Home

THE CUBE

1969

Jim Henson en Jerry Juhl

Voor het bekijken van de film (Nederlandse ondertiteling):
Download Jim Henson_The Cube _1969 (mpeg 149 MB). Download vervolgens het ondertitelingsbestand
JimHenson_theCube_1969 (srt 58 KB) en sla het op. Let er op dat beide bestanden de zelfde naam hebben en zet ze in dezelfde map. Speel de video af in een speler, bijvoorbeeld VLC, door te dubbelklikken op het mpeg-bestand.

Beeld uit de film The Cube - 1969


In 1969 werd bij de NBC-television het bijna één uur durende televisiespel The Cube eenmalig vertoond en verdween vervolgens ergens op de planken in de vergetelheid. Het was geschreven door de destijds 33-jarige Jim Henson (1936 – 1990), de bedenker van Sesamstraat. Inmiddels is het stuk wereldwijd herontdekt, en op het internet is niet alleen de oude zwart-wit versie te zien, maar ook een kleurenversie. Er bestaan diverse discussiegroepen die zich terecht en begrijpelijk buigen over de tijdloze boodschap van The Cube.


The Cube is een prachtige metafoor van het leven zoals dat door de mensen in deze wereld wordt geleefd, maar merkwaardig genoeg door slechts weinigen zo wordt ervaren. Mensen hebben het over vrijheid, die verdedigd moet worden, die ze dan ook nog een vrijheid in gebondenheid noemen, kennen zichzelf een vrije wil toe en geloven dat echt, terwijl ze gebonden zijn aan tradities en meningen en beheerst worden door hun willen en moeten, verlangens, angsten, libido, prestatiedrang, en hebzucht en daarbij alles wat andere mensen van hen willen en verwachten, wat Sartre tot de uitspraak bracht: "l’enfer, c’est les autres." Dat is hun Cube en in die Cube moeten ze er maar het beste van maken, want ontsnappen kan toch niet. Dat hebben ze hun hele leven gehoord en dat geloven ze dus en waarom zou je dan proberen om te ontsnappen. Ze weten niet beter, en vinden hun manier van leven zo vanzelfsprekend, dat ze echt niet in de gaten hebben hoe begrensd, beperkt en bekrompen hun leven eigenlijk is. Ooit hebben ze wel eens een moment gehad, waarin ze een helder moment hadden en het gevoel hebben gehad, dat het leven misschien toch meer was, maar die gedachte was te bedreigend en dus hebben ze zich neergelegd bij hun idee dat ontsnappen toch niet mogelijk was.

En wat doen ze dan allemaal in hun Kubus? Nou, daar zijn ze vreselijk druk in bezig, die verfraaien ze, daar doen ze zogenaamde leuke dingen in, daarin spelen ze een rol, daar feesten ze in, worden ziek en gaan uiteindelijk dood, zonder dat ze ooit de echte wereld hebben gezien. Zoals D.H. Lawrence dichtte:


The Optimist


The optimist builds himself safe inside a cell

and paints the inside walls sky-blue

and blocks up the door

and says he's in heaven.


De optimist metselt zichzelf veilig in, in zijn cel
en verft de wanden hemelsblauw
en barricadeert de deur
en beweert dat hij in de hemel is.


maar dat wil hij niet weten, want dat is zijn enige houvast en hij wordt razend al je aan zijn schijnzekerheden morrelt, want dat zou inhouden dat hij zich heeft vergist en dat is het laatste wat hij durft toe te geven. 


Binnen de Kubus bevinden zich ook een schare van deskundigen, die pretenderen niet alleen heel veel over het leven in de Kubus te weten, maar er zijn zelfs ook mensen die vertellen hoe de Kubussen zijn ontstaan, wie de Maker is geweest, wat Hij daarmee heeft bedoeld en wat de Kubusbewoners  te wachten staat na hun leven. Ze vertellen dat je heel goed je best moet doen in je Kubus, dat je veel moet bidden tot de Maker en dat Hij je dan misschien zal helpen en dat je, als je dat allemaal zult doen, na je dood – overlijden noemen ze dat, omdat je lijden dan voorbij is - eindelijk vrij zult zijn. Ze hebben dat allemaal uit hun zogenaamde Heilige Boeken en merkwaardig genoeg staan daar ook verhalen in van mensen die hen verteld hebben dat ontsnappen wél mogelijk is en zelfs hoe dat je dat moet doen, namelijk dat je alles op moet geven, totdat je zo klein bent dat je ‘m door een heel klein poortje kunt smeren. Dat vinden ze een prachtig verhaal en ook heel knap van de ontsnappers, en daar hebben ze dus vreselijk veel bewondering voor en die aanbidden en vereren ze, omdat ze het hebben gedurfd. Maar zelf hebben ze zoveel in hun hoofden en zoveel bezittingen waar ze aan gehecht zijn, dat ze er met hun gevulde hoofden en al hun bagage echt niet doorheen kunnen en op alle mogelijke manieren proberen ze andere mensen die een poging doen om te ontsnappen, te ontmoedigen en tegen te houden.



Afbeelding van de strip Sigmund uit de Volkskrant

  Uit: De Volkskrant.


Dat is ook de taak van de wetenschappers en hulpverleners. De wetenschap is in de Kubussen tot een ongeëvenaarde hoogte gestegen. Dank zij de inspanningen van de wetenschappers zijn de Kubussen geheel van samenstelling veranderd, volgepropt met producten die het gekerkerde leven wat veraangenamen, - verworvenheden noemen ze dat, en vooruitgang – allerlei communicatiemiddelen, die het contact tussen de Kubussen vergemakkelijken, GSM-s, internet bijvoorbeeld, waarmee de Kubusbewoners informatie uitwisselen, over hun ervaringen in hun eigen Kubus en dat noemen ze het uitwisselen van meningen en dat is een groot goed. Maar in die wereldwijde Kubus zijn ook allemaal groeperingen, volkeren, geloofsgenoten, politieke en andere partijen, die allemaal andere ideeën hebben over hoe het leven in de Kubus geleefd moet worden en daarom bevechten die elkaar en de wetenschappers voorzien hen van uitgebreide wapenarsenalen, waarmee ze hun zogenaamde eigen gelijk en spulletjes kunnen verdedigen tegen het eigen gelijk van anderen. Er zijn ook revolutionairen die een heel ander systeem in de Kubus willen en bereid zijn hun leven daarvoor te offeren.

Er zijn ook menswetenschappers, die vertellen hoe hun medegevangenen het beste kunnen overleven in hun Kubus, en daar schrijven ze dikke boeken over en omdat ze zo knap worden gevonden geloven mensen hun verhalen.

Het leven in de Kubus is vanzelfsprekend niet erg gezond en mensen worden massaal ziek. De wetenschappers zeggen dat dat komt omdat mensen ongezond leven, dat er in de Kubus veel bacteriën en virussen voorkomen, die het op de bewoners hebben gemunt, omdat mensen te weinig bewegen in hun Kubus en ongezond eten, teveel roken en drinken en dat ze, als ze zich maar aan hun voorschriften houden, weer allemaal beter zullen worden.

Maar ontsnappen is onmogelijk: 


Hank Williams (1923 – † 1953, in zijn eigen Kubus)

I’ll never get out of this world alive

Now you’re lookin’ at a man that’s gettin’ kind-a mad
I had lot’s of luck but it’s all been bad
No  matter how I struggle and strive
I’ll never get out of this world a- live.

My fishin’ pole’s broke the creek is full of sand
My woman run away with another man
No matter how I struggle and strive
I’ll never get out of this world alive.

A distant uncle passed away and left me quite a batch
And I was living high until that fatal day
A lawyer proved I wasn’t born
I was only hatched.---

Ev’rything’s agin’ me and it’s got me down
If I jumped in the river I would prob’ly drown
No matter how I struggle and strive
I’ll never get out of this world alive.

These shabby shoes I’m wearin’ all the time
Are full of holes and nails
And brother if I stepped on a worn out dime
I bet a nickel I could tell you if it was heads or tails.

I’m not gonna worry wrinkles in my brow
’cause nothin’s ever gonna be alright no how
No matter how I struggle and strive
I’ll never get out of this world alive.

I could buy a sunday suit and it would leave me broke
If it had two pair of pants I would burn the coat
No matter how I struggle and strive
I’ll never get out of this world alive.

If it was rainin’ gold I wouldn’t stand a chance
I wouldn’t have a pocket in my patched up pants
No matter how I struggle and strive
I’ll never get out of this world alive.

  Afbeelding van een vogelkooi


Afbeelding op de website van
Kurt Vonnegut, na zijn overlijden
in zijn eigen kooi, op 11 april 2007

___________________________________________________________________________



THE CUBE

toneelbewerking door Patrick Flanigan (2007)

gebaseerd op het scenario van Jim Henson en Jerry Juhl (1969)

www.flaniganswake.com/TheCube

DE KUBUS


Scène 1

Mijn bedoeling met deze toneelbewerking is om zo minimalistisch mogelijk te zijn. De technische problemen van het nabootsen van de filmversie zijn op zijn best onbeholpen en onnodig en op zijn slechts verwarrend voor het publiek. Het bestaan van de Kubus vraagt geen concrete uitvoering. In plaats van dat de personages de Kubus in en uitgaan via de panelen van de Kubus, komen ze en gaan ze weg van beide kanten van het podium. De rekwisieten worden geplaatst en verwijderd door twee mannen in overalls. Als het beeld eenmaal is duidelijk is, is het niet meer nodig om het publiek te herinneren aan de hachelijke toestand van de Man. In feite versterkt het niet-aanwezig zijn van de Kubus bij het publiek alleen maar de uiterst hopeloze situatie van de Man.


Het stuk begint in een totale duisternis. Midden op het podium staat een doorzichtige, witte wand van de Kubus, met panelen, 8 voet in het vierkant, 4 x 4, met panelen en vanaf de achterkant verlicht. Een interessant alternatief zouden spiegels als panelen zijn. Dat zou het effect geven van waarnemingen als projecties. Het zou ook visueel een interessante diepte geven aan het toneel. Het publiek kan de schaduw van de Man zien. Hij staat vóór de panelen met zijn rug naar het publiek en met uitgestrekte armen onderzoekt hij de panelen, terwijl hij een manier probeert te vinden om te ontsnappen.


Man: (praat tegen zichzelf)

He…hallo? Hallo….kan iemand mij horen? Wat is dit, een grap? Dit is vreemd. Hallo. Kan iemand mij horen?

Wat is dit, een grap? Goed ….kom nou….laat me eruit! Dit is vreemd. Geen deuren…..geen ramen. Hoe ben ik hierin gekomen?


Het licht gaan aan. Arnie komt van links het toneel op met een kruk.


Arnie:

Ik heb een kruk voor je, makker. Sorry dat ik niet eerder kon komen.


Man:

O, luister, ‘t is goed. Ik ben al blij dat je bent gekomen.


Arnie:

Graag gedaan. Bah….er zit aardbeienjam op die kruk


Man:

Weet je, ik dacht heel even dat ik hier was opgesloten. Ik kan je niet zeggen hoe opgelucht ik ben, alleen al omdat ik je die deur open zag….

 

Arnie verlaat het toneel aan de linkerkant. De Man bonst op de panelen en gaat op de kruk zitten.



Scène 2


Een keurig geklede, aantrekkelijke dame komt vanaf rechts met haar ouders het toneel op. Ze hebben een jas aan.


Margaret:

Hé schat, we vroegen ons af hoe het met je gaat.


Schoonvader:

Kijk, Teddy, de voorstelling begint ongeveer over een kwartier


Margaret:

Ben je nu klaar om te gaan, Ted? Waar is je jas?


Man:

Wie…wie zijn jullie?


Schoonmoeder:

Wat is dit voor plek?


Schoonvader:

Wat doe je hier eigenlijk?


Man:

Het spijt me, maar ik denk dat u zich vergist. Weet u….ik ken u helemaal niet.


Margaret:

Ted, ken je me niet? Ik ben Margaret. Ik ben je vrouw.


Schoonvader:

Waarschijnlijk een of andere drug of zoiets genomen. Kom, we gaan. Hij zal er wel mee ophouden.


Schoonmoeder:

Misschien is het straling of zoiets. Ik denk dat we hieruit moeten.


Margaret’s ouders gaan rechts het toneel af.


Margaret:

Ted, kom mee. Frisse lucht zal je goed doen.


Man:

Hé, kijk, ik ben Ted niet, maar ik wil hier wel graag uit.


Margaret:

Ik weet zeker dat daarvan opknapt. Vergeet je jas niet.


De Man draait zich even om en Margaret verlaat het toneel aan de rechterkant.


Man:

Eh….hé….deur dicht. Kom terug en doe de deur open. Hé!


De Man bonst teleurgesteld op de panelen.


Scène 3


 Mr. Thomas komt vanaf de rechterkant het toneel op. Hij blijkt een of andere keurig geklede huismeester te zijn.


Mr. Thomas:

Goedenavond, mijnheer, is er iets?


Man:

Hoezo?


Mr. Thomas:

Ik ben mijnheer Thomas, de manager.


Man:

Manager? Waarvan?


Mr. Thomas:

Wel, eh, van de hele zaak, natuurlijk.


Man:

Wat is hier aan de hand?


Mr. Thomas:

Niet iets dat ik weet. Ik wilde alleen maar hallo zeggen en zeker weten dat u alles hebt wat u nodig heeft.


Man:

Dat bedoel ik niet….Wat is dit voor plek? Waarvoor is dit?


Mr. Thomas:

Wij vragen ons dat af en toe ook af. Sommige mensen kunnen het moeilijk geloven….te goed om waar te zijn, denk ik.


Man:

Maar ik begrijp niet waarom?


Mr. Thomas:

Ik dacht als dat u het misschien niet zou begrijpen. Daarom ben ik even binnengevallen. Eén ding, ik veronderstel dat niemand u iets heeft verteld over de alarmknop.


Man:

De wat?


Mr. Thomas:

Ik dacht het niet. Hij zit precies daar, op de muur. Als u iets nodig hebt, gewoon bellen, elk moment van de dag of de nacht.


Man:

Ik heb die niet eerder gezien.


Mr. Thomas:

O ja, alle kubussen….eh, dat wil zeggen, die alarmknop heeft daar altijd al gezeten.


Man:

Zijn er nog andere kubussen?


Mr. Thomas:

Nee…dat wilde ik niet zeggen.


Man:

Waarom niet?


Mr. Thomas:

Nou, niet dat u het niet zo mogen weten, echt niet, maar ik zou het echt vervelend vinden om u voor de gek te houden.


Man:

Maar zijn er dan nog andere plekken waar mensen opgesloten zitten?


Mr. Thomas:

Nee, dat klopt helemaal niet. Niemand zit opgesloten. Sommige mensen lijken heel tevreden en blijven. Natuurlijk zijn er anderen die weg willen en als ze dat echt willen, is dat niet echt een probleem.


Man:

Maar wat doen ze dan?


Mr. Thomas:

Ze gaan gewoon weg.


Man:

Maar hoe?


Mr. Thomas:

O…..op verschillende manieren. Wij, op leidinggevend niveau, zijn er allemaal op een of andere manier uitgekomen.


Man:

Ja, maar hoe? Geef me een voorbeeld!


Mr. Thomas:

Nou, de eenvoudige, rechtstreekse benadering is de beste. Al u mij nu wilt excuseren, mijnheer, er zijn nog andere zaken, die mijn aandacht vragen.


Mr. Thomas gaat het toneel aan de linkerkant verlaten.


Man:

Wacht even! Uh….kan ik met u mee?


Mr. Thomas: (staat in de deuropening)

Ik ben bang, mijnheer, dat u op die manier niet naar buiten kunt….Dit is mijn deur!


Mr. Thomas verlaat links het toneel. De Man gaat op de alarmknop drukken en die klinkt. De Man begint op de panelen te kloppen en iemand klopt terug.



Scène 4


Arnie komt rechts het toneel op met een doos.


Arnie:

Hé makker….ik ben het maar. Ik heb je telefoon.


Man:

Mijn wat?


Arnie:

Je telefoon. Heb je geen telefoon besteld?


Man:

Eh, nee, dat heb ik niet.


Arnie:

Oh, neem me niet kwalijk.


Man:

Nou, wacht even. Als ik wil kan ik dan een telefoon krijgen?


Arnie:

Natuurlijk! Wil je een telefoon?


Man:

Natuurlijk. Zou handig kunnen zijn.


Arnie:

Je hoeft het alleen maar te vragen. Daarom ben ik hier. Alles wat je wil, kan ik regelen.


Arnie haalt een witte telefoon tevoorschijn en begint die aan een paneel vast te maken. De Man zit op de kruk en kijkt naar hem.


Man:

Oh echt? Dat wist ik niet.


Arnie:

Hebben ze je dat niet verteld? O, wat is er toch mis met die lui.


Man:

Wat voor lui, Arnie? Wie zijn dat?


Arnie:

Het probleem met dit bedrijf is dat er geen or-ga-ni-sa-tie is. Je hebt geen idee wat voor mafketels deze toestand runnen.


Man:

Ik denk ‘t!


Arnie:

Wat denk je dat ze bijvoorbeeld gisteren bij onze loods hebben afgeleverd? Hm? Je raadt het nooit. Ga door…raadt maar. Ah, je raadt het nooit.


Man:

Ik weet het niet.


Arnie:

Vier ton chocolade konijnen! Nou, wat moet ik in godsnaam doen met vier ton chocolade konijnen?


Man:

Geen idee.


Arnie:

Ik ben al veertien jaar hier en geen enkel vraag naar een chocolade konijn. Ik heb ze voorlopig in de pantserwagens gelegd. Maar oh man. Als het zomer wordt en het wordt warm…..oei! Nou, hier is je telefoon, helemaal aangesloten.


De Man staat op. Arnie zet de telefoon op de kruk.


Arnie:

Luister nou ‘ns….ik zeg je wat ik ga doen. Ik ga nu naar buiten en bel je op en dan zien we wel of het werkt. Oké?


Man:

Goed, bedankt.


Arnie:

Goed!


Arnie verlaat links het toneel. De Man probeert de telefoon, en ziet dan een kier licht tussen twee panelen. Hij slaagt erin om halverwege de wand te klimmen. De telefoon gaat twee keer over. Mr. Thomas komt vanaf de linkerkant het toneel op en neemt de telefoon op.


Mr. Thomas:

Goedenmiddag. Oh ja! Een moment alstublieft. Uhm, neem me niet kwalijk mijnheer.


Mr. Thomas loopt naar de Man toe en duwt tegen het paneel. De Man valt terug op de grond.


Mr. Thomas:

Telefoon voor u.


Man:

Dank u.


Mr. Thomas: (terwijl hij het toneel aan de linkerkant verlaat)

Graag gedaan.


Man: (antwoordt aan de telefoon)

Hallo.


Arnie: (over de telefoon)

Hallo makker, ik ben het, Arnie. Kun je me horen?


Man:

Prima.


Arnie: (over de telefoon)

Ja….Nou dan, je bent aangesloten. Tot ziens dan.


De Man hangt de telefoon op, pakt hem vervolgens op en draait een nummer. Beltoon.


Arnie: (over de telefoon)

Hallo, met Arnie.


Man:

Wat?


Arnie: (over de telefoon)

Arnie. Wat kan ik voor je doen?


Man:

Oh, niets. Ik heb vast het verkeerde nummer gedraaid.


Arnie: (over de telefoon)

Oké, makker.


De Man hangt de telefoon op.


Man:

Ik zweer dat ik het goede nummer heb gedraaid.


De Man pakt de telefoon en belt opnieuw.


Arnie: (over de telefoon)

Hallo….met Arnie.


Man:

Wat?


Arnie: (over de telefoon)

Iets mis, makker?


Man:

Ja, deze telefoon doet het niet!


Arnie: (over de telefoon)

Wat bedoel je, doet het niet? Ik kan je prima horen! Kun jij me horen?


Man:

Ja, maar dat is het niet….ik draaide….


Arnie: (over de telefoon)

Dan doet ie het. Tot ziens, makker.


De Man pakt de telefoon en trekt het snoer los van het panel. Arnie loopt rechts het toneel af.


Arnie:

Dat is geen manier om een telefoon te behandelen. Vind je het gek dat ie niet werkt.


De Man schreeuwt onsamenhangend, gooit de telefoon naar Arnie en verlaat het toneel. Arnie bukt en staat weer op. De kruk is verwijderd.


Arnie:

Schot in de roos! Gefeliciteerd, makker, je hebt een chocolade konijn gewonnen!


Arnie gooit een chocolade konijn naar de Man en verlaat het toneel rechts. De Man kijkt naar het konijn, wil gaan zitten en realiseert zich dat de kruk is verdwenen.


Man:

Waar is die kruk naartoe?


Scène 5


Er klinkt een luid geklop op de panelen.


Man:

Wat is er?


Sergeant: (vanachter de schermen)

Dit is de militaire politie. Je staat onder arrest! Maak die deur open!


Man:

Ik kan de deur niet open maken.


De Sergeant en Fritz, twee mannen in Duitse uniformen stormen het toneel op.


Sergeant:

Noteer dat, Fritz, de gevangene verzette zich tegen arrestatie.


Man:

Nou, nou, wacht even!


Sergeant:

Geen tegenspraak van de gevangene! Je wordt al een hele tijd in de gaten gehouden en we zijn precies op de hoogte van je activiteiten.


Man:

Wat voor activiteiten?


Sergeant:

We`zullen daar nu wel bewijzen van vinden.


Fritz:

Wij hebben een bevel tot huiszoeking.


Man:

Wil je me zeggen dat jullie deze plek willen doorzoeken?


Sergeant:

Precies!


Man: (lachend)

Ga je gang!


Fritz: (pakt de man het chocolade konijn af)

We zullen hiermee beginnen.


Fritz breekt de kop van het konijn af en er vallen edelstenen uit.


Fritz:

Ah ha! Ruwe diamanten!


Sergeant:

Smokkel is lonend, hè, vriend?


Man:

Kijk dan, ik was gewoon….


Sergeant: (tegen Fritz)

Controleer jij die wand. Ik pak deze.


Fritz:

Ja.


Fritz stapt achter de coulissen en vindt een goudstaaf.


Fritz:

Aha, goudstaven, met een stempel van de Bank van München!


De Sergeant stapt achter de coulissen en vindt een zwarte map.


Sergeant: (leest het etiket)

Zeer belangrijke plannen van de X-74, Strikt Geheim.


Fritz stapt achter de coulissen en vindt een microfilm.


Fritz:

Microfilm! Met het hele nationale veiligheidssysteem erop!


De Sergeant stapt vervolgens achter de coulissen en vindt een aantal wapens.


Sergeant:

En hier hebben we het wapenarsenaal. Machinegeweren, stenguns, dynamiet….


Fritz loopt het toneel af en komt terug met een man in een laboratoriumjas, vastgebonden en met een prop in de mond


Fritz:

Sergeant, kijk hier eens!


Sergeant:

Dr. Kingsley!


Fritz:

Al twee weken vermist.


Sergeant:

Dat wil zeggen dat onze onderhandelingen over het losgeld van de doctor afgelopen zijn. Fritz, pak alles bij elkaar.


Man:

Dit is belachelijk.


Sergeant: (grijpt de Man met geweld bij de nek)

Ja, dat is belachelijk! Belachelijk dat zo’n hond als jij op straat zou lopen, vrij om te moorden en te roven, geheimen te stelen van een groots land, spot te drijven met de wet die het land groot maakt! Het is belachelijk dat we je niet als een varken afslachten!.....Maar….er bestaan pijnlijkere manieren om dood te gaan.


De Sergeant slaat de Man in de handboeien, polsen bij elkaar, tussen zijn benen door.


Sergeant:

Kan wel maanden duren. In die tijd heb je ons een heleboel te vertellen. Fritz, heb je alles?


Fritz loopt weg met een kruiwagen vol wapens, plannen en Dr. Kingsley – nog steeds vastgebonden en prop in de mond.


Fritz:

Alles, sergant!


Sergeant:

Wacht hier tot we terug zijn. Kom, Fritz!


Fritz:

Dummkopf!


De Sergeant en Fritz verlaten met kruiwagen het toneel aan de rechterkant.



Scène 6


De Man begint te worstelen om zich van zijn handboeien te ontdoen. Miss Bick de binnenhuisarchitecte komt vanaf links het toneel op en kijkt om zich heen.


Miss Bick:

Die hele plek is zo kil en doelmatig. Eerder een kooi dan een plek om te leven of wat je hier ook doet.


Man:

Ah….kunt u me helpen? Er zijn hier een paar idioten gekomen en hebben me deze handboeien omgedaan…


Miss Bick:

Weet u, geen enkele ontwerper zou zoiets ontwerpen. Deze plek is machinaal ontworpen, wist u dat? Ik ken die machines….ik heb daar ook voor gewerkt. Hé Arnie!


Arnie: (commentaarstem)

Ben er al, miss Bick.


Miss Bick:

Breng me een blik mosterdgele verf. Ik denk dat geel de wanden een beetje warmer kan maken, denk je niet?


Man:

Ik denk dat ik liever uit die handboeien kom.


Miss Bick:

Natuurlijk, we hoeven het niet eens te zijn over mosterdgeel. Er zijn nog een heleboel andere kleuren.


Arnie betreedt vanaf links het toneel, zijn  kleren vol verfvlekken en een blik verf in zijn hand.


Arnie:

Een blik mosterdgeel. Hé, makker, hoe gaat het?


Man:

Kun je me hieruit helpen?


Miss Bick:

Weet je, je hebt gelijk….mosterdgeel is helemaal niet de goede kleur.


Arnie:

Vandaag geen mosterdgeel!


Arnie gooit het blik achter zijn rug, achter de coulissen. Het maakt een kletterend geluid.


Arnie:

Welke kleur wenst u, miss Bick?


Miss Bick:

Ik denk ……feloranje. Oranje is net de goede kleur voor je!


Arnie: (verlaat het toneel links)

Er komt een blik oranje aan.


Miss Bick:

Oranje is een van mijn lievelingskleuren. Oranje is de kleur van rijp, overvloedig fruit. Je kunt natuurlijk niet de hele tijd naar oranje kijken. Zeg, hoeveel uur breng je hier eigenlijk door?


 

Arnie komt binnen met een ander blik met verf en fluistert iets naar Miss Bick. Ze kijkt geschokt.


Miss Bick:

Lieve hemel! Hij kan hier niet de rest van zijn….Nou, ik bedoel dat je niet altijd naar oranje kunt kijken.


Arnie:

U wenst feloranje, eh?


Miss Bick:

Ach…natuurlijk niet. Zo’n kleur zou iemand gek kunnen maken. Ga weg met die vreselijke kleur!


Arnie:

Oké. Een…twee….hops!


Arnie gooit het blik over de Man heen, achter de coulissen. Het maakt een kletterend geluid.


Arnie:

Twee-nul voor de thuispartij.


Miss Bick:

Weet je, het zou iets….iets rustgevends moeten zijn. Wat voor kleuren heb daar die rustgevend zijn?


Arnie:

We hebben….wit.


Miss Bick:

Wit! Natuurlijk! Prima! Wit is het symbool van zuiverheid, het symbool van spiritualiteit, het eeuwige en luisterrijke toppunt van kleur. Wit!


Arnie:

Het is al wit.


Miss Bick:

Och, dat is zo. Nou kun je er dan geen laag glanslak of zoiets op doen? Het een beetje opfrissen?


Miss Bick loopt links het toneel af en Arnie haalt een spuitbus uit zijn zak.


Arnie:

Toevallig een bus glanslak hier.


Arnie spuit op de panelen. De Man begint grimassen te maken en richting de vloer te hoesten.


Man:

Dat ruikt niet naar glanslak.


Arnie:

Nee, het is eigenlijk deodorant, maar zij weet het verschil niet. Kijk of ze terugkomt, en zeg haar alsjeblieft dat je dit prettiger vindt.


Arnie wil het toneel links verlaten en de Man probeert hem te volgen. Arnie houdt hem tegen.


Arnie: (terwijl hij  naar buiten loopt)

Ah ah ah! Dit is mijn deur!


De Man begint opnieuw met zijn handboeien te worstelen.



Scène 7


Er worden een stoel en bed op het toneel gebracht. De Man ligt nog steeds worstelend op de grond. De Gitarist loopt vanaf de rechterkant het toneel op en heeft een akoestische gitaar bij zich.


Gitarist:

Oh, je liet me schrikken, man. Ik wist niet dat hier iemand binnen was.


Man:

Oh, ik zit hier, het is oké!


Gitarist:

Kijk…..ik kom hier meestal oefenen. Heb je bezwaar?


Man:

Oh… nee!


Gitarist:

Oh, ik zie dat je bezoek hebt gehad van de smerissen, hè?


Man:

Ja…… dat is echt zo.


De Gitarist grijpt in zijn zak en overhandigt de Man de sleutel.


Gitarist:

Hier…..hier is de sleutel.


Man:

Hartelijk bedankt.


Gitarist:

Laat maar zitten. Waarom ga je niet op bed liggen en wat rusten terwijl ik oefen?


Man:

Omdat er geen bed is….


Man: (kijkt om zich heen en ziet een bed staan)

Ik weet niet hoe dat hier is gekomen. Het verandert waarschijnlijk in drilpudding als ik erop zit.


De Gitarist trekt de kruk naar zich toe, gaat zitten en begint te spelen. De Man verwijdert de handboeien en gaat op bed liggen.


Gitarist: (zachtjes zingend en spelend)

Er zijn plekken die je omsluiten /

Er zijn krochten in je ziel /

Plastic lagen in je leven /

Maar als je aan de binnen- van de buitenkant van je strijd bent/

Ga je dan de mist in of blijf je jezelf /


De band komt binnen door de achterdeur. Ze gaan hun instrumenten klaar zetten. Er is een drummer, een toetsenist en iemand met een elektrische gitaar.


Dus de binnenkant van deze nieuwe plek is de buitenkant van de mist /

Maar je kunt je ruimte maar op één manier bekijken /

Je zit echt in het midden van de binnenkant van jezelf /

En we kunnen je maar één ding vertellen……


De hele band begint heel hard te spelen en te zingen.


Nooit kom je eruit /

Nooit kom je eruit /

Nooit kom je uit de Kubus /


(de drummer roept) En zo is het!


Nooit kom je eruit /

Nooit kom je eruit /

Je komt er pas uit als dood, dood, dood, bent /


De song klinkt alsof een plaat in de groef blijft hangen. De Gitarist en de band houden op met zingen, kijken wat warrig, pakken hun instrumenten en gaan weg. De song sterft weg, terwijl de Man op het bed zit met zijn handen op zijn oren.


Pas als dood, dood, dood bent /

Pas als dood, dood, dood bent /

Pas als dood, dood, dood bent /

Pas als dood, dood, dood bent /

Pas als dood, dood, dood bent /

Pas als dood, dood, dood bent /


Even is het stil…..dan gaat een alarmbel af. Mr. Thomas komt het toneel op vanaf de linkerkant.


Mr. Thomas:

Rusttijd is voorbij mijnheer.


De Man kijkt uitgeput achterom naar hem. Mr. Thomas gaat weg.



Scène 8


Er klinkt een geluid alsof er op steen wordt gekrast. Watson, de ontsnapte gevangene, komt langzaam aankruipent, vanaf de rechterkant van het toneel.


Watson:

Hé, het is me gelukt. Ik denk echt dat het me gelukt is.


Hij springt overeind als hij de Man ziet.


Man:

Wie ben je?


Watson: (geïrriteerd en nerveus)

Neem me niet kwalijk. Mijn naam is Watson. Je hebt geen idee wat het betekent om te ontsnappen. Ik dacht dat ik dit nooit zou meemaken, Hoelang, hoelang heb ik over deze dag gedroomd?


Man:

Hoelang dan?


Watson:

Altijd! Een leven lang! Hoe lang is levenslang? Het is een eeuwigheid! Zolang is dat!


Man:

Neem me niet kwalijk.


Watson:

Oh….maar nu is het allemaal voorbij. Ik zal de binnenkant van die plek nooit meer zien!


Man:

Waar was je dan?


Watson:

Mijn eigen Kubus. Wat een martelingen heb ik doorstaan. Ik kan zien dat jij nog niet zolang hier bent. Jij hebt nog geen littekens.


Man:

Nee, ik ben hier maar pas kort….denk ik. Er is natuurlijk geen manier om de tijd uit te drukken.


Watson:

Weet je wat ik heb gedaan? Ik heb streepjes op mijn duimnagel gezet om de dagen te tellen die voorbijgingen. Oh, maar dat werkte na een tijdje niet meer.


Man:

Waarom niet?


Watson:

Ze hebben mijn duimnagels uitgerukt! Ik….daarna heb ik elke belangstelling voor tijd verloren. Wat hebben ze jou aangedaan?


Man:

Oh, hm, niets kwaads, alleen maar…..


Watson:

Er kwam een moment waarop het enige dat wilde was om in mijn eigen Kubus alleen gelaten te worden. Dat was het enige, het enige waarop ik kon vertrouwen, mijn Kubus!


Man:

Nou, nadat je daar een tijdje was geweest, uhm….


Watson:

Ja, mijn Kubus is wat ouder dan deze. De panelen op de wand waren vierkant in plaats van rechthoekig, zoals die van jou.


Man:

O ja, ik zie….


Watson: (heel nerveus)

Weet je, ik….ik denk niet dat ik eerder ooit zolang uit mijn Kubus ben geweest. Ik…ik vraag me af of ik daar iets heb achtergelaten. Ik zou terug kunnen om te gaan kijken. Ze hebben waarschijnlijk niet eens gemerkt dat ik weg ben.


Watson begint heel snel rechts het toneel af te kruipen.


Man:

Ja, maar als je nu gaat kom je er misschien nooit meer uit!


Watson komt  terug en kijkt omhoog naar de Man. Vervolgens staat hij op.


Watson:

Eruit komen is geen probleem. Maar ze kunnen me pakken als ik terugga. Het is het risico niet waard!


Man:

Ik denk van niet.


Watson:

Wat weet jij daar nou van! Jij hebt zelfs geen enkel vierkant in deze ellendige Kubus! Je weet niet hoe het is…Je weet niet hoe het is om een plek te moeten hebben waar vierkanten zijn waarop je kunt vertrouwen. O, wat hield ik van die vierkanten. Ik denk dat ik beter terug kan gaan.


Man:

Wacht even, voor je weggaat, kun je me dan vertellen hoe ik hieruit kom?


Watson: (kruipt terug het toneel af)

Blijf met je handen van mij af! Jij en je rechthoeken! Ik moet terug! Oh ja, ik ga terug! Ik kom terug! (van achter het toneel) Hier kom ik! Ik kom eraan!


Mr. Thomas betreedt vanaf de linkerkant het toneel.


Mr. Thomas:

Was hier net iemand?


Man:

Nee. Nee, volgens mij niet.


Mr. Thomas:

Er was….of niet soms. Er was hier iemand die beweerde dat hij uit een andere Kubus was ontsnapt…..of niet?


Man:

Nee! Uhm, ik weet het niet zeker.


Mr. Thomas:

Nou, geloofde je zijn verhaal, of niet?


Man:

Nee. Ik weet niet wat ik moet geloven.


Mr. Thomas: (glimlachend)

Nou ja, weet je dat die man toneelspeelde? Het is een acteur, een hele goede acteur. Kom maar binnen.

 

Watson (alias Acteur) komt vanaf links het toneel op met schone kleren, terwijl hij zijn handen met een handdoek afdroogt.


Mr. Thomas:

Ik wil graag aan je voorstellen – een van beste acteurs uit de buurt.


Acteur:

Hallo!


Mr. Thomas:

U hoeft zich niet in verlegenheid gebracht te voelen. Hij is een zeer getalenteerde acteur.


Acteur:

Hé, kunnen we stukje over de duimnagel eruit halen? Ik vind dat echt stuitend.


Mr. Thomas:

Ach, je krijgt een zekere dramatische spanning als je het macabere raakt.


Acteur:

Nou, wat je ook denkt, laat me maar weten hoe het uitpakt.


Mr. Thomas:

Ja…..ik zal het doen.


Acteur: (tegen de Man terwijl hij wegloopt)

Tot ziens! (tot Mr. Thomas) Tussen haakjes, waar zijn die andere Kubussen dan eigenlijk voor?


(De Acteur verlaat links het toneel. De Man rent naar hem toe. Mr. Thomas houdt hem tegen.


Mr. Thomas: (terwijl hij links het toneel verlaat)

Hij maakte maar een grapje. Dat weet u.


Scène 9


Een bank en een drankkastje worden het toneel op gebracht. Er klinkt een deurbel en de Verleidster komt vanaf links het toneel op.


Verleidster:

Hallo. Wilt u gezelschap?


Man:

Nee. Ik denk ‘t niet.


Verleidster:

Ze hebben je echt grof behandeld, of niet? Ik ben alleen maar even binnengevallen omdat ik dacht dat je wel even zou willen zitten en je ontspannen…..


Man:

Dat kunnen we niet eens. Er zijn hier geen stoelen binnen.


Verleidster:

Er is een bank.


Man: (struikelend naar de bank)

Weer iets met deze plek. Het meubilair verandert.


Man: (gaat op het kastje zitten)

Waar komt die vandaan?


Verleidster:

Dat is een drankkastje. Ze sturen er altijd een. Als je wat wil hebben, ga je gang….


Man: (opent het drankkastje)

Dat ga ik doen!


Verleidster:

Als jij iets neemt, ik wil een whisky on the rocks.


Man: (houdt een fles Schotse Whisky omhoog)

Is dit echt?


Verleidster:

Misschien.


Man:

Je lijkt heel wat te weten over deze plek. Waarom ben je hier?


Verleidster:

Ik kom hier altijd….om mensen te bezoeken. Weet je….


Man:

Nee, nee. Nee, ik niet.


Verleidster:

Waarom ga je niet zitten?


Man:

Dank je. Ik sta liever.


Verleidster:

Kom op! Wat is er? Kunnen je knieën niet buigen?


De Man haalt zijn schouders op en gaat naast haar zitten. Er begint zachte, romantische muziek te spelen.


Man:

Waar komt die muziek vandaan?


Verleidster: (wrijft over zijn schouders)

Er zit een automatische hifi-installatie in dat drankkastje. Mijn….maar wat ben je gespannen. Hoe lang geleden heb je je ontspannen?


Man:

O, uhm, dat weet ik niet precies.


Verleidster:

Zou je willen dat ik….je nek masseer?


Man:

Nee, ik bedoel, ik denk niet….niet doen…niet doen, ik ben kietelig! Ik kan er niet tegen….nee echt…


Verleidster:

Och kom op, iemand als jij kietelig?


Man: (houdt op met lachen en zegt ernstig)

Oh wow….Wist ik maar zeker dat dingen zijn zoals ze lijken. Maar….


Verleidster:

Waarom probeer je het niet eens?


De Man en de Verleidster beginnen hartstochtelijk te zoenen. Dan stopt opeens de muziek. Dr. Bradowski, Dr. Conners en Zuster Cora komen vanaf rechts het toneel op. Ze grijpen de armen van de Man om medisch onderzoek te doen.


Zuster Cora: (schrijft op een klembord)

Blozende gelaatskleur….verwijde pupillen.


Dr. Conners:

Pols 134


Dr. Bradowski:

Bloeddruk…..120 over 70.


Dr. Conners:

Mond open alstublieft.


Dr. Bradowski:

Hebben we alles?


Zuster Cora: (tegen de Verleidster)

Hoe was het met hem?


Verleidster: (pakt haar tasje)

Ha! Niets! Cora, de volgende keer als we iemand van die mensen pakken, doe jij het kussen, ik zal de aantekeningen maken.


Zuster Cora:

Luister, we hebben er om getost en jij hebt verloren, dus je moet niet klagen.


De Verleidster en Zuster Cora verlaten samen het toneel aan de rechterkant.


Dr. Conners:

Kennelijk een bloedstuwing van angina pectoris.


Dr. Bradowski:

O, waarschijnlijk een vernauwing van de metafibulaire ganglia.


Dr. Conners:

Hmm…schande. Al eens eerder zoiets in de familie voorgekomen?


Dr. Bradowski:

Nee, hij is met mijnheer aangesproken door Mandrake uit High Noon. Hebt u dat gezien?


Dr. Conners:

Is dat een feit?


Dr. Bradowski:

Won het entreegeld voor een handicap met zes lengtes, afgelopen juni.


Dr. Conners: (lachend)

Lopen zit er niet meer in voor jou, ouwe jongen.


Dr. Bradowski:

Hij zal zijn onderhoud moeten betalen met het dekgeld.


Dr. Bradowski reikt de Man twee medicijnflesje aan.


Dr. Bradowski:

Neem dat met een beetje water en hou op met die haver. Binnen de kortste keren ben je dan weer het baasje.


De Man gooit de medicijnflesjes op de grond.


Dr. Conners:

Dr. Bradowski, hebt u een momentje? Ik heb hier een vogelbekdier in de gang met een lelijke dysenterie.


Dr. Bradowski en Dr. Conners verlaten het toneel aan de rechterkant. De bank en het drankkastje worden weggehaald.



Scène 10


Er wordt een zwart-wit TV binnengebracht en op de kruk geplaatst. De Professor komt vanaf links het toneel op.


Professor:

Neem me niet kwalijk, ik weet dat dit….nou….een slechte tijd is, maar ik wilde je alleen maar even feliciteren en je een hand geven.


Man: (schudt zijn hand)

O? Waarom?


Professor:

Nou, als ik goed begrijp wat u hier aan het doen bent, gaat het allemaal om een heel ingewikkelde discussie over Werkelijkheid versus Illusie. Het perfecte onderwerp voor het medium televisie.


Man:

Hoe bedoelt u, televisie?


Professor:

Nou, dit is een televisiestuk.


Man: (ongelovig)

Wat?


Professor:

O, gelooft u dat niet?


Man:

Natuurlijk niet.


Professor:

Ik had gedacht dat u dat wel zou willen. Bovendien is er maar één andere mogelijke verklaring.


Man:

En dat is?


Professor:

Hallucinatie…dat u knettergek bent.


De Man denkt een ogenblik na.


Man:

Zeg eens wat meer over dat televisiestuk.


Professor:

Nou, er valt heel weinig meer te vertellen, behalve natuurlijk dat het goed zal aflopen.


Man:

Weet u dat zeker?


Professor:

Natuurlijk. Ik kan het waarschijnlijk bewijzen. Weet u, dit is het medium televisie. Dit is trouwens allemaal van tevoren elektronisch vastgelegd


Man:

Wat?


Professor:

Ach ja, als u graag zou willen zien hoe het afloopt, kunnen we het laatste stuk van uitvoering bekijken.


De Professor zet de TV aan. Op het scherm is een beeld van de Man in de Kubus met het woord ‘Einde.’


Man:

Dit is belachelijk! Hoe kan ik iets zien wat zelfs nog niet gebeurd is?


Professor:

Ssst! Hier is het beeld. Het is net het laatste stuk van het programma.


Man: (kijkt aandachtig naar het televisietoestel.

Hé, dat ben ik daar.


Professor:

Natuurlijk.


Man:

Maar ik zit nog in de Kubus!


Professor:

Natuurlijk bent u in de Kubus. Maar u bent gezond en gelukkig! Kijk! U krijgt zelfs het meisje op het einde. Het perfecte einde van een sprookjesboek.


De Man in televisie-Kubus reageert op de Professor.


Man: (op de televisie, als de aftiteling voorbijkomt)

Wacht! Wacht! Er is geen gelukkig einde! Ik wil die meid niet! Wacht! Ga door!


De Professor zet het geluid van de televisie zachter.


Professor:

Nou… dat geluid hebben we niet nodig.


Het gezicht van de Man op de televisie-Kubus vult het hele beeld als hij probeert te praten.


Professor:

Als ik u was, zou ik heel blij zijn met dat einde.


Man:

Ik haat dat einde! Ik haat het allemaal! Het is een nachtmerrie!


Professor:

Dit is het medium televisie. Je kunt hem altijd uitzetten.


De Professor zet de televisie uit en loopt met het toestel rechts het toneel af.




Scène 11


De Militante Zwarte Man komt vanaf links het toneel op.


Militante Zwarte Man:

Zo, hoe vind je het?


Man:

Vind wat?


Militante Zwarte Man:

Hoe vind je je plek hier?


Man:

Ik vind er niks aan.


Militante Zwarte Man:

Ik begrijp niet waarom niet. Het zit heel goed in elkaar. Kost een hoop geld om zoiets te maken. Mooie wanden. Goede verlichting. Goed gebouwd.


Man:

Het is een vreselijke plek.


Militante Zwarte Man:

Hè nou, vind je het hierbinnen niet leuk? Volgens mij is dit een prachtige plek. Je zou je prettig en veilig moeten voelen, goed beschermd hierbinnen. Weet je, er is maar één ding op deze plek dat me niets doet.


Man:

Wat dan?


Lange pauze. De Militante Zwarte Man gaat recht tegenover de Man staan.


Militante Zwarte Man:

Dat ie wit is.


Man:

Ik…uhm, zo had ik er nog niet over gedacht.


Militante Zwarte Man:

Nou, je mag er verdomme best wat beter over denken. Het is aangenaam en veilig, je hebt hem zelf gemaakt en je zult erin blijven tot je dood! En je gaat er ook in dood. Dit is een mausoleum…voor het witte! Een tempel! Zuiver als pasgevallen sneeuw! En ik hoop dat je ervan houdt, omdat je het verdient.


Man: (verontschuldigend)

Kijk, dit is niet mijn plek. Ik heb er helemaal niets mee te maken!


Militante Zwarte Man:

Maar waarom blijf je hier dan?


Man:

Ik kan er niet uit.


Militante Zwarte Man:

Je kan eruit als je eruit wil.


Man:

Ik kan het niet. Ik heb het geprobeerd en ik kan het niet!


Militante Zwarte Man:

Hoe ben je er dan in gekomen?


Man:

Door een deur.


Militante Zwarte Man:

Ga dan weer naar buiten door een deur.


Man:

Ik kan het niet! Er zijn geen deuren!


Militante Zwarte Man:

Ga dan naar buiten door de deur waar ik door naar binnen ben gekomen!


Man:

Ik kan het niet!


Militante Zwarte Man:

Waarom niet?


Man:

Omdat dat jouw deur is!


De Militante Zwarte Man loop links op het toneel en draait zich vervolgens om.


Militante Zwarte Man:

Ik wordt ziek van je!


De Militante Zwarte Man verlaat het toneel aan de linkerkant.



Scène 12


De Man zit op de kruk. Er klinkt pianomuziek met luide conversatie op de achtergrond. Het toneel loopt vol met allerlei mensen die een cocktailparty hebben. Margaret loopt naar de Man toe en begroet Ted, de dubbelganger van de Man.


Margaret: (kust Ted)

Hei daar! Ik vroeg me af waar je was.


Acteur:

Het had geen dramatische waarde, helemaal geen structuur.


Professor:

Ik heb niet op het einde gelet.


Verleidster:

Wat betekent het allemaal?


Gitarist:

En afgezien van alles……ze hebben iedereen gewoon betaald.


Mr. Thomas:

Iemand gin-tonic?


Man:

Ja, ik wil wel.


De Man wil een drankje pakken en stuit op een onzichtbare barrière tussen hem en Mr. Thomas in. Er klinkt een dof geluid alsof er op een holle muur wordt geslagen.


Mrs. Stratton:

Het is zinloos. Hij is geprojecteerd.


Man:

Hoe bedoel je, geprojecteerd?


Mrs. Stratton:

Nou, ieder van ons heeft een bepaald beeld dat hij op anderen projecteert. Ja?


Man:

Vergis….


Mrs. Stratton:

Nou…..dat is het beeld dat wij projecteren! Niemand van ons is echt. Hij is niet echt. We zijn allemaal geprojecteerd.


Man:

Ik ben niet geprojecteerd.


Mrs. Stratton:

Wat zei u?


Man:

Ik zei dat ik niet ben geprojecteerd.


Iedereen lacht.


Man:

Ik ben niet geprojecteerd. Ik ben niet geprojecteerd! Ik ben….


Het licht gaat meteen uit. Korte pauze. Plotseling staat er een schijnwerper op de Man gericht, die op een kruk recht voor de panelen zit. Iedereen is vertrokken.


Man:

Geprojecteerd.


De Oude Man loopt vanaf de linkerkant het toneel op..


Oude Man:

Is het wel eens in je opgekomen dat je misschien al dood bent en dat dit dus dood zijn is?


De Oude Man verlaat het toneel aan de linkerkant.



Scène 13


Op het toneel worden twee stoelen en een tafel, met een hamer in de la, gebracht. De Wetenschapper komt vanaf rechts het toneel op.


Wetenschapper:

Nou, jongeman, heb je genoeg gehad?


Man:

Ja.


Wetenschapper:

Ga zitten, ga zitten.


De Wetenschapper gebaart naar de Man om aan de tafel te gaan zitten.


Wetenschapper:

Heb je eindelijk uitgevogeld wat hier aan de hand is, hm?


Man:

Nee.


Wetenschapper:

O, dat is zonde. Wij zouden je graag zo snel mogelijk willen vrijlaten.


Man:

Bedoelt u, dat ik weg mag als ik het heb uitgezocht?


Wetenschapper:

Dat is een van de dingen die je uit moet zoeken.


Man: (staat op van achter de tafel)

En dat zijn van die opmerkingen waar ik doodziek van word! Dat hele ding is gewoon niet echt.


Wetenschapper:

Geef een definitie van "Werkelijkheid."


Man:

Nou dan.


De Wetenschapper pakt de hamer uit de tafella.


Wetenschapper:

Kijk, is deze hamer echt?


Man: (gaat weer zitten)

Ja…Nee…Misschien…


Wetenschapper:

Mogelijk alle drie. Bedenk nou het volgende. Als je de kop van die hamer zou vergroten, zou je het meetkundige rasterwerk van de moleculen zien, doordrongen door de ruimte.


Man: (kijkt verveeld)

Daar gaan we dan….


Wetenschapper:

Maar in die moleculen zien we atomen. En in die atomen zien we protonen, positronen, neutronen, mesonen, nu-mesonen, pi-mesonen en in al die dingen kun je niets vinden dat je iets echts kunt noemen! Een feitelijke stip, iets dat je vast kan houden of kan aanraken.


Man: (grijpt de hamer en springt op)

U hebt helemaal gelijk! Deze hamer….die, die bestaat niet!


Wetenschapper: (pakt de Man de hamer af)

Hoe verklaar je dit dan?


De Wetenschapper gooit de hamer het toneel af – naar de rechterkant. Er klinken vreemde, rare geluiden van achter de coulissen.


Wetenschapper:

Jouw probleem is dat je geen paradox accepteert.


Arnie loopt vanaf de rechterkant het toneel op met de hamer in zijn hand.


Arnie:

Hé, wat gebeurt daar?


Wetenschapper:

Het spijt me van het gat, Arnie.


Arnie:

Natuurlijk, natuurlijk spijt het je. Maar ik moet het weer maken. Hier heb je je hamer terug.


Wetenschapper:

Laten we nu dan eens wat wetenschappelijke paradoxen bekijken.


Man: (gaat zitten)

Vertel maar.


Wetenschapper:

In de subatomaire fysica neemt de wetenschap als een feit aan dat bepaalde elektronen zich dan wel van het ene punt naar het andere kunnen bewegen, maar neemt waar dat, hoewel het elektron het ene moment hier is en zich naar daar kan bewegen, het zich daar nooit tussenin bevindt.


Man:

Wacht even. Dat is onmogelijk. Als het beweegt, komt het daar tussenin.


Wetenschapper:

Dat is niet zo.


Man:

Maar dat is onmogelijk.


Wetenschapper:

Ik weet het. Maar het gebeurt. De hele theorie van de Kwantumfysica is daarop gebaseerd, weet je.


Arnie: (grijnzend en lachend)

Die ouwe is niet goed bij zijn knikker. Ja, die knikkers zijn er allemaal uitgevallen. Knettergekke bananen.


Wetenschapper:

Ga aan je werk! Neem een ander voorbeeld. Als we een proton en een anti-proton nemen zouden we een anti-waterstof-atoom maken……


Arnie neemt de maat van een denkbeeldig gat in een paneel.


Arnie:

15 bij 27 breed. Dat zou nummer 37 moeten zijn.


Wetenschapper:

Natuurlijk….een deeltje en een antideeltje doen elkaar in het midden teniet.


Arnie:

Ja, dat is het. Hé, weet je dat je een nummer-37-gat in de wand hebt gemaakt?


Wetenschapper:

Goed! Maar wat nu met de Verenigde Veld Theorie?


Man:

Daar heb ik geen boodschap aan.


Wetenschapper:

Geen boodschap aan? Maar besef je dan niet de theologische implicaties van zo’n stel basale universele postulaten?


Man:

Nee!


Wetenschapper:

Dat is ontstellend. Heb je dan geen enkele behoefte om grip te krijgen op de elementaire structuur en basis van het bestaan? Wat ben je voor iemand? Ik hoop dat je in deze Kubus wegrot!


De Wetenschapper loopt links het toneel af. Arnie komt vanaf links het toneel op met een grote, platte, zwarte doos met in het groot het getal 37 erop.


Arnie:

Werken als een paard om hier een prettige plek van te maken en wat krijg je ervoor? Mensen hebben geen respect voor eigendom. Hij daar, met zijn wetenschappelijke experimenten. Wie maalt erom wat Werkelijkheid is?


Arnie haalt een grillig stuk uit de doos, dat precies in het gat past en zet het op zijn plaats. Het vreemde geluid stopt.


Arnie:

Ah! Kijk! Past aardig goed, hè makker? Nou, ik denkt dat dat het is. O, die vent is werkelijk onuitstaanbaar. Gelukkig bestaat hij niet!


Arnie verlaat het toneel aan de linkerkant. De tafel en stoelen worden verwijderd.



Scène 14


Twee witte terrasstoelen en een kleine witte tafel worden het toneel op gebracht. Liza komt vanaf links het toneel op.


Liza:

Hé daar. Mag ik binnenkomen?


Man:

Eh…


Liza:

Vind je het goed als ik ga zitten?


Man:

Eh…nee.


De Man leidt haar naar de stoel en helpt haar erin.


Liza:

Dankjewel…vent, ik vind het echt vervelend voor je. Weet je, ik heb uitgekeken naar een moment dat ik hier naar binnen kon glippen en met je praten. Ik hoop dat je het niet erg vindt.


Man:

Nee. Nee…natuurlijk niet.


Liza:

Nou, kan ik iets voor je doen, of heb je iets nodig?


Man:

Ik zou hier wel uit willen. Maar je gaat me vast niet vertellen hoe, of wel?


Liza:

O, het spijt me, maar daar mag ik echt niet over praten. Ik kan je alleen een tip geven.


Man:

Wat dan?


Liza:

Het wordt eerst slechter voor het beter wordt.


Man:

Geweldig.


Liza:

Nou, luister….als je het ergste verwacht, krijg je soms een prettige verrassing. Begrijp je wat ik bedoel?


Man:

Ja.


Liza:

Ja. Nou, laat ik je dan nog een tip geven.


Man:

Wat dan?


Liza:

Vertrouw niemand. Vertrouw de manager niet en ook Arnie niet. Vertrouw zelfs mij niet. Weet je,  je zegt steeds tegen jezelf  "ik vraag me af of ik hem kan vertrouwen?" Hè? Ja, goed, niet doen! Wees trouw aan jezelf. Weet je nog? Ja, goed, niemand is dat. Vooral als je dat probeert te zijn als je het niet bent.


Man:

Ik weet niet zeker of ik dat kan volgen.


Liza:

Dat komt omdat iedereen een leugenaar is. Ik ben een leugenaar. Zelfs nu lieg ik. Omdat mensen niet zijn wat ze zeggen dat ze zijn, jij soms wel?


Man:

Ik weet het niet zeker.


De stem van Liza wordt schril als van een oude heks.


Liza: (boos)

Dat is een leugen! Je weet het, maar doet alsof je daar niet zeker van bent. En dat is bekennen.


Man:

Ik had het echt niet zo bedoeld.


Liza:

Er is maar één ding erger dan bekennen. En dat is armzalig zijn! Nu ben je armzalig!


Man:

Je bent aan het veranderen, of niet? Je verandert voor mijn ogen.


De stem van Liza wordt nog angstaanjagender. Ze is nu in een oude heks veranderd.


Liza:

Alles verandert, jochie. Je moet daaraan wennen. Wat er met de wereld gebeurt is veranderen. De enige mensen die zich niet aan verandering kunnen aanpassen zijn kuikens in deze wereld. Laffe kuikens! Ha ha ha haaaa, (grijpt de Man bij zijn haren) luister Krielkip, of hoe je in godsnaam mag heten, bedenk alleen maar wat er met kuikens gebeurt! Hun kop gaat eraf! Rats.


Liza lacht, trekt aan zijn haar en doet alsof ze zijn hals af wil snijden. Liza loopt links het toneel af, lachend en met haar armen slaand als een kip. Op de achtergrond klinkt verkeersgeluid. De tafel en stoelen worden weggehaald.



Scène 15


Mr. Thomas komt vanaf links het toneel op.


Mr. Thomas:

Excuseert u mij, mijnheer.


Man:

Wat wilt u nu weer?


Mr. Thomas:

Uw tijd is op, mijnheer.


Man:

Wat moet dat betekenen?


Mr. Thomas:

Nou, mijnheer, u hebt maar voor een bepaalde tijd getekend en ik ben bang dat u daar al overheen bent.


Man:

Ik heb nooit iets getekend.


Mr. Thomas:

Alstublieft, mijnheer, ik moet u verzoeken te vertrekken.


Man:

Vertrekken?


Mr. Thomas:

Ja.


Man:

Bedoelt u dat ik weg kan gaan als ik dat wil?


Mr. Thomas:

Ja mijnheer. Ik ben bang dat u moet. Weet u, er zijn anderen die wachten om gebruik te maken van de voorzieningen. Natuurlijk, als u wil reserveren voor de toekomst….


Man:

U wilt mij vertellen dat ik gewoon die deur uit kan lopen?


Mr. Thomas:

Natuurlijk! Dat is uw deur.


De Man begint rechts het toneel af te lopen, maar aarzelt, en loopt terug naar Mr. Thomas.


Man:

Ik vertrouw u niet.


Mr. Thomas:

Ik weet niet wat u bedoelt, mijnheer.


Man:

O, doe me dat niet aan! Alles op deze plek is een truc.


Mr. Thomas:

Alstublieft, mijnheer, het wordt al laat, Kunnen we dit buiten bespreken?


Man:

Hoe gek denkt u dat ik ben?


Mr. Thomas:

Nou zeg, mijnheer!


Man:

Nou zeg? Doe me dat niet aan! Ik begrijp dat uw collega’s het er nu op aanleggen. Als al het andere mislukt, kunnen we nog altijd dat afgezaagde, uh, (imiteert Mr. Thomas) zou u nu willen vertrekken, mijnheer, gebruiken. Zou u willen vertrekken, mijnheer?


Mr. Thomas:

Nou, zou u willen, mijnheer?


Man:

Als dit een truc is, zal ik u persoonlijk in kleine stukjes scheuren.


Mr. Thomas:

Ik begrijp u echt niet, mijnheer. Wat voor truc zou dat kunnen zijn?


Man:

Wat dacht je dan hiervan? Op het moment dat ik één voet buiten deze deur zet, wordt ik gegrepen door twee gorilla’s, gekleed in balletpakken, die me terugrukken en op de grond smijten, en dan om me heen dansen en zingen Oost West Thuis Best! Wat dacht je daarvan? Zou mij dat geschikt maken voor een baantje in dit gesticht, hè?


Mr. Thomas:

Wilt u zeggen dat u niet door die deur naar buiten gaat?


Man:

Vergeet niet….kleine stukjes.


De Man loopt rechts het toneel af en twee Gorilla’s in balletkostuum grijpen hem en gooien hem terug. Ze grommen en dansen in een kring om hem heen, terwijl hij ineengekrompen op de grond ligt.


Gorilla’s: (zingende en grommend)

Al is het zo bescheiden /

Geen plek zoals de Kubus


De Gorilla’s lopen aan de rechterkant het toneel af. De Man begint kwaad op de vloer te bonken.


Man: (bijna schreeuwend)

Eruit! Vort….smeer ‘m.


Mr. Thomas:

Weet u, mijnheer, u wordt er heel goed in om dit soort dingen te voorspellen.


Mr. Thomas loopt rechts het toneel af. De Man blijft achter op de grond.



Scène 16


De Man staat op en gaat op de kruk zitten tegen de achterwand aan. Plotseling klinkt er tromgeroffel, vervolgens een bekkenslag. De Aangever en Eddie de Komiek rennen van rechts het toneel op. Het zijn Varieté-clowns, met witte schmink op hun gezicht.


Aangever:

Goedenavond, dames en heren. Het is een genoegen om hier te zijn.


Eddie de Komiek:

Dat is echt zo!


Aangever:

Hé, Eddie, waar heb je die jas vandaan?


Eddie de Komiek:

Vind je hem mooi? Die heb ik geleend van mijn neef, een dronken bankbediende.


Aangever:

Dat is belachelijk. Als een bankbediende die jas zou dragen, zou hij ontslagen worden.


Eddie de Komiek:

Daarom is hij dronken.


Luid blikkerig gelach.


Aangever:

Ha, ha, ha. Hé Eddie, wat is er met je? Je ziet er vreselijk uit.


Eddie de Komiek:

Je hebt gelijk. Ik voel me vreselijk.


Aangever:

Nou, kom op, laat ik je ‘ns bekijken. Steek je tong uit.


Eddie de Komiek:

Ah…..


Aangever:

Verder!


Eddie de Komiek:

Ah…..


Aangever:

Verder!


Eddie de Komiek:

Kan ik niet. Hij zit van achteren vast!


Aangever:

Nou, dat is jouw probleem. Je tong vast! Ha ha ha.


Harder blikkerig gelach.


Eddie de Komiek:

Ga door mensen. Als u met lachen ophoudt, gaat hij misschien zingen.


Aangever:

Hé Eddie, dat is een uitstekend idee!


Eddie de Komiek:

Ga door! Je gaat toch niet zingen voor deze mensen, of wel?


Aangever:

Zeker!


Eddie de Komiek:

Hoezo…wat hebben ze je aangedaan?


Nog harder blikkerig gelach.


Aangever:

Kom op Eddie…ik zing heel aardig!


Eddie de Komiek:

Dat klopt, mensen. Ik laat hem elke maand bij mij thuis komen om te zingen.


Aangever:

Dat klopt.


Eddie de Komiek:

(hysterisch lachend) De kakkerlakken gaan ervan dood! (de blikkerige lach is nu keihard) Hij zong in de autowasserette en de borstels deden hem een aanzoek! En ik zeg jullie, mensen, dat dat een heel doorweekt aanzoek was! (lacht nog harder)


Het blikkerige gelach houdt opeens op. Het is volmaakt stil. De Aangever en Eddie de Komiek draaien zich om en zien de Man op de kruk zitten. Ze lopen allebei naar hem toe.


Aangever:

Je lacht niet.


Eddie de Komiek:

Waarom lach je niet?


Aangever:

De andere mensen lachen.


Eddie de Komiek:

Wij zijn leuk.


Aangever:

We spelen in de beste nachtclubs.


Eddie de Komiek:

We doen alle top televisie-shows.


Aangever:

We zijn het beste wat er is.


Eddie de Komiek:

Vind je ons niet leuk?


Man: (staat op van de kruk)

Nou ik…ik denk dat ik niet lacherig voelde.


De Aangever en Eddie de Komiek beginnen met tussenpozen te lachen. Ze beginnen langzaam steeds harder en harder te lachen, en krimpen ineen van het hysterische lachen. Ze verlaten het toneel aan de linkerkant, hardop lachend als ze weglopen.



Scène 17


Een Jongetje komt op een driewieler vanaf de rechterkant het toneel op. Hij begint te zingen, terwijl hij in een kring om de Man heenrijdt.


Jongetje: (zingend op de driewieler)

Je komt hier nooit uit /

Je komt hier nooit uit /

Je komt hier nooit uit /

Je komt hier nooit uit /


Het Jongetje rijdt rechts het toneel af. Achter de coulissen klinkt een diepe stem.


Je hebt drie minuten.


De Monnik loopt met gevouwen handen vanaf links het toneel op.


Man:

Wie ben jij?


Monnik:

Ik ben niet iemand. Ik ben een vat, een kruik gevuld met het vredeselixir. Ik kom u deze gave brengen.


Man:

Echt, eh?


Monnik:

Nu, in deze laatste uren, breng ik je de hoop van het Al.


Man:

Laatste uren? Waarvan?


Monnik:

Goed gesproken, broeder. Misschien is er helemaal geen Tijd, geen Ruimte, geen Dood. Alleen het Al bestaat. Er is alleen Zijn.


Man:

Moet ik hiernaar luisteren?


Monnik:

Vecht niet. Dood is niets.


Man:

Dood?


Monnik:

Wat je onder ogen moet zien is al voorbij, als rimpelingen op een rivier. Niemand kan ze zien komen of zien gaan. Je bent een deel van het Al. Het Al is Al. Het Is is.


Man:

Is het?


Monnik:

Ik geef je de Ramadar!


Geluid van een gong. De Monnik trekt een rond, glinsterend, zoemend voorwerp uit zijn pij en plakt het op een paneel.


Monnik:

Denk daarover. Mediteer over de Ramadar en het zal je vrede brengen. Denk over de Ramadar en het zal je het Al brengen. Denk over de Ramadar en het zal je Is brengen.


De Monnik verlaat zingend het toneel aan de rechterkant. De Ramadar gaat steeds harder zoemen.


Man:

Goed! Goed! Ik heb genoeg gehad! Jij wint! Ik geef het op! Begrijp je? Rot op!


De Man grijpt de kruk en slaat hem aan barrels. Daarna gebruikt hij een van de poten om de Ramadar kapot te slaan. Het zoemen stopt en er lekt iets kleverigs uit de onderkant van de kapotgeslagen Ramadar. De Man raakt het aan, ruikt eraan en proeft het dan.


Man:

Aardbeienjam.


Arnie komt vanaf de rechterkant het toneel op, met stoffer en blik.


Arnie:

Hé, makker…hoe is het met je? Wat is er aan de hand? Ach…je hebt je Ramadar gebroken. Oh, goed, de meeste mensen doen dat. Die dingen zijn vreselijk moeilijk te verdragen. Piep, piep, piep, van ’s ochtends tot ’s avonds. De enige manier om ze stil te krijgen is de batterijen leeg te laten lopen. Je loopt erdoor tegen de muur op. Hé, luister makker, als je ooit een andere wil, laat het dan gewoon weten, goed? Ik heb een kamer vol van die dingen!


Arnie loopt rechts het toneel af. De Man krimpt teleurgesteld ineen tegen de panelen.



Scène 18


Er wordt een schommelstoel met een pistool erop op het toneel gebracht. Er klinkt een geluid van marcherende voetstappen. Zes baardragers marcheren met een doodskist vanaf de linkerkant het toneel op en zetten die naast de Man neer. Vervolgens verlaten ze het toneel aan de linkerkant. De Man staat op en loopt om de doodskist heen en maakt hem open. Hij is leeg. Hij kijkt heel zorgelijk….en maakt hem weer dicht. Vervolgens draait hij zich om en ziet het pistool liggen. Hij loopt er naartoe en pakt het, houdt het tegen zijn hoofd en haalt de trekker over. Er spuit aardbeienjam op zijn voorhoofd. Van alle kanten komen alle spelers aanlopen en vullen het toneel, lachend en plezier makend


Liza:

Je was fantastisch!


Aangever:

Hé, begrijp je het niet? Het was allemaal een grap, een geintje!


Man:

Jij klootzak!


De Man stompt de Aangever.


Mr. Thomas: (bied hem een drankje aan)

Je voelt je beter als je dat op hebt.


De Man stompt vervolgens Mr. Thomas.


Militante Zwarte Man:

Hé, Whitey, dat kun je niet maken!


Iedereen probeert de Man vast te grijpen. Hij maakt zich snel los.


Man: (schreeuwt)

Goed, luister naar me! Ik weet niet wie of wat jullie zijn. Maar ik zal je wat vertellen. Ik heb het gehad! Ik ben doodziek van jullie leuke grapjes, jullie spelletjes! Ik heb het gehad met jullie gorilla’s, jullie intellectuele rotzooi, jullie priesters, jullie….jullie chocolade konijnen. (slaat er een uit Arnie’s handen) Ik ben die mensen zat die doen alsof ze het ene zijn en veranderen in iets anders.


Man: (kijkt naar beneden naar een vrouw op de vloer)

Jij bent waarschijnlijk een man, ja? En ongetwijfeld een postbode.


De ‘vrouw’ op de grond doet ‘haar’ pruik af en geeft hem een paar enveloppen. De Man gooit ze op de grond.


Man:

Kijk, ik weet niet waarom jullie dit, verdomme, doen of wat jullie, verdomme, denken dat het betekent. Het maakt me niets uit. Ik denk dat jullie mij compleet krankzinnig willen maken. En een tijd lang is dat aardig gelukt. O, maar een tijdje, ik wist niet meer wat boven of beneden was. Ik twijfelde aan mijn gezondheid, mijn identiteit, mijn hele bestaan! Maar weet je wat? Ik doe het niet meer! Want wat er ook om mij heen gebeurt, ik ken mijzelf! Ik weet wie ik ben en jullie kunnen mij dat niet afnemen.


Ted: (de dubbelganger van de Man applaudisseert)

Hé, hé!


Man: (wijst naar Ted)

Nee, dat ben ik niet. Ik heb jullie hele arsenaal trucs gezien en ik heb het gehad met ze! Maar wat jullie niet kunnen – wat jullie niet kunnen is aan dat stuk van mij komen wat precies weet wie ik ben. En weet je wie ik ben? Ik zal het jullie vertellen. Ik ben die man die nu die deur uit gaat lopen. (wijst naar het publiek)


Iedereen applaudisseert luidruchtig, De Man kijkt om zich heen en loopt naar de linkerkant van het toneel. Het linker gordijn gaat een stukje open en laat een bureau zien met aan weerszijden een stoel. Hij bevindt zich nu in een witte gang. Hij krijgt al gauw gezelschap van Dr. Bingham, die van links af het toneel op komt voor zijn eindgesprek. De verlichting achter de panelen van de Kubus dooft.


Dr. Bingham: (geeft een hand)

Gefeliciteerd. Eigenlijk heb je niet zoveel tijd nodig gehad als wij dachten.


Man: (snotterend van emotie)

Grappig. Ik dacht dat ik de buitenwereld nooit meer zou zien.


Dr. Bingham: (leidt de Man naar het bureau met twee stoelen)

Ga mee naar mijn kantoor. Ik kan uw ontslagpapier tekenen en dan kunt u uw gang gaan.


Dr. Bingham:

Ga zitten. (ze gaan zitten) O….sigaret?


Dr. Bingham biedt de Man een sigaret aan en vervolgens een vuurtje. Hij steekt hem langzaam aan.


Dr. Bingham: (begint wat papieren door te bladeren)

Nou, nu weet u wat de Werkelijkheid is.


Man:

Ik denk het. Ik weet nog niet echt wat er allemaal aan de hand was.


Dr. Bingham:

Het is u nu allemaal helder. Maar ik denk dat u, als u erover nadenkt, zult vinden dat het steeds zinniger wordt.


Man: (kijkt naar zijn hand)

Het was zo’n openbaring toen ik besefte dat ik dit was. Dit is echt. Ik ben het. Als ik hierop sla, doet het pijn. Als ik mij snij…bloed ik.


De Man pakt een mes bij het lemmet en deinst onmiddellijk achteruit.


Hé…ik…heb me echt gesneden. Maar kijk….ik bloedt.


Dr. Bingham:

Proef maar.


Man: (proeft ongelovig zijn bloed)

Het is Aardbeienjam.


Dr. Bingham:

Juist


De lichten gaan langzaam uit. Het licht achter de panelen van de Kubus gaat weer aan. De schaduw van de man is zichtbaar, met zijn armen uitgestrekt onderzoekt hij de panelen om een ontsnappingsweg te vinden. Het licht achter de panelen gaat langzaam uit.


EINDE




De Personages – in volgorde van opkomst


De Man
Arnie
Margaret
Margaret's Moeder
Margaret's Vader
Mr. Thomas
Sergeant
Fritz
Miss Bick
Gitarist
Watson
Verleidster
Zuster Cora
Dr. Connors
Dr. Bradowski
Professor
Militante Zwarte Man
Mrs. Stratton
Oude Man
Wetenschapper
Liza
Gorilla’s
Aangever
Eddie de Komiek
Jongetje
Monnik
Baardragers
Ted
Dr. Bingham
   

Man van middelbare leeftijd, de weg kwijt
Opgewekte Klusjesman, ‘kanjer’
Bezorgde Echtgenote
Bemoeizieke Schoonmoeder
Haastige Schoonvader
Hooghartige, aristocratische Manager
Duitse militaire politieagent
Duitse militaire politieagent
Snobberige, afstandelijke Binnenhuisarchitecte
Akoestische Balladezanger
Gevangene/Acteur
Sensuele Verleidster
Onverschillige Zuster
Witgejaste dokter
Witgejaste dokter
TV media expert
Boze Man
Zelfverzekerde party-ganger
Grijsharig Orakel
Bekrompen theoretisch natuurkundige
Schizofreen buurmeisje/oude heks
Twee zingende balletgorilla’s 
Witgeschminkte varieté-artiest
Witgeschminkte varieté-artiest
Jongetje
Arrogante, New Age-adept
Zes, zwartgeklede baardragers
Dubbelganger van de Man
Ondervrager, werknemer