Home

LEVEN, KUNST EN MYSTIEK

door

L.E.J. BROUWER

DELFT – J. WALTMAN Jr. - 1905


INHOUD.

I. De droeve Wereld

II. De Zelfinkeering

III. De val door het Intellekt

IV. De Verzoening

V. De Taal

VI. Immanente Waarheid

VII. Transcendente Waarheid

VIII. Het bevrijde Leven

IX. Ekonomie

I

Nederland ontstond en werd in stand gehouden door het afslibsel der rivieren; er vormde zich een evenwicht van duinen, delta, getijden en afwatering, een evenwicht, waarin mee waren opgenomen tijdelijke overstroomingen van gedeelten der delta. En in dat land kon leven en voortleven een krachtig menschengeslacht. Intusschen, men was niet tevreden, men bouwde dijken langs de rivieren, om de overstroomingen te regelen of te beletten, verlegde de beddingen naar willekeur ter verbetering van afwatering of scheepvaartverbinding, en hakte intusschen de bosschen om. Wat wonder, dat hiermee het subtiele evenwicht van Nederland werd ondermijnd, de Zuiderzee werd uitgevreten, en de duinen langzaam doch onverbiddelijk werden weggeslagen? En dat tegenwoordig steeds zwaarder werk noodig is, om het land te behoeden voor geheelen ondergang? En doet het niet eigenaardig aan te aanschouwen, hoe in dien zelf op den hals gehaalden arbeid niet slechts wordt berust, maar er zelfs een verheven cachet op wordt gedrukt van een in naam van God of Onverbiddelijkheid opgelegde taak?
    De menschen leefden uit oorsprong gescheiden, en ieder voor zich zocht te houden zijn evenwicht in de dragende natuur tusschen zondige verleidingen; dát vulde hun leven, geen belangstelling in elkander, geen zorg om den dag van morgen. Dus ook geen werk, en geen verdriet; geen haat, geen vrees; ook geen genot. Intusschen, men was niet tevreden; macht zocht men over elkaar, en zekerheid over de toekomst. Zoo werd het evenwicht verbroken, steeds pijnlijker arbeid voor de onderdrukten, steeds helscher samenspanning voor de machthebbers, en allen zijn onderdrukten en machthebbers tegelijk; en het oude instinct van scheiding leeft voort als bleeke nijd en jaloezie.
Dieren en menschen lieten uit oorsprong elkander ongemoeid, tot de niet tevreden menschen op een deel gingen paraziteeren, en de andere trachtten uit te roeien. Zoo werd de schepping tot ellende uit haar verband gerukt; tot moeite, zorg en arbeid van ‘t onderhoud der huisdieren, tot ziekte door de parasitaire voeding, tot zwaren strijd een tijd lang tegen wilde dieren, die nog niet waren uitgeroeid, of nog zwaarder werd de mensch door ongediert in huis en hof en door bacteriën in ‘t eigen lijf bestookt. En bij den strijd daartegen voelt de wetenschap nog fierheid en berusting in Gods wil! Uit opstand tegen Gods wil is alles voortgekomen!
    Tot het evenwicht van het eeuwige en alomtegenwoordige leven behoort, dat ieder uit dit aardsche leven wordt weggeroepen, als zijn tijd gekomen is; en tot dien tijd lichamelijk en psychisch ziek, zooals past bij zijn booze gemoedsstemming van spaarzucht, heerschzucht, ijdelheid en vrees; men is daarmee weer niet tevreden, knoeit aan de lichamen door medicijnen en voorgeschreven leefwijze, aan de zielen door hypnose en suggestie; stoort zoo het vagevuur der lusten, en verbreekt het evenwicht tusschen psychische verantwoordelijkheid en lichamelijke gesteldheid; zóó is het lichaam weg ontaard van het moreel, dat men inderdaad voor zijn misdrijven, voor zijn daden op deze aarde, niet meer verantwoorde-lijk gesteld kan worden. Roemt de geneeskunde in den laatsten tijd op verlenging van den, overigens nog veel te korten, menschelijken levensduur, wat heeft dat voor waarde? Het is even droevig, na zijn tijd, als voor zijn tijd dit leven te verlaten, en de dood? "Die Natur zerbricht nie ohne dass sie ein Besseres dafür giebt."
    Intusschen hangt de waarheid ook wel in de lucht. Daar is het liedje van: "Vischje, vischje van de zee," het spreekwoord zegt van ,"eerlijk duurt het langst", en dat het betere de vijand is van het goede, en "al is de leugen nóg zoo snel, de waarheid achterhaalt haar wel"; om kinderen op waarheid spreken te dresseeren, houden opvoeders hun voor, dat een leugentje nooit voordeel oplevert, want dat het eene het andere meebrengt, en ze ten slotte in een warnet vast moeten raken. En eindelijk zijn er romans in omloop, die aanschouwelijk voorstellen, hoe het kwaad ten slotte zich zelve straft.
Dus zit wel degelijk in de lucht de volgende waarheid: "Wanneer uw verstand u een daad voorhoudt, die uw toestand schijnt te kunnen verbeteren, terwijl uw geweten de daad niet sanctioneert, laat haar na; want het verstand ziet nooit de wereld in haar geheel, en de middelen die het dicteert in de richting van het begrensde in ‘t oog gevatte doel, zullen langs ondoorgrondelijke wegen aan het geheel slechts schade doen." "Wäre es so bestellt in diesem Leben, dass wir allezeit einen Spiegel vor uns hatten, in dem wir in einem Augenblicke alle Dinge in einem Bilde sehen und erkennten, so wäre uns Wirken und Wissen kein Hindernis. Da wir uns nun aber von einem zum andern wenden müssen, darum können wir uns nicht bei dem einen aufhalten ohne Hinderung des andern." (Meister Eckhart).
    Maar al zit de waarheid in de lucht: het leven van ieder mensch afzonderlijk, en van de volken als geheel, is een aaneenrijing van zonden er tegen; steeds worden alle bestrevingen verijdeld, steeds komen nieuwe bestrevingen op; alle luchtkasteelen storten in, en alle worden door nieuwe vervangen.
    Het leven van het individu is illusie, doelnajaging met zwaren arbeid en — ontgoocheling; tegen zijn dood, dien hij onvoorbereid in volle vreemdheid afwacht, schrikt hem op het inzicht, zijn leven te hebben verloren, als niet zijn verstand hem geruststellend omnevelt met de gedachte, dat zonder illusies het leven toch eigenlijk heelemaal niets zou geweest zijn, of dat hij in elk geval als batig saldo een goede dosis ondervinding mee in ‘t graf zal nemen.
    Ja, die arrogante ouden van dagen, ze maken zich wijs, dat ondervinding, dat schade en schande, dat een lang leven van zonde, gestempeld op hun verstijfde en van alle naïveteit ontdane gelaatstrekken en stralend uit hun levenloze oogen, dat dat alleen tot wijsheid voert, en wraken de jongeren, als het er op aankomt, te zeggen, wat den mensch het naaste is.
Het leven van de menschheid als geheel is een arrogant uitvreten van haar nesten over de gave aarde, een knoeien aan haar moederend gewas, knagend, schendend, een steriel maken van haar rijke scheppings-kracht, totdat ze alle leven heeft vervreten, en om de dorre aarde dort de menschenkanker weg.
    De dwaasheid in hun hoofd, die dát begeleidt, en hen zelf gek maakt, noemen ze: "De wereld begrijpen."

II

    Na u zoo de droeve wereld te hebben laten voorhouden, schouw in uzelf. Gij hebt bewustzijn; een bewustzijn, waarvan de inhoud voortdurend wisselt; zijt ge over die wisselingen baas of niet? Ge zult zeggen van niet. Want ge vindt u geplaatst in een wereld, die ge niet zelf geschapen hebt, en daarin ondervindt ge wederwaardigheden, waarvan ge vooraf niet wist. Maar wordt niet een deel van uw bewustzijnsinhoud uitgemaakt door uw stemming, en kunt ge dáárop niet zéker invloed uitoefenen? Kent ge niet de uitdrukking: "zijn hartstochten beheerschen" anders dan als ijdele klanken? Ook kent ge bij uzelf, nu en dan, het religieuze gevoel, waarbij het u is, alsof ge uit uw hartstochten, uit vrees en begeerte, uit tijd en ruimte, uit de geheele aanschouwingswereld, retireert. En eindelijk kent ge als een beteekenisvolle uitdrukking: "Tot zichzelf inkeeren." Er schijnt dus aan u zoo iets te zijn als een attentie, die zich om uzelf heen, beweegt, en die ge bij die beweging eenigszins in uw macht hebt. Wat dat "zelf" is, daarvan zult ge niet veel kunnen zeggen en ge zult er ook niet wel over kunnen denken, want ge voelt wel, dat alle nadenken en alle spreken is in een attentie, op grooten afstand van het zelf; het zelf is ook niet te benaderen in denken of woorden, maar alleen in dat "tot zich zelf inkeeren", als het u wordt gegeven. Verder: dat inkeeren tot uzelf geeft een gevoel, van moeite te kosten; het schijnt, alsof ge daarbij traagheid hadt te overwinnen, dat uw attentie groote neiging toont, om te blijven hangen, waar ze is, en dat de weerstand bij beweging naar het zelf toe, aanmerkelijk grooter is, dan bij beweging er van af. Wordt het u niettemin gegeven, alle traagheid te overwinnen, en voort te gaan, dan gaan de harts-tochten zwijgen, ge voelt u afsterven van de oude aanschouwingswereld, van tijd en ruimte en alle andere veelheid, en de niet langer gebonden oogen eener blijde stilte gaan open.
    "Wenn alle Bilder der Seele abgeschieden werden und sie allein das einig Eine schaut, so findet das nackte Wesen der Seele das nachte formlose Wesen göttlicher Einheit, das da ist die überwesendes Wesen, empfangend in sich selbst-liegend." (Meister Eckhart.)
"Wann du dich magst einen Augenblick in Das schwingen, da keine Kreatur wohnet, so hörest du, was Gott redet."

— Es ist in dir; und so du magst eine Stunde schweigen von allem deinem Wollen und Sinnen, so wirst du unaussprechliche Worte Gottes hören."

— "Wann du von Sinnen und Wollen deiner Selbheit stille stehest, so wird in dir das ewige Hören, Sehen und Sprechen offenbar, und höret und siehet Gott durch dich. Dein eigen Hören, Wollen und Sehen verhindert dich, dass du Gott nicht siehest noch hörest"

— "Wann du stille schweigest, so bist du das, was Gott vor Natur und Kreatur war, daraus Er deine Natur und Kreatur schaffete; so hörest und siehest du es mit dem, damit Gott in dir sahe und hörete, die dein eigen Wollen, Sehen und Hören anfing." (Jakob Böhme.)

    Ge begrijpt dan al uw vroegere bewustzijnsinhouden, en begrijpt tevens dat ze vroeger voor u onbegrijpelijk moesten zijn; begrijpen in den zin van er mee verzoend zijn, ze als van zelf sprekend vinden; het is of ge tegelijkertijd ze alle doorleeft, en toch niet doorleeft; niet doorleeft in dezen zin, dat ge u er totaal niet door gebonden voelt. Daarbij, tegelijk, hebt ge nog een oneindige rijkdom van andere fantazieën, een dooreenmengeling van allerlei werelden, die thans even veel, maar ook even weinig recht op erkenning hebben, als uw vroeger als reëel bekende. En in die ineenvloeiende kleurenzee, zonder scheiding, zonder vastheid, en toch zonder beweging, die chaos zonder wanorde, weet ge een Richting, die ge van zelf volgt, en ook even goed niet zoudt kunnen volgen. Ge erkent uw "Vrijen Wil", in zooverre hij vrij was, zich te onttrekken aan de wereld, waarin causaliteit was, en dan vrij blijft, en toch eerst dán een recht bepaalde Richting heeft; die hij in vrijheid, omkeerbaar volgt. Want het Zelf gaat zijn Richting, gestadig, omkeerbaar, en alle uit het Zelf geëmaneerde fantazieën hebben een Richting daarmee parallel, en gaan die, gestadig, omkeerbaar. Ge voelt u vrij, om naar willekeur terug te keeren in de boeien van veelheid, scheiding, tijd, ruimte en lichaamsgevoelt doch doet het niet; of liever doet het tegelijk wel en niet; vrij buiten blijvend, leeft ge uw gebonden lichamelijk leven mee in helderheid in de menschenwereld, leeft in uw banden, ziende, hoe ge ze zelf in vrijheid aanvaardt, en hoe ze er slechts zijn, zoolang gij u in vrijheid omnevelt. De verschijnselen volgen elkaar in den tijd, gehouden door de causaliteit, omdat ge zélf in omneveling de verschijnselen in dien regelmaat wilt; maar dóór de wanden der causaliteit glijden en vloeien voortdurend de "wonderen", zichtbaar alleen voor de vrijen, de verlichten; ge ziet, hoe in de gebonden wereld niet alleen voortdurend de "wonderen" doorbreken en onzichtbare wrekende handen manifest worden, die de eenwige Gerechtigheid handhaven, maar ook hoe boven de physische causaliteit een duidelijke Richting in uw eigen levensloop valt te bespeuren, gedirigeerd door het Zelf, en parallel met de Richting van het Zelf,

en hoe het zoogenaamde toeval
met vaste wonderwijze hand
bestuurd wordt.
En door uw hooger wijsheid
leeft gij in vaste blijheid
uw leven in de droeve wereld,
en weet: ,Er is geen kwaad, en geen gevaar;
mij kan niets overkomen."
"Ik ben een kind, van God bemind,
en tot geluk geschapen."

Uw gang door de droeve wereld is een gestadige gang in een lichte kleurenrijke wolk, in liefde voor al het van zelf sprekende daarin, ook voor uw dwalende en begeerende medemenschen, want ge ziet haar niet meer als een van het Zelf gescheiden werkelijkheid, maar gericht van uit het Zelf, en met het Zelf mee. Ge voelt u almachtig, want ge wilt alleen, wat in de Richting ligt, en daarbij zullen de bergen voor u wijken; ge voelt u alwetend, want ge voelt in alle emanaties de tijdlooze Richting, in vereeniging van verleden, heden en toekomst, in u. Zoo vraagt ge niet, wat ge doen moet: het Goede doet ge van zelf; zoo vraagt ge niet, om iets in te zien: alles is vanzelfsprekend.
    Steeds op den achtergrond van alles een pijnlooze ontevredenheid over uzelf, en de overtuiging, dat alle vroeger ondervonden leed was eigen schuld: ge hadt het Zelf losgelaten, en uw geboeid bewustzijn was zonder zijn Richting; had massa en traagheid gekregen, en volgde dolend niet-omkeerbare wegen, geslingerd door Begeerte én Vrees.
    Ge ziet, hoe vrees en spaarzucht, geboren uit tuimeling in de dwaling van den tijd, begeerte en heerschzucht, geboren uit tuimeling in de dwaling van de ruimte, u deden toekennen belang op zichzelf aan wat moest worden erkend als een vluchtige emanatie van het Zelf, zonder realiteit onafhankelijk van dat, waaruit het was voortgekomen. En hoe de dwaalpaden van begeerte en vrees den dolende brengen den arbeid, den moeitevollen arbeid in ‘t zweet zijns aangezichts, die steeds nieuwe niet omkeerbare veranderingen meebrengt, en steeds dieper ellende. Zoo ziet ge glimlachend aan de Werkelijkheid der Droeve Wereld, uw vroegere Waan, met de waan van uw eigen Vrees en Begeerte, arbeid en pijn, daarin maar uw geluk wordt niet getroebeld, ook dát is een fantazie zonder werkelijkheid, de fantazie — van droefheid en herinnering.

III

    En even pijnloos aanziet ge de menschheid, gevallen en dolend door Vrees en Begeerte, door Spaarzucht en Heerschzucht, door Tijd en Ruimte, zonder vleugels, om daaruit weg in Zelfinkeering zich te heffen; onwrikbaar genageld aan het kind van Tijd en Ruimte, het Intellect, dat haar is verstard in ‘t hoofd, het symbool van der menschen val. Wilde stammen voelen koppensnellen als een reinigings-proces, en hebben de hoogste wellust daaraan bij toepassing op de hoogst ontwikkelde volken; daar zit een diep wijsgeerig inzicht onder, dat in de levende natuur met hoogere differentieering gelijk loopt zwaardere gevloektheid; dat inzicht zit bij hen niet in ‘t hoofd, naar in ‘t hart.
Het hooggeschatte Intellect dan is tegelijk het vermogen en de dwang, om dóór te leven in Begeerte en Vrees, en niet uit heilzame verlegenheid tot Zelfinkeering terug te vluchten; om de verbijsterende aseiteit der dolende deelfantazieën op te heffen, door ze met elkander in verband te brengen, en niet elk met het Zelf, en zoo te volharden bij een schijnvastheid in een zelf hoovaardig gemaakte, zelf aan causaliteit gebondene "werkelijkheid": waarin men zich ten slotte toch onmachtig voelen moet.
    Dat Intellect doet in het Leven van Begeerte den menschen den duivelsdienst van den band doel-middel tusschen twee fantazieën. Hun geeft, vastgeslingerd in ‘t begeeren van het eene ding, het intellect het streven naar een ander ding als middel daartoe aan; zoo om de bedding eener rivier te verleggen: het maken van een dam; om op een ander zijn jaloezie uit te vieren: diens huis in brand steken; om voor roofdieren beveiligd te zijn: zijn huis op palen bouwen; om de zon op zijn huis te laten schijnen:
boomen omhakken. Met die wisseling van het zien van doel en middel loopt samen een wisseling van het lichaamsgevoel, een wisseling in de bloedverdeeling schijnt men waar te nemen, die uitgaat van ‘t hoofd; ook hierin voelt men hoofd en intellect zoo nauw verbonden.
    De daad, die het middel zoekt, schiet nu echter altijd eenigszins naast het doel: het middel heeft een richting, die een hoek, zij het een kleinen, maakt met die van het doel; het werkt dus, behalve in de richting van het doel ook nog in andere dimensies, een werking, die, als de attentie er niet van was afgesloten, misschien zeer schadelijk zou zijn bevonden; maar meer: allengs verliest de attentie het doel geheel en ziet alleen nog het middel, en in de droeve wereld, waar mét het Intellect uit Vrees en Begeerte Dressuur en Nabootsing zijn geboren, en niemand meer het heele menschengedoe overziet, wordt door velen, wat van oorsprong middel was, niet anders gekend, dan zelf als doel; zij jagen dus een laat ons zeggen doel van de tweede orde na: waarbij misschien wéér een middel ontdekt wordt, en dat maakt wéér een kleinen hoek met het bijbehoorende doel. Wordt zoo die verleidende sprong van het doel naar het middel eenige malen herhaald, dan kan het licht gebeuren, dat éénmaal een richting wordt uitge-jaagd, die behalve haar afwijking in andere dimensies, bovendien met de allereerste doelrichting een stompen hoek maakt, dus haar tegenwerkt. Levert de industrie oorspronkelijk niet haar producten met het doel, daarmee in de natuur een milieu van zoo gunstig mogelijke menschelijke levensvoorwaarden te scheppen? Waarbij dan werd veronachtzaamd, dat die producten zelf vervaardigd werden uit de natuur, waarin daartoe storend werd ingegrepen, en het evenwicht der menschelijke levensvoorwaarden verbroken werd tot grooter nadeel, dan de industrieproducten ooit voordeel kunnen brengen. Al het benoodigde houtmateriaal b.v. heeft zooveel bosch doen verdwijnen of ontaarden, dat in gematigde gewesten bijna geen voor den mensch voedende planten meer van zelf groeien. En meer: men is de voortbrenging der industrieproducten als zelfstandig doel gaan aanzien, en heeft bij ‘t najagen daarvan als middel een nieuwe industrie van de oude productie vergemakkelijkende instrumenten in ‘t leven geroepen. Wat een nieuwe knauw in ‘t oude evenwicht gaf. En lichtzinnig ging men in verre landen de grondstoffen halen, wat handel en scheepvaart het aanzijn gaf, met hun verschrikkingen, lichamelijk en moreel, en neerdrukking der volken door elkander.
Daarbij kwam nu verlegenheid omtrent de toekomst, want het Zelf was hopeloos verlaten, het Zelf dat alles van verleden en toekomst weet; verlegenheid omtrent de toekomst, en — begeerte te kunnen voorspellen. Die riep de wetenschap in ‘t leven, oorspronkelijk in dienst der industrie, de wetenschap, die in en over de aanschouwingswereld generalizeerende stellingen opwerpt; die zullen uitkomen, zoolang het God behaagt, maar dán gelogenstraft, en : "O ja, we hadden die en die stilzwijgende onderstelling gemaakt," zoo roepen de menschen, en gaan de stelling compliceeren en zoogenaamd verbeteren, maar even machteloos. En ‘t blijft niet bij een wetenschap in dienst der industrie; het middel wordt weer zelfstandig doel; men gaat er om haar zelfswil aan doen. Dán is het zoover gekomen met de afdwaling van het lichaamsgevoel, dat het uitsluitend is geconcentreerd in ‘t hoofd; uítsluitend is de rest van ‘t lichaam genegeerd. Waarmee samenloopt de vastheid in het bestaan van een eigen individu, en van een daarvan gescheiden en onafhankelijke aanschouwingswereld. Nu treden eerst recht in volle kracht op de richtingsversprongen der attentie, die hier het wetenschappelijk denken zijn, want een wilsrichting, tot het hoofd beperkt, is een wetenschappelijke overtuiging: een wetenschappelijke waarheid is niet meer dan een zekere verdwazing der, hier uitsluitend in ‘t hoofd levende, begeerte. De verlegenheid van elke wetenschap wordt dan ook altijd door grooter; klimt ze te hoog, dan wordt ze gemaskeerd door nóg beperkter opsluiting, waar de herinnering van die wetenschap als iets zelfstandigs buiten zich aanschouwd wordt; men gaat de "grondslagen" dier wetenschap zoeken, wat dra een nieuwe wetenschap wordt; men gaat de grondslagen der wetenschap in ‘t algemeen zoeken, beoefent "kennis-theorie", maar steeds klimt de verlegenheid, tot alle koppen omloopen. Sommigen scheiden er kalm op ‘t laatst mee uit; hebben ze b.v. lang gedacht over de ongrijpbare schakeling tusschen het aanschouwende bewustzijn, dat zich met het leven uit de aanschouwingswereld ontwikkelt, en die aanschouwingswereld, die zelf weer alleen bestaat door en in de vormen van het aanschouwende bewustzijn — een verlegen-heid, die kwam uit eigen zonde van vestiging eener aanschouwingswereld — dan stoppen ze het eveneens en tegelijk met de aanschouwingwereld zelfgeschapen Ik in de opening, en zeggen: Ja, er moet natuurlijk iets onbegrijpelijks overblijven, want dat ben Ik zelf, die begrijpen moet. — Maar er zijn er ook, die van geen uitscheiden weten, die tot in het gekke doorgaan, ze worden kaalhoofdig, bijziend, korpulent, hun maag werkt niet neer, maar steunend van asthma en gastrische toestanden, wanen ze zóó het evenwicht bereikbaar en — bijna bereikt.
    Dat van de wetenschap, de laatste bloem en verstarring der cultuur.
    En ver staan de door de cultuur der menschheid gebrachte levensvoorwaarden achter bij de haar oorspronkelijk gegevene; en meer: dat, wát bereikt werd, kwam niemand ten dienste: ieder individu bleef zijn leven voortsleepen in ‘t milieu van een der hulpindustrien: wat een milieu bij het oorspronke-lijk in de maagdelijke natuur den naakten onbedorven mensch gebodene! De weinigen met de macht, dat wát bereikt werd in vrijheid te genieten, wisten door hun bedorven instincten daarin den weg niet te vinden!
De volken sleepen elkander mee in hun cultuurellende, omdat met haar de overwinning is: is niet bekend, dat steeds kleinzieligheid en laffe berekening zegevieren over heldenmoed? En is het heldendom wat anders, dan met vastheid grenzen zetten aan de eeuwige spreuk van: "Het doel heiligt de middelen!", aan de eeuwige daad van het intellect, aan de eeuwige doel-middel-tuimeling? Maar aan den anderen kant is ook de het oorspronkelijk gestelde doel tegenwerkende macht der intellectueele complicatie zoo groot, dat wie uit een toestand van volle naïveteit weg plotseling met volle kracht een of ander handwerk of wetenschap aanpakt met in die richting onbedorven lichaam of onbedorven verstand, steeds de meerdere is van wie daarin een lange "Bildung" achter den rug heeft. Boeren en Japanners, die uit niets weg den modernen oorlog aanpakken, praesteeren meer dan Engelschen en Russen. En dominee Felke met gezond verstand en zelfvertrouwen geneest meer zieken, dan medische professoren.
    Van al de boomen zien de menschen der cultuur het bosch niet meer, neen, weten niet eens meer, dat er een bosch is; wie vraagt, waarvoor hij eigenlijk leeft, wordt in het practische leven, waar die vraag eigenlijk juist alleen zin heeft, voor gek versleten: in het afgegrensde leven der Begeerten en Vreezen van deze maatschappij is voor die vraag geen plaats — naast de massa-suggestie van een systeem van eenige op zichzelf als begeerenswaard gestelde dingen, van wijn en rijkdom tot liefde en wijsheid toe, en van eenige op zichzelf als schrikwekkend gestelde dingen, van tocht, kou, honger en armoede tot moord en overspel toe, een systeem, dat moeitevol doch te vergeefs omhoog te houden wordt getracht. Het grijnst van allerlei behoeften die dwingen elk voor eigen bevrediging tot pijnlijken arbeid, dat is niet-bevrediging van andere behoeften; zoo blijven alle bevredigingen ten slotte illusoor. En ieders aardsche leven sluit met een groote niet-bevrediging, en ruïneering van ‘t systeem, en met den dood stort alles in. De dood desavoueert hun heele leven; hij is de gewelddadige manifestatie van het Zelf binnen de afgegrensde zelfgeschapen wereld; hij is de noodzakelijke instorting van den hoovaardig gebouwden toren van Babel.
    Die manifestatie van het Zelf komt intusschen ook reeds vóór den dood, ín het afgegrensde leven, ín de vormen van het begeertesysteem en de door het intellect tot drager zijner verdwazingen, zijner zelfstandige begeerten en vreezingen, gebouwde aanschouwingswereld. Dáár komt ze in het spreken van het Geweten, de weemoed over het verloren Paradijs, de vage overtuiging van het stille levensgeluk, dat oorspronkelijk den menschen was bestemd, de hang naar zaligheid, naar religieuze vastheid, naar het vrije leven in overgave, die hang, die, tredend in de vormen der droeve wereld, wordt honger naar hoogere, verheffende, naar transcendente dingen.
    Maar ‘t Geweten, sprekend in de afgegrensde wereld, wordt gesust. Binnen de afgesloten cathegorie-ën dringt het door, binnen die cathegorieën wordt de attentie er van afgeleid — door sterke prikkeling, door weelderige bevrediging van andere behoeften — of het wordt dóór die attentie geassimileerd — dat is erkend als behoefte binnen het afgesloten systeem, en binnen dat systeem voor bevrediging vatbaar.
    En beide wijzen van gewetenssussing treden in de industrie, die, wat aanleiding tot boetedoening en inkeering moest zijn, verkeert in aanleiding tot nieuwe bestrevingen en nieuw genot.
    Het sussen van het geweten door afleiding der attentie, daarin bestaat geheel de industrie van genot-middelen en publieke vermakelijkheden; van kaartspel en wijn tot de meeste Fraaie Letteren toe.
Het sussen van het geweten door erkenning en schijnbevrediging binnen het afgesloten systeem, daarin bestaan de industrieën van kunst en poëzie aan den eenen kant, en van den godsdienst aan den anderen kant. In deze leeft het Zelf, maar door eigen kinderen verloochend en geslagen in de boeien. In muziek is het getreden in grof-zinnelijk gevoel voor maat en deun; het hopsasa en de taal, waarop de poëzie verwezen is, zijn niet minder inferieur. Dat, wat van alle begeerte, genot en vrees afleiden moest, dient slechts als nieuw genot, en brengt van geen begeerte af; zooals ook de schoone bloemen der natuur en de schoone bloemen, die vrouwen zijn, niet als schoon worden aanschouwd, dan met de begeerte om te plukken, om te bezitten; en maagdelijke wouden slechts met verrukking worden aangestaard, om — in cultuur te brengen.
    In den Babeltoren veroordeelt de Bijbel alle bouwen en menschelijke schepping, maar de religie roemt als haar schoonste tempels, die het menschelijk scheppen en opwaarts streven het zuiverst kristallizeeren; en, waar ze van alle vrees afhouden moest, gaf ze, juist werkend op die vrees, een, aan den eenen kant geruststellend, aan den anderen kant bangmakend, met het intellect vast te houden, geloof. Kunst, die bevrijden moest van vaste vormen, wordt overal in vaste vormen gebracht; en, waar ze dienen moest, om alles af te leeren: er zijn scholen voor, men kan ze leeren.
    Kunst en religie in de wereld zijn slechts morfine-industrie op groote schaal; de hang naar beter leven wordt er gesust, verdoofd. Rust wordt gegeven aan ieder, die een plaats in het mechanisme der maat-schappij vervult, en zoo dat slechte massawerk helpt bestendigen, door hem van hervormers, revolutio-nairen, kluizenaars, diepe minachting voor wet en gezag, en van zelfverloochening, vrijwillige armoede en honger, van vrij leven, van loochening der aanschouwingswereld, en onverschilligheid voor weder-waardigheden, van het Koninkrijk Gods — voor te houden in boek en tooneel, en daar zal hij die menschen en evangeliën in diep ontzag vereeren: maar als hij in ‘t leven zoo iemand tegenkwam:  verontwaardigd en bang zou hij hem laten opsluiten in gevangenis of krankzinnigengesticht. Een moeilijk leven vol gevaren en tooverkrachten, dat ieder oogenblik den dood in de oogen heeft te zien, maar waarin ten slotte het Recht, het Reine Geweten zegeviert: een leven, zooals wij het om onze schuld hadden te voeren, maar angstig ontvlucht zijn: het is verbannen naar roman en melodrama, en wordt dáár graag bewonderd — maar van zoo iets in werkelijkheid — er wordt van gegruwd. Het werkelijke leven eischt gekleedheid, voor lichamen, gesprekken en omgang. Het past niet, meer van zich te toonen, dan wat van ‘t afgegrensde leven is, het Hoofd, het Intellect en in de maatschappij geplaatste daden; het past ook niet, meer van elkaar te willen zien; door derden verraste vertrouwelijkheid wekt schaamte.
    Maar Zelfinkeering ziet al die gekleede lichamen, levens en opvattingen als leelijk, afschuwelijk, als innerlijk tegenstrijdig, als karikaturen. Den Heiland uitgezonderd, is ieder te zien als karikatuur.
    Naaktheid in den wijdsten zin wordt slechts in ‘t afgesloten intellect bewonderd; niet komt het tot de daad, tot de lange moeizame tocht vol pijn in ziel en stoffelijk leven, vol smart en ziekte, het treden uit het intellect en dan uit alle passiën een voor een, waar elke stap brengt nieuwe smart en als consequentie een nieuwe stap; en waar eerst langzaam men zich voelt herrijzen, met litteekens overdekt die eindelijk doorbrekende naaktheid; er is geen stilstaan op dien weg: wie eens begonnen is, en dán blijft staan, is in nóg boozer evenwicht, dan wie rustig op zijn plaats bleef; zoo is een vegetariër, die in het maatschappe-lijk verband blijft, een onding: zoo’n toestand vol te houden, bewijst een instinct, meer dan ’t gemiddel-de, grof, en dat het vleescheten wordt gelaten niet uit innerlijken drang, maar uit domme begeerte of domme nabootsing; de vruchten onzer beschaving en macht over andere menschenrassen staan in nauw verband met ons vleeschgebruik; zoo’n vegetariër is dus een parasiet. Die halfheid, die paraziteert, valt te bedenken aangaande de meesten van hen, die vegetariaat, Vrije Liefde en anarchisme in praktijk brengen. Van die weerzinwekkendheid is tegenover alle kleine evangelietjes de sociaal-democratie vrij.
    De immoreele en ontaarde levens: in de leelijkheid en ziekelijkheid der lichamen worden ze gespiegeld; die gekleede, geposeerde menschen, die starre maskers van automaten, ze geven het onbe-dorven instinct een vreemde schrik. En de hang naar beter wordt ook hier gesust. De medische industrie tracht een quasi-normalen toestand voor de verbannen lichamen te handhaven, de honger naar vechten en vrije natuur wordt afgeleid door dieetvoorschriften en medicijnen, zoo in ‘t bijzonder hang naar buitenlucht door overvoeding; gymnastiek en sport sussen het lichamelijk geweten door schijnbevredi-ging; en in badplaatsen en sanatoria heeft de vis medicatrix naturae, die de doodvijandin zonder toenade-ring der cultuur moest zijn, nederig een lakeienkleed in dienst van haar overweldigster aangenomen.
De medische industrie was bij barbiers en kwakzalvers in de juiste handen; in ‘t afgesloten intellect bedreven als medische wetenschap, treft ze veel minder doel.
    Ook binnen het afgegrensde systeem der wetenschap schept de manifestatie van het Zelf behoeften, en binnen dat systeem worden ze bevredigd; ook in de wetenschap is honger naar iets hoogers, waar ze wordt gestild met openbaringsgeloofsstellingen, metaphysica, moraal- en kunstphilosophie, spiritisme en theosofie, die alle den mensch in de zonden der wetenschap laten, in het geloof aan een werkelijkheid en in het logisch denken. Ook hier in plaats van reddende vlucht uit aardsche banden slechts stolling tot ongevoeligheid in een schijnevenwicht, gekocht met steeds verdere complicatie der behoeften, steeds slechter levensvoorwaarden, steeds zwaarder werk, steeds dieper verdwaling.
    Een enkele maal breekt het Geweten door los van de banden van de droeve wereld, in die wereld. Zoo komt in velen om achttien jaar een zuiver centrale, niet bloot-artistieke bewondering voor Droomers, Monniken en Kluizenaars, en daarvan kunnen enkelen niet anders, dan min of meer weigeren zich te buigen voor wat de bezadigden het Leven noemen, en kunnen niet dan hartgrondige, dat is in ‘t hart, niet in het hoofd gegronde spot gevoelen voor alle vruchten der cultuur, voor alle medearbeiders in den maatschappelijken chaos, alle medebouwers aan den Babeltoren, alle talentvolle koorddansers en goochelaars, trotsch op iets, waarvoor ze vluchten en zich schamen moesten, en voor maatschappij-verbeteraars van alle kleur, die doen, alsof God ons in ‘t Leven bracht, om Zijn werk te verbeteren.
    Maar dat vrije Geweten: het blijft niet leven; dressuur zit in de lucht, die het omspint; eerst weten ze, dat er geen werk valt te doen, dat er niets schoons, en niets gewichtigs is; dan gaan ze streven naar wat schooner en méér gewichtig is, dan wat de menschen vragen; en eindelijk buigen ze nog verder ‘t hoofd, en worden eerzaam samenlevingslid, lakei in het groote paleis van slechtheid, lakei met al zijn lafheid voor den meester, en al zijn wreedheid voor den vreemdeling, met onedel vernederend werk, tegelijk schreeuwend onrechtmatig paraziteerend, en vreezend voor ‘t eigen veege lijf.

IV

    Die dwalende wereld nu ziet ge dat alleen bestaat, doordat ze dwaalt, door haar niet "doing right"; een wereld, waarin recht geleefd zou worden, is u even ongerijmd, als uw eigen sterfelijkheid. Dwaasheid en ongeluk, met elkander in evenwicht, die sturen de wereld. En een streven naar beter orde, het ware slechts een druppel in de zee van dwaasheid meer. Aan een door u als werkelijk geziene wereld is essentieel, dat ze vol is van strijd en strijdige, niet samen te harmonieeren, belangen, dat ze altijd zoekt naar een uitwendig evenwicht, dat met uitwendig bestaan onvereenigbaar is; en elk trachten naar wegneming van het niet-evenwicht geeft slechts verplaatsing van dat niet-evenwicht; het hoort bij een uitwendig zichtbare wereld, dat ze leeft op illusie van vrijen wil, en zoo zoekt naar geluk, terwijl tóch die wil onverbrekelijk in causaliteit gevangen zit; zoodat alle machtsontplooiing, alle sterke levensuiting, alle bloei en groei, gebeuren zal, als ze gewild wordt, maar toch — om weer te vervliegen, trots alle angstig getob, het eenmaal gewordene te stutten. Van alles, op deze aarde bereikt, is in twee bedrijven het korte verhaal: "Grandeur" et "Décadence", en:

"Es ist bestimmt in Gottes Rat
Dass man vom Liebsten, was man hat —
Muss scheiden."

Zoo zijt ge verzoend met de dwalende wereld, en vindt haar troosteloosheid vanzelfsprekend; maar meer nog: ge voelt als uw voldongen karma, waarmee ge zijt verzoend en dat ge te vervullen hebt, u, wegge-dreven uit het Zelf, geplaatst te zien in ‘t Leven, waar pijn en werk, begeerte en angst, uw deel zijn, en alle Waarheid voor u is omsluierd; ge ziet dat Leven als de richting van uw plicht, en leeft het, uit het Zelf gedirigeerd, dat wil zeggen erkent alle banden der aarde, die uw voldongen karma zijn, en die zoo lang, tot God er u van los maakt; niet nieuwe begeerten zullen u kunnen doen afwijken, ge zult niet uw karma verzwaren in lichtzinnigheid; maar ook ge zult niet beter willen wezen, dan ge zijt, dát ware een vrijwillig volgen van kwade begeerte; en niet beter zult ge de wereld willen, dan ze is: dát ware kwade heerschzucht; ge zegt veeleer: "Wat is een God, die niet tot vleesch wordt in eene droeve wereld ?"
    "Die ausgegangene Lust der Göttlichen Kraft zur Natur, woraus die Natur und eigener Wille entstanden, sehnt sich von den natürlichen (wereldsche) eigenen Willen los zu sein. Dieselbe Lust ist mit der Impressung der Natur über ihren Willen beladen um deswillen, dasz sie Gott darin eingeführt hat. Sie soll am Ende dieser Zeil von der aufgeladenen Eitelkeit der Natur erlöst, und in eine krystallinische, klare Natur gebracht werden. Alsdann wird offenbar sein, warum Gott sie in eine Zeit geschlossen und sie der Peinlichkeit zum Leiden unterworfen hat, nämlich darum, dass durch die natürliche Pein die ewige Kraft mit in Formen, Gestalt und Schiedlichkeit zur Empfindlichkeit gebracht werde, und dass ein kreatürlich Leben in dieser Zeit offenbar werde und also ein Spiel in den Gegenwurf Göttlicher Weisheit sei. Denn durch die Thorheit wird die Weisheit offenbar, weil die Thorheit sich eigen Vermögen zumisst und doch in einem andern Grund und Anfang steht und endlich ist. So wird das unendliche Leben durch die Thorheit schaugetragen, auf dasz darin ein Lob zur Ehre Gottes entstehe und das Ewige, Beständige in den Sterblichen erkannt werde."
    "Auf dasz die ewige Freudenreich sich in sich selber kenne, muss die Schärfe der Qual — als die Möglichkeit des Andersseins und des Abfalles, nicht dessen Wirklichkeit — eine Ursache der Freuden-reich und die Finsternis eine Offenbarung des Lichts sein, auf dasz das Licht empfundenerweise offenbar sei: was in den Einen (het nooit verlaten Zelf) nicht sein könnte. An den Contrarium wird erkannt, was Liebe oder Leid sei." (Jacob Böhme).
    Zoo zult ge verzoend zijn met uw wereld en die niet trachten te veranderen, zoo zult ge werken, eten en slapen en rondreizen in uw wereld, omdat ge het als uw voldongen karma voelt; en juist daardoor, door uw nederigheid, zult gij te meer in de volheid des Heeren groeien, die u beschermt voor begeerten en vreezingen, los van uw plicht.

V

    Het intellect gaat direct vergezeld van de taal. Met het leven in het intellect komt de onmogelijkheid, om zich op directe wijze — door gebaar en blik van oogen, instinctief, of nog materieloozer, door alle afstandsscheiding heen — met elkaar in betrekking te stellen, en gaan ze zich en hun nakroost dresseeren op een teekenverstandhouding door grove klanken, moeitevol en — vrij machteloos, want nooit nog heeft door de taal iemand zijn ziel aan een ander meegedeeld; alleen een verstandhouding, die toch reeds is, kan door de taal worden begeleid; waar twee menschen reeds hetzelfde begeeren en behoeven, maar de stuurloos dolende begeerten ieder oogenblik in gevaar zijn, van elkander af te raken op zijpaden, houden ze door de taalgemeensehap moeitevol en angstig gelijken tred. Alleen in zéér eng afgegrensde fantazieën, zoo in insluitend intellectueele wetenschappen, zonder verband met de aanschouwings-wereld, die dus het minst aan ‘t eigenlijk mensch-zijn raken, daar is het elkander verstaan vrij lang en goed vol te houden; over "gelijk", over "driehoek", zal weinig misverstaan mogelijk zijn; toch zullen daarbij nooit twee personen precies hetzelfde voelen, en zelfs bij de meest beperkte wetenschappen, logica en wiskunde, die eigenlijk niet scherp te scheiden zijn, zullen bij de grondbegrippen, waaruit ze zijn opgebouwd, geen twee hetzelfde denken. Maar toch is hier de wil bij beiden parallel, bij beiden dezelfde wijze van doorjaging der attentie door een klein onbelangrijk gebied in het hoofd. Zoo ook, waar eenige menschen samen tegen den vijand vechten, of samen een huis bouwen of een brug, of samen handel drijven, bezig zijn een koop te sluiten, ook daar beantwoordt de taal aan haar doel, dat is: het wilsbeweeg der gescheiden personen op één pad te houden.
    Maar ridicuul wordt het gebruik van de taal, waar wordt gehandeld over fijne wilsschakeeringen, zonder dat in die wilsschakeeringen wordt geleefd; zoo, als zoogenaamde wijsgeeren of metaphysici handelen onder elkaar over moraal, over God, over bewustzijn, onsterfelijkheid en vrijen wil; menschen, die elkaar niet eens liefhebben, laat staan gemeenschap hebben in fijner zielsbeweeg, ja die soms elkaar zelfs niet persoonlijk kennen; dán praten ze óf langs elkander heen, óf ze bouwen een logisch systeempje, dat alle verband met de werkelijkheid mist; want logica is leven in de hersenen, begeleiden kan ze het leven daarbuiten, richten uit eigen kracht nooit; ja, een bestáánde wilsgelijkheid kan schijn en logica met voeten te treden; zoo kan het samen zeggen: "er is geen kwaad" en "er is niets dan kwaad" slaan op eenzelfde "éénheid van zin."
    En ook is ‘t gebruik van de taal ridicuul, waar een geschil is, en men door redeneeren het eens te worden tracht. Beide partijen zijn daar zóó onder de massa-suggestie der maatschappij, dat ze zich schamen, "onredelijkheid" te erkennen, dat is te erkennen, iets anders te zoeken, dan het quasi-algemeengeldige "goede" en "rechte", die door de maatschappij uitgespiegelde hersenschim. En zoo kan dan de taal, die gelijkheid van wil onderstelt, hier een strijd begeleiden. Maar ten slotte konden ze net zoo goed zwijgen: ze spelen niets uit, dan hun wil, en werken op elkaars begeerte en vrees, en de sterkste zegeviert.
Ridicuul ook is de taal in de conversatie. Ieder bazelt, maar de kunst is, te bazelen, zonder dat het ridicule doorbreekt binnen de cathegorieën der dressuur, die het gezelschap handhaaft; in die kunst anderen de loef te steken, hún ridiculiteit bloot te halen, en zelf voortdurend binnen de perken en gedekt te blijven, en daarbij toch de subtielste onderwerpen te durven aanraken, is een virtuositeit, vooral in Frankrijk hoog in eere, waarmee men den naam van "spirituel" verwerft. Zulke spiegelgevechten zijn ten minste appetijtelijker, dan would-be ernstig gepraat, over kunst en politiek.
    Komisch wordt de taal in de conversatie tusschen jongens en meisjes; hier is de harmonie van wil te voren al in orde, en heeft de hulp van de taal alles behalve noodig; zij dient hier juist om de wilsharmo-nie te maskeeren, in dienst van de schaamte, die haar niet onder de oogen durft zien; zij dient hier, om door scherts den ernst te maskeeren; ernst is in zoo’n gesprek alleen geoorloofd, waar gedwongen samenzijn tot plichtmatige wisseling van eenige volzinnen dwingt; ánders, zoo gauw men ernst heeft laten glijden tusschen de beide seksen, is alle adel van pudeur gebroken. Wie ernst heeft gegeven, heeft niet meer alles te geven; hoewel vaak schijnernst, een soort van spelende koketterie, tegen onbeschaafde indringers het eenige verdedigingsmiddel der reinheid is.
    Het toppunt van weerzinwekkendheid in dezen wordt bereikt in vereenigingen, zooals er onder Amsterdamsche studenten eene bestaat, waar mannelijke en vrouwelijke leden gezamenlijk "het seksu-eele vraagstuk bestudeeren". zooals ze het noemen. De vereeniging noemt zich "Ethos", en is het onzedelijkste, wat zich nog in het publiek heeft durven vertoonen. Dat het in deze maatschappij mogelijk is, bewijst slechts, hoe diep der menschen kritiek in ‘t intellect van hun centrale instincten is wegge-sloten.
    In het practische leven heeft de taal alleen zin als van twee personen den reeds gelijkgestemden wil samenhoudend op één pad. En daarbij kan het "waarheid spreken", waaraan het geloof in een voor alle menschen geldende, buiten hen en onafhankelijk van hen bestaande werkelijkheid, zoo dwaselijk waarde heeft toegekend, vaak minder aan het doel beantwoorden, dan het zoogenaamde "liegen". Want zit iemand gevangen in het geloof aan een logisch samenhangende, dat is zonder pijn in een zeker gebied van de hersenen te denkene, complex van uiterlijkheden, die hij werkelijkheid noemt, dan is het licht onmogelijk, om hem in die verdwazing te volgen, en dan toch de gewilde stemming bij hem wakker te roepen met woorden, die door hem zelf als overeenkomstig zijn werkelijkheid erkend zouden worden; men zal dan minstens tot overdrijving genoodzaakt zijn. Zoo kunnen de verfijnde plagerijen, die een man zijn vrouw aandoet, aan een buitenstaander misschien niet te zeggen zijn, maar hij zal ze eenigszins kunnen meevoelen, als hem zekere tastbare feiten als werkelijk worden meegedeeld, die niet werkelijk gebeurd zijn, maar die in de bewuste verhouding als uiterste consequentie mogelijk zouden zijn; daar de attentie zoo moeilijk uit het intellect losbreekt, dringen alleen buitengewone feiten nog tot het centrale gevoel van de menschen door. Met de taal als slavin van den waan der werkelijkheid, is de wáárheid niet te zeggen.
    Trachten niet analoog de "comédie de caractére" en het naturalisme een blik op de wereld als werke-lijkheid mee te deelen, door die werkelijkheid te overdrijven of te verdichten? En onderscheidt zich niet op analoge wijze schilderkunst van kopieën der natuur?
    De taal mag begeleiden het willen beheerschen elkanders wil, het willen samenhouden elkanders wil; oo begeleidt het krijgsgeschreeuw der Indianen het willen breken elkanders wil.
    De taal heeft op zichzelf geen zin, en alle wijsbegeerte, die zóó er vastheid in wou brengen, kwam in verlegenheid; werd op vermeende vastheid ingeslapen, toch braken ontoereikendheden en tegenstrijdig-heden later door. Een taal, die geen vastheid aan den wil ontleent, die op zichzelf wil voortleven in het reine "begrip", is een onding; een tijdlang door te kunnen spreken, en te worden betrapt nóch op tegen-strijdigheden, nóch op stilzwijgende, in den wil wortelende, vooronderstellingen, is een groote kunst, het hegelen, waarvoor de hersenkracht van iemand, als de heer Bolland, noodig is, maar te schatten op de waarde van die van een acrobaat. De heer Bolland laat zien, dat spreken in de afgesloten rede, dat onttrekken van de taal aan de souvereiniteit van passie en aandoening, waaruit ze zoo goed, als alle levensuitingen ontstaan is, mogelijk is, zonder dat je er ziek of gek van wordt; zooals soms een physio-loog laat zien, dat voortleven van het kikvorschhart, ook, gescheiden van het organisme, mogelijk is; echter houdt dat kikvorschhart het maar een tijdje uit, en zoo zegt ook de heer Bolland, dat zijn filozofie slechts zijn Zondagsche pak is. En als het hegelen levende dingen beroert, als liefde, natuur, politiek, dan geeft het levenlooze uitspraken, voor het leven zonder zin.
    De taal leeft slechts met en door de cultuur, die aan den eenen kant behoefte aan verstandhouding en aan den anderen kant onmogelijkheid van directe verstandhouding brengt; maar ook bevestigt het taalgebruik de cultuur, doordat ze zich op haar gebied beweegt; menschen met taal verliezen primaire begeerten, die, hoe zondig ook, het Zelf veel nader waren; bang voor de eenzaamheid, hun eenig vader-land, worden ze automaten in dienst van de monstermachine: publiek verkeer. En van alle andere invloe-den, van alle andere zielsverstandhouding heeft hun attentie zich afgesloten; breken die nochtans door binnen de cathegorieën van hun intellectueele aanschouwingswereld met de zelfgeschapen natuurwetten, dan trachten ze eerst kortweg te loochenen, en, als dát niet gaat, ze te bestudeeren en rubriceeren, en binnen het gebied der hooggeroemde "wetenschap" halen. In plaats van te bedenken dat op alle invloeden het zuiverst wordt gereageerd bij blootweg openstellen van onbevangen gevoel, zonder iéts te weten; zelfs het eenvoudigst werk in ‘t dagelijksche leven werd beter gedaan in gedachtelooze deemoedige gewoontesleur, dan vergezeld van eenige wetensvastheid; maar bij dat dagelijksch leven niet noodzakelijk betrokken invloeden dienden in elk geval te worden beschouwd als naar Gods wil voor ons weten verborgen; zóó alleen kan men veilig zijn daden en ziening vertrouwen; Tiresias en Cassandra waren niet leden van Vereenigingen voor Psychisch Onderzoek: ze zagen, waar het noodig was, de toekomst, maar wenschen deden ze die ziening niet, veel minder deden ze er moeite voor.
    Der tegenwoordige wetenschap echter is niets te heilig; is eenmaal een invloed geconstateerd, dan moet hij worden onderzocht, en gebracht binnen oude, intellectueele cathegorieën, en beantwoord moeten daarover de vragen: "hoe oud?" — "hoe ver?" — "hoe groot?" — "hoe sterk?" en "hoe duur?"
Maar wiens gevoel nog treden kan buiten dressuur van publieke verstandhouding en wiens fijnere waarneming is gekweekt en geëerd en niet als "niet ter zake" op zij geschoven, die zal vast vertrouwen op zijn droomgezichten en voorgevoelens, zonder te willen begrijpen; die zal de hem gegeven teekenen buiten zijn hoofd om verstaan, en die zal ieders karakter lezen uit zijn aangezicht, of lichter en directer uit zijn handen, waar geen maskers van comedie en behaagzucht af te rukken vallen; voor hem staan de meest beroemde en geleerde mannen, met zelfgenoegzaamheid op hun gelaat, door dwazen toegejuicht, bewonderd en op een troon gehouden — naakt ontdaan van alle glorie daar, na een blik op hun handen. En den handigsten rhetor of philosoof, waartegen hij geen woord kan zeggen, zijn handen zullen hem ontmaskeren.
    Maar niet voor wie de Physiognomiek van Lavater of de Chiromantie van Papuss heeft bestudeerd, of ook maar eenige intellectueele attentie in zijn intuitieve aanschouwing heeft gemengd.
    Wie deemoedig zijn onbevangen zinnen openstelt, hem zullen voorgevoelens en geestverschijningen steeds tijdig het leven richten; maar niet wie telepathie en spiritisme wetenschappelijk heeft onderzocht, of aan seances en vertooningen op dat gebied heeft meegedaan.
    En wie, als theosofen, wat weten wil van ‘t leven na den dood, dien zal het daar ginder jammerlijk vergaan.
    Al die menschen, die die dingen willen dwingen in de wetenschap, omdat ze het willen, het zal hun gelukken. Maar steeds zullen de schijnevenwichten, waarin hun negeering der deemoedige onbevangen-heid een schuilplaats waant te hebben gevonden, door nieuwe teekenen worden verstoord; steeds zwaar-der en gecompliceerder wordt de arbeid van het lichaam op de aarde, en zoo ook het denken en het onderzoek van ‘t intellect; en steeds zal trots zwaartekracht en massa het geloof in letterlijken zin "bergen verzetten", en schrijden over de zee: de Inkeering tot het Zelf spelend alle natuurwetten breken.

VI

    De manifestaties van het Zelf binnen het afgegrensde leven in de vormen van dat leven zijn de door-brekingen van de Waarheid. Overal en altijd hangt de Waarheid in de lucht: en, wáár ze doorbreekt, voor den verstaander is het altijd weer het oude.
    De Waarheid, die doorbreekt, wijst naar het leven, dat van uit het weergevonden en niet losgelaten Zelf, nederig de aardsche boeien heeft aanvaard, in het volle inzicht van het voldongen karma der droeve wereld en van zijn eigen individualiteit daarin.
    Toch is het niet de Waarheid, die iemand helpen kan, het Zelf weer te vinden — wat dat wel kan, is boven de vormen van deze wereld, en is alleen mystiek te duiden met het woord: "Goddelijke genade."
    Wijst de Waarheid in de wereld op ‘t voldongen karma van die wereld, wijzend in al het gegeven begeertebewegen de Eeuwige Gerechtigheid, en wijzend als van zelf sprekend de botsing der tegen-strijdige en nooit te verzoenen belangen, en weg wijzend daarbij van alle uiterlijkheden, dat zijn aspecten uit eigen gevangen begeerte, dan is ze Immanente Waarheid.
    Wijst de Waarheid in de wereld naar het persoonlijke leven, vrij uit de banden van vrees en begeerte, waar de zaligheid en wijsheid en de stille jubelingen van de Zelfinkeering bloeien op nederigheid, armoede, en rustige plichtsvervulling in het aardsche leven, dat eigen voldongen karma is, dan is ze Transcendente Waarheid.
    De immanente waarheid verheldert, de transcendente waarheid vervroomt.
    De immanente waarheid ziet de "idee" van de wereld. Ze zal van uit het gezichtspunt der zoogenaam-de "werkelijkheid" leugenachtig of overdreven schijnen, om de onware vormen, waarin ze zich moet kleeden. In woordkunst dit en in beeldende kunst. Ze komt in strijd met de heerschende opvattingen, die alle gegroeid zijn uit wereldaanschouwingen in uiterlijkheden, dat is werkingen op der menschen begeerten. En toch wordt ze alleen dán geduld, als ze kan ondergebracht in het afgegrensde leven, zonder aan den bouw er van te wrikken. Zoo in muziek, waar op zinnen wordt gewerkt, die nog los staan van het intellect; veel minder in beeldende kunst, zooals de lex-Heinze toonde, maar het minst in woord-kunst, die zich direct aan ‘t intellect, aan ‘t leven zelf, richt; daar is ze verplicht zich te presenteeren als gehoorzame dienaresse der cultuur-leugen, om bij wijze van verheffende, veredelende of stichtende afwisseling te worden genoten, maar niet, om au sérieux te worden genomen in den eisch, de wereld anders te beschouwen. Doode schrijvers schijnen niet zoo direct tot den levenden wil der lezers zich te richten, als tijdgenooten. De laatsten kunnen in de literatuur alleen slagen, als ze arbeiders worden in de industrie van gewetensussende schijn, verheffing of prikkeling, en ook de waarheid kan, in een dichte omkleeding uit het gelijktijdig heerschende cultuursysteem, daarbij dienen als materiaal. Maar later, als ‘t cultuursysteem veranderd is, is hun omkleeding niet meer actueel, en als doode schrijvers leven ze niet voort. Een naakte waarheid wordt een tijdgenoot nimmer vergeven, maar over het werk van een doode legt het verleden een verzoenende sluier van niet-werkelijkheid: dáár wordt een naakte waarheid als vaag aangevoelde stichting gelaten geslikt.
    Beter dan in proza wordt de waarheid verdragen in verzen, waar ze voor een der platste aandoenlijk-heden van het in den tijd gevangen intellect, het maatgevoel, het slavinnekleed heeft aangetrokken; en waar ze het beste, wat ze heeft, geeft begeleid van "rikketik, rikketik", "flauwe kul, flauwe kul", maakt ze den indruk, eigenlijk zelf niet te gelooven, wat ze zegt. Hoort men in een versje:

"La vie est vaine
Un peu d’amour, un peu de haine,
Et puis bonjour",

dan krijgt men den indruk van: een stemminkje als een ander, zooals er zoo vele ontbloeien uit onze cultuur, maar niet van een van binnen uit gevoelde, tegen de cultuur gerichte, waarheid.
    En weer in boeken en op ‘t tooneel spreekt de waarheid gevaarloozer, dan in vollen ernst in een gesprek; dáár past, wie huid en leven lief heeft, wel op.
    Vooral ook op de preekstoel klinkt de waarheid als onwerkelijk, en wordt rustig aangehoord; want dominee preekt wel dat het zondig is, om den dag van morgen bezorgd te zijn, maar heeft zijn huis verzekerd tegen brand en inbraak. Nergens misschien wordt meer waarheid gesproken dan in de kerken, maar nergens ook is ze secuurder teruggebracht tot iets, wel om aan te hooren, maar niet om volgens te leven.
    Kunst, die echte waarheid is, zal overal gezond verstand, causaliteit en wetenschap logenstraffen: het optimisme, dat het dwaze aardsch gedoe in gang houdt, vertrappen; in ieder menschenleven het wrekend Noodlot zien, dat illusie en hoop en vertrouwen op wereldsche vastheid verkeert in ellende, hoog boven de causaliteitswaan; als volgend uit de veelheid in de wereld zal ze zien bij elk deel een afgegrensde wil, nooit komend tot rust en steeds weer verijdeld door den tegenwil van het andere, waarvan het gescheiden is. In tijden, dat niet wordt geloofd aan ander weten, dan in ‘t intellect, en aan andere natuurkrachten, dan die in het practische leven geplaatst zijn, zal de immanente waarheid in de kunst onverstoorbaar blijven spreken van magie, voorgevoelens, moord door gedachte, doodenopstanding, genezingen door liefde, geestverschijningen, zendingen des hemels; zij zal geen menschen zien sterven aan tuberculose en jicht en bloedvergiftiging, doch, omdat hun tijd gekomen is, en zij zal het iemand niet minder aanzien, die morgen zal sterven, verpletterd door een vallenden boom, dan door een beroerte.
    Van dit gezichtspunt is de kunst niet waarheid in het naturalisme; dat volgens Zola beschrijft de natuur, zooals ze wordt gezien door een individueel temperament: het temperament is niet meer, dan een prikkelen der fantazie tot redeloos enthousiasme en staat niet hooger, dan de aandoeningen van een Zondagavondpubliek voor een melodrama; en dát er afgelaten, blijft als natuur een stuk uit der wereld uiterlijkheden, meest uit de menschelijke samenleving, gezien als een aseisch physisch verschijnsel onder de leiding der causaliteit; dus blijft een min of meer gereguleerd "historisch materialisme", een  verdwazing der wetenschap, als een andere — maar geen waarheid.
    En de spotblik van Molière op menschelijke begeerten, zwakheden, domheden en ontoereikendheden, is alleen in ‘t negatieve waarheid, in de verstoring van den automatenblik, die zijn medemenschen optimistisch, waardeerend, misschien vreezend, bekijkt. Maar het positieve, dat daarvoor in plaats gegeven wordt, blijft een zinloos nietig onbegrepen spel van uiterlijkheden, een "comediespel" in slechten zin, niet beter, dan het gezichtspunt der astronomie op de groote kosmische gebeurtenissen.
    De naakte immanente waarheid is los van de heerschende toestanden, van ‘t heerschende cultuur- systeem; daarom is Kunst, die waarheid is, van alle tijden.
    Ze is te onderscheiden, naarmate ze meer wijst de zelfwreking van den tijdswaan of van den ruimte-waan.
    De eerste wordt gewezen in muziek, maar veel volkomener, hoewel minder hevig, kan ze doordringen in literatuur, en daar het meest, waar ze den tijd van uit een stilstaand "nu" aanschouwt, het drama; het epos, dat verhaalt, blijft in den aanschouwer kennen verwijdering door tijdsafstand, en blijft daardoor vanzelf bij uiterlijkheden verwijlen; de comedie verder gaat in haar stilstaand "nu" niet treden uit den tijd, maar leven naast den tijd, blijft in een tijdsvervloeiing; haar ontkenningen dringen niet door en geven, daar ze stilstaan blijven bij ‘t uitwendige, niet, dan prikkelende aandoeningen. Maar in de trage-die wordt in een stilstaand heden getreden uit het leven, en dát wordt ingezien als uit den tijdswaan een voortdurende schepping en onafwendbare ontbinding; een wording en verwording; een illusie en wreede ontgoocheling door het Noodlot, wiens groote nevelvleugels, over de aarde uitgebreid, alle verheffing boven het voldongen karma, wreed in ‘t slijk terugsmakt; en die ootmoediging door ‘t Noodlot wordt ingezien als rechtvaardig, vanzelfsprekend; zoo goed als de zelfverheffing, die ze vernedert; een berus-tende wereld zou geen bestaansgrond hebben; het karma wil zich uit zichzelf verheffen, en wordt in zichzelf teruggedwongen.
    Zoo doen de treurspelen van Sophocles en Shakespeare over hen, die in onmachte dwaling hun lot moeten afwikkelen, van den aanvang af het einde voorvoelen: in Oedipus, in Koning Lear, in Julius Caesar. In Hamlet zijn illusie en desillusie zoo sterk als een gevoeld, dat hier als ‘t ware beide steeds vereenigd optreden; de held sterft duizend dooden in het stuk; wáár hij vastheid bij zijn daden zoekt, wordt ze hem direct ontnomen, zoodat hij tastbaar wordt gedwongen telkens weer, slechts zijn karma uit te leven. En ten slotte komt de dood, wiens tragische rechtvaardigheid, als desavoueering van het Leven zelf, onverbrekelijk aan elk goed treurspel is verbonden; het spreekt van zelf dat Hamlet sterft aan ‘t einde van het stuk; onder elke illusie: geluk, trouw, liefde, was hem de bodem weggetrokken; waarom dan niet even goed onder het leven, de samenvatting van dat alles? Zoo wordt ook in King Lear het leven van Cordelia, die niets misdreven had, even goed met den dood geboet, als dat harer booze zusters.
    Al het positieve in het leven, elke daad, elke karaktertrek, goed of slecht, hij zal zich straffen in den wreeden dood; wreed, want als smart wordt hij gevoeld, hetzij van te voren gevreesd, en in de laatste ure als pijn gevoeld, of niet. En in de droeve wereld doet ieder daden en ieder heeft karakter, dus leeft in de erfzonde van zijn geboorte, en in de afwachting van boetende smarten.
    De tijdsvervloeiing wordt gemist in de beeldende kunst: zoo kan die niet wijzen de zelfwreking van den tijdswaan, maar dieper en directer dan het drama, die van den ruimtewaan, den veelheidswaan, die in het heden zijn straf al weg heeft, de pijn van het machteloos aanstaren dier veelheid in niet-begrijpen, die ontvlucht wordt in de nooit bevredigde begeerte van bezitten-willen, een-maken met het eigen, zich smartelijk verlaten voelende individu. Dan komen in steeds verder afdwaling de karma-verzwarende attenties op de buitenwereld ; heerschzucht, geldzucht, eerzucht; en.....illusie van de vrouw. Ook de laatste is karmaverzwaring; want voor geen man heeft in ‘t voldongen karma de vrouw een plaats: zij is een van zijn weg aflokkende sirene.
    Zooals er tusschen de schuld, waarmee de menschheid bezwaard is en de haar opgelegde arbeid en moeite een evenwicht is, zoo ook tusschen haar lichtzinnigheid, haar neiging tot karmaverzwaring en de mate van vrouwelijkheid, in de wereld als verleiding geboden. In een wereld, tot nederige karma-aan-vaarding gekomen, zouden geen vrouwen zijn; maar ware ze daartoe gekomen, dan had ze geen bestaansgrond; zoo zijn van der wereld lichtzinnigheid niet te scheiden eenerzijds haar voortbestaan, andererzijds haar dragen van vrouwelijkheid; die beide ook empirisch als onafscheidelijk verwonderd  worden aangestaard.
    Het is een sterk voorbeeld van de verschillende, eeuwig strijdende en nimmer te verzoenen belangen in de veelheid van de wereld; de man, die de vrouw te mijden, te negeeren heeft, wil hij niet lichtzinnig zijn karma verzwaren, wil hij niet ten onder gaan —hoor bij Shakespeare Antonius onder de bekoring van Cleopatra machteloos uitroepen: "I must from this enchanting queen break off" — de vrouw, die zonder den man niet kan, wier voldongen Karma in niets is dan haar sekse, zóó, dat tusschen de intiem-ste natuur van een vrouw en een leeuwin minder verschil is, dan tusschen twee tweelingbroeders, die mannen zijn.
    De vrouw moet leven in een wereld, waarvan ze alles voelt, zonder iets er in te kunnen zijn; voelt in haar lichaam de idee van soort, ras en familie, zonder haar te mogen uitleven; één ding slechts mag ze: één, die haar ideaal is, volgen met de oogen, zonder voor zich iets van hem te wenschen, geen weder-liefde, zelfs niet, door hem te worden opgemerkt; een werktuig van den hemel zal ze zijn, de banden van zijn karma, die hij uitgezoend heeft, los te maken; en storende verleidingen zal ze van hem trachten ver te houden. Maar daarbij zal ze niet bemerken, dat ze zelf de grootste verleiding voor hem wordt, zoo gauw ze in zijn leven optreedt, en hij haar al-gevende liefde gaat voelen; in haar bewustzijn, in haar attentie helpt ze hem, zich zuiver uit te leven in zichzelf; daaronder, in den donkeren ondergrond van de sekse waarmee ze belast is, lokt ze hem op paden, die zijn verderf zijn.
    Nederig zal ze zijn, nederig zal ze uit zíjn handen willen nemen alle ónedel werk, alle ánder werk, dan de zuivere uitleving der faculteiten van het lichaam, waarin hij de aarde bewandelt; zonder een "Augen- zucken" zal ze haar leven geven, om zijn evenwicht te redden.
    Rustig zal haar blik zijn, taai en geduldig leeft ze voort, en doet, wat voor den geliefde is. Haar lijf ongerimpeld, onbewogen, zonder hartstocht om te verleiden, zonder bewustheid dat het verleidt, en tegelijk zoo onuitstaanbaar verleidelijk in zijn tergende rust, dat geen man het uithoudt,
    De Venus van Milo wijst zuiver dat karma der vrouw, der stijle, begeertelooze, onbewuste en toch zoo helsch verleidende vrouw.
    Maar reine vrouwenliefde kan zeer goed zijn zonder verleiding, zoo leeft ze het meest ongetroebeld soms van zuster tot broer.
    Intusschen zoo goed als de man zal zondigen tegen zijn karma en het verzwaart, zoo ook de vrouw, en wel aan den eenen kant door vrouwelijke hartstocht naar den geliefde, die zijn aangestaarde leven wil op zich richten, en aan den anderen kant door mannelijke activiteit. Van de eerste een voorbeeld de monoloog van Gretchen in Faust:

"Meine Ruh ist hin,
Mein Herz ist schwer;
Ich finde sie nimmer
Und nimmermehr.

Wo ich ihn nicht hab’
Ist mir das Grab,
Die ganze Welt
Ist mir vergällt.

Mein armer Kopf
Ist mir verrückt
Mein armer Sinn
Ist mir zerstückt

Mein Ruh ist hin,
Min Herz ist schwer;
Ich finde sie nimmer
Und nimmermehr.

Nach ihm nur schau’ ich
Zum Fenster hinaus,
Nach ihm nur geh’ ich
Aus dem Haus

Sein hoher Gang
Sein’ edle Gestalt
Seines Mundes Lächeln
Seiner Augen Gewalt,

Und seiner Rede
Zauberflusz,
Sein Händedruck,
Und ach! sein Kusz!

Mein Ruh ist hin,
Mein Herz ist schwer;
Ich finde sie nimmer
Und nimmermehr.

Mein Busen drängt
Sich nach ihm hin;
Ach, durft’ ich fassen
Und halten ihn!

Und küssen ihn,
So wie ich wollt’,
An seinen Küssen
Vergehen sollt’!"

Die vrouwelijke hartstocht is heel iets anders als de mannelijke, is onafhankelijk van den ruimtewaan, kent dus geen bevrediging door bezit; het is een blinde fantazie in haar zelf; de straf is meest ten slotte een walging van den begeerden man, en toch niet aflaten kunnen, hem te begeeren.De zonde der mannelijke activiteit, het uitleven van de in haar lichaam uitgedrukte idee, met ignoreering van haar dat niet toelatende vrouwelijkheid, wordt door de afgedwaalde kritiek van dezen tijd gesanctio-neerd; zelfs van "aequivalentie van man en vrouw" mag straffeloos worden gemompeld; nu, wat menschelijke dwaasheid wil, zal gebeuren, misschien zal al het mannenwerk van nu door vrouwen worden meegedaan, misschien zelfs uitsluitend in vrouwenhanden overgaan; toch, aan de groote lijnen van het voldongen karma dezer wereld, kan menschelijke dwaasheid niets veranderen, de toestand blijft: het edele, der telkenmalige idee van soort en ras aangepaste, werk voor de mannen, en het onedele zooveel mogelijk voor de vrouwen. En het langzaam usurpeeren van een of ander werk door de vrouw, zal onverbiddelijk samengaan met een afdalen van dat werk tot het onedele. Want welk edel werk in zwang is, dat wisselt met de tijden; vechten en jagen was edel in den riddertijd, later politiek, den laatsten tijd de wetenschap, ook en vooral, zooals ze werd beoefend op de hoogeschool; steeds waren van dat edele werk de vrouwen uitgesloten; twee verschijnselen van den allerlaatsten tijd zijn het afdalen der hoogescbolen tot kweekscholen van loondienaars in onaangenaam, ellendig-noodzakelijk, mensch-onteerend maatschappelijk werk en het verschijnen van de vrouwen op die plaats. Tot kort te voren werd in den staat, in het publieke leven, iets eerwaardigs, ja metaphysisch gezien, en een maatschappelijke betrekking gold als een edele taak; huishoudlijk werk was noodzakelijk, maar ellendig, onedel. Maar de socialistische stroomingen hebben in de vorige eeuw dat eerwaardige weggespoeld, en tegelijk traden in maatschappelijke betrekkingen vrouwen op; voorloopig alleen op ondergeschikte, administratieve plaatsen; het groote geheel in gang te houden vereischt nog mannelijke hartstochten, mannelijke dwaas-heid. Zal echter als einde der socialistische verwording de staat een gesmeerd loopende automaat zijn geworden, welnu — dan zal misschien de administratie geheel den vrouwen worden overgelaten. Dat het geld voor het levensonderhoud door den man wordt verdiend, is even weinig essentieel, als het geld zelf; het is iets bijkomstigs van dezen tijd, waar dat verdienen met min of meer edel werk gepaard gaat; bij de oude Germanen was de zorg voor het levensonderhoud het bebouwen van den grond, wat tóen onedel werk was — dus deden het de vrouwen.
    Als álle productieve arbeid door het socialisme duf en onedel zal zijn gemaakt, zal hij uitsluitend door de vrouwen worden verricht; Intusschen zullen de mannen, ieder naar zijn aanleg, doen sport en gymna-stiek, en vechten, philosopheeren, tuinieren, houtsnijden, reizen, dieren dresseeren, en alles doen, wat als edel werk niet uit den tijd is, tot dobbelen om wat de vrouw verdient, toe; wat werkelijk veel edeler is, dan bruggen bouwen of mijnen graven.
    Zoo brengt de zonde der mannelijke activiteit den vrouwen een machteloozen strijd tegen het noodlot, dat hun alleen onedel werk bestemde; en straft zich verder door het onbehagen, nooit den sterkenden impuls van binnen tot dat mannenwerk te voelen, en, hoe goed ze het werk kan doen, nooit te begrijpen wat ze doet.
    Van welken aard haar mannelijke activiteit is — uitleven der mannelijke idee zonder meer, of licht-zinnige afdwalingen — het maakt haar zonde niet meer of minder; een amazone, een schrijfster of een schilderes, ze zijn niet beter dan een doktores of slageres. En een menschlievende vrouw een even groot paskwil, als een wreede vrouw of een eerzuchtige vrouw.
    Weet nu een vrouw zich vrij te houden van hartstocht en activiteit, dan zal ze voelen om haar natuur knellende banden, als straf voor oude schuld: hierin, dat ze haar ideaal niet kent, en niet vindt. Tastend zal ze in haar kinderlijkheid eerst kleine mannelijke talenten en fantazien bewonderen en meeleven, en niet hooger kennen, dan in fijne sentimentjes van een man mee te stemmen; slechts aan de minderheid wordt daarna geopenbaard een individu in zijn geheel, uitdrukkend zijn Noodlot; wat eerst liefde kan worden genoemd; dan ziet zij zijn Noodlot en Levensgang beter, dan hijzelf; en bij zijn afdwalingen heeft zij de beklemming geduldig te dragen, hem niet zoo hoog te kunnen achten, als zij zou willen. En valt hij duurzaam uit zijn karma, anders dan naar haar toe — de eenige val, dien ze niet kan zien — dan is zijn vallen uit zichzelf tevens vallen van haar weg; zij heeft den heelen inhoud van haar leven op te geven, maar doet alleen toch zoo haar plicht; zich uit wanhoop aan hem blijven vastklampen ware mannelijke vasthoudendheid. Het is geen echte liefde, die verachting overleeft. En haar eenzaamheid zal ze geduldig dragen, tot een nieuwe, hoogere mannelijke sfeer haar open gaat, een minder belast mannelijk karma. Zoo zal de een na den ander haar geliefde worden: en telkens laat ze hem los, als hij duurzaam uit zijn karma valt, of als een ander in hooger fase haar wordt geopenbaard. En in en door haar leven eerst wordt haar helder haar ideaal, het hoogste mannelijk princiep, dat boven vrees en begeerte is, dat niet kan vallen uit zijn karma, omdat het boven Karma uit is, dat geen krachtsontplooiing of talenten, geen expressieve lijnen of karakter in zich draagt, dat niet is dan nederige moed en klare aanschouwing. Dat ideaal te weten en niet in de wereld te zien, is haar laatste beklemming, haar leven lang.
    Maar zoo is de levensloop der vrouwen niet, want ook de vrouwen dwalen uit hun karma. Vooreerst haar vrouwelijke hartstocht wil den geliefde tot zich trekken, en voelt zich als een ledigheid, die zich uit hem wil vullen; en de mannelijke activiteit, die haar lichaam belast, schept als haar ideaal: niet het hoogste mannelijk princiep, maar een of ander talent, en wel een talent, dat lijkt op haar eigen natuur, terwijl de man, die begeert te bezitten, wat hij in niet-begrijpen buiten zich voelt, het lichtst verleid wordt naar het tegendeel van eigen type — een voorbeeld weer van der wereld strijdige belangen.Bij Gretchen in Faust die bewondering van talent uit mannelijke activiteit:

"Du lieber Gott! ware so ein Mann
Nicht alles, alles denken kann!
Beschämt nur steh’ ich vor ihm da,
Und sag’ zu allen Sachen ja.
Ein doch ein arm unwissend Kind,
Begreife nicht, was er an mir find’t."

Maar nog verder wijkt de vrouw af; ze wordt, omnacht door eerzucht, vrees en jalouzie, ook ván haar ideaal naar anderen getrokken; is ze mannelijk zich van haar type bewust, en mannelijk heerschzuchtig, dan zal ze mannen gaan verleiden, en zoo haar ideaal verruilen voor zijn tegendeel.
    Zoo is de toestand van de liefde in de wereld droef, zooals past; haar zuivere vormen kunnen niet  komen, dan met der wereld en haar eigen verdwijnen.
    Maar de waarheid in de kunst geeft aan de onvervloeide lijnen: dat de man de vrouw behoort te mijden, te negeeren; maar de vrouw behoort te leven in den man, zich achtend voor niets, krachteloos en waardeloos, en alles den beminde offerend. Een echte vrouw is bleek, soupel, zonder expressieve lijnen, met doffe, droomerige oogen, heeft geen spierkracht, en deinst voor niets terug. En een man, die zich keert naar een vrouw, heeft zijn leven verloren. De korte geschiedenis staat in een visioen van Marie Madeleine:

"Ich träumte ja nur. — Ich sah einen Baum,
so jugendüppig, zo frühlingsstark,
und ich sah eine Tropenblume im Traum
die zich um ihn wand, und sie trank sein Mark.

Sie war sehr weise. Und seltsam erschlafft
im Sonnenhauch einer fremden Flur.
Und sie trank sein Blut und trank seine Kraft.
Da verdorrte der Baum. — Ich träumte ja nur."

Geen kunstwerk doet aan als groot van waarheid, waarbij de liefde niet hoogstens alleen de vrouw een verheven indruk maakt: de man is er een stumper, uit zijn levenslijn gerukt. In den Hamlet, dat allerwaarste aller treurspelen, geeft de held ook hierin het mannelijk karma zoo zuiver weer, dat hij bij al de liefde, die hij in zich voor Ophelia voelt, bij al de verleidende bekoring, waardoor hij zich omvangen weet, om zijn geweten zich hierin niet kán laten gaan, zich niet kán geven! Maar bij háár gaat alle aandacht op in zijn Noodlot, in zijn droefheid en verwarring, in zijn onverbiddelijke levensweg.
    Overal maakt mannenliefde den indruk van wuftheid en droeve verblinding, en vrouwenliefde van verheven doem. De idee van het liefdeleven is de inhoud van Shakespeare’s Antonius en Cleopatra; zij meelevend het leven in den hoogsten vorm, dien ze bevatten kan, zooals ze dat in den beminde ziet uitgedrukt; hij daardoor juist weggelokt uit zijn levensweg, en zijn edelsten inhoud verkwistend voor haar — waardoor zijn leven vergaat, en zij, na zijn dood, na verdwijning van het leven dat haar leven deed, zonder aarzeling mede scheidend uit het eigen leven, dat voor haar nu zonder inhoud is. Weduwenverbranding is een heilige ritus; maar de barbaarsche westersche regeeringen verbieden ze als barbaarsch.
    Zuiver zong van vrouwenliefde Adelbert von Chamisso. Waar van drie zusters twee het lijden hunner liefde verhaalden, erkent hij de pijn der derde het zwaarst; die zegt:

......vier Worte nur: ich wurde nie geliebt;"

beter ware geweest: "ich habe nie geliebt."
Hoe een vrouw eerst wordt door liefde, maar daarbij haar individualiteit verliest, spreekt uit haar woorden over:

"Den Freund, in dem erschrocken und entzückt
Ich selber mich verloren und gefunden."

En hoor, hoe weinig ze wenscht, hem tot zich te trekken, haar leven aan het zijne te binden:

"Wandle, wandle deine Bahnen;
Nur betrachten deinen Schein,
Nur in Demuth ihn betrachten,
Selig nur und traurig sein !"

En:

"Höre nicht mein stilles Beten,
Deinem Glücke nur geweiht."

    Want met de heiligste liefde gaat samen de grootste schaamte; een instinctief schuwen voor hem van de verleiding, die van haar uitgaat; want of hij onder de verleiding raakt of niet: zijn weten van haar leidt hem af.
    Wat ze doet, wat haar omstandigheden zijn, het is voor haar geluk van geen belang; alleen zijn leven en zijn wederwaardigheden; op de gezondheid van een ideale vrouw heeft niet haar eigen dieet, alleen dat van den geliefde, invloed; ook physiek, leeft ze letterlijk alleen van liefde; elke ziekte is door zijn adem, door zijn handen, direct genezen; een reciproke macht heeft zij over hem niet.
    Daar ze in niets, dan in liefde, leeft, zal ze geen aanleg en richting voor een individueel leven in zich voelen. Menschelijke, d.i. mannelijke begeerten zijn haar vreemd; en matigheid en nuchterheid zijn speciaal vrouwelijke eigenschappen. In wereldsche bestrevingen en wereldsche overtuigingen zal ze naief den geliefde volgen; en opvattingen, klakkeloos van hem overgenomen, als objectief vaststaande axioma’s tegen alle aanvechtingen van derden verdedigen; bij twistgesprekken met zo’n vrouw komt de ridiculiteit van de taal als middel om tot overeenstemming te geraken, helder voor den dag in den vorm der beruchte "vrouwen-logica". Goethe sprak van:

    die Weiber, die bestandig
Zurück nur fallen auf ihr erstes Wort,
Wenn man Vernunft gesprochen stundenlang".

    De immanente waarheid breekt verder door, óók in de wetenschap. Deze heeft het waargenomene, gescheiden van een eigen ik, in een onafhankelijk daarvan gedachte aanschouwingswereld geplaatst en den band met het alleen voedende en richtende Zelf verloren. Zoo bouwt ze buiten het leven een wiskundig-logisch substraat, een hersenschim, en in het leven een Babeltoren met spraakverwarring. Maar Zelfinkeering ziet de gegeven wereldomgeving, als het eigen schuld dragende karma, en de verwarring, gesticht in de wereldomgeving door doen en denken, als eigen lichtzinnige verzwaringen van dat karma; ze zal dus uit de laatste retireeren, en zich niet meer bemoeien met die door eigen hoovaardig ingrijpen in de natuur teweeggebrachte verschijnselen, waarmede de tegenwoordige natuur- wetenschap zich in hoofdzaak bezig houdt; en het onafhankelijk van eigen daden aanschouwde, zal ze zien en voelen als een doem van zichzelf uit een zelfpolarisatie; die zal ze meeleven van uit het Zelf en zien als èn vrij èn vanzelfsprekend noodzakelijk. Levend in het aanschouwde als de ééne pool dier polarisatie, zal ze daarbij den band met de andere pool, die eeuwige zekerheid, rust en wijsheid geeft, niet verliezen. Zoo zal ze den blauwen onwrikbaren hemel voelen als precieze tegenpool van een eigen stemming van nederigheid en contemplatie: den onwrikbaren loop der gesternten als tegenpool van eigen vrijheid; de kleuren en vertakkingen der planten als tegenpool van de andere kleuren en de hartstocht- stroomingen in eigen bloed.
    En die inzichten breken als immanente waarheid door in de wetenschap der cultuur: zulke storende doorbrekingen waren vroeger alchymie en astrologie. De chemie en astronomie van tegenwoordig zijn rechte slavinnen der cultuur, zoo goed als alle huidige natuurwetenschap. Maar daarin verplaatst de doorbrekende Waarheid steeds het zwaartepunt weer terug van het aanschouwde naar den aanschouwer toe: Kopernicus bracht de draaiing der hemellichamen naar de aarde: ze zal nog in het eigen lichaam worden geplaatst. Kant zette in plaats van het onderzoek der eigenschappen van de dingen de bewustwording van de cathegorieën in eigen hoofd. Positieve quantitatieve eigenschappen worden steeds weer vervangen door polaire, zoo in de nieuwere theorieën over electriciteit en licht. Trots de kleurentheorie van Newton, die de lichtstralen in het medium ontbond, gingen Goethe en Schopenhauer, meer gevoelig voor de Waarheid, de kleuren beschouwen als polaire splitsing van de activiteit van het oog.
    Dat alles helpt natuurlijk niets: het laat de wereld even dom; het is geen Zelfinkeering, geen inkeering tot vrije waarheid, maar optreden van de Waarheid in de vormen der Dwaasheid.
    En het voelbaarst breekt de immanente waarheid in de wereld door in het eeuwig optreden van het ongeluk binnen de vormen van het streven naar geluk. Het ongeluk loochent geluk, door binnen diens vormen als verijdeling er van op te treden; de kaartenhuisjes waarbinnen de menschen zich zoo angstig opsluiten, storten éénmaal álle in, aan ieder stervende wordt zichtbaar, dat weer een leven hol is geweest, en spreekt een waarschuwing, dat trots alle arbeid en geknoei, het Noodlot de wereld binnen haar banen houdt.

VII

    Wie van de immanente waarheid der aanschouwingswereld is doordrongen, wie heeft gezien de onvermijdelijke desillusie van alle streven, de onontkoombaarheid van het voldongen karma, dien wijst dat inzicht in de richting der Hereeniging van de wereld met het Zelf; in de richting der transcendente waarheid.
    De transcendente waarheid beeldt in de droeve wereld het Koninkrijk Gods, de Zelfinkeering, die zich eeuwig emaneert en resorbeert, de vervloeiing aller fantazieën, het παντα ρεϊ van Heraclitus of ook ontkent de afgesloten fantazieën - op - zichzelf, heft op begeerten en vreezen en intellectueele meeningen, hetzij dat iets begeerenswaard of vreezenswaard is — waar het intellect nog leeft in dienst van den verstarden wil — hetzij, dat iets objectief waar is — waar het intellect, op zich zelf levend, is vastgeraakt.
    Ze kan in ‘t afgegrensde leven optreden in een schijn van onwerkelijkheid, voorziet dan als geweten- sussend middel in een behoefte en wordt met graagte genoten of ook ze ondermijnt de systemen van het afgegrensde leven metterdaad: in dien storenden vorm haat haar de wereld en verbant haar hardnekkig: desniettegenstaande komt ze altijd weer terug.
    In muziek en beeldende kunst, die meer als buiten het leven staande worden beschouwd en gevoeld, wordt de transcendente waarheid goed verdragen, echter slechts in mondjesmaat: overeenkomstig de maatschappelijke behoefte, is dan ook, zoo min als het aanschouwende, in die kunsten geproduceerd, is immanente waarheid, zoo min het moreele trascendente waarheid — voor het overgroote deel. Bijna alles is hier, hetzij ruw prikkelend: de attentie van het Geweten afleidend, hetzij idealen-bevestigend: de zwakke wanden van het huisje der dressuur tijdig stuttend, uitdrukkend officieel geoorloofde harts-tochten en fantazietjes, opdat de menschen met des te meer vertrouwen zich daaraan zullen kunnen overgeven; of schilderend allerlei andere hartstochten, die in de heerschende cultuur mogelijk zijn, opdat de menschen zullen kunnen blijven gelooven, dat het met die cultuur nog zoo mis niet is.
    Transcendente waarheid verschijnt niet, dan bij enkelen: Bach, Leonardo.
    Prikkelend, anarchistisch in slechten zin is bijna al het moreel in gangbaar beroemde muziek en beeldende kunst: Beethoven, Wagner, Rubens, Raphaël, Rembrandt.
    Idealen-bevestigend zijn bijvoorbeeld Grieg, Michelangelo, Palestrina en alle goede kerkelijke muziek; Giotto, Memling en alle geloovige schilderkunst.
    Natuurlijk zijn de grenzen niet zoo precies te trekken; in bijna alle kunst, die duurzaam is gebleken, zit wel een vonkje waarheid, heel klein: zoo hebben de menschen de waarheid het liefst geboden; steeds is van kunst in hoofdzaak behoefte naar prikkelende — in tijden van weelde, of idealen-bevestigende — in tijden van strijd en moeite.
    In de taal is transcendente waarheid nog veel minder dan immanente, te openbaren, zonder het volk te kwetsen. Een duidelijke, ware uitspraak, met klem en ernst gezegd, wordt zoo min vergeven, als het zichtbaar verrichten van een wonder; en ieder voelt bij transcendente waarheid, dat hij zelf wordt toege-sproken, en hem niet meer of minder wordt gezegd, dan dat hij heeft op te houden met zijn leven van onrecht en dwaasheid, dat hem anders de straffen der hel wachten. Door prikkelende versmaat of wel-luidende klanken is die pil niet te vergulden, nauwelijks, wanneer, om geen verbittering te wekken, er uitdrukkelijk bij wordt gevoegd, dat de zaak niet au sérieux is te nemen. De kerk hebben de menschen heelemaal leeren beschouwen als iets buiten het leven staande, maar toch blijft op den kansel aangewe-zen, er om heen te blijven draaien, en niet al te precies te zeggen, waarop het staat. Zelfs in het werk van doode schrijvers, dat als een fantazie uit lang vervlógen tijden wordt beschouwd, waarin de menschen altijd zelfgenoegzaam iets pathologisch zien, blijft een sterke verdunning vereischt; zooals bij Spinoza, waar de waarheid door verdunning zoo onkenbaar is geworden, dat ieder er uithaalt wat in zijn kraam te pas komt, en zelfs socialisten het boek begrijpen, als met hún zaak in harmonie te brengen.
    Voor tijdgenooten ware zoo groote verdunning voorgeschreven, dat daarin zij, die werkelijk de waar-heid in zich voelen, niet slagen zullen, terwijl bovendien van hun levende persoonlijkheid tot op groote afstanden een commentaar uitgaat, dat zegt waarop het staat, misverstand uitsluitend. En het zal van hen uitgaan, zelfs al houden ze hun mond; verbitterd zal daarom het volk hen tegenwerken; zelfs de besten, die hen eeren, zullen hen bestrijden; in plichtmatige verdediging der middelmatigheid. Intusschen zijn ze, door hun waarheid, minder kwetsbaar; den Heiland waren alle pijnigingen machteloos, en toen ze hem hadden gekruisigd, hadden ze Hem nog niets aangedaan.
    Zoo breekt dan in de taal de transcendente waarheid zich uitsluitend baan in de imitatoren, die de woorden van den profeet vaag hebben aangevoeld, en als waarheid herkend, en reeds door hun persoon-lijkheid de vereischte verdunning gegeven hebben; zij worden dan als geniale of hoogwijze menschen in hun kringen vereerd: hun uiterlijk, met de waarheid in strijd, zegt dat ze niet als ernst moet worden opgenomen, en des te aangenamer en interessanter worden ze gevonden om het geheimzinnige dat hen omgeeft, want niemand begrijpt, hoe zoo iemand komt aan zulke ideeën, die hij zoo weinig in zijn uiter- lijk draagt.
    De groote zorg der imitatoren is natuurlijk, om uit den kring, waarin ze schitteren, den profeet verwijderd te houden, en zoo angstig hun mysterieusheid te hoeden; ze zullen hun geestelijken vader eerst trachten dood te zwijgen, en dan te verloochenen. Die zorg is intusschen meestal noodeloos, want de verwantschap tusschen het verdunde en het onverdunde wordt niet licht herkend.
    Van de meeste werken van transcendente waarheid, die tot ons zijn gekomen, was de schrijver een imitator. Zijn geestelijke vader zal nooit neiging tot schrijven hebben gehad; maar de waarheid straalde uit van zijn persoon, oneindig veel sterker, zonder dat hij sprak of schreef, zijn leven lang; hij zou in de vereischte verdunning niet kunnen schrijven, maar voelde ook geen neiging, om de waarheid, die boven de aarde leeft, op de aarde te doen bedelen; om de waarheid, die boven de taal leeft, in de taal te doen bedelen.
    En hij zal het ook versmaden, brokken der waarheid bij zijn medemenschen ingang te doen vinden, door te werken op hun afgegrensde leven, op hun vreezen en begeerten; door hun de kwade gevolgen van hun daden en de kwade consequenties van hun meeningen voor te spiegelen; of door hun aan te toonen, dat de deelen van hun begeerteleven elkander tegenstreven, en dat hun ingeroeste meeningen elkaar niet verdragen. Hij wil de zelfwreking van het kwaad niet storen, en weet, dat een zóó weggenomen begeerte of dwaling slechts plaats zal maken voor een nieuwe; want het is de wil tot hartstocht en tot dwaasheid, die in de menschen zit; wordt het eene daaraan onttrokken, hij werpt zich ras op het andere.
    Maar gretig zal die taktiek worden aangewend door de imitatoren. Zij zullen de wereld bevrijden van allerlei slechtheden, domheden, onrechtvaardigheden, en voor weldoeners der menscheid worden aange-zien, en — de menschheid zoo ongelukkig laten als ze was. Zij zullen de menschen hun domme meenin-gen ontnemen, en er hun andere domme meeningen voor in de plaats geven, en zullen voor wijzen worden versleten, en — de menschheid zoo dom laten, als ze was.

    Wetend, dat bijna alle menschen er naar haken, zich beter dan anderen te kunnen achten, te kunnen roepen het: "Heer, ik dank u, dat ik niet ben, gelijk deze", en zich gewichtig te voelen om een geloof dat zij — en anderen niet — aanhangen, trommelen ze vereenigingen van vegetariërs en theosofen bij elkaar, ja kweeken onder de bezitters socialisten, die niet merken, hoe krom het is, zich socialist te noemen, en zijn kapitaal aan zich te houden.
    Ze kregen de menschen waardeloos tot minder groote jalouzie en inhaligheid — vroeger, door hun alle weldaden voor te stellen, als hiernamaals duizendvoudig vergoed; — tegenwoordig door er op te wijzen, dat een leven van liefde en broederschap een ideaaltoestand voor menschen is, en dat wie naar dien toestand streeft, het goede doet, en beter is dan anderen; soms zetten ze daarbij uiteen, hoe betoonde liefde de gelaatsuitdrukking schooner maakt, en zoo voor wie oogen heeft, zichtbaar is.
    Het toegevoegde aanschouwelijk kosmisch systeempje was vroeger van Hemel, Engelen, Laatste Oordeel, Uitverkorenen en Eeuwige Zaligheid of Verdoemenis; tegenwoordig van Odstralen, Magnetis-me, Somnambulisme, Reinkarnatie en Zeven Hemelen; steeds met dien verstande, dat het alleen voor de besten, voor hen die er rijp voor zijn, is weggelegd, tot dat geloof te komen.
    Elke waarheid wordt, om ingang te vinden, pasklaar gemaakt, van toelichting voorzien.
    Als ze zeggen: "Tracht niet in eerzucht te schijnen, wat ge niet zijt", voegen ze toe, hoe zulk een opgehouden schijn in angst en ziekte voert, en hoe ten slotte alle schijn toch breekt.
    Ze zeggen niet ronduit zonder meer: "Security is mortal’s greatest enemy; elke cent kapitaal, die ge bezit, is een smet; en sparen is zondig: de stem van binnen verbiedt het u", maar lichten toe met: "Zie maar naar de boomen en bloemen en wilde dieren, die leven óók bij den dag, en komen er niet minder om", alzoo der menschen vrees en spaarzucht niet ontkennend, maar erkennend, sussend; of ook er zelfs op steunend aan den anderen kant, in woorden als: "Kapitaalbezit verspert den weg tot geluk, want alleen de ijzeren noodzakelijkheid — honger en koude — brengt zuivere ontwikkeling, en geeft die psychische vastheid, waarzonder ook geen lichamelijke gezondheid mogelijk is." En de menschen zullen dat inzien, hun gelijk geven, hen groote wijzen vinden, en blijven sparen en blijven voortparaziteeren.
Ze zeggen niet kortweg: "Ge behoordet geen kleeren te dragen, die hulling zijn van vrees en hoovaardij en ijdelheid", maar lichten toe met de belangrijke rol der huid-ademhaling in de stofwisseling, dus de heilzame werking van blootstelling der naakte huid aan zuivere lucht; zoo worden zij hygienische genieën en hervormers en de bête menschen gaan luchtbaden nemen; en spoedig licht- en zonnebaden, als ook van het zonlicht de werking wordt ontdekt; en eindelijk schemeringbaden, duisternisbaden, regenbaden, windbaden; maanbaden, sterrebaden, boschbaden en weidebaden, áls maar wordt aange-toond, dat ze gezond zijn. En de menschen blijven even ongezond; want het is hun kwade natuur, die hen ook nu weer op andere wijzen tegen hun gezondheid zondigen doet.
    Ze zeggen niet kortweg: "Bid en Werk"; maar lichten toe, dat bidden is een samenvatting, concentra-tie, die beter den levensweg doet overzien, en daarna frisch en vast doet gaan, en voor verblinding en misslagen behoedt.
    Ze zeggen niet eenvoudig: "Ge behoordet naakt te leven in de natuur, die natuur intact te laten en niet te arbeiden", maar lichten toe met: "Ge zijt bang voor te veel warmteverlies; weet dan dat onze voorouders hier naakt leefden, in een tijd dat het klimaat volstrekt niet zachter was dan thans; dat de Jakoeten bij 40 graden vorst zoo goed als naakt loopen; — ge vreest, dat de natuur niet rijk genoeg zal voeden, als ge niet arbeidt; bedenk dan, dat, wat uit de natuur als een harer vormen is voortgekomen, van zelf ook door haar in stand gehouden worden zal, zoolang dat past; en bedenk verder, dat Catharina van Siena in ‘t geheel niet at; — en eindelijk zijt ge bang, dat wilde dieren uw kostbaar lijf verscheuren zouden; zoo weet, dat geen wild dier een waarlijk goed mensch aanvallen zal; die heeft iets in zijn blik, dat uw glazige oogen, die het niet hebben, ook niet zien, de wilde dieren echter wel; eerst ouder volke-ren, die in begeerte leefden, waren, om de wilde dieren te bestrijden, helden noodig."
    Ze zullen niet eenvoudig zeggen: "Alle gebruik van verkeersmiddelen is uit den booze", maar daarbij wijzen op de nadeelen voor de gezondheid van treinenrook, en den zenuwschadenden invloed van het electromagnetisch veld der electrische trams, en op de noodzakelijke lichamelijke disharmonie, die volgen moet op verplaatsing in het krachtveld der aarde zonder de daarbij passende spierbeweging.
    En als ze zeggen: "Alle cultuur is uit den booze: paraziteeren op natuurkrachten is even strijdig met het geweten, als op menschen en dieren", dan wijzen ze toelichtend op alle degeneratie, ziekte en ellen- de, die de cultuur heeft meegebracht.
    Ja, soms verklaren ze zich bereid, om met de dwazen, hun medemenschen, te debatteeren; waar hun uitspraken den wil der anderen moesten ontkennen, veronderstellen ze bij een debat niet alleen dien wil der anderen, maar er bij hun eigen wil als daaraan gelijk.
    En, om een waarheid aan den man te brengen, zullen ze niet schromen, haar te laten steunen op besliste erkenning en proclameering eener gangbare dwaasheid; zoo wordt de waarheid van ’t maat-schappelijk onrecht en de plicht tot hooger leven door oeconomische hervormers gegrond op dwaze stellingen van vrees en streven, als zou het hoogere eerst kunnen leven bij gevulde magen — "primum vivere, deinde phiosophari" roepen ze uit — en als zou door verstandig redeneeren en dan actief ingrijpen uit alle kwaad een uitweg zijn te vinden.
    Vaak zullen ze ook in de toelichting tot hun ontkenningen, die tot der hoorders troost, weer stilzwij-gend gaan herroepen. Zoo zeggen ze niet zonder meer: "Ontdoe u van den waan van constantheid der stof: zónder beperking kan het Zelf alles scheppen", maar voegen daaraan toe verklaringen en hypothe-sen wat stof dán is, waarbij zoo weer de constantheid van andere dingen, misschien electronen, even dwaas wordt ingevoerd.

    En aan de uitspraak: ,Ontdoe u van uw verstand, dat geschenk van den duivel, voegen ze iets toe, dat zich stelt op het standpunt van ‘t gewraakte verstand, bijvoorbeeld: De natuur is oneindig veel fijner ingericht, dan uw verstand ooit kan omvatten, zoodat het nooit de beoogde vastheid bereiken zal." Terwijl de wereld heelemaal niet fijn is of gecompliceerd, maar vanzelfsprekend, voor wie weet buiten het verstand te treden; fijn wordt ze gezien door een verstand, dat arbeidt en gewaar wordt, dat zijn arbeid geen einde heeft.
    Zoo is de rol der predikers niet meer dan een leiding, een begeleiding zonder macht, van de zelfwijzi-ging, de zelfontwikkeling van het begeerteleven op de aarde, waar alle dwaasheden een tijdelijk bestaan voeren, tot ze zichzelf hebben overleefd, en rijp zijn om door predikers te worden opgeheven, en voor nieuwe plaats te maken. Maar steeds blijven de menschen doen, alsof het doel de middelen heiligt; zien dwaselijk een doel, als op zichzelf begeerenswaard, en jagen het na met op zichzelf als stuitend gevoelde middelen; ze voelen als stuitend het fokken en melken en voeren van koeien, en hopen daarvan toch zegen: blijven vleesch en melk gebruiken, tot hun daarvan het schadelijke wordt aangetoond; ze voelen als stuitend het planten en snoeien en mesten in tuinbouw, en hopen daarvan toch zegen: blijven zoo gekweekte groenten en vruchten gebruiken, tot hun daarvan het schadelijke wordt aangetoond; ze voelen als stuitend het werk aan spinnewiel en weefgetouw, maar blijven gordijnen en kleeden gebruiken, tot hun daarvan het schadelijke wordt aangetoond; ze voelen als stuitend alle arbeid en gestreef, toch wachten ze zegen van de cultuur; of, wie ontgoocheld er uit wil trekken, gaat streven en arbeiden op andere wegen — toch weer, want streven en arbeiden ligt in zijn aard.
    Zoo ziet de wereldgeschiedenis de menschelijke gevangenis slechts vervormen, maar nimmer worden de wanden gebroken.

    Tot moreele woordkunst, die niets met transcendente waarheid heeft te maken, hoort de lyriek; waarin wordt doorgedroomd op zieletoestanden, uit de cultuurverdwazingen opgebloeid. Naarmate ze minder of meer intellectueel is, zal ze voor de lezers bloot-prikkelend of idealen-bevestigend zijn.
Er wordt gezongen van liefde en weemoed; passie en wanhoop; wolken, strand en zee; papavers, maan en madeliefjes, zooals ze verschijnen in de gevangen wereld: de lezer hoort weerklinken zijn eigen fantazieën, en vindt een aangenamen steun, en meer zelfvertrouwen en tevredenheid, wat hem groot nood doet. En het meeste vindt hij zijn gading, als er "Weltschmerz" is door gewerkt, wat hem stilzwij-gend de troostende belofte schijnt te geven van een evenwicht, uit "Weltschmerz" door kweeking van gevoel gecompleteerd, en hem zijn eigen onbevredigdheid trotsch in bodemloos gemijmer doet ontvluchten, tot tijdelijke vrijheid van pijn.
    Als alle koopwaar, worden ook waarheid en lyriek vervalscht, ja worden bijna niet onvervalscht aangetroffen. Zoo weinig als de fabrikanten van kindermeel en vleeschextract aan de waarde van hun waar gelooven, zoo weinig als de leiders van spiritistische seances te goeder trouw zijn, zóó weinig gelooven de meeste filosofen en moralisten, wat ze schrijven, zóó weinig hebben de meeste lyrici zelf geluk bij hun verzen gevonden. Maar de kritiek der bedorven instincten is niet fijn; ook het vervalschte wordt aanvaard; mundus vult decipi. De priesters gelooven het niet, wat ze de menigte voorhouden; de leiders van politieke partijen bedriegen het volk willens en wetens, met woorden, die ze zelf niet begrijpen; de meeste dichters, schilders en verdere artiesten, hebben zich die rol aangematigd, uit slechte kansen op een plaats in de maatschappelijke industrieën, door zwakheid of luiheid; en het kritiekloos publiek erkende na eenigen tijd hun plaats in het kuustvak, waar ze geen onvervalschte waar leveren — omdat ze het niet kunnen.

    Sóms klinkt van de transcendente waarheid in het leven een begeleiding zonder meer: de waarheid zelf blijft buiten — buiten het afgegrensde leven, dus buiten verstandhouding; en de uitingsvormen schijnen uit het leven, waarvan ze een deel zijn, weggerukt. Het zijn in Zelfinkeering plots gegrepen fantazien, waarin de ziener na terugkeer tot zijn nederige, aardsche taak, blijft "gelooven" als in een accompagnement van hooger wijsheid, en waaruit hij de richtende stemming der Zelfinkeering natrillend terugroept.
    Die fantazieën zijn het harmonische resultaat van een attentie in het Zelf, en werk in de wereld.
    Voor een attentie binnen de wereld spreken ze niet; maar wie leeft in Zelfinkeering, in vrijheid van begeerte, vrees en weten, wie binnen de wereld geen richting ziet en ingaat, niets doet, dan wat met hem gedaan wordt, en zoo zich voor niet-omkeerbare daden, voor karmaverzwaring, behoedt, niets op zich laat inwerken, alles buiten zich om laat gebeuren, niet groeit, maar zich stil handhaaft op zijn plaats, en tegelijk zich vrij voelt, onbewegelijk buiten de wereld te blijven, waar hij aan zijn karma is ontsnapt, en aan verdriet, veroudering, ontbinding en dood — die voelt de door een ander in dien toestand gegrepen fantazieën ook in zijn leven begeleiden de waarheid, zwevend boven de wereld, los van de vormen der wereld.
    De in het leven gevangenen echter noemen het mystiek, ze vinden het duister; maar waarlijk: het is het licht; dat duister voor de duisterlingen is.
    De fantazieën der mystiek worden gegrepen in de vormen, die het dichtst staan bij de nederige, door háár te heiligen, taak, in de droeve wereld te vervullen; ze zullen dus niet licht verschijnen in muziek of beeldende kunst, maar het meest in wat het naast staat aan der menschen vloek, het intellect — in ‘t woord.
    De mystiek ontkent het positieve in het afgegrensde leven zonder rekenschap; en spiegelt het einde-loos emaneerende en resorbeerende Zelf in vreemd beeldende klanken. Slechts voor wie de melodie kent, heeft die begeleiding zin; maar hij zal het herkennen, ook een vreemd accompagnement, op een vreemd instrument, zooals de beelden der oude en middeleeuwsche mystieken, genomen uit de materieele aanschouwingswereld, zijn voor menschen van dezen tijd, die in de omgeving, waar hun plichten liggen, de aanschouwingswereld niet zoo levend, niet zoo pantheistisch hebben leeren zien. Maar daarom zijn ze voor hen niet minder goed verstaanbaar.
    Soms geven waarheidsklanken, zoo min als de mystieke, rekenschap aan ‘t intellect, maar zijn toegankelijk voor ‘t intellect; de menschen, die ze spraken, kenden Zelfinkeering, maar telkens in ‘t gevangen leven, stelden ze die aseisch buiten zich, en lieten ze op zich inwerken, om zich te sterken door woorden van inzicht en levensvoering, geplaatst in het systeem van ‘t afgegrensde leven, waarin hun attentie was teruggetreden. Ze kunnen hemi-mystieken genoemd worden: hun werken zijn voor den verstaander hinderlijk, daar ze de bovenaardsche waarheid niet hoog genoeg houden — en voor den niet-verstaander uiterst gevaarlijk: naar vastheid dolenden, die ze tegenkomen, worden er door tot allerlei extravagances gebracht. Aan bijna alle godsdienstige geestdrijverij en sektevorming lag een hemi-mystiek verkondigde waarheid ten grondslag.
    Van dit standpunt had de Kerk groot gelijk met de veroordeeling der ketterij van Eckhart, Huss, Luther en Calvijn, die wat boven de aarde hoort gelaten, neerhaalden op de aarde. Die menschen konden zich niet handhaven in het onbewogen aanzien van de wankelheid hier beneden als Gods wil; door hun eigen wankelheid verleid, lieten ze die op hun wil inwerken, en hun wil er op inwerken.
    Ook de bijbel bevat veel te veel hemi-mystiek, om door de menigte ongestraft te kunnen worden gelezen.
    Maar veel zuiverder mystieken zijn de oude Indiërs en Chineezen en sommige Kerkvaders; ook Jacob Böhme; die houden hun uitspraken boven het practische leven, en voor het practische verstand onbevat-telijk. Wel kunnen soms groote intellecten die werken fotografeeren in hun bevangen hersenen, waarin dan groote waarheden verschijnen, die de essence van het oorspronkelijke geheel hebben verloren, maar de menigte begrijpt daarvan niets, zoodat het spelletje voor zwakke zielen ongevaarlijk is .—- want meer dan een spelletje is het niet, als zoogenaamde wijsgeeren den redelijken zin verklaren van God, Drieëenheid, Onbevlekte Ontvangenis of Brahma-Wishnu-Çiwa; en meer dan een spelletje is ook exegese van den Bijbel niet.
    Zuivere mystiek is voor ‘t intellect, voor ‘t afgegrensde leven, zinloos; ze roept geen gewetens van slechte menschen wakker, laat de Grooten der Aarde met rust, en wordt door hen met rust gelaten, — als onschadelijke curiositeit.
    Verder kan, daar mystiek buiten het verstandsleven staat, er verstandelijk niet veel meer dan negatiefs van worden gezegd.
    Ze kan niet worden geleerd, alleen herkend. Waarheid schrijven kan ieder met talent, en talent kan leven in gevangen gemoed; waarheid begrijpen kan ieder met gezonde aardsche zinnen; mystiek schrij-ven of herkennen vereischt een zielevrijheid, niet door aardsche krachten te verwerven, maar alleen gegeven door goddelijke genade.
    Mystiek is heel iets anders, als occulte wetenschap, veelmeer een tegendeel, waar mystiek alle weten ontkent, en occultisme den hang naar weten in ‘t verste vervolgt; occultisme staat buiten het moreel; mystieke wijsheid gaat niet zonder moreele hoogheid.
    Nergens heeft mystiek een draad of passende volgorde; elke sententie staat op zich zelf, en behoeft geen andere om vooraf te gaan of te volgen, zooals begrijpelijk voor iets wat begeleidt wat buiten den tijd is. Vraagpunten der metaphysica, als onsterfelijkheid, vrije wil, zin van kunst en godsdienst, grondslagen der moraal, verschijnen hier als raadseluitvloeisels van het intellect, en met dat verschijnen is van elk het raadselachtige verdwenen, en tevens gebleken zijn onoplosbaarheid in ‘t intellect.
    Voor het intellect klinkt mystiek onsamenhangend, orakelachtig, soms als bombast, die den toets der kritiek niet kan doorstaan. En voor het intellect zal ze schijnen te wemelen van tegenstrijdigheden.
    Volgen eenige mystieke klanken, die zweven boven het in de vorige hoofstukken gesprokene:
    "Die erste Eigenschaft der Natur ist die Begierde, gleich einem Magnet, als die Einfaszlichkeit der Willens, der etwas sein will und doch nichts hat, woraus er etwas mache: und so führt er sich in eine Annehmlichkeit seiner selbst, impreszt and faszt sich selber zu einem Etwas, und ist doch nichts als ein scharfer, magnetischer Hunger, eine Herbigkeit, Härte und Kälte.
    Die zweite Eigenschaft entsteht aus der ersten, and ist das Ziehen oder Bewegen in der Schärfe. Denn der Magnet (das Anziehen) macht Harte und die Bewegung zerbricht die Härte wieder, und so ist ein immerwährender Streit in sich selber. So entsteht das bittre Wehe, ein Stachel der Empfindlichkeit, welche ohne die Schärfe und Bewegnis nicht wäre.
    Die dritte Eigenschaft ist die Angst, als das Wollen, das sich in Annehmlichkeit zur Natur und Ichheit eingeführt hat. Diese Bewegung ist in sich gleich einem drehenden Rade. Denn die Begierde zieht in sich und die Bewegung dringt aus sich: so kann der Wille in solcher Angst weder in sich noch aus sich und wird doch aus sich und in sich gezogen. Diese Angst ist das wahre Fundament der Hölle — wofern sie nicht — wie ewig in Gott geschieht — in die Freiheit des Lichtes verschlungen und aufgehoben wird" (Böhme ed. Claassen II p. 57.)
    "Die Kreatur soll unter Gott in Demut und Gehorsam bleiben and sich nicht weiter erheben; denn sie ist noch nicht Gott gleich; Gott will Kinder und nicht Herren bei ihm haben: Er ist Herr und Keiner mehr." (ib. p. 65.)
    "Ehe Gott das Wort der Schöpfung faszte, ging das Rad der ewigen Essentien ohne Wesen im Wunder. Als er aber den Willen ins Fiat setzte, gings in Wesen. Und da hat sich angefangen die Zeit, die zuvor in Ewigkeit nicht war." (ib. p. 66.)
    "Weil die Offenbarung der ewigen und der aüszeren irdischen und gefallenen Natur im Streite steht, so sind auch der finstern Welt Geister wider der heiligen Welt Geister, sonderlich aber wider die menschen, weiche in Böse und Gut offenbar stehen. So hat Gott eins wider das andre gesetzt, auf dasz seine Herrlichkeit offenbar werde, beides in seiner Liebe und seinen Zorn." (ib. p. 78). "Die Engel sind unsre Diener und Wachter, so wir anders Christen und nicht Tiere sind". (ib. p. 79.)
    "Es musz gerungen sein, bis das finstre, harte, verschlossene Zentrum zerspringt und der himmlische Funke in Zentrum fähet, daraus alsbald der edle Lilienzweig, als aus einem Göttlichen Senfkörnlein, wie Christus sagt, ausgrünt. Es musz ernstes Beten mit groszer Demut geschehen und man musz mit der eigenen Vernunft eine Weile ein Narr sein, sich selbst darin thöricht erscheinen, bis Christus eine Gestalt in dieser neuen Menschwerdung bekommt." (ib. 1. p. 183).
    "Es ist wohl möglich, dasz ein armer toter Sünder bekehrt werde, wenn er von den Bildern will stillstehen und einen Augenblick hören, was der Herr in ihm redet. Aber der verstockte, verbitterte Geist, will des Herrn Stimme in ihm selber nicht hören reden, sondern sagt nur: Buchstabe! Buchstabe! das geschriebene Wort sei es allein. Das zieht er hin und her und rühmt sich dessen, aber das lebendige Wort, das den Buchstaben hat ausgesprochen, will er in sich nicht dulden noch hören. Soll er aber zur Erkenntnis kommen, so musz er sich den Buchstaben zuvor töten lassen, alsdann macht ihn der Geist in Buchstaben erst recht lebendig." (ib. III p. 215).
    "Zuweilen reissen die stürmisch erregten Sinne selbst das Herz eines weisen Menschen mit Gewalt dahin.
    Aber alle seine Sinne überwunden, kann er in Meiner Gottheit ruhen, in Mich vertieft; denn dessen Sinne durch göttliche Kraft beherrscht sind, der steht in der Gotteserkenntnis.
    Wenn jemand nach sinnlichen Dingen trachtet, so wird sein Herz von jenen angezogen; aus dieser Anziehung entsteht Begierde, und aus der Begierde die Leidenschaft.
    Aus der Leidenschaft entsteht Verstandesverwirrung; aus dieser Vergessen erkannter Wahrheit; aus diesem Vergessen kommt Unvernunft, und der unvernünftige verdirbt.
    Wer aber den sinnlichen Dingen mit Sinnen, frei von Neigung oder Abneigung begegnet, und selbst beherrscht ist, erlangt den Frieden, weil seine Seele von Ruhe erfüllt.
    Der Friede in ihm macht ihn frei von allen Sorgen; denn das Herz dessen, in dem Friede herrscht, wird bald Festigkeit erlangen.
    Weder das wahre Verständnis, noch die richtige Sammlung des Geistes wird den Nichtergebungs-vollen zu Teil. Es giebt keine Ruhe für ihn, in dessen Gemüt keine Ordnung herrscht; und wie könnte, wer keine Ruhe hat, glückselig sein?" (Bhagavad Gîta II, 60—66).
    "Lasset euch nicht von Freude hinreiszen, wenn euch etwas Angenehmes geschieht, noch übergebt euch der Trauer, wenn euch etwas Widerwärtiges zusstösst. Lasst euer Gemüt in wolkenloser Klarheit in Brahma ruhen, in den ihr Brahma erkennt und in ihm lebt.
    Wessen Seele nicht an aüsseren Dingen hängt, wer in sich selbst Glückseligkeit findet, dessen Seele ist, mit Brahma durch Ergebung vereint, in ewiger Wonne.
    Die Freuden, durch Berührung mit der Aussenwelt erlangt, gebären Leiden. Sie haben Anfang und Ende, nicht in ihnen sucht der Weise sein Heil.
    Wer schon auf dieser Erde, noch ehe er von seinen Körper frei ist, den Drange der Begierde und des Zornes widerstehen kann, ist glücklich.
    Wer in sich selbst ist glücklich und mit sich selbst zufrieden, und findet in sich selber das Licht der Erleuchtung, ein solcher Yogi ist Eins mit Brahma, und findet Nirvanah in ihm". (Bhagavad Gita V, 20—24).
    "Wenn durch geistige Versenkung gezähmt, der Gedanke zu völliger Ruhe gekommen, und wenn er sich in sich selbst beschauend, die innere Zufriedenheit in sich gefunden hat;
    Wenn er mit jener unendlichen Wonne erfüllt, welche jenseits des Sinnlichen wohnet, und die nur die Seele erfassen kann — und wenn er fest darin verharrend, nicht mehr von der ewigen Wahrheit lässt,
    Wenn er, nachdem er dies erlangt, einsieht, das es nichts Höheres und Besseres geben kann; wenn er darin bleibt, und ihn nicht mehr, auch nicht ein grosses Leid bewegt,
    Dann wird er erfahren haben, dass die Einigung mit dem Höchsten, ist die Lostrennung von aller Berührung mit dem, was Leidwesen bringt". (Bhagavad Gîta VI, 20—23).

VIII

    Ook is van het Zelf, van de transcendente waarheid, in de wereld een begeleiding zonder meer het tastbare leven der vrijen, die hun oude, voldongen karma uitboeten, zonder nieuw karma te scheppen, die nooit de nederig aanvaarde wanden met geweld verbreken, maar ook nooit dralen, om zoo gauw buiten eigen toedoen een poort van bevrijding zich opent, die door te gaan; die in ‘t algemeen hun stoffelijk lichaam voelen als inklemming, die ze erkennen, tot het Gode behaagt, hun aflossing te geven en hen tot zich te nemen. Voor hun medemenschen zal hun invloed in de wereld nietig lijken: toch zijn juist zij de volvoerders van het Noodlot, dat schijnbare toeval, dat buiten de causaliteit om in het leven richt en wreekt. Maar met hun doelbeoogend doen zullen ze niet ingrijpen in den gang der gebeurtenissen, ze zullen de zelfwreking der slechtheid niet storen, dus ook versmaden, de waarheid te prediken. Maar bij al hun nederigheid en teruggetrokkenheid zal de waarheid in hun persoonlijkheid der menschen geweten storen en hun boosheid tegen hen hitsen, en uit de hun gedane smaad en pijn ontspringen de evangelie-stroomingen over de wereld, schijnbaar positief, nieuw, maar slechts negatief; het oude wrekend.
    Hun leven toont een negeeren van genot, bezit en eer, en ook van werk, dat niet direct is voorgelegd; want ze kennen geen tijdelijk doel en geen levensdoel, evenmin aansluiting aan medemenschen; vereeni- gingen zijn voor hen slechts de zwaarste bezinksels der dikke menschenvloeistof.
    Zoo zal bij een man het leven gericht zijn op absolute eenzaamheid, niet bij een vrouw: háár leven blijft een zoeken en zich geven, tusschen het menschelijke, d.i. mannelijke in. Want zijn voldongen karma, waardóór zijn leven voert en waaruit het is weggericht, is het milieu waarin hij geplaatst is, en het daarop reageeren volgens zijn doen, zijn intellect; het hare is de hang naar het mannelijke, zooals het leeft in den geliefde; door dien hang naar menschelijkheid buiten haar, onverbiddelijk van haar geschei-den, voert haar leven in langzame reiniging; milieu, omstandigheden en eigen menschelijke faculteiten zal ze negeeren. Maar haar leven blijft gericht op den geliefde, blijft dus in de wereld, en ze voelt, aan geen ontvluchten te mogen denken, zoolang ze geen man is; terwijl zijn weg heenleidt uit de wereld: hij schrijdt, zoo gauw hij van zijn mannelijkheid bewust wordt, tot uitboeting en opheffing daarvan.

    Zoo zal hij in den aanvang gewoonten en idealen zijner omgeving gedwee en ijverig hebben meegeleefd in zijn intellect, bij nauwlettend luisteren en geduldig afwachten naar de openbaring der innerlijke tegenstrijdigheid van dat intellect; en daar hij die openbaring niet heeft geforceerd, zal ze hem eerst zijn geworden in de uiterste consequenties der filosofie, waarin hij als in den top van een kegel vastliep; maar toen was hem de waan der wereld weggevlogen, en het Zelf geopenbaard. Sedert zullen weten-schap en nadenken uit zijn leven verdwenen zijn, want herkend als consequenties eener willekeurige afgrenzing, hij leeft alleen nog in het oogenblik, in blijmoedige aanvaarding van en omkeerbare reagee-ring op het milieu en zijn omstandigheden, en in nauwlettend acht geven op elke gelegenheid, aan een daardoor uitgeoefenden dwang te ontsnappen. En na de eerste kleine ontvluchting voelt hij zich niet meer thuis onder de menschen, die hij door onwillekeurige, uit de begonnen vrijmaking voortvloeiende, excentriciteiten gaat prikkelen — en wordt hij storend aangedaan door alles wat hem aan de gemeen-schap bindt, — wat hem dwingt tot de uiterste voorzichtigheid in menschelijken omgang, en hem de moeilijke taak brengt, met omstandigheden mee te leven zonder de dóór die omstandigheden dragende suggesties. Groot zou de verleiding zijn, de kleine vrijmaking prijs te geven en in het oude leven terug te vallen, ware het niet, dat uit het Zelf in overvloed hem almacht en alwijsheid vloeien, en immer zijn weg met vastheid openen, accompagneerend met mystiek, de dreigende stollingen in het leven vloeibaar houdend met de immanente en transcendente waarheid. die, aan iedere verstarring eigen, de kiem zijn van haar weervervluchtigen.
    Zoo zullen die storende aandoeningen slechts wegrichten uit de samenleving zijn geduldig afwach-tende gang. Steeds minder worden zijn behoeften, die lichamelijke belastingen, en, wat er van overblijft, zal hij, in zuiveren weerzin tegen paraziteeren, steeds meer direct door eigen arbeid voldoen, en de zuivere weerzin tegen dien arbeid, zal richten het verdwijnen van arbeid en behoeften.
    Zoo vordert buiten eigen toedoen de langzame reiniging van zijn omgeving, en de verijling der intellectueele nevelen, mét het onzuiver milieu nederig door hem gedragen; zoo is in zijn intellect zijn levensweg een boschlaan, die duister scheen aan ‘t eind, maar zich steeds weer, en steeds méér, klaart.
    En gaat hij naar steeds hooger eenzaamheid, armoede en bewegingloosheid; de samenleving zal hem het laatst zien als kluizenaar, heide zoekend boven domme vegetatie, en nacht boven het domme dag-licht. Veel zal hij baden in den Oceaan. En hij weet zich gericht naar nog hooger armoe, in het geloof: Der ist ein armer Mensch, dem alle Dinge, die Gott je schuf, nicht genüge tun. Das ist ein armer Mensch, der nichts will und nichts weiss und nichts hat.
    Und ist es noch so im Menschen bestellt, dass Gott eine Stätte in ihm zu wirken findet, so sagen wir: so lange das im Menschen ist, ist der Mensch nicht arm in der tiefsten Armut, denn Gott ist nicht der Meinung mit seinen Werken, der Mensch solle eine Stätte in sich haben, worin Gott wirken könne, sondern das ist eine Armut des Geistes, dass der Mensch Gottes und aller seiner Werke so ledig steht, dass Gott, wenn er in der Seele wirken will, selbst die Stätte sei, worin er wirken will, and das tut er gerne. Da ist der Mensch was er war, und da nimmt er weder ab noch zu, denn er ist da eine unbeweg-liche Ur-Sache, die alle Dinge bewegt. Allhier findet Gott keine Stätte in ihm, denn der Mensch erlangt mit seiner Armut, dass er ewiglich gewesen ist, and immer bleiben soll; Allhier ist Gott in Geist eins, und das ist die tiefste Armut, die man finden kann". (Meister Eckhart).
    Het weinige, wat hij nog doet, doet hij omkeerbaar; levert zijn werk resultaat, het is hem onverschil-lig; en daar al zijn daden omkeerbaar zijn, kan hij zoo goed in ‘t kwade, als in het goede zich laten gaan; soms zál hij het kwade doen, soms zál hij zijn aardsche banden schijnen te verzwaren: de wegen van het Zelf zijn ondoorgrondelijk. Misschien zal hij in ‘t leven teruggaan en blijven, zonder berouw, daar schijnen door hartstochten reddeloos voortgedreven, regelrecht naar de hel. Maar het roert hem niet, hij staat buiten de wereld, hij heeft er geen plichten, hij kan er niet zondigen; hij dóet er niets, hij is al lang dood, zijn attentie zweeft in betere gewesten, en: "L’apostasie est permise, quand le cœur est pur." (Flaubert).
    Die rechte wahre Gelassenheit ist das Sterben des Ekels wider Gott. Wer seine Selbheit gänzlich verläszt und sich mit Gemüt und Begier, Sinnen und Willen in Gottes Erbarmen, in das Sterben Jesu Christi ergiebt, der ist der irdischen Welt mit den Willen abgestorben, und ist ein zweifacher Mensch: der Ekel wirkt nur in sich selber, auch zum Sterben; aber der gelassene Wille lebt in Christi Tod und steht immer dar in seiner Auferstehung in Gott auf. Und ob die eigene Begier sündigt, welche ja nicht anders tun kann als sündigen, so lebt doch der gelassene Wille nicht in der Sünde; denn er ist der Sündenbegier abgestorben and lebt duch Christum in Gott, im Lande der Lebendigen, aber die Selbheit lebt in Lande des Todes, als im Immersterben." (Böhme ed. Claassen III p. 263).
    "Wer in seinen Innern den Himmel der Glückseligkeit findet, wer in seinen geistigen Selbstbewusst-sein sich seines unendlichen Daseins erfreut, und in sich selbst (in Gott) völlige Zufriedenheit hat, für den ist nichts mehr zu tun übrig.
    Denn er, über alle Welten erhaben, kümmert sich nichts mehr um das, was in Welten geschieht oder  auch nicht geschieht; und braucht er auch zu keinem Wesen Zuflucht zo nehmen.
    Thue deshalb, was getan werden muss; aber ohne Band. Wer völlig handelt ohne Band, gelangt zum All-Einigen.
    Alles was gesehieht, wird durch die Kräfte der Natur vollbracht. Dessen Seele von Eigendünkel geblendet, meint, er sei der Volbringer.
    Wer aber in Essenz den Unterschied erkennt zwischen Natur und Ur-Sein, und wer erkennt die Kräfte wirkend in den Kräften, der ist nicht durch seine Werke gebunden." (Bhag. Gîta III 17—19; 27—28)
    "Wer reinen Geistes fest ist in der Einigung, sich selbst beherrscht, die Sinne unterworfen, und eins ist mit Allen, der, obgleich wirkend, wird nicht davon berührt.
    Wer in Göttlichen aufgeht, wer die Wahrheit erkennt, der sage mit Recht: "Nicht ich bin es, der wirkt!" wenn seine Natur sieht, hört, fühlt, wacht, schmeckt, isst. schläft und atmet.
    Im Sprechen, Festhalten oder Geschehen lassen, Auf - oder Zumachen der Augen, weiss er, es sind die Sinnesorgane, die sich beschäftigen in der Sinneswelt.
    Wer, ohne Band, Alles im Namen des Höchsten thut, wird nicht von Sünde befleckt; wie auch das in Wasser schwimmende Lotusblatt nicht vom Wasser verunreinigt wird.
    Die Heiligen, von allen Banden des Weltlichen losgetrennt, vollbringen ihr Werk durch Körper, Gemüt, und Verstand, und sogar durch die Sinne, zur Reinigung des Kernes.
    Der Gottergebene, der auf die Früchte der Werke verzichtet, erlangt den ewigen Frieden. Der Weltmensch, gezogen durch Begierde, ist gebunden." (Bhagavad Gîta V 7—12).
    Maar de vrije mensch, hetzij hij voortgaat te ontvluchten door elke poort, of terugtreedt in het leven, hij heeft de wanden van het leven niet aangeroerd, er geen contact, geen pressie mee gehad; juist daar-door blijven die wanden transparant voor zijn schoonheid, die, alleen voor zijn gelijken zichtbaar, straalt door alles wat hem bindt, zijn huis, zijn kleeren, zijn vaderland en zijn lichaam, als zijn "idee", het karma, dat hem belastte bij zijn geboorte, en waarboven uit hij gestegen is; die schoonheid is vrij van de wereld, dus vrij van verwording en vergankelijkheid — een schoonheid van vrijheid, zichtbaar in gebon- denheid, waar de vrijheid in beproeving gaat door gebondenheid.
    Zoolang hij nog niet weg is uit de samenleving, zullen er vrouwen zijn, wier leven naar het zijne vloeit; drijft ze hartstocht, of zoeken ze in zwakke mannelijkheid zijn steun, dan dringt hun leven niet tot het zijne door, want ze zien niet hem; maar leven ze in gereinigd vrouwenleven, als vrouwen zonder eigen leven, ín hem, dan zien ze hem, en samenvloeien zal hun leven met het zijne; daar dan verder hun afwezigheid van eigen leven ze niet toelaat, los te worden van de samenleving, zal het door die vrouwen zijn, dat hij het laatst contact houdt met de samenleving, zal het door zijn vrouwen zijn, dat hij nog het laatst door dunne draden wortelt in de samenleving. Hun onbewust uitgestraalde verleiding zal hij aanzien als de vreemde bekorende straling van bloemen in zijn droom, die door aanraking weg is en den schuldige gedood heeft; maar die van hem, die in eerbiedig ontzag er langs heen gaat, het leven heiligt; die immaterieel is, en juist daarom voor de in veelheid en materie gevangen attentie — die ze prikkelt — niet te grijpen, maar in de klare ziel, die zich handhaaft immaterieel, zonder weerstand doordringt.
En vrouwen, die in hartstocht om hem zweven, ze zijn als vampyrs, maar voor hem onschadelijk, zoo goed als de roofdieren zijner eenzaamheid.

    Tot hij eindelijk in de samenleving niet meer gezien wordt; want: "Alle Dinge, die Gott schuf, tun ihm nicht genüge." Is hij dood, dan is hij aan zijn karma ontsnapt, dus aan alle verder Bestaan en Beperking. Maar juist, omdat hij aan zijn karma is ontsnapt, is voor hem geen reden, dood te gaan. Maar ook niet, om te leven in een land met onbekende verten, en niet verklaarde medemenschen. Hij zal dus naakt zijn op een eenzaam eiland, niet te groot, niet te klein, dat hij kan overzien. Ligt het op de aarde? Neen, want de aarde heeft geen reden van bestaan meer, is dus niet meer. De zee is kalm, de horizon scherp. Hij voelt de nooden van zijn lichaam, die hij reeds wist, dat niet waren, physiek verdwijnen. Nu is er, juist daarom, geen reden meer, waarom zijn lichaam sterven zou. Hij eet niet meer, hij over-schouwt zijn eiland in het rond, een vos, een paar konijnen vluchten ritselend, hij ziet het niet — de vogels zitten stil op de takken. Hij hurkt neer op het strand, en kijkt naar den horizon. Een zachte regen valt. Aan den hemel achter hem de maan, over de zee een bleeke glans; de vogels, ook achter hem, kijken hem aan, zwijgend, verwonderd, doch verlamd. Dit staat stil, zal altijd blijven, en is ten eeuwigen dage geweest.
    Dit laatste was mystiek. Gesloten in het kleed der fantazie, als immanente waarheid, geeft het Flaubert in "Le Gymnosophiste".
    "A l’entrée du bois, sur une manière de bûcher, est une chose étrange — un homme — enduit de bouse de vache, complètement nu, plus sec qu’une momie; ses articulations forment des nœuds â l’extrémité de ses os qui semblent des bâtons. Il a des paquets de coquilles aux oreilles, la figure très longue, le nez en bec de vautour. Son bras gauche reste droit en l’air, ankylosé, raide comme un pieu; — et il se tient là depuis si longtemps que des oiseaux ont fait un nid dans sa chevelure.
    Aux quatre coins de son bûcher flambent quatre feux. Le soleil est juste en face. Il le contemple les yeux grands ouverts." Dan zegt hij, (de vlammen spelen om hem heen):
    "Pareil au rhinocéros, je me suis enfoncé dans la solitude. J’habitais l’arbre derrière moi.
    Et je me nourrissais de fleurs et de fruits, avec une telle observance des préceptes que pas même un chien ne m’a vu manger.
    Comme l’existence provient de la corruption, la corruption du désir, le désir de la sensation, la sensation du contact, j’ai fui toute action, tout contact; et — sans plus bouger que la stèle d’un tombeau, exhalant mon haleine par mes deux narines, fixant mon regard sur mon nez, et considérant l’éther dans mon esprit, le monde dans mes membres, la lune dans mon cœur, — je songeais l’essence de la grande Ame d’où s’échappent continuellement, comme des étincelles de feu, les principes de la vie.
    J’ai saisi enfin 1’Ame suprême dans tous les êtres, tous les êtres dans l’âme suprême; — et je suis parvenu à y faire entrer mon âme, dans laquelle j’avais fait rentrer mes sens.
    Je reçois la science, directement du ciel, comme l’oiseau Tchataka qui ne se désaltère que dans les rayons de la pluie.
    Par cela même que je connais les choses, les choses n’existent plus.
    Pour moi, maintenant, il n’y a pas despoir, et pas d’angoisse, pas de bonheur, pas de vertu, ni jour ni nuit, ni toi ni moi, absolument rien.
    Mes austérités effroyables m’ont fait supérieur aux Puissances. Une contraction de ma pensée peut tuer cent fils de rois, détrôner les dieux, bouleverser le monde.
    .....J’ai pris en dégoût la forme, en dégoût la perception, en dégoût jusqu’ à la connaissance elle- même, — car la pensée ne survit pas au fait transitoire qui la cause, et l’esprit n’est qu’une illusion comme le reste.
    Tout ce qui est engendré périra, tout ce qui est mort doit revivre; les êtres actuellement disparus séjourneront dans des matrices non encore formées, et reviendront sur la terre, pour servir avec douleur d’autres créatures.
    Mais, comme j’ai roulé dans une multitude infinie d’existences, sous des enveloppes de dieux, d’hommes et d’animaux, je renonce au voyage, je ne veux plus de cette fatigue! J’abandonne la sale auberge de mon corps, maçonnée de chair, rougie de sang, couverte dune peau hideuse, pleine d’immondices; — et, pour ma récompense, je vais enfin dormir au plus profond de l’absolu, dans l’Anéantissement."

    Misschien vindt ge vreemd, dat voor den levensgang, dien de hoogsten, de wijsten kiezen, zoo weinig capaciteiten noodig zijn, dat er zoo weinig kunst aan is, aan die luiheid en die overgave. Maar ge zult bedenken, dat alle streven naar moeilijke, kunstige dingen, naar Ausbildung van capaciteiten, door hen reeds in den aanvang van dien levens-gang was afgeleerd: sinds lang reeds hebben ze op aarde niets meer vereerd, niets meer bewonderd, en weten, dat er niets eerwaardigs is, en niets bewonderenswaar-digs is; en voelen hun talenten als verzoekingen, heen lokkend naar actie in de wereld (die weer opdringt als werkelijk het beweeg van de wereld) — maar machteloos afstuitend op het inzicht van "Grandeur et Décadence" van alle aardsche grootheid en alle aardsche krachtsontplooiing; en vanaf hun de innerlijke tegenstrijdigheid van ‘t intellect werd opengedaan, hebben ze hun talenten geschuwd en genegeerd; en in de wereld kunnen ze geen kunst, niet eens voorspellen, welwetend, dat al voelen ze door verleden en toekomst heen, dat dat met der wereld uiterlijkheden en de taal niets heeft te maken, laat staan er in is uit te drukken.
    Maar wat op hun weg komt, kunnen ze alles, en meer dan kunsten, dan kunnen ze wonderen.

    En nu de vrije vrouwelijke levensgang. Die voert door ‘t dichtste van de samenleving heen, en eindigt er in; ook al blijft haar eigenlijke kern er buiten, want buiten tijd en buiten ruimte.
    Vastheid zoeken of erkennen, zal zij evenmin; op niets en niemand zal ze vertrouwen, aan niets en niemand zal ze trouw zijn. Maar de grenswand, door háár voldongen karma om háár gebouwd, is de doem tot aanbidding van het hoogste mannelijke, voor haar waarneembaar, en het aanpassen van haar uitwendig leven aan zijn vrije ontplooiing. Geen wetten en gewoonten der samenleving zullen haar binden daarbij, ongedwongen strooit ze misdaad op haar weg en wreedheid; en met gelijke ongedwon-genheid behoedt ze op dien weg haar eigen leven, op zichzelf van geen belang, tot dienst van den beminde; waarvoor ze menschenlevens offert, onbeschroomd, en, zonder schaamte, eigen eer. Hij, tracht ze te zorgen, dat háár niet kent; maar mocht zijn leven aan het hare zijn gaan raken, dan zal ze verkiezen hem te dienen in de meest nederige en verachte taak; welwetend, dat de vrouw, in deze wereld zonder ziel en schuldig aan den zondeval, hiér voor niets te goed is.
    De grenswand om haar zal opengaan, als haar geliefde duurzaam uit zijn karma valt; zoo blijkt de innerlijke tegenstrijdigheid van dat karma, dat zichzelf verlaat, zoo blijkt de illusoriteit van haar ideaal; óf. . . . als een hooger mannelijk karma haar verschijnt: dan schijnt een hooger licht door de oude grens-wand heen, die blijkt een niets te zijn, met een achterkant, die de voorkant opheft; en de diepere, lichtere wand, achter de oude zichtbaar geworden, trekt al haar aandacht. De nieuwe geliefde heeft haar geheele hart; tot zijn heil wordt misschien de oude met schijn-trouw bedrogen.
    Zooals de vrije mannelijke levensgang nederig uitleeft de intellectueele reaetie op zijn milieu — zoo de vrouwelijke het liefdeleven, dat háár voldongen karma is, . . . totdat de laatste, ijlste, lichtste wand gevallen is, en ze staart in de leege ruimte: de schijn-vastheid in de mannelijkheid buiten haar, waardoor alleen haar vrouwelijkheid bestaan kon, is vervluchtigd; dan heeft ook haar leven afgedaan. Bij de láátste openbaring is haar leven ineengezonken.
    Na velen achtereen gediend te hebben, steeds in reiner fase, verschijnt haar de laatste Vriend, in wien het mannelijke zichzelf heeft opgeheven, en als hoogste mannelijk princiep tot zijn Vader is weder-gekeerd, de laatste Vriend, wien niet te dienen is, dan door hem te laten en heen te gaan. En ze gaat heen en legt zich te sterven.

IX

    Een ding nog is er, waarvan het vrije leven zich zorgvuldig smetteloos houdt, zoolang zijn banden met de samenleving duren: ekonomie. Onwrikbaar zal daar zijn de zekerheid, dat voor die samenleving dwaasheid en onrecht essentieel zijn; was ze beter, regeerden er liefde en broederschap, ze had geen reden van bestaan, ze zou niet zijn. En intellectueel dat nader te aanschouwen, de wijzen en wetten van dat ongeluk en onrecht onder de oogen te zien, het zal daar niet lokken; de vrije mensch voelt van de wereld niet, dan wat die voor hem zelf aan dwang en grenzen is, aan doem van eigen schuld, die uit te boeten is; en in dien doem ligt al zijn aandacht, en in de zich langzaam voltrekkende vrijlating, nergens glijdend in verlokkingen, zoo min iets na te streven als begeerenswaard, zoo min ook iets te gaan verhel-pen als betreurenswaard; want wie iets ziet als begeerenswaard of betreurenswaard, die ziet het als iets buiten zich, als deel van een wereld die onafhankelijk en standvastig bestaat, als deel van een vast onver-vreemdbaar bezit, dat men kan kweeken, verzorgen, zuiveren, groeien doen, zooals men het zijn bloemen en zijn kippen kan doen; zoogoed tot wereldverbetering als tot eigen macht is invloed oefenen naar buiten: verblinding, ijdelheid, heerschzucht.
    De vrijen zien veelmeer hun medenenschen, als tot mede-leven lokkende, den levensweg storende waanvoorstellingen, die als schuld zijn te dragen, want hun vrijheid duidt ze niet naast zich. En de vrijen glijden daar langs heen met omzichtigheid.
    Het knoeien en wijzigen aan de gemeenschap, dat zullen ze rustig laten aan de gekken met ambitie; wel wetend dat die gekken er altijd zullen zijn, niet vreezend de mogelijkheid van hun ontbreken: want waren er niet, die streefden naar den waan, de wereld te regeeren, dan ware de wereld volmaakt, en geen regeeren noodig en geen gemeenschapszorg; en was de wereld volmaakt, dan zou ze er niet zijn.
    De zelfwijziging van de maatschappijleugen wordt geleid door de hand der waarheid, in het kleed der leugen, en blijft daarom niet bij een zuiverend breken van ‘t oude onrecht, de oude dwaasheid, maar uit der menschen wil tot dwaasheid en begeerte groeit een nieuwe dwaasheid, een nieuw onrecht.
    Ziet, hoe steeds de theorieën, die de ondermijning van een uitgeleefde maatschappij, van een oud systeem van onrecht begeleidden, in eigen positieve begrippen de kiem dragen van een kwaad, even groot als het oude.
    Ze hebben het over "Rechten van den mensch", alsof de mensch in ‘t leven rechten meebracht, en meer dan ellendige plichten, tot straf voor zijn geboren-worden.
    Ze hebben het over den "arbeid", zijn noodzakelijkheid, en het geluk, dat hij meebrengt. Alsof de arbeid der menschheid iets anders was, dan blinde stuiptrekking van angst voor wat geen kwaad is, en van begeerte naar wat ellende brengt; die arbeid, waardoor het insectenleger der menschensoort heeft teruggedrongen en weggevreten de moederende natuur, die haar voortbracht en in evenwicht hield, zoodat ze eenzaam, in ellende, zonder evenwicht en zonder steun, om het leven te rekken, de diensten aanneemt van helsche machten, als cohaesie en vuur; die arbeid, die met helsche machten weelde schept, die wegvloeit in zinnelijkheid, de menschensoort nóg uitbreidt, nóg verellendigt, nóg meer van de diensten der hel afhankelijk maakt; die arbeid, die, zoolang der menschen zonde de wereld noodig maakt, als werktuig van vrees en begeerte, haar als noodzakelijk droef, dwaas en ongelukkig zal in stand houden.
    Ze hebben het over "arme verdrukten" en over "verdrukte klassen"!; alsof hier iémand in een toestand van verdrukking zou geboren worden, die het niet verdient! Alsof maatschappelijke beperking kon bestaan voor hem, die niet uit angst zich heeft gebogen! Is dan de aarde niet de tuin van ellende, bestaan-de door innerlijke tegenstrijdigheid, waar in machtelooze worsteling en neergesmakte overmoed ieder loon naar werk en schuld ontvangt? En zal ze zoo niet blijven, en zullen er de menschen niet tegen hun straffen vechten, om ze te bestendigen?
    Ze praten dan ook van talenten en levensvreugde, die in de arme verdrukte klassen niet tot hun recht zouden komen; nu bestáát levensvreugde niet, ze wordt alleen begeerd; want het leven is vreugdeloos. En talenten lokken tot verdoling van attentie, en negeering van talenten spaart veel dwaasheid en veel droefheid; maar mócht tot iemands vrijen levensweg, tot de afboeting en ontgroeiing uit zijn karma, het uitrijpen van zijn talenten behooren, dan zal het hem bij houden van verbinding met het Zelf gebeuren, al was hij geboren in de meest verdrukte klasse.
    Of ze hebben het over het "Recht", en roepen in de toekomstvreugde van kinderlijke hoovaardij, dat het éénmaal eindelijk op aarde heerschen zal. Maar is het recht iets anders dan verstarring van die vereeniging der menschen, die hun scheiding uitdrukt zonder onafhankelijkheid? Heeft niet in het recht de menschheid zich vereenigd in gemeenschappelijke vrees voor het onzekere en voor elkander? Zonder dat het intusschen iets anders bereikt dan verplaatsing van het terrein van onzekerheid en onderlingen strijd naar veel afgelegener gebied, dan toen ze open met alle beschikbare middelen elkander vermoord-den? Op de basis van het recht wordt de strijd feller en stuitender, dan zonder recht; reeds bij het duel, waar wapenen èn opening van strijd de spontaniteit missen, begint het weerzinwekkende. Maar bij ons is niet alleen het vuistrecht afgeschaft en duelleeren we niet meer, maar we moeten ook onze schulden betalen en mogen geen valsche handteekeningen maken, waarmee de gluiperige geldmacht en de parazitaire staatsinrichting beschermd blijven, en het terrein van geoorloofden strijd is verplaatst naar een hoogst onfrisschen achterhoek, en dáár ligt nu het zwaartepunt van het maatschappelijk leven, dáár vermoorden en bedriegen ze elkaar. Trouwens, wie daar niet vechten wil, en het recht wil negeeren, die doet het; de strijd tégen het recht is uitlokkender en menschwaardiger, dan die in het recht; en voor wie heelemaal niet bang is, is het recht geen moeilijke partij; schrik niet: van 90% van alle moorden komt nooit iets uit; troost u, dat het voor de vermoorden het beste was, en dat ze hun lot verdienden.
    De ekonomen en volksleiders spreken ook gaarne over een "toekomststaat van bewust samenwerken-den"; ze zou mogelijk zijn voor menschen zonder vrees en begeerte, maar dié zouden niet werken, en een wereld van zulken zou niet bestaan. En onder het volk, dat uit begeerte saamgeloopen en luisterend, zich van dat moois vertellen laat, weet ieder voor zichzelf wel, dat hij niet aan de eischen voor dien toekomststaat beantwoordt.
    Maar zoo is het volk door begeerte verblind, dat het niet eens opmerken durft, hoe zijn leiders leven in onrechtmatige rijkdom buiten hen, en macht over hen, ja dat in een politieke partij meer mensch-onteerende discipline en neerdrukking van persoonlijke ontplooiing heerscht, dan de staat, die ze bestrijdt, doet gelden over zijn meest verdrukte onderdanen; socialistische werklui zijn meer de slaven van hun leiders, dan van hun ekonomische meesters. Vroeger vocht het volk voor de heeren tot voorge-spiegelde natiebevrijding en -handhaving, nu ook tot voorgespiegelde klassebevrijding en -handhaving; maar het volk zelf wordt nooit bevrijd, het blijft verdrukt en geëxploiteerd ten bate der begeerten of dwaze fantazieën en idealen der enkelen.
    Het terrein dier verdrukking en exploitatie verplaatst zich onder leiding der doorgebroken waarheid; het onrecht zelf blijft, overvloedig gevoed door vrees en begeerte en dwaasheid, en in zijn tijdelijken vorm steeds weer gesteund door een nieuw aspect van het "recht".
    Neen, de wereld kan niet zoo vervormd worden, dat ze dan menschen het goede geeft; de levensvoor-waarden der maatschappij blijven ongelukkig, en het leven van elk mensch blijft een ellende, door hoop-vol streven naar lotsverbetering en ontwikkeling slechts vergroot. Alleen als álles werd overgegeven, in alles berust, zou de ellende verdwenen zijn; maar ziet de wereld vol van ongelukkigen, wanen iets te bezitten, bang dat bezit los te laten, en hoopvol zwoegend het andere er bij te krijgen; het volk, dat streeft naar weelde, naar rijkdom; en wier rijkdom verzekerd, wier effecten geborgen, met even onver-zadelijke honger naar kennis, macht, gezondheid, of eer, of zingenot.
    Maar alleen, die weet, niets te bezitten niets te kunnen bezitten en geen vastheid bereikbaar, en in berusting zich overgeeft, die alles opoffert, die alles geeft, die niets meer weet en niets meer wil en niets meer weten wil, die alles laat gaan en verwaarloost, hem wordt alles gegeven en opent zich de wereld van vrijheid, van pijnlooze contemplatie, van — niets.


* * *

Naar boven