Home

SYFILIS

GIROLAMO FRACASTORO

Portret Girolamo Fracastoro

Girolamo Fracastoro werd geboren in 1483 en stierf in 1553. Hij was dichter en geleerde en bekleedde de leerstoel voor logica in Padua. In 1530 publiceerde hij in Venetië zijn meesterwerk Syphilis sive Morbus Gallicus (Syfilis of de Franse Ziekte). Welsprekend, welluidend en sprankelend, neemt Syphilis sive Morbus Gallicus een ereplaats in onder de grootste dichtwerken aller tijden en heeft voor zijn schrijver eeuwige roem geoogst. Uit dit gedicht stamt het woord Syfilis.


Syfilis

EEN PROZAVERTALING VAN FRACASTORO’S ONSTERFELIJKE GEDICHT

UIT DE OORSPRONKELIJKE LATIJNSE TEKST

The Philmar Company

Saint Louis Missouri

MCMXl


DIT VEELGEPREZEN GEDICHT VAN GIROLAMO FRACASTORO heeft bijna vier eeuwen getrotseerd. De schrijver komt de eer toe deze naam gegeven te hebben aan een ziekte, die niet alleen de vele andere die daaraan toebedeeld zijn verdrongen heeft, maar een naam is die standgehouden heeft tot de dag van vandaag en nog steeds wereldwijd gebruikt wordt. Hoewel dit gedicht vol zit met mythologische toespelingen, biedt het toch een uitstekende klinische beschrijving van de ziekte. Van begin tot einde geeft het in de versregels blijk van zowel de eruditie van de schrijver en zijn scherpzinnige beoordeling van het belang van het onderwerp, als van zijn beheersing van de behandelde stof. Misschien zal iemand opperen dat een dergelijk onderwerp bespreken in Latijnse hexameters niet erg serieus is, maar dan willen we die critici er graag op wijzen dat het gedicht eigenlijk niets anders is dan zijn korte verhandeling in proza, De Contagionibus et Contagiosis Morbis (Over Smetstoffen en Besmettelijke Ziekten), gepubliceerd in 1546, die door de schrijver zelf in verzen is omgezet. Geboren in 1483, was Fracastoro nog een kind toen de Morbus Gallicus voor het eerst in Europa verscheen. Hij schreef de ziekte niet toe aan het binnenvallen van Karel VIII, maar beschouwde haar als van veel oudere datum.

DE UITGEVERS


Illustratie



Over Syfilis

Boek Een

IK BEZING de vreselijke ziekte die, nog onbekend in de voorgaande eeuwen, in één dag heel Europa aantastte en zich over een deel van Afrika en Azië verspreidde. Ik zal verhalen welke samenloop van omstandigheden, welke duistere kiemen haar veroorzaakt hebben, hoe zij zich aandiende in Latium in de tijd dat dit ongelukkige land door de Franse legers verwoest werd en waarom aan haar de naam Franse ziekte werd gegeven. Ik zal beschrijven hoe tijdens die beproevingen de menselijke geest er met behulp van de goden in slaagde het stoutmoedige geneesmiddel te ontdekken dat een einde maakte aan de razernij van die pestilentie. Teneinde de geheime oorsprong van deze ziekte te onthullen, zal ik zowel te rade gaan bij de azuurblauwe ruimten van de ether, als bij de sterren, die opgehangen zijn aan het hemelgewelf. Voor mijn ogen opent zich het domein van de onbekende en geheimzinnige contreien van de Natuur en mijn verleide muze laat zich uithoren door de geleerde zusters van de Parnassus.

Luisterrijke Bembo, sieraad van Italië, als uw meester u enige momenten van verpozing vergunt, als hij u toestaat voor een ogenblik het roer van de wereld te laten rusten en een korte spanne tijds te wijden aan de muze, verwaardig u dan een blik te werpen op deze versregels, die wellicht uw intellect onwaardig zijn. Mijn werk is slechts een geneeskundige verhandeling, maar bedenk dat zelfs Apollo niet dacht dat het beoefenen van de geneeskunst afbreuk deed aan zijn goddelijke waardigheid. Hoewel die ogenschijnlijk lichtvoetige bezigheid bij tijd en wijle van groot belang is, zal de mijne onder de schijn van onbeduidendheid ten gevolge hebben dat de grote wetten der natuur, de besluiten van het lot en de geheimzinnige oorsprong van een angstaanjagende gesel, zich voor u zullen openbaren.

En gij, goddelijke Urania, gij die de oorzaak en gevolgen kent van alle dingen, gij voor wie het luchtruim en de diepten der hemelen geen geheimen bevatten, daal neer en vlei u aan mijn zijde in deze vredige schaduw, waar de adem van de zuidenwinden, de geuren van de mirte en het welluidende ruisen van de Benacus mij noden te zingen. Schenk mij de heilige bezieling en moge, wanneer gij vanaf de Olympus de lichtgevende streken van de ether doorkruist, het schitterende koor van de hemelse gewesten u dan als dank lof zingen.

Muze, welke oorzaken hebben deze plaag teweeggebracht, die zo lang gehuld was in de duisternis van het niets? Werd zij onder ons gebracht uit de nieuwe werelden die ontdekt werden door de dappere Spaanse zeelieden, voorbij de onbekende zeeën van de westerse wereld? Hebben we uit die verre landen de kiem gekregen, waarvan verhaald wordt dat zij van alle eeuwigheid als een alleenheerseres geregeerd heeft en evenveel slachtoffers heeft geteld als er aardbewoners zijn? Is het waar dat zij zich, nadat zij bij ons eenmaal vaste grond aan de voeten had gekregen, daarna door handelsbetrekkingen verspreidde over heel Europa? Is het waar dat ze zwak en onbekend ter wereld kwam, om haar kracht later honderdvoudig te vergroten en haar verwoestingen uitbreidde en gaandeweg het hele universum binnendrong?

Zo is een enkele vonk, afkomstig van een slecht gedoofd vuur dat door een onvoorzichtige herder achtergelaten wordt op het land, voldoende om een vuurzee aan te richten. Lang sluimert het vuur en kruipt verraderlijk door het gras; breekt dan uit in razernij; gevoed door de brandstof verheffen de vlammen zich in dreigende tongen, verslinden onderweg de velden en beemden, zetten wouden in vuur en vlam die krakend instorten en werpen ver weg een onheilspellende gloed op hemel en aarde.

Nee, zo is deze ziekte niet tot wasdom gekomen. Onweerlegbare getuigenissen bewijzen dat zij niet afkomstig is van een buitenlandse of verre bron en niet de Oceaan over hoefde te steken om te midden van ons te belanden.

Onder de eerste slachtoffers die in ons klimaat werden aangevallen, zou ik een aantal patiënten kunnen opnoemen die zomaar aangetast werden, zonder zich bloot te hebben gesteld aan enige kans op besmetting. Hoe zou bovendien een besmettelijke invloed toegeschreven kunnen worden aan een ziekte, die zoveel mensen in een zo korte tijd aantastte? In werkelijkheid werd de plaag van alle kanten tegelijkertijd op ons losgelaten, in Latium, in de vruchtbare streken van Sagra, in de wouden van Ausonia, op de vlakten van Otrantes, aan de oevers van de Tiber en in de honderd steden waar de honderd zijtakken van de Eridanus doorheen stromen, die haar met haar majestueuze golven achterlaten. Daarnaast woedde zij op verre kusten en het trotse Spanje, moeder van de veroveraars van de Nieuwe Wereld, leed niet eerder onder haar wrede aanvallen dan de volkeren waarvoor de Pyreneeën, de Rijn en Alpen de grenzen vormen.

Het was ook in de tijd dat zij binnendrong bij ons, een volk uit het Noorden met zijn ijzige streken, bij u allen, afstammelingen van het oude Carthago, gelukkige Egyptenaren, die door de Nijl, zoon van Idumea met haar eeuwig groene palmen, verrijkt worden met de schatten van haar wateren. Welnu, zulk een ziekte die het hele universum in één klap aanvalt, kan nauwelijks het gevolg zijn van een eenvoudige besmetting. Stellig moeten er andere oorzaken gevonden kunnen worden.

Alle schepsels waarmee de Natuur land, lucht en water bevolkt heeft, worden niet op eenzelfde manier geschapen, maar hun ontstaan is wel gelijksoortig en onderhevig aan dezelfde wetten. De eenvoudigste, die voor hun vorming slechts enkele voortplantingsbeginselen vereisen, worden overal onophoudelijk voortgebracht. Andere, ingewikkeldere, hebben voor hun ontstaan veel kiemen nodig die overal verspreid zijn en vormen zich slechts zeer zelden en moeizaam, in bepaalde tijden en op bepaalde plaatsen. Weer andere komen ten slotte voort uit het niets, maar pas na duizenden eeuwen, omdat er voor de kiemen zoveel hindernissen opgeworpen worden, die noodzakelijk zijn voor hun vorming en samensmelting. Datzelfde geldt voor ziekten. Niet alle ziekten hebben een gemeenschappelijke of eenzelfde oorsprong. Sommige, het merendeel zelfs, komen moeiteloos tot ontwikkeling, wat hun algemeen voorkomen verklaart. Maar andere kennen een moeizamere oorsprong en slagen er slechts langzaam in zich samen te stellen. Lange tijd moeten ze strijden tegen de eindeloze belemmeringen die het lot heeft opgeworpen tegen hun ontstaan. Een daarvan is bijvoorbeeld de elefantiasis, nog steeds onbekend in Ausonia en lichen dat zich beperkt tot de oevers van de Nijl. Daartoe behoort ook de Franse ziekte die, lange tijd verborgen in de duisternis van het niets, zichzelf opeens bevrijd heeft van haar ketenen, na eeuwen gesluimerd te hebben om ten slotte aan het daglicht te treden en bij ons binnen te dringen.

Maar vermoedelijk heeft die ziekte in de loop van de eindeloosheid der tijden zichzelf meermaals op aarde vertoond. Als wij, toen wij leden onder haar aantastingen, volledig onwetend waren zelfs over haar naam, leidt het geen twijfel dat de sporen van haar voorbijtrekken uitgewist zijn door de tijd, de tijd, de meedogenloze vernietiger die alles in haar voetstappen terugbrengt tot het niets en ons zelfs berooft van de gedenktekens, ja zelfs van de herinneringen aan onze voorvaderen.

In het Westen, op de onlangs ontdekte kusten van de Atlantische Oceaan, is deze ziekte daarentegen gangbaar en algemeen voorkomend. Een vreemde tegenstelling, een onverklaarbare invloed van klimaat en tijd. In die verre streken heerst die gesel als regel. Uit eigener beweging doet zij zich daar voor en ontkiemt naar believen als het ware op een bodem die is toebereid om haar te kunnen ontvangen, terwijl zij bij ons pas duizenden jaren later tot ontwikkeling heeft kunnen komen.

Wilt gij dus navorsend terug naar de bron en oorsprong van deze ziekte? Bezie dan eerst hoeveel landen getroffen en hoeveel mensen aangetast zijn. Uit de onmetelijkheid van haar verwoestingen zult gij meteen begrijpen dat haar voortbrengende kiemen evenmin konden schuilen in de ingewanden der aarde, als in de diepten der wateren. Uit het feit dat zij zich zo alom heeft kunnen verspreiden, blijkt duidelijk dat de geheimzinnige verwekker die haar teweeg heeft gebracht, zich ophield in de lucht, de lucht die de hele wereld doordrenkt en omhult, die in alle lichamen doordringt en als overbrenger dient van besmettelijke giststoffen. In wezen is de lucht de werkelijke oorzaak en het beginsel van alle dingen. Maar al te vaak wordt zij voor ons de bron van ziekten, omdat de veranderlijke aard van haar bestanddelen haar blootstelt aan bederf en zij zichzelf even snel doordrenkt met de ziekmakende uitwasemingen als dat zij uitzaait waarmee zij beladen is.

Bedenk anderzijds dat de lucht in de loop der tijden misschien veranderd is. Ontdek hoe de kiem van de rampzalige besmetting zich onder ons verspreid heeft.

De zon en de sterren zijn de oppermachtige heersers waaraan lucht en aarde onderdanig gehoorzamen. Hun baan en omwentelingen aan het uitspansel besturen de loop der elementen. Zo wendt Phoebus zich tot de aarde door zijn snelle jachthonden naar het Zuiden te zenden. Dan breekt de winter aan met ijzige koude en bedwingt het ijs het stromen der rivieren. Maar amper is de god van het Licht het teken van de Kreeft ingegaan of de verzengende zomer verslindt de velden en de wouden, droogt de beemden op en bedekt de akkers met een onvruchtbare stoflaag. En evenmin lijdt het twijfel dat de elementen, die in een toestand van rust verkeren, evenals tijdens de grote beroeringen die hen in beweging brengen, onderhevig zijn aan allerlei invloeden van de hemellichamen waaraan zij gehoor geven, of van de maan, de koningin der nacht, die de zeeën en alle vochtige beginselen der natuur met haar wetten bestiert, van de duistere ster Saturnus, de weldadige vuren van Jupiter tot de lichtschijnselen van Mars en Venus. Die gebeurtenissen doen zich vooral voor als de sterren van hun baan afwijken en meerdere van hen samenkomen in één punt van het uitspansel. Zulke verstoringen, tekenen van de goddelijke wil, vinden echter slechts sporadisch en met tussenpozen plaats en eerst na een reeks regelmatige kringlopen. Maar als zij ten einde lopen, als het door het lot voor hen bestemde uur heeft geslagen, dan, O tegenspoed, slaan aarde, lucht en wateren opeens om in angstaanjagende rampzaligheden. Soms zijn het dichte wolken die het daglicht ontvreemden. Dan smelt het uitspansel weg in water en razen stortvloeden van de bergtoppen omlaag, die in hun onstuimige geweld bomen, rotsblokken en heel kudden dieren meesleuren. Hun brullende golven rijzen uit boven de oevers en de Eridanus en Ganges zetten steden onder water, overstromen wouden en vormen nieuwe stromen. Een andere keer zijn het de ontketende winden die bulderend te keer gaan, of onderaardse stormen die de grond doen schudden en stadsmuren omverwerpen. Misschien zal er, helaas! zelfs ooit een dag aanbreken, een rampzalige dag, voorbestemd door de Natuur en de Schikgodinnen, waarop de streken die wij nu bewonen, zullen veranderen in een braakliggende woestenij of verzwolgen worden door de golven of de zon. O moge de aarde een nieuwe baan volgen in de ruimte! want anders zullen de seizoenen op drift raken of buitengewoon verzengende of koude tijden de wereld verwoesten, tijden waarin onbekende dieren zullen verschijnen, die hun levensbeginsel ontlenen aan de eeuwige bron van al het geschapene!

Wie weet of de aarde in die tijden, zich vermoeiend met nog zwaardere inspanningen, niet opnieuw vermetele Titanen als Encelade, Ceus en Typhon zal voortbrengen, die een tweede poging zullen wagen om de Olympus bovenop de Ossa te plaatsen teneinde naar de hemelen op te klimmen, hun voormalige woonstee?

Hoe kan met dit vooruitzicht voor ogen nog betwijfeld worden dat ooit op een rampzalige dag, toebereid in de loop der tijden en door de omwentelingen van het uitspansel, de lucht niet opeens de wereld kan verzadigen met verderf brengende kiemen en haar zal teisteren met deze onbekende gesel?

Zal ik u een voorbeeld geven? Tweehonderd jaar geleden, precies ten tijde dat Mars zijn stralen verenigde met de gloed van Saturnus, werd aan de oevers van de Ganges door de mensen, die het rijzen van Aurora gadesloegen, opeens het uitbreken van een koorts van een volstrekt nieuwe soort waargenomen. Deze koorts — iets gruwelijks! — ontrukte golven bloed aan de kloppende borst van haar slachtoffers, en kwam meestal door een noodlottig keerpunt op de vierde dag ten einde. Vanuit haar oorspronkelijke bakermat verspreidde zij zich spoedig over Assyrië, Perzië en de oevers van de Tigris en vervolgens naar Arabië, Egypte en Phrygië. Van daaruit, over de onmetelijkheid van de zeeën, kwam zij Italië besmetten en breidde zich daarna uit over heel Europa.

Als gij dus de oorsprong en oorzaak wilt weten van de plaag waardoor wij nu geteisterd worden, richt dan uw ogen omhoog naar de ijle ruimte, de verblijfplaats van de Onsterfelijken, om met mij te ontdekken wat de stand van de sterren was en welke voortekenen zij verschaften ten tijde dat deze ziekte onder ons verscheen. Zie hoe op dat noodlottige moment alle grote sterren samenkwamen op het punt van het uitspansel waar de Kreeft, de waakzame wachter, met zijn armen uitgespreid over de poorten van de Olympus, leek te staren naar het onheilspellende punt waar altijd de heilloze tekenen van komende rampen worden gewrocht. En in een samenzwering tegen ons zonden van daar alle sterren samen hun lichtstralen uit! Deze voortekenen ontgingen Sirenis niet, die lang voordien door Urania was ingewijd in de kennis der sterren en de goddelijke voorkennis. Toen de wijze oude man vanaf een hoge heuvel de dreigende aanblik van het uitspansel had ontwaard, riep hij opeens uit: “Almachtige goden, erbarm u, erbarm u over de ongelukkige stervelingen! Hoeveel beproevingen, hoeveel rampen zie ik boven hun hoofden hangen? Een afschuwelijke plaag besmet de atmosfeer, goddeloze oorlogen verwoesten Europa en bloed kolkt in stromen over de vlakten van Ausonia.” Profetische woorden die hij zelf in zijn boeken neerschreef.

Na de voleinding van meerdere eeuwen, toen de tijd aanbrak dat de opperheerser van de wereld, op grond van een eeuwige wet, de komende bestemming van hemel en aarde moest bepalen, maakte Jupiter zich op voor dit grootse werk, waarvoor hij tevens Mars en Saturnus uitnodigde. Op de overeengekomen dag opende de Kreeft de poorten van de Olympus voor de Onsterfelijken. Mars overschreed als eerste de drempel van het heilige oord. Door zijn onstuimige gang en zijn glinsterende wapenrusting was de oorlogsgod goed herkenbaar, de wrede god die zijn honger stilt met vlees en zijn dorst lest met bloed. Kalm en majestueus verscheen daarna Jupiter, staande op een gouden triomfwagen, Jupiter die altijd welwillend en goed is voor stervelingen, tenzij andere beschikkingen zijn barmhartigheid vragen. Als laatste kwam Saturnus, met zijn zeis in zijn hand. Niet alleen de vermoeienis van een lange reis, samen met de last van de jaren, hebben deze oude man verlaat, altijd verstoord over zijn opstandige zoon die hem slechts met tegenzin gehoorzaamt. Meerdere keren is hij onderweg besluiteloos stil blijven staan, gereed om op zijn schreden te keren. Zelfs bij zijn binnenkomst kon hij zijn boosheid nog niet verbergen of zijn gemompelde dreigementen onderdrukken.

Niettemin bestijgt Jupiter de troon, waar alleen hij op plaats mag nemen. Hij raadpleegt de orakels en schikt de bestemming van de komende tijden. Niet zonder pijn en mededogen kan hij zijn gedachten laten gaan over de velerlei rampen die de wereld zullen teisteren, oorlogen, revoluties, de vernietiging van Koninkrijken en catastrofen die de aarde overleveren aan het rijk der dood en een nieuwe en afschrikwekkende plaag waarvan de vernietigende werking ondanks de vindingrijkheid van de menselijke geest geen halt toegeroepen kan worden! Toch wordt het besloten, de stem der goden heeft de Olympus doen schudden en het noodlottige decreet wordt uitgevaardigd.

Terstond verspreidt zich een ijl gif in de ether dat haar verderfelijke uitwasemingen uitstort over de onmetelijke ruimte.

Wat was de oorsprong van dit gif? Is het aannemelijk dat de zonnestralen, samen met de kwaadaardige invloed van de sterren, uit de diepten der aarde en wateren, kwalijke dampen hebben doen opstijgen die besmettelijke uitwasemingen in de lucht verspreidden, de kiemen van een nog onbekende ziekte? Maar anderzijds, als die uitwasemingen ontstaan zijn in de bovenste regionen van de atmosfeer, ten gevolge waarvan zijn zij dan op ons neergedaald? Onvoorstelbaar hoeveel geheimen van de ruimte zich voor onze ogen ontvouwen, hoe moeizaam het is terug te gaan naar de oorsprong van de oorzaken, die soms door een langdurige opeenvolging van jaren gescheiden zijn van hun gevolgen en andere die tot een onontwarbare kluwen vermengd zijn met gebeurtenissen.

Daar komt nog bij dat de Natuur de invloed van epidemische uitwasemingen naar believen kan afwisselen. Zo giet de besmette lucht haar vergiften soms alleen uit over gewassen, doodt bloemen in de tere knop, bezoedelt tarwe met een vuile roestkleur, vernietigt alle hoop op oogsten, verandert zaden even ondoorgrondelijk als de diepten der aarde. Een ander keer worden alleen de dieren getroffen, en dan allemaal tegelijk of maar een paar van hen. Ik herinner mij bijvoorbeeld dat in een jaar dat niet alleen opmerkelijk was vanwege een ongewone en verdachte vruchtbaarheid van de grond, maar ook vanwege het buitensporig vaak waaien van zuidelijke winden, alle geiten — en alleen geiten — getroffen werden door een ziekte. Krachtig en gezond verlieten ze de stallen en op hetzelfde moment dat ze uitgelaten het gras van de weiden graasden werden ze getroffen door een verstikkende hoest, een zekere voorbode van de dood. Daarna werd gezien dat zij stuiptrekkend rondtolden, uitgeput neervielen te midden van hun metgezellen en al gauw hun laatste adem uitbliezen. Toen gebeurde er iets verrassends: in de daaropvolgende lente en zomer kwam het andere vee aan de beurt, dat door een kwaadaardige koorts zodanig uitgedund werd dat het vrijwel volledig te gronde ging. In feite is de invloed van de hemellichamen even eindeloos uiteenlopend als de gebeurtenissen die daaruit voortvloeien en elk daarvan is nauw verbonden met een bepaalde volgorde van verschijnselen.

En anderzijds, wat een verscheidenheid aan ziektekiemen en wat een eigenaardige gevolgen! Oordeel zelf.

De uitwasemingen, die aanwezig zijn in de atmosfeer, blijken rechtstreeks in aanraking te komen met de ogen. Welnu, ze tasten niet alleen de ogen aan, maar kunnen ook terecht komen in de diep in de borst gelegen longen! Op dezelfde manier zien we bij tijd en wijle een tere druif die gaaf blijft vlak naast stevigere vruchten die wegkwijnen en als die op haar beurt sterft, of door uitputting van het zaad, of het zwellen of krimpen van haar poriën, dan gebeurt dat nooit anders dan onder invloed van oorzaken die eigen aan haar zijn.

Laten we nu de symptomen bestuderen van deze gesel, die veroorzaakt is door een instroming van de hemellichamen en na eeuwen vergetelheid is teruggekeerd. Deze ziekte tast niet de zwijgzame inwoners van de zee aan, noch de wilde dieren van de wouden of de vogels in de lucht, noch paarden of vee. Zij heeft alleen te maken met de mens. Alleen de mens is haar prooi.

In het menselijk lichaam valt zij eerst het bloed aan en omdat ze zich voedt met niets anders dan vet en taaie sappen, hecht ze zich bij voorkeur vast aan dat vet en de bedorven delen van de vloeistoffen.

In het bijzonder hier, O muze, doe ik een beroep op uw hulp bij het schetsen van het beeld van deze verfoeilijke plaag. Verwaardig u mij te bezielen, Apollo, god van het licht, god der dichtkunst en beschik het zo dat mijn werk, dankzij u, de komende eeuwen zal trotseren. Misschien zal er zelfs een dag komen waarop onze achterachterneven er behagen in zullen scheppen om de beschrijving van een vergeten ziekte te raadplegen. Vergeten, ja, want zonder twijfel zal deze ziekte op een bepaald ogenblik terugkeren in de nevelen van het niets. En niemand betwijfelt ook dat zij, na nog een reeks eeuwen, weer aan het licht zal treden om opnieuw de wereld te treffen en nogmaals angst te zaaien onder de volkeren van een andere tijd.

Een van de verrassendste feiten is dat het door de plaag getroffen slachtoffer, nadat hij de besmettelijke kiem heeft opgelopen, vaak geen enkel duidelijk letsel vertoont, voordat de maan vier maal haar reis afgelegd heeft. In werkelijkheid laat de ziekte zich niet meteen zien door verwijtende symptomen zodra zij het organisme is binnengedrongen. Enige tijd broedt ze in stilte, alsof ze haar krachten verzamelt voor een nog vreselijkere uitbarsting. In elk geval wordt de zieke tijdens die periode overweldigd door een vreemde lusteloosheid en algehele neerslachtigheid. Zijn geest lijkt zwaar, zijn ledematen zijn slap en verzwakken en zijn niet meer in staat te werken. Zijn ogen verliezen hun helderheid, zijn gezichtsuitdrukking is bedrukt en zijn gezicht is bleek geworden.

Eerst wordt het gif naar de voortplantingsorganen vervoerd, om van daaruit naar de nabijgelegen lichaamsdelen en verder naar de liesstreek te stralen.

Kort daarna verschijnen de kenmerkende symptomen. Als het licht van de dag verdwijnt om plaats te maken voor de schaduwen van de nacht, op het moment waarop de inwendige warmte van het levende lichaam de perifere delen verlaat om zich terug te trekken in de ingewanden, barsten opeens afschuwelijke pijnen los in de ledematen die verzadigd zijn met bedorven sappen en teisteren de gewrichten, armen, schouders en kuiten. Dat komt omdat op dat moment de waakzame Natuur, een vijand van alle onzuiverheden, werkzaam is en zich keert tegen de verrotte giststoffen die door de ziekte de aders binnengebracht zijn en waarmee ze alle sappen heeft doordrongen, alle voedende vochten van het organisme. Zij spant zich in om ze te verdrijven. Krachtdadig bestrijdt zij ze. Maar ze bieden weerstand. Taai en stroperig, verplaatsen ze zich slechts traag. Ze hechten zich aan de spieren, zetten zich vast aan het bloedeloze netwerk van de weefsels en veroorzaken gruwelijke pijnen overal waar ze blijven hangen.

De vluchtigste van deze ziekmakende sappen, de sappen die zich het gemakkelijkst ontlasten, nemen hun toevlucht tot de huid of de uiteinden van de ledematen. Daar brengen ze dan een huiduitslag teweeg, die zich binnen korte tijd uitbreidt over het hele lichaam en het gelaat overdekt met een weerzinwekkend masker.

Deze, tot in onze tijd onbekende huiduitslag, bestaat uit puisten en kegelvormige pukkels die zich, vol bedorven vloeistoffen, al snel openen om slijmerige en giftige wondvochten vrij te geven, soms zelfs uit etterbuilen die op dezelfde manier, diep in de organen, tot ontwikkeling komen en onzichtbaar de weefsels aantasten. Zo is te zien dat vreselijke etterzweren de ledematen bedekken, de botten blootleggen, de lippen opeten en doordringen in de keel, van waaruit dan nog slechts een zwakke en klagerige stem komt.

Weer andere keren wasemt de huid dikke sappen uit, die op het oppervlak van het omhulsel opdrogen tot afschrikwekkende korsten. Iets dergelijks is ook waar te nemen bij de stroperige sappen die uit kersen- en amandelbomen stromen en zich verdichten tot een gomachtige knobbel op de bast van die bomen.

Ach! hoeveel zieken, treurige slachtoffers van deze plaag, hebben met afgrijzen hun gelaat en hun met afschuwelijke vlekken overdekte lichaam gadegeslagen, hun in de knop gesmoorde jeugd betreurd, de goden vervloekt en dreigementen geuit tegen de hemel? Ongelukkigen! De nacht die een zoete rust uitstort over de hele natuur, heeft voor hen geen bekoring meer, want de slaap is hun ogen ontvlucht. Zo ook komt Aurora voor hen zonder aantrekkelijkheid, want zowel dag als nacht brengt hen hun pijnen terug. De genoegens van de maaltijd, vreugdevolle feesten, de roesbrengende gaven van Bacchus, de stadse feestelijkheden, de verrukkingen van het platteland, niets lacht hen nog toe. Vergeefs zoeken zij respijt van hun kwellingen op de door het gekabbel van het stromende water veraangenaamde oevers, in de schaduw van de dalen en de eenzaamheid van de bergen. Wanhopig, verloren, richten zij hun vurige smeekbeden weer tot de goden, branden ter verzoening wierook in de tempels en overladen de altaren met kostbare geschenken. Nutteloze inspanningen! De goden blijven doof voor hun stem en verachten hun offers.

O smartelijke herinnering! In het welvarende Canomania, dat door de Olilius vruchtbaar gemaakt wordt, voordat zij haar wateren uitstort in de Sabine, woonde een jonge en welgestelde edelman, die door heel Ausonia benijd werd vanwege zijn faam en voorspoed. Krachtig en in de bloei van zijn jaren, schepte hij vermaak in het bedwingen van het karakter van een ongetemd paard, in het blinken van zijn helm bij een toernooi met het zwaard in zijn hand, in het wedijveren om een prijs bij sportwedstrijden, in de hertenjacht of het opdrijven van wilde dieren diep in het woud. Zijn gelaat glansde met een goddelijke schoonheid. Gij allen, O nimfen van de Olilius en de Eridanus, godinnen van de velden en de wouden, gij allen zoals ik zei, brandden voor hem geheime vuren en dingden naar zijn liefde. En misschien was het een van u, verstoord door zijn onverschilligheid, waardoor hij de toorn der goden over zich afriep. Helaas! in volstrekte zekerheid leidde hij zijn leven toen hij getroffen werd door de vreselijke gesel. Ach! nooit eerder en nooit meer zal een zo beklagenswaardig slachtoffer gezien worden! De bloem der jeugd, het blaken der gezondheid, de kracht der ziel, dat alles kwijnt in hem weg onder de druk van een meedogenloze ziekte. Een afzichtelijke melaatsheid dringt zijn hele lichaam binnen; zijn gezwollen beenderen vallen ten prooi aan beenvraat, zijn neus wordt opgevreten door een kwaadaardige zweer en als toppunt van kwelling worden zijn zo prachtige ogen, de spiegels van het daglicht, verslonden door een afschrikwekkende ettering! Ten slotte ontfermde de dood zich over hem en verhaastte het einde van zijn marteling. Langdurig werd hij betreurd door de nimfen van de wouden en velden. De Alpen, de Olilius en de Eridanus plengden tranen en de Sabine uitte een gedempt gekreun bij het nieuws van zijn verscheiden.

Dat was het onheil dat Saturnus in die noodlottige tijden op de aarde verspreidde! En niet minder vertoornd op ons, sloeg Mars ons tezelfdertijd met duizenden rampen. Het leek alsof de Eumariden gezworen hadden ons te vernietigen en dat de hel op de bodem van de Styx of de diepten der Tartarus alle gesels ontketend en op ons losgelaten had, een besmettelijke ziekte, oorlog, hongersnood en dood!

O Saturnus, vader van Latium, O beschermgoden van Ausonia, wat hebben uw kinderen misdaan dat zij zulke straffen verdienen? Is er enige kwaal, is er enig leed, waaraan wij niet ontkomen zijn? Is er ooit een natie geweest die nog wreder beproefd is door de wraak der hemelen? Ik, Parthanope, zal als eerste verhalen van de ziekte waaraan gij ons hebt onderworpen, de slachting van uw Koningen, de verwoesting van uw staten, de gevangenschap van uw volk! Moet ik ook spreken over de moordzuchtige veldslagen die getuige waren van het met Frans vermengde Italiaanse bloed? Moet ik verhalen van de dagen van bloedbaden, toen de roodgekleurde wateren van de Tar zoveel oorlogsbuit, zoveel lijken van mensen met verwarde haardossen in de Eridanus uitstortten? Zelfs gij, nimf van de Abdua, moest zien hoe uw borst bezoedeld werd met ons bloed en uw smart kon de Eridanus niet anders verzachten, dan door haar tranen te mengen met de uwe, door haar wateren te verenigen met uw ontroostbare golven! En zo, ongelukkig Ausonia, zo heeft die tweedracht uw macht vernietigd en u beroofd van de scepter der wereld, het erfgoed van uw voorvaderen. Is er, in de hele uitgestrektheid van uw rijk, ook nog maar één strook grond over die niet geleden heeft onder de gewelddaden van verovering, de hoon van de veroveraar en de gruwel van bloedbaden? Geef antwoord, gij oevers die vruchtbaar gemaakt worden door de Erethene, voordat zij zich uitstort in de Adriatische zee en haar wateren mengt met die van de rivier der Euganianen, geef gerust antwoord wijngaarden, die tot dan toe nooit wapengekletter of het razen van veldslagen hebben gehoord!

O mijn vaderland, heilige grond, bakermat der goden, Italië, moeder van zovele helden, weelderig land dat vruchtbaar gemaakt wordt door de Adigus en de Benacus, gij, die eertijds benijd werd door de hele wereld vanwege uw vredige voorspoed, die tegenwoordig uw eigen lotgevallen zou kunnen verhalen, uw rampen opsommen, de tegen u bedreven wandaden en kwellingen? Ach, buig uw hoofd, verberg uw vernederde gelaat. Benacus, verdwijn, uw wateren zullen niet langer het land van de laurierbomen bevloeien! En alsof zoveel ongeluk en zoveel kwellingen niet genoeg waren, is de ergste ramp dat de hoop van Latium, de eer der letteren, de geliefde leerling van Pallas, van ons weggenomen is. Marcus Antonius is niet meer! De jaloerse dood heeft hem uit de armen der Muzen gerukt en besprongen in de lente van zijn jaren. Nu rust hij op de rotsachtige oevers, waar de Benacus zijn ruisende golven overheen rolt. De Nimfen van de Adiga bewenen hem, want de aangrenzende bosschages hoorden op een nacht de zeer geliefde stem van Catullus welluidende jammerklachten slaken op zijn graf. En tezelfdertijd werden onze provincies verwoest en Liguria onderworpen door de legers van de Franse Koning. Van zijn kant joeg de Keizer ijzer en vuur over het gebied van de Eugenianen, waarbij de oevers van de Sila verwoest werden en het opstandige Frioul aan de ketenen gelegd werd. Heel Italië was in rouw en droefenis gedompeld.

Over Syfilis

Boek twee.

Ik zal nu mijn werk vervolgen en een uiteenzetting geven van de leefregel en de behandeling die geëigend zijn om weerstand te bieden aan de ziekte, al naar gelang haar stadia en verschillende uitingsvormen. Ik zal de prachtige middelen bekendmaken die ontdekt zijn om haar te bestrijden.

Aanvankelijk werden, te midden van de opschudding die veroorzaakt werd door een ziekte die tot dan toe onbekend was, duizenden middelen uitgeprobeerd, die allemaal krachteloos waren. Maar aangemoedigd door de pijlen van het lijden en bovendien door uit haar eerste tegenslagen verkregen inzichten, leerde de mens hoe hij nieuwe wapenen kon bedenken tegen deze geduchte vijand. Hij streed tegen de gesel, overwon haar en kon zich op een dag tot overwinnaar uitroepen.

Om de waarheid te zeggen, geloof ik dat goddelijke hulp niet vreemd was aan deze overwinning en ons naar behoefte steunt in deze wrede beproevingen. Want in de tijd dat de kwaad aanrichtende sterren ons overlaadden met hun toorn, keek de Hemel vol mededogen op ons neer en schonk ons, te midden van onze tegenslagen, dagen van vredige voorspoed. Zonder twijfel heeft onze tijd talloze tegenslagen gekend. Ze heeft gezien hoe de wereld binnengevallen werd door een nieuw pestilentie, gezien hoe goddeloze oorlogen rijken ten val brachten en onze verwoeste huizen doordrenkt raakten met bloed, verschrikkelijke branden hele steden in as legden, heiligschennende krijgsbenden heilige tempels ontheiligden, verschrikkelijke hongersnoden het universum ontvolkten, overstromingen onze velden onder water zetten en op hun weg mensen, kudden, gewassen en wouden meesleepten. Maar anderzijds heeft ditzelfde land de prachtigste schouwspelen aanschouwd, die ooit in alle eeuwigheid zijn voortgebracht. Het heeft gezien hoe onze onverschrokken vloten de onmetelijkheid van de zee veroverden. De Hesperiden, buren van Atlas, hadden wij al ontdekt. Wij hadden Presson, onder de pool van Antarctica, al gerond, de steile oevers van de Raptus verkend en de schattingen van Perzië en Arabië geïnd. Maar al die veroveringen waren niet toereikend voor onze eerzucht. Wij moesten de grenzen van de oude wereld verleggen. Daartoe drongen onze dappere zeevaarders, voorbij de Indiën en de Ganges, door tot de streken die het rijzen van Aurora aanschouwen en verder, naar Cyambus, dat ons met zijn wouden ebbenhout en nootmuskaat verschaft. Voor deze dingen en geleid door de goden, bereikten onze heldhaftige groep een nieuw continent, anders dan het onze, zowel wat zijn volkeren betreft als de pracht van zijn sterrenhemel.

Onze tijd mag zich ook prijzen voor de voortreffelijke dichter, die in zijn versregels de grote kringlopen van de sterren huldigde en de tuinen van de Hesperiden en de omwentelingen van het uitspansel. Parthenope en Sebethus prezen het goddelijke metrum van zijn verzen en Vergilius schudde zijn gezegende lange haren bij het horen van zijn stem.

En als gij, luisterrijke Bembo, mij dwingt u hier te vergeten, u en verschillenden van onze tijdgenoten, wie het dankbare nageslacht dezelfde status zal toebedelen als de grootste geesten van de Oudheid, hoe zou ik dan niet, onder de trots van dit land, de naam kunnen vermelden van de voortreffelijke paus, aan wie Rome vol fierheid gehoorzaamt en op wie Latium zich zo beroemt? Onder uw bescherming, O Leo, zijn de kwaadaardige invloeden van de sterren verdwenen en heeft Jupiter op ons louter de goedgunstige vuurgloed van zijn zuiverste lichtstralen gestort. Gij zijt het en gij alleen, die na zoveel beroeringen en stormen de verbannen muzen naar ons teruggehaald heeft. Gij zijt het die Italië zowel haar oude wetten heeft teruggeven, als haar heiligdommen van gerechtigheid en haar heilige tempels. Gij zijt het die ter verdediging van Rome en onze altaren, nu voorbereidingen treft voor een heilige kruistocht. En alleen al bij het geluid van uw wapenen, beven de Eufraat en de Nijl van angst, trekt de Euxine zich geschrokken terug en vlucht de nimf van de Egeïsche Zee geheel verdwaasd naar de kusten van de Dorische Zee.

Maar ik moet andere stemmen de eer laten al die schitterende feiten te loven! Misschien nobele Bembo, dient gij er zelf zorg voor te dragen om voor de komende tijden de gedenkwaardige geschiedenis vast te leggen. Mijn muze waagt het niet te dingen naar zulke onderwerpen. Zij heeft zich een nederigere taak gesteld, en daar zal zij zich mee bezighouden.

De samenstelling van het bloed is niet bij alle zieken hetzelfde. Als het zuiver is, vormt dat een gunstig voorteken; als het daarentegen dik, overvloedig en vermengd met gal is, zal de ziekte onder dat soort omstandigheden ernstiger en weerspanniger zijn en alleen maar aanleiding geven voor het inzetten van zowel ingrijpendere als krachtigere maatregels.

Het belangrijkste voor genezing is de ziekte meteen bij het begin te verrassen, haar te smoren in de kiem, voordat ze de tijd gekregen heeft om de ingewanden binnen te dringen. Want als ze eenmaal het organisme binnengedrongen is, als ze zich daar gevestigd heeft en haar verwoestingen aanricht, is het helaas! slechts ten koste van pijnlijke ervaringen dat iemand er in kan slagen haar te verdrijven. Leg u er daarom vooral op toe haar meteen in het begin te bestrijden en grif de volgende voorschriften in uw geest.

Zieken, de hoedanigheid van de lucht die gij inademt, is allesbehalve om het even. Leer hoe gij de winden uit het Zuiden kunt vermijden, ontvlucht mist en natte grond met verderfelijke uitwasemingen. Kies een verblijf in een gunstige streek, met een vrije horizon of ergens een zonovergoten helling. Alleen daar zult gij zuivere lucht vinden, die doorlopend ververst worden door een bries en de aangenaam koele westenwinden.

Hoed u in het bijzonder voor luiheid en onverschilligheid. Kom in beweging, ga de beer en het wilde zwijn in hun schuilplaatsen opdrijven, bejaag het hert vanaf de toppen der bergen tot laag in de dalen en tot diep in de wouden.

Want vaak heb ik de ziekte zien afnemen door zweten en genezen na lange afstanden rennen in de wouden. Dat is niet alles. Sla zonder valse schaamte de hand aan de ploeg en duw haar schaar diep in de aarde. Ruk gewapend met een schoffel het onkruid uit, bekap met een bijl de hoog oprijzende eik, ontwortel de plataan. Blijf zelfs thuis en ‘s avond niet stilzitten. Laat dansen, pluimbal en worstelschool nuttige en heilzame oefeningen voor u zijn. Geef de ziekte geen respijt! En als gij bij zulke inspanningen de bekoringen van zoete rust en de genoegens van een zachte en donzige rustbank bitter betreurt, bied dan weerstand, bied moedig weerstand! Slaap en rust zijn uw vijanden. Onder het mom van bedrieglijk gemak, zouden ze niets anders doen dan de ziekte in uw binnenste voeden en verergeren.

Werp angsten, vooroordelen en spijt ver van u af. Ver van u af ook het ongemak van hartstochten en de voortdurende aandacht voor studie! Wat gunstig is voor uw toestand zijn de weldadige bezigheden van de muzen, vrolijke gedichten en dartele dansen. Bezwijk niet voor de bekoringen van de liefde. Niets kan schadelijker zijn en uw kussen zouden de dochters van Venus kunnen bezoedelen met een weerzinwekkende besmetting. Niets is belangrijker voor u dan het regelen van uw dieet en de keuze van de voedingsmiddelen. Verdubbel op dit punt uw aandacht en waakzaamheid. Verban op de eerste plaats alle vis van uw tafel, wat het ook moge zijn, vissen uit rivieren en vijvers, uit zoet of zout water. Bezondig u in geval van nood hoogstens aan vissen die gevangen zijn bij steile oevers of watervallen en waarvan het vlees wit, zacht en fijn is. Dat zijn bijvoorbeeld de kabeljauw, de karper, de riviergrondel, de baars, de vriend van rotsachtige kusten en de meryx, de enige herkauwer van de zee en de doorlopende bezoeker van riviermonden. Zie ook af van watervogels die aan rivieroevers of in moerassen leven en zich alleen maar met vis voeden. Vermijd evenzo de eend met zijn met vet verzadigde vlees, de gans, die lang geleden het Capitool redde, de volwassen kwartel, het spek en de ingewanden van het varken, het lendevlees van de beren die gesneuveld zijn onder uw slagen in moordzuchtige jachtpartijen, koude komkommer, prikkelende truffels, artisjokken, uien met een scherpe en prikkelende smaak en azijn en melk.

Laat u niet verleiden door de parelende of schuimende wijnen van de kusten van Corsica, Falernum of Puini, of die in onze kleine wijngaarden gemaakt worden van de druif van Rhetia. Niets zal minder gezond voor u zijn dan de lichte wijnen van de Sabine of die waarvan de Najaden de overvloedige geuren hebben afgezwakt. Anderzijds omvat alles wat gij onbeperkt mag gebruiken alle eenvoudige voedingsmiddelen die heilzaam zijn en waarin de Natuur overvloedig voorziet in tuinen, en die de goden een genoegen zijn: munt, kers, cichorei, melkdistel waarvan de bloemen bij vorst rijp trotseren, suikerwortel, de vriend van kleine riviertjes, zoete marlum, kalmoes met zijn welriekende geur, de kokette melisse, ossetong die het best gedijt op de randen van bronnen, raket, spinazie, zuring, zeevenkel met zoutige knoppen, hop die struiken met elkaar verweeft, heggenrank die zijn groenverkleurende zaden verspreidt en waarvan ik u aanraad de jonge exemplaren te verzamelen voordat de volwassen tak de spruiten heeft bedorven. Maar ik hou nu op, want ik kan ze niet allemaal opnoemen. Andere zorgen vragen ook mijn aandacht. O muze, het is tijd om de schaduw van Aonia te verlaten en het domein van de natuur te betreden. Een nieuwe taak dient zich aan. Moge ik daar, bij gebrek aan dichterlijke lauwerkransen, de bescheidener kroon van eikenbladeren oogsten, als prijs voor mijn inspanningen, gewijd aan het redden van zovele slachtoffers! Als de ziekte in de Lente of soms in de Herfst optreedt, als de zieke jong, stevig en volbloedig is, is het aangewezen de vena basilica te openen of soms de vena media, om het lichaam te ontdoen van het bedorven bloed. Haast u bovendien, ongeacht het seizoen, purgeermiddelen aan het werk te zetten, want dat is het zekerste middel om kwalijke sappen en ziekmakende giststoffen af te drijven. In ieder geval is het goed daar pas naar te grijpen na zorgvuldige voorbereiding van de afvoerkanalen met ontzwellende middelen, bijtende geneesmiddelen en dergelijke, om het uit te stellen. Nu, aan het werk! Bereid allereerst een afkooksel waarin gij aan de tijm van Kreta die van Pamphilië toevoegt die zozeer op hout lijkt, althans in hardheid, de toppen van de hopplant met zijn kronkelende stengel, venkel, selderie, duivenkervel, waarvan de bladeren lijken op zeewier, dat haarvaten heeft die droog blijven in de diepten der wateren, de steriele schubvaren en de roodachtig vezelige tong van een mannetjeshert. Gebruik dit middel totdat alle sappen weer helemaal zuiver zijn. Grijp dan een gunstige gelegenheid aan om de geschikte eigenschappen te benutten van de hyacint met haar scherpe smaak, de bittere kolokwint, helleborus, zeester waarvan de bloemen driemaal daags van kleur veranderen, gember, wilde komkommer, olibanum, mirre, bdelium, ammoniacum, opoponax en de iris. Als gij dat gedaan hebt en uw gestel broos of verzwakt is en het gebruik van deze krachtige middelen niet kan verdragen, is het verstandig alleen uw toevlucht te nemen tot een medicijn dat milder is en langzamer geneest. In dat geval dienen de volgende middelen gebruikt te worden om de genezing te voltooien en de laatste overblijfselen te verdrijven van een ziekte die altijd de verraderlijk neiging vertoont om weer te verergeren.

Allereerst zijn, vanwege hun uitdrogende en ontsmettende eigenschappen, allerlei harsachtige stoffen aangewezen, zoals mirre, olibanum, hars van de ceder, rooibos, de cipres met haar groenblijvende bladeren, de galingaat, welriekende cassia, de kaneelboom met twee geuren, kardemom en hout van de nootmuskaat en aloë. Ook de moerasgamander is een sterkwerkend tegengif dat met zijn krachten de gevolgen van alle vergiften en elke besmetting uitdrijft. Deze waardevolle plant groeit in de beemden en aan de rand van moerassen. Gij kunt die gemakkelijk herkennen aan zijn paarse bloemen, de geur van knoflook en zijn uiterlijk dat doet denken aan de gewone gamander. Ga in de ochtend, bij zonsopgang, de bladeren en wortels verzamelen en bereid daarmee een heilzaam afkooksel waar gij lang gebruik van kunt maken.

En gij in het bijzonder, nobele citroenboom, trots van de Hesperiden, kostbare gave van het Oosten, vrees niet dat mijn muze u hier zal vergeten. Gij die al befaamd gemaakt zijt door luisterrijke dichters, verwaardig u het eerbetoon te aanvaarden van een arts. Moge uw kruin gekroond worden met eeuwigdurend gebladerte, moge uw dikke takken versierd worden met welriekende bloemen en buigen onder het gewicht van uw gouden vruchten! Goddelijke boom, die door Venus begiftigd is met wonderbaarlijke krachten als nagedachtenis aan haar geliefde Adonis, wij verwelkomen u, gij die ons in onze huidige beproevingen de nuttigste hulp voor onze ziekte verschaft.

De noeste arbeid van de mens heeft nog een hulpmiddel bedacht. Zie die glazen bol met smal toelopende hals en een wat ronde buik. Er is net wat water ingegoten met een paar handenvol bladeren van de klimop en vuurwerkplant of wortels van de iris of perprunum en vlier. Binnen korte tijd begint de vloeistof, onder invloed van de vlammen, zachtjes te koken. Vluchtige dampen komen vrij en vullen de bovenkant van het apparaat, maar amper hebben zij de wand beroerd, die gekoeld wordt door de buitenlucht, of ze verdichten zich tot dauwdruppels, die door de dop heen stromen en in de kronkelige buis terechtkomen. De door dit vernuftige distillatieproces verkregen vloeistof bezit wonderbaarlijke krachten die de laatste giststoffen van de ziekte oplossen. Een heel glas vol warme vloeistof moet ’s ochtends in bed ingenomen worden, teneinde overvloedig zweten te bewerkstelligen. Tijdens deze behandeling treden af en toe vreselijke pijnen op, die voor de ledematen een wrede marteling betekenen. Haast u die te verlichten door het gebruik van verschillende ter plaatse aangebrachte middelen, zoals met name wolvet, mastiekolie, ganzenvet, lijnzaad, narcissen, vlier, honing, Kretensische saffraan en oliedroesem.

Andere keren verschijnt er een kwaadaardige zweer in mond of keel. Pak dat zonder dralen aan met kopergroen, om het in de kiem te smoren, voordat het zijn verwoestingen heeft aangericht. Deze bijtende stof, die in verband gebracht wordt met vetten en uitdrogende stoffen, zal evenzeer nuttig zijn bij het vernietigen van etterbulten, en het verlittekenen van eeltplekken en invretende zweren. Maar ik veronderstel dat gij die hele reeks middelen al vergeefs gebruikt hebt, of misschien hebt gij, ongeduldig over die trage werking en vertrouwend op uw eigen kracht en gezondheid, besloten u tot krachtigere middelen te wenden om de zaak met uw gehate vijand zo snel mogelijk af te handelen. Het zij zo! Ik zal u laten zien wat die krachtige en snelwerkende manieren zijn waarmee gij in korte tijd kunt zegevieren over een ziekte die doorgaans langdurig en hardnekkig is en daarnaast onderhevig aan terugvallen en weerspannig is tegen milde medicijnen. Maar ik zal u ook duidelijk maken welke prijs gij moet betalen voor uw overhaaste verlossing van die ziekte.

Allereerst is er de behandeling die bestaat uit het toepassen van dampbaden van styrax, zwavelkwik, loodmenie, spiesglans en wierook. We beschikken hiermee zonder twijfel over een werkzame medicatie, die er in slaagt het lichaam te reinigen van zijn vreselijke smetten, maar wel uitermate krachtig en prikkelend is, en een onzekere afloop biedt. Bovendien worden er ademhalingsproblemen door teweeggebracht tot werkelijke verstikking aan toe. Daarom zouden die dampbaden naar mijn mening nooit toegepast moeten worden op het hele lichaam. Het is verstandig hun werking te beperken tot de gedeelten waar de huiduitslag en zweren zich bevinden. Een ander methode waarbij kwik de basis vormt is veel verkieslijker. De uitwerking van kwik op de gesel is inderdaad wonderbaarlijk, of omdat het door zijn natuurlijke verwantschap met warmte en koude geschikt is om het verterende vuur van de ziekte in zich op te nemen, of omdat het door zijn verrassende dichtheid in staat is de sappen te scheiden en te verwijderen. De reden daarvan is dat het overeenkomt met de stof die aan gloeiendheet ijzer een bijtende werking geeft die opvallender is dan die van een vuurvlam, of omdat zijn beweeglijke en doordringende moleculen, die in staat zijn diep de weefsels binnen te dringen, zo krachtig zijn dat ze de onzuivere gisten van de ziekte tot diep in de organen kunnen achtervolgen en zelfs verteren, of tot slot, omdat zijn magische eigenschappen ontleend zijn aan een of andere occulte kracht, waarvan het geheim ons ontgaat. Maar ik hou op, want eerst moet ik hier vertellen hoe dat middel door een goddelijk ingrijpen onthuld werd aan de mens en in mijn versregels deze goede daad van de goden loven.
 

In een vallei in Syrië, beschaduwd door het uitbundige gebladerte van wilgenbomen en doorsneden door de ruisende wateren van de Callirhoe, woonde vroeger, naar verluid, een boer die Ilceus heette. Hij verdeelde zijn rustige leven tussen de werkzaamheden op zijn akker en het verzorgen van zijn tuin, die gewijd was aan de goden van het veld en waarin dankzij zijn zorgen galingaat, de cassiaboom en welriekende gember groeiden. Plotseling, O gruwel, werd hij getroffen door de verschrikkelijke plaag. In zijn nood riep de ongelukkige man de Hemelen te hulp: “Gij goden, die ik aanbid,” riep hij uit, “erbarm u over mijn kwellingen! En gij, weldoende Callirhoe, gij die altijd onze kwalen geneest, vergeet niet dat ik pas een paar dagen geleden u op de stomp van een eik een offer gebracht heb van het karkas van het hert dat onder mijn slagen gevallen was. Machtige goden, als uw barmhartigheid mij verlost van deze vreselijke ziekte, die mij dag en nacht kwelt, zal mijn dankbare hand niet aflaten uw altaren te overladen met kransen en bloemen. Vanaf die tijd zullen mijn mooiste viooltjes en witste lelies voor u zijn, voor u de ontluikende rozen en de eerste hyacinten van mijn nederige oord.” Hij sprak en viel uitgeput neer op het gras.

Op dat moment was Callirhoe zich aan het baden in een belendende grot. Ze hoorde zijn gebed en zijn plechtige beloften. Meteen gaf ze Ilceus antwoord met het koesterende geruis van haar kristalheldere wateren die de bemoste rotsen bevloeiden. Daarna deed ze hem in slaap vallen om zijn pijnen te verzachten, en terwijl hij vredig rustte onder de verfrissende schaduw van de wilgen verscheen zij hem, opstijgend uit de diepten der wateren, in een droom en sprak:

“Ilceus, als antwoord op mijn smeekbede hebben de goden tenslotte medelijden met u betoond, maar helaas! gij zult de het middel, het enige middel dat u kan genezen van uw kwalen, vergeefs najagen in dit deel van de wereld dat door de Zon met zijn stralen verlicht wordt. Dit is de meedogenloze kastijding waarmee Diana en haar broeder Apollo u bezocht hebben, op de dag dat gij met uw pijlen het heilige hert doorboorde, met het karkas waarvan gij voor mij een offer toebereid hebt. Diana zag uw slachtoffer hijgend op de grond liggen, badend in zijn bloed. Zij zag uw noodlottige zegeteken hangen aan een van de eikenbomen van het nabijgelegen bos en in haar smart vervloekte ze u! Zij is het en de zoon van Latona die, verstoord over u door de woede van zijn zuster, u hebben geslagen met een vreselijke ziekte en beiden hebben gezworen dat gij nergens, zover hun rijk zich uitstrekt, baat zult vinden voor uw kwellingen. Als enige uitweg rest u uw redding te zoeken in de diepten der aarde en de duisternis van de onderwereld. Luister! Hier in de buurt is een rots, waaronder zich een duistere spelonk bevindt. Voor de ogen van stervelingen ontvouwt zich daarin een ondoordringbaar woud van eikenbomen en een vreselijke en angstaanjagende kloof, waarin alleen de ceder met klaaglijk gejammer de eeuwige stilte verbreekt. Laat de volgende zonsopgang u daar aanschouwen, offer een zwart schaap en draag het op aan Cybele en brandt cypres en thuja ter ere van Erebus en de schimmen en onbekende goden van de Tartarus. Uw gebeden zullen verhoord worden en er zal een nimf verschijnen die zich aan u aan zal bieden als gids voor uw stappen op duistere wegen die naar het middelpunt van de aarde leiden. Zelf zal zij u ook het middel aanwijzen waarom u gesmeekt hebt. Wees dapper! En denk niet dat gij dit keer misleid wordt door de zinsbegoocheling van een droom. Kijk, kijk wie ik ben! ik ben Callirhoe, de bevriende Nimf, wier wateren de velden bevloeien die gij bewerkt.” Ze had gesproken en stortte zich terstond in de blauwe golven.

Ilceus ontwaakt in een vreugderoes. “Weldoende godin,” roept hij uit, “ik aanvaard uw voorteken, ik zal u gehoorzamen. Overal waarheen uw stem mij roept, zal ik gaan!”

De volgende dag begaf hij zich, bij het eerste licht van het ochtendgloren, naar de spelonk. Hij ontdekt de ingang onder reusachtige rotsblokken, die door de boom van Jupiter met haar takken wordt bedekt. Op de rand van de kloof offert hij een zwart schaap dat hij als offergave opdraagt aan de machtige Cybele. Daarna brandt hij cypres en thuja ter ere van Erebus en de goden van de duistere oevers. Plotseling weerklinkt een stem die de onderaardse echo’s overstemt. Het is de gezegende stem van de godin!

De nimfen der aarde, die belast zijn met de metalen, waren op dat moment bezig met het mengen van vloeibaar zwavel met de zilverkleurige vloeistof van kwik, een wonderbaarlijk amalgaam dat gehard door het bad, in zuiver goud verandert. Allen waren bereid tot dat goddelijke werk, dat stervelingen onbekend is en ze smolten honderd gloeiende lichtstralen en honderd moleculen verbrande lucht samen met tweehonderd kiemen die ze onttrokken hadden aan de ingewanden der aarde en de diepten van de wateren. En toen de stem van Cybele weerklonk, schortten ze, gegrepen door een godvrezende waarschuwing, hun bezigheden op en een van hen maakte zich los van haar metgezellen en begaf zich terstond naar de ingang van de spelonk. Het is de nimf Lipara aan wie in het duistere rijk de taak is toevertrouwd om met vuur goud, zilver en het gezegende bitumen te zuiveren. Ze richtte zich tot Ilceus en sprak tot hem: “Ik ken uw naam en uw tegenslagen. Ik ken het doel dat u hier brengt. Vrees niet. Het is niet vergeefs dat een door ons beminde godin u haar hulp toegezegd heeft. Het geneesmiddel dat gij zoekt is hier. Kom, volg me over deze duistere paden, die naar ons domein voeren. De nimf die tot u spreekt zal uw voetstappen leiden.” Bij deze woorden overschreed zij de drempel. Ilceus volgde haar zonder aarzeling. Wat een schouwspel ontvouwde zich voor zijn ogen! Hier waren gapende afgronden, daar enige onderaardse rivieren en elders peilloze diepten gevuld met een eeuwig lichtschijnsel. “Hier zijn we,” zegt Lipara, “in het rijk der Aarde. Enige goden hebben deze duistere streken onder elkaar verdeeld. Onder uw voeten strekt zich het koninkrijk van Proserpina uit. Op zijn gewelven bevinden zich de heilige bronnen, waaruit de rivieren ontspringen, die daarna hun donderende wateren naar de zee dragen. Voor ons is dit ons domein. Mijn zuster en ik vervaardigen brons, zilver en goud. Ik ben het die door de uiteengespleten flanken van deze bergen de zwaveladers leidt, waarvan de weldadige damp zich vermengt met het water van uw beminnelijke vriendin Callirhoe.” In die duisternis vervolgden zij hun weg en weldra begonnen ze de gedempte geluiden te horen van de onderaardse ovens, het door zwavel teweeggebrachte knetteren van de vlammen en het klotsen van het traag kokende brons. “Nu naderen we,” vervolgde de nimf, “het oord waar Cybele de metalen vervaardigt die bij de stervelingen zo uitgesproken jaloersheid verwekken. Duizend godinnen, dochters van aarde en nacht, verblijven in deze duistere woonplaatsen en wijden zich daar aan talloze taken. De een verdeelt de wateren, anderen graven in de aarde om de schaarse kiemen van vlam en vuur te verzamelen, tot slot stellen anderen weer de metaallegeringen samen, die zij vervolgens in mallen gieten of harden door ze af te koelen. Het smalle pad dat u aan uw linkerhand ziet leidt naar het arsenaal van de Cyclopen van de Etna, die onafgebroken op de weergalmende aambeelden ijzer hameren en wier smidsen wervelwinden van rook uitbraken tot in de verre verten. Deze andere weg, aan uw rechterhand, zal u eindelijk het geneesmiddel verschaffen, het enige geneesmiddel dat heilzaam is voor uw ziekte.”

De gewelven van de brede weg die zij toen betraden was gegarneerd met zinkerts en doorschoten met gouden en zilveren aders, die fonkelend weerspiegelden. Toen bereikten ze de oevers van een rivier met zilverachtige wateren. “Ilceus,” spreekt de nimf, “eindelijk hebt gij het einde bereikt van uw beproevingen. Als die gezegende stroom driemaal over uw lichaam is gegaan, zult gij verlost zijn van uw ziekte en haar onzuivere vergif.” Bij deze woorden, dompelde ze driemaal haar maagdelijke hand in de rivier. Driemaal neemt zij daar een handvol vloeibaar metaal uit en driemaal spreidt ze die uit over de ledematen van Ilceus. O wonder! De ziekte verdwijnt op stel en sprong en haar afschuwelijke overdekking wijkt bij aanraking door deze glimmende vloed en is meteen verdwenen! “Ga nu,” gaat Lipara verder, “en ga op zoek naar het daglicht, de zuivere hemel en de gelukkige streken die door de zon beschenen worden. Maar laat uw eerste zorg zijn een zoenoffer aan Diana te brengen, aan de goden van dit sombere oord en aan de godin die uw leven heeft gered.”

Ze had gesproken en vervolgde de weg naar de spelonk. Ilceus volgde haar, in een roes van dankbaarheid en vreugde. Weldra overschrijdt hij de drempel van het duistere rijk en aanschouwt weer de stralende helderheid van de dag. Meteen werd dit wonder vermaard en al gauw waren de voortreffelijke eigenschappen van kwik bekend in het hele universum.

Aanvankelijk werd kwik samen met varkensvet gebruikt. Later werd het toegevoegd aan terpentijn uit Epirus en hars van de majestueuze berk. Tegenwoordig gebruiken bepaalde artsen het samen met paardenreuzel en berenvet, of bdellium en sap van de ceder, andere met mirre, mannelijke wierook, mibium en brandende zwavel. Ik zelf verkies het te mengen met een mengsel van zwarte helleborus, iriswortel, galbanumhars, duivelsdrek, mastiekolie en olie van onbewerkte zwavel.

Zieken, neem geen respijt van de walging die door dit geneesmiddel veroorzaakt zou kunnen worden! Want het kan wel weerzinwekkend zijn, maar de ziekte is dat nog erger. Bovendien is dat de prijs die gij voor uw genezing betaalt. Smeer dus zonder aarzelen dit mengsel op uw lichaam en bedek uw hele huid ermee, met uitzondering van uw hoofd en de streek boven uw hart. Wikkel u dan zorgvuldig in wol en hennep, ga naar bed, bedek u met dekens en wacht zo tot het zweet uw ledematen baadt in onzuivere dauw. Doe dit tien dagen achtereen, want tien dagen zult gij deze wrede beproeving, waarvan de uitwerking ervoor zal zorgen dat gij niet talmt, moeten ondergaan.

Om de waarheid te zeggen, heel gauw zal een onfeilbaar voorteken u het uur van de vrijheid aankondigen. Heel gauw zult gij voelen hoe de giststoffen zichzelf oplossen in uw mond onder een weerzinwekkende speekselvloed en zult gij zien hoe het gif, met name het gif, zichzelf aan uw voeten zal ontlasten in vloedgolven van peeksel.

Als zich tijdens deze behandeling zweren ontwikkelen in uw mond, let dan op dat gij ze bestrijdt door te gorgelen met melk of met een afkooksel van granaatappel en liguster. Als deze behandeling voltooid is, moogt ge Bacchus terugroepen naar uw tafel en in volle vrijheid genieten van de weldadige nectar uit Phetia, Falernum en Chios.

Als de ziekte aldus bedwongen is, rest u ten laatste nog iets heel eenvoudigs te volbrengen, om uw zegevierende inspanningen te voltooien. Dat is het zuiveren van uw lichaam met wassingen, waarvoor lavendel, marjolein, rozemarijn, ijzerhard en salie u hun welriekende geuren bieden.

Over Syfilis

Boek Drie

O muze, voorbij de zuilen van Hercules eist een nieuwe wereld u op. Hoor hoe de ruisende golven u roepen naar verre kusten. Ga, geef gehoor aan uw bezieling en loof in versregels de uitheemse boom die onze pijnen verlicht en een grens stelt aan onze kwellingen. En gij, hemelse Urania, bekleed u met uw medische purper, toon de bevolking van Italië uw voorhoofd, gekroond met de majesteitelijke twijgen van de Guajak, en verhaal de schitterende wonderen waar onze tijd getuige van is.

O! heroïsche tijd, moge een luisterrijk dichter ooit de klanken van zijn lier aan u wijden! Laat hem dan, deze bezielde bezinger van helden en roem, verhalen hoe onze vermetele vloten uitzeilden om voorbij de onbekende zeeën een ander continent te ontdekken! Laat hem zingen over de onlangs ontdekte nieuwe werelden, hun steden, hun rivieren, hun verschillende volkeren, hun vreemde gewoonten, hun hemelkoepel bezaaid met glinsterende sterren! Laat hem vertellen over de gevechten, de gedenkwaardige veldslagen, die een tot dan toe onbekend continent onderwierpen aan onze wetten! Laat hem, ter bewondering van komende tijden, aandacht vestigen op de broze bark die helemaal alleen met haar stoutmoedige voorsteven de onmetelijkheid der zeeën doorkliefde! Zalig de gunsteling van Apollo, die zulke wonderen waardig kan beschrijven! Mijn muze zou het niet wagen naar die prachtige taak te dingen. Bescheidener als zij is, zal zij niets anders doen dan hier een gezegende boom prijzen. Zij zal zijn deugden opsommen, zij zal verhalen hoe hij is ontdekt en vanaf een verre kust tot ons is gekomen.

Onder de gloeiende vuren van de Kreeft, te midden van een onmetelijke zee, waarin de zegewagen van Phoebus aan het einde van de dag onderduikt, strekt zich een eiland uit, waarop de Spaanse zeevaarders voor het eerst voet aan land zetten en ter gedachtenis aan hun vaderland Hispaniola noemden. Dat land is bezaaid met goud, maar wat daarvoor een grotere rijkdom dan goud betekent, is de kostbare boom waaraan de inboorlingen de naam Guajak hebben gegeven.

De guajakboom heeft een ranke en ronde stam. Zijn takken waaieren breed uit en buigen onder een dik bladerdek, dat altijd groen is. Zijn vruchten bestaan uit talloze bessen, die een scherpe smaak hebben.

Zijn hout is hard als ijzer. Bij verwarming geeft het een plakkerige hars af. Doorgesneden toont het een aangename kleurschakering, groen en glanzend als laurier meteen onder de bast, neemt het wat dieper de bleekgrijze kleur van buxus aan en wordt donkerder tot zwart aan toe in het middengedeelte, zodanig dat de tinten zowel aan ebbenhout als walnoot doen denken. Neem aan dat aan deze verschillende kleuren rood is toegevoegd, dan zou de diamanten boog van Iris niet rijker gestreept zijn.

De inboorlingen wijden uiterst veel zorg aan het kweken van deze boom. Zij dwingen zichzelf die te vermeerderen en bedekken er hun hoog- en laagvlakten mee. Zij koesteren en vereren hem als ware het een reddende god. En dat is niet zonder reden, want hij alleen verschaft een geneesmiddel tegen een onverzadigbare plaag, die door de toorn der hemelen bij hen in stand gehouden wordt.

Dit middel wordt door hen als volgt toebereid: een krachtige tak wordt van de boom gehaald, ontdaan van zijn bast, afgeschraapt en vermalen. De zo verkregen verschillende stukjes worden eerst gedurende een dag en nacht in water gelegd om te verteren en daarna blootgesteld aan de inwerking van vuur. Er wordt acht op geslagen dat het koken van het mengsel zorgvuldig geschiedt, zodanig dat vermeden wordt dat het overkookt, om zodoende niets te verliezen van de het schuim, een gedeelte dat nuttig toegepast kan worden bij zweren en abcessen. Aldus wordt de vloeistof verdampt totdat de helft over is en daarna zorgvuldig afgekoeld. De overgebleven vaste stof wordt opgelost in water, geschud met honing en daarna opnieuw aan de kook gebracht met precies dezelfde zorgvuldigheid.

Van deze twee achtereenvolgens bereide afkooksels wordt het eerste als geneesmiddel toegediend in de dosering van tweemaal daags een vol glas, waarvan het eerst ingenomen moet worden bij het rijzen van Aurora en het andere op het moment dat de schemering op de Olympus haar schaduwen begint te werpen. Het tweede is de enige drank die, volgens nationaal gebruik en de religieuze wetten, door zieken tijdens hun maaltijden gebruikt mag worden. De tijd tussen het innemen van het ene en het andere afkooksel moet even lang zijn als het een ster kost om haar baan af te leggen tot die samenvalt met die van de Zonnewagen.

Gedurende het hele verloop van deze behandeling worden de zieken dicht opeen opgesloten in een degelijk afgesloten ruimte, beschut tegen kou, buitenlucht en het tochten van de winden. Ze beperken zich tot een uiterst streng dieet, afgezien van de hoeveelheid die onmisbaar is om de lichaamsfuncties in stand te houden en te overleven. Dat dieet verdragen ze echter met gemak, dankzij de gezegende dranken die hen als het ware als de hemelse godenspijs ondersteunen en hun uitgehongerde lichaam de geheime beginselen van weerstand en voeding verschaffen. Na elke inname van het geneesmiddel gaan ze zorgvuldig gedurende twee uur op bed liggen om de goddelijke nectar hun organen binnen te laten dringen en hen te zuiveren door heilzaam zweten.

En, Diana, O wonder, heeft haar werk, dat reeds onthuld wordt door de uitwerking van het geneesmiddel, nog niet voltooid.

Het is het kwaad! De puisten drogen in, de zweren genezen, de pijnen verdwijnen en met de terugkeer van de gezondheid is de bloei der jeugd herboren.

Ik zal verhalen hoe een goddelijke hand de inboorlingen van de nieuwe wereld dit geneesmiddel aanwees en hoe de behulpzame Schikgodinnen het naar ons toe brachten.
 

Vertrokken vanaf de kusten van Spanje, op zoek naar een andere wereld, zeilde een stoutmoedig flottielje uit naar verre zeeën die zich bevinden daar waar de Zon ondergaat. Onzeker over hun koers, voeren ze op goed geluk verder op onbekende wateren. Om hen heen dromden talloze Nereïden. Het waren de nimfen van die onverkende zeeën, die allemaal hun vochtige verblijfplaats hadden verlaten om de gevleugelde schepen te gaan bekijken die hen, met hun zeilen aan de wind, op de zee leken te vliegen.

Het was nacht. Vanuit de serene welving van het uitspansel verspreidde de maan haar zuivere stralen op het golvende oppervlak van de wateren. Terwijl hij smekende blikken op die ster richtte, riep de held die het bevel over de vloot voerde, hij die door de Schikgodinnen uitverkoren was voor het grootse werk dat geen voorbereiding behoeft, de dochter van Latona aan met de volgende woorden: “O Phoebe, koningin der nacht, heerseres over deze wateren, tweemaal hebt gij uw zilverachtige maansikkel naar ons toegekeerd, tweemaal hebt gij uw baan voltooid en toch verschijnt voor onze ogen slechts de onmetelijkheid der wateren. Het land ontvlucht ons. Wees ons genadig en laat ergens aan de horizon een kust verschijnen en leidt ons, O godin, naar de wereld waar wij al zolang naar op zoek zijn!”

Diana hoorde de smeekbede en terstond daalde zij af uit de hemel, nam de gedaante aan van de Nereïden Cynothos en Clotho, mengde zich onder de groep nimfen die de vloot omringden en antwoordde de held met deze woorden: “Houd moed, geliefde zoon, houd moed! De lichtende dagen zullen niet eindigen zonder dat er land voor uw ogen zal opdoemen, zonder haven om uw schepen te beschutten. Maar ga niet aan land op de eerste kust die gij zult tegenkomen. Het is verder dat de Schikgodinnen u roepen. Voorbij deze zeeën bevindt zich een groot eiland met de naam Ophir. Pas daar moet gij uw reis beëindigen en de hoofdstad van uw rijk stichten!”

Ze had gesproken en beroerde het schip met haar hand, dat, voortgedreven door gunstige winden, sierlijk over het azuurblauw van de wateren gleed.

Amper is de wagen van Phoebus opgedoken uit de wateren, als aan de horizon een wazig punt opdoemt: het is land! Weldra kan het eskader inderdaad een kustlijn ontwaren, de zolang verlangde kust. Ze gaan aan land, begroeten deze gastvrije grond en zenden een welverdiende hulde naar de hemel. Dan zoekt de bemanning in rust nieuwe kracht voor de komende vermoeienissen.

Zo verstrijken vier dagen. Er steekt een milde bries op die de zeilen doet bollen. Geestdriftig kiest het eskader opnieuw zee. Het eiland Anthylië, overgeleverd aan de willekeur van de wateren, laten ze achter zich. Eerst ontwaren ze Hagië, Amerië, het vervloekte land van de Kannibalen en Guyana met zijn groene kusten en dan een eilandengroep, die zich boven de wateren aftekent met steil oplopende bergtoppen. Onder de ontelbare eilanden die daar deel van uitmaken, is er één dat gekroond wordt met weelderige wouden en vanwaar een grote rivier, met een met goud bedekte bedding, naar zee stroomt. Het wordt doorsneden door kristalheldere beekjes en het verblijf aldaar wordt veraangenaamd door koele schaduwen. Verleid door zoveel bekoorlijkheden gaat het eskader voor anker. In de wolken van vreugde gaan de zeelieden aan land op deze betoverende kust. Hun eerste zorg was een offergave te brengen aan de goden van dit oord en aan de Beschermgeest van de rivier, die de oceaan verrijkt met haar wateren. Daarna bereidden zij hun maal op het groene tapijt van gras en met een beker in de hand vierden ze deze heerlijke dag. Sommigen trokken er nadien op uit op zoek naar ontdekkingen, benieuwd of dit land inwoners had. Anderen gingen de rivier aanschouwen, met haar glinsterende wateren en goudkorrels verzamelen, waarmee haar bedding bezaaid was.

Onschuldige gasten van deze streek, vogels met rode snavels en hemelsblauwe veren, vlogen op dat moment rond in de dichte schaduw, die de oevers omlijstten. De zeelieden sloegen de gevleugelde verzameling gade en grepen terstond naar hun haakbussen, wapenen die de donder naar de kroon steken, vreselijke wapenen waarvan Vulcanus het geheim aan de Teutonen onthulde, op de dag dat het hem behaagde de stervelingen te begiftigen met de bliksemstralen van Jupiter. Iedereen koos en richtte op zijn slachtoffer. Het gebeurt, de brandende lonten doen het kruit ontbranden, een moorddadig mengsel van zwavel, nitraat en wilgenhoutskool. De bliksem flitst, het schot valt, de kogel fluit door de lucht en de grond ligt bezaaid met dode vogels! Op datzelfde moment wordt de hemel verlicht door duizenden vuren, bliksemflitsen doorklieven de wolken en doen met hun woedende donderslagen de kust en het woud beven, en zelfs omlaag tot in de diepe grotten bij de zee. Met schrik vervuld zoeken de vogels die aan het bloedbad ontkomen zijn hun toevlucht op de hoge rotsen, of beschutting in de duisterste grotten. Maar een van hen, O wonder! strijkt neer op een scherpe piek en uit deze onheilspellende voorzeggingen: “Vervloekte vreemdelingen, uw heiligschennende hand heeft de vogels van de Zon getroffen. Wee gij! Hoor van mij de straf waarmee Apollo uw misdaad zal wreken. Dat gunstige winden u gebracht hebben naar de oevers van de Ophir, waar gij zolang naar gezocht had, zal slechts ten koste gaan van duizenden rampen en duizenden ziekten, die u toebedeeld zullen worden als gij de andere wereld zult bereiken, die gij hoop te beroven van haar oude vrijheid. Alle plagen van de aarde en de wateren zullen op uw hoofd neerdalen. Oorlogen zullen u uitdunnen, deze golven zullen uw eskaders verzwelgen; deze kust zal overdekt worden met uw overblijfselen en weinigen van u zullen de hemel van uw geboorteland weerzien! Europa zal u alle hulp ontzeggen en terwijl Tweedracht u tegen uw eigen wapenen zal keren, zal dit land reuzen voorbrengen die u zullen verpletteren. Ten slotte zal een onbekende plaag op u haar kwalijk riekende, bedorven tekenen spreiden, tot de dag waarop gij als smekeling hier zult komen en vergiffenis voor uw heiligschennis en aan dit woud een geneesmiddel voor uw kwellingen zult vragen!” — Hij had gesproken en onder het uiten van een angstaanjagend gefluit verdween hij in de diepte der wouden.

Bij het horen van deze noodlottige voorspelling werden de Spanjaarden lijkbleek van angst en huiverden van ontzetting. Om de hemelse toorn tot bedaren te brengen haastten ze zich de Zon, de heilige vogels en de nimfen van het woud zoenoffers te brengen. Ze smeekten om vergiffenis en probeerden op allerlei manieren met hun smeekbeden de goden van de Ophir en de Beschermgeest van de gezegende rivier gunstig te stemmen.

Maar opeens duiken mannen van een onbekend ras op uit het nabijgelegen woud. Hun lichaam is even zwart als hun haren, hun borst is naakt, hun voorhoofd is als vredeteken omkranst met bladeren. Ze naderen de zee en staren met verbijstering naar de reusachtige boorden van de schepen en de uitrusting en wapenen van de soldaten. Hun ogen lijken niet genoeg te kunnen krijgen van de aanblik van zoveel wonderbaarlijkheden. Nederig werpen zij zich aan de voeten van de Spanjaarden, die ze aanzien voor goden of boodschappers van de hemel en bieden hun bevelhebber als offer goud aan en tarwe, honing en vruchten en nemen in ruil daarvoor kledingstukken, wijn en allerlei geschenken in ontvangst. Vooral de wijn leek hen te verrassen en bracht hen in uiterste verrukking, zoals de hemelse godenspijs een sterveling toegang zou kunnen geven tot de dis der goden.

Blijken van vredelievendheid worden uitgewisseld, en het duurt niet lang of er is sprake van wederzijds vertrouwen. De leiders van de twee naties stellen dan voor elkaar te ontmoeten aan de oever van de rivier. De koning van de inboorlingen draagt aan zijn gordel een dunne lap, omzoomd met weerkaatsende groene smaragden. Zijn rechterhand is gewapend met een scherpe speer en zijn linkerhand draagt de angstaanjagende huid van een draak. De admiraal is gekleed in een met goud doorweven uniform, waarop blinkende wapens schitteren. Zijn hoofd is bedekt met een bronzen helm, waar een schitterende veer bovenuit steekt. Op zijn schouders blinkt een gouden halsketting en een zwaard uit Toledo hangt aan zijn zijde. Als vredeteken wisselen ze een broederlijke omhelzing uit. Het verbond tussen de twee volkeren is dan gesloten en wordt al gauw bekrachtigd door een wederzijdse gastvrijheid en of het nu aan boord van de Spaanse schepen is, of op het land in de hutten van de inboorlingen, overal heiligen feesten en vreugdevolle maaltijden deze gelukkige verbintenis.

De bewoners van die verre kusten waren gewend om in die tijd hun jaarlijkse offers te brengen aan de wraakzuchtige Zon. De hele bevolking van Ophir, waarbij de Spanjaarden zich aansluitten, komt voor die plechtigheid nu bijeen in een donkere vallei, die beschaduwd wordt door ondoordringbare boomkruinen en doorsneden wordt door groene beekjes. Daar, te midden van die verzameling staat een grote groep, bestaande uit mannen van alle leeftijden en rangen en vrouwen, kinderen en oude mensen. Een vreselijk schouwspel! Al die ongelukkigen waaruit de groep bestaat, dragen op hun gelaat de sporen van hun kwaal, een gruwelijke melaatsheid bedekt hun lichaam en hun vlees wordt verteerd door stinkende zweren!

Een priester, geheel in het wit gekleed, loopt op de arme slachtoffers toe. Boven hun hoofden zwaait hij met een tak van de guajak, waaruit een heldere vloeistof druipt. Daarna offert hij eigenhandig een jonge stier bedekt met een sneeuwwit kleed. Diens bloed vangt hij op in een heilige schotel en giet het uit over een herder die bij het altaar neerknielt. Dan richt hij een plechtige hymne tot de Zon en de hele groep beantwoordt zijn heilige woorden. Daarna worden er rammen en ooien geofferd en hun ingewanden, die meteen geroosterd worden, worden uitgedeeld onder de aanwezigen.

De Spanjaarden staarden verbaasd naar die vreemde plechtigheden. Ze huiverden van angst bij het zien van de afschuwelijke verwoestingen van een ziekte die hen onbekend was. Als in een droom, bleef hun bevelhebber lange tijd zwijgen en riep toen uit: “Ach, zie, zonder twijfel is dit de gesel waarmee de vogel van Apollo ons gedreigd heeft. O eeuwige goden, erbarm u, erbarm u over ons!” Toen richtte de admiraal zich tot de Koning der inboorlingen (want de twee volkeren konden elkaar al verstaan): “Wat,” sprak hij, “zijn dat voor godsdienstige rituelen? Wat zijn dat voor ongelukkigen die hier bijeen zijn gekomen? Wie is die herder waarop uw offerpriester het bloed van het slachtoffer heeft uitgegoten?”

“Dappere vreemdeling,” antwoordde de Koning, “gij bent getuige geweest van ons jaarlijks offer ter ere van de Zon. De oorsprong ligt in het verre verleden. En omdat gij aangegeven hebt daar meer van te willen weten, zal ik aan uw wens voldoen: ik zal u vertellen door hoeveel tegenslagen wij getroffen zijn en hoe deze plaag, die ons nu diep ongelukkig maakt, onder ons is verschenen.”
 

“Het was een beschikking van Atlas, van Atlas onze vader, wiens naam u zonder twijfel niet onbekend is, dat onze natie lange tijd gelukkig was en gekoesterd werd door de hemel, zolang zij de goden eerden en trouw bleven aan hun eredienst.

“Maar er kwam een tijd, helaas! waarin onder ons bederf en goddeloosheid binnensloop, waarin de heilige altaren van onze vaderen werden veracht. De straf voor de misdaden liet niet lang op zich wachten, want vanaf die tijd dateren een reeks tegenslagen die ik niet eens allemaal op zou kunnen sommen. Eerst deed een angstaanjagende aardbeving het befaamde eiland waaraan Atlas zijn naam gegeven had, Atlantis, de koningin der zeeën, schudden op haar fundamenten en verdween het naar de bodem van de zee, die voorheen onderworpen was aan zijn heerschappij. Toen richtte de hemelse toorn zich op onze kudden en zagen we zelfs het laatste jong verdwijnen van dat reusachtige dier, waarvan slechts een herinnering is blijven bestaan.

“Daardoor kunnen we onze goden niets anders offeren dan het bloed van buitenlandse slachtoffers, geboren onder een hemel die niet de onze is. Maar later ontketenden de toorn der goden en wraak van Apollo een verschrikkelijke plaag die over ons neerdaalde en waarvan u de verwoestingen hebt aanschouwd. De ziekte heeft zich over al onze steden verspreid en maar heel weinigen van ons ontkomen aan haar wrede aanvallen. Om haar te bezweren en Apollo gunstig te stemmen hebben onze vaderen deze zoenoffers ingesteld en het rest mij nog u hun oorsprong te verhalen.
 

“Volgens een oude overlevering, hoedde hier op de oevers van deze rivier een herder, Syphilus geheten, de onmetelijke kudden van Koning Alcithous. Het was in de tijd van de Zonnewende en Sirius wierp de gloed van zijn stralen op deze velden. Een verzengende hitte verbrandde de aarde. De wouden boden geen schaduw meer, de zeebries was niet langer koel. Syphilus zag zijn dieren sterven. Verontwaardigd en verstoord door zijn eigen kwellingen, wierp hij Sirius een dreigende blik toe en sprak als volgt tot de god: ‘Wat nu! wij eren u als de vader en schepper van alle dingen, wij richten altaren voor u op, wij brengen u talloze slachtoffers en is dit dan ons loon, is dit de zorg die u hebt voor de kudden van mijn Koning? Ah! vast en zeker wordt u verteerd door jalousie! Gij die in de hemelen, naar verluid, slechts één stier en één ram hebt, met een ongedurige hond die deze grote kudde moet bewaken, niet zonder afgunst hebt u neergekeken op onze duizenden runderen en onze duizenden schapen met hun witte vacht. Dwaas die ik ben. Niet aan u, maar aan Alcithous moet ik goddelijke eer bewijzen. Als die grote Koning over zoveel volkeren heerst, als zovele zeeën zijn wetten gehoorzamen, is dat vast en zeker omdat zijn macht groter is dan die van u en alle andere goden. Hij zal tenminste weten hoe hij onze kudden moet behoeden en hen koele schuilplaatsen en schaduw onder het groen kan verschaffen.’ Hij had gesproken en onverwijld richtte hij een altaar op op de nabijgelegen berg. Daar bewees hij Alcithous goddelijke eer. Herders en boeren volgen al gauw zijn goddeloze voorbeeld. Wierook brandt niet meer en het bloed van slachtoffers wordt niet meer vergoten ter ere van de nieuwe god.

“In vervoering nam Alcithous deze eerbewijzen in ontvangst. Gezeten op zijn troon, te midden van de bijeengedromde mensen, riep hij zichzelf uit tot alleenheerser over de wereld. Hij beval dat voortaan alleen hem goddelijke eer bewezen mocht worden. ‘Laten de goden,’ sprak hij, ‘maar de hemel onder elkaar verdelen. Met de dingen hier beneden hebben ze niets te maken!’

“Maar Sirius, aan wiens aandacht niets ontsnapt, Sirius die met één blik het hele universum bestrijkt, kon die heiligschennis niet zonder verontwaardiging aanzien. In zijn woede verzadigt hij zijn lichtstralen met verderfelijke vergiften en kwaadaardige smetstoffen, die gelijktijdig de lucht, aarde en wateren besmetten. Meteen verschijnt op deze misdadige aarde een onbekende plaag. Als eerste wordt Syphilus getroffen, omdat hij de eerste is geweest die de heilige altaren ontwijd heeft. Zijn lichaam wordt overdekt met een afschuwelijke melaatsheid, vreselijke pijnen kwellen zijn ledematen en verjagen de slaap uit zijn ogen. Daarna duurt het niet lang of deze vreselijke ziekte— sindsdien bij ons bekend onder de naam Syfilis — verspreidt zich over onze hele natie, zonder zelfs de Koning te sparen!”

“In hun ontsteltenis snelden onze voorvaderen naar de nimf America, die in de wouden van Carthesa orakels verkondigde, om haar raad te vragen. Ze vragen haar wat de oorzaak is van de ziekte die hen teistert. Ze smeken haar om een geneesmiddel voor hun lijden.

“‘Goddeloze stervelingen,’ antwoordt de nimf, ‘gij zijt zo aanmatigend geweest om uzelf gelijk te maken aan de goden en nu ondergaat gij de straf voor uw misdaad. Ga onverwijld vergiffenis afsmeken bij de god die gij hebt beledigd. Richt de altaren weer op en breng de offers die hem toekomen. Misschien kunt gij zo zijn toorn tot bedaren brengen. Maar verwacht niet dat gij het einde van de gesel die u teistert zult zien. Deze ziekte zal eeuwig duren en alwie op deze aarde geboren zal worden, zal lijden onder haar aanvallen. Dat heeft Apollo gezworen bij de Styx en de onveranderlijke Schikgodin. Hier is in ieder geval hoe gij verlichting van uw kwellingen kunt krijgen. Kies uit uw kudden een wit en een zwart vaarskalf. Offer het eerste aan Juno en het tweede aan Cybele. Juno zal in de lucht goedgunstige kiemen verstrooien die, opgevangen en bevrucht in de schoot van Cybele, een boom met groene takken zullen voortbrengen. Die boom is jullie redder.’

“Zo sprak de nimf en haar stem deed de grot en het nabijgelegen woud beven. Een rilling van angst beving hen bij deze onheilspellende voorzegging. Toch werden de bevelen van de nimf opgevolgd. Ter ere van Juno en Cybele werden twee vaarskalveren geofferd, een witte en een zwarte.

“Dan, O ongekend en werkelijk wonder (dat verklaar ik plechtig ten overstaan van de goden en de namen van onze voorvaderen), rijst uit de aarde een onbekende boom op, spreidt haar takken uit en ontvouwt een uitbundige bladerkroon. Uit deze met vruchten overladen boom is het nabijgelegen bos ontstaan.

“Terstond schrijft onze hogepriester nieuwe offers voor ter ere van Apollo. Hij dringt aan op een zoenoffer en Syphilus wordt door het lot uitverkozen om met zijn leven te betalen voor de misdaad van de natie.

“Er worden voorbereidingen getroffen voor het offer. De linten en heilige koeken zijn al op het altaar neergelegd. Dreigend nadert het ijzer de borst van het slachtoffer, als Juno en Sirius, wier toorn tot bedaren is gekomen, de herder Syphilus vervangen door een jonge stier, die de dodelijke slag ontvangt en als enige met de prijs van zijn bloed de tegen de goden bedreven misdaad betaalt.

“Om de herinnering aan deze gedenkwaardige gebeurtenissen te bewaren hebben onze voorvaderen religieuze rituelen ingesteld, waar u zo-even getuige van bent geweest en die bij ons elk jaar herhaald worden. Een denkbeeldig slachtoffer, deze herder die gij aan de voet van het altaar ziet zitten, herinnert ons aan de heiligschennis van Syphilus. Deze ongelukkigen zijn degenen van ons volk die door de toorn van de goden getroffen zijn en wreed moeten boeten voor de overtredingen van onze vaderen. Met zijn gebeden poogt de hogepriester het erbarmen van de hemel over hen af te roepen en de toorn van Apollo te kalmeren. Gezuiverd door deze vrome offers, zullen zij spoedig weer naar huis terugkeren, beladen met de gezegende takken, die hen van deze verschrikkelijke ziekte zullen verlossen.”
 

Zo werden de onderlinge verhoudingen ingevuld, waarbij de verbintenis tussen deze twee volkeren, voorheen vreemdelingen voor elkaar, versterkt werd, toen plotseling een gruwelijk gerucht de ronde deed, in omloop gebracht door schepen van het eskader die terugkeerden uit de oude wereld, na tweemaal de onmetelijkheid van de zeeën overgestoken te zijn. O pijnen, o wreed en ondoorgrondelijk lot! De plaag die Ophir teistert is, naar verluid, zo-even tot uitbarsting gekomen in Europa.

Razend gaat ze daar tekeer, zaait overal angst en geen enkele geneesmiddel kan haar verwoestingen voorkomen. Maar dat is nog niet alles!

Hier brak aan boord van de vloot dezelfde ziekte uit. Grote aantallen zeelieden werden getroffen en zagen hun lichaam overdekt raken met afschuwelijke vlekken.

In hun nood herinnerden de Spanjaarden zich het vervloekte orakel van de vogel van Apollo, die hen voorzei dat er een dag zou komen waarop zij om vergiffenis en zekerheid zouden smeken voor het door hun wapenen aangerichte bloedbad in het woud. Zonder enige aarzeling brachten ze een offer aan de Zon en de Nimfen van dat land. In het woud gingen ze takken afhakken van de gezegende boom en bereidden, volgens het inheemse ritueel, het heilzame brouwsel dat hen moest zuiveren. Het leed van hun metgezellen indachtig belaadden ze hun schepen met eenzelfde takken, in de hoop dat dit kostbare geneesmiddel onder een buitenlandse hemel zijn eigenschappen zou bewaren. Ten slotte gingen ze onder zeil. Gunstige winden vulden hun zeilen en Apollo bepaalde zelf hun koers.

Goddelijke guajak, het was Spanje dat zo gelukkig was u als eerste op ons continent te ontvangen en de eerste die uw wonderbaarlijke deugden leerde kennen. Later smeekten de Galliërs en Germanen u om hulp. Gegroet gij, reddende boom met uw kostbare hout, met uw weldadige sap! Wij groeten u, trots van de Nieuwe Wereld! O, wat zou uw luister geweest zijn als gunstige Schikgodinnen u in dit land geboren hadden laten worden, de geboorteplaats van dichters en de goden! Vreemdeling onder ons, moge gij ten leste iets van uw eer, als eer die u toekomt, te danken hebben aan deze versregels! Zonder twijfel waagt mijn muze het niet de tijding van uw wonderen te verspreiden van de grenzen van Bactria tot de ijsbergen van de pool of de brandende zandvlakten van Ethiopië. Maar in ieder geval zal zij uw voortreffelijke deugden bekendmaken aan de inwoners van Latium, in de velden van de Adigos en op de bloemrijke oevers van de Benacus. Misschien zal zij zelfs uw naam meevoeren naar de oren van Bembo, aan de oevers van de Tiber en dat zal voor haar de dierbaarste beloning zijn voor haar inspanningen.

Portret Pietro Bembo

PIETRO BEMBO

Opmerking:

Kwik, guajac, (wat bij ons pokhout heet, naar de Spanse pokken, nog een andere naam voor syfilis), salversan, allemaal lapmiddelen en uiteindelijk penicilline, dat syfilis vrijwel de doodklap heeft gegegeven, totdat resistentie ook daar zijn tol zal eisen. Maar het is allemaal symptoombestrijding. Fracastoro noemt het verband met promiscuiteit niet, maar het moge duidelijk zijn en dat weet eigenlijk iedereen dat zonder dat geen syfilis. De medische wetenschap heeft de oorzaak gevonden, de spirochaet, de veroorzaker, maar heeft geen moreel oordeel over de drager, behandelt de ziekte, doet niet met de zieke en daar blijft het dan bij. Fracostoro laat nog doorschemeren dat de ziekte een gevolg is van een overtreding tegen de natuur, tegen de ordening van de goden, maar ziet het geheel in lijn van het joods-christelijke gedachtengoed als een straf. Iedereen weet dat als je met een hamer op je duim slaat de pijn geen straf is, maar een waarschuwing, dat je je hoofd erbij moet houden, of even rust moet nemen bijvoorbeeld. Syfilis is dus evenmin een straf, net als alle andere ziekten en pijn, maar alleen een waarschuwing om de mens te behoeden voor erger, hem op zijn schreden te laten keren, zoiets nooit meer te doen, maar onze geneeskunde kent alleen maar oorzaken, geen betekenis, heeft er geen flauw benul van dat symptomen ergens naar verwijzen, beschouwt de zieke als een toevallige drager van symptomen, waar hij zelf niets mee te maken heeft en heeft de zieke geleerd dat ook te doen. Aanleg, toeval, erfelijk, verminderde weerstand, weersomstandigheden, fijnstof, asbest, roken, ongezond eten, te weinig lichaamsbeweging, teveel zout, allemaal oorzaken, de wanen van een geneeskunde die gevangen zit in het causaliteitsdenken. Als alles met alles samenhangt, als wij allemaal rimpelingen zijn van het Higgsveld, is het onzinnig om over oorzaken te spreken. Als elke ook maar geringste beweging in het alomvattende netwerk, zich over het hele netwerk uitspreidt, als de vleugelslag van een vlinder in Nieuw Zeeland een tornado in het Caribisch Gebied kan teweegbrengen, kan alleen een kokerblik oorzaken vinden. Alle symptomen, of ze nou, om die zonderlinge tweedeling maar te gebruiken, lichamelijk of psychisch zijn, zijn wegwijzers die maar één boodschap hebben, terug, terug, terug!
Maar dat is allemaal achterhaald zeggen mensen dan, de geneeskunde heeft enorme vorderingen gemaakt, we kunnen mensen in leven houden, die vroeger allang doodgegaan zouden zijn, maar overleven is iets heel anders dan leven. En durven te beweren dat de teleologische betekenis van symptomen achterhaald is, thuishoren bij magisch of primtief denken, terwijl deze wereld doordrenkt is en drijft op millenia-oude godsdienstige leerstellingen, het atomistische denken van Democritus, Plato’s ideeënleer, Aristoteles’ methodologie, en duizenden bedenksels van andere “grote mannen” die allemaal bijgedragen hebben aan de wanen van vandaag, lijkt op zijn minst zeer inconsequent.
In zogenaamde primitieve culturen zien ze dat nog steeds anders, maar ook daar heeft het Peril Blanc huisgeouden en gaat daar onverdroten mee door.




DE ETHIEK TEN OPZICHTE VAN DE NATUUR.

Niet de primitieve volken zijn primitief, maar wij

Onderontwikkeling is geen tekortkoming of een gemis, maar eenvoudig de keerzijde van een weloverwogen keuze voor een andere levensstijl



Kaft van het boek Peril BlancIn 1978 verscheen in Frankrijk een boek over de westerse beschaving. Het zou ongetwijfeld het zoveelste zijn als het niet geschreven was door een socioloog met een grote Afrika-ervaring. Ofschoon het een apocalyptische ontboezeming geworden is, is het toch geen privé-betoging van een onnauwkeurige blaaskaak, maar een zorgvuldig en onderlegd pamflet van 230 bladzijden.

De schrijver, René Bureau, heeft diverse cultureel-antropologische en sociologische onderzoekingen verricht in Gabon en Ivoorkust, en jarenlang in Kameroen gewoond. Zijn boek heet Peril Blanc (Het blanke gevaar), ongetwijfeld een reminiscentie aan “het gele gevaar” waarvoor wij eertijds op de lagere school al gewaarschuwd werden.

Zijn vertrouwdheid met Afrikaanse culturen heeft deze Franse socioloog de gelegenheid gegeven om als in een spiegel de grondgedachte van de westerse samenleving te doorschouwen. Deze omweg is voor hem geen luxe geweest. Als westerling heb je een list nodig om de wortels van je eigen beschaving bloot te leggen en er de parasieten te ontdekken. Dat de blanke samenleving ziek is, stond bij Bureau niet van te voren vast. Hij is tot deze diagnose gekomen juist via zijn intens contact met wat hij zelf noemt “preventieve samenlevingen” in bepaalde gebieden van Afrika. Zijn diagnose maakt je duizelig. Bureau wil zijn lezers niet kastijden, maar hen deelgenoot maken van zijn overtuiging dat het nooit te laat is om de verpletterend hoge rekening van de mythe van de “vooruitgang” op te maken. Berusting tegenover vermeende onvermijdelijkheid of fatalisme tegenover de mogelijkheid, de op gang gebrachte machine tot hedendaagse samenlevingen die aantonen dat het ook anders kan. De vraag die bij de schrijver telkens terugkomt is deze: Is de ongelijkheid onder de mensen onvermijdelijk?

Hoffelijkheid

Eén van de eerste onderzoeken die Bureau in Kameroen verrichtte had tot doel, de “hinderlijke ruis” in de Afrikaanse weergave van de christelijke boodschap weg te werken. Evangelisatie betekende nu eenmaal een chirurgische ingreep, maar de verdoving kon verbeterd worden. Een nauwkeuriger kennis van het religieuze en sociale milieu zou tot een soepeler verloop van de kerstening kunnen bijdragen. Bij dit onderzoek zag Bureau pas goed hoe op verschillende plaatsen “de watergeesten met hun buik omhoog” in het water dreven en vooral, hoe de Duala-samenleving verminkt was. Er was geen aspect van de oorspronkelijke gemeenschap of het was aangetast. In plaats van de initiatie in de samenleving was de vervreemdende school gekomen, in plaats van de begrijpelijke en levensnabije rechtspraak onder de boom de abstracte administratie, in plaats van de genezing van de gehele mens in zijn verwevenheid met zijn milieu een chemische behandeling van lichaamsdelen, in plaats van de eerzame visvangst de anonieme onderneming, in plaats van een afgepaste en. billijke voedseldistributie en goederenverdeling, winkels en marskramers, in plaats van de geïntegreerde religie een door professionals gerunde zondagsviering.

Al de opgenoemde terreinen waren voor de Europese machthebbers evenzovele aparte gebieden. Voor de oorspronkelijke bewoners van Duala was het één samenhangend geheel. De watergeesten (Miengu) vormden daarin een wezenlijke factor. Natuurlijk, watergeesten bestaan niet. Een samenleving die op zo'n bijgeloof is gebouwd is niet gefundeerd. Aldus de eerste de beste blanke. Maar Bureau heeft leren zien dat de symbiose tussen de Duala-samenleving en de watergeesten geen kwestie was van een banaal al dan niet bestaan van watergeesten, maar dat zij een verfijnde omgangsvorm met de natuur tot uitdrukking en verbeelding bracht.

De kustbewoner leeft in dialoog met het water. Hij eigent zich niet plompverloren en onbehouwen de rijkdom van het water toe, maar gedraagt er zich hoffelijk tegenover. Hij weet dat hij op uitwisseling met het milieu is aangewezen, vraagt verlof als hij van het water gebruik wil maken, en geeft iets terug. Zo betaalt hij zijn huur aan de natuur. In spreekwijze en rite geeft hij zich rekenschap van zijn schatplichtigheid, en voegt hij zich, van geboorte tot dood, harmonisch in het geheel van zijn omgeving. Een ieder beleefde persoonlijk zijn afhankelijkheid van de omringende natuur, en leefde onder bescherming van zijn eigen watergeest. Maakte hij inbreuk op deze innige relatie, dan traden er allerlei stoornissen op, zoals bezetenheid. Deze desintegratie kon door een genezende, wederopneming in het geheel weer ongedaan worden gemaakt. De therapie nodigde uit om in overeenstemming te komen met zichzelf, met de voorouders, aan wie men immers leven en samenleving dankt, met de natuur, met God.

Want ziekte wijst op verslechtering van de betrekking van de mens met de wereld. De Geneeskunde is daarom heilig, omdat zij de harmonie tussen mens en kosmos, tussen individu en universum tracht te herstellen.

Westerlingen

Toen kwam de westerling. Hij had nauwelijks idee van de “symbiose”, kende slechts ontginnen, benutten, leeghalen, stropen, opslaan, indelen, beheersen.

Alleen in onbewaakte, poëtische ogenblikken weet hij de natuur nog te koesteren. Maar gauw vermant hij zich en tijgt hij aan het werk. Hij ordent: school, militaire dienst, zondagsplicht, om acht uur het nieuws, pensioen op vijfenzestigjarige leeftijd. De voetganger, kiezer, gelovige, belastingbetaler, weggebruiker in hem eisen afzonderlijk aandacht. Hij is nu hier, dan daar, telkens weg van zichzelf. De ene rol na de andere. Hij is middelpuntvliedend, aldus Bureau, terwijl de Kameroense kustbewoner (en misschien wet iedere “thuisgebleven” Afrikaan) middelpuntzoekend is.

Het ontbrak de blanke niet aan nobele gevoelens. Dadelijk bij zijn aankomst in Afrika wilde hij het “lot” van de arme zwarte vrouw verbeteren. In diep medelijden zag hij hoe de moeder er altijd het kind bij zich had, een urinerend wicht, dat zij alsmaar zoogde en ook mee torste naar de zware landarbeid. Een zuigeling diende meteen rammelaar vanuit een wieg zijn onafhankelijkheid te veroveren en via een geëmailleerde pot de druk van de buitenwereld te ontdekken. Het kind kan niet vroeg genoeg het overwicht van de dingwereld op de personengemeenschap ervaren. Zo snel mogelijk moet de baby onderworpen worden aan de organisatie van de tijd: op tijd een plas, op tijd de fles, op tijd papa zien thuiskomen (“une heure pour fair pipi, une heure pour voire papa, une heure pour boire lolo”). De zwarte baby genoot ongestoord een ononderbroken veiligheid. De altijd beschikbare moederborst vertegenwoordigde plastisch, de familiegroep waar hij onverbrekelijk bij hoorde.

Als het even kan haalt de blanke visie de zwarte vrouw ook weg van het veld. Haar bemoeienissen met vruchtbaarheid en voedsel (zaaien, wieden, oogsten, koken) zouden haar verlagen. Zij wordt uit het economische leven weggedrongen naar de keuken en in de stedelijke vrouwenhuizen, de flats, opgesloten. Als compensatie voor dit rolverlies introduceert de blanke het idee “love”. Er moet weliswaar een prijs voor betaald worden: het aantal echtscheidingen, concubinaten, vaderloze kinderen neemt toe, en de verbale uitwisseling tussen de echtgenoten neemt af.

In diezelfde edelmoedigheid voert de blanke de natuurwetenschappelijke geneeskunde in, ter vervanging van de traditionele therapieën. Hij droeg daardoor bij tot de scheiding van lichaam en geest. Zijn “koude” technische, geseculariseerde behandeling van aangetaste organen herleidt eigenlijk de mens tot een dier. De westerse missionarissen bevorderden de verheidening van de geneeskunst door weliswaar Afrikaanse farmaceutische kruiden toe te staan, maar helende rituelen te verbieden. Zij scheidden het lichaam van de geest, en het fysieke van het sociale lichaam.

In de ogen van de Afrikanen zijn alle blanken, of het nu om missionarissen gaat of om overheden of deskundigen, halsstarrige beschavers. In hun opzet speelde de school een belangrijke rol. Vooral de lagere scholen moesten het “nog zachte ijzer” omsmeden. Aangenomen dat de tropische mens het vooral landbouw moet hebben heeft de school tot funest gevolg dat de agrarische hulptroepen worden gedemobiliseerd. De blanke is er goed in geslaagd Afrikanen het besef van hun analfabetisme, hun heidendom, hun onproduktiviteit en hun onderontwikkeldheid bij te brengen. De injectienaald van het onderwijs, gestoten in de flank van de Afrikaanse volkeren, heeft schaamte en afkerigheid teweeggebracht tegenover wat niet-blank is. Het idee achterstand is nu innerlijk toegeëigend.

De bestaande landbouw werd eveneens aangepakt en omgebogen van de teelt van voedingsgewassen zoals maniok (dat niemand in de Noordatlantische wereld eet) naar handelsgewassen als katoen, koffie, cacao, sisal. Via een systeem van hoofdelijke belasting, dat de notabelen die deze contributie moesten innen grondig compromitteerde, werd de commerciële landbouw gestimuleerd, terwijl regelmatige rapporten over ondervoeding het kuise geweten streelden. Men wilde “nette” wonden: geen dum-dum-kogels!'

Heksen en hekserij

Het meest exotische element in het voorafgaande requisitoir, de watergeest, is in het blanke westen minder bekend dan de in Afrikaverhalen alomtegenwoordige figuur van de tovenaar. Europese woorden schieten tekort om deze belichaming van de mensvijandige macht goed aan te duiden. Wij kenden de term heks, een boosaardige vrouw die het op haar medemensen had gemunt. In Afrika, ook heden ten dage, kunnen zowel mannen als vrouwen dragers van destructieve krachten zijn: dikwijls zonder dat zij het zelf weten. Zij werken in het verborgene, en worden aansprakelijk gehouden voor allerlei aanslagen zoals een vroegtijdige dood, een onheilstichtende stormwind, het uitblijven van de broodnodige regen, kinderloosheid, misoogst, ziekten. Zij maken zich schuldig aan het “eten” van het menselijke levensbeginsel.

Ook hier kan een westerling de schouders over ophalen: tovenarij bestaat immers niet. Bureau evenwel gaat op het alom verbreide geloof in tovenarij serieus in. Het is zo'n verstrekkende conceptie van de Afrikaanse samenleving dat zij, zo niet inleefbaar, dan toch denkbaar moet zijn. De aan het heksengeloof ten grondslag liggende gedachte is de niet aflatende vraag: waarom die ongelijkheid in de wereld? Vanwaar voorsprong, en vooral: vanwaar tegenslag? De werkelijkheid heeft een dag- en een nachtzijde. Uiteindelijk vallen de beslissingen aan de nachtzijde van de wereld, in de 'occulte' sector.

Bureau ziet de diepste verklaring van het 'heksengeloof' in de ervaring, dat iedere mens de bekoring gevoelt overmacht te bezitten, zelf God te willen zijn. Op zijn wijze drukt dit heksengeloof een fundamenteel inzicht uit: de ongelijkheid onder de mensen is niet normaal. Het is niet vanzelfsprekend, dat sommigen een niet meer in te halen voorsprong hebben, anderen gedoemd zijn achter te blijven. Het is onaanvaardbaar, dat de één heerst over de ander, en dat de ander onderworpen wordt door de eerste. Daar zit 'iets sinisters' in. Afrikanen drukken dat uit door te zeggen dat sommigen een occulte macht bezitten en de levenssubstantie van de ander “uitzuigen”.

Geen torenbouw

Als er ongelijkheid is dan is dat, omdat sommigen anderen naar het leven staan. Overmacht is slechts verklaarbaar als vergrijp: ten koste van de ander. Profeten in Afrikaanse kerken en rituele bewegingen weten dat de machtswil in ieder mens schuilt, onuitroeibaar is. Bekentenis kan de kwalijke kiem van het menselijk vermogen neutraliseren.

Het is merkwaardig: sinds ongelijkheid en wedijver sedert de komst van de blanken is toegenomen, schijnt ook de sorcelierie” (tovenarij) toegenomen te zijn. Was vroeger overvleugeling een uitzondering, nu wordt de harmonie in de gemeenschap pas goed vergiftigd. Het gaat daarbij niet louter om het meer of minder hébben van dingen. Alle tegenslag die de mensen selectief treft (de één niet, de ander wel; zoals kindersterfte, pech, misoogst) spreekt van onaanvaardbare ongelijkheid: is er ergens verlies, dan moet er iemand (onrechtmatig) profijt van hebben getrokken. Vroeger had men deze geheimzinnige “menseneterij” onder controle via het heksengeloof: een door de samenleving bedachte preventieve maatregel om uitschieters af te schrikken, om de samenhang te handhaven, om te voorkomen dat iemand zich van de gemeenschap zou afzonderen. Zij die meer macht bezaten dan de gemiddelde man - chefs, dorpshoofden - werden geacht een verborgen, te duchten kracht te bezitten. In een syncretistische beweging in Gabon wordt aan Jezus ook zo'n verborgen macht toegeschreven. Jezus “weet wat in mensenharten omgaat”. Maar hij heeft aan de verleiding van de macht weerstaan, toen hij door Satan in de woestijn bekoord werd. Want dat is mogelijk: de macht weliswaar hebben, maar er geen misbruik van maken, hem niet aanwenden tegen zijn naaste. Allerlei profeten in Afrika ontmaskeren de machtswil (hebzucht) die achter elk menselijk optreden in hinderlaag ligt en de kiem van vernietiging van de gemeenschap bevat.

In hetzelfde Gabon vertelt men dat ooit een blanke, in plaats van een gewoon huis, een huis met twee verdiepingen wilde hebben. Hij begon te bouwen. Maar zijn buurman wilde er een van drie verdiepingen, enz. En, zegt men er bij, bij ons - zwarten - zou men, in plaats van nóg hoger dan de buurman te gaan bouwen, de eerste belet hebben om uit te steken boven de anderen. Een Afrikaanse versie van de torenbouw van Babel. Afrika wil om zo te zeggen, geen Eiffeltoren, geen Empire State Building, geen Piramiden. Het heeft de prijs berekend die torenbouw zou gaan kosten. Het heeft beseft dat torenbouw alleen maar mogelijk is als arrogante gegoeden brutaal minder bedeelden onderwerpen aan hun ambities. De torenbouw is het beeld van de onderwerpende, overheersende maatschappij. De toren is het embleem van de naijver, de strijd, de verdrukking. In het Afrikaanse verhaal van de huizenbouw doden de zwarten het proces dat tot de ondergang van de communautaire samenleving. zou voeren in de kiem. Het hoge gebouw werpt zijn schaduw op de nederige buren, terwijl toch ieder recht heeft op een plaats in de zon.

Blanke tovenarij

Preventief stelt Afrika de “heks” terecht. Bureau zegt: de Afrikaanse agrarische samenleving is bij uitstek “sacrificielle”: brengt ter dood opdat er geen tomeloos geweld zou uitbreken. Die samenleving verzaakt, in een voorgevoelen van een dreigende catastrofe, aan iedere systematische opeenhoping van goederen. Liever harmonie in de samenleving dan rijkdom, die onherroepelijk tot broedermoord op grote schaal zou leiden. Verontwaardigd wijzen blanken in Afrika op het onrecht dat een onschuldige wordt aangedaan die gestraft wordt voor het teweegbrengen van een windhoos. Maar door een heks te doden straffen de dorpelingen geen schuldig individu - het doet niet ter zake - of de aangewezene schuldige zelf wist van zijn “hekserij” - maar roeien zij het geweld dat in iedere wil tot overheersen vervat ligt met de wortel uit. Het sneeuwbaleffect van door hebzucht veroorzaakte conflicten is meer te duchten dan voedselgebrek. De blanke kijkt niet naar de prijs voor de welvaart. De zwarte wel. De blanke, op de “tinne” van de welvaart, is zo naïef te menen, dat een wereldwijd rendez-vous op de toppen van de rijkdom mogelijk is. Hij is boven aangekomen, langs treden, die bestonden uit levende mensen: slaven, onderontwikkelden . . ., en hij wenkt nu alle overigen zich bij hem te voegen. Hij is vergeten hoezeer de escalatie van de welvaart gepaard is gegaan met een escalatie van bewapening, dwangarbeid en terreur. Alle vooruitgang is betaald met grote verliezen. Voorsprong in welvaart wordt gekocht met roofbouw op soortgenoten. Opwellingen om aan het onrecht, verbonden aan het competitiesysteem, een halt toe te roepen zijn schijnbewegingen, zegt Bureau, ook al voeren zij de vlag van de klassenstrijd, de revolutie, de burgeroorlog. Bureau maakte eens een blikje vlees open. De Afrikaan met wie hij ging eten zei: “Jullie blanken hebben allerlei foefjes om mensenvlees te eten zonder dat iemand het merkt.” Onopvallend kannibalisme. Blanke tovenarij. Ten aanzien van de westerse beschaving is heksengeloof terecht.

Blanke erfzonde

De westerse beschaving, aldus Bureau, is gebaseerd op een “oerzonde” die een “onder-schepping” (vgl. “onder-ontwikkeling”) heeft opgeroepen. Deze oerzonde is de naijver of competitie: de ander te vlug afwezen. Wie de grootst mogelijke portie van de slinkende grondstoffenreserves in de wacht kan slepen wordt gehuldigd. Deze nietsontziende “compétition sorcière”, gangmaker van de hele westerse beschaving en verklaring van haar grote voorsprong, wordt gecamoufleerd door de mythe van de vooruitgang: universeel ideaal, opgelegd en voorgespiegeld aan alle aardbewoners. Het heil van de westerse welvaart zal binnen het bereik komen van heel de creperende mensheid. Maar het creperen van een deel van de mensheid is juist de prijs die betaald moet worden voor die voorspoed. Het lijkt wel of roofbouw op de natuur door het feit zelf het neerhalen van de mens meebrengt, en of een harmonische menselijke samenleving soberheid (armoede?) brengt.

Bureau heeft in Afrika samenlevingen ontmoet die een bijzonder geavanceerde kijk hadden aangaande de elementaire gegevens van het maatschappelijk. bestaan. Het is hem duidelijk geworden dat “onderontwikkeling” geen tekortkoming of gemis is, maar eenvoudig de keerzijde van een weloverwogen optie, ook al drukt deze optie zich niet uit in westerse codes. Afrikanen hebben zich niet laten overtuigen van de toch zo hevig gepropageerde gedachte dat “vooruitgang” beantwoordt aan , beter voor de mens”. En zij léven. Zij redden niet alleen het vege lijf, maar hebben zich ontplooid, zij denken, verrichten arbeid, dragen verantwoordelijkheid, kennen elkaar en wisselen uit.

Wij zijn zozeer gewend aan de idee dat de Noord-atlantische, technische beschaving nu eenmaal de toekomst voor de gehele wereld is, dat wij vergeten zijn dat zij een laatkomer in de geschiedenis is. De geschiedenis van de exploitatie van mensen door mensen (het samenlevingsmodel dat het westen voorstaat) betreedt het voetlicht van de geschiedenis “om 23 uur 57 minuten en 45 seconden”. Al die tijd hebben er mensen op onze planeet gewoond. Maar hun tijdvak wordt arrogant als prehistorie gediskwalificeerd. Bureau laat de verfijnde omgangsvormen van thans nog levende “prehistorische” beschavingen de revue passeren: de haveloze pygmeeën, die zó meester zijn van de natuur dat zij haar niet veranderen; de agrarische nomaden, die eveneens nog in relaties en niet in dingen investeren (niemand eigent er zich grond toe; regelmatig potverteren snijdt gevaarlijke surplusgoederen aangenaam weg door een feestelijke omzetting in sociale betrekkingen). Ook die samenlevingen die, wegens het klimaat en de bodemgesteldheid, voorraden moeten aanleggen om van het ene seizoen in het andere te komen, zijn niet-cumulatief. Zij leggen niet méér opzij dan juist tot het volgende seizoen nodig is.

De ploeg een gevaar

De oorsprong van ónze beschaving ligt in Sumerië, bij de uitvinding van de ploeg. Dit symbool van vredelievendheid heeft nochtans ten grondslag gelegen aan de gedachte, via opgevoerde productie en opgeslagen voorraden afhankelijkheidsrelaties in te voeren in de samenleving. Er kwam een verandering in de arbeidsverdeling. De graansilo's maakten het mogelijk om zonder eigen landbouwactiviteit toch in leven te blijven. Was het toeval dat gelijktijdig het paard werd getemd? In ieder geval: de boeren werden voetvolk, de “werklozen” ruiters ... en plunderaars.

De run op de grondstoffen zette toen in. De bereden jagers organiseerden zich: gehuurde krachten moesten de voorraden opsporen (voorlopers van de latere ontdekkingsreizigers), anderen moesten deze voorraden in beslag nemen, op versterkte plaatsen opslaan; weer anderen moesten ze beheren en omzetten in arbeid. Want de plunderaars wisten zich onmisbaar te maken voor de boeren. Zij konden krachten concentreren voor het smeden, het graven van putten, het aanleggen van grote irrigatiewerken en wegen. Als in een refrein noteert Bureau: er zijn nooit vrijwilligers geweest, noch om erts te delven, noch om dagen achtereen te roeien voor goederentransport, noch om dijken aan te leggen of watertunnels te bouwen, noch om lasten over land te vervoeren of fortificaties aan te leggen en stenen te bakken. De dwangmaatregelen werden beter, de oorlogvoering kundiger, tewerkgestelde krijgs-gevangenen en schuldenaars talrijker.

Een bovenlaag werd eigenaar van mensen, grond en goederen. Zij lieten residenties bouwen, tuinen bevloeien, dachten een administratie uit, brachten legers op de been, spoelden de verwantschapsidee weg (behalve voor de dynastieën), schiepen een kloof tussen stad en platteland. De tol aan mensenlevens steeg in vergelijking tot het preventieve mensenoffer van de voormalige agrarische samenleving, snel tot een onnoemlijke hoogte.

In die tijd werd ook het schrift uitgevonden: werktuig tot onderwerping van mensen. Verordeningen kregen erdoor een onherroepelijkheid en geldigheid in onafzienbare ruimten. Was het levende woord gericht op feedback, binnen menselijk bereik, genuanceerd: nu werd het ingeblikt, gedood. Tegelijk versmalde het schrift de toegang tot de kennis (veeleer dan tot democratisering van de kennis bij te dragen). Het schiep een bovenlaag die geen handenarbeid meer hoefde te verrichten.

Aldus werd de mythe van de vooruitgang geboren. Sindsdien doorknaagt het virus van de productie ons gehele sociale lichaam. Het “derde gebied” (geboorte, lichaam, man, vrouw) verliest zijn betekenis (behalve voor vorstenhuizen en adel). Verwantschap heeft zijn tijd gehad. De mensen worden overal inzetbaar. Topmensen en generaals moeten als het kan jong zijn en zo vrij mogelijk van familiebanden. De samenleving is een mannenmaatschappij geworden. In de samenleving wijst de aanwezigheid van “kansarme minderheden” op de laatste sporen van een voorbije gemeenschap. Stagnatie betekent nu dood, vooruitgang betekent leven.

Bij de preventieve samenlevingen in Afrika heeft Bureau geleerd dat de keuze, gevallen in Sumerië indertijd, een “choix sorcier” was: het besluit om medemensen te verslinden. Deze samenleving is een “société autophage”, een zichzelf verslindende maatschappij, die aan zijn vooruitgang ten gronde zal gaan. Vijfduizend jaar hebben wij in het westen in de droom van de vooruitgang geloofd. Dat is niet lang, in vergelijking met de 3.500.000 jaar mensheid en samenleving. De droom blijkt een nachtmerrie.

En Bach dan?

Bureau voorziet een tegenwerping die de lezer al lang op de lippen brandt: en Bach dan? en de Sixtijnse Kapel? de Acropolis? de Odyssee? de kathedraal van Chartres? de mannen op de maan? en de typemachine waarop Bureau schreef, en de druktechniek waardoor hij zijn gedachten in boekvorm kan verspreiden? Bureau stelt dat alles op hoge prijs. Hij vindt alleen het aantal mensen dat van deze wonderbare dingen kan genieten uitermate klein, hij herinnert zich voortdurend de prijs die deze kunst heeft gekost, en hij vraagt zich af welke kunst wij zouden gehad hebben als de megamachine niet op gang zou zijn gebracht? Mag men iemand in naam van de kunst verpletteren? Is menseneterij ooit geoorloofd?

De tijd, komt, aldus Bureau, dat wij de voormalig beschaafden zullen zijn. Langzaam begint men te begrijpen dat wij alles kunnen winnen alleen als we alles willen verliezen. Het christendom heeft misschien de toekomst voor zich. Het heeft in ieder geval nog geen verleden in Afrika zolang zijn apostelen doorgaan de mythe van de vooruitgang in het leven te houden of te propageren.

De verleiding van de consumptie is zó sterk geworden, dat alleen een bekering van Europa Afrika voor ontbinding kan behoeden, aldus Bureau.




HET VERBAND TUSSEN ZONDE EN ZIEKTE

IN

HET OUDE TESTAMENT

Uit: Geneeskunde in het Oude Israël

Dr. J. Z. Baruch

Uitgeverij Joachimsthal, Amsterdam 1961

Er zijn vele plaatsen in de Bijbel, waar een bepaald verband tussen zonde en ziekte wordt verondersteld of zelfs duidelijk aanwezig wordt geacht. Ziekte is dan het gevolg van de zonde. Ziekte of dood is de straf voor een begane zonde, welke dan op zich zelf bestaat uit het overtreden van de goddelijke voorschriften.

Het is mogelijk, dat ziekten optreden als gevolg van een vergissing, onwetend begaan. Als in Gen. 13, 15 vv. het verhaal wordt verteld van Sarai, de vrouw van Abram, welke in het huis van Pharao wordt genomen, op grond van haar schoonheid, dan

“treft God Pharao en zijn huis met grote slagen wegens Sarai, de vrouw van Abram”.

Pharao begrijpt zonder meer, dat de ziekten en plagen, welke hem en zijn gezin treffen, uiteindelijk worden veroorzaakt door een overtreding, welke hij heeft begaan.

Duidelijk spreekt God zelf over het verband tussen overtreding en ziekte, als het Joodse volk uit Egypte trekt. Daar heeft het volk de ziekten en plagen gezien, welke door God over Egypte en de Egyptenaren zijn gebracht. Na de doortocht door de Schelfzee klinkt het dan: (Ex. 16, 26)

“Indien gij luisteren zult naar de stem van de Heer uw God en datgene zult doen, wat juist is in Zijn ogen, horen zult naar Zijn geboden en in acht zult nemen al Zijn voorschriften, dan zal ik alle ziekten, welke ik Egypte heb opgelegd, U niet opleggen, want Ik, de Heer, ben Uw geneesheer.”

Uitvoerig worden in Lev. 26 de lichamelijke kwalen en plagen geschilderd, welke het gevolg zullen zijn van ongehoorzaamheid aan de goddelijke geboden. Koorts, nederlaag in de oorlog, hongersnood en pest zullen het gevolg zijn van (vers 14)

“Indien gij niet naar Mij zult luisteren en Mijn geboden niet zult opvolgen”.

In Num. 12 wordt het verhaal gedaan van de tsara’ath, de ziekte welke Mirjam trof als gevolg van haar kwaadspreken van Mozes. Een zeer rechtlijnig en causaal verband tussen de fouten begaan door Mirjam en de uitwendig zichtbare ziekte, melaatsheid of andere uitslag, waarmee zij gestraft werd.
De tsara’ath is de ziekte, welke bij uitstek hen trof, die zich aan bedrog of kwaadsprekerij hadden schuldig gemaakt. Een Hebreeuwse woordspeling brengt tot uitdrukking, dat iemand die motsie ra’ (d.w.z. kwaad voortbrengt b.v. uit zijn mond) metsora’ wordt, d.w.z. lijdend wordt aan de tsara’ath kwaal.

Bestaat er direct verband tussen het kwaadspreken van Mirjam en haar ziekte, hetzelfde directe causale verband vinden we, overigens bij dezelfde ziekte, terug in het verhaal van de knecht van de profeet Elisa (2. Kon. 5). De Syrische generaal Naaman was door Elisa genezen van zijn tsara’ath. De profeet wilde geen beloning voor zijn genezing. Gehazi, de knecht van de profeet, verzocht de genezen generaal echter toch om een geschenk. Hij trachtte dit tegenover de profeet te verbergen. Als straf voor zijn gedrag werd Gehazi toen bezocht door dezelfde ziekte, waaraan Naaman geleden had, de tsara’ath.
Vele psalmdichters zoeken de oorsprong van ziekte in zonden of overtredingen, door de dichters bedreven. Ziekte is de straf voor de zonde, het gevolg van de zonde. In Psalm XXXVIII, 4 heet het:

“Mijn lichaam is niet meer ongeschonden door Uw toorn, er is geen rust meer in mijn gebeente, wegens mijn zonde”.

Psalm XXXIX, 11:

“Neem Uw ziekten van mij weg, ik bezwijk onder de tuchtiging van Uw hand”.

Psalm XLI, 5:

“Ik zeide: Heer, wees mij genadig. Genees mij, want ik heb gezondigd tegen U”.

Psalm LXXXVIII, 4, 8:

“Mijn ziel is verzadigd van rampen, mijn leven is het dodenrijk nabij”. “Uw toorn rust zwaar op mij en door al Uw baren drukt Gij mij neder”.

Beschrijven de psalmdichters meestal de individuele ziekten en rampen, welke hen getroffen hebben, lichamelijke ziekte of zelfs de dood kan ook het gevolg zijn van collectieve overtredingen. Na de terugkeer der verspieders, welke een ongunstig rapport uitbrengen over de situatie in het Heilige Land, dat de Joden op het punt staan binnen te trekken, weigert het volk verder te trekken, het wordt weerspannig. Dan dreigt God (Num. XIV, 12) het gehele volk met pest te treffen en lichamelijk uit te roeien, waarna uit Mozes een nieuw volk, beter dan het door de pest vernietigde, ontstaan zal.
In Deut. XXVIII, 15 vv. worden nog eens uitvoerig de collectieve rampen opgesomd, eerder reeds in Lev. 26 vermeld, welke het volk zullen treffen bij ongehoorzaamheid en weerspannigheid tegenover God. Koorts, ontsteking, huidziekten, krankzinnigheid, blindheid en andere vervloekingen zullen het volk collectief treffen, totdat het verdelgd zal zijn als straf voor de ongehoorzaamheid aan God (vers 45)

“Omdat gij niet hebt geluisterd naar de stem van de Eeuwige, uw God, om in acht te nemen Zijn geboden en Zijn instellingen, die Hij u geboden heeft.”

Het toeval of ongeluk speelt in deze gedachtegang eigenlijk geen rol.

“Niemand stoot zich een vinger hier beneden, tenzij dit over hem beschikt is in de hemel”,

heet het (Talmm. b Chull 7b) en

”De slang bijt een mens slechts dan, als een bevel uit de hemel haar daartoe dwingt” (j. Pea L, 16 a73).

In het oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven apocriefe boek Jozua ben Sirach (200 v. Chr.) worden diverse opmerkingen gemaakt over ziekte en gezondheid. Over het verband tussen ziekte en zonde laat deze schrijver zich als volgt uit:

“Wie voor zijn Schepper zondigt, valt in handen bij de dokter”

(Sir. 38, 15) terwijl de Midrasch (Cant. r. op 6, 11 fol. 35b) dit verband tussen zonde en ziekte aldus samenvat:

“De deur, die niet geopend wordt voor vrome werkzaamheid, zal de dokter moeten binnenlaten”.

Toch bestaat anderzijds grote scepsis omtrent de directe bestraffing door middel van ziekte of dood, die op de zonde zou volgen. Bij een discussie tussen talmoedgeleerden over de verschillende ziekte- en doodsoorzaken, meent R. Chanina dat verkoudheid de voornaamste oorzaak is van ziekte en dood. De koude als een tekort aan natuurlijke levenswarmte zou zelfs door de hemel niet kunnen worden beïnvloed. (BM 107b).

Zijn zoon, R. Jose, is van mening, dat afscheiding uit neus of oog het lichaam kan ziek maken, R. Elasar schrijft de gal dezelfde pathologische werking toe. De Babylonische arts Mar Samuel spreekt over de roe’ach, als ziekmakende kracht. Dit kan overeenkomen met het pneuma der Grieken, maar gezien andere uitspraken van deze talmoedgeleerde, is niet uitgesloten, dat hij bij roe’ach aan een boze geest als ziekteoorzaak kan hebben gedacht.

R. Acha keert zich tegen de opvatting, dat ziekte het directe gevolg is van zonde. Het hangt van de mens zelf af of hij ziek wordt of niet, merkt hij op. 1 Het is de schuld van de mensen zelf, als zij ziek worden en sterven; zij zondigen tegen de regels der algemene hygiëne.
In het bijzonder verandering van levensgewoonten zou de oorzaak van het ontstaan van ziekten kunnen zijn, aldus meent R. mat Samuel. (Bb 146a).

Het drinken van het water uit de Euphraat, tijdens de Babylonische ballingschap (586 v. Chr.) zou de Joden ziek hebben gemaakt, aldus wordt gemeld. 2 Voor de ballingschap zouden zij in Palestina zelf het water uit bronnen en putten hebben gedronken.

Van de betekenis der erfelijkheid als pathologische factor staat in het Oude Testament niets vermeld. De uitspraak in de Tien Geboden (Ex. 20, 5)

“God is een ijverzuchtig God, die de zonden der ouders gedenkt aan de kinderen tot in het derde en vierde geslacht”

wordt gevolgd door de omschrijving “van hen die mij haten” waarbij reeds oude commentaren zoals de Targum opmerken dat hier alleen gesproken wordt van kinderen die de zonde bij uitstek van hun ouders, d.w.z. de afgoderij, na-apen door ook afgoden te dienen in plaats van God, die de ouders uit Egypte had gevoerd. De eigen verantwoordelijkheid van de mens voor zijn daden komt ook tot uitdrukking in

“Kinderen zullen niet gedood worden wegens hun ouders, ieder zal wegen zijn eigen zonde sterven” (Deut. 24, 16).

Het gedenken der zonden van ouders aan kinderen heeft uitdrukkelijk betrekking op het morele gedrag van ouders en kinderen (slecht voorbeeld doet slecht volgen) maar niet op mogelijke lichamelijke gevolgen voor kinderen van een slechte levenswijze der ouders. Hiermede is niet in tegenspraak dat aangeraden wordt, niet met iemand, lijdende aan epilepsie te huwen. (Jebam. 64 b).
Het is echter onjuist, zoals M. J. Elzinga in “Geloof en Geneeskunde” veronderstelt (inleiding pag. 9), gezien het verband tussen ziekte en zonde te concluderen, dat de priester dus tevens als arts optrad. De functie, welke de priester vervult bij het genezen verklaren van de lijders aan huiduitslag (de omstreden tsara’ath (lepra of syfilis) uit Lev. 13) beperkt zich tot het gezond v e r k 1 a r e n (Neg. 111, 1) van de lijder aan huiduitslag, terwijl de behandeling door een ander dan de priester had plaats gevonden. Er zal bovendien op de relatie priester-arts in Israël nog nader worden ingegaan.
Het goede en het kwade komen beide van God. Dit is de betekenis van het monotheïsme, dat in Israël werd geboren. Ook de genezing komt van God. H. A. Brongers heeft er op gewezen, dat het gebruikelijke woord voor genezen (rapha) niet uitsluitend met genezen mag worden weergegeven, maar in vele gevallen ook de betekenis heeft van vergeven 3. Als voorbeeld moge gelden Psalm XLI, 5:

“Ik zeide: O God, wees mij genadig, genees mijn ziel, want ik heb gezondigd”.

Hier kan in plaats van genezen ook vergeven gelezen worden, waarbij dan het tweede deel van de regel geheel parallel loopt met het eerste. In Jer. 3, 22 eveneens:

“Keert terug, gij afvallige zonen, Ik zal Uw afval genezen.”

Eveneens Hos. XIV:

“Ik zal hun afkerigheid genezen”.

Zoals zonde vooraf schijnt te gaan aan ziekte, zo gaat vergeving van zonden vooraf aan genezing van ziekte. 2 Kron. VII 14:

“Zo zal Ik uit de hemel horen en hun zonden vergeven en hun land genezen”

Jes. XIX 22:

“En God zal de Egyptenaren duchtig slaan en genezen. Zij zullen zich tot God bekeren en Hij zal zich door hen laten verbidden en Hij zal hen genezen”.

Heel duidelijk is het parallelisme tussen vergeving van zonden en genezing in Psalm C III, 3’

“Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw ziekten geneest”

God is de dokter bij uitnemendheid:

“Want ik de Eeuwige Uw God, ben uw geneesheer”. (Ex. XV, 26).

Job weigert zich door zijn vrienden, nietswaardige dokters noemt hij hen (XIII, 4) te laten genezen. Koning Asa zoekt hulp bij de dokters in plaats van zich tot God te wenden (2 Kron. XIV, 12) hetgeen hem kwalijk wordt genomen.
God brengt ziekte, maar ook genezing. Deut. XXXII, 39:

“Ik dood en maak levend, Ik verwond en genees.”

Ook Hos. VI, 1:

“Want God heeft verscheurd en Hij zal genezen, Hij heeft geslagen en Hij zal verbinden”.

Job V 18:

“Hij brengt smarten, maar Hij verbindt. Hij doorwondt en Zijn handen genezen”.

De psalmdichters, die zo nauw het verband stelden tussen zonde en ziekte, verlangen schuldbesef en belijdenis van zonden van de mens (Psalm XXXII, 5)

“Mijn zonde maakte ik U bekend en mijn onrecht verborg ik niet. Ik zeide: ik zal aan God mijn overtredingen belijden en Gij vergaf de schuld mijner zonde”.

Schuldbelijdenis wordt hier als het ware automatisch gevolgd door vergeving van zonden.
In de latere hoofdstukken van het boek Job wijst God er op, dat het de mens niet gegeven is, het rechtlijnig verband tussen het optreden van een bepaalde ziekte bij andere mensen en hun overtredingen tegen God aanwezig te achten. Deze vermaning geldt de vrienden van Job, terwijl Job zelf zijn overmoedigheid, zich zelf voor vroom te houden en onschuldig, moet belijden.
Ook in het Nieuwe Testament komen we het verband tussen zonde, ziekte en/of dood, herhaaldelijk tegen. Paulus vermeldt de mogelijkheid van een direct verband tussen ziekte en zonde in 1 Cor. 11, 30

“Daarom zijn er onder U vele zwakken en zieken”.

Hij beschouwt dan het misbruik van het avondmaal als zonde. De zonde der ouders kan zich openbaren in een ziekte der kinderen. In Joh. IX stellen de leerlingen van Jezus hem de vraag “Wie heeft er gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blindgeboren zou worden” als zij in gezelschap van Jezus een blindgeborene tegenkomen. In dit geval wijst Jezus het verband tussen zonde en ziekte af, met de woorden “Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem geopenbaard zouden worden”.

In andere gevallen neemt Jezus echter de opvatting van het nauwe verband tussen zonde en ziekte over. Het betreft hier het geval van de genezing van de man, die in Bethesda 38 jaar lang ziek gelegen had. Jezus geneest hem en zendt hem weg met de boodschap:

“zondig niet meer, opdat u niet iets ergers overkome” (Joh. V, 14).

Gebed en inkeer redden van ziekte.

“Als ik pest stuur, en mijn volk bidt en keert terug van zijn kwade levenswandel, dan vergeef ik” (11 Kron. 7, 13).

Als de profeet Jona wordt gezonden om aan de inwoners van Ninive hun komende ondergang mee te delen, als straf voor hun slechte levenswandel, dan wordt vermeld

“God zag hun daden, dat zij waren teruggekeerd van hun slechte levenswandel” (Jon. 3, 10).

Twee mensen, die op hetzelfde ogenblik ziek worden, aan dezelfde ziekte lijden, kunnen toch een geheel verschillend ziekteverloop vertonen. R. Meir verklaart het verschil in ziekteverloop van deze twee zieken uit hun verschillend gedrag tegenover de ziekte en hun verschillend inzicht in hun zonden, als oorsprong der ziekten. De ene ziekte belijdt zijn zonden en geneest, de andere doet geen belijdenis van zouden en geneest niet. 4

Men bidt voor de genezing van een zieke. Mozes bidt tot God voor genezing van zijn zuster Mirjam, die een huidziekte gekregen had als straf voor haar kwaadspreken. Het korte gebed van Mozes tot God “Ach God, genees haar toch” (Num. 12, 13) wordt verhoord. Koning David vast en weent, als het kind van Bathsheba ziek is “Misschien bewijst God mij genade en blijft het kind leven” (11 Sam. 12, 22). Het gebruik van het vasten terwille van een ziekte wordt ook elders vermeld. (T. Taan. 111, 2). Ook vermeldt de Talmoed, dat men onder de armen gaven verdeelde, terwille van de genezing van een zieke (Bb 19b).

Josephus 5 vermeldt dat men van God door gebed genezing verlangde van de besmettelijke tsara’ath (lepra of syfilis). Wie langer dan een dag ziek is, moet ook anderen voor zijn genezing laten bidden (Ber. 55b). Want zegt de psalmdichter

“God vervult de wens van diegenen, die ontzag voor hem hebben en Hij luistert naar hun smeken en redt hen” (Psalm 145, 19).

Het gebed van sommige vrome mannen zou een bijzonder heilzame werking kunnen hebben. Van R. Chanina ben Dosa wordt vermeld, dat als zijn gebed voor een zieke zonder onderbreking door hem kon worden uitgesproken, hij zeker was van de genezing van de zieke. 6 Ook het Nieuwe Testament kent het laten bidden terwille van een zieke. In Jacobus 5 : 14 wordt gezegd:

“Is iemand ziek onder U? Hij moet de oudsten van de gemeente bij zich roepen en voor zich laten bidden en zalven met olie in de naam van de Heer, en het gebed vol geloof zal de zieke helpen.”

Ook de arts moet bidden voor de genezing. Jozua ben Sirach geeft de raad, de dokter te halen bij ziekte (Sir. 38, 12) en vervolgt dan:

“Ook hij (de dokter) bidt tot God, dat Deze hem succes moge schenken en met genezing ten einde het leven (van de zieke) te behouden”.

De Talmoed noemt vier middelen, die tot het afwenden van de dood kunnen leiden: weldadigheid, gebed, verandering van naam en verandering van levenswandel. 7

In de Spreuken (1, 2) wordt gezegd:

“Weldadigheid redt van de dood”

en hierop was het gebruik gebaseerd, terwille van de genezing van een zieke gaven aan de armen te schenken 8, Het gebed, zowel individueel als collectief, voor genezing, is reeds eerder vermeld. De verandering van naam vinden we reeds bij de aartsvaders terug: van de aartsmoeder Sara wordt gezegd (Gen. 17; 15, 16) “Sarai, uw vrouw, gij zult haar naam niet meer Sarai noemen, maar Sara zal haar naam zijn”.... En dan zal ik haar zegenen”.

Nog steeds bestaat in de synagoge het gebruik, voor een ernstige zieke door middel van naamsverandering ook het besluit van God inzake de zieke gunstig te beïnvloeden. Men slaat de bijbel op en zoekt de naam van iemand die goed geleefd heeft, of zoekt naar een nieuwe naam, die in verband kan worden gebracht met de zieke of omstandigheden uit het leven van de zieke. Bij geopende Heilige Arke, waarin de Torah rollen met de Pentateuch worden bewaard, spreekt men het volgende gebed uit:

“Met verlof van de Koning aller koningen en met toestemming van de Heer, geloofd zij Hij, en met toestemming van het hemelse en aardse gericht, veranderen en wijzigen wij de naam van deze zieke, wiens (wier) naam steeds geweest is AA. en wiens (wier) naam van nu en verder niet meer zal luiden AA. maar BB. Met de naam BB zal hij (zij) voortleven en met de naam BB zal hij (zij) genoemd worden, met de naam BB zal men van hem (haar) spreken en met de naam BB zal hij (zij) worden aangeduid”.

Herstelt de zieke, dan draagt hij of zij voortaan de nieuwe voornaam, waarmee hij of zij in de synagoge zal worden aangeduid. Deze naamsverandering, het zg. bensjen, (van Latijns benedicere = zegenen), is een gebruik waaraan ook zij, die vaak veraf staan van de synagoge nog vasthouden. In nood zal men soms mensen naar de synagoge zien komen, die de naam van een geliefde zieke willen laten veranderen, ten einde alsnog een wijziging ten gunste nabij te brengen.
Simons wijst er op (in Bijgeloof en lepra in de Atlantische negerzones) dat ook nu nog de naamsverandering in de Atlantische streken van Midden- en Zuid-Amerika en Afrika onder negers zeer gebruikelijk is. Behalve door maskers en tatoeage wilde de mens zich, aldus Simons, ook door naamsverandering onherkenbaar of onvindbaar maken voor demonen en geesten. Hij noemt deze naamsverandering niet alleen een beginsel van primitieve geneeskunde, maar zelfs een primitief begin van preventieve geneeskunde: de mogelijke patiënt wordt onherkenbaar en onvindbaar voor de ziekmakende geesten en demonen. Is iemand, de drager van een bepaalde naam, een onheil overkomen, bv. ziekte, dan neemt men aan, aldus Simons, dat de drager van deze naam bij de demonen uit de gratie is en de naam komt in onbruik, juist zoals bij ons gebeurt met de namen van vergane schepen en vliegtuigen.

Het Joodse gebruik van naamsverandering bij een ernstige zieke is hierop vermoedelijk niet terug te voeren, al is het niet geheel uit te sluiten. Maar bedacht moet worden dat herhaaldelijk naamsverandering in de bijbel voorkomt, als symptoom en symbool van een bijzondere gunst van God. Zo wordt Sarai tot Sara, Abram tot Abraham en Jacob tot Israël, steeds nadat God de genoemden gewogen en niet te licht heeft bevonden. De nieuwe naam betekent dan het begin van een nieuw leven, welgevallig voor God. In deze zin wordt de naamsverandering voor een ernstige zieke ook thans nog binnen het Jodendom opgevat.

NOTEN

1) j. Sabb. XIV, 14 c51 en Lev. r. 16, 8 volgens Dr. Julius Preuss: Biblisch-Talm. Medizin pag. 161.
2) Mdr. Til. 137, 3.
3) H. A. Brongers: Enkele opmerkingen over het verband tussen zonde en ziekte enerzijds en vergeving en genezing anderzijds in Het Oude Testament. (Ned. Theol. Tijdschrift, zesde jaargang, pag. 129).
4) Rh. 18a.
5) Antt. 111, cap. 11: 3.
6) Ber. V., 5.
7) T. Babl. Rosh-Hasch. fol. 16b.
8) Bb. 10b.

Opmerking:

De zonde bestaat, zo schrijft Baruch, uit het overtreden van de goddelijke voorschriften. Een God geeft geen voorschriften, maar het lijkt aannemlijk dat hij het beste met zijn kinderen voor heeft. Er is een oorsrponkelijke ordening, tegenwoordig heet dat ecosysteem, die de mens eigenzinnig door zijn eigen ordening heeft vervangen en uit Baruchs stuk blijkt dat er in de bijbel sprake is van twee soorten zonden. Het overtreden van de oorspronkelijk ordening, de natuurwet, verwoord door de Logos, het geweten en het overtreden van de kunstmatige menselijke ordening, de wetten van de maatschappij. En dat levert voor de cultuurmens bij elke handeling een dubbele binding op. Gehoorzaamt hij de natuurwet, zijn geweten dan zondigt hij tegen de wetten van de maatschappij, gehoorzaamt hij de laatste wetten, dan zondigt hij tegen de natuurwet. Er is dus geen ontkomen aan en elk compromis compromiteert. Het is dus niet ene/en maar of/of.

Naar boven