Home




Afbeelding van een rat

HANS ZINSSER

1934

RATTEN, LUIZEN EN GESCHIEDENIS

Afbeelding van een luis

EEN BIOGRAFISCH ONDERZOEK WAARIN NA TWAALF, VOOR
DE VOORBEREIDING VAN DE LEEK ONMISBARE,
INLEIDENDE HOOFDSTUKKEN,
DE LEVENSGESCHIEDENIS
BEHANDELD WORDT
VAN DE

TYFUS

dit boek is in hartelijke genegenheid opgedragen aan
Chales Nicolle,
wetenschapper, schrijver en filosoof (en Nobelprijswinnaar)



In de verschillende stadia van haar Avontuurlijke Loopbaan ook bekend als Morbus pulicaris (Cardanus, 1545); Tabardiglio y puntos (De Toro, 1574); Pintas; febris purpurea epidemica (Coyttarus, 1578); Febris quam lenticulas vel puncticulas vocant (Fracastorius, 1546); Morbus hungaricus; La Pourpre; Pipercorn; Febris petechialis vera; Febris maligna pestilens; Febris putrida et maligna; Tyfus carcerorum; Jayl Fever Fièvre des Hopitaux; Pestis bellica; Morbus castrensis; Famine Fever; Irish Ague; Tyfus exanthematicus; Faulfieber; Hauptkrankheit; Pestartige Bräune; Exanthematisches Nervenfieber, enzovoort, enzovoort.

INLEIDING


Hans Zinsser heeft niet alleen een zeer onderhoudend en vaak geestig verhaal geschreven of de Tyfus, maar durft daarnaast verbanden te leggen. Het enige nadeel is dat hij een evolutionist is, maar als je de evolutionistische saus uit zijn boek wegfiltert, resteert er een relaas waarin hij duidelijk weet te maken hoezeer de loop van de geschiedenis bepaald is door epidemieën en hoe onbelangrijk generaals daarin geweest zijn, zoals hij dat stelt. Hij laat zien hoe nauw het verband is tussen epidemieën en maatschappelijke ontreddering, opkomende industrialisatie, oorlogen, godsdiensttwisten, werkeloosheid, armoede en uitzichtloosheid.


Voorwoord

Deze hoofdstukken — wij aarzelen een zo onsamenhangend geheel een boek te noemen —zijn geschreven tijdens terloopse momenten, als ontspanning tijdens het onderzoek naar de tyfeuze koorts in het laboratorium en in het veld. Als je de besmettelijke ziekten over de wereld volgt, ga je ze uiteindelijk als biologische individuen zien, die door de eeuwen heen geleefd hebben, vele mensengeneraties hebben overspannen en een leven hebben geleid, dat biografisch benaderd kan worden. De tyfus leent zich — meer dan de meeste andere ziekten — voor een dergelijke benadering vanwege haar buitengewone parasitaire cycli in de insecten- en zoogdierwereld en de saillante feiten, die de afgelopen tien jaar allemaal verhelderd zijn. De bacterioloog vindt in geen enkele andere infectie een zo gunstige gelegenheid om de ontwikkeling van het parasitisme te bestuderen. Bovendien vindt deze ziekte, in haar tragische verhouding tot de mensheid, haar weerga niet — zelfs niet in pest en cholera.

In de loop van al die jaren, waarin wij in beslag waren genomen door besmettelijke ziekten en waarbij wij afwisselend plaats namen op de stoel van de biologische oorlogsvoering en in het laboratorium, zijn wij steeds meer onder de indruk geraakt van het belang — vrijwel geheel veronachtzaamd door historici en sociologen — van de invloed van die rampen op het lot der volkeren, dus op opkomst en ondergang van beschavingen. De hoofdstukken, die dit aspect van ons onderwerp behandelen, bieden weinig meer dan inleidende opmerkingen. Zij zouden kunnen dienen om historici, die over kennis beschikken die wij missen, te stimuleren die factoren de aandacht te geven die zij verdienen en hun invloed te verwerken in de interpretaties van de afgelopen geschiedenis van de mensheid.

Wij willen er geenszins aanspraak op maken dat wij enige oorspronkelijke bijdrage hebben geleverd aan de geschiedenis van de geneeskunde. Wij hebben informatie verzameld waar wij maar konden en hebben vrijelijk gebruik gemaakt van het werk van scherpzinnige geleerden zoals Schnurrer, Hecker, Ozanam, Hirsch, Murchison, en anderen. Bij het raadplegen van teksten uit oudheid en Middeleeuwen werd onze armzalige kennis van de klassieken aangevuld door de welwillende en vriendelijke hulp van onze collegae, de hoogleraren Gulick en Rand, van onze vriend Dr. Fred B. Lund, en door de enthousiaste belangstelling van Mr. C. T. Murphy van de Oudheidkunde-faculteit van Harvard. Gesprekken en correspondentie met Professor Sigerist van de John Hopkins Universiteit, Professor Merriman van Harvard, Majoor Hume van de Krijgsmacht van de Verenigde Staten, en vele anderen zijn ons op essentiële plaatsen tot onschatbare hulp geweest. In het bijzonder zijn wij dank verschuldigd aan onze wijze en beminnelijke vriend Professor W. Morton Wheeler, die vrijgevig met zijn advies en aanmoediging is geweest. Omdat dit op geen enkele manier een wetenschappelijke verhandeling is, hebben wij verwijzingen naar recente publicaties achterwege gelaten en om niemand tekort te doen vrijwel geen namen genoemd.

Voor onze hoofdstukken en opmerkingen over zaken van literair belang, maken wij geen verontschuldigingen. Hoewel wij ze relevant vinden voor het algemene schema van onze uiteenzetting, zullen velen dat niet relevant vinden. In zekere zin is dit boek echter een protest tegen de Amerikaanse houding, die de neiging vertoont te benadrukken dat een specialist geen belangstelling dient te hebben buiten zijn eigen gekozen terrein — tenzij dat golfen, vissen of bridgen is. Een specialist moet zich — in onze nationale visie— bij zijn eigen vak houden, zoals "een schoenmaker bij zijn leest." Wij lopen de kans — vanwege dit werkstuk — als minder dan een bacterioloog aangeslagen te worden. Het is de moeite waard. Een dag heeft echter vierentwintig uur; je kunt maar tien uur werken en acht uur slapen.

Wij zijn de mening toegedaan dat het allesbehalve uitzonderlijk is dat een gerichte intellectuele bezigheid in het algemeen het bevattingsvermogen kan vergroten; dat het een vergissing is om de menselijke geest te verdelen in subspecialisaties; en dat kunst en wetenschap veel gemeen en voordeel van elkaar kunnen hebben door wederzijdse evaluatie. Europeanen hebben dat lang gekoesterd. Wij zijn niet zo onbezonnen dat wij durven te beweren dat ons boek daaraan heeft bijgedragen. Wij hebben het in ieder geval opgeschreven zoals het in ons opkwam en ons daarmee vermaakt en op vertrouwd.

H. Z. 


INHOUD


HOOFDSTUK 1. Bij wijze van verklaring en verontschuldiging

HOOFDSTUK II. Een bespreking van de verhouding tussen wetenschap en kunst — een onderwerp, dat niets met tyfus te maken heeft, maar ons opgedrongen werd door de letterkundige heer uit het vorige hoofdstuk.

HOOFDSTUK III Inleiding tot de definitie van bacteriën en andere parasieten en een korte uitweiding over de vraag naar de oorsprong van het leven — zonder dat te behandelen zou de lezer volkomen onvoorbereid zijn op wat volgt.

HOOFDSTUK IV. Over parasitisme in het algemeen, en over de noodzaak bij het historische onderzoek van epidemieën rekening te houden met de verandering in de aard van infectieziekten; een korte beschouwing over syfilis ter illustratie van die bewering. Dat houdt rechtstreeks verband met onze biografie, omdat wij, voor lezers die van het bestaan van een mensenras niets afweten, te werk moeten gaan alsof wij over een mens schrijven.


HOOFDSTUK V. Vervolg van Hoofdstuk IV, maar meer in het bijzonder over zogenaamde nieuwe ziekten en enkele, die verdwenen zijn

HOOFDSTUK VI. Ziekten uit de Oudheid; beschouwing over de epidemieën, die in de Oudheid woedden en een poging diagnoses te stellen, wat duizend jaar later niet eenvoudig is, maar om diezelfde reden even lastig te weerleggen. Al moge dit weer een onnodig uitstel van onze biografie schijnen, het is een blijk van onze poging de ouderdom van tyfus te bepalen.

HOOFDSTUK VII. Vervolg van onze beschouwing van de ziekten van de Ouden, met bijzondere aandacht voor epidemieën en de val van Rome. Wij zijn nog steeds op zoek naar bewijzen voor het voorkomen van tyfus in de Oudheid.

HOOFDSTUK VIII. Over de invloed van epidemische ziekten op de politieke en militaire geschiedenis en hoe onbelangrijk generaals zijn. Wij beloven dat dit de laatste uitweiding is, buiten ons hoofdthema.


HOOFDSTUK IX. Over de luis: wij zijn nu genaderd tot het bekijken van de omgeving, die de aard van ons onderwerp heeft helpen vormen..

HOOFDSTUK X. Nog meer over de luis: de noodzaak van dit hoofdstuk zal duidelijk zijn voor mensen die gegrepen zijn door de strekking van deze biografie.


HOOFDSTUK XI. Veel over ratten — weinig over muizen

HOOFDSTUK XII. Eindelijk zijn we zover dat wij het onderwerp van onze biografie rechtstreeks kunnen aanpakken. Wij bekijken de intieme familierelaties, rechtstreekse voorouders en incubatietijd van tyfus.

HOOFDSTUK XIII. Waarin we de geboorte, prille jeugd en vlegeljaren van de tyfus onder de loep nemen.


HOOFDSTUK XIV. Waarin wij de eerste epidemische heldendaden van onze ziekte volgen

HOOFDSTUK XV. Vroege volwassenheid: de periode van jeugdig vuur en wilde haren.

HOOFDSTUK XVI. Beoordeling van de tegenwoordige opvoeding en vooruitzichten voor de toekomstige opvoeding en discipline



Hoofdstuk I


Bij wijze van verklaring en verontschuldiging



Als dit boek ooit geschreven wordt — en als het geschreven wordt — een uitgever vindt — en als het uitgegeven wordt —door iemand gelezen wordt, zal het met enige moeite, als een levensbeschrijving herkend worden. We leven in de eeuw van de biografie. Wij kunnen niet langer met Carlyle zeggen, dat een goedbeschreven leven even zeldzaam is als een goedbesteed leven. Onze boekwinkels liggen vol met de geschiedenissen van de groten en bijna-groten van alle tijden en iedere maand kondigen de uitgeverscatalogi een nieuwe oogst aan. De biografie heeft de roman grotendeels verdrongen, is het terrein binnengedrongen, van wat ooit het kritische essay heette, is een succesvolle strijd aangegaan met detectiveverhaal en erotische memoires en heeft zelfs het terrein betreden van het krankzinnigengesticht. Men vraagt zich af wat die stortvloed heeft teweeggebracht.

Veel antwoorden zijn mogelijk. Het is niet onwaarschijnlijk dat de literatuur, samen met andere huidige levensfasen, op de wetenschappelijke toer is gegaan. Evenals in de wetenschap werken een paar originele mensen de formule uit voor het ontdekken van een bepaald onderwerp, waarna een groot aantal navolgers die formule toepassen op overeenkomstige problemen en daar dan gunstige resultaten mee bereiken. In een tijd van armzalige literaire oorspronkelijkheid bestaat er bij de werkende mens een natuurlijke neiging om de grootheid van geniale meesters te verklaren. En tegenover iedere romanschrijver, dichter of uitvinder, van welke aard dan ook, staat een dozijn uitleggers, commentatoren en critici.

Ooit was het schrijven van een biografie een serieuze bezigheid en een taak voor een geleerde. Toen Plutarchus zijn Parallelle Levens schreef, werd zijn geest — zoals Clough terecht opmerkt — gedreven door de ethica van Aristoteles en theorieën van Plato, de godsdienst van de ontwikkelde mensen van zijn tijd. Hij hield zich minder bezig met hun daden dan hun motieven en de reactie van hun bekwaamheid en karakter op de omstandigheden van de grote beschavingen van Griekenland en Rome. Wetenschappelijke biografieën van latere tijd volgden een soortgelijke methode, zelfs in zo intens persoonlijke verhandelingen als Boswell’s Johnson of de Gespräche mit Goethe, waardoor een saaie piet als Eckermann zich naar de eeuwige roem wist te schrijven. De kleinere details van het intieme leven werden in het verleden alleen belangrijk gevonden, voorzover ze invloed hadden op de geestesgesteldheid, die leidde tot grote prestaties. Men begreep dat "les petitesses de la vie privée peuvent s’allier avec l’héroïsme de la vie publique". Maar zij werden slechts gebruikt, als zij belangrijk of onderhoudend waren. De nieuwe school ziet de sleutel naar een persoonlijkheid in de petitesses. De biografie is neurose-bewust geworden. Freud is een groot man. Maar het is gevaarlijk,

als een groot man al te gemakkelijk halfbegrepen wordt. Van de Freudiaanse explosieven zijn voetzoekers gemaakt, waaraan de dwaas zijn vingers brandt. Het is eenvoudig geworden om lawaai en stank te verwekken met stoffen, die door de grote uitvinder werden samengesteld om rotsen te laten springen. De biografie is duidelijk de beste speelplaats voor de beginneling in de psychoanalyse. De oudere biografen misten dit kijkgaatje naar het onbewuste. Zij beoordeelden hun helden slechts via het bewuste. Het onbewuste onttroont het bewuste. Grote mannen worden tegenwoordig gewogen naar hun endocriene evenwicht in plaats van hun daden. Arme Shelley! Arme Byron! Arme Wagner! Arme Chopin! Arme Heine! Arme Mark Twain! Arme Henry James! Arme Melville! Arme Dostojewski! Arme Tolstoi! En zelfs arme Jezus! Er zijn er nog een heleboel over — dit rijke terrein is nauwelijks ontgonnen, maar zelfs nu alle groten nog niet eens bezweken zijn, worden de "aangetasten" uitbundig gelezen: P. T. Barnum, Brigham Young — tot Al Capone en Pancho Villa toe.

Bij de onderhavige biografie zijn wij gedwongen door de aard van het onderwerp tot de oudere methode terug te keren. Wij zullen geen steun ontlenen aan de psychoanalyse. Geen prenatale invloeden; geen Oedipus- of moedercomplexen; geen jeugdige liefdesgeschiedenissen of latere ontrouw; geen perversies, driften of aanpassingsproblemen; geen fatsoensbelemmeringen en geen frustraties door onderdrukte wensen. Geen roddel zal ons helpen; geen persoonlijke brieven, die niet bijtijds verbrand konden worden. Wij kunnen niet rekenen op publiciteit door een aanklacht wegens smaad, wat nauwelijks kan worden afgewend, noch op handige toespelingen op schandalen. Zelfs hebben wij niet het gemak van vroegere biografen en essayisten, die wij kunnen overschrijven, parafraseren of weerleggen. Wij zijn dus geheel gespeend van de sauzen en kruiden, waarmee door biografen van dichters en wetenschappers hele gewone en vaak bedenkelijke lieden worden gemaakt; waardoor zij de aandacht van het werk van die mensen kunnen afleiden en op hun onbetekenende of verkeerde gewoonten kunnen richten, waarmee zij een held kunnen maken van een succesvolle commerciële oplichter, gemeenschappelijke verantwoordelijkheid kunnen smoren in huiselijke deugd of de aandacht voor het belang van de beste en blijvende prestaties van hun slachtoffer kunnen richten op de volslagen onbelangrijke persoonlijke zaken, waarvoor hij zich zelf schaamde.

De verslinder van biografieën zal zich nu afvragen, hoe wij dit veld durven te betreden, zonder de onmisbare hulpmiddelen van de biografische handelsreiziger. Het antwoord is eenvoudig: het onderwerp van onze biografie is een ziekte.

Wij zullen proberen zo min mogelijk technisch te schrijven, voor zover de nauwkeurigheid dat toelaat. Wij moeten echter onvolledig blijven, want het leven van ons slachtoffer, waaruit wij slechts de belangrijkste episoden kunnen kiezen, was lang en veelbewogen. Veel van zijn alledaagse huis tuin en keukenverhaal is even gewoon en eentonig geweest als van welk menselijk wezen dan ook: krijger, dichter of winkelier. Bovendien is ons verhaal geen "populaire wetenschap". Als het hier en daar dramatisch is, komt dat door het verhaal en niet door ons. Opvoedende waarde zit er niet in. Wij hebben ervoor gekozen de biografie van onze ziekte te schrijven, omdat wij haar platonisch liefhebben — zoals Amy Lowell Keats liefhad — en hebben geprobeerd daarmee vertrouwd te raken, waar wij maar konden. En hoe vertrouwder wij daarmee werden, hoe meer wij onder de indruk raakten van de invloed die deze en andere besmettelijke ziekten, die — in hun protoplasmatische continuïteit —de hele mensengeschiedenis overspannen, op het lot van het mensdom gehad hebben

Bij de benadering van ons onderwerp veroorloven wij ons echter een aantal uitweidingen, waartoe onze onderneming ons onvermijdelijk dwingt.

2


De besmettelijke ziekte is een van de grote tragedies van levende wezens — de strijd om het bestaan tussen verschillende levensvormen. De mens ziet het vanuit zijn eigen vooringenomen standpunt, maar mosselen, oesters, insecten, vissen, bloemen, tabak, aardappelen, tomaten, heesters en bomen hebben hun eigen variëteiten van pokken, mazelen, kanker of tuberculose. Onophoudelijk gaat de genadeloze oorlog door, zonder pauze of wapenstilstand — nationalisme van soort tegen soort. Gewoonlijk bestaat er echter onder de zogenaamde "lagere" levensvormen een zekere klassensolidariteit, waardoor zij hun eigen soortgenoten niet met die buitengewone wreedheid als prooi beschouwen, die slechts lijkt te heersen onder menselijke wezens, ratten en sommige wilde vissoorten. We moeten toegeven, dat er in het dierenrijk een aantal geïsoleerde voorbeelden bestaan van een bloeddorstigheid tegenover de eigen soort, zoals de mens die nog niet bereikt heeft. Het opeten van echtgenoot is onder de spinnen een bekende gewoonte en bij de Alacra of schorpioenen is het heel normaal dat de moeder de vader opeet, om vervolgens op haar beurt door haar eigen jonkies verslonden te worden. Als mannelijke leden van de grote kattenfamilie, — dat wil zeggen, de bergpoema — hun eigen jongen belagen en opeten, is dat geen duidelijk bewijs van wreedheid. Het is eigenlijk een indirecte crime passionel; het resultaat van ongeduldige tederheid jegens het wijfje, dat te zeer uitsluitend moeder is geworden. Het motief is liefde en zoals La Rochefoucauldal zei "Si on juge l’amour par la plupart de ses effets, il ressemble plus à la haine qu’à l’amitié."

Het schijnt de bedoeling van de natuur geweest te zijn, dat haar schepselen elkaar voeden. In ieder geval heeft zij het zo ingericht, dat de enige levensvormen, die rechtstreeks op Moeder Aarde parasiteren, deel uitmaken van het plantenrijk, dat zijn wortels in de aarde boort om daar stikstofhoudende sappen uit te halen en zijn brede chlorofylhoudende bladen uitspreidt naar zon en licht. Maar deze — tenzij ze te onsmakelijk of vergiftig zijn — worden door mens en dier gegeten, en de laatste op zijn beurt door andere dieren en bacteriën. In het Paradijs waren de dingen misschien zo georganiseerd, dat dit elkaar opeten werd uitgesteld tot na de dood, tengevolge van de natuurlijke gang van zaken bij het oude worden, waardoor de voedselvoorraad van elk schepsel weer bij de gemeenschappelijke voorraad werd gevoegd. Chemisch zou dit mogelijk geweest zijn en zou het leven zich op die wijze gehandhaafd kunnen hebben. Maar tijdens de onvolmaakte ontwikkeling bij het samenwonen op een overvolle planeet, is het een algemene gewoonte geworden om elkaar — dood of levend — op te eten, een gewoonte, waaraan instinctief en zonder hartstocht gehoor wordt gegeven. Waarschijnlijk schuilt er evenmin bewuste wreedheid in een leeuw die een zendeling verslindt, als in een goedhartige oude heer, die kippenpastei bij zijn avondeten heeft, of in de stafylokok op die oude heer. In het algemeen gezegd parasiteert de leeuw op de zendeling, de oude heer op de kippenpastei en de stafylokok op de oude heer. Wij zullen hier echter niet over uitweiden, omdat dit tot die overmaat aan technische details zou voeren, die we juist willen vermijden.

Het gaat erom dat de besmettelijke ziekte slechts een onaangenaam voorbeeld is van de algemeen voorkomende neiging van alle levende wezens om zich de moeite te sparen om door hun eigen inspanningen zelf de dingen te verbouwen, die zij nodig hebben. Waar zij maar de mogelijkheid vinden het constructieve werk van anderen tot eigen voordeel aan te wenden, volgen zij die weg van de minste weerstand. De plant doet het werk met zijn wortels en bladeren. De koe eet de plant. De mens eet ze allebei; en de bacteriën (of de effectenmakelaars) eten de mens. Om dit volkomen duidelijk te maken zou een uitgebreide technische uiteenzetting nodig zijn, maar het principe is duidelijk. Het leven op aarde is een eindeloze keten van parasitismen, die binnen korte tijd tot totale vernietiging van alle levende wezens zou leiden, als niet de onomkoopbare werkers van het plantenrijk voortdurend de voorraad geschikte stikstof- en koolstofverbindingen zouden aanvullen, die vervolgens weer door andere levende wezens worden gejat. Dit is een onderwerp, dat tot eindeloze en afgezaagde zedenpreken zou kunnen voeren. Uiteindelijk zou de mens gedefinieerd kunnen worden als een plantenparasiet.


De vorm van parasitisme, die we infectie noemen, is zo oud als het dierlijke en plantaardige leven. In
een volgend hoofdstuk hebben wij wellicht gelegenheid om de oorsprong ervan te bespreken. Wij kunnen hiervoor aanwijzingen vinden in de nieuwe ziekten, die zich steeds weer schijnen te ontwikkelen, naar mate wij de oude overwinnen. Maar ons voornaamste doel bij het schrijven van deze biografie is het benadrukken van het feit, dat wij te maken hebben met een stadium in de geschiedenis van de mens op aarde, die nog te weinig de aandacht heeft gekregen van dichters, schilders en geschiedschrijvers. Zwaarden en lansen, pijlen, machinegeweren en zelfs springstoffen hebben veel minder invloed uitgeoefend op het lot der naties dan de tyfusluis, pestvlo en gele koortsmug. Beschavingen zijn geweken voor het malariaplasmodium en legers zijn uiteengevallen onder de stormaanval van choleraspirillen of dysenterie- en typhoidbacillen. Uitgestrekte gebieden zijn verwoest door de op de vleugels van de tsetse-vlieg meereizende trypanosoom, generaties zijn gegeseld door de syfilis van een hoveling. Oorlog, verovering en kuddebestaan, die een begeleidend verschijnsel zijn van wat wij beschaving noemen, hebben voor deze machtige bewerkers van de menselijke tragedie slechts de voorwaarden geschept.


3


Nadat wij het voorafgaande geschreven hadden, lazen wij het over en kwamen tot de conclusie, dat er weinig in stond, wat de moeite waard was. We zijn misschien wat te streng geweest in ons oordeel over de huidige biografen. Je wordt tot dit soort discussies verleid door je ergernissen. Je kunt het oneens zijn, met veel van wat Eckermann Goethe laat zeggen of wat beweerd wordt door Renan, Sainte Beuve, Babbitt of Whitehead — als je tenminste begrijpt waar die laatste het over heeft — en voelt je voldaan, als de belangrijkheid van degene, met wie je het oneens is, je tot een tegenovergestelde mening heeft gebracht. Maar je voelt zich alleen maar geïrriteerd door de zelfgenoegzaamheid, waarmee de jongere school van Amerikaanse biografische critici e superiore loco kunst en wetenschap bejegent. Zij zitten tussen verstand en het schone in — zoals Voltaire tussen Madame de Staël en een lichtzinnige Marquise — "zonder een van beide te bezitten." Je zou willen uitroepen, zoals een eveneens geërgerde Fransman deed: "Goeie God, red ons uit de handen van de connaisseurs, qui n’ont pas de connaissance en de amateurs, qui n’ont pas d’amour!" Een deel van ons eerste hoofdstuk is daarom niet meer dan wat gerommel. Toch dient het om ons onderwerp in te leiden en wij zijn geneigd het laten staan om de volgende redenen. Wij zijn ergens mee bezig, dat door filosofen, wiskundigen, natuurkundigen, fysich-chemici, biochemici en zelfs fysiologen (die in veel gevallen minder voor de wetenschap hebben betekend dan een van Pawlow’s honden) niet als een wetenschap beschouwd wordt en door dichters, romanschrijvers, critici, biografen, toneelschrijvers, schilders, beeldhouwers en zelfs journalisten, categorisch uitgesloten wordt van de kunsten. Wij verkeren daardoor in een positie om naar beide kanten te kijken, met een uit nederigheid geboren onbevangenheid. Maar steeds als wij onze denkbeelden bespraken met vertegenwoordigers van bovengenoemde beroepsgroepen, vonden we een gemeenschappelijk wanbegrip — het enige punt misschien, waarin ze het met elkaar eens ware — namelijk dat mensen het onderzoek van besmettelijke ziekten als beroep kiezen, uit het edele verlangen het mensdom te dienen, levens te redden en lijden te verzachten.

Een vriend van ons is schrijver van beroep. Wij bedoelen daarmee iemand die door schrijven in zijn levensonderhoud voorziet, zoals een metselaar metselt voor de kost en een loodgieter verbindingen soldeert. Natuurlijk is schrijven evenals spreken een manier om denkbeelden uit te drukken of verhalen te vertellen. Het is ook een middel om aan anderen emoties over te brengen, opvattingen of oorspronkelijke inzichten, die zouden kunnen vermaken, onderrichten, verheffen of genot verschaffen. Dit soort schrijven wordt doorgaans kunst genoemd. En ooit — toen slechts de intelligenten konden lezen — moest het geschrevene ook nog intelligent en artistiek zijn.


Tegenwoordig echter leest iedereen: professoren en schoonmaaksters, doktoren en advocaten, kroegbazen, bedienaren van Gods woord en gediplomeerde verpleegsters. Zij hebben allemaal het zelfde ideaal over een aangenaam besluit van een saaie dag — een zachte divan, een leeslampje en iets om te lezen. En daarom moeten er schrijvers zijn om aan die behoefte te voldoen — literatuur voor zowel de intelligente als voor de stommerik — een boek voor ieder stel hersens, zoals een auto voor iedere beurs.

Die schrijver, over wie wij het hebben, is buitengewoon gelukkig geweest in het leveren aan beide markten — de ene keer schreef hij voor de redelijk intelligenten, dan weer kreeg hij een dikke check voor verhalen over de arme jongen en de dochter van de baas. In die laatste gemoedstoestand rook hij de rijke mogelijkheden om de sensationele kant van de wetenschap uit te buiten — een bron van inkomsten, die ook door een aantal van zijn litteraire tijdgenoten met succes was aangeboord. Maar omdat hij nooit enig nauw contact had gehad met onderzoekers op het gebied van de besmettelijke ziekten, deelde hij ook de misvattingen omtrent de nobele motieven, waardoor dit zonderlinge volk bezeten was. En omdat hij niet helemaal begreep, hoe iemand door een nobel motief bezeten kan zijn, vroeg hij ons: "Hoe worden die bacteriologen zo?" Wij beantwoordden zijn vraag ongeveer als volgt.


Er is een heleboel sentimentele onzin geschreven, naar aanleiding van die totaal onjuiste voorstelling. Als een bacterioloog overlijdt — net als andere mensen — ten gevolge van toevallige losbandigheid, een ongeluk of de oude dag, dan zijn zijn toewijding en zelfopoffering het thema van de lofrede van de dominee. Als hij tengevolge van zijn werk sterft — zoals een ingenieur in een kuil valt of een advocaat door een cliënt wordt doodgeschoten — wordt hij als een martelaar geëerd. Hij wordt door romanschrijvers gebruikt, zoals zij dat al eerder deden met cavalerieofficieren, Poolse patriotten en vliegeniers. Als een epidemioloog, tijdens het bestuderen van de pest, zich zou gedragen en zou spreken als de held uit Sinclair Lewis’ Arrowsmith zou hij niet alleen nutteloos zijn, maar ook door zijn collega’s beschouwd worden als een rare dwaas, een lastpost. En de Kruif is een veel te intelligente man, om niet te hebben geweten dat, toen hij de thriller Strijders tegen de Dood schreef, de reactie in de laboratoria en het veld waar het werk verricht wordt dat hij beschrijft, hol gelach zou zijn.

De waarheid is, dat mensen dit soort werk kiezen uit een aantal motieven, waarvan een bewust verlangen om goed te doen wel in de laatste plaats komt. Het blijft een van de weinige sportieve bezigheden voor lieden, die een bepaalde behoefte aan sensatie hebben. De besmettelijke ziekte is een van de laatste echte avonturen, die er nog over zijn in de wereld. Alle draken zijn dood en de lans roest in het hoekje bij de haard. Oorlogen zijn ballistische oefeningen, chemisch vernuft, organisatie, zwaar lichamelijk werk en massamoord op grote afstand. Schepen zijn met radio uitgerust. Het Amerikaanse continent is een lange weg met benzinepompen en de Indianen bezitten oliebronnen. Afrika is de speelplaats voor wilde-beestenfotografen en museumconservators met hun vrouwen, die daar onder anderen naar toe gaan om zich te laten fotograferen met een voet op een dode leeuw of olifant en verveeld kijkende zwarten, die kisten champagne en biscuits op hun geduldige hoofden dragen. Vliegen biedt genoeg avontuur, maar is niet veel meer dan een soort acrobatiek voor mecaniciens, net als autoracen. Hoe veilig en goedgeregeld het beschaafde leven echter ook geworden mag zijn, steeds liggen bacteriën, protozoën, geïnfecteerde vlooien, luizen, teken, muggen en wantsen in de schaduw op de loer, gereed om toe te springen, als de waakzaamheid vermindert door onachtzaamheid, armoe, hongersnood of oorlog. En zelfs in normale tijden belagen zij, levend te midden van ons, de zwakken, de piepjonge en stokoude, en wachten in een geheimzinnig duister hun kans. De oorlog tegen deze gevaarlijke medeschepseltjes is ongeveer het enige sportieve bedrijf, dat niet beïnvloed wordt door de onweerstaanbaar voortschrijdende beschaving van het de vrij levende mensheid. Zij liggen in donkere hoeken op de loer en besluipen ons in de lijven van ratten, muizen en allerlei soorten huisdieren. Zij vliegen en kruipen met de insecten en gebruiken ons eten en drinken en zelfs onze liefde als hinderlaag.


HOOFDSTUK II


Een bespreking van verhouding tussen wetenschap en kunst — een onderwerp, dat niets met tyfus te maken heeft, maar ons opgedrongen werd door de letterkundige heer uit het vorige hoofdstuk.


Dit hoofdstuk zal door de beroepsletterkundigen met verachtelijk schouderophalen ontvangen worden. Het is in Amerika een algemeen verbreid vooroordeel, dat deskundigen hun eigen terrein niet mogen overschrijden, hoe belangstellend zij ook over de omheining kijken. Maar literaire critici vertellen ons doorlopend dat wetenschap dit of dat is — "de wetenschap dient niet boven haar stand te leven" enzovoort; en omdat wij onmogelijk minder van kunst kunnen weten dan de meeste van die heren van de wetenschap, wagen wij het om verder te gaan in de hoop, dat de heren Edmund Wilson, Van Wijck Brooks, Mumford, Max Eastman en anderen die de "Nieuwe School" vormden, tot zij de middelbare leeftijd bereikten, dit deel van ons boek zullen overslaan.

De bioloog verkeert in een bijzonder moeilijke positie. Hij kan niet, zoals de scheikundige zo vaak doet, individuele reacties isoleren en afzonderlijk bestuderen. Hem ontbreken de wiskundige voorspellingen, waardoor de natuurkundige zich zo vaak laat leiden bij zijn proeven. De natuur bepaalt de voorwaarden, waaronder de bioloog werkt en hij moet die aanvaarden of zijn taak helemaal opgeven.


Hij weet dat de fysisch-chemische analyse nooit de definitieve oplossing van het levensproces zal geven; toch weet hij, dat het "vitalisme" en "neo-vitalisme" niet veel meer zijn dan een soort vormloze theologie, voortvloeiend uit een gevoel van hulpeloosheid of dat het slechts een "mechanisme" is 1) Zo zwoegt de geduldige bioloog voort, verzamelt zo eerlijk mogelijk zijn empirische waarnemingen— en vindt wat voldoening in het feit, dat hij meehelpt de vitalistische vaagheid binnen steeds nauwere grenzen terug te dringen. Zoals Bergson zegt: "Een zeer klein gedeelte van een kromme is bijna een rechte lijn en hoe kleiner het is, hoe meer het de rechte lijn nadert. . . Het ‘vitalisme’ is ook zo’n raaklijn, aan ieder willekeurig punt, aan chemische en fysische krachten. . . In werkelijkheid [echter] is het leven evenmin samengesteld uit fysisch-chemische elementen, dan dat een boog bestaat uit rechte lijnen." De bioloog is steeds bezig de boog van het vitalisme te differentiëren, maar beseft heel goed dat de mensheid de ‘grenswaarde’ van het volledige begrip wel kan benaderen, maar nooit kan bereiken. Ook weet hij, — als hij een onderwerp gaat behandelen, — dat hij eerst terug moet naar een analyse van de afzonderlijke elementen, waaruit de complexe systemen, die hij onderzoekt, bestaan, voor hij tot zijn eigenlijke onderwerp kan komen.

Die moeilijkheden brengen een routinematig denken teweeg, dat ons heeft gehinderd in het hier ondernomen werk. Wij benaderden het schrijven van de biografie van de tyfus met het zorgeloze vertrouwen, dat altijd gepaard gaat met het eerste idee over een experimenteel onderzoek. Aanvankelijk werden wij afgeleid door een beschouwing van de algemene manier van het schrijven van een biografie; daarna kwam pas de vraag, waarom mensen zich bezighielden met de bestudering van ziekten. We dachten dat we nu van de voorbereidingen af waren, maar toen kwam onze letterkundige vriend weer binnenvallen om zout op ons enthousiasme te strooien.


"Hoe," zo sprak zei, "kan iemand zijn leven doorbrengen met het kweken van bacteriën; marmotjes, konijnen, muizen, paarden en apen inenten; rondscharrelen in alle smerige uithoeken van de wereld om epidemieën te bestuderen; ratten vangen in andermans kelder; desinfecteren, ontluizen, uitroken; kijken naar huiduitslagen, in kelen gluren en in andere openingen van mens en dier; luizen, wantsen, vlooien en teken kweken; sputum, bloed, urine, ontlasting, melk, water en afvalwater onderzoeken — hoe," herhaalde hij, "kan zo iemand, die helemaal geen wetenschapper is en niets van een kunstenaar heeft, de brutaliteit hebben een taak op zich te nemen, die niemand die geen kunstenaar is met succes zou kunnen voltooien? Je hebt misschien wel gelijk met die sleutelgat-biografen en de gepasteuriseerde school van Rabelaisiaanse school van Freudiaanse critici, maar is dat dan minder erg dan de literair-wetenschappelijke ouwe-wijven-beweging? Wil je net zo doen als Dr. Collins uit New York, met dat "de-dokter-kijkt-eens-zus en "de-dokter-kijkt-eens-zo?"


"Maar!" antwoordden wij….


"Kijk naar al die andere wetenschappers van middelbare leeftijd, die zichzelf voor de gek houden door wat in kunst rond te scharrelen. Lees de Atlantic Monthly."


"Lieve hemel," zei ik, "je hoeft toch niet de bacteriologie op te geven, omdat je een zinnige belangstelling hebt voor iets anders? We schijnen in Amerika van een specialist te verwachten, dat hij een soort gemechaniseerde fabrieksarbeider wordt. Waarom zou iemand maar door één sleutelgat tegelijk naar de wereld mogen kijken?" —


"Voor mijn part kijk je door een dozijn, of klim je over de schutting, als je daar zin in hebt. Maar hou je koest over dingen, waar je geen verstand van hebt. Een biografie schrijven is iets voor een kunstenaar. Steek je hoofd uit het raam van je laboratorium en zie de wereld voorbijtrekken. Maar als je dan toch wilt schrijven, moet je je hoofd weer terugtrekken en voor het Journal of Experimental Medecine gaan schrijven. Als je zo doorgaat, zul je niets anders bereiken dan dat je het kleine beetje reputatie, wat je hebt, kwijtraakt."

"Maar," pruttelden we tegen, "mag iemand dan ontzegd worden kunst niet op een intelligente manier te appreciëren, omdat hij een beetje wetenschappelijk ingesteld is? Moet literatuur dan alleen genoten worden door mensen, die na het ontbijt tijd hebben om te lezen? Wat is eigenlijk dat fundamentele verschil tussen kunst en wetenschap?"

"Dat is een moeilijke vraag," zei hij, "Goethe had daar misschien een antwoord op gehad, maar hij vond het niet de moeite waard. De recente oorlog tussen humanisten en anti-humanisten zou misschien tot een antwoord geleid hebben — maar beide partijen waren zo boos op elkaar en wisten zo weinig van wetenschap, dat zij de hoofdzaak verwaarloosden. Als Babbitt nog zou leven, zou hij, met zijn enorme eruditie, misschien een antwoord hebben kunnen geven. Maar jij of ik komen hier niet uit."

Wij hebben steeds zeer veel waarde gehecht aan de opvattingen van onze vriend over dit soort zaken en in dit geval hebben zij ervoor gezorgd, dat wij aarzelden om met ons plan te beginnen — dat, zoals hij zei, onze wetenschappelijke kundigheid oversteeg — totdat wij aandacht hadden geschonken aan de wezenlijke verschillen, zo die er zijn, tussen wetenschap en kunst.

 

Bescheiden benaderde wij het probleem door de opvattingen van anderen te bestuderen, en ontdekten, dat zelfs mannen, die ons verre in wijsheid overtroffen, het niet met elkaar eens konden worden. Eddington en Jeans willen de wetenschap beperken tot het "metrisch of wiskundig beschrijven van verschijnselen", een opvatting, die zelfs de biologische wetenschapstakken wil uitsluiten. Maar, nadat zij tot deze kille hoogten gestegen zijn, langs de moeizame paden der rede, klimmen zij in hun metafysisch sleetje en suizen terug naar de warme en gezellige dalen van de theologie. Dingle probeert een liberaler standpunt en definieert wetenschap als een methode "die op een rationele manier ervaringen behandelt, die een bepaalde eigenschap hebben, nl. dat alle normale mensen die gemeen hebben". Dat is taalkundig een gruwel, maar omgekeerd volgt hieruit, dat het gebied van de kunst ervaringen omvat, die "een bepaald individu eigen zijn of althans door een kleine groep gedeeld worden". Dit is een opvatting, die veel lijkt op de manier, waarop de dieren vóór Darwin werden ingedeeld aan de hand van oppervlakkige overeenkomsten, zodat de walvis een vis werd en de vleermuis een vogel. Whitehead dringt dieper door, tot onder louter de morfologie van het probleem, tot in de vergelijkende anatomie en fysiologie. In de categorie wetenschap sluit hij de biologische takken en de geologie in en gaat zelfs zover dat hij naturalistische kunst (Leonardo) als nauw verwant aan de wetenschap beschouwt. Hij vindt in de grote literatuur — bij voorbeeld in de "wetenschappelijke verbeelding" van Aischylos, Sofocles en Eurypides, in hun visie van het Noodlot, dat "een tragisch gebeuren tot zijn onvermijdelijke einde brengt" — hetzelfde beginsel terug van "orde," "de visie, die de wetenschap beheerst." Als Aristoteles lang genoeg terug kon komen om vertrouwd te raken met het moderne wetenschappelijke denken, denken wij dat hij het aardig eens zou kunnen worden met Whitehead. Tussen haakjes, wat zou Aristoteles opgewonden raken van Harvard!

Dat een scherpe scheiding tussen wetenschap en kunst onmogelijk is, stond ook Havelock Ellis voor de geest, toen hij de volgende passage schreef: "Doordringen, ontdekken, bezitten, leiden en veredelen, dát is de plicht en het verlangen, zowel van minnaar als echte onderzoeker; iedere Ross of Franklin is daarom een Werther van de Pool, en iedere minnaar een Mungo Park van de geest." Wij zouden meer plezier van dit citaat hebben gehad, als de voornaam van de heer Park een andere dan "Mungo" was geweest. Toch drukt het, zoals het er staat, de kern van de gedachte uit, die zich bij ons ontwikkelde.

2

De zogenaamde wetenschapper is voor het merendeel van de huidige literaire critici — waarschijnlijk ten gevolge van hun vrijwel ongelooflijke onwetendheid ten opzichte van het wetenschappelijke denken — "slechts een rationalist", en de verhouding tussen wetenschap en kunst is voor hen hetzelfde als die tussen fotograferen en schilderen. Die scheiding op basis van nauwkeurigheid en is volstrekt onhoudbaar. Wetenschap is geen greintje fotografischer dan kunst. Metingen en formuleringen zijn, zelfs in de zogenaamde exacte — de fysica — wetenschappen, niet meer dan redelijk nauwkeurige benaderingen. De wetenschappelijke methode wordt steeds weer gedwongen met abstracte begrippen te werken, irrationele getallen zoals √2 en √3, de lijn zonder breedte, het punt zonder volume, nul, negatieve eigenschappen, of de idee van het oneindige. En steeds zeilt het wetenschappelijke denken uit vanuit de havens van hypothese en fantasie, 2) vooruitgeschoven posten van het onderzoekende intellect. Stof wordt moleculen, moleculen worden atomen, atomen worden ionen, ionen worden elektronen, die op hun beurt onbegrijpelijke energiebronnen worden — geen grijpbaardere werkelijkheid dan de dichterlijke opvatting van de "ziel", die hij ook alleen door haar "energie" kent, — van verlangens, verrukkingen en droefheid, die hij voelt. De geschiedenis van de wetenschap is vol voorbeelden van wat, in de kunst, inspiratie genoemd zou worden, maar waarvoor Whitehead’s definitie "speculatieve rede" veel geschikter lijkt.

Bovendien is het maar al te duidelijk, dat kunstenaar noch wetenschapper ooit "schepper" is. Het woord "scheppend," dat voortdurend zo misbruikt wordt door de jongere kritische scholen, is een fantasie van het optimisme over de menselijke vooruitgang, die — naar wel eens gezegd is — het weligst tiert in het krankzinnigengesticht. Zoals Goethe het uitdrukt, gaat de natuur haar gang volgens zulke eeuwige en noodzakelijke wetten, dat zelfs de Goden die niet kunnen veranderen. Het beste wat wetenschapper en kunstenaar kunnen bereiken is een nieuwe opvatting over de dingen, die er altijd geweest zijn. Zij "scheppen" een helderder inzicht. In die zin zijn zij beiden waarnemers, met dit verschil, dat de wetenschapper op een onpersoonlijke manier de buitenwereld beschrijft, terwijl de kunstenaar de invloeden weergeeft, die de uitwendige dingen uitoefenen op zijn eigen geest en hart. In beide gevallen is kunst of wetenschap groter naarmate de waarnemingen algemener toepasbaar zijn. 3)

Zou het niet eerlijk zijn om gewoon te zeggen, dat den handeling van het waarnemen kunst of wetenschap is, voor zover het begrijpen daarvan in het eerste geval beroep doet op de emoties, en in het tweede op de rede? De mogelijkheden van het intellect vormen een soort spectrum, dat zich uitstrekt van wat wij het infra-emotionele zouden kunnen noemen tot het ultra-redelijke. Aan het infra-emotionele uiterste liggen de gewaarwordingen, in beweging gezet door muziek en lyrische poëzie. Aan het andere uiteinde — dat van de zuivere rede — ligt het vermogen om wiskunde te begrijpen. Tussen die twee ligt een grot overlap, waar kunst wetenschappelijk is en wetenschap kunstzinnig. Literatuur in de zin van proza staat ongeveer in het midden, naar de ene kant overgaand in de epische en verhalende poëzie en naar de andere kant via psychologie, biologie enzovoort, in wiskunde.

"Wat zou er gebeuren, als je van een van die uiteinden afglijdt," vroeg mijn vriend.

"Welnu, als je onder de 10-10 komt, schijnt het dat de eindorganen het niet meer bijbenen en de natuurkundigen de kerk omarmen; terwijl aan de andere kant het ruggenmerg zich gaat bemoeien met de hersenen; tenminste te oordelen naar Joyce, Gertrud Stein en hun na-apers. Het houdt dan in ieder geval op kunst of wetenschap te zijn."

3


Bij onze volgende ontmoeting zette ik mijn discussie met mijn vriend voort.

"Op die manier," zei hij, "zou het eenvoudig zijn om alles met een soort intellectuele spectroscopische analyse te classificeren."

"De oudere vormen konden gewoonlijk vrij eenvoudig op hun juiste plaats in het spectrum worden gepast. Critici zoals Coleridge en Sainte-Beuve hoefden zich slechts bezig te houden met stijl, schoonheid van uitdrukking, helderheid van denken, intensiteit, oprechtheid, diepzinnigheid en de kwaliteit van smaak en gevoeligheid, die hoewel vaag en subtiel, toch nog binnen het bereik liggen van de ongestoorde geest. Kunst kon worden beoordeeld door iedere intelligente en ontwikkelde criticus zonder zijn toevlucht te hoeven zoeken in de grensgebieden van de psychiatrie. De Franse symbolisten brachten hierin verandering — de volgelingen van Baudelaire, Rimbaud, Verlaine, Mallarmé en Laforgue. Af en toe kwamen die grote mannen dicht bij de scheidslijn van het onbegrijpelijke. Maar in het algemeen bereikten zij, juist door nevel en mist, een grote schoonheid, waarin zij hun gedachten, lijden en vreugden mysterieus, grotesk, vaag, maar toch onmiskenbaar ondergingen. Men kan hen, zoals Lasserre doet, hun terechte plaats niet ontzeggen, alleen omdat zij hun grote talenten gebruikten voor tristesse en laideur. Wij pleiten niet voor een terugkeer van het tijdperk van Longfellowisme of Tennysonisme, maar als Sainte-Beuve sommige passages van T. S. Eliot had moeten beoordelen, het latere werk van Joyce of van Gertrude Stein, zou hij zeker raad gevraagd hebben aan Charcot of Bernheim, een dilemma, dat onze huidige critici schijnen toe te geven, —als zij modern werk moeten beoordelen, — gezien hun voortdurend een beroep doen op Sigmund Freud. Zelfs in de medische praktijk is het vanzelfsprekend moeilijk de lijn tussen gezondheid en gestoordheid scherp in de gaten te houden. Maar als de criticus van een kunstwerk een psychiatrische opleiding nodig heeft, doet alleen al dit feit ons twijfelen aan de artistieke waarde van dat voorwerp. Het echte probleem bij het toepassen van onze spectroscopische analyse op een groot gedeelte van het moderne spul is, dat een groot gedeelte daarvan de rationaliteit van de wetenschap mist, zonder het emotionele aspect van de kunst te bezitten.


"Laten wij eens iets daarvan wat nader bekijken. Neem T. S. Eliot — die in zijn proza laat zien dat hij heel helder kan denken en wie niemand talent, oorspronkelijkheid en soms grote schoonheid kan ontzeggen. Maar in veel van zijn poëzie geeft hij raadseltjes op aan zijn lezers, die hij kennelijk terecht als imbecielen beschouwt. "Raadt eens, op welk herinneringsbeeld van mijn klaarblijkelijk eenzijdige ontwikkeling ik nu zinspeel?" Dan, na een paar regels majestueuze poëzie vervalt hij plotseling in een volstrekt niet ter zake doend gebazel.


In de kamer lopen vrouwen af en aan

En spreken over Titiaan


Je krijgt de neiging om daaraan toe te voegen, "iene miene mutte" of neem het volgende:


Madame Sosostris, beroemde helderziende,
Was vreselijk verkouden, toch staat zij
Bekend als de wijste vrouw van Europa
Met een geducht spel kaarten.


Waarom dat "toch?" Was ze wijs, omdat ze erg verkouden was? Of nog een (je kunt kiezen uit ontelbare passages):


Nu komt Albert terug, knap je een beetje op.
Hij zal willen weten, wat je met het geld gedaan hebt
dat hij je gaf om wat tanden te kopen.

"Is dat poëzie? Het klinkt als triviaal proza. Wetenschap is het in ieder geval niet."

"Het is natuurlijk niet eerlijk om de dingen zo uit hun verband te rukken. Het geheel is symbolisch voor de woestenij van de huidige ontgoocheling. Een man der wetenschap kan dat natuurlijk moeilijk begrijpen."

"Het gaat er niet om, of iets moeilijk te begrijpen is, maar of het, eenmaal begrepen, zinvol is. Af en toe breken mijn apen los in het laboratorium en bereiken schitterende en bizarre effecten door het kapot gooien van flessen met gekleurde vloeistoffen tegen microscopen en Bunsenbranders. Het resultaat is dan een geanimeerde chaos van licht, geluid en opwinding. Maar als ze klaar zijn, blijft er niets anders over dan wanorde en rommel, die opgeruimd moet worden, voordat het ordelijke wetenschappelijke werk hervat kan worden. Hetzelfde kan in de werkplaatsen der kunst gebeuren. Maar wat ik niet kan begrijpen is waarom iemand, die klaarblijkelijk talent heeft, zoiets zal doen."


"Je wilt zeker hetzelfde over Baudelaire zeggen?" zei hij.


"Ojee, dat is weer dat oude nieuws, dat die mensen iets opgestoken hebben van Baudelaire, van Rimbaud en Laforgue. Maar die mensen deden ontdekkingen. Baudelaire was organisch chemicus. Hij stelde buitengewoon weerzinwekkende, maar nieuwe dingen samen. Maar onsamenhangendheid en stank maken nog geen Baudelaire."

"Welnu, laten we dan eens iets anders proberen. Herken je dit misschien?"


"Bijna alles, wat als een vrouw is, heeft een koe. Alles, wat als vrouw is, heeft een koe, alles, wat als vrouw is, heeft een koe, een liefdesgeschiedenis. Alles, wat is, wat als een vrouw is, heeft een koe, een liefdesgeschiedenis, alles, wat is als alles is, als vrouw te zijn, heeft een koe, een liefdesgeschiedenis..."

of:

"Eten is schapenvlees. Waarom is lamsvlees goedkoper? Het is goedkoper, omdat zo weinig meer is."

Dat is Gertrude Stein," zei ik, "maar luister hier eens naar:


"Ballonnen — gekleurde ballonnen — mijn gekleurde ballonnen — Wie maakte mijn ballonnen kapot? Onzinballonnen; zij hebben mijn categorische imperatief kapotgeprikt."

"Dat kan ik me niet herinneren uit haar boeken," antwoordde hij.


"Nee, dat is ook niet van Gertrude Stein. Dat is van Alice Gray, die ik mij uit het krankzinnigengesticht herinner. Zij was vijftig, maar dacht dat ze een baby was en luister hier eens naar:

"Tien pond kaas
Jij bent de baas."


"Je probeert alleen maar grappig te zijn," onderbrak hij me. "Gertrude Stein kan eigenlijk heel gevoelig schrijven, als ze wil."

"Waarom doet ze dat dan niet?" vroeg ik.

"Zij houdt zich met automatisch schrift bezig." 4)


"Dan is het wetenschappelijk."

"O, nee, — ze schept sfeer met behulp van afwisselende bewuste en onbewuste explosies."

"Dan is het kunst — in de zin van vuurwerk."

"Maar ze heeft een enorme invloed gehad op jongere schrijvers," zei hij.

"Dat hebben Mrs. Eddy en P. T. Barnum ook gehad," antwoordde ik. "Zonder Baudelaire zou er geen Rimbaud of Verlaine geweest zijn. Zonder Buffalo Bill, P. T. Barnum of Mrs. Eddy geen Gertrude Stein en zou Joyce waarschijnlijk niet anders dan keurig proza geschreven hebben."


"Over Joyce gesproken, heb je al eens "Tam and Shem" geprobeerd? of hoe ze dan ook heten. Luister:

"Ooit in een ruimte en een wilde wijde ruimte was het, zijn Wohnde een Mookse. De eenzijnheid was al te alleen, contunscheiterig, breed-ovaal en die Mookse ging aan het kuieren (te droes! roept Antoni Romeo). Dus op een daverende zomeravond na een geweldige ochtend en zijn goed maal van spek en spuug, na zijn ogen gekitteld te hebben en in zijn neus geboord en zijn oren geprikt…."

"Hou op!" riep ik. "Als jongen kreeg ik voor dat soort dingen voor mijn broek."

"Is dit wetenschap of kunst?" vroeg hij.

"Geen van tweeën natuurlijk," zei ik. "Maar wat ik niet begrijp is, waarom ze dat doen. Het zou al te gemakkelijk zijn om te zeggen, dat het ongevaarlijke gekken zijn. Bovendien wordt dit uitgesloten door het feit dat de mensen die we daar net noemden, als zij dat wilden weer terug konden keren tot het rationele."

"Je vergeet," zeihij, "het idee van de Zuivere Poëzie — Hoe minder het betekent, hoe beter. Het benaderen door Walter Pater en Moore van muziek door middel van de poëzie."

"Het verband tussen poëzie en muziek is ook al onderwerp geweest van geleerd geklets. Valéry zegt dat de dichter niets anders is dan een soort musicus. Wyndham Lewis noemt het kritische mystiek. Zij (Brémond) hebben het over ‘de drang van binnen,’ de ‘druk van de onsterfelijkheid op het hart,’ dichtkunst, die ‘verder gaat dan woorden kunnen uitdrukken,’ enzovoort. Soms gaat de criticus veel verder in zijn mystiek dan de dichters, over wie hij schrijft."

Het is overigens een merkwaardig verschijnsel dat sommige grote wetenschappers, als zij criticus worden en hun eigen esthetische reactie op poëzie proberen te verduidelijken, bijna net zo mystiek worden als de literaire ontleders. Soms heeft iemand zo’n enorm gezag — en over het algemeen terecht — dat kritiek op hem uitoefenen in de ogen van de ontwikkelde wereld gelijk staat met het schrijven van God met een kleine g. Ik denk hierbij aan Whitehead en omdat ik het niet met hem eens ben, voel ik mij net een Neanderthaler, die een Mastodont met een katapult aanvalt. Als hij het heeft over het toepassen van de vergelijking van Clerk Maxwell op het inwendige van het atoom, ga ik helemaal met hem mee. Maar als hij verband gaat leggen tussen een bepaalde vorm van Kantiaans, Berkeleyaans of Platoons idealisme en het gedicht van Shelley over de Mont-Blanc, of Wordsworth’s natuurverheerlijking afleidt van zijn wetenschapskritiek, onthult hij alleen maar zijn eigen onvermogen om zijn voet van de rem van de rede af te halen en te freewheelen met zijn emoties.


Als Shelley echter over een wolk of over de Mont-Blanc schrijft, denkt hij niet aan de "verborgen eindeloze verandering der dingen", noch weigert hij bewust "het abstracte materialisme van de wetenschap te aanvaarden". Hij drukt in prachtige beelden de, in hem door de natuur die hij aanschouwt, opgewekte gedachten en emoties uit; en geen enkele filosofische analyse kan precies hetzelfde doen met de lezer, als wat Shelley doet. De zuivere schoonheid van de afwisselende gevoelens en gedachten en de muzikale schoonheid — niet alleen muzikaal in geluid, maar ook in de harmonie van de beelden — moeten in de lezer dezelfde door de dichter overgebrachte reactie opwekken, die de natuur in de dichter teweegbracht. Het is de oude vraag, die Shelley zelf beantwoordde door te zeggen: "Het terugbrengen van een kunstwerk tot zijn elementen is even zinloos als het werpen van een viooltje in een smeltkroes". Natuurlijk benadert poëzie de muziek, maar anders dan muziek, heeft zij de kracht van concreetheid in denken en verbeelding. De grootste poëzie is communicatie en helder. Zij kan voortschrijden, via pure lyriek, naar de symboliek van Mallarmé en zijn tijdgenoten, waarbij zij dan geleidelijk haar intellectuele helderheid verliest en steeds afhankelijk wordt van fantasie en suggestie. Gaat zij nog verder, dan wordt het stadium bereikt waarin zij zuiver saxofonisch probeert te zijn, zoals in het "jug, jug, jug" of het "bam, boe, bim, bam, boom"-gebrabbel in sommige passages van de heer Eliot. Dit stond Baudelaire voor de geest, toen hij in l’Art Romantique zei "dat sommige onderwerpen tot de schilderkunst behoren, andere tot de muziek, weer andere tot de literatuur" en "of het niet het noodlot van de huidige decadenten is, dat iedere kunst zich op het terrein van een naburige probeert te dringen." 5) Als in een literair werk, zelfs als het bondig is geschreven, met zinnen die met hoofdletters zijn geschreven, onbegrijpelijk wordt voor een gezond en gevoelig mens, is het zijn doel voorbijgeschoten.

Wij moetenen ons afvragen, waarom ongetwijfeld getalenteerde mensen met hun geest moeten spelen, zoals apen in gevangenschap met hun geslachtsdelen. Het zou alleen maar tragisch zijn, als ze niet een soort fanatieke school volgelingen hadden gecreëerd, onder de doorlopend intellectualistische studenten. Windham Lewis komt dicht bij een definitie, als hij het de "idiote kind"-cultus noemt — het door de idioot overschaduwde kind. Zoals wij al zeiden, denkt Skinner, in het geval van Gertrude Stein, dat da het bewust experimenteren met automatisch schrift is.

Men zou ook kunnen stellen:

1. Ze nemen bewust het grote neo-intellectuele publiek in de maling, uit winstbejag of omdat zij het grappig vinden.
2. Zij lijden aan een welbekende vorm van exhibitionisme — het verlangen om op sensationele manier aandacht te trekken, of van instemming of van afkeuring. Dat is de lichte stoornis, die waarschijnlijk het bestaan van het medium verklaart. Door dit motief, in een minder uitgesproken vorm, voelen mensen zich gedreven om in de krant te schrijven, hun naam te lenen voor een sigarettenadvertentie of in gedrukte vorm te vertellen, dat zij "aan toevallen leden," tot ze een fles medicijn hadden leeggedronken.

3) Dat zij serieuze psychologische experimenten met zich zelf uitvoeren — wat zij gewoon thuis hadden moeten doen, alsof ze bedwelmende middelen gebruikten.

Of, maar dat lijkt me nauwelijks mogelijk,

4) Dat zij zwichten voor de onweerstaanbare neiging hun eigen ziekten tentoon te spreiden, zoals een lichamelijke zieke graag spreekt over zijn operaties of zijn chronische colitis.

Als zij gewone mensen waren, zou dit alleen maar meelevende belangstelling wekken. Maar het zijn geweldige machines en je zou willen, dat de isolatie niet doorgebrand was. 6)

Hoe men het ook bekijkt, voor de medische onderlegden lijkt het alsof die mensen hun hersenen voor hun ruggenmerg inruilen, of in elk geval voorhoofdskwabben vervangen door basale ganglia."

"Je hebt een heleboel gezegd," zei mijn vriend, "maar het komt ten slotte neer op de definitie van schoonheid — of niet soms?"
"Geef mij er dan maar nog een," antwoordde ik.

"Hier is de laatste," zei hij. "Schoonheid is de wederzijdse aanpassing van de verschillende factoren in een ervaring. In haar belangrijkste betekenis is schoonheid iets, wat uit de gebeurtenis zelf verklaard wordt, of, omgekeerd, het is iets, wat bij een bepaald gebeuren door verschillende anderen kan worden gedeeld."


"Gegroet, verlichte geest," zei ik, "een vogel zult gij nooit worden."

"Laten we verder gaan," zei hij. "Om deze definitie van schoonheid te kunnen begrijpen, moet je drie leerstellingen voor ogen te houden, die tot het metafysische systeem behoren, waarmee de wereld in deze hoofdstukken wordt geïnterpreteerd. Deze drie leerstellingen hebben betrekking op onderlinge verhoudingen: (a) tussen de objectieve inhoud van een opvatting en de subjectieve vorm van die opvatting en (b) tussen de subjectieve vormen van verschillende opvattingen van hetzelfde object en (c) tussen de subjectieve vorm van een opvatting en de spontaniteit die te maken heeft met het subjectieve doel van de desbetreffende omstandigheid."

"Hou op," zei ik, "is dat ook Gertrude Stein?"


"Neen," zei hij, "dat is Whitehead."

"Wel verdomd" zei ik, "ik denk, dat ik gewoon rustig door kan gaan met mijn biografie van de tyfus."

Toen mijn vriend vertrokken was, bedacht ik dus, dat ik dankbaar mag zijn voor die goede, eerlijke ziekten zoals tyfus, syfilis en nog een paar, telkens als ik maar even over die dingen nadenk. Daar weet je tenminste, wat je er aan hebt. En als je je laat verleiden tot "welles, nietes", terwijl je met ze bezig bent, draaien ze je ongetwijfeld een loer door je koud te maken. Je moet er afblijven of ze met een voorzichtige vakkundigheid benaderen. Stel je eens voor, wat er met onze huidige critici zou gebeuren, als de grote doden, die zij zo onvakkundig ontleden, hen zouden besmetten met psychische puisten en karbonkels; of als Mr. Joyce’s belangstelling voor het darmkanaal, Mr. Eliot’s schijngevechten met de hartstocht, of de wellustigheden en seksuele afwijkingen van onze al te moderne schrijvers stilletjes de hersenen binnen zouden kunnen dringen en daar verlammingen en andere bewegingsstoornissen teweeg zouden brengen? Voor zover ik weet, zou dat best mogelijk zijn. En er bestaat geen geneesmiddel tegen dit soort psychische micro-organismen.

Tyfus is heel wat minder gevaarlijk.


Noten


1) Zij stuiten inderdaad beiden op hetzelfde raadsel, want zoals Foley betoogt, ziet de mechanistische opvatting God als een werktuigkundige. Alle moderne astronomen en fysici worden met dit probleem geconfronteerd.

2) Dat is duidelijk uiteengezet in Hans Vaihingers Die Philosophie des Als Ob.

3) I. A. Richards beschrijft nauwkeurig de functie van de kunstenaar, als waarnemer van de feiten van de menselijke emoties, als hij zegt: "In de kunst vinden wij een verslag, in de enige vorm waarin dat weergegeven kan worden, van de ervaringen, die de moeite waard leken voor de meest gevoelige en fijnzinnige personen." In die zin waren Leonardo, Shakespeare, Cervantes, Goethe, Dostojewski en ontelbare andere kunstenaars even getrouwe en nauwkeurige waarnemers van de menselijke ervaringen als Newton en Pascal dat waren in de buitenwereld.
André Gide bedoelt hetzelfde, als hij zegt: "Alles heeft altijd in de mens bestaan… en wat in hem opnieuw ontdekt wordt, heeft altijd in hem gesluimerd... Hoeveel onbekende helden wachten slechts op een voorbeeld van een held in een boek, slechts op een door hem verschafte vonk van het leven, om te kunnen beminnen, slechts op een woord van hem, om te kunnen spreken.

4) Zie B. F. Skinner in de Atlantic Monthly van januari 1934

5) In dit verband is het interessant ons af te vragen, wat het resultaat geweest zou zijn, als D. H. Lawrence een beroepsschilder was geweest in plaats van auteur. Een geschilderde Lady Chatterley — zelfs met de meest perfecte techniek — zou ongetwijfeld totaal misvormd zijn geweest, en het onderlijf zoveel groter dan het bovenstuk, dat het als een menselijke figuur vrijwel onherkenbaar geweest zou zijn. Men had het schilderij nergens kunnen ophangen, zelfs niet in een clandestiene kroeg.
Die onevenredige benadrukking van bepaalde stadia in het onderwerp, die overeenkomen met de neurose van de schrijver, kunnen in de literatuur veel beter wegkomen dan mogelijk zou zijn in bouwkunst, beeldhouwkunst, schilderkunst of zelfs in muziek.

6) Je zou die voorbeelden natuurlijk aan kunnen vullen met "mindere goden," Ezra Pound, enzovoort. Met opzet noemen wij niet Hart Crane, die wij toevallig leerden kennen, tijdens ons werk aan de tyfus in Mexico. Hij was een zeer begaafd iemand, aantrekkelijk en tragisch, hij was namelijk geestelijk heel ziek.



HOOFDSTUK III

Inleiding tot de definitie van bacteriën en andere parasieten en een korte uitweiding over de vraag naar de oorsprong van het leven — zonder dat te behandelen zou de lezer volkomen onvoorbereid zijn op wat volgt.

1

In de geschiedenis van het heelal is de geschiedenis van onze kleine planeet een geïsoleerde en waarschijnlijk onbelangrijke episode. Op een ander eiland in de onmetelijke ruimten heeft misschien een andere evolutie wezens voortgebracht, zoveel wijzer dan wij, dat zij de oorsprong van het leven wel kunnen begrijpen. Er is namelijk geen duidelijke reden om te geloven, dat wij — voorbijgaande schepsels in de opwaartse gang van de evolutie — de hoogste mogelijkheden bereikt hebben. De tragedie van de mens is, dat zijn verstand zich zó heeft ontwikkeld, dat het mysteries wil onthullen, maar niet groot genoeg is om ze te doorgronden. Begaafd met een geest, die maar net uitgegroeid is boven die van onze dierlijke verwanten, worden wij gekweld door een vroegrijp verlangen om vragen te stellen, die wij soms wel kunnen formuleren, maar slechts zelden in staat zijn te beantwoorden. Wij hebben geleerd te dromen over het veroveren van de krachten rond ons; wij onderzoeken de materie en de energie, die haar beweegt, de orde, die de werelden, de zon en de sterren beheerst; wij oefenen onze geest om zich op zichzelf te richten en ontdekken gevoelens, ethische verlangens en morele drijfveren — liefde, rechtvaardigheid, mededogen — die geen duidelijk verband hebben met het louter dierlijke bestaan. Hoe meer wij ontdekken, des te groter onze wanhoop om oorsprong en doel te ontdekken. Naarmate ons vernuft de orde in de natuur om en binnen in ons onthult, groeien ons ontzag en onze bewondering voor de grootse harmonie, die wij steeds duidelijker kunnen ontwaren bij elk nieuwe verworvenheid in kunst of wetenschap, waarvan ons echter — in laatste instantie — oorzaak en bedoeling ontgaan. Het besef van die bewondering en het verlangen dat in te passen in de natuurlijke harmonie, met een beeld van het geheel, is blijkbaar een uitgesproken verschijnsel van de menselijke psychologie; het is de kracht, die religies heeft doen ontstaan, net zoals het instinct om de stoffelijke omgeving te willen begrijpen, wetenschap heeft voortgebracht en de drijfveer om esthetische reacties uit te drukken, kunst heeft verwekt. Het is duidelijk, dat religie begint waar de filosofie de vaste grond van de exacte wetenschappen verlaat, naar de onzekere wateren van de speculatie, waarin de metafysica de zandbanken vormt. In de huidige tijd is het echter niet erg verstandig te spreken over conflicten tussen godsdienst en wetenschap, die voor echt beschaafde mensen al heel lang niet meer bestaan. Als verontruste dominees als Dr. Fosdick een dergelijk conflict hartstochtelijk ontkennen, slaan zij met de vuist op de tafel en verzekeren, dat de aarde rond is. Zij willen de weldadige maatschappelijke en morele invloed van een georganiseerde kerk bewaren in een wereld, die nog niet rijp is voor een zuiver ethische gedragslijn. En als befaamde geesten als Milhikan en anderen, vanaf de toppen van de exacte wetenschap, hun vlucht nemen naar de stratosfeer van een ouderwetse hemel, laten zij de biologische waarheid zien, dat de menselijke geest ethische verlangens bezit, die de hoogst ontwikkelde wetenschappelijke kennis niet kan bevredigen — duidelijk nooit zal kunnen bevredigen.

Het is niet helemaal toevallig, dat astronomen, fysici en mathematici meer dan de biologen geneigd zijn terecht te komen in de schoot der Kerk, of tenminste in die van een haar nuchtere metafysische zusters. De bioloog wordt in zijn werk voortdurend geconfronteerd met het mysterie van het leven. Hij leert het eerbiedigen, wat hem, uit een samengeweven bewondering en ontzag, bescheiden houdt en bereid maakt om zonder te wanhopen aan te nemen, dat er iets wonderlijks bestaat, dat voortdurend bestudering waard is, maar wat voor het ogenblik nog buiten zijn bevattingsvermogen valt. De scherpzinnige fysici, op wie ik heb gezinspeeld, nemen weer hun toevlucht tot God. Zij denken namelijk, dat zij een nieuw begrip gevormd en een nieuwe en eigentijdse Jehovah ontdekt hebben, terwijl het enige wat zij gedaan hebben, niets anders geweest is dan zijn baard wegnemen en de donder in energie-eenheden uitdrukken. In hun hart en verstand blijft hij nog steeds dezelfde oude "Almachtige". Wat nu en dan bereikt zou kunnen worden, is, wat de Grieken een tijd lang volbrachten, toen de filosofie van Plato de godsdienst van de ontwikkelden was, en wat zich in de vorm van het Confucianisme in China verbreidde.

Dit is echter in onze tegenwoordige, overbevolkte wereld een te grote verwachting, want zogauw als dominees als Dr. Fosdick hun mystieke ballast overboord gooien om de zandbanken te kunnen passeren en veilig te landen in een haven van redelijkheid, vissen Millikan en andere fysisch-metafysici die er weer uit, om zichzelf vastigheid te geven bij hun tocht over de open speculatiezee. Het vooruitzicht is hopeloos, tenzij er iemand opstaat, die even stellig is als Christus in het onderscheiden van geest en stof en tegelijkertijd volmaakt vertrouwd is met de mogelijkheden en grenzen van de moderne wetenschap.

De wetenschapper, intellectueel en emotioneel gerijpt, kan zonder zijn onderzoekslust en -moed te verliezen — dat wil zeggen, zonder zich aan de metafysica over te geven — filosofische rust vinden, met de erkenning, dat wetenschap, ook al is zij hoog ontwikkeld, nooit de laatste vragen zal kunnen beantwoorden; maar dat er geluk kan schuilen in het beschouwen van de geordende samenwerking in de natuur, en vrede in een bescheiden kameraadschap met de rationele en menselijke geesten, die door alle wreedheden in de geschiedenis heen, hebben vastgehouden aan het doel van de rede. Volkomen begrip zou daar heel weinig aan toe kunnen voegen.

Bergson veronderstelt, dat op een andere planeet leven tot ontwikkeling gekomen zou kunnen zijn door systemen, die volkomen anders zijn dan de onze. Het element, dat kenmerkend is voor de energieleverende stoffen, zou een ander hebben kunnen zijn dan koolstof, en het karakteristieke element voor de levende materie had een ander kunnen zijn dan stikstof, wat ons dan geleid zou hebben tot in chemie, anatomie en fysiologie, radicaal anders dan de onze, levende lichamen,. Dit mag misschien waar zijn; om het te geloven worden echter onderstellingen vereist, waarvoor aardse waarnemingen geen aanknopingspunt geven. Voor zover wij het op aarde kunnen analyseren, is de oorsprong van leven mogelijk gemaakt door de unieke eigenschappen van de combinatie van de krachten van drie elementen 1) en de oneindige verscheidenheid van stadia en systemen, mogelijk gemaakt door de eigenschappen van water. Door die verhoudingen, zegt Henderson, "bestaat er een rechtstreekse overgang van de eenvoudige bestanddelen van atmosfeer naar samengestelde organische lichamen."

Uit die combinaties en dissociaties, samen met de andere elementen, onder oneindig veranderlijke voorwaarden van druk en concentratie, met de stralende energie ontrokken aan de zon, ontstond er — ergens en op een gegeven ogenblik — leven. In die overgang van dode, organische verbindingen naar de gelijksoortige levende, ligt het grote, onbegrijpelijke mysterie. Wat daarvóór bestond, kunnen we redelijkerwijze naspeuren; wat daarna kwam, ligt in ieder geval open voor onderzoek, in de beschrijving van bestaande levende vormen. In die sprong van dood naar leven ligt de geheimzinnige onderbreking van de continuïteit, die ons begrip te boven gaat. Tussen het chemisch te bepalen eiwitmolecuul en de levende cel van een bacterie gaapt een afstand, die veel moeilijker te begrijpen is dan die tussen de eerste levende cel en de mens.

Het is niet eenvoudig het leven te definiëren. Een enzym, dat energie kan leveren en weer nieuwe energie kan opbouwen, in de plaats van die het in automatisch geregelde cycli heeft afgegeven, zou een levende stof zijn — maar dan oplosbaar en niet georganiseerd in een celvorm. Er bestaan onzichtbare wezens, parasiterend op planten en dieren, die wij alleen kennen door hun werking. De ultramicroscopische virusvormige ziektekiemen van de mozaïekziekte, die tabak en aardappelen infecteert, de kiemen, die mond- en klauwzeer veroorzaken, hondsdolheid, gele koorts, kinderverlamming, pokken en vele andere verwoestende ziekten, gedijen in de levende cellen van hogere wezens en vermenigvuldigen zich in oneindige generaties, terwijl zij hun soort trouw blijven, wat betreft hun gewoonte van het specifiek parasiteren. Toch zijn zij zo klein, dat zij niet interfereren met de trillingen van zichtbaar licht, 2) maar toch groot genoeg om honderd of meer van de kleinste eiwitmoleculen te bevatten. Het is waarschijnlijk, dat sommige van de grootste met de sterkste vergrotingen als zichtbare punten net gezien zijn; velen zijn echter nooit gezien. Er wordt aangenomen, dat het in celvorm georganiseerde levende wezens zijn, maar daar zijn we niet zeker van; en de gedachte, dat sommigen van hen overgangsvormen zijn tussen echte enzymen en celvormige individuen, is op zijn minst een redelijke veronderstelling. De evolutie van het dode organische complex tot de cel zal vast een langzame overgang geweest zijn, met een oneindig aantal tussenstadia, die misschien nog ontdekt worden. Recente waarnemingen over het verschijnsel bacteriofagie hebben ons in ieder geval materiaal verschaft voor een hoopvol onderzoek.

Ontstond het leven spontaan door dergelijke steeds meer samengestelde verbindingen van stof door middel van enzymen — ongevormde, gereguleerde bemiddelaars, in staat om op te bouwen en energie af te geven? Of kwam het elders vandaan naar onze aarde, — kosmisch, — in welk geval het het

vermogen had moeten bezitten om, zonder uiteen te vallen, bestand te zijn tegen temperaturen, oplopend van het absolute nulpunt tot gloeihitte. Wij kunnen die mogelijkheden niet ontkennen, maar wij hebben geen aanknopingspunt voor een van beiden. Wij beginnen te weten, dat alle in levende wezens plaatsvindende processen, bestuurd worden door dezelfde fysisch-chemische wetten, die de reacties in dode chemische systemen beheersen — al zijn zij wel gecompliceerder. Toch is deze zuiver mechanische benaderingswijze onvoldoende voor het uiteindelijke antwoord, en steeds weer duikt het vitalisme op teneinde die kloof te overbruggen.

Naast ons, in dezelfde tegenwoordige wereld, waarin wij, wat we kunst en wetenschap noemen, trachten te bevorderen, zijn onze vrijwel alleroudste voorouders, de Protozoën en bacteriën, in leven gebleven. De bacteriën in het bijzonder (die van alle herkenbare cellen het dichtst bij de stam van de levende dingen staan) zijn nog belangrijker dan wij. Alomtegenwoordig in oneindige variaties, brengen zij gistings- en rottingsprocessen teweeg, waardoor zij koolstof en stikstof vrijmaken uit de dode lichamen van planten en dieren, die anders — zonder bacteriën en gistcellen — voor altijd besloten zouden blijven in nutteloze verbindingen, voorgoed uitgeschakeld als verdere bronnen voor energie en opbouw. Voortdurend werkzaam in moeras en veld, bevrijden die minuscule weldoeners de gebonden elementen en voeren die terug naar de voorraadstapel, zodat zij als delen van andere levende lichamen in nieuwe cycli opgenomen kunnen worden. Sommigen daarvan remmen het uitbundige enthousiasme van hun al te grondige broeders, die stikstofhoudende stoffen afbreken tot vrije stikstof. In de bodem en in de wortelknolletjes van klaver, erwten en andere peulvruchten zijn bacteriën bezig om stikstof vast te leggen in verbindingen, die gereed zijn om weer in de levensketen te worden opgenomen. Zonder bacteriën, die de continuïteit van de cycli van de koolstof- en stikstofverbindingen tussen plant en dier handhaven, zou alle leven uiteindelijk ophouden; planten zouden geen nitraten en geen kooldioxideverbindingen meer hebben, waardoor zij moeten groeien, koeien zouden geen klaver meer hebben om te eten, de mens geen vlees en groenten. Zonder de bacteriën zou de wereld een pakhuis worden van goedbewaarde dode voorbeelden van haar vroegere flora en fauna — even nutteloos voor het voeden van een nakomelingschap, als een dwaze en domme gedachtegang, versteend in boeken, nutteloos is voor het voeden van zijn geest.

2

Onder de gezegden en spreekwoorden, die de neiging vertonen de filosofie der onnadenkenden te worden, is een van de meest gevaarlijke: "Zien is geloven." Duizenden jaren geleden geloofden wijze mensen, dat de aarde plat was en de zon om de aarde heen draaide — omdat zij met hun eigen ogen konden zien, dat die dingen zo waren. Gedeeltelijk was het ditzelfde geloof in de zuivere waarneming, dat zoveel eeuwen een verstandige benadering van de vraag naar de oorsprong van het leven vertraagde. Maden kwamen voort uit rottend paardenvlees, luizen en vlooien uit zweet van mensen; een paardenhaar in een emmer water werd een draadworm. Die dingen konden waargenomen worden en waren daarom juist. In 300 voor Christus werd zelfs de succesvolle vervaardiging van de homunculus (ανθρωπάριον) aangekondigd door de alchimist Zosimos, met hetzelfde vertrouwen en bijna evenveel gezag, waarmee sommige van onze moderne biologen op een even zwakke bewijsgronden melding maken van de omvorming van een ultra-microscopisch virus in bacteriën.

Ondanks de enorm uitgebreide literatuur aan dwalingen, die wij aanstonds zullen beschouwen, waren de oude middeleeuwse speculanten minder gevaarlijk voor het begrip, dan hun tegenwoordige vertegenwoordigers. Valse leerstellingen werden toen in veel minder wijde kring bekend, omdat maar weinig mensen konden lezen en weinig persoonlijke winst in bekendheid viel te behalen; het publiek was zich nog niet van wetenschap bewust en nog niet intellectueel ontwikkeld; wetenschappelijke vraagstukken werden alleen gewaardeerd door de intelligente en goedingelichte minderheid, in plaats van onmiddellijk voorgelegd te worden aan het intellectuele proletariaat. Als wij ons verbazen over de betrekkelijk geringe vooruitgang, die er in het oplossen van de vraag betreffende de oorsprong van het leven gemaakt is gedurende de vele duizenden jaren, waarin de mens daarover nagedacht heeft, moeten wij bedenken, dat het standpunt van de Grieken, 300 jaar na Christus, gezonder was dan enig ander, tot zeer onlangs, toen na een eeuw van biologisch ruimen van het kreupelhout, de Griekse denkmethode nieuw leven werd ingeblazen door de ontwikkeling van de biochemische en biofysische werkwijzen. Het is interessant zich af te vragen, wat de Grieken in een volgende drie of vier honderd jaar bereikt hadden kunnen hebben, als de opbouw van het Romeinse wereldrijk en de evolutie van het christelijke Europa uit het barbarendom, hen niet hadden onderbroken. Het enige wat de Grieken misten om zich snel de grondslagen van natuur- en scheikunde eigen te kunnen maken, was een proefondervindelijke methode. En die had, naar het scheen, onvermijdelijk moeten volgen uit hun meetkunde, zoals dat inderdaad al enigszins begon bij Archimedes en een paar anderen. Het was de invloed van het wiskundige denken, dat in latere eeuwen de methode in het leven riep van het proefondervindelijk afzonderen van afzonderlijke verschijnselen of hun onderdelen. De Grieken stonden 300 jaar na Christus hier zeker dichter bij, dan de Europeanen tot 1500 na Christus.

Omdat de wereld nu eenmaal zo groot is als zij is, is het waarschijnlijk nodig af en toe, voor een jaar of duizend, aan de tijd een cultureel stempel te geven. En dit schijnt gebeurd te zijn in die enige cyclus, waarvan wij historische kennis hebben. Het talent van de Romeinen voor organisatie en de invloed van een langs bovennatuurlijke weg opgelegd — en daarom gemakkelijker te begrijpen — christelijk systeem, waren nodig om de wilde horden van sans-culottes uit de Europese wouden geleidelijk te brengen op een punt, waar zij zouden kunnen verdergaan, waar de Grieken twee duizend jaar geleden ophielden. Terwijl de Europese beschaving, vanaf 1600, wat ontdekkingen betreft, de Grieken in feite verre overtrof, is het inderdaad zeer de vraag, of wij wat betreft de geestelijke en morele ontwikkeling al het peil bereikt hebben van de filosofie van Plato, die vrij was van kaders en dogmatiek en niet hoefde te steunen op bovennatuurlijke speculaties. En alle vooruitgang ten spijt, hebben onze onderwijzers de geschiedenis van klassieken en taalwetenschap, vervangen door "huishoudeconomie" en "seksuele hygiëne" en verdraagt de beschaafde wereld nog steeds een soort aalmoezensysteem van de protestante geestelijkheid. Het is nog te vroeg om uit te maken, hoezeer de beschaving door de wereldoorlog geschaad is. Op het ogenblik dat wij dit schrijven lijkt het alsof het Fascisme in Italië, hoewel het economisch succesvol is, wetenschap en kunst tot stilstand heeft gebracht. In Rusland zijn tot dusver wetenschap en kunst niet veel meer geweest dan zwakke propagandamiddelen; en van de tegenwoordige staat van het wetenschappelijke idealisme van het Duitsland van 1890 krijg je tranen in je ogen.

3


Het is veelbetekenend voor onze hulpeloosheid, dat de inzichten, die wij thans huldigen wat betreft de oorsprong van het leven, alleen maar rechtevenredig met de verfijning van de door de wetenschap ontwikkelde methodologie, dichter bij het punt van onthulling zijn gekomen. Onze voorvaderen baseerden hun oordeel op hun vijf zintuigen. Wij baseren het onze daarnaast op chemisch onderzoek, microscoop, potentiometer en de thermodynamische wetten. In het voetspoor van Pasteur, Darwin, Emil Fischer, Willard Gibbs en talloze anderen, proberen wij het probleem uiteen te rafelen. Een van de grote charmes van wetenschappelijk werk is de trots een soldaat te zijn in het grote leger van de uitpluizers — waarvan de generaals voor hun volgelingen nooit dood zijn. Elk bereikt doel, iedere gegraven loopgraaf, elk veroverd bolwerk, vormt een duurzame vooruitgang in de organisatie van het nieuwe terrein voor de toekomstige integreerder. Op een dag zal hij komen en een dode verbinding tot leven brengen. Hij kan de zoon zijn van een Engelse lord, een boer in Tsjecho-Slowakije, een Russische Jood, een Franse kapper, of — het meest onwaarschijnlijk — van een Amerikaanse makelaar. Wetenschap is dus het grote democratische avontuur. Maar als hij komt, zal hij bejubeld worden als een koning.

Het grote mysterie van het leven zal onthuld worden als een fysisch-chemisch proces. Wij weten echter al dat dit zo is, — al zijn wij er nog niet in geslaagd om het na te bootsen. En als wij dat zullen doen, zullen wij — filosofisch gesproken — precies even ver zijn als nu.

De zoektocht is bij voorbaat tot mislukken gedoemd, maar onpraktische intellectuelen uit alle tijden hebben zich erop uitgeleefd. Het is echter een merkwaardig feit, dat juist die onpraktische mensen niet uit de herinnering verdwijnen. Waarom? Vanwege de eigenschap die, meer dan enige andere, waarde aan het leven verleent: het instinct voor het geluk, dat in begrijpen schuilt, — of dit nu bereikt wordt langs de weg van gevoel of verstand — het is de minst begrijpelijke van de menselijke eigenschappen en noch de wreedheden van individuele noch de gewelddaden van nationale wedijver zijn er ooit in geslaagd haar teniet te doen.

Onder de onpraktische vragen, die de mens zich stelde, was geen enkele zo aanlokkelijk als die naar de oorsprong van het leven. 2)

In het oude China kwamen insecten bij zwoel weer voort vochtig bamboe.

De oude Indiërs (de Wetten van Manu) verdeelden het dierenrijk in wezens, die uit eieren geboren werden en de "uit zweet onstane," of muggen, torren, wormen enzovoort.

Uit de modder van de Nijl ontstonden door de zonnewarmte kikkers, padden, slangen en muizen, want kon men ze in de warme maanden daar uit zien kruipen.

De heilige, vleesetende scarabee zou op een geheimzinnige manier gevormd worden uit mestkluiten, en bijen zouden voortkomen uit de rottende kadavers van vee.


Thales, één der zeven Griekse wijzen (een oude vrouw spotte met hem, omdat hij eens, toen hij buiten wandelde om naar de sterren te kijken, in een sloot viel; en zijn moeder weerhield hem van een huwelijk, omdat zij, toen hij jong was, zei: "Het is te gauw" en toen hij ouder werd: "Het is te laat") dacht, dat water de bron was van alle levende dingen en dat leven ontstond in warme modder en het slijk van de bodem der oceanen. In die gedachtegang werd hij nagevolgd door Anaximander en Xenophanes. Regenwater werd daar nog, als drager van vruchtbare zaden uit de oneindige ruimten, door Anaxagoras aan toegevoegd. Men schijnt in het algemeen over modder wel eens geweest te zijn.

Dat nieuwe schepselen geboren werden uit de vereniging van hun gelijksoortige voorouders, werd niet
ontkend. Daar kwamen er echter voortdurend nieuwe wezens bij, opgebouwd uit door de zon verwarmde organische stof.

Parmenides, Empedocles, en Diogenes van Apollonia verkozen modder en vochtige aarde als de bronnen, waaruit leven ontsproot.

Democritus, Epicurus en hun verslaggever Lucretius begonnen iets nieuws. Alles op aarde bevat leven. De aarde is de moeder, die in haar jeugd leven schonk aan alle levende dingen — wonderen van vruchtbaarheid volbrengend, waaruit planten en dieren en zelfs de mens ontstonden. Toen zij echter ouder werd, ging veel van haar kracht verloren en alleen onbeduidende wezens zoals insecten, reptielen en andere lagere wezens ontsproten uit rottende organische stof, met behulp van warme regen en zonlicht.

Plato was redelijk agnostisch in deze kwestie, evenals Socrates, hoewel de laatste de "Entelechie" bedacht, de kracht van de geest, die, als zij de stof doordrenkt, haar tot leven wekt.

Archelaus geloofde dat het ruggenmerg van dieren en mensen door rotting veranderd wordt in slangen.

Omstreeks 30 jaar na Christus blies Diodorus de oude geschiedenis van de luis opnieuw leven in — hoe zij ontstaat uit huid en zweet van de mens; en hij beweerde opnieuw, dat muizen voortkwamen uit de modder van de Nijl, want hij kon ze eruit zien kruipen — van voren volkomen gevormd maar nog niet afgewerkt aan de achterkant.

Vergilius schijnt het oude verhaal over de herkomst van bijen uit de kadavers van runderen geloofd te hebben. In dit verband is het verwonderlijk, dat Homerus — in het negentiende boek van de Ilias — Achilles laat spreken over het gevaar, dat vliegen in de open wonden van Patroklos zouden kruipen en daar maden zouden voortbrengen — misschien de eerste exacte waarneming wat dat betreft. 3)

Ovidius heeft dezelfde ideeën als Vergilius, alleen denkt hij dat wespen voortkomen uit paardenkadavers en kevers uit die van ezels.


Met de invloed van het Christendom, kwam er natuurlijk aanzienlijk verandering in sommige inzichten. In de vierde eeuw hield Gregorius van Nyssa zich aan de Bijbel toen hij beweerde dat planten en dieren plotseling geboren werden uit de aarde, door Gods wil; daarentegen vroeg Augustinus, gehinderd door zijn logische geest, zich met verwondering af, of, als de aarde zelfs na de zondvloed haar vermogen behield om dieren voort te brengen door generatio spontanea, de Ark dan wel nodig geweest zou zijn; en hij kon zijn geloof in Gods goedheid niet rijmen met de schepping van onaangename wezens als muizen.


De hele Middeleeuwen door bleef dezelfde manier van redeneren bestaan. In sommige theorieën school iets minder naïviteit, maar veel andere waren fantastischer dan de oudheid ooit had kunnen voortbrengen. De grote geneesheer Avicenna geloofde dat alle darmparasieten voortkwamen uit rottende stof en vocht, en hij aanvaardde volkomen het ontstaan van dieren uit een juiste combinatie van elementen. Lippmann schrijft aan hem het verhaal toe, dat er, als gevolg van een donderslag, een incompleet kalf uit de hemel kwam vallen.

Zelfs de grote Albertus Magnus houdt in zijn beschrijving De Animalibus vast aan de oude voorstelling, dat vele lagere dieren ontspruiten uit de stof, waarop en waarin zij werden aangetroffen, — wormen uit rottend hout en afval en bijen en kevers uit vergane vruchten en bladeren, — en hij schijnt zelfs het verhaal geloofd te hebben over de gedaanteverwisseling van een paardenhaar in een spoelworm — een veronderstelling, die onder heel wat intelligente mensen nog steeds heerst. De vrome Willem van Auvergne, bisschop van Parijs, wilde wel geloven, dat wormen en kikkers op die manier geboren werden, maar ten opzichte van paarden trok hij de zaak toch in twijfel.

Een merkwaardig verhaal dat nu en dan weer opdook, tot in betrekkelijk recente tijden, was het geloof in het ontstaan van wilde eenden en ganzen uit alikruiken. Die vogels kwamen en verdwenen en nooit zag men dat zij broedden, zodat hun herkomst het voorwerp werd van allerlei veronderstellingen. Een van de verhalen, dat te herleiden is tot Saxo Grammaticus, beschrijft, hoe kleine ganzen uit schelpen kwamen, die aan bomen groeiden op de Orkneyeilanden. Het verhaal bleef bestaan tot het eind van de zestiende eeuw, toen een Hollandse zeeman doordrong tot in de Noordelijke IJszee, waar hij het nestelen en broeden van de vogels waarnam.

Dit relaas over de alikruik-ganzen lijkt op de mededeling van de Mandeville, die, in zijn Reis- verhalen, spreekt over een boom, die reusachtige, meloenvormige vruchten droeg, waarvan hij zelf had gegeten en waarin hij, toen hij ze opende, een lam ontdekte. Als de vrucht rijp wordt en afvalt, raken de poten van het lam vast aan de grond en eet het al het gras binnen zijn bereik op. Het is tegenwoordig bekend, dat de Mandeville een van de meest talentvolle leugenaars uit de geschiedenis was. De beschrijvingen van reizigers, die in de late Middeleeuwen en in de vroegste moderne tijden, in alle hoeken der aarde begonnen door te dringen, zijn verantwoordelijk voor talloze gelijksoortige verhalen. De geschiedenis van het plantaardige lam werd pas helemaal losgelaten, toen Linnaeus in de achttiende eeuw exemplaren van verschillende planten onderzocht, waarvan verondersteld werd dat zij zich ontwikkelden tot lammeren.

De ideeën van Paracelsus over de oorsprong van het leven verschilden in feite niet van die van zijn tijdgenoten. De φυσιςvan Hippocrates werd echter in verband gebracht met het Christelijk geloof in de ziel, waarin verklaard wordt hoe God leven in een aantal van Zijn schepsels blies.  

Bacon geloofde vast in generatio spontanea en Harvey moet beschouwd worden als de eerste, die in 1651, met zijn vermaarde Omnia ex Ovo, in verzet is gekomen tegen de oude opvattingen.

Kepler, verstandig als hij was, geloofde dat planten konden groeien uit de aarde zonder voorgeslacht en dat vissen door generatio spontanea ontstonden in zout water, net zoals kometen aan de hemel verschenen. 4)

In feite is er in die hele periode van de kant van de grootste geleerden geen enkele poging gedaan het probleem te benaderen langs experimentele weg, tot de tweede helft van de zeventiende eeuw. In die tijd publiceerde een Toscaanse arts, Francesco Redi, proeven over de ontwikkeling van insecten waarin hij aantoonde, dat rottende stof niet meer is dan een geschikte plaats om eieren te leggen. Hij verklaarde ook, dat verschillende huidziekten door parasieten veroorzaakt worden, en niet omgekeerd. En Swammerdam komt uit vrome overtuiging tot dezelfde conclusie, omdat hij het voor onmogelijk houdt, dat vliegen, waaraan de Almachtige God zoveel wijsheid en kunstvaardigheid heeft besteed, zo maar toevallig uit afval ontstaan zouden zijn. Aan Redi komt de eer toe, al zijn de conclusies dezelfde.

 
In 1714 spreekt Leibnitz als zijn overtuiging uit, dat generatio spontanea onmogelijk is, en dat planten evenmin als dieren kunnen ontstaan uit een chaos van rottingsproducten. Leibnitz was openlijk agnostisch in andere uitspraken over dit probleem.

Descartes, die vertrouwd was met het werk van Leeuwenhoek en alle andere belangrijke natuuronderzoekers van zijn tijd, wijdde niet veel aandacht aan de vraag naar de oorsprong van levende dingen, maar sloeg in zijn overwegingen de spijker op de kop door het als een uitgemaakte zaak aan te nemen, dat er een wereld van uiterst kleine levende wezens bestaat, waaruit zich door een bepaald evolutieproces andere soorten kunnen ontwikkelen.

Tussen het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw begon een verzameling nauwkeurige waarnemingen het terrein van de speculatie in te perken en, als je de gedachtegang van de mensheid over dit onderwerp probeert te overzien, is het inderdaad duidelijk, dat — zoals in alle wetenschappen —de speculatie aan de ene en de toename van waarnemingen aan de andere kant omgekeerd evenredig met elkaar zijn. De ontdekking van de manier van voortplanting bij zwammen en mossen in 1719, door de experimenten van de Florentijnen Michele en Spallanzani op insecten, leidde tot een groei van de overtuiging, dat zoiets als generatio spontanea niet kan gebeuren. Lippmann vermeldt het vermakelijke feit, dat een belangrijke waarneming op dit gebied in 1804 gedaan werd door de chefkok in een Parijs restaurant, Appert genaamd, die levensmiddelen bewaarde door ze te verhitten en in hermetisch gesloten potten te doen — een waarneming, die op één lijn stond met een dergelijke gedaan door Scheele, nl. over het bewaren van azijn door die te koken en te verzegelen in vaten. Er was nu en dan een terugval, zoals bij Needham, maar een nieuw tijdperk was ingeluid en spoedig nam de experimentele methode de leiding bij de ontwikkeling van het biologische denken.

4

Met de geleidelijke ontwikkeling van de experimentele methode werden de mensen, die nieuwsgierig waren naar het leven als verschijnsel, juist door de nauwkeurigheid van hun waarnemingen, bescheidener wat hun theorie betreft. De moderne biologie werd geboren, toen haar leerlingen hun hele aandacht richtten op het bestuderen van de manier, waarop het leven zich openbaarde, en hun theorieën volkomen beperkten tot het construeren van een raamwerk, waarlangs nieuwe proefnemingen konden groeien. Ten slotte maakte Pasteur een eind aan de biologische Middeleeuwen door aan te tonen, dat de aangedragen waarnemingen over generatio spontanea, toegeschreven moesten worden aan proefondervindelijke dwalingen. Lang hiervoor echter had de chemie, voortgekomen uit alchemie en natuurkunde en zich afkerend van het firmament naar geringere aardse zaken, de weg gebaand voor de moderne biologie. De biologie begon dus zoals zij zal eindigen — als toegepaste chemie en natuurkunde.

Om die stelling te handhaven, zullen wij er goed aan doen ons de structuur van de biologie, zoals zij tot ons gekomen is, in haar naakte waarheid voor ogen te stellen. De lezer met fantasie zal met bewondering en medegevoel terugdenken aan de naamloze menigte geduldige zwoegers, de onbekende soldaten van de grote worsteling om de waarheid, die hielpen de werktuigen te smeden voor de handen van het genie.

Iedereen, die over die dingen nadenkt, kan voor zichzelf een lijst belangrijke prestaties samenstellen, en geen twee zullen hetzelfde zijn. Omdat wij dit boek echter geschreven hebben, meer voor ons eigen plezier dan voor iemand, die het misschien zou willen kopen, zetten wij hier in chronologische volgorde de veroveringen van het verstand uiteen, die naar onze mening het meest rechtstreeks hebben bijgedragen aan de moderne inzichten in het mechanisme van de levende dingen. Wij geven ze hier zonder verklaringen, omdat mensen, die met die dingen niet vertrouwd zijn, ze zelf wel kunnen opzoeken in elke moderne geschiedenis der wetenschap.

1974 Priestly ontdekt, dat "bedorven" lucht (bedorven door muizen) "goed"-gemaakt werd door de aanwezigheid van groene planten.

1780 Ingenhousz toont aan, dat dit proces was toe te schrijven aan de aanwezigheid van groene planten, die alleen onder invloed van licht reageerden; in datzelfde jaar maakte Senebier duidelijk, dat er een omzetting plaatsvond van kooldioxide naar zuurstof en in 1804 bewijst de Saussure de kwantitatieve aard van die omzetting.


1784. Lavoisier toont de onverwoestbaarheid van de materie aan. De kwantitatieve chemie begint; er wordt onderkend, dat de ademhaling te maken heeft met verbranding.

1812. Kirchhoff ontdekt dat zetmeel omgezet kan worden in glucose door de werking van verdund zwavelzuur, dat daarbij zelf onveranderd blijft. Dit mag beschouwd worden als een eerste schrede op de weg naar inzicht in katalytische processen, leidend naar Berzelius’ opvatting van een "nieuwe kracht", waarin hij een machtige factor zag ter verklaring van de chemische processen in het levende lichaam.

1821. Cuvier legt de grondslag van de paleontologie.

1824. Synthese van een organische verbinding (ureum) door Wöhler.

1828. Ontdekking van het zoogdierenei door von Baer. Het ontstaan van de moderne embryologie en de eerste grote stap voorwaarts in die richting sinds Harvey.

1838—1839 Schleiden toont de opbouw uit cellen aan voor planten, en Schwann voor dieren.

1838. Cagniard de la Tourbewijst, dat gisting afhankelijk is van gistcellen.

1838. Von Mohl beschrijft protoplasma.

1840. Max Schultze vat dit op als de fysische grondslag van het leven.

1842. Mayer oppert voor het eerst het idee van het behoud van kracht, later systematisch ontwikkeld door von Helmholtz in 1847 (Abhandlung über die Erhaltung der Kraft), waarvan ten slotte de thermodynamische wetten het gevolg waren.

1842. Met Liebig’s werk "Die Tierchemie" begint de biochemie; het handelt over de toepassing van chemische methoden op dierlijk weefsel en behelst ook de belangrijke opvatting van dierlijke warmte ten gevolge van verbranding.

1857. Claude Bernard legt de grondslag voor de moderne fysiologie en ontdekt de vorming van glycogeen door de lever. Het begin van de toepassing van biochemische en fysiologische methoden op het levende dier.

1859. Darwin en Wallace bevorderen de ideeën over een organische evolutie, waaronder de krachtige ontwikkeling van de vergelijkende anatomie, embryologie en rationele systematologie.

1860. Laatste weerlegging van de proeven over generatio spontanea door Pasteur.

1861. Herkenning van het onderscheid in de wetten, waaraan de zogenaamde "kristalloïden" gehoorzamen en stofdeeltjes, groter dan moleculen. Het ontstaan van de kolloid-chemie door de onderzoekingen van Graham.

1862. Pasteur beschrijft, hoe gisting en rotting afhankelijk zijn van levende organismen.

1865 Het werk van Mendel over de kruising van erwten. Dit werk, dat waarschijnlijk de oorspronkelijke hypotheses van Darwin fundamenteel veranderd zou hebben, lag volkomen begraven in een plaatselijk wetenschappelijk blad tot 1900, toen het ontdekt, bevestigd en uitgebreid werd door de Vries en anderen. Het werd het fundament van de erfelijkheidsleer.

1867. Het werk van Traube over semi-permeabele membranen.

1877. De ontdekking van osmose door Pfeffer.

1880—1900. De ontwikkeling van de moderne bacteriologie en immunologie, met de groei van de techniek voor het onderzoek van het leven in zijn meest eenvoudige vorm.


1885. De correlatie tussen osmotische druk en de chemische en fysische eigenschappen van oplossingen, door van ‘t Hoff.

1885 Rubner past de kwantitatieve methoden toe bij het onderzoek naar de caloriewaarde van voedingsmiddelen.

1887 Begin van het onderzoek naar de samenstelling van organische stof door Emil Fischer — glucose, fructose en tenslotte polypeptide, een van de hoogste splitsingsproducten van eiwit. Met Fischer begint het tijdperk van de ware kennis over de bouw van de eiwitten.

1888. Hellriegel en Wilfarth verhelderen de koolstof-stikstofcyclus.

1889. Voor het eerst wordt een ultra-virus ontdekt (mozaiekziekte bij planten) door Beijerinck.

1893. Een ultra-virus, dat ziekte veroorzaakt bij dieren (mond en klauwzeer), wordt ontdekt door Löffler en Forsch.

1900. Begin van de kennis van het effect van stralingsenergie (X-stralen, ultra-violet licht) op levensprocessen.

1902. Voor het eerst toont Sutton aan, dat het delen van chromosomen inzicht in het mechanisme verschafte, waardoor de wetten van Mendel verklaard konden worden.

1904. Ontdekking van de hormonen of fysiologische boodschappers; het proces van de interne secretie beschreven door Bayliss en Starling.

1910. Het belangrijke begin van de toepassing van de fysisch-chemische methoden op eiwitten en levende weefsels; het zuur-base evenwicht; waterstofionenconcentratie; polarisatie van membranen; Donnan’s evenwicht; oxydatiereductieverschijnselen; oppervlakteverschijnselen en elektrofysische eigenschappen van cellen en vloeistoffen uit levende complexen. Sörensen, Loeb, Henderson, Clark en vele anderen hebben dat allemaal op hun naam staan.

1912. De vitaminen worden ontdekt door Hopkins en Funk.

1915. Het verschijnsel van de bacteriofagie ontdekt door Twort en d’Herelle, die tevens de veronderstelling opperen, dat het tussenstadia zouden kunnen zijn tussen enzymen en gevormde cellen, omdat zij het vermogen zich te vermeerderen alleen hebben in de aanwezigheid van specifieke levende cellen, waarop zij reageren. Of die stoffen levend of dood zijn, is op het ogenblik bijna een academische vraag.

1925. Ontdekking van de verwantschap tussen stralingsenergie en bijkomstige factoren in de voeding; activering van vetten door bestraling met ultra-violet licht, totdat zij de werkzaamheid van vitaminen verkrijgen. Grondslagen in de proeven van Steenboek en Hess.

1930. Uitkristallisering van enzymen. Sumner bereidde urease in een kristallijne vorm in 1926. In 1930 en 1932 publiceerde Northrop over de kristallisatie van pepsine en trypsine.


Dit alles mag ver verwijderd lijken van de geschiedenis van de tyfus, maar alleen voor hen, die ongeduldig uitkijken naar sensationele gebeurtenissen in een stormachtig verhaal. Zonder de hier vermeldde ontwikkelingsgang, zouden we nu maar weinig weten over de ware aard van het onderwerp van onze biografie.


Noten

 

1) LawrenceJ. Henderson, The Order of Nature.

2) Von Lippmann gaf een buitengewoon volledige en wetenschappelijke samenvatting over dit onderwerp, waaruit wij vrijelijk hebben geciteerd.

3) Maar ik ben vreselijk bang dat, terwijl vliegen zullen neerstrijken op de gapende wonden van Menoitios’ dappere zoon en daarin wormen zullen voortbrengen, zij zijn lijk — want het leven is in hem vernietigd — zullen bezoedelen en heel zijn lichaam zal gaan rotten.

1) Het strekt Kepler tot eer, dat hij — hoewel hij een van de eminentste fysici aller tijden was — nooit een boek schreef over God en het Heelal.



HOOFDSTUK IV

Over parasitisme in het algemeen, en over de noodzaak bij het historische onderzoek van epidemieën rekening te houden met de verandering in de aard van infectieziekten; een korte beschouwing over syfilis ter illustratie van die bewering. Dat houdt rechtstreeks verband met onze biografie, omdat wij, voor lezers die van het bestaan van een mensenras niets afweten, te werk moeten gaan alsof wij over een mens schrijven.

1

Niets in de wereld van de levende dingen staat voor eeuwig vast. De evolutie gaat steeds door, hoewel haar vooruitgang zo langzaam is, dat de veranderingen, die zij met zich meebrengt, alleen waargenomen kunnen worden in het vaststelbare verband met bestaande vormen en hun paleontologische en embryologische geschiedenissen. Hoewel de processen, die de verandering door evolutie bepalen, tegenwoordig niet zo eenvoudig blijken te zijn als zij leken, toen "Het ontstaan der soorten" werd gepubliceerd, zou het toch bij geen enkele bioloog kunnen opkomen aan te nemen, dat een levende vorm voor eeuwig zou zijn vastgelegd. Het is daarom op zuiver biologische grond volkomen logisch te veronderstellen, dat infectieziekten zich aanhoudend wijzigen; nieuwe komen op, en oude veranderen of verdwijnen.


Parasitisme ontstond oorspronkelijk in de schemering van een prehistorisch tijdperk als gevolg van
een tot gewoonte geworden contact tussen verschillende levende wezens. Het ontwikkelde zich niet plotseling maar geleidelijk, toen één vorm zich stap voor stap aanpaste aan de voorwaarden van de omgeving, die hij in of op de anderen aantrof. Parasitisme betekent oorspronkelijk het breken van de weerstand, die onder normale omstandigheden ieder levend cel-complex biedt, tegen het binnendringen van een andere levende iets. Het eenvoudigste voorbeeld hiervan (bij gebrek aan een betere naam kunnen we het "vitale weerstand" noemen) is dat van de kikkereieren. Zij ontwikkelen zich en blijven vrij van indringers in een poel, die krioelt van de bacteriën en Protozoën. Op zekere nacht gaan ze dood door de vorst en in een paar uur tijd zijn ze een voedingsbodem geworden voor talloze micro-organismen. Het is begrijpelijk — en inderdaad heeft de uitslag van het experiment dat bevestigd — dat een vermindering van die "vitale weerstand" — op zichzelf een gecompliceerd verschijnsel — de barrières voldoende kan slechten om indringers toe te staan voorlopig wat vaste voet te krijgen, ook als de gastheer niet bezwijkt onder het letsel, dat hem vatbaar maakte. En als parasitisme eenmaal begonnen is, kan de ontwikkeling allerlei kanten opgaan.


Parasitisme vertegenwoordigt het stadium in de evolutie, dat zich zeer goed leent voor analytisch onderzoek. Er zijn maar weinig parasieten, waarvan niet met een vrij grote mate van zekerheid enige vrij levende voorouders kunnen worden opgespoord, of nog bestaand of in fossiele vorm. Vanuit dit standpunt is het bestuderen van de parasitaire aanpassing een van de belangrijkste steunpilaren van de evolutietheorie. Elk voorbeeld vertegenwoordigt een miniatuursysteem, waarin de gastheer de buitenwereld voorstelt, waardoor de parasiet gevormd wordt. Het parasitisme, dat infectieziekte heet, betekent dat meer of minder samengestelde planten of dieren worden aangetast door eenvoudigere, meestal eencellige wezens — zoals bacteriën, Protozoen, Rickettsiae en de merkwaardige, nog niet te definiëren ziekteverwekkers, die we "ultramicroscopische" of "filtreerbare" virussen noemen. Hoewel zij feitelijk gecompliceerd zijn in functie en stofwisseling, vertonen die dingen, die we ons als iets eenvoudigs voorstellen, iets verbazingwekkends buigzaams, biologisch en chemisch; en omdat bij hen de generaties elkaar zeer snel opvolgen (minstens twee per uur, onder gunstige omstandigheden) vormen infectieverschijnselen een versneld evolutieproces, dat buitengewoon geschikt is voor het waarnemen van veranderingen in aanpassing. Het zou daarom verwonderlijk zijn, als zich niet voortdurend nieuwe vormen van parasitisme — dat wil zeggen, infectie — zouden voordoen en er in de loop der eeuwen onder de bestaande vormen geen wijzigingen hadden plaatsgevonden in de wederzijdse aanpassing van parasiet en gastheer, voor zover wij weten.

De resultaten van de moderne bacteriologie maken inderdaad het standpunt zeer waarschijnlijk, dat de epidemische ziekten voortdurend veranderen; misschien niet voldoende snel om de diagnostische problemen van een bepaalde periode te ontrafelen, maar toch snel genoeg om bij de bestudering van de geschiedenis van de epidemieën, het rekening houden met die factor aan te moedigen. Het is zeker dat het — tot dusver — niet mogelijk geweest in het laboratorium een zuivere saprofyt te veranderen in een gewone parasiet. Het is echter betrekkelijk eenvoudig om met een organisme, dat gewoonlijk weinig neiging tot parasiteren vertoont, een dodelijke infectie toe te brengen, door de afweer van de individuele gastheer te verlagen. Sinds de tijd van Pasteur is dat herhaaldelijk gedaan. Bovendien hebben de jongste successen, in wat met een technische term "bacteriële dissociatie" genoemd wordt, eenvoudige methoden mogelijk gemaakt, waardoor het merendeel van de zeer infectieuze bacteriën van hun virulentie beroofd kan worden en vervolgens weer tot hun volledige pathogene toestand teruggebracht kunnen worden. Dergelijke veranderingen in beide richtingen vinden plaats in de lichamen van geïnfecteerde dieren; zij kunnen naar willekeur in de reageerbuis teweeggebracht worden en met morfologische en chemische veranderingen in de bacteriën zelf gecorreleerd worden. Dat onderwerp is een van de belangrijkste gebieden van het tegenwoordige onderzoek en de bereikte resultaten hebben de opvattingen over infectie grondig gewijzigd. Verder hierop ingaan zou ons voeren tot technische besprekingen, die beter passen in een handboek over bacteriologie. De zaak is in dit verband alleen genoemd om onze bewering te staven, dat het historische onderzoek van de infectieziekten hierna rekening zal moeten houden met het feit, dat de aanpassing aan parasitisme niet iets statisch is en dat buitengewoon geringe veranderingen in de wederkerige aanpassing tussen parasiet en gastheer diepgaande wijzigingen kunnen veroorzaken in de klinische en epidemiologische verschijnselen.


Er bestaat een uitgebreide reeks fijne schakeringen tussen saprofytisme en parasitisme; de biologische en chemische eigenschappen, volgens welke de veranderingen in aanpassing voortgaan, zijn — tot op zekere hoogte —afhankelijk van of het organisme, dat ziekte veroorzaakt bij mens of dier, nog het vermogen om te leven in de natuur bewaard heeft, of het via tussengastheren passeert, of het zo nauw verbonden is met een individuele gastheer, dat het niet los van hem kan bestaan en omkomt, als de gastheer sterft, tenzij het wordt overgedragen op een andere.

De laatste omstandigheid is die waarbij, met de grootste mate van waarschijnlijkheid, noemenswaardige veranderingen verwacht kunnen worden binnen de korte periode, waarvan de mensheid op de hoogte is. In dergelijke gevallen is er sprake van een ononderbroken overdracht van de ene gastheer op de andere, de parasiet wordt nooit blootgesteld aan een andere omgeving dan die, waaraan hij het beste is aangepast en daarom schrijdt de evolutie steeds voort in één enkele richting — naar een volmaakter, wederkerig elkaar verdragen van binnendringer en slachtoffer. Het is te begrijpen, dat, als een dergelijke parasitaire verhouding begint, de gastheer heftig reageert en dat óf gastheer óf indringer het aflegt, volgens ingewikkelde criteria, die bij elk afzonderlijk geval anders zijn. Naarmate de aanpassing meer volmaakt wordt, neemt de reactie in hevigheid af; de ziekte wordt minder ernstig en krijgt een meer chronisch karakter; ten slotte kan een stadium bereikt worden, waarin de wederkerige aanpassing de volmaaktheid zo nadert, dat de gastheer helemaal geen tekenen van schade vertoont. Die verhouding bestaat bij voorbeeld bij bepaalde door trypanosomen verwekte ziekten bij ratten, bij de spirochetose, de door sarcospiridiën veroorzaakte infecties bij muizen en in allerlei andere ziektetoestanden bij dieren en planten. Bij die ziekten vertoont het aangetaste dier praktisch geen tekenen van ongemak of pathologische veranderingen, als reactie op de parasiet. Theobald Smith heeft die principes uitgebreid behandeld. In dierenpopulaties vindt de eerste aanval van een nieuw virus plaats op individuen van alle leeftijden. Of sommigen van hen overleven, is een kwestie van toeval, die berust op genetische verschillen of op een toevallige "overlapping" van immuniteit, afkomstig van andere — misschien verwante — ziekten. Het uitsterven van menige diersoort uit vroegere eeuwen kan het best verklaard worden door het optreden van nieuwe parasieten. Volgende aanvallen zijn gericht tegen de zeer jonge individuen en leidt tot het opruimen van de zwakken en een populatie, die geleidelijk meer weerstand krijgt tegen die bepaalde infectievorm.

Voor de mens is syfilis een ziekte, die deze principes illustreert. Het is vrijwel zeker dat syfilis, toen zij in het begin van de zestiende eeuw voor het eerst in epidemische vorm optrad, veel meer dan nu een virulente, acute en dodelijke ziekte was. Onafgebroken overdracht van het ene levende wezen op het andere, zonder tussenpozen van een bestaan in de buitenwereld, heeft in de loop van bijna vijf eeuwen, langzamerhand geleid tot een wederzijdse verdraagzaamheid, waarvan een toenemende mildheid van de ziekte het gevolg is. Als de mensheid in de toekomst even sterk syfilitisch geïnfecteerd gehouden zou kunnen worden, als zij in het verleden geweest is, zou dat misschien voor een volgende periode van duizend jaar een toestand teweeg kunnen brengen, die ongeveer gelijk is aan de muizenspirochetose, waarbij een punctie in het peritoneum van vrijwel elke bon vivant, de aanwezigheid van een infectie met treponema pallidum aan het licht zou brengen, waarvan de gastheer zich allesbehalve onbewust is. Arsphenamine heeft waarschijnlijk dit vooruitzicht tenietgedaan. 2)

Bij de vormen van parasitisme, waarbij het binnendringende organisme ondanks zijn vermogen te infecteren, tegelijkertijd saprofytische eigenschappen heeft behouden, is het minder eenvoudig de veranderingen te bepalen binnen het historische tijdperk. Anthrax en tetanus — dodelijk voor mens en dier — kunnen in sporenvorm jarenlang in de bodem bewaard blijven, zonder hun pathogene vermogen te verliezen, zodat zij, — als zij toevallig opnieuw op iemand geënt worden, — weer een dodelijke ziekte teweeg kunnen brengen. Tyfus- en dysenteriebacillen, choleraspirillen, streptokokken en stafylokokken, die wondinfectie veroorzaken, en vele andere micro-organismen kunnen, gescheiden van de gastheer, langere of kortere perioden overleven; en de omstandigheden, waaronder dit mogelijk is, de duur van de periode, die zij kunnen overleven en de veranderingen, die in die tijd plaatsvinden, zijn allemaal uiterst belangrijke factoren, voor iemand die epidemieën bestudeert. Bij een dergelijke infectie met half-parasieten, worden — als de infectie zich wijd verspreidt — de net genoemde factoren echter juist van kracht en streven de volgende generaties naar vergroting van hun weerstand. Wat de infecties bij de mens betreft, zouden daarvan vele voorbeelden gegeven kunnen worden — een van de sprekendste is dat van de tuberculose; de sterke vatbaarheid van primitieve volksstammen daarvoor, vergeleken met de weerstand van de al door en door met tuberculose geïnfecteerde bevolking van Europese afkomst, is een welbekend feit.

Het idee, dat wij logischerwijze veranderingen mogen verwachten in de klinische en epidemiologische ziekteverschijnselen binnen de korte periode van de menselijke geschiedenis, wordt vooral aangemoedigd door het onderzoek van de zogenaamde "filtreerbare" virussen. Een niet onbelangrijk aantal van de belangrijke epidemische ziekten wordt veroorzaakt door die geheimzinnige "ietsen" — bijvoorbeeld pokken, waterpokken, mazelen, bof, kinderverlamming, encefalitis, gele koorts, dengue-koorts, hondsdolheid en influenza, om nog maar te zwijgen van een groot aantal van de allerbelangrijkste rampen in het dierenrijk. Evenals bij de door bacteriën veroorzaakte ziekten, bestaat daar een levendige uitwisseling van parasieten tussen mens en dier. Omdat we die infectieuze stoffen kunnen zien noch kweken, behalve samen met levende weefsels, is in feite de enige gelegenheid om ze aan een systematische bestudering te onderwerpen het opsporen van een dier, waarin de ziekte kan worden teweeggebracht. Het is, als resultaat van zulk een studie, gebleken, dat die agentia van een buitengewoon grote biologische plasticiteit zijn, zelfs meer dan bacteriën en vaak kunnen zij door een eenvoudige bewerking in het laboratorium veranderd worden. De omvorming van het pokkenvirus in een vaccin door middel van passage door vee is een veel grondigere verandering dan de wijziging, die de plaag van Athene onderscheidt van de pokken, zoals wij die nu kennen. Het loutere passeren van het virus door een andere diersoort heeft haar — in dit geval — zo gewijzigd, dat zij niet langer méér dan een te verwaarlozen locale reactie bij de mens teweeg kan brengen; maar ondanks dat behoudt zij toch de fundamentele biologische eigenschappen, waardoor zij hem immuun maakt. Op dezelfde manier verhoogt passage door konijnen binnen korte tijd de virulentie van het hondsdolheidvirus voor die dieren, waarbij het tegelijkertijd licht afzwakt voor apen en mensen. Het gele-koortsvirus brengt, als het ingespoten wordt in de hersenen van muizen, geen typische gele koorts meer voort, maar een soort encefalitis, die daarna in reeksen van muis op muis kan worden overgedragen. Teruggebracht op apen behoudt het, zelfs als het gepasseerd is door muskieten, haar affiniteit voor het zenuwstelsel. In feite kan een groot aantal van die virussen, waaronder het herpesvirus, dat koude zweren veroorzaakt, pokkenvirus en vele andere, door een geschikte bewerking aangepast worden aan wat "neurotropie" genoemd wordt, — dat wil zeggen: zij kunnen zo veranderd worden, dat zij bij voorkeur het zenuwstelsel aantasten en encefalitis veroorzaken.

Daarom hoeft, wat wij een "nieuwe" ziekte noemen, niet opgevat te worden als het ontstaan — de novo — van nieuwe parasitaire vormen, die eerder niet bestonden. Terwijl dit proces waarschijnlijk voortgaat, is het te geleidelijk en te langzaam om het spoor van een bestaande ziekte terug te kunnen volgen naar haar allereerste begin. Binnen het historische tijdperk blijven er twee hoofdbronnen over voor nieuwe ziekten; namelijk de wijzigingen in al bestaande parasitismen bij de mens door geleidelijke verandering in hun wederkerige verhoudingen; en doordat nieuw contact met diersoorten en insecten, waaraan de mens tot dusver niet was blootgesteld, bij de mens parasieten binnendringen, die wel al vaste voet hadden in het dierenrijk. Dat er in de natuur al menige ziekte bestond, die de mens nog niet had opgelopen bij gebrek aan gelegenheid daartoe, blijkt duidelijk uit de recente ervaringen met de papegaaienziekte en een bepaalde schapenziekte, die een soort encefalitis veroorzaakt. Hoewel van beide ziekten wel hier en daar gevallen waren waargenomen, bleek bij proeven in het laboratorium hoe buitengewoon besmettelijk dit virus was voor de onderzoekers. De Australische ziekte, een poliomyelitisachtig beeld — kreeg de mens waarschijnlijk van het schaap en een ander ziekteproces, dat tot 1904 niet herkend werd en zich op dit ogenblik over de Verenigde Staten verspreidt, wordt door verschillende dieren overgebracht.

Een van de interessantste verschijnselen van het infectieuze parasitisme is de uitwisseling van ziekteverwekkers tussen insecten en hogere dieren. Dit is een uitgebreid gebied, dat wij niet van plan zijn te bespreken, behalve in zoverre het te maken heeft met het onderwerp van onze biografie — de tyfus. Volkomen los van de medische en hygiënische aspecten van het tyfusvraagstuk, zijn de omstandigheden waaronder het wordt overgebracht, van buitengewoon biologisch belang, omdat zij ons — meer dan enige andere cyclus bij een infectieziekte — de gelegenheid geven de evolutie te bestuderen van een parasitisme, dat in verschillende delen van de wereld andere kanalen heeft gevonden, door zich aan te passen aan de plaatselijk uiteenlopende verspreiding van insecten en knaagdieren. Tyfus is een van de door Rickettsiae veroorzaakte ziekten, die een nauw verwante groep vormen. De zeer kleine, staafvormige organismen, die deze ziekten veroorzaken (Rickettsiae — zo genoemd naar Ricketts, een Amerikaan, die stierf, terwijl hij in Mexico een onderzoek naar tyfus deed) zijn nauw verwant aan een aantal gelijksoortige en onschadelijke micro-organismen, die gewoonlijk worden aangetroffen in de lichamen van veel insecten. Het is daarom niet onwaarschijnlijk, dat die organismen oorspronkelijk als parasieten terechtkwamen bij insecten en van daaruit overgingen op sommige lagere dieren (knaagdieren) en vervolgens op de mens. Die zaken worden uitvoeriger in een volgend hoofdstuk besproken.

2

Als de omstandigheden zodanig zijn, dat een infectie bijna de gehele bevolking van een dichtbevolkte streek kan aantasten, is het resultaat wat de Duitsers Durchseuchung noemen. De toevallig minder vatbaren blijven in leven en pas na generaties komt er geleidelijk een verandering tot stand in de verhouding tussen parasiet en gastheer. Hoe groter de verzadiging is, des te duidelijker de resultaten. De eenvoudigste uiting van dergelijke veranderingen zijn de snelheid van de verspreiding en de virulentie van een ziekte, als zij voor het eerst optreedt in het gebied van een primitieve — dat wil zeggen, volkomen vatbare — bevolking. Toen de mazelen voor het eerst, in 1875, de Fiji Eilanden bereikten, als gevolg van het bezoek van de koning van de Fidji’s en zijn zoon aan Sydney in Nieuw Zuid-Wales, veroorzaakten zij de dood van 40.000 mensen op een bevolking van ongeveer 150.000 zielen. Een ander voorbeeld is het vreselijke geweld van de pokken, toen die voor het eerst werden overgebracht op de Mexicaanse Indianen, door een neger op het schip van Narvaez. De virulentie van tuberculose voor Negers, Eskimo’s en Amerikaanse Indianen, toen zij in contact kwamen met blanken, is daar nog een voorbeeld van. Nog veel van dergelijke voorbeelden zouden aangehaald kunnen worden. Juist onder een dichte, door en door geïnfecteerde bevolking, is de ziekte echter binnen betrekkelijk korte tijd van karakter veranderd. Sinds ongeveer 1880 is roodvonk ongetwijfeld minder heftig geworden in heel West-Europa, Engeland en Amerika. Hetzelfde geldt voor mazelen en difterie, zowel wat voorkomen, verspreiding, als sterfte betreft. De verandering begon al voordat de huidige preventieve methoden een noemenswaardige invloed hadden uitgeoefend. Misschien is het echter geen toeval, dat wij bij de difterie — in het onderdrukken waarvan de moderne bacteriologische methoden sinds de negentiger jaren uiterst doeltreffend zijn geweest, en op die manier de normale evolutie in de wielen liep — juist de terugkeer beginnen waar te nemen van buitengewoon toxische en dodelijke gevallen, die in groeiende aantallen uit Centraal Europa gemeld worden. Het is helemaal niet onwaarschijnlijk, dat een succesvolle onderdrukking van een epidemische ziekte, gedurende meerdere generaties, verstorend werkt op de duurzamere, maar veel meer offers kostende invloed, waardoor de natuur geleidelijk zelf een ras immuniseert.


Syfilis levert het beste voorbeeld van de veranderingen, die een ziekte binnen een korte periode kan ondergaan, als de bevolking daar eerst door en door mee "verzadigd" is. De daarmee gepaarde problemen, zijn zo interessant, dat zij wel enige paragrafen waard lijken te zijn. Van vóór het laatste decennium van de vijftiende eeuw, bestaan er maar weinig betrouwbare gegevens over de syfilis in Europa. Over het onderwerp is uitgebreid geredetwist en veel passages — vooral uit oude Hindoe-handschriften — zijn geïnterpreteerd, alsof venerische zweren, overeenkomend met zweren, die kenmerkend zijn voor syfilis, in de oude wereld al bekend waren. Er zijn echter vormen van niet-syfilitische venerische zweren, de zogenaamde "zachte sjankers" of "chancroïden", die op grond van bestaande beschrijvingen niet te onderscheiden zijn van echte syfilis; en geen van de artsen, van wie geschriften uit de oude of middeleeuwse literatuur ons zijn overgeleverd, beschrijft een ziekte, die gekenmerkt wordt door het achtereenvolgens voorkomen van zweren aan geslachtsorganen, huiduitslagen en de verschillende secundaire en tertiaire aandoeningen, waarvan de artsen uit de Renaissance duidelijk genoeg inzagen, dat zij opeenvolgende stadia waren terug te voeren van een en dezelfde ziekte.

Medische historici hebben vele waarnemingen geciteerd, die volgens hen wezen op het bestaan van syfilis in de oudheid; de meesten hiervan blijken bij nader inzien toch niet overtuigend te zijn. Wat de Talmud leert, is niet nauwkeurig genoeg om conclusies te mogen trekken en de toespelingen van Celsus, in het zesde boek van zijn Medicina, de voorschriften voor prostituees uitgevaardigd door de hertogin van Avignon in 1347 en dergelijke, leveren geen betrouwbaar bewijs. Ozanam haalt twee sonnetten aan van een Florentijnse dichter — het ene getiteld "de Matrona" en het andere "Ad Priapum" — die hij als een onomstotelijk bewijs beschouwt voor het bestaan van syfilis in 1480, toen de gedichten geschreven werden. Een nauwkeurige vertaling van die sonnetten en een zorgvuldig afwegen van de uitdrukkingen die diagnostische betekenis hebben, leidt tot de conclusie, dat het alleen maar heel smerige gedichten zijn, zonder een bepaalde betrekking tot de ziekte.

Het is natuurlijk niet mogelijk met zekerheid het bestaan in de oudheid uit te sluiten, van een vorm van syfilis, milder dan die, waardoor Europa geteisterd werd in het begin van 16de eeuw; en Haeser — die de Amerikaanse herkomst niet onderschrijft — gelooft, dat syfilis wel in beperkte mate en in een minder virulente vorm geheerst kan hebben vanaf de oudste tijden. Seksuele immoraliteit was algemeen en volkomen openlijk in menige periode van de oude geschiedenis, in Rome, in de Middeleeuwen, in verband met de grote epidemieën en — een vreemde en veel voorkomende strijdigheid tussen idealisme en losbandigheid — gedurende de Kruistochten. Gonorroe was ongetwijfeld sedert de oudste tijden over de hele wereld een gewoon verschijnsel 2) en werd nauwkeurig beschreven als de running sore in Engeland en onder de namen clap en chaudepisse in Frankrijk. Er zijn onmiskenbare beschrijvingen over chancroïde en fagedenische zweren, die zich soms ver uitbreidden en de geslachtsorganen vernietigden; en bij die ziekte komen, evenals nu, zwellingen van de liesklieren en bubonen voor. Er zijn echter maar weinig beschrijvingen, waarbij het mogelijk is het verband tussen een venerische infectie en secundaire of tertiaire gevolgen elders in het lichaam aan te wijzen. Haeser is geneigd te geloven, dat dit te wijten is aan de onwil van dokters en patiënten om verschijnselen, die enige weken na de infectie optreden, nog toe te schrijven aan diezelfde venerische infectie en is ook van mening, dat de latere en gewoonlijk minder hevige uitingen over het hoofd gezien werden of beschreven kunnen zijn in een onherkenbare vorm. Hij citeert enige mededelingen, die zijn inzichten krachtig ondersteunen. Eén daarvan, ontleend aan Littré, heeft betrekking op de waarnemingen van de Franse arts de Berry (dertiende eeuw) die een ziekteproces beschrijft, dat, verkregen na geslachtsverkeer, begon aan de genitaliën en zich uitbreidde over het hele lichaam: "Nam virgo inficitur, et alquando alterat totum corpus." Een ander geval is dat van Nicolaas, Bisschop van Posen, die stierf in 1382, ten gevolge van een "morbus cancri" aan zijn genitaliën, gevolgd door zweren op de tong en in de keel. Een soortgelijk geval is dat van koning Ladislaus van Polen en van Wenzel van Bohemen. 3)

Het is dus volkomen onmogelijk met zekerheid te beweren, dat syfilis niet bestond in het Europa van vóór Columbus. Maar als dat wel zo was, moet zij betrekkelijk zeldzaam geweest zijn en zeker zoveel minder virulent dan de latere ziekte, dat de epidemie van 1500 het begin aangeeft van een nieuwe fase in het parasitaire bestaan van treponema pallidum. De Amerikaanse oorsprong van syfilis vormt de basis van een theorie, die in wijde kring gangbaar is geworden en hoewel er geen overtuigend bewijs te leveren valt, dat Amerika de bron was, vanwaar de ziekte Europa bereikte, is het toch meer dan waarschijnlijk, dat zij al bestond op het Westelijk Halfrond en dat de eerste ontdekkingsreizigers zich geïnfecteerd hebben door hun omgang met Indiaanse kustbewoners. Veel waarde is in dit verband gehecht aan de veranderingen aan botten, gevonden in de graven van de grafbouwers in Ohio en andere streken — met name Nieuw Mexico, Peru, Centraal-Amerika en Mexico. Professor Herbert U. Williams heeft kort geleden die vondsten nauwkeurig onderzocht, waarbij hij zowel aandacht heeft geschonken aan de ouderdom van de onderzochte botten, als aan de vraag naar de betrouwbaarheid bij het onderzoek van pathologisch materiaal en hij denkt, dat veel afwijkingen een onmiskenbaar bewijs voor syfilis leveren. 4) Williams heeft ook het een en ander uit de vroege Spaanse literatuur doorzocht in verband met dezelfde vraag. In "Het Leven van Christoffel Columbus," geschreven door Columbus’ zoon Ferdinand, zijn passages ingelast van de hand van een kluizenaar, behorend tot de orde van de Heiligen Hiëronimus, — Pane genaamd, — geschreven ten tijde van Columbus’ tweede reis. De passage, aangehaald door Williams, luidt als volgt:

Men zegt dat Guagagiona, teruggekeerd in het land waaruit hij vertrokken was, een vrouw zag, die hij had verlaten, toen hij scheep ging, en die hem zeer had behaagd; onmiddellijk trachtte hij zich te reinigen, omdat hij aangetast was door de ziekte, die wij de Franse ziekte noemen; en later begaf hij zich naar Guanaram, waarmee een plaats aangeduid wordt, en daar herstelde hij van zijn zweren.

Oviedo y Valdés vertelt onder anderen, dat de ziekte van Buas (waarschijnlijk syfilis) de eerste christelijke kolonisten in West-Indië teisterde en hij voegt daaraan toe: "In Italië moest ik menigmaal lachen, als ik de Italianen hoorde praten over de Franse ziekte, terwijl de Fransen haar de ziekte van Napels noemen; en inderdaad zouden beide partijen het bij het rechte eind gehad hebben, als zij haar de ziekte uit India genoemd hadden." Hij spreekt ook over een zekere ridder, Don Pedro Margarite, die bij de tweede reis aanwezig was, terwijl hij aan de ziekte leed en hem beschouwt hij mogelijk als een van de infectiehaarden, van waaruit het zich over het hof verspreidde. Hij zegt dat het "iets nieuws was, de dokters begrepen het nog niet". Een gelijkluidend verhaal is afkomstig van Las Casas, Sahagun en De Isla. Uit het handschrift van de laatste schrijver haalt Williams een paragraaf aan, die niet voorkomt in de gedrukte uitgaven — weggelaten om een onbekende reden — die van buitengewoon groot belang is, "…zoals gebleken is door een lange en welbeproefde ervaring, en dit eiland ontdekt werd door Admiraal Dom Cristobal Colon, die op het ogenblik de verbinding met Indië onderhoudt. Omdat de ziekte zeer besmettelijk van aard is, liepen zij haar gemakkelijk op; en plotseling werd zij op de Armada zelf waargenomen, bij een loods van Palos, Pincon genaamd en bij anderen, die ook door de al genoemde ziekte werden getroffen. En omdat het een geheime ziekte is, die nooit gezien werd.. ." enzovoort.


Of syfilis nu oorspronkelijk in Europa ontstond of vanuit Amerika kwam, zal waarschijnlijk nooit duidelijk worden. Tegenover de overigens goed gefundeerde theorie over de Amerikaanse herkomst staat echter één bezwaar, waartegen niet veel in te brengen valt, nl. de korte periode, die verliep tussen de terugkeer van Columbus en de syfilisepidemie, die uitbrak in Napels, in 1495. Bovendien heeft Julien, een Franse marinedokter, meegedeeld, dat syfilis meer algemeen was onder de stammen, die aan de kust woonden en contact hadden met de Europeanen, dan onder de Indianen uit het binnenland, zelfs in de lang vervlogen dagen van de ontdekking van het Westelijk Halfrond. Het is helemaal niet onwaarschijnlijk, dat een milde vorm van syfilis lang voor de vijftiende eeuw voorkwam over de hele wereld, met inbegrip van China (volgens Dudgeon) en Japan (volgens Scheube). Dat is het standpunt, dat ingenomen wordt door Haeser, Hirsch en andere geleerden.

Terwijl er dus terechte meningsverschillen omtrent het probleem van de herkomst overblijven, valt er helemaal niet aan te twijfelen, dat er een plotselinge, hevige en wijdverspreide vlaag van syfilis opvlamde kort na de tijd, toen Karel VIII van Frankrijk zijn leger door Zuid-Italië tegen Napels aanvoerde. De stad werd door de Fransen ingenomen in februari 1495, en de ziekte dook onmiddellijk op onder de troepen en de burgers. Toen het leger uiteenviel, verspreidden deserteurs, marketentsters en afgezwaaide soldaten de infectie her en der en vanwege de kwaadaardigheid en het weerzinwekkende karakter van de ziekte was het de gewoonte de vijand daar de schuld van te geven. Daarom werd zij afwisselend bekend als de Franse of de Napolitaanse ziekte. Benvenuto zei dat hij "de Franse ziekte" had.

Zoals de infectie zich in Napels voordeed, was zij in alle opzichten een nieuwe ziekte, die een volkomen veranderde relatie tussen parasiet en gastheer vertegenwoordigde, met daardoor grondige veranderingen van de symptomen. In die tijd moet er iets gebeurd zijn, afgezien van de oorlog en de promiscuïteit — want beide waren ook vele malen eerder in dezelfde mate voorgekomen — iets dat een betrekkelijk goedaardige infectie in een hoogst virulente veranderde. De geschiedenis van de volgende vijftig jaar geeft een treffend beeld vande snelheid, waarmee veranderingen in aanpassing plaats kunnen vinden. Het is waarschijnlijk, dat bij alle parasitismen die veranderingen in wederkerige aanpassing aanvankelijk zeer snel optreden, terwijl de curve steeds meer afvlakt, naarmate het aantal passages van de parasiet door dezelfde soort gastheer toeneemt. 5)

Toen de ziekte echter voor het eerst uitbrak in Napels in het leger van Karel VIII, woedde zij met een hevigheid, die ongekend is bij de tegenwoordige syfilis. Volgens Scharfenberg was het een ziekte, die zonder koorts verliep en gekenmerkt werd door puisten en een blaasvormige huiduitslag met uitgebreide zweren. Hoewel de eerste zweren gewoonlijk op de geslachtsdelen verschenen, was dit niet altijd het geval. Primaire contactinfecties hadden op vele andere plaatsen van de huid plaats, en de ziekte werd dikwijls overgebracht van moeders op kinderen door gewone omgang. De verzweringen, die vaak het gevolg van de huiduitslag waren, bedekten het lichaam van hoofd tot knieën. Er vormden zich korsten en de zieken leverden zo’n verschrikkelijke aanblik, dat hun metgezellen hen in de steek lieten en zelfs de melaatsen hen vermeden. Uitgebreid weefselverlies in neus, keel en mond volgden op de huidverschijnselen, en als nasleep ontstonden er pijnlijke zwellingen aan de botten, vaak ook de schedel. Velen stierven aan de ziekte zelf of aan secundaire infecties. Bij de overlevenden duurden de vermagering en uitputting vele jaren. Frascatorius zegt, dat sommige zweren zich verplaatsten, net als die, die "fagedenisch" genoemd werden en zich uitbreidden tot in het bot zelf, waar zich "gummositates" of gummata zo groot als eieren ontwikkelden aan de ledematen; als zij geopend werden, bevatten zij wit, kleverig slijm.

Binnen een periode van ruim vijftig jaar was het ziektebeeld al veranderd. Frascatorius’ "De Contagione" werd uitgegeven in 1564, zestien jaar na zijn gedicht over de syfilis. 6) Zijn beschrijving van de ziekte, de manier van overbrenging en haar beloop, is zo volledig en precies, dat wij niet kunnen twijfelen aan de nauwkeurigheid van zijn waarnemingen omtrent de veranderingen, die plaats gevonden hadden tussen zijn eigen tijd en de epidemie van 1495. De passage in het Tweede Boek van de "De Contagione" luidt als volgt:

Ik gebruik de verleden tijd bij de beschrijving van die symptomen, omdat het, hoewel de besmetting tegenwoordig nog steeds heerst, toch lijkt, alsof het karakter veranderd is sedert de vroegste tijden van haar eerste verschijning. Ik denk dat er in de laatste twintig jaar of zo, minder puisten voorkomen, maar meer gummata, terwijl het tegenovergestelde het geval was in die vroegere tijd... Bovendien heeft er in de loop der tijden, binnen ongeveer zes jaar van de huidige generatie, nog een grote verandering plaatsgevonden. Ik denk dat er nu maar in weinig gevallen puisten worden waargenomen en nauwelijks enige pijn — of veel minder ernstig — maar wel veel gummata.


Noten


1) Dit zou een verlies voor de beschaving kunnen betekenen: er is vaak gezegd, dat, waar zoveel grote figuren syfilis gehad hebben, veel van de grootste prestaties ter wereld blijkbaar bedacht zijn in hersenen, die gestimuleerd werden door de cerebrale prikkeling van een vroege paralyse. Wij onthouden ons van een verwijzing naar bepaalde voorbeelden hiervan onder onze tijdgenoten, alleen om onze uitgevers een procedure wegens laster te besparen. De moderne behandeling en de spitsvondigheden in de getuigenissen van deskundigen maken het leveren van een wettig bewijs hopeloos moeilijk.

2) Geen bordeelhouder mag in zijn huis een vrouw houden, die de gevaarlijke "brandende" ziekte heeft. (Beckit, Philosophical Transaction XXXI 47 14de eeuw, geciteerd door Haeser).

3) Wan er Faulen pegan
An der stat da sich dy man
Vor Scham ungern sehen lant.
Steyersche Reimchronik (geciteerd door Haeser).

4) Men moet altijd bedenken, dat sommige van de afwijkingen, die op het Westelijk Halfrond werden waargenomen en toegeschreven werden aan syfilis, afkomstig kunnen zijn van een ziekte, die meer dan een neef, of eerder een halfbroer van syfilis is, nl. framboesia.

5) In oude tijden hield men er fantastische theorieën op na over de oorsprong van de syfilis. Van Helmont —vertelt Ozanam, — geloofde, dat zij ontstond uit de omgang van een man met een merrie, die aan droes leed. Linder dacht, dat zij begon door een soortgelijke verhouding met een aap, en Manard veronderstelde, dat zijkwam door het huwelijk met een melaatse.

6) Het vermaarde gedicht van Fracastorius werd geschreven in1530 en hierin kreeg de ziekte de naam, die zij nog heeft, namelijk die van de herder Syphilus. Het dichtwerk werd in zijn oorspronkelijke vorm voltooid in 1525 en aangeboden aan de Sainte-Beuve van die tijd, Bembo. Binnen de volgende vijf jaar werd het opnieuw geschreven en uitgebreid en werd er een derde boek aan toegevoegd, dat hoofdzakelijk handelt over de behandeling van syfilis met guajac. Zowel in de eerste als in de latere versie wijst Fracastorius echter, in de vorm van een allegorie, op kwik als het beste geneesmiddel.

HOOFDSTUK V

Vervolg van Hoofdstuk IV, maar meer in het bijzonder over zogenaamde nieuwe ziekten en over enkele, die verdwenen zijn.

1

Het is duidelijk, dat iemand die de oude en middeleeuwse literatuur doorzoekt naar het voorkomen van ziekten, waarvan zelfs tegenwoordig de differentiaaldiagnose nog steeds moeilijk is, waarschijnlijk veel vergissingen zal begaan. Nauwkeurige beschrijvingen zijn zeldzaam en, zelfs als details van symptomen en het beloop even precies zijn aangegeven zoals bij Hippocrates, is er toch een totaal ontbreken van de uitslag van laboratoriumonderzoek, die vaak onmisbaar is om zekerheid te kunnen krijgen. Het probleem is vooral verwarrend in verband met epidemische infecties van het zenuwstelsel, waarvan velen tegenwoordig worden beschouwd als nieuwe ziekten. Wij zijn geneigd te geloven, dat slechts enkele van die toestanden nieuw zijn in die zin, dat hierbij een virus betrokken is, dat nooit eerder een mens geïnfecteerd heeft. Het lijkt meer dan waarschijnlijk dat in veel gevallen de ziekten alleen nieuw zijn, doordat zij een tevoren onbekende biologische verhouding tussen parasiet en gastheer vertegenwoordigen. Wat wij in het vorige hoofdstuk gezegd hebben over de veranderingen, die langs proefondervindelijke weg in sommige van de, door een filtreerbaar virus veroorzaakte, infecties teweeggebracht kunnen worden, op dit punt betrekking hebben.


Wij beschikken niet over een betrouwbaar bewijs voor het bestaan van kinderverlamming in epidemische vorm vóór 1840, en het lijkt aannemelijk, dat, als een ziekte met zulke opvallende kenmerken had plaatsgevonden, zij haar weg gevonden zou hebben naar de zeventiende- en achttiende-eeuwse literatuur. Het is even moeilijk om vóór de achttiende eeuw (vulgo dictu slaapziekte) betrouwbare gegevens over de encefalitis te vinden. In 1712 bestudeerde Biermer een epidemie in Tübingen, algemeen bekend als "slaapziekte", omdat zij vergezeld ging van slaperigheid en hersenverschijnselen. Het "coma somnolentium," in 1769 waargenomen door le Pecque de la Cloture, was iets dergelijks en werd, evenals de ziekte in 1917, in verband gebracht met influenza. Ozanam vermeldt een soortgelijk ziektebeeld in Duitsland, in het laatste decennium van de achttiende eeuw, in Lyon in 1800 en in Milaan in 1802. Na die tijd is er geen enkel betrouwbaar gegeven te vinden over enige ziekte van soortgelijk karakter tot 1917. In dat jaar kwamen er, gelijktijdig met de eerste grote uitbraak van influenza, een aantal gevallen van encefalitis voor in Wenen. Kort daarna traden er meer op, in Frankrijk, Groot-Brittannië, en Algiers; daarna werden er in de tweede helft van 1918 gevallen waargenomen in Noord Amerika en tegen mei 1919 werden zij gemeld uit twintig staten — het grootste aantal uit Illinois, New York, Louisiana en Tennessee. Voor onze generatie was dit in alle opzichten een nieuwe ziekte en tot op heden kon het virus van deze vorm (encefalitis lethargica) nooit met succes op dieren worden overgebracht. In 1914 deed zich in Japan een klinisch overeenkomstige, maar veel ernstigere ziekte voor, die zich alleen in hevigheid van het vorige ziektebeeld onderscheidde, maar toch de mogelijkheid kenmerkte van overbrenging van het virus van de Japanse ziekte op konijnen, tot een nieuw en ander type. Gedurende de zomer van 1932 was er een uitbraak van encefalitis in Cincinnati en op enkele plaatsen in Ohio en Illinois, die op dit ogenblik nog niet geclassificeerd kan worden. In de zomer van 1933 dook er opnieuw een soortgelijke ziekte op in de buurt van St. Louis, die binnen een paar maanden meer dan duizend mensen aantastte, met een mortaliteit van 20%. En dat virus van die ziekte kon, anders dan enig ander virus, wel overgebracht worden op muizen. Het schijnt dus alsof binnen nog geen twintig jaar drie nieuwe typen van ernstige infecties van het centrale zenuwstelsel onder ons hun intree hebben gedaan.

Sinds de dagen van Jenner is vaccinatie op miljoenen mensen toegepast en nooit is vóór onze generatie die toepassing gepaard gegaan met enige zenuwstoornis. Binnen de afgelopen twintig jaar heeft zich hier en daar in de wereld een ernstige vorm van post-vaccinale encefalitis voorgedaan en nu wij door experimenteel manipuleren weten, dat het vaccinia-virus bij dieren "neurotroop" gemaakt kan worden, is het niet onmogelijk, maar nog niet zeker, dat in die weinige gevallen bijzondere omstandigheden het binnendringen in het centrale zenuwstelsel van het vaccinia-virus hebben toegelaten. Die toestand ontwikkelt zich in zo’n niet noemenswaardig klein percentage van de gevaccineerden, dat het niet van praktisch belang is en zeker geen argument vormt tegen de toepassing van de inenting. Aan de andere kant schijnt het een nieuwe ziekte te zijn en daarom is zij hier genoemd. Onder omstandigheden, die wij niet nog begrijpen, kan inderdaad een groot aantal van, door een filtreerbaar virus veroorzaakte, infecties, stoornissen geven in het centrale zenuwstelsel. Zo kan encefalitis voorkomen in het beloop van mazelen, pokken, rode hond en influenza; de infecties, die het gevolg zijn geweest van onderzoekingen in het laboratorium over de papegaaienziekte en een soort schapenziekte, hebben beide het karakter van encefalitisachtige toestanden.

Bij het doorzoeken van de literatuur naar oude vormen van infectieziekten van het centrale zenuwstelsel, kan men een merkwaardig hoofdstuk in de geschiedenis van het menselijk lijden niet over het hoofd zien — namelijk wat gaat over de danswoede, die in de uit de Middeleeuwen daterende mededelingen ook wel "St. Jansdans," "St. Vitusdans" of "Tarantisme" genoemd wordt. Die vreemde aanvallen, waarvan men in vroeger tijden ook al van gehoord had, kwamen algemeen voor, tijdens en onmiddellijk na de verschrikkelijke ellende van de "Zwarte Dood". De gevallen van danswoede vertonen voor het merendeel geen van de kenmerkende eigenschappen, die wij in verband brengen met de epidemische infectieziekten van het centrale zenuwstelsel. Zij schijnen eerder, net als massahysterie, teweeggebracht te worden door verschrikking en wanhoop bij een bevolking, die onderdrukt, uitgehongerd en uitgemergeld is in een mate, die wij ons nu bijna niet meer kunnen voorstellen. Bij de rampen van voortdurende oorlog en politieke en sociale ontbinding kwam nog het verschrikkelijke lijden van een onontkoombare, geheimzinnige en dodelijke ziekte. De mensheid stond hulpeloos, alsof zij verstrikt was geraakt in een wereld van ontzetting en gevaar, waartegen zij zich niet kon verdedigen. God en duivel waren levende begrippen voor de mensen uit die dagen, die ineenkrompen onder de rampen, die hen, naar zij geloofden, door bovennatuurlijke krachten werden opgelegd. Voor hen, die de druk niet langer verdragen konden, was er geen andere uitweg of vlucht mogelijk dan naar binnen, in de geestesziekte, die, onder de gegeven omstandigheden, de richting insloeg van de godsdienstfanatisme. Vroeger, ten tijde van de Zwarte Dood, kwam de massapsychose voor bij de sekte der flagellanten, die broederschappen vormden en bij duizenden van stad tot stad trokken. Later nam het de vorm aan van vervolging van de Joden, die ervan werden beschuldigd dat ze de ziekte verspreidden. De gerechtelijke vervolgingen, ingesteld tegen de Joden van Chillon, werden gevolgd door zulk een barbaarsheid door heel centraal Europa, dat het alleen maar beschouwd kan worden als een deel van de massapsychose, waarvan ook de danswoede een uiting was. Deze manieën zijn in vele opzichten analoog aan sommige politieke en economische massahysterieën, die in de huidige tijd het evenwicht van de beschaafde wereld verstoord hebben. In sommige gedeelten van Europa werd de Wereldoorlog gevolgd door hongersnood, ziekte en wanhoop, vergelijkbaar met toestanden, die in de Middeleeuwen heersten. Het is duidelijk, dat in de reacties van onze tijd economische en politieke hysterieën de plaats ingenomen hebben van de godsdienstige van vroeger. Alleen de Jodenvervolging schijnt bij beiden te horen.


Hoewel het waarschijnlijk is, dat de overgrote meerderheid van die uitbraken zuiver functionele nerveuze stoornissen waren, kan een bepaald aantal daarvan het vroegst naspeurbare begin vertegenwoordigen van de groep epidemische infectieziekten van het centrale zenuwstelsel, waaronder wij tegenwoordig ook kinderverlamming en de verschillende vormen van encefalitis rekenen. In 1027 vertoonden de boeren in het Duitse dorp Kolbig plotseling een manische aanval, die begon met overmatige vrolijkheid, danslust en de neiging tot ruziezoeken, een beeld dat echter overging in een stupor, die in veel gevallen tot de dood leidde; de overlevenden vertoonden aanhoudende tremoren, mogelijk overeenkomend met het "syndroom van Parkinson", dat volgt op de encefalitis lethargica. Hecker heeft gedetailleerde mededelingen gedaan over de meeste betrouwbare historische gegevens. In Erfurt werd in 1237 een groep van meer dan honderd kinderen overvallen door razernij en danswoede, ook hier in veel gevallen met dodelijke afloop, terwijl de overlevenden tremoren kregen. De ernstigste dansmanie begon in 1374, in aansluiting aan de pest, eerst in Aix-la-Chapelle, en kort daarop in de Nederlanden, Luik, Utrecht, Tongeren en Keulen. Mannen, vrouwen en kinderen verloren alle zelfbeheersing, grepen elkaar bij de hand en dansten urenlang op straat tot zij van volkomen uitputting ineenzegen. Ze gilden, zagen visioenen en riepen God aan. De beweging kreeg een grote omvang, en ongetwijfeld werd het aantal van de echt aangetasten aanmerkelijk vergroot door massa’s gemakkelijk mee te slepen mensen, zoals dat tegenwoordig ook wordt gezien bij politieke en religieuze bijeenkomsten. Toch moet er in veel van die gevallen sprake geweest zijn van een lichamelijke aandoening, omdat er in de mededelingen dikwijls zwelling van de buik en pijn vermeld wordt, een reden waarom de dansers hun buik met banden opbonden. Velen waren misselijk en braakten en raakten in een stuportoestand van langere duur. Het ziektebeeld was wijdverspreid en belangrijk genoeg om een lange beschrijving door Paracelsus te rechtvaardigen, die trachtte de ziekte in drie onderverdelingen te classificeren met behulp van een systeem, dat voor de huidige tijd niet voldoende waarde bezit om daar een samenvatting van te geven.


Het Tarantisme in Italië waarvan veel kroniekschrijvers veronderstelden, dat het veroorzaakt werd door de beet van de tarantula, behoort tot dezelfde categorie. Waarschijnlijk had dat weinig te maken met een spinnenbeet. De door Perotte nagelaten beschrijvingen, uit het midden van de vijftiende eeuw en door Matthiolo en Ferdinando in de zestiende en zeventiende eeuw, zijn volkomen duidelijk in hun aanwijzing, dat veel gevallen van het tarantisme een zenuwziekte van een waarschijnlijk infectieuze oorsprong was. Enkele gevallen leken veel op hondsdolheid. Melancholie, gevolgd door maniakale opgewektheid en verhoogde bewegingsdrang, eindigde met de dood, of, bij een gunstiger verloop, met een toestand van halfbewustzijn en afwisselend lachen en huilen. Ferdinando voegt er in zijn beschrijvingen nog aan toe, slapeloosheid, zwelling van de buik, diarree, braken, geleidelijk verval van krachten en geelzucht. Tegen het midden van de zeventiende eeuw was de ziekte als epidemische dreiging praktisch verdwenen. Schenck von Graffenberg zegt in een geschrift uit 1643, dat de St. Vitusdans hoofdzakelijk mensen met een zittend leven aantastte — kleermakers en handwerkslieden. Velen renden doelloos rond, als de ziekte hen had getroffen, en velen liepen zich te pletter of verdronken zichzelf. Bij anderen volgden telkens nieuwe aanvallen op perioden van uitputting. Velen herstelden nooit helemaal.

Het boek van Hecker, de bron van de meeste van de hier aangehaalde feiten, bevat ook uitgebreide uittreksels uit de Middeleeuwse literatuur, die een aanwijzing vormen, dat bij de danswoede meer dingen in het spel waren. Ongetwijfeld waren de uitbraken merendeels hysterische reacties van een doodsbange en ellendige bevolking, ingestort onder de druk van een bijna ongelooflijke rampspoed en gevaar. Het lijkt echter waarschijnlijk, dat in samenhang hiermee zenuwziekten van infectieuze aard voorkwamen, volgend op de epidemieën van pest, pokken enzovoort, op dezelfde manier als waarop ziekten, veroorzaakt door een neurotroop virus gevolgd zijn op de wijdverspreide en ernstige epidemieën, die de afgelopen oorlog vergezelden.

2

Ziekten, die nieuw waren voor de bevolking van een bepaald deel van de wereld, waren alleen maar "nieuw" in hun territoriale uitbreiding, als gevolg van een totstandgekomen contact door ontdekking of verovering. Gele koorts en dengue-koorts, die overgebracht worden door dezelfde soort muskiet (Aedes aegypti), kunnen best eeuwenlang bestaan hebben in West-Indië en op het vasteland van Zuid-Amerika. Er bestaat echter geen betrouwbare mededeling over in de Westerse medische geschiedenis, tot dat Dutertre de uitbraak in Guadeloupe en St. Kitts van 1635 beschreef en Moseley verslag uitbracht van de epidemie op Jamaica in 1655. Sindsdien is de ziekte op veel — zo niet alle — plaatsen in de wereld voorgekomen, waar de verantwoordelijke muskiet voorkomt of kan overleven. Audouard maakt duidelijk dat het waarschijnlijk is, dat de pokken uitgebreid verspreid zijn door de slavenhandel, en wat betreft de ontdekking van de gele-koortshaarden in West-Afrika, zullen we waarschijnlijk nooit te weten komen, of die ziekte vandaar naar Amerika kwam of omgekeerd. Een ernstig tegenwoordig probleem is bezig te ontstaan door het automobiel- en luchtverkeer, dat zich nu ontwikkelt dwars door de Sahara tussen het Noord-Afrika aan de Middellandse Zee, waar de geschikte muskieten zeer veel voorkomen, maar dat nog niet geïnfecteerd is, en de West-Afrikaanse kust, waar de gele koorts stevig genesteld is.

Wat de dengue-koorts (knokkelkoorts) betreft, is er tot aan de laatste twintig jaar van de achttiende eeuw nergens sprake van een enigszins overeenkomstige ziekte. Volgens de onderzoekingen van Hirsch, trad zij toen snel achter elkaar op verschillende plaatsen: in 1779 in Cairo, in 1780 in Batavia (meegedeeld door Boylon); in hetzelfde jaar in Philadelphia (beschreven door Rush); in 1784 in Spanje. Van 1824 tot 1817 werden de eerste grote epidemieën gemeld, respectievelijk uit Indië, uit West-Indië en de kust van de Caribische eilanden. Sindsdien is zij in wisselende hevigheid, blijven heersen in de meeste tropische en subtropische streken van de aarde. Het is volstrekt niet onmogelijk, dat de dengue-koorts in de achttiende eeuw helemaal geen nieuwe ziekte was, maar al veel eerder bestond, hoewel zij door de vroege Spaanse schrijvers niet als zodanig herkend werd en onjuist werd aangezien voor een milde vorm van gele koorts.


Bij de zogenaamde "nieuwe" ziekte, de tularaemia, stuiten wij op een andersoortig probleem. Kan de mens op een dichtbevolkte planeet zo laat, in de twintigste eeuw, nog wel een nieuw soort infectie opdoen, door contact met al lang bij insecten en wilde dieren voorkomende ziekteverwekkers? In 1911 werd door McCoy en Chapin een op pest lijkende infectie waargenomen bij grondeekhoorns. Na heel veel moeite slaagden zij erin een bacil af te zonderen, die een ruwe gelijkenis vertoonde met de pestbacil, maar daarvan toch nog gemakkelijk te onderscheiden was met behulp van een geschikte methode. In 1914 werd echter voor het eerst gemeld, dat een mens ermee geïnfecteerd was. Francis noemt de ziekte "tularaemia" omdat de grondeekhoorn, waarbij de ziekte het eerst werd waargenomen, uit Tulare in Californië kwam. Toen hij door en door vertrouwd was geraakt met de verschijnselen bij de mens, ontdekte hij, dat er in 1907 gevallen waren gemeld in Arizona en in 1911 in Utah. Sindsdien kwam de ziekte in alle staten voor, behalve in Maine, Vermont en Connecticut. Van nature is het een infectie van grondeekhoorns in de staten van de Rocky-Mountains; van wilde konijnen en hazen; wilde ratten in Los Angeles; wilde muizen in Californië; kwartels, prairiehoenders en korhoenders in Minnesota; van schapen in Idaho; wilde konijnen in Japan, Noorwegen en Canada; waterratten in Rusland en prairiehoenders, korhoenders en wilde eenden in Californië en Montana. Veel dieren, die niet in de natuur geïnfecteerd zijn, kunnen in het laboratorium vatbaar gemaakt worden. De mens krijgt de infectie door het rechtstreeks aanraken van weefsel van het geïnfecteerde dier — vooral jagers, slagers en iedereen, die omgaat met huiden en geïnfecteerde dieren opzet. De infectie dringt binnen door kleine wondjes in de huid en kan in het oog gewreven worden door een geïnfecteerde hand. Bijna alle onderzoekers, die zich bezighielden met de tularaemie, kregen de ziekte. Onder de dieren wordt de infectie overgebracht door bloedzuigende insecten, hoofdzakelijk teken en vliegen. Op de mens kan zij overgedragen worden door de paardenvlieg en de beet van de houtteek. Bij de teek kan de ziekte erfelijk zijn, zodat het bijten van een geïnfecteerd dier voor een teek niet noodzakelijk is om gevaarlijk te worden voor de mens. Hier hebben we dus opnieuw een voorbeeld van een ziekte bij dieren, die gedurende lange tijd op kleine schaal bij de mens infecties teweeggebracht kan hebben en waarschijnlijk eeuwenlang bij het dier is voorgekomen, maar pas in de twintigste eeuw een bedreiging werd voor de mens.

In het geval van de zogenaamde "abortus bang" een vorm van de febris undulans (brucellose) — nauw verwant met de Malta-koorts — is het meer dan waarschijnlijk dat het aan niets anders te wijten is dan aan de onvermijdelijke diagnostische onnauwkeurigheid van vroegere tijden. Hippocrates kende dergelijke klinische beelden al en in het begin der achttiende eeuw werd de Malta-koorts zelf beschreven als een ziekte, diagnostisch te onderscheiden van gewone koortsen, waarschijnlijk al lang bestaand en ook verschillend van overeenkomstige ziektebeelden als malaria en echte ingewandskoortsen. Pas in de laatste tijd (1918) werd echter de overeenkomst herkend tussen de Brucella melitensis, de bacil, die abortus bij vee veroorzaakt (bacillus Bang) en een bacil, die bij varkens gevonden werd. En pas in 1922 stelden de bacteriologische methoden de onderzoekers in staat vast te stellen, dat de melk van geïnfecteerd vee en het omgaan met varkens of hun verse vlees een ziekte kan veroorzaken, die veel lijkt op de ziekte, die met de melk van geiten overgebracht werd naar de landen van het Middellandse Zee-bekken. Sindsdien zijn die ziekten problematisch geworden voor de openbare volksgezondheid in Amerika en op veel plaatsen in Europa. Waarschijnlijk zijn zij alleen in die zin nieuw, dat wij er door een fijnere diagnostiek in geslaagd zijn, een nieuwe onderafdeling af te zonderen van een oude groep ziekten.

3

Wij hebben gezien, dat het beoordelen van het optreden van een zogenaamde "nieuwe" ziekte een terrein vol voetangels en klemmen is — in het algemeen gezegd: door de onzekerheid van de historische gegevens en de betrekkelijk primitieve diagnostische methode van vroegere tijden. Desondanks moge onze zeer oppervlakkige bespreking van die problemen toch onze stelling ondersteund hebben, dat infectieziekten geen statische beelden zijn, maar afhangen van de voortdurende verandering in de verhouding tussen parasiet en aangetaste soort, die zich noodzakelijkerwijze moeten uiten, zowel in klinische als in epidemiologische verschijnselen. Het principe wordt met een veel grotere nauwkeurigheid verduidelijkt door een overzicht van infectieziekten, die, toen zij eenmaal op grote schaal voorkwamen, goed beschreven werden en die óf van karakter veranderd óf verdwenen zijn; plaatselijk of helemaal. In dat soort voorbeelden beschikken wij over premissen voor vrij nauwkeurige overwegingen.

Een interessant voorbeeld hiervan is het verdwijnen van de builen- en longenpest uit West-Europa. 1)
De Zwarte Dood, hoofdzakelijk builenpest, is een van de grootste rampen uit de geschiedenis, oorlogen, aardbevingen, overstromingen, invallen van barbaren, de Kruistochten en de laatste oorlog niet uitgezonderd. Hecker schat het verlies aan mensenlevens op de hele bevolking van Europa op ongeveer een kwart — dat betekent minstens 25.000.000. Morele, godsdienstige en politieke ontreddering vormden daar de nasleep van. Die epidemie is een uitstekend voorbeeld van wat de Duitsers "Durchseuchung" noemen. Er waren natuurlijk — zoals we nog elders zullen vermelden — al geweldige pestepidemieën in Europa vóór de veertiende eeuw, maar die bereikten niet — voor zover uit de gegevens is op te maken — het centrale en de noordelijke gebieden in de eeuwen, die onmiddellijk voorafgingen aan de Zwarte Dood. Weerstand tegenover infectieziekten, een verworven eigenschap, is niet erfelijk — behalve in evolutionaire zin: door selectie overleeft degene met de meest weerstand. Een dergelijke toename van de weerstand werkt niet merkbaar, tenzij de infectie zonder onderbreking eeuwenlang voortgaat en van dien aard is, dat de meerderheid van de geïnfecteerden overleeft. Toen de Zwarte Dood zich over Europa verspreidde, ontmoette zij een volkomen vatbare bevolking, wat de ontzettende verwoesting verklaart. Toen de eerste stormvlaag over het vasteland luwde bij gebrek aan slachtoffers, bleef de ziekte endemisch, smeulend tot er voldoende nieuwe brandstof was opgestapeld om opnieuw te kunnen oplaaien; en zo brak zij weer uit in 1361, 1371 en 1382. De opeenvolging van die rampen binnen een tijdsverloop van slechts vierendertig jaar, illustreert de wijze, waarop een epidemische ziekte steeds minder fataal kan worden, als zij bij herhaling optreedt onder volkeren, die gedurende de onmiddellijk voorafgaande jaren grondig met de infectie in aanraking zijn geweest. Natuurlijk zijn de statistieken onvolledig, maar de gegevens, die nagelaten werden door Chalin de Vinario, van wie wij een citaat van Haeser overnemen, zijn in dit opzicht bijzonder instructief. In 1348 was tweederde van de bevolking aangetast en bijna allemaal stierven ze; in 1361 kreeg de helft van de bevolking de ziekte en zeer weinigen overleefden dat; terwijl in 1382 slechts een twintigste van de bevolking ziek werd en bijna iedereen haar te boven kwam. Was de ziekte blijven heersen en voortgegaan met telkens weer de nieuwe generaties aan te tasten, dan zou zij geleidelijk een sporadisch endemisch karakter gekregen hebben, met een betrekkelijk laag sterftecijfer. De pest bleef in de vijftiende eeuw daadwerkelijk in Europa hangen, maar betrekkelijk gelokaliseerd en in een onvergelijkbaar mildere vorm, langzamerhand afnemend tot zij weer uitbrak in de laatste Europese pandemie van 1663 tot 1668; zij bereikte Londen in 1664; een levendige beschrijving daarvan werd gegeven door Defoe en — over enkele episoden — door Pepys.

In Turkije vond een uitbraak plaats in 166, die zich eerst uitstrekte tot de Griekse kust en de Griekse eilanden, vervolgens snel westwaarts trok en langzamer in oostelijke richting. In 1663 bereikte zij Amsterdam, waar zij 10.000 slachtoffers eiste op een totale bevolking van nog geen 200.000 zielen. In het daaropvolgende jaar greep zij sneller om zich heen; in Amsterdam stierven 24.000 mensen, zij bereikte Brussel en Vlaanderen en stak vandaar over naar Londen. In de eerste week van december 1664 stierven twee Fransen in een huis in Drury Lane. In zes weken tijds deden zich geen andere gevallen voor. Op twintig februari 1665 openbaarde er zich een nieuw geval; daarna weer een pauze tot april. Tegen het midden van mei was de epidemie in volle gang. Pepys zegt er het volgende over:

Vandaag (7 Juni 1665) zag ik, zeer tegen mijn wil, op Drury Lane twee of drie huizen met een rood kruis op de deur, waarop de volgende woorden waren geschreven: "God erbarme zich onzer"; ik vond het een droevig gezicht en in mijn herinnering was dat voor het eerst, dat ik ooit zoiets zag. Ik ging mij onaangename dingen verbeelden over mijzelf en over mijn geur, zodat ik wel een rol tabak moest gaan kopen om te snuiven en te pruimen, wat mij weer van mijn angsten bevrijdde.

Koning Karel, zich verheugend over de overwinning op de Hollandse vloot, zag steeds meer huizen gemerkt met het afschrikwekkende teken en verliet met het hof de stad. Tweederde van de inwoners ontvluchtte Londen, de ziekte met zich meedragend, eerst naar andere steden langs de Theems en ten slotte door heel Engeland.

De epidemie bleef verscheidene jaren rondhangen in Vlaanderen, ging vandaar over naar Westfalen, langs de Rijn, naar Normandië, Zwitserland en Oostenrijk, dat bereikt werd in 1668. Gedurende het laatste deel van de zeventiende eeuw bleef er nog een nasleep van de ziekte, die aanhield tot in de achttiende eeuw. Er waren gelokaliseerde epidemieën in Hongarije, Silezië, Pruisen, de Baltische provincies en Scandinavië. In 1711 stierven in Brandenburg 215.000 mensen aan de ziekte en 300.000 in Oostenrijk. Weer een andere golf verspreidde zich in 1720 en 1721vanuit Marseille naar de Provence. Daarna bleef de ziekte, in ernstige maar plaatselijke uitbraken, gedurende de tweede helft van de achttiende eeuw voortbestaan, maar verschoof langzamerhand in oostelijke richting, zodat de geweldige epidemie, die tussen 1770 en 1772 in Rusland en op de Balkan woedde, niet verder naar het Westen voortschreed. Rusland en de Kaukasus bleven er nog onder lijden tot 1820, maar sindsdien heeft geen grote pestepidemie Rusland meer geteisterd en hebben zich geen uitbraken op grotere schaal meer voorgedaan, waar dan ook in de Westerse wereld.

Dit verdwijnen van de epidemisch verlopende pest uit Europa, vertegenwoordigt een van de onopgeloste mysteries van de epidemiologie. In de tussenliggende jaren is de ziekte telkens weer naar verschillende plaatsen in Europa en Amerika overgebracht, maar heeft nooit meer enige neiging vertoond zich te verspreiden in een epidemische vorm. In 1899 deden zich afzonderlijke gevallen voor in Triëst, Hamburg, Glasgow, Marseille en Napels — in de meeste gevallen duidelijk het gevolg van de aankomst van passagiers en zeelieden van uit pesthaarden afkomstige schepen. Een aantal van soortgelijke infecties, in kleine groepen, heeft plaatsgevonden in de havensteden van Zuid-Amerika. Infecties zoals die in Sydney, Australië plaatsvonden in 1903, maken de situatie nog veel geheimzinniger. In januari stierf een dokwerker aan pest en op 14 februari werden dode ratten op de kaden gevonden. Op 15 februari werd weer een havenarbeider ziek, na duidelijk contact met ratten, en weer een op 26 februari. Binnen de volgende paar weken werd pest geconstateerd bij een hotelhouder in de buurt van de haven, en tegen het eind van juni openbaarden zich enkele afzonderlijke gevallen in de buitenwijken van de stad. Een gelijksoortige toestand deed zich voor in Melbourne in april van hetzelfde jaar. Hetzelfde gebeurde in Adelaide, en met pest geïnfecteerde ratten werden gevonden zowel in de voorsteden als in de stad zelf. Toch trad er geen epidemie op. In 1900 werd de ziekte overgebracht naar New York, ook weer zonder ernstige gevolgen. Dat er onder de Chinezen van San Francisco pest voorkwam werd ontdekt in 1900 en vanaf dat moment, tot aan het einde van het eerste decennium van de twintigste eeuw, deden zich in verschillende, ver van elkaar verwijderde gedeelten van Californië gevallen voor. Nog in 1907 werden er vierentwintig Chinezen in San Francisco ziek, waarvan er dertien stierven, en nog een paar gevallen in Oakland en Berkeley. Op dezelfde manier hebben zich nu en dan gevallen geopenbaard in de Engelse havens en grote steden van Centraal Europa en nog in 1923 werden er met pest besmette ratten ontdekt in een van de grootste Europese hoofdsteden. Toch hebben zij geen epidemieën meer tot gevolg gehad.

Bij een poging dat te verklaren is de eerste gedachte, dat de bevolking in Europa buitengewoon veel weerstand heeft gekregen. Dat dit niet het geval is, blijkt duidelijk uit de vatbaarheid van de Europeanen, die in India leven en in andere pestcentra van het Oosten. Daarnaast kunnen wij de verandering niet toeschrijven aan enig succes bij de verdelging van ratten. Wat de vlooien betreft — iedereen, die wel eens in de vlooienmaand — september — op een niet te luxe manier gereisd heeft in Centraal- en Zuid-Europa weet wel, dat daar geen gebrek is aan vlooien. Met dat alles hebben wij toch geen bevredigende verklaring voor de verdwijning van de pestepidemieën uit de westerse landen; ondanks het feit dat de pestbacil besmettelijk is, ratten veelvuldig voorkomen en nu en dan geïnfecteerd zijn met pest, terwijl zij zonder uitzondering krioelen van de vlooien, moeten wij toch aannemen, dat de ontwikkeling van een epidemie een nauwkeurig in elkaar passen van vele omstandigheden vereist, wat zich gelukkig gedurende de laatste eeuw in West-Europa en Amerika niet heeft voorgedaan. De best begrijpelijke reden ligt in het steeds tammer en gedomesticeerder worden van de ratten. Gewoonlijk worden pestepidemieën bij de mens voorafgegaan door uitgebreide parasitaire ziekten onder de ratten; bij het ontwikkelingspeil van huisvesting, voedselbewaring en kelderbouw, waartoe de beschaafde landen zich langzamerhand ontwikkeld hebben, zwerven geen ratten meer door steden en dorpen, zoals zij vroeger deden. Dat velen gespaard worden, zal wel rechtstreeks samenhangen met de grotere domesticatie van ratten, die tevreden thuis blijven; daardoor blijven pesthaarden onder hen beperkt tot afzonderlijke families en kolonies.

De biologie van de pest staat in nauw verband met die van melaatsheid. Die ziekte, die zeer bekend was in de oudheid, nam enorm toe tijdens de Middeleeuwen. Men neemt aan, dat zij zich wijd verspreidde door Europa met de terugkerende kruisvaarders, hoewel er aanwijzingen zijn, dat zij in Frankrijk al voorkwam in de zesde eeuw. Tegen het einde van de elfde eeuw waren inrichtingen voor melaatsen — leprosaria — iets gewoons; het eerste leprozenhuis werd in 1067 in Spanje gesticht door Ruy Diaz de Bivar, algemeen bekend als El Cid. Onder auspiciën van de kerk groeiden dergelijke instellingen in aantal en omvang, zodat er ten tijde van Lodewijk VIII, zoals Haeser ons meedeelt, alleen al in het diocees Troyes negentien leproserieën bestonden.

De geschiedenis van de melaatsheid is een even uitgebreid onderwerp als die van de pest en zou een boekdeel voor zich zelf vragen. Het punt, dat ons hier in deze bespreking interesseert, is, dat na het midden van de vijftiende eeuw de melaatsheid begon af te nemen en de leproserieën langzamerhand overbodig begonnen te worden. Tegen het midden van de zestiende eeuw bleven er slechts enkele centra van de ziekte over. In de zeventiende eeuw was zij praktisch verdwenen. De geschiedenis van de medische wetenschap heeft die afname toegeschreven aan allerlei vage ideeën, gebaseerd op de toename van verbeterde hygiënische omstandigheden enzovoort, maar geen daarvan is juist. De meest waarschijnlijke oplossing van het probleem werd ons aan de hand gedaan tijdens een gesprek met Prof. Sigerist, die het verdwijnen van de melaatsheid in verband brengt met de enorme sterfte, die er plaats had ten tijde van de Zwarte Dood en haar nasleep. Toen de pest Europa teisterde, met zijn verschrikkelijk verlies aan mensenlevens, moesten enorme aantallen — misschien het merendeel — van de melaatsen afgezonderd worden in inrichtingen, die op die manier een opeenhoping van betrekkelijk vatbare en zwakke groepen vormden. Het is niet onmogelijk, dat, zoals Dr. Sigerist veronderstelt, de meeste melaatsen in Europa door de pest werden uitgeroeid, en dat de enkelen, die in leven bleven, te verspreid en niet bij machte waren om de ziekte opnieuw te doen opvlammen. Dit lijkt vooral waarschijnlijk met het oog op de betrekkelijk geringe besmettelijkheid van melaatsheid, waarvan wij de manier van overbrenging nog niet begrijpen, maar waarover wij wel weten, dat een langdurig en intiem contact aanleiding geeft tot nieuwe gevallen.

4

De zogenaamde "Engelse zweetziekte" is waarschijnlijk de belangrijkste van de ernstige epidemieën, die de mensheid teisterden met korte en verschrikkelijke bezoekingen, om vervolgens op onverklaarbare wijze volkomen te verdwijnen. De "zweetziekte" kwam met een stormachtige snelheid opzetten en verdween met even grote spoed, als zij verscheen. Vóór 1485 of na 1552 wordt er geen melding gemaakt van een soortgelijke koorts.

Na de slag bij Bosworth, waarin Hendrik VII zich van de troonopvolging verzekerde, brak er in de gelederen van het overwinnende leger een ziekte uit, die meteen een eind maakte aan het verder oprukken van de zegevierende troepen. Met de afgezwaaide soldaten werd de ziekte naar Londen overgebracht. De snelheid, waarmee zij om zich greep, kan afgemeten worden aan het feit, dat de ziekte in Londen haar hoogtepunt bereikte omstreeks 21 september, terwijl het gevecht bij Bosworth op 22 augustus plaatsvond. De ziekte verspreidde zich snel over Engeland van Oost naar West, wijd en zijd overgedragen, door rondzwervende soldaten. Binnen de eerste week stierven daaraan in Londen twee Lord Mayors en zes Aldermen. Vooral jonge en sterke mensen werden getroffen en dat was een van de punten, waarin de ziekte overeenkwam met de Picardische zweetziekte, waarover we nog het een en ander moeten vertellen. De sterfte aan deze Engelse zweetziekte was zo hevig, dat, volgens Holinshed, "nauwelijks één op de honderd zieken het er levend van afbracht, want allemaal gaven ze de geest, zodra de ziekte hen overviel of spoedig daarna". De kroning van Hendrik werd uitgesteld. In Oxford, waar Thomas Linacre — die later een medische school stichtte — destijds student was, woedde de ziekte zo hevig, dat professoren en studenten de universiteit ontvluchtten, die voor zes weken gesloten werd. Die eerste uitbraak van de ziekte bleef geheel beperkt tot Engeland en strekte zich niet eens uit tot Schotland of Ierland.

De symptomen van de ziekte zijn opgetekend door vele schrijvers en op kleine verschillen na zijn de beschrijvingen hoofdzakelijk gelijkluidend. Bijzonder belangrijk is de mededeling van John Kaye, wiens vermaarde geschrift: "the Sweate" in 1552 gepubliceerd werd. De ziekte dook op zonder waarschuwing, gewoonlijk ‘s nachts of tegen de ochtend met koude rillingen en beven. Spoedig trad er koorts op en een gevoel van zwakte; hiermee gepaard gingen pijn in de hartstreek en hartkloppingen, in sommige gevallen braken, zware hoofdpijn en verstijving, maar zelden een delier. Hoewel enkele schrijvers een huiduitslag niet noemen, wordt er toch in sommige beschrijvingen wel melding van gemaakt — vooral in die van Tyengius, wiens notities tot ons kwamen via Forest; hij verhaalt, dat er, na de periode van zweten, op de ledematen kleine blaasjes verschenen "die niet samenvloeiden maar de huid oneffen maakten". Het overvloedige zweten, het merkwaardigste kenmerk, begon kort na de koortsaanval. De dood trad in met verbluffende snelheid. Het is vastgesteld, dat velen binnen een dag stierven en sommigen zelfs in een paar uur tijds. Een enkele aanval maakte niet onvatbaar, omdat een aantal mensen twee of drie aanvallen kort na elkaar kregen.

Na een korte en heftige loopbaan verdween de ziekte volkomen en van 1486 tot 1507 vinden we er geen melding meer van gemaakt.

De tweede epidemie leek ogenschijnlijk veel op de eerste, maar er zijn niet veel betrouwbare gegevens over te verkrijgen. Zij begon ook weer in de zomer — ditmaal in Londen — en het is, zoals Senf veronderstelt, niet onwaarschijnlijk, dat de ziekte gedurende de rustperiode in die stad endemisch gebleven is.

In 1518 verscheen de ziekte voor de derde keer, en met een nog grotere hevigheid. Weer verspreidde zij zich over Engeland en ook deze keer werden Schotland en Ierland gespaard. Ditmaal echter bereikte zij wel het vasteland, maar alleen Calais, waar — vreemd genoeg — alleen de Engelse inwoners werden getroffen. Ook nu bezweken veel patiënten binnen twee of drie uur en kostte aan menig belangrijke geleerde in Oxford en Cambridge het leven; in sommige steden werd eenderde tot de helft der bevolking weggemaaid. 2)

De zweetziekte schijnt aan kracht gewonnen te hebben tussen de epidemieën in, want de ernstigste uitbraak was die van 1529. 3) Die epidemie begon in mei, ook weer in Londen, en de angst, die zij inboezemde, was zo groot, dat de maatschappij erdoor ontwricht werd, de landbouw werd stopgezet
en hongersnood was het gevolg. De ziekte raasde voort, de zee over naar het vasteland, waar zij het eerst in Hamburg gemeld werd, welke stad in juli bereikt werd, waarschijnlijk via een schip, dat terugkeerde uit Engeland. In dezelfde maand zette de epidemie zich voort door oostelijk Duitsland naar Lübeck en Bremen; omstreeks augustus had zij Mecklenburg bereikt; in september kwam zij tot Koningsbergen en Danzig; vandaar trok zij in zuidoostelijke richting naar Göttingen, waar de sterfte zo groot was, dat vijf tot acht lijken in één graf begraven moesten worden. Een merkwaardig feit, dat door velen, die hierover schreven, vastgelegd is, is dat de Nederlanden zo laat bereikt werden, namelijk vier weken later dan het begin in Hamburg, hoewel beide plaatsen een even druk scheepvaartverkeer met Engeland onderhielden. In Marburg onderbrak de epidemie het concilie van de Reformatie. In Augsburg werden in de eerste vijf dagen 1000 mensen ziek. Wenen werd bereikt tijdens het beleg van de stad door Sultan Soliman en waarschijnlijk zal de verwoesting onder het Turkse leger invloed gehad hebben op de opheffing van het beleg. Korte tijd later deed zij haar intree in Zwitserland, maar kreeg nooit vaste voet in Frankrijk.

De vijfde en laatste epidemie van de zweetziekte had plaats in 1551. Ook nu begon zij weer in Engeland, ditmaal in Shrewsbury, in april, waar 900 zieken stierven binnen een paar dagen. Zij verspreidde zich over het hele land, "meegedreven met wolken giftige mist", zoals Haeser het uitdrukt. Een vreemde waarneming uit die tijd, overeenkomend met wat vroeger opgemerkt werd in Calais, waar de ziekte beperkt bleef tot de Engelse inwoners, was het blijkbaar gespaard worden van de vreemdelingen in Engeland. Toch scheen de vijfde epidemie de Engelsen naar andere landen te volgen, zodat velen in Frankrijk en de Nederlanden stierven. Die uitbraak van 1551 is die, welke John Kaye in zijn beroemd geschrift beschreef.

Slechts eenmaal na die datum is er (wij ontlenen dit aan Senf) een ziekte voorgekomen, die leek op de Engelse zweetziekte, tenzij wij haar identificeren als de Picardische ziekte, — zoals velen hebben gedaan. Ongeveer tweehonderdvijftig jaar na die vijfde epidemie, dat wil zeggen in 1802, deed zich in Rottingen een soortgelijke ziekte voor, die echter tot de streek beperkt bleef.

Het is onmogelijk de zweetziekte te identificeren met een van de tegenwoordig voorkomende epidemische ziekten. Zuiver op grond van het gelijktijdig voorkomen geloven Schnurrer en anderen, dat het een gewijzigde vorm van tyfus was en het is juist, dat zij zich — zoals Senf aangeeft —niet uitbreidde naar de landen, waar destijds tyfus heerste. Die opvatting is echter niet overtuigend. Het lijden blijft een volkomen op zich zelf staand ziektebeeld, dat we eigenlijk niet zouden kunnen onderbrengen bij een bekende infectieziekte, gesteld dat het nog eens zou terugkeren. Het plotselinge begin en de snelle dood waren heftigere verschijnselen dan bij één van de tegenwoordige ziektebeelden voorkomen, met uitzondering van de nu en dan optredende gevallen van hersenvliesontsteking en kinderverlamming. Terwijl de snelheid en de manier van verspreiding ons herinneren aan influenza, zijn klaarblijkelijk de afwezigheid van op de voorgrond tredende catarrale verschijnselen, het ontbreken van een secundaire pneumonie met dodelijke afloop en het niet voorkomen van opeenvolgende golven binnen een kort tijdsverloop, voldoende om haar te onderscheiden van de influenza, zoals wij die nu kennen. Door haar algemene kenmerken zouden wij geneigd kunnen zijn de oorzaak te zien in een filtreerbaar virus of een variatie daarvan, dat op dit ogenblik nog onbekend is. Het is een redelijke veronderstelling, dat de zweetziekte te wijten was aan een virus, dat eeuwenlang in een goedaardigere vorm op het vasteland voorkwam en zich in Engeland in een geheel vatbare gemeenschap verspreidde.

Dit is de enige basis, waarop men kan hopen een verklaring te vinden voor de herhaaldelijk bevestigde ervaring, dat alleen de Engelsen werden aangetast, ook in het buitenland. Met onze kennis over de algemene verspreiding van het kinderverlammingvirus, waarmee waarschijnlijk een groot deel van de bevolking zonder manifeste ziekteverschijnselen geïnfecteerd is vóór de volwassen leeftijd, is het raar om aan te nemen, dat een infectie zo algemeen verbreid kan zijn, dat bij tijd en wijlen een hele bevolking geïmmuniseerd kan worden, en dat een ziekte, die aanvankelijk een epidemisch en ernstig karakter droeg, endemisch kan worden, zich kan wijzigen, een goedaardigere vorm kan aannemen en ten slotte — kan uitsterven. Die gang van zaken is ongetwijfelde op dit moment gaande met ziekten als mazelen, kinderverlamming en influenza, die — endemisch bij ons — verwoestende en hevige epidemieën veroorzaken, als zij op primitieve volkeren worden overgebracht.

Nog een andere ziekte, die plotseling uit de lucht schijnt gevallen te zijn en binnen minder dan tweehonderd jaar bijna volkomen verdwenen is, is de zogenaamde "Suette des Picards". Er bestaat enige verwarring over de verwantschap tussen die ziekte, de Engelse zweetziekte en de zogenaamde "soldatenkoorts". Onder die laatste term werd waarschijnlijk een groot aantal van de welbekende exantheemziekten, zoals mazelen, roodvonk, waterpokken enz. begrepen. Het is onmogelijk de omvangrijke en tegenstrijdige literatuur hieromtrent te behandelen, maar er zijn nauwkeurige gegevens, die aantonen, dat een speciale ziekte, volmaakt anders dan een van de tegenwoordig voorkomende huiduitslagen, in 1718 plotseling in Normandië opdook en zich binnen een paar jaar uitbreidde tot in Poitou, Bourgondië, en andere streken van Noord-Frankrijk. De meningen van de vooraanstaande medische geschiedschrijvers (Hirsch, Haeser en Ozanam) lopen uiteen, waar het gaat om het voorkomen van een dergelijke ziekte in andere delen van Europa vóór 1718. Haeser gelooft, dat er voor die tijd al haarden bestonden in de Elzas en in Turijn. Tot 1718 ontbreekt het dergelijke beschrijvingen echter aan nauwkeurigheid. De meeste onderzoekers zijn het er over eens, dat, afgezien van de lokalisatie, de "Suette des Picards" zeer goed te onderscheiden is van de Engelse zweetziekte, op grond van de huiduitslag en de heftige psychische verschijnselen, die met de Picardische ziekte gepaard gingen.

Veel uitstekende beschrijvingen van de verschijningsvormen op verschillende plaatsen, uit verschillende afzonderlijke jaren, bevestigen haar karakter als een bepaalde klinische eenheid. De eerste hiervan is het nauwkeurige verslag van de uitbraak in 1718 door Dr. Belot, die vrijwel geheel overeenkomt met die van Dr. Vandermonde over de epidemie in Guise in 1759. De ziekte zette plotseling in, vaak met een koude rilling, buikpijn en een belemmerde ademhaling. Dan volgden zware hoofdpijn, hoge koorts en slapeloosheid, en vaak heftige opwinding. Binnen twaalf tot vierentwintig uur begon het overvloedige zweten, gewoonlijk gepaard met hevige jeuk. Een huiduitslag, afwisselend beschreven als lijkend op mazelen (rougeole) of erysipelas (wat waarschijnlijk een gelijkmatig rood worden als bij roodvonk betekent) werd waargenomen binnen de eerste achtenveertig uur. Neusbloedingen kwamen dikwijls in hevige mate voor. In de gevallen met dodelijke afloop trad een delirium op en dikwijls ging het sterven gepaard met trekkingen. Velen stierven binnen een of twee dagen.

Na 1718 kwamen in Frankrijk, tot in het midden van de negentiende eeuw, — eerst met korte tussenpozen, later minder frequent — plaatselijke epidemieën voor. In het laatste deel van die periode vonden dergelijke uitbraken plaats in Noord-Italië en in Zuid-Duitsland. Volgens Hirsch kwamen, alles bij elkaar genomen, tussen 1718 en 1804 in Frankrijk 194 epidemieën voor. Er is niets bekend over de manier van overbrenging, de oorzaken, die tot de uitbraken leidden, of de redenen voor hun afname. Boyer verklaarde in zijn geschrift van 1751, dat de ziekte niet besmettelijk was, — dat wil zeggen, het overgaan van de een op de ander was niet duidelijk — en die opvatting wordt door de meeste waarnemers gedeeld.

In tegenstelling tot de meeste andere even ernstige ziekten, bleven de afzonderlijke epidemieën van de Picardische ziekte steeds nauw begrensd. De meeste uitbraken bleven beperkt tot afzonderlijke dorpen of steden. Slechts in een paar voorbeelden overschreden zij bepaalde plaatselijke grenzen, hoewel bij een of twee gelegenheden ver van elkaar verwijderde districten van Frankrijk werden aangetast. Afzonderlijke epidemieën duurden zelden langer dan een paar maanden.


Het is onmogelijk zich een betrouwbare voorstelling te vormen omtrent de aard van die ziekte. Zij past in geen enkele groep van het tegenwoordige indelingssysteem. Terwijl zij in sommige opzichten lijkt op roodvonk met een snelle dodelijke afloop, maakt de afwezigheid van enig verschijnsel van een ernstige keelinfectie een identificatie als zodanig onwaarschijnlijk. Het was zeker geen mazelen of pokken. De enige infectie, waarvan de dodelijk verlopende en hevige gevallen ons aan de Picardische zweetziekte herinneren, zijn de foudroyante meningokokkeninfecties, die nu en dan gezien worden bij meningitisepidemieën. Bij dergelijke infecties — die tijdens de oorlog van 14-18 veel in kampen gezien werden — vertegenwoordigen het plotselinge begin, uitgebreide exantheem, zweten, hoge koorts en snelle dood, vaak gepaard met delier en trekkingen, een klinisch beeld, dat de beschrijvingen van de ernstigste gevallen van de Picardische zweetziekte dicht benadert. Andere punten van overeenkomst zijn het ontbreken van een aantoonbaar verband tussen de gevallen (verborgen besmettelijkheid) en de beperkte verspreiding. De goedaardige gevallen — die klaarblijkelijk in de meerderheid waren — vertonen echter weinig overeenkomst met meningokokkeninfecties. Wij kunnen slechts de conclusie trekken, dat wij hier te maken hebben met een ziekte, die óf enig in haar soort is óf een nu nog onbekende vorm van een nog bestaand ziektebeeld vertegenwoordigt, dat in de loop der tijden gewijzigd is. Tyfus kunnen we met gerust hart uitsluiten vanwege het plotselinge begin met koude rillingen en de snelheid, waarmee het exantheem zich ontwikkelt (een of twee dagen). De heftige jeuk, die zo vaak werd waargenomen, is ook niet karakteristiek voor tyfus. Bovendien trad de eerste epidemie van de Picardische zweetziekte op in een tijd, toen de tyfus in zijn tegenwoordige vorm al verschillende eeuwen bekend was.

Nu en dan worden er tegenwoordig, door Franse artsen, enkele gevallen vermeld van een ziektebeeld, dat gelijkenis vertoont met de Picardische zweetziekte, maar zelfs als die dat echt zijn, heeft er zich toch sinds de zeventiger jaren van de vorige eeuw geen uitbraak — ook niet op kleine schaal — voorgedaan.


Noten


1) De geschiedenis van de pest is door vele geschiedschrijvers goed vastgelegd. Een van de meest gedetailleerde beschrijvingen is die van Sticker.

1) Het staat vast, dat in enkele plaatsen 80 tot 90 percent van de bevolking stierf.
2) Wij gebruiken de gegevens, die geleverd werden door Haeser. Die van Hecker en vele anderen maken een verschil van een jaar, tengevolge van de afwijkingen tussen de Engelse en Romeinse kalender.


HOOFDSTUK VI

Ziekten uit de Oudheid; beschouwing over de epidemieën, die in de Oudheid woedden en een poging diagnoses te stellen, wat duizend jaar later niet eenvoudig is, maar om diezelfde reden even lastig te weerleggen. Al moge dit weer een onnodig uitstel van onze biografie schijnen, het is een blijk van onze poging de ouderdom van tyfus te bepalen.

1

Er valt niet aan te twijfelen, dat infectieziekten vanaf den beginne de hogere levensvormen aangetast hebben.

In het Museum in Wenen worden resten van prehistorische beren bewaard, die onmiskenbare tekenen van grote tand- en kaakabcessen vertonen. Reasoner heeft uit de paleontologische literatuur een aantal beschrijvingen verzameld over bij prehistorische dierlijke overblijfselen voorkomende afwijkingen van bacteriële oorsprong. Hij noemt de resten van een reptiel, de Dimetrodon, uit het laatste meozoische tijdperk (21.000.000 jaar geleden), die beschreven zijn door Gilmore en waaraan tekenen aangetroffen werden van een chronische beenmergontsteking van de wervelkolom; zo werd door Auer ook een krokodil uit het Juratijdperk (14.000.000 jaar geleden) beschreven; bij dit dier werden sporen van infectie aangetroffen in het bekken, met uitzaaiingen in dijbeen, staartbeenwervels en verhemelte. Aanduidingen van een carieus gebit en mogelijk reumatische zwellingen aan de gewrichten zijn door Renault, Moody en anderen gevonden bij talloze fossielen. Tekenen van botnecrose en botwoekeringen ten gevolge daarvan zijn niet zeldzaam bij fossiele resten.

Wat de primitieve mens aangaat, is daar niet veel over bekend — hoewel Raymond een geval beschreef van spondylitis deformans en een van gewrichtsontsteking in de knie bij in Frankrijk gevonden botten uit het neolithische tijdperk. Er wordt echter zeer getwijfeld aan de oudheid van sommige van die fossielen. De paleontologische literatuur over de mens is schaars en werpt weinig licht op dit vraagstuk. Het is echter voldoende duidelijk gebleken, dat bacteriën miljoenen jaren geleden het vermogen kregen infecties teweeg te brengen en er is geen reden om te betwijfelen, dat de mens van begin af aan leed aan infectieziekten; en toen de mensheid het tijdperk bereikt had, waaruit onze vroegste historische gegevens stammen, bestond er al een grote verscheidenheid aan infectieziekten. En hoewel de diagnose vaak moeilijk is, is het zeker, dat er duizenden jaren voor Christus al epidemieën heersten.

De poging op grond van de medische literatuur uit de oudheid de verschillende infectieziekten van een diagnostisch etiket te voorzien, stuit op grote moeilijkheden door de onzekere betekenis van de termen, tenzij die vaker gebruikt worden in verschillende verbanden. Zo is het vaak onmogelijk een juiste indruk te krijgen over de aard van een huiduitslag, omdat het vaak lastig is uit te maken of het gebruikte woord betrekking heeft op een gezwollen huid, blaasjes, puistjes of zweren.

In de Chinese literatuur is zeer weinig beschrijvend materiaal toegankelijk voor de Westerse onderzoeker, waaruit een mening te vormen zou zijn over de aard van de heersende ziekten. Het is niet onmogelijk, dat pokken en enkele van de exantheemziekten hun oorsprong hadden in China en via Perzië en Noord-Afrika Europa bereikten. Opvattingen echter, zoals die worden weergegeven door Wise en Moore, berusten op zeer weinig bewijsmateriaal. Moore ontleent zijn gegevens aan de oudste toegankelijke Chinese medische kronieken en denkt, dat er pokken voorkwamen in China ten tijde van de Tsche-u-dynastie, — een periode tussen 1122 en 249 voor Christus, — en Smith denkt in een artikel in de Medical Times and Gazette uit 1871, te kunnen bewijzen, dat de ziekte voorkwam ten tijde van de Han-dynastie, omstreeks 200 voor Christus, en dat zij ingevoerd werd vanuit India. 1)

In de oude Indiase geschriften, de Ayur-Veda (waarvan het jaartal onbekend is, maar die zeker van voor 200 voor Christus dateren, misschien gedeelten ervan zelfs van 900 voor Christus) en de geschriften van Susruta komen mededelingen voor, die betrekking kunnen hebben op tetanus en chorea. Verschillende soorten koortsen waren bekend — waaronder sommige zeer zeker malaria waren en enkele mogelijk acuut reuma en misschien lepra waren, dat bekend was als "Kushta". Een ingewandsziekte, die met een redelijke zekerheid als cholera aangeduid kan worden, was eveneens bekend. Haeser, die de vertalingen van Wise bestudeerde, vindt er ook bewijsmateriaal in voor catarrale icterus, voor gonorroe en mogelijk voor tuberculose. Het is bijzonder belangrijk, dat er in Susruta’s geschriften beschrijvingen voorkomen over zweren aan de geslachtsorganen, waarvan Haeser denkt dat ze syfilitisch zijn geweest.

Wat de ziekten in het oude Egypte betreft, beschikken wij over veel informatie uit de Papyrus Ebers, die werd opgetekend tijdens de regering van koning Re-Ser-Ka, rond 1700 jaar voor Christus. De daarin genoemde infectieziekten, vertoonden een erysipelasachtig beeld dat "Hmaou" genoemd werd en doorgaans met de uitwerpselen van ezels behandeld werd, en ingewandswormen en verschillende oogziekten. Onderzoekingen op mummies door Sir Marc Ruffer, Dr. Elliot Smith en Dr. Wood Jones brachten tekenen van "de ziekte van Pott" aan het licht en bij een mummie uit de twintigste dynastie (ongeveer 1200 voor Christus) bevonden zich plekken op de huid, die pokken geweest zouden kunnen zijn. Een soortgelijke uitslag werd aangetroffen op het lichaam en het gelaat van Ramses II. Op Ramses V werd een driehoekige zweer gevonden boven het ligament van Poupart, in de liesstreek; dit zou een pestbuil geweest kunnen zijn of een venerisch infect (de ziekte van koningen). Bij enkele van de oudere mummies, waaruit de ingewanden niet verwijderd waren, nam Ruffer een grote milt waar, wat op malaria zou kunnen wijzen. 2) De ziekten, waarvan in het Oude Testament melding wordt gemaakt, werden door Garrison in zijn History of Medicine opgesomd, waaronder gonorroe, lepra en mogelijk psoriasis; in Samuel worden vergrote liesklieren vermeld, duidend op de waarschijnlijkheid van pest. In de Talmud wordt melding gemaakt van aandoeningen van de long, die redelijkerwijs als tuberculose beschouwd kunnen worden; verder van een nierabces en infecties van de vrouwelijke geslachtsorganen.

Jehova schijnt de arme Filistijnen nogal hard aangepakt te hebben. In I Samuel IV, wordt verslag gedaan over een gevecht, waarin de Filistijnen de Joden overwonnen en waarbij 30.000 Joden gesneuveld zouden zijn in, naar het schijnt, een eerlijk gevecht. De overwinning van de Filistijnen werd vergemakkelijkt door het feit, dat het Hebreeuwse leger op de vlucht sloeg en de soldaten zich in hun tenten probeerden te verbergen. De overwinnaars namen toen Gods Ark (I Sam. V, ) mee naar het huis van hun eigen god, Dagon; hij was een soort halve vis en daardoor min of meer hulpeloos. De God van de Hebreeërs wierp Dagon terneer, hieuw hem zijn handen af en stiet hem van zijn voetstuk, zodat hij met zijn aangezicht ter aarde viel. Dit boezemde de Filistijnen van Ashdod een hevige angst in, zodat zij de Ark naar Gath zonden. Daarop "was de hand des Heren tegen die stad met een zeer grote kwelling, want Hij sloeg de lieden dier stad van de kleinen tot de groten en zij hadden ‘emerods’ op de verborgen plaatsen," en "en de hand Gods was daar zeer zwaar. En de mensen, die niet stierven, werden geslagen met ‘emerods’." Dit is natuurlijk, wat — door de eeuwen heen —geleid heeft tot wat wij met een modern woord "Nazi-praktijken" noemen. Alleen de Heer weet wat "emerods" zijn. Letterlijk zijn het aambeien; het etymologische verband tussen die twee woorden is duidelijk, maar het is niet erg waarschijnlijk, dat bij de Filistijnen een epidemie van hemorroïden met dodelijke afloop zou zijn voorgekomen. De woorden, die vertaald zijn met emerods zijn "ophalim" en "teharim", wat zwelling of afgeronde verhevenheid betekent. Volgens onze wetenschappelijke zegsman berust de vertaling "emerods" op een vergelijking met Psalm LXXVIII, 66, waar over God gezegd wordt: "Hij sloeg zijne vijanden aan het achterste." Dit verband is al heel oud, en dateert uit Talmoedische bronnen en Aramese vertalingen. "Ophalim" betekent volgens andere vertalers alleen een verheven, afgeronde plek. Hastings hecht in zijn "Dictionary of the Bible" geen geloof hechten aan de veronderstelling, dat "emerods" aambeien zouden zijn: hij legt verband tussen die beschrijving en builenpest. Aangenomen dus dat die woorden betrekking hebben op zwellingen rond de intieme delen, dan komt de tegenstelling er dus alleen maar op neer, of het de achterkant of voorkant was, die werd aangetast. Hoewel het beschikbare materiaal onvoldoende is voor een nauwkeurige diagnose, zijn ronde zwellingen op die plaats, gezien de epidemische verspreiding en het hoge sterftecijfer, toch verdacht voor pest. 3)

Ten tijde van David heerste er, als straf voor een verboden volkstelling, een hevige epidemie, waaraan 70.000 mensen een plotselinge dood stierven. Men veronderstelt dat het merendeel van die mensen op één dag stierf. Er bestaat geen enkele aanwijzing over de aard van die ziekte.


Onder de plagen bij oude Hebreeërs, die door Flavius Josephus genoemd werden, is er niet één voldoende gedetailleerd beschreven om zelfs maar een zinnige gissing over de diagnose te rechtvaardigen. Onder de plagen, die de Egyptenaren bezochten, was er een, die te maken had met verontreinigd water, dat hun hevige pijnen bezorgde; tijdens een andere kwamen er ontelbare luizen uit hun lichamen (omdat velen van hen stierven, kan er sprake zijn geweest van een door luizen overgebrachte ziekte als tyfus, hoewel dit zeer onwaarschijnlijk is, gezien het ontbreken van historische gegevens over tyfus elders in dit tijdvak); weer een andere was een epidemie van steenpuisten met dodelijke afloop.

In de bijbelse geschiedenis is herhaaldelijk gebleken, dat een eerlijke strijd van andere volkeren met de Joden altijd uitdraaide op een triomf voor de Hebreeërs door tussenkomst van wat voor de anderen een bevooroordeelde en meedogenloze God geleken moet hebben. Wij vragen ons af, of dit niet voor een groot deel recht doet aan de mening van Houston Stewart Chamberlain, die het antisemitisme geheel verklaart op basis van een botsing tussen godsdiensten. De Joodse leerstellingen waren wijdverspreid in de oude wereld en als de verschrikkelijke wraak van God geloofd werd, waarmee God iedereen bedreigde, die opstond tegen de Joden — die duidelijk in hun verhouding tot anderen geen engelen waren — zijn haat en wrok gemakkelijk te begrijpen.

2


Een interpretatie van de in de tijd, vóór de Grieken, voorgekomen infectieziekten, is grotendeels giswerk. Van de Grieken zijn echter heel wat nauwkeurige beschrijvingen bewaard gebleven, die ons in staat stellen een gefundeerde mening te vormen over symptomen, klinische beelden en vaak over de epidemiologie van de aandoeningen, die bij hen voorkwamen. Hoewel er veel medische gegevens zijn van vóór Hippocrates, hebben die slechts af en toe betrekking op de epidemische ziekten, waar wij belangstelling voor hebben. Asclepius, een koning in Thessalië, zoon van Apollo, was voornamelijk een mythische figuur, maar dat er toch bij zijn opvolgers een zekere mate van kennis over besmetting aanwezig was, blijkt uit de afgelegen plaatsen waar zijn tempels werden gebouwd en uit de wetten, die — bijvoorbeeld in Delos — het begraven van doden in de buurt van de tempel verboden. Democrites noemt ziekten, die waarschijnlijk epidemisch waren, en van Empedocles wordt verondersteld, dat hij, — door een spleet in een berg af te sluiten, — de uitwasemingen van een rivier tegenhield. Democrites geloofde dat de epidemische ziekten, die onder de mensheid verwoestingen aanrichtten, te wijten waren aan het uiteenvallen van hemellichamen, waarvan de as op aarde viel. Alcmaeon bracht een epidemie tot staan door vuren te ontsteken. Tot de tijd van Hippocrates is er echter ook onder de Grieken geen materiaal aanwezig voor een diagnostische uitspraak.

Hippocrates was waarschijnlijk niet de eerste grote geneesheer in de oudheid. Het is eigenlijk vrij zeker, dat veel kundige en scherpzinnige artsen praktijk hebben uitgeoefend in het oude Egypte waar — naar Herodotus ons vertelt, — de artsen veel sterker gespecialiseerd waren dan tegenwoordig, omdat zij zich dikwijls beperkten tot één enkel orgaan van het lichaam. Er waren zowel tandartsen, als internisten en chirurgen. Hippocrates is echter de eerste grote geneesheer, van wie wij verslagen en geschriften hebben, die blijk geven van een benaderingswijze van de medische problemen, die volkomen overeenkomen met de onze. Zijn beschrijvingen van gevallen in zijn "Epidemion" zijn zo precies, dat uit zijn ziektegeschiedenissen nauwkeurigere diagnoses kunnen worden afgeleid, dan hij zelf stelde.

De Grieken leden aan een grote verscheidenheid aan infectieziekten. Omdat zij, door het goede klimaat, een volk waren, dat buitenshuis leefde zonder — aanvankelijk — grote bevolkingsconcentraties, kregen de eerste uitbraken van besmettelijke ziekten onder hen niet zulk een omvang, dat zij opgetekend werden door de geschiedschrijvers. De medische lezer wordt getroffen door de afwezigheid van enige mededeling van betekenis over epidemieën in de Griekse legers ten tijde van Homerus, gedurende de vroegste gevechten tussen Spartanen en Atheners, en in de Perzische oorlogen. De legers waren groot, werden vaak snel gemobiliseerd en moeten ziekten gekend hebben; maar noch Herodotus, noch anderen, die zich met die periode bezig houden, spreken ook maar ergens over sterfte door een uitgebreide epidemie, die men toch terecht zou verwachten. Mogelijk is dat toe te schrijven aan het feit, dat dergelijke gebeurtenissen dan eerder geïnterpreteerd zouden zijn als de gramschap van vertoornde goden, dan als een bezoeking met een besmettelijke ziekte.

In de tijd, waarover Hippocrates schrijft, vinden we vermeldingen epidemieën van ontstoken ogen op Thasos — zeer waarschijnlijk conjunctivitis. Er kwamen diarreeën voor, met koorts en krampen, waterige ontlasting, braken en zweten — waarschijnlijk vormen van bacillaire dysenterie. Aanhoudende koortsaanvallen, die in hoofdzaak in de herfst en het begin van de winter voorkwamen, waren duidelijk gedeeltelijk te wijten aan malaria van het type quartana, dubbele tertiana en de aestivo-autumnalis vormen. Er was sprake van koortsperioden, die vierentwintig uur of verscheiden dagen duurden, — af en toe — gepaard met niet etterende zwellingen van de parotis, die wij redelijkerwijs kunnen interpreteren als tyfus; een andere zal, vanwege het niet continue karakter en de geitencultus in het oude Griekenland, best Maltakoorts geweest kunnen zijn. Er bestaat één beschrijving, die ongetwijfeld betrekking heeft op een bofepidemie — een milde koorts, zonder sterfte, met dubbelzijdige zwelling van de parotis, droge hoest en soms ook zwelling van de testikels. Keelpijn met hoesten, koorts, vaak gepaard met ijlen, zou roodvonk of difterie geweest kunnen zijn.

In de "Epidemion" staat een groot aantal ziektegeschiedenissen, even nauwkeurig van dag tot dag opgetekend als veel uit onze tijd, waarop een diagnostisch oordeel gebaseerd kan worden. In veel gevallen zijn Hippocrates’ waarnemingen zo nauwkeurig, dat wij, vanuit onze kennis, vaak het soort infectie kunnen vaststellen, — vaak zelfs welk micro-organisme aansprakelijk geweest moet zijn voor de afzonderlijke ziektebeelden. Wat betreft veel niet-chirurgische aandoeningen deed Hippocrates even goed werk, veronderstellen wij, de huidige huisarts of "gezinsarts" kan doen, die veel van onze reactionaire tijdgenoten zo na aan het hart ligt en door terug te keren tot de echte geneeskunst ons vak weer moeten bevrijden van alle nieuwerwetse laboratoriumflauwekul. 1)

Herophontos kreeg acuut koorts, met dunne en galkleurige ontlasting, krampen en een gevoelige buik. Op de vijfde dag begon hij te ijlen en te zweten, terwijl de diarree aanhield. Op de negende dag was er een crisis, met sterk zweten en zeven dagen later begon het opnieuw. Herophontos moet óf acute bacillaire dysenterie, óf tyfus óf paratyfus óf cholera gehad hebben; cholera was echter niet waarschijnlijk, omdat het een geïsoleerd geval was.

De hemolytische streptokokken waren toen even geducht als tegenwoordig. De echtgenotes van Philinus en Domadeos stierven ongetwijfeld aan wat wij nu puerperale sepsis zouden noemen.

De vrouw van Epicrates ontwikkelde twee dagen voor de bevalling keelpijn, met aanhoudende koorts, die zonder te zakken eenentwintig dagen aanhield en pas na tachtig dagen volkomen verdwenen was. Mogelijk heeft zij tyfus gehad of een subacute streptokokkeninfectie.

Criton van Thasos kreeg plotseling pijn in zijn grote teen, gevolgd door koorts en delier in dezelfde nacht. De volgende dag was zijn voet rood en gezwollen, met kleine zwarte plekjes en begon zijn been op te zetten. Na twee dagen was hij dood. Ongetwijfeld stierf hij aan een virulente streptokokkeninfectie, misschien uitgaande van een ingegroeide nagel.

Een Clasomeniër had ongetwijfeld tyfus.

Een vrouw, die in de derde maand van haar zwangerschap was (het dertiende geval uit het Eerste Boek) kreeg plotseling pijn in de rug, kort daarop gevolgd door koorts, hoofdpijn, pijn in de nek en de rechter hand, terwijl zij ook niet meer kon spreken. Op de vijfde dag werd zij delirant en bestond er een verlamming van de rechterarm en -hand. Er is niet vermeld, of er na haar herstel op de veertiende dag, een verlamming overbleef, maar de hele geschiedenis klinkt als een acute poliomyelitis anterior of misschien encefalitis lethargica, waarvan wij gedacht hebben, dat het een nieuwe ziekte was.

Een man, wiens naam niet genoemd wordt, stierf aan een aandoening, die naar alle waarschijnlijkheid óf een aanval van een acute appendicitis óf een galblaasontsteking geweest moet zijn. Midden in de nacht werd hij, na een uitgebreid diner, overvallen door plotseling braken, koorts en pijn in de rechter bovenbuik. De verschijnselen hielden aan; de pijn verspreidde zich over de hele buik en op de elfde dag stierf hij. Wij denken het meest aan een acute appendicitis, omdat er geen enkel teken van geelzucht was. Het is interessant op te merken met welk een zorg door Hippocrates lichamelijk onderzoek verricht werd. Hij verklaart, dat hij bij het eerste onderzoek van de patiënt geen gespannen buik vond. Die moet zich dan later ontwikkeld hebben of wij moeten aannemen, dat zelfs Hippocrates een vergissing gemaakt kan hebben.

Onder de overige gevallen waren karbonkels, erysipelas, mogelijk difterie, verschillende vormen van verlamming en, niet onmogelijk, gevallen van pest, 5) omdat er beschrijvingen zijn van bubonen in de lies. 6) Er kwamen longontstekingen voor en pleuritis en langdurige, op longtuberculose lijkende, longziekten. Reumatische koorts schijnt niet onbekend geweest te zijn, maar de beschrijvingen zijn vaag.

Het doel, dat ons in de eerste plaats voor ogen stond bij het onderzoek van de ziektegeschiedenissen van Hippocrates, was een bewijs te vinden voor het destijds voorkomen van tyfus. Ozanam en anderen hebben verklaard, dat Hippocrates tyfus beschreef, en het geval, dat vaak aangehaald is als bewijs voor die veronderstelling, is dat van de tweede patiënt uit het Eerste Boek van de "Epidemion". Die man, Silenus, "zoon van Eualcides, die dicht bij de Akropolis woonde, werd overvallen door een koortsaanval, als gevolg van vermoeidheid, buitensporig drinken en inspanning. Meteen bij het begin kreeg hij pijn in de rug, hoofdpijn en pijn in de nek." Een aantal dagen had hij koorts met darmverschijnselen, een gevoel van druk in de buik, slapeloosheid en delier — die allemaal verenigbaar zouden kunnen zijn met een aantal verschillende soorten infectieziekten, maar zeer zeker passen bij het begin van tyfus. Op de zevende en achtste dag zweette hij hevig en op de achtste dag ontwikkelde zich een huiduitslag van rode, ronde vlekjes, die aanhielden zonder te veretteren. Hij stierf op de elfde dag. De hoofdpijn, het zweten, het delier en de huiduitslag, het begin en de duur van de ziekte zijn allemaal zoals men in een ernstig geval van tyfus zou verwachten. De kwestie van de diagnose komt hoofdzakelijk neer op de aard van de huiduitslag en dat hangt natuurlijk helemaal af van de juiste betekenis van de in de beschrijving gebezigde termen. De uitdrukking, waar het om gaat, luidt εξανθήματα μετα ίδρωτος ερυθρα σπογγυλα σμικρα οίον `Ιονθοι. Het οίον `Ιονθοι is door Farr vertaald als: "als blaasjes" en door Mercy als "semblables aux varices". Professor Gulick, die zo vriendelijk was zich te bemoeien met ons geliefhebber in de klassieken, gaf de volgende raad: Ik kan bij Hippocrates geen andere plaats vinden, waar het woord `Ιονθοι voorkomt, zodat toetsing aan zijn eigen gebruik van het woord onmogelijk is. Uit Aristoteles (Hist. Animal. V, 31) blijkt duidelijk, dat `Ιονθοι (oorspronkelijk haarwortel) met of zonder etter konden voorkomen. In Geval XXXVI, 3 vraagt hij zich af, waarom zij meestal op het gelaat voorkomen; en in XXXVIV, 4 zegt hij, dat de "excrescenties" — letterlijk "hagel" of bultjes op de tong — overeenkomen met `Ιονθοι (precies dezelfde uitdrukking als Hippocrates gebruikt). Galenus (XII, 824, ed. Kühn) zegt dat builen, evenals `Ιονθοι, voortkomen uit de vochten van de huid (hij noemt ze sappen) en dat zij óf hard en ruw óf ontstoken zijn; in het laatste geval komt er koorts bij; en vervolgens geeft hij verschillende voorschriften voor hun behandeling." Het is dus louter gissen dit voor een geval van tyfus te houden. Wij achten dat dus onwaarschijnlijk, gezien het feit dat geen andere soortgelijke gevallen zijn vermeld.

Het tiende geval in de reeks, de Clasomeniër, die Ozanam beslist voor een geval van tyfus houdt, schijnt — bij een nauwkeurige lezing van de oorspronkelijke tekst — meer op een tyfeuze koorts te wijzen.

 
Er bestaat dus nergens bij Hippocrates een ziektegeschiedenis, die ontegenzeglijk te herkennen is als een, die betrekking heeft op tyfus. Het resultaat is even gering, als men de geschriften doorzoekt van andere klassieke schrijvers, van wie verondersteld wordt, dat ze de ziekte beschreven hebben. Euryphon, een tijdgenoot van Hippocrates en geneesheer uit de school van Knidos, wordt vaak aangehaald ter ondersteuning van het bewijs voor de ouderdom van tyfus. Galenus zegt (XVII 1, ed. Kühn): "Dergelijke koortsaanvallen noemt Euryphon "loodgrijs" (πολίας)en schrijft daarover als volgt: "De koortspatiënt krijgt een loodgrijze kleur en voelt herhaaldelijk steken boven in zijn hoofd (βρεγμος), het hoofd doet pijn, de ingewanden worden pijnlijk en de patiënt braakt gal; als die pijn de patiënt in haar greep heeft, is het niet mogelijk te zien, wat hem scheelt; de buik wordt droog en de hele huid krijgt een loodgrijze kleur, de lippen zien er uit of hij zwarte moerbeien gegeten heeft; het wit van de ogen wordt loodgrijs en de patiënt ziet er uit of hij gewurgd wordt; als de klachten afnemen, treden er vaak veranderingen op in zijn toestand." Dit is ook weer duidelijk geen tyfus zoals wij die ziekte tegenwoordig kennen, maar de beschrijving zou wel kunnen dienen als een levendige uitbeelding van een ernstige cholera-aanval.

3

Als de oudste mededeling van een epidemie wordt vaak beschouwd de, door Thucydides in het Tweede Boek van zijn "Historia," opgetekende beschrijving van de plaag, die tijdens de Peloponnesische Oorlogen in Athene heerste.

Als men probeert de diagnose te stellen van epidemieën, op grond van beschrijvingen uit de oudheid, toen het onderscheiden van gelijktijdig voorkomende ziekten onmogelijk was, is het van belang te bedenken, dat bij elke grote uitbraak, terwijl de grote meerderheid van de gevallen één enkel type van infectie vertegenwoordigt, gewoonlijk een daar mee gepaard gaande toename van andere vormen van infectieziekten optreedt; want de omstandigheden, die de verspreiding van één infectieuze ziekteverwekker begunstigen, scheppen vaak de gelegenheid voor de overbrenging van andere. Zeer zelden is er sprake van een zuivere epidemie van één enkele ziekte. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de beschrijving van Thucydides verward is door het feit, dat in Athene een aantal ziekten epidemisch waren ten tijde van de grote plaag. De omstandigheden waren er rijp voor. Vroeg in de zomer van 430 voor Christus hadden grote legers hun kampementen opgeslagen in Attica. De plattelandsbevolking drong samen in Athene, dat zeer overbevolkt raakte. De ziekte schijnt begonnen te zijn in Ethiopië (εξ Αιθιοπιας της ύπερ Αιγυπτου)en heeft vandaar, via Egypte en Libië, ten slotte de zeehaven Piraeus bereikt. Zij greep snel om zich heen. De patiënten werden er plotseling door overvallen, als een donderslag bij heldere hemel. De eerste verschijnselen waren heftige hoofdpijn en roodheid van de ogen. Zij werden gevolgd door een ontsteking van tong en keel, vergezeld door niezen, heesheid en hoesten. Kort daarop werden ook de ingewanden aangetast, met braken, diarree en buitengewone dorst. IJlen kwam algemeen voor. De patiënten, die eraan bezweken, stierven gewoonlijk tussen de zevende en de negende dag. Velen, die het acute stadium overleefden, leden aan een hevige zwakte en voortdurende diarree, die voor geen enkele behandeling wilde wijken. Op het hoogtepunt van de koorts werd het lichaam bedekt met roodachtige vlekjes (υπερυτρον, πελιτνον, φλυκταιναις μικραις και ελκεσιν εξηθηκος), waarvan er enkele veretterden. 7) Als een van de zeer ernstige gevallen herstelde, ging het herstel vaak gepaard van necrose vingers, tenen en genitaliën. Sommigen verloren hun gezichtsvermogen. In veel gevallen vertoonden ze een volledig geheugenverlies. De zieken, die herstelden, waren immuun, zodat zij zonder verder gevaar de andere zieken konden verplegen. Geen van degenen, die nog niet voldoende geïmmuniseerd, de ziekte voor de tweede maal kregen, stierven eraan. Thucydides zelf kreeg de ziekte ook. Nadat de ziekte een tijd was afgenomen, verscheen zij, toen de winter intrad, weer opnieuw en verminderde de kracht van de Atheense staat aanzienlijk.

De plaag in Athene had, wat het ook geweest moge zijn, een diepgaande uitwerking op de historische gebeurtenissen. Het was een van de belangrijkste redenen, waarom de legers van de Atheners, op aanraden van Pericles, niet probeerden de Lacedaemoniërs te verdrijven uit Attica, wat zij bezig waren te verwoesten. Het leven in Athene was volledig gedemoraliseerd, en een geest van de uiterste wetteloosheid was daarvan het gevolg. De mensen bekommerden zich niet langer om wat als eergevoel werd beschouwd. Zoals Thucydides het uitdrukt: "Zij zagen hoe plotseling de kansen van het lot keerden zowel voor hen, die welvarend waren en plotseling stierven, als voor degenen, die tevoren niets bezaten en in een ogenblik in het bezit raakten van de eigendommen van anderen." Er was geen vrees meer voor God of gebod. Vroomheid en goddeloosheid kwamen op hetzelfde neer en niemand verwachtte, dat hij leefde om ter verantwoording geroepen te worden. Tenslotte verlieten de Peleponnesiërs Attica in allerijl, niet uit angst voor de Atheners, die in hun steden opgesloten zaten, maar uit angst voor de ziekte. Tegelijkertijd volgde de plaag de Attische vloot, die de kust van de Peleponnesus zou aanvallen, en verhinderde haar de plannen uit te voeren, waarvoor de tocht was uitgerust. Het is dus waarschijnlijk, dat de strijd tussen de twee concurrerende machten in duur en de heen en weer kerende kansen van de oorlogsfortuin, evenzeer beïnvloed werden door de epidemieën als door enig bevelhebberschap of wapengeweld.

De plaag van Thucydides kan met geen enkele van de ons tegenwoordig bekende epidemisch verlopende infectieziekten gelijkgesteld worden. Haeser gelooft dat zij meer op tyfus leek dan op enige van de ons vertrouwde ziektebeelden, en Hecker neemt het standpunt in, dat het tyfus was in een vorm, die in de daaropvolgende eeuwen van karakter veranderd is. De uitbraak leek zeker niet op de tyfus uit de tegenwoordige tijd, maar vertoont meer overeenkomsten met pokken. Nu dit allemaal gezegd is, moeten we tot de conclusie komen, dat de aard van de epidemie in Athene niet met zekerheid is vast te stellen. De snelheid van verspreiding in een dichtbevolkte stad met 10.000 betrekkelijk kleine huizen, met een enorme toevloed van volk, komt overeen met veel epidemische ziektevormen. Het begin, de onmiddellijk optredende ademhalingsverschijnselen, de aard van de huiduitslag en de gevolgen, kunnen redelijkerwijs geduid worden als pokken.

Als wij proberen een diagnose te stellen bij de plaag in Athene, moeten wij de door Hecker gedane suggestie serieus nemen, namelijk dat epidemische ziekten in de loop van eeuwen, waarin zij afwisselend heersten en sluimerden, een aanzienlijke verandering ondergaan kunnen hebben. Een van de belangrijkste resultaten, die de medische wetenschappen bereikt hebben in de oorlog tegen de epidemische ziekten, is de ontdekking dat, tijdens de tussen de epidemieën voorkomende rustperioden, de mogelijk ziekteverwekkende stoffen kunnen smeulen in menselijke dragers, huisdieren — vooral knaagdieren — en insecten. En de huidige bacteriologie heeft een belangrijk vooruitgang geboekt in de onthulling van de veranderingen, die er plaatsvinden in de eigenschappen van bacteriën en virussen, in de loop van hun aanpassing aan verschillende milieus. Voor de groep van de tyfeuze koorts zijn die omstandigheden juist in het bijzonder bestudeerd en wij kennen al een aantal varianten van tyfus en tyfusachtige koortsen, die zich binnen het historische tijdperk ontwikkeld hebben, waarschijnlijk vanwege de passage via verschillende soorten knaagdieren en insecten en via mensen. Dit zijn dingen, die wij elders al nauwkeuriger besproken hebben.

Bij onze poging de plaag van Athene, uit de vijfde eeuw voor Christus, te classificeren, moeten we dus kiezen tussen tyfus, builen- en longenpest en pokken.

Naar onze mening bestaat er in feite geen reden om aan te nemen, dat de ziekte in kwestie een tyfusvariant was. Wat ook het meningsverschil omtrent de woorden φλυκταιναι en ελκεα ook moge zijn, het lijkt vrij zeker, dat de huiduitslag, anders dan die bij tyfus, verheven en later blaasvormig was; en het plotselinge begin, zeer duidelijk gekenmerkt door ontstekingsverschijnselen van de bovenste luchtwegen en zware hoestbuien, is ook niet verenigbaar met epidemische tyfus, zoals wij die kennen. De necrose van de extremiteiten doet wel aan tyfus denken, maar gewoonlijk treedt dit verschijnsel niet op de voorgrond, behalve bij epidemieën in de winter bij het leger, terwijl de ziekte in Athene vroeg in een warme zomer begon. Deze seizoensfactor pleit ook tegen tyfus. Bovendien geeft een nauwkeurig kritisch onderzoek van ander bewijsmateriaal uit de oudheid, ons geen reden te geloven, dat tyfus bekend was of betrouwbaar werd beschreven, tot lang na die periode.

Builenpest bestond waarschijnlijk al. Het is heel zeker dat zij minstens driehonderd jaar voor Christus al voorkwam in Klein-Azië en aan de noordkust van Afrika en elders hebben wij aangetoond, dat de vorm met builen of een nauw verwante aandoening, ernstige epidemieën in Bijbelse tijden veroorzaakt heeft. Er staat echter helemaal niets in Thucydides’ beschrijving van de Atheense epidemie beschrijving van de plaag in Athene, dat een aanwijzing zou kunnen zijn, dat de Bacillus pestis of een soortgelijk organisme, óf in de vormen van builen óf in de longenvorm, die epidemie veroorzaakt zou kunnen hebben.

Wij moeten wel pokken of een pokkenvariant als de meest waarschijnlijke classificatie beschouwen. Er is veel over geredetwist, of in die tijden pokken al dan niet voorkwamen. Littré geloofde, dat er in de oude literatuur geen bevestigend bewijs voor te vinden was. Anderzijds haalt Haeser passages aan uit Susruta, die betrekking schijnen te hebben op een ziekte, die al heerste in het oude India en bedrieglijk veel leek op pokken, en Paschen aanvaardt dat bewijs, om aan te tonen dat pokken al voorkwamen in het China van omstreeks 1700 voor Christus. In het algemeen schijnen de geleerde schrijvers het er met elkaar niet eens te zijn, dat in Europa pokken niet voorkwamen ten tijde van de Griekse en Romeinse klassieke beschaving. 8)

Desondanks schijnt de beschrijving van Thucydides rechtstreeks te wijzen op een ziekte van dit algemene type. Die veronderstelling wordt bekrachtigd door het voorkomen van nog een andere, door Diodorus Siculus beschreven, epidemie die een aanval deed op het leger van de Carthagers tijdens het beleg van Syracuse, in 596 voor Christus, nog geen veertig jaar na de uitbraken in Attica. Diodorus beschrijft het als volgt: "Eerst, voor zonsopgang, hadden zij door de koude bries vanaf de zeekant, koude rillingen; midden op de dag voelden zij een brandende hitte. Tijdens het eerste stadium van de ziekte was er een catarre (καταρους)gevolgd door zwelling van de keel (σραχηλος);kort daarop kwam de koorts op, pijn in de rug en een zwaar gevoel in de ledematen; vervolgens buikloop en blaren (φλυκταινα)over het hele lichaamsoppervlak." Daarna werden sommigen delirant. In de meeste gevallen trad de vijfde of zesde dag de dood in. Diodorus schrijft de ziekte toe aan een te grote opeenhoping van mensen op één plaats, de droogte van de zomer en het "lage en moerassige" karakter van de plaats. Er was een enorm sterftecijfer; het beleg moest opgegeven en het leger ontbonden worden. Vanuit historisch standpunt was die epidemie van het grootste belang, omdat het betekende, dat nog geen honderd jaar vóór het uitbreken van de Punische oorlogen, waarin veel van de eerste gevechten juist op Sicilië plaats hadden, door die epidemie Carthago verhinderd werd Sicilië volledig te overheersen met een machtig bezettingsleger en goed georganiseerde vlootbasissen. Rome had de grootste moeite om Carthago te veroveren en een beslissende overmacht van de Carthagers in de eerste veldtochten zou tot gevolg gehad kunnen hebben, dat de militaire en administratieve cultuur van Rome verdrongen zou worden door de commerciële, Semitische cultuur van Carthago — een gebeurtenis, die de hele latere geschiedenis volkomen veranderd zou hebben. 9) Zoals Diodorus de ziekte beschrijft, komt zij — opnieuw, net als de epidemie in Athene — zo nauwkeurig als van oude beschrijvingen verwacht mag worden, overeen met het ernstige confluerende pokkentype, waarbij de dood op de vijfde of zesde dag geen uitzondering is.

Het is van belang op te merken, dat een soortgelijke epidemie, in 212 voor Christus, zowel het Romeinse als het Carthaagse leger trof, toen zij een veldslag leverden bij Syracuse, maar de beschrijving van die uitbraak is niet duidelijk genoeg om een diagnose te kunnen stellen.

Noten


1) Die mededeling is grotendeels overgenomen van Hirsch. De herkomst van de pokken is echter een zeer omstreden vraag, die het onderwerp is geweest van wetenschappelijke verhandelingen van Krause, Hahn, Werlhof en veel anderen. Haeser betwijfelt de geldigheid van het bewijs, dat naar voren werd gebracht voor het bestaan van pokken in het oude India en China, al aanvaardt hij de mogelijkheid. Hij houdt niet alles voor pokken, wat als zodanig in veel beschrijvingen van Hippocrates werd geïnterpreteerd. Onmiskenbaar juiste beschrijvingen van de ziekte zijn aangetroffen in geschriften, daterend van voor en na 40 na Christus.

2) Veel van die waarnemingen hebben wij te danken aan de Amerikaanse Kolonel Reasoner, die daar in een interessant essay naar verwees.

3) Preuss (Medizin im Talmud) is de grootste autoriteit op het gebied van ziekten ten tijde van de Bijbelse geschiedenis.

4) Zie Frothingham.

5) Als de door Hippocrates beschreven gevallen inderdaad echt pest waren, is het natuurlijk vreemd, dat er niet gesproken wordt over epidemische verspreiding. Dat hij de pest kende in op zichzelf staande gevallen, lijkt waarschijnlijk uit enkele passages in zijn Aforismen, geciteerd door Littré, waarin hij zegt, dat koortsaanvallen met bubonen allemaal gevaarlijk zijn behalve de zeer kortdurende. Dezelfde schrijver haalt ook een zin aan uit het Tweede Boek van de "Epidemion", die een aanwijzing is voor de kennis van echte pest. Hippocrates werd geboren op het eiland Kos, in het eerste jaar van de achttiende Olympiade, — dat wil zeggen, 460 jaar voor Christus. De grote epidemie in Athene vond plaats in 430 voor Christus en als dit een epidemie van builenpest geweest was, zou Hippocrates haar als zodanig herkend hebben. Zoals we elders zullen zien kan, ondanks de mening van Ozanam en enige anderen, die plaag in Athene, gezien de beschrijvingen, niet als pest worden beschouwd. Tijdens het leven van Hippocrates heerste er ook een ernstigebesmettelijke ziekte in Perzië. Artaxerxes zond boodschappers naar de grote geneesheer, die hem een grote schat aanboden, als hij de verslagen Perzen te hulp zou willen komen. Hoewel Hippocrates dat aanbod afwees (zo is het verklaard, maar ook tegengesproken) uit vaderlandsliefde, moet de aard van de Perzische ziekte voor hem toch zeer nauwkeurig beschreven zijn. Het is dus waarschijnlijk dat, als er gedurende de vijfde eeuw voor Christus in Griekenland pest in haar typische uitingsvormen was voorgekomen, Hippocrates daar een herkenbare beschrijving van gegeven zou hebben. De vraag is grondig onderzocht door alle vooraanstaande medische historici. Als Griekenland gespaard gebleven was voor pestepidemieën in een tijd, waarin zij elders wel heerste, kan dit wel toe te schrijven geweest zijn aan het weinig voorkomen of mogelijke afwezigheid van huisratten. In ons hoofdstuk over de geschiedenis van de rat bespreken wij de gegevens, waarop die veronderstelling berust. Er kunnen echter wel andere, geheimzinnigere redenen geweest zijn. Wij worden geconfronteerd met een soortgelijk probleem door het feit dat er in het huidige Engeland en West-Europa geen pest voorkomt. In enkele grote Europese steden zijn in de laatste vijfentwintig jaar op zichzelf staande gevallen waargenomen, maar geen plaatselijke uitbraken. Pestepidemieën heeft men in West-Europa niet meer meegemaakt sinds 1721. In de negentiende eeuw kwamen er praktisch geen gevallen voor in het Westen van Rusland, maar wel overal in groten getale door vlooien geteisterde ratten.

6) Hippocrates schijnt een methode van ausculteren gebruikt te hebben. Laennec, de vader van de moderne auscultatie, zegt: "Ippocrate avait tenté l’auscultation immédiate."

7) φλυκταιναις, een "opkomend" puistje, dus iets anders dan een "vlekje" als bij tyfus.

8) Door sommige schrijvers is aangenomen, dat de pokken zich over Europa verspreidden met de trekkende horden van Gothen en Germanen, maar dit is min of meer giswerk. Wel staat vast, dat het een algemeen voorkomend ziektebeeld was in heel Noord-Afrika in de zesde eeuw na Christus, en ongeveer in dezelfde periode heerste er een epidemie in Frankrijk, beschreven door de bisschop van Avranches en Gregorius van Tours, die heel zeker een pokkenepidemie was. Rhazes, die schreef in het eerste deel van de tiende eeuw, geeft een nauwkeurige beschrijving van de ziekte; gedurende zijn tijd was zij wijdverspreid over heel het Nabije Oosten, waar zij tijdens de "Olifanten Oorlog" in de vierde eeuw na Christus, vanuit Abessinië heel Arabië bereikt zou hebben. Later werd zij door de Saracenen overgebracht naar Spanje, van waaruit zij natuurlijk Europa binnendrong.
Rond het jaar 1000 kwam zij praktisch in alle landen in Europa voor en werd telkens weer opnieuw vanuit het Oosten binnengebracht door terugkerende Kruisvaarders. Het is dus waarschijnlijk, dat het droeve lot van het leger van Frederik Barbarossa veroorzaakt werd door de pokken en niet door wapengeweld. De inval van de Mongolen bracht een nieuwe massabesmetting, waardoor de eerste pesthuizen gebouwd moesten worden om de enorme aantallen zieken te herbergen. Ten slotte werd die ziekte beschouwd als een van de onvermijdelijke beproevingen voor alle mensen.
Na de ontdekking van Amerika volgde de pokken de ontdekkingsreizigers op de voet. Bij de verovering van Mexico en de snelle onderwerping van de machtige inheemse stammen, werd de Europeaan ongetwijfeld bijgestaan door zijn machtige bondgenoten, de ziekten en plagen, waarvoor de inboorlingen even vatbaar waren als kinderen. De pokken hadden daarvan de hevigste uitwerking. Een Neger van het schip van Narvaez bracht de pokken aan land en men zegt, dat er 3.000.000 Indianen gestorven zijn. Zeer wel mogelijk hebben Negerslaven een belangrijke rol gespeeld bij de snelle verspreiding van de pokken over de Nieuwe Wereld. Het is duidelijk, dat tegen het midden van de zestiende eeuw de hele wereld met het virus geïnfecteerd was.
De telkens terugkerende pokkenepidemieën in de volgende twee eeuwen, als er zich vatbaar materiaal had opgehoopt, waren zo uitgebreid en zo ernstig, dat het voor ons moeilijk is ons daar tegenwoordig een beeld van te vormen; en men mag veilig zeggen, dat die toestand nog steeds onveranderd zou bestaan, en elke nieuwe generatie weer zou aanvallen, als Jenner niet op het idee gekomen was van die enkele eenvoudige ingreep van het vaccineren.

9) Het zou de ontwikkeling van een van handelsgeest doortrokken beschaving, zoals de onze is, met een paar duizend jaar vervroegd hebben.


HOOFDSTUK VII

Vervolg van onze beschouwing van de ziekten van de Ouden, met bijzondere aandacht voor epidemieën en de val van Rome. Wij zijn nog steeds op zoek naar bewijzen voor het voorkomen van tyfus in de Oudheid.

1

Welke invloed opeenvolgende epidemieën op een staat hebben, is niet alleen af te meten aan het sterftecijfer. Telkens als pestilenties een bijzonder angstaanjagende omvang bereikt hadden, zijn de secundaire gevolgen nog veel verreikender en ontregelender geweest dan alles, wat alleen uit de getalsmatige bevolkingsafname had kunnen voortvloeien. In de huidige tijd worden die secundaire gevolgen — tot op zekere hoogte — gematigd door onze kennis, die veel heeft weggenomen van de verschrikking, die altijd het gevoel vergezelt van volkomen hulpeloosheid tegenover geheimzinnige gevaren.

In dit opzicht heeft de moderne bacteriologie een situatie teweeggebracht, die in de toekomst een diepgaande invloed zal kunnen uitoefenen op de economische en politieke wereldgeschiedenis. Sommige epidemische ziekten heeft zij veranderd van teugelloze wreedheid naar een toestand van betrekkelijke tamheid. Anderen kan zij beperken tot begrensde gebieden of reservaten. Weer anderen kan zij, hoewel zij nog op grote schaal voorkomen, beletten een vlucht te nemen, die — eenmaal in volle gang — niet meer te stuiten is. Maar zelfs in de gevallen, waarvoor tot nu toe geen doelmatige verdedigingsmiddelen ontdekt zijn, — zoals bijvoorbeeld influenza, kinderverlamming en encefalitis — kan de vijand toch stelselmatig tegemoet getreden worden, vastberaden en met enige kennis van zijn mogelijke tactiek, maar ongetwijfeld toch met ontzetting, maar tenminste niet met de paniek en ontregeling, die in de oudheid en in de Middeleeuwen even vernietigend op de maatschappij werkten als het dodental.

Vroeger waren pestilenties geheimzinnige bezoekingen, uitingen van de toorn van hogere machten, opkomend uit een duister nergens, meedogenloos, angstaanjagend en onontkoombaar. In hun ontzetting en onwetendheid deden de mensen juist die dingen, die de sterfte vergrootten en de ramp verergerden. Zij ontvluchtten steden en dorpen, maar de dood reisde op een geheimzinnige manier met hen mee. De paniek veroorzaakte sociale en morele ontreddering; boerderijen werden in de steek gelaten en er heerste voedselgebrek; hongersnood leidde tot trek van de bevolking, revolutie, en burgeroorlog, en, in sommige voorbeelden, tot fanatieke godsdienstige bewegingen, die bijdroegen tot diepgaande geestelijke en politieke veranderingen.

Het uiteenvallen van de macht van het Romeinse rijk was een door gecompliceerde oorzaken teweeggebracht geleidelijk proces. Hoewel ten tijde van de dood van Honorius, in 423 na Christus, alleen Brittannië zich formeel had losgemaakt van de Romeinse overheersing, begonnen er al scheuren te op te treden, waar de komende breuk zich zou voltrekken. Lang hiervoor had het edict van Caracalla de inwoners van de provinciën al verheven tot de waardigheid van het Romeinse burgerschap, maar in werkelijkheid hadden de ridders in Rome niet meer gemeen met de burgers van Nicomedia of Augusta Trevirorum, dan tegenwoordig een Republikeins bankier uit Boston of New York met een democratische boer uit Oklahama. Gigantische bureaucratieën verslonden het bestuur, begrotingen waren bijna hedendaags onevenwichtig en de barbaren, die zich al in het Rijk gevestigd hadden, —immigranten in de moderne betekenis van het woord, 1) — drukten, telkens als het landbouwbedrijf hun niets meer opbracht, hun streven naar politieke macht uit door op te trekken naar de hoofdstad. De Visigothen, aan wie door Theodosius een plaats aangewezen was ten Zuiden van de Donau, begonnen in 396 een boerenstaking onder leiding van Alaric en alleen de uitbetaling van een grote boerenlening, toen losgeld genoemd, kon hen ervan af brengen Rome te bezetten. De Vandalen en Suebi namen in 405 bezit van Spanje, staken over naar Afrika en vestigden daar een soort van "Midden Westen", dat zijn wensen kracht kon bij zetten, door de graanvoorziening te beheersen.

Het probleem is benaderd vanuit elke denkbare gezichtshoek, want er bestaat geen groter historisch raadsel dan de verdwijning van de oude beschaving — een verdwijning die zo volkomen is dat geen enkele vonk uit haar as, de barbaarse duisternis van honderden jaren meer kon verlichten. 2) Historici hebben geprobeerd de oorzaken te analyseren volgens de vooroordelen van hun eigen vormen van scherpzinnigheid. Mommsen, Gibbon en Ferrero leiden het uiteenvallen van de staat af uit een combinatie van politieke, religieuze (morele) en sociologische factoren, waarbij ieder de nadruk anders legt. Ferrero hecht de meeste waarde aan "de eindeloze burgeroorlogen, die voortkwamen uit de pogingen van het latere Rome om de twee wezenlijk verschillende principes van Monarchie en Republikeinse instellingen met elkaar te verzoenen". Enkelen hebben geprobeerd de ineenstorting te verklaren op grond van een agrarische mislukking (Simkhovitch, Hay and History); enkelen legden een verband tussen de invloed van een geweldige toename van malaria, en een versneld in de steek laten van het landbouwgebied (Ross). Pareto (Traité de Sociologie Générale, Deel II Hfdst. XIII — "L’Equilibre Social dans l’Histoire") heeft, volgens ons, de redelijkste analyse gegeven, waarin hij, in een buitengewoon kort bestek, verband legt tussen de vele gecompliceerde factoren, die allemaal actief samenwerkten. Ook hij heeft echter vergeten in zijn beschouwing de rampzalige epidemieën te betrekken, die — telkens weer het Romeinse Rijk teisterend gedurende zijn onstuimigste politieke perioden —een belangrijke, zo niet beslissende invloed uitgeoefend moeten hebben op het uiteindelijke resultaat.

Het is ver van ons te wensen de vergissing te begaan, waartegen Pareto waarschuwt, "d’envisager comme simples des faits extrêmement compliqués"; en het is niet onze bedoeling aan andere eenzijdige opvattingen een nieuwe, op epidemieën gegronde, theorie over het verval van het Romeinse rijk toe te voegen. Wij geloven echter, dat een eenvoudig overzicht van frequentie, uitbreiding en hevigheid van de plagen, waarvan Romeins Europa en Azië het slachtoffer waren, de onbevooroordeelden ervan zal overtuigen, dat die rampen meegeteld moeten worden bij een beoordeling van de oorzaken die de grootste staat, die de wereld ooit gekend heeft, uitgeput hebben. Wij zijn dus geneigd te geloven, op grond van een beoordeling van de destijds heersende omstandigheden, dat het onmogelijk is een politieke en maatschappelijke organisatie van de aard en omvang als Rome, blijvend in stand te houden bij een volkomen ontbreken van moderne hygiënische kennis. Een concentratie van grote volksmassa’s in steden, vrij contact met alle andere delen van de wereld, — vooral Afrika en het Oosten — voortdurende en uitgebreide militaire activiteiten, waaronder gemobiliseerde legers in kampen en het heen en weer trekken van grote strijdmachten vanuit alle hoeken van de wereld — alleen dat al zijn omstandigheden, die onvermijdelijk het uitbreken van epidemische ziekten bepalen. 3) En tegen dergelijke uitbraken was in die tijd geen enkel verdedigingsmiddel voorhanden. De pestilenties ontmoetten geen tegenstand. Zij konden vrij over de hele wereld razen, als vlammen door droog gras, overal brandstof vindend, overal waar ook maar mensen leefden, over land de handelsroutes volgend, en over zee vervoerd door schepen. Hun vaart verminderde alleen als zij zichzelf hadden opgebrand — en zelfs dan, als zij een tijdje zo langzaam waren voortgeschreden zoals de plagen ten tijde van Cyprianus en Justinianus, verdubbelden zij daarna hun snelheid als zij, in een nieuwe generatie of in een gemeenschap met een verminderende immuniteit, materiaal vonden, waarop zij opnieuw konden opvlammen tot een nieuwe periode van verschrikking. Zodra een staat ophoudt voornamelijk agrarisch te zijn, wordt kennis van hygiëne onmisbaar voor haar handhaving.

Justinianus stierf in 565. Karel de Grote werd gekroond in 800. Tussen 600 en 800 was Italië het strijdperk van de barbaarse immigranten, die met elkaar vochten om de buit. Rome, in de oude betekenis, had opgehouden te bestaan. De uiteindelijke ineenstorting van zijn weerstand valt in tijd samen met de ramp van de grote pestilentie, die Justinianus’ naam draagt. En al zou het niet zinnig zijn die plaag alleen aansprakelijk te stellen, dan valt nauwelijks te betwisten, dat zij een van de factoren was, — misschien de machtigste afzonderlijke invloed — die het oude wereldrijk de coupe de grâce gaf.

Bovendien levert de geschiedenis van de voorafgaande zeshonderd jaar een aantal voorbeelden, die laten zien, dat de opmars van de Romeinse macht en wereldorganisatie telkens weer onderbroken werd door de enige macht, waartegen politiek genie en militaire moed totaal hulpeloos stonden — de epidemische ziekte. In de recente geschiedenis bestaat geen parallel, waarnaar de toen heersende toestanden beoordeeld kunnen worden, behalve de situatie in Rusland tussen 1917 en 1923. Ook daar oefende het ontketende geweld van tyfus, cholera, dysenterie, tuberculose, malaria en hun broeders en zusters een diepgaande invloed uit op de politieke gebeurtenissen. Daar valt echter op dit moment wel meer over te zeggen. Alleen het hoogontwikkelde systeem van hygiënische beschermingsmaatregelen aan de Poolse en zuidelijke grenzen voorkwam in die jaren dat de inval — eerst van ziekte, ellende en hongersnood, en vervolgens van politieke ontreddering — zich verder over Europa verspreidde. Die bewering kan misschien aanvechtbaar zijn. Zij is echter minstens een redelijke waarschijnlijkheid.

In ieder geval ontmoetten ziekten, in de eerste eeuwen na Christus, nergens belemmeringen. En als zij toch aankwamen, als door een stormwind gedragen, weken alle andere dingen en krompen de mensen in ontzetting ineen, terwijl zij al hun twisten, ondernemingen en streven lieten varen, totdat de storm overgedreven was.

Vergeefs hebben wij gezocht naar bewijsmateriaal voor tyfus in die periode — maar de betekenis van epidemieën voor het verval van Rome is zo belangrijk, dat men ons nog een korte uitwijding moge vergeven.

2

In de literatuur uit de eerste eeuw na Christus komen betrekkelijk weinig gegevens voor, die betrekking hebben op epidemieën. Tijdens de regering van Nero (na 54 voor Christus) heerste een plaag, die door Tacitus beschreven werd als "buitengewoon vernietigend" — hoewel zijn tekst verder geen aanknopingspunten geeft voor een diagnose. In de steden van Italië woedde een ziekte, die zo ernstig was, dat er in alle huizen lijken lagen en de straten wemelden van begrafenisstoeten. "Slaven zowel als burgers stierven" (wij citeren Schnurrer) "en velen, die een dierbaar slachtoffer betreurd hadden, vonden zelf zo spoedig de dood, dat zij naar dezelfde brandstapel gebracht werden als van hen, die zij betreurd hadden." Of die bijzondere ziekte al dan niet beperkt was tot Italië, kunnen wij niet zeggen. In diezelfde periode kwamen echter in de provincies een aantal andere epidemische ziekten voor, waaronder één beschreven werd als "anthrax" en waarschijnlijk was dit een soortgelijke of dezelfde infectie, die wij tegenwoordig ook zo noemen, omdat zij zowel vee en paarden als mensen trof. Volgens sommige schrijvers was het die ziekte die, omstreeks 80 na Christus, bij de Hunnen voorkwam tijdens hun trektocht naar het Westen en 30.000 mensen onder hen aantastte samen met 40.000 paarden en 100.000 stuks vee, (Johannes von Müller).

Gedurende de eerste eeuw waren er aardbevingen, perioden van hongersnood, vulkanische uitbarstingen en vage mededelingen over epidemieën. De eerste pestilentie echter, waarover we wel betrouwbare gegevens bezitten, is die, waarover gesproken werd als "de plaag van Antonius" (of van Galenus). Deze ziekte begon in het leger van Verus, dat in 165 na Christus op veldtocht in het Oosten was. Volgens Ammianus Marcellinus was de bron van de infectie een kist in een tempel, die de soldaten geplunderd hadden. Toen het leger huiswaarts keerde, verspreidde het de ziekte wijd en zijd, en bracht haar tenslotte naar Rome. Intussen was de infectie uitgestraald naar alle hoeken van de wereld, en had zich binnen korte tijd uitgebreid "van Perzië tot de oevers van de Rijn" en verspreidde zich zelfs onder de stammen van Galliërs en Germanen. In veel steden was de sterfte zodanig, dat, zoals Marcus Aurelius zegt, "lijken werden vervoerd op wagens en karren". Orosius verklaart dat zoveel mensen stierven, dat steden en dorpen in Italië en in de provincies verlaten werden en in puin vielen. De nood en ontreddering waren zo groot, dat een veldtocht tegen de Marcomanni werd uitgesteld. Toen, in 169, de oorlog eindelijk werd hervat, werden, zoals Haeser meedeelt, veel van de Germaanse strijders — zowel mannen als vrouwen — dood aangetroffen op het veld, maar zonder wonden, omdat zij aan de epidemie gestorven waren. Marcus Aurelius werd zelf door de ziekte aangetast en weigerde, omdat hij de besmettelijkheid van de ziekte besefte, zijn zoon te zien. 4) Hij stierf op de zevende dag, nadat zijn ziekte door het weigeren van voedsel zeer was verergerd. Omdat dit in 180 na Christus gebeurde, rond de tijd waarin Galenus’ "Methodus Medendi" werd geschreven, is het duidelijk, dat de plaag in Europa minstens veertien jaar duurde. Er bestaat geen betrouwbare opgave over hoe groot aantal doden bij benadering was, maar geen twijfel over het feit, dat de sterfte zo groot was, dat zij het sociale, politieke en militaire leven volkomen demoraliseerde en zo’n angst teweegbracht, dat er niemand was, die de zieken durfde verplegen. Wij zeggen dit op gezag van Ammianus Marcellinus. De tijdelijke stilstand in de epidemie in 180 duurde slechts negen jaar. Dio Cassius vertelt ons, dat zij opnieuw uitbrak onder Commodus in 189. "Toen kwam de grootste plaag, waarvan ik ooit heb gehoord. Vaak waren er in Rome 2000 doden op één dag." Het schijnt, dat de sterfte in latere stadia zelfs nog hoger was dan in de eerste.

De aard van die ziekte is onzeker. Zoals meestal is het meer dan waarschijnlijk, dat niet één enkele infectie daarvoor verantwoordelijk was, maar dat een aantal verschillende tegelijkertijd woedden. De noodlottigste hieronder, de ziekte die aan de epidemie haar belangrijkste kenmerken gaf, was een aandoening die, als het geen pokken was, daar wel nauw mee verwant was. De epidemie van Antonius lijkt zeer veel gelijkenis vertoond te hebben met de plaag van Athene. Galenus vertelt ons dat de meerderheid van de gevallen begon met een keelontsteking, koorts en diarree. Op de negende dag trad — in de meeste gevallen — een huiduitslag op, die soms veretterde en soms droog bleef. Wij worden opnieuw geconfronteerd met de moeilijkheid van een nauwkeurige interpretatie van de woorden, die betrekking hebben op de aard van de exanthemen, maar er bestaat minder onzekerheid met betrekking tot die ziekte dan over de beschrijvingen van de plaag in Athene, wat betreft het verheven, vaak blaasvormig en zwerende karakter van de huiduitslag. Haeser, wiens mening wij in deze zaak delen, is na het lezen van het bewijsmateriaal geneigd te geloven, dat het een pokkenepidemie was, of een epidemie van een ziekte, die nauw verwant is met de tegenwoordige vorm van die ziekte. Dat wordt vooral waarschijnlijk door de snelheid en de omvang, waarin de ziekte zich over de hele bekende wereld, verspreidde.


Er bestaat weinig ruimte voor twijfel aan het feit dat een dergelijke ramp, die meer dan tien jaar duurde, tijdens een periode, die in politiek opzicht kritiek was door binnenlandse verdeeldheid en voortdurende oorlogen tegen omsingelende vijandige barbaren, een diepgaande invloed gehad moet hebben op de handhaving van het Romeinse gezag. Militaire campagnes werden gestaakt, steden raakten ontvolkt, de landbouw was bijna geheel vernietigd en de handel lamgeslagen.

Afgezien van de ziekten in leger en kampen, die met korte tussenpozen de legers aan de grenzen 5) trof, bleef het Romeinse rijk betrekkelijk vrij van grote plagen, van de tijd van Commodus tot het jaar 250, het tijdstip, waarna voor het rijk een periode inzette van verwoede, steeds toenemende strijd tegen de invallen van de barbaren. De bedreiging werd vooral ernstig na de overwinning van de Gothen over Decimus bij Forum Trebonii. Daar begon een pandemie, die onder anderen beschreven is door de Heilige Cyprianus — en daarom vaak de epidemie van Cyprianus genoemd wordt. Men zei dat die ziekte, evenals de plaag van Athene, oorspronkelijk uit Ethiopië kwam en vandaar via Egypte Europa bereikte. Zij hield niet minder dan vijftien of zestien jaar aan, waarbij zij zich over de hele bekende wereld verspreidde, "van Egypte tot Schotland." Met tussenpozen van verscheidene jaren verspreidde zij zich over dezelfde gebieden. Zij was buitengewoon besmettelijk en volgens Cedrenus werd zij niet alleen door rechtstreeks contact overgebracht, maar ook indirect — door kleren. Gregorius van Nyssa 6) en Eusebius hebben mededelingen nagelaten over het plotselinge verschijnen en de ontzettende hevigheid. In 256 dook zij op in een stad in Pontus, na de samenkomst van een grote menigte in een theater, als straf voor de vermetelheid van de toeschouwers om Jupiter te tarten, ter ere van wie de voorstelling opgevoerd werd. In Alexandrië was de sterfte enorm. De snelheid van de uitbreiding werd bevorderd doordat in veel provincies oorlog werd gevoerd. Germaanse stammen waren bezig Gallië en het Nabije Oosten binnen te vallen. De provincies in het Verre Oosten werden aangevallen door de Gothen en de Parthen waren bezig Mesopotamië te veroveren. De ontzetting steeg ten top, men dacht spoken te zien zweven boven de huizen van de mensen, die aan de ziekte ten prooi zouden vallen. Door het uitdrijven van die kwade geesten bekeerde de heilige Cyprianus velen tot het christendom. Gedurende de hele periode van het vroege christendom leidde elke grote ramp — hongersnood, aardbeving en epidemie — tot massale bekeringen, nog een indirecte invloed, waardoor epidemische ziekten bijdroegen aan de vernietiging van de klassieke beschaving. Het christendom is ongelofelijk veel meer verschuldigd aan builenpest en pokken, dan aan aardbevingen en vulkanische uitbarstingen.

De aard van de epidemie van Cyprianus is nog moeilijker vast te stellen, dan die van de plaag in Athene. Haeser gelooft dat builenpest daar een overheersende rol speelde, en baseert dat hoofdzakelijk op de seizoensfactor — dat wil zeggen op de mededelingen, dat de achtereenvolgende uitbraken in Egypte in de herfst begonnen en tot de heetste tijd in juli voortduurden. Omdat echter elk betrouwbaar gegeven ontbreekt over klierzwellingen of bubonen, is dat idee een zuivere veronderstelling. Cyprianus schrijft over de ziekte, dat zij begint met roodheid van de ogen, een ontstoken keel, heftige diarree en braken. 7) Hij noemt gangreen van de voeten, verlamming van de onderste ledematen, doofheid en blindheid. Een huiduitslag wordt niet beschreven. Men moet weer een gelijktijdig heersen van veel ziekten aannemen, waarbij vormen van hersenvliesontsteking en acute bacillaire dysenterie waarschijnlijk veel voorkwamen, maar er is geen specifieke diagnose mogelijk op grond van de door de schrijvers uit die tijd waargenomen verschijnselen.

Hoe de omstandigheden ook geweest mogen zijn, zij waren zo uitzonderlijk hevig, dat niemand haar ernstige uitwerking op de politieke en sociale ontwikkeling kan betwijfelen. Een beeld van de extreme

noodtoestand kan verkregen worden uit het volgende letterlijke citaat van Haeser: "De mensen drongen samen in de grootste steden; alleen de dichtstbij gelegen velden werden bebouwd; die verder verwijderd waren, raakten overwoekerd en werden gebruikt als jachtterrein; akkerland had geen waarde, omdat de bevolking in aantal zo was achteruitgegaan, dat om hen te voeden voldoende graan verbouwd kon worden op het beperkte gecultiveerde gebied." Zelfs midden in Italië kwamen uitgestrekte landerijen braak te liggen; er vormden zich moerassen en daardoor werden de tevoren gezonde kuststreek van Etrurië en Latium ongezond. Hieronymus schrijft, dat de mensheid "bijna geheel vernietigd was" en de aarde bezig was terug te keren naar een toestand van woestenij en wouden. 8)

Volgens Baronius ontstond de christelijke gewoonte om ten teken van rouw zwart te dragen, ten tijde van de plaag van Cyprianus. Eerder was die kleur al gebruikt door Hadrianus, die, volgens Schnurrer, na de dood van Plotina negen dagen zwart droeg.

Tussen de plaag van Cyprianus en de volgende grote pandemie, die de plaag van Justinianus genoemd wordt, vond er een reeks van rampen plaats — aardbevingen, hongersnood en ernstige, maar betrekkelijk gelokaliseerde epidemische ziekten, zoals men ook zou verwachten in een rijk, waarin een voortdurende verplaatsing van grote legers en ononderbroken contact is met het Oosten en de noordkust van Afrika. Tegelijkertijd had de migratie van een deel van de landbouwbevolking naar de steden al een opeenhoping van grote mensenmenigten op kleine gebieden teweeggebracht, zonder ook maar iets van de onmisbare voorzorgsmaatregelen, die de huidige medische wetenschap kan verschaffen.

Cedrenus beschreef een epidemie, zonder speciale symptomen, tijdens het bewind van Diocletianus en Maximianus. Eusebius plaatst die uitbraak wat later en ook hij spreekt over een nieuwe ziekte — mogelijk miltvuur — die duizenden mensen trof, verscheen in de vorm van acute verzweringen en zwellingen aan verschillende lichaamsdelen en waardoor velen blind werden. In diezelfde tijd stierven grote aantallen huisdieren. Ziekte en hongersnood duurden voort, tot het jaar 313.

Daarop volgde een periode, waarover wij betrekkelijk weinig gegevens bezitten, hoewel de ziekte waarschijnlijk in dezelfde mate als gewoonlijk voorkwam. Het is het tijdperk, waarin de Völkerwanderung haar actiefste stadium beleefde. Dit verschijnsel was als het voortrollen van menselijke golven van Oost naar West. Het is mogelijk dat de beweging in gang gezet werd, toen de Hunnen, of Hiong-nus, uit China verdreven werden en naar de Kaspische Zee trokken. Gedwongen zich te verplaatsen, mogelijk door ziekte 9), begonnen zij in westelijke richting te trekken. Het eerst kwamen zij in botsing met de Alani, die zij uiteendreven of met zich meevoerden in een aanval op de Gothen. De laatsten waren langs de rivierbeddingen uit het Noorden naar de Zwarte Zee getrokken. Verdrongen door Hunnen en Alani, vluchtten de Gothen naar Romeins grondgebied en vestigden zich tijdelijk langs de Donau.

Omstreeks 406 was er een algemene trek van barbaarse horden — Suebi, Alani, Bourgondiërs en Vandalen — naar Italië, Gallië en over de Pyreneeën naar Spanje. Volgens Idatius was het een tijdperk van oorlog, hongersnood en epidemieën. In 444 heerste een vreselijke epidemie in Brittannië, die gedeeltelijk verantwoordelijk schijnt te zijn voor de historisch belangrijke verovering van Brittannië door de Saksen. Baeda verklaart in zijn "Historia Ecclesiastica Gentis Anglorum" 10), dat Voltiger, onder de druk en in nood, een beroep deed op de leiders van de Saksen: "Een verschrikkelijke plaag kwam over hen, die zovelen vernietigde, dat de levenden de doden nauwelijks konden begraven. Zij beraadslaagden, wat hen te doen stond en moesten hulp zoeken tegen de herhaalde invallen van de noordelijke volkeren (blijkbaar was hun strijdmacht zeer uitgedund door de plaag) en zij kwamen overeen, dat zij het volk van de Saksen van overzee te hulp moesten roepen. De Saksen arriveerden in 449 en traden op als huurtroepen voor de Britten." Het vraagt niet veel verbeeldingskracht om daaruit te conclusie te trekken, dat de geschiedenis van de Britse Eilanden in de hele verdere ontwikkeling van volk, gewoonten, architectuur enzovoort, voor een groot deel bepaald werd door een epidemische ziekte.

Eusebius vertelt over een epidemie, die in 455 en 456 heerste in de Romeinse provincies en in de buurt van Wenen (toen bekend als Orae Favianae). Het begon met ontstoken ogen, zwelling en roodheid van de huid over het hele lichaam, en eindigde — soms met dodelijke afloop — op de derde of vierde dag, met ernstige longsymptomen. Het is onmogelijk te zeggen, wat voor ziekte dat geweest kan zijn — misschien een algemene streptokokkeninfectie, of een vorm van roodvonk met een secundaire streptokokkenlongonsteking. 11)

In 467 had Rome zelf te lijden van een ziekte, waarover we, van Baronius, alleen weten, dat een groot aantal mensen daaraan stierf. In de daar onmiddellijk op volgende jaren kwamen er verspreid — maar wel gelokaliseerd — epidemieën voor in de Gallische provincies en in 477, toen de Saksische koning Odoacer onderweg naar Italië Anjou bereikte, brak er een zware epidemie uit zowel onder de burgers als onder de indringers. Kort daarna decimeerden hongersnood en epidemie de Vandalen in Noord-Afrika, ter voorbereiding op hun nederlaag tegen de Mohammedanen.

Er bestaan geen mededelingen over grote ziekten in de eerst volgende vijftig jaar, maar in 526 vond in Antiochië een ernstige aardbeving plaats, die verantwoordelijk was voor de dood van ettelijke honderdduizenden mensen.

Dat brengt ons bij de grootste van alle pandemieën, die meehielpen de oude beschaving te ondermijnen — namelijk die van Justinianus, waarvan wij uitgebreid de details kennen uit de geschriften van Procopius.


De zesde eeuw was een grote rampenperiode, die nauwelijks haar weerga vindt in de geschiedenis. In zijn "Die Grosse Pest zur Zeit Justinians" heeft Seibel een volledige samenvatting gegeven van alle beschikbare gegevens. Hij is de autoriteit, die door alle latere schrijvers geciteerd wordt. Volgens hem ging er een reeks aardbevingen, vulkanische uitbarstingen — die van de Vesuvius was er één van — en perioden van hongersnood aan vooraf en begeleid door een reeks epidemieën, die meer dan zestig jaar lang ontzetting en vernietiging brachten over heel Europa, Klein-Azië en Azië. Van natuurlijke uitbarstingen was de verwoestendste een, door een enorme brand gevolgde, aardbeving die 526 Antiochië vernietigde, tussen de 200.000 en 300.000 mensen doodde en het merendeel van de overigen van angst op de vlucht joeg. Er vonden ook aardbevingen plaats in Constantinopel en in andere steden in het Oosten, en daarnaast in veel plaatsen in Europa zelf. Onder anderen was er een hevige in Clermont, dat toen Civitas Averna heette. Een opeenvolging van overstromingen en hongersnood vergrootte de ellende. De verarming, de ontheemde bevolking, de chaos in de landbouw en de hongersnood, die met die rampen gepaard gingen, moeten wezenlijk bijgedragen hebben aan ontstaan en verspreiding van de pestilenties. Huidige ervaringen hebben dit een aantal malen aangetoond, toen vloedgolven, aardbevingen en overstromingen een soortgelijke verwoesting hebben aangericht.

De grote epidemie van Justinianus begon in Egypte, in de buurt van Pelusium. De geopperde Ethiopische oorsprong is vaag; er heerste een soort oude en traditionele verdenking, dat ziekten gewoonlijk uit Ethiopië kwamen. Procopius schrijft hierover:

In die tijd (540) verscheen er een epidemie. Zij openbaarde zich niet in een enkel deel van de wereld, niet bij een enkel mensenras, en niet in een bepaald jaargetijde, maar breidde zich uit over de hele aarde en tastte allen aan, genadeloos voor beide geslachten en elke leeftijd. Zij begon in Egypte, in Pelusium; vandaar verspreidde zij zich naar Alexandrië en over de rest van Egypte; vervolgens trok zij naar Palestina en vandaar breidde zij zich verder uit over de hele wereld, waar zij in elke plaats seizoensgewijze optrad. En geen enkele menselijke woonplaats werd gespaard, hoe ver afgelegen zij ook mocht zijn. En als het soms leek, alsof zij een tijdlang een streek gespaard had, verscheen zij daar vast en zeker later, en dan werden diegenen, die al eerder de ziekte hadden doorgemaakt, niet aangetast; en zij bleef steeds zolang ergens hangen, totdat zij haar gewone aantal slachtoffers had opgeëist. Steeds leek zij zich vanuit de kuststreken landinwaarts uit te breiden en drong dan vandaar diep in het binnenland door.
In de lente van het tweede jaar bereikte zij Byzantium en daar begon zij op de volgende manier: Aan velen verschenen geestverschijningen in menselijke gedaante. Zij, die zo benaderd waren, werden gegrepen door die verschijning en liepen zo de ziekte op. Anderen sloten zich op in hun huizen. Dan verschenen de spoken hen in dromen of hoorden zij stemmen, die hun zeiden, dat zij uitverkoren waren om te sterven. 12)

Omdat Procopius die dingen zelf geloofde, weerspiegelt zijn getuigenis de verschrikkelijke hulpeloosheid en paniek, die met die epidemie gepaard ging.

Vier maanden bleef de plaag in Byzantium hangen. Aanvankelijk waren er weinig sterfgevallen — daarna waren er 5.000, later 10.000 doden per dag. "Ten slotte, toen er een tekort was aan doodgravers, werden de daken van de vestingtorens afgehaald, het binnenste met lijken opgevuld en de daken weer op hun plaats gebracht." Lijken werden op schepen geladen, die men liet afdrijven naar zee. "En toen de plaag over was, heerste er zoveel verdorvenheid en algemene losbandigheid, dat het leek, alsof de ziekte alleen de meest zedelozen in leven had gelaten."

Procopius wijdt een aantal paragrafen aan een beschrijving, die ons enige aanknopingspunt is voor een diagnose:

Plotseling kregen zij een koortsaanval: sommigen werden daardoor plotseling uit hun slaap gewekt, anderen tijdens hun dagelijkse bezigheden. De koorts bleef van de ochtend tot de avond en was zo mild, dat dokter noch patiënt gevaar vreesde en niemand dacht dat hij zou sterven. Bij velen verscheen echter al op de eerste dag, bij anderen op de tweede en bij weer anderen nog later, een buil zowel in de liesstreek als in de oksel; bij sommigen achter de oren en overal elders op het lichaam.
Tot hiertoe was de ziekte bij iedereen hetzelfde, maar in de latere stadia traden er individuele verschillen op. Sommigen vielen in een diep coma; anderen raakten in een hevig delirium. Als zij niet in slaap vielen en ook niet delirant werden, werd de zwelling gangreneus en stierven ze door de ontzettende pijn. De ziekte was niet besmettelijk door aanraking, want geen enkele dokter of andere persoon werd ziek van een patiënt of een dode; velen, die verpleegden of begroeven, overleefden hun dienst tegen alle verwachtingen in. Sommige artsen, die niet op de hoogte waren van die ziekte en geloofden dat de bubonen de belangrijkste zetel van de ziekte waren, onderzochten de lichamen van de doden, openden de builen en vonden een groot aantal veretterde plekken.
Sommigen stierven direct; anderen pas na vele dagen; bij enkelen brak over het lichaam een uitslag uit van zwarte blaren ter grootte van linzen. Die laatsten leefden dan geen dag meer; en velen bezweken snel na een bloedspuwing. De artsen konden niet zeggen, welke gevallen licht en welke ernstig waren, en medicijnen baatten niet.

Agathius beschrijft, als hij spreekt over het jaar 558, dezelfde ziekte in Byzantium en vermeldt ook weer builen en een plotselinge dood, doorgaans op de vijfde dag. De ziekte trof alle leeftijden, maar doodde meer mannen dan vrouwen.

Het is interessant op te merken, dat die epidemie een van de kenmerken vertoonde, waarop in de moderne epidemiologie zo vaak gewezen wordt — namelijk, dat toen de ziekte uitbrak het aantal patiënten en de sterfte betrekkelijk gering waren, maar dat beiden met verbijsterend geweld toenamen naarmate de epidemie sneller om zich heen greep.

Er valt nauwelijks aan te twijfelen, dat de epidemie van Justinianus in hoofdzaak builenpest was, maar
de verwijzingen naar de in veel gevallen over het hele lichaam verspreide erupties van zwarte blaren wijzen erop, dat een ernstige vorm van pokken er ook deel aan had. Wat het ook geweest moge zijn, haar uitbreiding en ernst waren zodanig, dat commentatoren als Haeser geloven, dat zij een invloed uitgeoefend hebben op de val van het Byzantijnse rijk, die maar al te vaak door de historici over het hoofd is gezien. In de loop van zestig tot zeventig jaar werd een aanzienlijk deel van de bekende wereld verwoest door de ziekte. Steden en dorpen werden verlaten, landbouw werd gestaakt, en hongersnood, paniek en vlucht van grote volksmenigten, weg van de geïnfecteerde plaatsen, bracht de hele Romeinse wereld in verwarring.

Gibbon zegt, als hij spreekt over deze epidemie:


"Er zijn geen gegevens bewaard gebleven, die een berekening of zelfs een raming kunnen steunen van de aantallen omgekomenen tijdens deze buitengewoon grote sterfte. Ik vind alleen dat, gedurende drie maanden in Constantinopel, eerst vijf- en op het laatst tienduizend personen per dag stierven; veel steden in het Oosten werden ontvolkt achtergelaten en in verschillende districten van Italië verdroogde graan- en wijnoogst op het land. De drievoudige gesel van oorlog, pestilentie en hongersnood trof Justinianus’ onderdanen en zijn bewind is te schande gemaakt door een zichtbare afname van het mensdom, die in enkele van de mooiste landen ter wereld nooit meer is herwonnen."

Procopius was ooggetuige bij de meeste gebeurtenissen, die hij beschrijft. Op zijn reizen stond hij in nauw contact met Belisarius, en de positie, die hij bekleedde, was belangrijk genoeg om hem een "inkijk" te gunnen op wat er omging aan het hof in Constantinopel. Men mag daarom aannemen, dat zijn mededelingen over de beroeringen in die tijd — oorlogen, politieke corruptie en pestilentie, — niet erg overdreven zijn. En omdat wij zelf nog niet lang geleden een grotere, meer verbreide en vernietigendere oorlog hebben meegemaakt dan de meeste andere in de geschiedenis, en politieke corruptie tegenwoordig waarschijnlijk even sterk ontwikkeld en algemeen voorkomend is dan op enig ander tijdstip, is het een redelijke veronderstelling, dat onze betrekkelijke kundigheid om epidemieën te beheersen de huidige wereld, althans tijdelijk, wellicht voorkomen heeft om net als het rijk van Justinianus ineen te storten.

Als je, door de ogen van Procopius, de regering van Justinianus bestudeert, krijg je een buitengewoon levendig beeld van de manier, waarop de drie grote krachten samenwerkten om het keizerrijk op de knieën te brengen. Justinianus deed een laatste poging om de wereldmacht van het imperium te herstellen. Oorlogen met Perzië, oorlogen tegen de Vandalen in Afrika en tegen de Gothen in Italië, het instandhouden van legers op alle fronten, in ver van elkaar gelegen werelddelen, eiste het uiterste van de middelen van de regering. Overal werd de verdedigingsgordel teruggedreven door de steeds aangroeiende horden barbaren, die tegen die tijd veel geleerd hadden van krijgskunst en organisatievermogen van hun voormalige heren. Binnenlandse oproeren, zoals in Byzantium in 532, bedreigden de achterhoede. Verraad en omkoperij verzwakten de administratieve macht aan het hof. En bovenop die bijna, misschien geheel onoverkomelijke moeilijkheden kwam de pest, — voortrazend van Oost naar West, van Noord naar Zuid, steeds weer, bijna zestig jaar lang, — dood, ontzetting en chaos teweegbrengend.

De pest duurde tot 590, of nog wat later. Tussen 568 en 570, werd het grootste deel van Italië veroverd door de Lombarden, die, zoals Cunimund, zelf een barbaar, zei, "in postuur en geur veel lijken op de merries uit de vlakten van Sarmatië." De macht, luister en administratieve logica, die eens Rome vormden, waren dood.


Noten


1) Ter ondersteuning hiervan wijzen wij op het feit, dat de uiteindelijke strijd om de oppermacht in Italië zelf ging tussen Genseric, de Vandaal en Ricimer de Suebiër, een verhouding, die veel lijkt op de politieke tegenstelling in New York tussen Mr. O’Brien en Mr. La Guardia.
2) De hopeloze volledigheid van de verdwijning van ieder spoor van de oude beschaving en organisatie is levendig beschreven in het eerste hoofdstuk van "Le Moyen-Age" van Funck-Brentano.
3) Dit is nog helemaal toepasbaar op de huidige. De ervaring met de inkwartieringen van 1917 en de hygiënische verzorging van troepen te velde hebben op overtuigende wijze aangetoond, dat oorlog tegenwoordig, evenals vroeger, voor 75% een kwestie van ingenieurswerk en een hygiënisch probleem is en minder dan 25% een militair vraagstuk. Als zij in andere punten ongeveer gelijk staan, zal het leger zegevieren, dat de beste technische en hygiënische diensten heeft. Een verstandige generaal zal doen, wat de genieofficieren en de officieren van gezondheid hem laten doen. De enige reden, waarom dit in oorlogen niet helemaal duidelijk is, is dat de militaire geesten aan beide kanten te verheven zijn om op te merken, dat beide legers tegelijkertijd geïmmobiliseerd worden door dezelfde ziekten.
Daar komt nog bij, dat de geneeskunde nog een andere, niet rechtstreekse niet te verwaarlozen invloed op de oorlog heeft. Er lijkt weinig twijfel over te bestaan, dat een deel van de roekeloze moed van de Amerikaanse troepen in de oorlog van ‘14 werd aangewakkerd door het besef, dat vóór hen alleen de Duitsers waren, maar achter hen de verzamelde chirurgen van Amerika, met opgestroopte mouwen.

4) Het enige, waaraan eeuwen en wijzigingen in cultuur, godsdiensten en gewoonten niets hebben kunnen veranderen, is de biologische wet van de liefde.

5) Een aanwijzing voor het feit, dat er vaak ziekten in de kampen van de Romeinse legers voorkwamen, vindt men in Vegetius’ "De Re Militari", opgedragen aan Valentianus, omstreeks 375 na Christus. "Een leger moet geen bedorven water of water uit moerassen gebruiken; want het drinken van slecht water is als vergif en brengt ziekten onder hen, die het drinken." En, aan het slot van het hoofdstuk: "Als gedurende de zomer of de herfst een grote groep te lang op één plaats blijft, raakt het water bedorven en vanwege dat bederf is drinken ongezond, de lucht bederft en zo ontstaan dan boosaardige ziekten, die alleen kunnen worden tegengehouden door herhaaldelijk wisselen van kampplaats."

6) Bij Gregorius van Nyssa wordt van die epidemie melding gemaakt alsof zij plaats had tijdens het leven van Gregorius Thaumaturgus. Er komt ook een beschrijving voor in Patrologia Graeca, Gregorius III, waar de verschijnselen als volgt beschreven zijn: "Als iemand eenmaal door de ziekte wordt aangetast, breidt zij zich snel over zijn hele lichaam uit. Een brandende koorts en dorst dreven de mensen naar de bronnen en wellen, maar water baatte niet, als iemand eenmaal door de ziekte was getroffen. De ziekte was zeer dodelijk. Meer mensen stierven eraan dan dat zij haar overleefden, en er waren niet genoeg mensen over om de doden te begraven."

7) Cyprianus’ beschrijving in "De Mortalitate" luidt als volgt: "De ingewanden, verslapt door de aanhoudende buikloop, verteren de lichaamskracht. Een vuur, ontbrand in het merg, gist in wonden in de kaak (fauces). De ingewanden worden geschud door het voortdurende braken. De ogen zijn bloeddoorlopen. Soms worden de voeten of andere lichaamsdelen afgestoten, omdat de infectie ettering ("morbida putredo") veroorzaakt.

8) Als men lange cycli van de geschiedenis bestudeert, leert men, dat het oordeel over politieke, maatschappelijke en andere veranderingen in de bestemming van de mensheid gebaseerd moet worden op perioden van niet minder dan twee of drie eeuwen. Volgens onze eigen ervaring kunnen wij slechts een fractie overzien van de curve in de cyclus, waarvan wij deel uitmaken en kunnen niet helder in de toekomst kijken, tenzij wij geoefend en ook in staat zijn minstens twee- of driehonderd jaar in het verleden terug te blikken naar het begin van de curve. Beseffen Mr. Roosevelt en zijn "vertrouwelingen" dat wel?
9) Een veronderstelling van Schnurrer.

10) Beda Venerabilis, Opera Omnia, Giles Edition of 1843, Deel II, Boek 1, Hfdst. XIV en XV.

11) Een epidemisch voorkomende longontsteking, verwekt door de streptococcus haemolyticus, kwam in 1917 voor in een van de Amerikaanse legerkampen.

12) De Bello Persico, Hfdst. XXII.

Naar boven

Pagina 2

Home