PLATO



De Allegorie van de Grot



Illustratie Plato De Allegorie van de Grot


Zie hieronder de video Plato's Cave (animated version) Nederlands ondertiteld







Inleiding:


De Allegorie van de Grot is waarschijnlijk de meest bekende en becommentarieerde parabel van Plato, maar helaas altijd door mensen die nooit buiten de grot zijn geweest. Het is vanzelfsprekend dat je, om een systeem te doorzien, waar je zelf deel van uit maakt, eerst buiten dat systeem moet stappen. Zoals elk sprookje, parabel of gelijkenis, probeert Plato in dit verhaal iets duidelijk te maken en eigenlijk is de boodschap heel eenvoudig. Socrates stelt de vraag of mensen wel helder kijken, zien wat ze zien, en komt tot de conclusie dat dat niet het geval is. Hij schetst het beeld van de grot, waarin de mensen van kinds af aan verblijven en zegt ten slotte dat dat "de wereld van het zien (waar hij zichzelf dus ook onder schaart) de gevangenis is," waarmee hij wil zeggen het zien van de mens begrensd is, dat hij een kokerblik heeft, een gekleurde bril op, bevooroordeeld kijkt, en niet ziet wat hij ziet, maar ziet wat hij denkt dat hij ziet. Hij kijkt niet onbevangen, maar door het filter van zijn  meningen, overtuigingen, belangen en opgedane ervaringen uit zijn verleden heen. Zoals Herman Hesse dat ooit verwoordde: "Onzuiver en misvormd is de blik vanuit het willen. Pas als wij niets meer willen, pas als ons kijken zuivere beschouwing wordt, opent zich het wezen der dingen, de schoonheid. Wanneer ik een bos bekijk, dat ik kopen, pachten, omhakken kan, waarin ik wil jagen, dat ik met een hypotheek belasten wil, dan zie ik niet het bos, maar alleen wat met mijn willen, met mijn plannen en zorgen, met mijn portemonnee te maken heeft. Dan bestaat het uit hout, het is jong of oud, gezond of ziek. Wanneer ik er echter niets van wil en zo maar gedachteloos diep in het groen staar, dan pas is het bos, is het natuur, is het mooi, geeft het verwondering." Maar met hun gekleurde bril op ziet de mens niet de ongedeelde werkelijkheid, maar een in door hemzelf in dingen — die hij allemaal benoemd heeft — verdeelde werkelijkheid, waarvan hij geen deel uitmaakt, maar waar hij tegenover staat en die hij als een toeschouwer bekijkt. De schaduwen die de grotmens ziet is die gereduceerde en verdingde werkelijkheid. En zo zit de mensheid gevangen in haar door haarzelf geconstrueerde onderwereld waarin iedereen aanvankelijk gedwongen wordt een rol te spelen, die hij leert als zijn bestemming te zien, waaraan hij zin geeft en zelfs daarvan op gegeven moment overtuigd raakt. Blinden die blinden leiden en zoals volgens Socrates die mensen in de grot gewend de medegevangene te prijzen die het snelst ziet welke schaduw er voorbij trekt, worden in deze wereld ook de mensen geprezen die de schijnwerkelijkheid knap weten te duiden, filosofen, wetenschappers en andere deskundigen die met hun kokerblik of paradigma knappe theorieën bedenken of uitvindingen doen, waarmee het interieur van de grot veranderd kan worden. Er is een hele vermaakindustrie ontstaan, die het leven in de grot wat opleukt, maar er zijn ook ruzies en oorlogen tussen mensen en naties onderling die de schaduwen op een andere manier duiden en denken dat zij gelijk hebben.

Maar iemand die ooit de echte werkelijkheid heeft aanschouwd, die ontsnapt is uit de grot, doordat hij zich losgemaakt heeft van "het systeem," zijn hoofd leeggemaakt, zijn bril afgezet heeft, al zijn aangeleerde meningen als zinloze ballast heeft doorzien, ervaart en beseft dat hij deel uitmaakt van het Al, de ongedeelde werkelijkheid en als hij dan de grotbewoners en hun bezigheden aanschouwt is hij "nog liever een arme dienstknecht van een arme baas, en verdraagt liever alles dan te denken en te leven zoals zij."  De bestemming van de mens is vrij en autonoom te zijn en niet zijn leven in een grot te slijten en er pas op zijn sterfbed achter te komen da hij niet geleefd heeft zoals hij had kunnen leven



Uit: De Republiek, boek VII


Samenspraak tussen Socrates en Glaucon


SOCRATES:  Laten we nu aan de hand van een metafoor eens bezien in hoeverre wij al dan niet helder kijken. Stel je mensen voor die in een onderaardse grot leven, waarvan de uitgang over de hele breedte naar het licht gericht is. Zij zitten daar al van kinds af aan, geketend aan benen en nek, zodat ze niet kunnen bewegen. Omdat die ketenen verhinderen dat zij hun hoofd draaien, kunnen ze alleen recht vooruit kijken. Op een bepaalde afstand, boven en achter hen, brandt een vuur en tussen dat vuur en de gevangenen loopt een verhoogde weg. Als je goed kijkt zie je dat er langs die weg een muurtje loopt, vergelijkbaar met het schot waarachter de poppenspeler staat als hij zijn poppen laat zien.


GLAUCON:  Ik zie het voor me.


SOCRATES:  Dan moet je je verder voorstellen, dat over die weg mensen voorbijlopen die allerlei voorwerpen dragen en van hout en steen vervaardigde afbeeldingen van mensen en dieren, die boven de muur uitsteken. Sommige mensen spreken en andere zwijgen.


GLAUCON:  Je hebt een merkwaardig beeld geschetst en wat een vreemde gevangenen.


Illustratie Plato De Allegorie van de Grot


SOCRATES:  Net als wijzelf. Kunnen zij soms iets anders zien dan hun eigen schaduw of de schaduw van elkaar, die door het vuur op de wand van de grot geworpen wordt?


GLAUCON:  Natuurlijk niet. Als ze nooit hun hoofd hebben kunnen bewegen, hebben ze alleen maar schaduwen gezien.


SOCRATES:  Zien ze dan van die voorbijgedragen voorwerpen dan alleen maar de schaduw?


GLAUCON:  Ja.


SOCRATES:  En als ze met elkaar zouden kunnen praten, denk je dan niet dat zij wat ze zien namen zullen geven?


GLAUCON:  Ongetwijfeld.


SOCRATES:  En stel je verder voor dat in die gevangenis de tegenoverliggende wand de stemmen van de voorbijgangers zou weerkaatsen, zouden zij zich dan niet vast verbeelden dat, als een van hen zou spreken, de stem die zij dan horen vanuit de voorbijschuivende schaduw zou komen?


GLAUCON:  Vanzelfsprekend.


SOCRATES:  Voor hen zou de werkelijkheid dus alleen maar bestaan uit de schaduwen van de dingen.


GLAUCON:  Zonder meer.


SOCRATES:  Kijk nog eens goed en bedenk dan wat er zou gebeuren als de gevangenen losgemaakt zouden worden en dan beseffen dat ze zich vergist hebben. Als een van hen, van zijn ketenen ontdaan, plotseling gedwongen wordt op te staan, zijn hoofd om te draaien en naar het licht te lopen en te kijken, zal dat dus aanvankelijk pijnlijk voor hem zijn. Het verblindende licht zal hem van streek brengen en hij zal niet in staat zijn de echte dingen te zien, waarvan hij voorheen alleen de schaduwen zag. En stel je voor dat iemand dan tegen hem zou zeggen dat wat hij tot dan toe heeft gezien een illusie was, maar dat hij, nu hij de werkelijkheid nadert en zijn ogen zich daarop richten, helderder ziet — wat zou hij dan zeggen? Verder zou je kunnen bedenken dat iemand hem dan op de voorbijkomende voorwerpen wijst en hem vraagt ze te benoemen — zal hij dan niet met zijn mond vol tanden staan? Zal hij dan niet denken dat de schaduwen die hij eerder zag werkelijker waren dan de dingen die hem nu getoond worden?


Illustratie Plato De Allegorie van de Grot


GLAUCON:  Inderdaad.


SOCRATES:  En zal het dan niet pijn aan zijn ogen doen als hij gedwongen wordt naar het licht zelf te kijken en zal hij daardoor zijn ogen niet afwenden en weer kijken naar de dingen die hij wel kan zien en in zijn ogen duidelijker zijn dan de dingen waar hij nu op gewezen wordt?


GLAUCON:  Heel zeker.


SOCRATES:  En stel je dan voor dat iemand hem tegenstribbelend langs een steil en rotsachtig pad naar boven zou voeren en vast zou houden tot hij buiten aan de zon zou worden blootgesteld. Zou hij dat dan niet als pijnlijk en onaangenaam ervaren? En als hij het licht nadert zullen zijn ogen verblind worden en kan hij de dingen, die nu de werkelijkheid genoemd worden, helemaal niet meer zien.


GLAUCON:  In iedere geval niet meteen.


SOCRATES:  Hij zal moeten wennen aan het aanschouwen van de bovenwereld. Aanvankelijk zal hij de schaduwen het duidelijkst kunnen zien, daarna de weerspiegelingen van mensen en dingen in het water en pas als laatste de dingen zelf. Daarna zal hij het licht van maan en de met sterren bezaaide hemel kunnen gadeslaan en hemel en sterren beter bij nacht kunnen zien, dan overdag in de zon of het zonlicht.


GLAUCON:  Vanzelfsprekend.


SOCRATES:  Op het laatst zal hij naar de zon kunnen kijken en niet alleen naar de weerspiegeling ervan in het water. Hij zal de zon aanschouwen, waar en zoals die werkelijk is.


GLAUCON:  Zeker.


SOCRATES:  Hij zal dan merken dat het de zon is die de seizoenen en jaren teweegbrengt en de wachter is van al het bestaande in de zichtbare wereld en op een bepaalde manier ook de oorzaak van alles wat hij en zijn medegevangenen in die grot gewend waren te zien.


GLAUCON:  Het is duidelijk dat hij eerst de zon moest zien, voordat hij daarover kon nadenken.


SOCRATES:  En als hij dan terugdenkt aan zijn vroegere verblijfplaats, aan wat in die grot voor kennis doorgaat en aan zijn medegevangenen, denk je niet dat hij zichzelf dan gelukkig zal prijzen met die verandering en medelijden zal hebben met hen?


Illustratie Plato De Allegorie van de Grot


GLAUCON:  Daar twijfel ik niet aan.


SOCRATES:  En als die mensen daar in die grot gewend waren de medegevangene te prijzen, die het snelst zag welke schaduw er voorbijtrok, in welke volgorde en in welk verband en daardoor het best de toekomst wist te voorspellen, denk je dan dat hij er iets om zou geven om daarvoor geprezen en geëerd te worden of dat hij de geketende die dat wel ten deel valt daarom zou benijden? Zou hij niet met Homerus zeggen:


Dan nog liever een arme dienstknecht van een arme baas, en alles liever verdragen dan te denken en leven zoals zij?


GLAUCON:  Ja, ik denk dat hij inderdaad liever alles zou verdragen dan er dergelijke onjuiste overtuigingen op na te houden en zo’n armzalig leven te leiden.


SOCRATES:  Denk je nou eens in, dat zo iemand opeens vanuit het zonlicht weer op zijn oude plek terecht zou komen. Zouden zijn ogen niet eerst aan de duisternis moeten wennen?


GLAUCON:  Allicht.


SOCRATES:  En als hij zich in het beoordelen van de schaduwen zou moeten meten met de gevangenen die nooit de grot uit zijn geweest, terwijl hij nog niet goed kan zien en zijn ogen nog niet gewend zijn aan de duisternis — en het kan een hele tijd duren voordat hij daar weer aan gewend is — zou hij dan geen belachelijk figuur slaan? De achtergeblevenen zouden zeggen dat hij ziende naar buiten is gegaan en blind weer teruggekomen is en dat je dus maar beter helemaal niet de grot uit kunt gaan. En als hij hen dan zou proberen te bevrijden om hen naar boven naar het licht te brengen, zouden zij die onverlaat dan niet grijpen en ter dood brengen?


GLAUCON:  Dat spreekt van zelf.


SOCRATES:  Deze allegorie, beste Glaucon, sluit dus aan op wat we hiervoor al hebben gezegd. De wereld van het zien is de gevangenis en het licht van het vuur is voor ons dus de zon. Je hebt me goed begrepen als je die weg naar omhoog, zoals ik dat op jouw verzoek naar beste weten heb geschetst, ziet als het opstijgen van de mens naar het gebied van de ware kennis. Of dat juist of onjuist is weet God alleen. Maar hoe het ook zij, in mijn ogen wordt in die wereld van ware kennis de idee van het goede pas als laatste ontdekt en dan nog slechts met moeite ontwaard. En als de mens dat eenmaal gezien heeft, begrijpt hij ook dat dat het goede de universele bron is van het schone en ware, de bron van het licht en de kracht daarvan in deze zichtbare wereld, en dat, in de wereld van de ware kennis, daaruit rechtstreeks rede en waarheid voortspruiten. Daarom moet iemand, die in het openbare of persoonlijke leven wijs wil handelen, zijn blik op die kracht gericht houden.


GLAUCON:  Voor zover ik je begrijp, ben ik het daarmee eens.


SOCRATES:  Verder moet je er niet verbaasd over staan dat mensen die dit gelukzalige aanschouwen hebben bereikt eigenlijk niet meer willen afdalen naar de wereldse beslommeringen. Zij willen liever in de bovenwereld blijven, een verlangen dat heel begrijpelijk is, als onze allegorie op waarheid berust.


Illustratie Plato De Allegorie van de Grot


GLAUCON:  Heel begrijpelijk.


SOCRATES:  En zou je het vreemd vinden als iemand, die van het goddelijke aanschouwen terugkeert naar de onvolmaakte mensenwereld, zich daar misdraagt en een lachwekkend figuur slaat als hij, terwijl zijn ogen nog verblind zijn en hij nog niet gewend is aan de omringende duisternis, gedwongen wordt voor het gerecht of elders te spreken over de beelden of schaduwbeelden van rechtvaardigheid en de opvattingen ter discussie te stellen van mensen die geen flauw benul hebben van de absolute rechtvaardigheid?


GLAUCON:  Dat verbaast me niets.


SOCRATES:  Maar iemand die zijn verstand gebruikt zal bedenken dat ogen op twee manieren verblind kunnen worden: óf als ze vanuit het licht de duisternis binnengaan óf als ze vanuit de duisternis in het licht komen. Dat geldt evenzeer voor het geestesoog als voor het lichamelijke oog. Iemand die zich daarvan bewust is zal niet zomaar een medemens uitlachen die verward is en niet goed kan zien. Hij zal zich eerst afvragen of die mens uit een helderdere wereld komt en nog niet goed kan kijken omdat hij nog niet gewend is aan de duisternis, of dat hij zich vanuit de duisternis naar het licht heeft gekeerd en verblind wordt door de ongewone helderheid. Dan zal hij de een gelukkig prijzen met zijn toestand en levenswijze en met de andere zal hij medelijden hebben. En als hij dan toch zou willen lachen om iemand die, vanuit de duistere grot gekomen, het licht heeft gezien, heeft hij daar meer redenen voor dan om dat te doen bij iemand die weer vanuit het licht terugkeert naar de duisternis van de grot.


GLAUCON:  Dat is inderdaad een duidelijk verschil.


SOCRATES:  Maar als ik het goed heb, vergissen sommige opvoedingsdeskundigen zich als ze zeggen dat ze iemand iets kunnen leren, dat hij nog niet wist; dat je dus blinde ogen weer kunt leren zien.


GLAUCON:  Dat zeggen ze inderdaad


SOCRATES:  Wij hebben dus laten zien dat de mogelijkheden en het vermogen om te leren al in de mens aanwezig zijn. Maar net zoals het oog zich alleen van duisternis naar licht kan richten als het hele lichaam dat doet, kan het instrument waarmee de mens inzicht kan verwerven alleen werkzaam zijn als de hele mens zich keert van het Worden naar het Zijn. Dan kan hij geleidelijk wennen aan het aanschouwen van het Zijnde en aan het stralendste en beste van dat Zijnde, met andere woorden, aan het goede.


GLAUCON:  En zo is het.


Illustratie Plato De Allegorie van de Grot



Illustratie Plato De Allegorie van de Grot

 

Het kleine kind of de grotbewoner die weer mens geworden is



Ter nadere verduidelijking:


Godfried Bomans geeft zijn Erik, of het klein insectenboek het, in zijn ongebreidelde fantasie aan Leonardo Da Vinci toegedichte, motto mee: "Wij zijn allen ballingen, levend binnen de lijsten van een vreemd schilderij. Wie dit weet, leeft groot. De overigen zijn insecten." Het ware beter en juister geweest als hij had geschreven: "Wie dat beseft, kan op weg gaan om het schilderij te verlaten. Wie daarin slaagt, leeft pas echt en groots." Erik is het onbevangen kind, dat de krankzinnige grote-mensenwereld betreedt en van de ene verbazing in de andere valt bij het aanschouwen van het rare toneelspel dat die als insecten vermomde, larvale grote mensen spelen en dat niet beseffen. Want schrijft Bomans tot slot: "Maar is dit dan geen insectenboek? Het staat toch op de omslag? Hm. Er zijn tweeërlei soorten insecten, moet ge weten: de kleine en….de grote." En de boodschap aan de ‘insecten’ is: "Zo ge niet wordt gelijk Erik, zult ge de lijst nooit verlaten en uw leven verdoen in het schilderij." Maar dan te denken aan het gruwelijke vooruitzicht van elk kind dat het daar later, goedschiks of kwaadschiks, aan mee zal moeten doen! Dat het een rol moet gaan spelen die het zelf niet bedacht heeft, dat het zich moet aanpassen en net zo moet worden als die rare grote mensen! Bomans heeft zelf even over de rand van de lijst heen gekeken, maar vond wat hij zag zo angstaanjagend dat hij is teruggedeinsd. Hij is zeven jaar en loopt langs het water van het Spaarne. Het sneeuwt, het is vijf uur in de middag, het is al donker. Toch kan hij alles goed zien, de deken die zich om de stad vouwt, geeft een toverachtig schijnsel af. De jonge Godfried vertraagt zijn tred, staat stil en dan gebeurt het:


‘Ik zag geen bomen, maar groene pilaren met een pluim erop. Ik zag geen meeuwen, maar vreemde gedaanten uit het niets opdoemen en weer verdwijnen. Ik zag geen water, maar een plaat van grijs staal. Alles was nieuw. Alles was totaal onbegrijpelijk. Ook ikzelf. Ik keek langs me heen. Ik zag twee benen, die in stukken leer eindigen en dacht: zo ver loop ik door, ik zag twee handen en dacht: ik ben ik. Maar wie is ik? Plotseling stond een wezen, dat op de griffeldoos met GB. werd aangeduid, in een volkomen onbekende wereld. De dingen hadden geen naam meer, de etiketten waren afgevallen [...]. Ik zag alles voor het eerst, als een pasgeborene. Waarvoor diende het allemaal, wat was de betekenis van de dingen? En vooral: waarvoor ben ik er en wat doe ik hier eigenlijk? Waar kom ik vandaan? Waar ga ik heen? Uit die panische radeloosheid wordt elke godsdienst geboren.’


Die laatste conclusie is niet juist. Godsdiensten worden geboren uit verhalen van mensen die de gelukzaligheid van het leven buiten het schilderij hebben ervaren, van het je één voelen met alles, het Al, van het als een druppel opgaan in de oceaan, het je willoos mee laten drijven met de stroom van het leven, maar niet hebben kunnen overbrengen hoe ze die toestand bereikt hadden en vervallen zijn in mystiek gestamel over de echte wereld buiten het schilderij. Dat is altijd door hun volgelingen, die die ervaring niet hadden, onjuist geïnterpreteerd en daaruit zijn alle godsdiensten voortgekomen, die de ware gelukzaligheid, het ontsnapt zijn aan de lijst, abusievelijk verplaatst hebben tot na de dood, met alle tragische gevolgen van dien. Het enige wat iemand die de lijst, de grot, verlaten heeft zou moeten vertellen is hoe het hem gelukt is de echte wereld te bereiken, de weg wijzen naar het echte leven. De ware mysticus, de ware, autonome mens en niet iemand die een keer een mystieke ervaring gehad heeft, is als een beeldhouwer die uit een groot brok marmer een prachtig, volmaakt beeld gehouwen heeft. Het enige wat hij anderen, die ook zo’n beeld willen maken, kan vertellen is wat er allemaal weggehakt moet worden. Hij moet alles kunnen omschrijven wat het beeld niet is. Het ware leven, de apatheia, is onverenigbaar met macht, oneerlijkheid, onrechtvaardigheid, verdriet, lijden, ziekten, denken, en de zeven ondeugden, hoogmoed, afgunst, toorn, luiheid, gierigheid, gulzigheid en "onkuisheid."   

 

Nog een parabel:


Geheel overeenkomstig de fatale vergissing van de grote godsdiensten, staat op menig Engelse grafsteen het motto van onderstaande parabel: Not lost, but gone before. Mensen die niet beseffen dat ze zich in een cocon hebben laten wikkelen, van natuurlijk beschaafd zijn geworden, in Plato’s grot hun leven slijten, slapen, figuurlijk "dood" zijn, bezig zijn met overleven en denken dat dat het echte leven is, zullen tijdens hun verblijf op dit ondermaanse nooit, zoals de libellenlarve uit de parabel van Margaret Gatty, hun cocon verlaten en worden waartoe ze bestemd zijn. Zoals Sartre zei: "de mens is gedoemd tot vrijheid" hoezeer hij zich daar ook tegen verzet. Ooit zijn ze als vrije libellen geboren, maar door hun larvale opvoeders in het keurslijf van de larve gepropt, en een hele enkele keer komt tijdens een weemoedige droom een vage herinnering terug aan hun onbevangen kindertijd, maar daarna gaan ze weer over tot de orde van de dag. Als larven zullen ze uit dat armzalige leven vertrekken, zonder ooit weer geproefd te hebben van het ware leven en geluk. Het grote verschil tussen het leven van de libellenlarve in de vijver en dat van de mens in zijn zelfgecreëerde tranendal waarin hij dat slijt, is dat de larve niet gehinderd wordt in zijn onweerstaanbare drang naar de weg naar buiten — het voelen van dat gedoemd zijn tot vrijheid —, en zijn metamorfose van larve naar libelle, terwijl de mens van kinds af aan geleerd wordt dat ontsnappen nu eenmaal onmogelijk is, dat volmaakt gelukkig zijn een dwaze utopie is, dat hij maar moet proberen er in de rattenkooi het beste van te maken, dat ziekten en ellende nu eenmaal bij het "leven" horen — en daarin hebben ze helaas volstrekt gelijk — en hij die malle drang, om op zoek te gaan naar een uitweg, gewoon moet vergeten. Alles wordt in het werk gesteld om onverlaten die een poging wagen om zich uit het keurslijf van de ‘normaliteit’ te bevrijden tegen te houden en de godsdiensten bezweren hen dat ze zich vergissen, dat die verlossing pas bij het overlijden plaatsvindt en dat ze maar veel moeten bidden. En anderen vertellen dat over-lijden zo genoemd wordt omdat je dan eindelijk voorbij het lijden raakt. Maar er is natuurlijk nog een verschil. De libellenlarven die ten slotte geworden zijn waartoe ze bestemd waren, kunnen niet meer terug om de achterblijvers te laten zien wat die bevrijding oplevert, terwijl de mens die ontsnapt is uit de grot, zich losgemaakt heeft van het collectief bewustzijn, de Zeitgeist, al zijn de werkelijkheid vertekende brillen heeft afgezet en de werkelijkheid rechtstreeks aanschouwt, wel kan terugkeren, maar dan vreselijk moet oppassen dat hij niet door de achtergeblevenen in een psychiatrische inrichting wordt gestopt of vermoord, zoals Plato schrijft.     

 

 

NOT LOST, BUT GONE BEFORE

 

Non amittuntur sed praemittuntur, Seneca de Jongere, Epist. LXIII, vers 16.


PARABELS
 

UIT DE


NATUUR

 

door


MARGARET GATTY

 

1855



"Zal dan niemand van jullie, uit mededogen,
Hen die jullie achtergelaten hebben, het geheim onthullen?"

Robert Blair, The Grave.                  


Illustratie Parabels uit De Natuur door Margaret Gatty 1855


"Ik vraag me af wat er gebeurt met de Kikker, als hij deze wereld uitklimt en verdwijnt, zodat we zelfs zijn schaduw niet meer kunnen zien; totdat hij, plons! opeens weer bij ons is, net als we hem helemaal niet verwachten. Weet iemand soms waar hij naartoe gaat? Alsjeblieft, iemand moet het me vertellen!"


Zo kwebbelde een Larve van een Libelle, terwijl hij onder in het water tussen de planten samen met zijn talrijke makkers rondzwom, op zoek naar een prooi.


Het water vormde een prachtige vijver midden in het bos. Er omheen groeiden statige bomen die zich,  als in een gepolijste spiegel, op het wateroppervlak spiegelden en de lisdodden en vergeet-me-nietjes die haar oevers omzoomden leken een dubbel leven te leiden, zo volmaakt was hun afbeelding daaronder.


"Wie trekt zich nou iets aan van wat de Kikker doet?" antwoordde een van hen die toevallig de vraag van de Larve opgevangen had, "wat kan het ons schelen?"


"Zoek zelf naar voedsel," schreeuwde een andere, "en bemoei je met je eigen zaken."


"Maar ik ben zo nieuwsgierig," protesteerde de eerste spreker. "Jullie kan ik allemaal zien als je hier in het water aan me voorbij gaat en als ik je niet meer zie weet ik dat je verderop bent gegaan. Maar ik ben net achter een kikker aan gezwommen toen hij naar boven ging. Opeens kwam hij tegen de bovenkant van het water aan en begon te verdwijnen en meteen daarop was hij weg. Denk je dat hij deze wereld verlaten heeft? En wat kan daar voorbij zijn?"


"Jij onnozele, praatgrage makker," riep iemand anders, voortschietend terwijl hij sprak, "hou je bij de wereld waarin je bent en laat dat "hier voorbij"," als dat er al is, over aan hen die daar zijn. Kijk eens wat een lekker hapje je hebt gemist door je te verwonderen over niets." Zo gezegd, greep de brutale spreker een insect dat vlak voor zijn vriend heen en weer bewoog.


Door deze en andere opmerkingen werd de nieuwsgierigheid van de Larve enigszins getemperd en even hervatte hij zijn bezigheid van het jagen op prooi.


Maar wat hij ook deed, hij kon de merkwaardige verdwijning van de Kikker niet uit zijn hoofd zetten en even later begon hij zijn buren er weer over lastig te vallen. Wat gebeurt er met de Kikker als hij deze wereld verlaat? was het onderwerp van zijn vragen.


De elritsen keken hem wantrouwend aan en zwommen zwijgend voorbij, want zij wisten er niet meer over dan hij en hadden geen zin om blijk te geven van hun onwetendheid. De palingen kronkelden tot buiten gehoorsafstand weg in de modder, want zij hadden er een hekel aan om gestoord te worden.


De Larve werd ongeduldig, maar het lukte hem zijn eigen nieuwsgierigheid over te dragen op een paar leden van zijn stam en daarna repte hij zich met zijn volgelingen alle kanten uit en stelde alle levende wezens die hij tegenkwam dezelfde onzinnige vragen.


Plotseling weerklonk een hevige plons in het water en zwom een grote gele Kikker tussen de larven omlaag naar de bodem.


"Vraag het de Kikker zelf," opperde een Elrits, terwijl hij met een ondeugende blik in zijn ogen boven de larve voorbij schoot. Dat leek een hele goede raad, maar veel gemakkelijker gezegd dan gedaan. Want de Kikker was van een eerbiedwaardig slag, tegen wie de kleinere waterbewoners nogal opkeken. Het vereiste meer dan een gewone mate van zelfverzekerdheid om een wezen van zijn status en gewicht te vragen waar hij geweest en waar hij vandaan gekomen was. Hij zou zo’n vraag terecht kunnen beschouwen als een zeer vrijpostig staaltje van nieuwsgierigheid.


Maar zo’n kans om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen mocht hij niet voorbij laten gaan en nadat hij twee of drie keer rond de wortels van een waterlelie gezwommen was, raapte de Larve al zijn moed bij elkaar, naderde de Kikker en vroeg zo bescheiden mogelijk:


"Is het een zeer ongelukkig wezen vergund te spreken?"


Verrast draaide de Kikker zijn goudomrande ogen naar hem toe en antwoordde:


"Zeer ongelukkige wezens kunnen beter zwijgen. Ik praat alleen als ik gelukkig ben."


"Maar ik zal gelukkig zijn als ik mag spreken," voerde de Larve zo nonchalant mogelijk aan.


"Ga je gang dan," riep de Kikker, "heeft het iets met mij te maken?"


"Geachte Kikker," antwoordde de Larve, "ik wil u alleen iets vragen."


"Vraag dan," riep de Kikker, weliswaar op een niet erg aanmoedigende toon, maar hij gaf toch toestemming.


"Wat is er voorbij de wereld?" vroeg de Larve, met een door emoties nauwelijks hoorbare stem.


"Welke wereld bedoel je?" riep de Kikker, die met zijn starende ogen ronddraaide.


"Deze wereld, natuurlijk, onze wereld," antwoordde de Larve.


"Je bedoelt deze vijver," merkte de Kikker op, met een neerbuigende grijns.


"Ik bedoel de plek waar wij leven, hoe u die ook wilt noemen," riep de Larve vrijpostig. "Ik noem dat de wereld."


"Meen je dat, bijdehandje?" antwoordde de Kikker. "Wat is het dan waarin je niet leeft, dat "voorbij" de wereld?"


En al sprekend schudde de Kikker vrolijk met zijn flanken.


"Dat is nu juist wat ik wil dat u me vertelt," antwoordde de Larve kordaat.


"O, heus, kleintje?" riep de Kikker, die nu zijn ogen met een opgewekte twinkeling ronddraaide. "Kom, ik zal het je vertellen. Het is vaste grond."


Er viel een stilte van een paar seconden en toen, "Kun je daar zwemmen?" vroeg de Larve op een ingehouden toon.


"Ik denk het niet," grinnikte de Kikker. "Vaste grond is geen water, kleintje. Dat is het nu net niet."


"Maar ik wil dat u me vertelt wat het wel is," hield de Larve aan.


"Van alle nieuwsgierige wezens die ik ooit tegengekomen ben, ben jij zonder twijfel de lastigste," riep de Kikker. "Goed dan, vaste grond is zoiets als de modder op de bodem van deze vijver, maar alleen is die niet nat, omdat er geen water is."


"Heus?" viel de larve hem in de rede, "wat is er dan?"


"Dat is het probleem," riep de Kikker uit. "Er is natuurlijk wel iets en dat noemen ze lucht, maar ik weet niet hoe ik dat uit moet leggen. Mijn eigen mening daarover is dat het misschien het dichtst in de buurt van niets komt. Begrijp je het nu?"


"Niet helemaal," antwoordde de Larve aarzelend.


"Precies, daar was ik al bang voor. Neem nu mijn goede raad aan en stel geen domme vragen meer. Daar kan niets goeds uit voortkomen," drong de Kikker aan.


"Geachte Kikker," riep de Larve uit, "hierin verschil ik met u van mening. Ik denk dat het me heel wat zal opleveren, als mijn nieuwsgierigheid gestild kan worden door de kennis te verkrijgen waarnaar ik op zoek ben. Als ik leer tevreden te zijn met waar ik ben, is dat in ieder geval iets. Met mijn onwetendheid voel ik me nu ellendig en rusteloos."


"Je bent een heel onnozel ventje," riep de Kikker, "iemand die niet tevreden is met de ervaring van anderen. Ik zeg je dat het niet iets is is om je druk over te maken. Maar omdat ik je lef — die voor een zo onbeduidend wezentje verbazingwekkend is — eigenlijk wel bewonder, zal ik je een aanbod doen. Als je op mijn rug wil gaan zitten, zal ik je persoonlijk naar de vaste grond brengen en dan kun je zelf oordelen over wat daar is en of het je bevalt. Maar bedenk dat ik het een onzinnig experiment vind, maar dat is je eigen verantwoordelijkheid. Ik bied je dat aan om je een plezier te doen."


"En ik neem het aan met een grenzeloze dankbaarheid," riep de Larve enthousiast uit.


"Ga maar op mijn rug zitten en houd je zo goed mogelijk vast. Want bedenk dat als je eraf glijdt,  je de weg kwijt raakt als ik het water verlaat."


De Larve gehoorzaamde en de Kikker zwom voorzichtig naar boven en bereikte de lisdodden aan het wateroppervlak.


"Hou je vast," riep hij opeens, reikte met zijn kop boven de vijver uit, klom op de oever en kwam op het gras terecht.


"Kijk, we zijn er," riep hij. "Wat vind je van de vaste grond?" Maar er kwam geen antwoord.


"Hallo! weg?" vervolgde hij, "daar was ik al bang voor. Ik denk dat hij van mijn rug gegleden is, de domoor. Lieve hemel, wat jammer! maar niets aan te doen. Maar misschien kan hij toch nog de weg naar het wateroppervlak vinden en dan kan ik hem eruit helpen. Ik wacht wel af."


En met een extra zwierige sprong ging de Kikker op weg over het gras langs oever van de vijver en tuurde telkens weer naar de lisdodden om te zien of hij de donkere, gepantserde gedaante van de libellenlarve kon ontdekken.


Maar waar was de Larve intussen? Ach, die was helemaal niet door onachtzaamheid van de rug van de Kikker gegleden, maar had zich met alle hoopvolle vasthoudendheid daaraan vastgeklampt en het moment brak aan waarop de voorkant van zijn kopje uit het water tevoorschijn kwam.


Maar hijgend en vechtend voor zijn leven bereikte hem tegelijkertijd een werveling vanaf zijn vertrouwde plek in de vijver. Het leek alsof zijn lijf geraakt werd door klap, gevolgd door een ontzettend zwakte en het duurde enige seconden voordat hij weer bijkwam.


"Afschuwelijk" riep hij uit, zodra hij weer een beetje tot zichzelf gekomen was. "Voorbij deze wereld is alleen maar dood. De Kikker heeft me voor de gek gehouden. Hij kan daar in ieder geval niet komen."


En met deze woorden nam de Larve zijn oude bezigheden weer op. Zijn geestdrift voor onderzoek was hevig getemperd, maar zijn levenslust was onverminderd.


Daarom volstond hij voorlopig met praten met zijn vrienden over wat hij gedaan had en waar hij geweest was. En wie kon zo’n relaas onaangedaan aanhoren? Het nieuwtje, het mysterie, het gevaar, het allesbehalve rampzalige resultaat en de nog steeds onverklaarbare verwondering over wat er met de Kikker gebeurd was — dat alles doordrong de zaak met een romantische belangstelling en weldra had de Larve een schare volgelingen in zijn kielzog die vragen stelden, kletsten en vermoedens uitten.


Tegen die tijd liep de dag ten einde en werd het ijverig jagen op prooi gaandeweg tijdelijk opgeschort en toen de weetgierige Larve terugkeerde van een nogal langdurige zwerftocht tussen de waterplanten, kwam hij opeens zijn vriend de gele Kikker tegen, die bedachtzaam op een steen op de bodem van de vijver zat.


"U hier!" riep de geschrokken Larve, "ik neem aan dat u deze wereld helemaal niet verlaten hebt. Wat hebt u me voor de gek gehouden! Maar dat krijg je ervan als je vreemden vertrouwt, zoals ik dwaas genoeg gedaan heb."


"Je ontstelt me met je kwetsende opmerkingen," antwoordde de Kikker ernstig. "Toch vergeef ik het je, omdat je zo lomp en dom ben, dat redelijkerwijs geen fatsoen van je verwacht kan worden, jochie. Ik neem aan dat het nooit in je opgekomen is wat mijn gevoelens waren toen ik vanmorgen op het gras terechtkwam en ontdekte dat je niet meer op mijn rug zat. Waarom heb je je niet zo stevig vastgehouden als ik je gezegd had? Maar zo gaat dat altijd met jullie dwazen, die denken dat je alles kan peilen en onderzoeken. Bij de eerste de beste moeilijkheid die jullie tegenkomen, laten jullie het al afweten."


"Uw beschuldigingen zijn volkomen onterecht," riep de Larve verontwaardigd uit.


Het was duidelijk dat ze bijna ruzie kregen en dat zou vast gebeurd zijn als de Kikker niet ongewoon grootmoedig gevraagd had of de Larve zijn eigen verhaal wilde vertellen en zichzelf zo mogelijk te ontdoen van de beschuldiging van lompheid.


Dat was snel gebeurd en de Kikker staarde hem zwijgend met die grote draaiende ogen aan terwijl de Larve de details van zijn vreselijke avontuur de revue liet passeren.


"En dus," zei de Larve, tot besluit, "moeten, omdat het duidelijk is dat er voorbij deze wereld alleen maar dood is, al uw verhalen over dat u daar zelf bent geweest, alleen maar verzinsels zijn. Als u dan deze wereld helemaal verlaat, gaat u naar een ander oord waarover u me niets wilt vertellen. Ik geef toe dat u recht hebt op uw geheim, maar omdat ik door geen enkele reizigersverhaal meer voor de gek gehouden wil worden, wens ik u een zeer goede avond."


"Zoiets doe je pas als je even geduldig naar mijn verhaal geluisterd hebt als ik naar dat van jou," riep de Kikker uit.


"Ik geef toe dat u helemaal gelijk heeft," zei de Larve en bleef staan om te luisteren.


Toen vertelde de Kikker hoe hij geaarzeld had aan de oever van de vijver, in de ijdele hoop dat hij nog zou komen en hoe hij in het gras gehupt had en naar de lisdodden had getuurd. "En ten slotte," ging hij verder, "zag ik, hoewel ik jou niet zag, iets dat voor jou belangrijker is dan voor ieder ander levend wezen," en toen zweeg hij.


"En dat was?" vroeg de weetgierige Larve, bij wie zijn nieuwsgierigheid weer opleefde en zijn boosheid afnam.


"Op de gladde stengel van een van die lisdodden," vervolgde de Kikker, "zag ik een van jouw soort langzaam maar zeker omhoog klimmen, totdat hij het water achter zich gelaten had en zich stevig vastklampte aan zijn gekozen steunpunt, blootgesteld aan de volle gloed van de zon. Ik was nogal verbaasd bij die aanblik, gezien het feit dat jullie allemaal zo dol lijken te zijn op de beschaduwde bodem van de vijver, maar ik bleef toekijken. En opeens zag ik — maar ik kan je niet vertellen hoe het gebeurde, — dat er scheur leek te komen in het lijf van je vriend en stukje bij beetje en na heel veel geworstel, kwam daaruit geleidelijk een van die stralende schepsels tevoorschijn, die door de lucht, waarover ik het al met je gehad heb, zweven en de ogen verblinden van iedereen die in het voorbijgaan een glimp van hen opvangt — een schitterende Libelle!


"Alsof hij nog maar net ontwaakt was uit een verbijsterende droom, wurmde hij zijn vleugels uit het stoffelijk overschot dat hij achterliet en hoewel ze aanvankelijk nog verschrompeld en vochtig waren, strekten en spreidden zij zich weldra uit in het zonlicht, totdat ze glinsterden alsof ze in vuur en vlam stonden.


"Ik kan nauwelijks vertellen hoe lang dat vreemde gebeuren duurde, zo verstijfd stond ik daar van verbazing en bewondering. Maar ik zag hoe dat prachtige wezen een of twee seconden stil in de lucht hing, voordat hij wegvloog. Ik zag de vier gaasachtige vleugels het zonlicht dat erop viel weerkaatsen. Ik hoorde het geraas waarmee ze tegen de lucht sloegen en zag hoe zijn lijf glinsterende blauwe en groene stralen uitzond toen hij voorbij snelde en steeds verder wegvloog over het water in wielende cirkels die geen einde leken te kennen. Daarna dook ik naar beneden om jou te zoeken en verheugde me al ter wille van jou in het nieuws dat ik zou brengen."


De Kikker zweeg opeens en er volgde een lange pauze.


"Een prachtig verhaal," merkte de Larve ten slotte op, minder geroerd dan te verwachten viel.


"Inderdaad een prachtig verhaal," herhaalde de Kikker, "mag ik je vragen wat je ervan vindt?"


"Het is aan mij me te voegen naar uw mening," was het beleefde antwoord van de larve.


"Goed! Je bent attent geworden, vriendje," merkte de Kikker op. "Nou dan, ik hel over naar de mening dat wat ik gezien heb beantwoordt aan jouw overigens onredelijke nieuwsgierigheid, jouw vermoeiende hunkeren naar informatie over de wereld voorbij die van jou."


"Dat zou kunnen, maar altijd op voorwaarde dat uw verslag betrouwbaar is," mijmerde de Larve met een bedenkelijke uitdrukking.


"Ventje," riep de Kikker uit, "bedenk wel dat jouw wantrouwen mij niet kan kwetsen, maar jou zelf misschien wel troost kan ontzeggen."


"Maar denkt u echt dat dat prachtige wezen dat u beschrijft, ooit een …"


"Zwijg," riep de Kikker, "het gaat mij niet om beschrijvingen. Tot ziens! de schaduwen van de nacht dalen al neer op jouw wereld. Ik ga terug naar mijn grazige thuis op de vaste grond. Ga slapen, jochie en ontwaak met hoop."


De Kikker zwom naar de oever en klom erop omhoog, terwijl de Larve terugkeerde naar zijn soortgenoten, die tijdens de donkere uren uitrustten van hun leven van bedrijvigheid en jagen.


* * * * * *


"Beloof het," sprak een smekende stem.


"Ik beloof het," was het ernstige antwoord.


"Eerlijk?" drong de eerste spreker aan.


"Plechtig," antwoordde de tweede.


Maar de stem was lusteloos en zwak, want de Libellenlarve was ziek en onrustig. Zijn poten hadden hun oude bedrijvigheid verloren en een vreemde neerslachtigheid had zich meester van hem gemaakt.


De wezentjes waarop hij gewend was jacht te maken, zwommen hem nu ongedeerd voorbij; de waterplanten waarover hij zo behendig placht rond te kruipen, waren onaangenaam voor zijn pootjes; ja, zelf het water waarin hij geboren was en waardoor hij zich gewoonlijk zo vaardig voortstuwde, voelde aan als een verstikkend gewicht.


Nu moest hij omhoog, omhoog, omhoog! Dat was dat krachtige gevoel dat zich van die andere had meester gemaakt en waaraan hij voelde dat hij zich moest onderwerpen, als aan een onontkoombare wet. En toen dacht hij aan het verhaal van de Kikker en voelde de huiverende overtuiging dat het moment was gekomen, waarop het raadsel van zijn eigen bestemming opgelost moest worden.


Zijn vrienden en verwanten hadden zich rond hem verzameld, sommigen van zijn eigen leeftijd en anderen van een generatie jonger, die pas dat jaar geboren waren. Ze waren allemaal volgelingen en aanhangers van hem, die hij allemaal bezield had met zijn eigen enthousiaste hoop. In dit uur van zwakte zouden ze allemaal bereid zijn hem zo mogelijk te helpen. Maar er was nu geen hulp voor hem, maar hoop en daarvan had hij misschien zelfs meer dan zij.


En toen kwamen die ernstige vraag en de plechtige belofte dat als die grote verwachtingen waar bleken te zijn, hij vast en zeker terug zou komen om hen dat te vertellen.


"Maar, o! stel je dat zou vergeten!" riep een van de jongere generatie, schuchter en ongerust uit.


"Het oude thuis vergeten, vriend?" antwoordde de zieke Larve, "ons plezierige leven hier vergeten, de bezieling van de jacht, de scherpzinnige listen, de triomf van succes? De gevoelens vergeten van hoop en angst die we samen gedeeld hebben en die ik vastbesloten ben te verzachten, als ik dat kan? Onmogelijk!"


"Maar misschien kun je wel niet naar ons terug," opperde een ander.


"Nog onwaarschijnlijker," mompelde de half uitgeputte Larve. "Wat kan onmogelijk zijn voor een zo verheven toestand als die, die voor ons in het verschiet ligt? Tot ziens, vrienden, tot ziens! Ik kan hier niet langer blijven. Jullie mogen verwachten dat jullie me spoedig weer terug zullen zien in een nieuwe en prachtigere gedaante. Tot dan, vaarwel!"


Lusteloos was inderdaad de stem en lusteloos waren de bewegingen van de Larve, toen hij door het water omhoog steeg naar de rietstengels en lisdodden die de oevers van de vijver omzoomden. Twee lievelingsbroers en een paar vrienden, die avontuurlijker waren dan de anderen, vergezelden hem bij zijn opstijgen, in de hoop dat ze getuige mochten zijn van wat er daarboven zou gebeuren, maar daarin werden ze natuurlijk teleurgesteld.


Vanaf het moment waarop hij, met zijn pootjes vastgeklemd aan de stengel van een lisdodde, uit het element waarin hij geboren was opsteeg naar de lucht, zagen zijn metgezellen hem niet meer.


Ogen die alleen geschikt waren voor de waterige vloeistof, waren niet toereikend voor de opwaartse blik evenals het gezichtsvermogen dat hen in staat gesteld zou hebben daar voorbij door te dringen en verrast en bedroefd daalde het groepje ontdekkingsreizigers weer af naar de bodem van de vijver.


De zon stond hoog aan de hemel toen de Libellenlarve afscheid nam van zijn vrienden. De lange uren van de dag bleven ze wachten op zijn terugkeer, aanvankelijk in vreugdevolle hoop, daarna vreselijk ongerust en toen de schaduwen van de avond donkerder werden, in sombere angst, die ten slotte grensde aan vertwijfeling. "Hij is ons vergeten," riepen sommigen. "Een dood waaruit hij nooit meer kan ontwaken heeft hem verrast," zeiden anderen. "Toch zal hij bij ons terugkeren," beweerde een stelletje dat zich aan hoop vastklampte.


Maar vergeefs schoot boodschapper na boodschapper omhoog naar de lisdodden en allerlei uithoeken van de vijver, in de hoop ergens een spoor te ontdekken van de verdwenen Larve. Iedereen die erop uit trok, keerde ontgoocheld door het vergeefse en moeizame gezoek terug en zelfs de meest optimistische larven begonnen diepbedroefd te raken.


Ten slotte sloot de nacht zich over hen heen en bracht een tijdelijke verlichting van hun verdriet, maar de stralen van de volgende zonsopgang, die de rest van de hele natuur met vreugde en hoop vulden, deed in hen, helaas! een gevoel ontwaken van de bitterste teleurstelling en verontwaardiging over het bedrog waarvan zij slachtoffer waren geworden.


"Het ging heel goed met ons toen we niet aan dat soort dingen dachten," zeiden ze, "maar hoop koesteren en uiteindelijk teleurgesteld worden — dat is meer dan we kunnen verwachten lijdzaam te verdragen."


En ze verdroegen het niet lijdzaam. Met een felheid die door niets tegengehouden kon worden, stoven ze rond in hun vernietigende jacht op prooi en verspreidden een vreselijke wraak naar alle kanten.


En zo gingen de uren van de tweede dag voorbij en voor de nacht inviel had zich een soort grimmig en verwoed zwijgen van hen meester gemaakt en staakten zij het betreuren van hem die zij verloren hadden en van hun eigen onzekere bestemming.


Maar op de morgen van de derde dag kwam een van de lievelingsbroers van de Larve aanzeilen tot midden in en groep die net ontwaakte en op het punt stond een aanvang te nemen met de dagelijkse gang van zaken.


Er lag een onnatuurlijke schittering in zijn ogen, die straalden als nooit tevoren en iedereen die naar hem keek in verwarring bracht, zodat zelfs de kleinste toeschouwer zijn aandacht op hem richtte toen hij sprak.


"Vrienden," zei hij, "zoals jullie weten was ik een van de lievelingsbroers van ons verdwenen familielid. Ik vertrouwde hem, alsof ik zijn tweede ik was en zou duizend keer mijn woord voor zijn woord gegeven hebben. Kijk dan hoe ik geleden heb onder zijn nog steeds niet nagekomen belofte, doordat hij, helaas! nog steeds niet bij ons is teruggekeerd!"


De lievelingsbroer zweeg even en in een hoekje mompelde een stelletje in zichzelf, "Hoe kon hij? Het verhaal over die andere wereld is niet waar."


"Hij is niet bij ons teruggekeerd," hervatte de lievelingsbroer. "Maar, vrienden, ik heb het gevoel dat ik naar hem toe ga, waar dat ook mag zijn, ofwel naar dat nieuwe leven waarover hij het had, ofwel naar de dood vanwaar geen terugkeer mogelijk is. Geliefden! Ik ga, zoals hij gedaan heeft, omhoog, omhoog, omhoog! Een onweerstaanbaar verlangen dwingt mij daartoe, maar voor ik vertrek, zal ik ten overstaan van jullie — voor mijzelf en voor hem — de plechtige belofte hernieuwen die hij jullie gedaan heeft. Als die grote verwachtingen bewaarheid zullen worden, zullen we terugkomen en het jullie vertellen, Als ik niet terugkeer — maar heb vertrouwen in me, mijn woord betekent meer voor me dan mijn leven. Tot ziens!"


De Larve steeg omhoog in het water, gevolgd door de laatste van de drie broers en een of twee van de jongere generatie. Maar toen hij het oppervlak van de vijver bereikte, greep hij zich vast aan de plant van een vergeet-me-niet, klampte zich aan zijn stevige bloemsteel en klom het water uit naar de open lucht.


Zijn metgezellen keken toe toen hij het water verliet, maar daarna zagen ze hem niet meer. Slechts de leegte van zijn vertrek bleef hen bij en verdrietig en ongerust zonken naar hun woonst beneden.


Zoals voorheen verstreken de uren van de dag, maar geen spoor van hem die vertrokken was. Vergeefs bleven ze stilstaan bij de troostende woorden die hij gesproken had. De hoop die hij had herleefde even, maar stierf weg met de ondergaande zon en menig stem verhief zich tegen zijn bedrog en behoefte aan liefde. "Hij is niet te vertrouwen," zeiden sommigen. "In zijn nieuwe geluk vergeet hij ons, net als zijn broer," riepen anderen. "Het verhaal over die andere wereld is niet waar," mompelde het stelletje in de hoek in zichzelf. Slechts een paar fluisterden tegen elkaar, "wij zullen niet wanhopen."


Bij dat alles was één ding zeker, hij kwam niet terug. En de teleurgestelde menigte zocht als voorheen beschutting tegen die gedachte door vreselijke rooftochten en opwinding, waarbij ze overal waar ze kwamen dood en verderf zaaiden.


En weer verstreek een dag en in de vroege schemering van de volgende kroop de derde en laatste broer langzaam toe naar een half-slapende kluwen van zijn meer vertrouwelijke vrienden en maakte ze wakker.


"Kijk mijn ogen," zei hij, "zijn ze niet opeens anders geworden? Ik heb het gevoel dat ze opgezwollen zijn en op springen staan en mijn gezichtsvermogen is nevelig en onvolmaakt. Met mij is zonder twijfel hetzelfde aan de hand als met onze geliefden, voordat zij ons verlieten. Net als zij ben ik terneergeslagen. Net zoals het bij hen gebeurde drijft een onzichtbare kracht mij omhoog. Luister nu, want op mijn afscheidswoorden kunnen jullie vertrouwen. Wat die andere wereld ook moge zijn, of die nu schitterender is dan alles wat wij daarbij kunnen bedenken, of gelukzaliger dan alles wat we daarbij kunnen hopen, wees niet bang dat mij hart zal veranderen en vergeten. Meer durf ik niet te beloven. Maar als het mogelijk is zal ik terugkeren. Bedenk dat die andere wereld misschien wel bestaat en wij daar in onze wereld een verkeerd beeld van vormen. Ik besef dat jullie, met jullie angsten, nu in ieder geval niet kunnen vertrekken. Vaarwel!"


En ook hij steeg omhoog, door het koele water heen naar de planten die de vijver omzoomden en vanaf een blad van een gouden dotterbloem rees hij op uit het element waarin hij geboren was, naar de wereld van lucht, waarin het oog van de waterlarve nooit kon doordringen.


Zijn metgezellen bleven een tijdje verwijlen bij de plek waar hij was verdwenen, maar taal noch teken bereikte hen. Alleen het akelige gevoel van verlies herinnerde hen eraan dat hij er ooit geweest was.


Daarna volgden de uren van vergeefs wachten, de hernieuwde teleurstelling, de wrede twijfels, de hoop die streed met wanhoop.


En daarna stegen achtereenvolgens anderen omhoog, want voor iedereen brak de tijd aan waarop de stralende ogen van het volmaakte wezen door het gemaskerde gezicht van de Larve heen scheen en hij voorwaarts moest gaan naar de vervulling van zijn bestemming.


Maar de uitwerking bij hen die achtergelaten werden, was steeds hetzelfde. Altijd waren er sommigen die twijfelden en bang waren, altijd sommigen die het niet geloofden en belachelijk maakten, altijd sommigen die hoopten en vooruit keken.


Ach! hadden ze het maar kunnen weten, die arme wezentjes! Waren hun ogen, die geschikt waren voor de enge grenzen van hun waterwereld, maar begiftigd geweest met een gezichtsvermogen voor het zuiverdere element daar voorbij, wat zou hen dan een leven lang vol zorgen bespaard zijn gebleven! Wat een gemak en rust zou hen dan beschoren zijn geweest!


Maar in dat geval zou geloof een onverbiddelijke noodzaak zijn geweest en had hoop een andere naam moeten krijgen.


En was de Libelle intussen werkelijk zo trouweloos als zij dachten? Dacht hij toen hij aan de waterkant uit zijn gevangenis barstte en op glinsterende vleugels omhoog steeg in de zomerse lucht, echt niet terug aan geliefden die hij zo kort daarvoor verlaten had? Was hij niet liefdevol begaan met hun zorgen en angsten? Dacht hij niet meer aan de belofte die hij hen gedaan had?


Ach! helemaal niet. Te midden van de vervoering van zijn wildste vluchten dacht hij aan ze en steeds weer keerde hij terug naar de omgeving van de wereld die voor hem ooit de enige wereld was. Maar ook daar heerste een kracht die sterker was dan die van hem en waaraan hij zijn wil moest onderwerpen. Naar de wereld van het water kon hij nooit meer terugkeren.


Als hij wilde afdalen en over het wateroppervlak heen scheerde bracht de geringste aanraking met het wateroppervlak een enorme schok teweeg, te vergelijken met wat hij als waterlarve ervaren had toen hij in de lucht opdook. Onwillekeurig droegen zijn vleugels hem dan meteen weg van dat onnatuurlijke contact.


"Jammer! van de belofte die ik uit onwetendheid en hoogmoed gedaan heb, ellendige Larve die ik was," was zijn bittere, doorlopend herhaalde kreet.


En zo, verdeeld en toch nabij, afgescheiden en toch verenigd door liefde, hing hij rond boven de hindernis die tussen hen in lag, misschien nooit helemaal zonder de hoop dat een of andere onverwachte gebeurtenis zijn dierbaren in zicht zou kunnen brengen.


Maar zijn vasthoudendheid bleef niet zonder beloning, want zelfs na zijn langste rondzwervingen keerde hij altijd terug naar de oude plek en daar kon hij zijn bevrijde broeder verwelkomen die hem spoedig gevolgd was.


En daarna weerklonk vaak op heldere zomerse middagen in de winderige lucht bij de bosvijver het geraas van Libellevleugels, als zij nu eens achterwaarts, dan weer voorwaarts, de ene kant en de andere kant op, zonder bochten of onderbreking over het kristalheldere water stoven, in de vervoering van het nieuwe leven.


Mogelijk voegde zich bij die gelegenheden door de aankomst van nieuwe familieleden uit de diepte, een nog intensere vreugde toe aan hun al vreugdevol bestaan. Het was vast heerlijk voor iedere nieuwkomer dat hij, als het raadsel van zijn bestemming was opgelost, in de nieuwe streken niet een vreemd oord zonder vrienden aantrof, maar een thuis vol begroetingen van hen die eerder vertrokken waren.


Heerlijk en even vreemd als heerlijk was nu ook het weten dat zelfs toen ze nog huiverden en angstig waren in hun onwetende leven daar beneden, de zwakke schijnsels van de vleugels van hen die zij bejammerden, her en der als lichtstralen van sterren op hun thuis vielen, als weerkaatsingen van de zon die hoog daarboven scheen. O! hadden ze het toen maar geweten!


Prachtige bosvijver, vol geheimzinnig leven, met geheimen waarvan wij zo weinig weten, wie zou niet graag verwijlen aan jouw oevers om toe te kijken en te mijmeren?  Daar waar de berkenboom haar sierlijke armen uitspreidt, pralend in de pracht die daaronder weerkaatst wordt. Daar waar in de ogenschijnlijke stilte de onschuldige vogels hun vreugdevolle muziek uitstorten. Daar waar het blauwe vergeet-me-nietje haar sprookje van een oude idylle verhaalt en de lange grashalmen  zich over hun geschilderde schaduwen buigen. Daar waar de Libellen nog steeds boven het wateroppervlak zweven, hunkerend om het hart van hun huiverende soortgenoten gerust te stellen, die daar beneden nog steeds hopen en vrezen.


Illustratie Parabels uit De Natuur door Margaret Gatty 1855


 

De Blinden en de Olifant


Inleiding:

 

In Plato’s grot verblijven, schaduwen van de werkelijkheid zien en die dan houden voor de werkelijkheid, wordt ook verhaald in de, uit de vrijwel zelfde tijd daterende, aan de Boeddha toegeschreven parabel van De Blinden en de Olifant. De blinden voelen allemaal een ander onderdeel van de olifant en kijven vervolgens in een Babylonische spraakverwarring over de hele olifant en allemaal wanen ze zich deskundig. Die olifantwetenschappen zijn bijvoorbeeld te vergelijken met de menswetenschappen in onze wereld. Sociologen, psychologen, filosofen, biologen, fysiologen, biochemici, met al hun subspecialisaties buigen zich met hun kokerblik over het daardoor gereduceerde beeld van mens en leven, trekken de meest fantastische conclusies, die hoofdzakelijk iets zeggen over de hoedanigheid van hun koker. Niemand ziet de hele werkelijkheid. Cardiologen, gastro-enterologen, neurologen, psychiaters en die tientallen andere specialisten, richten hun door oogkleppen vernauwde blik op het hen toebedeelde onderdeel en ventileren de waan van de dag. Niemand ziet de hele mens. De kokerblik is de basisvoorwaarde voor het bedrijven van wetenschap. Een gevolg van die kokerblik is het denken in oorzaak en gevolg. Het is als, gezeten achter een raampje, naar buiten kijken waar zich in dat beperkte gezichtsveld van alles afspeelt, en dan concluderen dat de ene gebeurtenis het gevolg is van iets anders binnen het raamkozijn. In Jenseits von Gut und Böse schrijft Nietzsche: "In het ‘op zichzelf’ bestaan geen ‘causale verbanden’, ‘noodzakelijkheid’, ‘psychologische onvrijheid’, daar volgt niet ‘het gevolg op de oorzaak’, daar regeert geen ‘wet’. Wij zijn het en niemand anders die de oorzaken, het na-elkaar, het voor-elkaar, de relativiteit, de dwang, het getal, de wet, de vrijheid, de logische grond, het doel verzonnen hebben." In de Katha-Upanishad staat: "Ga terugwaarts van gevolg naar oorzaak, [en dus steeds verder terug, want elke oorzaak heeft weer een achterliggende oorzaak] totdat ge gedwongen wordt te zeggen: ‘Hij is [de Eerste Oorzaak].’ Wanneer ge eenmaal op die wijze gedwongen wordt, dan daagt de waarheid." Als je dus iemand hoort beweren dat iets de oorzaak ergens van is, weet je dat hij oogkleppen op heeft. Geen kokerblik geen mening, geen mening geen wetenschap. Zoals de Boeddha verzuchtte:

 

"Want ruziënd klampt ieder zich vast aan zijn eigen mening

Zulke lieden zien slechts één kant van iets."


Illustratie De Blinden en de Olifant

 

John Godfrey Saxe (1816-1887)


Er waren eens zes man uit Hindoestan,
het opdoen van kennis zeer gezind
Ze gingen op zoek naar de olifant
(ook al waren zij allen blind)
met onderzoek zouden zij oordelen naar bevind.


De eerste liep naar de olifant maar kwam opeens ten val
tegen de brede en stevige flank en verklaarde meteen aan al:
‘loof de Heer, maar de olifant is als een wal.’


De tweede voelde aan een slagtand en riep: ‘hé, maar neen, mijn heer,
wat is immers zo rond en scherp? Voor mij is duidelijk maar al te zeer.
Dit wonder van een olifant is als een speer.


Nu kwam ook de derde naderbij, greep bij toeval, als ware het een stang,
de kronkelende slurf, en sloeg terstond een toon aan van belang:
‘Aha,’ sprak hij, ‘de olifant lijkt erg op een slang.’


Nu stak de vierde gretig zijn handen uit, en voelde aan de knie,
‘Waar dit beest nog het meest op lijkt is wel duidelijk,’ meende die;
‘Er kan geen twijfel over zijn het is een boom die ik hier voor mij zie.


De vijfde raakte toevallig aan het oor en zei: ‘zelfs als de blik niet tot het daglicht reikt,
Is zonneklaar wat ik hier heb; wat ik voel is zonder twijfelen geijkt,
Is dat dit wonder van een olifant op een waaier lijkt.’


Nauwelijks nog had de zesde overwogen waar hij eens beginnen zou,
of hij voelde al de slingerende staart, zwaaiend gaf deze hem een douw,
‘Ik zie het al,’ zei de man, ‘de olifant is als een touw.’


En aldus zetten de zes uit Hindoestan zich aan een debat, met luide stem en onverveerd,
ieder zei er het zijne van en liet zich door de ander onbekeerd,
Allen waren weliswaar ten deel in het gelijk, samen echter hadden zij het verkeerd.


MORAAL: Maar al te vaak varen allen, denk ik, alledag,
Hun eigen koers, volkomen onwetend over wat de ander denken mag,
En spreken zij allen van een olifant, die geen van hen ooit zag

 

De Parabel van de Blinden en de Olifant


Uit de Pali Canon van het Theravada boeddhisme, Udana 68-69:


Een aantal leerlingen ging naar de Boeddha toe en ze zeiden, "Heer, hier in Savatthi zijn veel rondtrekkende asceten en geleerden, die doorlopend twistgesprekken met elkaar voeren. Sommigen zeggen dat de wereld oneindig en eeuwig en anderen dat die eindig en niet eeuwig is, sommigen zeggen dat de ziel samen met het lichaam sterft en anderen dat zij voor altijd blijft voortbestaan, enzovoort. Wat, Heer, kunt u over hen zeggen?"


De Boeddha antwoordde, "Er was eens een radja die zijn bediende liet komen en zei, ‘Kom, beste jongen, ga en breng op het plein alle mensen van Savatthi bijeen die blindgeboren zijn en laat ze een olifant zien.’ ‘Komt voor mekaar,’ Sire, antwoordde de bediende en deed wat hem was opgedragen.  Tegen de zich aldaar verzamelde blinden zei hij, ‘Hier is een olifant,’ en sommigen liet hij aan de kop van de olifant voelen, anderen aan zijn oor, weer anderen aan de slagtand en de rest aan de romp, poot, achterkant, staart en de kwast aan de staart en tegen iedereen zei hij, ‘Dat is een olifant.’


"Toen de blinden de olifant betast hadden, ging de radja naar ieder van hen afzonderlijk toe en vroeg hem, ‘En, blinde, heb je de olifant gezien? Vertel me eens wat is een olifant voor iets?’


"De blinden die aan de kop gevoeld hadden antwoordden, ‘Sire, een olifant lijkt op een ketel.’ Maar de blinden die het oor betast hadden antwoordden, ‘Een olifant lijkt op een platte mand.’ De blinden die aan wie de slagtand aangeboden was, zeiden dat het een ploegschaar was. En zij die alleen de romp onderzocht hadden zeiden dat het een ploeg en anderen dat de romp een graanschuur was; de poot een pilaar; de rug een vijzel; de staart een stamper en de kwast aan de staart een borstel.


"Daarna begonnen ze te ruziën en riepen, ‘Dat is het wel!’ ‘Nee, dat is het niet!’ ‘Zo is een olifant niet!’ enzovoort, totdat ze erover slaags met elkaar raakten.


"Broeders, de radja was verrukt over het tafereel.


"Die predikers en geleerden zijn precies zo. Blind en zonder te kijken houden ze er allerlei meningen op na…In hun onwetendheid zijn ze uiteraard twistziek, maken ruzie en vechten met elkaar, en allemaal beweren ze dat de werkelijkheid zus en zo is."


Daarna liet de Verhevene blijken wat hij ervan vond door dit stichtende vers uit te spreken,


O wat ruziën en vechten sommigen, zij die aanspraak

maken op de gerespecteerde naam van prediker en monnik!

Want ruziënd klampt ieder zich vast aan zijn eigen mening

Zulke lieden zien slechts één kant van iets.

Naar boven