Home

TRAKTAAT

vande

PEST

In het welk deze zeer gevaarlijke
met reden en eigen Ervinding bevestigd
en naaktelijk vertoont wort

BESCHREVEN
Door den Hoog-geleerden en Vermaarden Heer
IJSBRAND VAN DIEMERBROEK Der Medicynen Doctor
en Professor inde Hooge
Schole tot UTRECHT.

Uit de Latijnsche inde Nederduitsche Taal
getrouwelijk overgezet,

Door JACOB du BUISSON
Chirurgyn en Pest-meester der Stad
MIDDELBURG in ZEELAND


Tot MIDDELBURG
Gedrukt by Pieter van Goetthem
Stads-Drukker, op de groote Marct, 1671

OP-DRACHT
Aande Edele Achtbare Heeren vande
MAGISTRAAT
Dezer Stad
MIDDELBURG in ZEELANT
So die nu tegenwoordig zijn Regerenden

Edele Achtbare Heeren.


ONDER alle Ziekten en plagen, waar mede Godt Almachtig het Menschelijke geslachte in dit dal der Tranen zomwylen rechtveerdelijk komt te bezouken, zijnder, mijns oordeels, geene, die by de Peste konnen gestelt of vergeleken werden; een Ziekte voorwaar, de welke niet alleen Menschen en Vee, maar alles, dat onder den Hemel leven ontfangen heeft, schijnt als eenen onverzoenelijken Oorloog aangezegt te hebben: Het is nu een ruimen tijt geleden, dat ik hier en elders de Konste der Chirurgie openbaarlijk hebbe geoeffent, en mijn altijt zo in deze besmettelijke, als andere Ziekten zelf onderzcheit laten gebruiken: ’t gaat nu ook in ’t zelfde 2 zevende Jaar, dat U ed. Achtbaarheden mijn hebben verkoren tot Pest-meester van deze hare Stad, om in tijden van deze gevaarlijke ziekte alle Menschen ten dienst te staan, dat ik ook met grooten yver en een geresolveert gemoet hebbe aangenomen, en in eenige Pesten, waar mede deze Stad voor dezen onsteken is geweest, aan veele en vescheide Menschen, zo oude, als jonge, rijke als arme, Mans als Vrouwen, niet zonder merkelijken zegen van dien Oppersten Medicijn, die de eere daar van alleen toekomt, mijne kennisse en ervarentheit met alle zorgvuldigheit en getrouwigheit betoont en bewezen, waar van in en buiten deze Stad nog veel levendige getuigen, des noot zijnde, zouden konnen te voorschijn gebracht werden: En op dat ik mijn in dit zwaar en bekommerlijk beroep tot dienst van deze Stad, als ook tot gerustheit van mijn eigen gewisse, mijn dagelijx meer en meer zoude mogen habiliteren en bequaam maken, hebbe ik nog kosten nog moeiten gezpaart, om te bekomen en te doorsnuffelen alle zodanige Boekken en Autheuren, die ik wiste, dat van deze zware ziekte eenigzins mochten geschreven hebben; zo dat ik zonder roem dorve zeggen, dat geen of weinige van zodanige Autheuren, die eenig credijt onder de Geleerde hebben, mijn nauwelijx zouden konnen getoont ofgenoemt werden, die ik over deze materie niet gelezen of geconfuleert hebbe: maar onder, die alle (dat met permissie zy gezecht) geene gevonden, de welke mijn ontrent deze Ziekte volkomelijk hebben voldaan; maar in handen krijgende, eenige Jaren geleden, het Traktaat, dat den Hoog-Geleerden en zeer Vermaarden Heer IJsbrand van Diemerbroek, der Medicijnen Doctor en Professor inde Hoge Schole tot Utrecht, van de Peste in de Latijnsche Taal geschreven, en door den Druk gemeen gemaakt heeft, ben ik daar op van stonden aan zo verzlingert geworden, dat ik mijn in ‘t lezen van ‘t zelve niet hebbe konnen verzadigen, waarom ick het ook verscheide reizen met zonderlinge op-merking hebbe gelezen, en bevonden, met de dagelijksche ervinding en waarheit zo wel te accorderen en over-een-te-komen, dat ik gelove (behoudens echter elk zijn goet oordeel) dat niemant voor zijn Ed. Geleerder, en met meerder reden en ervarentheit van deze Ziekte geschreven heeft, of na zijn Ed. schrijven zal; Ik moet bekennen dat zeker Vrient, die ik in dit Werk veel schuldig ben, de eerste en eenige is geweest, dewelke mijn dit Boek heeft gerecommandeert; en bevolen het zelve met alle neerstigheit en aandacht te lezen; ja in instantelijk en iterativelik aangemaant, dat ik zo nut en ten hoogsten dienstig Werk niet langer in de Taal, daar’t in beschreven is, onder de Geleerde alleen zoudelaten wandelen, maar het zelve in onze Nederduitsche Taal willen overzetten, op dat die geene, de welke in de Latijnsche Taal on-ervaren zijn, ook eenige vrucht daar uit zouden mogen plukken: Deze en andere redenen dan hebben mijn bewogen, en goet doen vinden; ten behoeve der geener wien de Latijnsche Taal onbekent is, zo om mijn zelven, als hun Lieden te oeffenen, dagelijx eenige ledige uuren hier toe te besteden en te kost te leggen, waar in ik allengskens zo verre ben gekomen en geavanceert dat ik dit ondergenomen Werk eindelijk ten einde hebbe gebracht: en gemerkt eenige van mijn Vrienden van welke deze mijne tijt-korting gelezen en ten deelen ge-examineert is, ge-oordeelt hebben, dat deze mijne oeffening (die ik anders tot mijne eigen particulieren dienst alleenlijk geschikt hadde) veele Menschen profijtelijk zoude konnen wezen, voornamelijk Chirurgijns, die genezen zouden zijn in tijt van Peste haar in deze gevaarlijke Ziekte te willen laten gebruiken: dierhalven hebbe ik onderstaan, en ben te rade geworden deze mijne Overzetting onder de Menschen te zenden, en door den openbaren Druk de Werelt gemeen te maken.

Dezen mijnen geringen arbeit, Edele Achtbare Heeren, koom ik in aldernederigsten ootmoet U Ed. Achtbaarheden Op-offeren en toe-eigenen; niet als weerdig, de welke U Ed. Achtbaarheden behoorde gepresenteert of Op-gedragen te werden; maar als een behoorlijken plicht en bewijs van schuldige dankbaarheit aan U Ed. Achtbaarheden: ontfangt dan deze mijne kleene erkentnis, en belgt dog haarder geringigheit niet, ’t zal mijn ten volle genoeg wezen, dat zy maar met een gunstig Oog van U Ed. Achtbaarheden mag aangezien werden.

Ondertusschen zal ik den Almogenden God bidden, dat hy Uwer Ed. Achtbaarheden Perzonen en Loffelijke en bescheide Regeringe Kroone, dezelve met gelukkige voorspoet, en zegen langen tijt late groeien en bloeien, tot welstant des Vaderlants, rust en Vrede dezer Stad, en onzer aller eeuwige Zaligheit. Dat wenscht uit een zuiver en eerbiedig gemoet

Edele Achtbare Heeren,

Uwer Ed. Achtbaarheden Alder-onderdanigsten
en zeer verplichten Dienaer.
 

JACOB du BUISSON.

********

Op ’t Vertalen der

Pest-Beschrijving,

Door

JACOB du BUISSON.

Die Pest een vinnig quaat voor ‘t Menschelik geslagt,

Heeft menig Land en Stad en Volk in noot gebracht;
Den lijder (zonder troost, en aanspraak van zijn Vrienden
Berooft van ‘tgeen hem meest in deze quaale dienden,)
Was duldeloos van smert en angst, benaude pijn,
Tot dat die groote Arts en schrandere Medecijn
Den Heere Diemerbroek hem fijne hulp toe deelde,
Met sulken yverzugt dat hem ooit en verveelde
Te slapen voor’t gemeen en beste van den Staat,
Daar vanNimwegen tuygt: hoe dathy vroeg en laat
Dees Atropos bestreet: nu komt hy met fijn schriften

En wijst ons aen den weg dees Hydra methaar driften
Op ’t best tewederstaan en in Latijnse Taal,
Van fijn Ervarentheit doet hy een net verhaal:
Al wat hem is gebeurt in die bedroefde tijden,
Deilt hy ons rijklik mee en doet de Geest verblijden
Des Lezers: Doch hier van ook eer en dank behaalt
Gy Jacob du Buisson, om dat gy hebt vertaalt
Dit nu en noodig Werk: vaar voort met uwen yver,
So zal Apollo u ook als een Pest-beschrijver
Begaven met zijn Geest; door Famas Lof-bazuyn
Met Takken van Laurier vercieren uwen Cruyn
Zo stijgt u eer ten top, zo leeftgy door u bladen
Waar in wy nu met lust ons hopen te verzaden.
F.H.


Eerste Boek

Van de

PEST

Eerste Capittel

Vande benamingen der Pest

Voornemens zijnde te beschryven de historie van die schrikkelijke Peste / welke in den jaren / na de geboorte Christus / 1635, 1636 en 1637 geheel Neerland / ende het voornaamste gedeelte van Hoog-Duitsland met grouwelijke verwoesting doorwandelt / en by-zonderlijk de Provincie Gelderland en in de zelfde boven andere de stadt Nimwegen in ’t jaar 1636 zeer jammerlijk getroffen heeft / hebbe ik goet gedacht een weinig voor-af-te-spreken van de benamingen dezer ziekte.

Gelijk wreede Tyrannen en groote Princen met veel aanzienelijke eer-tytelen ghewoon zijn ver-eerd en begifticht te worden / op dat uit de zelve haar uitmuntende macht te meer mochte bekent worden; even alzoo zijn oock dese groote en zware ziekte verscheide benamingen toe-ge-eigent / door welke hare verderfelijke kracht ende natuur zeer naakt word te kennen gegeven; die by onzen Autheur in grooten getale geleerdelijk zijn op-geteld / welke wij / kortheits wille / geern voor-by-gaan; by ons word zy genaamd de Ziekte, de Zwarigheid, de Pest of Pestilentie, welke naam in de Fransche / Italiaansche / Spaansche en meer andere talen ook gebleven is.

Tweede Capittel

Vande definitie of bepalingen der Peste

Overmits de Definitie / na de getuigenisse van Cicero / een openinge ende verklaringe is van bedekte en verborgene dingen / waar door bekend gemaakt word / wat dezelve zy: zo sullen wy ook vande definitie of bepalinge der Peste hier beginnen / op dat klaarlijk blijke / van wat ziekte wy zullen gaan handelen.

De Peste dan is een zeer Gemeene / scherpe / verderfelijke ende ten hoogsten besmettelijke ziekte / veroorzaakt uit een quaad-aardige / verborgene en onze geesten ende natuurlijke warmte van gansche self-standigheit veranderlijke besmettinge / waer door de functien of werkingen van alle partyen onzes lichaams / maer voornaamlijk van ’t hart / beledicht worden.

Derde Capittel

Hoe dese Peste van Nimwegen inden beginne, op ’t hoogste,
en in ’t einde of afgaan haar vertoont heeft.

Den Lenten van ’t jaer 1635 is laf en matelijk nat en vochtig geweest; waar op gevolgt is een uittermaten warmen en drogen Zomer; wanneer op zeer veel plaatzen groote verrottingen verwekt zijn; en veel Zware Algemeen besmettelijke Ziekten: maar voornamelijk heeft een zware Peste in een jaar uit de Stad Leyden meer als 20000 Menschen weg-gerukt. Onder ons en door geheel Gelderland / gelijk ook op meer andere plaatzen / heeft afgrijselijk geheerst en in swank gegaan Zekere Algemeene Pestilentiale Koorts, en groote sterfte onder de Menschen ver-oorzaakt. Ontrent de Herfst, deze groote hitte noch blyvende / ja meerdere toe-genomen hebbende met uytnemende droogte / zijnder aan alle kanten meer tekenen van verrottinge / en meer quaad-aardige ziekten allezins voor den dag gekomen; Pokjes / mazelen / buik-loopen en quaad-aardige Rood-loopen of Bloet-gangen domineerden op alle plaatzen; maar boven alle grazzeerden en stak uit dese voorzeide Pestilentiale Koorts / dewelke dakelijk meer en meer groeiende / en arger en arger wordende / begon met purpere vlakken uit-te-slaan; tot dat zy ten laasten in een openbare Peste ver-anderde / die binnen Nimwegen in den maand November van ’t voornoemde jaer haar begin nemende zich allengskens dien Winter rondom verspreide; den Winter was getempert en gematigt in koude / drooghte ende vochtigheid. In de Maand van Januarius des volgende jaars 1636 heeft alles beginnen te ver-argeren / en ontrent de Maand van Meert de Peste oog-schijnelijk toe-te-nemen; maar is in haar staat en op haar Alderhoogste onsteken geweest ontrent het laaste vande Maand van April. En heeft in dese hevigheit gebleven tot het einde van October; welken tijt geduurende heeft zy zoo afgrijzelijk gedomineerd en geheerst / dat er in de geheel Stad / mijns wetens / nauwelijk een huis vry is geweest; aan alle kanten zag men ontelbare zieken / onder welke de doot meest haar heerschappy toonde; Want daar stiervender meer / alzer van opquaamen; ’t Scheen dat de ondoorgrondelijke quaad-aardigheit van deze ziekte de kracht van alle middelen by na verachte ende te boven ging; ’t is buiten twijfel en zeker dat deze ziekte in die Maanden in haar staat en op haar Alderhoogste is geweest; daar na heefze allengskens beginnen af-te-nemen; zoo dat eindelijk inde Maand December markelijk weiniger zieken en dooden wierden gevonden; Den winter is buiten gewoonte uitnemend laf geweest / waar door deze peste langer geduurt heeft; ’t volgende jaar 1637 heeft’et 6 a 7 dagen zeer sterk gevrozen / welke strenge / alhoewel korte koude / de kracht van deze schrikkelijke ziekte zodaniglijk gebroken heeft / dat inden beginne van Meert hare overblijfsels binnen Nimwegen volkomelijk sijn uitgheblust; wanneer wy ook de laaste bezocht hebben / die van deze besmettelijke plaag bezocht waren geweest.

Ik segge binnen Nimwegen: want op veel andere plaatzen heeft zy noch dat geheele jaar 1637 zeer veel menschen verslonden; en behalven elders / heeft in ’t Sticht van Utrecht / mijn Lieve vaderlijke Stad Montfoord ende omliggende plaatzen daar mede zeer jammerlijk geplaagt geweest; zoo dat nauwelijk ’t halve gedeelte van de inwoonders overgebleven is. Gelijk het jaar 1635 in den Zomer en de Herfst in uittermaten groote hitte des Luchts uitstak; Zoo is het volgende jaar 1636 op het voorgaande met geen minder hitte gevolgt / welke van den Lenten tot den Winter toe duurde; van de Lenten tot den Winter toe waren de winden meesten tijt Zuiden of West met een zeer vuile en besmette lucht; hier by quamen van Meert tot het laaste van Augustus gestadige droogten / desgelijke nauwelijks soo lang achter den anderen te vooren gezien waren; alle welke voorvallen de qualen van ’t voorgaande jaar grootelyk vermeerderd hebben.

Vierde Capittel

Vande Subjecten of onderworpzelen der Peste

Deze peste de onredelijcke Dieren meest ongeraakt voor by gaande / hadde de menschen alleen den oorloog aangezecht; maakte geen onderscheid tusschen eenige zoorte van menschen of gesteltenissen der lighamen; zag na goede noch bedorven humeuren; lighamen van gezonde gestaltenissen waren van haar niet bevryd / en ongezonde wierden daarom niet te eerder van haar aangeranst; omzuivere dikmaal onbeschadicht latende / viel de best getemperde ende gematigde op ’t lijf; ranste sonder onderscheid aan zoo wel Vrouwen als Mans / ongetroude als getroude; zo wel zwangere als die niet zwanger gingen; zo wel jonge kinders / aankomelingen als lieden van bezette jaren; den ouderdom liep meest vry. In ’t begin wierden’er zeer veel van malkanderen besmet; maar daar na is deze afgryzelijke plaag sulk onsteken en de lucht zodaniglijk besmet en verbuilt geworden / dat’er nauwelyk inde geheele Stad een plaatze van de peste onbesmet is gevonden: toen wierden besmet by na zo wel /die onsuivere en onstekenen plaatzen myden / als die zonder onderscheid by allen zieken en gezonde quamen. Daarenboven wierden dikmaal op eenen tijt / als door een verborgen sympathie en over-een-koming / geheele familien en huis-ghesinden onsteken ende besmet; ja dat meer is / wy hebben gezien / dat zommige familien / die vry verre van de anderen waren / en op verscheide plaatzen en in de andere Steden woonden / by na op eenen zelven tyt door de doodelijke pijlen van dezen dwing-land zwaarlijk bezocht / en bykans gelykelijk uitgeroeid zijn geweest; zo afgryzelijk was deze schrikkelijke plaag grazzerende en het gansche land doorwandelende / dat geheel Nimwegen scheen als een vuur van haar onsteken te zijn. Og! Wat droevigh aanschouwing was ’t menigmaal dry of vier dooden te gelijck uit een huis na’t graf te zien dragen / de doot-baren in alle straten voor de meeste Borgers huizen zien te staan / en de dooden van alle kanten ter begravenisse zien uitbrengen!

Vijfde Capittel

Van zommige dingen die, aanmarkens weerdig, in deze peste zijn voorgevallen.

Twee of dry dagen voor en na nieuwe / als ook volle Maan / heeft zich deze afgryzelijke plaag altijt verheft / en op die tyt besprong zy’er veel; en die zy besprong / stierven meest alle / en dat zeer schielijk en in korten tijt: Want vele / eer zy nauwelyk ziek scheemen te zijn / door een ik weet niet wat vervallingen der krachten onderdrukt zynde / wierden in weinige uuren weg gerukt: veele bezweken den tweeden of den derden dag / voornamelijk in die maanden / dat de zieckte op haar alderhoogste was.

Deze Peste begon of scheide in weinige zonder koorst: in veele quam zy wel zonder koorts / maar die nochtans niet lang daar na opvolgde; veele in den beginnen kregen deze peste met een kleene huivering / daar aanstonts een koorts by quam: zompts een brandende / zomtijts een zachte; maar den meesten tyt een middelmatige.

Veel zwangere Vrouwen kregen mis-vallen; en ook met eenen de peste / welke zeer weinige ontquamen; die haren tijt van baren uitgingen en voorspoedelijk verlosten / self ook die met haar vrucht bracht deze afgryzelijke plaag zeer haastelijk om hals: zoo dat zodanige ook de schichten en pylen van de doot selden ontquamen.

Mans / die Venus-werk niet zeer gewoon waren / zo zy haar daar in al te kloek quamen te oeffenen / kregen korts daer na de Peste / en wierden met den boot van Charon na de Elyzesche velden in weynigen tijdt overvoert: hier door is ’t gebeurt / dat veele Bruidegoms twee of dry dagen na haren trouw-dag uit deze werelt zijn weg-gerukt. Zoo iemand met eenige ander ziekte bezocht wierd / volgde binnen 24 uuren de peste daar op / zulk dat in een geheel jaar nauwelyx eenige ziekte gezien is / die de peste niet vergezelschapt heeft.

Veel zieken / die inden eersten beginne van hare ziekte zweet-dryvenden tegen-giften innamen / wierden gezond; maar dat hebbende, laten voorby gaan / liepen groot gevaar.

Veel zieken stierven voor den zevensten dag / veel wierden zeer schielijk den eersten / veel den derden of vierden / maer de meeste den vijfden of zesden dag weggerukt.

Die den zevensten en negensten dag over-leefden / van deze was eenige hope; wy hebbenden nochtans zommige ghezien / welke hare ziekte tot de derde en vierde week hebben uitgestaan / en noch ten laasten zijn gestorven, want trage pestilentiale koortzen waren zeer bedrieglijk: want overmits hare kleene toevallen / gaven zy groote hope van genesing / en hieuwen de zieken langer tijt slepende / sonder (zo ’t scheen) groote toevallen / echter zeer schielijk de zelve ten laasten weg-rukten.

Zesde Capittel

Vande tekenen, die de Peste voorgegaan en als voor-boden daer van zijn gheweest.

Om dat de eerste oorzaak der Peste van boven uit den Hemel nederdaalt / en dien volgens verborgen is; zo ist / dat ook zwaarlijk haren eerste aankomste uit voorgaande tekenen of voor duitzels zekerlijk kan voorzien worden: Want dikmaal bespringt zy heimelijk en onverziens als een dief vele plaatzen / zonder de minste voortekenen van haar te laten zien; zomptyds zend zy ook ook voor uit op eenige plaatzen zommige van hare tekenen; dan wat duisterlijker en ongevoelijker / dan wederom wat blykelijker en gebbelijker / die meest genomen zijn van de eerste ende kleene werkinge van haar verborgen Pestilentiaal fenijn; als ook van die dingen / welke de lighamen tot ontfanginge der peste prepareren en bequaam maken: Verscheide tekenen van deze zoorte hebben gescheenen deze peste van Nimwegen te bood-schappen en voor-te-segghen; Want den gehelen Zomer van ’t jaar 1635, niet minder als van ’t jaar 1636 hebben haar zodanige voor-boden laten zien: Te weten een vergadering en op-een-hoping of zamen-rotting van vierige starren; die aan de Hemel hier en daar gespeurt wierden / en op de aarde neer vielen; s’nachts veel en gestadige blixem; met een heldere en klare lucht; zonder regen en donder; langduurige zuide winden: dikmaal ook groote stilte zonder eenige markelijke winden: s’zomers groote hitte en lang-duurige droogten / welke volghden op een laffen en natten winter: en daar wederom eenen zoelen winter op quam: veel weiniger gevogelte / dan op andere tijden / groote en ongeloofdelijke menichte van insecten en alderlei kleene beesjes / dergelijk nooit van te voren gezien waren; als van Muggen, Pepels, Schal-byters, Wespen, Krekels; maar byzonderlijk van Vlieghen, van welke in die twee jaren allezins zoo groote en wonderlijke menichte wierd gespeurd / dat de muuren van binnen in de huizen als met vlieghen bezaeid schenen te zijn / en de lucht van buiten op vele plaatzen / als met wolken van vlieghen verduisterd wierd: veel haastiger en zwaarder verrottingen van vleesch en van andere dingen / buiten gewoonte: veele mis-vallen van zwaargaande of zwangere vrouwen: Gemeene ziekten van quaden aard: ghelijk daar waren Pokjes / Mazels / zeer besmettelijke en quaad-aardige rood-loopen: voornamelijk ten hooghsten verrotte en quaad-aardige Koorzen / met purpere vlakken: welke de meeste menschen weg-sleepten; de kinderen op de straten speelden in hare gemeene speelen veel den dooden-man; veel andere en diergelijke dinghen meer / welke alle ghenochzaam voorboden waren van de qualen en zwarigheden / die dit Land over ’t hooft hingen: waar by noch dit quam; dat de stad van Leyden van een uittermaten schrikkelijke Peste nu tegenwoordig zeer jammerlijk getroffen wierd: voor elk in ’t byzonder konnen zeer weinige of geene voortekenen van deze gedreigde zwarigheid gewaar worden: wan zy viel by na alle mensen subijt en onvoorziens op den hals: en men wierd haar niet gewaar / dan uit hare werkingen en uit-komste: dit een hebben ik noch ondervonden: waar de vogeltjes / welke uit vermaak en ook om haren zang zommige in hutjens houwen / quamen te sterve; dat in die huizen niet lang daar na / ja dikmaal binnen 2 of 3 dagen / ook onder de lieden van die huizen de Peste is gekomen / en gezien / dat ’t zelfde op veel plaatzen en in veel huizen is geschied.

Sevende Capittel

Vande tekenen en toevallen, die de Peste vergeselschappen.

De tekenen en toevallen / die deze peste vergeselschappen / en hare tegenwoordigheid te kennen gaven / waren verscheiden: als koorzen; ongheduurigheden; groote benautheid; dikmaal zeer grooten inwendigen brand; hoofd-pyn / die zelden stekend / maar meest doof en zwaar was / als of’er eenig gewichte op ’t hoofd gelegen hadde; schrikkingen: razerny; opspringinge met zamen-trekkinge van leden; in zommige ghestadig waken; in andere eenen zwaren en vasten zlaap; een onstelt wezen; tuitinge de ooren / in zommige doofheyd / droogte maar weinig / flaute en benautheit / menigmaal een sterken pols / by na als van gezonde menschen: zomtijts eenen slappen / rassen onghelijken / en in zommige wel enige slagen ophoudende / kleenen en in veel een zeer rassen dan gelijk / dan ongelijk / bloed-spouwing / een droog hoesjen of kuchjen / dorst / verloren appetijt of lust tot eten en drinken / pijn in de mont vande maag / walging / braking / ook rauwe / zeer stinkende afgangen met een onder-een-menging van allerlei humeuren en vochticheden / zomtijts ook met wormen / doodelijke buikloopen / in vele pisse of water van goet coleur en wel bezonken als van gezonde mensschen / in vele brand-achtig / in andere dun en rauw; zomtijts onklaar en beroerd / zommige maakten op eenen dagh verscheiden water / te weten dan goet en loffelijk / dan onklaar of brand-achtig / eenige ook bloed-achtig / in zommige vertoonde zich een schielijke vervalling van krachten / en onmacht / tot eenige beweging; zelf van den beginne der ziekte; in zommige bleven de krachten volkomen en sterk / tot dat zy stierven; in zommige was in ’t lighaam een scherpen en uitnemenden grooten brand / in andere een natuurlijke warmte / zommige waren van aansicht bleek / zommige rood / veele hadden de coleur by na van ghezonde lieden; purper-achtige / zwarte / violette of roode / dan weinige; dan veele; nu kleene / nu zich wyd en breed uitspreidende vlakken / die meest altijt recht rond waren / zich zomtijts hier / zomtijts daar / maar dikmaal over ’t gheheel lighaam vertoonende / ghezwellen in de klieren / Carbunkels of Pest-kolen in verscheide deelen des Lighaams. Deze boven-ghenoemde tekenen wierden niet altijt ghevonden in een zelve Lighaam / maar men sach zomtijts in ’t een Lighaam deze / en in ’t ander wederom andere tekenen te voorschijn komen.

Achtste Capittel

Vande oorzaken der Peste

Een ware en rechte Peste / hoedanig ook geweest is deze van Nimwegen / heeft dry oorzaeken; van welke de tweede van de eerste / en de derde vande tweede voorkomt: de eerste en voornaamste oorzaak is den Alderrechtveerdichsten toorn van den Alderhooghsten Godt / den welke de schandelijke en stinkende dampen / die uit de moerassen en vuile poelen van onze zonden na boven opgeklommen zijn / over ons ghehaalt en onsteken hebben: Van deze oorzake komt voort dat το θειον, of dat Goddelyx, t’welk bevonden word by de Peste te wezen / waar van Hippocrates ook menigmaal gewach maakt.

De tweede oorzaak, die haren oorsprong van de eerste neemd / is dat zeer quaad-aardig / verborgen / fenijnig / de menschelijke natuur vyandelijk en Pestilentiaal zaat / van boven uit den hemel neder-ghezonden / t’welck in een klein begrijp de lucht zijnde ingestord en mede-gedeeld / zich als eenen subtylen Zuurdeessem door de selve verspreid / die besmet / en door zijne menigvuldige kleene deeltjens in veele plaatzen en land-schappen / een gelijke fenijnigheid indrukt / door welkers mede-deeling niet alleen aan veele inwoonders van een plaatse; maar self in veel gewesten van de geheele wereld de peste veelrijks overgeset word. Den oorsprong van deze oorzaak / te weten van deze fenijnige besmetting des luchts / komt noch en hangd niet aan eenige of verscheide bewegingen of invloeingen van starren / of andere hemelsche lighamen; niet aan zekere gestaltenissen of veranderingen des jaars; ook niet aan eenige verrotting van dingen / die onder de maan zijn; of aan een byzondere onder-een-menging der Elementen; of aan quaade dampen / die ergens uit-aassemen: maar neemd zijn begin en oorsprong alleen van dat Goddelyx ofte dat eerste van boven nedergezonden oorspronkelijke zaat. By deze besmettinge / nochtans van de lucht komen gewoonlijk en den meesten tijt verscheide andere mede-helpende of tweede oorzaken / de welke eensdeels voort gekomen zijn / van de bedervinge / welke van de boven aanghetekende voortgenbracht is: eensdeels ergens anders van daan haren oorsprong neemd; door welke de Peste niet eerst uitgevoerd word: maar hier door worden veroorzaakt ver-anderingen en verrottingen in de humeuren of vochtigheden onzer lighamen / en andere preparatien en voor-bereidingen / door welke zy de Peste lichtelijk komen te vatten: hoedanige tweede en medewerkende oorzaken wy oock veele en verscheiden gehad hebben: namelijk quaad-aardige conjunctien of zamen rottingen van starren: by aldien der maar quaad-aardige gevonden worden / en de starren iets op de onder de Maan gelegen Lighamen werken) zeer groote vierigheit of brand en besmetheid des luchs ende des hemels: zuide winden: ook dikmaal groote stilte zonder markelijke winden: lang-duurige droogten: zoelheit van winter en lenten: zeer vuile en stinkende uitwaessemen van verrotte dingen / en diergelijke andere oorzaken meer.

De derde oorzaak, die vande tweede voort-komt / is dat Contagium of besmetting / dat eerste het Kint, daar na oorzaakt vande ziekte is. Ik zeggen het kint, om datze niet in wezen is / ten zy dat de ziekte eerst geboren zy: Want die met de Peste eerst bezocht is gheweest / heeft die niet gekregen van die Contagium, ofte besmetting: maar na dat de ziekte eens voort gebracht is geweest / is deze besmetting uit dat eerste besmet lighaam uitgegaan / die een gelijke ziekte ook aan andere heeft konnen overzetten en mede deelen: waar van meer in ’t volgende thiende Capittel zal gesproken worden.

By deze dry oorzaken der Peste willen zommige ghevoegt hebben de ontroerige en ontsteltenisse des gemoets; als Toorn / Schrik / Vreeze / Droefheid / onverwachte of schielijke blyschap; en droevighe inbeelding: maar gemerckt deze bewegingen niet quaat-aardigs in haar hervatten / en maar alleen by toeval door ontsteltenisse der geesten de Lighamen disponeren en bereid maken om de Pestilentiale besmetting eerder en lichter te vatten / en de zelve na ’t hart te voeren / konnen in geenen deelen gezecht worden oorzaken / die de Peste voortbrenghen; maar alleen bykomende preparatien en voorbereidingen / die de Lighamen bequaam maken / om de Peste te ontvangen.

Negende Capittel

Van den voortgank der Pestilentiale besmetting

Wanneer nu de Pestilentiale besmetting van den Hemele inde lucht ghezonden / ende in en uit de zelve in een kleen begrijp voort-gebracht / en daar door wat verspreid is / zo breitze haar uit door een zekere fermentatie ofte gelijk eenen Zuur-deessem, welke onder onghedeessemd deeg vermengt zijnde / het zelve mede aan ’t rypen maakt; en grooter en heviger daar in wordende / drukt zo in een groot ghedeelte vande lucht een gelijke fenijnigheid. Als nu dan de lucht van deze fenijnige besmetting begint ver-andert / besmet en tot ontfanging van deze fenijnigheit bequaam gemaakt te worden; begint hy ook met eenen alle dingen onder de Maan zeer vyandig en schadelijk te zijn / en na de verscheidenheid de tijden des jaars / die der dan zijn / de zelve veel qualen en plagen toe-te-brengen (even gelijk de Peste in de menschen na de verscheidenheid der vochtigheden / temperamenten en ghesteltenissen verscheide deelen des lighaams verscheidelijk bespringt / en veele toevallen ver-oorzaakt; zomtijts groote sterfte onder de beesten te brengen: zomtijts het kooren en vruchten der aarde / die nood-zakelijk sijn tot onderhouding des menschen levens / te bederven; gelijk ook Krekels / Vlieghen / Schalbyters / en voorts andere verscheiden insecten en kleene beesjens meer; item Pisse-bedden / muizen / en andere diertjens in grooten getalle voor den dag te brengen / die het kooren ende vruchten des vels af-knagen en op-eeten; en op die maniere een onvruchtbaarheid over’t land te ver-oorzaken (hier door komt dikmaal die groote dierte en schaarsheid van lijf-tocht / die voor de Peste menigmaal gaat) zomtijts haastige en quaad-aardige verrottingen over vleesch / vischen en ander voetzels / ja zelfs over de vochtigheden onzer Lighamen te brengen: uit welke dan de quaad-aardige en Pestilentiale koortzen voort-komen / welke gemeenlijk voor de Peste gaan: Voorders gelijk zomwijlen een onsteking van eenig deel met trappen grooter en hevig wordende / eerst in een gangrena ofte begin van versterving / daar na allengskens in een Sphatelus ofte totale en volkomen versterving des Lids ver-anderd; even alzoo word ook de Lucht van de onzuiverheid van de eerst besmetting bedorven en met trappen besmet / tot dat ten laasten een groot gedeelte van de zelve een fenijnigheit / de eerste besmetting gelijk / ontfangen en gevat heeft / en als dan word het eindelijk een openbare Peste: want deze Lucht niet verrot / maar fenijnig gheworden zijnde / overmits hy de ingebooren warmte der menschen in den hoogsten graad vyandelijk en van ganscher selfstandigheit contrary is / besmet hy zeer lichtelijk onze Lighamen met zijne Pestilentiale fenijnigheid / en aanstonts daarop / na datze’t Lighaam besprongen heeft / onze inghebooren warmte bevechtende / en de oorspronkelijke vochtigheid verterende / en de werkinge der ingewanden verhinderende of verdervende / maakt / dat de vochtigheden niet meer wel ghekookt / noch ghekookt wel in den toom ghehouden en in eenen gezonden staat konnen bewaard worden / waar door gemeenlijk zwaren verrottingen over de zelve in zeer korten tijt gebracht worden / met welke dan van stonden aan voorkomen / die verrotte pestilentiale koorzen / die op de Peste dadelijk volgen / of vergeselschappen / en dat menighmaal zoo haastigh en schielijk (voornamelijk in Lighamen / welkers vochtigheden van te vooren tot verrotting genegen waren) dat het menigmaal schijnt / dat de Peste ende koorze iemant te gelijk op ’t lijf vallen / door welke dwaling zommige ghemeent hebben / dat de Peste een koorze was / en hebben de zelve door de koorze bepaalt en beschreven.

Thiende Capittel

Van Contagium, of besmetting, die door mede-deeling of over-zetting geschiet

Contagium of mede-deeling of overzetting van een ziekte of besmetting van ’t een Lighaam aan ’t andere waarby de gelijke ziekte van ’t besmettende Lighaam aan het ander levendig Lighaam mede-ghedeelt word; gelijk ’t voor eene beet van een dollen hont gelijke dolligheid aan een ander word overgezet: of als van uitwaassemen van een zieken / die de Peste heeft / een ander ook de Peste vat; Op dat dan deze over-zetting (wy zullen spreken van de Pestilentiale) zouden konnen ge-effectueerd en in ’t werk gestelt worden / worden hier dingen vereischt 1. een bequame gestaltenisse van ’t lijdende of ontvangende Lighaam. 2. aanraking van ’t lijdende aan ’t werkende lighaam. 3. grooter en meerder kracht van ’t werkende als van ’t lijdende Lighaam. 4. zo veel tijds / dat zo van malkanderen lijden en op malkanderen werken konnen. Ontrend dit Contagium komen vier dingen in achting. 1. ’t Lighaam / dat mede-deelt of overzet. 2. dat over-gezet word. 3. aan wie het overgezet word. 4. hoe en op wat maniere het over-gezet word. ‘t Lighaam dat mede-deelt of overzet / of een Lighaam / dat vande Peste besmet is; of is zeker fenijn / dat in een Lighaam / dat geen leven heeft / bewaart of behouden en aan andere over-gezet word; de Genees-Meesters noemen dit Fomes, waar van in ’t volgende breeder. Dat over-gezet en mede-gedeelt word / is een verborgen Pestilentiaal Zaat / ’t welk gaat en komt of uit een ziek en besmet Lighaam / ofte uit een fenijn / dat wy Fomes genoemt hebben. Dit besmettelijk fenijn word over-gezet aan een ander Lighaan / dat eenige over-een-komst met het zelve heeft / en bequame gestaltenisse / om zodanig fenijnig Zaat te vatten ende te ontvangen: deze over-zetting geschiet of immediate zonder tusschen komen van iet anders; gelijk als / by exempel / door aanraking van een ziek Lighaam / of van besmette Excrementen of uit-worpzelen dit zaat word over-gezet: of mediate, door andere tusschen-komende Lighamen: en dat of door de Lucht (want gelijk die zomwijlen rook / riekende of andere diergelijke dingen in sich ontfankt / zo dat hy ook dikmaal dit Pestig zaat en eenige fenijnige dampen / die hy daar na aan andere mede-deelt) of door dat fenijn / dat wy Fomes genoemt hebben: Want dit Pestilentiaal zaat word door de Lucht gevoert en over-gezonden eerst of tot Zielijke en Levendige Lighamen / die eenige over-een-koming daar mede hebbem / en daar toe bequaam gemaakt zijn / aan welke zy dan ook de Peste van stonden aan geven: of eerst tot ongezielde, van welke het daar na tot de Zielijke Lighamen over-gebracht word.

Alle Lighaam dat geen Ziele heeft / tot welk die Pestilentiaal fenijn word overgezonden / en ’t welck het zelve in sich ontfangen en voor eenigen tijt op hem houden kan / noemen de hedendaagsche Genees-Meesters / Fomes. ’t Lighaam van zodanig Fomes / moet wezen yl / wijt / poreus en vol onsienlijke gaatjes / middel-matig in koude en in hitte: gelijk daar is alle wolle goet; Lywaat: Bont: hout / dat yl en vol gaatjes is / en diergelijke dingen meer. Want gelijk wel-riekende en stinkende dingen of rook in kleederen en in andere dingen lang konnen bewaart worden: zo kan ook deze Pestilentiale besmetting dikmaal een ruimen tijt in dit Fomes of zo een ongezielt Lighaam blijven hangen / ende met het zelve in andere ver-afgelegen Landen over-gebracht worden: voornamelijk indien ’t stil en gerust licht; of niet te veel / geroerd / of te heet word. Want by ’t aldien te veel geschut of te heet word / zo word deze besmetting uit haar plaatze gestooten / en van daar over-gevoerd of tot Zielijke Lighamen / wien het de Peste geeft / zoo zy maar een bequaam gestaltenisse daar toe hebben; of wederom tot andere onzielijke in welke het wederom voor een tijt kan blijven hangen: of ’t word verstroit en verdwijnt boven in de Lucht / alwaer / dan uit-geblust word. ’t Geschiet ook menigmaal ’t dat dit Pestilentiaal fenijn / lang gehangen en sich onthouden hebbende in een Fomes / alhoewel ’t niet beweegt word / in stille leit / indien ’t van de warme stralen van de Zonne dagelyk bescheenen word / allengskens vergaat / dunt en zo vluchtig gemaakt word / dat’et verdwijnt; dat’et na boven vliegt en verstroeit word / zonder eenig quaal van die geene / welke niet verre van haar verkeeren: ’t gebeurt ook wel dikmaal / dat zijne fenijnige kracht door een uitnemende koude of sterken vorst zo zeer gebroken word / dat se of geheelijk uitgebluscht (gelijk wy boven cap. 3. in deze onze Peste gesegd hebben geschiet te zijn) of zo kleen word / dat se niet veel quaats kan doen; ziet hier van een Exempel beneden in ’t vierde Boek Histor. 129. Zoo dit Fomes in zodanige plaatze is / die van de winden door-waayt word / alsdan kan die pestilentiale besmetting in die plaatze niet lang verblijven.

Elfde Capittel

Vande Oorzaken der besmetting

Wij hebben te vooren geleert / dat de Peste een zeer gemeene ziekte is en dat hare oorzaak een algemeen Element / namelijk inde Lucht / byzonderlijk hangt: ’t zy dat se eerst van den Alder-hoogsten Godt daar in gezonden / of daar in voort-gebracht / of door Contagium ver-oorzaakt zy. Hippocrates / Galenus / Avicenna en andere vermaarde Genees-Meesters hebben ook deze oorzaak de peste toe geschreven: en men zoude nauwelyk iemant konnen vinde / die niet gemeent heeft / dat de eerste en oospronkelijke oorzaak van de peste inde Lucht voort-gebracht word: en dat een zeer schadelijk zaat byzonderlijk in de zelve zwiert: maar aangezien geen schepsel / dat leven ontvangen heeft / de Lucht ontbeeren kan; maar het zelve element noodzakelijk moet gebruyken / zo schijnt’et vreemt / waarom / als de Lucht van deze quaad-aardige en pestige besmetting onsteken is / niet alle menschen en beesten / die de eigen Lucht genieten / dit pestitentiaal fenijn zonder onderscheit aanranst. Waarom deze besmette Lucht / gemerkt hy de gesondheit en leven van allen tegenstrijdig is / ingetrokken zynde / niet alle menschen beledigt: Waarom de eene en zelfde Peste / die de menschen bespringt / het vee ook niet besmet: tot ont-knooping van deze twijffeling zeggen wy: Eerstelijk, dat de Lucht in alle zyne deelen in eenen gelijken graad van quaad-aardigheit niet besmet is. Een tweeden, dat de besmetting op alle tijden en alle plaatzen niet even groot is / maar hare trappen heeft / want dat zy op zommige plaatzen en tijden zeer kleen/ op andere grooter / op andere wederom zeer sterk is; na dat de menschen van haar in deze of die Lucht / en deze of die plaatze en tijt sich komen te begeven en ook de zelve in te trekken / dat zy overmits deze verscheidenheit / daar van of meerder / of minder of ganschelijk niet besmet worden. Ten derden, dat dat tot de Pestilentiale besmetting niet minder van nooden is en ver-eischt word de ontfangene / als de werkende oorzaak; welke niet voorkomt uit eenige onmachtigheit vande vier eerste hoedanigheden / ofte uit een enkele verrotting / maar uit zekere verborgene en on-door-grondelijke gestaltenisse der ganscher substantie of zelf-standigheit / welk in zommige zodanig is / dat zy van ’t Pestilentiaal fenijn aanstonts besprongen worden; in andere zodanig / dat zy zwaarlijk daar van beledigt worden; in andere wederom zodanig / dat zy ’t selve zonder eenig ongemak kunnen tegenstaan.

Twaelfde Capittel

Van de oorzaken van de Pestilentiale Koorts, die de Peste vergeselschapt.

Zo haast het Pestilentiaal fenijn het Lighaam bespringt / dat van gansche self-standicheit de ingebooren warmte een hoogsten strijdig en vyandig is / aangesien het seer dun en subtijl is / en inzonderheit vande ingewanden doordringt / drukt het zeer lichtelijk een teken van zijne besmetting en quaad-aardige fenijnicheit in ’t bloet vande slag-aderen / en in het subtylste en dunste gedeelte des zelfs / namenlijk inde leven-makende geesten / en met die naar ’t hart opklimmende bestrijt het met alle gewelt den burg des levens / zo dat’er overwonnen en ingenomen hebbende dit sterk Bolwerk / van stonden aan verwoest en te gronde brengt het gansche rijk vande kleene werelt: de Natuur stelt sich tegen de aanvallen van dezen zeer wreden Dwingelant / en spant alle hare krachten in / dat zy dezen gevaarlijken vyant zoude mogen stuiten / tegengaan / en zo verre als ’t mogelijk is / uit hare ingewanden wech jagen ende weren: indien dezen strijt en gevecht haast af-loopt en dat het hart van stonden aan van de groote en sterke kracht des fenijns of verstrikt word / of het zelve terstont na buiten uit-worpt / voor-al-eer eenige verrotting der vochtigheden heeft konnen ver-oorzaakt wezen / dan komt’er een Peste zonder koorts / en dikmaal vertoonen haar ook Karbunkels of Pest-kolen en Pest-geswellen zonder koorts: maar by aldien dezen strijt wat langer duurt / en de ingebooren warmte in dit gevecht tegen dezen Pestigen vyant besich zijnde / verzwakt word / ende zijne krachten verliest / die zy noodich heeft tot de kooking en onderhouding der vochtigheden des Lighaams / zo moeten noodzakelijk in korten tijt de zelve verrotten / waar uit dan een koorts rijst / die ook quaad-aardig en Pestilentiaal word / van de besmetting dezes Pestilentiaals fenijns / die aan vochtigheden ook overgezet is. Alsdan word het hart van twee quaad-aardighe vyanden bestormt / te weten van het pestilentiaals fenijn / en van de verrotting / die de koorts ver-oorzaakt; den aanval van ’t Pestilentiaal fenijn is nochtans eer van tijt en natuur / als de verrottingen de koorts; en alzo worden de verrotting en de koorts toevallen van de Peste. Maar deze koorts volgt vroeger of later op ’t aankomen van ’t Pestilentiaal fenijn; en is grooter of kleender / en hout deze / of dien kours / ofte door een onder-een-menging van verrottende vochtigheden heeft zy geen zekeren loop / na dat de koorts op deze of die tijt en plaatze komt en het lighaam op deze of die maniere of wel of qualijk gematicht is.

Derthiende Capittel

Van de Oorzaken der toe-vallen van de Peste.

Behalve de voor-genoemde koorts / vergeselschapppen de Peste veel schrikkelijk en zware toevallen / van welke andere deze / en zommige die subjecten of onderworpzels / na de groote van ’t fenijn en na de verscheidentheit van de natuur ende gematicheit der Lighamen ende vochtigheden / plegen te bespringen; deze zijn of ziekten, vande Peste voort-gekomen / of zuivere toevallen, of gebreken der Excrementen of uitworpzelen; ende zijn of de Peste meer eygen / ende met andere weinige Ziekten gemeen / als bubo of Pest-gezwel / anthrax of Pest-kole / ende Exanthemata of Peper-koren (van welke wy de oorzaken in ’t volgende Capittel zullen onderzoeken) ofte minder eigen / ende met veel andere ziekten gemeen / van welke deze volgende de voornaamste zijn: Hooft-pijn / Dulligheit / zlaap-zucht / onmatig waken / benautheit / zwakheit of groote vervalling der krachten / een verbaast gesicht / hart-klopping / droogte der tonge / braking / nok / wormen / buik-loop / bloet-storting uit de neus / al te overvloedig afschieten der stonden / bloet-pis / bloet-spouwing / zy-pijn / pijn inde Lever / Milt / of in eenig ander deel. Alle dese toevallen worden ver-oorzaakt of immediate van ’t Pestilentiaal fenijn alleen / of mediate door tusschen-komen van eenige verrotting: want zo haast deze besmetting in ’t Lighaam is doorgedrongen; en zijne krachten begint in ’t werk te stellen / alsdan brengt’et voort veele en verscheiden effecten / na dat’et alle de ingewanden des zelfs gestelt heeft gevonden / en deze of die deelen starker of zachter aangetast: want het hart van dit verderffelijk fenijn bestreden zijnde / voor-al eer het sich van zo geweldigen vyant kan los maken / word zeer benaut en geperst: ende zijne leven-makende geesten worden daar door of ten hoogsten verstroit / of zwaarlijk / dat meest geschiet / na binnen ge-jaagt: Waar uit dan noot-zakelijk komen groote benautheden, zwakheden en vervalling der krachten, hartklopping, voornamelijk by aldien het fenijn of sterker of het hart zwakker is / dan dat’et zo zwaren vyant kloekkelijk kan tegenstaan; ’t hart sich met alle kracht stellende tegen de aanvallen en stormen van deze dwingelant / weert van hem zijne pijlen / zo veel doenlijk is; drijft en stoot uit een groot gedeelte van deze fenijnige quaad-aardigheit na alle kanten in de andere deelen ende ingewanden; hier door word door de arteriae aorta ofte groote slag-ader en van daar door de arteriae carotides ofte slaapslag-aderen dikmaal niet weinig de herzenen mede-gedeelt / ’t welk indien ’t zonder excrementen vint / zijne vliezen stekende ende prikkelnde / maakt’et hooft-pijnen: by welke zo een groote beweging van de zielijke geesten komt / veroorzaakt razernye: zo de vliezen onsteken werden / brengt’et voort dolligheit: maar zoo ’t de herzenen met wei-achtige of koude en natte vochtigheden bezet vint / verminderde de voorstelling vande zielijke geesten / en hare natuurlijke vluchtigheit / en dunne ver-dikkende / maakt’et slaperige Ziekten: verwekt onmatig waken, indien door zijne scherpe quaad-aardigheit de zielijke geesten te veel ontroert ende te groote hitte de herzenen toegebracht worden / waar door de lieffelijke en aangename dampen; die als eenen Dauw na boven op-klimmende tot den zlaap van nooden zijn / verteert werden; de oogen vertoonen haar als van weenende ende bedroefde menschen en verliesen met eenen haar levendig coluur en glans / door gebrek en on-ordentlijke beweging van de geesten / en zwakheit van de ingeboren warmte: de Tonge word droog en scherp vanden innerlijken brant / welke ver-oorzaakt de quaad-aardige verrotting de vochtigheden / voort-gebracht van dat Pestilentiaal fenijn / en van de koorts / die daar uit-spruit.

Zomtijts word ook een gedeelte van deze fenijnige quaad-aardigheit gedreven tot de andere ingewanden / welke indien by geval van de Groote slag-ader door de takken vande arteriae caeliaca ofte slag-aderen des buiks na de arteriae gastrica, ofte slag-aderen des maags en de arteriae gastro-ëpiploïca ofte slag-aderen des Maags ende Nets gebracht werd op de vliesen van de Maag / maakt’et door een gestadige prikkeling benautheden; en verwekt de natuur tot uitworping van ’t gene / dat haar moeilijk is: waar van daan komen pijn voor ’t Hart, walging en braking; indien ’t fenijn sterk is / en zo vast hangt aan de vliesen vande Maag / dat’er niet kan afgetrokken worden / zo ver-oorzaakt’et lichtelijk in eenig deel van de zelve een versterving of Pest-koole die de natuur te vergeefs poogt uit-te-werpen / en alsdan komt’er een Nok of een gestadige Braking, welke doodelijk is. De wormen komen meest voort inden Buik uit een groote vuile verrotting; indien de vuiligheit van den onder-buik door vermenging van ‘t Pestilentiaal fenijn niet alleen komt te verrotten / maar daar-en-boven sterk te kooken en te fermenteren / zo prikkelt het de natuur zeer tot ont-lasting; hier door na de Darmen sakkende en bloeinde / maakt’et een Buik-loop, Bloet-storting uit de Neus, af-schieten van stonden, en Bloet-pis worden ver-oorzaakt / als het hart een gedeelte van ’t Pestilentiaal fenijn te zamen met het bloet door de slag-aderen na de neus-gaten / Lijf-moeder of nieren met zodanig gewelt drijft / dat het zelve / de eindekens van de vaten gescheurt of geopent zijnde / door die plaatzen uit vloeit; Bloet-spouwing, behalve dat’er menigmaal uit de zelve oorzaak komt / word ook dikmaal voort-gebracht van Pest-kolen / die in de Long groeien; welke oorzaak ook dikmaal oorspronk is van pijn in de Zijde / in Lever en andere deelen.

Veerthiende Capittel

Van de Oorzaken der Pest-geswellen, Pest-kolen en Peper-koren.

Gemerkt het Pestilentiaal fenijn zeer dun en subtyl is / in ‘t menschelijk Lighaam komende / word zelden na de herzenen ofte lever eerst gebracht: maar eensdeels om de dunte van zijne self-standicheit / eensdeels om dat het veeltijds door ’t inhalen van den adem inde Long geleit word / drukt het zeer licht en haast zijne fenijnige hoedanigheit in ’t bloet vande slag-aderen / dat uit de rechter holligheit van ’t hart inde long gedreven word; ’t welk met deze besmetting besoetelt zijnde / en daar mede gaande na de linker holligheit van ’t hart / begint het deze burgt des Levens te bestormen en te verzwakken: het hart van stondenaan sich tegen dezen boozen Tyran stellende / treet met hem in een scherp gevecht / en spant alle zijne krachten in / om dezen doodelijken en moeielijken vyant / zo haast doenlijk is / verre van hem na buitenuit-te-dryven. Indien dit fenijn weinig en niet sterk is / en alleen maar vast is aan een dun / sereus of weyachtige vochtigheit / zo word het zomwijlen door de kracht van de Natuur alleen / ofte door tijdelijke hulpe van de genees-middelen in weinigen tijt met het sweet door de pores en onzienelijke gaatjens van de huit uit-geworpen en verstroeit: eer eenig deel van de masse van ’t bloet van zyne besmetting bedorven word: en zodanig besmette worden dan door een sterk sweeten sulx herstelt / datter niet quaats met allen meer overig blijft / gelijk wy in deze onze Peste zommige hebben zien gebeuren: indien ’t fenijn sterk en als in ’t binnenste van ’t hart ingedrongen is / ende sich vast aan ’t zelve gehecht heeft / alsdan van zyn quade en doodelijke hoedanigheit geprikkelt zijnde / worpt door den bequaamste wech / die ’t vint / daar van zo veel als ’t kan / verre van hem wech / en drijft het met gewelt / te zamen met de sereuse vochtigheit / daar ’t meest in zit / in de klieren onder de Oxels (welke gemeenlijk deemunctorien van ’t hart genaamt worden) eer eenig gedeelte van ’t slag-aderlijk bloet door ’t bywezen van dezen gast inde slag-aderen markelijk bedorven word; ’t welke de beweging van de zoute of ziltige deeltjens van deze sereuse vochtigheit / die in de klieren valt / door hare groote scherpte benemende / en haar daar in als vast houdenden (gelijk in de Chymie de ziltige deeltjen van ’t aqua tartari door by doen van een weinig van ’t oleum vitrioli op staande voet met een zekere kooking onbewegelijk gestelt worden / en als te zamen runnen) ver-oorzaaken een groote pijn / en alzo ze niet verder konnen gaan / maken een aanzienlijk geswel / dat de Genees-meesters Bubo of Pest-geswel noemen. Het overige gedeelte van ’t fenijn poogt het op alle manieren herwaarts en derwaarts van sich te drijven / en zo haast / als ’t doenlijk is / van hem en uit de slag-aderen tot de andere deelen uit-te worpen; voor al-eer hy zelf / zijn naaste voetzel en de schrage of steunzel van zijn Leven / te weten het bloet met de leven-makende geesten / van ’t bywezen van dezen doodelijken vyant bedorven en uit-geblust word. Deze geweldige uitdrijving tracht hy ook in ’t werk te stellen door de groote slag-ader, in welke een groot gedeelte van dit verderfelijk fenijn gedreven zijnde / klimt op met het bloet van de slag-aderen / waar ’t mede gemengt is / door de slaap-slag-aderen in de herzenen / daar ’t verscheiden toevallen (daar van in ’t voorgaande Capittel gesproken is) veroorzaakt. De herzenen met zijne vliesen van de quaad-aardigheit van dit fenijn beswaart en geprikkelt zijnde / worpt uit van dit fenijn zo veel / als ’t eenigzins kan / na de klieren / die inde keel en achter de oogen liggen / ’t welk met een fermentatie een dikte in de vochtigheit / die men door quijlen gemeenlijk quijt word / brengende / maakt een pijnlijke geswel / gelijk gezecht is onder de oxelen ook te geschieden. Het hart zent ook menigmaal een groot gedeelte van dit fenijn door de nederdalende takken van de zelve groote slag-ader na de klieren van de Liesse / dat daar ook Bubones of Pest-geswellen maakt. By aldien dit fenijn uittermaten scherp is / en van ’t hart door eenige slag-aderen met een gedeelte van ’t bloet / daar ’t in hangt / na de huit uit-gedreven word / en op de zelve eenigen tijt verblijft; in wat plaatz ’t hem ook zoude mogen zetten / verbrant als een corrosijf door zijn verbrandende en verderfdende kracht dat deel / daar ’t in valt / en brengt van stonden aan in ’t zelve voort een of meer blaaskens (hoedanige ook van den brant van ’t vuur gemeenlijk ver-oorzaakt worden) en op deze maniere dat deel doodende / brengt voort eenen Carbunkel of Pest-kole. Om dat dit fenijn door wegen / die ’t bequaamst en gereest vint / met een gedeelte van ’t bloet / daar ’t in hangt / hier of daar na toe van ’t hart ge-jaagt word / hier door gebeurt / dat de Carbunkels niet altijd op een plaatz / maar menigmaal in verscheide deelen des Lighaams voor den dag komen: zo dit fenijn niet na de huit / maar na eenige ingewanden of innerlijke deelen uit-gedreven word / dan komen in die deelen Carbunkels / die ver-oorzaken zware toevallen / en die zieken doodelijk zijn: hier van in ‘t 4 Boek Histor. 15. en 36. hoedanige by ondervinding zomwijlen gevonden zijn in ’t ribbevlies / in de Maag / Darmen / Long / Nieren. ’t Staat echter aan-te merken / dat de Carbunkels niet altijt deze innerlijke oorzaak hebben; maar dat zy zomtijts / alhoewel zelden / ook wel voort-gebracht worden / van een Fomes of fenijn / dat ergens inhangt / of van ’t Contagium of door overzetting en mede-deeling van eenig fenijn van een ander besmet Lighaam / dat van buiten op de huit valt / en daar op / door middel van een slijmachtig Lighaam / blijft hangen: en dat deze dikmaal haren loop eindigen / zonder het hart eenig markelijk quaat of ongemak aan te brengen; voornamelijk in zodanige menschen / die sterk van harten zijn; ziet hier boven van ’t Latijns Boek van onzen Autheur 2 of 3 exempels Cap. 12. annotat. 2. Den Carbunkel neemt den meesten tijt zijn beginsel van een kleen vuurig puisjen: zomwijlen van veel kleene puisjens of blaaskens / die een weinig daar na tot een blaasken te zamenloopen; zelden komt hy zonder puisjens of blaaskens. Hier van word het deel gewaar een stekende pijn; hoedanige gemeenlijk is in een gangrene of als een lit begint te sterven; en sterft korts daar op meer en meer / en krijgt een swart en assen-achtig coluur. De partyen / die den Carbunkel rontom naast gelegen zijn / worden ver-andert (gelijk ook in een gangrene en spharelus gemeenlijk geschiet) en zeer onsteken / met een groote en scherpe pijn / en de natuur brengt en maakt die door hare kooking tot etter / voor-al-eer dat zy door zijne besmetheit ganschelijk komen te mortificeeren en te sterven; en door middel van deze suppuratie of etter-making scheit en worpt uit het bedorven en doot deel van ’t gezonde. De Carbunkels dan ende Pest-geswellen worden ver-oorzaakt van een Pestilentiaal fenijn / dat het hart van hem door de holligheden van de slag-aderen tot andere deelen uitdrijft. In welk werk van uitdrijving indien het hart / of overmits de groote scherpte van ’t fenijn en zijne vaste hechting aan ’t zelve / of om zijn eigen zwakheit / of eenig ander beletzel of ongemak / wat langer bezig gehouden werd / en sich niet haast of kloek genoch daar van kan ontlasten; zo worden lichtelijk veel van de leven-makende geesten / dat is / de alderdunste deeltjens van ’t slag-aderlijke bloet / voor den uit-gank des fenijns uit de slag-aderen / zonder eenige verrotting bedorven en als uit-geblust / ende die met het ander bloet / waar uit het Lighaam gevoet zijn / te weten tot de membranen / pezen / banden en vliesen der beenderen /gebracht zijnde / overmits hare koudachtige gesteltenisse / worden aanstonts in de zelve een weinig dikker / en hare groote bewegelijkheit afleggende / gaan uit die partyen Pyramidaals gewijs van onderen breet en allengskens scherp of spits oploopende / na de huit (gelijk den rook van een keers / die even is uit-gegaan) en door de poreuse en yle substantie der spieren ende andere tusschen-gelegene deelen / overmits hare dunte / die zy noch eniger maten hebben overgehouden / ongevoelijk door-dringende / tot dat zy tot de huit zijn gekomen / alwaer zy door de uitterlijke koude een weinig verdikt zijnde / ende van de dikte des opperhuits daar gehouden wordende / noch meer verdikt / en maken vlakken / welke wy Exanthemata of Peper-koren noemen; welke vlakken grooter of kleender / van die of deze coleur zijn / na dat deze geesten inde slag-aderen meer of min bedorven zijn / en in meerdere of minder quantiteit of menichte van de warmte der partyen eer of min na boven of na de huit gedreven worden; zy zijn meest van een donker purper-achtig coleur en recht ront; een tamelijk groot of ook een kleen peper-koren inde ronte van groote wel gelijkende: van andere gedaante of coleuren zijn zy gemeen niet / en worden zo dikmaal niet gezien / alhoewel datse zomtijts ook wel gevonden worden. Zo lang klimmen deze bedorven geesten slag-aderen door de tusschen-liggende partyen na de huit / als zy van de warmte der deelen voort-gedreven worden; welke uit-gaande / blyven zy aanstonts / als te samen gerunt / inde partyen steken / en laten in de zelve zien vlakken van haar coleur (als uit den purperen / uit den swarten/ uit den violetten of van een ander coleur) die in ’t openen van de Lighamen / die van de Peste gestorven zijn / niet minder van binnen / als van buiten gevonden worden / en gespeurt / dat zy meest en gemeenlijk beginnen van een membrane / Ligament of een periostium / van onderen breet / en na boven smal of spits oploopende na de huit. Ondertusschen om dat zy de deelen / daar se inhangen / geen moeielijkheit of bederving aanbrengen / zo schijnt’et / dat die partijen uit-geblust en doot is / en dat zy zonder fenijn zijn.

Vijfthiende Capittel

Van de voor-zeggende Tekenen

De voorzeggingen van scherpe ziekten / zeit Hippocrates / zijn zeer onzeker en bedrieglijk. Dit zeggen indien’t in eenige ziekte waar is / zo ist / dat wy bevinden alderwaarachtich te wezen in de Peste / in welke de tekenen twijfel-achtig en onzeker zijn; en aangezien zy alle uuren en oogen-blikken by na verandert worden: zo maken zy dat de voor-zeggingen zeer duister en los zijn. Zo dat de Alder-best-geoeffenste Practizijns zelfs dikmaal inde voorzegging van deze ziekte zwaarlijk bedrogen en misleit zijn geweest; om dat veel dingen hier achter een heilige gordijn verholen liggen; ende dezen bedriegelijke vyant / als hy iemant toelacht / legt hy verborgene lagen; terwijl hy streelt / doet hy het meeste quaat / van vooren in ’t aanzien belooft hy gezontheit / en op den rug en van achteren draagt hy de Doot: Aangezien nochtans deze zware en bedriegelijke ziekte niet alle menschen weg-sleept; ende de practijk en ondervinding een groot gedeelte van haren aart ons geleert en geopenbaart heeft; zo zullen wy kostelijk beschrijven eenige voor-zeggende tekenen / die wy in deze Peste van Nimwegen wel de zekerste hebben gevonden.

  1. Alle veranderingen / hoe die ook mochten wezen / vallende zelf op dagen / welke goede op Crises plegen te geschieden / beloofden niet zekers; want zo waren alle bedriegelijk; en met die / alhoewel datze zeer goet waren / stiervender zo veel / alzer van opquamen: maar de Crises of ver-anderingen / die op den zesden dag quamen / waren altijt zeker doodelijk.
  2. Alle die ontrent de nieuwe of volle Maan de Peste kregen / liepen groot perijkel van haar leven.
  3. De Peste / die iemant op ’t lijf viel na een groote gramschap / of schrik / ofte na al te sterken pleging van Venus-werk / dreigde veel grooter gevaar / als de welke zonder deze voorloopers iemant aanquam.
  4. Groote vervallingh van krachten in ’t begin van de ziekte / gelijk ook menig-vuldige flauten en hart-kloppingen / waren zeer gevaarlijk / ja gemeen doodelijke tekenen.
  5. De Pols / die als van gezonde menschen was / was bedrigelijk en gevaarlijk; die eenige slagen intermitteerde of stil-stont / altijt doodelijk.
  6. Slaperigheit inden beginne van de ziekte / betekenden groot gevaar.
  7. Dikmaals niessen was een voorbode van de Doot.
  8. Bevende beweging van handen en tonge waaren doodelijk.
  9. Razerny voorzeide altijt groot gevaar / maar die met trekkingen der partyen / en kleene opkrimpingen de zenuen en als met opspringinge der leden / quamen / voorzeiden de zekere doot.
  10. Pijn inde Keel / die zonder eenig geswel / zonder Sprou of droogte des Monts / ofte eenige andere openbare oorzaak quam / gelijk ook heesigheit / waren zekere boden van aanstaande swarigheit.
  11. Bloet-storting uit de neus / die op eenen goeden Crisis-dag quam / was gevaarlijk; maar die op eenen quaden Crisis-dag geschiede / was doodelijk.
  12. De Tonge in den beginne van de ziekte zwart zijnde / was quaat; maar vochtig zijnde / en haar vertoonende met haar natuurlijke coleur / was een goet teken.
  13. Zeer stinkenden Adem / als riekende na stinkende en verrot vleesch / was veele een ongelukkig teken.
  14. Pleurizyen / die / geduurende deze Pestige gestaltenisse / zommige op ’t lijf vielen / waren altijt doodelijk; ’t zy datse voor de Peste quamen / of terstont daar op volgden.
  15. Een kuchjen / aam-borstigheit / bloet-spouwing / stekende pijn in de borst / lever / milte / nieren / lijf-moeder / of in de blaas / waren allegader bedroefde tekenen.
  16. Op de Nok volgde altijt kortelijk de Doot.
  17. Braken was ten hoogsten moeielijk; en bleef veelen y tot de doot; in veele nochtans wier het gelukkelijk gestuit door hulpe van tegen-giften / die in tijts ingegeven wierden.
  18. Een gesloten lijf in den beginnen en opgang / ja van het hoogste tot het afgaan van de ziekte duurende / was goet / en gaf hope van behout.
  19. Buik-loop dreigde zeer groot gevaar; en den hondersten quam daar mede nauwelijks deur,
  20. Bloedige afgangen waren voor-boden van de Doot.
  21. Veele water makende / als van gezonde Menschen / stierven zeer schielijk / buiten verwachting; en dat / zoo ’t scheen / dikmaal zonder zware toevallen.
  22. Onklaar water was wel quaat; maar zommige even ontquamen ’t daar noch mede.
  23. Vette / Olp-achtig / Swart / Blauw water / en dat blauw en swart bezonken was / was meest altijt doodelijk.
  24. Die door de Water-wegen bloet quyt wierden / of alleen of met Pisse vermengt / stierven alle korts daar na.
  25. De Maan-stonden op de Peste volgende / alwaart dat zy quamen op eenen goeden Crisis-dag / waren zeer gevaarlijk / en veel Menschen doodelijk: maar die op quade Crisis-dagen sich vertoonden / was de zekere doot.
  26. Swangere Vrouwen / Kraam-Vrouwen of die Mis-vallen kregen / zo die van de Peste besocht wierden / hing groot gevaar boven ’t Hooft / en zodanige stierven meest.
  27. Indien de Fontanellen / die veele op Armen en Beenen tot voorkoming van de Peste hadden / in ’t begin van de Ziekte quamen te verdrogen / was een zeker teken van de doot.
  28. Geswellen inde Emunctozien ofte Klieren / waren prijzelijk: en hoe ze eerder uitquamen / hoe zy beter waren.
  29. Zo deze geswellen zonder of voor de koorts quamen / gaven groote hope dan van een haastige genezing en van gezontheit; zo zy haar na de koorts / voornamelijk wat sterk zijnde / quamen te vertoonen / wast een quaat teken.
  30. Indien echter deze gemelte geswellen / byzonderlijk die inde Keel en achter de Ooren quamen / inden tijt van 12 of 20 uuren zeer groot wierden / en zacht waren / gelijk als een winderig geswel / ’t zy met of zonder onsteking / waren altijt doodelijk; en al scheent / dat de ziekten met zodanige geswellen eenigen tijt niet qualijk te pas waren / zo stierven zy even alle gader.
  31. In tegendeel / zo deze geswellen in ’t begin hart waren/ gelijk een harde / stijve en lang-achtige peze / en allengskens grooter wierden / met een lijdelijke pijn / was ’t goet; voornamelijk zo zy deze hardigheit noch eenigen tijt behielden.
  32. Maar zo deze harde Geswellen eenen Cirkel rontom haar hadden van verscheide Coleur / als een Regen-boog/ was een quaat teken; en bode van gevaar; gelijk ook zo zy Root / Peers of Swart wierden.
  33. Geswellen inde Klieren / de koorts blijvende / schielijk verdwijnende / waren dikmaal Doot-boden van de doot.
  34. Indien deze geswellen haast tot suppuratie of rijping quamen / gaven te kennen / dat het gevaar minder was; zo zy allengskens / de Koorts ophoudende / zonder eenige rijping quamen te verdwijnen / was ook niet te vreezen.
  35. Indien inde Klieren / in plaats van geswellen / Carbunkels quamen / was een teken van zeer groot gevaar.
  36. Carbunkels sich vertoonende / ’t zy van den beginnen van de Ziekte / of een weinig daar na / op vleesch-achtige plaatzen / waren goet; maar zo zy in de Teenen vande Voeten/ of op de Vingeren vande Handen quamen / waren zeer quade tekenen; gelijk ook die / welke op ’t Rug-graat te voorschijn quamen.
  37. Indien de Carbunkels langzaam voor den dag quamen / was ’t quaat; zo der zeer veel haar lieten zien / wast alder-quaatst.
  38. De Carbunkels indien zy binnen 2 of 3 dagen eenen rooden Cirkel rontom haar kregen / wierden eerder en lichter genezen; maar zo zy / als een Sphacelus / alle dagen wijder voort-kropen / en zich breeder uit-zetten / waren qualijk te genezen; ja gaven zeer groot gevaar te kennen; voornamelijk indien zy op de Rug-graat of eenige Senuw-achtige patyen stonden.
  39. Een Carbunkel / in ’t begin neer-slaande / terug na binnen loopende / en by na verdwijnende / of daar na / indien de koorts bleef / verdroogende / voorzeide swarigheit.
  40. Purpere / swarte / groene vlakken of die van ’t coleur van Violetten waren / op wat tijt datse ook zich vertoonden / waren altijt doodelijk: met roode ontquamen der noch eenige / al-hoe-wel zeer weinige.

Vierde Boek

VAN DE

PESTE

VOOR-REDEN

Hoewel het geene, dat wij in de voorgaande Boeken van de Kentekenen, vermijding ende genezing der Pestilentiale besmetting, zo uit de ondervinding van ons eigen zelven, als van anderen, met alle zogvuldigheit en neerstigheit beschreven hebben, ten overvloet genoeg schijnt te wezen, om tot een volkomen kennisse van de Historie of geschiedenisse der Peste te konnen geraken: Zo hebben wy echter, tot meerder Licht van deze zake, niet ondienstig geacht, ’t geene van ons inde voorgaande Boeken gezegt is, met eenige Exempelen, uit de praktijk genomen, te gaan bevestigen, en vast te maken, en tot dien einde uit ontelbare Historiën en geschiedenisse van Zieken, die van ons in deze Peste van Nimwegen aangeteekent zijn geweest, eenige weinig in een Boek by een te stellen, en die by de drie eerste te voegen; op dat alzo te gelijk den aart van deze Ziekte, en de maniere van onze genezing, en meer ander dingen, die ons omtrent deze twee, aanmerkens waardig, zijn voorgekomen, den Genees-meester, die deze onze Boeken zouden willen lezen, beter en klaarder bekent mochte worden: Wy hebben nochtans hier niet voorgenomen, door een ydele Eere of Waan gedreven zijnde, de Geschiedenissen van alle die ontelbare Ziekten, die van ons gehandelt en genezen zijn, hier by een te versamelen, [want dat zoude te lang, ja ook onnuttig wezen, aangezien mijne maniere van genezing uit deze weinige ten vollen genoeg kan verstaan worden] maar zodanige alleen willen voor oogen stellen, inde welke ons iets byzonders, ’t zy de genezing, ’t zy de kentekenen of de voorzegging rakende, voorgekomen is, of daar in wy iet vreemts inde uitworpzelen ofte eenige andere toevallen; Item omtrent de besmetting, den tijt en den aart van deze Ziekte aangemerkt hebben.

GESCHIEDENISSE

I

De Dienst-Maagt van Antony Vos / Coopman van wijnen / heeft op den 6 November des Jaars 1635 beginnen ziek te worden; ben omtrent den avont op haar ontboden: hebbe haar zeer benaut en koorzig gevonden / met een zware Hooft-pijn / en eenen kleenen / rassen en eeniger maten ongelijken Polz: de krachten waren nochtans niet zeer vervallen: hadde twee kleene, rood en pijnelijke puisjes van de groote eens annijz-zaats; de eene op de rechter Borst; en d’ander op ’t midden van het Borst-been: zijnde twee Carbunkels / die eerst uit-quamen / en onfeilbare tekenen en voorboden waren van de Peste. Ik hebben haar voorgeschreven dezen Zweet-drank, van welke zy wel en by na den geheelen nacht met groote verlichting gezweet heeft.

R.

Extract. Card. Benede.
Sal. Absinth. An. Зj.
Sal. Card. З β.
Theriac. Andromach. Зj.
Card. Bened. An. Зj.
Ol. Vitriol. Q.s.
Misce, fiat haustus

Des anderen daags hebben wy gezien / dat de voorzeide puisjes tot de breette van een nagel van een Duim gegroeit / en nu twee volkomen zwarte Pest-kolen geworden waren; hebben boven op een blaasken of blaarken; het welke doorgesteken en afgescheden zijnde / is’er uit-gekomen een zwarte en fenijnige etter; en is alzo de Pest-kole / die onder dat blaasken verborgen lach / ontdekt; op den welken wy geleit hebben het Unguentum Apostol. en Basilicum van elk even veel: daar over leggende de Plaaster van Diachyl. cum gummis, voor den dorst hebbe haar gegeven dit julep:

R.
Aq. Card. Bened зj.
Scabios.
Acetos. an. зβ.
Syrup. de fucco citr. z.ij.
Ol. Vitriol. q. s. ad gratum acorum.
Misce, fiat julebus.

Terstonts na de Middag is den eersten zweet-drank wederom vernieuwt: van welken als zy wederom zeer wel gezweet hadde / heeft den Carbunkel / die op ’t midden van ’t Borst-been stont / zich uitgespreit tot de breete van eenen halven rykdaalder: toen hebben wy ons Papjen, (beschreven Lib. 3. Cap. 13) dat wy ondertusschen hebben doen maken / op de Carbunkel geleit / en driemaal daags laten vernieuwen: den 8. November hebbe haar dit Conditum doen gebruiken.

R.
Spec. Liberant 3j.
Rad. helen. condit.
Cort. arantior. condit. an. 3β.
Diascord. fracastor. z.ij.
Syrup. acetos. citri. q. s.
Misce, fiat conditum

Het voor-gemelte julep is ook wederom vernieuwt: den 12 November zijn de Pest-kolen van de naast gelegene deelen gescheiden; de welke uitgetrokken zijnde / is’er het Unguentum mundificat. de apio met Unguent. Apost. gemengt / drie of viermaal opgeleit; daar na met het Unguent. aureum de hollicheden met vleesch toe-gegroeit; en door Plaasters tot volkomen genezing gebracht zijnde / is deze zieken weder om ter gezontheit gebracht: den geheelen tijt van haar ziekte heeft zy goeden af-trek gehadt; en behalven de benautheit (die na den tweeden zweet-drank te gelijk met de koortz is achter gebleven) zijnde geen andere zware toevallen meer by gekomen.

II

Pieter Vervoort, voor wiens Huis de Koningin van Engelant uithing / een sterk Man / heeft den 24 Januarij 1636 de Peste gekregen; heeft in ’t eerste begin van zijn ziekte mijnen raat verzocht; braakte / was zeer benaut / met eenen rassen en ongelijken Polz; hadde pijn in ’t Hooft / en voelde in een vande Liessens een hart gezwel: hebbe hem aanstonts zodanigen zweet-drank voorgeschreven / die hy ontrent den avont heeft ingenomen;

R
Confect de hyacinth.
Sal. sord. a. 3j.
Sal. Card. Bened. 3β.
Theriac. Andromach.
Diascord. fracastor, an 3ij.
Aq. Theriacal.
Card. Bened. an. 3j.
Ol. vitriol. gutt. xij.
Misce, fiat haustus.

Hy heeft den geheelen nacht zeer gezweet / zonder slapen / want ik hadde hem gelast de eerste acht uuren zich van den zlaap te onthouden: alle de voorgemelte toevallen zijn met dezen eenigen zweetdrank overgegaan; het gezwel is ook inde liesse verdweenen: en den zieken des anderen daags redelijk te passe geweest; daar na heeft hy eenige dagen twee of driemaal alle daag een stukjen van dit Conditum gebruikt:

R.
Pulver. Bezoart, zj.
Rad. helen. condit.
Cort. aurant. condit an ziij.
Theriac. zj.
Diascord. zij.
Syrup. de scord. q. s.
Fiat Conditum.

Den 2 Februarij / merkende dat hy nu volkomenlijk genezen was / en nochtans eenige dagen geen afgank gehad hadde / hebbe hem ingegeven 3β van onze pillen tegen de Peste, waar van hy twee of driemaal aftrek heeft gekregen / zonder van noode te hebben meer remedien te gebruiken.

III

Geeraart Lucas, Brouwer / woonende inde Neesche-straat / is van de Peste besocht met een zeer zware koortz: daar is by geweest zeer groote benautheit / hooft-pijn / innerlijken brant / groote droogte der tonge / dorst / en pijn onder de Oxel / zonder gezwel: heeft twee tegen-giften ingenomen / waar van hy overvloedig gezweet heeft: Maar na het 2de zweet / in plaatz van een gezwel / heeft hem een groote Pest-kole geopenbaart / uit welk teken hebbe hem de doot voorzeit / de welke den derden dag van de ziekte onze voorzegging waarachtig gemaakt heeft.

IV

Jacob vander Myl, een sterk en bloet-rijk Ruiter / gewaar wordende / dat hy de Peste hadde / met pijn onder de Oxel zonder gezwel / gaat aanstonts op zijn eigen houtjen / by een Heel-meester / en doet hem inde zieke zyde een ader openen: eenige oncen bloets quijt geworden zijnde / gaat wederom na huis; van stonden aan is hy met een groote schudding bevangen / daar is by gekomen een zeer zware braking met een groote benautheit aan ’t Hart / en vervalling van krachten; toen is men na mijn komen loopen: hebbe hem terstont een zweet-drank ingegeven / den welken uitgespogen zijnde / hebbe hem van stonden aan een anderen gegeven / die hy wel in-gehouden heeft / maar echter niet konnen zweeten; Den volgende nacht is de koortz zeer verheft / den zieken is zeer dorstig geweest, en heeft den heelen ingenomen drank wederom uit-gebraakt; heeft tot acht uuren des morgens buiten zijn zinnen geweest / toen wederom tot zijn verstant gekomen zijnde / heeft hy van zeer groote zwakheit en pijn onder de Oxel geklaagt; is omtrent den middag overleden.

V

Jan Dubbert, bevangen zijnde met groote benautheit en een koortz / is binnen twee dagen gestorven; geen uitterlijk teken van de Peste zich ergens vertonende; zo dat die van den huize geloofden / dat hy niet van de Peste / maar van eenige andere ziekte gestorven was; maar als het Lighaam / nu twaalf uuren doot geweest zijnde / in de doot-kiste zoude geleit worden / hebben zy gezien / datter op ’t doot Lighaam veel Peper-koorns voor den dag gekomen waren / de welke altijt onfeilbare tekenen zijn geweest van de Peste.

VI

Zekere Vrouwe, gaande uit Wasschen / met namen Belia, (de welke in ons en in andere Lieden Huizen het lywaat waste) diende Geertruit / Dienstmaagt van Dimmer de Raat / die de Peste hadde / ende inden Hof Ziek lach; deze Dienst-maagt veele en verscheide Genees-middelen ingegeven hebbende / en / na het uitvallen van de Pest-kole / by na tot haar voorige gezontheit gebracht / en die van den Huize van Dimmer de Raat daar over zeer verblijt zijnde / zo hebben ik echter gezien / dat deze vrouwe boven mate bedroeft zijnde / zeer dikmaals / als uit ‘t binnenste van haar hart / zuchte / en menigmaal weende; op zekeren tijt hebbe ik haar alleen achter af getrocken en ondersocht de oorzaak van deze droefheit; ten eersten hebbe ik uit haar niet konnen verstaan; naar door goede woorden en lang aangehouden hebbe haar zo verre gebracht / dat zy beloofde de verborgene oorzaak van hare droefheit mijn te zullen bekent maken / indien ik met Eede verklaren wilde / dat ik niemant iet voor de uit-komste van de zake zoude openbaren: Hebbe haar verzoek toe-gestaan: Toen zeide zy al weenende / Ik wil wel, dat deze Dienst-maagt niet sterven zoude; maar de Huis-vrouwe van Dimmer de Raat, die mijn zeer lief heeft, zal Sterven, en daarom ben ik zo bedroeft: Ik vraagde / waar uit zy dat wiste / aangezien zy toen uitter Stadt was; Ik hebbe, zeide zy, gezien op de Zolder in haar Huis by de Deure vande groote Voor-kamer, haren Geest zonder Hooft, met haar beste Kleederen aan, met de Sleutel van de Deure in de hant, niet anders, als of zy de Deure hadde willen open doen; welke gezichten van Geesten mijn zeer gemeen, en ten hoogsten moeilijk zijn: Wiens Geesten ik zien zonder hooft / van wie ’t ook zoude mogen wezen / die sterven allemaal binnen weinige Maanden; van welke zake gy de zekere en onfeilbare uitkomst zien zult in deze Vrouwe; Ik was verblijt / dat mijn occasie en gelegentheit was gegeven / om te zien / of deze openbaring en gezichte van Geesten / van welke veel Menschen zo veel zottigheden en Fabulen gewoon zijn te vertellen / iet zekers by zich mocht hebben: Dimmer de Raat was met zijn Huys-Vrouwe toen tot Utrecht / alwaar hy uit vreeze van de Peste lang van te vooren gevlugt was; Ik hebben zijn Zuster gelast / datze hem schrijven zoude / dat hy voor den Winter niet wederom na huis zou keeren; Wat geschiet’er: Na weinige Weken / de Huis-Vrouwe van Dimmer de Raat krijgt de Peste / in een Stadt / in de welke nauwelijks eenige Peste bekent / en in een Huis / dat met geen onreinigheit besmet was / en sterft binnen weinige dagen.

VII

Pieter de Wildt, woonende inde Harte-straat heeft zijn Huis-Vrouwe / die van de Peste bezocht was / en een Pestig gezwel inde Liesse hadde / (welk quaat zy nochtans verborgen hielt) vleeschelijk bekent / en van haar aanstonts de Peste gevat; by haar is een Heel-meester Egmundus, zijnde een Engelsman / ontboden; die haar alle beiden een braakdrank van Wijn / daar Stibium in geweikt hadde / ingegeven heeft / waar van zy boven mate gebraakt / en grooten aftrek van onderen gehat hebben; omtrent den Avont heeft men om Mijn komen loopen; hebben de Zieken zo vermoeit en verzwakt gevonden / dat zy haar nauwelijks roeren / ja nauwelijks spreken konden; den Pols was bevende / en zo kleen / dat hy zwaarlijk gevoelt konde worden: Hadden noch eenige moeielijke poging tot Braken / die haar zeer bang viel / maar wierden niet quijt; gingen ook by wijlen noch af een Water-achtige stoffe: Na dat ik haar voor af de doot voorzeit hadde / hebbe haar alle beiden dusdanigen drank ingegeven:

R.
Theriac. Andromach. 3ij.
Aq. Theriacal. z.
Aq. Cinnamon 3β.
Misce, fiat, haustus.

Hier door is het Braken wel opgehouden / maar veel flauten haar dikmaal overkomende / zijn zij den volgende Nacht alle beiden gestorven.

VIII

Den Lieutenant Biscop / heeft zich den 26. April na den middag qualijk beginnen te voelen; ontrent den Avont is hy zeer benaut geweest: Heeft den geheelen nacht met groote onruste door-gebracht; des anderen daags des morgens / als ik hem bezouken zoude / waren de krachten noch matelijk wel; den Zieken klaagde van geen ander quaat / als van een zeer groote benautheit voor ’t hart; buiten de welke was’er by / noch brant / noch hooft-pijn / noch braking / of eenig quaat toeval; ja hebbe zelfs in den Polz (die ras en kleen was) geen ongelijkheit konnen gewaar worden; den Zieken verklaarde / dat hem zijn hart / als in een Persse / geklemt en gebroken wier. Hebbe hem dit Tegen-gift ingegeven:

R.
Theriac. Andromach.
Diascord. Fracastor.
Confect.de hyacint.
Sal. sord. an. 3β.
Aq. teriacal. zi.
Ol. viriol. gutt. 11.
Misce, fiat haustus.

Hier van heeft hy wel sterk gezweet / maar zonder eenige ver-andering der Ziekte; heeft door den heelen dag dikmaal een Lepel van deze Menging genomen:

R.
Conserv. rosar. rubr. 3β.
Theriac. Andromach. 3iβ.
Diascord. fracastor zij.
Aq. theriacal ziij.
Succi citri.
Aq. cinnamom. an. zj   

Mengt ‘et onder een / en giet het na een uur door een doek by de Colature:

        Confect. de hyacinth. 3iβ, Misce

Omtrent den Avont hebbe ik hem dit Tegen-gift gegeven:

R.
Rad. Petafitid.
Carlin. an. zii.
Rad. dictamn. 3jβ.
Fol. Card. bened.
Scord.
Rut. an. mβ.
Cort. citri ziij.
Sem. Card. bened.
Citri an. zj.
Aq. Commun. q. s.
Coquantur. s. a. ad ziv.

R.
Colat. ziij.
Theriac. zij.
Extract. Angelic. 3iβ.
Absinth. 3j.
Misce, fiat haustus.

Heeft dien nacht een weinig gezlapen / maar zonder verlichting; den derde dag van de Ziekte is wederom vernieuwt de Menging, die daags te vooren voorgeschreven was; en des morgens heeft hy ingenomen dit Poeder, met een weinig van die menging gebroken:

R.
Lap. bezoar. orient. gr. xv.
Pulv. liberant. 3j.
Croci orient. gr. iij.
Misce, fiat Pulvis.

Des Avonts zijn voor den dag gekomen eenige weinig Purpure Peper-koorns; den volgenden nacht is hy gestorven.

IX

De Dienst-maagt van Christoffel de Four, (voor wiens Huis Amsterdam uithing) heeft den 7. April onder de slinker Oxel gekregen een hart Pestilentiaal gezwel / van groote van een Hoender-Ey: heeft echter geen koortz gehat; en buiten dit gezwel geen ongemak op haar heel lijf gewaar geworden; heeft haar gewoonlijk werk genoegzaam met lust gedaan; behalven dat zy door pijn haren slinker arm na haren wille niet konde bewegen; heeft geen Genees-middelen willen gebruiken; heeft op ’t gezwel geleit de Plaaster van Diachylon Simplex, waar door het na weinige dagen ryp geworden / en uitgebroken is; en veel etter uitgekomen; en op deze maniere is dit quaat zonder eenig ongemak genezen.

X

De Huis-Vrouwe van Jacob Baars-velt, een sterke Vrouwe / van ontrent dertig Jaren / vande Peste bezocht zijnde / heeft eenen Carbunkel of Pest-kole gehat inde rechter zijde boven de Bastert-ribben; beneffens een koorz met zeer groote benautheit en ongeduurigheit; heeft ingenomen veel zweet-middelen en tegen-giften; dit alles niet tegen-staande is de Ziekte in eenen staat gebleven / tot den vierden dag toe: Toen is’er eenen grooten vloet van hare Maan-stonden buiten den gewoonelijke tijt gekomen; ’t welk als zy mijn bekent gemaakt hadde / hebben haar aanstonts zodanigen Zweet-drank ingegeven:

R.
Corall. rbr. paeparat.
Terrae sigillat.
Corn. cerv. ut. a zj.
Diascord. fascator. z.
Aq. teriacal.
Acel. vin. rubr. an. zj.
Misceantur pro haustu.

hebbe haar ook gelast dikmaal door den dag te Eeten een stukjen van dit Conditum:

R.
Spec. diatrium fantalor. zij.
Trochisc. de terr. sigillat. 3iβ.
Flor. sulphur. 3j.
Conserv. anthos ziij.
Rosar. rubr. zvj.
Diascord. fracast. 3iiβ.
Syrup. granat. acidor. q. s.
Misce, fiat Electuarium.

Door deze twee Genees-middelen is zy dezen bloet allengskens wederom vermindert; maar nochtans is hy voor en vijfden dag niet volkomelijk achter-gebleven; de Pest-kole is door ’t opleggen van ons Papjen tegen de Carbunkels in korten tijt uitgevallen / en de Zieke tot hare voorige gezondheit wederom gebracht.

XI

Zeker Leger-Chirurgyn, is voor Schenke-Schans in ’t Leger van de Peste bezocht / van stonden aan recht over Nimwegen in ’t Dorp Lent gebracht / en aldaar in een kleen gehuurt Kamertjen van zijn Kameraats gelaten: Dezen den 12 April na den middag gaande bezouken / hebbe hem koortzig / zeer zwak ende benaut gevonden / met eenen ongelijken / rassen en harden Polz / de Tonge met een zwarte korst bezet; hebbe hem dit tegen-gift voorgeschreven:

R.
Theriac. Andromach zij.
Diascord. fracastor.
Sal. absinth. an. 3β.
Aq. theriacal.
Acet. bezoartic. an zj.
Misce, fiat haustus.

Heeft zeer gezweet met groote verlichting / en een Pest-gezwel is inde Liesse voor den dag gekomen / welkers komste ik uit de pijn van te vooren voorzeit hadde: Des anderen daags is hy veel beter geweest / en den zelven Zweet-drank wederom vernieuwt zijnde / heeft het gezwel zich matelijk verheft: De zieken wat Neus-wijs zijnde (hoedanig meest alle Chirurgyns gewoonlijk zijn) heeft toen buiten mijn weten op zijn eigen houtjen zeker Zalf van Mercurium of Quick-zilver (dat hy by gevalle voor eenige Pokkige hardigheden in een Doosjen gemaakt by hem hadde) op het Pest-gezwel gesmeert: Hier van is het gezwel den volgende nacht volkomelijk verdwenen / de koorts op een nieuw ontsteken / en zeer groote benautheit en geweldige braking by gekomen; en de krachten zijn op dien eenen nacht zodaniglijk vervallen / dat den Zieken den volgende dag zich nauwelijk meer heeft konnen roeren; toen heeft hy voor my bekent / dat hy die Zalve daar op gesmeert hadde / en gehoopt / dat het gezwel door de kracht van ’t Quick-zilver zoude genezen worden: Maar dat hy nu zach dat zijn mis-verstant en dwaling doodelijk was: Hem is noch een Tegen-gift ingegeven / ’t welk van stonden aan uitgebraakt zijnde / zijn terstont voor den dag gekomen purpur-achtige Peper-koorns / met de welke hy na drie uuren is overleden.

XII

Rodolphus de Swart, Ruiter van den Rit-meester Wilmouth / een moedig en redelijk sterk man / gewaar wordende /dat hy de Peste op den hals hadde / is terstont om raat by mijn gekomen; zeide dat deze plage hem op ’t lijf was gevallen met een kleene schudding of beving; dat hy tegenwoordig met een groote benautheit aan ’t hart / en alle met een groote perssing en walging gequollen wier / en dat hy met eenen voelde inde Liesse pijn / maar zonder gezwel: Ik belaste hem / dat hij dit tegen-gif warm ingenomen hebbende / terstont na bedde zoude gaan / en trachten / wel gedekt zijnde / van degen te zweeten:

R.
Theriac. Andromach 3iv.
Diascord. fracastor.
Sal. absinth. an. 3β.
Aq. theriacal.
Acet. vin. fort. an. 3iβ.
Misce, fiat haustus.

Des anderen daags wel gezont by mijn komende / zeide / dat hy zes of zeven uuren zeer overvloedig gezweet hadde / en door die zweet alle de voorgemelde qualen volkomelijk waren verdwenen / en geen ongemak met allen meer gewaar wiert.

XIII

D’Heer Colberry, een Engels Edelman / die als Voluntair of vrywillig het Leger volgde / uit het Leger / dat voor Schenke-Schans lach / den 14. April tot Nimwegen gekomen zijnde / zo haast hy in de Stadt is gekomen / heeft zekeren ongewoone stank gevat / van welken hy heeft beginnen te walgen met pijn in ’t Hooft: Des anderen daags des morgens uit zijn zlaap wakker geworden zijnde / is zeer walg-achtig geweest / en heeft een pijn met een harde spanning inde Parotis achter de Oor gewaar geworden; vreezende voor de Peste / heeft des morgens heel vroeg uit de masse van de Pillen van Ruffus, die hy altijt op hem hadde / vier Pillekens gemaakt / en ingeslikt; van de welke hy na zes uuren drie of vier-maal aftrek heeft gehat; heeft echter ’s middags niet konnen Eeten; ontrent den avont heeft hij wederom van zelfs drie of vier afgangen gehat / waar op een groote benautheit aan ’t hart met zwakheit gevolgt is : Den volgenden nacht is ‘er een groote Buik-loop te zamen met een Koortz by gekomen: Den 16. April heeft hy mijnen raat verzocht: Hebbe gezien / dat den afgank zeer geroert / Olp-achtig als van gesmolten vet / en zeer stinkende was; de bywezende koortz scheen echter nochtans niet zeer sterk te wezen; Ik hebbe hem ten zes uuren des morgens deze zweet-drank ingegeven:

R.
Terr. sigillat.
Bol. Armen.
Corall. rubr. praeparat.
Corn. cerv. ust. an. 3i.
Extract. rut. 3jβ.
Sal. scord. 3j.
Theriac.
Diascord. an 3ij.
Aq. Theriacal. 3ij.
Misce, fiat haustus.

Hier van heeft hy drie of vier uuren sterk gezweet met verlichting / en den Buik-loop is tot den middag achter gebleven. Terstont na den middag is den loop wederom gekomen; heeft toen den zelven drank andermaal ingenomen / en dikmaal dien dag en den volgenden nacht gegeten een stukjen van dit Conditum.

R.
Trochis. de terr sigillat.
Flor. Sulphur.
Corn. cerv. ust. an 3j.
Spec. diatrium santalor. 3ij.
Diascord.
Conserv. rosar. rubr.
Myv. cydonior. an 3iv.
Syr. granat. Acid. q. s.
Misce, fiat conditum.

Door den dorst heeft hy dit Julep gebruikt:

R.
Aq. Card. Bened. 3j.
Scabios. 3β
Conserv. rosar. rubr. 3jβ
Rob. acaciae 3ij.
Ol. vitriol. q. s. ad gratum acorem.

Mengt het onder een / en doet het na een uur door een Doek / voor een Julep.

Maar hiet mede is den Buik-loop niet met allen vermindert. Den 17. April is den Zweet-drank op zodanige manier toe-bereit:

R.
Rad. tormentill. zβ.
Rasur. santal. rubr. ziβ.
Cort. granator. zj.
Herb. pimpinell. virid. m. β.
Rut,
Card. bened.
Scord. sicc. an. p. j.
Sem. Card. bened.
Platag. an. zj.
Flor. Balaustior.
Rosar. rubr. an. ziβ.
Aq. Commun.q. s.

Laat het kooken na de konst.

R.
Hiuus. decoct. zij.
Trochisc. de terr. sigillat. 3β.
Corn. cerv. ust. 3j.
Theriac. 3j.
Diascord. zβ.
Misce, fiat haustus.

Naa ’t innemen van dezen drank heeft hy wederom sterk gezweet / en wederom de Pijn in de Parotis achter de Oor gevoelt / en ’t scheeen / dat den Buik-loop een weinig minderde / de welke echter na het zweeten even groot is gekomen / ende toen is ‘er eerst een bloet-achtige stoffe / daar na zuiver bloet zonder pijn afgeschoten: hier door de krachten ganschelijk onder de voeten geworpen zijnde / is de Zieke daar op uit het Lighaam gescheiden.

XIV

De Dienst-Maagt van de Heer Capitein Schayk / hadde eenige weken qualijk geslagen / en geklaagt van dorst en eenige benautheit ontrent haar hart: Daar na met groote zwakheden bevangen zijnde / viel in menigvulde flauten; ten laasten is ‘er zulken geweldige braking op gevolght / dat zy / de krachten vervallen zijnde / lag / als of zy stierf / en terstont haren Geest zoude geven: By haar ontboden zijnde / ende haar zo zwak vindende met eenen kleenen en rassen Polz / hebbe haar zodanige zweet-drank ingegeven:

R.
Corn. Serv. Ust. 3j.
Sal. absinth. 3iβ.
Theriac. zj.
Aq. theriacal. ziβ.
Ol. vitriol, gutt. 1x.
Misce, fiat haustus.

Dit ingenomen hebbende heeft zeer groote pijn in haar maag gevoelt / en na een quartier uurs met een groote en gweldige braking den drank overgegeven / met een zeer langen / ronden / dikken en witten worm: ’t welk geschiet zijnde / is zy van de voorverhaalde toevallen verlost; en ingenomen hebbende een half loot Cheriakel met warmen wijn / is in zlaap gevallen / en / wakker geworden zijnde / wederom wel varende geweest.

XV

By zeker Soldaat / die de Peste hadde / te gelijk met Adolph Fildar, Chirurgijn / ontboden zijnde / hebbe ik hem met vier Pest-kolen bezet / en zeer groote en zware toevallen gequollen / gevonden; te weten met een uitnemende benautheit / ongeduurigheit / en een geweldige Braking / de welke nu eenige uuren al geduurt hadde: de voorzegging des doots geschiet zijnde / hebbe hem echter een tegengift ingegeven; maar het zelve uitgebraakt hebbende / heeft weinig daar na den geest aan zijnen Schepper wederom gegeven. Tusschen mijn en den Chirurgijn is gesprek gevallen van de oorzaak van deze Pestilentiale braking; en onder anderen alzo ik van gevoelen was / dat deze braking meest veroorzaakt wier van een Pestig fenijn / dat zeer vast gehecht hing aan de vliezen van de maag / en voornamelijk aan den bovensten mont van de zelve / en dat het deze partije meer mede-gedeelt wier / overmits de naast-gelegentheit van ’t Hart / zo heeft hy gezecht / dat deze braking meest voort quam van Carbunkels of Pest-kolen / die inde vliezen van de maag groeide / en dat hy dat by ondervinding wiste; want op dat hy de oorzaak van deze braking zekerder zoude komen te ontdekken / dat hy over eenigen tijt een doot Lighaam / dat van de Peste met braking gestorven was / en nu al kout zijnde / geopent hadde / en gevonden in de maag / ter zyden van de bovensten mont / zekere langwerpige plaatze / van de groote ontrent van een lidt van een duim / de welke zwart was als een kole; welke zwartheit gaande door de vliezen van de Maag / zo wel van buiten als van binnen konde gezien werden / en heeft belooft / indien ik wilde / het zelve ook in dezen voorzeiden dooden Soldaat klaarlijk te zullen toonen: maar wy hebben slapende wolven niet willen wakker maken / noch / na opening des Buiks / ons het gevaar van de besmetting onderworpen; wy hebben liever willen geloven / als zien.

XVI

Eduart Grien, Engelsman / en Melchior Rouwert, hoogduitzer (beide ruiters van den manhaftigen Rit-meester Thomas Lucas) sterk en wel varende / hebben haar tot vermijding van de Peste een Ader in den arm doen openen / en ontrent een pont bloet doen uittrekken; weinig tijt na het ader-laten met een ongewoone Schudding en een groote zlaap-zucht bevangen zijnde / hebben vreese voor de Peste gehad; en op dat zy deze inbeelding te beter zouden verzetten / heeft den eenen twee pont Alzem Wijn, den anderen twee oncen Genever Brandewijn uitgedronken; ’t welk gedaan zijnde / zijn ze te zamen gaan wandelen: ontrent den middag ’t huis komende / hebben niet konnen eeten / en niet anders als in ’t midden van den winter koude hebbende / zijn na bedde gegaan / en wel gedekt zijnde / in eenen diepen zlaap gevallen: daar na wakker wordende / hebben haar zeer qualijk gevoelt; zijn alle beide zeer benaut geweest: den eenen heeft boven maten gebraakt: Den anderen heeft zeer geklaagt van draaying en zeer groote pijn in ’t hooft: Men heeft mijn verzocht / dat ik haar zoude gaan bezouken; hebbe in haar alle beide bevonden een sterke koorz / met een kleenen / rassen en ongelijken polz; daar was by zeer grooten dorst / en zodanige vervalling van krachten / als of zy lang ziek gelegen hadden; zy hadden zelf voor mijn komste ingenomen een loot theriakel met twee oncen sterken Wijn-Azijn, en een Scrupel Oly van Genever, waar van zy een weinig gezweet hebben / maar zonder eenige verlichting. Eduart heeft twee kleene Pest-kolen op zijn borst; den anderen een op zijn hant gekregen; ontrent den avont zijn zy zo zwak geweest / dat zy geen genees-middel meer hebben konnen noch willen innemen; voor haren grooten dorst gebruikten zy enkel water alleen; weigerden eenigen anderen drank te nutten. Een drie uuren na de middag is Eduard gestorven: maar Melchior is tot den vijfden dag toe in zodanige staat blijven liggen / en is toen uit het lant der levende ook verhuist:

XVII

N. Straeten, Notaris publijq / woonende in ’t steegjen / dicht by de Dans-schole / aan de Peste met eenen buik-loop liggende / ben ik geroepen / om by hem te komen; zo haast ik in zijn kamer quam / hebbe een zeer quaden stank van uitworpzelen in mijn neus gevat / waar van ik in hoogsten onstelt ben geweest. Na een weinig verblijf aldaar / wederom uit den huis gegaan zijnde / hebbe ik mijn met draaying / walging en benautheit aan ’t hart van stonden aan bevangen gevoelt: zo dat ik geenzins twijffelde / of hadde de Pestilentiale besmetting gevat: daarom alle mijn bezigheden en zaken aan een zijde stellende (want het was ontrent thien uuren voor den middag) begaf mijn terstont na huis / en hebbe van den besten toebak 5 of 6 pijpen uitgezogen: door welkers gebruik alle de voorzeide toevallen zo ganschelijk verdweenen zijn / dat ik geen quaat met allen meer gewaar wier: toen wederom willende uitgaan / en mijn andere zieken bezouken / hebbe van te vooren ingenomen een half loot Theriakel van Andromachus, en ben daar na op deze wijze wel te passe geweest.

XVIII

Otto van Linnich, een sterk man / eenen Pestilentialen Carbunkel op zijnen arm / en een diep gezwel inde Liesse gewaar wordende / met grooten lust tot zlapen / en zwaarte in ’t hooft / heeft door raat eens Chirurgijns ingenomen een dragme theriakel met een once Wijn-Azijn en twaalf greinen oly van Genever; en is also / wel gedekt / terstont in zlaap gevallen / en heeft matelijk gezweet: na eenige uuren wakker geworden zijnde / heeft hy geklaagt van een onverdragelijke pijn in ’t hooft; toen den tweeden dag van de ziekte ontboden zijnde / hebbe hem wederom een tegen-gift ongegeven; waar van hy wel lustig gezweet heeft; maar de pijn in ’t hooft is niet gemindert; den derden dag heeft den zieken dikmaal zonder merkelijk ophouden beginnen te niessen; welke niessing wy noch met lauwe zoete melk / inde neus opgetrokken / noch met eenige andere middelen / hebben konnen beletten: ende zieken / na dat hy meer als drie hondert maal geniest hadde / de krachten ganschelijk vervallende / is alzo gestorven.

XIX

De Neef van Jan van Goldt, woonenden achter het Gast-huis / een kloek en sterk Jong-man / een Pestilentiaal gezwel inde Liesse voelende / heeft zijn ziekte verborgen gehouden; en alzo hy met grooten pijn in ’t Hooft gequollen wiert / heeft hy zich Hooft-Pillen van den Apotheker Geraardt Buys laten bereit maken; de welke uit een Dragme van de Masse van de Pillen Cochiae negen Pillen gemaakt heeft; als hy die ingenomen hadde / scheen het in ’t eerste dat hy met verlichting aftrek kreeg; maar weinigen tijt daar na is ‘er een grooten Buik-loop op gevolgt: het gezwel is verdweenen / en de krachten zijn in 24 uuren ten uittersten vervallen; by hem ontboden zijnde / alzo ik met geen Zweet-drijvende middelen / noch met zamen-trekkende Tegen-giften den loop konde stuiten / noch deze verkeerde beweging van de natuur veranderen / is hy den derden dag van de ziekte gstorven.

XX

Steven van Sevener, die achter S. Jans Kerk woonde / met eenige / ik weet niet waarom / twist gekregen hebbende / is met groote gramschap onsteken geworden; t’huis komende / heeft hy een ry-ing gevoelt en terstont daar op een brandende koortz gekregen / met zeer grooten dorst / benautheit / en ongeduurigheit; een weinig daar na is de tonge ook zwart geworden: op de borst zijn twee Carbunkels voor den dag gekomen: verscheide tegen-giften zijn hem ingegeven: maar heeft / overmits het braken / weinig ingehouden / ende de zelve geen voordeel doende / en de krachten tot den uittersten vervallen zijnde / heeft / ontrent het einde van den tweeden dag / de ziekte met zijn leven te gelijk afgeleit.

XXI

Margarita van Thienen, de welke inden Hof van Capitein Haeften ziek lag / merkende dat zy de Peste hadde / heeft tweemaal haar eigen pisse gedronken: den tweeden dag heeft zy / op mijnen raadt / een zweet-middel ingenomen. Na een overvloedig zweet heeft zich achter de slinker oore een groot en zacht gezwel vertoont zo hoog / dat het den geheelen hals na vooren van de zieke zijde heeft bezet; den vierden dag purpure Peper-koorns zich vertoonende / is zy gestorven.

XXII

Pieter Buys, een sterk Jong-man / is den 7 April van de Peste bezocht / met een kleen koorzjen / gezwel onder de oxel / een zeer groote benautheit voor ’t hart; noch van het eerste / noch van het tweede tegen-gift / eenige verlichting gekregen; de koortz heeft twee dagen zich meer en meer verheft; de vervalling der krachten / en de walging tegen de genees-middelen is zo groot geweest / dat / na den tweeden dag / hem nauwelijk iet meer heeft konnen ingegeven worden: Den 10 April was hy aan zijn hart zo benaut / dat hy zeide / dat het zelve als in een persse gebroken scheen te worden; en deze groote benautheit heeft ook de ziele uit het Lighaam geperst.

XXIII

Agnietje Willems, Dienstmaagt van een Brouwer / kloek / bloet-rijk / en welvarende / heeft inde maant van Mey na haar jaarlijksche gewoonte op haar voeten laten zetten zes of acht Koppen met scherving; zes of acht oncen bloets quijt geworden zijnde / heeft een groote schudding of rying gekregen; na weinige uuren is‘erby gekomen zo groote genegentheit tot zlapen / dat zy genoodzaakt wier twee uuren te gaan zlaapen: uit den zlaap wakker gemaakt zijnde / heeft een zeer groote benautheit voor haar hart gevoelt; waar op niet lang daar na gevolgt is een zware braking: hebben haar gevonden koortzig / met eenen kleenen / rappen en ongelijken Polz; haar water was gelijk als van gezonde Lieden: hebbe haar ingegeven ontrent de Middag dit Tegen-gift:

R.
Theriac. Andromach.
Diascord. fracastor. An. zij.
Sal. scord. 3jβ.
Aq. theriacal. ziβ.
Succ. citri zβ.
Misceantur pro haustu.

Hier van heeft zy lustig gezweet / en eenige pijn inde Liesse gewaar geworden / maar zonder gezwel: de benautheit is weinig of niet vermindert; terstont na het zweet is de groote rying wederom gekomen; waarom ook na drie uuren den zelven zweet-drank wederom hernieuwt is; als zy van den zelven den volgenden nacht wel gezweet hadde / heeft zy des anderen daags een weinig beter schijnen te wezen / en is een hart gezwel inde rechter Liesse voor den dag gekomen: zy heeft dien dag geen Genees-middel willen in-nemen: ja heeft haar voor laten staan / dat zy mijnen raat niet meer dan noode hadde; heeft een weinig gekookte keere-melk met broot gegeten / en op het gezwel geleit / op den raat van de vrouwe van ’t huis een Root kool-blad vet gemaakt met raap-oly. Den derden dag is de koortz met een groote onsteking wederom verheft (dewelke nochtans den tweeden dag niet wel volkomelijk af / maar echter veel minder was geweest) met pijn in ’t hooft / zeer grooten dorst / en boven maten geweldige braking; het gezwel in de Liesse is ook verdweenen: toen is men wederom na mijnen komen loopen: hebben haar twee zweet-middlen ingegeven dewelke zy alle beide wederom van stonden aan heeft uitgebraakt; hebbe haar hart-sterkende juleppen en eenige ander middelen voorgeschreven / maar alles te vergeefs / overmits de groote braking; ten laatsten hebbe haar tusschen beiden ingegeven een lepel van deze menging.

R.
Conserv. rosar. rubr. zvi.
Diascord. fracastor. zij.
Aq. theriacal. ziij.
Succ. Limon.
Aq. Cinnamon. an. zj.

Doet het onder malkanderen / en laat het een uure staan / doet het daar na door een doek.

Hebbe daar-en-boven Theriakel van Andromachus op door-slaande Papier gesmeert / en aan ’t vuur warm gemaakt / op de maag geleit: met deze twee middelen is de Braking opgehouden; toen hebbe ik haar ontrent den nacht zodanige Zweet-Drank ingegeven:

R.
Sal. absinth.
Scord. an 3j.
Extract. angelic. Zβ.
Aq. theriacal. zij.
Ol. vitriol. gutt. xiij.
Misce, fiat haustus.

Hier van heeft zy zo matelijk gezweet / en de Koortz heeft gescheenen een weinig te verminderen / de welke nochtans des anderen daags zich wederom heeft verheft; en met groote hevigheit tot den avont toe geduurt / wanneer buiten den gewoonlijken of behoorlijken tijt de Maantstonden buiten maten hebben beginnen af-te-schieten; des anderen daags heeft de koortz wel-gescheenen wat minder te wezen / maar de krachten waren ten hoogsten vervallen; zy slisten haren dorst met dun bier / daar eenige drupjes van Olp van Vitriool in gedaan waren; tot opstopping van de Maant-stonden hebbe daar deze Bolus ingegeven / en dikmaal voor den dag laten nemen een stukje van dit volgende Conditum:

R.
Corall. rubr. praeparat.
Corn. cerv. ust.
Terr. sigillat.
Lap. bezoar. orient. an.. 3β
Diascord. fracast. 3j.
Cum. syrup. granat. acid. q. s.
Misce, fiat Bolus.

Den zelfden dag / de bloeing der Maan-stonden noch toenemende / en de krachten volkomelijk vervallende / is omtrent den avont gestorven.

XXIV

Joost Rutgers, een sterken boer / een groote benautheit voor zijn Hart met een groote zwaarte in ’t Hooft en walging gewaar wordende / heeft van een Heel-meester verzocht een sterk purgeerende Genees-middel / de welke hem een drank van Wijn / daar stibium in geweikt was / heeft ingegeven. Waar van hy buiten maten heeft gebraakt / en veel quade vochtigheden is quijt geworden; heeft daar-en-boven twaalf afgangen van onderen gehadt; is daar van zo verzwakt / dat zy meenden / dat hy dadelijk zouden gestorven hebben; hebben daarom op mijn verzocht / dat ik by hem zoude komen/ Hebbe gezien / dat den zieken noch zwaarlijk door vergeefse pogingen tot braken vermoeit wier; hebbe daarom gelast / dat de lieden van ’t huis terstont witten Wijn zouden warm maken / en daar in doen een weinig poeder van Caneel en note Muskaat / en dat heel heet ingeven / en wel gedekt zijnde den zieken zouden laten zlapen: dit gedaan zijnde / is de braking opgehouden / en den zieken heeft by na den geheelen nacht gezlapen: des anderen daags wakker wordende / is hy zeer welvarend geweest / en zo hongerig / dat hy met een dobbel middagmaal nauwelijk zijnen honger heeft konnen stillen.

XXVI

De Huisvrouwe van Geeraart van Stolk / leggende in de kraam / na dat zy een heel gezonden zoon gebaart hadde / heeft den derden dag de Peste gekregen / en twee Carbunkels hebben haar op de borst vertoont; de benautheit / als ook de koortz / was niet zeer zwaar; hare zuivering is ook niet achter gebleven/ dat alles groote hoope van genezing gaf: Het Kint van de Melk van de Moeder de Peste krijgende / is kortz daar op gestorven; eer zy ’t zelf wiste / dat zy de Peste hadt; na de doot van ’t Kint zijnder Jonge Hontjes gezocht / die de Borsten / die overvloet van Melk hadden / mochten uittrekken; men heeft‘er vier gevonden: van welke twee / na dat zy twee dagen de Borsten gezogen hadden / gestorven zijn; de twee overige hebben geleeft tot den vijfden dag toe / en zijn toen de eerste gevolgt: Ondertusschen heeft de Zieke verscheiden Tegen-giften gebruikt / welck alles niet tegenstaande / is de Koorz met de benautheit allengskens vermeerdert / ende ten laatsen / de krachten volkomelijk verslagen zijnde heeft den zelfden dag vande ziekte het leven met de doot verwisselt; ende haren man is gelijk met het ander kint niet lang daar na / door het gewelt van de eigen ziekte onderdrukt zijnde / haar gevolgt.

XXVIII

Gosuinus Dijkwoldt, een sterk man / heeft den 2 Mey geklaagt van een zware hooft-pijn en groote benautheit voor ’t hart: en is zo zlaperig geweest / dat hy zich nauwelijks konde ophouden: ontrent den avont by hem ontboden zijnde / hebbe hem dit tegen-gift ingegeven:

R.
Extract. magistral.
Sal. absinth. an. 3jβ.
Theriac. 3ij.
Aq. theriacal 3iβ.
Acet. Bezoart 3j.
Misceantus pro haustu.

Hebbe gelast / dat de omstanders hem geduurig aanspreken / en op alle maniere den zlaap zouden beletten; tot dat hy vier of vijf uuren ter deeg gezweet hadde; den zieken heeft van ’t ingenomnen Genees-Middel lustig gezweet; na het zweet is ook de benautheit met de zlaperigheit tenemaal overgegaan; zo dat hy des anderen daags ‘s morgens veel beter is geweest: ende toen zijn der twee groote Pest-kolen, een op den arm / d’ander op de dye te voorschijn gekomen / en alzo ik / overmits de menigte der zieken / op dien Morgen niet tijdelijk genoch by dezen zieken quam / ist’er eenen Neus-wijzen Heel-Meester by ontboden / de welke niet eens wachtende na mijn komste / heeft op zijn eigen raat een ader inden arm geopent / en ontrent thien oncen bloet uitgetrokken: en mijn tegen komende / heeft mij zijn daat vertelt / als of hy zijn zaken wel beschikt hadde: drie uuren na de aderlating zijn wy te zamen na de zieken gegaan; en geloofde / dat den zieken door ’t aftrekken van dit bloet zeer verligt zoude zijn geweest; maar de zaak heeft zich geheel anders vertoont; want wy hebben verscheide wanhoopinge tekenen in hem gespeurt: De Carbunkels waren niet verheven / noch rontom aan de kant en niet zeer onsteken / maar vertoonden haar kleen / neergeslagen / en als verdroogt en dor: daar is by gekomen een zeer sterke koortz met groote benautheit / by welke was zodanige groote vervalling van krachten / dat den zieken bezwijkende in weinig uuren overleden is.

XXIX

De Huis-vrouwe van d’Heer Wiliems, Engels-Edelman / een teere / jonge en matelijk sterk Vrouwe / is van de Peste met een groote benautheit bezocht; en als zy van ’t tegen-gift / dat zy van ons ingenomen hadde / wel gezweet hadde / is in de Liesse een Pest-gezwel / en een Carbunkel op den eenen arm voor den dag gekomen / en heeft groote verlichting gewaar geworden: des anderen daags des morgens / het zelve antidoot wederom vernieuwt zijnde / heeft wederom lustig gezweet: en het Pest-gezwel heeft zich zeer verheft / en de koorz is ganschelijk verdweenen / zo dat zy buiten alle gevaar scheen te wezen: den stank van ’t zweet zwaarlijk konnende verdragen / heeft verzocht dat zy haar lakens van ’t bedde zoude mogen ver-anderen / dat ik in alle manieren verbode hebbe / (gelijk ik ook in alle gelegentheit het zelve zeer zorgvuldelijk gewoon was te verbieden) en gezegt / dat zy noch twee of drie dagen moste wachten: zy echter na mijn vertrek de stank niet konnende verdragen / heeft een schoon hemde / aan ’t vuur van degen gewarmt / haar eerste nat hemde uit gedaan hebbende / zeer warm aangeschoten; heeft twee uuren daar na een groote ry-ing met groote benautheit gekregen; daar is by gekomen een zeer sterke koortz met grooten dorst / walging / zwakheit en pijn in ’t hooft; hebbe haar voorgeschreven twee tegen-giften, die zy terstont wederom heeft uit-gebraakt; en heeft noch juleppen noch eenige andere behoorlijke Genees-Middelen konnen in-houden: het Pest-gezwel is ook verdwenen: ontrent den avont is haar den huit van zelfs los geworden / en daar zijn hier en daar op de huit eenige weinig Peper-koorns te voorschijn gekomen: des anderen daags s’ morgens is zy gestorven.

XXX

Den Zoon van den Sergeant van Capitein Deer / out ontrent zes Jaren / van de Peste bezocht zijnde / heeft gehadt een groote Pest-kole midden op de Kaak / even boven het bovenste Kaak-been / de welk van een kleen Puisjen haar begin genomen hebbende / is binnen twee dagen uittermaten groot geworden / en door de geheele substantie van de Kaak doorgedrongen zijnde / heeft een sterving van ’t tant-vleesch / en ten laasten ook in ’t gehemelte van den mont ver-oorzaakt / en den achten dag den zieken weg-gerukt.

XXXI

De Dochter van Engelbert de Man, Procureur / out ontrent 20 jaren / gezien hebbende zeker zieken / die een Pestilentiale koorz hadde / en dul zijnde met een afgryselijk gezicht schreude / is zodaniglijk verschrikt geweest / dat zy daar van op staande voet de Peste gevat heeft: het koortzjen was kleen / maar de benautheit heel groot / met zeer groote zwakheit van krachten: een Pest-gezwel heeft zich onder de oxel vertoont / en een Carbunkel is op den arm te voorschijn gekomen / heeft verscheide Tegen-giften ingenomen: heeft dikmaals sterk gezweet: maar de benautheit is ganschelijk niet vermindert: met de welke zy den zesden dag uit het lant der levendige is verhuist.

XXXII

Diderik Petterd, een Engels zoldaat / sterk van gestalte / inde Maant van Mey de Peste gekregen hebbende / heeft een Carbunkel op de hant gehadt: by hem is den derden dag van de ziekte geroepen den Chirurgijn Meester Cornelis, dat hy dezen armen zieken uit liefde zoude willen bezouken: hy inde Regulier-strate voor ’t huis / daar den zieken lag / by gevalle te gemoet komende / verzocht mijn / dat ik met hem zoude binnen gaan: wy hebben de zieken dicht by de doot gevonden / het Lighaam met zeer veel Purpure Peper-koorns bezet zijnde : waarom wy hem in de handen des Heeren hebben bevolen; Na ons vertrek is‘er geschil gevallen tusschen ons / aangaande de oorzaak / oorspronk en gedaante vande Peper-koorns: Onder anderen was ik van ’t gevoelen van Fernelius, dat deze vlakken niet waren vande huit alleen / maar ook van de ondergelegen partijen; Den anderen loogende dat / en zeide / dat hy dat lichtelijk met te openen een of twee Peper-koorns konde toonen: wy zijn eens geworden / dat wy in ’t doode Lighaam van dezen voorgemelten Zoldaat (die binnen een half-uur na ons vertrek stierf) volkomelijk kout geworden zijnde / des anderen daags / om dat te onderzouken / een kleene incisie of opening souden maken: Hy heeft in de dye maar alleen inde huit een kleene opening gemaakt / gelovende / dat de ondergelegen deelen niet besmet zouden wezen: maar zich bedrogen vindende / heeft het dieper geopent / en den loop van deze vlakken vorder onderzocht / en bekent / dat Fernelius de waarheit gezecht hadde: want wy hebben bevonden / dat die vlakken haar begin nemen zelf van ’t vlies van de beenen / en breet van onderen en scherp na boven oploopende / door ’t midden van de Spieren recht na boven tot de huit toe opklimmen / en aldaar scherp en spitz eindigen: Den Chirurgijn / met deze ondervinding noch niet te vreden zijnde / heeft inden arm boven den Elleboog een ander opening gedaan / en het zelve noch eens onderzocht; en hebben daar gevonden / dat het begin van twee Peper-koorns (welkers loop en voortgank wy zochten) zo diep niet lag / noch tot het vlies toe-quam: Maar dat zy van een harde Tendoon van zeker Spier begonnen.

XXXIII

Lambrecht Stoffels, is met een Pestilentiale koortz zonder eenig ander uitterlijk teken van de Peste bezocht; met zeer groote benautheit / dorst en pijn in ’t hooft: Terstont in ’t begin is den Heel-meester Adriaan / woonende inde groote straat / daar by ontboden; die aanstonts het Aderlaten geraden heeft; en een Ader inden arm geopent hebbende; heeft eenige Oncen bloets uitgetrokken; Den Zieken is onder de handen van den Chirurgijn van zijn zelve gevallen / en also het zelve wat lang duurde / heeft men mijnen raat verzocht. Hebbe den zieken met kout zweet bezet gevonden / met zodanigen kleenen Poltz / dat hy nauwelijk konde gevoelt worden. Hebbe de doot voorzeit; om dat men nochtans niet onbezocht zoude laten / hebben wy hem een weinig Aq. vit. Matthiol. met wat Caneel-water in de mont gegoten / en daar mede de Neus-gaten en de zlapen van ’t hooft gevreven / voor de Neus ook gehouden Azijn van Rozen: Maar dit alles niet tegenstaande / is hy binnen een quartier-uurs gestorven.

XXXIV

Inde maant van Mey gink ik by gevalle ontrent den avont dicht voorby de Haven van Nimwegen; en hebbe daar zien staan zeker zeer geloof-waardig Man (die ik niet noemen wil) als verbaast / die zijn ogen vast geslagen hadde op een zeker plaatsz van de Haven: Hebbe hem gevraagt / wat hy daar dede; Hy / als uit een zlaap wakker wordende / heeft geantwoort / dat hy daar niet dede; maar dat hy zeer ontstelt was over een gezichte / dat hy daar gezien hadde: En alzo ik wat naukeuriger onderzochte / wat hy gezien hadde / voor eerst heeft hy niet willen zeggen; maar ten laasten onder belofte van zwijgen heeft hy vertelt / dat hy inde Haven gezien heeft een Schip, uit welk een Lijk ter Begravenisse gedragen wier, even voor ’t Lijk (zeit hy) wier een Vaendel gedragen; en een Man met een yzeren harnas aan, en een Kasket op ’t hooft, hadde een bloot Rapier inde hant; een ander droeg het Wapen; recht achter ’t Lijk volgenden eenige weinige inden Rouw, en na deze verscheide Mannen zonder Mantels en zonder Knechts, achter welke wederom quamen veel menschen inden rouw: Op andere tijden (zeide hy) doch zelden, hebbe ik ook voorduitzel geweest van iemants doot: Deze en andere dingen met hem gesproken hebbende / ben ik weg gegaan. In de maant van Julius is gezien ’t effect en uitkomste van dit gezicht; want het doode Lighaam van den Edelen Capitein Jodocus van Haeften (de welke toen boven Longeweerdam gestorven was) is met een Schip inde haven van Nimwegen gebracht / en uit het Schip even op de zelfde maniere / gelijk deze Borger lang van te vooren vertelt hadde / in het spook gezien te hebben / na de Begravenisse gedragen / zo datter niet ontbrak van ’t gene / dat in ’t gezicht gezien was.

XXXV

De Huis-Vrouwe van Ottho van Wijler, een sterke Vrouwe / en in ’t bloeien of in ’t beste van haar Jaren / gevoelende groote benautheit voor ’t hart / en zeker kleen gezwel met pijn onder de Oxel gewaar wordende / heeft het quaat verborgen: In eenige dagen geen aftrek gehadt hebbende / heeft op haar eigen raat een half Once Senne-bladeren met een half loot Anyz-zaat en eenige pruimen van Damast in Bier gekookt / en heeft deze Colature gedronken / en de Pruimen gegeten: Na twee uuren is zy zeer zwak geworden / zo dat zy by na in flauten viel; by deze zwakheit is gekomen groote rommeling in de Darmen / en ten laasten daar op gevolgt eenige afgangen; dewelke in ’t eerste wat verlichting scheenen toe te brangen / maar zijn een weinig daar na doodelijk geworden; want zy zijn in eenen gestadigen Buik-loop verandert: Het gezwel / dat onder de Oxel verborgen lag / is verdweenen / een zware koortz heeft zy gekregen met zeer grooten dorst en vervalling van krachten. Toen heeft men mijnen raat verzocht. Hebbe de krachten ten uittersten flau gevonden / met eenen rassen en bevende Polz; de uitworpzels / die zy van onderen quyt wier / waren uittermate stinkende; den drek en alle andere vochtigheden waren niet / gelijk men gemeenlijk door den Kamer-gank quyt wort/ maar Olp-achtig / Troubel / Asschen-achtig en als van gesmolten vet. De doot dan voorzeit hebbende / op dat de Zieke door ons verzuim niet zouden schijnen te sterven / hebben haar zodanige tegen-gift ingegeven:

R.
Terr. sigill. 3iβ.
Corall. rubr. praeparat. 3β.
Corn. cerv. ust. 3j.
Theriac.
Diascord. an. 3β.
Aq. theriacal. zij.
Misce, fiat, haustus.

Heeft niet konnen zweeten / en den Buik-loop is niet met allen gemindert: na vier uuren heeft ze wederom een ander zamen-trekkent tegen-gift ingenomen / waar van zy wel een weinig gezweet heeft / maar zonder verlichting; des anderen daags / de krachten ten hoogsten vervallende / heeft een einde van haar ziekte ende leven te zamen gemaakt.

XXXVII

Een zeer wel bekent Ruiter, met namen Schab-hals, een sterk / stout en ten hoogsten roekeloos mensch / vande Peste bezocht zijnde met een groote koortz en zwakheit / heeft een Pest-gezwel in de Liesse / en drie Pest-kolen op zijn Lighaam gehadt; van alle welke qualen door de hulpe van Godt zeer Gelukkelijk en wel genezen zijnde / en nu wederom op straat uitgaande / heeft Godt daar over niet eens gedankt / maar heeft zich zeer Godtlooslijk geroemt / dat hy schelm-achtiger en sterker was als de Peste zelfs / en dat de schichten noch van de Peste / noch van de Duivel iet op hem vermochten / ja dat hy / noch na Peste / noch na Duivel vraegde; maar Godt / die inde Hoogsten woont / heeft de Godtlooze woorden van dezen Godt-loozen mensch gehoort: wat geschiet’er; als hy noch met andere Ruiters het Leger van den vyant dikmaals bespiet hadde (Want hy was een vermaarde Guide) is hy / ontrent de vijfde week na zijne volkomen genezing / wederom op een nieuw van de Peste besprongen / en heeft voor den zelfden dag onder de overwinnende Peste zijnen harden nek moeten buigen.

XXXVIII

Robbrecht Wendel de Peste te gelijk met een sterke koortz gekregen hebbende / en van het eerste tegen-gift geen verlichting met allen gewaar wordende / heeft inde rechter zijde den tweeden dag een zeer scherpe pijn als van een pleuris gevoelt / dewelke van stonden aen de vryheit van ’t aassemen belet / en den zieken voor twee uuren weg-gerukt heeft: Het Lighaam nauwelijk kout zijnde / is de geheele rechter zijde van de Borst zeer zwart / als een kool / uitgeslagen geweest.

XL

Nicolaas van Elten, Ruiter van den Manhaften Rit-meester Coenjers / een kloek en roekeloos Mensch / de Peste nu gekregen hebbende / en een Pest-gezwel inde Liesse voelende / heeft terstont voor twee stuivers Toebak / kleen gescherft / gekocht / die in een weinig Bier gekookt / daar na door gedaan /uitgedouwt / en de Colature uit-gedronken: Niet lang daar na is hy daar van met zo groote benautheit en zwakheit bevangen geworden / dat hy volkomelijk van zijn zelven viel / en scheen te sterven: Een weinig daar na wederom tot zijn zelven gekomen zijnde / heeft van onderen en van boven zo uittermaten af-geweest / dat hy in ’t midden van zijn vuiligheit / als een verken liggende / hem niemant uit vreeze van besmetting nauwelijk heeft dorven aanraken: ten laasten is hy van de lieden van ’t huis uit deze onreinigheit getrokken / gezuivert / en te bedde geleit / zo zwak zijnde / dat hy zich niet bewegen konde / en het Pest-gezwel in de Lisse is ook tenemaal verdweenen; toen heeft den Lieutenant Couper op mijn verzocht / dat ik hem zoude bezouken; hem dan zo zwak en over heel zijn Lighaam zo ontstelt vindende / om den Toebak af te spoelen / hebben hem twee of driemaal bier laten geven ’t welk hy terstont met gewelt wederom heeft uitgebraakt: daar na hebben wy op ’t vuur een halve pint sterken Franschen wijn warm gemaakt / en daar in gedaan (gelijk de Ruiters gewoon zijn) een weinig note Muskaats / Caneel en Gember; welken drank heel warm ingenomen / heeft hy ingehouden; en wel gedekt zijnde / in zlaap gevallen / en in ’t zlapen veel gezweet; na eenige uuren uit den zlaap wakker wordende / heeft hy zodanigen wijn / van de Lieden van ’t huis op de eigen maniere toebereit / noch eens gedronken / en wederom tot zlapen en zweeten hem begeven; des anderen daags is hy zeer wel varende geweest / en heeft wederom met groote gulzigheit gegeten: toen heeft hy allezins gaan roemen / dat hy een Duivel gevonden hadde (te weten den Toebak) die arger was als de Pest zelf / de welke in ’t Lighaam komende / de Peste van stonden aan daar uitdreef.

XLI

Inde Maant van Junius ben ik by gevalle met den Chirurgijn Adolph Fildar gegaan door de straat / gemeenlijk en in de wandel Bloemerstraat genoemt: en hebben daar eenige jongers met den anderen vinden spelen / en onder deze een zoontjen van zeker zoldaat / van ontrent zes jaren / die heel vol was van donker purpur-achtige en ronde Peper-koorns: Wij zijn verwondert geweest / dat dit kint niet ziek was: terwijl wy hem met verwondering aanzien / komt de Moeder aan-loopen / dewelke ons de Knyen / Buik / Billen en voorts ’t geheel lijf van ’t zoontjen heeft laten zien / ’t welk geheel niet minder met Peper-koorns bezet was / als de handen en ’t aangezicht; De Moeder zeide / dat het kint veerthien dagen deze vlakken gehat hadde / en nauwelijk oit ziek was geweest; dat hy alleenlijk maar eenen dag van hooft-pijn geklaagt / en niet konnen eeten hadde; dat hy nochtans daarom niet t’huis hadde willen blijven / maar met zijn zpeel-kinderen op de straten noch gezpeelt hadde / dat hy dien volgende nacht in zijn zlaap zeer gezweet hadde / en des anderen daags zo vol Peperkoorns gevonden is geweest; en dat hy zich daar na nimmermeer qualijk heeft gevoelt / alhoewel zy en alle de buuren de doot van dit kint alle dagen verwachten: Drie weken daar na uit nieuws-gierigheit het kint wederom gaande bezouken / hebbe hem zeer wel varende gevonden/ en gezien / dat meest alle de Peperkoorns allengskens ongevoeglijk verdween waren.

XLII

Routher Wanhans, een sterk Hoog-Duitzer / de Peste op den hals hebbende / heeft gebraakt / pijn in ’t hooft gehat / en met een zlaap-zucht en benautheit voor ’t hart bevangen geweest; heeft echter geen uitterlijk teken van de Peste vernomen; het water was als van gezonde Menschen / den Polz rap en ongelijk: om dat de ziekte / als ik by hem eerst quam / noch in haar begin was / hebben groote hoope van gezontheit belooft / en terstont dezen Drank ingegeven:

R.
Theriac. 3j.
Sal. commun. 3ij.
Acet. vin. Fort. 3iij.
Misce, fiat haustus.

Naa ’t innemen van dezen drank hebbe hem zes of zeven uuren laten wakker blijven: heeft sterk gezweet / en een Pest-gezwel is met eenen in de Liesse voor den dag gekomen; des anderen daags / den zelfden drank wederom vernieuwt zijnde / heeft wederom zeer overvloedig gezweet / ende is van de benautheit en hooft-pijn tenemaal verlost: twee Pest-kole / die vry wat groot waren / hebben de slinker dije besprongen / de welke van den Heel-Meester na de konst gehandelt zijnde / is den zieken in korten tijt wederom gezont geworden / het gezwel in de Liesse van zelfs verdwijnende.

XLIII

Jan Willems, knecht van een Timmerman / heeft tijding gekregen dat zijn Ouders op Thiel van de Peste gestorven waren: van welke droevige bootschap is hy zo zeer onstelt en verschrikt geweest / dat hy daar van terstont de Peste ook gekregen heeft / van de welke hy / niet tegenstaande verscheide Genees-Middelen / die hem ingegeven zijn / voor den vierden dag is gestorven.

XLIV

Eenige Fransche Edel-lieden / inde Maant van Junius / door te lang te Peert te rijden om haar te oeffenen / zeer vermoeit / ende daar van veel gezweet hebbende / is’er een van haar schielijk met zeer groote benautheit en zwakheit bevangen / zo dat hy zich zelfs nauwelijk langer op ’t Peert konde houden; is van zijn Met-gezellen in de Herberg gebracht / en te Bedde geleit: ondertusschen hebben zy mijn ontboden; hebbe den Polz rap / ras en kleen gevonden; zijn Met-gezellen vertelden / hoe hy van deze oeffening verhit was geweets / en zeer gezweet hadde; en toen met deze schielijke zwakheit bevangen was geweest: Den zieken voegde daar by / dat hy op zijne Borst eenige pijnlijke puisjes voelde / en dat hy geloofde / dat hy de Peste hadde: op dat wy deze puisjes zouden mogen zien of ’t geen Carbunkels waren / hebben wy de Borst open gedaan / en die ontbloot zijnde / gezien / dat den zieken eem Amulet, dat met een zijde zakjen bekleet was / op de Borst hadde hangen / dat van ’t zweet zeer nat was / onder welk de partye zeer onsteken was / en veele kleene zwarte puisjes stonden: als ik dit Amulet, de zieke afgedaan hebbende / zoude gaan onderzouken / hebbe ik gezien / dat het dat gemeen Amuletum was / ’t welk gemaakt wier van Root en Witten Arsenicum. Terwijl wy hier mede bezig waren / viel den zieken in onmacht / wat Wijn gegeven hebbende / en wederom tot zijn zelven gekomen zijnde / klaagde hy / dat hy zekere benautheit voelde / daar hy meende in te blijven / met zeer grooten vyant voor zijn Hart. Toen hebben hem terstont / het Amuletum weg geworpen zijnde / dit tegen-gift voorgeschreven:

R.
Extract. angelic.
Rut. an. 3j.
Theriac. 3iiij.
Aq. theriacal zj.
Acet. bezoart. Zβ.
Misce, fiat haustus.

Als hy / die ingenomen hebbende / drie uuren achter malkanderen lustig gezweet hadde / is hy van de voorzeide toevallen verlost / en des anderen daags wederom wel varende geweest; om even het overig van ’t fenijn tenemaal weg-te-nemen / heeft hy dit Conditum eenige dagen gebruikt:

R.
Spec. Liberant. Zj.
Rad. helen. condit.
Cirt. citr. condit.
Rob. ribes. rubr.
Diascord. fracastor. an ziij.
Syr. de scord. q. s.
Ol. juniperin. 3j.
Fiat Conditum.

Wy hebben de Puisjes bestreken met Oly van Scorpioenen en Laurier, en zijn alzo in korten tijt genezen. Hebbe hen geraden / dat hy nimmermeer zodanige fenijnige Amuleta meer zoude dragen.

XLV

Christoffel de Four, Coopman van yzer / heeft in de Maant van Mey de Peste gekregen / ende is den vierden dach van de ziekte gestorven: als hy den Geest gaf / stonden twee Zoonen met de Dienst-Maagt voor zijn Bedt / welke drie / zo haast den zieken den Geest gegeven hadde / op den eigen oogenblik te gelijk de besmetting hebben gevat; de Dienst-Maagt met den jongsten Zoon is / overmits de groote kracht van de besmetting / van stonden aan in onmacht gevallen; daar na zijn zy alle te zamen van een sterke koortz overvallen; De Zoonen zijn binnen twee of drie dagen gestorven; De Dienst-Maagt heeft een groot gezwel onder de rechter Oxel gekregen / en een Pest-gezwel in de Liesse; welke gezwellen rijp geworden en uit-gebroken zijnde / is zy genezen/ en van ’t gevaar / dat haar boven ’t Hooft hing / ook voor deze tweede reis verlost: Want dit was de zelfde Dienst-Maagt / de welke wy te vooren gezegt hebben noch eens de Peste te hebben gehadt inde negende geschiedenisse.

XLVII

Hendrik ter Koelen, Bakker / woonende by de Dijmel-poort / na dat hem de Peste op ’t Lijf gevallen was / heeft zeer groote zwakheden gehadt / met veel flauten: heeft ook geklaagt van pijn voor ’t hart; daar was nochtans geen zware koortz by; heeft verscheiden tegengiften ingenomen / en genoch gezweet / daar zyn twee Carbunkels voor den dach gekomen / met een gezwel onder de oxel: de ziekte is tot den zelfden dach in eenen staat gebleven: toen hebben wy een herzigheit des keels in hem gewaar geworden; uit welk teken alleen ik de zekere en haastige doot voorzeit hebbe: den volgende nacht zijnder weinige Peper-koorns uit gebroken / en ontrent den dageraaat heeft den zieken de ellende dezes levens afgeleit.

XLVIII

Elizabeth Pieters, een Schoen-makers Dochter / out ontrent 20 jaren / heeft de Peste met een zeer groote braking / benautheit en zwakheit besprongen; heeft geen zpijs of iet anders konnen inhouden: twaalf uuren na ’t aankomen van de Peste heeft zy uit gebraakt twee levende / korte / roode en dikke wormen; de welke de lengte en dikte ontrent hadden van eenen pink; en waren als bloet root / en kronkelden haar in ’t bekken levendig om; als zy die uitgeworpen hadde / is binnen een quartiers uur gestorven.

XLIX

Den Capitein Lieutenant van de Wel-Edelen Heer van Sterkenburg, Colonnel van ’t Groenings Regiment / de Peste gevat hebbende / is na dat het Pest-gezwel rijp en doorgebroken was / wederom gezont geworden. Geduurende den geheelen loop van de ziekte / hadde hy te veel wakker geweest: maar nochtans zonder eenig ongemak of ongeval: welk waken / de ziekte nu tenemaal genezen zijnde (na dat de zieken al over 8 dagen op straat geweest was) hem noch by bleef / zo dat hy alle nachten nauwelijk anderhalf uur konde zlapen: hy heeft ten laasten van dien Quak-zalver / die zijn Pest-gezwel gehandelt hadde / zeker Genees-Middel tegen dit waken verzocht / de welke hem / als hy te bedde zoude gaan / ontrent des avonts ten thien uuren een zlaap-drankjen heeft ingegeven / daar hy zo wel van gerust heeft / dat hy heeft vergeten te waken en te leven: Want in 15 uuren heeft hy zijnen zlaap afgeleit / die nimmermeer wederom wakker zal worden.

LI

De Huis-vrouwe van den Capitein J. van Haeften (gelijk wy inde voorgaande geschiedenisse gezecht hebben) genezen zijnde / heeft den Man (die ontrent Longewardam in ’t begin van de ziekte van zijn Huis-Vrouwe gevlucht was / de zelve by hem ontboden / en haar bezlapen: maar Og lacy! Die vreugde is kort en schadelijk geweest: want den tweede dag na haar blijde komste van zijn huis-vrouwe heeft hem de peste besprongen: hy hadde altijt met groote zorg-vuldigheit tot vermijding van de Peste gedragen een Amuletum van Arsenicum: hadde een Fontanel op zijn slinker arm; hadde de besmette plaatzen ten hoogsten gemijt; veele en verscheiden innerlijke Preservativen gebruikt; maar nochtans dit alles niet tegenstaande / is hy van die vyant / daar hy zo zeer voor gevreest hadde / noch overrompelt: ben in ’t begin van de ziekte by hem gekomen / hebbe hem koortzig / ongeduurig / zlaperig / met pijn in ’t hooft en zo benaut gevonden/ dat hy niet wiste / waar hy hem keeren zoude: hy voelde in de Liesse een pijn zonder gezwel. De Fontanel heeft hem veel verdroogt vertoont / de welke nochtans van te vooren veel stinkende vochtigheit gewoon was uit te werpen: uit welk teken ik voorzeit hebbe / dat hy sterven zoude: op dat men echter niet ongedaan zoude laten / hebbe ik hem een tegen-gift ingegeven / waar van hy overvloedig genoch gezweet heeft / maar zonder eenige verlichting: Na eenige uuren is dat zelve wederom vernieuwt / maar zonder voordeel: voor den dorst hebbe ik hem gegeven een julep van aq. Scabios. Card. bened. Theriacal. cum syrup. de Limonib. et Ol vitriol. gemaakt. Des anderen daags heeft hy een weinig door zijn kamer gewandelt / maar ten laasten van wandelen vermoeit zijnde / heeft hem wederom te bedde begeven: als hy zijn zelven nauwelijk in ’t bedde neer geleit hadde / en met de omstanders noch sterk sprak / heeft de bleeke doot in ’t midden van zijn reden zijn sprake benomen.

LII

D. vande Krents, die op den Klok-berg ziek lag / de besmetting gevat hebbende / heeft een zeer zware koortz en groote benautheit gekregen: van ’t eerste tegen-gift heeft hy sterk gezweet / en twee Pest-kolen zijn der voor den dag gekomen met een duister gezwel in de Liesse: van ‘t tweede heeft hy niet konnen zweeten / overmits zijne ongeduurigheit en onverdragelijken dorst; Den tweeden dag is er een uittermaten groote braking by gekomen / die wy met geen Middelen hebben konnen stuiten; dewelke ook den derden dag by pozen geduurt heeft; heeft op dien dag na den middag uitgebraakt meer als 60 kleene wormkens, root als bloet, van gedaante en groote niet veel verschillende van die wormen, de welke in de Lighamen, die inde Zon verrotten, gemeenlijk groeien: Deze uitgeworpen zijnde / zijn der weinige purpure Peper-koorns voor den dag gekomen / en den zieken is een weinig daar na gestorven.

LIII

Dierik Wesemer, zijn Groot-Moeder / die aan de Peste lag / bezocht hebbende / heeft de besmetting gevat / en uit huis gaande / zich zeer onstelt gevoelt; en een groote zware pijn en draaying in ’t hooft gewaar geworden; heeft een Heel-meester by hem ontboden / de welke hem terstont een tegen-gift ingegeven heeft / daar hy zeer van gezweet heeft / en is een hart gezwel met groote pijn achter de oore voor den dag gekomen. Toen heeft den Heel-meester geraden een ader te openen / en uit den arm van de zieke zijde thien oncen bloet getrokken; Den zieken onder de handen van den Chirurgijn in onmacht vallende / is als een die bezig was met sterven / in ’t Bedde geleit: Een weinig daar na wederom tot zijn zelven komende / heeft van een zeer groote zwakheid ende benautheit aan ’t hart geklaagt: niet lang daar na / eerst een ry-ing en een koude voorgaande / is’er een sterke koortz by gevolgt: toen heeft men mijnen raat verzocht: hebbe hem zo zwak gevonden / dat hy nauwelijks zpreken konde; het hart gezwel achter de oore is verdweenen; den Polz was rap en ongelijk / en zo kleen / dat hy qualijk gevoelt konde worden: hebbe de doot voorzeit / en geen genees-middel willen ingeven / op dat den neus-wyzen Heel-meester de doot van dezen zieken / die hy door zijn mis-verstant ver-oorzaakt hadde / mijn Genees-Middel niet zoude wijten: Na weinige uuren / een flaute / die al wat lang duurde / daar by komende / is den zieken uit het lant der levendige verhuist.

LIV

Juffrouw Martens, de welke inde Kleer-makers straat Ziek lag / vande Peste besmet zijnde / heeft een kleen koortzjen met een gezwel inde Liesse gekregen; hebbe haar tegen-gift ingegeven; als zy daar wel van gezweet hadde / heeft groote verlichting gevoelt: Des anderen daags is den zelven Zweet-drank wederom hernieuwt; na welkers gebruik zy veel beter is geweest / en uit het Bedde opstaande / by ’t vuur gaan zitten; heeft geen Genees-middelen meer willen gebruiken / noch door eenige aan-radingen tot continuatie van ’t gebruik der Tegen-giften konnen gebracht worden: Heeft in zodanige staat twee dagen door-gebracht: Den derden dag is haar een zeer zware koortz schielijk op ’t lijf gevallen / met groote benautheit / ongeduurigheit / on-uit-blusselijken dorst / innerlijken brant / drooge / harde en korstige Tonge / en met een kleen en zeer pijnlijk gezwel in de Liesse: Ik hebben in maniere van dranken haar twee Zweet-middelen ingegeven; maar heeftze alle beide uit-gebraakt: Den derden dag hebbe haar in de forme van een Bolus gegeven / daar van zy niet heeft konnen zweeten; Om dat zy overmits den onlijdelijken dorst / geduurig moste drinken / en om de benautheit zeer woelende was: In dezen staat heeft de Ziekte ontrent 26. of 28. uuren gebleven / de welke voor by zijnde / zijn der purpure Peper-orns voor den dag gekomen / en na dat de krachten door de Ziekte vervallen waren / heeft de Doot haar tenemaal ter neder gevelt.

LV

N. Appeltern, een wel bekenden Brouwer / en in der daat een beleefden Borger / de welke voor de Peste bevreest was / gewaar wordende / dat hy een groote benautheit aan zijn hart voelde / ende niet pijn en een kleen diep-liggende gezwel besprongen was / heeft zijn quaat verborgen gehouden / en is terstont met eenige vrienden in ’t begin na de Herberge / daar den wijn-berg uithing / gegaan / op dat hy door drinken van veel wijn / en aangename praatjes van de vrienden deze ingebeelde vreeze / ende te gelijk het begintzel van de Peste zoude verzetten; is daar onder ’t Glaasjen meer als gemeen vroielijk; en van dien menigvuldigen wijn zeer verhit geweest; heeft ten laasten hem zelven met zo veel wijn overladen / dat hy zijn maag door een groote braking wederom heeft moeten ontlasten; dit geschiet zijnde / heeft hy een stukje broots met zout en gember gegeten / en is wederom / als te vooren / met zijn vrienden tot den wijn en voorigen boetzen gekomen / zo dat hy ten laasten ontrent den mid-nacht ter deeg beschonken en vrolijk zich na huis heeft begeven / en zijn kleederen uitgedaan hebbende en na bedde gaande / is terstont in zlaap gevallen / en heeft in ’t zlapen overvloedig gezweet: de anderen daags ’s morgens wakker geworden zijnde is zeer wel varende geweest; het gezwel inde Liesse was verdweenen / en is van de Peste verlost.

LIX

Riker Wicher, Luikenaar / een sterk Man / is inde Maant van Augustus van de Peste bezocht; heeft vier Carbunkels / die matelijk groot waren / op de Huit gekregen; daar was een zware koortz by / de welke niet zo zeer door haren grooten brant / als wel door hare uitnemende quaat-aardigheit de krachten te uittersten onder den voet quam werpen; ingenomen hebben de eenige Tegen-giften / heeft hy de eerste twee dagen driemaal gezweet; den derden dag klaagde hy van een kleene pijn inden Buik met eenige rommeling; uit vreeze van een Buik-loop hebbe ik hem daarom een zamentrekkende Zweet-middel (daar Bol. armen terr. sigill. com. cerv. ust en Corall. rubr. by gedaan waren) terstont ingegeven; en laten gebruiken een zamen-trekkende Electuarium tegen ’t fenijn: Maar dit alles niet tegen-staande is’er den volgende nacht een Buik-loop by gekomen / zonder groote pijn / waar door hy quyt wiert veel vuile en stinkende uitworpzels; den vierden dag is hem bloet / eerst met het Mis vermengt / daar na zuiver en alleen afgeloopen; den Zieken met dezen loop ontrent den Midder-nacht door stroom na de Riviere van Acheron gevoert zijnde / is op hare Klippen vervallen / en heeft Schips-breuk aan zijn leven geleden.

LX

Inde Maant van Junius is in ’t Schee-maalers steegjen een zeker huis staande by den Put / (waar op die tijt niemant in woonde) van de Buuren een geraas of geluit gehoort / niet anders als of iemant een doot-kiste met yzere nagels met een hamer toegeslagen hadde / gelijk men gewoon is te doen / eer de doode Lighamen ter begravenisse uitgedragen worden; zy waren zeer verwondert dat zodanig geluit gehoort wier in een huis / daar niemant in woonde: welk anderszins gehoort wordende in andere huizen / daar Menschen in woonen / gemeenlijk (gelijk zy zeiden) een voorbode is van iemants doot; deze voorzegging heeft nochtans in dit huis ook niet bedrogen: want den tweeden Capitein Lieutenant (den eersten van te vooren gestorven zijnde) van de Heer van Starkenburg heeft de Peste gekregen; op dat hy van de gezonde zoude afgescheiden wezen / als ook tot meerder gemak van zijn eigen zelven / is hy van zijnen Hospes of Huis-weert met zijn bedde en alle andere nootzakelijkheden in dat huis gebracht / in het welke hy den 6 Augustus is gestorven / en twee of drie dagen daar na uit het zelve ter begravenissen gedragen.

LXI

Clara Willems, een Timmermans Dochter / out ontrent 20 jaren / heeft de Peste te zamen met een groote koortz / benautheit en zwakheit gekregen: den eersten dag is haar een / ten tweede twee zweet-middelen ingegeven; daa zy wel van gezweet heeft / en een Pest-gezwel is’er onder de Oxel te voorschijn gekomen; de koortz is echter niet vermindert / maar tot den vierden dag toe even sterk gebleven; op welken dag hare Maat-stonden hebben begonnen te vloeien; welke vloeing binnen anderhalf uure zeer groot is geworden / waar van hare krachten in zo korten tijt vervallen zijn / dat na zes uuren het leven zelf ook uit gevloeit is.

LXII

Gozuin van Burik, en Zoldaat / vechtende met een ander Zoldaat / heeft met een rapier een steek gekregen in de slinker zijde van de Borst; de wonde niet doorgaande inde holligheit van de Borst / maar alleenlijk boven de ribben afschampende; den tweeden dag heeft hy een koortz gehadt; en de wonde is zeer opgezwollen / welk gezwel / na dat hy van een tegengift / dat hem ingegeven is / wel gezweet hadde / een weinig wederom is gezlonken. Den derden dag als men eenige etter in de wonde verwachte / heeft men de opening van de wonde in eenen Carbunkel verandert gezien / welke Pest-kole zonder twijffel ook de innerlijke deelen van de wonde bezet heeft; want den zieken / is den vierden dag van zijn ontfangen wonde overleden: een weinig na zijn doot is de borst rondom de wonde / de breete van een geheele hant / gelijk een kole zwart uitgeslagen geweest.

LXIII

De Huis-vrouwe van Isaak Verloo, de Peste met een gezwel in de Liesse gewaar wordende / op dat zy de groote benautheit / daar mede zy gequollen wier / een weinig zoude verlichten / heeft een once van Manna / in warm Bier gezmolten / ingenomen; welk Genees-Middel zy zomtijts in haar kraam gewoon was te gebruiken; hier van is den buik na eenige uuren uittermaten ontroert geworden / en het gezwel is met eenen verdweenen; toen is men na mijn komen loopen: hebbe haar twee zamen-trekkende tegen-giften ingegeven / maar heeft die alle beiden uitgebraakt: hebbe haar daar na een zamen-trekkende Poeder gegeven / dat zy heeft ingehouden: tot versterking der krachten hebbe ik haar eenige andere dingen voorgeschreven / maar hebben alle niet geholpen; want den loop ontrent 16 uuren geduurt hebbende / heeft de zieke het leven met de ziekte afgeleit.

LXIV

Pater Tiburius, Priester, Mis-Munnink van de Orde van Franciscus, een Man in geleertheit / beleeftheit en vroomigheit des levens uitstekende / van de Peste met een gezwel in de Liesse bezocht zijnde / heeft verscheiden tegen-giften ingenomen; en onder andere hebbe ik hem tweemaal een geheeld dragme van den besten Oost-Indischen bezoar-steen, tot Poeder gestampt, ingegeven; en voor de derde maal vier Scrupels: op ’t gebruik van dezen steen quam’er wel een kleen zweetjen; maar den zieken heeft geen verlichting met allen daar van bekomen; Andere tegen-giften / die van Cheriakel / zouten / Cheriakaal-water en diergelijke andere dingen / gemaakt wierden / alhoewel zy de ziekte niet genazen / verwekten echter overvloedig zweet met eenige verlichting; ondertusschen alle de Genees-Middelen te vergeefs in ’t werk gestelt zijnde / hebbe voorzeit / dat de doot zonder twijffel de ziekte zou eindigen / welke tijding den zieken met een zeer groote en ongelooffelijke blijschap aannemende / is in weinige uuren zeer verblijt / als of hy naa een Bruiloft zoude gaan / overleden.

LXV

Den Wel-Edelen Heer Nulant (die op ’t Casteel van Valkenburg / een Dorp van Zuit-Holland / woonde) heeft inde maant van Julius de Peste gekregen met zeer groote benautheit en een kleen koortzjen; heeft den tweeden dag van zijn ziekte beginnen te raas-kallen / is den derden dag in een Frenezye of uitzinnigheit gevallen / heeft zijn hemde en alle ander Lywaat in stukken gescheurt / en vloog met gewelt de omstanders toe / indien zy wat te na by het Bedde quamen; Den volgende nacht zijn op de huit zeer veele purpure Peperkoorns te voorschijn gekomen / en de frenesye is hem by gebleven / zo dat men in dien geheelen tijt nauwelijk eenige verandering konde gewaar worden; overmits zijne uitzinnigheit konden hem geen Genees-Middelen of eenige spijzen gegeven worden; hy is den negenden dag van de ziekte ontrent den avont zeer schielijk gestorven.

LXVI

Willen Beems (dewelker in de Molen-straat ziek lag) van de Peste met een koortz en zeer groote benautheit bezocht zijnde / na het eerste tegen-gift / dat wy hem ingegeven hebben / zijnder vier Pest-kolen / twee op de dyen / en twee op de Borst voor den dag gekomen; den volgende nacht zijnder noch twee op den Buik verscheenen; den tweeden dag / het tegen-gift wederom ingenomen hebbende / zijnder noch drie andere ontrent de schouders gekomen / en den volgende nacht noch twee; een in de rechter zijde na de Lendenen / en de ander op den Arm / zo dat zijn Lighaam van elf Pest-kolen bezet is geweest: de koortz en alle andere quade toevallen zijn meer en meer toegenomen; alle de ingegeven tegen-giften hebben geen meerder verlichting toe gebracht / dan of men hem zuiker Candy ingegeven hadde; den derden dag ontrent den nacht heeft hy het leven met de doot verwisselt.

LXVII

Rutger van Oxstein, Ruiter van den Rit-Meester Douglas / des avonts wel varende na Bedde gegaan zijnde / heeft in ’t midden van de nacht gedroomt / dat hy van een Pesteling / die naakt en uitzinnig was / tegen de aarde neder geworpen wier / en met de zelven sterk worstelde / en ten laasten scheerlinx op zijn Lijf liggende / zijn Peste in zijnen mont uitbraakte: uit dien zlaap met een grooten schrik wakker geworden zijnde / heeft gelooft / dat hy in korten tijt van de Peste zou sterven: welke inbeelding hy zo sterk gezet heeft / dat die met geen redenen uit zijnen zin konde gebracht worden: drie dagen na den droom heeft hy de Peste gekregen / met groote benautheit en een koortz / en de Genees-Middelen geen voordeel of verlichting met allen toebrengende / is den vierden dag van de ziekte gestorven.

LXIX

Frederik Willenburg, een sterk jongman / van ontrent 30 jaren / Bruigom zijnde / getrouwt hebbende Agnietjen de Soust in de maant van Augustus / hadde in den akker van Denus (gelijk veel Bruigoms gewoon zijn) wat te sterk gewerkt: heeft hier van op den derden dag van de Bruiloft de Peste gekregen / met zeer groote zwakheit en vervalling van krachten: de koortz was weinig: De tegen-giften hebben geen voordeel gedaan; en de vervallen krachten hebben op geene manier konnen herstelt worden; ontrent het einde van den tweeden dag is hy na de Elysche velden overgevoert.

LXX

De Zuster van Jan Rouk, een Procureur van de stadt van Nimwegen / is van de Peste met een sterke koortz ende benautheit bezocht / waar by gekomen is een duister gezwel in de Liesse; van ’t begin van de ziekte waren de krachten zeer vervallen / den tweeden dag is’er een braking gevolgt / die den derden dag uittermaten groot is geworden / en heeft de krachten noch veel meer verzlagen / met de welke zy veel stinkende vuile vochtigheden en van verscheiden coluur is quyt geworden; den vierden dag is de braking veel moeilijker en by na gestadig geweest; onder andere uit-worpzels heeft zy ten laatsen gebraakt zeker kleen Beesjen, gelijk eenen levendigen Draak / is / na dat het uitgedreven was / niet lang daar na gestorven: De Moeder van deze zieke heeft het den Chirurgijn Francois Patien laten zien (alzo ik by avonture by de hant niet was) die mijn vertelt heeft / dat het een levendig Beesjen was geweest / schrikkelijk om te zien / lang-werpig / maar kleen / van de grootte van een pink / met vier poten / een Egdisse niet zeer ongelijk / behalven dat het bloet-root was / en dat het eenen dunnen steert en kleene oortjens hadde.

LXXI

De Heer Welting een Engels Edelman / die tot Nimwegen gekomen was om de Stadt te zien; den 8 Augusti des morgens uitgaande / heeft een draeing in ’t hooft / en niet lang daar na zeer groote benautheit gevoelt / zo dat hy genoorzaakt was zich na Bedde te begeven: Den Chirurgijn ontboden zijnde / heeft hem een zweet-middel ingegeven / en lustig doen zweeten / waar van den zieken een weinig verlicht is; en een gezwel onder de Oxel heeft zich vertoont: Den Chirurgijn na het zweet heeft een ader in den rechter arm ge-opent / voorgevende en belovende / dat hy den zieken op deze maniere in zeer korten tijt zoude genezen; uit de geopende ader is er veel goet en gezont bloet gelopen: als er nu eenige oncen uitgevloeit waren / heeft den Chirurgijn met geen compressen / met geen banden den loop van ’t bloet konnen stuiten / noch de opening van de ader stoppen; ondertusschen zijn de krachten van den zieken tenemaal vervallen / en het gezwel / dat onder de Oxel stont / is verdweenen; De benautheden ook toegenomen hebbende / zijnder ook flauten by gekomen: als den Chirurgijn nu ontrent anderhalf uur om de ader te stoppen te vergeefs bezig hadde geweest / hem men ten laatsen ook mijne raat verzocht: hebbe in ’t gaatjen van de ader gesteken die Fungus, de welke de Chirurgijns gebruiken om ’t bloet te stelpen. En daar over is geleit een dikke compres met eenen stijven bandt; hebbe daar op laten leggen het Caput mortuum vitriole, maar heeft niet geholpen: En alzo den zieken dikmaal in flauten viel / in een desperate of wanhoopige zake / is men gedwongen geweest tot het uitterste middel (hoewel te laat) te komen / te weten tot het branden: waar door met een gloejent yzer / daar zachtjens aangebracht / het wondeken of gaatjen toegemaakt is; en op deze maniere heeft het bloejen wel opgehouden / maar den zieken / niet tegenstaande verscheide hart-sterkende Genees-Middelen / die hem ingegeven zijn / heeft na een half uure / den Geest gegeven / en alzo is de ziekte / volgens de belofte van den Chirurgijn / in zeer korten tijt genezen / en dat zo wel / dat hy niet te vreezen heeft van wederom in toekomende te zullen invallen.

LXXII

Geraardt Buys, Apotheker / een sterk man / die met een Amuletum van arsenicum altijt om den hals ging; heeft een root onsteken puisjen zonder pijn met een weinig juikt inden hals gewaar geworden / het welke mijn docht wat quaats te beduiden; hebbe hem daarom het tijdelijk gebruik van de tegen-giften aangeraden; maar hy de zake in den wint slaande / en over zijn heel Lighaam wel varende zijnde / dede alle zijn dingen / als voor dezen / hy at wel / hy dronk wel / lachte en was vrolijk; en hadt geen vermoeden op eenig quaat; ja hy spotte zelf met mijn / dat ik van eenig gevaar gesproken hadde; in zodanige staat heeft hy ontrent drie weken geleeft; toen heeft hy ten laasten begonnen gequollen te worden met pijn in ’t hooft / benautheit voor ’t hart / walging en groote zwakheit; ingenomen hebbende een tegen-gift (by ’t welk behalven andere dingen / een geheele dragme van Lap. bezoar. gedaan was) als hy zeer wel gezweet hadde / is niet met allen verlicht geweest / maar het voornoemde puisjen is in een volkomen Carbunkel verandert; des anderen daags is de koortz meer verheft / de krachten zijn zeer vervallen / en ten laasten / het gewelt van de ziekte de kracht van alle de tegen-giften te boven gaande / is den zieken na drie dagen uit het lant der levendige verhuist.

LXXIII

Jacob Verhorst en Caspar Nitteler, Soldaten / die met den anderen Kamaraden en Maats waren / uit vermaak hare kleederen uitgedaan hebbende / hadden eenigen tijt in de Riviere gezwommen / en alzo dan in ’t water / dan onder de heete stralen van de Zonne met hare bloote Lighamen gelegen; naa ’t zwemmen hebben zy alle beiden een zware pijn in ’t hooft met een genegenheit tot zlapen gevoelt: Wederom t’huis gekomen zijnde / hebben haar te bedde geleit en gezlapen: Na eenige uuren wakker wordende / behalven de pijn in ’t hooft / hebben zy ook een zeer groote benautheit met walging gewaar geworden / daar by / niet lang daar na ook een groote en sterke koortz gekomen is: Hebbe haar alle beiden een Tegen-gift ingegeven / van ’t welke / overmits de groote ongeduurigheit / alzo zy niet hadden konnen zweeten / hebben na eenige uuren een ander ingenomen; dat zy wederom hebben uitgebraakt / en niet gewilt iet anders meer innemen; Zy hadden alle beiden eenen on-uit-blusselijken dorst; Jacob heeft een groote pijn inder de Oxel gehadt / maar zonder eenig merkelijk gezwel / en is ontrent het einde van den tweeden dag gestorven; Caspar heeft een kleen pijnlijk gezwel achter de Oore gekregen / en noch tot den vierden dag Ziek geweest / op den welken hy ook gestorven is.

LXXIV

De Dienst-Maagt van Jacob Leeuwens, Koopman van Wijn / de welke in zijnen Hof ziek lag; heeft den tweeden dag van de ziekte veel vet en Olp-achtig water gemaakt / zo dat het dikke en onklare Olp scheen te wezen; heeft een Pest-kole op haar rechter Borst gehad; ingenomen hebben de bequame Tegen-giften en Zweet-middelen / alle hare zware toe-vallen met de koortz zijn achter gebleven / en zy is buiten meining wederom gezont geworden.

LXXV

Adolph Fildar, een Ervaren Chirurgijn / die met een Amuletum van Arsenicum zeer zorgvuldig altijt gewapent was / den elfden Julij de Peste gekregen hebbende / heeft voor zijn zelven zeker Zweet-middel toe-bereit; als hy daar van zeer wel gezweet hadde / heeft hy op het gezwel (dat inde Liesse stont) een groote Kop met veel vlams gezet / en twee of driemaal het zelve op een nieuw wederom gedaan; hier van is de Zieke partye zeer opgezwollen / en heeft den Zieken zo schrikkelijke pijn aangedaan / dat hy niet wiste / waar hy hem keeren zoude: Op deze groote pijn is een zeer sterke Koortz / en op deze koortz / een uitstekende zwakheit en vervalling van krachten gevolgt: Toen heeft hy mijnen raat ook verzocht; hebbe hem ingegeven verscheide Zweet-middelen en tegen-giften: Hebbe ook op de zieke partye van ’t gezwel / zo wel om de groote pijn te stillen / als ook om het fenijn uit-te-trekken / verscheide plaatzelijke Genees-middelen geleit; maar alzo door alle deze noch de Koortz / noch de pijn niet verminderden / de krachten geheelijk vervallende / heeft den Zieken de overwinning aan de Ziekte moeten laten.

LXXVII

Pater Felicianus, Priester / en Mis-Munnink van de order van Franciscus / een geleert en zeer beleeft man / heeft de Peste gekregen / by de welke nauwelijk eenige merkelijke tekenen van koortz was / of eenige andere zware toevallen / behalven alleen een zeer grooten benautheit / door welke hy zeide zijn hart / als in een persse toegenepen te worden; na een overvloedig zweet / dat door een tegen-gift verwekt was / zijnder twee kleene Carbunkels of Pest-kolem in de dye voor den dag gekomen / heeft ook pijn in de Liesse gewaar geworden / met een gezwel / dat zich noch niet wel vertoonde; hebbe hem ondertusschen drie of vier zweet-middelen en ook andere tegen-giften ingegeven; maar met alle deze is het gezwel in de Liesse niet vermeerdert / noch de benautheit in geenen deelen vermindert: de krachten waren echter zeer wel / en heel weinig vervallen; den vierden dag by hem komende / was hy tenemaal gekleet / en heeft ontrent een quartier uurs met mijn door de kamer gewandelt; (niet stronkelende gelijk de zieken gemeenlijk doen / maar met eenige krachten) en spraak van veel dingen / die ten hoogsten aan-merkends waardig waren / van ’t vertrouwen op God / van de doot niet te vreezen / van zijn grooten en brandende yver en verlangen / dat hy hadde / om van hier na dat zalig vaderlant daar boven te verhuizen; hy toonde mijn ook daar na onder ’t wandelen zes of zeven purpure Peperkoorns / die op de Borst en op den Arm te voorschijn gekomen waren / en vraagde / hoedanig deze vlakken waren / en wat de zelve te kennen gaven; hebbe geantwoort / dat ze voorboden waren van de aanstaande doot: Deze tijding van mijn gehoort en verstaan hebbende / is dezen goede Man niet minder en anders verblijt geweest / als of hy een aengename gifte of geschenk van mijn ontvangen hadde / en heeft dan stonden aan met blyschap in deze woorden uitgebroken; Nu zult gy, Heere, uwen knecht verlossen ende mijne oogen zullen u Heiligdom zien van aangezicht tot aangezich; uwen wille geschiede; en uwen naam zy gezegent inder eeuwigheit. Toen hebben ik hem den eeuwigen Adieu gezecht / en ben vertrokken; Daar na hebben mijn de omstanders / dewelke hem dienden / vertelt / dat hy terstont na mijn vertrek zeide: ik voele dat ik van ’t wandelen wat vermoeit worde / en dat hy met eenen / terwijl hy dat zeide / op de sponde van ’t bedde hadde gaan zitten / en terstont daar op / als in een oogenblik op ’t bedde achter over vallende / gestorven was.

LXXVIII

Caspar de Zwart, als hy uit de Molen-straat na de Harte-straat zoude gaan; om den kortsten weg te nemen / heeft hy zijnen weg genomen door zeker steegjen / dat zelden bezocht wier / gelegen by de kerk van de H. Maget Maria: in welk steegjen op die tijt uit veele besmette huizen vuiligheit / bedt-stroo / oude en versleette kleederen / onreinigheden en uitworpzels van de zieken en veel andere dingen meer geworpen wierden; in ’t doorgaan is hy van den besmettelijke stank van deze dingen zeer zwaar onstelt geweest / dat hy t’huis komende terstont om verre is gevallen / gebraakt / pijn in ’t hooft en zeer groote benautheit voor ’t hart gekregen / en op alle beide knyen een Carbunkel gehadt heeft; ende binnen 20 uuren is gestorven.

LXXIX

Inde Maant van Augustus hadde ik onder handen zekere edele Juffrouw (dewelke was in een kamer by ’t Casteel van Nimwegen / die ik om haar te genezen gehuurt hadde) die zwaarlijk met de Pokken besmet was; Als ik haar / de algemeene Genees-Middelen voor af gebruikt hebbende / nu vier dagen door ’t afgietzel van Guaicun hadde doen zweeten / heeft de Peste de lieden van dat huis besprongen / van de welke in zes dagen vier gestorven zijn; een out Vroutjen is alleen overig gebleven / die deze Juffrouw diende; de Juffrouw meer voor de Peste / als voor de Pokken vreezende / zoude geern van daar op een ander verhuist hebben: maar om dat inde stadt zeer weinige huizen waren / die niet besmet waren; daar-en-boven vreezende / dat door deze verhuizing zy en haar ziekte aan andere zoude bekent gemaakt worden / hebbe haar geraden / dat zy daar zoude blijven / en dat zy voor geen gevaar zoude vreezen / en dat zy van de Peste tenemaal bevryt zoude wezen / zo lang zy haar van de Pokken liet genezen: mijnen raat volgende / is zy gebleven / en dagelijk met het zweeten en in ’t gebruik van andere Genees-Middelen / die tot genezing der Pokken van nooden waren / voortgaande / en eenige rookingen ook inde kamer tot verbetering des luchts makende / heeft tenemaal van de Peste bevrijt geweest / maar is na de derde weke gezont en schoon vertrokken / dewelke schrikkelijk en zeer leelijk van de Pokken geschonden / by ons gekomen was.

LXXX

Machtilda de Bie, jonge Dochter van ontrent 20 jaren / heeft den 3 September de Peste gekregen / met benautheit / koortz en een Pest-kole op den Arm: de Zweet-middelen en alle andere behoorlijke tegen-giften zijn haar van den beginne van de ziekte zorgvuldelijk ingegeven: de koortz is in enen staat gebleven tot den vierden dag / op welken zy een bloet-storting uit de neus gekregen heeft / door welke het bloet niet wel te gelijk / maar allengskens / langzaam en in groote meenigte is uitgevloeit: op dat wy deze bloet-storting mochten stuiten / hebben wy alles in ’t werk gestelt: Wy hebben door den Heel-Meester de uitterlijke deelen stijf laten binden / water en azijn heel kout om de Nek / op ’t Voorhooft en Schamelheit doen zlaan / Koppen met veel vlams op de Voeten gelast te zetten / zamen trekkende poeders in de Neus met Turunden bevolen te steken / en veel andere dingen te doen: alle deze dingen niet helpende / hebben wy ten laasten tegen onzen dank tot het openen van een ader in den arm gedwongen geweest te komen; maar alles is te vergeefs by de hant genomen / en wy hebben deze bloetstorting uit de Neus niet konnen stelpen / dewelke 30 uuren nu geduurt hebbende / heeft deze zieke / de krachten tenemaal vervallende / hare Ziele de eeuwigheit op-geoffert.

LXXXI

De Huis-vrouwe van Jan Pallemer, Brouwer / van de Peste bezocht zijnde / heeft eenen Carbunkel op de slinker Hant tusschen de Pink en den naasten Vinger / maar eenen anderen op ’t midden van den eersten Vinger gekregen: noch sterke koorts / noch eenige andere quade toevallen / behalven een groote benautheit / scheen haar by te wezen. De zweet-middelen en de andere tegen-giften zijn haar van den beginnen van de ziekte met alle neerstigheit ingegeven / welk alles niet tegenstaande zijn echter de krachten allengskens meer en meer vervallen / en heeft den zevenden dag van de ziekte de ellendigheden van dit leven afgeleit.

LXXXII

Herman Thomassen, Bakker / als hy zeker Zoldaat / die de Peste hadde en uitzinnig of dul was / met een afgrijzelijk gelaat op straat komende loopen / en zeer schreuwende / by avonture gezien hadde / is met zo grooten schrik bevangen geworden / dat hy terstont daar van zelf ook de Peste gekregen heeft; hebbe hem zweet-middelen en andere verscheide tegen-giften ingegeven; daar zijn twee Pest-kolen met een duister of kleen gezwel onder de Oxel voor de dag gekomen / maar zonder verlichting: op geen wyze noch met woorden / noch met redenen heeft men dezen opgenomen schrik uit zijn zinnen konnen brengen / alles te vergeefs gedaan zijnde / zijnder purpure Peper-koorns den vijfden dag te voorschijn gekomen / en is den volgenden nacht gestorven.

LXXXIV

De twee Zoonen van d’Heer Gatien, Fransman / Bedienaar des Goddelijken woorts / van de Peste met een zeer sterke koorts bezocht zijnde / zijn binnen drie dagen gestorven; men heeft gezien / dat de doode Lighamen den derden dag na haar doot schrikkelijk verandert / zeer gezwollen / en als een kole ofte inkt heel zwart uitgeslagen waren: Zo dat den Vader / die uit Hollant na de doot van zijn Zoonen t’huis gekomen was / en hare doode Lighamen noch eens hadde willen zien / het eerste gezien hebbende / zodanigen schrik en afkeer daar van gekregen heeft / dat hy / van stonden aan weg-loopende / het tweede niet heeft dorven zien.

LXXXV

Kleene Pier, (daarom kleen inde wandeling genaamt / om dat hy kort van gestalte was) een zeer wel bekenden Boer in ’t Dorp Bemmel, een uure van Nimwegen gelegen / heeft de Peste gekregen met een sterke koorts / en andere zware toevallen / waar van hy / gelijk’er gelooft wier / den derden dag is gestorven: De Bloet-vrienden / die hem dienden / hebben hem een doots-kleet aangedaan / en het Lighaam van ’t bedde tegen of op den vloer op ’t stroo geleit; de erfgenamen hebben ook zijne kleederen en anderen huis-raat onder malkander gedeelt / en alzo uit vreeze van Dieven in het Huis van allen den Huis-raat berooft: Hebben ook ondertusschen zorge gedragen / dat de Doot-kiste van een Timmerman zoude gemaakt worden / en alles laten veerdig maken / om de Begravenisse des anderen daags in ’t werk te stellen: Des anderen daags alles nu gereet zijnde / onbrak’er niet als de Doot-kiste (zonder welke de Lieden van ons Lant geen dooden begraven) die den Timmerman / overmits het menigvuldig werk / dat hy hadde / in zo korten tijt niet hadde konnen maken: Om welke oorzaak de Begravenisse tot den derden dag nootzakelijk moste uitgestelt worden: Des anderen daags de doot-kiste nu gereet zijnde / terwijl men zeer spoeide / om het lijk ter aarden te brengen / hebben zy gezien / dat den dooden / die men meende uit-te-dragen / wederom levendig wier / en Armen en borst beweegde (na dat hy 52 uuren in zodanige staat / als een die waarlijk doot was / gelegen hadde) die ook binnen een quartier uurs opstont / schreuwde / en scheurde / heel dul zijnde / zijn hemde en alle het ander lijwaat / en mishandelde de geen / die naast by hem stonden: zo dat zy hem met gewelt hebben moeten houden / en de armen met banden vast binden: deze dulligheit heeft ontrent 54 uuren geduurt (gelijk hy mijn zelf vertelt heeft) en is daar na achter gebleven en den zieken is wederom volkomelijk tot zijn leven gekomen / en heeft gezien / dat zommige bloet-vrienden zijn kleederen aan hadden en zijnen anderen huis-raat onder zijn Erfgenamen gedeelt was / dat hy / als een bezitter / die van den dooden wederom was opgestaan / van haar wederom heeft geeischt; heeft in weinige dagen zijn verloore krachten wederom gekregen / en is vande ziekte wederom gezont geworden tot verwondering van alle menschen: is nu in het negenste jaar (in het welk ik deze geschiedenissen in order stelle) dat hy gezont leeft / en dient noch tegenwoordig den Wel Edelen Heer Johan van Bronkhorst Majoor van zuit-Hollant die in dat zelve Dorp woont / en zijn Boere werk aldaar doet.

LXXXVI

De Huis-Vrouwe van d’Heer Verspiek, Burgermeester der Stadt Nimwegen / van de Peste met een zware benautheit bezocht zijnde / heeft van stonden aan geklaagt van pijn inden tweeden teen van haar rechter voet: de plaatz bezichtigt hebbende / hebbe gevonden in ’t uitterste lidt een blaasken / en daar onder een zwarte Pest-kole / waar uit ik voor af geoordeelt hebbe / dat de ziekte een ongelukkige uit-komste zoude hebben: hebbe haar verscheide zweet-middelen ingegeven / daar ze zeer wel van gezweet heeft; hebbe haar ook meer andere Tegen-giften voor-geschreven / zo tot onderhouding van hare krachten / als tot uitblussing van de koortz (dewelke niet zeer sterk was) en het fenijn; maar dit allen heeft niet geholpen; de krachten zijn vervallen / en is den vierden dag van de ziekte uit het midden der levendige weg-gerukt/

LXXXVII

De Huis-Vrouwe van Wichman Buys eenige dagen aan de Peste met een kleen koortsjen en zeer groote benautheit ziek gelegen hebbende / en een Pest-kole met een gezwel in de Liesse gewaar wordende / en alle ingegeven zweet-middelen / Tegen-giften ende andere behulp-middelen niet met allen helpende / zijn der ten laasten op alle beide handen eenige zwarte vlakken / als inkt / voor den dag gekomen (zonder pijn) lang-werpig / even gelijk of zy met een schrijf-penne met een breede spleete op de huit met een loopende hant getrokken waren geweest: en geleken zo wel zodanige trekken / dat ik’er zelf in bedrogen ben geweest; alzo ik meende dat zy met een penne met inkt getrokken waren: maar blijvend een weinig by de zieke staan / hebbe gezien / dat zy wederom tenemaal verdweenen / zo dat men het minste teken van de zelve niet meer zag: een weinig daar na hebbe ik gezien / datter op een andere plaats andere dergelijke wederom voor den dag zijn gekomen / maar dat zy echter dezen gedaante of groote niet recht en hadden / en dat is twee of driemaal in mijn tegenwoordigheit geschiet / terwijl ik op haar stont. Uit deze vlakken (hoewel behalve de benautheit / de zieke met andere zeer zware toevallen niet scheen gequollen te zijn) hebbe ik de doot voorzeit / dewelke na weinig uuren de voorzegging door de uitkomste heeft bevestigt.

LXXXVIII

Rutger Pontman. Zoldaat / willende zijn musket afschieten / ik weet niet door wat ongeluk de loop in stukken springende / heeft den duim van zijn rechter hant weg-genomen: Dezen Ellendigen heeft terstont van de schrik en pijn een Pestilentiale koortz gekregen; de wonde verbonden zijnde / hebbe hem een zweet-middel ingegeven / daar hy sterk van gezweet heeft; en is onder de Oxel van de gequesten arm een zeer scherpe pijn gewaar geworden; ontrent den nacht is het zelve zweet-middel wederom vernieuwt; des anderen daags zeide hy / dat de pijn onder de Oxel verdweenen was / maar dat hy den geheelen nacht met een onlijdelijke pijn de heele hant door gequollen was geweest; de koortz bleef ondertusschen even sterk; de wonde van den Heel-meester ontbonden zijnde / hebben wy gezien / dat de hant heel zwart / met veel blauwe puisjes allezins bezet was / en dat hy daar-en-boven de diepe schervingen / die wy maakten / nauwelijk voelde / en dat het deel van de quaad-aardigheit des fenijns / dat daar na toe gedreven was / nu bykans gestorven was; wy hebben om de Hant doeken met Brandewyn laten slaan; is niet van noode geweest met plaatselijke Genees-middelen daar op te leggen; want weinig daar na zijn de purpure Peper-koorns voor den dag gekomen / en de onderkruipende doot heeft de genezing van de wonde / en den loop des levens afgebroken.

XC

Catharina Willems. Een sterke vrouwe / tot den drank zeer genegen / onverzaagt / die allezins de zieken / die aan de Peste lagen (voornamelijk onder de zoldaten) diende / heeft inde maant van September als ik een Pesteling / daar zy by was / zouden gaan bezouken / mij getoont een Pest-kole op haren arm niet verre boven de Carpus of voor hant; maar zeide / dat zy anders op haar heel Lighaam wel varende was; hebbe gelast / dat zy deze Bolus met een glas Wijn zoude innemen:

R.
Flor. Sulph. 3j.
Camphor. gr. iiij.
Theriac. 3iiij.
Misce, fiat bolus.

Heeft dezen Bolus ontrent den avont ingenomen / en als zy dien nacht wel gezweet hadde / heeft zy geen quaat meer gevoelt; en des anderen daags s’morgens zo veel brandewijn wederom gedronken / dat ik haar dronken vont; zy heeft de Pest-kole genezen alleen met roode kool-bladeren, die met raap-oly bestreken waren.

XCI

Michiel N. een van de voornaamste Kleer-makers / in de Casteel-straat woonende / is vande Pestilentiale besmetting besprongen / met een gezwel in de Liesse / een Pest-kole op den arm / een kleen koortzjen / een zeer groote benautheit; op den eersten zweet-drank is geen verlichting gevolgt / noch het gezwel niet grooter geworde; van het tweede tegen-gift / dat hy ontrent den avont heeft ingenomen / is ook de ziekte niet met allen verandert; op het gezwel is een Corrozijf, op de Pest-kole ons Papjen tegen de Carbunkels geleit; den 27 October is het kleen koortzjen in een sterke koortz verandert / met grooten dorst / en zeer groote raas-kalling; den zieken schreuwden zeer / liep door de kamer (want zijn krachten waren noch sterk) beelde zich in veel dingen te zien in de kamer / die der niet waren / en rechte veel andere zattigheden uit; heeft wederom een tegen-gift ingenomen / maar overmits de ongeduurigheit / niet konnen zweeten; heeft de plaatzelijke Genees-middelen / die op ’t gezwel en Pest-kole waren geleit / weg geworpen; het gezwel is ook wederom verdweenen; des anderen daags is de raas-kalling en dulligheit verkeert; den 29 October zijnder voor den dag gekomen purpur-achtige Peperkoorns / zijnde tekenen van de overwinning van de Ziekte / en voorbooden van de aankomende doot.

XCII

Het zoontjen van d’Heer Benthem, Regs-Geleerde / Secretaris of Geheimschrijver van ’t Collegie vande Gecommiteerde Raden / de Peste gekregen hebbende / heeft de zelve door mede-deeling aan zijn Moeder / die hem zoogde / overgezet; als zy voor eerst daar van een Pest-kole op haar borst gevat hadde / aanstonts een tegen-gift ingenomen hebbende / heeft zy sterk gezweet / en na het zweet ist’er een gezwel in de parotides achter de slinker oore voor den dag gekomen / dat zich in korten tijt verheft heeft tot de grootte van een vuist; heeft echter niet hardt geweest / maar zacht als een winderig of waterig gezwel; des anderen daags als dit gezwel noch veel grooter was geworden / blyvende even zacht / en nu by na den geheelen hals bezette / noch van den tweeden zweet-drank de ziekte niet met allen verandert wier / hebbe ik de aanstaande zwarigheit voorzeit / hoewel de bywezende koortz niet zeer sterk scheen te zijn; de doot heeft mijn zeggen waar gemaakt.

XCIII

Iohan Pauls, Schepen van de Regeering van Nimwegen / de Peste met een gezwel gekregen hebbende / als verscheide ingegeven tegen-giften niet geholpen hadden / heeft ten laastenden vierden dag geklaagt van een heezigheit en een kleene pijn van binnen in de keel (die zonder eenig gezwel was) uit welk teken ik voorzeit hebbe / hoewel andere zware toevallen by de ziekte niet waren / dat hy in korten zoude sterven / welke voorzegging de uitkomste bevestigt heeft.

XCVI

Michiel Kriekman, hadde de Peste met eenen doodelijken Buik-loop; voorzeit hebbende / dat hy in korten tijt sterven zoude / heeft zijnen Neef Barnaart Suyderdijk / een kloekmoedig Ruiter / zijn Oom noch eens voor zijn doot willen zien / ontrent thien uuren voor den middag; heeft daarom noch nuchteren zijnde / eerst ontbeeten; en een glas Bier daar op gedronken: en is alzo / wel gezont / en lustig tegen de Peste (gelijk hy meende) gewapent / in ’t Huis van zijn Oom gegaan; willende gaan in de kamer van de Zieken / komt hem by ongeval tegen de Dienst-Maagt / in haar hant hebbende het Bekken / daar den Zieken zijn vuiligheit in gemaakt hadde; hy is van dien quaat-aardigen ende besmettelijken stank van die uit-worpzels zo onstelt geweest / dat hy schielijk / als een die van een geraaktheit getroffen is / ter aarden is gevallen / en binnen een quartier uurs gestorven.

XCVIII

Pieter van Cranenburg, Knecht van zekere Boer / woonende inde Harte-straat / zwaarlijk aan de Peste liggende / heeft een Pest-kole onder de Kinne / en een gezwel inde Liesse gehadt; waar by ook een koortz was met een zeer groote benautheit en zwakheit; na veel en verscheide ingenomen tegen-giften is de koortz wel veel vermindert / maar den zieken is in die groote benautheit veerthien dagen gebleven; geduurende welken tijt heeft hy tot herstelling der krachten ook nauwelijk eenige zpyzen konnen nutten; ondertusschen is het gezwel door trekkende en etter makende plaasters tot rijping gebracht / en van den Heel-meester met het Lancet geopent; maar de Pest-kole onder de Kinne heeft zeer groote moejelijkheit veroorzaakt: want niet tegenstaande de beste Genees-middelen / die wy gebruikt hebben / heeft zy haar dagelijk meer en meer in de naast-gelegene deelen uitgespreit / ende als een Sphacelus of volkomen versterving neerwaarts naar de borst voort kruipende / is zy tot de breette van een heele uitgezpannen hant bekomen; en toen ten laasten een Cirkel makende / heeft zy inde naaste deelen beginnen te scheiden / waar toe de plaatzelijke Genees-middelen veel geholpen hebben; en eindelijk is er zo een groot stuk van doot vleesch uitgevallen / dat van onderen de geheele Kinne / en ook een groot gedeelte van de aspera arteria ofte long-pijp zich zich tenemaal bloot heeft vertoont; de zweering is daar na als andere zweeringen allengskens volkomelijk genezen / ende den zieken / van wiens leven wy lang gewanhoopt hadden / is na zes weken tot zijn voorige gezontheit gebracht zijnde / wederom op straat gekomen.

C

De Huis-vrouwe van Lambrecht van Schermbeek, van de Peste met een koortz en groote benautheit bezocht zijnde / heeft geen uitterlijk teken van de Peste gehadt; den vierden dag van de ziekte (na dat haar vier zweet-middelen van te vooren ingegeven waren en gelukkelijk gezweet hadde) is haar geheel Lighaam met een rootheit als van een roze overloopen / en met kleene puisjes niet grooter als een hirs-zaat / bezet geweest; hier door heeft zy hare benautheit veel verlicht gevoelt; maar de zieke een walging hebbende van den stank van ’t zweet / heeft zonder mijn weten haar hembde verandert / en het vuil uitgedaan hebbende / een schoon aangedaan; dat ik nochtans verboden hadde; hier door is die gansche rootheit des Lighaams verdweenen / en de puisjes / als verdroogt zijn neer geslagen; daar is een zeer scherpe koortz met zeer groote benautheden en pijnen in ’t hooft by gekomen / dewelke de zieke binnen zes uuren heeft weg-gerukt.

CIII

Den Wel-Edelen Heer Didrik van Welderen, Heer van Leeuwenburg, zijn Broeder met zijn Zuster van de Peste gestorven zijnde / heeft de fenijnige besmetting ook gevat / die hy ontrent drie maanden op hem gedragen heeft / eer zy haar door eenige merkleijke tekenen openbaarde; geduurende deze Maanden heeft hy geklaagt dan van een zware Hooft-pijn / dan van een loomigheit over ’t geheel Lighaam / zomtijts van zwakheit / zomtijts van vervallen lust tot eeten / en andere diergelijken qualen meer; maar by na den geheelen tijt van een benautheit voor ’t hart: Op dat hy op zijn gezontheit beter zoude letten / heeft hy op mijnen raat / terstont na de doot van zijn Zuster / (Huis-vrouwe van den Wel-Edelen en gestrengen Heer van Wijnbergen, Colonnel van een Regiment Voet-knechten) van lucht ver-andert / en daer latende alles / daarmen eenigzins quaat vermoeden op konde hebben / hem begeven buiten de Stadt naa ’t Dorp Bemmel op ’t Casteel van den Heer van Wolfferen: Als hy daar ontrent thien Weken geleeft hadde / het gestadig gebruik der Tegen-giften / die tot voorkoming der Peste dienden / nimmermeer nalatende / en echter voorzeide toevallen allengskens meer en meer toenamen / voornamelijk die benautheit en zwakheit der krachten; is hy eindelijk / om mijnen raat te verzouken / genootzaakt geweest wederom naar Nimwegen te komen; hem alhier / uit vermoeden van eenig fenijn quaat / een of twee zweet-drijvende Tegen-giften ingegeven hebbende / is in de Liesse een Pest-gezwel voor den dag gekomen / zijnde de oprechte Bode van dien vyant / die zo lang in ’t Lighaam verborgen hadde gelegen / het welk de eerste twee dagen een weinig zich verheft heeft; en is daar na / hem noch ingegeven hebbende eenige bequame Tegen-giften / alleen door ’t opleggen van mijn Magistrale Plaaster van Tacamahaca allengskens zonder rijping verdweenen / en den Zieken is op deze manier van dien innerlijke fenijnige Vyant gelukkig verlost: Hy heeft van dit fenijn / dat hy zo lang in ’t Lighaam gedragen hadde / lang een zwakke Maag behouden / de welke wy na eenige Maanden / twee braak-middelen / en andere verwarmende / afveegende en versterkende middelen hem ingegeven hebbende / wederom tot haren voorigen en gewoonlijken staat van gezontheit gebracht hebben; het is aanmerkens weerdig / dat dezen boven-gemelten Heer den geheelen tijt / dat het Pestig fenijn in zijn Lighaam verborgen gelegen hadde / tot zijn volkomen genezing toe / geen merkelijke koortz gehadt heeft.

CIV

N. van de Swart, Pachter / van de Peste gestorven / is zijn Huis-Vrouw ten hoogsten bedroeft geweest / en heeft de doot van haren Man lang beschreit; en haar harts-wee geenzints van haar konnen werpen: By welke droefheyt ook is gekomen de inbeelding van haar eigen doot; welke inbeelding zy in haar gemoet zo vast heeft gedrukt / dat zy vastelijk haar inbeelde / dat zy in korten tijt van de Peste zoude sterven: Heeft daarom haar Testament gemaakt / en alles in haar goet-vinden beschikt / dat zy na haar Doot wilde gedaan hebben; deze ende diergelijke andere dingen bericht hebbende / heeft eindelijk mijn en hare naaste Bloet-vrienden gezegt / dat zy nu haast sterven / en hare Man / die voor gegaan was / volgen zoude; op deze droevige en vaste inbeelding is een weinig daar na de Peste gevolgt / de welke door geen soorten Genees-middelen (hoewelder genoech gebruikt zijn) verzacht werdende / heeft de voorzegging van de Zieke den vierden dag van de Ziekte het zelve met de doot bezegelt.

CV

Pater Antonius, Jesuyt / vande Peste bezocht zijnde / ende een gezwel inde Liesse gewaar wordende / is hy om meerder gemaks wille gaan wandelen uit zijn huis / daar hy in woonde / na zekeren Hof die daar van daan wat verre gelegen was / en daar te bedde gaan liggen; aldaar verscheide zweet-dryvende genees-middelen / tegen-giften en meer andere dingen / die van mijn voor-geschreven zijn geweest / ingenomen hebbende / heeft hem de koortz verlaten / het gezwel is in de Liesse vergaan / en den zieken heeft wederom met lust beginnen te eeten: als hy eenige dagen redelijk wel varende was geweest / is’er tijding gekomen / dat eenige zoldaten zijne komst aldaar vernomen hadden / en nu raat zloegen / om hem van daar gevankelijk weg te voeren; hier over verschrikt zijnde / heeft zich te ontijdelijk in de lucht begeven / en is uit dien Hof na een ander plaatz / wat verder van daan gelegen / heimelijk vertrokken; Hy heeft van die schrik / en van die al te haastige verandering van lucht wederom een zeer zwaren Pestilentiale koortz gevat met zeer groote benautheit en vervalling van krachten: dewelke na geen genees-middelen luisterende / heeft binnen twee dagen een einde van zijn leven gemaakt.

CVI

Hendrik Pieters, die in ’t Dorp Lent ten Huize van den Secretaris Seldens ziek lag / welvarende zich na buiten begevende / om in ’t velt te gaan wandelen / en eenigzins vermoeit t’huis komende / heeft op een hoop van vers geslagen Hop liggen rusten en daar twee uuren in zlaap gevallen; wakker geworden zijnde / heeft een ry-ing gevoelt; en gemerkt / dat hy een koortz hadde / een groote zwaarte en benautheit voor ’t hart; heeft ook niet lang daar na gebraakt / en na bedde gaande / dien nacht met groote ongeduurigheit doorgebracht; heeft des anderen daags op mijnen raat een tegen-gift ingenomen; als hy dan van ’t zelve zeer wel / doch zonder verlichting / gezweet hadde / zijnder drie Pest-kolen voor den dag gekomen; daar na heeft hy noch drie of vier zweet-middelen ende andere tegen-giften te vergeefs gebruikt / en de ziekte dagelijk verzwarende / heeft den vijde dag een einde van zijn leven gemaakt.

CVII

Francois Lankfort, een sterk man / uit zijn zlaap wakker wordende / is zeer benaut aan zijn hart geweest; hier door vreeze voor de Peste hebbende / heeft terstont eenen goeden dronk warmen Wijn-Azijn, gedronken; en heeft zich alzo tot zweeten begeven; welks zweeten na dat het drie of vier uuren geduurt hadde / is die gansche benautheit verdweenen; en heeft in de zlinker liesse een merkelijk gezwel met groote pijn gewaar geworden; over zijn geheel lighaam wederom te pas zijnde; heeft hy den eersten dag geleit een root kool-bladt met raap-oly bestreken; den tweeden dag veel grooter geworden zijnde / zo dat hy van pijn niet gaan / noch zijn knye na zijn welgevallen beweegen konde; heeft by hem ontboden een van die Baster-heel-meesters / dewelken de Pestelingen dienden: dezen om de genezing te verhaasten / en te beletten (gelijk hy zeide) dat de koortz niet wederom zoude komen / heeft een half pont bloet uit den rechter arm getrokken; maar met wat uitkomste; weinig tijt daar na heeft den zieken beginnen te beven / en is in een zware flaute gevallen; daar is van stonden aan een sterke koortz opgevolgt met braking / dorst en pijn in ’t hooft; ook is het gezwel in korten tijt verdweenen; des anderen daags heeft men mijnen raat verzocht: ziende en bevindende dat den zieken een zeer zware koortz hadde met een kleenen / rasse en zomwijlen ophoudenden polz / dat ook de tonge zwart was / en de krachten ten hoogsten vervallen / hebbe ik voorzeit / dat hy in korten tijt zoude sterven / welke voorzegging na weinig uuren de doot heeft bevestigt.

CVIII

Eduwart Moulets, Engels Zoldaat / zich leggende in ’t Schee-makers steegjen, van de Peste met een sterke koortz bezocht zijnde / heeft een redelijke groote Pest-kole in ’t hangen van zijn buik gekregen; na eenige uuren heeft hy sterk beginnen te braken; daar zijn ook by wijlen flauten by gekomen; heeft in zodanigen staat met zeer groote ongeduurigheit / benautheit en zwakheit den geheelen nacht doorgebracht; des anderen daags hebbe ik door bequame genees-middelen de braking te vergeefs getracht te stutten; heeft ten laasten ontrent den avont / de krachten nu tenemaal vervallen zijnde / uitgebraakt / eenen zwarten / langen en levendige worm / een Eegel niet zeer ongelijk; is een weinig daar na gestorven.

CX

Jochem de Schipper, die hem in ’t begin van de Lente / tot vermijding der Peste / ontrent de Knye een Fistel hadde laten zetten / inde Maant van November / een van zijn Bloet-vrienden / die aan de Peste met een Buik-loop lag / ontrent den avont gaande bezouken / is dan van de zelve besmet; heeft eerst gevoelt een draaying ende zwaarte in ’t hooft / en een weinig daar na een groote benautheit met walging; heeft terstont op mijnen raat dit tegen-gift ingenoem:

R.
Theriac. Andromach. 3iv.
Sal. Card. bened. 3iβ.
Aq. Theraical.
Acet. Bezoart. an. zij.
Misce, fiat potio.

Heeft hier van by na den geheelen nacht gezweet / met zodanige verlichting / dat alle de toevallen verdweenen zijn: des anderen daags heeft hy geklaagt van groote pijn van de Fistel ontrent de knye / en hebbe gezien datter een zwarte etter uyt geloopen was / en de Fistel rontom een zwarte coluur gekregen hadde; de kanten van deze Fistel zijn door bequame plaatzelijke Genees-middelen / die daar op geleit zijn / als een kole uitgevallen / en de Zieken is daar na heel wel varende geweest.

CXI

Jacob Moulin, Fransman / een Pest-gezwel inde Liesse voelende / heeft terstont zeker Heel-meester van ’t Leger raat gevraagt; die hem een dronk van Wijn, daar Stibium in geweikt was / ingegeven heeft; welken uitgedronken hebbende / is na huis gegaan; want hy was noch zo sterk / dat hy zelfs by den Heel-meester konde gaan / niet lang daar na is hy met een zeer groote flaute overvallen geweest. By hem ontboden zijnde / alzo ik niet wiste / wat hy mocht ingenomen hebben; merkende ook dat den Polz nu by na begon te bezwijken / hebbe voorzegt / dat hy haast zoude sterven; van hem af-scheidende is mijn te gemoet gekomen de genoemde Heel-meester / de welke mijn / uit het Huis van den Zieken ziende komen / vraagde / hoe Jacob Moulin als vaarde? Ik vraagde hem / hoe hy wiste / dat hy ziek was? Ontrent een uure / heefy hy geantwoort / of daar ontrent by mijn komende / heeft hy geklaagt / dat hy een kleen pijnlijk gezwel in de Liesse voelde; en op dat meerder quaat mochte voorgekomen worden / hebbe ik hem ingegeven twee Oncen van een Braak-Wijn, den welken wy in zeer veele ziekten met groot voordeel onder de Zoldaten gewoon zijn te gebruiken; ghy hebt (zeide ik) u zaken wel berigt; bezoukt nu uwen Zieken / en ziet met wat vrucht ghy ook dezen Dien Wijn hebt ingegeven; hy is stout by den Zieken gekomen / en heeft gezegt tegen de Omstaanders / datter geen gevaar te vreezen stont / dat hy den zieken zodanig Genees-middel ingegeven hadde / waar mede alleen de Peste op eenen dag volkomelijk zoude genezen worden; terwijl hy voor ’t Bedde staat / den zieken een weinig tot zich komende / heeft twee of driemaal gebraakt; Nu is de ziekte (zeide den Heel-meester) overwonnen / en alle gevaar weg-genomen; en de voorzegging van de ziekte heeft hem niet bedrogen; want een weinig daar na heeft den zieken onder braken ook de Ziele uytgebraakt / de ziekte namentlijk zo wel overwonnen zijnde / dat’er geen gevaar meer was / dat zy immermeer in toe-komende wederom zoude komen. Den Heel-meester is beschaamt niet zonder lastering en Schelt-woorden der Omstanderen weg gegaan.

CXII

In ’t Huis van den Kloek-moedigen-Helt den Grave van Nassou, Ridt-meester van een Compagnie te Peert / inde Maant van Junius hadde vier van zijn Dienaars de Peste gehadt; van welke twee gestorven waren; het Huis is dien Zomer twee of driemaal schoon gemaakt; Mevrouwe van Nassou echter (de welke met haar gansche Huis-houding na den Hage gevlucht was / terwijl haren Man met zijn Compagnie het leger volgde) met deze schoon-makingen noch niet te vreden zijnde / heeft inde Maant van November twee of drie Hollantsche Schoon-maaksters uit ’s Graven-hage na Nimwegen gezonden / om het gansche Huis / na de vijfde Maant van de laasten zieken / noch eens op zijn Hollants naukeurig schoon te maken; deze hebben gewasschen alle het Lywaat / en alle andere dingen / die bequamelijk konden gewasschen worden; hebben den anderen huisraat in de Zonne en in de open lucht gebracht / en laten verluchten / alle onreinigheit zorgvuldelijk afveegende; in ’t kort / zy hebben het heele Huis van boven tot onderen niet alleenlijk met Bezems uitgeveegt / maar ook aan alle kanten met water afgespoelt / ende Muuren op een nieuw met versche kalk gewit; hebben daar na de afgeveegde vuiligheit op den Mis-put geworpen; uit deze onreinheit hebben by gevalle de Hoenders eenig voetzel komen zouken / en hebben haar daar in gekeert en gewentelt; en hier van de besmetting gevat / en de Peste gekregen hebbende / zijn zy alle gestorven; in zommige zijnder Pest-kolen op de borst en op den rugge / in zommige gezwellen onder de vlerken voor den dag gekomen / en op deze maniere zijn de Hoenders / ontrent twintig in getale / van de Peste gestorven.

CXIII

De Dochter van Pieter van Botsel, jonge Dochter van ontrent 20 Jaren / is een Pest-gezwel in de Liesse gewaar geworden; heeft buiten dit gezwel geen ongemak van eenig gevolg in haar Lighaam gevoelt; haar ziekte zoukende te verbergen / is zy stillekens gegaan by Matthijs van Aken (die openbaarlijk met koppen-zetten hem bemoeide) en heeft haar 6 of 8 Koppen met scherving op haar voeten doen stellen: eenige weinige oncen bloets uitgehaalt zijnde / in flaute vallende / is ter aarde gezygt; tot haar zelven wederom komende / heeft zy geklaagt van zeer groote benautheit aan ’t hart; zy is terstont van twee sterke Mannen t’huis gebracht / en in ’t bedde geleit; alwaar zy met zo groote en menigvuldige flauten bevangen wier / dat de Ouders gelovende / dat zy zo aanstonts zoude sterven / mijn ontboden hebbe; ik hebbe gelast / dat zy azijn met Brandewijn onder haar neus zouden houden / en haar zomtijts met een Lepel / een weinig van deze menging ingeven:

R.
Aq. cinnamon.
Theriacal.
Vin. albi.
Syr, de limonib. an. zj.
Misceantur.

Door ’t gebruik van deze menging, is zy een weinig tot haar zelve wederom gekomen; en heeft bekent / dat zy een Pest-gezwel gevoelt hadde / en dat zy daarom Koppen op haar voeten hadt laten zetten / en dat het gezwel nu by na tenemaal verdweenen was. Toen mijn hant haar opleggende / hebbe de plaatz zelf onderzocht / maar hebbe niet anders / als een kleene en diep-liggende hardigheit konnen voelen; hebbe haar een zweet-drank voorgeschreven / om terstont in te nemen / daar zy wel redelijk van gezweet heeft / maar zonder eenige verlichting; des anderen daags heeft zy aan haar hart zeer benaut geweest / en de flauten quamen zomwijlen wederom; hebbe gelast / dat zy haar het zop van een Kieken, dat by gevalle bereit stont / een weinig Wijn, het zap van een Citroen daar by doende / zouden geven; zy heeft’er drie of vier lepels van genomen / en die wederom uytgebraakt; toen is daar zomtijts met een Lepel gegeven een weinig van de eerste menging; maar te vergeefs; want zy is op dien dag ontrent den avont in een flaute / die wat lang duurde / gebleven / en heeft alzo den geest gegeven.

CXIV

Pater Augustinus, Munnink / van de Peste besocht zijnde / heeft zeer gebraakt / welke braking ik met Genees-middelen hebbe gestilt; hebbe hem daar na drie Zweet-middelen en eenige andere Tegen-giften ingegeven / waar op geen verlichting gevolgt is; den vijfden dag van de Ziekte heeft hy zuiver bloet gepist / en is korts daar na gestorven.

CXV

Geeraardt van Haeren, een Bakkers knecht / inde maant van December de Peste gekregen hebbende / heeft op de Kief van de zlinker Knye een Pest-kole gehadt; daar was een kleen koortzjen by met geen grooten brant / noch andere zware toevallen; het water was als van gezonde Menschen; den zieken was even verzlagen van gemoet / zuchten dikmaal zeer zwaar / en wanhoopte tenemaal van zijn gezontheit immermeer wederom te krijgen; lag gerust / en zweeg by na altijt stil / daar hy anders praats genoch placht te hebben; hebbe hem drie Tegen-giften ingegeven / waar van hy redelijk gezweet heeft / maar zonder verlichting; de Pestkole is grooter geworden / maar heeft geen rooden Cirkel rontom haar geahdt / welk teken mijn geenzins aangestaan heeft; verscheide andere Tegen-giften heeft hy daar na genruikt / maar al te vergeefs; den zelfden dag van de Zikte / als ik den Polz zoude voelen / die kleen / rap en ongelijk was / hebbe ik een beving der zenuen gewaar geworden; het water bleef echter goet / als van te vooren / en wel bezonken; hebbe de doot voorzeit / de welke den volgende nacht / na dat’er Peperkoorns voor den dag gekomen waren / de waarheit van mijne voorzegging heeft bevestigt.

CXVI

Den Knecht van d’heer Couper, Lieutenant van een Compagnie Ruiters / een sterk Jong-man / gewaar wordende / dat hy de peste hadde; en een Pest-kole nu op den arm hebbende / op dat hy het quaat zoude verborgen houden / heeft de zake heimelijk een Engels Heel-meester, genaamt Egmont, te kennen gegeven; de welke hem/ om eerder genezen te wezen / een dragme van ’t Poeder Paasavant met Bier heeft ingegeven; na anderhalf uure is hier op een uittermaten onsteltenisse in den buik / en daar na een gestadige loop gevolgt; en de krachten van de Zieken zijn in 20 uuren zo zeer verzlagen geweest / dat hy nauwelijk konde zpreken; Des anderen daags ben ik met den voornoemden Chirurgijn ontboden / om by hem te komen / de welke oordeelde / dat hy de genezing / achtervolgens het gevoelen van de voornaamste Genees-meesters / loffelijk na de Konst van een Purgatie begonnen hadde: den Zieken in deze uitterste zwarigheid gestelt zijnde / hebbe ik hem dezen drank ingegeven:

R.
Trochisc. de. terr. sigillar. 3iβ.
Corn, cerv, ust. 3j.
Theriac. 3iv.
Aq. Theriacal. ziij.
Misceantur pro haustu.

Hy heeft dezen drank wel ingenomen / maar na een quartier uurs wederom uitgebraakt; het zelve genees-middel is wederom vernieuwt / maar zonder voordeel; want den Buik-loop meer en meer toenemende / wier hy ontrent den avont bloet quyt / en den zieken is den volgende nacht met dezen loop uit de baren van deze onruste Werelt tot de Haven van ruste overgebracht.

CXVII

Pieter Schram, van de Peste bezocht zijnde / heeft een Pest-kole in scroto op den Kloot-zak gehadt / dewelke ontrent de helft van den Kloot-zak bezet heeft; en eindelijk na verscheide van binnen ingegeven / en van buiten opgeleide Genees-middelen de Pest-kole tot separatie of scheiding gebracht zijnde / is een groot gedeelte van den Kloot-zak uitgevallen / zo dat den Kloot / in zijn scheede hangende / bloot gezien wier; dit gat van de Kloot-zak is daar na door’t gebruik van bequame plaatzelijke genees-middelen wederom toe-geloopen.

CXIX

Den Knecht van Antony van Tricht, Apotheker / in de Maant van Julius de Peste hebbende / lag ziek in een Hof / in een kleen huisjen / dat wel met Pannen van boven gedekt was / maar zonder muuren / en aan alle kanten open / wat zy echter met Zeilen toen rontom bekleet hadden; den Zieken genezen zijnde / is het bedde / de Zeilen en alle den anderen huis-raat wederom weg-gedaan; den Apotheker het volgende Jaar inde maant van Meert by gevalle in ’t zelve huisjen zoukende zeker instrument / dat hy inden Hof gebruikte / als hy het stroo / daar het Bedde van den Zieken op gelegen hadde (dat daar noch gelaten was / en den Herfst ende den gehelen Winter in de wint / regen / snee en in de koude aldaar gelegen hadde) met zijn rechter voet van d’een na d’ander zijde verwierp / heeft hy terstont eenen zchimmelachtigen stank in zijn neus gevat / en een weinig daar na een scherpe en stekende pijn onder de Knye dicht by de Voet gewaar geworden; niet anders als of hy hem met ziedende water verbrant hadde; des anderen daags heeft men daar een groote blaar zien staan; dewelke door gesteken zijnde / is’er een weinig zwart water uitgeloopen / en onder die blaar een Pest-kole gevonden / de welke daar na in twee weken nauwelijk is konnen genezen worden / hy heeft echter noit koortz gehadt / noch eenig ongemak op zijn lighaam gevoelt.

CXX

Den Capitein Brauwer als nergens in geheel Gelderlant de Peste was / van deze besmetting bezocht zijnde / heeft zich gelegen in ’t Dorp Bemmel; heeft verscheide Pest-kolen gehadt; en de genees-middelen te laat in ’t werk gestelt hebbende / is eindelijk gestorven; dezen zieken voor de eerste maal bezocht hebbende / hebbe ik terstont de besmetting van hem gevat / en een groote Pest-kole met zeer groote pijn op mijn zlinker hant gekregen; de welke ik door gebruik van bequame plaatzelijke genees-middelen daar na gelukkelijk hebbe genezen: Van den beginne tot den einde toe van dit quaat / ben ik nergens over mijn Lighaam qualijk te pas geweest; hebbe noch koortz noch eenig quaat toeval gewaar geworden; noch gebruikt eenig andere Tegen-gift / als den rook van Toebak alleen; van dien zelven Capitein is ook besmet geweest zeker Zoldaat / die hem diende / die ook / gelijk ik / een Pest-kole op de zlinker hant gekregen heeft / die wy ook daar na met plaatzelijke genees-middelen genezen hebben; en alzo ook deze nergens anders op zijn lighaam ziek was / en uit gewoonte Toebak genoech gebruikte / hebben wy dezen ook geen andere Tegen-giften ingegeven.

FINIS

__________________________________________________________________________________

Verantwoording:

Zoals Epidemieën plegen uit te breken in tijden van onrust, oorlogen, binnenlandse roeringen, angsten, overstromingen, droogten, decadentie en hedonisme, trad de Pest in Holland op midden in de Dertigjarige Oorlog (1618 -1648) toen de hype van de tulpenbollen haar hoogtepunt bereikte, zoals wij tegenwoordig onze eigen hypes en luchtbellen hebben. Een fraai en uitgebreid overzicht van de pest in Holland vanaf de late Middeleeuwen wordt gegeven in het boek "De Gave Gods" van Leo Noordergraaf en Gerrit Valk.
Hier zijn alleen Boek 1 en 4 weergegeven. De reden daarvoor is dat Boek 2 en 3, door hun theoretische bespiegelingen, nauwelijks iets toevoegen aan het beeld van de pest. Van de Geschiedenisse in Boek 4 is een selectie gemaakt. Weggelaten zijn de casussen waarin de grote en ijdele Doctor Ysbrand zijn uitgebreide receptuur ten toon spreidt, die bij nadere beschouwing uitsluitend een magisch en placebo-effect gehad kunnen hebben, of door hun giftigheid alleen maar bijgedragen hebben aan het verscheiden van zijn patiënten. Gemalen hertengeweien, bezoars, het befaamde panacee Theriak, vitriool, limoensap, rozen- en hyacinthenextract, die hij Genees-middelen en Tegen-giften noemt. Ondanks zijn behandeling zijn er toch patiënten die de Peste overleven.

Ook over de oorzaken van de Pest weidt hij uit in het Achtsten Capittel, waar hij er drie noemt. En terwijl hij in zijn Geschiedenisse herhaaldelijk laat zien dat boosheid, angst, verdriet, onrust, wanhoop en inspanningen, een prachtige voedingsbodem voor de besmetting vormen, doet hij dat, zoals de tegenwoordig geneeskunde dat nog steeds doet, af met:

By deze dry oorzaken der Peste willen zommige ghevoegt hebben de ontroerige en ontsteltenisse des gemoets; als Toorn / Schrik / Vreeze / Droefheid / onverwachte of schielijke blyschap; en droevighe inbeelding: maar gemerckt deze bewegingen niet quaat-aardigs in haar hervatten / en maar alleen by toeval door ontsteltenisse der geesten de Lighamen disponeren en bereid maken om de Pestilentiale besmetting eerder en lichter te vatten / en de zelve na ’t hart te voeren / konnen in geenen deelen gezecht worden oorzaken / die de Peste voortbrenghen; maar alleen bykomende preparatien en voorbereidingen / die de Lighamen bequaam maken / om de Peste te ontvangen.

Er is nooit iets veranderd.

Naar boven