Home

La Controverse de Valladolid

Het Valladolid-debat

Film uit 1992, regie: Jean-Daniel Verhaeghe, scenario en dialogen: Jean-Claude Carrière

Illustratie

Gebaseerd op het in 1520 gehouden pauselijk tribunaal in Valladolid.

De Franstalige film is, in 9 afleveringen, te vinden op You Tube.

www.youtube.com/watch?v=LlzHQISjeOs


TRANSCRIPT

Personages:
 
R. Kardinaal Salvatore Roncieri, pauselijk gezant Jean Carmet
C. Bartolomé de Las Casas Jean-Pierre Marielle
S. Juan Ginés de Sepúlveda Jean-Louis Trintignant
A. Graaf Pittaluga, vertegenwoordiger van Karel V. Mogan Mehlem
B. Assistent van de Las Casas Jean Nehr
E. Assistent van de Kardinaal Dominique Noé
F. Bewaker  
G. Spaanse kolonisten  
H. Soldaat  
I. Broeder Emiliano. Tolk  

Beeld uit de film You Tube 1 

Beminde broeders, ontvang de zegen van onze Heilige Vader. In nomine patris et Filii et spiritus sancti.
Amen. 

Laten wij bidden tot God, die ons hier zijn licht schenkt. 

R. Beminde broeders, sinds het Spaanse koninkrijk, bij gratie Gods, de West-Indische landen heeft ontdekt en veroverd, die door sommigen al de “Nieuwe Wereld” worden genoemd, hebben wij te maken gekregen met een groot aantal moeilijke vraagstukken, die door niets in de wereldgeschiedenis zijn bevroed. Op een van die vragen, de allerbelangrijkste, is nog nooit een duidelijk en afdoend antwoord gevonden. Daarom zijn wij hier bij elkaar gekomen.
Deze Nieuwe Wereld wordt bevolkt door inboorlingen die veroverd en onderworpen zijn in naam van de ware God. Al bijna dertig jaar zijn er in Europa geruchten in omloop die behelzen dat de inheemse bevolking van Mexico en de eilanden van Nieuw Spanje door de Spaanse veroveraars zeer slecht behandeld worden. Deze geruchten die door de vijanden van Spanje, de Nederlanden, Engeland en Frankrijk, mogelijk zijn overdreven, zijn Zijne Heiligheid de Paus ter ore gekomen. Hij was daar zeer door geraakt, vooral omdat deze mishandelingen plaatsvinden in naam van onze heilige godsdienst.
De Heilige Vader geeft blijk van zijn medelijden met de bevolking van de Nieuwe Wereld en het lijkt dat zijn verordeningen niet altijd zijn opgevolgd, evenmin als de wet en de regelingen voor de kroon.
Vandaag heeft de Heilige Vader mij naar u toe gestuurd met een duidelijk omschreven opdracht. Er moet een uitspraak gedaan worden of deze inboorlingen voltooide en echte menselijke wezens zijn, Gods schepsels, onze broeders die van Adam afstammen, of dat ze, zoals sommigen beweren, een apart soort vormen, of misschien zelfs onderdanen zijn van het rijk van de Duivel zelf.
Aan het eind van ons debat zal de door mij te nemen beslissing ipso facto bekrachtigd worden door de Heilige Vader en zal daarom onherroepelijk zijn.
Wij zijn hier in Valladolid, in dit klooster waar Broeder Gregorio zo vriendelijk is geweest ons te ontvangen. Wij, een aantal getuigen en deelnemers en op de eerste plaats de zeer luisterrijke Broeder Bartolomé de Las Casas, die de Nieuwe Wereld goed kent en deze inboorlingen herhaaldelijk verdedigd heeft. 

Tegenover hem hebben we meester Sepúlveda zelf. Zijn filosofische werken zijn welbekend. Zijn eruditie en scherpzinnigheid zullen waardevol zijn. Als iemand van ons het woord wil voeren, moet hij ons dat laten weten door handopsteking. Ik hoop dat God ons zal bijstaan en wij door zijn goedertierenheid gewetensvol en waardig zullen blijven. 

Broeder Bartolomé u hebt als eerste het woord, 

C. Eminentie, onze Heer Jezus-Christus sprak: “Ik ben de waarheid en het leven.” Ik zal proberen de waarheid te spreken over hen die wij van het leven beroven, want de waarheid is dat wij hen vernietigen. Sinds de ontdekking en verovering van de Indische Landen hebben de Spanjaarden de Indianen onafgebroken geknecht, gemarteld en vermoord. Wat ik moet zeggen is zo vreselijk, dat ik niet weet hoe te beginnen. Wij zouden een enorm boek kunnen vullen.
R. Neem de tijd.
C. Sinds het allereerste contact zijn de Spanjaarden verteerd geweest door hun dorst naar goud. Het enige dat ze roepen is goud! goud! breng ons goud! Zo erg dat de inboorlingen zeiden: “Wat doen ze met al dat goud? Ze moeten het vast eten. Alles moet wijken voor goud, alles!” Vanaf het begin zijn de arme Indianen dus behandeld als redeloze dieren. Ze zijn in hun gezicht gebrandmerkt met de naam van hun eigenaar, verkocht van de ene aan de andere eigenaar en steeds opnieuw gebrandmerkt. Zodoende neemt op hun gezicht het aantal brandmerken toe, waardoor het wel schetspapier lijkt. Met duizenden sterven ze in de mijnen, onder een ondraaglijke stank. Daarboven cirkelen zoveel gieren dat de zon verduisterd wordt.
R. U sprak ook over bloedbaden.
C. Ja, Eminentie, met miljoenen zijn ze uitgeroeid. Ja, met miljoenen, als dieren in een slachthuis.
R. Hoe ging dat in zijn werk?
C. Op alle mogelijke manieren. Gespiesd aan het spit en dan in groepen van dertien boven het vuur geroosterd. Of de handen afgehakt en het woud ingestuurd om daar “de woorden te verspreiden.”
R. Wat voor woorden?
C. De boodschap overbrengen. De anderen laten zien wie wij zijn.
R. Ja.
E. Waarom groepen van dertien?
C. Ter ere van Jezus-Christus en de twaalf apostelen. Ja, ik vertel u de waarheid. Door al die menselijke gruwelen werd God eer bewezen. Alles wat maar kon. Kinderen bij hun benen gepakt en het hoofdje verpletterd tegen de rotsen. Of levend gekookt, verdronken of voor hongerige honden geworpen, die ze verscheurden als padden. Weddenschappen afgesloten over wie een vrouw in één haal de buik kon openrijten.
R. Broeder Bartolomé, u spreekt over de betreurenswaardige ellende van de oorlog….
C. Oorlog? welke oorlog? Deze mensen voerden geen oorlog. Zij kwamen ons stralend tegemoet, openhartig, belangstellend, overladen met vruchten en geschenken. En wij brachten ze ter dood in naam van Jezus-Christus.
E. Eminentie! Dit is godslasterlijk.
R. Op deze heilige plek mag alles gezegd worden, bovendien weet God alles al.
C. Alles wat ik gezien heb gebeurde in naam van Jezus-Christus. Ik zag de Spanjaarden vet afrukken van nog levende en ademende Indianen, om dat op hun eigen wonden te wrijven. Levend! En ik zag dat. Ik zag onze soldaten neuzen afsnijden, oren, een tong, handen, tepels bij vrouwen, en de penis bij de man. Ze hakten die af als een boomtak. Voor de lol! Om zich te vermaken. In Cuba zag in een plaats, Canbao geheten, Spaanse soldaten hun zwaarden scherpen op stenen. Daarna trokken ze naar een dorp en zeiden: laten we kijken hoe scherp ons zwaard is. Een eerste Spanjaard trok zijn zwaard, anderen volgden en lukraak reten ze de buiken van de Indianen open, van alle dorpelingen. Allemaal afgeslacht! Overal bloed!
R. U was daarbij?
C. Ik was daar kapelaan, ik rende verdwaasd rond. Het was een gruwelijk en huiveringwekkend tafereel. Ik zag het. En andere keer, Eminentie, zag ik een soldaat die lachend zijn dolk in de buik van een kind stak en toen rende dat kind weg, met zijn ingewanden in zijn armen. Weer een andere keer, in Cuba, stonden ze op het punt zonder enige reden een van hun hoofden te doden en levend te verbranden. Een monnik liep naar de man toe om met hem over ons geloof te spreken. Hij vroeg hem wat hij wilde, naar de hemel of lijden in de hel. De cazique vroeg hem: “Gaan alle christenen naar de hemel?” “Ja,” zei de monnik, “sommige wel.” “Dan,” zei de cazique, “ga ik liever naar de hel dan bij die wrede mensen te moeten zijn.” Ik heb zoveel wreedheden gezien, die niemand zich kan voorstellen. Geen woorden, geen verhalen zouden kunnen beschrijven wat ik gezien heb. Eminentie, de christenen hebben hun vrees voor God verloren. Ze zijn vergeten wie ze zijn. Ja, miljoenen, ik zei miljoenen. In Choluba, in Mexico, en in Tapeacas sneden ze de hele bevolking de keel door, in naam van de Heilige Jacobus. En dat ging eenvoudig, want zij hebben geen wapens zoals wij, noch paarden. Weet u, Eminentie, in een bepaalde plaats gebruiken de Spanjaarden het bloed van die mensen om hun akkers te bevloeien. Af en toe zegt een kapitein tegen zijn soldaten: “snij hompen vlees 

Beeld uit de film You Tube 2

van die dijen af en voer ze aan de honden.” Alsof het schapenbouten waren. In sommige kampen waren voorraden mensenvlees. Dijen, borsten hingen aan haken. De Indianen werden gevoed met Indianenvlees. Dat was goedkoop. Sommigen vertelden dat de Spanjaarden het ook aten.
R. Genoeg! Genoeg! Het ligt in de menselijke aard, Broeder Bartolomé, om veel te spreken en weinig na te denken. Ik laat u spreken, ik zie uw emoties, uw boosheid. Ik heb goed geluisterd, maar ik moet u erop wijzen dat dit niet de kwestie is waar het ons om gaat. Wij zouden geen uitspraak doen over de wreedheid van de Spanjaarden. Wij moeten een oordeel uitspreken over de aard en eigenschappen van deze inboorlingen. Begrijpt u mij?
C. Ja, ik begrijp u.
R. Daarom vraag ik u, wat zijn het?
C. Ik neem aan dat we niet vasthouden aan de bewering dat ze dienaren van de duivel zijn.
R. Nou ja, ik vermeld dit verzinsel alleen om zijn buitensporigheid. Satan kent geen grenzen; het zou te eenvoudig zijn grenzen te stellen. Hij is overal. In ons allemaal. Dus, wat zijn het?
C. Zoals Christoffel Columbus, de eerste die hen ontmoette, zelf zei “Ik kan me niet voorstellen dat er betere mensen zijn.”
R. Hij bedoelde?
C. Ze zijn prachtig, Eminentie. Ze zijn vreedzaam en zachtmoedig als schapen. Ze willen niets van je. Vrijgevig, open.
R. Zij ontvingen u altijd goed?
C. Altijd!
R. Geen leugens, geen bedrog?
C. Volstrekt oprecht. Ze kunnen niet liegen. Ik kan het niet duidelijker zeggen. Zij toonden een beeld van het paradijs.
R. Lijken ze intelligent?
C. Ja. Absoluut.
R. Zoals wij?
C. Zonder enige twijfel.
R. Ze lijken soms zeer onwetend en zeer bijgelovig. Ze raakten onder de indruk van voortekenen. De heerser van Mexico wilde zichzelf offeren.
C. Montezuma. Ja, dat werd verteld. Ik was daar niet bij. Een oud geloof voorspelde dat hun redder uit het Oosten zou komen. Cortez, een bekwame kapitein, (richt zich tot Sepúlveda) die volgens mij uw vriend was, was op de hoogte van die voorspelling. Vanaf het begin speelde hij het spel mee. Maar ze hadden al snel in de gaten dat de Spanjaarden niet uit de hemel kwamen. Toen Montezuma met prachtige geschenken Cortez voor het eerst ontmoette, zei hij tegen hem: Ik ben van vlees en bloed net als u.”
R. Zijn zij in staat tot een christelijk gevoel?
C. Natuurlijk. Zij verwelkomen ons geloof. Maar kijk wat voor voorbeeld wij geven. Wat moeten zij van God denken, als christenen, die hen afslachten, beweren dat dat billijk en juist is? Weet u wat iemand mij ooit verteld heeft?
R. Vertel het ons.
C. Hij zei tegen me: “Ja, ik voel me al een beetje christen, want ik kan al wat liegen.
R. Vertel ons nu hoe ze reageren op die wreedheden.
C. Eminentie, dat heb ik u al verteld. Ze zijn zo vriendelijk en we vielen ze zo hard aan, dat ze nauwelijks konden terugvechten. Zodoende zijn ze wanhopig geworden. Moeders hebben hun baby’s gedood om te voorkomen dat ze slaaf van ons zouden worden. Veel kinderen zijn dood geboren, omdat hun moeders bepaalde kruiden aten. Weet u nog wel, Eminentie, de woorden uit Ecclesiasticus?
R. Welk vers?
C. Het was een schok voor me. Ik kwam het op een dag toevallig tegen. “Het brood der armen is hun leven. Wie hen daarvan berooft is een moordenaar.” (Jezus Sirach, 34:22) Deze schepsels leven zonder levensvreugde. Om nageslacht te voorkomen raken mannen hun vrouwen bovendien niet meer aan. Ze worden verpletterd door ziekten, door ons overgebracht, door ze te verkrachten. Ja, ze zijn elke levenslust verloren. Een heel volk dat sterft in naam van Jezus-Christus. Weldra is er geen enkele ziel meer over.
R. Dus volgens u, Broeder Bartolomé, zijn ze schepselen Gods.
C. Ze zijn onze naasten.
R. Vrijgekocht door het bloed van Jezus-Christus?
C. Ja Eminentie, net als wij. 

Beeld uit de film You Tube 3 

R. Professor, zou u nu naar voren willen komen?
S. Zo u wenst, Eminentie.
S. Broeder Bartolomé, vanaf uw jeugd was u geboeid door de Nieuwe Wereld?
C. Ik ging daarheen toen ik 18 was.
S. Had u daar landerijen?
C. Ja. Ik heb die goed beheerd, denk ik.
S. Later, na uw priesterwijding, hebt u toen uw eerste mis opgedragen in de Nieuwe Wereld?
C. Ja.
S. Hebt u, toen u eenmaal lid van de kerk was, niet meerdere malen geprobeerd een kolonie te vestigen, en inboorlingen en Spanjaarden geronseld en aan het werk gezet?
C. Ik heb dat geprobeerd, met name in Cumuna.
S. U was voorstander van een vreedzame verovering. U wilde het “Land van de ware vrede” vestigen.
C. Later! In Guatemala.
S. Eindigde dat niet in een bloedbad?
C. In Cumana, ja. Mijn Spaanse metgezellen ontpopten zich tot razende wolven.
S. Is het niet vreemd dat het altijd de fout van de Spanjaarden is?
C. Wat bedoelt u? Vreemd?
S. Ik heb u horen spreken, u gadegeslagen en er werd mij iets duidelijk dat ik gezien uw geschriften al vermoedde. Vanaf het begin hebben die volkeren u geboeid. We zouden zelfs kunnen zeggen, hebben u verleid. Waarom? Ik weet het niet. Maar we kunnen zien dat u overdrijft bij wat u zegt.
C. Ik spreek over wat ik gezien heb. Een overdaad aan feiten, niet in mijn woorden.
S. Maar ik zou u niets nieuws vertellen als ik zeg dat sommige reizigers, die daar geweest zijn u ervan beschuldigen dat u in de war bent.
C. Als ik in de war ben, Eminentie, waarom hebt u mij dan gevraagd hier te komen? Wat doe ik hier als ik gek ben?
S. Nee, u bent niet gek, maar soms denken wij dat wij de wijsheid in pacht hebben. Dat weten we allemaal. Die Indianen over wie u spreekt, u was blind voor hun ware aard.
C. Bijvoorbeeld?
S. U beweert dat ze zachtaardig zijn als schapen, maar als ze op schapen lijken, zijn het geen mensen. Wij kunnen zeggen dat een mens zachtaardig is…
C. Maar Jezus zegt dat. Hij bleef maar zeggen: Keer de andere wang toe!
S. Ja, maar hij zegt ook: “Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.” Jezus houdt van dit gevecht. Hij houdt van deze verovering. Waarom zou hij anders ingestemd hebben met deze massaslachtingen van onschuldige mensen?
C. En waarom stemde hij daar dan mee in?
S. Omdat de Indianen hun lot verdienen. Hun zonden en afgodsbeelden zijn een doorlopenede belediging van God. De oorlogen die wij tegen hen voeren zijn rechtvaardig.
C. Over wat voor zonden hebt u het? Wie is hier in de war? Wie is hier blind?
S. Ik stel u een vraag. Die jongen waar u het over had, die in de buik gestoken was door een soldaat en met zijn ingewanden in zijn armen wegrende. Hebt u dat gezien?
C. Met mijn eigen ogen.
S. En wat hebt u gedaan?
C. Ik heb hem vastgegrepen, zo snel als ik kon over God gesproken, over Jezus. Ik heb hem gedoopt. Hij stierf in mijn armen.
S. Vond u de redding van zijn ziel dan belangrijk?
C. Natuurlijk! Ik kon niets anders redden.
S. Eminentie, ik wil eerst stilstaan bij dit punt. De redding van de ziel.
R. Dan denkt u dus dat zij een ziel hebben?
S. Ik zal natuurlijk terugkomen op dit punt. Maar eerst moet ik u herinneren aan een aantal feiten die door de emoties van mijn tegenstander misschien zijn verhuld.
R. We luisteren.
S. Eerst een algemene vraag. Staat het niet vast, is het niet volmaakt zeker dat alle volkeren der aarde, zonder uitzondering, zijn geschapen om ooit christen te worden?
R. Ja, dat is een vaststaande waarheid.
S. En dat wij alles moeten doen om hen tot het ware geloof te brengen?
C. Dat kan niet betwist worden.
S. Alle mensen zijn voorbestemd. Ze maken allemaal deel uit van het mystieke lichaam van Jezus-Christus, omdat de christelijke religie de enige weg is. Aan alle volkeren wordt de goddelijke vergeving verleend als zij hun ongeloof opgeven. Is dat niet zo?
R. Dat is absoluut waar. Onze Franciscaner broeders beweren zelfs dat Gods rijk op aarde nabij is en de hemelse gelukzaligheid zich weldra zal openbaren.
I. Zo gauw de laatste ongelovige bekeerd is. Wij zijn er geheel van overtuigd dat onze zege op de Moren het eerste bewijs was van Gods goedgunstigheid. Het gemak waarmee de nieuwe landen veroverd zijn is heel duidelijk een ander teken. C. En hoe konden de Indianen dan geloven dat wij optreden in naam van God? Ze noemen ons “yars.” wat Duivels betekent. Voor hen komen wij uit de hel, aangevoerd door de Duivel.
R. Gelooft u dat? Broeder Bartolomé, gelooft u echt dat de Spanjaarden duivels zijn?
C. Ja Eminentie. In deze Nieuwe Wereld zijn de veroveraars bezeten door iets duivels. Ze zijn Duivels geworden, ja dat geloof ik.
R. Duivels?
C. Ja. Het geloof dat ik hen breng is dus verdorven. Wat is het verband tussen het Evangelie en het zwaard? Hoe kan ik het Evangelie verkondigen? In plaats van hen te overtuigen vervalsen we Gods beeld, door het bloed dat wij over hen brengen.
R. Maar als u zegt dat de inboorling hetzelfde is als wij, zijn zij dus ook Duivels!
C. Vergeef me, Eminentie. Ik ben het niet eens met die redenering. Ik heb mij ongelukkig uitgedrukt.
R. Formuleer het dan opnieuw.
C. De Spaanse soldaten zijn mens, maar hun dorst naar goud verandert hen in Duivels.
R. Ga verder professor.
S. Alle volkeren ter aarde zijn voorbestemd om christen te zijn, geraakt te worden door de woorden van Jezus. Dan ontdekken wij een onbekend volk dat nooit iets gehoord heeft over God, verlossing of het kruis.
C. O! jazeker. We hebben aanwijzingen van kruisen gevonden.
S. Nee!! Nee!! Onzin! U doet een vergeefse poging te bewijzen dat dit continent al bezocht is door apostelen. Dat is niet waar! Nooit eerder zijn de woorden van Jezus daar gebracht. Wat dat betekent? Dat betekent dat zij geen schepselen Gods zijn. En ik zal dat bewijzen. Zoals we al hebben gezegd hebben 300 Spaanse soldaten in een uiterst eenvoudige strijd een machtig rijk met 5-miljoen inwoners onderworpen. Moet dat niet gezien worden als de hand van God? Geen enkele onderneming in welke tijd dan ook, kan vergeleken worden met die verovering. Zelfs de ziekten stonden aan onze kant. De pokkenepidemie was Gods werk om de weg vrij te maken. De heidenen stierven als ratten, omdat God hen wilde uitroeien. Nu worden ze gedwongen in Mexico hun tempels af te breken. Elke dag sterven er velen, verpletterd onder rotsen. Hoe kan daar niet Gods straf in worden gezien? Hetzelfde geldt voor de mijnen. Ik besef dat het soms kan lijken op menselijke wreedheid. Maar hoe valt te verklaren dat de inboorlingen de Spanjaarden zo gedwee gehoorzamen? Zijn ze al niet geplooid door Gods hand, en als het ware in de hel gestort?
E. Er wordt ook verteld dat zij vanwege hun bandeloosheid sterven in de mijnen, vanwege hun sodomie.
C. Wat hoor ik nu? Bandeloosheid in de mijnen?
R. Broeder Bartolomé!
C. Eminentie, moet ik lachen of huilen?
R. Zeg het maar. Rustig, blijf alstublieft rustig.
C. Dat kan ik niet! U beweert overal tekenen Gods te zien.
R. Wat betekent dat?
C. Alleen maar tekenen zien die in onze kraam te pas komen. God aan onze kant scharen, door te zeggen dat ik Gods belang dien. Dat rechtvaardigt mijn misdaden.
R. Nu gaat u te ver! Niemand mag hier Gods keuze ter discussie stellen. Ik verzoek u met klem rustig te blijven. Ga verder professor. 

Beeld uit de film You Tube 4

S. Spanjaarden vergelijken met Duivels! Wat een misvatting, wat een dwaasheid! De inboorlingen erkenden zelf dat de veroveraars door God gezonden waren. Daarvan waren ze waren overtuigd. De Indianen “onschuldig” noemen! Ik kan u niet volgen. Aan hun afgoden offerden ze duizenden, tienduizenden, tachtigduizend mensen voor de inwijding van hun Mexicaanse tempel.
C. Dat aantal is niet bewezen.
S. Maar het is de meeste barbaarse, de bloeddorstigste natie! Sodomieten, ja, en…kannibalen. Dat vergeet u te vermelden. Hun buik vol mensenvlees. Ze doodden Spanjaarden en aten hen op. Sommigen gebruikten de huid van christenen om in te dansen. En u spreekt over een paradijs. U zegt dat ze niet kunnen liegen. Maar ze hebben u bedrogen. Doorlopend. Ze gauw als mensen kunnen spreken, kunnen ze liegen. Deze Indianen zijn meedogenloze wilden. Het is niet alleen juist, maar zelfs noodzakelijk hun lichaam te onderwerpen aan slavernij en hun geest aan onze ware godsdienst. Laten we iets onzinnigs aannemen, laten we aannemen dat ze onschuldig zijn. Is onze oorlog dan niet rechtvaardig? Een oorlog om onschuldige mensen te beschermen tegen hun tirannieke leiders, leiders die hun eigen onderdanen vermoorden om ze op te eten.
R. Professor, ik zeg het nogmaals, wij zijn hier niet om over oorlog te spreken. De veroveringen zijn voorbij. Wij zijn hier om een uitspraak te doen over de aard van die Indianen, of ze net als wij een ziel hebben, of zij aanspraak kunnen maken op het eeuwige leven. Geef mij uw mening.
S. Aristoteles heeft dat het duidelijkst verwoord: “Sommige mensensoorten zijn gemaakt om andere te overheersen.”
R. Is dat hier het geval?
S. Ja, Eminentie. Zij zijn van nature slaaf.
R. Deze bewering dient bewezen te worden.
S. Ze zijn onbekend met het gebruik van metalen, vuurwapens en het wiel. Bij een lange reis vervoeren zij hun lasten op hun rug, als dieren. Hun voedsel is walgelijk, dierenvoer. Zij beschilderen zichzelf en aanbidden vreselijke afgoden. Ik zal niet opnieuw spreken over mensenoffers. Het is bekend dat ze dom zijn, zoals onze kleine kinderen en zwakzinnigen. Ze trouwen heel vaak. Ze zijn onbekend met de betekenis van geld en niet op de hoogte van de waarde van dingen. Ze ruilen goud voor gebroken glazen.
C. Nou en! Komt dat niet omdat zij goud en geld niet aanbidden? Is dat een reden om ze als beesten te behandelen? Is het niet juist tegenovergesteld?
R. Broeder Bartolomé, u zult straks nog aan het woord komen. Er zal niets achtergehouden worden. Blijf nu even rustig. Professor, zijn bezit en gebruik van vuurwapens een bewijs van goddelijke bescherming?
S. Een duidelijk bewijs.
R. En de Moren dan, zij hebben vuurwapens. Zij zetten die heel doeltreffend tegen ons in.
S. Zij hebben die van ons nagemaakt.
R. Ander onderwerp: u doet verslag van bloeddorstige offers aan hun goden.
S. Ja! Wrede goden, afschuwelijk! Net als deze mensen.
R. Het is inderdaad een duivelse verschrikking. Wij zijn dat met u eens. Maar als zij niet op hetzelfde peil van mens-zijn verkeren als wij, als zij dichter bij de dieren staan, kunnen wij ze die offers dan kwalijk nemen? Begrijpt u wat ik bedoel?
S. Ik begrijp de nuance, Eminentie.
R. Die mensenoffers kunnen hen alleen aangerekend worden als ze menselijk zijn.
S. Eminentie, ik zeg vooralsnog dat hun onwetendheid en naïveteit grenzeloos zijn.
C. En wij! Waren wij ook niet ooit naïef en onwetend? Hadden wij soms niet sirenen en amazonen? Mensen met het hoofd in hun borst, pygmeeën die zich in hun oren hulden? Eminentie, de wereld is vol illusies en geruchten. Dit land was ons onbekend. In afzondering ontwikkelde het zich duizenden jaren lang. De ontmoeting verbijsterde iedereen.
S. Omdat niets hetzelfde was. Zelfs de dieren, de bomen waren anders. Ze hadden geen koeien, geen schapen. Hoe zou in twee zo verschillende werelden alleen de positie van de mens hetzelfde kunnen zijn? Eminentie, alles wijst erop dat God bedoeld heeft dat wij hen overheersen. U moet ook weten dat zij de eenvoudigste zaken niet begrijpen, zoals de verlossing door Jezus-Christus, of de vergeving van de zonden bij de biecht. Ze kennen geen enkele werking van de ziel. Geen idee van kunst.
C. Dat accepteer ik niet! Geen werking van de ziel! In Mexico-stad hebben de Franciscanen een school geopend. Nietwaar? Waar de zonen van de Azteekse vorsten ons onderwijs genieten. Zij boeken dezelfde resultaten als de Spanjaarden. Nietwaar? Sommigen leerden zelfs Latijnse verzen.
S. U zei vorstenzonen. En hun bouwkunst dan?
C. Voordat wij al hun steden vernietigden, schreef Cortez aan de Spaanse koning dat hij in die landen nooit zoiets moois had gezien. Hij zei “alles is vergelijkbaar met Spanje, het mooiste land ter wereld.” En de uitspraak: “Sommigen van ons vroegen: is wat we zien een droom?” Een droom!
S. De veroveraar die behoefte heeft aan macht, kan zijn verovering niet kleineren.
C. En hun bewateringssysteem? Hun schrift, hun wiskunde? Hun tekeningen, hun kennis van het heelal? Hun kalender, nauwkeuriger dan de onze? Hoe konden barbaren zonder God zoveel bereiken? Hun maatschappijsysteem? Hun dierentuinen? Niets vergelijkbaars in Europa. Niets! Het was niet hun oorlog.
S. Eminentie, bent u ooit in het Nieuwe Indië geweest?
R. Nee, ik heb niet het hart van een ontdekkingsreiziger.
S. Dan zal ik u een idee geven van hun “kunst.” Ik heb een van hun uit steen gehouwen afgodsbeelden laten komen. Kan ik u dat laten zien?
R. Nu?
S. Omdat we daar nu over spreken. 

Beeld uit de film You Tube 5 

S. Stop. Haal het kleed weg. Het is een van hun goden, met de naam: “De gevederde slang, Quetzacoatl.”
R. Aanbidden ze dat?
S. Ja, in al hun tempels. Tempels die de walgelijke stank van een slachthuis uitwasemen. De monsters waarvoor zij neerknielen, waarvoor hun priesters, als ik dat woord kan gebruiken, met een stenen mes de borst van levende mensen opensnijden en daar hun bloedend hart uitrukken.
R. Het is inderdaad erg lelijk.
E. Vreselijk. Het is echt weerzinwekkend.
S. Is dit vergelijkbaar met Italiaanse beeldhouwwerken of met Berruguete (vert.: Spaanse schilder, 1450-1504)?
R. Denken zij dat dit kunst is?
C. Eminentie, dit is maar een voorbeeld, een indruk. U zou hun hele kunst eens moeten zien. Ze maken ook fresco’s, vervaardigen beeldjes van klei. Ze beeldhouwen. Wat onvergelijkbaar is kunnen wij niet vergelijken. Ze hebben echte kunstenaars. Met vogelveren….
R. Ja... bij die veren zullen we het nu laten. Broeder Bartolomé, u bent zeer opgewonden, u hebt wat rust nodig. Zelf moet ik nadenken. Wij zullen deze discussie morgenvroeg hervatten.
F. Wie zijn jullie? Wat doen jullie hier? wat doen jullie hier? Stop! Stop! Stop! Wat doen jullie in dit klooster?
G. Wij zijn uit Mexico gekomen. Wij wonen hier. Wij hebben over dit debat gehoord.
R. Hebben jullie daar boerderijen? Beheren jullie die?
G. Ja Eminentie.
R. Ook mijnen?
G. Ja, een paar mijnen.
R. Zijn jullie daar vandaan meteen hier naartoe gekomen?
G. Wij zijn drie dagen geleden aangekomen.
R. Kom na het avondmaal naar mij toe.
E. Wat is er?
R. Niets, iets voor mij. Maak je daar geen zorgen over.
R. Ik vermoed dat jullie je zorgen maken over jullie boerderij, over jullie inkomen. Zijn jullie daarom hier? Dat is normaal, dat is menselijk. Als God goud in de aarde heeft gestopt, was zijn bedoeling dat wij dat vonden en gebruikten. Maar denk niet dat Rome niet op de hoogte is met wat daar gebeurt. Wij hebben een geheim gezant gestuurd. Wij hebben gedetailleerde verslagen.
G. Eminentie, onze situatie is niet eenvoudig. Het heeft veel moeite gekost om het land te ontginnen. Het land is woest en onherbergzaam. En broer van mij is daar gestorven. De Indianen haten het om voor ons te werken. Soms gaan ze liever dood. Het leven betekent niets voor hen. Ze doden zichzelf als tijdverdrijf.
R. Ik weet niet zeker of de tijd sneller verstrijkt als je dood bent.
G. We doen wat we kunnen voor hen. We zorgen voor hen, we laten hen onze gereedschappen zien. We leren hen onze taal. Natuurlijk zijn we bezorgd als onze toestand zal veranderen, als wat ons verteld is niet langer waar is.
R. Zijn jullie goede christenen?
G. Zeker, Eminentie.
R. Gaan jullie biechten? Te communie?
G. Elke week Eminentie. We krijgen een bisschop in onze provincie.
R. Vertrouw dan op de Kerk. Zij is onze moeder, voor iedereen. Maakt niet uit wat de Kerk beslist, het is goed. Daarom moeten jullie gehoorzaam zijn. Jullie kunnen gaan. Als jullie dat willen, kunnen jullie morgen aanwezig zijn bij het debat.
E. Is het veilig?
R. God spreekt met vele stemmen.
E. Verder nog iets?
R. Nee, met mij gaat het goed.
E. Welterusten. Slaap in vrede, Eminentie. 

Gezang 

R. Moge het licht des Heren vandaag met ons zijn, zoals gisteren. Amen. 

R. Gisteren heeft professor Sepúlveda ons een verrassing bezorgd door met zijn gevederde slang voor de dag te komen. Het heeft aan zijn doel beantwoord. Vandaag is het mijn beurt om u te verrassen. Ik heb mijzelf afgevraagd wat de beste manier zou zijn om naar eer en geweten tot een uitspraak te komen en heb er ten slotte voor gekozen om een paar exemplaren van dat Indianenras hier naartoe, naar Spanje, te laten brengen. Het leek me dat als ze hier waren, het voor ons eenvoudiger zou zijn hen uitgebreid te onderzoeken, om te zien of ze al dan niet hetzelfde zijn als wij. Laat ze binnenkomen….
C. Eminentie, hebt u daar een afvaardiging heen gestuurd?
R. Ja, het heeft maanden gekost.
R. Kennelijk hebben we hier een alleenstaande man, die inmiddels al enige tijd in Spanje verblijft. Volgens mij is hij een soort acrobaat. En dan nog een gezin, vader, moeder en een kind…. Hun naam is te ingewikkeld. Ik kan het niet lezen, maar dat is onbelangrijk. Ze komen uit Mexico. Laten we hen onbevooroordeeld onderzoeken. Broeder Emiliano, die hun taal geleerd heeft, zal tolk zijn. Om tijd te sparen heb ik verzocht om een medisch rapport over hun fysieke toestand, die in ieder geval hetzelfde is als die van ons, met één verschil. De mannen hebben geen baard en amper lichaamsbeharing.
E. Wat zegt ons dat?
R. Dat heb ik me afgevraagd. In de heilige Schrift is niets te vinden dat zegt dat een naar Gods beeltenis geschapen mens een baard moet hebben. 

Beeld uit de film You Tube 6 

Kan iemand hier iets over zeggen? Er is nog een vraag die beantwoord zou moeten worden. Weten we zeker dat hun vrouwen zwanger gemaakt kunnen worden door Spanjaarden?
C. Ja, dat is zeker!
R. Zijn er gevallen bekend?
C. Duizenden vrouwen zijn verkracht.
R. En zwanger gemaakt?
C. Zeker, velen van hen.
R. Ik vraag dat alleen omdat sommigen beweren dat vrouwtjeschimpansees in Afrika zwanger zijn gemaakt door Portugezen. Dat bleek een puur verzinsel. Kunt u dat bevestigen?
H. Ja, Eminentie. Geen sprake van.
R. Zijn de kinderen, die uit deze verbintenissen zijn geboren, levensvatbaar en goedgevormd?
H. Afgezien van uitzonderingen, ja, Eminentie.
R. Dank u.
C. Voor we iets doen, Eminentie, deze mannen en vrouw hebben het koud. Ze komen uit een warmer land. Ze zijn gevoelig voor kou. Ze bibberen. Ze zijn ziek. De meeste mensen die we hier naartoe hebben gehaald zijn gestorven. Dat geeft steun aan het geloof dat ze zwakker zijn dan wij en God hen dus geslagen heeft.
R. Dekens!
R. U spreekt hun taal?
C. Amper honderd woorden.
R. Kent u hen?
C. Nee Eminentie.
R. Gezien hun kleren, welke positie bekleden zij in hun maatschappij?
C. Moeilijk te zeggen, zij hebben hun feestkledij aan. Zij kleden zich steeds meer als wij.
R. Omdat zij de voorkeur geven aan onze kleren?
C. Omdat ze gedwongen worden.
R. Ga naar hen toe. Vraag hen wie ze zijn. Vooral die daar. Ja die, dat is hem. Als u ze wat nader wil onderzoeken, ga uw gang.
I. Hij zegt dat hij de zoon is van een medewerker van het archief van de keizer. Zijn ouders zijn gestorven. Nu werkt hij in Mexico als metselaar voor de Spanjaarden.
R. Heeft hij iets gehoord over het ware geloof? Gelooft hij in God? Vraag het hem.
I. Eminentie, hij blijft trouw aan de goden van zijn voorvaderen.
R. Aan die verschrikkingen?
I. Ja Eminentie.
R. Onzin! Heeft iemand hem iets verteld over wonderen?
I. Vaak, we moesten zelfs met bewijzen komen.
R. Hebben ze iets gehoord over de Heilige Maagd Maria?
I. Natuurlijk, ze zijn geïnteresseerd, maar….
R. Laat iemand iets van ijzer brengen, een grote hamer. Ga verder, wat is hun argument?
I. Ze zeggen “Het is het geloof van onze vaderen,” “Wij hebben deze goden altijd aanbeden.” “Wij willen niet dat onze oude levenswijze vernietigd wordt.”
R. Is hen verteld dat deze goden hen niet kunnen beschermen? Dat hun godsdienst ten opzichte van die van ons dwaas en machteloos is.?
I. Dat hebben wij hen verteld.
R. En wat zeggen ze dan?
I. Hun nederlaag heeft hen geschokt. Onze prediking verwart hen, plaatst hen voor raadsels. Ze dachten dat er niets zou veranderen.
C. Ze zeggen: “De woorden van de goden zijn duister geworden. Wij begrijpen ze niet meer.”
I. Ja, “Onze goden verkiezen te zwijgen.” “Wie zal terugkeren om ons de woorden te geven?” “Zal niets meer als vroeger zijn?” “Moeten wij voor altijd verdwijnen?”
R. Ze zijn te dom om de waarheid te zien.
C. Nee! velen zijn bekeerd.
S. De verslagen die ik heb gezien roepen twijfel op over de oprechtheid van deze nieuwe “bekeerden” en Broeder Emiliano zegt zelf….
C. Deze gehechtheid aan hun geloof is normaal. Alle volkeren zijn gehecht aan hun eigen gedachtegoed. Ze zijn nieuwsgierig naar ons, zoals ik al zei. Zij kijken naar ons zoals wij naar hen kijken. Ze luisteren naar ons, ze begrijpen ons. De meesten van hen volgen ons, maar ze zijn heel lang alleen geweest, afgezonderd.
R. Eén moment.
C. Ja.
S. Ik zou Broeder Bartolomé een enkel ding willen zeggen, iets heel eenvoudigs.
R. Zeg dat eenvoudige dan.
S. Twee dingen. Of ze zijn net als wij, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis en verlost door het bloed van zijn Zoon. In dat geval mag hen niet toegestaan worden de waarheid te ontkennen. Of ze behoren tot een ander soort.
R. Wat is uw oprechte mening, professor?
S. Ze behoren tot een ander soort. Ze zijn geboren om overheerst te worden, zoals de vorm de materie, de mens het dier, de echtgenoot zijn vrouw en de vader zijn kind. Dat is ingesteld voor het welzijn van allen. De een wordt geboren als slaaf en als hij dan geen Meester krijgt is hij verloren. Dan wordt hij weggevaagd van deze aarde.
C. Dat zijn allemaal woordspelletjes. Drogredenen. De logica kan ons geen uitspraak laten doen over hun aard.
S. Ik begrijp waarom u moeite heb met de logica, u spreekt in tegenstrijdigheden. U zegt dat zij vriendelijk en bescheiden zijn en de Spanjaarden wrede monsters. En tegelijkertijd zegt u dat zij net als wij zijn. Wij zien dat zij ons geloof verwerpen. Maar als Christus dat gewild had, zouden ze dan geen christen zijn? Is dat niet zo? Is dat dan niet zo? Het feit dat zij het Evangelie verwerpen is het bewijs van wat ik zeg. Door hun geboorte zijn buiten de goddelijke genade geplaatst. Zij verwerpen Jezus niet. Het is Jezus die hen niet in zijn koninkrijk wil hebben.
R. Hou ze in bedwang, hou ze in bedwang.
R. Jij, ja jij. Kom hier. Sla hun afgod kapot. We zullen zien hoe ze reageren. Vooruit, sla erop! Ben je niet bang?
R. Sla dan, ze zijn eraan gewend.
S. Zag u dat? Hij reageerde bijna.
C. Ja, maar zijn vrouw hield hem tegen.
R. Wat bewijst dat?
C. Dat bewijst dat ze kunnen denken. De situatie inschatten.
S. Voelen ze pijn?
C. Wilt u dat zien?
S. Hier, in een klooster?
C. Ja, ze lijden net als wij als ze geslagen worden.
R. Hoe zit het met psychische pijn? Kunnen ze verdrietig zijn?
C. Ja, dat heb ik u al verteld. Ze hebben alle reden om verdrietig te zijn.
S. Kunnen ze heimwee hebben? Begrijpen ze iets van de eeuwige verdoemenis?
C. Ja, ze hebben een soort hel en paradijs. Ja, ze geloven ook in leven na de dood en kennen het begrip ziel.
Uit de zaal: Geloven ze in vergeving van de zonden? Geloven ze in de wederopstanding? Hebben ze een geheugen? Kennen ze liefde voor hun God? Geloven ze in de Onbevlekte Ontvangenis? Bidden ze? Geloven ze in het Vagevuur? Geloven ze in de Heilige Sacramenten? Geloven ze in het Laatste Oordeel? 

Beeld uit de film You Tube 7 

R. Jij, ja jij, kom hier. Ga naar ze toe. Grijp het kind. Grijp het kind en dreig het te doden. We zullen zien.
R. Nee! niet tegen ze praten! Hou op! En jij, grijp het kind! Dreig het, vooruit!
C. Nee Eminentie, doe dat niet!
R. Grijp het kind, ik zeg het je!
R. Dat was het! Stop, stop. Steek je zwaard in de schede. Zeg wat tegen ze, stel ze gerust. Zeg hen dat het een vergissing was…, een spelletje…. Zeg maar wat…..
C. Eminentie, we moeten dit onderzoek staken. Het is wreed en onnodig. Zij hebben hetzelfde hart als wij. Dieren verdedigen ook hun jongen, vooral de vrouwtjes. Dat is een natuurwet.
R. Die twee mannen waren niet zo dapper. Die ene bewoog niet eens.
C. Het is niet zijn kind.
R. Precies, zij kennen geen naastenliefde, geen sociale banden, ze zijn egoïstisch, wilden in een maagdelijk woud.
C. Maar deze hier is al bedorven. Hij heeft geleerd om om geld te bedelen, te liegen, ons een plezier te doen. De anderen zijn verbijsterd. Ze begrijpen niet waar ze zijn.
S. U zegt dat ze het niet begrijpen.
C. Stelt u zich voor dat u zelf bij hen zou staan, onderworpen aan een vreemd gericht, te midden van gevederde priesters. Zou u dat dan begrijpen? Begrijpen dat er werd uitgemaakt of u al dan niet een mens bent? Vaak verwelkomden de Spanjaarden hen met een glimlach en doorboorden hen vervolgens met hun zwaarden. Mijn God, zo vaak!
R. Is dat echt een acrobaat?
E. Ja Eminentie.
R. Wat voor kunstje kan hij?
E. Volgens mij is hij jongleur.
R. We hebben een pauze nodig. Zeg hem dat we naar hem kijken.
I. spreekt tegen Indiaan.
S. Ze zijn behendig met hun voeten, net apen.
E. De clowns zijn gearriveerd, Eminentie.
R. Laat ze binnenkomen.
R. Ik heb een paar clowns van het hof gevraagd hier te komen. Er wordt gezegd dat het vermogen om te lachten alleen de mens eigen is. We zullen dus zien of Indianen gevoel voor humor hebben.
C. Eminentie, ze zijn niet in de stemming om te lachen.
S. Lachen gaat spontaan. Een uitstekend idee.
R. Laat ze binnenkomen. Geef hen de ruimte, snel.
Clowns: “Maak plaats voor zijn Majesteit.” “Op de gerechtigheid van de Koning.” “Breng zijn Majesteit zijn zetel.” “Snel! Snel!” “Breng de dief.” “Wat heb jij gestolen?” “Niets Majesteit!” “Jij hebt kennelijk iets gestolen.” “Nee!” “Zo niet, dan ben je geen dief.” “Wat heb je gestolen?” “Ik smeek u Majesteit, ik smeek u.” “Eén moment.” “Ik heb hem geslagen, ik moet gaan biechten.” “Mea culpa...” “Ik heb berouw.”
C. Eminentie, ik smeek u, stop deze schijnvertoning, uit respect voor de Sacramenten.
R. De clowns hebben alle recht, Broeder Bartolomé, en dit is geen schijnvertoning.
C. We spreken over deze mensen, die lijden en sterven. Een echt volk.
S. Wat is er met u? Komt dat omdat uw Indianen niet lachten? Hun lippen bewogen niet.
C. Maar hoe kunnen ze lachen? Een diefstal, ze kennen dat woord niet eens. Ze weten niet wat biechten is.
S. Ze hebben niets van uw onderricht geleerd. Ze kunnen niet leren. Ze zijn ongevoelig voor de schoonheden van onze mysteries.
C. Nee! Ik heb het u uitgelegd, nee! Ze zijn even gevoelig als wij. Ze weten wat liefde en angst is, de fijngevoeligste emoties. Maar om hen te zien, om hen echt te zien, moeten we met andere ogen naar hen kijken. Anders zullen wij hen nooit zien zoals ze zijn. Kijk naar hen als in een spiegel waarin wij ons eigen gezicht zoeken, een gezicht dat u vergeten bent.
S. Kunt u uzelf in die spiegel zien?
C. Elk moment.
S. Ik zei het gisteren al, zij hebben uw geest in verwarring gebracht.
C. Maar kijk dan één keer naar hen. Vergeet uw retoriek en uw papieren en kijk naar hen. Kijk naar hen! Met menselijke ogen.
R. Broeder Bartolomé! Broeder Bartolomé!
C. Eminentie, wie staat hier terecht? De moordenaar of het slachtoffer?
R. Broeder Bartolomé!
C. Ze lachten, dit keer lachten ze. Neemt u mij niet kwalijk, Eminentie, maar dit keer lachten ze echt!
S. Wie zag hen lachen? Wie nog meer?
I. Ja, ik zag hen, ze lachten. Ze lachten, het is waar. Ze lachten het is echt waar.
S. Vraag hen of ze lachten?
Tolk vraagt aan Indianen.
S. Ze begrijpen de vraag niet eens.
C. Ze begrijpen het heel goed. Ik ken ze. Maar ze zijn bang dat we hen voor het lachen zullen straffen. Ze zijn bang voor ons. Wij hebben hun vertrouwen verloren. Wij hebben hen bang gemaakt.
R. Stuur de clowns weg. Het is genoeg. Ga, weg, weg!
R. Wij hebben niet veel tijd meer. Ik moet vanmiddag nog een besluit nemen, voordat ik afreis naar Rome. Broeder Bartolomé, geef ons in een paar zinnen uw samenvatting. Begin niet weer over de slachtingen.
C. Ik twijfel er niet aan dat ze mens zijn zoals ik. Zij zijn mijn Indiaanse broeders en in hen zie ik mijzelf. Ik heb niets verrassends bedacht, maar als ik hen zie, als ik naar hen kijk, hoor ik de schreeuw van vergoten bloed. Al die vragen op hun lippen, “Waarom doden jullie mij? Waarom verbranden jullie mij, mijn tempels en mijn boeken? 

Beeld uit de film You Tube 8 

Waarom slachten jullie mijn kinderen af?” Het antwoord is altijd: “Zij brengen hun goden mensenoffers.” En dat is zo. Ja, dat is zo. Maar laten we kijken naar onze eigen geschiedenis. Abraham wilde zijn zoon aan God offeren. En dat was omdat hij dacht dat God zijn offer op prijs zou stellen. Onze God, de ware God, heeft niet altijd het offer van een mensenleven geweigerd. Hij liet zelfs zijn eigen zoon offeren.
R. Die vergelijking is vreselijk overtrokken.
C. Eminentie, met een offer geven wij God blijk van onze verering. Deze mensen, die nog niet in aanraking gekomen zijn met het ware geloof en leven onder de natuurwet, offeren hun goden alles wat zij als het kostbaarste beschouwen….
S. Een verdacht argument, het trekt een parallel tussen een vermoeden en een bewezen feit. Onzin!
R. Professor, het is aan mij een oordeel uit te spreken, wilt u zich daar niet in mengen?
C. Hun gewoonten vernietigen die wij barbaars noemen! Wij zijn zelf nog barbaarser. Hoe kunnen zij ons begrijpen? Wij vertellen hen onder geen enkele voorwaarde hun broeder te doden en vervolgens doden jullie hen.
R. Als zij onze broeders zijn. Want wij geloven Aristoteles….
C. Het bewind van Aristoteles is voorbij. Aristoteles is een heiden die nu brandt in de hel. Tegenwoordig spreken we in naam van Jezus-Christus. De boodschap van Aristoteles was een vreselijke dwaling. Tiranniek, duivels! De hele christelijke filosofie veroordeelt hem. Wat lezen we op elke bladzijde van het Evangelie? Wij zijn broeders, wij zouden anderen moeten behandelen zoals wij zelf behandeld willen worden. De Spanjaarden stoven als woeste wolven rond in de schaapskooi. Maar Jezus zei het tegenovergestelde. “Ik zend u als schapen onder de wolven.” Wilt u Paulus horen? echt horen? Luister naar de apostel. Er is Jood noch Griek, slaaf noch vrij man, man noch vrouw. Allen zijn één voor Jezus-Christus. Allen één. In hun hart moeten wij hun afgoden verbrijzelen. Alleen in hun hart. Hoe kunnen er christenen en slaven zijn? Hoe?
R. Wat zou u willen voorstellen, Broeder Bartolomé?
C. Ik heb één ding geleerd. Dat de waarheid zichzelf ontwikkelt, breekbaar, altijd aangevallen door duizenden vijanden. Leugens hebben daarentegen veel handlangers. Wij moeten hen hun rechtmatige vrijheid teruggeven, omdat zij van nature vrij zijn. De Spanjaarden moeten zich terugtrekken uit de Nieuwe Wereld, anders zal Spanje vervloekt zijn en geslagen worden door God.
S. Nee! het is precies het tegenovergestelde.
R. Hoe zo, het tegenovergestelde?
S. Wij moeten Spanje prijzen omdat het de aarde verlost heeft van een bloeddorstig en vervloekt volk en enkelen tot de ware God heeft gebracht. Omdat het hen geleerd heeft wat wij weten en in het bijzonder zullen onze inspanningen voor het openbaren van de waarheid erkend worden. Alleen al onze bijeenkomst hier, onze discussie, zonder weerga in de geschiedenis der volkeren, kan Spanje tot eer strekken!
R. Gelooft u dat echt?
S. Ja, dat geloof ik! Dat geloof ik vast. De vraag is niet of wij de Indische Landen op moeten geven. Wij weten heel goed dat het geen droom is en wij daar zullen blijven. De vraag is een filosofische vraag. Wat zouden we moeten doen en wat kunnen we doen? Zoals u zelf zei moeten wij hen allen tot het christendom bekeren. “Compelle eos intrare,” zei Lucas: “Dwing ze binnen te gaan!” Zonder dat geen goeds in dit leven en geen gelukzaligheid in het andere. Hoe ze bekeren? Hoe lang? Tegen welke prijs? Dat is het tweede deel van de vraag en op dit punt, Broeder Bartolomé, zijn wij het met elkaar oneens. U zegt: “Christenen en slaven, die twee begrippen sluiten elkaar wederzijds uit,” en ik zeg, “Waarom niet gedurende enige tijd, in afwachting van een volledige bekering?” Want dat is het allerbelangrijkste. Verder zegt u: “De oorlogen die wij voeren zijn onrechtvaardig.” En ik zeg dat een oorlog die gevoerd wordt voor rechtvaardigheid, rechtvaardig is. Wat is een groter goed? U spreekt met Paulus, ik antwoord met Augustinus. “Het verlies van een enkele ongedoopte ziel,” zei Augustinus, “is erger dan een gewelddadige dood van talloze slachtoffers, zelfs onschuldige. Het grootste goed is de redding van de ziel.” Daar willen wij hen bekeren, al is het zo meedogenloos. Anders gaan hun zielen verloren en in deze wereld is niets kostbaarder dan hun ziel.
I. U geeft dus toe dat zij een ziel hebben.
S. Ik wens juist begrepen te worden. Ik zeg dat ze niet eenzelfde ziel hebben als wij, met dezelfde hoedanigheid, of zelfs maar iets dat er op lijkt. En wij hebben geen enkele reden om hen zoals onszelf te behandelen. Maar voor het geval dat ik mij vergis, wat mogelijk is, voor het geval dat Aristoteles zich vergist, als hun ziel wel gelijk is aan die van ons, zeg ik dat de ziel de kostbaarste parel der schepping is, die wij tot elke prijs dienen te redden. Wat is beter? Een aards leven zonder luister, doorgebracht in dwaling en zonde, gevolgd door eeuwig lijden, of een korter leven, misschien smartelijker en een voortijdige dood, maar gevolgd door een eeuwigheid aan licht dichtbij de ware, zegenvierende God? Is hier iemand, die niet het juiste antwoord weet?
R. Bent u uitgesproken?
S. Ja Eminentie. 

Beeld uit de film You Tube 9 

R. Wil nog iemand het woord? U misschien?
E. Nee, ik denk dat alles gezegd is.
R. Niemand?
G. Mag ik nog iets zeggen?
R. Natuurlijk. Kom naderbij.
G. Ik ben niet zo’n goede spreker. Ik heb niet veel geleerd, maar wat ik ga zeggen, zou iedereen moeten horen.
R. Wij luisteren.
G. Wij, mijn vriend en ik, zijn hier gekomen om over onze kolonie daar te spreken, over ons leven. Wij moeten met hen werken. Wij hebben geen keuze. Maar het zijn smerige, luie dieven. Ze hebben niets te vertellen.
C. Waarom zouden zij zich voor jullie dood moeten werken?
R. Broeder Bartolomé u hebt al genoeg gesproken. Luister naar de anderen.
G. U moet één ding weten. Als wij hen moeten betalen, als christenen behandelen, voor hen zorgen, kost dat geld, een heleboel geld. Misschien is dit niet de plek om over geld te spreken, maar….
R. Ga verder.
G. En dat geld moet onttrokken worden aan de inkomsten van de kroon en de Kerk. Dat kan onmogelijk anders. Dit moest gezegd worden.
R. Om hoeveel gaat het?
G. Het is een enorm bedrag. Het hele systeem zal veranderd moeten worden. Spanje en de Kerk zullen daar geld naartoe moeten sturen.
G2. In plaats van het op te strijken. Zeker, een heleboel geld.
R. Jullie, die hen goed kennen, vertel me eens, denken jullie dat ze een ziel hebben?
G. Een ziel? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat ze weigeren te geloven in de wonderen van Jezus. Ze zouden willen dat ik wonderen verricht. Omdat ik dat niet kan, hebben ze geen waardering voor wat wij hen leren.
C. Leren? Wat dan? Martelen, syfilis!
R. Broeder Bartolomé! Nogmaals.
G. Wíj hebben hen niet leren martelen. Dat kenden ze al. Wij gaven hen gereedschappen, kleren en boeken. Eerder waren ze slaaf en wij hebben hen bevrijd. Ze zijn niet gewend aan die vrijheid. Ze maken er misbruik van, rennen weg, en verbergen zich om niet te hoeven werken. Ze zijn zwak en sterven vaak aan ziekten. Als we hen moeten betalen, kunnen we de Indische Landen beter opgeven, zowel onze nering als het redden van hun ziel. Dit moest gezegd worden.
R. U spreekt niet zo slecht.
G. Ik spreek onverbloemd, Eminentie.
R. Hier zullen we het bij laten. Vanmiddag zal ik mijn besluit laten weten. 

R. Ja, kom binnen.
K. Eminentie, een brief van de Koning.
K. Hebt u hem gelezen?
R. Ik weet al wat de Koning mij wil zeggen. Anderen hebben me dat al verteld. Mijn besluit staat vast. Zoals ik u verteld heb zal dat bekrachtigd worden door Zijne Heiligheid en de hele Kerk. De mensen uit de nieuwe landen, die de Indische Landen worden genoemd, stammen af van Adam en Eva, net als wij. Net als wij beschikken zij over een geest en onsterfelijke ziel. Zij zijn vrijgekocht door het bloed van Jezus. Daarom zijn het onze broeders. Ze moeten behandeld worden met de grootst mogelijke menselijkheid en rechtvaardigheid, omdat het menselijke wezens zijn. Deze uitspraak zal openbaar gemaakt en voorgelezen worden in alle kerken van de oude en nieuwe wereld.
S. Eminentie, neem me niet kwalijk. Natuurlijk respecteer ik uw keuze, maar hebt u echt de nadelige gevolgen onderzocht van deze woorden?
R. Verdenkt u mij van lichtzinnigheid?
S. Helemaal niet, maar u moet weten dat u daarmee alle Spaanse instellingen tot een bankroet veroordeelt.
R. Professor heb ik u de indruk gegeven daar niet over nagedacht te hebben?
S. Natuurlijk niet.
R. Denkt u dat ik niet mijn verantwoordelijkheid gewogen heb? Dat ik deze nachten niet gebeden heb? Denkt u dat ik niet besef wat alle gevolgen zijn, dat niets hetzelfde zal blijven? Denkt u dat God mij nu ook maar één moment in de steek zou laten, nu ik moeten kiezen tussen deze schepsels?
S. Nee Eminentie.
R. Wij zouden echter een grote vergissing begaan als wij denken dat de Kerk de rechtmatige belangen van haar leden kan negeren. Wij beseffen juist heel goed wat voor ernstige slag dit zou kunnen betekenen voor de kolonisatie. Er is misschien een oplossing, waarop ik u graag zou willen wijzen, als het duidelijk is dat de Indianen onze broeders zijn in naam van Jezus-Christus, en met rede begiftigd, net als wij. Anderzijds staat ook vast dat de inwoners van Afrika veel dichter bij het dier staan. Deze inwoners zijn zwart, zeer onbeschaafd en kennen kunst noch schrift. Zij bouwen…alleen maar wat hutten. Al hun bezigheden zijn lichamelijk, zoveel is zeker. En sinds het Romeinse Rijk zijn ze onderworpen en tam gemaakt. Zijn er al Afrikanen overgebracht?
G. Ja Eminentie, vanaf het begin. Zij passen zich snel aan aan het klimaat. Zij zijn er zelfs vrij goed tegen bestand.
R. Wie stuurt ze?
G. Portugezen. Zij nemen hen gevangen en verkopen hen heel duur.
R. Ik kan dit duidelijk alleen maar opperen….waarom hen niet zelf in een voldoende aantal verzamelen? Dan weet je zeker dat je een robuuste arbeider hebt en ook nog veel goedkoper. Ik veronderstel dat ze eenvoudig te vinden zijn in Afrika.
G. Hun Koning verkoopt ze.
C. Zou de kerk zich daar niet tegen verzetten?
R. Waarom? Verzet de Koning zich daartegen?
C. Eminentie, dat wordt waarschijnlijk een lucratieve handel, die niet in de hand te houden is. Daar komen oorlogen van, opstanden.
R. Als ik u hoor, Broeder Bartolomé, kan het niet erger worden dan wat we nu al doen. Als ik mij goed herinner had u zelf ook een zwarte slaaf.
C. Maar korte tijd en nooit heb ik hem als slaaf behandeld.
R. Was u tevreden over zijn werk?
C. Heel tevreden.
R. Als ik mij niet vergis hebt u zelf gezegd dat het een hele goede oplossing was en die aanbevolen.
C. Dat heb ik gezegd, ja, in mijn jeugd, om de Indianen te redden. Maar Eminentie, ik ben veranderd, alles is anders geworden. Nu schaam ik me over mijn woorden en zeg juist….
R. Goed! Goed!
C.... dat de Afrikaan een mens is zoals wij, een zoon van Adam en het een doodzonde zou zijn….
R. We gaan niet opnieuw beginnen. Daarom zijn we niet hier. Goed, we zullen een aanhangsel toevoegen. U moet een ontwerp opstellen. Ik dank u, in naam van Zijne heiligheid, voor uw hulp. Het heeft God behaagd bij ons te zijn tot het laatste moment. 

In nomine patris et Filii et spiritus sancti. Amen. 

In de jaren na het Valladolid-debat, bleef Sepúlveda de slavernij verdedigen, terwijl Las Casas algemeen erkend werd als de opmerkelijke verdediger van de Indianen. Al doende werkten zij hun argumenten nog verder uit. Het wekt geen verbazing dat het debat er niet in slaagde tastbare resultaten te verwezenlijken ten gunste van de Indianen.

Naar boven