Home

Reis van een Aardbewoner
naar Mars

Carl Ignaz Geiger 1756-1791

Pictoribus atque Poetis
Quodlibet audendi semper fuit
æqua potestas.


(Aan schilders en dichters is altijd de grootst mogelijke vrijheid toegekend
in het kiezen van hun onderwerp)


HORATIUS (Ad Pisones 9.)


Philadelphia (d.w.z.:Frankfurt am Main)


1790


Inspicere tamquam in speculum…….suadeo

(Kijk als in een spiegel…….raad ik aan)


TERENTIUS (Adelphi III, 3, 62.)


Inleiding bij deze vertaling


In 1790 verscheen in Frankfurt am Main, vanzelfsprekend anoniem, het boekje Reise eines Erdbewohners in den Mars, geschreven door de, niet ouder dan vijfendertig jaar geworden, kandidaat in de rechten en rondtrekkend schrijver Carl Ignaz Geiger, die onderweg, tegen betaling, voordroeg uit zijn werk. Van de oorspronkelijk editie van dit boekje bestaat nog maar één exemplaar, dat zich bevindt in de bibliotheek van de Universiteit van Michigan in Ann Arbor, maar inmiddels bestaat er een Duitstalige driedelige uitgave van zijn verzameld werk.


Geiger was een satiricus met een vlijmscherpe pen, die in de huid van de hoofdpersonen uit zijn boeken kruipt om ongestraft alle wantoestanden die hij om zich heen ziet aan de kaak te stellen. Vanaf de zijlijn beziet hij als een buitenstaander alle krankzinnigheden die voor zijn ogen opdoemen. In 1789 publiceert hij in Amsterdam zijn Reis van een Engelsman door een deel van Zwaben en de onbekendste streken van Zwitserland en in de fictieve mededeling van de uitgever vooraf, heeft hij het over een "zeldzame stoutmoedigheid en vrijmoedigheid" die uit het boek blijken. In 1783 had hij al een tirade geschreven tegen keizer Jozef II, die geldt als een van de verlichte despoten, naast Catharina II van Rusland en Frederik II van Pruisen, onder de titel, Aan Zijne Excellentie de Rooms-keizerlijke-koninklijke-apostolische Majesteit, Josef II, tiran der Duitsers, met wiens zogenaamde verlichting hij daarin genadeloos afrekent, waarna hij gearresteerd werd.


In navolging van Jean-Jacques Rousseau pleit Geiger in zijn werken en dus ook in onderstaand verhaal voor een terugkeer naar de eenvoud en leven volgens de natuur. Na de rampzalige bezoeken aan het door priesters, die "hun God opvreten en hun vorsten vermoorden," gedomineerde Papaguan,  en het door en door militaristische Plumplatsko, belandt hij in het arcadische Momoly, waar de mensen naakt rondlopen, "geen priesters, artsen, soldaten of koningen zijn" en peis en vree heersen.


Het is aandoenlijk om te zien hoe hij worstelt met de seksualiteit daar ter plekke en een heel ingewikkelde constructie moet bedenken om het geheel in redelijke banen te leiden. Zoals vanaf Plato alle utopisten geen raad hebben geweten met een steeds groeiende bevolking en uiteindelijk allemaal op een of andere manier hun toevlucht gezocht hebben in een positieve of negatieve eugenetica, omdat ze het libido als een natuurlijk instinct beschouwden, schrijft ook Geiger hier dat de voortplantingsdrift  "de heiligste drift is die God in de mens gelegd heeft." Meteen al op pag. 4 van zijn An Essay on the Principle of Population, enz. uit 1798 schrijft Thomas Robert Malthus: "de tweede veronderstelling luidt dat de passie tussen de seksen nodig is en zal blijven bestaan in nagenoeg de huidige vorm" en dat is niet gewoon een veronderstelling, maar een vooroordeel, waar hij de rest van zijn boek op baseert. Want als dat zo is, betekent dat onherroepelijk dat de ongebreidelde bevolkingsgroei een autonoom proces en overbevolking een vanzelfsprekend gevolg daarvan is, terwijl je alleen maar je gezond verstand (dus heel iets anders dan Darwin) hoeft te raadplegen (en naar jezelf en de kleine kinderen hoeft te kijken!) om te begrijpen dat dat zogenaamde instinct een cultuurartefact is. Ook Plato had daar al een vermoeden van als hij in het Symposion, in de rede van Aristophanes, de valkuil van Eros beschrijft, of het libido, zoals we dat tegenwoordig noemen. "Ooit was de menselijke natuur anders, want toen was de mens heel (zoals het kleine kind nog steeds heel is) en het was van een mannelijk/vrouwelijk geslacht" en dan beschrijft hij een schepsel met vier armen en benen en twee ruggen (maar eigenlijk had hij het kleine "hele" kind moeten beschrijven). En zij vielen de Goden aan en om een eind te maken aan hun opstand besloten de Goden hen in twee helften te snijden. En Zeus sneed de schepsels in tweeën "zoals men morellen doorsnijdt of eieren met een haar." "Maar nu," verhaalt Plato, "zijn wij verdeeld in twee helften vanwege onze onrechtvaardigheid." Zo werden we mannelijk en vrouwelijk, twee polen en iedere helft zoekt zijn wederhelft en samen zijn zij weer een. De Goden plantten Eros of het Libido, de hereniger, in de mensen en daardoor gedreven proberen de mensen van twee weer een te maken." 


Twee halve, in een mannelijk en vrouwelijk rolpatroon gepolariseerde, mensen trekken elkaar onweerstaanbaar aan en zijn dus slaaf van hun libido. Twee hele mensen zijn autonoom, onafhankelijk en tevreden (hoeven zich dan ook niet te bevredigen) en kunnen belangeloos van elkaar houden, omdat ze elkaar niet nodig hebben.


De vertaler


De Reis

Lange tijd sloeg ik vanuit een uitheems werelddeel met ergernis het kinderachtige spel gade, waarmee Europa zich, in onze zwetsende eeuw, bezighield met luchtballonnen en luchtschepen en lachte over de gewichtige houding die daarbij aangenomen en het geschreeuw dat daarover aangeheven werd, alsof het een nuttige en belangrijke uitvinding was, hoewel de zaak op zich niets meer of minder is dan wat de kinderen ons elke dag laten zien met hun zeepbellen en papieren vliegers, die hoog in de lucht vliegen, waar de wind ze naartoe drijft, alleen met dat verschil dat onze luchtschepen met bontgekleurde tafzijde bekleed en met sierlijke franjes afgezet zijn en daarin een Franse windbuil zit, die luchtig genoeg is om door de lucht gedragen te worden. Ik lachte nog harder toen ik daarover mijn boeken raadpleegde en in Sturmii colleg. curios. 3 vond, dat al in het jaar 1670 een jezuïet in China, Pater Lana, 1 en een zeker Pater Bartholomeo 2 in Spanje, de kunst om door de lucht te zeilen aan het licht gebracht hadden en dat de eerste zelfs een boek met de titel: Prodromo della arte maestra, over die kunst en over de inrichting van die machine uitgegeven had, waarin hij liet zien hoe men een schip in de lucht kon sturen en laveren, waarheen men maar wilde.


Opnieuw — zei ik — een uitvinding uit het verre verleden, die onze opschepperige eeuw voor haar eigen laat doorgaan en ook deze daartoe verminkt!


Intussen dacht ik na over de uitvinding van Pater Lana en broedde op manieren om haar uitvoerbaar te maken. Ik raadpleegde daarover andere geleerden en schreef zelfs geleerden uit verre landen aan en omdat het geluk mij voorzien had van aanzienlijke rijkdommen, bespaarde ik me geen kosten om mijn doel te bereiken. Het lukte ons. Mijn moed groeide daardoor. Maar het viel me in dat het ook niet onmogelijk moest zijn, om een reis buiten onze planeet te maken en besloot voor eens en altijd de poging te wagen. Bovendien had ik het idee dat, door de vele reizigers te land en te water en de reisbeschrijvingen, alles op onze planeet zo volledig uitgeput was dat er geen enkel ook maar handgroot plekje over was, waarover nog wat te zeggen viel, wat niet al honderdmaal op een satirische, moraliserende, politieke, historische, statistische, enz., enz., manier gezegd was.


Maar omdat het grootste probleem dat, naar men tot dan toe dacht, de reis naar een vreemde planeet onmogelijk maakte, bestaat in het feit dat wij, bij gebrek aan lucht, niet tot buiten onze atmosfeer omhoog kunnen stijgen, had ik, met hulp van mijn geleerden, een manier bedacht waardoor het schip van een zodanige voorraad lucht voorzien kon worden, dat we het daarmee gemakkelijk in de hogere regionen zouden kunnen uithouden.


Hoe dat gebeurde — en hoe dat schip, dat ik daartoe liet bouwen, eigenlijk geconstrueerd was: daarover zal ik geen afzonderlijk overzicht en ook geen uitgebreide beschrijving geven, om te voorkomen dat ik, zoals een bepaalde Duitse reisverslagschrijver, door de beschrijving van mijn vaartuig bijna de helft van mijn boek zou vullen.


Omdat ik ergens gelezen had dat in Pruisen een zeer geleerd man achter aan zijn koets een mijlenteller had laten aanbrengen, liet ik ook zo’n ding aan de staart van mijn luchtschip bevestigen en nadat een groot astroloog voor mij de bezienswaardigheden op de Maan en Venus in mijn opschrijfboekje genoteerd had, begaf ik mij met mijn oudste zoon, een paar vaardige natuurkundigen — die hier de luchtstuurlieden waren — en enige roeiknechten, in vertrouwen op God, moedig en met een gerust hart op reis, een reis die voor het publiek misschien ongelooflijk kan lijken, omdat die voor hen nog onbekend zal zijn, maar dat komt omdat wij in ons werelddeel minder openbare nieuwtjesverkondigers hebben dan in Europa en ik het niet met bolle wangen vanuit het schip — zoals de Europeanen vanuit hun luchtballon — voortijdig de wereld in wilde schreeuwen.


Volgens onze mijlenteller waren we ongeveer een Duitse mijl boven het aardoppervlak opgestegen, toen onze stuurlieden het nodig vonden van onze luchtvoorraad gebruik te maken. Dat deden ze zo voorzichtig en vaardig, dat we nauwelijks merkten dat we in een andere atmosfeer zweefden en ons schip zich met een bewonderenswaardige snelheid steeds verder en verder hemelwaarts verhief.


Helaas brak door een vergissing van een van onze roeiknechten de mijlenmeter af en kan ik daarom onmogelijk de lengtegraad van de ruimte, die we doorvoeren, bepalen. Ik weet alleen dat onze stuurlui zich al zorgen begonnen te maken over onze luchtvoorraad, toen we merkten dat zich een nieuwe luchtstreek voor ons opende, waardoor onze eigen voorraad overbodig werd. Kort daarop schreeuwden onze mensen: Land! Land! en ontwaarden wij met verbazing een soort terrein, zoals op onze planeet, dat zich steeds verder uitstrekte en ons ten slotte helemaal omgaf. Kortom, wij bevonden ons — op Mars!


Wij zagen nu wouden, rivieren, bergen en steden. Maar die laatsten waren heel anders dan die van ons, De huizen waren niet gebouwd van steen, maar van een veel lichter, maar even stevig materiaal, dat de bodem daar voortbrengt, zoals die van ons stenen. Wat ons daarbij vanuit de verte het meest opviel was dat we zagen dat verschillende huizen zich van hun plaats af bewogen en tamelijk snel voortrolden. Dat had met het volgende te maken: de huizen zijn klein en laag, zelden hoger dan één etage, langer dan breed en allemaal zo kunstig gebouwd op een soort rollen, dat ze vooral op een bodem zoals deze, die helemaal niet steenachtig is en zeer vlak — gemakkelijk van de ene naar de andere plaats bewogen kunnen worden. Vandaar dus dat de hooggeplaatsten vaak in hun huis niet alleen uit wandelen gaan, maar zelfs ook korte reizen maken, waarvoor een soort dieren gebruikt worden, die veel lijken op onze kamelen, maar niet hun hoge rug hebben. Deze dieren zijn buitengewoon sterk en snel. Met zijn tweeën trekken ze een gemiddeld huis gemakkelijk voort en lopen daarmee 12 tot 15 uur per dag. De belangrijkste en rijkste inwoners van het land laten vier, zes of acht van die dieren voor hun huis spannen, maar alleen de regent of, zoals hij in de landstaal heet, de Hoogmogende, rijdt daar — met vierentwintig! Gaat hij uit, dan wordt, volgens de zeden van het land, de hele weg die hij aflegt belegd met mensen, over de ruggen van wie hij voortschrijdt, een gebruik waarvan de huidige regent niet gediend is.


De beweeglijkheid van de huizen verschaft de inwoners het voordeel dat ze hun woonplaats naar believen gemakkelijk kunnen veranderen. Menig stad groeit daarom vaak plotseling uit tot de grootste van het land en is dan weer opeens de kleinste en op menige plaats, waar geen enkele hut stond, ziet men zodoende in een oogwenk steden ontstaan. Maar anderzijds is de zaak ook niet zonder ongemak. Het wordt namelijk als een schande beschouwd om ergens naartoe te gaan zonder huis, dat wil zeggen te voet, omdat dat gewoonlijk alleen door mensen gedaan wordt, die geen eigen huis bezitten, wat in Papaguan — zo heet dat land — nogal oneervol is.


Bij onze aankomst had zich meteen een zeer grote menigte om ons heen verzameld, die een zeer zichtbare ontsteltenis aan de dag legde over een zo wonderbaarlijk verschijnsel. Weldra zagen wij ons omringd door een enorme schare, waarvan velen ons betastten, bevoelden, ons schip onderzochten en met woorden, die we niet verstonden en vervolgens door tekens en gebaren, van ons inlichtingen probeerden te verkrijgen over ons en waar we vandaan kwamen.


De mare van het ongewone verschijnsel drong door tot de Hoogmogende. Hij stuurde een gezantschap naar ons toe en omdat hem verteld was dat wij een taal spraken die niemand verstond, was hij zo verstandig geweest om voor die taak drie van de geleerdste priesters uit te kiezen, die erom bekend stonden dat zij alleen elke taal verstonden, die buiten hen niemand verstond….


Toen ze op ons toe liepen week het volk eerbiedig uiteen en wij maakten daaruit het belang en de aard van hun komst op. We ontvingen hen dus met de grootste hoffelijkheid en eerbied en nadat ze ons in meerdere talen toegesproken hadden, die voor ons allemaal even onbegrijpelijk waren, slaagde een van hen erin zich verstaanbaar te maken met een mengelmoes, die grotendeels uit potjeslatijn bestond en op deze planeet, zoals we later merkten, tot de hoffelijke talen behoorde.


Hij legde ons de opdracht uit van zijn vorst en ik antwoordde hem dat we van een vreemde planeet kwamen en dat alleen het verlangen om onze kennis te vermeerderen ons hier naartoe gebracht had. — Hoe? wat? van een vreemde planeet — riepen ze allemaal verbijsterd: — is er dan nog een wereld buiten de onze? een planeet die bewoond wordt, buiten de onze? — Als bewijs voerde ik daartoe aan, dat we zelf bewoners van die vreemde planeet waren. Het kostte me alleen moeite ze te overtuigen van die waarheid en van de manier waarop wij hier gekomen waren. Waren ze al verbaasd over een vreemde bewoonde planeet, nu waren ze het niet minder over onze vindingrijkheid, moed en weetgierigheid, die ons tot deze doordachte, gevaarlijke onderneming hadden gebracht.


De voornaamste van hen nam ons mee naar zijn huis en verzocht ons daar te wachten, terwijl hij met de anderen vertrok om de Hoogmogende op de hoogte te stellen van wat hij gehoord had. Lang daarna kwam hij terug en vertelde ons dat de Hoogmogende ons morgen na het opstaan wilden spreken. Daarna was hij zo vriendelijk ons aan te bieden ons het merkwaardigste van het oord te laten zien. Wij namen zijn aanbod met dank aan en hij nam ons mee naar de tempel.


Het was een grote, ovaalvormige ruimte en rondom stonden offeraltaren. Wij vroegen aan wie hier geofferd werd?


Der Priester. Aan de Heer der heerscharen, het Wezen der wezens, de Schepper van hemel en aarde.


Wij. Wat offert u hem?


Priester. Zichzelf!


Wij stonden versteld. "U moet weten — sprak de man trots en vol vuur — dat wij, de priesters van deze God — over het vermogen beschikken om onze God, wanneer het ons belieft, uit de hemel naar beneden te laten komen." We schrokken!


Ik. Maar hoe offert u hem dan?


Hij. We eten hem op.


We keken elkaar aan en wisten niet of we over die krankzinnigheid moesten lachen, of woedend moesten worden over die aanmatiging. Kan dat dan? riepen we allemaal vol verbazing: is uw God dan een lichamelijk wezen?


Hij. Dat was hij ooit, toen hij in onze wereld kwam en wordt dat op ons bevel weer, telkens als wij hem offeren.


Ik. Dan is hij dus ook zichtbaar? en hoe vertoont hij zich dan?


Hij. Hij is noch zichtbaar, noch vertoont hij zich.


Ik. En toch eet u hem op? en toch is hij op dat ogenblik een lichamelijk wezen? Staat u ons toe te vragen, hoe dat met elkaar te rijmen valt en hoe u weet dat u iets eet, dat niet zichtbaar is en zich aan geen enkel van uw zintuigen vertoont?


Hij, met een plechtige hoffelijkheid. Mijne heren! Dat zijn de heilige geheimen van onze godsdienst, waaraan niemand mag twijfelen, als hij zich Gods wraak niet op de hals wil halen. De godsdienst beveelt te geloven — en dat is een voldoende reden, waartegen het verstand niet in opstand mag komen.


Ik. Verricht u dat offer vaker per jaar? en wat zijn die feesten?


Hij. Ieder van ons en overal, tot zover onze heilige godsdienst reikt, verricht het gewoonlijk elke dag eenmaal.


Ik, stomverbaasd. Elke dag eenmaal! Uw God moet dus zijn lichamelijk wezen elk ogenblik meer dan duizend maal vermenigvuldigen om, gehoorgevend aan uw bevel, op meer dan duizend plaatsen tegelijkertijd neder te dalen? Hoe is dat mogelijk?


Hij. Dat is juist het grote wonder, het onbegrijpelijke geheim van onze heilige godsdienst.


Ik. Ik moet in ieder geval toegeven dat uw God buitengewoon vriendelijk en welwillend is — Maar u zei net ook dat hij ooit in uw wereld in levende lijve rondgelopen heeft. Heeft iemand van u hem gekend?


Hij. God bewaar me! Er zijn sindsdien meer dan vijfhonderd jaar 4 verstreken: zo oud wordt bij ons niemand.


Ik. Hoe weet u het dan?


Hij. Verschillende van zijn vrienden, die tegelijkertijd met hem leefden, hebben voor ons de getuigenissen daarvan nagelaten in een groot boek, waarin ze zijn daden en toespraken hier beneden opgetekend hebben en het geringste daarvan betwijfelen zou een zonde zijn — in een boek, waarvan het aanzien en de geloofwaardigheid goddelijk, dat wil zeggen, onfeilbaar zijn en alleen wij hebben van God de macht gekregen om, in twijfelgevallen, uitleg te geven.


Ik. Alle eerbied voor dit boek, dat vrienden geschreven hebben — en priesters uitleggen — Maar hoe is uw God dan in uw wereld gekomen?


Hij. Hij werd uit een maagd uit het gewone volk geboren, die beweerde dat hij niet door een man, maar door de kracht des hemels in haar verwekt was en dat een engel in de avondschemering het haar voorzegd had, waarop ze hem meteen ontvangen heeft en ook nog zonder aantasting van haar maagdelijkheid en even onaangetast heeft zij hem gebaard!


Ik. Vreemd! dus niet langs de natuurlijke weg?


Hij. Hoe anders?


Misschien, dacht ik, is het vrouwelijk geslacht hier anders geschapen dan bij ons. Omdat ik mijn nieuwsgierigheid daarover niet meteen wilde uiten, vroeg ik dat langs een omweg.


Ik. Maar wees zo vriendelijk ons te vertellen hoe wij dat moeten opvatten: door de kracht des hemels ontvangen en zonder aantasting van de maagdelijkheid baren?


Hij, met een zenuwtrekje van aandacht. Dat is dus weer het heilige, ondoorgrondelijke geheim, waarvoor wij met ons zwakke verstand diep moeten buigen.


Ik. Maar hoe wisten ze dan dat alles wat die gewone vrouw zei, zo strikt waar was? Is bijvoorbeeld de verschijning van de engel door getuigen gezien en gehoord — is de maagdelijkheid na de geboorte onderzocht?


Hij, opgewonden en met rollende ogen. God bewaar me! wat denkt u? Maar de Heer moge uw onwetendheid vergeven: anders zou u ernstig verantwoording moeten afleggen over het schandelijk wantrouwen en de oneerbiedigheid, die u toont ten opzichte van zijn goddelijke moeder.


Ik verontschuldigde mij met mijn argeloze bedoeling en mijn onwetendheid en ging verder: Wat deed God dan in uw wereld? en wat bewoog hem om op een zo vreemde manier op te treden?


Hij. Het zielenheil van alle mensen!


Ik. Dan verbaast het me dat hij niet ook op onze planeet gekomen is, want wij zijn ook mensen. Maar ik verzoek u mij dat wat meer te verduidelijken.


Hij, terwijl hij de wenkbrauwen hoog optrok en een vrome blik ten hemel richtte. God was vanwege de zonde van één mens, de stamvader, zo vertoornd op het hele nageslacht, dat hij dreigde het voor eeuwig te verdoemen.


Ik. Vreselijk! is God dan niet rechtvaardig en barmhartig?


Hij. Wie betwijfelt dat?


Ik. En kon hij dan zo wraakzuchtig zijn tegen een heel onschuldig nageslacht, dat aan de zwakheid van zijn stamvader helemaal niets kon doen?


Hij, ernstig en met een verbeten woede. De raadsbesluiten Gods, mijn heer! zijn ondoorgrondelijk en het past ons kortzichtige mensen niet daarover te oordelen. — Kortom, de zoon van God nam het daarom over….


Ik. Hebt u dan meerdere Goden?


Hij. Helemaal niet; ze zijn één.


Ik. Maar de vader kan onmogelijk de zoon en de zoon onmogelijk de vader zijn!


Er. Dat zijn weer de geheimen van onze heilige godsdienst, die het zwakke mensenverstand niet kan doorgronden. De zoon Gods, zeg ik, nam het dus over om de Vader te verzoenen.


Ik. Dat was aardig van uw zoon Gods. Maar waarom kwam hij daarvoor in uw wereld? Was de vader, die hij wilde verzoenen, dan niet in de hemel?


Hij. Ja, dat was hij. Maar de verzoening moest hier beneden volbracht worden en wel — zo was het door God besloten — door de gruwelijke dood van zijn zoon!


Wij allemaal verbijsterd. Hoe? Wat?


Er. Niets anders! En ondanks dat alles — zo groot is dus de toorn van de beledigde God — zou hij ons toch allemaal voor eeuwig verdoemen, als men ons niet na onze geboorte ons hoofd, onder bepaalde ceremonies, met water zou wassen, waardoor de schuld van de zonde helemaal van ons afgespoeld wordt.


Wij, buiten onszelf. Hoezo? Uw God kon dus de dood van zijn zoon willen — om voor een onschuldig geslacht verzoend te worden? wilde dat geslacht voor eeuwig verdoemen, als zijn zoon niet de gruwelijkste dood daarvoor stierf? was daarmee nog niet tevreden, als men niet ieder hoofd na de geboorte met water waste? — En u kunt dat zeggen en niet begrijpen dat u de grofste en smakelooste leugen spreekt en hem tot de eigenzinnigste en kwaadaardigste tiran maakt? Want wie anders dan een tiran kan de dood van zijn zoon als offer verlangen, om zijn wraak tegen arme, onschuldige mensen te bevredigen? Wie anders dan een tiran kan met een zodanige wraakzucht een geheel onschuldig nageslacht vervolgen voor het vergrijp van een enkeling, waaraan het geen schuld heeft??


We hadden in het vuur over de al te grove beledigingen van het gezond verstand niet gemerkt dat onze man, tijdens onze uitspraken, in een soort krampachtige beweging raakte. Zijn spieren zwollen, zijn gezicht was opgeblazen en zijn ogen schoten vuur en rolden vreselijk. Hij brieste van woede, rende snuivend naar de deur en riep tot het volk dat zich, om ons te zien, verzameld had: "Ketters! Tempelschenders! Godslasteraars! grijp ze! gooi ze eruit! stenig ze!"


Met wild getier drong het volk hierop, als een wassende stroom, de kerk binnen, greep ons en sleepte ons, op bevel van de priester, met zich mee. De samenscholing was onthutsend. We werden mishandeld, er werd met stenen naar ons gegooid en hierdoor begeleid naar een toren gebracht, waarin ze ons, diep onder de grond, in stinkende en vochtige gewelven opsloten.


Hier hadden we dus de tijd om na te denken over wat er was voorgevallen. In alles wat de priester ons verteld had, zagen we niets anders dan de grofste tegenstrijdigheden en lompste onzin, wat hij allemaal onder de naam godsdienstgeheimen verhulde. We konden daarom niet begrijpen, hoe men al die spinsels van een krankzinnig brein als zo heilig en eerbiedwaardig kon zien, dat men vreemdelingen, die dat niet zo zagen, met deze razernij en wreedheid kon bejegenen en onze conclusie was dat we in het land der krankzinnigen waren beland.


In onze verschrikkelijke verblijfplaats leek de nacht ons een eeuwigheid. In bange verwachting brachten wij die slapeloos door. Honderd maal vervloekten we de heilloze gedachte om naar een vreemde planeet te reizen. Eindelijk brak de morgen aan en werden we opgehaald en naar de residentie van de Hoogmogende gebracht, omdat hij uitdrukkelijk verlangd had zelf bij het onderzoek aanwezig te zijn.


Hier werden we in een grote zaal gebracht. Een grote schare priesters zat daarin bijeen rond een tafel, aan het hoofd waarvan de Hoogmogende zat. De priester die ons had laten oppakken, diende de aanklacht tegen ons in, in de taal die hij met ons gesproken had. Hij beschuldigde ons ervan dat we God geloochend en belasterd hadden met de afschuwelijkste uitspraken, die hij niet durfde te herhalen. Hij zei dat we afgezanten waren van de duivel, die door duivelse krachten hier gekomen waren, om duivels vergif te verspreiden en besloot met de uitspraak dat we allemaal schuldig waren en onbarmhartig verbrand dienden te worden! dat was het enige offer waardoor de vertoornde God voor zijn belasterde majesteit en ontheiligde tempel tot bedaren gebracht kon worden. Hij dreigde met de verschrikkelijkste straffen, als dat niet zou gebeuren. Verhit stemden alle anderen met hem in en bezwoeren dat wij de vlammen verdienden!


Bij deze woorden beefde ik over mijn hele lichaam en het had maar weinig gescheeld of ik was in zwijm gevallen. Ik zag ons allemaal al in de felle vlammen, toen de Hoogmogende zijn stem verhief: "Het is billijk, mijne heren! dat wij deze vreemdelingen aanhoren, voordat we ze verdoemen." Hij gebood ons toen te vertellen wie we waren en waar we vandaan kwamen, en hoe en waarom we hier naartoe waren gekomen.


Ik kreeg daardoor weer wat moed en begon met mijn toespraak, waarin ik vertelde dat we vooraanstaande mannen uit een gegoede klasse waren, afkomstig van een planeet, die de aarde genoemd werd; dat we de eersten waren die in onze wereld de ontdekking gedaan en in het werk gesteld hadden, om naar een vreemde planeet te kunnen reizen; ik legde hem de uitvinding zo goed mogelijk uit en zei dat het verlangen ontdekkingen te doen en nieuwe nuttige kennis voor onszelf, ons vaderland en onze nakomelingen te verzamelen, voor ons de aanleiding was geweest om van deze uitvinding gebruik te maken. Ik kwam nu op het omstreden onderwerp en vertelde hem wat de priester ons gezegd had: dat de lieden van zijn slag de macht hadden om God te bezweren uit de hemel af te dalen, dat ze God zelf aan hun God offerden en — hem opaten, zonder dat hij zich ook maar op enige manier aan hen vertoont; dat hij de zoon van een vrouw is, die van hem, zonder toedoen van een man, door een hemelse kracht, zwanger geworden is; dat hij op die manier in de wereld gekomen is om zijn hemelse vader — die toch één is met de zoon — te verzoenen met de onschuldige mensheid hier beneden, voor de zonde van de stamvader; dat de hemelse vader zich niet op een andere manier tot bedaren had willen laten brengen, dan door zijn zoon voor dit geslacht de gruwelijkste dood te laten sterven; dat de toorn van de vaderlijke God desondanks zo groot was, dat ook deze dood de onschuldige mensheid niet kon redden, als niet bij iedereen na zijn geboorte het hoofd, onder bepaalde ceremonies, met water afgewassen werd; dat wij dat allemaal als onwaar, nadelig voor de Godheid en godslasterlijk gehouden hadden en dat verklaard hadden; dat wij veel te verheven en eerbiedige ideeën over God hadden, om te erkennen dat hij in staat was tot een zo kwaadaardige eigenzinnigheid en wraak, zoals wij dat in onze onwetendheid gezien hadden, tegen een geheel onschuldig geslacht en zijn eigen zoon; maar dat we zeer gaarne bereid waren onze mening te herroepen, als dat wat de priester ons verteld had, werkelijk waar was; dat wij ons niet verplicht gevoeld hadden dingen die bij ons zo regelrecht tegen het verstand indruisen, op het woord van iemand anders te geloven; dat men ons overigens onze onwetendheid, die daar bijkwam, als vreemdeling niet kwalijk moest nemen; dat we zoiets niet gezegd zouden hebben, als we voldoende op de hoogte gebracht waren van de waarheid van het tegenovergestelde; redenen waarom ik de Hoogmogende en de priesters zeer dringend om vergeving smeekte.


Nu ontstond onder de priesters een luid gemompel, gepaard met woedende, op ons gerichte blikken. Maar de Hoogmogende nam het woord en sprak: "Deze vreemdelingen zijn onschuldig! Wat ze gezegd hebben, zeiden ze uit onwetendheid en onwetendheid kan niet zondigen. U bent vrij — sprak hij tot ons — maar hoed u ervoor om verder ook maar het geringste onderwerp aangaande onze godsdienst aan te snijden."


Wat heerlijk klonk dat in onze oren! Maar de vorst had dat nog nauwelijks uitgesproken of alle priesters sprongen tegelijkertijd op. Ze riepen hun God aan als wreker van onze misdaden, vervloekten ons en dreigden het land en de vorst die dergelijke booswichten beschermde, met Gods vreselijkste straffen. En in een oogwenk verlieten ze allemaal de zaal, mengden zich onder het verzamelde volk, strooiden de vonken van het oproer onder hen uit en vuurden ze aan ons te offeren voor hun God en heilige godsdienst, als ze niet wilden dat God het hele land zou tuchtigen, waarin een dergelijke goddeloosheid ongestraft bedreven kon worden.


Meteen vlamde onder het al gistende volk de felle vlam van het oproer op. Met een woest en angstaanjagend geschreeuw eisten ze dat de vorst ons over zou leveren aan hun wraak. Die had nog maar net het kabaal gehoord, toen hij meteen het bevel gaf ons, als verblijfplaats, naar een paar veilig gelegen vertrekken in zijn slot te brengen, waar we intussen op ons gemak konden verblijven en met alle benodigdheden voorzien zouden worden. "Het is een soort schadeloosstelling," voegde deze voortreffelijke vorst daaraan toe, "die ik u denk schuldig te zijn voor het in mijn land geleden onrecht en voor uw grote, roemrijke uitvinding. Ik hoop dat u me niet meteen de gelegenheid zult ontnemen, u te tonen dat ik ook verdiensten van vreemdelingen naar waarde weet te schatten." Tegelijkertijd gaf hij een van zijn kruiperige hovelingen het bevel het volk op de hoogte te stellen van de ware aard van de zaak en, als het niet tot bedaren zou komen, de leiders van het oproer op te pakken en in de diepste kerkers te laten werpen. "Goede God!" voegde hij daaraan toe, "dit zou de ergste en gevaarlijkste zaak zijn, die de priesters mij in mijn land hebben aangedaan." Met een geroerd hart en uitingen van de innigste dankbaarheid en eerbied, namen we afscheid, terwijl wij hem tegelijkertijd smeekten maatregelente treffen voor de veiligheid van ons luchtschip en de roeiknechten, wat hij ons op de vriendelijkste manier verzekerde en zich daar ook aan hield.


Intussen werden wij in onze kamers onthaald op het prachtigste en beste. De smakelijke spijzen en kostelijke dranken, waarmee we bediend werden, zijn allemaal ver te verkiezen 5 boven wat ik op aarde ooit genoten heb. We lieten het ons voor de rest van de dag zo goed smaken, dat we het gevaar, dat ons bedreigde, helemaal vergaten. Ter geruststelling liet de vorst ons ook weten dat we niets meer te vrezen hadden en dat het onweer al helemaal overgedreven was.


Ik zou hier misschien een beschrijving moeten geven van de vertrekken en bedden, elk afzonderlijk meubelstuk, de mode en opsmuk, en het onderscheid en de overeenkomst moeten aangeven, tussen deze en die van ons en tussen deze en onze planeet; maar omdat ik niet schrijf voor onze luxe hedendaagse marionetten, van het mannelijk of vrouwelijk geslacht, maar voor denkers en ik een grondige hekel heb aan al die troep, zal men dat hier tevergeefs zoeken en zal zo iemand, of iemand die denkt hier zoiets te vinden, mijn boekje dan ook vol ergernis uit zijn handen laten vallen en ratelen: "Voilà, qui manque de bon sens!" —


Maar terug naar de zaak. De volgende morgen kwam er een bediende, die ons in naam van de Hoogmogende uitnodigde voor het middagmaal. We verschenen daar en troffen een groot gezelschap aan van edelen, die deels gedreven door nieuwsgierigheid uit de buurt kwamen en deels door de Hoogmogende uitgenodigd waren. De tafel was bescheiden en smaakvol, maar niet luxueus of overvloedig gedekt.


In onze ogen was het opmerkelijkste dat de gerechten niet opgediend werden, maar dat de tafel — volgens de gewoonte daar — door veerkracht met gerechten en al uit de vloer omhoog kwam en zo ook weer naar beneden zonk, terwijl de tweede lading opsteeg, enz. Daardoor was men bevrijd van de zo vaak hinderlijke aanwezigheid van de bedienden, die zodoende maar zelden af en aan liepen. Het mooiste sieraad van de dis was een gezegend en beminnelijk gezin — tien kinderen, zonen en dochters, allemaal fleurig en mooi en een even mooie, voortreffelijke moeder!


Het hele gezelschap behandelde ons als hun gelijken en alsof we al lang bij hen waren en bij hen hoorden. Die ijzige stijfheid die aan de Europese hoven heerst, leek hier helemaal onbekend te zijn. Zelfs de bedienden werden niet, volgens Europese zeden, gedrild als afgerichte honden. Men sprak vriendelijk en zachtzinnig tegen hen; ze namen zelfs deel aan de gesprekken van het gezelschap en wat van hen verlangd werd, werd op een vragende toon gedaan, in plaats van op de barse en bevelende toon van de Europeanen. Ik moest veel vertellen over onze zeden en gewoonten en ze vermaakten zich kostelijk over onze zogenaamde hofetiquette en de stijve plechtstatigheid aan onze hoven.


Toen we opgestaan waren van tafel en de gasten zich al verwijderd hadden, betuigden wij de vorst onze dank voor zijn gastvrijheid en zeiden dat wij het als misbruik van zijn welwillendheid zagen als we langer bleven en dat we nog wat verder op de planeet wilden rondkijken. "Dat gaat zomaar niet," viel hij ons in de rede: "ik hoop maar — vervolgde hij glimlachend — dat mijn priesters u niet zo bang gemaakt hebben, dat u niet langer in mijn land wilt blijven. Vergeet wat er gebeurd is. Ikzelf moet mij van dat slag lieden in mijn land heel veel laten welgevallen. Weest u ervan verzekerd dat het vreselijke geweld dat men u aangedaan heeft, zonder twijfel al streng gestraft is. Ik ben de vorst, maar deze lieden hebben meer macht over mijn onderdanen dan ik. Ze sluipen overal rond in de huizen, slagen erin de harten te winnen door de schijn van godsdienstigheid, vroomheid, deemoed en zachtmoedigheid, maar niemand is minder godsdienstig, vroom, deemoedig en zachtmoedig dan zij. Ze leren het volk bezit hier beneden te verachten, laten het geloven dat alleen het gebed zegen en overvloed biedt en eigenen zich een bijzondere kracht bij het bidden toe. God stellen ze voor als een eigenzinnige tiran, die tijdelijke vergrijpen bestraft met eeuwige, gruwelijke folteringen en ze beweren dat alleen zij het vermogen hebben hem te temmen; ze geven voor dat ze de macht hebben om de mens zijn zonden te vergeven en beloven hem de hemel, of dreigen met de hel, al naar gelang het hen uitkomt. Ze leren het volk allerlei bijgelovigheden en schrijven zichzelf de macht toe allerlei kwalen door bovennatuurlijke krachten te kunnen verdrijven. Voor al dat bedrog weten ze bepaalde passages aan te voeren uit een boek, dat ze laten doorgaan voor goddelijk en onfeilbaar en dat zij alleen kunnen uitleggen, omdat zij zich daarvoor Gods macht aanmeten. Het arme, misleide volk stelt daarom al zijn vertrouwen in hen, vecht met bloed en leven voor hun aanzien en leer, gelooft door de gebeden van de priesters alles te kunnen krijgen en schenkt hen gaarne de laatste stuiver, zodat ze daarvoor bidden en hen, door hun bovennatuurlijke kracht, van deze of gene kwaal kunnen afhelpen; want u moet weten mijne heren! dat deze lieden zich voor hun gebed rijkelijk laten betalen en voor geld hun God aan het altaar offeren en opeten. Zo geschiedt het dus dat het volk uitermate dom en arm is, terwijl deze bedriegers met hun eerbiedwaardig aanzien, in rijkdom en weelde zwelgen, zich als ongedierte vermeerderen en de goederen van mijn land in ledigheid verteren. En wee de man die hun bedrog zou willen onthullen! Ze noemen hem een ketter, een ongelovige, een godloochenaar; want ze verwarren hun eigen aanzien steeds met dat van God en de godsdienst en slagen erin, door hun grote invloed op het volk, zo iemand overal zodanig zwart te maken, dat hij weldra een doelwit van algemene haat en vervolging wordt en niet zelden zijn leven eindigt op het schavot of in de kerker. Van dat laatste heeft u bijna zelf een akelig bewijs geleverd."


Tijdens deze beschrijving liepen de koude rillingen me over het hele lijf en mijn voornemen om dit land spoedig te verlaten werd daardoor alleen maar bevestigd. Ik maakte het kenbaar aan de Hoogmogende onder het voorwendsel dat we niet langer van huis konden blijven. Als uwe Hoogmogendheid — voegde ik daaraan toe — ons nog een gunst zou willen bewijzen, dan verzoeken wij u ons aanbevelingsbrieven voor andere hoven mee te geven. "Wel!," — zei de vorst met een blik en op een toon die uiting gaven aan zijn hele goedhartigheid — "als u me dan toch wilt verlaten, dan raad ik u aan naar Momoly te reizen; het is het merkwaardigste gedeelte van onze wereld — en u zult onderweg nog een paar koninkrijken zien, Plumplatsko en Biribi, waar uw reis doorheen leidt en waarvoor ik u aanbevelingen mee zal geven. Maar," ging hij verder, "hoe denkt u die reis te maken? Als u met het luchtschip reist, kunt u die oorden, die u wilt bezoeken, gemakkelijk missen."


Nu had men daar, behalve de hierboven beschreven manier om te reizen, nog een andere, die daarin bestond dat men een soort, speciaal daarvoor gebouwde, bak had, waarin meerdere mensen konden zitten en door een paar van bovenvermelde dieren gedragen werd. We sloten dus met ons luchtschip zo ver te reizen als we wilden, het schip onder het gebruikelijk toezicht van onze roeiknechten daar achter te laten en onze reis op die manier voort te zetten. "Maar komende dag," zei de vriendelijke vorst, "moet u mij nog schenken," en wij stemden daar met genoegen mee in.


Onder deze en dergelijke gesprekken, die allemaal getuigden van het goedaardige en edele hart en het heldere verstand van deze voortreffelijke vorst, verliepen de dag en avond voor ons zo aangenaam, dat ik me niet kan herinneren dat in mijn leven ooit meegemaakt te hebben. O! het is zoiets groots en hartverheffends om te zien hoe een vorstelijk ziel zich openstelt, die de werkelijke waarde en adeldom van een vorst in zich draagt!


De volgende dag gingen de vorst en zijn gezin met ons mee naar ons schip, om het in ogenschouw te nemen en ze verbaasden zich zeer over de bijzondere machine en de manier waarop die was ingericht. Ze verheugden zich er zelfs zeer op om het de volgende dag bij ons vertrek te zien opstijgen. De vorst en zijn zoon hadden er zin in om zelf mee te reizen, maar dat werd door de bezorgde vorstin uitdrukkelijk verboden.


Diezelfde middag gebruikte we weer de maaltijd aan de tafel van de vorst. Nauwelijks waren we klaar met eten of de vorst klaagde over een buitengewone misselijkheid en snijdende pijn in zijn onderbuik. Het duurde niet lang of ik en mijn drie reisgenoten — de roeiknechten werden bij de bedienden verzorgd — ondervonden hetzelfde, hoewel in mindere mate. De pijn van de vorst nam plotseling zo sterk toe, dat hij naar bed gebracht moest worden. Nauwelijks lag hij daar of hij verviel in heftige krampen, die steeds meer toenamen en ons uitermate voor zijn leven deden vrezen. We vergaten haast onze eigen pijn door die van hem en de schokkende aanblik van de manier waarop moeder en kinderen om het bed heen stonden te wenen en te jammeren!


Intussen werd de arts erbij gehaald die verklaarde dat wij — vergiftigd waren! De vorstin viel bij die woorden in zwijm in een armstoel — handenwringend stonden de kinderen te huilen!


Het was een aanblik die stenen had kunnen bewegen. Alleen de vorst was kalm. Hij beval eerst zijn gemalin te hulp te snellen en sprak zijn kinderen moed en troost in. "Ik weet wie die streek geleverd heeft," zei hij. Deze woorden en wat hij ons gisteren over de kwaadaardigheid van de priesters gezegd had, waren voor ons als bliksemschichten in de nacht en de gedachte dat wij de, zij het ongewilde, oorzaak van het ongeluk van de vorst waren, kwelde ons meer dan alle pijn.


De vorstin kwam weldra weer bij en de arts diende haar tegengif, zoals hij dat noemde, toe, maar wij namen van de middelen die wij als eenvoudige medicijnvoorraad bij ons hadden, dronken daar flink wat warm water bij en begaven ons, terwijl wij ons heel beroerd voelden, ter ruste. Kort daarop moesten we vreselijk braken. Dat duurde ongeveer een uur aan één stuk door, waarna we ons tamelijk opgelucht, maar tegelijkertijd zeer verzwakt voelden, reden waarom wij enige maagversterkingen innamen, die ons weldra weer nieuwe krachten gaven. Wij informeerden naar de vorst. Maar tot onze grote schrik hoorden we dat het met hem steeds slechter ging en elke hoop op redding waarschijnlijk verloren was. De oorzaak van de verschillende werking, die het vergif op het lichaam van de vorst en dat van ons uitoefende, was, naast de kwakzalverij van de arts, misschien ook de andere verhouding waarin onze natuur met de natuur van deze planeet stond.


Omdat wij buiten gevaar waren en onszelf weer sterk genoeg achtten, gingen we de vorst bezoeken. Hij herkenden ons amper meer, maar reikte ons toch de hand: "door mijn einde," zei hij, "bevestig ik de waarheid van wat ik u gisteren gezegd heb over onze priesters — ik ben niet de enige die door hen terechtgesteld is. Maar Godzijdank! dat u het gevaar ontkomen bent. Laat dit voorbeeld als waarschuwing dienen en wees voorzichtig met die heilige booswichten."


We waren met hem alleen toen hij dat zei. De vorstin en de kinderen hadden zich teruggetrokken in hun vertrekken, om hem zijn onbedwingbare pijnen de vrije loop te kunnen laten gaan. Alleen de oudste prins was aanwezig. "Beloof me," sprak de vorst tot hem, "mijn dood op niemand te wreken, noch iemand anders die te laten wreken en geef mij je hand daarop." De zoon viel zwijgend neer aan de voeten van zijn vader, greep diens hand en vergoot tranen met tuiten. "Mijn brieven aan mijn vrienden," vervolgde hij tegen ons, "liggen voor u klaar in mijn kabinet. Breng hen tegelijkertijd het laatste vaarwel van hun stervende vriend. Het ga u goed en gedenk ook nog op uw planeet een ongelukkige vorst daarboven, die een gelukkiger lot verdiend heeft."


Wij konden niet spreken van verdriet, kusten zijn handen en huilden. Ik probeerde enige woorden van dank en eerbied te stamelen, maar ze bleven in mijn keel steken. De vorst zag onze liefde voor hem en ons innig en waarachtig verdriet; hij drukte ons de hand — "Godzijdank!" zei hij, "dat ik nog vóór mijn einde vrienden heb gevonden. De vorsten van onze wereld hebben geen vrienden!"


Hij had het nauwelijks uitgesproken toen zijn schenker onstuimig binnenstormde en zich voor hem op de knieën wierp. "Vergeef me! Vergeef me! Vorst! Vader! Vergeef de moordenaar — en straf me daarna — de vreselijkste straf — maar vergeef me!" Zo riep hij snikkend en strekte smekend zijn handen omhoog. "Wie dan?" vroeg de vorst. "Ik! ik! ik ben de laaghartige, de booswicht, de gifmenger! Wee mij! de priesters hebben me bedrogen, hebben tegen me gezegd dat ik een goede daad zou doen, hebben mij daarvoor kwijtschelding van al mijn zonden 6 beloofd en de eeuwige zaligheid, hebben me gedreigd met de hel, als ik het niet zou doen — Wee mij! Ik voel dat ik kwaad gedaan heb — de hel brandt al in mijn borst!"


De toch al uitermate zwakke vorst werd daardoor hevig aangegrepen. "Ongelukkige!" sprak hij mat, "ga, verlaat mijn land, want anders zullen ze je grijpen en je om het leven brengen; en wat zou het mij baten, als behalve ik nog iemand zou omkomen." Daarop pakte hij geld en gaf het hem met de woorden: "Maak dat je wegkomt."


De ongelukkige rukte zich de haren uit; "Nee," riep hij, "sterven, ik wil de vreselijkste dood sterven, ik booswicht! O! ik heb de beste vorst vermoord! onze vriend! onze vader! en hij — vergeeft me, geeft me een geschenk!" Het snikken verstikte zijn woorden; als een worm kronkelde hij op de vloer en rukte handenvol haar uit zijn hoofd. Men moest hem wegbrengen. De verschrikkelijke scene was te heftig voor het goede hart van de totaal verzwakte vorst.


Nu kon hij helemaal niet meer praten; de krampen werden sterker, zijn ogen braken, nog eenmaal strekte hij zijn hand uit, alsof hij nog voor het laatst afscheid wilde nemen en — stierf!


Ik ben niet in staat het gejammer van de vorstin en de kinderen te schetsen. Ons hart bloedde. Wij konden ons niet genoeg meer haasten om weg te komen uit dit land, waar wij geloofden dat ons leven en vrijheid geen ogenblik meer veilig waren.


Geheel in het geheim troffen we daarom, nog voor het aanbreken van de dag, voorbereidingen voor ons vertrek, staken onze aanbevelingsbrieven bij ons en nadat we met tranen van verdriet afscheid hadden genomen van de vorstelijke familie — die ons met geschenken overlaadde — en de dode, de eeuwig waardige vorst de handen gekust hadden, begaven we ons bij het aanbrekende daglicht naar het schip, stegen omhoog en ontvluchtten voorspoedig deze afgrijselijke streken, waar de priesters hun God opvreten en hun vorsten vermoorden!!................


We hadden ons behoedzaam op de hoogte gesteld in welke richting we moesten koersen en volgde die route stipt. Toen we ongeveer een halve dag, met een tamelijk gunstige wind, door de lucht gezeild hadden, zagen we onder ons een grote stad liggen. Op ongeveer een halve mijl afstand daarvan streken we neer en liepen te voet naar de stad toe.


Bij de ingang van de stad werden we meteen aangehouden door een man, die een driekleurige uniformjas droeg en ons vroeg, waar we vandaan kwamen en of we een pas bij ons hadden. Toen we dat laatste met nee beantwoordden, vroeg hij verder wie we waren. Aardburgers, zeiden wij. "Waar ligt dat land?" vervolgde hij. Het ligt in een andere wereld, antwoordden wij, die aarde genoemd wordt: "Ik zal jullie een toontje lager laten zingen," schreeuwde de driekleurige man, "Bewakers aantreden!" Meteen doken er meerdere van zijn slag op, allemaal bewapend en omringden ons, "Arresteer die kerels," riep hij, "tot nadere orde! het zijn verdachte schurken."


Omstuwd door een grote menigte werden naar een groot gebouw gebracht, waar we ontvangen werden door iemand, die ons meteen een duister hol als verblijfplaats aanwees. Maar voordat hij ons achterliet, doorzocht hij bij iedereen de zakken en nam al onze papieren in beslag, waaronder ook onze aanbevelingsbrieven. Hij bekeek ze. "Wat?" riep hij, "die lui hebben zelfs brieven bij zich die gericht zijn aan onze Hoogmogende." Daarna vroegen we waar we waren en kwamen te weten dat we ons in Wirra bevonden, de hoofdstad van het koninkrijk Plumplatsko, dat juist de stad was, waarvoor wij aanbevelingen hadden.


Intussen nam men onze brieven mee en sloot ons hier op. "Vervloekt en verdoemd," riep ik, "die reis naar Mars! In Papaguan vielen we in handen van priesters — hier waarschijnlijk in handen van soldaten. God mag weten, wat erger is! Beide klassen schijnen hier een soort alleenheerschappij uit te oefenen."


Een hele nacht moesten we haast even ellendig doorbrengen, als die in Papaguan, toen we de volgende morgen opgehaald en naar een speciale kamer in het gebouw gebracht werden, waar enkele officieren aanwezig waren, die ons te kennen gaven dat we als verdachten, die geen pas bij zich hadden, of krijgsdienst moesten nemen, of dat ieder vijftig stokslagen in het openbare schandblok toegediend zou worden. Vergeefs beriepen we ons op onze aanbevelingsbrieven. Men gebood ons te zwijgen en dreigde ons met stokslagen als we nog één woord zouden spreken. 7


Hierna liet men ons weer naar ons arrestantenverblijf terugbrengen nadat ons te kennen was gegeven dat morgen de dag was waarop wij onze straf moesten ondergaan, als wij geen dienst namen.


Na onze terugkomst probeerden wij, om onze ellende te vergeten, de gevangenbewaarder te bewegen tegen betaling en een klein geschenk, dat wij hem aanreikten, wat drank te halen. Hij deed het en bracht ons een paar grote kannen gevuld met een heerlijke drank. Wij boden hem aan er ook van te drinken. Hij liet zich dat niet tweemaal zeggen en werd daardoor enigszins vertrouwelijk.


Ik merkte het en begon tegen hem te klagen over ons wrede lot. "Ja!", zei hij, "onze vorst heeft nu eenmaal mensen nodig." En hij vertelde ons dat ze in een zeer bloedige oorlog verwikkeld waren, die hen al verschrikkelijk uitgeput had en waar het land in wezen niets mee te maken had; want een buitenlandse koningin had met een andere koning samengespannen en hun Hoogmogende had zich daarin gemengd, omdat hij verliefd was op die buitenlandse koningin en bovendien dacht dat hij daar wel een voordeeltje uit zou kunnen halen, want hij was even toegeeflijk tegenover vrouwen als hebzuchtig. — Maar de zaak liep verkeerd en nu moest hij ook nog het leger van zijn geliefde bondgenote onderhouden — want de soldaten waren nauwelijks beschut en het ontbrak hen aan proviand en de rest, en die kerels stierven, als vee, bij bosjes van koude en honger. Daarom probeert men geld en mensen te krijgen, hoe en waar vandaan men ook maar kan. Geen reiziger is veilig. Bij de inwoners van het land rukt men de kinderen uit de armen en bovendien moeten ze nieuwe, zware belastingen betalen, waaraan ze haast ten onder gaan.


Intussen hadden we hem steeds meer drank toegeschoven en toen wij merkten hoe ontevreden hij was, hemelden we ons vaderland op en vertelden hem veel over de macht, het aanzien en de rijkdommen die wij daar bezaten; over de uitvinding die we gedaan hadden om in de lucht te kunnen reizen en over het luchtschip, dat we bij ons hadden. Hij kon het nauwelijks geloven, zo verbaasd was hij daarover en gaf ten slotte uiting aan zijn verlangen ook zo door de lucht te kunnen reizen. Dat zou hij kunnen, zeiden wij hem, als hij met ons meeging en we bezwoeren hem dat we van hem in ons vaderland een rijk en geacht man zouden maken. Hij scheen daarover buiten zichzelf van vreugde te zijn, kortom, we werden het met elkaar eens dat we, zodra het nacht was, samen zouden vluchten.


Intussen lieten we nog een paar kannen vullen en dronken er dapper op los, terwijl we de verbeelding van onze nieuwe reisgenoot bezighielden met dromen over zijn toekomstig geluk. Zo naderde de nacht. De gevangenbewaarder bracht ons andere kleding, die we, om niet herkend te worden, over de onze aantrokken en zo sloop hij met ons het gebouw uit en leidde ons langs dwaalwegen voorspoedig de poort uit.


Nu renden we bliksemsnel naar ons luchtschip toe en troffen het godzijdank! op dezelfde plek behouden aan, met onze roeiknechten; we joegen het de lucht in en voeren daarmee voorspoedig over alle bergen heen. Zo ontkwamen we heelhuids aan de vijftig stokslagen en waren al in een ander koninkrijk, toen men in Wirra in Plumplatsko de vreselijke toebereidingen trof om ons achterste te onthalen.


Swirlu — zo heette onze nieuwe reisgenoot — kwam helemaal niet meer bij van zijn verbazing en hij zou van die luchtreis gek geworden zijn, als die vreugde niet van tijd tot tijd getemperd was door angst. Toen we hem vertelden dat we naar de hoofdstad Sepolis in het koninkrijk Biribi wilden, om van daaruit naar Momoly verder te trekken, raadde hij ons aan daar niet te landen, maar er overheen te zeilen, omdat we in dat land — waar, net als in Plumplatsko, een militaire tirannie heerste — heel gemakkelijk in dezelfde narigheden terecht konden komen, vooral omdat we geen aanbevelingen meer hadden. "In Momoly," zei hij, "zijn geen moeilijkheden; het is een heel bijzonder land; daar zijn alle mensen gelijk. U zult bovendien niet veel missen," voegde hij daaraan toe, "als u over Biribi heen vliegt. Dat land is, net als het onze, verzwakt; de huidige regent is een slappeling, net als die van ons, maar hij loopt ook nog aan de leiband van de priesters. Nog onlangs heeft hij dat opnieuw bewezen door een openbare verordening, die het hele gezonde mensenverstand probeert te verstikken en klinkklare priesteronzin bazelt. Hij zoekt, zoals slappelingen plegen te doen, de steen der wijzen, maar verliest al zoekend het kleine overblijfseltje van zijn verstand en heeft altijd een paar volgelingen om zich heen, die door bedrog grote sommen van zijn geld inpikken. Het is nog een geluk voor het land dat een buitenlandse vorst en een paar ministers, die verstand en hart bezitten, zich soms opwerpen als raadslieden van deze slappeling en ingrijpen als de zaak uit de hand loopt."


We volgden die goede raad op en koersten regelrecht op Momoly af, terwijl we maar zo hoog stegen, dat we met onze verrekijkers de streek en steden konden bekijken. En omdat Swirlu al een keer in Momoly geweest was en het land en de hoofdstad daarvan goed kende, liepen we des te minder gevaar het te missen.


We bevonden ons nu, volgens Swirlu’s verklaringen, nog ongeveer 200 mijl van Whashangau, de hoofdstad van Momoly. Wind en weer waren echter zo gunstig dat we binnen één dag, die hier wat korter duurt dan bij ons, de hele weg voorspoedig afgelegd hadden.


Om ons niet bloot te stellen aan een volksoploop, landden we opnieuw op een afstand van de stad, lieten de roeiknechten achter bij het schip en liepen naar de stad.


Hier waren poort noch bewakers; niemand met drie kleuren vroeg ons wie we waren, noch of we een pas hadden en wat nog opmerkelijker was: alle mensen liepen slechts in het gewaad van de natuur, waarmee God ze gekleed had. Hun woningen waren bescheiden hutjes, zonder pracht en praal.


Maar we waren pas echt ontsteld toen we zagen dat hier, op de openbare weg onder de ogen van vele mensen, jongens en meisjes openlijk met elkaar paarden! Om de eerbaarheid van mijn zoon te ontzien, wilde ik hals over kop een zijstraat induiken, maar er was er geen in de buurt; we moesten het schouwspel passeren, waardoor de spelers zich van hun kant helemaal niet lieten storen en waaraan de voorbijgangers niet de minste aanstoot leken te nemen.


Ik ergerde me zeer over dit zedenbederf, waarvoor ik het aanzag en wilde zelfs de beide zondaars uiteenjagen, toen Swirlu me onbedaarlijk lachend bij de hand greep: "wat wilt u doen?" zei hij, "bedenk toch dat we in Momoly zijn. Wat u ziet is hier evenzeer toegestaan als pissen bij ons en u zult er hier nog zo aan gewend raken dat u daar even onverschillig aan voorbij zult lopen, als de mensen die u gezien hebt."


Ik hield mijn misnoegen in en om niet op een tweede soortgelijk tafereel te stuiten, vroeg ik hem naar een logement. Hij begon nog harder te lachen. "Dit zijn alleen maar logementen," zei hij, "u hoeft hier maar te kiezen; elk huis staat hier voor iedereen open en overal waar u binnengaat, zult u welkom zijn. Maar wat daarbij het aangenaamst is — het gastvrije onthaal kost niks. Men weet hier helemaal niets af van geld. Leve Whashangau! en de Momolieten! dat noem ik nou een land, dat zich schoongewassen heeft!"


Met deze woorden liep hij op een fleurig, volgroeid meisje af, dat hij op een goede momolytische manier wilde begroeten, maar zij poeierde hem met een fikse oorvijg af, wat in mijn ogen enigszins strijdig was met de zeden van dit volk.


We keken nu uit naar de aanzienlijkste woning, die binnen ons gezichtsveld lag en gingen daar naar binnen. Een oude man, met een eerbiedwaardige grijze haardos, reikte ons trouwhartig de hand en heette ons vriendelijk welkom. Maar wat we zagen was proper en in zijn soort schoon, Nergens een blijk van luxe of rijkdom, overal eenvoud en welbehagen. We vroegen door middel van Swirlu

— die voor ons hier bij elke gelegenheid als tolk diende, omdat hij de landstaal machtig was — of we hier een paar dagen onderdak konden krijgen en met een vriendelijke glimlach antwoordde de grijsaard: "Heel graag!" Meteen liet hij vruchten komen en melk, die weliswaar uit een ander soort dieren dan bij ons gemolken wordt, maar niet minder krachtig en smakelijk is als die van ons.


Daarna wilde hij weten waar we vandaan kwamen, omdat onze klederdracht leek aan te duiden dat we vreemdelingen waren. We zeiden het hem en vertelden hem over onze wonderbaarlijke reis en zo. De man was even verbaasd over ons verhaal, als verheugd over het feit dat hij zulke gasten onderdak bood. Hij kon er geen genoeg van krijgen naar ons te luisteren en we moesten hem beloven dat we hem de volgende dag mee zouden nemen naar het luchtschip en alles daarvan nader uit zouden leggen.


Ongemerkt hadden we tot diep in de nacht zitten kletsen, toen we ten slotte met een vriendelijke handdruk onze liefdevolle gastheer welterusten wensten en ons ter ruste begaven. Nauwelijks was de dag daarop de zon opgegaan, of we hoorden in de straten al het rumoer dat bij ons doorgaans pas tegen de middag te horen is. Nieuwsgierig keken we naar buiten, naar wat er aan de hand was, maar we werden niets gewaar.


Omdat onze gastheer ons gehoord had, kwam hij onze kamer binnen om ons aan onze belofte te herinneren. Hij merkte dat we waarschijnlijk heel goed geslapen hadden, omdat de Godheid, zoals hij dat uitdrukte, al een uur lang de wereld verlichtte. We vroegen of iedereen hier dan iedere dag zo vroeg opstond. "Elke dag, zodra God verschijnt," was zijn antwoord. "Op bepaalde dagen verzamelen we ons rond deze tijd onder Gods vrije hemel, op het veld — want welke tempel is heerlijker en de Godheid waardiger, dan de natuur? — en zien God in zijn majesteit naar ons neerdalen, werpen ons voor hem neer en aanbidden hem."


Aanbidt u dan de zon? vroegen we.


"Wis en waarachtig," antwoordde de oude heer. "Straalt zij niet Gods goedheid uit, Gods mildheid, Gods alvoedende weldadigheid, Gods grootheid, heerlijkheid en majesteit? Bestaan er onmiskenbaardere en zichtbaardere tekenen van de Godheid? Ik weet wel dat er op onze wereld volken zijn, die voor zichzelf een God snijden, voor hem kostbare steenhopen oprichten, hun gesneden beeldje daarin plaatsen, daarvoor neerknielen en het aanbidden, zoals wij de zon — en dan denken dat ze daarom wijzer zijn dan wij.


Maar zijn dergelijke dwaasheden wel een bedenking waard? Wij lachen daarom en hebben medelijden met het verblinde volk, dat speelbal is van zijn priesters, die de godsdienst als de ware, Gode welgevallige voorschrijven en hun het meest oplevert. U moet een keer onze eredienst bijwonen om te zien, welke voor u het stichtelijkst is. Maar als u niet wilt, hoeft u daarom nog helemaal niet de gebruiken daarvan mee te maken. Iedereen bij ons heeft de vrije wil om te geloven en te bidden wat en hoe hij wil, als hij maar een goed mens en een rechtschapen burger is, die de rust en orde niet verstoort. Wij zouden onze godsdienst te schande en haar grondslagen verdacht maken, als wij iemand zouden dwingen de waarheid daarvan te geloven en de gebruiken in acht te nemen. Het geloof moet het gevolg van overtuiging zijn. Zonder overtuiging moeten geloven, is dierlijk en slaafs en daarom de verstandige en vrije mens onwaardig. Een overtuiging krijgt men niet door dwang en wetten, maar door het vrije gebruik van ons verstand, dat edele geschenk van de Godheid, het enige dat ons boven de dieren verheft. Daarom is het gebruik van het verstand ook maar in het minst inperken, zonde bij ons."


We vroegen wat dan de leerstellingen van hun godsdienst waren.


"Onze godsdienst," antwoordde de oude heer, "heeft geen bijzondere leerstellingen. Het verstand leert ons dat er een wezen bestaat, dat wij God noemen; het leert ons dat wezen lief te hebben en te vereren, omdat wij daaraan ons bestaan en behoud te danken hebben; en er ontzag voor te hebben, omdat het rechtvaardig is; het leert ons wat goed en kwaad is, leert ons het ene te doen en het andere te laten. Natuur en verstand zijn dus onze tafelen der wet, waarop God voor ieder mens zijn wil met duidelijke tekens grift — en daarin bestaat onze hele godsdienst."


Wij waren verbaasd dat we zoveel zuivere eenvoud, zoveel natuurlijke menselijkheid aantroffen bij een, naar onze mening, zo onbeschaafd volk. Maar ik kon er niet omheen bij hem de tegenstrijdigheid in te brengen, die ik zag tussen de schandalige scene van de avond tevoren en zijn zo-even vermelde tafelen de wet.


Hij glimlachte toen ik over de zaak als iets lasterlijks en schandaligs sprak. "Alomstralende Godheid!" riep hij ten slotte begeesterd, "vergeef uw schepsels, die heiligste drift die u in hun innerlijk legt en door uw invloed daarin in stand houdt, de voortplantingsdrift, als ongeoorloofd en de bezigheid van het mensen verwekken als verdorven kunnen zien! Is bij u dan ook een plant poten, een veld inzaaien en een bloemenbed begieten, iets verdorvens en schandelijks?"


Wij ontkenden dat, omdat het levenloze dingen zijn.


"Is dus de voorkeur die u voor voortplanten heeft, dan de oorzaak waarom u zich zou moeten schamen? Of zijn bijvoorbeeld de mensen bij u zo’n afschuwelijke en slechte schepsels, dat het een zonde en schande is, als ze zich voortplanten?"


We ontkenden het opnieuw en voegden daaraan toe, dat we de menselijke voortplanting helemaal niet als zondig beschouwden, mits er bepaalde ceremonies aan voorafgegaan waren, die men trouwen noemt; maar dat ook dan de paring helemaal in de geheimste verborgenheid dient te geschieden.


"Wat een tegenstrijdigheden!" antwoordde de oude heer. "Hoe is het mogelijk uit de mond van verstandige schepsels dergelijke onzin te horen, die ook nog eens door de wetten bekrachtigd wordt? Als iets zondig is, hoe zou het dan door alle ceremonies ter wereld niet zondig gemaakt kunnen worden? Maar is het geoorloofd, waarom zijn er dan nog ceremonies nodig om het geoorloofd te maken? — En waarom zou iemand zich voor een handeling moeten schamen, die met of zonder ceremonies geoorloofd is? waarom een geheim hoekje zoeken om haar te begaan?


Wij brachten tegen hem het zedenbederf in en de wanorde, die daaruit moesten voortkomen, als men die zaak algemeen toestond en openlijk bedreef. De mensen — zeiden wij — zouden dan verzwakken door een te voortijdig en onmatig genot; het huwelijk zou ophouden te bestaan en de ontvolking zou om zich heen grijpen; niemand zou kunnen weten, wie de vader van een kind was en daarom zou niemand de vaderlijke plichten jegens zijn kind willen vervullen.


"Al die gevolgen," antwoordde de oude heer, "bestaan alleen in uw verbeelding of in uw ondeugdelijke grondwet. Bedenk dat u, als u van het genot iets verderfelijks en heimelijks maakt, noodzakelijkerwijs de begeerte daarnaar prikkelt; want niets maakt de begeerte naar genot groter, dan als het verboden is; niets prikkelt de nieuwsgierigheid meer dan als het iets geheimzinnigs is. 8 Waarom verzwakt het vee dan niet door een te vroeg en onmatig genot? Toch is nog niemand op de gedachte gekomen het vee daarin dwang op te leggen. Geloof me, juist die vrijheid, juist dat niet geheimzinnige van het genot, is nou net de manier om daarbij misbruik te voorkomen. Het gemakkelijk kunnen genieten en de gewenning aan het dagelijks en elk moment aanschouwen van taferelen van genot, leidt ertoe dat onze begeerte naar die handeling niet groter wordt dan naar elke ander natuurlijke behoefte, terwijl het moeizame en heimelijke, waarmee men bij u dat genot bereikt, de zaak, zoals elke andere, noodzakelijkerwijs nieuwe prikkels geeft, die zij anders niet heeft. Lieve vrienden! volg de natuur. Zij is de betrouwbaarste gids, die vast en zeker geen van haar schepsels ten verderve zal leiden. Maar ze wreekt zich, zodra men haar aan banden legt en daardoor stort ze de mensen in ellende. Ze is een stroom en als haar de vrije loop gelaten wordt, zal ze geen schade aanrichten, maar als men ertegen een dam opwerpt, dan zal ze in een woeste vloed uitbarsten en velden en weiden verwoesten, die zij voordien bevochtigd had. O, mensen! hoe kunt u toch zo blind zijn om u van de natuur te verwijderen — het pad uit het oog te verliezen, dat zij zo liefdevol voor u uitstippelt? Hoe kunt u geloven dat u iets door dwang en wetten beter kunt maken, dan God het gemaakt heeft, die deze natuur in u geplaatst heeft en u door haar stem vaderlijk toeroept? Ziet u dan niet dat uw verderf u steeds meer naderbij komt, al naar gelang u zich van het pad der natuur verwijdert? Vergeef me, lieve vreemdelingen!" vervolgde hij met vochtige en glanzende ogen, "vergeef me dat ik vol vuur tot u spreek. Het is geen blinde voorliefde voor mijn vaderland, geen eigenzinnigheid voor de zaak, die ik verdedig; het is ware ijver voor het welzijn van de mensen, een ware overtuiging dat het voor u zo beter zou zijn en een warme en innig medeleven met het ongelukkig lot van de mensheid, dat het treurige offer is van een onnatuurlijke wetgeving."


Van ontroering zweeg hij enige ogenblikken. "Gelooft u nog steeds niet," zo sprak hij verder, "wat ik u verteld heb over de voordelen van onze wetgeving, kijk dan eens naar ons gelukkig volkje! U zult daarin niemand vinden die door de liefde verzwakt is; jongens en meisjes blaken van gezondheid; niemand die door de liefde ongelukkig is geworden, want het genot wordt daardoor voor hem niet moeizamer. Bij dat alles zult u geen losbandige man, of een liederlijke lichtekooi zien; en met iemand die denkt dat hij met een woeste vurigheid op de eerste de beste los kan stormen, kan het slecht aflopen,"  — Swirlu werd hier vuurrood — "onze jongens en meisjes hebben daarom niet minder hun zachte en tedere gevoelens en werpen zich niet bij iedereen in de armen. Er is dus bij ons helemaal geen eind gekomen aan het huwelijk, waarvoor u bang was. Het is zelfs helemaal niet zeldzaam, dat man en vrouw een verbintenis sluiten, onder voorwaarde dat beiden voortaan alleen van elkaar zullen genieten. Dat verdrag wordt dan opgesteld in aanwezigheid van getuigen en vanaf dat moment is genot met een ander voor beiden ten strengste verboden. U kunt daarom in dit land, dat u als onbeschaafd ziet, evenveel en misschien nog veel meer taferelen zien van huiselijke geluk, dan in uw land. Zelf heb ik met mijn vrouw 15 jaar 9 lang een hemels leven geleid, heb met haar 20 kinderen opgevoed — en zal eeuwig haar dood betreuren!


"Hier stokte zijn stem; hij veegde een traan uit zijn oog en vervolgde: "Rest nog dat ik u antwoord moet geven op het bezwaar dat u tegen mij ingebracht hebt: dat men bij onze grondwet niet kan weten wie de vader van een kind is en dat juist daarom niemand de vaderlijke plichten voor zijn kind zou willen vervullen."


"Als u de hele inrichting van ons land zou kennen, zou u dat bezwaar zeer waarschijnlijk niet geopperd hebben. Ik zal het u uitleggen. Wij kennen — geen eigendom, want de natuur heeft dat ook niet; zij heeft iedereen gelijke rechten en behoeften gegeven. Het enige dat we hebben, dat wil zeggen, veld, vrucht en vee, is daarom bij ons gemeenschappelijk. Het komt bij niemand op zich daarvan meer toe te eigenen, dan hij nodig heeft. Wat zou hij daarmee moeten doen? wat zou het hem baten, als het hem alleen maar nodeloos lastig maakt? Want wij hebben immers geen andere behoeften, dan die van de natuur; ons voedsel bestaat uit wat onze akker en ons vee opleveren; onze woning is even eenvoudig en onze kleding nog eenvoudiger, want we dragen, zoals u ziet, niet meer dan het gewaad dat de natuur ons meegegeven heeft in de wereld en behangen onszelf, als het heel koud is, met de huiden van onze dieren. Maar onze wijze Moeder Natuur heeft ervoor gezorgd dat de mensen — als ze trouw blijven aan de wetten van de natuur, hoeveel dat er ook zijn — genoeg hebben en dat er, net als bij de planten, niet meer mensen zullen zijn, dan de streek waarin ze opgroeien, kan voeden. Niemand van ons lijdt dus ooit gebrek, want niemand heeft te veel. — Vertel me nu, mijn vrienden! waarom zou een vader dan zijn kind verloochenen? Waarom de moeder de vader? Neem ook aan dat geen enkele vader het zeker weet — wie van u weet eigenlijk zeker dat hij vader is? — maar de moeder weet het wel en omdat zij bij ons geen enkele reden of voordeel heeft, een andere vader aan te wijzen, kan men op haar uitspraak volledig vertrouwen, wat volgens mij, bij u niet altijd het geval is.


Maar stel nu dat zelfs de moeder het niet weet; stel dat de vader zijn kind verloochent — wat bij ons een haast onvoorstelbaar is, dan zou hier daaruit niets anders volgen, dan dat het kind hem geen vader en hij zijn zoon niet zoon zou noemen: want in onze gemeenschap heeft de jonge pasgeborene, als ieder ander, recht op zijn deel. De vader — hij kan het kind al dan niet als het zijne erkennen —hoeft hem niets te geven en niet voor hem te zorgen — en de moeder komt eveneens niet het minste tekort, of de vader zich wel of niet als zodanig bekend maakt; want zij eist daarom niets van de vader en kan dat in ieder geval ook niet en ziet zich voor de kleine ongemakken van het moederschap rijkelijk schadeloosgesteld door de genoegens die het oplevert."


We stonden met stomheid geslagen en waren verbaasd over de praktische wijsheid, die de grijsaard ons hier uiteengezet had en over de waarheid die daarin school, waartegen wij niets konden inbrengen. Nog nooit had ik dat in dit licht bekeken. Opvoeding, gewoonten, vooroordelen omhulden haar voor mij steeds met duisternis. Nu vielen ze als schellen van mijn ogen en ik voelde me plotseling als iemand die voor het eerst in zijn leven het daglicht aanschouwt.


Wie is, vroeg ik opgetogen, de wijze regent en wetgever van uw land? En tot mijn nog grotere verwondering, vernam ik dat hier zich niemand, die koning genoemd wordt, of enig ander heerser, vetmest met het zweet en bloed van een heel land en voor meer dan duizend anderen daarvan verbruikt, maar dat de drie verstandigste en rechtschapenste uit het volk, tegenover wie de anderen zichzelf allemaal in opspraak brengen, elke voorkomende ruzie beslissen en door verstandige raadgevingen en vaderlijke zorgen het land en iedere inwoner in alle gevallen bijstaan. "Hier komen echter maar uiterst zelden onenigheden voor," voegde de grijsaard daaraan toe, "want omdat wij geen eigendom kennen, bestaat bij ons de belangrijkste reden voor tweedracht niet en leven we zonder jaloezie in een gelukkige vrede en eendracht."


De toespraak van de grijsaard had me zeer onrustig en diepzinnig gemaakt. We gingen hem nu het luchtschip laten zien, maar ik weet niet meer hoe we daarheen en weer teruggekomen zijn. Het beeld dat de oude heer mij geschetst had van de gelukzaligheid van zijn land, hield onophoudelijk mijn ziel bezig. Ik bekeek het van alle kanten en vond steeds meer dat dit volk, dat ik voor onbeschaafd en barbaars aangezien had, in de hele schepping het gelukkigste en wijste is, dat ik ken. Ik vergeleek daarmee onze grondwet en voelde de bedroevende afstand, die wij met onze ingebeelde verlichting en verfijning ten opzichte daarvan maakten en voelde hoe gelukkig ook wij met zulk een inrichting zouden kunnen zijn — en wat voor ongelukkige slaven wij in feite zijn van onnatuurlijke wetten, bedrog, hebzucht en tirannie! Om ons heen ontwaarde ik — in de barbaren en Momoly — de verlichte natie!


Hoe langer we ons ophielden in Whashangau, des te meer werd ik in mijn overtuiging gesterkt. Ik zag overal goedheid, menslievendheid en hartelijkheid; iedereen deed zijn best vriendelijk voor elkaar te zijn; nooit hoorde of zag ik vijandschap, strijd of gekibbel. Alom heerste eendracht en vreugd onder het volk. Bij mooi weer verzamelden ze zich gewoonlijk onder een grote, oude boom. De ouderen zaten in een kring op een bank en om hen heen dansten de jongelui, jongens en meisjes, op de klanken van een soort schalmeien. Alle gezichten blaakten van gezondheid en hun spieren en volle, mollige lendenen liepen over van de sappen en zenuwkrachten. Hier zag ik geen enkel door kommer en ellende vertrokken gezicht; geen door uitspattingen verbleekte wangen. Hier wist men maar heel weinig af van ziekten; de meesten stierven door ouderdomszwakte: men had daarentegen ook geen weet van artsen en geneesmiddelen, afgezien van enige kruiden, die het land voorbrengt en die tegen de gewone ziekten altijd het zekerste middel zijn.


Op een dag kwam onze liefdevolle gastheer, tegen zonsopgang, naar ons toe en vroeg ons of we die dag niet hun eredienst wilden bijwonen, omdat dat net een van de dagen was, waarop ze zich daarvoor gewoonlijk verzamelden. Wij stemden daar zeer gaarne mee in en gingen met hem mee. Hij leidde ons naar een heuvel toe, vanwaar men het mooiste uitzicht had, vooral in de richting van de opgaande zon.


Toen de eerste stralen hier de verschijnende Godheid aankondigden, weerklonk een plechtige lofzang, vol van het ontroerendste gevoel en eenvoud. Intussen steeg de zon, in het glanzend purper, langzaam en majesteitelijk omhoog — haar stralen verguldden de hele wereld en het leek alsof de hele natuur zich mild en glimlachend verheugde in haar komst. Onafgebroken werd ze begeleid door gezang, vol gevoel en uitdrukkingskracht. Nu stond ze daar! — en allemaal zwegen ze — ze vielen voorover neer en baden in stille aandacht. Daarna stonden ze op — wierpen zich nog eenmaal neer voor de Godheid, kusten de aarde die ze bescheen — en liepen zwijgend weg…..


Nooit had een eredienst een ontroerendere en eerbiedigere indruk op me gemaakt, dan deze. Ach! in de grote, open tempel van de natuur — louter levende beelden van de weldadige schepping om ons heen — en oog in oog met dat grootse en waardige beeld van de Godheid — ach! hoe anders voelt en bidt men hier, dan tussen de muren, die we tempel noemen, voor een grotesk beeld van de Godheid en het nog groteskere van een vermomde priester! Ik kan niet beschrijven, wat ik hier voelde. Mijn hart zwol op van de heilige gevoelens — ik had het gevoel dat ik God zag — en bij die gevoelsontlading begonnen we allemaal mee te zingen — wierpen ons in vervoering, samen met de anderen ter aarde — en baden hartstochtelijk.


Nog lang daarna was mijn hart zo vol, dat ik de hele terugweg geen woord sprak, maar alleen voelde en dacht. Ik had nu een reden te meer gevonden die de Momolieten voor mij benijdenswaard maakte.


O, drie- en vierwerf gelukkig land!


riep ik ten slotte vol begeestering uit,


dat geen priesters, geen artsen, geen soldaten en — geen koningen heeft!!!!


Gaarne had ik hier mijn hele verdere leven willen doorbrengen, als de gedachte aan mijn verwanten, me niet naar mijn planeet getrokken had, maar wat vergezeld ging van een vrome wens: dat ik wat ik hier gezien en gehoord had, ten bate van mijn vaderland zou aanwenden. Misschien, dacht ik, zal de waarheid, ondersteund door voorbeelden en ervaringen, ooit ingang vinden. Mijn besluit om naar mijn vaderland terug te keren en de bezienswaardigheden op Venus, die mijn vriend, de grote astroloog op aarde op mijn schrijfplankje genoteerd had, aan iemand anders over te laten, werd daardoor bespoedigd.


Ik deelde dit voornemen mee aan mijn reisgenoten en we troffen de benodigde voorbereidingen voor onze terugkeer. Onze gastheer en alle Whashangauers wilden ons zeer ongaarne laten gaan en drongen er bij ons op aan nog langer te blijven. Maar zonder verder uitstel vingen wij, zij het met een bezwaard en bedrukt hart, onder belangstelling van het samengestroomde, verbaasde volk, onze terugreis aan en verlieten, begeleid door luid toegeroepen heilwensen, dat land, waar nu mijn ziel nog vaak in het schemerlicht ronddwaalt.


Ik wil me niet bezighouden met een beschrijving van mijn terugreis; dat ligt buiten mijn bestek. Ik volsta met dat we niet zonder moeilijkheden en gevaren — waarbij alle vaardigheid van onze stuurlieden nodig was — weer op aarde landden.


Het eerste wat ik nu hier beneden doe, is dit merkwaardige verhaal, heet van de naald, voorleggen aan de medeburgers van mijn planeet, om ze ervan te overtuigen,


dat alleen natuur en eenvoud werkelijk gelukkig maken.

O! mogen zij toch, wijs geworden door voorbeelden, deze grote waarheid eenmaal erkennen en in acht nemen! Wat zou ik me dan rijkelijk beloond achten voor mijn reis!



Noten


[1] In het jaar 1670 publiceerde de jezuïet Francesco Lana Terzi een boek met de titel Prodromo ovvero saggio di alcune invenzioni nuove premesso all'arte maestra (vert.: "Aankondiging of Essay over enige nieuwe uitvindingen op het gebied van het meesterschap") en beschreef daarin een "vliegschip," waarvan de houten romp door de vorm doet denken aan een boomstamkano. Aangezet door de experimenten van Otto von Guericke met de Maagdenburger Halve Bollen in het jaar 1663 had Lana (de) Terzi een ballontheorie opgesteld.

[2] Bartolomeo Lourenço de Gusmão (1685 in Brazilië, 1724 in Toledo, Spanje), ook Gusman of Guzman genoemd, was een jezuïet, natuurwetenschapper en uitvinder, die in 1709 het prototype van een luchtschip, de Passarola (grote vogel) ontwikkelde en als Padre Voador (Portugees voor "Vliegende Priester") tot de luchtvaartpioniers behoort. Koning Johannes V. verleende Lourenço de Gusmão het eerste bekende luchtschippatent.

[3] Johann Christoph Sturm (Johannes Christophorus Sturmius 1635-1703) was rector van de Universiteit van Altdorf, bij Nüremberg, waar ook Leibniz studeerde. In 1676 schreef hij zijn Collegium experimentale sive Curiosum, waarin hij een overzicht geeft van de tot dan toe bekende natuurwetenschappelijke ontdekkingen.

[4] Eén jaar op Mars komt overeen met 3½ jaar bij ons.

[5] Bedenk dat hier iemand spreekt die zijn hele leven doorgebracht heeft, of op zee, of in een ver verwijderd, weinig gecultiveerd werelddeel, zonder omgang met verfijnde mensen; die weliswaar een goed hart heeft, een helder verstand en veel liefde voor de wetenschappen, maar alles bij elkaar, net als zijn heren reisgenoten, een ongetemde natuurmens is. Als hij in Frankrijk was geweest en zijn ragouts, fricassees, sauzen, enz., geproefd had, zou hij dit taalgebruik vast niet bezigen. Dat zouden de Frans koks niet over hun kant laten gaan. (Noot v.d. Uitg.)

[6] Iemand, voor wie dat overdreven lijkt, hoeft alleen maar de geschiedenis te lezen van de koningsmoordenaars op onze eigen planeet, die men zelfs voor deze afschuwelijke daad in de kerk zegende en hen het heilig avondmaal aanreikte ter stichting van hun ziel. (Noot v.d. Uitg.)

[7] "C’est tout comme chés Nous."

[8] Men kan over dit onderwerp niets treffenders, denk ik, zeggen, dan wat ik onlangs las in Gustav Wolart (een boek van Geiger, vert.) pag. 79. 80 en 81, een boekje dat zich onder de fijngevoelige geschriften van onze tijd vooral onderscheidt, doordat het denkkracht paart aan ervaring. Ook de Annalen der Menschheit hebben in de 2e aflevering, over de  zeer verhulde oorzaken van lichamelijke gebreken, daarover veel gezegd, dat aandacht verdient. (Noot v.d. Uitg.)

[9] Denk aan de hierboven aangeduide jaartelling.



Afbeelding Luchtschip van Lana


Uit: Collegium experimentale sive Curiosum, 1676.
Luchtschip van Lana


Naar boven