Home


VAN EMOTIE NAAR LAESIE


Uit:     Van Emotie naar Laesie

Fundamentele beschouwingen over de fysiologie en pathofysiologie van psychofysische betrekkingen met inbegrip van therapeutische aspecten.


F. Hoffmann-La Roche & Co.
Aktiengesellschaft
Bazel
1969


De groeiende kennis van de relaties der
emoties met de normale en gestoorde
lichamelijke functies, eist van de moderne
arts, dat hij emotionele conflicten als
even reëel beschouwt als micro-organismen


F. Alexander, 1950



Dat chronische emotionele prikkels bij patiënten, die hiervoor gedisponeerd zijn, tot een functionele stoornis en tenslotte tot een organische ziekte kunnen leiden, is een experimenteel en klinisch bewezen feit. (ALEXANDER, BIKOVV, BONFILS, BOSS, CANNON, CANNON et al., CONDREAU, DELAY, DUNBAR, F. HOFF, IVANOV-SMOLENSK, RAYNAUD, SELYE, STAEHELIN, WOLF, WOLF et al.).

1. Experimentele onderzoekingen

De experimentele onderzoekingen van CANNON, CANNON et al., die als eersten de emotionele en hormonale uitingen van de nood-reactie waarnamen en door prikkeling van het diencephalon een ulcus konden veroorzaken, alsmede die van SELYE, welke de biologische verschijnselen van de alarmreactie en het Algemeen Adaptatiesyndroom beschreef, waren een wezenlijke prikkel tot het onderzoek van deze fundamentele samenhangen.
De geniale onderzoekingen van SELYE, die nieuwe inzichten in de tot dusverre onbekende samenhangen gaven en veel essentieels bijdroegen tot de opheldering van de relaties tussen emotie en laesie, begonnen met relatief simpele waarnemingen bij het dierexperiment. Omstreeks 1936 stelde SELYE vast, dat injectie van ovarium-extract bij het proefdier hypertrofie van de bijnieren, acute atrofie van het thymolymfatische weefsel en gastrointestinale ulceraties ten gevolge had.
Hij kon verder waarnemen, dat het organisme op prikkels, onverschillig of het ovarium-extract of ‘Reizkörper’ van welke aard dan ook betrof op onspecifieke wijze reageerde. SELYE kon aantonen, dat deze niet-specifieke algemene reactie de resistentie van het lichaam ten opzichte van de meest verschillende traumatische, toxische, infectieuze of emotionele prikkels uit de buitenwereld, dat wil zeggen ten opzichte van de meest verschillende, stress verwekkende factoren, verhoogt. De stress (van distress, districtie, distringere = folteren, uitelkaarscheuren) is volgens SELYE niets anders dan de toestand van inspanning van het organisme, dat zijn afweerkrachten moet mobiliseren om aan een dreigende situatie het hoofd te kunnen bieden.


Illustratie

SELYE heeft het geheel van alle onspecifieke algemene reacties van het organisme, die door chronisch inwerkende traumatische, toxische infectieuze of emotionele prikkels uit de buitenwereld worden opgewekt, het algemene adaptatiesyndroom genoemd en heeft het wetmatige verloop van deze biologische processen gedetailleerd beschreven.
De stressor brengt in het organisme een alarmreactie teweeg; het shock-stadium, dat door bloeddrukverlaging, hypothermie, hypoglykemie, vermindering van de alkalireserve, hemoconcentratie, vermindering van de diurese, hypochloremie, hyponatramie, hyperkalemie en lymfocytose wordt gekarakteriseerd, wordt gevolgd door het stadium van de tegenshock,waarin de neurovegetatieve en humorale reacties worden omgekeerd. In de fase van de tegenshock valt een verhoogde vorming van ACTH, hetgeen op zijn beurt de bijnierschors tot een versterkte vorming van corticoïden aanzet, waar te nemen. Als men het dier gedurende de alarmreactie, tijdens het stadium van de tegenshock doodt, vindt men hypertrofie van de bijnierschors, acute atrofie van het thymolymfatische weefsel, alsmede maag- en darmulcera (afbeelding 10).
Dat de alarmreactie speciaal met cerebrale, neuro-endocriene, diencephalo-hypofysaire mechanismen samenhangt, blijkt hieruit, dat de beschreven neurovegetatieve en humorale veranderingen bij proefdieren, bij welke men de hypofyse of een deel van het diencephalon had vernietigd, niet meer konden worden gevonden (experiment van HUME) (DELAY).
De alarmreactie, die met de nood-reactie van CANNON, CANNON et al. overeenkomt, wordt gevolgd door de aanpassingsfase. SELYE  definieert deze aanpassingsfase als de som van alle onspecifieke aanpassingsreacties en compensatie-mechanismen van het organisme op chronische prikkeling.
In deze fase bereikt de weerstand tegen de voortdurende stressoren een maximum, waarbij diencephalo-hypofysaire en adreno-corticale mechanismen een belangrijke rol spelen.
Op de afweer- of compensatiefase kan de uitputtings- of decompensatiefase volgen, indien aan het adaptatievermogen van het organisme door bovenmatige prikkels voortdurend te grote eisen worden gesteld (afbeelding 11).
Samengevat is SELYES conceptie als’volgt: Het organisme reageert op de meest verschillende stressoren met een reeks wetmatig op elkaar volgende fysiologische afweermechanismen, die vooral van de intactheid van de bijnierschors afhangen; waarbij adaptatiemechanismen, die het doel voorbij schieten,voor adaptatieziekten verantwoordelijk zijn. Aan het organisme wordt, door het exces van zijn eigen afweermechanismen, schade berokkend.

Alarmreactie

(shock en tegenshock)


Pijl omlaag

Afweer- of compensatiefase


Pijl omlaag

Uitputtings- of decompensatiefase


Afbeelding 11. Het algemene adaptatiesyndroom (volgens Selye).


Uit de experimentele onderzoekingen van SELYE blijkt, dat chronische emotionele prikkels precies als chronisch infectieuze, traumatische of toxische prikkels tot reproduceerbare functionele stoornissen en organische laesies, bij voorbeeld hypertensie of een ulcus, kunnen leiden.
Tot het onderzoek van de betrekkingen tussen emotie en laesie hebben ook Russische wetenschappelijke werkers in belangrijke mate bijgedragen. BIKOV en IVANOV-SMOLENSKI konden door middel van de methode van Pavlov der geconditioneerde reflexen bij het dier ‘experimentele neurosen’, opwekken, te karakteriseren als langdurige, ernstige angsttoestanden, welke eerst leidden tot functionele stoornissen en tenslotte tot hypertensie of een ulcus.
Van bijzonder belang zijn de onderzoekingen van BONFILS, die met een speciale, door hem ontwikkelde methode van ketenen (‘Zwangsfesselung’) bij ratten acute ulcera kon opwekken, welke histologisch worden gekarakteriseerd door oppervlakkige laesies, die doorgaans de musculans mucosae niet penetreren. (Afbeeldingen 12, 13 en 14.)
BONFILS kon vanaf de 30ste minuut na het begin van de immobilisatie van het dier vasculaire laesies in de mucosa waarnemen en hij gelooft, dat deze emotioneel veroorzaakte gastrorhagieën, welke overigens ook bij de mens worden gezien, bij het ontstaan van ulcera een belangrijke rol spelen. De ulcera namen in aantal toe, naarmate het experiment langer duurde (na 7 uren zijn bij 6o%, na 24 uren bij 89% van de 800 onderzochte


Illustratie

dieren ulcera aantoonbaar) en af, naarmate men het experiment frequenter herhaalt (psychogeen gewenningsfenomeen). Na beëindiging van een 24 uur durende immobilisatie, verdwijnen de ulcera in de regel weer spoedig. Na 5 dagen zijn de door de emotionele shock ontstane laesies niet meer aan de tonen.
Op basis van zijn experimenten komt BONFILS tot de slotsom, dat vasculaire, van de splanchnicus afhankelijke, alsmede neuro-endocriene factoren bij de pathogenese van het ulcus een doorslaggevende rol spelen.


Illustratie

Dat deze bij het proefdier verkregen relaties tussen emotie en laesie ook bij de mens experimenteel aantoonbaar zijn, kon voor het eerst door WOLF et al. worden aangetoond. De auteurs konden bij een patiënt met een maagfistel die gedurende lange periodes in observatie was, vaststellen dat tijdens perioden van overmatige emotionele stress ulcera verschenen, welke later, in perioden van herstel en ontspanning, weer verdwenen (afbeelding 15).
Deze indrukwekkende klinisch-experimentele proeven zijn nog een verdere bevestiging van de stelling, dat emoties organische laesies ten gevolge kunnen hebben.
Als eersten hebben CANNON, CANNON et al. aangetoond dat dezelfde laesies, bij voorbeeld een ulcus, zowel ten gevolge van prikkels uit de buitenwereld als ten gevolge van prikkeling van bepaalde centraalnerveuze centra, kunnen worden waargenomen. Daarna verschenen hele reeksen studies over experimentele onderzoekingen, waarin beschreven werd, hoe men door prikkeling van de tussenhersenen dystrofische veranderingen van het maag-darmkanaal, met erosies en zweervorming werden verkregen (D’AMORE, DAVIS et al., HARE, KELLER, PIGALEW, SPERANSKY en anderen).
Ook van de kant van de kliniek werd steeds meer op de mogelijkheid van, analoog aan de prikkelexperimenten, centraal-nerveus veroorzaakte zweervorming gewezen. De beroemde neuroloog en hersenchirurg CUSHING, die meerdere keren na een voorbeeldig verlopen hersenoperatie de dood door doorbraak van een acuut maag- resp. duodenaalulcus zag optreden, zette zich dan ook voor de centraal-nerveuze genese van deze ulcera in. Tal van clinici (o.a. VEIL et al.) zagen na schedelfracturen of hersenschotwonden ulcera, die zeker wel analoog aan de prikkelexperimenten van CANNON, CANNON et al., D’AMORE, DAVIS et al., HARE, PIGALEW, SPERANSKY en anderen tot stand komen.

2. Klinische ervaringen


Uit de experimentele onderzoekingen bleek dat chronische emotionele prikkels evenals chronisch infectieuze, traumatische of toxische prikkels dezelfde, biologisch aantoonbare, functionele en organische veranderingen ten gevolge kunnen hebben. Voor de puur wetenschappelijk georiënteerde medicus is er nu de moeilijkheid, dat weliswaar de gevolgen van de emotie aantoonbaar zijn, niet echter — in tegenstelling met infectie, trauma of toxon — de emotie zelf met de tot dusverre ontwikkelde methodieken, die op de grondslagen van anatomie, fysiologie en pathologie berusten. De emotie kan slechts door middel van psychologische methoden intuïtief worden herkend en gedefinieerd. Uit de definitie van DELAY ‘De emotie is tegelijkertijd een uiterlijk verschijnsel, een wijze van gedrag, een expressie, een innerlijke ervaring, een manier door iets getroffen te zijn, een affectieve toestand en een affect’ blijkt de complexiteit van deze moeilijk te begrijpen, individueel vaak variërende stressor. Ondanks deze moeilijkheid is het niet geoorloofd, zoals dat de zuiver somatisch georiënteerde geneeskunde heeft gedaan, deze stressor te negeren, omdat hij niet in de tot nu toe geldende conceptie past. Het feit dat 30— 50 % van alle patiënten emotioneel ziek zijn (BLEULER), toont nadrukkelijk aan dat in de dagelijkse praktijk het herkennen van de psychologische componenten der ziekte even belangrijk is als dat van pathologisch-anatomische en pathofysiologische componenten. Uitgaande van het inzicht in de beschreven betrekkingen, komt ALEXANDER in zijn fundamentele studie Psychosomatic Medicine tot de volgende conclusies:

1 De psychologische factoren, waardoor de fysiologische processen worden beïnvloed, moeten met dezelfde nauwgezetheid, welke men bij de studie van fysiologische processen in acht neemt, worden onderzocht.

2 Psychologische processen verschillen niet principieel van fysiologische processen. Zij onderscheiden zich van fysiologische processen slechts door de afwijkende methodiek, dat wil zeggen hierdoor, dat zij subjectief begrepen en in woorden kunnen worden uitgedrukt.
3. De toenemende kennis van de relaties der emoties tot normale en gestoorde lichamelijke functies, eist van de moderne arts, dat hij emotionele conflicten als even reëel en concreet beschouwt als microörganismen.’


STAEHELIN formuleert de betekenis van de psychosomatische school als volgt: ‘De laatste decennia ondergaat de geneeskunde in zoverre een verandering, dat de bijna uitsluitend natuurwetenschappelijke opvatting der eeuwwisseling wederom naar de psychologische kant wordt uitgebreid. De opmars der psychosomatiek gaat onstuitbaar door. Ziekten en ziekteklachten worden weer in een oorzakelijk verband met de individuele levensgeschiedenis en met de persoonlijke conflictsituatie van de betreffende zieke begrepen en ook steeds meer wordt gepoogd ze als zodanig te behandelen.’

Illustratie

Uit de bijna onoverzienbare literatuur der laatste decennia, waarin over psychosomatische problemen vanuit het standpunt van de psychiater en psychotherapeut, maar evengoed ook vanuit het standpunt van de internist, pediater, dermatoloog en medicus practicus over omvangrijke klinische en praktische ervaringen mededeling wordt gedaan, willen wij de belangrijke Frankforter internist F. HOFF citeren, die in zijn leerboek Klinische Physiologie und Pathologie het volgende schrijft: ‘Als wij ons nu afvragen, in welke mate psychische invloeden bij het ziekteverloop een rol spelen, dan is de omvang van deze inwerkingen nauwelijks te overschatten. Psychische invloeden grijpen tenslotte in alle orgaanfuncties in en er bestaat geen ziekte waarbij psychische invloeden niet min of meer belangrijk tot het ontstaan der ziekte kunnen bijdragen. Wij verwijzen hier naar de studie van CARUS, de uitnemende arts en denker van de Romantiek, die l00 jaar geleden op baanbrekende wijze de psychische afhankelijkheid van alle lichamelijke processen en daardoor de eenheid van lichaam-en-ziel in het leven voor ons denken heeft ontsloten. CARUS heeft reeds op de buitengemene betekenis van het Onderbewuste en het bewuste in de pathogenese gewezen. Zijn studie Psyche, waaruit ook heden lang niet genoeg geput is, wat van bijzondere waarde voor het medisch denken zou zijn, begint met de zin: ‘De sleutel tot het inzicht in de aard van het bewuste zieleleven ligt in het gebied van het onbewuste.’ Op dit inzicht berusten alle beslissende vorderingen van de meer recente psychologie, met inbegrip van de psychoanalyse van FREUD, het totaal van de moderne neurose-leer en psychotherapie... Ofschoon dit medische grondbegrip van de psychisch-lichamelijke ziekte-éénheid niet mechanistisch-causaal kan worden verklaard, is het echter toch met een geschikte methodiek voor experimenten toegankelijk. Door hypnose en suggestie is het mogelijk, functieveranderingen binnen het vegetatieve regulatiesysteem te verkrijgen, die vloeiende overgangen naar de pathologische bevindingen aan het ziekbed laten zien. Zo liet HEYER zien dat op suggestie van voedselopname niet alleen maagsecretie optreedt, maar ook een aan de aard van het gesuggereerde voedingsmiddel aangepaste kwaliteit van het maagsap. LANGHEINRICH toonde hierop gelijkende wetmatigheden voor de galsecretie aan. VON WEIZSAECKER en HANSEN konden ongeklede gehypnotiseerde proefpersonen in grote mate in hun warmteregulatie onafhankelijk maken van de hun omgevende temperatuur. GIGON kon door hypnose indrukwekkende veranderingen in de suiker-huishouding bij diabetici veroorzaken. MARX slaagde erin, door de hypnotische suggestie: ‘U drinkt een liter water’, urinelozing tot 900 cc teweeg te brengen.
Het is een experimenteel en klinisch bewezen feit dat acute emotionele prikkels niet slechts acute emotionele, maar ook acute vegetatief-functionele stoornissen ten gevolge kunnen hebben. Deze psychosomatische correlaties zijn, bij wijze van voorbeeld, bij studenten gedurende het artsexamen aan te tonen. In dit verband verwijzen wij naar de onderzoekingen van WICK, die bij 10 examenkandidaten bloeddruk en polsfrequentie in intervallen van één minuut met behulp van automatisch registrerende toestellen doorlopend optekende. Hierbij constateerde hij, dat alle studenten gedurende de tijd, dat zij zelf op vragen van de examinator moesten antwoorden, met een oplopen van de systolische en disatolische bloeddruk reageerden.
‘Gemiddeld liep gedurende de persoonlijke examinering de systolische bloeddruk met 30 mm Hg op, de diastolische met 25 mm Hg. De grootste stijging van de tensie, en wel de systolische zowel als de diastolische, bedroeg 50 mm Hg. Systolische drukverhogingen van 15 mm Hg waren de laagste waarden me wij registreerden, Wat de polsfrequentie betreft, merkte WICK op: ‘Bij twee studenten vertoonde de polsregistratie geen bijzondere veranderingen van de frequentie. Bij de overige studenten nam de frequentie gelijktijdig met de tensie toe... De frequentie-vermeerdering bedroeg bij één student 50 slagen per minuut. Gemiddeld was de polsfrequentie met 16 slagen per minuut toegenomen.’ (Afbeelding 16.)
De bovenste curve van afbeelding 16 laat de gedragingen van de polsfrequentie zien; de onderste, uit kolommen bestaande, het verloop van de systolische en diastolische bloeddruk, Op het ogenblik dat de student door de examinator wordt ondervraagd, stijgt de tensie van 140/100 tot 190/120 mm Hg en de polsfrequentie van 80 tot 130 per minuut. Beide, en pols, blijven op deze hoogte, zolang de examinandus rekenschap zijn kennis en kunnen moet afleggen. Na beëindiging van de ondervraging vallen bloeddruk en polsfrequentie op de oorspronkelijke waarde terug. Een onverwachts tot hem gerichte vraag leidt nogmaals tot een voorbijgaande stijging van hartfrequentie en bloeddruk.


Illustratie



Uit afbeelding 17 blijkt dat bij een andere student in de naar buiten toe gelijk lijkende omstandigheden van het artsexamen niet dergelijke sterke circulatoire reacties geregistreerd werden. Weliswaar namen ook hier met


Illustratie


het ogenblik der ondervraging polsfrequentie en bloeddruk reproduceerbaar toe. De verhogingen zijn echter belangrijk minder, namelijk bij de polsfrequentie van 70 naar 80 per minuut en bij de tensie van 110/70 naar 130/90 mm Hg. Ook hij deze student dalen polsfrequentie en bloeddruk iedere keer na ondervraging tot de oorspronkelijke waarden. De oorzaak voor dit verschil van circulatoir gedrag schuilt in de verschillend sterke emotionele deelname van de twee studenten aan de examen-situatie. De verschillende emotionele en cardiovasculaire reacties van ieder student apart zouden dan ook aan de verschillende intensiteit, waarmede de studenten zich met bepaalde doelstellingen, het leveren van bepaalde prestaties, identificeren, te wijten zijn.


Terwijl bij gezonden - zoals dit uit het voorbeeld van WICK blijkt — emotionele stress tot voorbij gaande emotionele en vegetatief-functionele reacties leidt en na afebben van de storende acute emotionele prikkels het organisme zijn evenwicht hervindt, kunnen echter — zoals psychoanalytische onderzoekingen hebben aangetoond — onder invloed van emotionele prikkels bij die patiënten, welke voor neurosen gedisponeerd zijn, vegetatief-functionele stoornissen tot ontwikkeling komen. Deze stoornissen kunnen, volgens de resultaten van het onderzoek door W.R. HESS over twee groepen worden verdeeld; te weten: In een sympathisch-ergotrope en een parasympathisch-trofotrope functiegroep (afbeeldingen 18 en 19, tabel I).

Men heeft ondubbelzinnig kunnen bewijzen dat emotionele invloeden de functie van elk willekeurig orgaan kunnen aanzetten of remmen. Nadat de emotionele spanning is geweken, vinden de lichamelijke functies hun evenwicht terug. Als nu een dergelijke emotionele stimulatie of remming van een vegetatieve functie chronisch wordt, spreken wij van deze chronische stoornis als ‘orgaanneurose’. Dit begrip omvat de zogenaamde ‘functionele’ stoornissen van vegetatieve organen, welke stoornissen tenslotte op emotionele processen berusten, die in bepaalde corticale en subcorticale gebieden van de hersenen hun substraat hebben.’ (ALEXANDER.)

Niet slechts uit experimentele onderzoekingen maar ook uit omvangrijke klinische ervaringen is het nu duidelijk geworden dat langdurige functionele stoornissen van een of ander orgaan resp. orgaansysteem langzamerhand tot morfologisch zichtbare veranderingen van een orgaan of orgaansysteem leiden.
Bijvoorbeeld kunnen chronische emotionele conflicten bij hiervoor gedisponeerde patiënten tot maagneurosen en uiteindelijk tot een ulcus ventriculi of essentiële hypertensie leiden. Terwijl vroeger alléén het Virchow’se principe gold, volgens welk een gestoorde functie als gevolg van een gestoorde structuur verklaard werd, wordt het steeds duidelijker dat deze relatie ook omkeerbaar is; dat dus een gestoorde functie ook een veranderde structuur, d.w.z. een organische laesie ten gevolge kan hebben
(ALEXANDER, DELAY, DUNBAR).
DELAY wijst erop, dat reeds de in de tijd van VIRCHOW in 1862 gepubliceerde wetenschappelijke studie van RAYNAUD L’Asphyxie locale et le gangrène symétrique des extrémités de moderne opvatting ‘Van emotie naar laesie’ inhoudt. Uitgaande van het werk van zijn tijdgenoot CLAUDE BERNARD over de vasomotore zenuwen, nam RAYNAUD aan, dat de naar hem genoemde ziekte op een spasme der kleine vaten berust, welke kramptoestand op zijn beurt afhankelijk is van de prikkeling der sympathische, vasomotore zenuwen. Bijgevolg was de zich vasculair uitende ziekte in de grond van de zaak van nerveuze oorsprong. Inderdaad


Illustratie

was het een sympaticus-neurose die tot een laesie leidde, welke als gangreen van het weefsel imponeerde. De these van RAYNAUD is een belangrijke mijlpaal, want met haar begint de pathologie van de angiospasmen en vegetatieve neurosen. Zij bewees dat, indien volgens VIRCHOW de functionele stoornis in de regel het gevolg is van een laesie, zij eveneens de óórzaak der laesie kan zijn (DELAY.)
Het onderzoek heeft zich in het bijzonder met de vraag naar de orgaanspecificiteit beziggehouden en heeft getracht bepaalde emotionele disposities met bepaalde vegetatief-functionele en organische veranderingen in verband te brengen. Tot dit gebied van problemen hebben in het bijzonder de studies van ALEXANDER en die van BOSS, CONDREAU en STAEHELIN belangrijke bijdragen geleverd.
ALEXANDER is van mening, dat emotionele conflicten, precies zoals pathogene microörganismen orgaanspecificiteit vertonen. Zijn uitgangsgedachte hierbij is de verdeling van het vegetatieve zenuwstelsel in een sympathisch-ergotrope en een parasympathisch-trofotrope functiegroep, naar W. R. HESS (afbeeldingen 18 en 19, tabel I). De parasympathicus staat in relatie met het instandhouden en de opbouw, d.w.z. met anabole processen. Zijn anabole functie uit zich in het stimuleren van gastrointestinale activiteit en de opstapeling van glycogeen in de lever. Bij de regulatie van die van uitwendige activiteit afhankelijk zijn, vegetatieve functies, bij voorbeeld bij de door CANNON, CANNON et al. beschreven alarmreactie, speelt de sympathicus een belangrijke rol. De sympathicus bereidt het organisme voor op strijd of vlucht. Hij stimuleert de hartactie en de ademhaling, verhoogt de bloeddruk en verplaatst de bloedrijkdom van het splanchnicusgebied naar de musculatuur. Hij remt alle anabole processen, in het bijzonder de gastrointestinale activiteit.
Tijdens het overwegen van de parasympathicus trekt het individu zich van zijn buitenwereld-problemen terug in een meer vegetatief bestaan terwijl het gedurende het overwegen van de sympathicus zijn vreedzame functies van opbouw en groei veronachtzaamt of remt en zijn gehele aandacht richt op problemen, die met de buitenwereld in verband staan.
Bij neurotische stoornissen der vegetatieve functies zijn abnormale betrekkingen tussen toestanden in de buitenwereld en innerlijke vegetatieve processen waar te nemen.
Neurotisch gestoord-zijn van de vegetatieve functies kan volgens ALEXANDER in twee categorieën worden ingedeeld:

Illustratie


De neurotische stoornis is hierdoor gekenmerkt, dat alle vegetatieve processen, welke voor geconcentreerde, agressieve activiteit in een stress-situatie nodig zijn, worden gemobiliseerd, maar dat ten gevolge van remming of onderdrukking der agressieve impulsen strijd of vlucht nooit plaats hebben. Terwijl onder normale omstandigheden deze, met activering van het sympathicoadrenale systeem samengaande, vegetatieve veranderingen slechts zo lang waar te nemen zijn, als dit voor het versterkte effect nodig is, bevindt zich het door neurotische mechanismen, bij voorbeeld door chronische opkropping van woede, agressie en seksualiteit, gestoorde organisme in een chronisch stadium van voorbereiding tot strijd of vlucht, welke nooit volgen. Tot deze groep behoren in het bijzonder de cardiovasculaire manifestaties van emotionele spanning, in de vorm van cardiale symptomen en hoofdpijn (tension headache), alsmede essentiële hypertensie.

2. Psychosomatische stoornissen, waarvan de emotionele toestand gekenmerkt is door een gevoelsmatig zichzelf-terugtrekken voor een handeling in een regressieve toestand van afhankelijkheid.
Dit tweede type van psychosomatische stoornissen behelst een veel completer terugtrekken van de adequate handeling dan de eerste. Terwijl in de 1ste groep de nodige vegetatieve aanpassingsreacties plaatshebben en de stoornis slechts hieruit bestaat, dat deze vegetatieve voorbereiding tot handelen zinloos wordt, aangezien de handeling helemaal niet volgt, reageert de 2de groep paradoxaal, omdat de vegetatieve reactie in de zin van een verhoogde parasympathicus-tonus het tegendeel van de verlangde afweer tegen een stress-situatie is. In plaats van te trachten de stress-situatie zelf het hoofd te bieden, vindt er een terugtrekken uit de angstverwekkende situatie plaats zoals bij een klein kind, dat de moeder om hulp vraagt. Een bekend voorbeeld is een man, die van angst diarree krijgt in plaats van adequaat te handelen. Tot deze groep psychosomatische stoornissen behoren in het bijzonder de gastro-intestinale symptomen en ziekten alsmede het asthma bronchiale.

Terwijl de psychoanalytische school van ALEXANDER de mening vertegenwoordigt, dat bepaalde emotionele conflicten met bepaalde psychosomatische stoornissen correleren, legt de existentieel-analytische school van BOSS, CONDREAU en STAEHELIN het accent op de voor elke psychosomatische stoornis typische grondstemming, die BOSS in zijn Einfiührung in die psychosomatische Medizin voor ulcera ventriculi et duodeni, asthma bronchiale, essentiële hypertensie, colitis, mager- en vetzucht en de verhoogde neiging tot het krijgen van ongelukken, CONDREAU voor gynaecologische psychosomatische symptomen en ziekten en STAEHELIN voor allergieën, gastro-intestinale en cardiovasculaire stoornissen, hebben uitgewerkt.

Deze specifieke grondstemming, die voor het begrip van bepaalde psychosomatische symptomen en ziekten zo belangrijk is, wordt door STAEHELIN als volgt gedefinieerd: ‘Nu zijn echter juist de dagelijkse en meer oppervlakkige stemmingen en stemmingsschommelingen, zoals vreugde, haat, toorn, vrees enz., ofschoon zij ook bij het de mens primair bepalende gestemd-zijn behoren, voor het begrip van lichamelijke en psychische ziekten onbelangrijk. Van grote betekenis is echter dát, wat wij grondstemming noemen, of desnoods grond-ontstemming, het affectieve cachet, de emotionele uitgangshouding. Met grondstemming bedoelen wij niet die meer oppervlakkige, gemakkelijk wisselende, dagelijkse stemmingsschommelingen. Wij bedoelen hiermee veeleer die bepaalde emotionele uitgangshouding, welke haar stempel vaak gedurende jaren en decennia op het leven van ieder mens drukt... Deze grondstemming wordt meestal, ofschoon niet altijd, in de kinderjaren door de wisselwerking van aanleg en buitenwereld gevormd; zij kan gedurende het hele leven hetzelfde blijven of kan zich wijzigen, vernauwen, of kan verwrongen worden, etc. Een duidelijk verwrongen, ziekelijke vernauwde grondstemming kan nu zoals wij dat dagelijks vele malen tijdens onze medische werkzaamheden bij onze patiënten te zien krijgen, zich in lichamelijke en psychische ziekten en klachten uiten’ (STAEHELIN).

Deze theorieën en model-voorstellingen, welke nog een sterke experimentele en praktische ondersteuning nodig hebben, zijn in zoverre van belang, dat bepaalde psychosomatische stoornissen, welke tenslotte bepaalde neurosetypen zijn, niet slechts constitutioneel bepaald zijn, maar ook in de loop van de ontwikkeling van het individu, afhankelijk van sociologische en familiaire omstandigheden, worden gevormd.

Een van de belangrijkste verdiensten der psychoanalyse, vooral van de sociologisch georiënteerde psychoanalyse die zich in de V.S. onder invloed van FROMM, KARDINER en SULLIVAN heeft ontwikkeld, is dat zij heeft kunnen aantonen dat psychobiologische tendenties, welke tot nu toe als werkingen van de natuur werden beschouwd, in werkelijkheid een uitvloeisel van de cultuur zijn en van de betrekkingen van het individu met zijn milieu afhankelijk zijn… Dit heeft therapeutische consequenties want hetgeen constitutioneel aanwezig is, is onveranderlijk; maar wat verworven wordt, is veranderlijk.’ (DELAY.)

Naar boven