Home

Max Stirner

1842

Over Bruno Bauers

“De Bazuin van het Laatste Oordeel”

"Posaune des Jüngsten Gerichts"

Eerste publicatie in: Telegraph für Deutschland (Hamburg), januari 1842, S.22-31.

Hoe moet dat allemaal aan elkaar gepast, met elkaar in overeenstemming gebracht worden en zich met elkaar verzoenen? Wij hebben al lang genoeg geleden onder deze verdraagzaamheid en mildheid; wij hebben ons uitentreuren verbeeld, dat wij diep in ons hart helemaal niet zo onderling verdeeld waren, en dat wij het alleen maar met elkaar eens hoefden te worden; wij hebben kostbare tijd doorgebracht met zinloze pogingen tot eenwording en overeenstemming. De fanaticus heeft echter gelijk: “Hoe vallen Belial en Christus met elkaar te rijmen?” Geen enkel moment verslapte de vrome ijveraar in het felle gevecht tegen de onweerszwangere geest van de nieuwe tijd en kende geen ander doel dan haar “uitroeiing.” Zoals de keizer van het hemelse rijk slechts denkt aan “verdelging” van zijn vijanden, de Engelsen, wilde ook geen van hen iets van een ander gevecht weten dan het beslissende, op leven en dood. Wij plachten hem te laten razen en tieren, en zagen in hem niets anders dan een — lachwekkende fanaticus. Hebben wij daar juist aan gedaan? Voor zover de schreeuwlelijk zijn zaak altijd verliest tegenover het gezonde verstand van het volk, zij het dat ook de verstandige hem niet nog eens in het bijzonder terechtwijst, kunnen wij het oordeel over die banbliksemslingeraar rustig aan dat verstand overlaten en daar hebben we in het algemeen ook op vertrouwd. Alleen heeft onze lankmoedigheid ons onvoorzien in een gevaarlijke slaap gewiegd. Dat tekeergaan deed ons natuurlijk niets; maar achter de schreeuwlelijk school de gelovige en met hem de hele schare godvruchtigen, en — wat het ergste en wonderlijkste was — wij scholen daar zelf ook achter. Wij waren tenminste zeer vrijzinnige filosofen en lieten het niet op het denken aankomen: het denken was alles bij elkaar. Hoe stond het echter met het geloof? Zou dat dan voor het denken wijken? Mogen we daarvoor behoed worden! Hoeveel eer denken en kennis ook toe moge komen, maar op die manier mag je toch geen vijandschap veronderstellen tussen geloof en kennis! De inhoud van geloof en kennis is een en dezelfde, en wie het geloof kwetst, zou zichzelf niet begrijpen en geen echte filosoof zijn! Had Hegel het zich soms niet tot “doel gesteld van zijn religieus-filosofische colleges, om het verstand met de religie te verzoenen?” En wij, zijn volgelingen, zouden dan iets aan het geloof willen onttrekken? Dat is verre van ons! Weet dan, gij gelovige zielen, dat wij het over de inhoud van het geloof helemaal met jullie eens zijn, en dat wij onszelf alleen de schone taak hebben gesteld om jullie zo miskende en aangevochten geloof te verdedigen. Of twijfelen jullie daar misschien nog aan? Zie hoe wij ons voor jullie rechtvaardigen, lees ons verzoenende geschrift over “Geloof en Kennis” en over de “Piëteit van de filosofie ten opzichte van de christelijke religie” en een dozijn soortgelijke, en jullie zullen niet langer boos zijn op jullie beste vrienden! —

Zo stortte de goedhartige, vreedzame filosoof zich in de armen van het geloof. Wie is zo zonder zonden, dat hij de eerste steen zou kunnen opheffen tegen deze arme filosofische zondaar? De maanzieke slaapperiode vol zelfbedrog en misleiding was zo algemeen, de hang en drang naar vergevingsgezindheid zo gewoon, dat maar weinigen daar vrij van bleven en die weinigen waarschijnlijk niet eens terecht. Dat was de vredestijd van de diplomatie. Nergens echte vijandschap en toch overal gepest en oplichterij, ophitsen en weer bijleggen, uitpraten een aanpraten, suikerzoete vreedzaamheid en vriendschappelijk wantrouwen, zoals de diplomatie van deze tijd, — deze zinvolle kunst om de ernst van de wil door oppervlakkige leuterverhalen weg te goochelen, — dergelijke verschijnselen van zelfbedrog en misleiding op elk terrein heeft weten op te voeren. “Vrede tot elke prijs” of beter “het weer bijleggen en verdraagzaamheid tot elke prijs,” dat was de jammerlijke innerlijke behoefte van deze diplomaten. Het zou hier het goede moment zijn om een liedje te zingen voor deze diplomatie, die ons hele leven zo krachteloos heeft gemaakt, dat wij nog steeds rondtuimelen in een slaapdronken vertrouwen in deze handige magnetiseurs, die ons en hun eigen verstand in slaap hebben gesust, als dat nou net niet — verboden zou zijn.

Bovendien bekommeren wij ons hier echter ook alleen maar om de diplomatie, die bedoelt lijkt om een boek, dat met bovenstaande opmerkingen aangekondigd zou moeten worden, de laatste klap toe te dienen.

“De bazuinen van het laatste oordeel, over de atheïst en antichristen Hegel. Een ultimatum.” — Onder die titel is net bij Wigand een geschriftje van 11 pagina’s verschenen, waarvan de schrijver niet moeilijk is op te sporen door de mensen, die op de hoogte zijn van zijn laatste litteraire verrichtingen en juist daardoor van zijn wetenschappelijke standpunt. [1] Een kostelijke mystificatie, dit boek! Iemand met de grootst mogelijk godsvrucht, met een hart vol wrok jegens de goddeloze bende jong-hegelianen, grijpt terug op hun oorsprong, op Hegel zelf en zijn leer, en vindt — o gruwel — de hele revolutionaire woede, die nu uit zijn verdorven leerlingen tevoorschijn bruist, al eerder bij de verstokte, schijnheilige zondaar, die lang als toeverlaat en beschermer van het geloof is doorgegaan. Vol terechte woede scheurt hij hem het priestergewaad, dat hij tot dan toe heeft gedragen, van het lijf, zet hem, net als de papen in Costnitz bij Hus hebben gedaan, een met duivels en vlammen beschilderde papieren muts op het kaalgeschoren hoofd en jaagt de “aartsketter” door de stegen van de verbijsterde wereld. Zo onversaagd en veelzijdig heeft nog nooit iemand de filosofische Jacobijn ontmaskerd. Het is wat dat betreft onmiskenbaar een voortreffelijke vondst van de schrijver, dat hij de radicale aanval op Hegel in de mond legt van een overduidelijke knecht Gods. Het is de verdienste van deze knechten, dat zij zich niet laten verblinden, maar uit een juist instinct in Hegel hun aartsvijand en de antichristen van hun Christus ruiken. Anders dan de “goedgezinden,” die het noch bij hun geloof, noch bij hun kennis zouden kunnen verbruien, gaven zij zich niet over aan een goedgelovig vertrouwen, maar hielden steeds met een inquisitie-achtige strengheid de ketter in het oog, tot ze hem konden vangen. Ze lieten zich niet voor de gek houden — immers de domsten zijn doorgaans de slimsten — en kunnen daarom terecht eisen, dat ze geprezen moeten worden als de beste kenners van de gevaarlijke kanten van het systeem van Hegel. Je kent de schuilplaats, dus zoek geen andere!” Een wild dier weet heel precies, dat het van de mens het meest te vrezen heeft.

Hegel, die de menselijke geest wilde verheffen en verheven heeft tot de almachtige geest, en in zijn leer voor zijn leerlingen heeft benadrukt, dat niemand zijn heil buiten en boven zichzelf moest zoeken, maar dat iedereen zijn eigen heiland en redder is, heeft het nooit als zijn bijzondere roeping beschouwt, om het egoïsme, dat in duizendvoudige gestalten weerstand bood aan de bevrijding van de afzonderlijke mens, van al zijn versperringen weg te slaan en daar een zogenaamde “kleine oorlog” tegen te voeren. Men heeft hem deze nalatigheid ook verweten in de vorm, dat men zijn systeem betichtte van een gebrek aan elke moraal, waarmee men eigenlijk wilde zeggen, dat hij een gebrek toont aan elke weldoende opwekking tot deugd en pedagogische vaderlijkheid, de de zuivere helden der deugd vormen. De man, die zich tot taak had gesteld om een hele wereld omver te werpen door de bouw van een nieuwe, die geen ruimte meer laat voor de oude, zou schoolmeesterachtig de jongens op alle sluipwegen van hun geniepigheden achternalopen en moraal prediken of driftig aan de bouwvallige hutten en paleizen rammelen, die immers toch al moeten wegzakken, zodra hij de hele hemel samen met alle doorvoede Olympiërs op hen neerwerpt! Dat kan de kleingeestige angst van het schepsel zich alleen maar wensen, omdat het hemzelf aan moed ontbreekt, om de chaos van het leven van zich af te schudden; maar dat geldt niet voor de moedige mens, die maar één woord nodig heeft, de Logos, en daarmee alles bezit en waar hij alles uit voortbrengt. Omdat echter de geweldige schepper van het woord, omdat de meester zich over de details van de wereld, die hij in haar geheel ten val bracht, slechts bij gelegenheid heeft uitgelaten, omdat hij in de goddelijke toorn over het geheel, de toorn over het een en ander minder prijsgaf en minder voelde, omdat hij de God van zijn troon sleurde, zonder zich erom te bekommeren, of dan ook tegelijkertijd de hele schare bazuinengelen in het niets zou wegfladderen: daarom hebben de details en het een en ander weer de kop opgestoken en blazen de onopgemerkte engelen uit alle macht in de “bazuinen van het Laatste Oordeel.” Zo ontstond er na de dood van de “koning” een gedrang in de “knekelhuizen.” Waren de lieve engelen dan niet overgebleven? “Die rakkers zijn toch maar om lekker in te happen!” Wat zou een akkoord met hen sluiten heerlijk zijn! Als ze maar wat wereldser zouden worden, als ze zich maar wat begripsmatiger zouden laten fatsoeneren!

Daalt neder toch en luistert naar mijn heden;
Wat wereldser beweegt de lieve leden.
Waarachtig, ernst staat u niet kwaad,
Maar ‘k zag toch graag een lachje op uw gelaat,
Ik bleef voor eeuwig van verrukking dronken;
Ik meen zo’n lach waarmee verliefden lonken.
Eén trekje rond de mond en ‘t is al klaar.
Jij, lange knaap, behaagt mij nog het meest van allen,
Al wil je vroom gezicht mij niet bevallen;
Komaan, een béétje wulpser maar!
Ook wat meer naakt waar’ voeglijker misschien;
Wat àl te zeedlijk zijn die lange lappen.
Ja, draait je eens om. Van achteren bezien! -
Die rakkers zijn toch maar om lekker in te happen! – [2]

De zin in het positieve maakte zich meester van degene, aan wie het gebod van de wereldgeest was gericht om Hegels werk gedetailleerd voort te zetten, waartoe hij hem zelf had aangespoord, b.v. aan het slot van zijn Geschiedenis der Filosofie: “Mijn wens is, dat deze Geschiedenis der Filosofie voor u een uitnodiging moge zijn om de tijdgeest, die van nature in ons zit, te vatten en uit haar natuurlijkheid, d.w.z. geslotenheid, levenloosheid, aan het daglicht te brengen, en — iedereen op zijn eigen plek — bewust tevoorschijn te brengen.” Maar wat hemzelf betrof, hijzelf als filosoof, weigerde om de wereld uit haar tijdelijke nood te redden. “Hoe de tijdelijke, empirische tegenwoordige tijd een uitweg vindt uit deze tweespalt, zoals die is ontstaan, moet aan haarzelf worden overgelaten, en is niet rechtreeks een zaak en aangelegenheid van de filosofie.” Hij breidde de hemel van de vrijheid uit over de tijd en mocht het wel aan haarzelf “overlaten,” of zij de trage blik opwaarts wilde richten en het hare daaraan wilde bijdragen. Met zijn leerlingen was het anders. Zij behoorden al tot deze “tegenwoordige tijd, die een uitweg uit deze tweespalt moest vinden,” en moesten hen, de voor het eerst verlichten, helpen. Maar zij “pruttelden tegen” en werden diplomaat en vredestichter. Wat Hegel over het geheel genomen had afgebroken, dachten zij in afzonderlijke delen weer op te kunnen bouwen; zelf had hij zich namelijk niet overal uitgesproken over de details en was daarin vaak net zo duister als Christus. In het duister is het goed smiespelen: daar valt van alles in te vullen.

Gelukkig voor ons is het duistere decennium van de diplomatieke barbarij voorbij. Het had iets goeds en was — onontkoombaar. Wij moesten eerst helderheid over onszelf krijgen en de hele zwakte van de Ouden in ons opnemen, om het op die manier echt energiek te leren verachten als ons eigendom en ons eigen zelf. Wij komen gesterkt tevoorschijn uit de modderbaden van de vernedering, waarin wij bezoedeld worden met allerlei onreinheid van de bestendigheid, en roepen, tot een nieuw leven gewekt, uit: de band tussen jullie en ons moet verscheurde worden! Oorlog op leven en dood!

— Iemand die tegenwoordig nog steeds diplomatiek bemiddelt, iemand die nog steeds “vrede tegen elke prijs” wil, moet oppassen dat hij niet tussen de zwaarden van de vechtenden terechtkomt en een bloedig slachtoffer wordt van zijn “goedbedoelde” halfslachtigheid. De tijd van verzoening en sofistiek tegen anderen en onszelf is voorbij.

De bazuinblazer stoot het volle strijdsignaal in zijn bazuin van het Laatste Oordeel. Het zal nog menig slaperig oor treffen, waarin het weergalmt, maar niet wekt; menigeen zal nog denken dat hij achter het front kan blijven; nog meer zullen geloven dat er onnodig kabaal wordt gemaakt en dat men een woord van vrede voor een strijdkreet laat doorgaan: maar het maakt niets meer uit. Als de wereld klaar staat voor het gevecht tegen God, en de bulderende donder van de veldslag losbreekt tegen de Olympiër zelf en legerscharen: dan kunnen alleen de doden slapen; de levenden kiezen partij. Wij willen geen bemiddeling, geen weer goedmaken, geen diplomatiek “gepruttel” meer, wij willen in afzonderlijke kampen tegenover elkaar staan; wij willen dat de goddelozen het hoofd bieden aan de vromen; wij willen laten weten hoe wij er met elkaar voor staan. En daarin, herhaal ik, in die vastberaden vijandschap verdienen de vrome zeloten voorrang; zij hebben uit een juist instinct nooit vriendschap gesloten. Daarom kon de onthulling van de aartsketterij van Hegel niet op een meer geschikte en tegelijkertijd terechte manier ingeleid worden, dan de schrijver dat heeft gedaan, omdat hij de bazuinen van het Laatste Oordeel in het gelovige zelotisme laat weerklinken. Zij willen geen “goedkoop weer goedmaken,” zij willen de vernietigingsoorlog. Dat gelijk zullen zij krijgen.

Wat moeten — en met deze vraag denken dat wij in het boek zelf verzeild raken — de godvrezenden dan van Hegels kwaad vinden? De godvrezenden? Wie bedreigt hen meer met de ondergang, dan de vernietiger van de vrees? Hegel is inderdaad de verkondiger en schepper van de dapperheid, waar de laffe harten voor sidderen. Securi adversus homines, securi adversus Deos, (vert.: onbevreesd voor de mensen, onbevreesd voor de goden) zo schildert Tacitus de oude Duitsers. Maar door het verliezen van zichzelf was de zekerheid jegens God verloren gegaan en nestelde de godvrezendheid zich in de berouwvolle gemoederen. Uiteindelijk hebben ze zichzelf weer teruggevonden en de huivering van de vrees bedwongen; want zij hebben het woord gevonden, dat voortaan niet meer te verdelgen, dat eeuwig is, hoe zij daar ook nog tegen zouden willen worstelen en vechten, totdat iedereen het zich eigen maakt. Een waarachtige Duitse man — securus adversus Deum — heeft het uitgesproken, het bevrijdende woord, de zelfgenoegzaamheid, de autarkie van de vrije mens.

De Fransen, die als eersten het idee van de vrijheid met een wereldhistorische nadruk hebben verkondigd, hebben ons verlost van vele soorten angst en respect, en hebben zichzelf in het niets van de lachwekkendheid omlaag zien zinken. Zijn ze dan niet opnieuw weer opgedoken met die afschuwelijke slangenkoppen, en wordt het dappere zelfvertrouwen dan niet nog steeds verduistert door een honderdvoudige angst? Het heil dat de Fransen ons hebben gebracht, was evenmin grondig en onwankelbaar, als dat wat ooit vanuit Bohemen in de Hussitische stormaanval het vuursignaal voor de latere Duitse Reformatie gaf. Pas de Duitser, en hij alleen, gaf blijk van de wereldhistorische roeping van het radicalisme; alleen hij is radicaal, en alleen hij is het — terecht. Niemand is zo onverbiddelijk en meedogenloos als hij; want hij brengt niet alleen de bestaande wereld ten val, om zelf te blijven staan; hij brengt — zichzelf ten val. Overal waar de Duitser omverhaalt, moet een God vallen en een wereld vergaan. Voor de Duitser is het vernietigen, — het scheppen en vermorzelen van het tijdelijke — zijn eeuwigheid. Alleen hier bestaat geen angst en geen versagen meer: hij verjaagt niet alleen de angst voor spoken en deze en gene eerbied, hij roeit alle angst uit, de eerbied zelf en de godvrezendheid. Vlucht maar, angstige zielen, van de vreze naar de liefde voor God, waar jullie in jullie taal en dus ook in jullie volksbewustzijn niet eens een geschikt woord voor hebben: hij lijdt niet langer op jullie verzoek, want hij maakt van jullie God een lijk, en jullie liefde verandert hij daardoor in afschuw.

In deze zin schalt dus ook de “bazuin” en bevat, onder oudtestamentische formuleringen en diepe zuchten, de echte strekking van Hegels systeem, met de bedoeling om “aan de moderne overwegingen, transacties en angstige kruis- en dwarsverbanden, die nog steeds berusten op de veronderstelling, dat dwaling en waarheid met elkaar gerijmd kunnen worden, een einde te maken.” “Weg,” roept de tegen alles met woede vervulde bazuinblazer, “weg met die bemiddelingswoede, met die sentimentele gelei, met die schurken- en leugenwereld: alleen het ene is waar, en als het ene en het andere bijeen worden geplaatst, valt het andere vanzelf in het niet. Kom bij ons niet aan met de angstige, wereldwijze schuchterheid van de school van Schleiermacher en de positieve filosofie; weg met die bleuheid, die alleen maar wil bemiddelen, omdat zij nog steeds innerlijk de dwaling liefheeft en niet de moed heeft om die uit haar hart te scheuren. Scheur die uit jezelf en werp haar weg, deze dubbelgespleten, heen en weer gaande, vleiende en bemiddelende slangentong; jullie mond, hart en gemoed moeten oprecht, één en zuiver zijn enz.” Weg dus met de taaie en geestverlammende, zij het ook intelligente, diplomatie!

De bazuinblazer is een echte knecht Gods, zoals hij moet zijn, die zijn bewegingsloze God, net zo zeker als de Turk zijn Allah, weigert bij te staan tegen de godslasterlijke Hegel, behalve de God der vromen. Aan deze afwijking is het voorwoord gewijd (pag. 5 – 42), waarin eerst de “oudere Hegelianen” begroet worden met de woorden: “zij hebben altijd het woord verzoening in de mond gehad, maar achter hun lippen zat addergif.” Hen moet nu “de spiegel van het systeem worden voorgehouden, en zijn dan verplicht om mensen als Göschel, Henning, Gabler, Rosenkranz enz., te antwoorden, terwijl zij het hun — regering verschuldigd zijn. De tijd is aangebroken, waarin nog langer zwijgen een misdaad is.” Er is ook een “filosofische school” ontstaan, die een “christelijke en positieve filosofie” in het leven wilde roepen en Hegel filosofisch wilde weerleggen, alleen heeft die ook alleen maar zichzelf liefgehad; zij heeft zich zelfs vergrepen aan de fundamenten van de christelijke waarheid, en bovendien heeft zij onder de gelovigen evenmin resultaat en invloed gehad als onder de ongelovigen. Als wij dan jammeren en de regeringen op zoek zijn naar de arts, is er dan soms een van die positieven als arts ontdekt, en hebben de regeringen een van hen de kuur toevertrouwd?

Nee! Er zijn andere mannen nodig! Mensen als Krummacher, Hävernick, Hengstenberg en Harless zijn voor de barst moeten gaan staan! Tot slot wordt een derde soort vijanden van Hegels filosofie, de Schleiermacherianen, op dezelfde manier in een kwaad daglicht geplaatst. “Zij zijn zelf nog steeds blootgesteld aan de verlokkingen van het kwaad, omdat zij ervan houden om de schijn op te dienen, alsof ze zelf filosoof zijn. En toch zijn ze niet eens in staat om de jaloersen een proeve van deze opleiding te verschaffen. Voor hen geldt de uitspraak: ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt en noch heet. Waart gij maar koud of heet! Zo dan, omdat gij lauw zijt en noch heet, noch koud, zal ik u uit Mijn mond spuwen. (Openb. 3:15)” Jullie ijver voor het “kerkelijke leven” wordt door de bazuinblazer wel erkend; het is voor hem echter niet “ernstig, grondig, uitvoerig en ijverig genoeg,” en ook jullie hebben Bruno Bauer (de evangelische landskerk van Pruisen en de wetenschap) niets in de weg gelegd, wat zijn lasterlijke beweringen omver kon werpen.” (pag. 30) Uiteindelijk wordt bedacht dat Leos (?) de persoon is die “als eerste de moed heeft gehad om tegen deze goddeloze filosofie op te treden, haar formeel aan te klagen en de christelijke gezinde regeringen opmerkzaam te maken op het dreigende gevaar, dat vanuit deze filosofie staat, kerk en zedelijkheid van iedereen bedreigt.” Maar ook hij wordt berispt, omdat hij onvoldoende onverbiddelijk te werk gaat en omdat ook zijn werken nog met “enig werelds zuurdesem doordrongen zijn,” wat bij hem met veel spitsvondigheid wordt aangetoond. Psalmodiërende banvloeken tegen de goddelozen vormen, — wat banaal — het slot.

De “inleiding” onthult ons de eigenlijke bedoeling van de grimmige man. “Het uur heeft geslagen, waarop de ergste, trotste en laatste vijand van de Here wordt neergeslagen. Deze vijand is echter ook de gevaarlijkste. De Kelten (Welschen) — dat volk van de antichrist — hebben met een schaamteloze openheid, bij klaarlichte dag, op de markt, onder het oog van de zon, die nog nooit zo’n misdaad heeft gezien, en voor de ogen van het christelijke Europa, de Here der eeuwigheid tot het niets omlaag geduwd, zoals ze de gezalfde Gods hadden vermoord en met de hoer, het verstand, afgodisch echtbreuk hadden gepleegd. Maar Europa, vol heilige geestdrift, wurgde de gruwel en ging onderling een heilig verbond aan, om de antichrist in de boeien te slaan en voor de ware Here weer zijn eeuwige altaren op te richten. Toen kwam, nee! — toen ontbood, toen vertroetelde, toen beschermde, toen eerde en bezoldigde men de vijand, die men daarbuiten had overwonnen, in een man, die sterker was dan het Franse volk, een man, die de decreten van dat helse convent weer tot kracht van wet verhief, hen nieuwe, stevigere fundamenten bood en onder de vleiende, vooral voor de jeugd verleidelijke titel filosofie, toegang verschafte. Men benoemde Hegel en maakt hem tot middelpunt van de Berlijnse universiteit. — Denk nou niet dat de bende, waarmee de christelijke staat in onze tijd te kampen heeft, een andere principe volgt en andere leerstellingen belijdt, dan de meester van het bedrog heeft opgesteld. Het is waar dat de recentere school aanzienlijk verschilt van de oudere, die de meester bij elkaar heeft verzameld: zij heeft de schaamte en alle goddelijke inhoud weggeworpen, bestrijdt open en zonder enige terughoudendheid kerk en staat, en werpt op dezelfde manier het teken van het kruis omver, als zij de troon aan het wankelen wil brengen — allemaal overtuigingen en helse daden, waartoe de oudere school niet in staat leek. Het lijkt alleen maar zo, of het was misschien alleen een toevallige vooringenomenheid en beperktheid, dat de vroegere leerlingen het niet tot deze duivelse energie konden brengen: in wezen en feitelijk, d.w.z. als we teruggrijpen op de eigenlijk leer van de meester, hebben de latere niets nieuws bedacht; zij hebben eigenlijk alleen de doorzichtige sluier, waarin de meester zijn beweringen af en toe verhulde, weggenomen en de naaktheid van het systeem — schaamteloos blootgelegd.”

Wij zouden nu de plicht moeten hebben om nader in te gaan op de aanklacht tegen het systeem van Hegel, de eigenlijke inhoud van het boek. Dat is echter van dien aard, dat het de lezer in zijn geheel en niet in een recensie versnipperd onder ogen moet komen en bovendien hebben wij daarop niets anders aan te merken, dan dat het erop lijkt dat het geheugen van de schrijver niet alle bruikbare passages van het werk van Hegel ter beschikking heeft gehad. Omdat intussen, zoals op pagina 163 wordt aangekondigd, op dit geschrift nog een tweede deel volgt, dat zal aantonen “hoe Hegel van meet af aan uit de innerlijke dialectiek en ontwikkeling van het zelfbewustzijn, als een bijzonder fenomeen daarvan, de religie laat ontstaan,” en waarin tegelijkertijd “Hegels haat tegen de religie en christelijke kunst en zijn opheffen van alle positieve staatswetten zal worden weergegeven,”: ligt de mogelijkheid nog helemaal open om het misschien verzuimde in te halen. De lezer — en iemand die een levendige belangstelling heeft voor de vraagstukken van deze tijd, mag dit boek niet ongezien laten — moet er dus genoegen mee nemen dat hij alleen een overzicht van de 13 hoofdstukken krijgt.

1)  De religieuze verhouding als substantialiteits-verhouding. De bazuinblazer beweert namelijk, dat Hegel “over zijn werk een dubbel omhulsel heeft getrokken,” waarvan het ene eruit bestaat, dat hij ontelbare malen over God spreekt en het bijna altijd lijkt, alsof hij onder God de levende God verstaat, die er al was, voordat de wereld bestond enz. Bij die opvatting zouden de oudere Hegelianen (met iemand als Göschel aan kop) zijn blijven steken. Door een tweede omhulsel zou hij de schijn wekken, dat religie wordt opgevat in de vorm van de substantialiteits-verhouding en dialectiek, waarin de geest zich overgeeft en opoffert aan het algemene, dat als substantie — of zoals het vaker wordt genoemd — als de absolute idee macht over haar heeft, daaraan haar bijzondere apartheid prijsgeeft en daar op die manier een eenheid mee vormt. Door deze gevaarlijke schijn hebben zich de sterkere geesten (Strauss enz.) gevangen laten nemen. “Maar,” luidt het tot slot, “nog gevaarlijker dan deze schijn is de zaak zelf, die elk ervaren en open oog, als het zich ook maar enigermate inspant, meteen tegemoet treedt: het is de opvatting over de religie, volgens welke de religieuze verhouding niets anders is dan een verhouding van het zelfbewustzijn tot zichzelf, en alle krachten, die als substantie of als de absolute idee van het zelfbewustzijn nog lijken onderscheiden te kunnen worden, niets anders zijn dan de eigen, in de religieuze voorstelling alleen maar geobjectiveerde, momenten daarvan zijn.” Daarna is de inhoud van het eerste hoofdstuk duidelijk. —
2)  Het spook van de wereldgeest.
3)  Haat tegen God.
4)  Haat tegen het bestaande.
5)  Bewondering voor de Fransen en verachting voor de Duitsers. Dat is niet in tegenspraak met de lof die wij hierboven de Duitser hebben toebedeeld.
6)  Vernietiging van de religie.
7)  Haat tegen het jodendom.
8)  Voorliefde voor de Grieken.
9)  Haat tegen de kerk.
10)  Verachting van de heilige Schrift en de heilige geschiedenis.
11)  De religie als product van het zelfbewustzijn.
12)  Opheffing van het christendom.
13)  Haat tegen grote geleerdheid en het schrijven in het Latijn (volgens de bazuinblazer, een komische toevoeging).

Het aangekondigde tweede deel, waarvoor bij de schrijver in zeer grote mate de hulp van een uitgebreid geheugen te wensen valt, omdat het hem niet ontbreekt aan andere begaafdheid, moet na publicatie meteen besproken worden en dan moet misschien ook iets uit het huidige boek worden bijgevoegd.

Tot slot kan nog gevraagd worden, waarom wij dit boek met zo’n gerust hart als een maskerade zien? Omdat iemand die godvruchtig is nooit zij vrijmoedig en intelligent kan zijn als de schrijver. “Iemand die niet de draak met zichzelf kan steken, is echt niet een van de besten!”

EINDE

Noten:

[1] Wat hij in de toespraak tot “zijn broeder in Christus” als volgt motiveert: “Wij zullen ons voorlopig nog schuilhouden, zodat het niet lijkt alsof wij naar een andere eer dan de hemelse kroon zouden streven. Als de strijd, die wij binnenkort hopen te beëindigen, is afgelopen, als de leugen haar straf heeft gekregen, zullen wij jullie ook persoonlijk begroeten en op het slagveld innig omarmen.”

[2] Goethe: Faust II, v. 11787 – 11800. Graflegging, Mefistofeles spreekt. Vert. Nico van Suchtelen. Wereldbibliotheek BV Amsterdam ISBN 90 284 14665