Home


Portret Steven de BatselierSteven de Batselier

Uit: DE ZACHTE MOORDENAARS (1974)

Het sociopathologisch syndroom der maatschappijstructuren




Opgedragen aan allen
Die mij een kwaad hart toedragen
Met het heimelijke verlangen
Dat zij dit boek onbevooroordeeld zullen lezen 

En tevens met een warm hart
Opgedragen aan alle kinderen
Opdat zij, ondanks alles, het geloof in zichzelf
in de medemens en in een betere wereld
niet zullen verliezen

 

Hoofdstuk 1 

Van psycho- naar sociopathologisch syndroom 

Een aan de heersende maatschappijstructuren perfekt aangepast gedrag is het zuiverste symptoom van geestelijk-gestoord-zijn. Aanpassing gebeurt immers ten koste van het ‘menselijke’ in de mens. Het ‘menselijke’ is niet vanzelfsprekend in deze maatschappij. Het is een curiosum, iets vreemd, iets eigenaardig, iets dat men gaat bekijken, dat men heimelijk en met heimwee bewondert, dat soms ontroert en waarvoor men eventueel een standbeeld opricht of een straatnaamverandering doorvoert nadat men het eerst gevangen, verguisd of vermoord heeft. In een maatschappij als deze is geen plaats voor het ‘menselijke’. Integendeel. Van bij de geboorte wordt elk mensenkind systematisch en op efficiënte wijze aan een ‘ontmenselijkingsproces’ onderworpen. Dit proces is zo efficiënt dat elke aangepaste structuurspeler zelfs geen weet meer heeft van wat hem werd aangedaan. Onze ontmenselijkte maatschappij wordt haast ervaren als een vanzelfsprekendheid. Schoolvoorbeelden van ontmenselijking zijn de door de mens ontworpen en in stand gehouden structuren. Het sociopathologisch syndroom der maatschappijstructuren. Het psychopathologisch syndroom van de normale mens (Impasse. Het psychopathologisch syndroom van de normale mens. 160 pp. De Nederlandsche Boekhandel, 1973.) stoelt op dit sociopathologisch syndroom dat tot doel heeft de mens de toegang tot het menselijke te ontzeggen.  

Merkwaardig genoeg pretendeert dit sociopathologisch syndroom der maatschappij-structuren juist de bevordering van het menselijke in de mens tot eigen doel te hebben. Dit is van alle leugens de gemeenste die er bestaat. Daarom noemen wij deze gemeenheid der maatschappij-structuren ‘the soft killers’, ‘de zachte moordenaars’.  

Wanneer men iemand richt op een ander doel dan de eigen ontplooiing, wanneer secundaire doelstellingen primair worden gesteld, wanneer de konkrete mens in dienst moet staan van de maatschappij en niet andersom, wanneer die maatschappij zich bij de bepaling van haar doelstellingen laat leiden door bepaalde belangengroepen, dan is de vervreemding als wezenskenmerk in de maatschappij ingebouwd, dan is die maatschappij misdadig. In zo’n maatschappij leven wij. De eigenheid van de konkrete mens wordt ontkend, de middelen deze te realiseren worden hem geweigerd en wie gewoon zichzelf wenst te worden, wordt weggeduwd naar de rand, naar de marge van deze maatschappij, wordt een outsider, een marginale, een-die-er-niet-bij- hoort.  

Het is geen eenvoudige opgave zich niet te laten herleiden tot de inhoud die de aktuele maatschappijstructuren voorstaan, hun veiligheid, waarborgen en levensverzekering van de hand te wijzen, zich niet te laten beperken en indijken tot de zogenaamde normaliteit van hun maatstaven.
Wie de zekerheden van de slaapwandelaar aan het wankelen brengt, wie meer wil dan het eenvoudig- primitieve konsumentenspel, wie onze post-industriële technokratische maatschappij als deshumaniserend van de hand wijst, zal met de bestaande structuren in botsing komen. Dit is een zinvol gebeuren.  

Elke structuur zal immers op haar menselijke waarde moeten worden getoetst. Dit is het ultieme criterium. Enkel die structuren die een hulpmiddel zijn tot, een steunpunt voor vermenselijking zullen de wereld van morgen mogelijk maken. Het menselijke laat zich immers nooit integraal structureren.
Zodra structuren een autonoom bestaan verwerven, worden zij de negatie van het menselijke, worden zij zachte moordenaars. Zodra structuren worden herleid tot idealen, begerenswaardige streefdoelen an sich, wordt de individueel-konkrete mens een ondergeschikte die zijn zin en betekenis ontleent aan de structuren zelf. Zodra de structuren zijn herleid tot mythen, is het terrein voorbereid voor de massa-moord. 

De structuurmakers ondervinden weinig tegenstand. Het merendeel der mensen offert gewillig zijn mens-zijn op voor een veilig bestaan binnen de door de structuren toegestane speelruimte.
De basis van elke structuur is samengesteld uit optelbare, meetbare, verwisselbare eenheden. De vertikale pyramide biedt de grootste manipuleerbaarheid. Komt de basis toch in beweging, dan wordt afhankelijk van de te verwachten gevaarlijkheidsgraad het adequaat repressieapparaat ingeschakeld. Dit alles in naam der wet, in naam van de orde, in naam van de niet te verstoren rust en zelfgenoegzaamheid der machthebbers... Structuren kunnen nuttige dingen zijn in die mate dat zij de mogelijkheid openhouden zichzelf overbodig te maken. Het pathologische schuilt in het dwangmatig pogen tot zelfbestendiging. Structuren als hulpmiddelen zijn zeer nuttige en dienstige dingen : nuttig juist in de mate dat zij dienstig zijn. Zodra een structuur een doel-op-zichzelf wordt, is zij criminogeen, pleegt zij een aanslag op het menselijke in de mens ;zij creëert haar eigen idolen om tenslotte zichzelf tot idool te verheffen. De afgodendienst der structuren is aansprakelijk voor de grootste mensenslachting ooit door de mens bedacht.  

Merkwaardig genoeg leeft bij het merendeel der mensen de ‘zekerheid’ dat tegen deze structuren niets valt te ondernemen. De weerloosheid waarmede de mens aan de structuren, — door hemzelf geschapen en in stand gehouden —, overgeleverd is, dwingt hem tot ‘aanpassing’ ten koste van het ‘menselijke’ in de mens. Als ‘beloning’ krijgt hij sociale zekerheid, een vast inkomen (een minimum althans, zo wordt hem beloofd), eventuele kosteloze geneeskundige verzorging en op het eind (na afschrijving dus) een ‘overlevingspensioen’ veiligheid, geborgenheid tot aan zijn dood. Daar gaat het juist om. De mens offert zijn ‘menselijkheid’ op voor een veilige geborgenheid, voor verveling, vervreemding, voor een ‘ongeboren toestand’, een vormloosheid, inhoudsloosheid, leegheid, voor een niet-zijn. Wie binnen deze structuren grondig durft nadenken, naar eigen eenheid zoekt, naar verbondenheid met de medemens en de kosmos verlangt, bij een pasgeboren kind de kindermoord in zichzelf opnieuw ervaart, ontkomt niet meer aan een fundamentele krisis, aan een fundamentele konflikt-situatie, aan een innerlijke revolte gevolgd door opstandigheid en het uiteindelijk verlangen er-wat-aan-te-doen...  

Dit is meteen de vraag wie kan wat doen? en tegen wie? tegen wat? Wie met enige zelfkritiek de diverse sociale situaties en structuren analyseert, komt tot de vaststelling dat de ‘diverse machten’ stevig in het zadel zitten en elk hun repressie-apparaten hebben uitgebouwd. Elke structuur neemt in haar bovenbouw, — zo poogt zij althans —, enkel betrouwbare elementen op. Wie zich binnen een eigen structuur marginaal opstelt wordt vroeg of laat geliquideerd, eerder vroeg dan laat. Het systeem werkt doorgaans perfect. Mensen die opgeleid werden om binnen structuren goed te functioneren, vrezen de uitsluiting. Wordt men uitgesloten dan is men meteen een gestigmatiseerde, een verschoppeling, een vereenzaamde, een paria. Daarmee is de cirkel gesloten.  

Het mechanisme van de instandhouding der structuren zelf is echter doorzichtig, nl. de opbouw van een eigen repressie-apparaat. Dit repressie-apparaat kan de meest uiteenlopende vormen aannemen. Het behoort tot de strategie der revolutie deze repressie te ontmaskeren. De verschijningsvormen zijn zo verscheiden, zo misleidend, zo tegengesteld dat hun gemeenschappelijke oorsprong haast ondoorzichtig wordt. De gemeenschappelijkheid zelf is nochtans evident met zachte of harde hand, — zalvend of straffend —, al wie deviërende tekenen vertoont tot de orde roepen of uitstoten.  

En toch rest de fundamentele vraag : hoe kan de mens tot structuren worden herleid, hoe kan de mens binnen structuren worden ingebed, hoe kan de mens aan structuren worden onderworpen, hoe kan de mens tot massale vervreemding worden gedwongen ? Deze vraag trekt niet in twijfel dat het gebeurt, zij slaat alleen op de mogelijkheid van dit gebeuren. Hoe is dit alles mogelijk geworden ? Even merkwaardig is de vaststelling dat deze structuren zich handhaven ondanks de min of meer bewuste innerlijke onvrede van het merendeel der ‘onderhorigen’.  

Dit alles voert ons tot een belangrijke en haast ongelooflijke vaststelling dat het ‘menselijke’ zich in zeer weinig mensen kan realiseren, mensen die zich aan de structuren hebben onthecht, mensen die eventueel wel bereid zijn deze structuren tot steunpunt te nemen, echter niet tot lotsbestemming of einddoel. De vaststelling dat de meeste mensen hun ‘aanpassing’ betalen met hun menselijkheid. Waarom ? Wat krijgen zij in de plaats? De zinloosheid. Het luchtledige. De vervreemding. Gebrek aan levensruimte, aan menselijk leven.  

Wie in volle ernst de eigen situatie onder ogen durft nemen, ontkomt niet meer aan fundamentele, essentiële ‘menselijke’ vragen. Waarom leef ik ? Wat is de zin van dit, mijn leven? Waarvoor sloof ik mij af of uit? Aan welke waarden leen ik mijn leven? Welke leenheer dien ik? Wie in volle ernst al deze vragen onder ogen durft zien, ontdekt dat hij wordt misleid en misbruikt, dat hij een oneerlijk spel speelt in de eerste plaats tegenover zichzelf, dat hij in de eigenwaan gegrepen zit, dat hij het medeplichtig slachtoffer is van een gigantische ontmenselijking.  

Welke structuren zijn het waarmee de mens hoofdzakelijk wordt geconfronteerd van bij geboorte af tot aan wat doorgaans de dood wordt genoemd ? Reeds vanaf de start doen zich fundamentele verschillen voor. Het predominerend structuurpatroon verschilt van individu tot individu, naargelang de toevalligheid van het gezin waarin men geboren werd. Een arbeiderskind zal, — in deze maatschappij —, een andere structurele lijdensweg ondergaan, op een andere wijze in zijn mens-zijn worden verminkt dan het kind dat in het gezin van een rechter, een arts, een groot-industrieel werd geboren. De ontmenselijkingskansen liggen verschillend, maar zijn in hun betekenissen analoog. Ieder mens maakt een verschillende structuurcarrière door, het pathologische der structuren is echter van dezelfde orde. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat sommige ‘intellectuelen’ en ‘bourgeois-kinderen’ het opnemen voor de ‘arbeiders’, daar hun menselijk geschonden-zijn gemeenschappelijk is.
Wij noemen de structuren de ‘zachte moordenaars’, wat niet betekent dat het er zo zacht aan toegaat, wel dat hun vertegenwoordigers er niet uitzien als moordenaars, wat dit laatste ook moge betekenen. De ouders-in-de-opvoedingssituatie, de onderwijzer-op-school, de direkteur-van-de-fabriek, de magistraat-in-funktie, de medicus-in-witte-jas, de orde-handhaver-in-uniform, de ontvanger-der-belastingen, de politicus-vol-sluwe-bedoelingen, de bankier-met-het-rentegezicht, ... geen van allen heeft ogenschijnlijk iets gemeenschappelijks met de mythe van de moordenaar. En toch zijn zij het die de structuren bestendigen, zijn zij de dienaren der wet, der opvoeding, der verzorging, der staatsbelangen, enz. . Soft killers. Zachte moordenaars. Zij. Wij. Wij mensen. On-mensen.  

Ons eerste boek behandelde het psychopathologisch syndroom van de ‘normale mens’. Het sociopathologisch syndroom der maatschappij-structuren is een verdere fundering van het pathologisch syndroom. Immers, hoe kan de mens op dergelijke pathologische actie der maatschappij-structuren reageren ?  

1 Wie in het nauw gedreven wordt, zal zich pantseren, zijn afweer zo goed mogelijk organiseren. The struggle for life. Wij weten wat dit betekent. Wij hebben immers oorlogservaringen. Alle energiebronnen die, in geval van vrede een rijke diversiteit vertonen, worden van hun oorspronkelijk doel afgeleid en uitsluitend ter beschikking gesteld van de weerbaarheid. Dit is een zeer uitputtende aangelegenheid.  

2 Wie in verweerhoudingen verstard is wordt afgeleid van zijn oorspronkelijk doel, zijn opgave als mens, zijn vermenselijking. Het essentiële der konkreet-individuele opgave verdwijnt naar het achterplan, naar de vergetelheid, naar die ruimte waar oorspronkelijke werkelijkheid wens en fantasie wordt.  

3 Wie afgeleid wordt van zijn oorspronkelijk doel zal tussen zijn tot droom herleide werkelijkheid enerzijds en zijn gepantserde verweerhouding anderzijds een spanningsveld van ongenoegen, mistevredenheid, op gekropte agressiviteit en ervaringen van zinloosheid ‘in leven’ houden.  

Dit heeft tot merkwaardig gevolg dat de ‘oorspronkelijke werkelijkheid’ verdwijnt om plaats in te ruimen voor de ‘nieuwe werkelijkheid’ die vanuit de structuren wordt gedicteerd. Zij bepalen, beslissen en bevelen wat de ‘werkelijkheid’ zal zijn waaraan de mens zich conform heeft te gedragen. Zoniet, treedt het in elke structuur ingebouwd repressie-apparaat op met zijn stigmatiserende woorden: zondig, misdadig, abnormaal. Deze drie laatste stigmata verwijzen naar drie belangrijke repressieve machtsstructuren : de moraal (kerkelijke of officiële), het gerecht en de geneeskunde. Het deshumaniserend bolwerk van deze drieëenheid bereikt het verbluffend resultaat dat de mens buiten zijn werkelijkheid, buiten De Werkelijkheid wordt gehouden en een neurotisch leven ontwikkelt binnen een structureel-bepaalde schijnwerkelijkheid. Deze schijnwerkelijkheid werd echter officieel geïnstalleerd als de werkelijkheid, en wie daarvan afwijkt, wie eventueel interesse zou hebben voor De Werkelijkheid, zal noodzakelijkerwijze met deze structuren in botsing komen.  

Wie bij deze botsing afknapt, vlucht in het psychopathologisch syndroom;anderen stellen zich marginaal op, een luxe die zij zich kunnen veroorloven vanuit hun kontakt met De Werkelijkheid, met De Menselijkheid.  

Bij de marginalen zijn er echter twee groepen die niet passen binnen het sociopathologisch syndroom der maatschappij-structuren, enerzijds diegenen die zogenaamd definitief afknappen, de psychotici, en anderzijds diegenen die het sociopathologisch syndroom overschrijden vanuit hun contact met De Werkelijkheid. Beide groepen vinden elkaar : een dubbele marginaliteit waarbij de groepen in elkaar overgaan. Dit wordt op zijn beurt handig door het repressie-apparaat der maatschappij-structuren uitgebuit: zij kennen maar één vorm van vreemde marginaliteit, die der krankzinnigen: de anderen worden ook krankzinnig verklaard.  

Als verweer tegen het sociopathologisch syndroom zijn beide vormen van marginaliteit belangrijk en vullen elkaar aan: eerst genoemde door op de meest geprononceerde, existentieel-dramatische wijze aan te tonen dat het zo niet verder kan, laatst genoemde door leef- voorbeelden te geven, door exemplarisch aan te tonen hoe het anders kan. Zo wordt enigszins doorzichtig dat het menselijke zich in het zwakke openbaart. Zo wordt echter meteen duidelijk dat juist het ergste wat een mens kan overkomen, is: een normaal, aan-maatschappelijke-structuren-aangepast-individu te worden. Eenmaal vastgelopen in de structuren, zijn dramatische levensomstandigheden nodig om een deblokkering mogelijk te maken.  

Een woord dat in is in deze maatschappij is het woord identificatie: men identificeert zich met alles en nog wat: in de opvoeding met de ouderfiguren, op school met het opgedrongen maatschappijbeeld, in het beroepsleven met de toebedeelde rol, bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd met de overbodigheid,...  

De meest-massale identificatie, — en tevens de minst onderkende —, gebeurt met het sociopathologisch syndroom der maatschappij-structuren. Alles is immers afgestemd op het ‘er komen’. Wat betekent nu juist ‘er komen’? Hier openbaart zich het intrigerend-absorberend spel der gevestigde structuren. Het ‘er komen’ is niet meer of minder dan een plaatsje vinden binnen die structuren. Hoeft het nog verduidelijking? Wie geen opvoeding geniet, komt er niet. Wie op school niet meekan, komt er niet. Wie niet lichamelijk gezond is, komt er niet. Wie met de rechter in aanraking kwam, komt er niet. Wie andere vormen van wetenschapsbeoefening voorstaat dan de officieel geconsacreerde, komt er niet. Wie het politieke beleid fundamenteel kritisch beoordeelt, komt er niet. Wie de voorrang van de economie als de meest vervreemdende macht ontmaskert, komt er niet. Wie er niet komt, lijdt aan een defect in zijn identificatiemechanisme, is een onaangepaste, een mislukkeling, althans in deze maatschappij. Wie zichzelf wil worden, zijn en blijven, komt er niet. Het ‘menselijke’ komt er niet. Daarom zijn mensen bange wezels, daarom offeren mensen hun menselijkheid en die van hun kinderen, omdat zij er anders niet komen.  

Nadenkend over wat het ‘er komen’ betekent, stuit men op het sociopathologisch syndroom der maatschappij-structuren. Het psychopathologisch syndroom van de ‘normale mens’ wordt door het sociopathologisch syndroom der gevestigde structuren voorbereid en nadien bevestigd. Beide syndromen zijn interdependent. Genezing situeert zich op een ander niveau, verlaat de schijnwerkelijkheid, heeft Werkelijkheidsgehalte, valoriseert het Menselijke. De mens is slachtoffer van beide syndromen, maar heeft tevens beide syndromen in handen. De Uitwegen uit de Impasse hebben betrekking op beide syndromen: de individuele bewustwording op het psychopathologisch syndroom, de sociale verantwoordelijkheid op het sociopathologisch syndroom. Daarom hebben wij dit de twee-enige uitweg genoemd.  

Het sociopathologisch syndroom vertoont gemeenschappelijke symptomen die binnen elke structuur kunnen worden teruggevonden, ook al ligt de accentuering verschillend. Er is trouwens een hiërarchiserende dependentie der verschillende structuren en ieder medemens is gelijktijdig lid van meerdere structuren. De hierna volgende symptomen worden door de structuurverdedigers en organisatie-analisten ànders benoemd: zij zouden noodzakelijke voorwaarden zijn voor het voortbestaan der structuur, waardevrije constituerende elementen, ordenende beginselen, en dies meer. Dat in de uitbouw zelf het deshumaniserende reeds ligt besloten, schijnt niet zo gemakkelijk door te dringen. Enkele van de belangrijkste symptomen zijn  

1 Nood aan zelfbestendiging als autonome instelling eigen aan elke structuur. Structuren dienen zichzelf aan alsof zij natuurlijke gegevenheden zouden zijn, altijd bestaan hebben en ook altijd zullen bestaan. Hoewel deze stelling gemakkelijk historisch en geografisch te weerleggen is, doet men alsof. Dit alsof-gedrag manifesteert zich telkens wanneer men naar het hoe en waarom van een bepaalde structuur vraagt. Wie huwelijk, gezin, onderwijs, gerecht, geneeskunde,... op hun al dan niet humaniserende waarde durft toetsen, wordt als ondergraver van instellingen, ondermijner van het gezag, saboteur van de bolwerken der beschaving, afbreker van de hoekstenen der maatschappij, kortom als een ‘subversief element’ bestempeld. De geeigende taal van het alsof-gedrag der vanzelfsprekendheid hoort men dagelijks. Zinnen als ‘zo iets doet men niet’, ‘er zijn nu eenmaal grenzen’, ‘hoe durft men het aan’, ‘waar haalt men die pretentie vandaan’, illustreren dit. Structuurbekleders pretenderen buiten en boven de mens te staan: zij beschouwen zichzelf niet als veranderlijke steunpunten die door de mens kunnen worden gebruikt of terzijde gelaten naargelang zij het humaniseringsproces bevorderen of verhinderen.  

2 Vertikaal-piramidale opbouw der eigen structuur. Dit symptoom is even fundamenteel, even noodzakelijk als de zelfbestendigende functie : het is de voorwaarde der zelfbestendiging. Deze vertikaal-piramidale opbouw wordt liefst zo eenvoudig mogelijk gehouden. Kerk en leger zijn hier prototypen. De basis heeft men liefst zo breed mogelijk, de top zo eng mogelijk, met tussen beiden variërende tussenschakels naargelang de behoeften. Elke piramide is ongeacht de structuur zeer goed herkenbaar. Men wéét wie wie is. Typische kenmerken van dit symptoom zijn
— dat de meerderheid, de basis, een uitgesproken minderheidspositie bekleedt;
— dat van de top naar de basis een duidelijke overgang is van macht naar machteloosheid;
— dat de basis door de top wordt gebruikt voor doelstellingen die de basis vreemd zijn, dit in tegenstelling met de zogeheten belangenbehartiging door de top voor de basis;
— dat de top rechten heeft, de basis verplichtingen, ook al zijn de plichtgevoelens bij de top verbaal hoog in aanzien;
— dat de top beveelt en de basis dient te gehoorzamen, waarbij duidelijk moet worden gesteld dat de zogenaamde inspraak en medezeggenschap fopspenen zijn door de top bedacht om de basis te sussen.
Dit is wellicht het meest beangstigende symptoom, omdat in deze piramidale opbouw verdeling en uitoefening van de macht-over-de-medemens besloten ligt. Het scheppen van deze fictieve ruimte met haar verschillende niveau’s in piramidale vorm is de meest-efficiënte aanslag op de werkelijkheid, de democratie, de broederlijkheid, daar er op elk hoger niveau steeds minder mensen aanwezig zijn met steeds meer macht en machtstoename recht evenredig is met de toename der corruptie. De term fictief betekent tevens dat aan de basis de fictie levend wordt gehouden dat men hoger-op kan komen: de stuwende beweging opwaarts waarvoor de basis zich zoveel ontzegt. Sociale opgang geniet immers een hoog aanzien! Zo begrijpen wij dat de vertikaal-piramidale opbouw een conditio sine qua non is om een concurrentiemaatschappij overeind te houden. Elke structuur heeft haar eigen slagveld van de mededinging. Men schijnt het enorm belangrijk te vinden dit deshumaniserend mechanisme zo vroeg mogelijk op gang te brengen, ouders worden opgepept met overtrokken ideaal-beelden over het ‘lukken’ van hun kinderen, de school heeft veel ‘afval’ maar gelukkig ook enkele goede elementen waarop zij zich kan beroepen, en in het werk liggen voor enkele begunstigden de promotietrappen gedoseerd... Zo wordt in naam van de vooruitgang het mensenkind vanaf de geboorte vervreemd, gedeshumaniseerd, menselijk vermoord.

3 Ingebouwd repressie-apparaat naar het straf- en beloningsmodel.
Het straf en beloningsmodel is het instrumentarium om de vertikaal-piramidale opbouw te verzekeren. Waar macht in handen is van weinigen, is repressie een noodzaak. Beloning en straf zijn de evaluatie-momenten van het ons opgelegd rollenspel. Sociale structuren zijn immers rolverdelers. Binnen iedere structuur krijgt men een welbepaalde rol toebedeeld. Om het opgelegd rollenspel goed te spelen dient men de eigen identiteit te verloochenen en de aliënatie, de vervreemding, als nieuw wezenskenmerk te aanvaarden.
Wat zijn de geoorloofde rollen binnen deze maatschappij ? Deze zijn enerzijds omschreven in de verschillende reglementen van huishoudelijke aard, anderzijds ingeprent in de verwachtingspatronen van de zogenaamde opvoedkundige instanties (gezin, school, werk, kerk,...). Verder zijn er beloning en straf om duidelijk te maken wat geoorloofd is en wat niet.  

De geoorloofde rollen hebben zeer eenvoudige kenmerken: braaf en gehoorzaam zijn, goed leren, hard werken, geboden en verboden onderhouden en daarmee is de kous af, ook al mag men nu en dan een klein steekje laten vallen. Grote steken laten vallen is het zichzelf toegeëigend voorrecht van de top der piramiden.  

Wie de officieel opgelegde, economisch-productieve, politiek-ideologisch-onderworpen rollen weigert te Spelen, krijgt vanbuitenuit door de maatschappelijke repressie-organen een andere rol opgedrongen waarbij het ware gelaat van deze maatschappij zichtbaar wordt: de marginale rol van politiek delinquent of van krankzinnige. In gespecialiseerde instituten, uitgerust met de meest verfijnde marteltechnieken, wordt men krankzinnig gemaakt: de moderne versie van de middeleeuwse brandstapels, — zachte moordenaars met vuile handen. De negatief-destructieve krachten in deze maatschappij wanen zich zo sterk dat zij veel van hun camouflage-technieken laten varen, martelingen en geweld openlijk propageren als burgerdeugden en uitingen van patriottisme. Nooit was de delinquentie bij de overheid zo schaamteloos.  

Piramide, top, autoriteit, straf en beloning... : sleutelwoorden die één en dezelfde constellatie aanduiden en verwijzen naar hetzelfde syndroom. Twee vormen van autoriteit moeten echter duidelijk van elkaar worden onderscheiden: een humane autoriteit die de andere niet vernietigt, maar wekt en door de andere van binnen uit aanvaard en dus toegankelijk wordt enerzijds en een deshumaniserende autoriteit die zich vanuit de structuren opdringt anderzijds. De eerstgenoemde autoriteit kan zich waar maken ondanks de structuren, de tweede heeft de structuren nodig om zich in stand te houden. Deze laatste biedt het beeld van een wonderlijke mengeling van onmacht en psychisch en/of fysisch geweld. Zij is eigen aan nagenoeg alle structuren in deze maatschappij, is zeer gedifferentieerd en kent veel nuances: zij beschikt tussen twee extreme polen over een gamma van mogelijkheden. Enerzijds is er het ruw-brutale optreden, frequent beoefend door beschaafde lieden en bestaande uit de zeer eenvoudige knok-, knots- en kloptechniek, anderzijds de meer verfijnde, haast onzichtbare diep-inwerkende dwang die speelt in opvoeding, onderwijs en beroep (‘spelen’ is hier een metafoor en heeft niets gemeenschappelijks met de humaniserende spel-funktie). Men kan gerust stellen dat onze Westerse maatschappij in al haar geledingen één grote aaneengerijgde dwangbuis is, waarbij zelfs het kind, als laatste toevlucht om opgelopen frustraties tot ontlading te brengen, de pop straffend vermaant of in de hoek zet. De stoute pop is de resultante van twintig eeuwen Westerse beschaving. 

Hersenspoeling wordt ingeschakeld daar waar de maatschappijstructuren in hun deshumaniserend werk hebben gefaald. Elke structuur beschikt over het nodig fit-in arsenaal om het conform gedrag der individuele leden aan de groepsnormen te verzekeren. Oudere structuren gebruiken meer autoritaire methoden, zoals de tuchtraad der advocaten en de orde der geneesheren. Nieuwere structuren doen beroep op methoden van meer psychologische aard, die meer in zijn, zoals bijvoorbeeld sensitivity-training. Het doel blijft hetzelfde, er zorg voor dragen dat de leden goed blijven functioneren binnen een bepaalde groep of structuur in overeenstemming met de door haar bepaalde regels. De hersenspoeling heeft veel vormen en technieken, ook de benamingen zijn verschillend, maar westers getint... Onze moderne managers gaan blij naar de hersenspoelmachine net of zij met vakantie gaan, er even uitvliegen: bevoorrechte zielen... Al deze technieken hebben maar één doel: de mens reduceren tot wat aanvaardbaar is voor de desbetreffende structuur. Ingenieuze manipulatietechnieken die de mens leren hoe zich prettig te voelen in een vernauwde situatie die bestaanszekerheid biedt. 

4 Werkelijkheidsreductie en bewustzijnsvernauwing als noodzakelijke voorwaarden om de structuren te her-leiden tot zachte moordenaars. Dit vierde symptoom is fundamenteler dan de drie voorgaande, het fundeert de drie voorgaande en wordt tevens door hen ontkend. Dit vierde symptoom vormt de zwaarste beschuldiging, men mag er zich bijgevolg aan verwachten dat zij massaal zal worden genegeerd. Werkelijkheidsreductie en bewustzijnsvernauwing werden reeds eerder in dit hoofdstuk besproken, zij zullen onze leidraad zijn in de drie volgende hoofdstukken. Indien onze structuurgidsen zo bekwaam en betrouwbaar zouden zijn als uit hun beweringen blijkt, hoe kon de mens dan in dergelijke impasse belanden? Elke structuur levert haar bijdrage in het reductieproces van de werkelijkheid en in het manipuleerbaar maken van het mensenmateriaal. De namen zijn veranderd, klinken hedendaagser. Men spreekt van adaptatie- en programmeringstechnieken. 

Werkelijkheidsreductie, bewustzijnsvernauwing en vervreemding gaan in versneld tempo verder. De technocraten hebben hun handen vrij.Zij beheersen de databanken en de computers. De robotisering kan beginnen. De elektronische baby kan geboren worden, net op tijd want de aarde zal te dor geworden zijn, onbewoonbaar voor menselijke gevoelens. De mens heeft immers, zo meent hij althans, het vuur van de goden gestolen, heeft zeggingsmacht gekregen over hemel en aarde, heeft de hemel reeds afgeschaft en is de aarde aan het verschroeien tot elk spoor van menselijk leven definitief zal zijn uitgewist...  

Het maatschappelijk adaptatie-proces is een reductieproces Van Werkelijkheid, een vernauwingsproces van Bewustzijn, een zachte moord op de Mens in de mens. Drie elkaar completerende triades ondersteunen het sociopathologisch syndroom der maatschappij-structuren. De eerste triade (gezin, school, beroep) voert de werkelijkheidsreduktie door. De tweede triade (moraal, gerecht, geneeskunde) kontroleert het reductie- en adaptatieproces. De derde triade (wetenschap, beleid, economie) biedt de rechtvaardigingsgrond voor deze reductie: de wetenschap geeft de fundering die door het beleid operationeel wordt gemaakt met het oog op de economische belangen.

Lees hier een interview met Steven de Batselier:
De wijze man van Bunsbeek, het grote hart van Vlaanderen

De Nederlandse Boekhandel, Antwerpen/Amsterdam 1974, ISBN 90 289 0009 8