Home

Procopius van Caesarea

± 500 – ± 565 n.C.

over

‘de Pest van Justinianus’ 

Uit: De Geschiedenis van de Oorlogen (Υπέρ των πολέμων λόγοι)

Hoofdstuk XXII

In die tijd (542 n.C.) woedde een plaag, die vrijwel de hele mensheid uitroeide. Bij alle andere vanuit de Hemel gezonden gesels, was door vermetele mensen altijd een of andere verklaring van de oorzaak gegeven, zoals al die theorieën die dan geopperd worden door mensen die verstand van zaken hebben en er dol op zijn om voor gewone mensen absoluut onbegrijpelijke oorzaken tevoorschijn te toveren. Dat zijn mensen die zonderlinge filosofische theorieën bedenken, terwijl ze heel goed weten dat wat ze zeggen niet waar is, maar denken dat het voldoende is als zij daarmee mensen, die ze tegenkomen, door hun argumenten voor de gek kunnen houden en hen kunnen overtuigen van hun ideeën. Voor deze ramp is het echter volstrekt onmogelijk enige verklaring te verwoorden of te bedenken, behalve door die aan God toe te schrijven. Zij trof namelijk niet slechts een deel van de aarde of bepaalde mensen en beperkte zich ook niet tot een bepaald jaarseizoen. Dan was het wel mogelijk geweest een scherpzinnige verklaring van de oorzaak te vinden, maar deze strekte zich uit over de hele wereld en had een vernietigende invloed op het leven van alle mensen. Toch liep dat opmerkelijk uiteen bij de een of de ander, maar hield geen rekening met sekse of leeftijd. Het leek bij deze ziekte niets uit te maken hoezeer mensen van elkaar verschilden, de plaats waar zij leefden, de gewoonten van hun dagelijkse leven, hun natuurlijke neigingen, dagelijkse bezigheden, of wat dan ook. Sommigen trof zij in het zomerseizoen, anderen in de winter en weer anderen in andere perioden van het jaar. Iedereen, sofist en filosoof, mag dan wel zijn mening over deze zaak uitspreken, maar ik zal nu zelf gaan vertellen waar deze ziekte begon en de manier waarop mensen daaraan bezweken.

De ziekte brak uit in  Egypte onder de bewoners van Pelusium. Daarna vertakte zij zich in twee richtingen. De een leidde naar Alexandrië en de rest van Egypte en via de ander bereikte zij Palestina, in de grensstreek van Egypte. Vandaar reisde zij in gunstige perioden door, bewoog zich steeds verder en breidde zich uit over de hele wereld. Het leek alsof zij voortschreed volgens een vast plan en in ieder land een bepaalde tijd verbleef. Overal ging ze zorgvuldig vernietigend tewerk en verspreidde zich in alle richtingen uit tot aan de einden der wereld, alsof ze bang was dat er nog een uithoek van de aarde aan haar aandacht zou ontsnappen. Geen enkel door mensen bewoond eiland, grot of bergketen werd door haar gespaard en als zij een land voorbijgegaan was, zonder de mensen te ziek te maken of hen op een mildere manier te raken, kwam zij daar toch op een later tijdstip weer terug. Bewoners van een land die eerder wel zeer ernstig onder haar hadden geleden, trof zij dan helemaal niet meer. Zij bleef daar echter dan wel zo lang verwijlen tot zij haar verdiende en gepaste aantal doden bereikt had. Dat kwam precies overeen met het aantal eerdere slachtoffers onder de bevolking. Deze ziekte dook altijd op aan de kust en verspreidde zich vandaar naar het binnenland. Het tweede jaar bereikte ze midden in de lente Byzantium, waar ik op dat moment toevallig verbleef. Het gebeurde als volgt.
Door veel mensen werden geestverschijningen gezien in allerlei menselijke gedaanten en wie dat overkwam dacht dat hij daardoor ergens in zijn lichaam geraakt was en werd getroffen door de ziekte, meteen nadat hij die verschijning gezien had. Aanvankelijk probeerden degenen die deze verschijningen gehad hadden ze te verdrijven door allerlei heilige woorden uit te spreken en zo goed en kwaad als ze konden uit te drijven, maar bereikten daar helemaal niets mee, want zelfs in de heiligdommen waar de meesten hun toevlucht hadden gezocht stierven mensen aan een stuk door. Later wilden zij helemaal niets meer te maken hebben met hun vrienden, als die hen riepen. Ze sloten zichzelf op in hun huizen en deden alsof ze niets hoorden als er op hun deur gebonsd werd, omdat ze kennelijk bang waren dat het een van die demonen was. Maar bij sommigen kondigde de ziekte zich op een andere manier aan. Zij kregen visioenen in hun droom en waarin ze precies hetzelfde leken te ondergaan onder de handen van het wezen dat zich dan over hen heen boog, of dachten dat ze een stem hoorden die hen aanzegde dat zij tot degenen behoorden die ten dode opgeschreven waren. De meesten die getroffen werden door de ziekte realiseerden zich echter niet door een dagdroom of visioen wat hen te wachten stond. Bij hen ging het als volgt. Opeens kregen zij koorts, sommigen als ze net wakker waren geworden, anderen terwijl ze rondliepen en weer anderen die met andere dingen bezig waren. Het had niets te maken met wat zij aan het doen waren. Het lichaam veranderde niet van kleur en werd ook niet warm, zoals te verwachten was bij een koortsaanval. Er was ook geen sprake van ontstekingsverschijnselen, maar de koorts was vanaf het begin zo mild, dat het tot de avond viel noch voor de zieke zelf, noch voor de arts die hem onderzocht, enige aanleiding gaf om te vermoeden dat het gevaarlijk was. Het was dus vanzelfsprekend dat niemand die de ziekte opliep verwachtte dat hij daaraan zou sterven. In sommige gevallen ontwikkelde zich klierzwellingen, bij de een op de eerste en bij de ander op de tweede dag. Die ontstonden niet alleen niet alleen op de plaats van het lichaam die “bubon” genoemd wordt, dat wil zeggen aan de onderkant van de buik, maar ook in de oksel en in sommige gevallen achter de oren en op verschillende plaatsen aan het bovenbeen.

Tot hiertoe was de ziekte bij iedereen hetzelfde, maar daarna ontwikkelden zich zeer opmerkelijke verschillen. Ik kan niet zeggen of de oorzaak van die verschillende symptomen afhing van een verschil in lichamelijke toestand, of van het feit dat het verliep volgens de wens van Hem die deze ziekte in de wereld had gebracht. Sommigen vielen in een diep coma, terwijl anderen in een hevig delier raakten. Weer anderen kregen de kenmerkende symptomen van de ziekte. Mensen die in coma raakten hadden geen aandacht voor hun omgeving en leken voortdurend te slapen. Als iemand voor hen zorgde, aten ze wel, maar zonder wakker te worden. Aan sommigen werd echter geen aandacht besteed en stierven binnen korte tijd aan voedseltekort. Zieken die in een delier raakten leden aan slapeloosheid en waren slachtoffer van een gestoorde verbeelding. Zij dachten namelijk dat mensen op hen afkwamen om hen te doden, raakten daardoor opgewonden en sloegen, uit alle macht gillend, op de vlucht. Degenen die hen verzorgden waren doorlopend de uitputting nabij en hadden het vreselijk zwaar. Daarom had iedereen evenveel medelijden met hen als met de slachtoffers en niet omdat zij zelf gevaar liepen ziek te worden, omdat zij daar zo dichtbij kwamen. Het bleek dat noch artsen noch anderen de ziekte opliepen door contact met zieken of doden, want velen die doorlopend bezig waren met het begraven van doden of het verplegen van zieken konden daar, tegen alle verwachtingen in, mee doorgaan. Daarnaast werden veel anderen zonder voorafgaande waarschuwing ziek en stierven meteen. Men hadden dus medelijden met de verzorgers omdat ze het zo zwaar hadden, want als patiënten uit hun bed vielen en op de grond lagen te rollen, moesten zij hen weer terugleggen en als zij zich los probeerden te worstelen om het huis uit te stormen, hen met kracht tegenhouden door ze terug te duwen en trekken. Als er toevallig water in de buurt was, wilden de zieken zich daarin storten, niet omdat ze wilden drinken (want de meesten liepen de zee in) maar de reden daarvoor lag hoofdzakelijk in hun zieke geestelijke toestand. Zij ondervonden ook grote problemen met eten, omdat ze moeilijk konden slikken. Velen bezweken omdat er niemand was die voor hen kon zorgen en kwamen dan om van de honger of storten zich van een hoogte naar beneden. Als er geen sprake was van coma of delier, barstten de gezwollen klieren open en stierf het slachtoffer aan ondragelijke pijnen. Men zou kunnen denken dat het verloop dan in alle gevallen hetzelfde was, maar omdat zij niet allemaal bij zinnen waren, voelden sommigen helemaal geen pijn, omdat zij door hun gestoorde geestelijke toestand elke vermogen om pijn te voelen hadden verloren.

Sommige artsen veronderstelden dat de ziekte zich voornamelijk in de bubonen bevond en omdat ze zich geen raad wisten met de symptomen omdat zij die niet begrepen, besloten ze het lichaam van overledenen te onderzoeken. Bij het openen van de zwellingen troffen zij daarin een merkwaardig soort verettering aan, die zich daarin had ontwikkeld.

In sommige gevallen trad de dood meteen in, bij andere pas veel dagen later. Bij weer anderen raakte het lichaam overdekt met zwarte blaasjes, ongeveer ter grootte van een lins. Die leefden dan geen dag meer en bezweken meteen. Velen gaven, zonder aanwijsbare oorzaak, ook bloed op en stierven dan onmiddellijk. Daarnaast kan ik zeggen dat de meest uitmuntende artsen van velen, die kort daarop onverwacht geheel herstelden van de ziekt, voorspelden dat ze zouden sterven, en van anderen, die bestemd waren bijna meteen ten grave te worden gedragen, vertelden dat ze gespaard zouden worden. Er was dus bij deze ziekte geen oorzaak aan te wijzen die binnen het bevattingsvermogen lag, want in alle gevallen leek het iets onberekenbaars. Terwijl bijvoorbeeld sommigen baat hadden bij baden, deed dat bij anderen meer kwaad dan goed. Van degenen die geen zorg kregen gingen velen dood, maar bleven anderen, tegen elke gezond verstand in, gespaard. Bovendien leidde de behandelingsmethoden bij verschillende patiënten tot een ander resultaat. Alles bij elkaar kan dus gezegd worden dat niemand iets kon bedenken waardoor hij gespaard zou kunnen worden, zodat hij geen voorzorgen kon nemen om niet getroffen te worden, maar ook niet dat hij, als hij eenmaal ziek was geworden, weer kon herstellen. De ziekte verscheen zonder waarschuwing en als iemand herstelde was dat niet te danken aan een oorzaak van buitenaf.

Als een vrouw zwanger was en de ziekte opliep, kon de dood met zekerheid voorspeld worden. Sommigen stierven ten gevolge van een miskraam en anderen bezweken meteen nadat het kind, dat zij droegen, geboren was. Er werd echter ook verteld dat drie vrouwen de bevalling overleefden, terwijl hun kinderen stierven en dat een vrouw tijdens de bevalling stierf, maar het kind toch werd geboren en in leven bleef.

In de gevallen waarin de zwelling tot ongewone grootte toenam en de etter eruit begon te lopen, kon het gebeuren dat de zieken herstelden en bleven leven, omdat de ernstige toestand ten gevolge van het abces dan kennelijk op die manier afgenomen was, wat doorgaans een teken bleek te zijn van herstel. In de gevallen waarin de zwelling haar eerdere vorm behield, traden echter de zojuist vermelde problemen op heb. In sommige van die gevallen slonk de gezwollen lies alsnog, en ontwikkelde zich geen enkele verettering, hoewel de zwelling wel bleef bestaan. Bij andere overlevenden was de tong aangetast. Zij brachten hun verdere leven lispelend door of konden alleen nog maar onsamenhangend en moeizaam spreken.

Hoofdstuk XXIII

In Byzantium hield de ziekte vier maanden aan en woedde drie maanden lang op haar hevigst. Aanvankelijk was het aantal doden nauwelijks meer dan normaal, maar vervolgens nam de sterfte toe en steeg het aantal doden tot vijfduizend per dag en later zelfs tot tienduizend en meer. In het begin verzorgde iedereen de begrafenis van zijn eigen huisgenoten, die zij zelfs bij anderen in het graf legden als zij dat ongezien konden doen en anders deden ze dat met geweld. Later werd de verwarring en ontreddering compleet. Slaven raakten hun meester kwijt en mensen die eerder zeer welgesteld waren, moesten het zonder bedienden stellen omdat die ziek of dood waren. Veel huizen waren helemaal ontvolkt. Daardoor kon het gebeuren dat sommige notabelen uit de stad pas na dagen begraven werden.

Vanzelfsprekend bepaalde het lot dat de Keizer maatregelen moest nemen tegen de problemen. Daartoe wees hij soldaten van het hof aan, stelde geld beschikbaar en droeg Theodorus op zich met dat werk te belasten. Die bekleedde de functie van aankondiger van keizerlijke boodschappen, bracht altijd de petities van de burgers over aan de keizer en vertelde hen op hun beurt wat de keizer wilde. In het Latijnse spraakgebruik werd die functie “referendaris” genoemd. Mensen die nog niet helemaal van huishoudelijke hulp verstoken waren, zorgden dus voor het begraven van hun eigen verwanten. Theodorus zorgde met behulp van het geld van de keizer, waar hij uit zijn eigen vermogen zelf nog een som aan toevoegde, voor het begraven van de lijken waar geen zorg voor werd gedragen. Toen bleek dat alle bestaande begraafplaatsen vol waren, werd overal rond de stad het een na het andere massagraf gedolven, waarin iedereen zo goed als hij kon de doden inlegde en weer vertrok. Later, toen  de grafdelvers de toevoer van de aantallen doden niet bleken bij te kunnen houden, beklommen zij de torens van de vestingwerken in Sycae, haalden de daken eraf en wierpen daar in een complete chaos de lijken in. Zij hoopten zich daarin op zoals ze toevallig terechtkwamen en vrijwel alle torens werden met lijken gevuld. Daarna legden zij de daken er weer op. Als gevolg daarvan drong een vreselijke stank de stad binnen, die de inwoners nog meer ontredderde, vooral als de wind uit die hoek waaide.

In die tijd werden alle gebruikelijke begrafenisrituelen aan de kant geschoven. De doden werden niet meer op de gewone manier vergezeld van een stoet weggedragen, en de gebruikelijke, ter ere van hen gezongen, liederen werden ook achterwege gelaten. Het volstond dat iemand het lijk van een van de overledene op zijn schouders naar het aan zee grenzende gedeelte van de stad vervoerde en het dan naar beneden smeet. Overal waar men ook maar keek waren bergen lijken te zien die op schepen werden gegooid, die men vervolgens op goed geluk naar zee liet afdrijven. Toen gaven de burgers die eerder lid waren geweest van elkaar bestrijdende partijen hun vijandschap op en zorgden samen voor de begrafenisrituelen voor de overledenen. Met hun eigen handen vervoerden zij de lijken van mensen die geen verwanten van hen waren en begroeven hen. Wat nog opvallender was dat mensen die er eerder plezier in geschept hadden zich over te geven aan zowel beschamende als laaghartige praktijken, die kwalijke zaken lieten varen en zich vol overgave aan hun godsdienstige plichten wijdden, niet zozeer omdat zij eindelijk wijs en ook niet opeens als het ware deugdzaam waren geworden — want als eigenschappen zich van nature of door langdurige oefening eenmaal in mensen hebben genesteld, kunnen zij die niet zomaar even van zich afschudden, tenzij een of andere goddelijke adem hen dat inblaast — maar omdat ze allemaal door alle gebeurtenissen tot in het diepst van hun hart door doodsangst bevangen waren en natuurlijk dachten dat ze binnen korte tijd zouden sterven, leerden zij zich uit pure noodzaak voorlopig fatsoenlijk te gedragen. Zogauw zij echter van de ziekte af waren, het er levend van afgebracht hadden en dachten dat ze al in veiligheid waren, omdat de vloek naar anderen volkeren vertrokken was, sloegen ze meteen weer om, keerden terug naar hun laaghartige streken, liepen meer dan ooit te koop met hun tegenstrijdige gedrag en overtroffen zichzelf volledig in allerlei schurkachtigheden en wetteloosheid. Men zou namelijk rustig en oprecht kunnen beweren dat deze ziekte, toevallig of door een bepaalde voorzienigheid, juist die mensen had gespaard en hen hun gang liet gaan. Die dingen begreep de wereld echter pas in latere tijden.

In die tijd zag men nauwelijks mensen in de straten van Byzantium, want iedereen die zo gelukkig was om nog gezond te zijn was thuis, bezig met het verzorgen van de zieken of treurend om de gestorvenen. En als men dan toch iemand buiten zag lopen, droeg hij een van de lijken. Alle denkbare werkzaamheden waren opgeschort, de hele handel was door de handwerkers in de steek gelaten, evenals alle andere arbeid waarmee iedereen bezig was geweest. In een stad die gewoon had overgevloeid van allerlei goederen, heerste een vrijwel totale hongersnood. Hoewel het zonder twijfel heel belangrijk leek om voldoende brood of ander voedsel te bemachtigen was dat vreselijk moeilijk, zodat bij sommige zieken door het gebrek aan eerste levensbehoeften de dood eerder optrad, dan nodig was. Kortom, men kon in Byzantium niemand meer zien, gekleed in een chlamys (soldatenmantel) en helemaal niet meer toen de keizer zelf ziek werd (want ook hij kreeg een klierzwelling in de lies). In die stad die heerschappij over het hele Romeinse keizerrijk uitoefende, droeg iedereen nu kleren die bij zijn eigen stand behoorden en bleef rustig thuis. Zo verliep de pest op grote schaal in het Romeinse rijk en Byzantium. Zij trof ook het land van de Perzen en alle andere barbaarse naties.

Naar boven