ontdekking van een onbekend land toekomt en daarom aan hen de voorkeur is gegeven boven alle andere vorsten om daar de christelijke godsdienst te vestigen en de Indianen, na die te hebben aangenomen, de koning van Castilië als hun heerser hebben willen erkennen, aan wie zij de godsdienst, de beschaving en de kennis te danken hebben. Al die omstandigheden bij elkaar is voldoende om het gezag aan te tonen van onze monarch, die het niet eens kan zijn met de verwoestingen die veroveringsoorlogen worden genoemd. Dat heb ik aanschouwelijk gemaakt in meerdere in het Spaans en Latijn opgestelde geschriften, in het bijzonder in het werk waarin ik het werkelijke en juridische recht van de koningen van Castilië en Léon op de universele en soevereine heerschappij over de Indische Landen heb willen aantonen.


De leer vanSepúlveda is eveneens onjuist waar hij beweert dat het voldoende is dat de Indianen afgodendienaren zijn om te kunnen vinden dat zij terecht beroofd zijn van het bezit van het land en andere goederen die zij in bezit hebben. Hij baseert dat merkwaardige idee op een ander, niet minder zonderling principe, volgens welk alle bezit slechts rechtmatig is krachtens genade en geloof. Hiëronimus bespreekt het ketterse van die leerstelling, die Luther nog onlangs opnieuw in het leven heeft geroepen, in zijn commentaar op de brief van Paulus aan zijn leerling Titus. Vaststaat dat Sanherib, Nebukadnesar en vele anderen door de Heilige Schrift erkend zijn als heerser, ondanks hun afgoderij. De gelovige kan zich dus niet beroepen op die zonde van de afgodendienaar om hem te beroven van zijn bezittingen. Straffen is voorbehouden aan God en alleen hij kent het tijdstip waarop hij de mens zal toestaan werktuig van zijn gerechtigheid te zijn.


Sepúlveda beschuldigt mij er ook van dat ik mijn Confesonario geschreven heb om de keizer af te houden van het verbreiden van het geloof in de Indische Landen, en duidt wat ik gezegd heb in dat boek als een ernstige belediging van Zijne Majesteit, namelijk dat alles wat er gedaan is of in de toekomst nog gedaan zal worden om de Indianen te onderwerpen een doodzonde is, en onze koningen wettelijk nooit het recht op bezit zal kunnen geven. Daaruit maakt maakt hij op dat mijn schrijven niets anders is dan een werkelijk smaadschrift. Mijn antwoord daarop is dat mijn werk goedgekeurd is door de leermeesters Galindo, Miranda, Cano, Mancia, en door Pater Petrus de Sotomayor en Franscisco de San Pablo, leraren aan het college van de Heilige Gregorius in Valladolid. Terwijl dat van Sepúlveda is verworpen door de Universiteiten van Alcala en Salamanca, wat voor de Koninklijke Raad van Castilië en die van de Indische Landen voldoende was de toestemming om het te laten drukken te weigeren.


De leer van Sepúlveda is ook anderszins rampzalig. Want wat ik gepubliceerd heb kan berouw opwekken voor het aangerichte kwaad en mensen in de toekomst wijzer en christelijker maken, terwijl de doctor de gewetens, die bezoedeld zijn door moord, roof, brandstichting en andere niet minder wrede misdaden, onterecht in slaap wil sussen.


Sepúlveda valt ook aan te rekenen dat hij onder de vreemde volkeren een zeer kwalijke mening post heeft doen vatten over de moraal van onze koningen, omdat men heeft kunnen zien hoe zij schaamteloos een zo afschuwelijk beleid hebben gevolgd.


Hij zegt dat er geen enkele Spanjaard te vinden is die voor een traktement van dertig dukaten per maand naar Amerika wil gaan, als de oorlog tegen de Indianen gestaakt wordt. Dat is alsof Sepúlveda toegeeft dat degenen die naar dat land gaan niet het voornemen hebben daar mensen tot het christendom te bekeren, maar zich door hun goud, zilver en parels te stelen, te verrijken ten koste van de inboorlingen. En omdat dergelijke expedities niet gemaakt kunnen worden zonder moorden en andere uitspattingen, houdt de stelling van de doctor in dat al die kwalijkheden toegestaan moeten worden. Maar het is duidelijk dat er niets strijdiger is met het Evangelie en de verklaringen van de Spaanse koningen en hun Raad van de Indische Landen, hebben op die manieren van zich verrijken gewezen en als onrechtvaardig veroordeeld.


Toegegeven, sinds 1500 hebben die oorlogsverwachtingen bij een zo groot aantal mensen het verlangen gewekt om naar Amerika over te steken, zelfs zonder soldij of traktement, dat de leiding van de handel in Sevilla en de Raad van de Indische Landen zogezegd overstelpt zijn met gegadigden.


Maar de doctor had kunnen weten dat, hoewel er in Amerika geen soldaten aangetroffen worden, andere daarheen kunnen gaan met de hoop zich snel te kunnen verrijken, omdat de bodem daar verbazingwekkend vruchtbaar is en onder de handen van oprechte en vredige kolonisten, die daar de verbouw op hetzelfde niveau willen brengen als in Spanje, enorme rijkdommen kan voortbrengen.


De doctor is slecht op de hoogte als hij beweert dat, als de predikers niet vergezeld worden door krijgslieden, ze niet door Indianen toegelaten worden, of zij hen zullen doden, zoals ze pater Louis Cancer gedood hebben in Florida. De Indianen zijn van nature vredelievend en zijn de Europeanen pas kwaad gaan berokkenen, toen zij hun wreedheden niet langer konden verdragen. Onder een van die omstandigheden verloor pater Louis Cancer het leven. Het was een vergissing waarbij hij aangezien werd voor een van de Spanjaarden die te vuur en te zwaard vreselijk huishielden in die provincie. Dat ongeluk zou niet gebeurd zijn als de gids niet nalatig was geweest. Gewaarschuwd voor gevaar, weigerde hij verderop aan die kust aan land te gaan, onder het voorwendsel dat vier Spaanse legers daar geland waren zonder enig verzet te ontmoeten.


Vanwege de gruwelijkheden die de troepen daar bedreven hadden, kwamen de Indianen tot het besluit geen enkele Spanjaard meer aan wal te laten gaan op hun kust. Toen ze pater Louis Cancer Spaans hoorden spreken, zagen ze hem aan voor een van die wrede mannen die hen zoveel kwaad hadden gedaan. Maar later, nadat de Indianen de tijd hadden gehad om zich ervan te vergewissen dat missionarissen geen oorlog voeren, maar alleen maar vrede brengen, in plaats van hen te mishandelen, ontvingen zij hen vriendelijk, luisterden met aandacht naar hen en aanvaarden het geloof dat zij hen verkondigden. Dat hebben pater Louis Cancer en enkele Dominicaner broeders zelf ervaren in Guatemala, waar wij de inwoners bekeerden van een uitgestrekt gebied, dat daarom de naam provincie van de ware vrede gekregen heeft.


Zelfs gesteld dat de Indianen onze missionarissen gedood hebben, dan volgt daaruit nog niet dat de nieuwe manier om hen het geloof te verkondigen goedgekeurd moet worden. Want Jezus-Christus waarschuwde zijn leerlingen al voor het leed dat hen wachtte en zijn voorzegging werd vervuld. Toch veranderen de manieren om de volkeren te bekeren niet. Men ziet daarentegen hoe martelaarsbloed grote getalen christenen doet ontstaan en dat geheiligde zaad vrucht draagt, zoals dat van de tarwe waarover het Evangelie spreekt (Matth.13). Ook denken wij dat pater Louis Cancer nu in de hemel een goed woordje doet voor degenen die zijn bloed vergoten hebben en wij de vooruitgang, die zij sinds zijn dood hebben gemaakt in het christelijke geloof, te danken hebben aan zijn smeekbeden.


In zijn Dialoog en Samenvatting, trekt Doctor Sepúlveda onjuiste conclusies en dat is niet verwonderlijk na hem zoveel onjuiste principes gehanteerd te zien hebben. Hij lijkt ten minste te veronderstellen dat de Spaanse koningen het recht hebben zich gewapenderhand meester te maken van de Indische Landen en beweert dat dat de enige manier is om de kosten te dekken die de zendingen veroorzaken, en dat men niet genoodzaakt geweest was dat te ondernemen, als de verovering van het land toegestaan was als schadeloosstelling. Een dergelijke veronderstelling is hoe dan ook niets anders dan een grove dwaling, omdat onze koningen uit zichzelf niet het recht hadden of konden hebben, noch krachtens enige gunning, om gewapenderhand een land te veroveren, waarvan de inboorlingen nooit de mannen iets aangedaan hadden, die zich meester kwamen maken van hun grondgebied.


De doctor had moeten zien dat het vaststaat dat onze koningen in de bul van gunning, die hen als eerste ontdekkers van Amerika beloonde met het alleenrecht missieposten te vestigen in de landen die onder hun heerschappij zouden gaan vallen en daar zouden uitgaan van het absolute principe van onbeperkte bescherming van de volkeren die tot de christelijke godsdienst zouden overgaan. Als de doctor dat principe had onderkend, zou hij daaruit de gevolgtrekking hebben gemaakt dat onze koningen, als ze de gunning van de paus eenmaal aanvaard hadden, zich niet meer konden onttrekken aan de kosten van het uitzenden van missionarissen, zelfs als de te evangeliseren landen geen enkele schadeloosstelling zouden bieden, omdat er zonder die bediening van het woord geen sprake zou kunnen zijn van onbeperkte bescherming.


De grootste fout van Sepúlveda is dat hij gezegd heeft dat de Spaanse koningen niet verplicht zijn missionarissen te sturen, nu niet en ook niet in de toekomst, zonder ze te laten vergezellen door soldaten, die ervoor moeten zorgen dat de Indianen de kosten van de onderneming betalen. Wel ja! hebben de Spanjaarden dan al niet de prijs ontvangen voor het werk van de evangelieverkondigers die zij daar naartoe hebben gestuurd?


De doctor beroemt zich erop dat hij de verdediging op zich heeft genomen van de rechten van onze koningen en het gezag van de paus. Maar bij nadere beschouwing van de teneur van de leer, die hij uiteengezet heeft in zijn Dialoog en Samenvatting, is te zien dat hij van beiden de belangen zeer slecht dient, vooral die van de keizer. In plaats van de ijver aan te wakkeren van de monarch voor de vervanging van schuldige aanstichters van de rampzaligheden in Amerika, probeert hij namelijk de door hen begane wreedheden te rechtvaardigen, nieuwe aan te bevelen en het geweten, zelfs dat van de keizer, te misleiden. Die manier van nuttig willen zijn, valt misschien in de smaak bij ogendienaren, die van vleien, pluimstrijkerij, gedienstigheid en voorkeur voor de gerieflijkste leer, een plicht maken. Maar dat kan niet de ziel redden van de vorsten die de volkeren regeren, noch in de smaak vallen bij degenen van hun onderdanen die de plicht hebben hen oprecht de waarheid te vertellen.


Dat laatste besluit heb ik al vijfendertig jaar in alle gevallen gedacht te moeten nemen. Mijn reden daarvoor is een halve eeuw ervaring. Het is lichtvaardige en ongegronde laster als betoogd wordt dat ik het recht op heerschappij van onze koningen over de Indische Landen wil aantasten, omdat ik niet de heerschappij aanval van degenen die die daadwerkelijk uitgeoefend hebben, noch die van degenen die die macht nu hebben, of in de toekomst kunnen hebben, maar alleen die onjuiste aanspraak op verovering die zozeer opgehemeld wordt, maar waarvan ik vind dat die onbillijk en bezoedeld met dwaasheid is. Ik zou willen zien dat die door een andere vervangen wordt, die voor onze koningen rechtmatig, edel en toereikend is, zoals bijvoorbeeld het Evangelie laten verkondigen in de landen die zij ontdekt hebben, ten einde daarop de onbeperkte bescherming te grondvesten, die de inboorlingen, als ze eenmaal bekeerd zijn, vrijwillig zullen toekennen aan de vorst, die hen kennis heeft laten maken met het Evangelie en de voordelen van de beschaving.


Het is dus duidelijke dat de ware aanspraken op heerschappij over Amerika van onze koningen, de gunning is die de paus hen heeft verleend, en de vervulling van de voorwaarden die hen opgelegd zijn, niet om zich daar als veroveraars gewapenderhand meester van te maken, maar met een eenvoudig gevolg van missionarissen, die slechts komen strijden tegen de dwaling, met de wapens van overreding en vrede. Want het is duidelijk dat de paus niets anders kan toestaan voor een land dat nooit aan de christenen heeft behoord en waarvan de inwoners nog geen onderdaan van de kerk waren.


La Controverse de Valladolid, TV film 1992

 
La Controverse de Valladolid, TV-film, in 1992 gemaakt door Jean-Daniel Verhaeghe, bewerking van het toneelstuk van Jean-Claude Carrièr, met Jean-Pierre Marielle (Las Casas), Jean-Louis Trintignant (Sepúlveda) en Jean Carmet (pauselijk gezant). De hele film (90 min.), Franstalig, is te zien op www.youtube.com



Boekomslag La Controverse de Valladolid


1992 : La Controverse de Valladolid, Belfond, Le Pré aux Clercs, (ISBN 2-7144-2879-7), herdruk 1999, Actes Sud/Papiers, Pocket no 4689 (ISBN 2-266-05401-5)



De schrijver Jean-Claude Carrière


De Fransman Jean-Claude Carrière is een verhalenverteller (zo noemt hij zichzelf), schrijver, scenarioschrijver, tekstschrijver, regisseur en af en toe acteur, geboren 17 september 1931 in Colombières-sur-Orb, in de Hérault.

Naar boven