Home



Carl Christian Bry

(pseudoniem van Carl Decke)


Verkapte Religies


Kritiek van de Collectieve Waan

Illustratie

4e tot 6e duizendtal

Uitgeverij Friedrich Andreas Perthes A.-G.

Gotha/Stuttgart

1925




Inhoud



WAT ZIJN VERKAPTE RELIGIES?

I. Muzikanten der Wijsbegeerte


Heeft boeken schrijven nog zin? - Werken en "werken" - Noodzaak van relativeren - Chemische filosofie - Typenfilosofie - Cultuurfilosofie - Grenzeloosheid van de cultuurfilosoof - Gevoel in plaats van gedachte - Weerloosheid van de kritiek: stromingen, richtingen, wervelingen.


II. De achterwereldbewoners


Catalogus van de verkapte religies - Catacomben van het denken? - Religie en verkapte religie - Achter in plaats van aan gene zijde van de wereld - Alle verkapte religies, praktisch, rationalistisch en utilitaristisch.

III. Vanuit één punt genezen


Uitstralend vermogen van religie, opslokkend vermogen van verkapte religie - Specialiseren? - Anti-verbonden.


IV. Elefantiasis filosofica


Verkapte religies als resultaat van geestelijke activiteit? - Bijzondere kosmos - Elefantiasis van de kamervlieg - Humorloosheid van achterwereldbewoners - Allemaal bedrog? - Opdracht en methode van het boek.


EERSTE DEEL: HEROïSCHE ACHTERWERELDBEWONERS

V. In het voorportaal


Achterwereldschap en bijgeloof - Betweter - Politiek gerucht - Geheimtaal, geheimschrift, slang, beroeps- en vakjargon - Marlowe en Goethe, Gerhart en Carl Hauptmann, Thomas en Heinrich Mann - Verkapte religie van de homoseksualiteit - Oskar Wilde en Frank Harris - Achterwereldschap van het duiden: handschriftinterpretatie, handlezen, schedelmeting, karakterologie - Sherlock Holmes en Karo - Speculeren met getallen - Even en oneven getallen - Stamklinker van het leven - Interpretatie van de Faust en Hamlet - Shakespeare en Bacon - Enorme inzet van het verstand.


VI. Waar een wil is


Kunst der concentratie, school van de wil, mensheid van de daad - Staalkoning en schrijver -  Miljardair in het gezinsblad - Van jongste bediende tot magnaat - Dickens en Balzac - Hugo Stinnes - Heldenverering - Frederik II., Napoleon en Bismarck.

VII. Nakaarten


Oorlogsgeschiedschrijving en oorlogskritiek - Achterhaalde romantische voorstelling van de veldheer - Renaissance van de miles gloriosus - Bankroet van de krijgskunst - Drie geheime recepten - Overwinnen is willen - Verloedering van de veldheer.


VIII. De fakir


Politieke wonderdoeners - Toekomstige staatsman - Politiek realistische achterwereldbewoners - Übermensch - Amor fati - Genie en Yogi.

IX. Bebaard


Intuïtie en analyse - Wagnerzangers - Ontbaarding van de oude Germanen - Fokken en opvoeden - Stem van het bloed: liefde - Organische ontwikkeling - Is het Duitse Rijk organisch? - Ondergang en overgang.

X. De blondenhoek


Zakelijk antisemitisme - Meningen over joden - Tegenovergestelde meningen - Hans Waldemar Fischer, de stompzinnige zelfverdediging van antisemiet en brave burger, verraders van de Duitse volksaard - Kant, Goethe, Schopenhauer, Wagner en Bismarck als antisemiet - Eerlijkheid van de progrom - Boer en veehandelaar.


TWEEDE DEEL: DE VLUCHT IN DE TOEKOMST

XI. Utopia - Leningrad en weer terug


Spengler en Marx - Fascisme: de antibeweging van een antibeweging - Vroege socialisme - Bezwaren tegen het socialisme en hun weerlegging - Van utopie tot wetenschap? - Van utopie tot profetie! - Economie als principe van de wereld, industriearbeider als haar drager - Ruimere uitgangspunten van het socialisme - Arbeiders en ondernemers tot slaaf gemaakt.


XII. De zelfmoord van de homunculus


Geheelonthouding - Gevoelsmatige bezwaren - Hooglied van de statistiek - Drinklied en getallen - Verborgen en echte armoede - Verschaalde glas bier - Hervormde homunculus.


XIII. Palmen in de handen


Vredesbeweging - Economisch pacifisme - Utilitaristisch pacifisme - Perspectief God - Natie en mensheid - Hebt uw vijanden lief - Oorlog en heldendom - Toekomstige oorlog.


XIV. Leve de Übermensch


Achterwereldschap van de techniek - Technische toekomstroman - Mens en machine - Techniek van de centrale - Ford.


XV. Yohimbine - Lecithine


Achterwereldschap van de seksualiteit - Geest en materie, liefde, harten en ruiten - Het vlees heeft zijn eigen geest - Strindbergs botsing der geslachten - Weininger - Denkende nietsdoener.


XVI. De zichzelf temmende weerspannigen


Vrouwenbeweging - Nog steeds geen geniale vrouwen? - Gelijke rechten - Seksuele crisis - Met z'n tweeën! - Seksuele horigheid en economische afhankelijkheid - Chesterton - Ellende of vooruitgang? - Beroepsarbeid plus huishoudelijk werk - Verraderlijkheid van het onderwerp - Vrouw en opvoeding - Onderwijshervorming - Jeugdbeweging.

DERDE DEEL: VOORSPELLERS EN VRIJBUITERS

XVII. Het onbewuste


Psychoanalyse als terugblik op veel andere verkapte religies - Bewuste en onbewuste - Gezondheid en ziekte - Droomuitleg - Droom is wensvervulling - Censuur - Stadia - Droomcode - Lynkeus - Psychopathologie van het dagelijkse leven - Determinisme - Het geval Cancan - Aliquis - Psychoanalyse als wereldprincipe - Oedipus, Hamlet, Caesar en Cleopatra - Resultaat van de therapie - Filosofie van de verdringing - Heiligen - Indianenverhalen en wellust - Genie en waanzin - Het dierlijke in ons - Twee soorten eerbied.


XVIII. Het Occulte


Oorlog en oorlogsafloop - Spooksonate en Golem - Dickens en Wilde - Verbreiding van het occulte - Dichten en verdichten - Scepsis tegen elke prijs - Johann Peter Hebel - Fotografie en slow motion - Materialisaties - Leonora Piper - Helene Smith - Helderziendheid - Anagram - Wolmirstedt - Oorlogsvoorspellingen - Nostradamus - Occulte ervaring - Horrorkamer - Wonder - Natuurwetenschappelijke sprookjesverteller - Nieuwe materialisme - Materialisaties en schepselen Gods - Magiërs en mystici.


XIX De Winkel van Sinkel


De Winkel van Sinkel van de verkapte religies - Courthsmalerij - Tegenstrijdigheden - Schipbreukelingen - Cagliostro's hulpmiddelen - Beweringen zonder bewijs? - Allesomvattende instemming - Schiller, Goethe, Kant, Catharina II. - Komedie der verkapte religies - Nostra culpa - Wat moeten we doen?


XX. Arbeid en genade


Aanhangsel: De Brief van Kapitein Guido von Gillhausen



Wat zijn verkapte religies?


I De Muzikanten der Wijsbegeerte

Heeft boeken schrijven nog zin?


De vraag heeft niets te maken met de nood van de "intellectuele arbeiders." Als er per jaar in plaats van 35.000 boeken nog maar 20.000 en in plaats van 2000 tijdschriften nog maar 800 zouden verschijnen, zou dat ook zijn voordelen hebben. De waardering voor iemand die boeken kan schrijven, louter en alleen omdat hij boeken kan schrijven, was immers maar zo lang terecht als het schrijven het voorrecht van weinigen en elk boek een bijdrage was aan het "geheugen van de mensheid". Dat is tegenwoordig al lang niet meer het geval. Volkeren en mensheid zouden misschien zelfs opgelucht zijn als ze wat zouden kunnen vergeten.



Het geestelijke leven is er namelijk niet voor de mensen die daar hun dagelijkse brood mee verdienen. Men kan de wens van Schopenhauer dat we op alle terreinen slechts een paar, maar voortreffelijke boeken zouden moeten hebben, best te bescheiden vinden. Men hoeft de uitvoerige onderbouw, ook op het geestelijke terrein, niet te onderschatten en toch kunnen zeggen dat een inkrimping van het vervaardigen van boeken, kranten, tijdschriften en filosofiedoctoren - ik ben er ook een - niet het smoren van het geestelijke leven betekent.


Het tegendeel zou het geval kunnen zijn. Het zou een bruisender leven kunnen opleveren, zelfs uiterlijk, economisch. Het geestelijke leven zou rendabeler kunnen zijn, juist omdat het nog onrendabeler is geworden dan het al was. Als tegenwoordig een jong iemand, die zich onder gunstige economische omstandigheden aan de wijsbegeerte en schone kunsten gewijd zou hebben, in plaats daarvan bankdirecteur wordt, zal hij waarschijnlijk boeken lezen en niet schrijven. Het aantal schrijvers neemt af, het aantal lezers neemt toe - wat valt er nog meer te wensen?


De vraag naar de zin heeft met die naar het loon evenveel te maken, als het hoofd aangewezen is op het lichaam. Het maakt niet zoveel uit of boekenschrijven uiterlijk even slecht of nog wat slechter loont als van oudsher. De vraag is alleen: loont het innerlijk? Kan een boek nog invloed hebben?


Het verband tussen werken en resultaat is het tegenovergestelde van wat men doorgaans aanneemt. In de goede oude tijd, vóór de oorlog, beklaagde de boekenschrijver zich mopperend over de geniepigheid van de uitgevers, die hem afwezen, over de wreedheid van de recensenten, die hem afkraakten, over de kwaadwilligheid van de critici, die hem doodzwegen en over de stompzinnigheid van het publiek dat hem niet las. Hij dacht dat hij door grof, lichamelijk en kapitalistisch geweld geïsoleerd werd.


Zijn huidige collega is er veel beroerder aan toe. Hij gelooft en klaagt dat zijn uitgevers niet genoeg voor hem doen, dat zijn critici en recensenten zijn belang onvoldoende benadrukken, dat zijn publiek hem niet genoeg leest. Dat wil zeggen: in en ondanks zijn succes merkt hij dat hij geen invloed heeft en niets verandert.


Waarom? Omdat het hem te gemakkelijk gemaakt is. In feite was het misschien nooit eenvoudiger dan tegenwoordig om invloed uit te oefenen en gezag te verwerven; en juist omdat het zo gemakkelijk is om te "werken," schijnt het onmogelijk om te werken.


Van elke reclamezuil dreigt een nieuwe, bijzondere wereldomwenteling, schreeuwen onthullingen, lokken net ontdekte dimensies. Het gevolg is dat niemand zich daar meer over opwindt; behalve natuurlijk de mensen die van hun opwinding leven, de - ik ben er een van - journalisten.


We zijn overvoerd met gedachten. Het prentenboek verdringt het boek en het ideale prentenboek, de film, vreet ze beiden op.


Wat een gelukkige tijden, toen de mensheid nog in dwalingen gevangen zat! Wij steunen echter onder de last van een hele hoop meningen, die afzonderlijk geen ongelijk hebben, maar noch afzonderlijk, noch samen het gevoel van waarheid geven.


Men zou kunnen denken dat dit probleem meer natuurwetenschappelijk van aard is. Ten slotte en uiteindelijk moet het toch lukken om al die "juistheden" óf te overwinnen door een enkele grote "waarheid," óf tot een enkele grote waarheid samen te vatten.


De waarheid voort laten razen, de juistheden uit het veld slaan, kortom, door een beslissende overwinning een eind maken aan de situatie, is onmogelijk. En, hoe berustend het ook klinkt: dat is een van de feiten, die onze tijd tot eer strekken. Want terwijl geen enkele van de opvattingen, waarmee we tegenwoordig zo rijkelijk overgoten worden, helemaal toereikend voor ons is en ons ook nog allesbehalve kunnen bevredigen, is het hen in plaats daarvan des te grondiger gelukt ons veeleisend te maken. Wij willen geen afstand doen, niets opofferen van wat wij begrepen hebben. Alle kracht van het verstand die op ons inspreekt, ons haar bijzondere juistheden als waarheid probeert aan te praten en de concurrenten uit het veld probeert te slaan, bewijst ons steeds haar eigen tegendeel. Elke verkondiging die, door de zege te behalen, het terrein wil behouden en ons wil overhalen gewoon afstand te doen van een deel van onze inzichten, om de waarheid en vastigheid te verkrijgen, voegt alleen maar nog een gedachte toe aan de hoeveelheid van onze mogelijke gedachten. Allemaal hunkeren we naar de wet, het absolute - en blijven toch relativeerders, die niet het ene zonder het andere kunnen denken en voelen, bij wie elke gedachte ook de tegenovergestelde oproept. Ons geweten valt niet zomaar tevreden te stellen, door een deel van onze kennis op te offeren. Die bevrediging zou geen stand kunnen houden, omdat ze - gewetenloos zou zijn. Want een deel van onze kennis onderdrukken, vergeten, niet meer willen weten, ter wille van onze eigen gemoedsrust of die van de wereld, ter wille van ons innerlijke of uiterlijke welzijn, zou betekenen dat wij onszelf verloochenen. Dat zou geestelijke zelfmoord zijn: de enige doodzonde die door geen enkele religie vergeven wordt, omdat die nooit meer goedgemaakt kan worden. Ondanks dat er geen gebrek is aan verleidingen, zwichten daar maar weinigen voor. De overwinning van een opvatting, waaraan wij weer innerlijk, onvoorwaardelijk, gehecht raken, zou tegenwoordig in ieder geval alleen maar mogelijk zijn op grond van een laatste vertwijfeling aan het denken, een tabula rasa van de geest; nee, pas op grond van grote onverschilligheid, waarvoor zelfs haar eigen vertwijfeling al onverschillig zou zijn geworden. Maar zo zitten wij niet in elkaar. Als wij wanhopig zijn, zijn wij dat niet omdat we helemaal niets meer zouden kunnen geloven, omdat voor ons alles om het even is geworden; maar juist omgekeerd, omdat we teveel moeten begrijpen.


De waarheid, die ons zou kunnen vervullen en ons zich eigen zou kunnen maken, kan noch door gedeeltelijk vergeten, noch door tabula rasa tot ons komen. Zij mag onze kennis niet ontkennen; ze moet die opnemen en omvatten. Onze weg leidt niet terug naar het alleengeldige, maar voorwaarts naar het algemeengeldende. Al het andere, hoe verheven en diepzinnig het zich ook voordoet, is een geestelijke zelfmoordpoging.


Onze filosofie is tegenwoordig op verschillende manieren op zoek naar het algemeengeldende. Ook de oudere wijsbegeerte van de universiteiten streeft daarnaar, door gewoon de zes en zeven lettergrepen van het vakjargon steeds op een andere manier met elkaar te verbinden of te verdelen. Men zou dat de chemische filosofie kunnen noemen. Ze gaat met begrippen en formuleringen om, als een chemie zonder grenzen en wetten, waarin alles met elkaar te verbinden, van elkaar te scheiden en tot elkaar te herleiden valt. Voor ons is dit gezelschapsspel onder vakgenoten, dat weliswaar onvruchtbaar, maar juist daarom geen aanspraak kan maken op een geestelijke wereldverovering, slechts via via van betekenis.


Anders en dichter bij ons thema staat vermoedelijk de meer recente academische wijsbegeerte. Zij probeert opnieuw daadwerkelijk de hele wereld te vatten, te belichten en te duiden, maar op een vereenvoudigde manier: namelijk aan de hand van het type. Haar belang ligt in het feit dat zij, in plaats van het begrip, met alle macht de mens weer in het middelpunt van de beschouwing schuift. Maar bij haar verstart de levende mens met heel zijn rijkdom voortijdig tot een type, namelijk meteen al bij het begin. In dit bijzondere gedeelte van onze huidige filosofie zijn de typen steeds vóór de details aanwezig: werkgereedschap in plaats van werkresultaat.


Daardoor wordt (naast andere nadelen) in het bijzonder één gevaar van elke filosofie sterk overdreven: dat namelijk niet de wereld, het oorspronkelijke, maar de andere wereldbeschouwingen, het afgeleide, basis en doel van het denken worden. Er ontstaat een filosofie over de andere filosofie; filosofie tot de tweede, derde, tiende onmacht; boekenkritiek, in plaats van wereldbeschouwing. Het denken in typen, wordt louter een bewijsvoering aan het hersenspinsel, tot geestelijke gymnastiek, die net als de chemische filosofie, academisch-alexandrijns verzandt.


Dat ook in het denken elke actie reactie is, dat elke wereldbeschouwing tegelijkertijd na-denken, kritiek op een andere wereldbeschouwing is, mag men daarbij evenmin negeren als dat andere feit, dat boeken de hoofdbron van onze kennis van het verleden vormen. De vraag is alleen, of ze als toetssteen of als eerste steen gebruikt worden. Een leerzaam voorbeeld wordt geboden door Schopenhauer. Zijn banvloek over de "blaaskaken" Hegel en Fichte heeft uiteindelijk geen resultaat gehad en het reactionaire dat hij had, heeft zijn betekenis verloren. Ook als dat zijn doel was geweest, zou hij tegenwoordig net zo goed zijn vergeten, als onze chemische filosofen de afgelopen vijftig jaar vergeten zijn. Maar zijn reactie was slechts de keerzijde van zijn actie, die probeerde de wereld als Wil en Voorstelling te laten zien. Onze huidige filosofie ontleent echter steeds haar hoofdmotivatie aan de reactie. Ze filosofeert voornamelijk het werk van andere filosofen de hemel of de grond in; en ondanks dat zij daarbij zelfs meer terecht is, dan Schopenhauer tegen Hegel en Fichte, zal ze misschien nog wat sneller vergeten worden.


Naast de chemische filosofie en typenfilosofie staat, hun resultaten deels benuttend, dat wat men met een kromme uitdrukking cultuurfilosofie noemt. Zij denkt niet zoals de Kantiaanse filosofie aan mogelijkheden en grenzen van het denken, maar over het leven zelf; en ook waar voor haar het denken problematisch wordt, bedoelt ze nooit het denken als een logisch gebeuren, maar steeds als een handeling van het leven. Van Nietzsche tot Scheler, Keyserling en Spengler heeft deze onsystematische filosofie ongehoorde successen geboekt. Filosofische standaardwerken zijn even populair geworden als een keukenmeidenroman.


Omdat latere hoofdstukken zich uitvoerig bezighouden met levensfilosofie, kunnen hier vluchtige opmerkingen, niet over de inhoud maar alleen over de methode, toereikend zijn.


Onsystematische filosofen spreken ons meer aan. Wij dulden zelfs openlijke tegenstrijdigheden, omdat die immers ook in de wereld open en bloot liggen en de levensfilosofie doet die minder geweld aan dan de systematische. Het stoort ons nauwelijks als de filosoof op bladzijde 32 iets tot iets slechts en op bladzijde 159 tot vooruitgang bestempelt. Wij begrijpen het eerste verband en tekenen geen protest aan tegen de tegenstrijdigheid. Wij zijn het alleengeldige voorbij en nog niet toegekomen aan het algemeengeldende. Als ons dus twee opvattingen voorgelegd worden, die strijdig met elkaar zijn, zullen we noch de ene verwerpen, noch de voorbarige poging wagen ze met elkaar te verzoenen. Wij zullen eerder beide opvattingen samen met hun strijdigheden voor lief nemen.


En hier begint het echte probleem van de meest recente cultuurfilosofie. Ze ontwijkt op een heel kenmerkende manier het gevaar zich zelf tegen te spreken. Om de tegenstrijdigheden met zichzelf op te heffen, wat moed vereist, heft ze alle grenzen op. Nietzsche deed dat door zijn filosofie in aforismen te verpakken. Daarbij had althans elke afzonderlijke gedachte nog een minimum aan zekerheid, terwijl die aan de andere kant, door de aforistische vorm, vrijblijvend, of in ieder geval alleen in een bepaald verband bindend werd. Een manier die Arthur Schnitzler ooit heel scherpzinnig in een paar woorden heeft samengevat, die weliswaar niet opgaan voor Nietzsche, maar wel zijn werkwijze duidelijker aangeven dan een groot formaat boek: 'het is allemaal alleen op hetzelfde moment waar.'


Zijn volgelingen gaan anders te werk. Zij ervaren op een pijnlijke manier juist het vrijblijvende van een aforistische filosofie; zouden, in overeenstemming met de hunkering van het tijdperk, graag weer met rechthoekige blokken willen bouwen en weten desondanks dat geen enkel systeem voor hen zelf en ons toereikend kan zijn. Zo komen ze tot een andere oplossing: grenzeloosheid. Van Keyserling is dat vanzelfsprekend. Alleen al zijn titel ‘Reisdagboek van een Filosoof' spreekt voor zich; zonder overdrijving had hij ook ‘Wereldreisdagboek van een Filosoof' kunnen zeggen. Als men bij Spengler zomaar twee pagina's opslaat is er bijvoorbeeld sprake van Engelse politiek, het koninkrijk Tzu, Napoleonisme en Caesarisme, magische geest en magisch geld, byzantijns monnikendom, bestorming van de Bastille, de Abbassiden, de restauratie van 1815; en tussendoor nog over mensen en dingen, waarvan misschien alleen maar de vakgeleerde hun positie en betekenis precies weet: over abt Theodorus Studita, de Paulicianen, de Khorramdinân, over Babak, de Karmaten, de eeuw van de byzantijnse beeldenstorm, over het monnikenbeleid van de vrije kerken, de slavenopstand in Irak en nog meer. Spengler zal antwoorden dat dat nu eenmaal zijn manier is, dat het juist het nieuwe en grootse is, dat het de historische parallellen in bloei en verval van grote culturen zijn. Voor onze voorlopige opzet gaat het al te ver hem te antwoorden dat zijn parallellen niet veel langer zijn dan de lijn boven het feuilleton, als bijvoorbeeld - nog steeds op diezelfde twee willekeurige bladzijden - Bagdad de titel van een nieuw herbouwd Ctesiphon krijgt; als een Byzantijnse abt in magische gedaanten de Bastille bestormt; als Ali de bijnaam ‘Spartacus van de Islam' krijgt. We zullen deze drang en dwang om een verband te leggen tussen ver van elkaar verwijderde zaken, later terugvinden op gebieden die ogenschijnlijk ver beneden het niveau van Spengler liggen. Hier volstaat voorlopig de heel eenvoudige en stoffelijke vaststelling dat de stof bij Spengler zich niet, zoals volgens Spengler de cultuur dat doet, uit zichzelf, star en magisch aan zijn cirkel gekluisterd, geheimzinnig ontvouwt. Juist het tegenovergestelde is het geval: de stof geeft gehoor aan elke inval en het enige vaste punt in de cultuurfilosofie is de filosoof zelf. De stof is niet langer, op een of andere herkenbare van tevoren bepaalde manier, gebonden, maar alleen nog maar persoonlijk.


In plaats van de gedachte, waarmee de filosofie tot dan toe te maken had, komt het gevoel. Schopenhauer, met zijn einddoel de bevrijding van de wil en verveling in het Nirwana, dus een gevoelsfilosoof, een estheet, een lyricus, begint zijn eerste boek met de zeer uitgesproken zin: de wereld is mijn voorstelling. Spengler, de verachter van gevoelens, de verkondiger van de wilskrachtige mens, de vernederaar van filosoof en dichter, begint zijn tweede boek met de woorden: ‘zie de bloemen in de avond, als in de ondergaande zon….' en je verbaast je erover dat de regels niet rijmen.


Een paar duizend kommervolle jaren heeft de filosofie zich even vanzelfsprekend met het denken bezig gehouden (om het even wat zij ook maar over het denken dacht en hoe zij daarmee begon), zoals de metselaar zich met metselstenen en de bakker zich met brood bezighoudt. Nu komt in plaats van de gedachte het gevoel, en in plaats van de bewering de lyriek; nee, niet de lyriek, maar de meest grenzeloze menselijke uiting: muziek. Onze cultuurfilosofen zijn gemankeerde muzikanten.


Daarmee is echter een eind gemaakt aan het wezen van de filosofie, dat zich met de gedachte bezighoudt. Deze verandering is principieel anders dan alle eerdere. Als uit een vogel opeens drie poten groeien, is het nog steeds een vogel, hoezeer de vogelwereld zich ook tegen deze vernieuwing zal verzetten. Als een vogel echter in een heel ander wezen verandert en, laten we zeggen, er op zekere dag als een kat uitziet, hebben wij ondanks zijn bewering dat hij nog steeds een vogel is, nauwelijks het recht hem die naam nog te vergunnen en kunnen wij hem beter kat noemen.


Natuurlijk zegt dat niet iets, ten minste niet van huis uit, tegen de waarde en verrichtingen van de kat. Waarom zouden filosofen geen kunstenaar worden? En in feite zou er weinig tegen in te brengen zijn, als ze gewoon kunstenaar zouden worden. Maar dat worden ze niet. Dan zouden ze namelijk aan de hand van een afzonderlijk geval het heelal en de mensheid aanschouwelijk moeten maken. Tot nu toe maken ze echter gebruik van heelal en mensheid om een gevoel aanschouwelijk te maken.


Daarbij wordt door de muzikaliteit, de grenzeloosheid van samenballing en samenstelling van de stof, elk kritiek ontwapent. Over een werk dat alles zegt wat het maar wil, kan ook de kritiek zeggen wat zij maar wil. Dat valt zonder enig probleem helemaal van buitenaf te bewijzen, uit de uiterlijke, de boekenomvang van de huidige filosofie. Als een zeer belezen iemand, zonder bijzonder uitmuntende talenten, gaat zitten om een dik boek te schrijven, waarin hij uitgaande van een gedachte zijn hele belezenheid nagaat, moet zijn boek noodzakelijkerwijs veel nieuws en verrassends opleveren. Als anderzijds een genie zich diezelfde moeite getroost, zal hij misschien bij eenzelfde omvang van het boek oppervlakkige, verkeerde, en aanwijsbaar onjuiste details slechts met aantasting van de innerlijke stootkracht kunnen vermijden. Daarom valt de huidige cultuurfilosofie heel gemakkelijk te prijzen, want ze bevat op elke pagina boeiende, juiste en soms zelfs ware zaken; ze is ook heel gemakkelijk aan te vallen, want ze moet noodzakelijkerwijs veel onjuiste zaken opleveren. Het ergste is echter dat ze heel eenvoudig te imiteren is, want niemand van ons kan weten tot welke verrassende en boeiende details hij komt, zodra hij eenmaal serieus een verband gaat te leggen tussen de kleitabletten van Assurbanipal en de dollarkoers of tussen de tweetaktmotor en het beschilderen van porselein onder de T'sin-dynastie.


In haar weerloosheid heeft echter de kritiek een merkwaardig redmiddel gevonden. Ze begint namelijk gewoon met de vlucht naar een hoger niveau. Ze maakt een einde aan de kritiek door middel van de definitie; terwijl de definitie het begin van de kritiek is. Ze stelt het eclecticisme vast van Keyserling en het pessimisme van Spengler. Haar blijft inderdaad niets anders over; want het nader ingaan op de details, louter muzikale figuren, is immers waardeloos geworden.


Oudere optimistische mensen hebben het nog steeds over de geestelijke gevechten van de tegenwoordige tijd. In feite zijn echter geestelijke gevechten nou net het enige wat de huidige tijd niet bezit. De eindeloze en hartstochtelijke polemiek op elk gebied, die de achttiende en ook nog het begin van de negentiende eeuw beheerste, is ten einde gekomen. Zelfs politieke hoofdartikelen worden niet meer polemisch geschreven (zonder dat daar echter het tijdperk van de verdraagzaamheid mee aangebroken zou zijn). Polemiek is onmogelijk; waar niets meer beweerd wordt, maar alleen nog maar muziek is, valt ook niets tegen te werpen.


De gevolgen?


Hierboven was al de uitdrukking ‘overvoeding met gedachten' gevallen. Maar dat klopt niet. In de plaats van de gedachte, die iets bepaalds is, is de stroming, de richting, gekomen die iets volstrekt onbepaalds is. Veel mensen beweren dat ze niet treuren over de dood van de gedachte. Het enige dat werkelijk en geldig is - zegt ook Spengler - is uitsluitend de daad. Later zullen we op een bepaald terrein de vraag benaderen, of de gedachte echt verlammend werkt op de daad. Absoluut zeker kan echter gesteld worden dat stromingen, gevoelens en richtingen, zonder enige twijfel een verlammende invloed op de daad uitoefenen. De stroming is het middel om overal belangstelling voor te hebben en niets serieus te nemen.


Hun meest algemene uitdrukking bestaat uit vier woorden: daar zit iets in; die tegelijkertijd hoogachting en een gebrek aan achting uitdrukken.


Wij hebben de beide grote pogingen, in en door de filosofie weer het absolute te bereiken, tot aan hun resultaten nagegaan. De schandalige poging om ter wille van ons welzijn een deel van onze kennis te onderdrukken, leidde in het gunstigste geval tot nog een mogelijke manier van denken naast de al bestaande. De andere poging, samenvatten en opnieuw bouwen, leidde in de filosofie - en in de kunst is het niet veel anders - helemaal tot verlamming van het denken; maar daarmee niet tot handelen, maar alleen maar tot stromingen, die elkaar voorbijlopen of -wervelen, waartussen echter ten gevolge van hun onbepaaldheid en grenzeloosheid, ten gevolge van hun muzikaliteit, strijd noch verzoening mogelijk is.


Bestaat er een derde weg om het absolute te benaderen? Heeft boekenschrijven weer zin?


II De Achterwereldbewoners

Als het zin zou hebben, moet het kennelijk datgene aanpakken en proberen te verhelderen, wat echt onze tijd kenmerkt: geen afzonderlijke gedachten, maar de wervelingen en stromingen zelf.


Maar zijn stromingen wel grijpbaar? In culturen wordt het denken door zijn onbepaaldheid immers al ontwapent door de filosofische muziek en geeft geen helderheid. Als dat al bij de afzonderlijke golf het geval is, zal kennelijk het definiëren en onderzoeken van de gezamenlijke stromingen en wervelingen nog meer te lijden hebben onder grenzeloosheid en onduidelijkheid. Wij hebben immers al gezien hoe grenzeloos en onbepaald zomaar een paar bladzijden van bijvoorbeeld Spengler al zijn.


Als in plaats van stromingen weer gedachten komen, in plaats van wervelingen weer strijd of toenadering mogelijk wordt, als weer een standvastig tegen of met elkaar, het opgewonden aan elkaar voorbij aflossen, als het gevoel weer door het oordeel vervangen wordt, dan gaat het er kennelijk om in onze tijd een terrein te vinden, dat voldoende afgebakend is om zorgvuldig onderzoek mogelijk te maken of ruim genoeg om kenmerkend te zijn.


Het terrein van de verkapte religies is zoiets. Daar ontmoeten elkaar inderdaad stromingen en wervelingen, alles wat onze tijd hevig opwindt en beweegt. De speelruimte van de verkapte religies is oneindig uitgestrekt en toch hebben ze afzonderlijk en gezamenlijk een zeer bepaald karakter. Uiteindelijk bevinden zich op dit terrein niet alleen scharen verdraagzame, snel verhitte, maar ook weer snel afgekoelde belangstellenden. Verkapte religies beschikken, vrijwel alleen in onze tijd - en alleen dat al waarborgt hun belang - over groepen verhitte fanatici, die bezeten en strijdbaar voor hun wereldbeeld vechten.


Wat betekent ‘verkapte religies'? - mysteriën, sekten, bijgeloof, dwepen met het verenigingsleven, gebrek aan levenskunst?


Ja, dat ook. Maar verstoten worden op esthetische gronden valt hen niet ten deel. Hun terrein is veel uitgestrekter. Het strekt zich uit van geheelonthouding tot getallenmystiek, maar ook van astrologie tot zionisme, of van anti-groepen (met het antisemitisme aan kop) tot yoga, of van de amor fati tot wichelroede, of van Atlantis tot vegetarisme. Dit heksenalfabet bezet elke letter dubbel of driedubbel.


Een paar, bij lange na niet alle terreinen: Esperanto, seksuele hervorming, ritmische gymnastiek. Übermenschen, Faust-exegese, gebedsgenezing, communisme, psychoanalyse, Shakespeare is Bacon, wereldvredebeweging, afschaffing van horigheid met cijnsplicht, anti-alcoholisme, theosofie, volkskunst, bijbelonderzoek, expressionisme, jeugdbeweging, genie is waanzin, fakirkunsten, haat tegen vrijmetselaars en jezuïeten en tot slot het uitgebreide terrein van het occultisme, dat op zijn beurt zijn eigen zevenvoudig heksenalfabet heeft: dat zijn maar een paar van de bewegingen die hier verkapte religies heten.


Men voelt dat al die terreinen op een of andere manier en ergens bij elkaar horen en aan elkaar grenzen. Maar hoe hangen ze samen?


Toen ik die lijst aan een vriend voorlegde, zei hij vol begrip dat ik de catacomben van denken en gevoel wilde onderzoeken. Dat geldt echter maar voor een paar verkapte religies en zelfs daar alleen maar uiterlijk. Geheime religies, geheime wetenschappen, echte catacomben van gevoel en denken zijn er altijd geweest. Juist die catacomben waren hun trots; zij voelden zich daar prettig in en hun verborgen zijn en geheimzinnigdoen, gaven hen in hun eigen ogen een bijzondere betekenis. Dat is tegenwoordig vast en zeker nog steeds het geval. Ongetwijfeld zit ook nog tegenwoordig menige verkapte religie in haar eigen catacombe, geheel vervuld van haar sektarische trots en het feit dat maar weinigen toegang hebben tot haar onderaardse behuizing. Maar daarmee kan zij niet meer volstaan. Helemaal het tegenovergestelde: zij maakt er niet alleen aanspraak op wijzer en beter te zijn dan de hele wereld en tegenover de hele wereld gelijk te hebben - wat mysteriën altijd gedaan hebben - maar stuurt er in alle ernst en met alle kracht op aan de bovenwereld te veroveren. Voor zover verkapte religies uit catacomben stammen, dringen ze op dit moment stormachtig - naar het daglicht? Nee, naar een plaats in de zon.


Maar niet allemaal gedragen ze zich geheimzinnig. Het zijn niet allemaal sekten. Niet allemaal stammen ze uit catacomben. Velen hebben vanaf het prille begin in het volle daglicht gewerkt. Een deel, zoals bijvoorbeeld de psychoanalyse, heeft al veel langer het zegel van de wetenschappelijke erkenning gekregen. En andere, zoals de leer van de heldenverering, van de Übermensch, van de amor fati, zijn van wereldbelang. Verkapte religies, zoals het communisme en fascisme, hebben zelfs het aangezicht van volkeren en landen veranderd. En zelfs een veel beperktere beweging, zoals het anti-alcoholisme, begint al hetzelfde te doen en doet mee met het veroveren van de wereld. Bij mysteriën, sekten, catacomben van het denken of welke uitdrukking men ook verkiest, is dus altijd slechts een enkele van de verkapte religies betrokken en niet eens in de kenmerkende eigenschap, die tegenwoordig voor hen het tekenendst is, de wil om de wereld te veroveren.


Dat al die verschillende, deels recht en vijandig tegenover elkaar staande, wilsrichtingen  samenhangen, blijft desondanks duidelijk te merken. Maar waarin ligt die verbondenheid? Wie geheelonthouder is, zal nauwelijks antisemiet zijn; wie pacifist is, zal de aanbidder van de Übermensch bestrijden; wie met Esperanto dweept, zal iemand die hoog opgeeft van runen belachelijk vinden; wie voor volkskunst is, is waarschijnlijk tegen occultisme.


Zeker - en daarbij hebben wij alleen een sterk gevoel dat deze terreinen slechts gewesten van een enkel land zijn - zeker is dat echter allesbehalve. De communist kan dan wel de fascist verachten en fel bestrijden, toch hebben communisme en fascisme zozeer dezelfde stam, dat - wij maken dat dagelijks mee - hun aanhangers met een verbijsterend gemak van plaats wisselen. Maar dat kan best komen door het veelgeroemde elkaar raken van de tegenpolen.


Er bestaan echter nog andere en ingewikkeldere gevallen. In bepaalde verkapte religies bevinden zich, - om redenen die nog onderzocht moeten worden - geheel onafscheidelijk bijeen, de haat tegen vrijmetselaars en de haat tegen jezuïeten. Dat huwelijk wordt niet in het minst verstoord door het feit dat jezuïeten en vrijmetselaars, op zich, tegenpolen zijn. Volgens de regel: de vrienden van mijn vrienden zijn mijn vrienden, de vijanden van mijn vijanden zijn mijn vijanden, een regel die ook in het geestelijke, alleen maar in het geestelijke geldt, zou men moeten aannemen dat iemand die jezuïeten haat, vrijmetselaars zou moeten waarderen en omgekeerd. Maar de tegenstelling levert niet in het minst een probleem op. Kennelijk komt het bij verkapte religies, net als bij gewone religies, op heel andere dingen aan dan op logica.


De tegenstellingen tussen de terreinen, die in eerste instantie zo willekeurig samengeraapt lijken, zijn niet zo stellig als ze er op het eerste oog uitzien. Maar wat geeft het recht ze onder de naam verkapte religies samen te vatten?


In allemaal, zowel geheelonthouding als astrologie, yoga als vegetarisme, Esperanto als ritmische gymnastiek, cultus van de Übermensch als psychoanalyse, anti-alcoholisme als afschaffing van horigheid met cijnsplicht, jeugdbeweging als antisemitisme, huist een overtuiging, die verwant is met de overtuiging van elke religie en daar toch juist tegenovergesteld aan is.


De religie zegt: de uiteindelijke zin van je bestaan ligt voorbij je leven, ligt boven je leven; het maakt helemaal niets uit hoe de afzonderlijke religie hemel en hiernamaals ook afschildert, dan wel of zij van een dergelijke afbeelding eigenlijk wel, als a-religieus en utilitaristisch, afstand mag doen.


De verkapte religie zegt daarentegen: achter je gewone leven en achter de gewone wereld ligt iets dat tot nu toe verborgen is, iets dat weliswaar al lang vermoed, maar voor ons nooit verwerkelijkt is, een nog nooit verwerkelijkte mogelijkheid, waar we vat op kunnen krijgen en nu vat op willen krijgen en juist op het punt staan vat op te krijgen. De aanhanger van de verkapte religie gelooft in iets achter de wereld. Men kan ze kortweg achterwereldbewoners noemen. De vrome gelooft in een onvoorstelbaar rijk voorbij de wolken, de achterwereldbewoner in een nieuwe werkelijkheid achter het behang. Terwijl voor de vrome het aardse leven en hiernamaals streng gescheiden werelden zijn, is de achterwereldbewoner er tot in het diepst van zijn hart van doordrongen, dat de gewone wereld en de achterwereld ten zeerste echt met elkaar in verband staan en dat op zekere dag, wat nu nog achterwereld is, de wereld overwonnen en doordrongen zal hebben. Werken aan deze overwinning, van achterwereld wereld maken, is de inhoud van zijn geloof.


Hier duikt een zeer scherp onderscheid op tussen religie en verkapte religie. De religie vertelt ons dat we allemaal nog niet volmaakt zijn, omdat we zondige en zwakke mensen zijn. De verkapte religie zegt dat het merendeel van ons nog niet volmaakt is, omdat we in onze kennis achtergebleven zijn en ons ertegen verzetten de, achter de gewone wereld liggende, waarheid te erkennen en te waarderen. Daarmee zijn ook twee tegenwerpingen vervallen, die al eerder bij het gewag maken van de catacomben aangeroerd zijn: dat namelijk veel van de opgesomde terreinen immers zeer ruim en "praktisch" zouden zijn en duidelijk niets te maken hebben met religie. Als men anderzijds de liefde, kracht, ijver, exclusiviteit, waarmee iemand zich aan een zaak wijdt, ook al als een verkapte religie wil zien, zou men van geval tot geval ook schaken, rozenkweken, muziek, vrouwenhandwerk en menige andere bezigheid ook als verkapte religie kunnen beschouwen. En de meest verbreide verkapte religies zouden dan waarschijnlijk voetbal en geld verdienen zijn.


Deze tegenwerpingen missen hun doel. Niet alleen een paar verkapte religies, zoals geheelonthouding en psychoanalyse zijn praktisch. Ze zijn allemaal praktisch. Ze stammen allemaal uit deze wereld. Daarin onderscheiden zij zich van religies.


Enerzijds zijn exclusiviteit en intensiteit van de overgave niet doorslaggevend voor verkapte religies, hoewel zij daar meestal wel mee gepaard gaan. Iemand kan misschien wel alleen op zijn vrije zondagmiddagen proberen het geheim van de Faust of Shakespeare te doorgronden, toch is hij dan nog steeds een achterwereldbewoner, omdat hij hoopt een verborgen betekenis, een nieuwe werkelijkheid te vinden. Anderzijds kan hij wel de grootste schaker van zijn tijd zijn en zijn hele denken en wat hij aan hart heeft aan het schaakspel offeren; in het schaakbord het symbool van de wereld vol strijd, in de schaakkoning de echte koning, in de boer de echte boer zien: het enige wat hij daarmee beweert is dat schaken de spiegel van de wereld is. Hij zal nooit beweren dat schaken en de door hem ontdekte nieuwe wetten en geheimen van het schaakbord, voor hem een nieuwe betekenis van de hele wereld ontsluiten.


Omgekeerd is natuurlijk niet elke Esperantist, niet elke psychoanalyticus, niet elke anti-alcoholist een achterwereldbewoner. Als iemand in Esperanto als een prachtig hulpmiddel voor zijn handelscorrespondentie ziet, heeft hij daarin misschien gelijk, in ieder geval valt daarover te twisten. Pas als er met hem niet meer over te twisten valt, pas als achter het Esperanto hoop op een nieuwe wereld blijkt te zitten, betreedt hij het terrein van de verkapte religie. Als een groep padvinders, de knieën bloot en de luit om de hals, door de velden trekt, kan dat op verschillende manieren opgevat worden. De vraag is of deze oefening vanuit het standpunt van gezondheid nuttig en belangrijk is, of vanuit een esthetisch en politiek standpunt met tekortkomingen behept is. De verkapte religie begint pas, waar de strijd ophoudt: namelijk op het moment waarop de troep padvinders beweert dat zij iets bijzonders en wereldbevrijdends zijn, niet op grond van hun gezonde benen en longen, maar op grond van hun overtuigd zijn van het belang van het jong zijn. Pas hopen op de achterwereld, de poging daarmee de oude wereld te veroveren en te doordringen, maakt het wezen van de verkapte religie uit.


III Vanuit één punt genezen

Alle verkapte religies zijn monomaan. Op duizenden, steeds weer veranderende manieren, plaatsen ze een gedachte in het middelpunt en proberen van daaruit en daarmee de mens te vormen. Midden in dit deels reusachtige gedachtesysteem van de verkapte religies staat steeds een juistheid, meestal zelfs een waarheid. Ze wordt in haar "werking" gesterkt en van haar werking beroofd, doordat ze alle andere gedachten opslokt.


Voor iedere ontvlamde aanhanger van elke religie bestaat er niets meer, dat niet op een of andere manier met zijn geloof in verband staat. Dat maakt voor hem zijn wereldbeeld compleet en juist het aspect dat zijn geloof alles omvat, alles bezielt, dat voor hem niets meer onverschillig is, is een effect van zijn religie dat hem genoegen doet. De waarachtig religieus gegrepene ziet de hele wereld nieuw; ziet haar alsof die voor hem gemaakt is.


Ook de achterwereldbewoner ziet de wereld nieuw. Maar voor hem dienen alle dingen alleen maar ter bevestiging van zijn monomanie.


Voor de religieuze mens wordt de wereld groter. Hij vindt zelfs in het minst alledaagse een nieuwe kant van zijn geloof, waarvan hij zich tot dan toe niet bewust was geweest en in dit nieuwe licht, licht voor hem ook het onbekendste op in een stralende schittering.


Voor de achterwereldbewoner schrompelt de wereld ineen. Hij vindt in alles en elk ding niet meer dan de bevestiging van zijn eigen mening. Het ding zelf pakt hem niet meer. Hij kan niet meer gegrepen worden; voor zover de dingen hem nog aangaan, is het als sleutel van de achterwereld.


Men kan dat bijna experimenteel aantonen. Praat maar eens met iemand, voor wie bijvoorbeeld het antisemitisme een verkapte religie is geworden, over het zoutvaatje op de eettafel en zijn bezeten, naar bevestigingen hunkerende brein zal na twee zinnen bij de uitspraak belanden, dat bijvoorbeeld de oude joden bij de zouthandel met Foenicië de boel al geflest hebben of dat het percentage joodse employés bij de staatszoutfabriek natuurlijk veel te hoog is. Hij is in feite niet meer bij machte gewoon het zoutvaatje te zien. Hij ontwaart het niet meer in zijn zakelijkheid of schoonheid, als een potje met zout of als vergaarbakje van strijd en tranen, als graadmeter van echtelijke liefde, als aanwijzer van reinheid in het huishouden of als middel om vlekken uit het tafelkleed te verwijderen. Hij ziet daarin alleen nog maar iets, dat iemand anders, zelfs bij de levendigste fantasie en vindingrijkheid niet in het zoutvaatje kan ontdekken: joden. Ook de vrome (als hij niet, wat vaak voorkomt, van zijn religie een verkapte religie heeft gemaakt) ziet het zoutvaatje misschien niet als zoutvaatje. Hij ziet daar misschien de Heilige Graal in, of de betekenis van het gezegde ‘het zout des levens' komt in hem op, waar hij tot dan toe niet aan gedacht had. Hij ziet het zoutvaatje op een nieuwe manier. Voor de achterwereldbewoner is het echter gewoon verdwenen, weg, weggetoverd. Ook alle religies en filosofieën draaien om een gedachte heen, precies zoals verkapte religies; maar het gaat erom wat die gedachte met de wereld gaat doen.


Er rest één bezwaar. Verkapte religies hebben zich op alle terreinen van praktische en geestelijke activiteiten genesteld; zijn hun monomanieën misschien alleen maar opduikende bijzondere specialisatievormen?


Nee. Want we hebben al gezien dat deze monomanieën heel vaak de neiging vertonen zelfs verbanden met elkaar aan te gaan, als elk daarvan logischerwijze tegengesteld aan de andere is; hierboven is al het voorbeeld vermeld van de vrijmetselaars, die vrijwel wetmatig tegelijkertijd anti-jezuïet zijn. Dat zij zich niet specialiseren, dat zij niet vasthouden aan hun eigen terrein, maakt van bewegingen, waarin altijd een greintje waarheid schuilt, juist verkapte religies, waarvan elk niet alleen de hele wereld wil veroveren, maar ook opslokken.


Specialisatie is bijna op dezelfde manier tegenovergesteld aan dit willen opslokken, als de religie aan de verkapte religie. Specialisatie betekent dat een arts zich met het menselijke oog bezig houdt en geen zijsprong naar de hersenen maakt; dat een zich inlaat met de vijfde dynastie, zonder een zijsprong naar de heer Sun Yat-sen te maken; dat een ingenieur turbines bouwt en niet opeens op het idee komt vliegtuigen te willen construeren. Juist door hun specialisatie kunnen ze tot iets groters komen. De oogarts ziet misschien de mens maar van één kant: als een wezen dat ziet; als hij een echte specialist is zou hij zelfs graag een beenbreuk door middel van een oogoperatie willen verhelpen; maar hij zal nooit zo bezeten zijn om theoretisch te willen bestrijden, dat de mens ook zou kunnen horen en ruiken; het is juist de nauwkeurigere kennis van zijn specialisme dat hem ervoor behoedt alles op te slokken en monomaan te worden. De sinoloog beschouwt zonder twijfel de vijfde dynastie als de belangrijkste; maar hij heeft er geen behoefte aan het bestaansrecht te betwisten van iemand die zich bezig houdt met de vierde en zesde (hij doet dat eerder bij iemand die zich met misplaatste eerzucht eveneens aan de vijfde waagt). De turbinebouwer ziet natuurlijk de toekomst van de hele wereld in waterkrachtcentrales; maar toch verklaart hij daarom vliegtuigen niet tot een vergissing of verblinding. En als de specialist toevallig een genie is, zal hij in de vijfde dynastie, de turbine en het oog de hele wereldgeschiedenis en het hele menselijke wezen terugvinden. Zijn specialisme zal het hele mensenleven en de hele kosmos uitstralen. Het specialisme van de achterwereldbewoner doet net het tegenovergestelde. Het slokt de hele kosmos op, samen met alle concurrerende monomanieën.


Er is nog een ander trekje dat specialist en achterwereldbewoner gemeen hebben en toch komt dat bij beiden voort uit tegenovergestelde bronnen: trots, het besef van superioriteit boven alle anderen. Terwijl dat superioriteitsgevoel bij de specialist echter beperkt is tot zijn specialisme, beschouwt de achterwereldbewoner, zo hij zich al niet voor een beter mens houdt, zich toch op zijn minst voor verreweg de meerdere. Hij acht zich bijvoorbeeld niet knapper of kundiger, maar zonder zich tot een bepaalde eigenschap te beperken, gewoonweg superieur. Hij vergeet de terreinen waarop hij dat superioriteitsgevoel, ondanks alle bekwaamheid om het meest uiteenlopende bijeen te brengen en op te slokken, niet staande kan houden, omdat er een feitelijk tegenbewijs bestaat, waarvoor hij niet doof kan blijven. Want het verbazingwekkende vermogen om bruggen te slaan strookt met een misschien nog verbazingwekkender vermogen om te vergeten op het moment, waarop iets onloochenbaars niet in zijn monomanie past. Er bestaan achterwereldbewoners die misschien bijvoorbeeld de lichamelijke kracht verheerlijken in de vorm van het ras. Heeft een van hen de pech bij een botsing met iemand, bij wie de lichamelijke kracht niet een zaak van ras maar uitsluitend van spieren is, aan het kortste eind te trekken, dan zal hij naar gelang van zijn aanleg óf beweren dat hij het zelf gewild heeft en daarvoor duizend redenen aandragen; óf hij zal zeggen dat de ander hem van achteren heeft overmeesterd. Het zou echter onjuist zijn te denken dat hij liegt. Zijn monomanie verblindt hem zodanig dat hij zelfs na de tweede uitspraak (waarschijnlijk zal hij over dat zelf willen en pootje lappen tegelijkertijd vertellen), ongetwijfeld zelf gelooft wat hij vertelt.


De deemoedige trots van de echte vrome verheft zich door het heldere inzicht, dat hij op grond van het bestaan voor God niets is en God in hem alles. Het superioriteitsgevoel en de trots van de specialist groeien op grond van prestaties. De superioriteit van de achterwereldbewoner verheft zich op grond van een mening waarvan, met een voor onbevangenen onbegrijpelijke lichtvaardigheid, onderdelen veranderd, vergeten en nieuwe delen aangetrokken kunnen worden, terwijl hij toch alleszins het gevoel bewaart dat hij een samenhangende en onveranderde opvatting heeft. De maag van de monomanie is groot en beschikt over een buitengewoon krachtige vertering.


Wij hebben echter net een paar keer gezegd dat zijn mening zeer uitgesproken is. Het is nauwkeuriger om te zeggen dat zijn afwijzing zeer uitgesproken is. Dat vergunt hem alle deuren naar de achterwereld te openen. Pas dat maakt van zijn sleutel een verstelbare loper, die steeds dezelfde blijft en toch alle deuren voor hem opent. Verreweg de meeste, en wat tekenend is, de uiterlijk werkzaamste van de verkapte religies, zijn de anti-groepen, wat bij de meeste al in de naam aangegeven wordt en bij andere pas bij de bewijsvoering van hun idee tevoorschijn komt. Zo beweert bijvoorbeeld het vegetarisme veel minder dat plantenkost een bloeiende gezondheid oplevert, dan dat vlees eten de gezondheid ondermijnt. Voor de gelijke verdeling van arbeid en goederen brengt het communisme gewoonlijk veel minder liefde en geestdrift op, dan voor de afkeer van kapitalisten. En omgekeerd, zijn de aanbidders van de Übermensch veel minder enthousiast over de Übermensch, dan dat ze een afkeer hebben van het profanum vulgus. Er is nauwelijks een pacifist die ooit de heerlijkheden van de toestand van eeuwige vrede met verve heeft durven schilderen; maar voor het beschrijven van de gruwelen van de oorlog, die realistisch gezien al groot genoeg zijn, is de fantasie in een verkwistende hoeveelheid gebruikt. Dat ook een beweging, die tegenwoordig hiervan nog maar een klein gedeelte uitmaakt, zoals de vrouwenbeweging, haar wetten door de tegenpool laat voorschrijven en bescheiden haar doel als "dezelfde rechten als de man" formuleert, wordt slechts terloops vermeld. Boeiender is misschien dat het terrein, dat men met de onwetenschappelijke naam "wetenschappelijk occultisme" gedoopt heeft, in de bewijsvoering veel minder energie besteedt aan occulte feiten dan aan het aan het wankelen brengen van het tegengeluid, de natuurwetenschap.


IV Elephantiasis philosophica

IllustratieHet is echter nu weer tijd om terug te keren naar een gedachte, die aan het begin van dit boek is uitgesproken en de zaak helemaal van buitenaf en niet-intellectueel te bekijken. Zou het kunnen dat de monomanie, als die al met het specialistendom alleen uiterlijke trekken gemeen heeft, dan toch voorspruit uit het tegenwoordige soort geestelijk gedoe en zijn systeem?

Elefantiasis

Het feit dat, wat denkbeelden of eerder nog stromingen betreft, voortdurend niet alleen het aanbod de vraag overstijgt, maar er ook veel meer gedachten openbaar worden, dan de daarvoor ontvankelijken zelfs met de beste wil van de wereld kunnen verwerken, dwingt ertoe om elke gedachte niet alleen te vormen, wat zeer nuttig is, maar ook vlijmscherp te omlijnen. Haar gezicht is meestal een alledaags gezicht, maar haar profiel moet, als ze ingang wil vinden, vlijmscherp, onvergetelijk zijn. Laat de bedenker deze profilering achterwege, dan blijft de gedachte of onopgemerkt of moet er door iemand anders achteraf bijgesleept worden, door zijn uitgever, aanhangers of critici. Dit ene feit is de reden voor de kouwe drukte over het idee, dat tegenwoordig ons hele geestelijke leven op reclame gebaseerd is; dat is onvermijdelijk zolang veel meer geestelijke waar op de markt gebracht wordt dan zelfs bij een grote opnamebereidwilligheid verwerkt kan worden. Reclame en zelfreclame zijn al gemaakt, nog voor te denken viel aan universiteiten, theaters, uitgevers, kranten en soortgelijke nadelen van de beschaving. Hoe groter de scheppers waren, des te minder zijn zij daarvoor teruggeschrokken en bij de grootste, Christus, was het zo vanzelfsprekend dat het niet opvalt. Maar op de eerste plaats dwingt het mechanisme van het geestelijke leven niet tot het verkondigen van de persoon en zijn verdienste, niet tot reclame voor hem maken, maar hem zo scherp te profileren, dat het denkbeeld zich van meet af aan meer onderscheidt van al zijn oneindig vele broeders, dan het van huis uit in de aard ervan ligt. Hier ligt de tragische, want onvermijdelijke, schuld van ons geestelijk bezig zijn. Die wordt nog groter omdat met de macht van een denkbeeld, van oudsher zijn innigheid en eenvoudige waarheid te lijden hebben. Het mechaniek van het geestelijke leven heeft dat nog zichtbaarder gemaakt. De vroegere ladder - die bijvoorbeeld uit religiositeit, sekte, kerk en belijdenis bestond - werd eeuwenlang afgelegd. De huidige ladder: verkapte religie, een onbegrijpelijk boek, wetenschappelijke boeken, populaire boeken, krantenartikelen, moppenblaadjes, bureaus voor occulte kennis, - deze moderne ladder wordt door de gedachte in razende vaart afgesuist.


Toch zou het onjuist zijn om de monomanie van verkapte religies uitsluitend te verklaren uit de behoefte naar een vlijmscherpe profilering. Profilering overdrijft innerlijk en uiterlijk een enkele trek van de zaak. Als bijvoorbeeld de natuurgeneeswijzen zouden beweren, dat zonnebaden ook goed tegen kiespijn werken, zou dat misschien onjuist en ongetwijfeld overdreven zijn. Maar de verkapte religie op het gebied van de hygiëne neemt vast en zeker geen genoegen met een dergelijke overdrijving. Zij speelt de zaak over naar een heel ander terrein. Zij beweert dat de mensheid pas met het gebruik van zonnebaden echt begint te leven. Zolang de antisemiet alleen maar beweert dat de jood zich tot rituele moorden verstout, overdrijft hij alleen zijn eigen bewering. Maar hij doet iets heel anders. Hij beweert dat met het oplossen van het jodenvraagstuk een nieuw tijdperk aanbreekt, het Arische tijdperk.


Alle verkapte religies zijn niet slechts monomanieën, ze willen tegelijkertijd ook alomvattende denkbeelden zijn. Over elk van hen welft zich een bijzondere kosmos, hoe onbeduidend het uitgangspunt ook is. De Bacon-aanhanger wil niet alleen bewijzen dat Shakespeare in werkelijkheid Bacon was, hij wil aantonen dat men van aristocratische afkomst en zuiver bloed moet zijn om grote kunstwerken te kunnen schrijven. Voor de psychoanalyticus is het zonder twijfel onvoldoende een methode gevonden te hebben, om het gedeelte van ons weten, waarvan we vergeten zijn dat wij dat weten, weer te doen herleven en bruikbaar te maken voor de behandeling van patiënten. Hij begint terstond het onderbewustzijn als het eigenlijk integrerende en waarachtige deel van de mens te kwalificeren. De pacifist neemt er vast geen genoegen mee de oorlog te verhinderen, nee, hij wil ook een tot nu toe nog nooit gezien, door en door vreedzaam mensensoort verwerkelijken. Kortom, zij willen allemaal niet een stukje van de wereld, ze willen met alle macht de hele wereld en het heelal een nieuwe zin geven. Ze lijden aan een kwaal die men Elephantiasis religiosa of philosophica zou kunnen noemen.



Dat is ongetwijfeld niet tot verkapte religies beperkt. Het begint er bijvoorbeeld mee dat men bij de huisvlieg een nieuwe, tot nu toe aan de aandacht ontsnapte, eigenschap ontdekt. Dan kijkt men in het licht van het pas ontdekte naar alle andere vliegen en gooit de tot dan toe heersende opvatting over de vliegenfamilie om. Is men eenmaal zo ver, dan bevindt men zich al op de beste weg om de nieuwe ontdekking op het gehele dierenrijk over te dragen, en van daaruit het heelal totaal om te gooien. Dat is, volgens de wet waarop lawines gevormd worden, niet moeilijk meer. De keerzijde van deze werkwijze is alleen dat de oorspronkelijke nieuwe ontdekking over de huisvlieg in het nieuwe heelal verloren gaat, dat in de elefantiasis niemand meer het oorspronkelijk lichaam kan ontdekken. Onze tijd lijdt aan de ziekte om ook de meest bescheiden gedachte meteen en vrijblijvend tot een wereldbeschouwing te verwateren.


Dat is, tussen haakjes, de reden waarom alle achterwereldbewoners elke manier van lachen vergaat. Van de eenvoudigste grap tot humor. Alle lachen dat uit het hart komt, lacht immers over het verband tussen twee tegenstellingen. Tegenstellingen veronderstellen echter afzonderlijke dingen en juist die kan de door elefantiasis getroffene niet meer zien. Verwateren tot een wereldbeschouwing doodt elke humor.


Daarmee hangt samen het onmenselijke, literair-dialectische, geconstrueerde van de verkapte religies. Zelden wordt hun strijd, ook als het programma juist het tegendeel beweert, echt gevoerd voor mensen en dingen. Die is gericht tegen begrippen en opvattingen. Vraagt men een communist wat hij met een nieuwe staat bedoelt, dan zal hij zelden de moed hebben te zeggen dat de rijke heer Schulze en de grootaandeelhouder Müller doodgeslagen of hun geld afgenomen moet worden; hij deinst dan vrijwel als regel terug naar de wereld van de –ismen en doet zijn gedachte zo snel mogelijk in waarde dalen.


Voor het beoordelen van de hoofdzakelijk geïsoleerde verkapte religies, die onze tijd te zien geeft, moet nog antwoord gegeven worden op de vraag, die bij de behandeling van dit thema eigenlijk als belangrijkste vraag, zelfs bijna als enige vraag wordt beschouwd, die echter - men mag dat zeggen, zonder zich het verwijt van kunstmatige verspreiding op de hals te halen - de betekenis van verkapte religies onderschat en te lichtvaardig afdoet. Het is een feit dat nergens zoveel bedrog plaatsvindt als bij de achterwereldbewoners; en wat de zaak nog ingewikkelder maakt: het gaat verhoudingsgewijs zelden om bewust bedrog; de stoutmoedigste mengvormen van geloof en bedrog komen voor, en ten gevolge van het verrassende vermogen van de achterwereldbewoners om uiteenlopende zaken met elkaar in verband te brengen is het vaststellen of er sprake is van goedgelovigheid of bedrog zo goed als uitgesloten. Wij kunnen bij niemand in het hart kijken en moeten voorzichtig zijn met het verwijt van kille berekening.


Bovendien miskent dit verwijt, als het van meet af aan de verkapte religie wil vernietigen, haar essentie. Het probleem wordt daarbij niet gevormd door de hele en halve bedriegers, maar juist door de gelovige, die zelfs niet van zijn geloof afvalt, als zijn Heiland voor iedereen een bedrieger of charlatan is gebleken, die niet afhankelijk is van de verkapte religie. Men kan niet afrekenen met de afzonderlijke verkapte religie door een paar van haar grondleggers of bekendste vertegenwoordigers als bedrieger aan te wijzen. Het is zelfs iets te gemakkelijk om deze bedriegers zomaar te verachten. Als bijvoorbeeld zou blijken dat Rudolf Steiner zich vrolijk maakt over zijn mysteries, als hij in de kring van zijn meest vertrouwde leerlingen een paar flessen wijn gedronken heeft, zou ik persoonlijk eerder geneigd zijn hem daarvoor te bewonderen. Hij zou wel een bedrieger en schadelijk individu zijn, maar daardoor ook teruggekeerd zijn tot de normale en humoristische mensheid. Het probleem is juist dat Rudolf Steiner er nooit op komt en kan komen om over alles wat hij als godsdienstsurrogaat voortbrengt ook maar even na te denken en te lachen. Hem en alle andere Heilanden tot bedrieger uitroepen, betekent de zaak al te eenvoudig maken. Maar als blijkt dat hij geen bedrieger is, dat hij tot in het diepst van zijn hart doordrongen is van zijn geloof, wordt het pas het probleem dat hier opgelost moet worden. Bij het onderzoek van de afzonderlijke verkapte religie moet men zich dus niet beperken tot de bedriegers en meelopers; men moet zich, zoals ook bij de religie, beperken tot de overtuigden en gelovigen en aan wat, in een onwankelbaar geloof, met de meest innerlijke overtuiging naar voren gebracht wordt. De mogelijkheid van doortrapte zakelijke exploitatie en bedrog, dat in vrijwel alle verkapte religies bestaat, mag er niet toe verleiden om zich snel van het geheel af te maken. Zonder de bedriegers, blijven nog steeds de oprechten en bedrogenen over, die hun geloof zelden opgeven.


Toch zijn deze bladzijden niet geschreven om een of andere theosoof of communist van zijn geloof af te brengen. Dat zou ook een vruchteloze onderneming zijn. Het boek dient nu eenmaal het eenvoudige historische doel om, zover ik weet, voor de eerste keer een vergezicht van een terrein te laten zien, dat zich steeds verder naar voren en omhoog dringt. Als het daarnaast ook nog de stroming kan vervangen door verkapte religies en de (bij niet-achterwereldbewoners) bestaande opvatting - daar is iets mee –door heldere en uitgesproken gedachten, is dat haast meer dan te hopen valt.


Sommige mensen, die de verkapte religies afwijzen, geloven (ook de schrijver heeft dat vroeger geloofd) daartegen een argument te kunnen vinden in de omstandigheid, dat verreweg de meeste van hun aanhangers voor normale mensen, de niet-verlichten, in de omgang steeds onmogelijker en ten slotte volstrekt onverdraaglijk worden. Zij oordelen op de manier: aan hun vruchten - in dit geval de invloed op de leerlingen - zult gij ze kennen.


Hoe overtuigend dit argument ook lijkt, zo omstreden is het ook. Ongetwijfeld zijn theosofen, gebedsgenezers, antisemieten en occultisten in de persoonlijke omgang vrijwel nooit aangename mensen en worden des te onverdraaglijker, hoe meer en dieper hun geloof bezit van hen neemt. Maar ook de oude Goethe en de oude Bismarck, die helemaal van zichzelf en hun geloof doordrongen waren, schijnen, hoe graag men ook met hen gesproken heeft, in de dagelijkse omgang toch niet echt aangenaam geweest te zijn. De achterwereldbewoner beroept zich op zijn ontvangen verlichting, die van hem een nieuw mens gemaakt heeft en omdat wij niet dezelfde verlichting ontvangen hebben, is het voor ons geheel onmogelijk hem te weerleggen. Het enige dat we kunnen doen is onderzoeken wat zijn verlichting tot stand gebracht heeft, wat het aan waardevols teweeggebracht heeft. De huidige critici van de verkapte religies betwisten vrijwel altijd de verlichting als iets onmogelijks, inbeelding, bijgeloof en dergelijke. Hoe zeker dat ook in veel gevallen is, toch kunnen wij dat niet in alle gevallen beweren. Wij kunnen alleen de resultaten serieus nemen en hun waarde onderzoeken.


Lang niet alle verkapten religies kunnen hier ter sprake komen. Zoals al uiteengezet is hoeft niet iedereen die een van de hier besproken stromingen aanhangt, perse een verkapt religieus mens en achterwereldbewoner te zijn. Het gaat erom wat hij van die stroming verwacht en hoopt.


Ten gevolge van het vermogen tot bruggen slaan, dat de achterwereldbewoner zo overmatig bezit, is het moeilijk in het bespreken een volgorde te vinden, die niet de indruk van willekeur achterlaat. Hier is gekozen voor de indeling in intensiteit, de manier en hoe en in hoeverre de afzonderlijke verkapte religies bezit van hun aanhangers nemen. Wij zullen dus vanaf de eenvoudige inwijding in de mysteriën, waarbij de hele naïeve vreugde van het oplossen van raadsels overheerst, van geheimtaal en geheimschrift via de verschillende vormen van de nieuwe mens uiteindelijk belanden bij het occultisme in engere zin en de pogingen om een nieuwe religie te stichten, en al die bewegingen, voor zover het bij hun eigenaardige labiele aard mogelijk is, vanuit de Elephantiasis religiosa, vanuit de filosofische inflatie herleiden tot hun voorkomen en kern. En we zullen bij elk het eenvoudige onderzoek moeten uitvoeren naar de waarde ervan, als we ze niet gewoon als zwendel en charlatanerie willen bestrijden, maar juist serieus willen nemen en hun aanspraak recht willen doen gelden.



EERSTE DEEL:

HEROïSCHE ACHTERWERELDBEWONERS

V In het Voorportaal

Meer dan 30 jaar geleden verscheen de Duitse uitgave van een dik boek, dat voor het eerst de poging ondernam aan te tonen dat in ieder geval een aantal verkapte religies bij elkaar hoorden. Het was het boek: ‘Bijgeloof en Tovenarij' van Alfred Lehmann, directeur van het psychofysisch laboratorium van de universiteit van Kopenhagen, een boek dat bijvoorbeeld tegenwoordig nog steeds in occulte kringen geldt als het belangrijkste werk met een ontkrachtende strekking. Maar juist door die instelling raakte Lehmann op een spoor dat, zoals wij bij het behandelen van het occultisme nog in het bijzonder zullen zien, wel in een doodlopende weg moest eindigen.


Wie de verkapte religies onder het begrip bijgeloof samenvat, ziet een belangrijke trek over het hoofd: het achterwereldschap is altijd rationalistisch gefundeerd (ook als het het duizendmaal heeft over de mysteriën van het bloed, het ondoorgrondelijke en occulte). Het echte bijgeloof is daarentegen nooit rationalistisch gefundeerd. Het is geen surrogaat voor religie, maar daar een onwettige broeder van; het gaat uit van de religie en is daarom in een of andere vorm alle mensen eigen. Onmogelijk om kaarten te leggen zonder in God te geloven, zij het dan ook onbewust. Het bijgeloof is niet op zoek naar methode en verklaring. Het vertrouwt eerder gewoon op het wonder, met het gevoel dat het verstand toch ontoereikend is. Als ik geloof dat een gevonden hoefijzer mij geluk zal brengen, zoek ik evenmin een verklaring voor dat geloof als voor het bestaan van God. Ik vertrouw gewoon. Het onderscheid met de religie ligt meer in de veruiterlijking, dan in geest of zedelijk gedrag. Als ik kaarten leg ben ik niet op zoek naar bepaalde nieuwe wereldse wetten en oplossingen, maar vertrouw ik erop - heel religieus - dat God of een bovenaardse kracht de kaarten zo zal laten vallen, dat ze niet liegen. Ik verzoek God; ik smeek de hemel om een teken; ik zondig; maar zelfs in dat zondigen erken ik - heel religieus - het ondoorgrondelijke. Ik erken dat ik niets weet.


Daardoor komt het dat juist grote mensen bijgelovig zijn. Voor een stormachtige zitting van de Landdag slaat Bismarck, de realistisch ingestelde politicus, de immoralist, de Germaan, in wie in werkelijkheid, niet alleen op papier, het oude onchristelijke krijgerdom de overheersende kracht is gebleven: slaat dus Bismarck de Bijbel open en vindt de oplossing "De weg die gij gaat zal ik met u gaan" en trekt daarna niet alleen blijmoedig maar zelfs vergenoegd ten strijde. Hij wist dat men even dapper kan zijn als de dapperen van deze wereld en toch steeds verder tastend zijn weg gaat, als een kind in het duister.


De achterwereldbewoner, de verkapt religieuze, stamt uit het precies tegenovergestelde district. Hij begint als betweter en de eenvoudigste verkapte religie, de minst bestendige, maar misschien ook moeilijkst uitroeibare, is het gerucht, dat op alle levensterreinen aanwezig is. Wij hebben het meegemaakt in de oorlog en wel bij alle oorlogvoerenden. Nog in vredestijd heeft Hindenburg de Oost-Pruisische moerassen nauwkeurig uitgemeten, waar hij eens de Russen in wilden drijven; de Fransen bekenden zich tot het geloof dat de Duitsers nog in vredestijd geheime loopgraven hadden aangelegd in het kalksteen van de Champagne. In alle hoeken en gaten stonden betweters of, eerder nog, ergerweters op. Ze bevonden zich in het veld, aan het thuisfront, in de schuilplaats, in het etappegebied, op het ministerie van buitenlandse zaken en in de generale staf. Zoals dat in de grotere verkapte religies altijd het geval is, lag soms een greintje waarheid ten grondslag aan het geleuter. Maar daar ging het niet om. Verleidelijk was vooral het gevoel het beter te weten dan het misera plebs, een ingewijde te zijn. Men kreeg meer zelfrespect, al werd de geheime leuze morgen al weer ontzenuwd. Want overmorgen duikt er vast een nog mooiere op; zeepbellen in alle kleuren, de meeste echter zwart, waren immers goedkoop.


Waren? Dat zijn ze nog steeds. In Parijs fantaseert men en misschien niet alleen uit politieke berekening, af en toe over het Duitse militaire geheime genootschap "Frederik Barbarossa," met drie miljoen leden. Wij Duitsers, die weten dat dat een sprookje is, fantaseren in plaats daarvan niet alleen in romans, maar ook aan menig biertafel en in een serieus gesprek onder mannen over de geheime middelen, die de te verwachten Franse vliegtuigen uit de lucht kunnen laten neerstorten en over de uitvinding van meststoffen, waardoor onze oogsten zullen vermenigvuldigen - dingen, die niet als voorbeeld door mij bedacht zijn, maar die ik met eigen oren heb gehoord, niet als hoop (die bijvoorbeeld als vermenigvuldiging van de oogst opduikt bij mensen, die helemaal niets moeten hebben van charlatanerie, zoals onder andere Hans Heinrich Ehrler), maar helemaal in de vorm van het gerucht, als een rotsvast feit, als een al helemaal gebruiksklare redding. Hier wordt natuurlijk nogal wat gedicteerd door de behoefte van het moment - wij zullen dat trekje nog vaker aantreffen - maar net als eerder uitgevoerd, als zich gelegenheden tot bedrog aandienen: het tekenende daarvan is niet zozeer dat de leuzen koudbloedig ervaren, maar van harte geloofd worden. Zoals elke verkapte religie kan die alleen maar terzijde worden geschoven door een andere of, naar wij hopen, door de echte religie; maar nooit door logica. Want als men vervolgens doorvraagt, waarom de geniale uitvinder dan niet met dat middel voor de dag komt en ons redt, krijgt men het antwoord: ja, een regering als de huidige stelt de uitvinder natuurlijk geen middelen ter beschikking. Waarbij het volstrekt om het even is om welke regering het gaat; want de betweter zal zich tegen elke betweter keren. Het merkwaardige en tekenende is dat hij zijn uitvinder niet ondanks het er niet mee voor de dag komen, maar juist vanwege het er niet mee voor de dag komen als een vaderlandslievend man beschouwt. Hij is ontoegankelijk geworden voor logica; de overstap naar de verkapte religie is gemaakt, hij heeft haar eerste inwijding ontvangen.


De behoefte om geheimzinnig te doen vergezelt ons vanaf onze prille jeugd en neemt later de mildere vorm aan van exclusiviteit. Scholieren hebben hun geheimtaal, verliefden hun geheimschrift; een club heeft een eigen jargon en bij alle drie wordt het geheim als aantrekkelijk of waardevol ervaren - ook als het helemaal niet nodig zou zijn het geheim te bewaren. De zaak is ook meer dan alleen maar een maskerade, niet te verwarren met de verenigingen Schlaraffia en Allotria. Het is veel gewoner; dat wil zeggen, veel dieper verankerd. Elk beroep, iedere passie ontwikkelt zijn eigen woordenschat. Dat wil helemaal niet zeggen dat het vakjargon van de jager, kaartspeler, boekdrukker of timmerman bepaald karakteristieker zijn, dan gewone uitdrukkingen - hoewel ook dat vaak voorkomt - ; hun essentie berust er veeleer op dat niet iedereen ze begrijpt, dat ze voor de niet daartoe behorenden, de niet-ingewijden een boek met zeven zegels blijven. En dat ze uiteindelijk (daarin ligt hun verband met verkapte religies) een middel zijn om zich ten opzichte van de mensheid superieur te voelen. Iedere leerling van ieder beroep voelt zich verheven, zodra hij eenmaal het vakjargon beheerst. Het blijft echter merkwaardig dat dit verschijnsel eigenlijk niet met het eraan wennen verdwijnt, maar zo mogelijk alleen nog maar sterker wordt. Hier ontstaat, bij wijze van spreke, het ritueel van een verkapte religie, zonder de religie zelf.


Het verschijnsel blijft echter niet beperkt tot woorden alleen. De drang naar specialistische kennis slaat over op de inhoud. Een paar jaar geleden heb ik tot mijn ontzetting meegemaakt, dat een dichter met een verstandig en helder oordeelsvermogen, bij een gesprek over de Faust mij opeens duidelijk wilde maken dat Marlowe's Faust een veel krachtiger gedicht is dan Goethe's Faust; en dat hij die mening met zeer verrassende en alleszins juiste argumenten verdedigde. Alle afzonderlijke aspecten klopten zonder twijfel en waren helemaal niet te weerleggen; alleen had hij het gevoel verloren voor het geheel, voor de afstand tussen Marlowe's academische toverstuk en Goethe's wereldtragedie. De reden was minder dat hij over Marlowe's nogal schrale werk zeer verrukt was, dan dat hij de mening over Goethe's Faust niet accepteerde, terwijl die uitgerekend de algemene opvatting weergeeft. Iets dergelijks hebben we juist op literair gebied nog vaker meegemaakt. Over de beide broeders Hauptmann en Mann, die in de huidige Duitse literatuur faam hebben verworven, is om precies dezelfde reden - de drang naar betweten - de mening wisselend. Op het moment dat Gerhart Hauptmann aanstalten maakte om van een beroemde dichter te veranderen in een soort nationaal bezit, toen hij onder veel ophef zijn 50e verjaardag vierde, kwam de reactie: men vond niet zoveel aan hem. Dat had tot een kritische uiteenzetting, tot een nieuw licht op zijn werk en belang kunnen leiden. Maar de „ingewijden" maakten destijds kort metten met het gebeuren. Ze wezen niet eens op Gerhart Hauptmanns onmiskenbare tekortkomingen. Ze smoesden eigenlijk gewoon dat zijn broer, Carl Hauptmann, verreweg de belangrijkste en juist daarom tot dan toe onopgemerkt was. Terwijl het toch altijd al moeilijk is de zoon of broer van een beroemd iemand te zijn, verschafte hier het betweten, de drang naar exclusieve geheime kennis, de over het geheel genomen zeer onbeduidende Carl Hauptmann in kleinere kringen tijdelijk een aanzienlijke roem, zelfs succes. Natuurlijk kon dat niet van lange duur zijn, want het geheim bleef niet lang geheim en verloor zijn aantrekkelijkheid. Op precies dezelfde manier is het ook de beide broeders Mann vergaan, alleen dat hier het anti-karakter van het denken van de ingewijden zo mogelijk nog duidelijke aan het licht trad; een tijd lang ging men door voor meningloos en geestelijk achtergebleven, als men de als eerste beroemd geworden Thomas niet onuitstaanbaar en onbelangrijk vond. Toen Heinrich Mann vervolgens een tijd lang stormachtig succes had, werd de mening echter als snel weer rechtgetrokken; en terwijl de snelle boeken van Heinrich het lot van alle films delen, - dat ze snel afgespeeld worden - zijn de Buddenbrooks, ondanks het feit dat men tegenwoordig hun gesoigneerd en geconstrueerd zijn duidelijk en pijnlijk ervaart, toch gebleven wat ze waren: veel minder een klassiek werk van de moderne taalkunde, dan een onvergetelijk stukje wereld. Soms wordt het betweterschap uit nood geboren. Hierboven hebben we al gezegd dat het onjuist is om verkapte religies de kant op te schuiven van cocaïne, film en sleur. Maar de onstuimige verdediging van homoseksualiteit, die wij de laatste jaren meemaken, is een ook verkapte religie. Ook zij ontspringt aan het betweten: men zou graag in het algemeen meest menselijke, in de verhouding tussen man en vrouw man, een scheiding, een afscheiding willen aanbrengen. Welbespraakt haalt Oskar Wilde - die het zou moeten weten - in een gesprek met Frank Harris alle argumenten van deze verkapte religie voor de dag: vanuit het standpunt van schoonheid valt een knaap niet te vergelijken met een meisje. Elke beeldhouwer zou de brede heupen en zwaarhangende borsten moeten afzwakken en soepeler moeten vormen, klein, vast en rond moeten maken. Dat betekent dat vrouwelijke schoonheid in feite mannelijke geslachtsdrift zou moeten heten. Ook is een jongeman niet eerzuchtig, is alleen vriend en wil niets. Koestert niet zoals een vrouw, haat en nijd tegen het werk van de man. Vrouwen zijn katten; jongemannen mannen. De hartstocht van een vrouw is vernederend, ze verleidt onophoudelijk, heeft meer dan wat dan ook de begeerte van de man nodig om haar ijdelheid te bevredigen. Wat de gewone wereld laster noemt is geen laster; volgens hem is het iets, dat even goed is, als het was in de ogen van Socrates, Caesar, Alexander, Michelangelo en Shakespeare (de Duitse verdedigers voegen daar, ‘in de ogen van Frederik de Grote,' aan toe). Pas door het monnikenwezen is het tot zonde bestempeld; in de Romaanse landen, waar men dichter bij de natuur staat, wordt het nog steeds gedoogd; pas de puriteinse huichelaars, de Duitsers en Engelsen, zouden er een misdrijf van hebben gemaakt. Ze vervloekten echter alleen de zonden, waartoe zij zelf geen neiging bespeurden en noemden dat zedelijkheid. Een misdrijf is homoseksualiteit zeker niet, want het beschadigt niemand. En als het een ziekte is, dan lijken daar alleen de meest georganiseerden aan te lijden. Het menselijke verstand is niet in staat een argument te ontdekken dat een bestraffing rechtvaardigt. Alleen onontwikkelde mensen hebben daar een vooroordeel tegen.


Wilde's vriend Harris antwoordt dat de beeldhouwer ook bij het knapenlichaam de ribben moet afronden en de spitse knieschijven en de brede enkels moet verzachten. De jongeman geeft niets; als hij niet eerzuchtig is, is hij daarom ook niet bereid te offeren. Als hij minder innerlijk beslag legt op de man, is hij dus ook alleen in staat tot seksuele vriendschap en niet tot intimiteit.


Het vooroordeel dat alle volkeren, duizenden mensengeneraties, tegen homoseksualiteit koesterden, is bij hen in vlees en bloed overgegaan en tot inhoud van het leven geworden - een dergelijk vooroordeel, in stand gehouden door de leden van de meest uiteenlopende volkeren, telt zwaarder dan een groot aantal verstandelijke redenen; het is het vleesgeworden verstand, bekrachtigd door oeroude ervaringen. Ook het kannibalisme kan men niet afdoen met de verstandelijke overwegingen dat mensenvlees malser, voedzamer en smakelijker is dan elke andere vleessoort. Het argument tegen kannibalisme is niet een of andere verstandelijke overweging, niet het idee, dat mensen niet vetgemest en doodgeslagen zouden mogen worden, maar heel eenvoudig een gevoelsmatige afkeer. De herenliefde is een "variant" uit het duistere verleden, uit de afgrond der tijden, niet behorend bij toekomst en licht, maar bij het verleden. Socrates was er trots op dat hij zich nooit had overgegeven aan de knapenliefde. Het christendom, dat kuisheid gekweekt heeft, heeft daarmee de zinnelijke begeerte verhoogd en daardoor pas de vrouw tot gelijkwaardige metgezellin van de man verheven. Vergeleken met de knapenliefde van de Grieken is onze tegenwoordige hartstocht enorm verdiept.


Wilde valt hem in de rede: een onnozel vooroordeel; de wereld moet verdraagzamer worden en de mensen zouden zich moeten schamen dat zij hen, de voorvechters van iets dat op zekere dag algemeen als een verhevenere vorm erkend zal worden, met het tuchthuis hebben gestraft.


En nu treedt er in het gesprek een kentering op, de reden waarom het hier uitvoerig weergegeven wordt; het punt dat Wilde, ook letterlijk, het zwijgen oplegt.


Als je echt geloofd had, zegt Harris tegen hem, dat de mensheid op jouw weg voorwaarts gaat, had je vast opgetogen Galilei's rol gespeeld. In plaats van in het tuchthuis een boek tegen Lord Alfred Douglas te schrijven, had je dan wel een boek geschreven dat jouw handelen rechtvaardigde. Dan had je hardop geroepen: ik ben geen martelaar, geen misdadiger, ik sta boven jullie. En als je daarom strenger gestraft zou worden, had je je daarover verheugd, want dan had het je rechtvaardiging bespoedigd. Harris voegt daaraan toe dat hij de Engelse preutsheid huichelarij vindt en houdt het niet voor onmogelijk dat hij op zekere dag vanwege een "ontuchtig" boek voor het gerecht gedaagd wordt. Dan zal hij echter niet wegredeneren en spitsvondig weerleggen, wat anderen als ontucht beschouwen, maar het daar nogmaals benadrukken en erop wijzen dat alle oordeelkundige mensen in Engeland en andere landen aan zijn kant staan. Zelfs in het huidige Engeland zou hij dan, met zijn oprechte en van zijn goed recht overtuigde houding, niet alleen blijven.


Geen enkel woord kan de anders zo welbespraakte Wilde tegen deze argumentatie inbrengen. Wat Wilde betreft geeft dat blijk van vrijwel alle kenmerken van de verkapte religie; wat Harris betreft, van veel van wat bijvoorbeeld niet alleen tegen de herenliefde, maar tegen elke verkapte religie is aan te voeren. Aan Wilde's kant het betweten; de op zich juiste verstandelijke argumenten; het in een ander daglicht stellen van de wereldgeschiedenis, in de betekenis van zijn merkwaardige monomanie; argumenten die niet eens bestand waren tegen een paar Engelse doorsnee-rechters, van wie hij zonder twijfel veruit de meerdere was; alles bij elkaar, het talent om zichzelf, vanwege een enkel punt, waar men aan vast moet houden, meedogenloos voor de gek te houden. Van de kant van Harris de verwijzing naar het "vleesgeworden verstand," naar de verwisseling van verleden en toekomst en tot slot vooral naar een breekbaarheid, die zichzelf niet in stand kan houden, naar het vreselijke verschil tussen wat de verkapte religie beweert tot stand te brengen en wat ze werkelijk tot stand brengt. Toch neemt de verdediging van homoseksualiteit onder de verkapte religies een bijzondere positie, in zoverre dat het niet uit een bepaalde onduidelijke geestelijke behoefte voorkomt, maar - ten minst waar het aangeboren is - uit een heel duidelijke nood. Nood wordt deugd. Het gaat hier, op een hoger en belangrijker niveau, om hetzelfde gebeuren, dat (vóór de hoepelrok) het opvullen van de vrouwenjurk modern maakte: een Franse hertogin wilde haar zwangerschap verbergen. Maar het onderscheid blijkt juist uit het feit dat de homoseksueel met een soortgelijke bedoeling de manier waarop hij de kosmos ziet, van moraal en schoonheid, tot het verloop van de geschiedenis, op zijn kop moet zetten. De elefantiasis slaat toe.


Tegenover de behoefte zich in het geheim terug te trekken, exclusief te worden, een afgescheidenheid te vormen, dat diep in de menselijke natuur verankerd is, staat het tegenovergestelde: de hunkering om geheimen te ontsluieren of ontsluierd te zien. We zullen het niet hebben over de film, politieke onthullingen en andere soortgelijke actuele zaken. Maar elk tijdschrift heeft zijn puzzelhoekje; elke krant brengt haar detectiveverhalen.


Met het detectiveverhaal is het hele achterwereldschap verwant en op die verwantschap zullen wij nog vaker terugkomen. Aan de Sherlock-Holmes-boeken grenzen echter een paar bijzondere verkapte religies. Hun inhoud bestaat uit aanwijzingen, hun tegenwoordige namen zijn grafologie, handleeskunde en karakterologie; vroeger nam de schedel de plaats in van de hand.


Van buitenaf zien al die aanwijzingen er volkomen vlekkeloos uit. Niemand betwist dat onze karaktereigenschappen tot uitdrukking komen aan hand en schedel. Bij het handschrift is dat zo zeer het geval, dat het voor het vaststellen van de levensverwachting bij verzekeringen al een rol begint te spelen. De verzekeringsdeskundige Bruno Kurth heeft in de „Umschau" verslag uitgebracht over onderzoek in die richting. Hem werden de handtekeningen van 10.000 polissen voorgelegd, zonder dat hij wist wanneer de betrokkenen gestorven waren. Hij probeerde, uit zeer bepaalde en verhoudingsgewijs opvallende kenmerken van het handschrift, de natuurlijke levensduur te berekenen. Het resultaat was dat hij 75% juist berekend had en dat bij de overige 25% het verschil tussen zijn opgave en de werkelijke leeftijd bij overlijden zes jaar bedroeg. Heel duidelijk is het verslag niet. Hoe zit het met de verongelukten? (Vanzelfsprekend beweert de deskundige niet dat men bijvoorbeeld op een spiritistische manier uit het handschrift ook het overlijden door een ongeluk kan voorspellen.)


Merkwaardig en voor dit hele terrein belangrijk is, dat zonder enige verklaring van het woord ook de leek uit de verschillende handschriftvoorbeelden, als hij daar onbevangen naar kijkt, de levensduur kan opmaken. Zonder enig grafologisch onderzoek en motivering blijkt duidelijk dat iemand, die zo regelmatig, met zo weinig ophef en toch ongedwongen zijn handschrift neerschrijft als Kant, een vooruitzicht op een lange levensduur heeft. Op de geheel onbevangen leek maakt dit handschrift de indruk van een toonbeeld van rust, zuiverheid en vermijding van enig overbodig vertoon, zonder gedwongen stroefheid. Uit het daarnaast gelegde handschrift van de jonggestorven sprookjesschrijver Wilhelm Hauff (1802 - 1827!) spreekt het tegendeel van het onbevangene; de man is dan ook snel versleten. Gewoon kijken naar het handschrift is verhelderender dan de hele bewijsvoering van Kurth; ook iemand die helemaal niets van Kant en Hauff afweet, zou zonder dat hij ook maar in het minst over de redenen duidelijkheid hoeft te hebben, Kant een langere levensduur (dat wil zeggen minder slijtageverschijnselen) toekennen.


In feite oefenen wij, en vast niet alleen bij de indrukken die wij van een handschrift opdoen, elke dag die ons met mensen in contact brengt, de kunst uit om uit zijn uiterlijke optreden iets op te maken over zijn innerlijk. Dat gebeurt geheel onbewust; een groot deel van ons samenleven met mensen berust daarop.


Maar, zal men tegenwerpen, de gevoelsmatige conclusie trekken dat het met onze vriend Müller niet echt goed kan gaan, omdat hij zich slecht staande kan houden, leidt tot niets zekers. De handleeskunde en het zojuist aangehaalde grafologisch experiment leveren daarentegen heel zekere resultaten.


Het is de vraag of dat juist is. Als wij, afgaand op de totaalindruk van iemand, niet tot zekere resultaten komen, komt dat waarschijnlijk omdat de betreffende persoon in zijn innerlijk en uiterlijk niet uitgesproken is; de meeste mensen vertonen meestal geen bijzonderheden. Toch becijfert Kurth het jaar van overlijden in driekwart van de gevallen juist en voor de rest met een kleine afwijking. Dat klopt; maar wie zegt ons of er niet ongeveer hetzelfde percentage uitkomt, als men de polissen op grond van conclusies uit de mortaliteitsstatistiek opnieuw bewerkt had? Als mijn natuurkundeleraar niet gelogen heeft, of mijn geheugen mij niet bedriegt, was het 15 jaar geleden in de weerkunde zo, dat men in ongeveer 50-60% een treffer had; terwijl men voor 75% een treffer heeft als men eenvoudig en onbeschroomd voor morgen het onweer van vandaag voorspelt.


Desondanks zouden, met name als men de zojuist getrokken grenzen voor ogen houdt, conclusies uit hand, handschrift en schedel, misschien precies op dezelfde manier belangrijk kunnen worden, zoals de weerkunde dat geworden is; als de grafologie, chiromantie en frenologie inmiddels geen verkapte religies zouden zijn geworden.


Dat gebeurt op twee manieren. Een keer door monomanie, door het overwaarderen van een enkele trek. Alleen de hand, alleen de schedel, moet de toekomstige uitlegger alles over de mens vertellen. Monomanie vertoont immers bovendien de neiging tot blikvernauwing, en over een paar jaar kunnen we misschien naast de chiromanten een school van gelovigen meemaken, die alleen de manier waarop iemand bij het roken zijn sigaar vasthoudt als veelzeggend voor zijn karakter opvat. Het begin is er al; kranten brengen daar al kleine artikelen over, waarbij het goed is te bedenken dat ook de verkapte religies, die tegenwoordig al opgerukt zijn tot de hoofdartikelen, in het begin genoegen moesten nemen met kleine, halfspottende, onderhoudende stukjes.


Veel sterker blijkt de verandering in een verkapte religie uit een tweede karaktertrek. Hand, schrift en schedel moeten niet alleen iets zeggen over de gewone, ook uit de totaalindruk af te lezen aard van iemand. Nee, ze moeten juist openbaren wat hij wil verbergen of zelf niet weet. Hier wordt niet, zoals we allemaal dagelijks doen, een indruk vastgesteld en in het bewustzijn geladen; hier worden details verklaard. Het geheime, het geheimste moet eruit, de mens moet ontraadseld worden. Dat is de verwachting, waar men vanuit gaat als men zich op deze terreinen richt: niet het gewone, maar iets bijzonders, verborgens te weten komen. Hier betreedt het achterwereldbewonerschap het toneel.


De aanwijzingen van Sherlock Holmes zijn daarentegen alleen van deze wereld. Hij gaat niet verder dan gedachtelezen; maar alleen gedachten die de ander zo duidelijk en sterk gedacht heeft, dat ze zelfs tot uiting komen in zijn gezicht, in zijn bewegingen. Hij verklaart niet, hij neemt waar; hij brengt niets tevoorschijn dat voor de ander zelf een geheim is. Alleen de manier waarop hij het naar buiten brengt doet geheimzinnig aan; maar ook dat maar zo lang, als hij het eenvoudige verband niet uitlegt. Hij is ook veel "breder;" de hele mens en zijn omgeving zijn het terrein voor zijn waarnemingen en daardoor maken zijn zeer eenvoudig tot stand gekomen resultaten een wonderbaarlijkere indruk, dan die van de uitlegger.


Die laatsten zijn slim genoeg om dat te zien en in afzonderlijke gevallen ook dapper genoeg om dat openlijk toe te geven. Een hedendaagse handenlezer, mevrouw Naval, veronderstelt aan het slot van haar boek heel eerlijk, dat de lezer nu, op de laatste bladzijde, vast helemaal niets meer weet, in ieder geval minder dan op de helft van het boek, laat staan aan het begin. Ze spreekt hem toch toe de moed niet te verliezen, mettertijd zal hij de hand wel leren lezen. Dat wil zeggen dat ze haar regels terugbrengt tot intuïtie, tot het instinct, dat ieder van ons maar halfbewust, maar niet minder duidelijk heeft, als hij naar een onbekende hand kijkt of zelfs voor het eerst een handdruk van iemand krijgt.


Al eerder had ze veelzeggend gewezen op de overeenkomst tussen de diagnose van de arts en handleeskunde. Voor de arts duiden rozige handen op een goede bloedcirculatie en daarmee op een blijmoedig en levendig karakter. In hetzelfde geval luidt de verklaring van de handlezer: goed karakter, gezond, levendig, open. Bij rode handen stelt de arts de diagnose hyperemie; daaruit volgt: een driftig temperament, genieter. De uitleg van de handlezer is: genotzuchtig, luidruchtig, driftig, vrolijk. Over blauwe handen zegt de arts: hartziekten, zwaarmoedigheid, zwaartillend, melancholie, afgunstig; de handlezer: melancholiek temperament, tobberig, stil. Men hoeft geen verdere parallellen te trekken, want ieder van ons zal zonder meer dezelfde conclusies trekken als de handlezer en de arts. Iemand die onbevangen is zal zelfs tot veel zekerdere conclusies komen. Hij ziet namelijk dat rode of blauwe handen ook veroorzaakt worden door bevriezing, door werken in koud water of iets dergelijks. Hij overtreft de handlezer omdat hij de hele uiterlijke mens kan gadeslaan; en als de arts op zijn beurt de leek de baas is, komt dat doordat hij zijn diagnose hartziekte of hyperemie vast en zeker niet alleen op rode of blauwe handen baseert, maar op veel zekerdere, eenduidige aanwijzingen.


Nog duidelijk treedt de superioriteit van de gewone man over de uitlegger aan het licht, als de laatste probeert de monomanie te omzeilen en alle waarneembare aspecten bij de mens samen te vatten in een enkel karakterologisch systeem. Dat levert dan onbetwistbaar juiste resultaten op, maar van een huiveringwekkende banaliteit. Een volle, ronde kin wijst op goedheid; een hoge, brede borst betekent moed en kracht; grijze ogen beduiden levendigheid, vastberadenheid, hardheid; de eeuwige glimlachers zijn gevaarlijk; lange nagels betekenen intelligentie zonder daadkracht. Dat weten we allemaal, zonder ons dat met een treffende zekerheid bewust te worden, zodra we iemand aankijken. Wij weten zelfs meer, omdat wij hem als geheel, als levend wezen en niet als optelsom zien.


De werkwijze is als volgt: men stelt naast de regels sleutels vast, die ons het geheim van ieder mens door zijn uiterlijk moeten ontsluiten; de regels zijn meestal volstrekt onberispelijk, maar volslagen banaal; en tot slot komt alles er eveneens heel terecht op neer, dat de intuïtie de afzonderlijke waarnemingen moet samenvatten, om een indruk en mening te krijgen.


De handlees- of grafologieleerling is dus even slim als tevoren.


O nee! Want inmiddels heeft zich in de monomanie en het duiden, die hem de hoop gaven achter het geheim van de mens te komen, de overstap voltrokken naar de verkapte religie. Hij is nu niet meer zo slim als ieder van ons, die op de aanblik van een mens met een indruk reageert en bij voldoende belangstelling om deze indruk vast te leggen, die in een mening probeert te veranderen; hij is veel bekrompener geworden. Want hij let nu nog maar op één punt en omdat hij weet, wat dat punt volgens de regels betekent, verliest hij niet alleen zijn onbevangenheid, maar ook het vermogen tot een echt scherpe analyse, die immers door de formule van tevoren al bepaald is.


Dat gebeuren zal zich nog vaak herhalen: de verkapte religie maakt wat, onbevangen gezien, zin- en waardevol had kunnen zijn, zinloos. De handschriftuitlegger (natuurlijk niet te verwarren met de wetenschappelijke handschriftdeskundige, die bijvoorbeeld het identiek zijn van twee verschillende handschriften vaststelt), de handlezer, de frenoloog, brengen in feite minder tot stand dan de onbevangen mens. De hele mens zijn gang laten gaan, niet verklaren, niets verwachten, lost het raadsel (als de waargenomen persoon er een heeft) veel grondiger op, dan de monomane verklaring van de achterwereldbewoners. Heel onvriendelijk zou men kunnen zeggen dat de laatste niet alleen de mindere van de mens, maar ook van de hond is. Het instinct van Max of Nero voor of tegen mensen kan betrouwbaarder zijn dan de regels van de ontsluieraar. Heeft de laatste toch succes, dan pas op het moment waarop hij alle regels weer vergeet, ze in het instinct samenvat. Maar dan zouden die regels misschien dus toch nuttig zijn? Ja. Voor mensen van wie het vermogen om op mensen te reageren van huis uit abnormaal zwak is.


Dat verklaren minder belangrijke en minder zekere resultaten oplevert, dan onbevangenheid, is waarschijnlijk zelfs voor de verklaarders duidelijk. Want voor de achterwereldbewoner is de inwijding in de geheimen veel boeiender dan het resultaat. Dat is de reden dat hij er niet mee ophoudt.


Dat komt bijzonder scherp aan het licht in het speculeren met getallen. Een filosoof of wiskundige kan het hele heelal in getallen laten opgaan, kan alle harmonieën en dissonanten van de kosmos terugvinden in het rijk der getallen, zonder dat hij daarom van zijn speculeren een verkapte religie hoeft te maken. Voor hem zijn getallen het symbool van de wereld, niet de verklaring van de wereld. De echte getallenmystagoog, of hij nu aan de kabbala werkt of zoals Max Eyths kostelijke sprookjesheld aan de piramide van Cheops, benoemt echter uiteindelijk altijd zijn getallen. Hij wil daarmee echte verbanden ontsluiten, wil achter iets komen. Zijn speculeren met getallen ontspringt niet meer alleen, zoals het speculeren met getallen in de oudheid, aan het verlangen naar geheimen of uit de theocratische behoefte, een superieure, voor de gewone man ontoegankelijke positie te bewaren; het moet praktische resultaten opleveren, die echter een echte doolhof vormen en ongeveer van het vijfde wereldtijdperk, het arisch-germaanse wereldtijdperk tot de uiteindelijke overwinning van Duitsland in het jaar 1934 gaan. Getallen zijn het geduldigste materiaal voor elke verklaring; daarom is misschien het speculeren met getallen rijker en ouder dan elke andere verkapte religie. Het verandert eeuwig vorm en betekenis, zonder echter de essentie te veranderen. Als ik in geheimschrift de letter u heb, kan die letter hoogstens de andere 24 letters van het alfabet betekenen. Wat kan het getal 3 echter niet allemaal betekenen? Tussen de drie-eenheid van God en de liefde in 3 tempi, bestaat er niets tussen hemel en aarde, dat het niet zou kunnen betekenen. Met getallen valt alles te verklaren en alles te verbinden. Daarom loont het niet de moeite hier nader op in te gaan.


Er moet echter één ding benadrukt worden. Voor zover ik weet, schrijven bijna alle getallenmystici een geheime kracht toe aan de oneven getallen, de niet deelbare en beschouwen die als het ware als oergetallen. Een uitleg die zonder meer ieder levensecht mens zal aanspreken, want ook hij ervaart zijn leven als iets dat niet verder te herleiden, niet zonder rest deelbaar en niet probleemloos is. Het blijft daarbij echter merkwaardig dat de getallenmystagogen, die dit scherpzinnige inzicht hebben, aan de andere kant toch proberen het geheim van het leven uit te rekenen, zelfs uit het speculeren met getallen praktische, tastbare resultaten af te leiden.


Ten minste op één bijzonder en in zekere mate gewaardeerd werk van de tegenwoordige getallenspeculatie moet hier in het kort ingegaan worden, namelijk het boek dat Wilhelm Fließ aanduidt met "De Levensloop" en waarmee hij de basis wil leggen voor een exacte biologie. Zijn belangrijkste stelling luidt dat de man net als de vrouw bepaalde levensperioden kent; bij de vrouw tellen die in de regel 28 en bij de man 23 dagen en beide perioden kunnen elkaar afwisselen. Hij trekt praktische conclusies: ook de man is in zijn "kritieke dagen" even onzeker en zwak en moet evenmin belangrijke en moeilijke dingen ondernemen, als de vrouw tijdens haar maandstonden.


Men spitst gespannen de oren. Daartegen pleit hoogstens dat een zo elementaire zaak duizenden jaren onopgemerkt gebleven zou zijn; dat zelfs Fließ geen mythe, geen sage, geen sprookje, kortom geen enkel overgeleverd vermoeden kan aanvoeren, dat vóór die wetmatigheid pleit. Ervoor pleit dat beiden, man en vrouw, mensen zijn; dat ergens, ook in het verloop van hun uiterlijke leven een verband, een equivalent voor de vrouwelijke maandstonden vast te verwachten is. Men neemt dus het boek gespannen ter hand en volgt, ongetwijfeld met de bedoeling iets nieuws en fundamenteels te weten te komen, de uiteenzettingen. Als bijvoorbeeld de levensduur van Goethe en Bismarck en zelfs ook nog hun verschil in productie teruggevoerd wordt op 23 en 28, wacht men aandachtig af wat er nog meer komt. Als echter nog op dezelfde bladzijde van die ingewikkelde getalvormen opduiken, zoals (28^2 +23*28)/4, als dan verder ook nog het halve of hele jaar erbij gesleept wordt en als vervolgens het verschil van 28 en 23, het getal 5, en de som van beiden, het getal 51, een bijzondere betekenis krijgen, zal alleen nog een wiskundige kunnen uitmaken of en in hoeverre het mogelijk is, in elk willekeurig getal deze magische getallen weer te laten opduiken. Als de schrijver dan echter ook nog de vrijheid neemt om naar behoefte het getal 1 op te tellen of af te trekken en met de op die manier verkregen aantallen, verschillen, vermenigvuldigingen, quotiënten en machten (wortels zijn voor zover ik kan zien de enige die niet voorkomen) verder te rekenen, dan lijkt niet alleen de biologie, maar ook de exactheid enigszins spaak gelopen te zijn. Het werk van Fließ behelst geen verkapte religie en heeft, voor zover ik weet, geen gemeente met een bijzondere eredienst opgeleverd; maar het laat wel treffend zien hoe hoog de methoden van de mystagogie tegenwoordig reiken en voor welke problemen ze toegepast worden.


De getallenmystagogie is, als men deze uitdrukking mag gebruiken, een verkapte religie op zich; daarom is het voor iemand, die niet van huis uit de geestelijke instelling daarvoor bezit, bijzonder moeilijk om zich daarin te verplaatsen en dat aan te voelen. Ik zou daarom ook niet durven beweren dat door de uiteenzettingen op de voorgaande bladzijden de stof ook maar op de belangrijkste punten bekritiseerd is.


Wij bevinden ons echter weer op vastere grond bij het bekijken van de pogingen om de grote dichtwerken uit de wereldliteratuur, bijvoorbeeld de Hamlet en de Faust, een bijzondere, verborgen betekenis, een betekenis achter deze wereld, in de schoenen te schuiven. Het is daarbij volstrekt om het even wat de sleutels zijn en hoe de waarheid achter de geopende deuren eruit moet zien. Al die pogingen miskennen namelijk volstrekt het wezen der kunst. Terwijl ze in de illusie verkeren dat ze haar juist grootse betekenis en toewijding geven, duwen ze haar omlaag tot het niveau van een filosofisch cryptogram.


Juist de kunst is bij uitstek geschikt om heel duidelijk het verschil aan te wijzen tussen religie en verkapte religie, tussen boven- en achterwereldbewonerschap. Sterker dan ieder van ons voelt de kunstenaar dat hij en zijn werk tussen twee geheimen in staan, dat zijn werk uit een geheim voortkomt en in het geheim uitmondt. Maar waarin bestaat het belang van zijn werk, als het niet juist daarin is, voor de meelevenden op zeker moment het geheim weliswaar niet op te lossen - dat op deze aarde onmogelijk is - maar het mysterie toch zichtbaar, aanschouwelijk te maken? Kunst, zou men kunnen zeggen, is de enige vorm van verlichting, die niet zonder eerbied kan, die niet overweldigt. Zelfs waardevolle, meer recente dichters tuinen, en vast niet alleen omdat het modieus is, in alle vormen van mystagogie. Dat is verklaarbaar omdat zij zich voelen als iemand, bij wie het kunstenaarschap eindelijk na zoveel jaar zeer onbevredigende vakliteratuur, niet langer uit het hoofd, maar uit het bloed opstijgt - en zo zijn ze ook. Ze geloven steun te vinden in het erkennen van de intuïtie, die immers uit het gewone leven verbannen lijkt te zijn - ondanks het feit dat dat gelukkig niet zo is –. Ze bedenken en voelen daarbij niet dat verkapte religie, van welk soort dan ook, veel vijandiger tegenover kunst staat, dan verlichting en wetenschap. Terwijl de laatsten het geheim van alle grote kunst loochenen, door haar van de aarde los te maken, haar haar oorsprong en grond ontnemen, haar van huis uit tot doel op zich maken (wat echter pas voor het voltooide werk opgaat), zien de verkapte religies, ten minste consequent wat betreft dit punt, in alle kunst alleen nog maar de drinkbeker voor een min of meer duistere roesverwekkende drank.


En dat, terwijl het toch juist de belangrijkste functie van kunst is om voor een moment uit het geheim naar buiten te leiden. Het grote werk ontspringt aan  het geheim en mondt daar in uit; maar het blijft doorslaggevend dat het de donkere stroom, die wij leven noemen, een kort stukje helder verlicht. Kunst en mystagogie zijn vijanden van elkaar. Omdat de kunstenaar een mysticus is, mag hij geen mystagoog willen zijn.


Niet achter de woorden, nee, in de woorden van elk groot gedicht ligt zijn geheim.


Gij die des hemels zijt
Alle leed en lijden stilt
Hem die dubbel ellendig is,
Dubbel met verkwikking vult,
Ach, ik ben de drukte moe!
Wat moeten al dat leed en lust?
Zoete vrede,
Kom, ach kom aan mijn borst. (Wanderers Nachtlied I)
Boven alle toppen
Heerst rust.
In alle kruinen
Bespeur je
Nauwelijks een zucht;
De vogels zwijgen in het woud
Wacht maar, weldra
Rust ook jij. (Wanderers Nachtlied II)


Dat deze 16 regels van beide gedichten meer verschaffen dan de schrale gedachte dat de mens rusteloos is, maar er dat op het eind toch vrede komt, is voor iedereen duidelijk. Maar dat onderscheid bestaat op het esthetische vlak helemaal niet meer. Het gaat er niet alleen maar om dat Goethe de gedachte zo kan uitspreken dat hij ons overtuigt. Integendeel. Hij hoeft ons helemaal niet te overtuigen. Het zou een geheel tegenovergestelde opvatting kunnen zijn. Het kan zijn dat iemand fanatiek aan het leven hangt en heel argeloos bang is om dood te gaan. Het kan zijn dat iemand vol is van de zoetheid des levens en de dood, als overgang naar het niets, haat. Toch licht voor hem in deze korte regels iets op, dat zich onttrekt aan elke weerstand van een afwijkende mening en niet anders uitgesproken kan worden, dan Goethe het heeft uitgesproken. Voor uitleg is het om de eenvoudige redenen ontoegankelijk, omdat het zelf al uitleg is, maar, anders dan de mystagogie, een uitleg die haar zekerheid en bevestiging in zichzelf draagt.


Eenvoudiger gezegd: als het hier door Goethe geopenbaarde geheim, ook in andere woorden uitgedrukt, begrijpelijker gemaakt zou kunnen worden, dan die 16 regels doen, zou, om heel menselijk met Reuters mevrouw Pastorn te spreken, Goethe zelf vast wel de eerste zijn geweest. De enige die het gekund had, zou een dichter zijn geweest, die nog bezetener was dan Goethe. Dus juist het tegenovergestelde van de achterwereldbewoner.


Toch is de laatste verontschuldigd als hij een begin maakt met het tweede deel van de Faust. Dat hij dat met de schijn van rechtmatigheid kan doen, is de scherpst denkbare doeltreffende kritiek op het tweede deel, veel scherper dan die bijvoorbeeld door Friedrich Theodor Vischer is geleverd. Toch moet men er in dit verband op wijzen, dat ook in het tweede deel de woorden ‘geheime bedoelingen,' die Goethe gebruikt, alleen betrekking hebben op de persoonlijke bijzonderheden van zijn leven en denken, zodat de biografisch-filologische commentator de enige is, die de tweede Faust daadwerkelijke kan "ontraadselen." De "uitlegger," de achterwereldbewoner, die van hem een verkapte religie maakt, kan dat niet. Hij heeft namelijk de pech als uitlegger een veel te ingewikkelde uitleg te zoeken en, daarboven en over zijn verkapte religie heen, de werkelijke religie van de Faust over het hoofd te zien, die gewoon heel eenvoudig luidt: wees niet bang voor het leven; werk, dan zal je dat allemaal toevallen; alleen zo iemand verdient de vrijheid en het leven. De wijsheid van de laatste regel, die Goethe zelf in betrekkelijk droge woorden geeft, bevat natuurlijk niet het geheim van het werk. Dat valt niet uit te leggen. Goethe was daarvoor de eerst aangewezene en het verwijt tegen hem luidt, dat hij het op zijn leeftijd niet meer duidelijk kon maken, het niet meer kon ontrukken aan de greep van de uitleg van de achterwereldbewoners.


Shakespeare treft daarentegen niet dezelfde blaam. En toch is hij in hevige mate onderwerp geweest van wichelarij doordat er beweerd werd dat Shakespeare eigenlijk Bacon is of Ruthland, in ieder geval iemand anders dan de William Shakespeare uit Stratford, de zoon van een vrijwel bankroete ambachtsman, die in zijn jeugd ongebreideld liefhad, onbezonnen in het huwelijk trad, naar Londen vluchtte, zich bewoog te midden van toneelspelers en het daar door zwendelarij en het uitkopen van vennoten tot een welgesteld man bracht. Daarvan is zoveel waar, dat wat wij van het leven van de toneelspeler en toneeldirecteur Shakespeare weten, niet echt overeenstemt met zijn toneelstukken. De Bacon-aanhangers hebben helemaal gelijk met de bewering dat deze dichter niet alleen beschikt over de slaapwandelende zekerheid van het genie, maar ook over de door geen enkel talent te vervangen zekerheid van een goede opvoeding en beheerste instelling; dat bij hem nergens een parvenuachtige karaktertrek aan het licht komt (wat zijn de karaktertrekken van iemand die zich opgewerkt heeft toch opvallend, als men bijvoorbeeld Hebbel of Wagner als vergelijking neemt). Het is niet zomaar dat Bismarck van Shakespeare hield; misschien minder vanwege zijn bezetenheid, als vanwege de politieke en standvastige vorm waarin die gegoten is. Shakespeare was geen bovenmenselijke romanticus; hij was een politicus en gezelschapsmens; de enige dichter die koningen koninklijk heeft weergegeven. Hij beteugelt, net als Bismarck, het demonische tot een niet alleen politieke, nee, tot een diplomatieke, zelfs hoffelijke vorm. Het unieke van deze dichter berust in het feit dat hier een genie zich tegenover de uiterlijke en innerlijke vorm volkomen loyaal gedraagt, volkomen verbonden blijft met zijn tijd en werkelijkheid, zonder zichzelf ook maar het minste geweld aan te doen en zich toch, voor zover wij kunnen vermoeden - want de "Tempest" laat ook andere conclusies toe - volkomen uitleeft. Niemand, na hem, heeft dat op die manier tot stand gebracht. Shakespeare forceert nooit, zoals de echte romantici, de vorm, wordt nooit revolutionair. Juist dat zou echter, gezien de weinige van hem bekende biografische gegevens, te verwachten zijn geweest. Hier staat geen parvenu, ook niet iemand die zich op een grootse manier opgewerkt heeft, met karaktertrekken waarvan zelfs Goethe zich in zijn dichtwerk en leven niet vrij heeft kunnen maken. Hier staat een dichter, die gelijk God, niets meer van de wereld verlangt en aan wie zich daarom het wonder voltrekt van dat prachtige Indiase gezegde: ‘wie zonder enige begeerte is, aan hem onthult de aarde haar schatten, want ook een moeder verbergt haar lichaam niet voor haar kinderen.' De Londense theaterspeculant was volgens het weinige dat wij van hem weten, bijna zoiets als de overdreven tegenpool van die houding; het is niet eenvoudig zonder meer te geloven dat hij die stukken geschreven heeft.


Tot zover zeggen de Shakespeare-mystagogen niet alleen iets dat juist is, maar zelfs de waarheid. En ook wat ze verder beweren klopt, namelijk dat het ons niet om het even kan zijn wie die werken geschreven heeft. Soms verstouten de Shakespeare-biografen zich zelfs tot de heimelijke of openhartige bewering, dat het ronduit een geluk is dat we geen Shakerspeare-filologie van het soort van de Goethe-filologie hebben. Zij halen daarmee op een vreemde manier waarheid en dwaling door elkaar. Want als deze parvenu uit Stratford, op zijn Spengleriaans gezegd, de Reinhardt van de aankomende 17e eeuw, die op zijn zeer uitgesproken, maar wel volstrekt tegenovergestelde manier als de dichter Shakespeare, ook een groot talent was - als deze vluchteling uit Stratford werkelijk deze werken geschreven had, dan is het paradoxaal genoeg juist bij de grote realistische dichter die wij hebben, terecht om aan te nemen, dat kunst en kunstenaar helemaal niets te maken hebben met aardse verhoudingen, dat het genie niet alleen uit de lucht valt, maar ook verder boven de aarde zweeft, dat zijn leven hem helemaal niets levert en dat hij met de eerste ademtocht al klaar is; een familiebladopvatting, die in de kunstenaar een slaapwandelende, lichtzinnige schurk ziet met wingerdloof in het haar. Dat is zelfs in de praktijk niet geheel onbelangrijk; want op grond van die opvatting kan ook voortaan elke jongeman, die geleerd heeft te schrijven krachtens de nieuwste bohemienmode, - dat betekent tegenwoordig lange haren, elegantie of occult priesterschap - zich een genie voelen. De Shakespeare-mystagogen zeggen ongetwijfeld te veel, als ze beweren dat de werken van Shakespeare tegenwoordig in een verkeerd daglicht staan. Want een lezer of toneelspeler die nog tijd voor bespiegelingen vindt over de levendige indruk van een stuk van Shakespeare, sluit zich af voor het geheim van het werk. Niet voor de uitwerking van de toneelstukken van Shakespeare, die voor zichzelf kunnen opkomen, maar voor onze opvatting over kunst in het algemeen, is de vraag niet onbelangrijk. Zoals bij vrijwel alle verkapte religies, zit hier een kern van waarheid in, die echter snel verdwijnt als de aanhangers van Bacon gaan bewijzen dat de jongeman uit Stratford de zoon van een leerlooier is geweest. Een voortreffelijk argument tegen het geestelijke vaderschap van deze toneelstukken. Alleen kunnen ze daar niets mee beginnen. Bovendien maken ze hem ook nog verwijten, zoals dief, moordenaar en echtbreker, die heel goed passen bij de demonische kant van zijn werk en eerder wel dan niet een bewijs zijn voor zijn schrijverschap.


Omdat ze te geobsedeerd zijn om uit de aard van de stukken vermoedens over het niet-auteurschap waarschijnlijk te maken, vervallen ze in een systeem van duizend uitvluchten. Ze zeggen: deze dichter moet verstand hebben gehad van het recht of Italiaans beheerst hebben; en daarom kan het niet de onontwikkelde toneelspeler zijn geweest. Maar de tegenpartij heeft volkomen gelijk als ze de conclusie trekt: deze dichter moet Italiaans meester geweest zijn, dus is Shakespeare in Italië geweest. Stukken van zijn leven liggen uiteindelijk in het duister en de chronologie van de werken berust grotendeels op vermoedens.


Zo worden zelfs de Shakespeare-mystagogen uiteindelijk gedwongen te erkennen, dat in deze vergelijking alle grootheden onbekend en aanvechtbaar zijn, tot de werken aan toe. En bij dit juiste inzicht zou, als daar op een goede manier gebruik van wordt gemaakt, in elk geval een discussie mogelijk moeten worden over de vraag. Bij hen begint nu het laatste en groteske bedrijf van de Shakespeare-mystagogie: niet Shakespeare, niet Bacon, niet Ruthland, maar waar het bij hen om gaat: de ontcijfering van het geheimschrift. Elk jaar worden er een dozijn nieuwe systemen ontdekt, in alle talen en in alle landen.


De simplistische gedachte, dat men uit het materiaal van een paar honderdduizend versregels (die door het raadplegen en vergelijken van de verschillende uitgaven ook nog eenvoudig te vermenigvuldigen zijn, zonder daarbij nog de willekeurigheid van de schrijfwijze en de drukfouten te rekenen, die ten behoeve van de oplossing letterlijk veroorloven in plaats van een U een X te lezen) alles kan uitkiezen wat iemand schikt, gaan de ontdekkers en ontdeksters angstvallig uit de weg. Dat heeft zijn reden. De vraag maakt zich volledig los van Shakespeare en Bacon en wordt een verkapte religie. De ontdekker spint zich zo in in zijn ontdekkingen, dat hij het einddoel helemaal uit het oog verliest. Hij belandt ten slotte niet bij een met merkwaardige middelen tot stand gebrachte bijdrage aan de literatuurgeschiedenis, maar gewoon bij een Poe-achtige roman, die echter het nadeel heeft veel lijviger te zijn en het glasheldere van de detectivebedenker volledig te missen. Hoezo Shakespeare, hoezo Bacon; de detective en zijn kunsten zijn de hoofdzaak.


Op die manier is een tamelijk belangrijke en boeiende literair-historische vraag zo in diskrediet gebracht, dat het tegenwoordig enige moed vereist, om daar zelfs maar een probleem in te zien; terwijl aan de andere kant de strijdigheid tussen de spaarzame biografische gegevens en de aard van de werken, niet weg te nemen is.


Maar dit hoofdstuk is misschien al te lang. Want alle hier vermelde gebieden zijn alleen van betekenis als voorportaal van de verkapte religie. Iemand die misschien heel verstandig als amateurchiromant begint, zal waarschijnlijk als spiritist of theosoof eindigen. In ieder geval zijn de poorten van de occulte tempel voor hem opengegaan. En wie aan de kwestie Shakespeare-Bacon de roesachtige bekoring van het ontcijferen van geheimschriften heeft leren kennen, bevindt zich eigenlijk al midden in de magische wereld en is niet meer staat dingen van elkaar te scheiden, maar in plaats daarvan wel naar believen en willekeurig en toch altijd met verstand, zelfs met een enorme inzet van het verstand, met elkaar te verbinden.


VI Waar een wil is ...

De verkapte religies - want er zijn er meerdere, hoewel ze onderling samenhangen - die in enigerlei vorm de wil tot middelpunt maken, reiken van de Hoe-wordt-ik-wilskrachtig-boeken tot de Übermensch, van de ambtenaar die zijn salaris zou willen verbeteren, tot de filosoof die de vraag naar de zin van de mensheid wil beantwoorden. De verkapte religies van de wil lijken het meest aanspraak te maken op overeenstemming en waardering in de werkelijkheid. Oppervlakkig gezien zou het zelfs kunnen lijken dat ze eigenlijk de werkelijkheid tot voorwerp van verering maken.


Heel veel van hen zijn erop uit afzonderlijke mensen te helpen. Nadat Hoe-wordt-ik-wilskrachtig een schertsvraag geworden is, kleedt men haar in een nieuw jasje; spreekt over het oefenen van de wil, de kunst van het concentreren, overwinnen van remmingen, doeners, kunst, de 24 uren van de dag goed besteden, religie der arbeid, het hooglied van het scheppen. En naar de etalages van de grotere en gerenommeerdere boekhandels te oordelen, valt er tegenwoordig met mensen die doeners worden, hun 24 uur juist besteden en de schroom voor hun chef willen overwinnen, aanzienlijk beter zaken te doen, vooral vaker, dan met mensen die graag een nieuwe roman lezen.


Men zal tegenwerpen dat er altijd van dat soort boeken en mensen zijn geweest, en dat ze producten zijn van ons concurrentiemaatschappij. Mensen hebben inderdaad altijd uit alle macht eraan gewerkt om nieuwe bruikbare kennis te verwerven, hun inkomen te vergroten en vooruit te komen. Alleen de middelen zijn fundamenteel anders geworden. Vroeger leerde men schoonschrijven, stenografie met zelfstudie, Engels met brieven. Dat heeft allemaal niets gemeen met verkapte religie.


Tegenwoordig leert men in plaats daarvan de wil te oefenen; daarmee is echter het terrein van de verkapte religie betreden.


Meteen al in het begin van de beschouwing stuit men op de merkwaardige omstandigheid dat de nieuwe weg - volstrekt tegengesteld aan de oude moeizame weg en de doeners, die zij belooft te onderrichten - de gemakkelijkere is. Het is zonder twijfel een veel zwaardere en van meet af aan meer vastberadenheid en energie vereisende opgave om Engels te leren, dan heel algemeen de wil te vormen. Het eerste beloont alle moeite met een vrij twijfelachtige kennis van een enkele taal; het tweede staat volkomen borg voor een verkapte religie, voor alle schatten der wereld, waaruit iedereen kan uitzoeken wat hij wil. Het bespaart op die manier de zich ontwikkelende doener de moeite om echt iets concreets te doen en de naar concentratie strevende, de inspanning zich op iets bepaalds te concentreren.


Deze voorlopige bedenking met betrekking tot de leerling, sluit meteen aan bij die tegen de leraar. Ze lijken op een bepaald punt op de pedagogen die zich in Monte Carlo, Zoppot en enige ander plaatsen, met veel succes wijden aan het verbreiden van systemen voor roulette en baccarat. Bedriegers? Men hoeft van een geluksspel niets te begrijpen; men kan de vraag onbesproken laten of er eigenlijk wel een winstgevend systeem mogelijk is; of het bijzondere systeem van de spelprofessor succesvol is. In plaats van dat alles zal een verstandig iemand gewoon vragen: maar als dat systeem enorme winsten oplevert, waarom is de verkoper van het systeem dan geen miljonair? Waarom is hij alleen maar filantroop zonder al die miljarden? Waarom wil hij anderen die weldaad bewijzen?


Precies dezelfde vragen kan men ook aan mensen richten, die energiesystemen verkopen. Waarom halen ze zich op een lichtzinnige manier concurrentie op de hals, als het naleven van hun eigen leer hen veel meer zou moeten opleveren dan de handel?


In tegenstelling tot de verhongerde, arme en haveloze spelprofessoren kunnen de energieverkopers erop wijzen dat zij vrij succesvolle mensen zijn, die benijdenswaardig veel geld verdienen - namelijk in hun beroep. Zij kunnen er ongetwijfeld op wijzen dat hun energie hen ertoe gebracht heeft om met de verkoop van hun systemen behoorlijk zaken te doen.


Vraagt men dan echter door, waarom de energiehandelaar op grond van de ontwikkeling van zijn wil geen staalmagnaat is geworden, wat immers zonder twijfel nog lucratiever zou zijn, dan zal hij als hij eerlijk is, alleen kunnen antwoorden: omdat mijn talent en innerlijke neiging op het terrein van de systeemverkoop ligt en niet dat van de staalproductie. Daarmee zijn we echter al meteen bij de kern van de zaak beland. Het ontwikkelen en onbewust inzetten van de wil veronderstelt van meet af aan een doel. Geloven in de wil op zich is een vergissing. Ik kan mij niet met alle energie op het schrijven van boeken storten. Ik kan mij er alleen op concentreren dit boek met al mijn wilskracht verder te schrijven en af te maken. Op de keper beschouwd kan ik dat niet eens. Ik kan mijn wil alleen inzetten om vandaag nog dit hoofdstuk af te maken, kan vermoeidheid en de verleiding tot luiheid steeds opnieuw het hoofd bieden, maar moet het gevecht elke dag opnieuw aangaan. Dat valt niet eens en voor altijd door het ontwikkelen van de wil op te lossen. Met andere woorden, de wil valt niet te omzeilen. Zij blijft gebonden aan wat ik van het begin af aan wil, en ontvangt haar prikkel en hardnekkigheid pas door het doel. Als dit boek of dit hoofdstuk mij onvoldoende boeit, om mij de wil te geven het af te maken, zal het waarschijnlijk blijven liggen. Weet wat je wilt, dan zal je wil uit zichzelf sterk worden. Wees onduidelijk over wat je wilt en de hoe berekend je ontwikkeling van de wil ook is, het zal je niet helpen.


Wij willen nog even verwijlen bij het schrijven van boeken. Dat is een, voor het aanschouwelijk maken van de wil, buitengewoon geschikt terrein. Een boek schrijven vereist immers meer echte inzet van de wil dan wat dan ook. De staalproducent kan dan wel onder de veelsoortigheid van zijn zakelijke aangelegenheden bijna instorten en met de uiterste krachtsinspanning alles in de hand houden, maar afgezien van allerlei uiterlijke levensomstandigheden, komen bij hem toch alle prikkels van buitenaf. Hij is nooit alleen afhankelijk van zijn eigen initiatieven. Zijn werk komt tot stand op verzoek en hij moet het werk van vandaag vandaag doen, als hij het al doen wil, want morgen is het te laat; postverwerking en bedrijfsvoering werken voor hem als een karwats.


Voor iemand die boeken schrijft dreigt in het gunstigste geval een zachte vermaning van zijn uitgever. Wat hij aan energie opbrengt, moet hij uit zichzelf, beter gezegd uit zijn boek zelf halen en de waarde die hij aan zichzelf en zijn handelen toekent. Hij kan, zoals ik al eerder een keer heb gezegd, misschien beter morgen schrijven dan vandaag, en wat hij overmorgen niet klaar krijgt, lukt hem misschien over een week. De natuurlijke luiheid van de man (bij de vrouw is die misschien minder groot; vandaar Courts-Mahler) neemt bij het schrijven van boeken absoluut ongelofelijke vormen aan; brengt hij toch wat tot stand, dan alleen op grond van echte energie. En er valt niet langer te beweren dat dit niet geschoold kan worden. De stijl kan geoefend worden, het vermogen om helder te ordenen, de werkwijze. Maar, en dat is het kenmerkende, niet door regels. Er bestaat een boek, "De leerschool van het schrijven," en dat is een zeer voortreffelijk boek. Het heeft maar één nadeel: het leert teveel. De stof gaat van aforisme tot toneelstuk in vijf bedrijven. Daarbij verschaft het zeer voortreffelijke richtlijnen. Maar het cruciale punt is dat ik eerst moet weten of ik een aforisme of een toneelstuk in vijf bedrijven wil en kan schrijven, om er gebruik van te kunnen maken. Probeer ik alles na elkaar, dan kom ik tot niets. De poging om de wil te scholen, voordat men weet wat men wil, de methode als surrogaat voor een ontbrekende inhoud gebruiken, moet wel stranden.


Dat is echter slechts de buitenkant van de dingen en iemand zou kunnen tegenwerpen: ik weet al wat ik wil; ik kan het alleen niet tot stand brengen en juist daarom probeer ik dus mijn wil te ontwikkelen (hoewel men er helemaal zeker van kan zijn dat 9 van de 10 lezers van de Energos-boeken, die lezen omdat ze niet weten wat ze willen). Maar zelfs als ze dat wel weten en geloven dat ze alleen een beetje energie missen, moeten ze het antwoord krijgen dat ze functie en belang van de wilskracht behoorlijk overschatten. Ze moeten het antwoord krijgen dat ze onvoldoende duidelijk zijn over hun doel of dat dit doel voor hen zelf niet belangrijk genoeg is, om daar warm voor te kunnen lopen.


In plaats van de wil, het innerlijk geestdriftig zijn voor een doel? Ja, maar zelfs dat overschat nog de functie van de wil. Het belangrijkste is voor hem onbereikbaar. Wij zullen dat later nog in grotere verbanden zien; voor het moment volstaat het, helemaal aan de "methoden" vast te houden. Als men er bijvoorbeeld met alle wilsinspanning woorden en grammatica van een vreemde taal instampt, zal de beloning een nogal twijfelachtige kennis zijn. Juist bij het leren van talen is dat al heel lang bekend en op steeds slimmere manieren heeft men geprobeerd om bij leerlingen kennis als het ware binnen te smokkelen, door hen op dezelfde manier vreemde talen te laten leren als hun moedertaal. Het zou onjuist zijn deze methoden, die juist de afgelopen tijd zo gedetailleerd uitgewerkt lijken te zijn, te verwijten dat ze rekening houden met de gemakzucht van de leerling. Daarin komt eerder alleen het besef tot uitdrukking, dat de wil in de grote dingen des levens niet de haar toegeschreven primaire rol (men kan wat men wil) speelt; dat zij eigenlijk ook niet gebonden is aan de mate van innerlijk betrokken zijn en waardering, maar dat de grote dingen ons op de eerste plaats nu eenmaal moeten toevallen. Vanzelfsprekend is daarmee de wil niet uitgeschakeld. Heb ik energie, dan zal ik misschien volgens een van de psychologische taalmethoden zeer snel en degelijk leren en is mijn wens om de vreemde taal te beheersen echt heel sterk, komt die uit het diepst van mijn hart en niet uit een bepaalde uiterlijk motief, dan zal misschien ook de oude Ploetz met zijn "Ik zie de rivier," terwijl ik in werkelijkheid alleen het oefenboek zie, mij voldoende kennis verschaffen.


Misschien betwist men niet de juistheid van de uitvoering, maar haar waardigheid (iets dat dit boek misschien vaak zal overkomen, maar dat ligt aan de inhoud, die bij het grootst mogelijke openbare belang, toch in afzonderlijke stukken gewoon met schouderhalen afgedaan pleegt te worden). Misschien zegt men wel: je doet te veel moeite; ieder verstandig mens weet uiteindelijk wel wat die wilsscholen waard zijn. Maar dat zou een vergissing zijn. Het oefenen van de wil wordt hier namelijk niet onmogelijk verklaard of de waarde van een standvastige wil bestreden; het wordt alleen maar teruggebracht tot het feit dat er eerst een doel moet zijn, dat iemand eerst iets ten deel gevallen moet zijn. Daarom kan bijvoorbeeld het individuele te rade gaan bij de wil zeer waardevol zijn en zijn boeken over de wil in sommige gevallen zeker zinvol, namelijk als er al doel en wil bestaan.


Misschien zal men verder zeggen, dat het toch veel te bekrompen en kwetsbare kringen zijn, die op deze wijsheid vertrouwen. Mee eens. Maar hoe komt het dan dat onze hele tegenwoordige literatuur nog maar twee soorten kent: de genotzuchtige, vlinderachtige kunstenaar (waarin de schrijver iets autobiografisch verschaft of ons voorliegt) en de onbuigzame, wilskrachtige man. Hij treedt overal op; hij is in feite de praeceptor mundi en wie dat niet wil geloven, moet vanavond maar eens naar de dichtstbijzijnde bioscoop gaan of blindelings een greep doen in een stapel Ullsteinboeken. Hij zal hem vast vinden, de man die niet als eerste, maar wel het succesvolst beschreven is door Bernhard Kellermann in Der Tunnel, met ogen zo hard als diamantstaal, smalle bloedeloze lippen, die binnen 30 minuten een hele vergadering kapitalisten in zijn zak steekt, een leger van miljoenen arbeiders afbeult en de dood in jaagt, maar ten slotte toch zegeviert. Tegenwoordig kan hij elke gedaante aannemen; die van de miljardair of detective zijn op dit moment het meest geliefd. Ze spreiden in de clubfauteuil en voor het tafeltoestel uiterst elegant een buitengewone wil ten toon; wat zeer eenvoudig is als men naast de clubfauteuil en het tafeltoestel nog iets anders heeft. Het echt boeiende gedeelte, het gedeelte waarin de energie van de hoofdpersoon als het ware naakt, zonder telefoontoestel of rundleer aan de dag kon treden, namelijk de manier waarop hij omhooggeklommen is, blijven de schrijvers ons regelmatig schuldig. Als ze al wat doen, geven ze een vluchtige schets, bijvoorbeeld: de eerste 1000 Mark verdiende hij als krantenverkoper, het eerste miljoen met oliebronnen; maar als het eigenlijke verhaal begint, bekleedt de hoofdpersoon al een schitterende positie en is verantwoordelijk voor grote plannen, zodat van de energie van de wilskrachtige man alleen nog maar de naam overblijft; want de echte energieke periode heeft hij bij het begin van het verhaal al achter zich.


Maar beschikken wij dan niet over de memoires van grote mannen? Zien we daar dan niet hoe doelbewuste energie van de penning in de zak uiteindelijk het miljoen en van de jongste bediende de grote handelsmagnaat maakt? Bij nader inzien en weglaten van de boekomslag van de uitgever, zien we nogal het tegendeel. (Als de schrijver namelijk eerlijk is; over de zedeprekende miljardairs heeft Mark Twain al het nodige gezegd). Als we onbevooroordeeld kijken zien we dat bij de anderen zich meestal mislukkingen ophopen; zien ze met grote, maar vergeefse wilsinspanningen heen en weer tasten. En waar loopt het op uit? Zetten ze dan echter hun energie steeds meer in, zeggen ze bij zichzelf: het is kennelijk niet genoeg dat ik tien uur met mijn beroep bezig ben en acht uur met eigen werkzaamheden om vooruit te komen; zal ik van nu af aan eens een 22-urige werkdag invoeren? Man kan ervan overtuigd zijn dat er tegenwoordig van dat soort mensen bestaan; het valt alleen te betwijfelen of ze ooit in staat zullen zijn om opmerkelijke memoires te schrijven. Bij mensen die dat wel hebben gedaan gaat het er meestal omgekeerd aan toe. Hen valt op zekere dag iets in, een kleinigheid, een verandering, iets waardoor ze vooruit konden komen - en vanaf dat moment begint ook hun vooruitkomen. Soms is dat echter helemaal niet nodig. Dickens heeft zichzelf van ellende stenografie geleerd, zich energiek de weg naar boven gebaand en had met al dat prachtige vooruitstreven een Engelse parlementaire verslaggever en journalist kunnen blijven, zoals honderd anderen. Op zekere dag krijgt hij een opdracht van de krant; hij moet een begeleidende tekst schrijven bij grappige sportafbeeldingen van een bekende tekenaar. En wat doet die energieke Dickens dan? Klemt hij zijn kaken op elkaar, besluit hij alles op alles te zetten en met die opdracht een beroemd man te worden? Hij doet juist het tegenovergestelde. Hij schrijft zonder enige rekening te houden met toekomstige roem, status van schrijver of aangetast door het Hogepriesterschap der Kunst, de begeleidende tekst, zoals iemand van ons bij tekeningen van Paul Simmel tegen betaling een grappige tekst zou vervaardigen. Hij schrijft dat en onvoorzien levert dat hem de Pickwickers op, die een levenswerk openleggen, zoals dat zo zorgeloos en overigens vanuit heel soortgelijke toestanden, verder alleen door Balzac tot stand is gebracht. Zijn energie bracht hem alleen uit de schoensmeerfabriek naar de stenografenbank van het Lagerhuis en, als hij erop gerekend had, dat hij energiek door zou werken, was hij daar waarschijnlijk (met een dozijn prijzen in snelschrijfwedstrijden) geëindigd.


Misschien zegt nu iemand dat het niet verrassend is dat bij de wil ook nog talent moet komen. Het belangrijkste is echter in de tegenovergestelde richting te vinden: namelijk dat de wil, als die niet gebreideld wordt, het talent in de weg staat. En het grootse aan Dickens is dat die hele bewuste inspanning, die hij nodig had om zich omhoog te werken, zijn onbevangenheid niet heeft aangetast, dat hij in het leven de meest gevoelige en ontvankelijke man was, die men zich kon voorstellen, dat lachen en huilen en wanhoop over elk afbrekende kritiek en een grenzeloos en naïef optimisme bij hem zo dicht bij elkaar lagen; kortom, dat hij in alles juist het tegendeel was van de wilskrachtige man, die ons die boeken aanpraat.


Boeken! Maar de doener is immers juist het tegenovergestelde van boeken! zegt de huidige mens minachtend. Wij hebben hierboven al gewezen op het verbruik van initiatieven bij de schrijver van boeken, dat zonder twijfel dat van de staalmagnaat ruimschoots overstijgt; wij zullen nu het terrein van de schone kunsten verlaten en overstappen naar de held, die in de buitenwereld werkzaam is.


Daarbij stuiten we meteen op het merkwaardige feit, dat de huidige doener, de grote zakenman, de veldheer, de uitvinder, allemaal bureaumensen zijn. Wat deed de heer Stinnes? Hij groef niet alleen steenkool op: hij stond bekend als doener, omdat hij geen steenkool groef. Hij dicteerde, telefoneerde, verhandelde, gaf instructies; hij werkte aan zijn bureau. Willen we een echte doener zien, dan moeten we bij de kunstenaars zijn, bij de autocoureurs, stuntvliegers en ons nog vele treden naar beneden begeven, naar de wereld van Wedekind. Maar het zijn helemaal niet die kringen, die onze bewondering voor doeners opeisen.


Al werken ze ook achter het bureau, toch willen ze in tegenstelling tot artistieke mensen de echte wereld veranderen en daar invloed, nee, echte bevelsbevoegdheid krijgen over mensen en dingen. Ze willen invloed uitoefenen op de staat, op de maatschappij - en, om dat gemakkelijker te maken, nodigen ze, gesteund door een paar filosofen, ons uit hen alsjeblieft te bewonderen. Vroeger noemde men dat heldenverering en er zijn maar weinig mensen die daar aanspraak op kunnen maken. In dat gevoel zijn wij echter democratischer geworden en aanbidden tegenwoordig elke doener.


De oude oprechte heldenverering en nog meer hun nieuwere voortzetting, vervalsten echter al de werkelijkheid. Het is immers volstrekt juist en terecht dat helden vereerd worden. Maar wanneer? Zodra ze zich als held bewezen hebben. Dat wil zeggen, nadat hun heldendom, het moeilijkste gedeelte, het herkend worden van het niet herkende, ver achter hen ligt. Gedurende de tijd dat ze held op zijn sterkst zijn, worden ze gehaat en vervolgd; anders zouden het geen helden zijn. In die haat en vervolging schuilt geen ondankbaarheid, maar een wet. Frederik de Grote werd tijdens zijn leven meer bewonderd door zijn tegenstanders en de bewoners van andere Duitse staten, zoals de jonge Goethe, dan door zijn trouwe onderdanen. Bismarck verging het op dezelfde manier. Toen hij begon, hoopten zijn latere bewonderaars hem, tot welzijn van het vaderland, wol te zien spinnen en tijdens zijn leven hebben zijn medewerkers nauwelijks tijd gevonden om hem te bewonderen, omdat ze te zeer onder hem gebukt gingen. Het idee dat, als een held als Siegfried en stralend uit de hemel neerdaalt, de mensen bereid zouden zijn hem geknield te ontvangen - een idee dat door de roep naar heldenverering niet vereist, maar bevorderd wordt - valt niet te handhaven.


Maar dat is nog het onschuldigste van het geheel. Al minder onschuldig is dat door georganiseerde heldenverering een geheel onjuist beeld ontstaat van de echte held en dat de heldenvereerders hun helden in het graf onteren. Deze ontering gebeurt op twee heel verschillende manieren, maar dat levert, als het om een verkapte religie gaat, geen enkel probleem op.


Aan de ene kant kleineren de aanbidders hun helden zeer grondig. Van Bismarcks ruiterlaarzen, stalen helm en lange fluit worden door zijn aanbidders zijn essentie gemaakt. De misantroop Frederik, die de opkomende Duitse geest de weg verspert, wordt een amusante en geestige medewerker aan schoolleesboeken. Heus, als dode helden konden praten, zouden hun verzuchtingen afwisselend zijn: tegen mijn vijanden heb ik mij beschermd, maar wie beschermd mij tegen mijn vrienden? en: jullie lijken op de geest, die jullie begrijpt, mij niet. Alleen al dat wij het durven hem de bijnaam de Grote te geven, is nogal opdringerig en door het verlenen van die titel begint de heldenvereerder zijn verering gewoon met een soort heiligschennis.


Als anderzijds de programmatische heldenvereerder het maar een enkele keer met zichzelf eens zouden kunnen worden over het verschil tussen de echte Bismarck en het door Lenbag geschilderde portret van Bismarck - maar zelfs dat kan hij niet; anders zou hij namelijk een eerbiedige bewonderaar zijn en geen opdringerig-familiaire vereerder.


Dezelfde mensen, die de held tot hun eigen formaat verkleinen, proberen echter aan de bovenkant een el aan hem toe te voegen, in de vorm die zij voor het eigenlijke heldhaftige houden, de energie, de wil. En die vervalsing heeft, al is die ook eenvoudiger aanwijsbaar, nog ernstigere gevolgen. Dat het een vervalsing is hoeft men niet meer te bewijzen. Frederik, die voor het ergste geval vergif bij zich draagt, Bismarck, die zich in zijn verdriet maandenlang in zijn bossen begraaft, niets wil weten en toch alles wil weten, die zich terugtrekt en vervolgens weer zenuwachtig tussenbeiden komt, Bismarck, die huilbuien heeft, tegenover een bezoeker openhartig, zij het niet helemaal waarheidsgetrouw, verklaart dat hij een en al zenuwen is, voortdurend over ziekte en zakelijke overbelasting steunt en tot slot momenten heeft, waarop hij onverschillig (maar niet echt) tegenover zijn enorme karwei staat: deze beide heren bewijzen heel duidelijk dat het ideaal van de wilskrachtige held in het eerste leesboekje thuishoort.


Misschien is het goed voor erg slechthorenden - en maar weinig achterwereldbewoners hebben gezonde trommelvliezen - op te merken, dat de held met dat alles niet gekleineerd, maar groter gemaakt wordt. Pas dat het het overwinnen van lafheid is, maakt dapperheid waardevol en pas dat hij zijn eigen menselijke zwakheid steeds weer in zware gevechten de baas wordt, maakt van iemand een held. Maar dan hebben we nog de wil! Helemaal gelijk, die hebben we ook nog. Alleen gedraagt zij zich zo ongeschoold mogelijk. Alleen bijt zij niet de tanden op elkaar, maar breekt los. Alleen concentreert zij zich niet, maar overstroomt alles. Alleen werkt zij niet gezond en geconcentreerd als hoogste uiting van de persoonlijkheid, maar bijna ziekelijk. Alleen is zij, kort gezegd, helemaal niet bestemd voor dagelijks gebruik.


Frederik de Grote die, als het geen Hohenzollernlegende is, van 4 uur 's ochtends tot 8 uur 's avonds ijverig in de weer was, kan enigszins beantwoorden aan het ideaal van de wilskrachtige man. Op het gevaar af voor een onverbeterlijke mopperaar door te gaan, mag men echter zeggen dat hij met die uiterlijke bezigheden, die echter veroorzaakt waren door de breuk met zijn vader, die zijn jeugd kenmerkt en ten slotte van een volledig mens een grote cynicus gemaakt heeft, niet het onbelangrijkste deel van zijn roeping gemist heeft: Potsdam en Weimar samenbrengen. De gevolgen van zijn wilskracht en korporaalsstokje zullen we nog lang merken.


In het dagelijkse leven van Bismarck kan van wilsinspanning alleen maar sprake zijn als het voor zaken vereist was. Dan bracht hij het bovenmenselijke tot stand. Maar ook alleen dan; alleen als zijn doel hem aanvuurt. Voor de rest is hij de eerste rijkskanselier, voor elke plichtsgetrouwe en plichtsbeseffende Pruisische ambtenaar het tegenovergestelde van een voorbeeld. Hij staat om 10 uur op, werkt dan nog een hele tijd niet en slaagt er zo in zijn diensturen naar de late avond te verschuiven. Bij tijd en wijle geeft hij zich volledig over aan zijn kuren en zijn ondergeschikten lezen uit het opkrullen van zijn wenkbrauwen zijn humeur af en de dagen waarop men hem niet lastig mag vallen. Geen spoor van zelfbeheersing, van bewust oefenen van de wil.


Maar Napoleon dan, de kille, gladde, daadwerkelijke Übermensch, die alleen maar bezeten is van zijn doel, dat er niet meer is, omdat zijn wil grenzeloos was en alleen maar beperkt werd door zijn macht? Aanschouwelijk is voor ons beschreven hoe deze "Übermensch" werkte, die namelijk meteen opgewonden alles om zich heen verzamelt, vervolgens weer heel kortstondig ontspannend, achteloos tekeergaat in zijn stoel, vluchtig een boek ter hand neemt - tot hij weer een inval krijgt. Dan komt alles weer in gang en hetzelfde spel, ontspannen en spannen, begint van voor af aan. Merkwaardig is de karaktertrek, waarin Napoleon echt een bijzonder sterke wil toonde, namelijk dat hij zijn wil kon uitzetten wanneer hij wilde. Kon hij dan helemaal naar eigen goeddunken en zonodig 18 uur werken, drie secretarissen dooddicteren en wereldrijken in een aanvalsplan vernietigen? Nee, juist het tegenovergestelde. Hij kon slapen, wanneer hij maar wilde.


Alleen maar een onjuist historisch beeld? Is er alleen maar een historische correctie nodig, om dit geheel tot een cultus van de wil vervlakt heldenideaal te laten verdwijnen? Laten we hopen. Intussen heeft het genoeg onheil aangericht. Het heeft niet minder aangericht dan de laatste oorlog haar heilloze en zinloze, want volkomen onkrijgshaftige, vorm te geven. Gezien het belang van de stof, ben ik zo vrij nog wat verder uit te weiden. Als er ergens een doener te vinden is, schijnt dat wel in de oorlog, in de veldheer te zijn. Het is de moeite waard hem in die laatste oorlog gade te slaan.


VII Nakaarten

Tijdens de oorlog hield een beroemde Duitse filosoof ooit een voordracht waarin hij ons, zoals zovele anderen, de overwinning beloofde. Hij bewees dat ook, omdat wij door vaklieden geleid worden, de tegenstanders van de beroepsleken, de parlementariërs. Men hoeft maar eenmaal te kijken naar de vakman Tirpitz, die zijn schip van de laatste schroef tot de laatste klinknagel kent, en als zijn tegenhanger, naar de Engelse zogenaamde minister van Marine, de doodgewone windhond Churchill. Het kon dus niet goed gaan met de tegenstanders. Wij geloofden de filosoof en gingen getroost naar huis.


Het heeft lang geduurd voordat ons vertrouwen in de vaklieden aangetast werd. Het is tegenwoordig nog steeds niet aangetast, ondanks het feit, om bij het taalgebruik van de filosoof te blijven, de windhonden de zege behaald hebben op de coryfeeën.


Oorlogsgeschiedschrijving en oorlogskritiek zijn ongetwijfeld altijd "afhankelijk van het resultaat, opgepoetst," al mag Clausewitz de oorlogscriticus uitnodigen in zijn uiteenzetting geen tijdelijk geweld en grootsheid, ijdelheid en valse schaamte te ontzien en niets dan de waarheid, de hele waarheid te vertellen; al mag ook Bernardi een hele waslijst van eigenschappen schrijven, die het vaststellen van de waarheid van de oorlogsgeschiedschrijving in de weg staan: ijdelheid, eenzijdigheid, kleingeestigheid, heerszucht, egoïsme; dat zijn dus maar een paar van de weerstanden die hij noemt.


Maar afgezien daarvan overschatten oorlogscritici (die, zoals we nog duidelijker zullen zien, bijna allemaal de verkapte religie van de wil aanhangen) de oorlog en veldheren in alle opzichten. Zo zijn ze bijvoorbeeld geneigd te zeggen, dat door de veldheerkunst, moed en volharing van Frederik ondanks alle nederlagen de Zevenjarige Oorlog toch gewonnen is en concluderen daaruit dat deze oorlog over het geheel genomen met het genie van een veldheer gevoerd is. Dat kan een leek niet betwisten, maar mag daar wel aan toevoegen, dat de oorlog ongetwijfeld voor de geniale Frederik II gewonnen is door de volstrekt stompzinnige en gemankeerde Peter III, die net op het juiste moment kortdurend op de troon zat. Zonder dit gelukkige toeval zou ons oordeel over Frederik misschien heel anders luiden.


Al die dingen delen een gevoelig tik uit aan de oorlogskritiek en nu ook nog aan de Duitse! Is dat niet gewoon wrok, eerzucht en afgunst van de overwonnenen, de tekortgekomenen? Maar dan klinkt opeens en verassend een stem van de kant van de stralende overwinnaar: het falen van ons veldheerschap heeft feitelijk niets verrassends, want ook aan de kant van de overwinnaar was de veldheerkunst ronduit bluf. Jean Pierrefeu, de schrijver van de verslagen van de Franse generale staf, verzekert ons niets minder, ondanks het feit dat hij, en dat bepaalt de waarde van het boek, veraf staat van het pacifisme en juist heel krijgszuchtig en nationalistisch is. Wat hem dwars zit is bijvoorbeeld niet dat de oorlog zo stuitend onhandig is gevoerd. (Tegelijkertijd heeft een andere Fransman het hele probleem teruggebracht tot negen woorden, toen hij een naoorlogse brochure voorzag van de titel: Sur l'incapacité des militaires à faire la guerre.)


Ondanks de heldenverering heeft het romantische beeld van de veldheer, dat de legeraanvoerder meer dan levensgroot met sabel, op het zwarte paard, aan het hoofd van zijn dappere troepen zag, al voor de oorlog afgedaan. Shaws helden zijn boven de dertig. De doelmatige Zwitser Bluntschli heeft al voor de oorlog in het algemene beeld gezegevierd over de doodsverachtende dapperheid van Saranoff. Wij vonden er al eerder niets paradoxaals meer aan, dat onder bepaalde omstandigheden eten voor soldaten belangrijker is dan patronen en dat de snelle aanvoer van voorraden (dat in wezen spoorboekjeswerk is) belangrijker was dan persoonlijke moed. Wij stonden zelfs op het punt de veldheer persoonlijke dapperheid niet als verdienste maar als dwaasheid aan te rekenen. Wij wisten dat zijn taken op een heel ander vlak lagen. Het zal daarom niemand meer verrassen dat Pierrefeu uiteenzet dat de grote legeraanvoerders vooral tot de klasse van praktisch ingestelde mensen behoren, die niet geplaagd worden door nadenken, een eigenschap die nogal verbreid is in de wereld. Als de veldheer zou kunnen bewerkstelligen, denkt de rapporteur van de generale staf, dat zijn troepen met de volmaaktste wapens uitgerust waren en de tegenstanders met knuppels, zou de veldheer dat graag doen.


Wij verwachtten inderdaad van onze veldheren niets anders, dan dat ze zegevierden. Wij stelden ons hen heel neoromantisch voor, zoals uit het Energosboek en de Ullsteinroman: als een staalhard persoon die, verzonken in de scherpzinnigste en verfijndste bespiegelingen, zonder enige bombast in een met kaarten bezaaide, zakelijke kamer, met de touwtjes vast in de hand, zijn menigten troepen dirigeert, nooit het hoofd verliest en zelfs in de benardste toestand de geniaal eenvoudige uitweg vindt, waardoor de vijand verrast en dodelijk getroffen wordt.


Het was erg dat het niet zo was. In dit stalen en onromantische wezen lijken de oude miles gloriosi, Horribilicribifax en Daradiridatumtarides  maar heel lichtjes ondergespit te zijn. Dat aan de Duitse kant de veldheren er ruzie over maken, wie eigenlijk Tannenberg uitgevoerd heeft, is ons wel bekend. Maar ook daarnaast waren de staalharde denkmachines tegelijkertijd zo jaloers op elkaar als alleen tenoren dat kunnen zijn. Volgens de verklaring van de Fransen gedroeg Gallieni zich ten opzichte van Joffre tijdens de beslissende dagen als een primadonna, die - met die partner! - verklaart onmogelijk te kunnen zingen.


Rond dat wonder der wil, de veldheer, staat (natuurlijk aan de overkant) de hofkliek - en hoe sterk zijn wil ook is, is iemand, die over zijn tegenstanders en de wereld zegeviert, zelden sterk genoeg om ook zijn medewerkers klein te krijgen. Ze fluisteren hem in wat hen goed lijkt en houden wat hun eigen positie in gevaar kan brengen bij hem uit de buurt. Pierrefeu spreekt onomwonden over een samenzwering van de jongere officieren van de generale staf, niet tegen, maar om de generale stachef Joffre heen; vanzelfsprekend een samenzwering zonder onderaardse vertrekken, dolken en eden, maar doeltreffender.


De hofkliek verwijderde de oudere generaals, schoof alle tussenpersonen tussen de opperbevelhebber en zijn medewerkers terzijde en zorgde ervoor dat zij, nadat zij hen onder de duim had, langzaam maar zeker alle volmachten voor zich - dat wil zeggen, voor de medewerkers - opeisten.


Er is maar één ding waarvoor de miles gloriosi aan beide zijden bang zijn: de stemming van het volk. Nergens is de generale staf banger voor dan voor het bekoelen van de geestdrift van het volk. Maar de stemming van het volk is voor de grote veldheer ook nuttig. Als hij namelijk niet zegeviert, bespaart hij zich de vernedering, dat hij ongeschikt zou zijn geweest. Hij zegt dan gewoon: ik had een schitterende overwinning behaald als de stemming van het volk het volgehouden had. Zo zijn bijvoorbeeld de activiteiten van de generale staf een verklaring van de Russische nederlaag in de Japanse oorlog. Omdat de Franse veldheren uiteindelijk overwinnaars zijn geworden, bleef hen het gebruiken van die uitvlucht bespaard. Maar bij afzonderlijke operaties wordt die toch ook door hen graag gebruikt.


Kortom: wij veronderstelden dat de huidige veldheer volkomen gevoelloos is, slechts bezeten door zijn wil om te overwinnen en daardoor zeer geschikt. Wij veronderstelden dat hij een echte leider is. Maar als wij het geheel overzien, moeten we wel zien dat deze oorlog helemaal niet door de veldheren, maar door koning toeval is gevoerd. Vermakelijk (voor zover ontzetting iets vermakelijks kan hebben) om bij Pierrefeu na te lezen, hoe de grote overwinning aan de Marne behaald werd, die Frankrijk weer vertrouwen gaf. Het relaas komt er op neer, dat de Franse legers zich op een tamelijk onsamenhangende terugtocht bevonden en dat zelfs de grote Joffre niet wist, waar hij tot stilstand zou komen. Toen ontstond er echter een uiterst kleinzielige jalousie tussen Joffre en Gallieni. Daardoor wordt de geordende verhaaste terugtrekmanoeuvre onnodig gerekt en tot hun eigen verbazing bereiken de Franse troepen plotseling, puur toevallig, iets wat met geen enkele veldheerkunst te bereiken was, namelijk een stelling in de flank en rug van de Duitse strijdmacht. Het gaat goed en nu krijgen alle deelnemers hun beloning: krijgsroem, zegt Pierrefeu, zoals een in punten gesneden taart, waarvan iedereen zijn stuk krijgt. Wat Joffre tevergeefs had geprobeerd te bereiken, schrijft zijn schrijvende medewerker, werd door de angst van een minister tot stand gebracht. De rivaliteit van twee eerzuchtige generaals heeft meer bijgedragen aan de redding van het land dan de scherpe blik van het genie; en Pierrefeu kan dit verslag afsluiten met het compliment dat het misleiden van de tegenstander een belangrijke factor van de overwinning was. Gebrek aan logica is een manier van misleiden, waardoor de vijand in verwarring raakt; ergo hadden de Franse generaals hun overwinning volledig terecht verkregen.


Maar het tijdperk van de veldheren duurde in de oorlog zowel aan Franse als aan Duitse zijde maar heel kort; op het laatst alleen tijdens de krijgsverrichtingen aan het oostfront wat langer. Het onafgebroken front, het afgrendelen van alle strijdtonelen door menselijke ketens maakt van de veldheer een hoofdboekhouder en magazijnmeester van zijn eigen troepen. Pierrefeu gebruikt heel bijtende woorden: men zou zich terecht af kunnen vragen of de lange en bloedige veldtocht nog wel enig verband had met krijgskunst; dat de krijgskunst niet meer bestaat, de militaire neergang duidelijk is; aan beide kanten is men, nadat de bekende twee of drie manieren van de grote strategie, overvleugelen en doorbreken van het centrum, tevergeefs zijn uitgeprobeerd, vrijwel aan het eind van het Latijn. Weliswaar spraken alle wetenschappelijke militaire werken over rechtervleugel, centrum, linkervleugel, voorhoede, hoofdleger, achterhoede, strategie en tactiek; maar alleen om de omstandigheid te verbergen, dat de krijgskunst in deze oorlog bankroet gemaakt is en dat de hele strategie is geweest, tegen elke prijs het doorlopende front te behouden.


En daarmee nadert aan het slot de miles gloriosus, de eerzuchtige, heetgebakerde, toch weer de cultus van de wil. Maar dan theoretisch, als een door de literatuur gevoede mens, staat hij van meet af aan op dit standpunt en daaruit valt alle onheil te verklaren.


Want, en pas dat voltooit de vreselijke tragikomedie van deze feilloze barbaarse wurgpartij, alle generale staven dachten in het bezit te zijn van een recept voor de overwinning en bij allemaal was dat hetzelfde recept. Overal bestond het uit twee gedeelten. Het eerste luidde: hoe dan ook aanvallen; want de aanvaller is altijd in het voordeel, wie aanvalt, zet de wil van de ander mat. Wie zich aan laat vallen, wordt in zijn wil verzwakt. Het tweede deel van het recept luidde om dezelfde redenen: reken eerst af met de sterkere vijand, want hij is de gevaarlijkste. Bovenop deze beide axioma's lag echter het geheime recept, de verkapte religie, dat, hoe geheim het ook was, in het bezit van alle legerleidingen was. In zijn geest blijken de veldheren van de verschillende partijen broeders in de geest. Het geheime recept heet overal: wil. Het komt bijvoorbeeld bij Foch neer op de korte formule: ‘Overwinnen is willen.'


Zo gebeurde het dat beide partijen hoe dan ook aanvielen en hoe dan ook eerst de sterkste tegenstander. Het resultaat was dat geen van beide partijen, niet alleen met hun zwakkere tegenstander afrekenden, maar dat ze voortdurend, vier jaar lang, met uitzondering van de eerste twee maanden van de veldtocht, bloedige, maar voor de oorlog volstrekt ondoeltreffende aanvallen op elkaar deden.


Omdat de eerste twee programmapunten, de onvoorwaardelijke aanval en het aanvallen van de sterkste, een uitwerking hadden die hevig indruiste tegen de bedoeling, werd nu des te meer het derde uitgeoefend, namelijk de wil. De uitwerking van dat uitoefenen was zo mogelijk nog kwalijker; want de wil, die helemaal geen doel meer had, vrat nu alle andere eigenschappen op, waarmee de vroegere veldheren zich uit de knoei gehaald hadden en die de belangrijkste ingrediënten van de oude krijgskunst waren - het vrat de scheppende fantasie, sterkte van karakter en nog wat andere dingen, volledig op en triomfeerde, losgemaakt en eenzaam en alleen. Ze holde de mensen uit. En de veldheer zag, heel anders dan Frederik en Napoleon, zijn eigenlijke grootte in het feit dat hij niet slechts, zoals Caesar, vier secretarissen had, nee, dat hij die vier secretarissen en nog een paar gewoon kon dooddicteren en dat de dag voor hen 28 uur telde. Dat zou geen ramp geweest zijn. Helaas was er echter iets dat zich niet door de wil liet dwingen, namelijk goede invallen, geniale flitsen.


Pierrefeu overgiet al die geheime recepten met spot. Het vertrouwen in offensieven, het vertrouwen in het onvoorwaardelijk geloof in de overwinning op de sterkste tegenstander, het vertrouwen in de wil was eenvoudigweg occult geworden. Hij noemt de tafel, waaraan het overwinningsrecept voor de Marne uitgebroed wordt, respectloos een spiritistische tafel.


Als hij echter al die opvattingen terugvoert naar het ‘elan vital' van Bergson, moeten wij hem wel met alle respect iets beters leren. De Duitse generale staf heeft misschien geen enkele bladzijde van Bergson gekend; ook zonder dat huldigde zij precies dezelfde denkbeelden. En waarom zouden we de heer Bergson nodig hebben? Hebben wij niet in Spengler een veel beroemdere verheerlijker van de doener? Roepen wij nu niet juist om de man met de stalen vuist?


Maar dat betekent vooruitlopen. In het voorjaar van 1918 werd Frankrijk voor de tweede keer gered - waardoor? Door de woeste energie van de Duitse generale staf, die de heer Foch overal te snel af is. Want Foch wil in een volstrekt collegiale geest ook aanvallen en het hangt af en toe aan een haar, dat het niet gebeurt. Maar de Duitse generale staf is hem dus overal te snel af en daarom beschikt de Fransman, als onze aanval zich doodgelopen heeft, over verhoudingsgewijs frisse en onverzwakte strijdkrachten, waarmee hij tot de tegenaanval kan overgaan.


Tegenwoordig is de situatie nog meer dan paradoxaal, want helaas gaat de overeenkomst tussen de beide aartsvijanden nog veel verder. Omdat deze oorlog vanuit het standpunt van de krijgskunst een unieke beschamende vertoning was, is nu de vraag, hoe het in de toekomst verder moet? En dan komen helaas de Fransman Pierrefeu en de Duitse kapitein van de generale staf Mayr er precies tegelijkertijd achter dat, gezien de ervaringen in deze oorlog, in een toekomstige de wil hoe dan ook uitgeschakeld moet worden. Verdediging is de sterkste strijdvorm. De een bewijst dat met Clausewitz, de ander met Franse autoriteiten. Wij zullen over beide opvattingen nog wat meer moeten vertellen bij de verkapte religie van het pacifisme.


VIII De Fakir

Toch kan dat onjuiste beeld van de held historisch rechtgezet worden en daarin ligt niet het verkapt religieuze, daarin ligt niet het nadeel van de heldenverering. Dat ligt, heel in het kort, in het feit dat de heldenverering - zoals we al gezien hebben bij de Energosboeken - bij de vereerders het doeltreffendst wil en durf verlamt. Heldenverering is de zekerste manier om geen helden voort te brengen, maar aarzelende zwakkelingen die op de komende man wachten.


Maar daarmee zijn we nog niet eens beland bij de kern van de zaak. Tegenwoordig bestaat immers helemaal geen heldenverering meer. Wat vroeger zo heette, heeft inmiddels de achterwereldbewonerse karaktertrek in zich versterkt. Tegenwoordig wordt niet meer gehoopt op helden, nee, gewoon op de politieke Messias, die alles ten goede zal keren en die men daarom blindelings moet vertrouwen. Deze verkapte religie is nog religieuzer dan de religie. Het allervastste geloof in God en zijn genadige heerschappij over mij, kan mij immers ontslaan van het verrichten van mijn dagelijkse werk. Maar de hoop op de politieke wonderdoener zorgt daar daadwerkelijk voor.


Het is niet eenvoudig bewijzen tegen hem aan te voeren. Dat hij door de meerderheid voor een schadelijk individu gehouden wordt, voor gek verklaard, voor een avonturier zonder achtergrond uitgemaakt wordt, spreekt in de ogen van zijn aanhangers eerder vóór hem en daarbij hebben ze de historische ervaring helemaal aan hun kant, want Bismarck overkwam hetzelfde en zoals wij tegenwoordig, gezien de preciezere kennis van de details uit de tijd van het conflict, rustig toe kunnen geven, niet onterecht. In feite was hij tussen 62 en 66 een soort politieke louche vreemdeling.


Het bewijs tegen onze politieke wonderdoeners valt eerder omgekeerd te voeren. Ze hebben teveel toeloop; ze worden meteen populair. Men kan niet aangeven, hoe de volgende grote staatsman eruit zal zien, noch wat hij zal doen. Maar men kan er vrij zeker van zijn dat hij, net zoals al zijn voorgangers, de meest gehate man in het land zal zijn. Als er ooit iemand opduikt, met wie niemand van ons het eens is en die zich desondanks door niemand van ons van de wijs laat brengen, kan het de taak van de tijd zijn op te merken of er zich misschien niet echt een held aan het ontwikkelen is. Waardoor zal hij zich van de politieke heiligen onderscheiden? Vanzelfsprekend kunnen wij niet weten wat hij doet. In het begin van Bismarck wist niemand echt wat hij deed en waar hij op uit was. Zijn handelen werd door een grote hoeveelheid verdraaiingen en vals geruchten zo overwoekerd, dat ten slotte ook de mensen, die wel zagen wat hij deed, misschien niet echt meer wisten, waar zij met hem aan toe waren.


Voor ons, hedendaagse mensen, valt echter iets anders moeilijk te begrijpen. Als namelijk de staatsman Bismarck in zijn beginperiode onbegrijpelijk bleef, kunnen we echter moeilijk begrijpen waarom ook de redenaar onbegrijpelijk is gebleven. Deze toon, bedoelen we, die afweek van al het alledaagse, had al in het begin verdenking moeten wekken op zijn grootheid. Als tegenwoordig iemand de moed heeft, eenvoudig en onverbloemd te zeggen wat hij wil of ook alleen maar wat hij zeker niet wil, wat hij kan of ook alleen maar wat hij zeker niet kan, zou de verdenking op grootheid misschien weer gerechtvaardigd zijn. Met deze maatstaf in de hand moet men maar eens de krantenkolommen bekijken, die deze politieke toespraken bevatten. Men zal dan moeiteloos merken dat de politieke wonderdoeners van tegenwoordig zich niet alleen niet durven uit te spreken voor hun wil. Nee, ze durven niet eens hun eigen radeloosheid uit te spreken. Ik wil hier niet uitmaken of bijvoorbeeld Lenin een groot man was. Maar het staat vast dat hij een groot en echt moment als staatsman heeft gekend: toen hij zijn hele programma omverwierp, toen hij het vernietigde, toen hij zei: zo gaat het niet langer; toen hij van een programmaticus een echter doener werd, dat wil zeggen een heel gewoon mens, die zijn zwakheden toegaf en alles weer goed probeerde te maken.


En hiermee beschikken wij over een criterium dat zekerder is dan de loutere stijlkritiek, hoewel ook daaruit van meet af aan een en ander vóór of tegen de pretendent voor het staatsmanschap valt op te maken. Wat de toekomstige staatsman ook mag doen en ondernemen, een ding zal hij beslist niet doen, namelijk ons redding door middel van een recept beloven. Hij mag een vrome man of een cynicus zijn, maar beslist geen achterwerelbewoner. Onze politieke wonderdoeners zijn dat allemaal juist wel, om het even of ze ons redding beloven door het verbreken van de horigheid met cijnsplicht of door verhoging van de hoeveelheid kunstmest en een viervoudige oogst. Niet dat de staatsman er ook maar in het minst voor terug zal schrikken dergelijke middelen in dank toe te passen; maar iemand, die met beide voeten op deze aarde staat, zal heel precies weten dat met een dergelijk afzonderlijk middel, met een verkapte religie, die elke echte gedachte opslokt, het totale leven, dat hij de baas moet worden, nooit te bedwingen valt. Integendeel. Het vernietigen van de verkapte religie op politiek terrein en haar verwachtingen, het openlijke bekennen dat wij ons zelf in en met deze gewone wereld zo goed en zo kwaad mogelijk moeten behelpen, zal vast tot een van zijn eerste openbare activiteiten behoren. En zij zal in geen geval nalaten, hem onze grootste afkeer te betuigen. Mogelijk zal hij verdraagzaam zijn jegens zijn politieke tegenstanders (zoals ook Bismarck de mogelijkheid voor een latere verzoening zelden helemaal uit het oog verloor en waar hij dat wel deed, zeer tot onze en zijn eigen schade en schande); maar hij zal vrij zeker onverdraagzaam zijn jegens de verkapte religie in de politiek, jegens de politieke recepten en geheime leren.


Hier valt echter een voorbehoud te maken, dat af lijkt doen aan het belang van het criterium. Hierboven hebben we al gezegd dat in de verkapte religie de bedrieger niet het meest karakteristieke en schadelijke verschijnsel is. Als een politieke Messias zijn achterwereldidee, of dat nu communisme is of vrijgeld, oprecht is toegedaan, kan men er zeker van zijn dat hij Messias zal blijven en nooit staatsman zal worden. Daarentegen lijkt het op het eerste oog voorstelbaar dat een realistische staatsman zich als bedrieger meester maakt van deze beweging, zonder daar zelf in te geloven, om zich daarmee persoonlijke macht te verschaffen. En inderdaad vertellen dan ook nogal wat van onze politieke wonderdoeners, - als men hen opmerkzaam maakt op de onmiskenbare tegenstrijdigheid, die zonder twijfel bestaat tussen hun ogenschijnlijk heel realistische en onverschrokken, energieke politieke denkwijze en het vluchten in geheime recepten - het smoesje dat de grote politicus alles geoorloofd is, dat hij alle middelen weet te gebruiken. En ten slotte stellen ze het zo voor, dat juist hun benutten van de politieke verkapte religies, die hen als populairste stromingen van die tijd persoonlijke macht verschaften, al een bewijs is van hun talent als staatsman.


Later zullen we nog in de gelegenheid zijn om de verhouding tussen ethiek en staatsmanschap na te gaan. Op dit moment is het geheel toereikend om het politieke realisme positief te benaderen. Dan ziet men namelijk opeens dat juist de achterwereldbewoners voor een staatsman een aanhang vormen, die hij zich nauwelijks kan wensen. De demagoog, die bijval met politiek verwisselt, kan met hen heel tevreden zijn; de staatsman zal hen nauwelijks als springplank kunnen gebruiken, om de eenvoudige reden, dat ze beroepsopponent zijn en hem kunnen afvallen op het moment, waarop hij echt serieus politiek gaat bedrijven. Want de politicus wil hoogstens de hele wereld; in zijn meest ontaarde vorm zou hij over alle vijf werelddelen kunnen heersen. Maar de achterwereldbewoners willen meer, willen wat ook Napoleon, versterkt met Caesar, hen nooit kon bieden: een rijk dat niet van deze wereld, en toch van deze wereld is. Op hetzelfde moment waarop hij ze nodig heeft voor politieke activiteiten, zullen ze hem afvallen.


En hier ligt nu in feite wat tegen de heldenverering als verkapte religie in laatste instantie valt in te brengen. Ze verschaft niet alleen een onjuist beeld van de held; ze heeft niet alleen een verlammende uitwerking op de vereerder om zelf een held te worden; ze wordt niet alleen al te eenvoudig tevredengesteld, maar is ook nog hoogst onbetrouwbaar. Zij ontzegt zich uiteindelijk elk heldendom, omdat het haar verkapte religie niet kan verwerkelijken en slaagt erin de wonderdoener boven de held te plaatsen. Daardoor komt het dat het verbruik aan politieke wonderdoeners de afgelopen jaren nog groter is geweest, dan aan parlementaire ministers.


Natuurlijk zijn die hele stromingen terug te voeren op een enkele bron: op de opvatting dat de grote mensen van deze tijd uitgerekend geen mens, maar Übermensch zijn. Het wezenlijke van de Übermensch, zoals Nietzsche dat definieert, bestaat in het feit dat hij zich zoveel mogelijk op een afstand houdt, zich niet laat raken. De Übermensch is alleen al door die karaktertrek het tegenovergestelde van het genie en alles, wat in de grote doener aan de Übermensch zou kunnen herinneren, is eerder zwakte, een niet kunnen verwerken, een zichzelf terugtrekken in ongenaakbaarheid, die zichzelf niet vertrouwt. Terwijl het wezenlijke van het genie is, dat het alles op zich toe laat komen, alles verwerkt, niets afwijst, en groots en onbevangen blijft.


Wij hoeven hier niet te onderzoeken, wie het langer volhoudt, de geestelijke schepper of de doener. De grootste mensen schijnen ook alomvattend te zijn geweest, omdat ze in staat geweest zijn beide te zijn. Het is volkomen onjuist te zeggen dat de gedichten van Goethe nog zullen bestaan, als de laatste schepping van het staatsmanschap van Bismarck al verdwenen zal zijn. Redelijkerwijs moet men zeggen dat als Bismarcks hele werk verdwenen zal zijn, en zelfs als een latere generatie zijn hele staatsmanschap als een ernstige vergissing zal zien, misschien de liefdesbrieven van deze man nog in een onvergankelijke glans zullen stralen. Omgekeerd hebben tientallen biografieën ons al geleerd, dat het bezit van Goethe's werken misschien niet zo belangrijk is, als zijn unieke voorkomen, zijn schrijven, waarin veel loos' is, niet zo belangrijk als zijn daden zijn. Het zinloze gevecht over prioriteiten tussen de geestelijke schepper en doener, dat een aanzienlijk deel uitmaakt van de levensfilosofie, komt niet aan de oppervlakte en bovendien: als het de doener superioriteit wil toeschrijven, doet het op hetzelfde moment afbreuk aan zijn idool en verlaagt dat tot het niveau van de bezetene.


Geheel onterecht. Want waar een wil is, is nog lang geen weg. Pas waar de doener een weg ziet, wordt zijn wil belangrijk. Het Pauluskerkparlement beschikte over veel voortreffelijke mensen; ze waren het er allemaal over eens, dat ze Duitsland wilden verenigen en velen van hen waren helemaal niet futlozer, maar veel energieker dan Bismarck. Zij waren niet alleen bereid om 24 uur per dag te werken voor het een-worden van Duitsland, maar trokken daarvoor ook op naar de kazematten en de militaire rechtbank. Maar Bismarck, de laatbloeier en treuzelaar, zag een weg, die zij niet zagen, of niet durfden te gaan. Bismarck zag en betrad die wel.


Wat maakte dat voor hem mogelijk? Heel eenvoudig, zijn genie, iets dat niet verder verklaarbaar is. Natuurlijk. Maar het wezenlijke van dat genie is juist, dat het geen zweem van de Übermensch van Nietzsche in zich heeft gehad - Nietzsche, die op dit punt consequent was, heeft dus ook Bismarck over het algemeen te laag ingeschat - en dat Bismarck nooit een poging heeft ondernomen er een te worden. Had hij dat wel gedaan en had hij daadwerkelijk door bovenmenselijke inspanningen zijn doel willen bereiken, dan waren waarschijnlijk zandhopen, kazematten of op zijn best uitwijken naar de Verenigde Staten zijn einde geweest. Hij beoefende juist het tegenovergestelde van de cultus van de wil; hij las Shakespeare en hield erg veel van zijn zeer onbeduidende echtgenote. De bijdragen die dit koesteren van zijn fantasie en gevoel hebben geleverd aan zijn daadwerkelijke politiek, zijn afzonderlijk niet te beoordelen. Maar ze behoedden hem voor het gevaar dat elk groot mens loopt om een Übermensch te worden en zijn wil als een wolf in zijn binnenste te laten razen. Alleen het feit dat hij zich niet als een Übermensch tegen de wereld verzette, gaf hem de mogelijkheid zijn land te regeren. De wil is voor de doener even vanzelfsprekend als voor elk groot mens; zijn doel verschaft hem de wil; wat hij nodig heeft, om echt tegen de wereld opgewassen te zijn, is juist het tegenovergestelde: fantasie en gevoel. De wil breekt ooit; alleen de hele persoonlijkheid, die zich aan alle bronnen gelaafd heeft, vindt altijd nog een uitweg.


Men zal misschien tegenwerpen dat de vergelijking tussen Übermensch en wilskrachtig mens te beperkt is, dat de Übermensch nog door iets anders gekenmerkt wordt, bijvoorbeeld door onvoorwaardelijke liefde voor het eigen lot, door het leven onvoorwaardelijke op het spel zetten en op zichzelf vertrouwen, komt wat komt: door de amor fati. Elk risico in het leven nemen, dat schijnt het kenmerkende te zijn van de grote mens.


De amor fati, de liefde voor het eigen lot, wordt dan een verkapte religie. Zij staat zo dicht bij de echte, dat die door al haar broeders en zusters het vaakst met de echte verwisseld wordt. Toch gaat het alleen maar om een verwisseling. De echte religie zegt: daar boven zal het onbelangrijk zijn, of je op deze aarde arm of rijk, gelukkig of ongelukkig leeft, als je maar niet tegen God en jezelf in leeft. De verkapte religie zegt: ik weet nog niet hoe ik zal leven, maar ik zal van mijn leven houden, hoe het ook komt. Ook hier neemt de heldenverering dus de gevaarlijkste gedaante aan. Hier wordt ze helemaal een verkapte religie, zelfverering. Hier slaat, zoals zo vaak bij verkapte religies, de cultus van de wil en de verering van de Übermensch, waaruit de amor fati afkomstig is, in haar eigen tegendeel om: in het afzien van elke wil.


Zoals in alle verkapte religies wordt hier iets bewusts in de plaats van het onbewuste gezet. Alle grote mensen hebben over zich heem een grote hand gevoeld. Maar wanneer? Juist als ze geconfronteerd werden met dingen, waar tegenover elke wil machteloos staat. Bismarck heeft dat gevoel ooit zo sterk gehad, dat het zijn omgeving opviel: nadat, tegen alle waarschijnlijkheid in, de kogel van de aanslagpleger hem niet geraakt had. Hij heeft daarover niet gesproken.


De man van de amor fati onderscheidt zich op twee punten: hij maakt van dat vertrouwen op een hogere beschikking een beheersbaar levensgevoel. Hij spant zich in om dat elke dag te hebben. Met andere woorden: uit angst voor het leven wentelt hij van meet af aan door middel van een systeem de verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven van zich af en neemt in plaats daarvan het vaste besluit - hier ligt de verwantschap met de cultus van de wil - om zijn leven en zichzelf in ieder geval het vereren waard te vinden.


Mijn landgenoten hebben een spreekwoord: wat deert dat geld, wat komt dat geldt. Maar ze zeggen het als Bismarck: enigszins berustend en humoristisch; met het religieuze gevoel dat de mens uiteindelijk een machteloos wezen is. De man van de amor fati zegt precies hetzelfde; maar met een enorme en onverbeterlijke trots. De man die vervuld is van enorm zelfvertrouwen en hoogmoed, heeft voor alle zekerheid wel een levensverzekering afgesloten. Overdrevener, maar treffender gezegd: hij heeft een manier gevonden om zichzelf meedogenloos voor de gek te houden, juist in die gevallen, waarin zijn wil, die zijn leven een andere draai zou moeten geven, het af liet weten.


Natuurlijk zijn er ook louter wilskrachtige mensen. De yogi, die maanden lang kan hongeren, op een spijkerbed slapen, zijn gezicht met dolken versieren en zich levend kan laten begraven. Ook hij oogst tegenwoordig bewondering en de wijsheidsacademie van graaf Keyserling probeert, naast andere dingen, ook een opleiding voor het yogischap te zijn. Maar als er behoefte is aan nog een bewijs voor de waardeloosheid van de loutere, losgeweekte wil, levert de yogi die wel, misschien nog duidelijker dan alle tot nu toe bekeken voorbeelden. Natuurlijk zou het voor ieder van ons zinnig zijn, als hij een zo gedisciplineerde wil zou hebben, als hij zo weinig gevoelig zou zijn. Maar de yogi koopt die wil - waardoor? Door af te zien. Zijn wil zegeviert, zegeviert op een ongekende manier over zichzelf. En op hetzelfde moment kan hij daarvan geen gebruik meer maken.


Voor de wereld sterft hij, moet daarvoor sterven. Zijn wil heeft geen object en geen doel meer. Als nog betwijfeld kan worden of de Übermensch en het genie elkaars tegenpolen zijn: dat het genie en de yogi tegengesteld zijn aan elkaar kan niet in twijfel worden getrokken. Het genie neemt de hele wereld in zich op; de yogi sluit de hele wereld buiten. Maar nog verder: de yogi, de overwinnaar van de wil, is iemand die iets kan wat wij niet kunnen en daarom niet meer dan wat wij allemaal kunnen. Het genie is iemand die alleen maar kan wat wij allemaal kunnen, die alleen gebruik maakt van middelen, die wij allemaal kunnen gebruiken, maar wel in een enorme overmaat. De grote dichter heeft amper nieuwe vormen en soorten bedacht; Shakespeare heeft bijna al zijn toneelstukken gestolen; maar hij heeft in het gewoonste iets heel ongewoons gezien en beschreven. Het zijn de kleine dichters, de yogi's, die zich inlaten met het uitbroeden van nieuwe dingen, die achter de wereld vluchten, omdat zij de wereld niet de baas kunnen worden. Het genie maakt alles groter en beter. Alleen de yogi bemoeit zich met het maken van nieuwe dingen, omdat zijn wil te zwak is om de oude dingen beter te maken.


IX Bebaard

Zeer nauw in verband met de verkapte religie van de wil, staan die van de rassenteelt. De een komt niet voor zonder de ander. Het geloof in de doener wordt vrijwel overal terzijde gestaan door zijn eigen tegenpool, het geloof in het ras en zijn fundamentele betekenis voor het leven. Vanzelfsprekend is het feit, dat dit geloof oplevert, geheel onaanvechtbaar: boven de mogelijkheden, die mij bij de geboorte zijn meegegeven, kan ik niet uitstijgen. Iedere wil in ons heeft haar lichamelijke en geestelijke beperkingen.


Maar dat bedoelt het geloof in het ras niet. Het is meer op zoek naar iets positiefs, schept een wensbeeld. De Duitse rassenonderzoeker wil bijvoorbeeld niet zeggen - wat heel juist zou zijn geweest - dat wij, Duitsers, niet kunnen wat de Romanen wel kunnen en dat de Romanen niet kunnen wat wij kunnen. Hij wil, juist omgekeerd, aantonen dat wij ook kunnen wat de Romanen kunnen en nog iets meer. In de praktijk blijkt bij het afzonderlijke individu en de uitbreiding tot zijn volk of stam, als een verkapte religie sprake te zijn van het geloof in het ras; namelijk als het middel om alle voordelen en mogelijkheden naar zichzelf toe te schuiven, niet op grond van prestaties, maar op grond van een van meet af aan bestaande overtuiging, die door echte prestaties alleen maar wordt gesteund.


Men hoeft het niet te hebben over de afzonderlijke tegenstrijdigheden waaraan de rassenleer zo oneindig rijk is, kan ook afzien van het bewijs dat al haar basisbegrippen - basisbegrippen, verdelingen, enz. - wisselen naar gelang het speciale geloof van de afzonderlijke onderzoeker. Want zelfs in de kathederfilosofie variëren definities aanzienlijk. Het gevaar van het rangschikken van een bijzonder onder een algemeen begrip bestaat bij alle verkapte religies en is slechts een gevolg van hun monomanie.


Anderzijds kan het misschien zinnig zijn een paar woorden te wijden aan de positie van de intuïtie. Juist mensen die in het ras geloven geven heel openlijk toe, dat hun resultaten van tevoren vaststaan, uit hun intuïtie voortgekomen zijn. Dat vormt, zeggen ze dan, hun kracht tegenover de ontledende officiële wetenschap, die geen synthese kan bereiken. Dat het juist het kenmerk van de belangrijke onderzoeker is, dat zijn resultaten van tevoren door voorgevoel en beschouwing al vaststonden; dat alle resultaten die iemand onder woorden kan brengen, door zijn bloed, door zijn ras van meet af aan zijn bepaald.


Dat men niets kan bereiken, als men niet van tevoren weet, waar men naartoe werkt, is volkomen duidelijk. Zelfs in de wiskunde, de meest abstracte intellectuele wetenschap, biedt nog steeds Fermat, die zijn bewijs kwijtraakte, zonder dat daardoor aan de juistheid van zijn stelling getwijfeld kon worden, een aanwijzing voor het feit, dat ook daar het scheppingsproces begint met een vermoeden, niet met een doelloos beginnende activiteit van het verstand.


Fermat raakte zijn bewijs kwijt. Maar het euvel bij Chamberlain en nog meer bij andere grondleggers van het rassengeloof is niet dat ze het bewijs kwijtraakten, maar dat ze het helemaal niet eerst gevonden hadden. Juist omdat de intuïtie het oorspronkelijke is, is de analyse zo enorm belangrijk en zwaarwegend. Het is helemaal geen kunst om rotsblokken te zien; iedereen ziet ze; maar hoe kunnen we ze anders bewegen dan door ze te analyseren? Wat zich rassenonderzoek noemt, gaat te werk met de hele bandeloosheid van snertliteratuur, die zich als echter literatuur beschouwt. Het heeft helemaal gelijk als het stelt dat onze geboorte, ons ras, een mysterie is. Maar waarom zijn wij vanuit dat mysterie ter wereld gekomen, als wij hier in dat geheimzinnige gedoe verder moeten worstelen? Ons is een korte spanne tijd toegemeten en wat is de zin daarvan, anders dan het streven naar helderheid?


Desondanks zou de houding om het bloed te beamen en de geest te loochenen toch nog consequent kunnen zijn. Merkwaardig genoeg druist echter de methode volstrekt in tegen de bedoeling. Uit hunkering naar het bloed, het onverklaarbare, komt de rassenonderzoeker, voor zover hij een achterwereldbewoner is, tot het systeem van het duiden van tekenen, dat aan rationalisme nauwelijks overtroffen kan worden. Niets, maar dan ook helemaal niets, blijft gespaard voor een verstandelijke verklaring, en uit de hang naar het grote en algemene komt de rassenonderzoeker uit bij een kleinigheidje, dat amper door iemand anders opgehoest zou kunnen worden. In plaats van dat ene grote mysterie, dat ieder van ons als zodanig erkent, komen er, al naar gelang de speciale roes van de afzonderlijke onderzoeker, oneindig veel kleine raadseltjes tevoorschijn, waaraan hij zijn scherpzinnigheid slijpt.


Dit bezwaar geldt alleen voor de uiterlijke methode. Precies dezelfde tegenstrijdigheid tussen bedoeling en resultaat treedt overigens ook op, als we de zaak van binnen bekijken.


Om bij het Duitse rassenonderzoek te blijven (want terwijl voor de rest de verkapte religies tegenwoordig betrekkelijk internationaal zijn, is het geloof in het ras en zijn rationalistische wichelarij, helaas hoofdzakelijk een Duitse ziekte), het is volstrekt duidelijk dat het populaire beeld van de „oude Germanen," dat door Wagner opnieuw bevestigd is, allerlei correcties behoeft. Het populaire beeld van de dappere oude Germaanse krijgers, bereikt ongeveer zijn hoogtepunt in dat van de Wagnerzangers met veel haar in het gezicht, een fonkelende bron en een enorme voorraad vloeiende heroïsche gevoelens. Tacitus voegt daar nog de kuisheid aan toe.


De bronnen, met uitzondering van Tacitus, die meer een zedenspiegel voor zijn Romeinen op het oog had, dan een Duitse volkenkunde, vertellen wat anders. Men hoeft maar een vluchtige blik te werpen in de spreukenwijsheid van de Edda en men kan zich niet meer losmaken van het vermoeden, dat de oude Germanen aanzienlijk achterblijven bij de voorstelling van ons voormalig hoftheater. Over het gevecht luidt het daar bijvoorbeeld niet alleen maar: wees dapper; keer je tegenstander nooit de rug toe; verdedig je tot de dood; maar ook: strijdt zo mogelijk zo, dat de tegenstander de zon niet in het gezicht heeft. Over de liefde luidt het niet: wees kuis en zedig; spreek alleen maar lyrisch met haar; maar heel duidelijk: ten eerste zijn wij, mannen, allemaal windhonden, maar met wat babbelen kunnen wij dat wel omzeilen; als dat niet lukt, prijs dan haar figuur; en als zij jou tot genot verleiden wil, beloof haar dan mooie geschenken; heel keurig - de enige overeenkomst met Tacitus - wordt daaraan toegevoegd: geef ze haar echter ook, want je kunt een dergelijk genot niet duur genoeg betalen. De hele spreukenwijsheid is doortrokken met waarschuwingen.


En als men daaruit iets kan opmaken, schijnen haar schrijvers, anders dan de Wagnerzangers, zeer grondige wereldwijze sceptici geweest te zijn, die helemaal niet te beschroomd waren om "het uit te spreken zoals het is." Vooral onderscheiden zij zich echter, zowel van de Wagnerzangers als van de rassenonderzoekers, doordat zij zichzelf allesbehalve als volmaakt beschouwen. Het zijn mensen van de wereld en heel aangenaam in de omgang. De baard ontbreekt; of is in ieder geval niet naar binnen gegroeid.


Hier zou een echt dankbare taak voor het rassenonderzoek kunnen liggen, zelfs een taak met praktische betekenis. Want de mening over de Duitsers wordt medebepaald door de oude bebaarde Duitse krijgers. (In zoverre is zelfs Wagner, die de Duitse muziek hielp aan een nieuwe zegetocht over de wereld, voor ons enigszins schadelijk geweest.) Het ontharden van de oude Germanen is wetenschappelijk en esthetisch, misschien ook zelfs voor ons eigen levensgevoel, niet geheel onbelangrijk.


Een deel van het rassenonderzoek doet dan ook alsof ze dat doel dient en een ander, maar kleiner deel, doet dat echt. Het laatste overwint de verkapte religie en wordt een nuchtere wetenschap, als alle andere, zonder nadruk te leggen op het gevoel en daarom van echt belang voor ons gevoel, vergeleken met ons vroegste verleden. Verreweg het grootste aantal van de rassengelovigen doet echter precies het tegenovergestelde. Als ze dan daadwerkelijk de oude Germaan van zijn volle baard bevrijden, laten zij bij hem de wereldse Yggdrasil uit zijn navel tevoorschijn komen. Hier sluit het rassenonderzoek nauw aan bij de openlijk aangekondigde pogingen, zoals in het Wodanisme en de theosofie, om de religie door nieuwe religies te vervangen. Pogingen die in het slothoofdstuk van het boek onderzocht zullen worden.


Als we voorlopig bij het rassengeloof in engere zin blijven, kunnen we vaststellen, dat het in alles en iedereen precies het tegenovergestelde bereikt waarvan het uitgaat. Het zou zijn volk graag de trots op bloed en afstamming willen bijbrengen maar zou, als het ooit ingang zou vinden, precies het tegenovergestelde bereiken. Het is uitgesproken grotesk deterministisch en de meest rigide gelijkheids- en gebondenheidsleer, die ooit is opgedoken. Zelfs Calvijn beweerde trouwens alleen maar dat de mens voorbestemd is tot zaligheid of verdoemenis. De rassenleer beweert dat hij in alles, hier en aan de overzijde, gedetermineerd is. Ze kent geen verlossing, ook al speelt ze nog zo vlijtig met het verlossingsmotief, en geen mededogen.


Dit wereld- en mensbeeld zou, net als het calvinistische, van een rigide grootsheid zijn, als de rassengelovigen ons niet voortdurend dapper zouden aanmoedigen ons over ons ras te verheugen en er trots op te zijn. Maar hoe kan ik op iets trots en in iets deemoedig zijn, als ik slechts het product van mijn ras ben? Hoe kan ik iets van iemand leren of hem iets leren, als het ras al over onze mogelijkheden beslist heeft?


Ibsens "Spoken" gelden terecht als verouderd; maar het toont duidelijk aan waar de verkapte religie van het ras thuishoort: niet bij een nieuw idealisme, maar bij het oude naturalisme. Alleen was Ibsen veel duidelijker. Hij erkende namelijk dat het ras altijd zaak is van de familie en nooit, voor zover het onderscheid in de praktijk bruikbaar blijft, een aangelegenheid van grotere verbanden. Men kan, hoe ontoereikend de afleiding ook mag zijn, desnoods Oswald Alving (de ontaarde zoon uit "Spoken") als nakomeling van de kamerheer begrijpen; maar wie beweert, dat hij hem als Ariër kan begrijpen, beschikt over aanzienlijk constructieve vaardigheden: hij maakt zichzelf of de anderen wat wijs. Natuurlijk kan ik desnoods mijzelf als contrast van een - door mij eerst geconstrueerde! - jood begrijpen; maar zonder twijfel kan ik mijzelf veel natuurlijker en duidelijker begrijpen als contrast van mijn beste vriend of mijn vader.


Maar, zal men tegensputteren, als het ras een zaak van familie en persoonlijkheid is, hoe kunnen wij ons zelf dan als Duitser begrijpen? Een daarmee stuiten we op een nog zwaarwegender bezwaar tegen het rassengeloof, zijn exclusiviteit. Hier wordt de monomanie in feite een misdaad tegen het leven: omdat ze beweert met het leven een bijzonder nauwe relatie te hebben en het bijzonder grondig te verklaren. Het rassengeloof minacht in feite alle andere relaties en verbanden, de hele irrationaliteit van het bestaan (vanwaar het toch uitging en die het leven pas waard maken te leven) ten gunst van die ene factor, het ras. Het zou het leven graag weidser, lichter en stralender maken: maar het maakt het bekrompen en duister.


Ik kan mijzelf, om daarop terug te komen, als Duitser volkomen begrijpen. Dat ik volgens het ras een Duitser ben, mag daarbij een veronderstelling zijn. Voor mijn manier van doen is het ongetwijfeld meer bepalend, dat ik Neder-Duitser ben. (Het is overigens duidelijk dat men, als men over ras spreekt, in de ik-vorm moet spreken!) Het betrekkelijk eenvoudig en helemaal begrijpen van mijn bij mijn volk behoren berust op het feit, dat buiten het ras nog honderden andere banden mij met mijn vaderland verbinden: taal, gebruiken, familie, vrienden, jeugdindrukken, kunst, beroep, het hele doen en laten van het dagelijkse leven - waaruit elk afzonderlijk bestanddeel te boven gekomen en vervangen kan worden, maar die doordat ze volledig irrationeel zijn, in hun geheel een volkomen onverbrekelijke band vormen. De rassengelovige verwart, ook als hij uitvoerig rekening houdt met al die dingen, toch voortdurend de aller-elementairste oorzaak, de geboorte, met de wonderbaarlijkste gevolgen, het leven. Hij lijkt op een fysioloog, die ophoudt bij zaadje en eitje, vervuld van louter bewondering niet verderkomt en hardnekkig zegt: hic homo. Dat niet zaadje en eitje, maar de mens, niet het ras, maar de geschiedenis het wonderbaarlijke en bepalende is, wil hij niet zien. Hij castreert liever de geschiedenis. Zo slaagt hij erin, door een vrij lange mystagogische training, alles vanuit één punt te verklaren. Hij schept voor zichzelf een wereldbeeld dat, ondanks alle krankzinnige fantasieën, tot in details niet onderdoet voor het monisme; en steeds weer vernietigd wordt door de elementaire strijdigheid tussen de eisen van een vrije en blije trots enerzijds en een kleingeestig determinisme anderzijds. Maar het is niet terecht het rassengeloof alleen het verwijt van fantasie te maken. Het heeft ook een andere, zeer praktische kant. Naast de poging om de hele wereldgeschiedenis uit het ras te verklaren, staat immers naast de geschiedenis de andere poging om rasmensen te kweken, de biologie.


Wij hoeven ons daarbij niet lang op te houden. Het is duidelijk dat het de rasmensen uit louter bewondering neerhaalt tot het niveau van het schaap.


Wij kunnen dierenrassen veredelen. Wat dat betekent? Wij kunnen bij hen zeer specifieke eigenschappen sterker ontwikkelen, dan ze in het gewone exemplaar aanwezig zijn. Wij kunnen een schapenras fokken, dat steeds meer wol geeft en een ander dat steeds meer vlees oplevert. Wij kunnen het zover brengen dat het ene schaap bijna alleen nog maar uit wol en het andere bijna alleen nog maar uit vlees bestaat. Wij kunnen paarden op snelheid of op kracht fokken.


Er pleit niets tegen de mogelijkheid, dat dit kunstje ook bij mensen toegepast kan worden; dat niet een kannibalenstam buitengewoon vette gevangenen zou kunnen fokken of een nieuwe Frederik Willem I. zijn reuzengardekorps niet door onderdrukking maar door paring produceert. In Mecklenburg zou het voorgevallen zijn dat de landvorsten daar hardlopers fokten.


Wij kunnen waarschijnlijk zelfs nog meer doen. Zoals wij door te kruisen het werkpaard fokken, dat noch bijzonder krachtig, noch bijzonder snel, maar beide eigenschappen in voldoende en betrouwbare mate bezit, zouden wij ook een degelijk en gezond menselijk werkdier zonder veel behoeften kunnen fokken. In de meeste recente tijd wordt zelfs, juist door de achterwereldbewoners van het ras, daarvoor weer een biologische basis gegeven en moreel gerechtvaardigd. Dat die werkwijze niet echt menselijk is en dat die werkdieren pas mens en rasmens worden op het moment dat ze hun fokkers het hoofd voor de voeten leggen, daar zullen we later nog terugkomen. Voorlopig volstaat het om tot een zuiver biologisch terrein te beperken.


En dus zien we dat de rassenteelt ook bij de mens alle mogelijke en nog meer onmogelijke variëteiten zou kunnen opleveren; maar eentje niet, de mens, die zich in iets onderscheidt, dat boven het meest beperkte lichamelijke uitstijgt. Het is niet helemaal juist dat Frederik Willem I. zijn lange kerels alleen door paring heeft kunnen fokken. Ze werden niet alleen gefokt, maar ook door drillen opgekweekt. Door de eenvoudige recepten van de rassenbiologie kunnen niet eens geheel mechanische vaardigheden teweeggebracht worden. Bij de oude acrobatenfamilies was de opvoeding, dressuur, even belangrijk als de door de werkwijze geërfde aanleg en bij de aristocratische families is de opvoeding, dressuur, zelfs het enige belangrijke en kenmerkende: een lange, zuivere stamboom heeft uiteindelijk noch met lichamelijke, noch met de geestelijke vermogens veel te maken. Hoe hoger we stijgen, hoe meer we niet verlangen naar engbegrensde speciale vaardigheden van het lichaam, maar naar de volledige mens, des te meer factoren een rol gaan spelen. Voor heel gewone doorsneemensen is het al niet meer voldoende dat vader en moeder van het goede soort zijn; dat is alleen de voorwaarde: opvoeding. Voorbeeld van de ouders, milieu maken pas de mens. Maar misschien beperken de rassenbiologen hun bewering er juist toe, dat vader en moeder van het goede soort moeten zijn, omdat anders voorbeeld, opvoeding en milieu niets uithalen. Alleen blijft het de vraag wat onder dat ‘van het goede soort' verstaan moet worden. Weten dat het het goede soort was, is postuum. Als ouders een nageslacht hebben, waar iets van terecht komt, zullen we de conclusie trekken dat beiden van het goede soort geweest moeten zijn. Het probleem is alleen dat wij dat voordien niet konden weten. Een Pommerse landjonker, een uit een dozijn, die voor niet veel anders belangstelling heeft dan rode wijn en paarden, huwt een ambtenaarsdochter uit Berlijn, een zenuwachtig, koel en snibbig ding, en bovendien van burgerlijke afkomst, geen garantie voor raszuiverheid, niet heel goed passend bij de levensomstandigheden en kring van mensen, die zij betreedt; met - zoals de toenmalige rassenbiologen vast hadden moeten constateren - wat bleek, verdund bloed - en aan die mesalliance, die duidelijk helemaal niet aan de rassenbiologische wetten beantwoordende amoureuze onbezonnenheid van de adellijke landjonker, dankt Otto van Bismarck zijn bestaan.


De rassengelovigen hebben volkomen gelijk als ze zeggen dat de stem van het bloed heel belangrijk is. Hun ongelijk bestaat louter in het feit dat zij die zelf niet willen horen. Zij klinkt namelijk uit ieder van ons. Ze is geen aristocratische, maar een democratische eigenschap. Geen wijsheid en bedachtzaamheid, zonder dwaasheid en vermetelheid. Wij noemen haar liefde. En haar essentie is het grondig minachten van alle recepten, ze is wereld, geen achterwereld.


Juist daarom, zal men mij zeggen, kunnen recepten van het bloed tegen de stem van het bloed niet aankomen. De malle poging om uit liefde voor het bloed, het bloed te intellectualiseren, zal altijd vergeefs blijken. Jij doet moeite voor een tegenbewijs, dat bij de ongelijksoortigheid van de krachten juist op dit terrein niet nodig is. Ik heb er ook weinig behoefte aan om de rassenfantasieën en rassenbiologie uit de wereld te helpen. Toch is juist bij hen een karaktertrek bijzonder duidelijk waar te nemen, die veel verkapte religies kenmerkt: namelijk dat ze de intuïtie aan een cijfer verbinden, het mysterie volslagen begrijpelijk maken, de wilde, wijde wereld graag met een recept te lijf zouden willen gaan - en dat alles, terwijl zij zich beroepen op het mysterie, de intuïtie, het bloed en de wilde wijde wereld. Elke verkapte religie werkt haar eigen uitgangsstellingen om tot het tegenovergestelde. Bovendien bestaat er een mildere, men zou kunnen zeggen, een ontwikkelde vorm van rassengeloof, die door veel mensen argeloos wordt overgenomen, waarvoor de rassengelovigen in engere zin vroom een kruis zouden slaan. Die milde dosis wordt organische ontwikkeling genoemd. De verhouding tussen beide opvattingen lijkt sprekend op die tussen Übermensch en amor fati. Amor fati en organische ontwikkeling weten de uiterlijke schijn van de verkapte religies wijselijk te mijden.


Het besef van de organische ontwikkeling is niet alleen, zoals die van het goede soort, altijd postuum; het wordt zelfs gewoon ondergeschoven. Nergens is het biologische beeld gevaarlijker dan in het toepassen op de geschiedenis en hoe groter de complexen zijn waarover het gaat, hoe zinlozer het wordt. Als volkeren in een staatsverband leven, betekent zich organisch willen ontwikkelen, zoveel als afzien van politiek, want de natuur schept zonder bedoeling: organisch is slechts een ander woord voor waardevrij. De mens mag dan wel denken dat hij zich organisch heeft ontwikkeld uit de aap; de aap zal van zijn kant, ondanks dat het resultaat voor hem toch niet helemaal ontmoedigend zou zijn, nauwelijks de opvatting huldigen dat hij organisch vanuit zichzelf de mens heeft ontwikkeld. Hij zou die mens, die hem geheel opzettelijk en arglistig met kruit of kooi te lijf gaat, als een afschuwelijke revolutionair en anarchist kunnen opvatten.


Ander voorbeeld: nog maar, historisch gezien, een onbeduidende tijdsspanne geleden, vonden wij, ondanks alle kritiek, het werk van Bismarck hier en daar alleszins organisch. In de historische ontwikkeling dachten wij, lang vóór Bismarcks optreden, zelfs vóór zijn geboorte, de drang te bespeuren, die ten slotte de staat van Bismarck voort moest brengen, zoals een boom een vrucht en een bloem haar bloesem. Dat was nadat Bismarck zijn werk had gedaan. Zelf bevestigt hij echter dat, toen het rijk eindelijk klaar was, niemand daarmee tevreden was, omdat men het helemaal niet vitaal en organisch vond, maar politiek en kunstmatig. In onze generatie was dat gevoel al vóór de oorlog verdwenen; wij beschouwden het rijk als organisch, totdat in een bepaald stadium van de oorlog en helemaal niet alleen maar op lang aandringen van de tegenstanders, maar "organisch," van binnenuit, de tegenstelling tussen de Duitse ruimhartigheid en de Pruisische gestrengheid, tussen Weimar en Potsdam, drukkend werd gevonden en Bismarcks werk anorganisch en lang niet alle mogelijkheden bevattend. Constantin Frantz en Friedrich Wilhelm Förster leken het destijds van Bismarck te winnen. Toen kwam de revolutie en hun politiek probeerde het geheel strakker bijeen te houden, dan Bismarck het had gedaan of gekund - en toen vonden we, volgens de wet van de tegenspraak, Bismarcks werk opnieuw het organische. Dat zijn niet minder dan vier omslaande meningen in iets meer dan vijftig jaar, op een terrein, waarop ieder van ons nog steeds zeer meeleeft; en in ieder geval zijn ze ruim voldoende, om het onderscheid uiteen te zetten tussen politiek, die altijd wat op bewolking lijkt en daardoor wispelturig is, en organische ontwikkeling, tussen opzettelijk staatsmanschap en het onopzettelijk scheppen der natuur. Als ons gevraagd wordt, als individu, of als volk: waartoe leidt onze organische ontwikkeling? zullen we de vraagsteller eerlijkheidshalve alleen maar kunnen antwoorden: we willen dit en dat. Voor het overige: wacht 100 jaar! Nee, wacht 500 jaar! Nee, wacht totdat de laatste van ons is overleden en tot de laatste invloed van de laatste van ons is uitgeroeid! De geschiedenis van volk en mensheid is geen toneelstuk in vijf bedrijven en neger- en indianenstammen kennen nog de gelukkige, want dramatisch bewogen, tragiek van de echte ondergang. Grote volkeren en culturen komen er niet zo gemakkelijk van af: het is eenvoudig om onder te gaan, maar moeilijk een overgang te vinden. Ook het geloof in een organische ontwikkeling, zij het optimistisch of pessimistisch, leidt er uiteindelijk toe, dat ‘s werelds loop een recept, een cijfer wordt aangesmeerd, tot de religieuze bekentenis, dat wij wel willen, maar niet weten hoe wij met een afgezwakte en beschaafde verkapte religie om moeten gaan.


X De Blondenhoek

Wie het tegenwoordig over ras heeft, bedoelt meestal de joden. Het anti is sterker dan het pro; het afwijzen van de jood veel duidelijker dan de bewondering voor de rasmens en held. De positieve wensdroom ontstaat eigenlijk pas uit de vijandige houding ten opzichte van de joden en niet omgekeerd. Dat is meteen de reden waarom het antisemitisme, ook het zogenaamde gezuiverde antisemitisme, altijd niet-creatief zal zijn. De scheppende mens begint immers met een volmondig ja-zeggen; pas daaruit komt het nee-zeggen voort. Beroepsantisemieten doen het omgekeerd.


Het antisemitisme heeft alle fantasieën over ras en de rassenbiologie naar zich toe getrokken. Dat moest er wel van komen, want de haat tegen de jood voldoet aan alle aanspraken, die aan een doeltreffende verkapte religie gesteld worden. Het is heel eenvoudig, volstrekt duidelijk. De beloften die het voor deze wereld inhoudt, zijn voor iedereen begrijpelijk en toch zet het alle deuren naar een prachtige achterwereld wijd open. Het is in staat bij bepaalde en uitgesproken mensen alle instincten, van de laagste tot de verhevenste wensdromen, te bevredigen.


Daarbij kunnen we het zakelijke antisemitisme van meet af aan uitfilteren. Natuurlijk is het niet terecht om de hele haat tegen de joden tot deze oorsprong terug te voeren. Er zou met hem helemaal geen zaken gedaan kunnen worden, omdat hij niet in grote mate eerlijk is, omdat de zakelijke berekening ook nog eens doordrongen is van de overtuiging een goed werk te verrichten en de wereld te verlossen.


Geheime genootschappen, die lang niet met alle verkapte religies verbonden zijn, gaan onafscheidelijk samen met antisemitisme. Antisemieten geloven daadwerkelijk dat zij hun land een dienst bewijzen, als ze beginnen met de meerderheid van hun volk - in ieder geval niet alleen de joden - te verstoten uit de volksgemeenschap of ten minste uit het voortreffelijkste deel van de volksgemeenschap, zoals ze zichzelf voelen. Als ze het hele jodendom ter wereld beschouwen als een enkele duistere samenzweerdersbende, projecteren ze daarmee alleen maar hun eigen neiging op de tegenstander.


De opvattingen over jood en jodenhater zijn tegenwoordig op allerlei manieren ingedeeld. Het antisemitisme heeft, ten minste in Duitsland, bereikt dat iedereen zich daarmee wel bezig moet houden.


Op de eerste plaats is er de onvoorwaardelijke en grenzeloos gelovige antisemiet. Hij heeft er niet het minste probleem mee om de jood tegelijkertijd als een afstotelijke democraat en een bloedzuigende plutocraat te zien; hij laakt hem vanwege zijn voorliefde voor Oosterse pracht en praal en haat hem vanwege zijn sjofelheid. Hij is voor hem iemand van het banaalste rationalisme en tegelijkertijd de machtigste van alle geheime genootschappers in vrijmetselaarsloges en de gouden Internationale. Hij beschuldigt de joden tegelijkertijd van rituele moorden en bloedeloos intellectualisme. De jood is volgens zijn beschrijving een gierige geldwolf, die door zijn snobistische hoge prijs toch onze kunst bederft. Hij is een ongehoorde egoïst en verdooft toch staat en maatschappij door charitatieve instellingen. De antisemiet verwijt hem dat hij zich laat veredelen en veracht hem omdat hij toch nooit van het jood-zijn afkomt. Zijn weg gaat volgens de uitspraak van de rassenfilosoof over lijken en toch is hij een internationale pacifist; hij wordt geminacht omdat hij zich aan alles aanpast en verafschuwd, omdat hij zo taai vasthoudt aan zijn eigen manieren; de ene antisemiet maakt hem gewoon kenbaar met de formule: ‘Mammon boven alles' en de ander klaagt hem aan omdat hij het hele systeem van ons geestelijke leven in beslag heeft genomen. De een beschouwt hem als een verscheurende tijger en de ander voor een op twee benen wegwandelend stuk hersenen. Slechts op één punt zijn ze het met elkaar eens: dat de jood de absolute macht verworven heeft. En zo ontstaat de paradox dat juist de bezetendste antisemieten de grootste vleiers zijn van de jood. Echt, de geziene jood hoeft zich tegenwoordig niet meer te gedragen als een beroepsmatige vleier; de onvoorwaardelijke antisemieten kwijten zich beter van die taak dan de bestbetaalde hofdichter ooit gekund had. Die vleierij gaat vast niet zover dat men de joden als wereldheersers zal aanbidden. Als bijvoorbeeld de joodse grootfinanciers ooit echt het gevoel hadden gekregen dat 300 mensen van joodse afkomst de wereld de wet voorschrijven, is dat zonder twijfel door de antisemieten opgeroepen.


Tegenwoordig is echter de algemene opvatting dat het antisemitisme geweldig overdrijft, dat lang niet alles uit de anti-joodse misdaadroman waar is; dat de toon grof en gemeen is; dat men zich als fatsoenlijk mens ver moet houden van het antisemitisme. Omgekeerd: dat jodenhaat terecht is; dat er vast iets waars zit in de misdaadfilm; dat de toon, al is die onkies, toch begrijpelijk is; dat men dan wel niet "zo'n" antisemiet is, maar toch een antisemiet.


Gewoonlijk komt het er bij die antisemieten op neer, dat het de taak van de joden is om ons te prikkelen in onze gelaten luiheid, ons tot concurrentie aan te sporen.


Ze redeneren bijvoorbeeld als volgt: als de joden ons geweld aandoen, wiens schuld is dat dan? De jood doet wat hij moet doen. Wij ook? Men zegt dat hij meer geld heeft. En Krupp steunt Rudolf Herzog; en Herman Löns' "Der Wehrwolf" werd voor het eerst erkend door een joodse criticus; en bij Hermann Burte's "Wiltfeber" ging het bijna precies hetzelfde; en Börries Freiherr von Münchhausen beklaagde zich erover dat hij alleen in de linkse bladen steun vond: en Wilhelm Schäfer heeft zich nog onlangs een zeer ernstige terechtwijzing op de hals gehaald van zijn antisemitische vrienden, omdat hij openlijk een betoog hield over de vijandige houding jegens het geestelijk leven van rijke Duitse families en het feit constateerde dat de jood verreweg het toegankelijkst is. Men zegt dat de jood meer organisatietalent heeft. En het oude leger, de oude vloot, de huidige industrie? Men verwijst dan naar het Berliner Tageblatt en de Frankfurter Zeitung. En de Duitse krant, het Duitse dagblad? Men noemt dan de naam van Reinhardt, Rotter en andere theatermagnaten. En de vroegere hoftheaters? Men zegt dan dat de jood geen doelstellingen heeft en dat het daarom voor hem gemakkelijker is. En de bewonderenswaardige zekerheid, waarmee hij zijn doelstellingen doordrijft?


Als, zo denken deze antisemieten, de jood echt zo machtig en verderfelijk is en wij daarentegen de zuiveren, de van nature superieuren, degenen die de heerschappij van rechtswege toekomt, dan zouden wij dat ook moeten bewijzen, het beter moeten doen dan de huidige joodse wereldheersers. Maar tegenover een dergelijke argumentatie, hoe overtuigend die ook lijkt, kan de antisemiet er gewoon op wijzen dat hij zich nou net niet wil "verjoodsen." Als de jood op dit moment de wereldheerser is, is dat geen argument tegen de antisemiet. Want de laatste hecht immers geen waarde aan "degelijkheid," maar aan heel andere eigenschappen en het goede soort is ook altijd de meest bruikbare.


In het afwijzen van het beter doen, zijn de antisemieten het bij uitzondering zelfs eens met hun eigen tegenstanders. Ik citeer hier een passage uit Hans W. Fischers "Schädelstätte" , een klein boekje, dat niet onderdoet voor veel lijvige filosofieën, en op de gedachten waarvan in volgende hoofdstukken nog teruggegrepen zal worden:


"De kafferzelfverdediging van de antisemieten is volstrekt overbodig. Kunst, toneel, literatuur en wetenschap zijn niet verjoodst, maar verkafferd en de joden zijn natuurlijk, als de beste zakenlieden, geschikter om het zakenapparaat te dirigeren. Het meeste wat geproduceerd, voortgebracht, gelezen en gekocht wordt is immers slechts handel, een conjunctuurproduct. Wat echter zuiver en onvoorwaardelijk is, wordt, ook bij onberispelijke Arische afkomst, door de verkafferde Ariërs het hardnekkigst afgewezen. Zij zijn het, en niet de joden, aan wie Kleist en Büchner, Nietzsche, Conradi en Sack te gronde gaan en door wie Otto Ernste en Presbers leven. Zij zijn het die van Goethe een gipsen buste, van Schiller een voedingsapparaat voor vaderlandslievende zuigelingen en van Nietzsche een partijpoliticus in de West-As maken, van de levenden slechts een paar middelmatige lievelingen, vanwege hun loffelijke trouwe Duitsgezindheid, uitgerekend met eten op andermans kosten. Zij zijn het die niet begrijpen, dat elke waarheid en grootheid meedogenloos is en zich net zo keert tegen iemand, die ze verkondigt en tot stand brengt, als tegen iemand die ze benadert. Zij zijn het die hun stem verheffen over elke van geestelijke vrijheid verdachte Duitse jood of jodenvriend, maar zelf geen echter Duitsers lezen; want zelf kunnen ze iets nieuws, over het bord voor hun kop heen, helemaal niet zien. Niet alleen Fontane ondervond dat, maar ook Löns - Löns! - werd pas bekend vanaf het moment dat een jood "Der Wehrwolf" met respect verwelkomd had, zoals een belangrijk werk betaamt. Het is waar dat de joden de maatgevende invloed hebben op de geestelijke beurs. Maar de beurs zou ook geen tempel worden, als die alleen maar door Ariërs werd bezocht. Waar geld rolt - roem van de dag is ook maar een andere vorm van geld - stinkt het altijd; en als iemand daar een moraal uit wil halen, zou het toch niet moeten zijn: "Huur een stand," maar slechts die andere: "Ga niet naar de beurs!"


Ook andere tegenstanders van het antisemitisme uiten zich deels waarderend. Ze zeggen dat het bestrijden van de joodse zakenman dan wel op egoïstische en onedele motieven berust, maar dat het jodendom aangepakt moet worden vanwege de oudtestamentische geest, die bijvoorbeeld blijkt uit de uitspraak: oog om oog, tand om tand. De antisemieten laten natuurlijk ook het bestrijden van het Oude Testament en de tegenstelling tussen het Oude en Nieuwe Testament, niet buiten beschouwing, maar gebruiken dat eerder als een krachtig strijdmiddel. Het is voor de joden echter eenvoudig om daar op te antwoorden, dat die oud-testamentische wijsheid eerder tegen hen, als door hen wordt gebruikt; tegenwoordig minder Semitisch als antisemitisch bezit is.


Als zij er vervolgens echter toe overgaan, hun "onschuld" te willen bewijzen - er is geen gebrek aan dat soort pogingen en ze hebben iets ontroerends en roerends, iets van de klank van de treurende zanger aan de wateren van Babylon - dan doemt er een nieuw probleem op. De antisemieten beweren namelijk, zoals alle achterwereldbewoners en verkapte religieuzen, dat de hele wereldgeschiedenis, een opzettelijke joodse vervalsing is; en om die stelling te weerleggen, zal de jood of zijn verdediger zich steeds gedwongen voelen eveneens een wereldgeschiedenis te schrijven, die niets anders kan zijn dan een eigen en persoonlijke voorstelling. Daarmee is men echter dan weer precies even ver als bij aanvang van het gevecht. De antisemiet maakt van meet af aan zijn materiaal grenzeloos en voor elk punt, dat weerlegd wordt, duiken twee nieuwe strijdige op; het gevecht komt nooit ten einde. Zelfs als iemand zich de moeite zou willen getroosten om elke bewering dossiermatig te weerleggen, blijven nog steeds de joodse geheime leren en Kabbala over. Bijvoorbeeld een rabbijn, die op dat gebied een autoriteit zou zijn en door het openbaarmaken van de officiële uitleg en verklaring, de antisemitische aanvallen zou willen ontzenuwen, heeft van begin af aan tegen, dat hij jood en rabbijn is. De jodenhaters zouden hem terecht kunnen toeroepen, dat een aangeklaagde zich aan het verdedigen is, dat zijn weergave van de zaak niet juist is. Historisch onderzoek kan in dit geval niets doen ter verduidelijking, maar maakt juist alles alleen nog maar ingewikkelder, werkt de elefantiasis alleen maar in de hand.


Nee, sterker nog: de joden kunnen in deze kwestie niets bijdragen. Niet alleen omdat zij de aangevallenen, de aangeklaagden zijn, van wie de uitspraken van meet af aan dan minder geloofwaardig lijken te zijn, maar ook omdat het echte probleem van het antisemitisme helemaal niet een probleem tussen joden en niet-joden is. Het ligt in de omstandigheid, dat het antisemitisme boven elke terecht en onterecht gevecht tegen de joden uit, al lang eigen gelijk halen is geworden, een verkapte religie. De jodenkwestie is een antisemietenkwestie.


De verdienste dat voor het eerst als zodanig opgevat en benoemd te hebben, komt Wilhelm Michel toe, en zijn kleine polemische geschriftje over de jodenkwestie: ‘Verraders van de Duitse volksaard.' Michel onderzoekt de kern van de zaak: niet hoe de joden zijn, maar hoe de jodenhaters in elkaar zitten.


"Men beroept zich, terwijl men zich gedraagt als een onwelriekende ‘coyote,' op de Duitse volksaard, de Duitse geest en het Duitse bloed. Men beweert de echte Duitse volksaard te behoeden, terwijl men zo armzalig is als een pissebed, zo banaal als een souteneur, zo schaamteloos als een lijkenrover en zo oneerlijk als een wisselvervalser. Het antisemitisme is…in eerste instantie een zaak tussen de Duitsers en een bende verraders van alle waardevolle, intellectuele en ridderlijke overleveringen van de Duitse volksaard, die wij als iets eerbiedwaardigs in ons dragen. Het is een ontering van ons allen…Het is de brandende schande van al degenen, die in de Duitse volksaard een waardevol, voortreffelijk werktuig zien voor de verwerkelijking van de mensheid…de brutaalste onderneming tegen de Duitse volksaard, die ooit in werking gesteld is….Ons tegen deze stormaanval op het grootse en zonnige in onze volksaard teweerstellen, wordt geëist door de omvang van dit kwaad en de kostbaarheid van het bedreigde. Wij moeten als mens die aangevallen joden, maar als Duitser ons zelf wel verdedigen tegen deze haveloze pariahorden… We worden bestolen, uitgescholden, onze handtekening wordt vervalst, onze fatsoenlijke naam wordt gevoerd door misdadigers, als zij erop uittrekken voor moord en roof…"


Vervolgens vergelijkt Michel de Duitse volksaard, zoals die in het grote en kleine tot uiting is gekomen, met de Duitse volksaard van de antisemieten.


Daarmee zal hij geen enkele antisemiet bekeren. Wil dat ook helemaal niet. Veel belangrijker is dat hij de strijd tegen de geestelijke epidemie begint op het punt waar echt het ziek-worden en de bedreiging van het leven ligt.


Maar de antisemieten hebben nog een bezwaar. Ze beroepen zich namelijk in het uiterste geval op precies dezelfde grootsheid van de Duitse volksaard, waarop ook Michel zich beroept. Elke antisemiet, roepen ze, bevindt zich in het best mogelijke gezelschap. Ook Kant, Goethe, Schopenhauer, Wagner,  en Bismarck (ze voegen daaraan toe: eigenlijk alle grote mensen) zijn antisemiet geweest.


Dat is in zo verre juist, dat sommigen van onze grootste mensen op een zeker moment in hun leven door de afwijkende en niet als vriendelijk ervaren aard van de jood, hun eigen aard duidelijker ervaren hebben. Wat hebben zij toen gedaan? Hun werk….waarin de afkeer van joden geen enkele keer ook maar één belangrijk bijkomend aspect is. De antisemieten vinden echter hun jodenhaat, hun verkapte religie, al een voldoende bezigheid en zouden Goethe's hele werk graag ter beschikking stellen van het jaarmarktfeest in Plundersweilern.


Dat het antisemitisme geen politieke beweging is met overdrijvingen en een verkeerde doelstelling, maar een verkapte religie, blijkt al uit het feit dat bijna ieder van zijn aanhangers verschillend en meestal nogal onduidelijk antwoorden geeft op de vraag, wat er dan volgens het antisemitische recept eigenlijk met de joden moet gebeuren. Zover als de grimmige, maar in ieder geval duidelijke wijsheid van de patriarch: ‘niets doen, de jood wordt verbrand,' durven maar weinigen te gaan, vast niet omdat ze terugschrikken voor de barbaarsheid van de progrom, maar omdat ze in wezen minder op hebben met joden, dan met de eenvoudig verkregen zelfverdoving. De middeleeuwse en Russische pogroms komen, al mag daar nog zoveel bevrediging van de barbaarsheid in zitten, voort uit een heel andere bron: uit de haat van de christenen tegen een volk, dat de Verlosser aan het kruis sloeg. Die opvatting behoort bij de heikneuter maar niet bij de achterwereldbewoner. Hun vertaling naar een pogrom is ongetwijfeld niet vrij van duistere motieven, maar wel rechtlijnig en, bij wijze van spreken, netjes. Voor hen ligt het nog steeds aan de jood; zij zien in hem op grond van een bepaald feit, een vijand. De huidige antisemieten weten niet precies wat ze na het verwerven van de macht met de joden aan moeten. Zelfs de meest ongeremden onder hen denken echter alleen maar aan een concentratiekamp voor joden; en waarschijnlijk zouden ze verder met hun gevangenen geen raad weten. De fijnere antisemieten zijn natuurlijk tegen elke gewelddadige maatregel; en de fijnste, zoals Weininger, verplaatsen de joden zelfs helemaal naar binnen, naar het innerlijk van iedereen, waarna de elefantiasis helemaal tot ontwikkeling komt. Er is dan geen enkele belemmering meer om alles onder het begrip ‘joden' onder te brengen, ogenschijnlijk heel zeker te blijven en toch oeverloos rond te dwalen. Tegelijkertijd wordt echter bij deze fijnste antisemieten (die bijvoorbeeld door Michel niet veroordeeld worden) de innerlijke tegenstrijdigheid bijzonder duidelijk: ze gaan prat op het eigene en eigen groei en eisen in dezelfde adem van de joden hun eigene alsjeblieft op te geven.


Hoeveel varianten het huidige antisemitisme ook behelst, daaronder is er echter één niet te vinden: namelijk het gevoel, waarmee bijvoorbeeld de boer de joodse veehandelaar tegemoettreedt en een heel naïeve en grote behoedzaamheid tegenover de joden aanraadt. De enige vorm van antisemitisme, die de antisemiet niet kent als verkapte religie, is het instinctieve antisemitisme, dat van het bloed en de gewone ervaring. Ook hier lukt het de verkapte religie uiteindelijk de eigen gerationaliseerde uitgangspunten, uit te roeien.



TWEEDE DEEL

DE VLUCHT IN DE TOEKOMST

XI Utopia - Leningrad en retour

Als we van Übermensch en cultus van de wil overschakelen naar socialisme, communisme en anarchisme, lijken we over te stappen naar het totaal tegenovergestelde; van de verkapte religie van de heldenmoed naar het niet-heroïsche achterwereldschap. Verder lijken wij vanuit het domein van de dialectiek in dat van de politieke praktijk te terecht te komen.


Maar de verkapte religies van het socialisme liggen in de lijn van de cultus van de wil, en dan niet alleen als tegenovergestelde. Over wat ze in de politieke praktijk willen, zeggen ze deels hetzelfde. Als tegenwoordig de voorvechters van een zuiver ras tegelijkertijd opkomen voor het "afschaffen van horigheid met cijnsplicht," pakken ze daarmee, van het voor-marxistische socialisme, alleen het arbeidsloonleerstelsel weer op. Beiden zeggen eenstemmig dat men op het goud gebaseerde muntstelsel moet afschaffen ten gunste van een op arbeid gebaseerd muntstelsel; een van de laatste (nationale) vertegenwoordigers van dat idee wil gewoon de stukloonlijsten van de fabrieken, waarop de weekproductie van de arbeider staat en daarmee zijn loonopgave, te gelde maken. Op elk moment, zegt hij, zijn arbeidsprestatie en loonsom gelijkwaardig. Daarom is er niets anders nodig, dan dat de fabrieken van een land gezamenlijk gelijksoortige stukloonlijsten aanschaffen en dat elk land die lijsten aanneemt bij wijze van betaling of door zijn spaarbanken toonder het loon van de stuklijst laat uitbetalen. Dan zou ook elke winkelier die lijst als betaling accepteren, die wat hen betreft dan telkens weer door de afgevende fabriek zelf verzilverd moet worden. De theorie, die door een tegenstander van het socialisme recent is bedacht, als recept voor de bevrijding van de wereld, is onder andere aangevochten door Proudhon.


Maar niet alleen in dat soort details, maar ook op een breder terrein vallen heldencultus en socialisme samen. Dat komt niet alleen omdat de politieke partijen, die zich beroepen op een van die tegenstrijdige opvattingen, in de praktische politiek doorgaans samenwerken, maar ook omdat ze beiden een grote afkeer koesteren tegen de partijen van het midden. Het is niet alleen de gemeenschappelijke oppositie, die beide vijanden in elkaars armen drijft. Tussen Marx en Spengler bestaat namelijk een nauw verband, dat vanaf de buitenkant vrij diep naar binnen reikt. Beiden beginnen met de bewering dat in het leven de gedachte vrij onbelangrijk is. "Het is niet het bewustzijn van de mensen dat hun bestaan bepaalt, maar het bestaan hun bewustzijn," sprak Marx. "Zowel logica als ethiek zijn voor de geest systemen met een absolute en eeuwige waarheid, en juist daardoor zijn beiden voor de geschiedenis onwaar." - "Het echte leven, de geschiedenis, kent alleen feiten, geen waarheden," sprak Spengler. En vervolgens gaan beiden, de heilige Karl en de heilige Oswald naar huis en schrijven een paar dikke succesvolle boeken over de waardeloosheid van boeken. Zoals te verwachten komen ze dus ook beiden uit bij het fatalisme.


Dat is geen op zichzelf staand geval. Alle varianten van socialisme en fascisme zijn niet alleen aan elkaar verwant in de ogen van de cultuurcriticus, wiens taak het is, achteraf verbanden te beschrijven, een bezigheid, die voor hem bij tegenstellingen het eenvoudigst is. Alle vormen van fascisme zijn rechtstreeks voortgekomen uit het socialisme, niet als reactie, maar door halfbewuste imitatie. Dat is niet alleen juist het kenmerkende daarvan, maar ook van onze tijd. Op zich is de essentie van het fascisme slechts een terugkeer naar het soort politiek, zoals die vóór de oorlog algemeen werd bedreven. Maar juist dat is tegenwoordig niet langer voldoende; het rustige, op de praktijk gerichte, politieke herstel van de wereld schijn tegenwoordig niet toereikend te zijn, in ieder geval niet wervend. En zo wordt dus ook het fascisme precies, wat het het socialisme verwijt. Het wordt een verkapte religie, die in de praktijk doorwerkt met de oude staatsrecepten, maar in polemiek en reclame maken op allerlei snelwisselende recepten steunt en daaraan het ogenlijke succes van de werving dankt. Zonder zijn grote tegenhanger is fascisme ondenkbaar; het is ook, zoals de meeste verkapte religies, een antibeweging, sterker nog, het is zelfs alleen maar een antibeweging van een antibeweging; en dat maakt het zo moeilijk om in zijn programma en handelen, ook maar een enkel aanknopingspunt te ontdekken; terwijl het veel te eenvoudig schijnt, om zich gewoon uit te spreken voor de realistische politiek oude stijl.


Maar in hoeverre is het socialisme een verkapte religie? Voor het vroegere socialisme lijkt dat zo duidelijk, dat dat niet bewezen hoeft te worden. Deels geheel bewust bedenkt ze utopieën, schetst een toekomstige staat, waarvan ze zelf misschien niet eens hoopt dat die verwerkelijkt wordt. Voortdurend geeft Plato uitdrukkelijk aan, dat het helemaal om het even is of de door hem geschetste staat al dan niet te verwezenlijken is. "Of dat nu ergens plaatsvindt of ooit nog zal plaatsvinden, namelijk dat vrouwen en kinderen en have en goed zonder uitzondering gemeenschappelijk zijn en met alle denkbare middelen het zogenaamde eigendom overal en volledig uit het leven verwijderd is, maar zo mogelijk ook het van nature kenmerkende ook op een of andere manier gemeenschappelijk geworden is (zodat bijvoorbeeld, ogen, oren en handen gemeenschappelijk gebruikt worden om te zien, te horen en te werken), valt nog te bezien." En pas dan gaat hij verder met een krachtig "zoveel is echter zeker, of het nu God of godenzonen zijn, die een dergelijke staat grondvesten, in ieder geval is het een zeer gelukkige staat."


Plato, de grootmeester van het communisme, houdt zich niet enghartig bezig met de wereld, daalt niet neer tot de verkapte religie - en blijft daardoor voorbeeldig. Toch ervaart men in de diepzinnigheden van de laatste penseelstreken, waarmee hij zonder voorbehoud en met kinderlijke vreugde alle details van de toekomstige staat schildert, het dichterlijke element niet als storend en strijdig met het politieke doel, maar eerder als verzoenend. Men moet wel een bijzondere droogstoppel zijn om onbewogen te blijven als bijvoorbeeld de Duitse kleermaker en dweper Wilhelm Weitling zijn staat schetst: een centrale raad die uit wetenschappelijke genieën moet bestaan, daaronder centrale en gewone voorman-compagnieën, gezondheidscommissies en arbeidsbesturen. Hij beschrijft de mensen die het triumviraat moet vormen: een daarvan moet arts zijn en een werkzaam middel tegen een of andere ziekte uitgevonden hebben; een ander moet een nieuwe wereldtaal bedenken; de derde de luchtschipluchtvaart en de vierde huizen uit één stuk. De dweper, de echte utopist, ontwapent ons altijd; hij bedenkt namelijk niet de staat, hij fantaseert haar.


Juist daarom maakt de gebruikelijke kritiek op het socialisme zich er meestal te eenvoudig van af. Ze zegt bijvoorbeeld: dat kan niet! Maar dat is het bezwaar van mensen die of te gemakzuchtig zijn, of wanhopen aan de wereld. Met andere woorden: niet een bezwaar dat serieus genomen moet worden. Want als wij onszelf er niet meer toe in staat achten deze aarde of ons stuk daarvan de vorm te geven die wij wenselijk achten, hebben wij daarmee eigenlijk onze grote aardse taak opgegeven. Dan valt er alleen nog maar te strijden over de weg die tot een bepaalde staatsvorm moet leiden; juist op dit punt zijn de utopisten meestal echter heel voorzichtig: ze zeggen daar niets over; of ze redden zich, net als hun fascistische vrienden, eruit door het toverwoord: dictatuur!


Hetzelfde argument in een andere vorm verwijst naar het menselijke tekort: ja, als alle mensen engelen waren, dan zou het wel kunnen, maar zolang ze mens zijn, is het onmogelijk. Dat criterium snijdt aan twee kanten. In plaats voor de tot nu toe niet-socialistische dingen, kan het zich ook uitspreken voor een nog radicalere sociale toestand, voor het anarchisme. Bakoenin en Kropotkin hebben dat als volgt toegepast: het politieke geweld moet hoe dan ook afgeschaft worden. Dat betekent, in welke vorm het ook uitgeoefend wordt, in ieder geval onderdrukking: "Dat verklaart ook waarom mannen die tot de sociaaldemocraten, tot de verschrikkelijkste revolutionairen, behoord hadden, bijzonder gematigde conservatieven worden, zodra ze aan de macht zijn gekomen. Gewoonlijk schuift men een dergelijke ommezwaai op verraad. Dat is een vergissing: het meest schuldig daaraan is de verandering van vooruitzichten en baan…..Als men morgen een regering en een wetgevende raad zou samenstellen, die alleen uit arbeiders bestond - arbeiders die vandaag overtuigd sociaaldemocraat zijn - zouden deze mannen morgen vastbesloten aristocraten, dappere of bange aanbidders van het autoriteitsprincipe, onderdrukkers en uitbuiters worden. Daaruit trek ik de volgende conclusie: principieel en feitelijk moet elk politiek geweld hoe dan ook volkomen afgeschaft worden…." Het menselijke tekort wordt hier niet tegen, maar voor een fundamentele en radicale verandering van de maatschappelijke orde aangevoerd.


Even eenvoudig, maar even ontoereikend, is de kritiek op het socialisme vanwege de strijdigheid of vermeende strijdigheid tussen zijn theorie en feitelijk handelen. Als men bijvoorbeeld de Bolsjewiek zijn dodelijke slachtoffers en ongehoorde gruwelen verwijt, is hij allesbehalve pijnlijk getroffen. Integendeel, hij voelt zich uitstekend omdat hij zijn theorie met zoveel kracht en moed heeft doorgedreven. Evenzo blijft hij volstrekt onverschillig als hij erop wordt gewezen dat hij zelfs een nog erger onderdrukkende staatsmacht tot stand heeft gebracht, dan in de kapitalistische staat ooit bestaan heeft; als het ware zelfs een staatsalmacht, die niet te rijmen valt met het ideaal van het geluk van de massa. Hij zal daarop gewoon antwoorden, dat de massa, ten minste de massa in de bolsjewistische staat, zich in feite vrijer voelen dan in de kapitalistische; en daarmee zal hij niet eens liegen of ongelijk hebben. Iets dergelijks geldt voor elke andere poging van de dialectische kritiek: die moet zijn doel missen, omdat wij met de verkapte religie van het socialisme het terrein van de werkelijkheid hebben betreden. De cultus van wil, ras en dergelijke, waren weliswaar niet dialectische, maar wel door eigen interne kritiek aan te pakken. De programmatische poging om een staat op heroïek, cultus van de wil, of raszuiverheid te grondvesten, heeft nog nooit iemand ondernomen. Dat zijn allemaal utopieën, in veel grotere mate onmogelijkheden dan het socialisme. Dat heeft de utopie achter zich gelaten – en is daardoor echter een verkapte religie geworden.


Dat gebeurde niet voor het eerst in Rusland, waar het bolsjewisme immers nooit afstand heeft genomen van de Russische omstandigheden. Het gebeurde veel eerder, op het moment waarop Marx de socialistische utopie tot wetenschap verhief. Het gedweep van de utopische socialisten kon hoogstens tot kortdurende sekten leiden; pas als verkapte religie, in de marxistisch-wetenschappelijke vorm, kon het echt aan de verovering van de wereld beginnen. Pas Marx heeft van het socialisme feitelijk een verkapte religie gemaakt, juist omdat hij de verkapte religie in het socialisme af wilde schaffen, wetenschappelijk wilde maken.


Van buitenaf bekeken is de leer van Marx gewoon staathuishoudkunde. Hij beschrijft de processen van de nationale en internationale economie op dezelfde manier als zijn voorgangers. Echter met één fundamenteel verschil. Zijn voorgangers probeerden de bestaande toestand te verdedigen of te verbeteren. Marx is de eerste die erop uit was, terwijl hij als jonge doctorandus toch angstvallig het karakter van een objectieve beschrijving probeert te handhaven, uit die bestaande toestand een grote, nieuwe, nog nooit vertoonde te ontwikkelen. Hij is de eerste die in de plaats van de utopie, die aan alle kanten openstaat voor kritiek, iets plaatst, dat als verkapte religie veel beter werkt: de profetie. Hij bemoeit zich niet met het schetsen van de toekomstige toestand; maar juist daardoor werkt de beschrijving van de weg, die volgens hem voor ons ligt, des te dwingender. Er is geen ontkomen aan: noodzakelijkerwijs, niet door prikkels van buitenaf, maar door haar eigen aard zal de kapitalistische staat veranderen in een socialistische maatschappij. (Ook in de profetie als wetenschap ligt Spengler op dezelfde lijn als Marx.)


En op de door Marx tot stand gebrachte wetenschappelijke basis begint dan weer de utopie, de hartverwarmende uitbeelding van de toekomstige staat. Maar wat veel krachtiger dit keer! Haar onderbouw lijkt immers volmaakt gewaarborgd: door nu in deze utopie te geloven, behoort men volgens Marx dus niet langer tot een kleine sekte van wereldverbeteraars, men doet alleen maar mee met een noodzakelijke ontwikkeling. Van de utopie eerst een wetenschap maken en toch in deze wetenschap door middel van de profetie alle deuren naar de utopie openlaten, met het enige verschil dat het huis dit keer een veel zekerdere basis heeft: dat betekent van het socialisme een verkapte religie maken. Des te meer, omdat Marx de kiemen van deze verkapte religie niet gesmoord, maar juist door een spitsvondige uitwerking de groei daarvan bevorderd heeft. Het is elefantiasis en monomanie in de meest werkzaam denkbare combinatie.


Elefantiasis: want wat tot nu toe slechts een levensterrein was, de economie, breidt zich nu uit over het hele mensenleven en zijn geschiedenis. De wereldgeschiedenis wordt geschiedenis van de economie; het zichtbaarste en grijpbaarste, dat wat ons allemaal aangaat, wat verreweg de meesten van ons nooit uit zijn ban en angstige zorgen laat ontkomen, wordt de zin van de wereld.


Monomanie: want misschien zijn wij niet allemaal drager van dit gebeuren en zijn betekenis, maar alleen bepaalde mensen, bij wijze van spreken, omgekeerd uitverkorenen: de industriearbeiders. Zij waren het ook die een verkapte religie het hardst nodig hadden. Want de staat had geprobeerd vat te krijgen op de menselijke en maatschappelijke positie van de industriearbeider met een middel tegen eksterogen en de kerk had wat betreft hun geestelijke toestand vrijwel geheel gefaald. Beide machten hadden geen leiding gegeven, maar zich laten meeslepen. Dat vormde de gunstige voedingsbodem voor de verkapte religie.


Hoe komt het dat zelfs de tegenstanders van het socialisme, de verkapte religie heel anders opvatten dan bijvoorbeeld de leer van de Übermensch? Vast niet alleen omdat het socialisme veel aanhangers heeft en in de praktijk politiek succes boekt. Ook niet omdat het de periode van zijn geheime genootschappen achter zich heeft gelaten. Maar het komt omdat zowel zijn elefantiasis als monomanie in feite uitgaan van grote en belangrijke gebieden. Economie is niet de hele wereld en arbeiders vormen niet de hele mensheid. Het zijn wel ruimere, constantere en zichtbaardere uitgangspunten.


Desondanks blijven ze elefantiasis en monomanie. Ook zij vervalsen hun uitgangspunten. Het tegenwoordige socialisme dankt zijn bestaan niet aan economische krachten, waar het zich op beroept, maar - aan een boek, dat deze economische krachten opblaast. En dat, wat de wereld opnieuw zou kunnen vormen, is voorlopig te monomaan om de arbeider ook maar echt te helpen.


Wat wil de arbeider? Of liever, wat mist hij? Meer dan alleen maar een hoog loon en eengezinshuis, verlangt hij naar een vaste, zekere en menselijke baan binnen zijn werkkring. Naar een baan, die hem het gevoel geeft mens en niet middel te zijn. Meer dan naar een aandeel in het uiterlijke gewin van het bedrijf, verlangt hij naar het innerlijke aandeel van zijn eigen arbeid en naar vooruitzichten en mogelijkheden, die uitstijgen boven zijn status als instrument. Wat hij aan zijn werk echt vernederend en drukkend vindt is, dat hij daar helemaal geen band meer mee heeft en geen enkel vooruitzicht daar ooit innerlijk of uiterlijk bovenuit te komen. Ook de mogelijkheid van beter onderwijs, hogeschoolcursussen, meer vrije tijd voor eigen bezigheden en dergelijke, maken zijn onvrede alleen maar groter. Want het is onvrede met zichzelf. Met de aangeboden geestelijke goederen, die een heel andere maatschappelijke en psychische voorbereiding veronderstellen, kan hij nauwelijks iets beginnen en hoe ijveriger hij zich ook moeite getroost voor zijn ontwikkeling, hoe meer hij tot een halfslachtige vorming vervalt. Het enige wat hij in deze wereld werkelijk beheerst en bezit, is zijn arbeid en dat moet elke arbeidersbeweging als uitgangspunt nemen.


Het betekent het probleem omzeilen, als men in plaats daarvan probeert de arbeider met de grond te verbinden en de industrie naar het platteland te verplaatsen, waar elke werknemer zijn eigen boerderijtje zou kunnen hebben. Dat betekent mystagogisch en verlicht geloven in de zegenende krachten van moeder aarde, in het vredige boerenleven. In werkelijkheid ligt de heilzame werking in het feit dat de boer zowel vrij is van verlichting als van mystagogie. Werken op een stukje grond vraagt, als het vreugde en resultaat wil verschaffen, inzet van de hele innerlijke bereidheid, arbeid en vaardigheden en duldt geen andere afgoden naast zich. Daarom zou dus het overplanten van industriearbeiders naar een stukje grond alleen maar tot teloorgang van de ontwikkeling leiden.


Nee, men beschikt als uitgangspunt alleen over de arbeid, en elke arbeidersbeweging, die zichzelf serieus neemt, moet op de eerste plaats die arbeid hervormen. Ze zou de industriële reuzenbedrijven moeten opdelen in een aantal kleine, samenwerkende afzonderlijke bedrijven. En daarin ligt de echte taak voor deze veel bewonderde en veel belasterde organisatie. Ze zou ervoor moeten zorgen dat de voordelen van het samenwerken zo mogelijk behouden blijven, en toch, als het enigszins technisch door te voeren zou zijn, uit het mammoetbedrijf een reeks kleinere, zich zo mogelijk als zelfstandig ervarende, ondernemingen gevormd worden.


Want alleen in het kleinere bedrijf kan de arbeider de persoonlijke verhouding met zijn kameraden en de leiding en niet in het laatst zijn arbeid, als is die zuiver mechanisch, opnieuw ervaren. Alleen in het kleinere bedrijf kan de bijzondere geschiktheid en vaardigheid van de afzonderlijke arbeider tot zijn recht komen en alleen daar is het mogelijk dat hij zelf zijn arbeid kan ontwikkelen, met behulp van natuurlijke en beschikbare hulpmiddelen.


Maar in zijn monomanie ziet het tegenwoordige socialisme nog iets anders, veel groters over het hoofd. De techniek van het grootbedrijf maakt niet alleen van de arbeider een slaaf, maar de ondernemer bijna nog erger. Heeft het bedrijf een bepaalde uitbreiding overschreden, dan dient het niet meer de wil, eerzucht en uitbreidingsdrang van de ondernemer, maar wordt juist zelfstandig, wat dan blijkt uit het bijna als regel omzetten in de maatschappijvorm. Niet alleen stikt het grootbedrijf in de arbeider, maar ook de bestuurder in de mensen. Desondanks blijft het socialisme er aanspraak op maken alleen in naam van de "verpauperde arbeidersklasse" te handelen; het socialisme, dat eigenlijk de wereld opnieuw zou moeten ordenen en vormen, komt niet in opstand in naam van de wereld.


XII De zelfmoord van de homunculus

Deze exclusiviteit van het socialisme dankt haar bestaan niet alleen aan het tactisch rekening houden met de werving. Om de belangrijkste oorzaak te vinden, moeten wij ons richten op een groep verkapte religies, die ogenschijnlijk niets te maken heeft met de verschillende vormen van socialisme, maar toch het antwoord geven, dat het socialisme ons onthoudt. Ik bedoel het verbod op sterke drank en wat daarmee samenhangt.


Zoals bij de meeste verkapte religies is het eerste gevoelsmatige bezwaar tegen het alcoholverbod van esthetische aard; zelfs, ja juist bij mensen die geen fluit om esthetiek geven. Het bezwaar betreft de middelen, waarmee de schadelijkheid van alcohol algemeen begrijpelijk aangetoond moet worden; de afbeelding van levers en harten van drinkers, die in de etalages van anti-alcoholverenigingen hangen. Verder gaat het over dat kenmerkende onsmakelijke dat elk openbaar boetenbankje eigen is: ooit was ik een beklagenswaardige zuiper; een dier in mensengedaante; nu ben ik, sinds ik niet meer drink, weer een zoon des lichts - waarbij de bekeerde zoon des lichts trouwens niet sympathieker is dan de zuiper.


De aanklacht, zoals de populaire motivering van het anti-alcoholisme, die bijvoorbeeld Popert in zijn "Helmut Haringa" beschrijft, is, vooralsnog afgezien van de esthetische weerzin en ook de monomanie, die alle kwaad in de wereld uit de alcohol verklaart, te zwaar. Als een dief van roofmoord beschuldigd wordt en blijkt dat hij die roofmoord helemaal niet gepleegd heeft, zal hij waarschijnlijk wegens de echt gepleegde diefstal een verhoudingsgewijs zeer goed geweten hebben en vanwege de aanklacht voor moord, zelfs bijna het gevoel hebben dat hij een eerlijk man is. Dat is de positie van de normale alcoholzondaar tegenover de gangbare aanklachten van de geheelonthouder. Hij voelt zelf dat het met hem niet zo erg is, dat zijn lever en hart in orde zijn en zijn dagelijkse alcoholconsumptie zijn nageslacht niet aantast. De populaire antialcoholcampagne bewijst hem door de ernst van de aanklacht zelfs de dienst, dat hij zelf nooit over de eventuele schadelijkheid van zijn sterkedrankgebruik hoeft na te denken. Wegens de ernst van de aanklacht wordt hij zonder meer vrijgesproken.


Maar intussen is geheelonthouding, precies als socialisme, van utopie een politieke werkelijkheid geworden. De Verenigde Staten zijn drooggelegd en wij hebben naast vele indrukwekkende en zeer uiteenlopende verslagen in een enorm aantal Duitse boeken over Amerika ook een nauwgezet en specialistisch wetenschappelijk verslag gekregen. Het is afkomstig van Dr. Martha Küppersbusch, die in haar boek "Het alcoholverbod in Amerika" alle facetten van het vraagstuk uitgebreid behandeld. Niet alleen door zijn inhoud, maar ook door zijn methode verraadt het boek dat het afkomstig is uit de Verenigde Staten. Het is een en al statistiek. Statistisch wordt de ratificatie van de wet in de afzonderlijke Noord-Amerikaanse staten onderzocht; statistisch wordt de alcoholconsumptie in de afzonderlijke landen met elkaar vergeleken, uitgesplitst naar brandwijn, wijn en bier, naar toename en afname; geheel statistisch worden de arbeidersgezinnen in Amerika en Europa onderworpen aan een onderzoek naar hun alcoholconsumptie, uitgesplitst naar immigranten en van oudsher inheemse gezinnen. Dan volgt een statistiek over de verwerking van nationale producten met alcohol, historisch uitgediept, vanaf het arriveren van de Mayflower en over het geleidelijk ontstaan van gemengde dranken, cocktails, flips, toddies en dergelijke drankjes. Dat wordt onderbroken door een nieuwe statistiek over het geleidelijke voortschrijden van de drooglegging en uitroeien van de openbare drinkgewoonten, die alleen nog maar aangehangen worden door de pas geïmmigreerden. Na ettelijke uiteenzettingen over saloons en politiek volgt een historische statistiek over de verbreiding van de drankzucht en haar dodelijke slachtoffers, over de verbreiding van alcoholmatigingsverenigingen en de eerste pogingen in verschillende staten tot een verbod met kaarten en diagrammen, die afgelost worden door een nieuwe statistiek over belastingontduiking en soortgelijke misdrijven van belanghebbenden in de alcoholsector; waarna een statistisch bewezen overzicht volgt over het opvoedings- en voorlichtingswerk van zowel politieke alcoholverbodspartijen als van kerken en sekten. Een nieuwe, historisch gefundeerde statistiek over het vrouwenstemrecht en zijn invloed op de alcoholmatigingsbeweging wordt in verband gebracht met een soortgelijke over de invloed van scholen, universiteiten en het wetenschappelijke onderzoek naar alcohol; het laatste weer ontleedt in mortaliteitsstatistieken (uitgesplitst naar hartziekten, longontsteking, beroerte, verlammingen, aderverkalking, nierziekten, levercirrhose en krankzinnigheid), statistieken over misdaad en seksualiteit. Die worden weer afgelost door een kleine statistiek over de geheelonthouding bij spoorwegambtenaren, arbeiders, handelsemployees en landarbeiders in procenten, over zowel de toename van het geïnvesteerde kapitaal, als het stijgen van de arbeidslonen; en over de bijdrage van de alcoholproductie aan kapitaal, loon en waarde van de producten en het percentsgewijze aandeel van de loonarbeider aan het product. De daar aansluitende aanklachten tegen de Duitsers als de enige overtuigde alcoholadepten zijn niet statistisch bewezen. Een bescheiden statistiekje geeft vervolgens het aantal stemmen aan bij de beslissende stemmingen over het alcoholverbod en de Amerikaanse presidenten, die zich hebben ingezet voor de geheelonthouding. Daarmee besluit het eerste deel van het boek.


Het tweede begint, na een beschrijving van de wettelijke alcoholverbodsbepalingen en de weerstanden die daarbij overwonnen moesten worden, met een onbeduidende statistiek over de publieke mening over het alcoholvraagstuk binnen universitaire kringen. Deze beschrijvingen worden onderbroken door een leerzame kaart over de stand van het wereldwijde alcoholverbod op 1 januari 1923, die na informatie over de leugens in de kranten over het alcoholverbod, gevolgd wordt door een uitgebreide statistiek over de nog bestaande alcoholconsumptie, ingedeeld naar import en staatsvoorraden. Het eindigt met een statistiek over de arrestatie van overtreders, inbeslaggenomen destilleer- en gelijksoortige apparatuur, onderschepte smokkelalcohol, en dat laatste opgesplitst naar bier, wijn en whisky. Het gedeelte sluit af met een statistische opgave over het aantal prohibitieambtenaren.


Dan volgt het derde deel. Het behandelt de gevolgen van de nationale prohibitie en haar betekenis voor de nationale economie. Waren er in beide vorige gedeelten nog sommige oasen van pagina's zonder getallen, in dit derde deel is dat volstrekt onmogelijk. In het begin vergelijkt een statistiek de vervaardiging van laarzen en schoenen, brood en banket, spoorwegwagons, mannenkleding, vrouwenkleding, katoenen kleding, machines en locomotieven, meubels, weef- en breiartikelen, ijzer- en staalproducten, boeken en kranten, wol- en viltartikelen enerzijds, met de productie van alcoholische dranken anderzijds; waarbij ze alles keurig opsplitst naar het aantal arbeiders, kapitaal, waarde van het product, en de waarde van het afgewerkte en niet afgewerkte product. De volgende bladzijden bieden een statistiek waarin alles keurig is ingedeeld naar arbeidersaantal, kapitaal, prijs van product, klaar en onbewerkt. De volgende pagina's bieden een statistiek over toegestane en gesloten ondernemingen, toeleveringsbedrijven zoals flessen-, kurken- en vatenfabrieken. Slaat men de pagina om, dan ontwaart het oog tabellen met cijfers over wijn-, rozijnen- en tafeldruivenbereiding, onderverdeeld naar verbouwde arealen, totale opbrengst in tonnen, totale waarde in dollars en opbrengst per hectare. Daarna een verslag over de omschakeling en aanpassing van de alcoholreclame, naast een statistiek over de nieuwe productiedoelen van de voormalige alcoholfabrieken. Ze worden afgelost door een aantal cijfers over de toename van de rozijnenproductie en de voor de teelt van tafeldruiven benodigde arealen. Een paar getallen over het sluiten van saloons en daarmee soms verbonden daling van de winkelhuren, worden afgelost door een statistiek over de toenemende koffie-, thee-, vruchtenijs- en suikerconsumptie. Een hoofdstuk over groei van het bioscoopbezoek, veranderende inrichting van barst en toegenomen autobezit, wordt spaarzaam met cijfers gelardeerd; daarentegen duikt in de uiteenzettingen over de opleving van de schoenenverkoop, vooral van kinderschoenen, lingerie- en modezaken, huis- en keukenapparatuur, vlotte contante betaling, spaarbank- en bankensaldi, afname van de vrije maandagochtenden, bedrijfsongevallen, uitzendbureaus en koop op afbetaling, de statistiek weer rijkelijk op. Ook de verbetering van goedkope herbergen en eethuizen wordt statistisch onderbouwd. Triomfen viert de statistiek in de uiteenzettingen over verwaarloosde, dakloze en delinquente kinderen, vóór en na de drooglegging, over de afname van het gebruikmaken van welzijnsorganisaties. Die nemen nog toe in het hoofdstuk over criminaliteit, de vergelijkende statistiek van het totale misdaadcijfer en het drankzuchtcijfer, gevangenisstatistiek, arrestaties wegens drankzucht, in 13 grote steden en de afzonderlijke staten, uitgesplitst naar drankzucht, landloperij, verboden wapenbezit, moord, roof, ernstige diefstal, huisvredebreuk, lichte diefstal en onwettige alcoholverkoop, in overtredingen van mannen, vrouwen, minderjarigen en kinderen. Op de ziekenhuisstatistieken volgt een uitgebreide statistiek over mortaliteit en ziekten, waarbij de nadruk wordt gelegd op de statistieken over algemene drankzucht, methylalcohol, dodelijke ongevallen ten gevolge van alcoholgebruik, zuigelingensterfte, nefritis, alcoholpsychosen, morfinepsychosen, tuberculose, syfilis, gonorroe, opiumimport en de gemiddelde levensverwachting. Een volgende statistiek rekent echtscheidingen, armoede, krankzinnigheid, verpaupering, kinderverwaarlozing, moord, ernstige misdrijven en overtredingen door de jeugd, op dezelfde manier om naar economische schade, als grond, gebouwen en arbeidskrachten, die sinds het verbod vrijgekomen zijn voor andere doeleinden, naar economische waarde. Daarop volgt een statistische berekening over de indirecte kosten, die het alcoholisme voordien land en staten oplegde.


Al die statistieken bij elkaar, laten met enige uitzonderingen, op alle gebieden een beduidende vooruitgang van het land en zijn bewoners zien. En desondanks wordt met elk van die statistieken het gevoel van onbehagen groter. Op de eerste plaats doet het denken aan de oude wijsheid: in de wereld wordt veel gelogen, en dan zijn er ook nog statistieken. Het onbehagen zegt: en hoe zit het dan met de bloeiende alcoholsmokkel? Hoe zit het met die krantenberichten, die ons dagelijks op de hoogte weten te stellen van geheime brouwerijen en schade aan de gezondheid door inferieure alcohol?


Dr. Küppersbusch antwoordt daarop dat juist die sensatieberichten het beste bewijs vormen voor de voortreffelijke werking van het alcoholverbod. Vroeger had niemand zich bijvoorbeeld bekommerd om de grote aantallen beschonkenen tijdens de dagen van uitbetaling van het loon; tegenwoordig wordt een enkele dronkenman, een enkele smokkelaar, een enkele illegale kroeg, een enkel vergiftigingsgeval door vervalste alcohol meteen een sensatie. Alleen wat zeldzaam is, baart opzien.


Maar de stem van het onbehagen wil niet zwijgen. Hoe valt, vraagt zij verder, die "onmiskenbare, onuitgesproken neerslachtigheid…..vooral in de lagere bevolkingslagen" te rijmen met het "ongeduld en de verveling, zonder ook maar enig mogelijkheid tot motivatie bij de lichamelijk werk verrichtende arbeiders uit de lagere klassen," waarover een nuchtere Scandinaviër, ene Helmer Key, in zijn boek over Amerika verslag doet? Hoe valt vooral het storende feit, dat (volgens datzelfde verslag) "voor de hogere maatschappelijke lagen het alcoholverbod tot nu toe maar weinig last heeft opgeleverd" te rijmen met "dat in de edelsmedenbranche een nieuwe tak tot ontwikkeling is gekomen, namelijk drankflacons, bijvoorbeeld in de vorm van kokers voor toneelkijkers en brillen, sigarettenetuis, enz.?" Heeft men de kroeg van de rijken, de wijnkelder, open gelaten en alleen die van de armen, de bierkelder, gesloten?


Hier komt een storm van menselijk gevoel in opstand tegen de drooglegging, die niet statistisch ontleedt kan worden. Statistiek lijkt een andere vorm van getallenmystiek te worden, die tegelijkertijd monomaan en elefantiasistisch steeds alleen maar wat zegt over een bepaalde kant van de mens, maar nooit over de hele mens. Het drinklied, over het afschaffen waarvan geen statistiek geleverd wordt, komt met alle macht in opstand tegen cijfers. Het is namelijk niet waar dat, zoals Dr. Küppersbusch veronderstelt, alcohol doorgaans gezien wordt als een "kracht- en energieschenkend nat." Mensen verwachten van sterke drank geen kracht en energie, maar juist het tegenovergestelde: iets veel verheveners, noodzakelijkers: vreugde en troost, gebieden waar geen statistiek tegenop kan. En ze zijn er ongetwijfeld niet tevreden mee, dat Dr. Küppersbusch er hoog over opgeeft dat ten gevolge van het alcoholverbod er weliswaar nog armoede bestaat, maar dat die armoede zuiver en onopvallend is geworden. Dat kan best een grote ontlasting betekenen voor de ambtenaren van de sociale dienst, rechters, gevangenisdirecteuren en psychiaters en voor de regering en politie. Het is alleen de vraag of dat ook voor de arme geldt. Of hij zich in zijn onopvallende en zuivere armoede niet nog ellendiger, leger en waardelozer voelt dan in zijn smerige en dronken armoede.


Eenmaal zover, bladert men opnieuw het boek door. Nee, deze bezwaren zijn toch niet steekhoudend. Al kan de statistiek de zaak best te gunstig voorstellen, al kan er best gesmokkeld worden, al kunnen de welgestelden stiekem naar believen doordrinken, al kan het verbod aan heel wat levensvreugde een eind maken, al kan in plaats van de roes de eeuwige nuchterheidskater komen, al kan ten slotte het alcoholverbod een middel zijn om de prestaties van de loonarbeider te verhogen, een volkomen deugdelijke, met zo min mogelijke gebreken behept menselijke arbeidsmachine kweken: toch blijft van kracht dat de gezondheidstoestand beter en samenhang en geluk van zeer veel gezinnen hersteld zijn. En was alle alcoholgenot dan echt levensvreugde? Dronk men altijd alleen maar als de mannen een feestje hadden en wilden kletsen en zingen? Van Hafis tot Goethe en nog wat verder, hield sterke drank, de roes, oneindig veel in dat wij niet willen laten verkommeren: vreugde, mannenvriendschap, eindeloze debatten of nadenkend zwijgen. Maar als Dr. Küppersbusch ook ongelijk zou hebben met het antwoord, dat wij dat ook op precies dezelfde manier, zelfs nog waardevoller, zonder sterke drank kunnen geven (wij kunnen dat niet; want er heerst een sfeer van vreugde en warmte rond de gelagtafel, waaraan niet zus en zoveel procent alcohol, maar generatie na generatie heeft meegewerkt) - dan zou je hem volstrekt terecht kunnen antwoorden: welja, drinkt u dan in de geest van Hafis of die van Goethe? Gelooft u dan echt dat de huizenellende, zuigelingensterfte en het werkkamp in de geest van Hafis of Goethe tot stand zouden zijn gekomen? Het verbod maakt alleen een einde aan een stompzinnige, zinloze en slechte drinkgewoonte, die juist het tegenovergestelde van Hafis of Goethe is!


Dat klopt; en toch wil de stem van het onbehagen niet zwijgen. Waar komt zij vandaan?


Dr. Küppersbusch geeft daar zelf antwoord op, zonder zelf de draagwijdte van dat antwoord te beseffen. Na 200 pagina's statistiek volgen namelijk 15 pagina's, met het opschrift "Persoonlijke indrukken uit het land van de drooglegging." Ook het aanhangsel geeft op het laatste half dozijn pagina's weer statistiek; maar de eerste twee bevatten een buitengewoon leerrijke gebeurtenis.


"Het merendeel van onze medereizigers," schrijft Dr. Küppersbusch, "bestaat uit huiswaarts kerende Amerikanen; de stoomboot is Engels; de bar is open, aan tafel kunnen alcoholische dranken geserveerd worden. ‘Nu zullen de Amerikanen vast de gelegenheid te baat nemen,' denkt een bierminnende Europeaan, die het droogelegde land als einddoel heeft. Zegt men soms niet dat de Amerikanen hun vakantieverblijf naar Cuba of overzee verplaatsen om weer een keer van harte te kunnen drinken?"


"Wij kijken toe! Hier en daar ziet men kleine groepjes Amerikanen van Duitse afkomst, die zich te goed doen aan Engels bier en smachten naar de Münchener hofbrouwerij; daar een gezelschap Oost-Pruisische emigranten, die zich opvrolijken met een verfrissing in geconcentreerde vorm. De zee is stormachtig; de bar en haar versterkingsmiddelen vormen voor menigeen een aantrekkingspunt. Het eenvoudigste overzicht over de ‘meest verfijnde' gewoonten van de Amerikanen wordt geboden door de gemeenschappelijke bijeenkomsten en de maaltijden. Aandachtig zwerven onze blikken over de tafels. Thee, koffie, mineraalwater; daartussen - opvallend door hun zeldzaamheid - wijn- en bierflessen of losse opgediende wijn. Na een paar dagen wordt mijn meekijkende tafelbuurman, die voor het ‘droge idee' van de Amerikanen slechts een meewarig hoofdschudden kan opbrengen, onrustig. Zou er in de aangeleerde nuchterheid van de Amerikanen toch iets waars zitten? Hij betrekt een Amerikaan in een gesprek over de drooglegging. Die haalt zijn schouders op. ‘Drooglegging? Een misser, een complete misser!' En als teken dat hij het met die wet niet eens is, bestelt hij een fles zwaar bier en neemt een grote slok. Vriendelijk biedt hij aan ons rond te leiden in zijn land, om ons de vele geheime drankzuchtplekken te laten zien; zijn levendige beschrijving maakt ons gespannen over alles wat ons in dat drooggelegde land te wachten staat. Intussen blijft zijn bier onaangeroerd en verschaalt. Mijn buurman richt zijn aandacht daarop. ‘Ach,' een tekenende beweging met zijn hand -, ‘wij zijn dat niet meer gewend!' is het antwoord. ‘Veel van zijn landgenoten lijken er niet aan gewend te zijn,' besluit de observatie van mijn reisgenoot aan het eind van de reis. Maar - waarom dan dat kabaal over het verbod, als de meesten eigenlijk helemaal niets van dat drinken maken?"


Waarom? Hier stuiten we op de echte reden van ons onbehagen over dat en eigenlijk ieder verbod. Het is niet de alcoholist in ons die in opstand komt. Het is de tirannenhater. Wij komen in opstand tegen de tirannen, als we bier bestellen, zelfs als we het niet lusten en laten verschalen.


Wij hebben echter nog een reden, die, hoewel die meestal onbewust blijft, veel duidelijker is. Tegenwoordig komt, zoals Dr. Küppersbusch overtuigend aantoont, het aan alcohol bespaarde geld ten goede aan betere voeding, schonere kleding en alle mogelijke andere genietingen. Maar achter de anti-alcoholbeweging staat wel een groot aantal andere levenshervormingen. Wat, als op zekere dag van de kant van de regering ontdekt wordt dat ook vleeseten de gezondheid ondermijnt en een variant van het meest barbaarse kannibalisme is, zoals de vegetariërs namelijk beweren? Wat, als van de kant van de regering ontdekt wordt, dat de onderdanen in plaats van hun geld uit te geven aan mode en opschik, dat liever gaan uitgeven in de vorm van hogere belastingen voor het algemeen welzijn? Wat, als op het verbod van opwekkende alcohol, het verbod op opwekkende tabak volgt?


Waar ligt de grens van de tirannie?


Niemand van ons kan die trekken. Velen die fel zouden demonstreren tegen het verbod op alcohol en nicotine, zouden er helemaal niets tegen inbrengen als de bioscopen gesloten zouden worden. Menigeen die niet meer zou willen leven zonder het kannibalisme van het eten van dierenvlees, zou heel gelukkig zijn als hij na het weer invoeren van de puriteinse kledingwetten en van staatswege vastgesteld normale kledij, ontheven zou zijn van de zorgen over het kledingbudget van zijn vrouw.


Iedere afzonderlijke eis is hier verhoudingsgewijs onbelangrijk. Wij zouden best afstand kunnen doen van alcohol of hoefden niet meer te roken als de meerderheid daarmee zijn longen bederft. Maar dat een verandering van een levensgewoonte door andere gevolgd wordt, dat op het alcoholisme het vegetarisme volgt, daarop "minder voedsel door beter kauwen," daarop weer Mazdaznan, en dan "matiging in eten en drinken door juiste ademtechniek en eurhytmie;" dat reformkleding tot uniformkleding en de tuinstad ten slotte een bijzonder ruime en comfortabele kazerne wordt: dat is het waartegen ieder van ons zich teweerstelt.


Als hij in opstand komt tegen het anti-alcoholisme, komt hij niet op voor zijn recht op dronkenschap. Hij stelt zich alleen maar teweer tegen de onredelijke eis dat te worden, wat men met veel propaganda "de nieuwe mens" noemt. Hij komt in opstand tegen een verkapte religie.


En terecht. Ook religie eist dat wij de "nieuwe mens" aantrekken. Daarentegen eisen de verkapte hervormingsreligies alleen dat wij de oude mens uittrekken. Het gaat hen alleen om afstand doen. Ze brengen de mens uiteindelijk terug tot het nulpunt. Op zijn plaats komt de homunculus, de kunstmatige mens, die niet leeft van dierenvlees of groenten, maar uiteindelijk alleen nog maar van zijn adem. Religie roept ons op onze aandriften te vergroten; verkapte religies ze te vernietigen. Elke levenshervorming houdt de oproep in tot een fijnzinnigere of grovere manier van geestelijke zelfmoord.


In het recept op onthouding worden de antipoden Übermensch en levenshervormer aangetroffen.


Zij zijn het tegenovergestelde van de religieuze mens en het genie, die nergens afstand van doen, maar alles naar de hemel omhoogdragen.


De "nieuwe mens" is kleiner en bekrompener dan de normale mens, zoals de Übermensch zwakker en minder machtig is dan de volmaakte mens.


XIII Palmen in de Handen

Hiertegen vallen maar twee verwijten in te brengen: het ene luidt dat de schrijver ongetwijfeld een kroegtijger, carnivoor en kettingroker is; het tweede dat de hele argumentatie gevoelsmatig en poëtisch is en op een drinklied lijkt. Bovendien vertonen ze precies de elefantiasis, waartegen de schrijver zich zelf richt; want uitgaande van dat ene voorbeeld van de drooglegging lopen ze, met het hier bestreden gemak van de associatie, vooruit op angsten die volstrekt ongegrond zijn.


Daarom kan het goed zijn om, voor wij ons wagen aan een karakterschets van de "nieuwe wereld," nog even stil te blijven staan bij een afzonderlijk aspect: het pacifisme.


Als dat echt de "ziekte van verslagen volkeren" zou zijn, dan zouden we tegenwoordig allemaal pacifist moeten zijn. In plaats daarvan zien we eerder het omgekeerde: het geloof in de oorlog, niet alleen als een onvermijdelijk gebeuren van elke aardse en echte politiek, maar ook als geneesmiddel, als de hoogste en wonderbaarlijkste uiting van kracht van een volk en zijn mensen. In de uitspraak van Moltke: ‘de eeuwige vrede is een droom en niet eens een mooie,' wordt tegenwoordig de klemtoon ongetwijfeld op het laatste deel van de zin gelegd.


Hoe komt dat? Als we vooruit willen lopen op het antwoord: omdat het pacifisme, ten minste vóór de oorlog, maar grotendeels tegenwoordig ook nog, een verkapte religie is. Geen enkele van zijn motivaties houdt stand. Dat er ten gevolge van de internationale vervlechting van de economieën vrede nodig is, is door een meer dan vier jaar durende oorlog zeer grondig weerlegd. Nog meer echter door de naoorlogse periode: economie behoedt niet voor oorlogen, ze roept ze op. Het humanitaire pacifisme, dat de aandacht richt op het bloedvergieten en de gruwelen van de oorlog, zal altijd gepareerd worden met de eenvoudige uitspraak: voor goederen is het leven niet het belangrijkste.


Als wij ons richten op het beoogde nut van het geheel en zeggen dat, zoals het ooit bij een groot debat over christendom en pacifisme is voorgevallen, zelfs het oordeel van een geheel uit vijanden van Duitsland samengesteld internationaal scheidsgerecht, als wij dat vóór de oorlog hadden ingeroepen, het lang niet zo ongunstig uitgevallen zou zijn als dit einde van de oorlog: dan komt meteen een wereld aan argumenten in opstand tegen de spreker. Op de eerste plaats ons hele gevoel. Wij willen ons echter niet laten beknotten door een scheidsrechterlijke uitspraak; wij moesten, zelfs als wij zeker zouden zijn dat de oorlog zo zou eindigen, het laatste middel uitproberen, voordat wij de vernedering op ons namen; wij willen onszelf niet op een laffe manier verpatsen. Alles wat van waarde in ons is, zou zich tegen de lijdzame aanvaarding teweer hebben gesteld, zelfs tegen een veel gunstigere scheidsrechterlijke uitspraak. Op de tweede plaats komt echter onze gehele politieke ervaring in opstand tegen een dergelijke argumentatie. Hoe lang zou de door deze uitspraak teweeggebrachte toestand, als die door ons aanvaard zou zijn, hebben kunnen duren? Welke staat en welk volk zou een laffe onderwerping kunnen aanvaarden, zonder gevaar voor een steeds nieuwe en steeds diepere vernedering? Dat is het zwakke punt van een schijnbaar zo duidelijke argumentatie voor vrede zoals bijvoorbeeld van Norman Angell. Hij toont overtuigend aan dat oorlogen zelfs de overwinnaars weinig of niets baten en dat ze de problemen niet oplossen, niet tot een nieuwe wereldorganisatie kunnen leiden. Hij gaat eraan voorbij, dat oorlogen zelfs nodig zouden kunnen zijn ter handhaving van de status quo of ter vermijding van een nog grotere achteruitgang van een volk dan de natuurlijke; en dat daarom in de daadwerkelijke politiek elke oorlog bestempeld wordt als een verdedigingsoorlog; dat niemand de aanvaller wil en geweest wil zijn.


Ook het wijzen op een toestand, waarin de mens alles en de natie niets meer betekent, haalt niets uit. Een mensheid als zodanig, zonder naties, zou zoiets zijn als een krioelende mierenhoop en de gelijkheid van alle schepsels, die een menselijk gezicht dragen, blijft een deugdzame fictie. Het is waar als het wil zeggen dat wij een neger uit de Congo niet slechter mogen behandelen dan iemand van onze eigen huidskleur, alleen omdat hij een neger uit de Congo is; het wordt duidelijk onzinnig als het beweert dat een neger uit de Congo evenveel waard is als wij of wij even weinig als hij. Dat klopt vanuit het oneindige standpunt van God, voor wie wij allemaal even klein worden; maar het blijft of onbeschaamd of krankzinnig om zich dat standpunt aan te meten. Maar de leer dat alles wat een menselijk gelaat draagt gelijk is, heeft haar kracht al ingeboet. Tegenwoordig zoekt men het verband tussen natie en mensheid op een andere manier. Elk volk, zo formuleert het al een keer aangehaalde artikel van Wilhelm Michel de gedachte, die tegenwoordig ernaar streeft in veel hoofden het nationalisme en internationalisme met elkaar te verzoenen en in overeenstemming te brengen, is een poging tot verwerkelijking van de mensheid. Elk volk heeft slechts in zoverre recht van bestaan, als het deze verwerkelijking van de mensheid voltrekt of daar een bijdrage aan levert. Elk volk moet uit het materiaal van zijn eigen volksaard de pilaren der mensheid bouwen, hetzij met het marmer van de Latijnse volksaard, het brons van de Germaanse of de slappe klei van de slavenaard. Dat is de doelstelling van het ware internationalisme. Om echter een pilaar te kunnen maken, moet elke beeldhouwer zijn materiaal, moeten de mensen ook aan het materiaal van hun eigen volksaard liefde en begrip schenken. Dat is de doelstelling van het ware nationalisme. En beiden moeten positief benaderd worden. Ze zijn niet strijdig, maar bepalen elkaar. Beiden onderscheiden zich scherp van de gangbare varianten van zowel internationalisme als nationalisme. Tegenover het valse, volkeren tot mierenhopen verlagende, internationalisme: het benadrukken van het feit, dat de in volkeren ingedeelde, geografisch en historisch niet gebonden mensheid niet bestaat; dat dus cultuurgoederen alleen tot stand gebracht kunnen worden met het materiaal van de verschillende nationale karakters. Tegenover het valse internationalisme: door het benadrukken van het feit dat de hele waarde van een volksaard alleen voortvloeit uit haar aandeel aan de verwerkelijking van de mensheid. Kant heeft dat bijvoorbeeld al aangegeven met zijn gelijkstelling van patriotisme en kosmopolitisme. De zuiver negatieve afgrenzing, wel Jan maar niet alleman zijn, is volstrekt nutteloos en onwaardig. Pas uit het verband tussen elke volksaard en het idee van een hogere orde, vloeien nut en waarde voort.


Zo verhelderend als het klinkt, zo dialectisch blijft het. De vergelijking van het werk van een volk met dat van een beeldhouwer is niet toevallig. Het verraadt duidelijk hoe literair het op elkaar betrokken zijn van natie en mensheid blijft. Wij staan immers met al onze zintuigen, onze hele arbeid binnen onze volksaard; slechts in gedachten kunnen wij die van buitenaf benaderen. Wij zijn zelf pilaar en schepper ineen. Maar de vergelijking met pilaren wijst tegelijkertijd nog op iets anders. Michel kwalificeert het scheppen van cultuurgoederen eenvoudig als de zin van de natie. Ook zonder dat men echter mee hoeft te doen aan de Spengleriaanse verachting van de geest en hoe hoog men cultuurgoederen ook mag inschatten, toch blijft een volk toch iets meer omvattenders dan zijn hele cultuur. Je kunt niet van cultuurgoederen het doel van het volk maken en de mensheid het doel der volkeren. Want als de mensheid het doel der volkeren is, wat is dan het doel van de mensheid? Met teleologie valt hier niet verder te komen. Men moet het veeleer helemaal met Spengler eens zijn en zeggen dat volkeren levende schepsels zijn, dat hun zin in henzelf berust, in de totaliteit van hun leven, en niet alleen maar in de verhevenste cultuurwaarden. (Wat niet zoveel betekent als meedoen met de Spengleriaanse verachting van cultuurwaarden; juist Michel heeft in zijn voortreffelijke kritiek op Spengler nadrukkelijk gewezen op de "tegenstrijdige verknoping van materie en geest.") Vat men volkeren echter op als levende schepsels en doel op zich, dan krijgt ook de door Michel zo geringschattend behandelde "zuiver negatieve afbakening Jan en niet Alleman" te zijn, een andere betekenis. Het wordt daardoor niet minder waard, maar op het moment waarop wij dat opgeven, zouden wij onszelf opgeven. Hier spreekt iets veel fundamentelers dan de wil om waardevol te zijn, namelijk gewoon de wil om te bestaan, een bestaan in onze als eenmalig ervaren gedaante, om het even wat die gedaante zou kunnen inhouden en waard zijn. De bewering dat volkeren alleen maar bestaansrecht hebben, in zoverre ze een (al is het alleen maar gedroomde) mensheid verwerkelijken, blijkt uiteindelijk nauwelijks diepgaander dan die andere bewering, dat volkeren iets kunstmatigs zijn, iets dat in de loop van een ontwikkeling door opheffen van de landsgrenzen uit de weg geruimd kan worden. Als men volkeren echter opvat als levende wezens, dan kan men ook niet voorbij aan hun streven naar macht en uitbreiding.


Ook het religieuze gebod om de vijand lief te hebben, kan voor de rechtvaardiging van de vredesbeweging niet geheel doeltreffend aangevoerd worden. Maar als zelfs predikanten zich erop beroepen dat de uitspraak van Christus, heb uw vijanden lief, slechts van betekenis is vanwege de emotionele waarde, geen plaats heeft op de ranglijst van de Tien Geboden, maar dus "alleen maar" vanwege de "emotionele waarde" van belang is, zal men hen volkomen terecht kunnen tegenwerpen dat het de wil van Christus was, dat juist zij, als predikanten, in hun gemeente een dergelijke geestesgesteldheid moeten aankweken. Maar dat argument kan alleen maar tegen predikanten gericht worden. De politieke immoralist beweert juist dat persoonlijke ethiek en politieke ethiek twee verschillende dingen zijn; dat in het staatsmanschap de geboden van het persoonlijke handelen vaak moeten wijken met het oog op het algemeen welzijn en het duidelijk onrechtvaardig is om een volk, miljoenen mensen, bloot te stellen aan vernedering, ontbering en daling van de levensstandaard, alleen maar omdat daarmee een enkele regerend staatsman een zuiver geweten kan bewaren.


Zelfs zuiver religieus beschouwd hoeft echter het gebod de vijand lief te hebben, zich nog niet onvoorwaardelijk voor vrede uit te spreken. Er is een diepzinnigere uitleg denkbaar, die oorlog toelaat en tegelijkertijd overwint. Het is helemaal niet zo'n utopisch gebod als het zou gebieden: heb geen vijanden!, maar het verlangt iets dat veel moeilijker is, je vijand lief te hebben, dat wil zeggen, in de vijand, de mens, zelfs in het gevecht op leven en dood, iemand die gelijkwaardig is te zien en lief te hebben. Ik weet dat alles in tegenspraak is met de betekenis van die uitspraak. Als wij aan het eind van het boek, als wij zover gekomen zijn, uit al onze overwegingen een conclusie trekken en hun betekenis inschatten, zullen in een heldere glans, de drie woorden: hebt uw vijanden lief, oplichten, los van enig praktisch-utilitaristische samenhang. Het volstaat hier vast te stellen dat de pragmatische politicus hun betekenis aanvecht, om het even of hij dat met een bezwaard hart doet, of trots op zijn immoraliteit en superioriteit; en dat ook de theoloog niet in staat is met volstrekte zekerheid te bewijzen dat het een verbod op oorlogvoeren betekent.


Als men zich nu afvraagt, waarom al die beweegredenen van het pacifisme, noch afzonderlijk noch allemaal samen, doorslaggevend zijn, zal het antwoord in wezen slechts kunnen luiden: omdat het pacifisme tot nu toe grotendeels een verkapte religie is. Dat het gelooft dat met het afschaffen van de oorlog het grootste kwaad de wereld uit geholpen is, is zijn monomanie; dat het daarachter (in samenhang met de in de vorige hoofdstukken besproken verkapte religies) het opdoemen van een nieuwe, nooit eerder bestaande wereld, ziet, is zijn elefantiasis. Achter het pacifisme staat het beeld van een volkomen vreedzame en daarom gelukkige wereld. Het is juist dat beeld, waarop onze onlustgevoelens zich richten. Ook als we de overdrijving dat het hele leven een gevecht is, niet volgen, willen we juist daarom des te minder de kant van het gevecht van het leven missen, willen we geen afstand doen van een dusdanig krachtige levensuiting.


Het gevolg van de vernauwing en uitbreiding tot verkapte religie is, dat het pacifisme ook nu nog niet in staat blijkt zijn probleem, de oorlog, echt te zien, ondanks het feit dat het aan aanschouwelijk onderricht niet ontbroken heeft. Pas op het moment, waarop het van zijn achterwereldvoorstelling van een vreedzame wereld los zou komen, als het geheel menselijk ook de kant van het gevecht en niet alleen de sociale kant zou beamen, zou het in staat zijn zich doeltreffend tegen de oorlog te verzetten.


Het echt doeltreffend gevecht tegen de oorlog staat nog maar in de kinderschoenen - gewoon omdat dat uitgaat van mensen, die geen achterwereldbewoners zijn, en de huidige oorlog afwijzen, niet ondanks, maar omdat zij van het gevecht houden.


Ik kan hier niets beters doen dan herhalen wat Hans W. Fischer in zijn al eerder genoemde boek "Golgotha" voorbeeldig gezegd heeft: "Mensen die zich alleen maar met een pistool in de zak op straat wagen, zijn niet de ware helden. Getuigden bijvoorbeeld de enorme vooroorlogse bewapening van een grimmige oorlogzuchtigheid van de volkeren? Nee, het was een teken van angst; elk volk wilde zich van tevoren van het overwicht verzekeren; elk zou graag afgezien hebben van de aanspraak op de bebloede zegenkrans in ruil voor een onfeilbaar recept om het leger van de vijand vanaf een veilige afstand volkomen van de aardbodem vegen. Alleen omdat het nog niet beschikt over dit volmaakte middel, zet het volk zich in met zijn levende manschappen, maar geenszins om zijn strijdlust de vrije loop te laten. Elke natie wijst de verdenking oorlog om de oorlog te willen voeren, volstrekt af; allemaal verzekeren ze dat hun gevecht alleen ter verdediging is. En dat gaat op voor allemaal, hoewel de kaffers dat altijd alleen voor hun eigen volk laten gelden. Hoe woest de oorlog ook tekeer gaat, toch dient zij er alleen maar toe om een nieuwe, grotere en zo mogelijk behaaglijkere zekerheid te bereiken. Ter wille van het geheel wordt een fractie opgeofferd, een zuivere koopmansmentaliteit, hoewel men dan wel graag de boekhouding vervalst, doordat men de heldendood op rekening van de propaganda en niet van het verlies schrijft…..Bij deze stand van zaken heeft de oorlog in werkelijkheid de innerlijke rechtvaardiging al verloren; het is nog slechts een noodmaatregel....Want het is niet waar dat de huidige legers louter uit helden bestaan, het volbrengen van grootse daden een levensbehoefte is; het is niet waar dat moed op zich in onze oorlogen tot eer en aanzien komt. Omdat men dat voorlopig nog niet kan missen, staat veeleer alleen de soldatenmoed hoog aangeschreven, een verkafferde vorm van moed. Die wordt gewaardeerd en aangekweekt, omdat men dat nodig heeft; voor het resultaat is het volstrekt om het even, of die van een leeuw of slagershond afstamt, als die maar bij het fluitsignaal meteen aanwezig is. Als die moed niet wordt uitgelokt door morele invloeden, schuwt men ook de slechtste middelen niet om haar naar buiten te kietelen of te slaan: leugen, bedreiging, verdoving, jenever en spervuur. Het hele mechanisme is erop ingesteld moed voor te stellen als een kleiner kwaad in vergelijking met lafheid, zodra die tegen de vijand gericht is; terwijl omgekeerd ten opzichte van de meerdere, op grond van discipline, lafheid voordeliger is dan moed. Maar kan men iemand wel moedig noemen, die weliswaar de aanstormende vijand de bajonet in het lijf jaagt, maar de officier kust, die zijn menselijke waardigheid met voeten treedt? Mij lijkt dat hij beide gevallen precies hetzelfde heeft gedaan, namelijk het zekere voor het onzekere gekozen…" En tegen het eind van het hoofdstuk, nog een keer heel scherp: "De heroïsche waarheid zal eeuwig leven, ook als de heroïsche leugen begraven is."


Het verzet tegen de oorlog geschiedt hier in naam van het heldendom, van de vrije, zelfverantwoordelijke moed, die Fischer de hoogste deugd noemt. Maar tegen deze opvatting dient nog ingebracht te worden dat zij ten opzichte van louter bewondering voor echte moed, te streng en schoolmeesterachtig wordt. Fischer, die de eeuwige vrede slechts als het mindere kwaad beschouwt, maakt van het pacifisme geen verkapte religie. In plaats daarvan maakt hij er een uit de amor fati, uit de liefde voor het eigen lot. "Moed, die de onafhankelijke verantwoordelijkheid van de afzonderlijke mens voor zijn unieke en eigen leven niet kent, - een dergelijke moed is volstrekt onbelangrijk," zegt hij en vanuit het standpunt van moed klopt dat helemaal. Maar is dat ook waar vanuit het standpunt van de mens? Het is onjuist en onterecht zelfs maar terloops uit te varen tegen mensen, die met alle vertrouwen en alle moed ten oorlog trokken en zich, om de woorden van Fischer te gebruiken, lieten verkafferen en daarvoor met hun leven betaalden. Zij deden dat als mens, al is hun menselijkheid misschien niet sterk genoeg geweest, om alle dwang te breken. Ons hele en vernietigende aanklacht moet gericht zijn tot de mensen die zich, zelf verkafferd, Übermensch voelden en van de verkaffering van de mens een handeltje, van de heroïsche waarheid de heroïsche leugen, van weerbaarheid een industriële conjunctuur maakten.


Hebben ze dat gedaan? Voor Fischer geldt dat hij schrijver is; men kan zich niet zomaar van hem afmaken met het predicaat poëzie. En daarnaast is zijn verzet tegen de oorlog slechts "de ziekte van verslagen volkeren." Maar deze gemakzuchtige werkwijze gaat niet op voor de al eveneens geciteerde Fransman Pierrefeu, een bezielde militarist, die zich juist daarom nog veel scherper uitlaat over de laffe zinloosheid van de huidige oorlog. "Ik zie al voor me," zegt hij kil, "hoe een regering aan een productiebedrijf het verklaren en uitvoeren van een oorlog overdraagt, met een heel pakket aan contractuele boetes, voor elk vertraging bij het leveren van vrede." Niemand heeft scherper dan deze militarist, die de oorlog niet negeert, maar juist verheerlijkt, de volslagen zinloosheid, leugen en lafheid van de huidige oorlog aan de kaak gesteld. Bij hem wordt voor het eerst heel duidelijk het ethische, humanitaire, utilitaristisch, economische en religieuze pacifisme tegenover het zakelijke pacifisme, het militaire, gesteld. Hij tekent protest aan tegen de huidige oorlog - juist in naam van oorlog en gevecht.


En hij is geen witte raaf. De kritiek van Fischer en Pierrefeu richt zich op de laatste oorlog; maar zodra ze geconfronteerd worden met de gedachte aan een toekomstige oorlog, blijven zelfs de gewone militairen, ondanks dat hun hele bestaan berust op het feit dat ze de scheiding die Fischer maakt tussen echte moed en soldatenmoed, nooit durven aanvaarden, toch niet verschoond blijven van de twijfel, of een toekomstige oorlog dan nog wel krijgshaftig zou kunnen zijn.


Een Britse luchtmachtofficier, overste Moor, zegt: "De tragedie van een luchtoorlog zit in het feit, dat het praktisch onmogelijk is, je tegen een plotselinge aanval te beschermen." Een van zijn Engelse collegae schrijft nog duidelijker: "Het dient allemaal (de poging om van de luchtvloot gebruik te maken voor de verdediging van het land) nergens toe. Het Ministerie van Oorlog kan maar één ding doen: zich voorzien van een toereikende hoeveelheid pillen, die een snelwerkend gif bevatten en die onder de bevolking uitdelen op het moment dat de oorlog verklaard wordt. Dat is de enige manier om je te behoeden voor een pijnlijke dood, die anders in giftige gasgolven, in uiteenbarstende en brandende huizen op je toe zal snellen."


Tekenend voor de uiteenzetting van Maxim Gorki, aan wie ik deze citaten ontleen, is dat hij ons, als oude pacifist van de oude school, daarmee (als een verkapt religieus iemand) angst aan wil jagen en de vrouwen en moeders smeekt een eind aan de oorlog te maken; dat niets hem voor het verwijt behoedt, dat hij terugschrikt voor de "gruwelen" van de oorlog. Vergeleken met hem hebben de militaristen het gemakkelijk. Ze zeggen gewoon dat elk aanvalswapen noodzakelijkerwijs een verdedigingswapen oproept en dat achter de goede raad van beide Engelsen bovendien duidelijk de angst schuilgaat in een nieuwe oorlog betrokken te worden; dat de pessimistische uiteenzettingen van de luchtmachtdeskundigen slechts een verontschuldiging is voor de zwakte van de Engelse politiek. Maar diezelfde militarist moet verstommen, zodra wij ons losmaken van het pascifisme als verkapte religie, zodra wij hen als volledig mens voorhouden, dat de toekomstige oorloog geen oorlog meer is, maar een hulpeloze en laffe zelfvernietiging, zonder einde: een vernietiging van alle moed en alle dapperheid en veerkracht.


XIV Leve de Übermensch 2

Als in het volgende ook de techniek gezien wordt als een verkapte religie, moeten we ons daarbij voorbereiden op de grootst mogelijke weerstand. Men zal misschien bereidwillig toegeven dat antisemitisme en geheelonthouding, occultisme en vegetarisme de gedaante van verkapte religies aangenomen hebben. Maar in hoeverre dan ook de techniek? Wat heeft die met religie te maken? Is zij juist niet juist het tegenovergestelde van geloof? Is zij dan niet volledig praktisch, geheel empirisch? Waar zit dan dat geheim, waar de monomanie, waar de elefantiasis, waar het achterwereldschap? Berust de techniek niet juist op het gegeven, dat zij alle afzonderlijke dingen, volstrekt onafhankelijk tot op de bodem uitpluist? Behoedt niet juist haar werkwijze haar voor het gevaar een verkapte religie te worden?


Dat lijkt maar zo. In ieder geval is de afzonderlijke uitvinder, ingenieur en technicus allesbehalve een achterwereldbewoner. Maar de rol die de hele techniek in ons leven speelt, is tegenwoordig in hoge mate een verkapte religie.


Een enkel kenmerk kan dat al bewijzen. Terwijl de heroïsche achterwereldbewoners hun ideaal gezamenlijk aan het verleden ontlenen, vinden die van de "Nieuwe Wereld" dat in de toekomst. En hun belangrijkste geloofsartikel is daarbij niet eens het socialisme, geheelonthouding of pacifisme, maar de techniek. Zij zal de nieuwe wereld, de wereld van de toekomst, pas helemaal voltooien.


Bij de gedachte aan een toekomstige oorlog zijn we al langs het domein van de techniek gescheerd. Daar verscheen de techniek als vijandig ten opzichte van de nieuwe wereld. Maar dat is slechts een overgangsperiode. Uiteindelijk, gelooft de niet heroïsche achterwereldbewoner, zal de techniek de macht zijn, die het best in staat is een vreedzame, scherp omlijnde en ordelijke nieuwe wereld te voltooien en dat ook doet.


Iedere betere romanschrijver heeft tegenwoordig al een poging gewaagd ons een beeld te schetsen van deze toekomstige wereld. Vrijwel al die beelden vertonen opmerkelijke overeenkomsten. Steeds komt daar een personage in voor, van wie de naam met Mac….begint of met ….son eindigt. Hij heeft een ongelooflijk uitgestreken gezicht, dat hij bij alle stakingen en financiële schokken handhaaft; hij beschikt over een ijzeren wil, onbuigzame energie, staalharde ogen, een scherpgetekend gezicht en hoekig voorhoofd. Hij beschikt echter over nog meer, als mens overstijgt hij de Übermensch. Want terwijl de Übermensch oude stijl in wezen slechts zijn opeengeklemde tanden ter beschikking stonden, beschikt de Übermensch in het kwadraat over de wonderbaarlijkste technische hulpmiddelen. Hij kan elektrische energie in een kleine ruimte concentreren en daarmee zijn vijanden vernietigen; hij kan de sneeuw- en ijsmassa's van het hooggebergte laten smelten en daardoor dorre steppen veranderen in vruchtbare dalen. Hij kan met diamantstaal tunnels onder de oceanen graven en dat hij met een snelheid van 1000 km. per uur kan vliegen, hoeft niet eens vermeld te worden. De meest recente exemplaren van dit soort, die in de tegenwoordige literatuur een evenzeer constant personage is, zoals vroeger Pierrot, Colombine, Duenna, vertrouwelingen van de bedrogen echtgenoot en het montere vrouwtje, hebben nog een zweem van occulte krachten. Hun wereld is van een monumentale omvang. Het hoofdkwartier van hun bedrijven beslaat een grote stadswijk; hun arbeiderslegioenen lopen in de miljoenen. Vandaag hebben ze zaken in Berlijn, morgen in Peking en overmorgen gaan ze met explosieven een reusachtig kanaal aanleggen dwars door het onherbergzaamste gedeelte van de Apennijnen. Overbodig te vermelden dat het kapitaal van hun bedrijven altijd in miljarden pond Sterling uitgedrukt wordt. Als iemand hen zou zeggen dat ze een klein verkoudheidje opgelopen hebben, zou hij met Wilhelm II antwoorden: Een grote! Aan mij is alles groot!


In hun nieuwe wereld tellen nog alleen maar de machines. Terwijl de mensen ineenschrompelen tot getallen, arbeidslegioenen en volkstuintjeskolonies, veranderen de machines in levende wezens. Zwarte, rokende demonen zijn het (bij Kellermann), die met hun dinosauriërsbotten zwaaien; een onhandzame boormachine wordt een poliep, een gepantserde inktvis, die siddert met de razernij van een enorm beest, met de wellust van het vernietigen. De mens is nog slechts materiaal, niet meer en niet minder dan de steenkool, die onder de stoomketels verstookt wordt.


Maar wat hebben technische toekomstromans dan met techniek te maken? Ze zijn voedsel voor gezinstijdschriften, die de technicus vast niet leest. Leest hij ze toch, dan loopt hij het gevaar zich dood te lachen. Desondanks zijn ze belangrijk. Er hoeft hier niet eens op gewezen te worden dat het leven de kunst meer imiteert dan omgekeerd. Men kan op iets nog veel duidelijkers wijzen. Horen we niet dagelijks hoezeer de techniek ons overweldigt, ons vervreemt van onze menselijkheid? Is de aanklacht tegen materialisme en machine soms niet iets wat men overal kan vernemen?


De ene groep, die nauwe banden heeft met de heroïsche achterwereldbewoner, antwoordt op deze aanklacht met een poging de technische ontwikkeling af te remmen en terug te keren naar het verleden, handwerk, middenstand en een grotere zelfstandigheid van de afzonderlijke mens. De andere groep maakt van de nood een deugd en is trots op de technische "verworvenheden," die zij echter zelf ook niet helemaal vertrouwt. Op en zeer ingenieuze manier heeft Bernhard Kellermann in "De Tunnel" - en vooral daarop berustte het succes van het boek - beide stromingen, afwijzing en bewondering, verenigd. Binnen twee minuten wordt hij het met de rijkste man eens over het reusachtige tunnelproject, en binnen een klein half uurtje haalt hij een streep door een grote, enorm wantrouwende miljardairsbijeenkomst, jarenlang drijft hij een miljoenenleger van arbeiders door uitputting de dood in; zijn vrouw en kind worden bij de tunnelramp doodgeslagen, hijzelf aangeklaagd, veroordeeld en bedrogen: het maakt allemaal niets uit, hij trouwt gewoon de rijkste erfgename ter wereld. En toch is hij op het laatst van schepper van de tunnel, tot haar slaaf geworden. "Zijn brein kende," zegt Kellermann, "geen andere ideeënassociaties meer dan machines, wagonsoorten, stations, apparaten, getallen, kubieke meters en paardenkrachten." En toch worden deze rijke lieden, ondanks deze opoffering, nee, juist door die opoffering omgeven door een sfeer van rijkdom, macht, durf, genie en schandaal. De financier van de tunnel, een kleine, dikke en astmatische joodse bedrieger, dol op blondines, is echter zo bekwaam dat hij op de eerste dag alle namen en personalia kent van zijn enorme staf van onderdirecteuren, procuratiehouders, boekhouders, klerken en stenotypistes en de derde dag al zo ingewerkt is, alsof hij zijn post al jaren bekleedt. Met deze scherpkijker gaat Kellermann, zoals overigens alle schrijvers van technische romans, vrijgevig om. De lieden, die de opdracht hebben het "arbeidsmateriaal" te onderzoeken, zien dan wel honderden mensen in een paar uur, maar als iemand die afgevallen is, het voor een tweede keer probeert, treft hem een "ijskoude blik, die hem de stuipen op het lijf jaagt…" De tunnel braakt bergen puin uit en daarop verheft zich een rij naast elkaar geplaatste zerken, maar desondanks zijn het "sprookjessteden."


Deze mengeling van bewondering en afschuw beantwoordt precies aan wat de meeste mensen van techniek vinden. Maar daarmee lijken we nog steeds stil te staan bij de literatuur. Wat doet de techniek eigenlijk zelf? Welnu, zij doet voorlopig op kleine schaal, wat de schrijver van technische romans haar op een zo reusachtig mogelijke schaal voorschetst. Zij verschaft voorlopig nog geen werk aan "arbeidslegioenen", maar is wel trots op de miljoenen, die ze daadwerkelijk bezig houdt. Ze is er nog niet in geslaagd een krachtcentrale te bouwen, die de hele wereld van stroom voorziet, maar is aandoenlijk trots op de krachtcentrales die een grote deelstaat verzorgen en wanneer ze daadwerkelijk vanuit een complex de wereld zou kunnen voorzien, zou zij deze werkelijkheid even triomfantelijk begroeten, als de romanschrijver zijn eigen idee begroet. De technicus lacht tegenwoordig over de technische toekomstroman, maar het is eerder een spijtig lachje over het feit dat dergelijke omvangrijke doelen voorlopig nog niet verwezenlijkt kunnen worden en lachen om de verkeerde manier waarop deze grappige schrijver een programma aanpakt, waarvoor nog alle voorwerk ontbreekt. Als iemand hem dat voorwerk zou tonen en hem de manier zou laten zien, dan zou de technicus over een onderzeese tunnel en het smeltmiddel Dynotherm, over de manier om elektrische kracht te concentreren en vliegtuigeskaders met een snelheid van 1000 km. per uur, zo mogelijk nog enthousiaster zijn dan de poëtische lofredenaar. Want hij is tegenwoordig - en dat brengt hem tot een verkapte religie -, geheel in de geest van de romanschrijver druk bezig met het ontwerpen van steeds grotere en krachtigere centrales. Hij is in feite bezeten van de grootheden en massa's die hij in beweging zet. Als hij nogmaals de toren van Babel zou kunnen bouwen, om vanaf de top alle mensen en volkeren van licht, energie en andere goede dingen te voorzien, zou hij dat als de hoogste triomf beschouwen, die hem ten deel zou kunnen vallen. Zij constructieve denken gaat tot in het detail, maar zodra het om de praktische uitvoering van zijn vernieuwing gaat, zou hij dat heel graag tot ongekende hoogten opvoeren. Hij denkt aan steeds grotere centrales, in regio's, landen, werelddelen en tot slot aan een centrale voor de hele wereld.


En deze verkapte religie die in feite, tegelijkertijd monomaan en elefantiasisch, een wereld achter de wereld ziet, pakt het belangrijkste deel van haar taak zogezegd slechts met de linkerhand aan. Als wij ons namelijk afvragen: verslaaft en ontmenselijkt de techniek de mens echt, dan moeten we toegeven, dat dat alleen komt door de huidige techniek, door het technische denken in centrales. Er is zeer goed een techniek denkbaar en die zal ook komen, die haar belangrijkste inspanningen op precies het omgekeerde richt, namelijk de afzonderlijke mens weer zijn vrijheid, menselijkheid en onafhankelijke arbeidsmiddelen teruggeven. Waarom zou niet ieder van ons ooit normaal, zelfstandig en vertrouwd leren omgaan met technische krachten, bijvoorbeeld elektriciteit, zoals onze grootouders met spinnenwiel en zaag?


En hier is het misschien op zijn plaats nog een korte blik te werpen op de technische roman. Die speelt meestal in Amerika en voert als hoofdpersonen de uitvinder en de miljardair op, de centralisten. Er wordt zelden in verteld dat in Amerika, het land van de technische slavernij, ook de personenauto, een middel om de mens weer zelfstandig te maken, tegenwoordig een grotere verspreiding heeft dan waar ook. De methoden, waarmee Ford zijn auto's fabriceert zijn Taylorisme en een uiterste ontmenselijking; het product dient echter de weer vermenselijking. Misschien komt er een dag waarop ook het product niet langer gecentraliseerd gefabriceerd hoeft te worden, waarna het streven naar een nieuwe wereld een streven naar dé wereld wordt.


XV Yohimbine - Lecithine

Er zou iemand op kunnen staan en zeggen: nou, wat u tot nu toe naar voren hebt gebracht, kan allemaal juist of onjuist zijn, maar mij gaat het niets aan. Ik heb met getallenmystiek en socialisme evenmin iets als met antisemitisme en geheelonthouding. Ook voor deze zorgelozen deinzen de verkapte religies echter niet terug. Ze betreden het alleressentieelste levensterrein, de verhouding tussen man en vrouw. Nee, ze kiezen een enkel punt van deze verhouding. De genitaliën worden een verkapte religie. Iets dergelijks zagen we al bij de verkapte religie van de homoseksualiteit, met dat verschil dat die (waar mannenliefde aanleg is) uit een werkelijke behoefte voortkomt.


De verkapte religie van het vlees komt tot stand door een steeds toenemende verenging. Terwijl de heroïsche achterwereldbewoners en centralisten van de, uit geest en materie bestaande, wereld alleen nog maar de materie tot haar recht lieten komen, verschuift de verkapte religie der genitaliën het gebied van de materie nog verder naar honger en liefde. Maar zelfs dat is hier nog te ruim. Ze laat nog alleen maar de liefde over; nee, niet eens de hele liefde, die verengt ze tot de lichamelijke liefde. Van harten en ruiten laat ze alleen ruiten over.


Dat gebeurt op allerlei ogenschijnlijk tegenstrijdige manieren, die echter allemaal op hetzelfde neerkomen.


Zo wil bijvoorbeeld Wedekind ons bijbrengen dat de geslachtelijke lust het belangrijkste in het leven is, het enige dat de moeite waard is. Een leer die menig braaf echtpaar volgt; de gevolgen zijn een dozijn kinderen en dunne boterhammen. Wedekind verzwijgt die kinderen en boterhammen en zegt in plaats daarvan dat de vrouw een oerkracht is, gelukkig makend en demonisch. Ze stort de man in het verderf; in elk bedrijf van zijn toneelstuk Lulu komt een koudbloedig vermoorde dode voor; daarin ligt juist haar levenskracht, die wij bewonderen, aanbidden en van genieten moeten. Terug naar de natuur, roept Wedekind, net als Rousseau. Alleen ziet hij de nog natuur veel beperkter dan de Zwitser. Bij hem neemt die de gedaante aan van een naakte vrouw, nee, van een vrouwenschoot. Geef de waarheid de eer, maak je los van de leugenachtige seksuele conventies, roept hij, en ziet helemaal niet dat die conventies, het heimelijk doen, het verborgene van het seksuele, het daarmee verbonden schaamtegevoel, waar die ook van afkomstig mogen zijn, in hun uitwerking echter middelen zijn om juist dat te bereiken wat hij zelf zo hoog aanslaat: namelijk om de uiteindelijke gemeenschap der geslachten te kruiden. Als hij dat wel zou zien, zou hij ons vast waarschuwen om met dat geheim niet te ver te gaan, het seksuele niet te overwaarderen en geen onheil aan te richten, zoals zijn jonge mensen tijdens het "voorjaarsontwaken" doen. In plaats daarvan drukt hij ons vooralsnog naar beneden tot het peil van een dier, dat bezeten wordt door zijn driften. Nee, zelfs lager dan het dier, waarbij immers de bronst maar tijdelijk is.


Als die stap eenmaal is genomen, doet hij het tegenovergestelde. Hij ontdekt de verkapte religie van de geslachtsgemeenschap en schrijft die het gebod voor: "Het vlees heeft zijn eigen geest." Waarmee hij zich, zoals alle achterwereldbewoners, ernstig bezondigt aan zijn vrolijk beaamde doel, het onvoorwaardelijke geslachtsgenot. Dat rationaliseert hij. De onbevangenheid en zorgeloosheid, juist het onbezonnen driftmatige, gaat hopeloos verloren. Wat houdt die gemeenschap van man en vrouw dan in? Onder andere het verdwijnen van elke geest, elk denken, elke zorg en elk doel. Het is wellicht niet het geringste aan de liefdeskreet, dat wij daarin onszelf en de wereld, God en het Al volkomen vergeten, ons van alles bevrijden, wat ons anders gelukkig en ongelukkig maakt. Wedekind echter, een dominee van de verkapte religie van het vlees, gaat heen en schrijft zijn tien immorele geboden van het liefdesgenot, waarvan de grootsheid juist is dat het geen gebod behoeft. Hij vernietigt de vrouw, het object van zijn aanbidding, nadat hij haar teruggebracht heeft tot een vagina, zelfs tot een lustbeker, doordat hij, op het ogenblik waarop de normale mens alleen nog maar brult, hortend en stotend uitstoot: "Het - vlees - heeft - zijn - eigen - geest." Daardoor eindig deze hogepriester van het vlees steeds met een tragikomedie; niet omdat die onlogisch is, maar omdat gemeenschap en filosofie elkaar uitsluiten. Geheel consequent in de geest van Wedekind komt zijn Karl Hetman weloverwogen tot rassenteelt en benadert de heroïsche achterwereldbewoner, van wie het optreden door een of andere Franse windhond, ik geloof Prevost, ooit beschreven is in de fraaie uitspraak, die aan het begin van idealistisch-kuise, rassenteeltachtige huwelijksnacht valt: Allons, Madame, donnons le jour à un jeune chrétien. Dat zelfs ascese, waardoor de vrouw verdrongen wordt uit de wereld, het seksuele genot niet half zo vijandig gezind is als deze uitspraak, behoeft amper bewijs. Want zelfs de ascese onderkent macht en verleiding van het seksuele, is zich daar zozeer van bewust, dat dat voor haar zelfs in de eenzaamste cel en grot doordringt. De rassenteler van Wedekind maakt daarentegen van de gemeenschap slechts gebruik als middel. Vanzelfsprekend is het volmaakt onjuist Wedekind te verwijten dat hij een immoralist is, die de opgroeiende jeugd bederft. Integendeel, juist dat hij een moralist is, een verkapte religie-aanhanger, moet hem als kunstenaar en mens kwalijk genomen worden. Mensen, die door hun openlijke behandeling van de gemeenschap aanstoot gaven, zijn er altijd geweest en waren niet de geringsten. Maar Boccaccio, Rabelais en Balzac zijn geen monomanen van de vagina. Zij maken daar geen verkapte religie van, zoeken in de vrouwenschoot geen nieuwe wereld. Ze zijn juist helemaal van deze wereld. Naast het bed staat bij hen nog altijd de tafel; als hun lendenen stram geworden zijn, doen zij daar ook nog aan door wat te eten, drinken en kletsen. Het seksuele wordt bij hen nooit afgezonderd, ook niet waar dat het hoofdthema vormt, precies zoals dat er in het leven ook niet aan toe gaat. Bij hun huidige nazaten echter, bij iemand als Schnitzler en Lavedan, wat een armoe! Alles komt bij hen op dat ene punt neer en zelfs daarbij komt er, vanwege dat geïsoleerd zijn van het seksuele, geen humor, zelfs geen grap aan te pas. Baron Mikosch en de waardin aan de Lahn zijn echte mensen, in tegenstelling tot de seksgenieters bij Wedekind en trawanten. Het hooglied op de potentie, dat ze in zouden willen zetten, is een poging door een verkapte religie impotentie te overwinnen.


Bij Strindberg (wrsch. vergist Brey zich en bedoelt hij Fontane's Effi Briest, vert.), Wedekinds tegenpool, ziet de vrouw er heel anders uit en toch maken beiden de indruk als de helft van een tweeling. Bij Strindberg jat de vrouw vrij regel- en dwangmatig de ideeën van de man, zijn mannelijke voorrechten; aan hem dankt zij haar schrijf- of schilderkunst; als zij een boek schrijft of een doek schildert, is hij het die haar de onaangename kritiek van het lijf houdt. Eten raakt ze nauwelijks aan, maar snoept natuurlijk rijkelijk van het nagerecht; roddelt met de dienstbode, wil graag van haar pikante dingen horen, spuugt naar haar man en geeft hem een draai om zijn oren; dat ze hem bedriegt en zich door Galan laat betalen, spreekt vanzelf; maar Briest bezorgt hem ook een kwellende twijfel over het vaderschap van zijn kinderen. Kortom, hier is de vrouw - en hier raakt de vrouwenhater Strindberg bijna woordelijk de mannenminnaar Wilde - "een jongeman met tepels op de borst, een niet uitgerijpte man, een kind, dat opgeschoten en in de groei stil is blijven staan, een chronisch bloedarmoedig wezen, dat in de regel dertien maal per jaar een bloedvloeiing heeft!" En desondanks zuigt dat schepsel de man leeg. Als ze uit elkaar gaan, vraagt hij om vergeving: "Vergeef me dat jij mijn hart bekrast hebt; vergeef me dat je me onteerd hebt; vergeef me dat ik zeven jaar lang dag in dag uit voor mijn leerlingen een voorwerp van spot was; vergeef me dat ik je van het juk van je ouders bevrijd heb, dat ik je van de tirannie van onwetendheid en bijgeloof verlost heb, dat ik je de baas in huis heb laten worden, je een baan en vrienden gegeven heb en dat ik je van kind vrouw gemaakt heb!"


Dat heet bij Strindberg allemaal pathetisch: "De strijd der geslachten" en dat geslacht is voor hem de wereld.


Men hoeft er niet lang bij stil te staan, dat al die verwijten door de vrouw aan de man teruggegeven kunnen worden; dat Strindberg even onterecht en ongegrond scheldt, als de kwaaiste van zijn vrouwelijke exemplaren. Belangrijker is dat het resultaat van zijn verkapte religie is, dat hij de echte tragiek in het samenleven van de geslachten niet ziet. In Bajazzo van Wedekind vernietigt hij het seksuele genot, dat hij door middel van een elefantiasis filosofica nastreeft; de zwartkijker Strindberg doet met de tragiek der geslachten precies hetzelfde, met precies dezelfde middelen. Want die tragiek schuilt evenmin in ideeëndiefstal, onbeholpen schrijfkunst en talentloos schilderen of snoepzucht van de vrouw, als in kroegzitten, grootdoenerij en het sigarettenetui van de mannelijke bevolking. Al die dingen, hoe moeilijk ze af en toe ook te verdragen zijn, leveren geen tragiek, maken eerder de humor van het samenleven uit, zijn kruiderijen. Pas ver daar voorbij, pas waar ze in de onwerkelijke schijn achter man en vrouw liggen, begint de echte tragedie. Ze is geen strijd der geslachten, maar juist het niet kunnen samensmelten van de geslachten. Ik blijf ik en jij blijft jij, tot in de laatste bevrediging en heerlijkste overgave. De tragedie der geslachten heet niet haat, maar liefde. Dat heeft de achterwereldbewoner Strindberg echter nauwelijks opgemerkt.


Wat hij vormgeeft is slechts de komedie van de pantoffelheld, verpakt in tragiek. En hij is niet eens eerlijk. Hij bedriegt; bedriegt schaamtelozer dan de schaamtelooste vrouw. Hij heeft haar de grammatica bijgebracht; zij bedankt hem daarvoor niet. Kan gebeuren. Maar nu gaat de vrouwenhater Strindberg verder: "Toen zij dus thuis de correspondentie overnam, hield ik op met schrijven; en je kunt het zelf wel bedenken - nu ben ik in de loop der jaren bij gebrek aan oefening hier en daar de grammatica vergeten." De Zweed Strindberg ziet de grammatica van zijn moedertaal als een beweeglijk, overdraagbaar eigendom, dat de een niet meer heeft, als de ander haar heeft. Als vrouwen liegen, liegen ze in ieder geval beter dan deze jankerd.


Strindberg kan zich er nog altijd op beroepen, dat hij ook stukken zonder die strijd der geslachten geschreven heeft (die echter nog slechter zijn, dan die waarin daar wel sprake van is).


Pas Otto Weininger bleek in staat de verkapte religie van de vagina te voltooien en het wezen van de vrouw te onderzoeken met betrekking tot de hele wereld, de mensheid en haar belangrijkste opdracht. Als echte achterwereldbewoner legt hij meteen een verband tussen het afzonderlijke probleem van de tegenstelling der geslachten en dat van de fundamentele logische vragen, de theorie van het komische, esthetische, ethiek, heldenverering, genialiteit, onsterfelijkheid, antisemitisme en nog een paar. Maar daarbij blijft hij, in tegenstelling tot Wedekind en Strindberg, volkomen consequent. Had Schopenhauer maar alleen gezegd: laat u niet misleiden, de vrouw is de voorstelling van de man; door de seksuele aantrekkingskracht wordt de wil van de natuur om de soort in stand te houden, slechts een manteltje omgehangen; Weininger zegt op de man af: de vrouw is de schuld van de man. Onder bescherming van deze uitspraak, houdt hij niet, zoals al zijn voorgangers, haar minderwaardigheid in stand; hij benadrukt de onbelangrijkheid, de volstrekte nietigheid van de vrouw. En hij voert daartoe alle oude bewijzen aan in een nieuwe jasje en nog een paar nieuwe. Al die bewijzen, hoe onzinnig ze in eerste instantie ook lijken, hebben toch iets waars. Er is in ieder geval geen tegenbewijs voor aan te voeren. Als Weininger bijvoorbeeld, zoals zovelen vóór hem, de onbelangrijkheid van de vrouw aantoont door het ontbreken van grote vrouwelijke scheppende kunstenaars, filosofen of godsdienststichters, is het historisch onjuist en ondoordacht hem te antwoorden, dat die geniale vrouwelijke kunstenaars, filosofen en godsdienststichters vast nog zullen komen, als er eerst maar wat meer wordt gedaan aan geestelijke vorming van vrouwen. Wat daarop te zeggen valt is de alledaagse uitspraak, dat de kracht van de vrouw als vrouw blijkbaar niet op dit terrein ligt, maar elders.


En hier voltrekt Weininger het kenmerkende van elke verkapte religie, namelijk door van monomanie over te stappen naar elefantiasis. Het lukt namelijk heel eenvoudig om alles, wat wij doorgaans als goede vrouwelijke eigenschappen en bijzondere vrouwelijke aanleg zien, zoals overgave, moederliefde, schoonheid, liefde, schuchterheid en zelfs de geestelijke interesses van de vrouw, waarvan hij het empirische voorkomen niet kan ontkennen, gewoon een andere uitleg te geven, niet in de vorm van erotiek, niet eens van seksualiteit, maar van de coïtus.


Op hetzelfde moment, waarop wij ons protest tegen het detail terugdraaien en heel rustig zeggen, dat deze uitleg best juist zou kunnen zijn, blijkt hoe weinigzeggend die eigenlijk is. Want zij kan de psychische verschijnselen die zij wil verklaren en de effecten daarvan niet de wereld uithelpen. Een dergelijke uitleg zegt niets, omdat zij teveel zou willen zeggen. Overgave, moederliefde, schoonheid, liefde, schuchterheid en geestelijke interesses van de vrouw blijven geheel wat ze zijn; alleen het begrip coïtus wordt opgeblazen, tot het knapt.


Het belangrijkste verwijt van Weininger luidt echter dat de vrouw niets heeft met het ervaren van het Ik, met het beginsel van grond (der Satz vom Grund), met filosofie, met het absolute, een onder alle omstandigheden geldige, van de aarde losgemaakte waarheid.


Men zou hier tegen hem in kunnen brengen dat het, als hij wel iets met deze dingen heeft, in ieder geval niet zijn eigen verdienste is; dat hij zelfs niet eens de keuze heeft om als man of vrouw ter wereld te komen. Maar hier blijkt dan Weiningers rechtlijnigheid. Hij geeft toe dat ook de man en zijn relatie met het beginsel van grond, behalve verlengstukken, slechts de kracht van de erfzonde, de kracht van de gemeenschap met de vrouw op deze aarde zijn. Daaruit trekt hij de conclusie dat wij nou eindelijk eens krachtdadig op zouden moeten houden met de omgang van man en vrouw. De wereld wordt vernietigd; de achterwereld van de zuivere idee, waarop Weininger verliefd is, blijft bestaan.


Toen de eerste christenen dezelfde eis stelden, deden ze dat omdat ook zij als achterwereldbewoners begonnen. Ze verwachtten dat het Rijk Gods spoedig zou aanbreken en dachten dat het niet meer de moeite waard was zich met de zorgen voor vrouw en kinderen te belasten. Toen die achterwereldachtige trek verdween, kwam typisch genoeg de christelijke ascese op. Die bleef niet monomaan, strekte zich niet alleen maar uit tot de vrouw; ze probeerde serieus de hele wereld waardeloos te maken, niet meer ter wille van een achterwereld, maar ter wille van de bovenzinnelijke wereld.


Ondanks dat hij ter ondersteuning van zijn kuisheidsstelling ook de heilige Augustinus aanhaalt, is bij Weininger niets te vinden over een dergelijke wijde wereld en niets over religie. Het uitschakelen van de vrouw gebeurt bij hem niet ter wille van de hemel, maar ter wille van de logische filosofie, waarvan de stellingen blijven bestaan, om het even of er nog iemand is, die daarmee in kan stemmen.


De poging om Weininger logisch of biologisch in details te weerleggen, hoeveel aanvechtbaars bij hem ook te vinden is, moet tevergeefs blijven om de eenvoudige reden, dat het hier om iets diepzinnigers gaat dan alleen maar logica of levensleer. Weininger geeft dat zelf ook een keer toe wat betreft een onderwerp, dat door zijn monomanie niet aangeroerd wordt. Als het erom gaat bewijzen tegen de kleurenleer van Newton aan te voeren, beroept hij zich gewoon op de met elkaar overeenstemmende verklaringen van Goethe en Schopenhauer en denkt dat die overeenstemming van twee genieën volstrekt toereikend is om Newton schaakmat te zetten. Wat zichzelf betreft, trekt hij echter die conclusie niet; want daarbij zou hij alle mensen, die hij verder als groot beschouwt, tegen zich in het harnas jagen. Het immanente verstand, het transcendente mensenverstand van hele generaties, dingen die anders als bewijsmateriaal zeer dicht bij zijn manier van denken liggen, ziet hij opeens over het hoofd, als ze met zijn verkapte religie in tegenspraak raken. En nog meer moest hij natuurlijk negeren, dat hij zelf eerst de maatstaf - het meten van de absolute idee - aanlegt, waarmee hij vervolgens de vrouw teniet doet. Er is bij hem geen sprake van dat ook de meeste mannen niet iets krijgen met de stelling a = a; Weininger geeft dat zelf toe en handhaaft voor de man alleen de mogelijkheid van die relatie, maar stelt dat dit voor de vrouw gewoon onmogelijk is. Maar het komt niet in hem op na te gaan wat die stelling voor waarde heeft voor het leven. Als hij met zijn gedachten ook die zenuw geraakt had, had kunnen raken ondanks zijn monomanie, had hij zich misschien herinnerd dat het de wil van de schepping is om in de vrouw een tegenwicht te scheppen tegen het dromerige en hemelbestormende element in de man. Want wat voor verdienste zou dat dromen en bestormen kunnen hebben, als daartegen geen tegenwicht zou bestaan? En wellicht zou hij dan hebben moeten toegeven, dat de vrouw juist wat dat betreft de man de baas is, doordat zij hem er steeds weer van doordringt, hoe onvast de voeten zijn waarop zelfs het allergrootste staat, waar hij toe in staat is. Zij heeft niets met de stelling a = a, wat zoveel wil zeggen als dat ze wel iets heeft met veel andere dingen, die wij, naast de stelling a = a, naast het absolute, maar al te gemakkelijk geneigd zijn over het hoofd te zien. Weininger vergaat het op een hoger niveau precies zo als Strindberg; hij vernietigt niet alleen op een anarchistische manier de mensheid; hij vernietigt zelfs het idee van de man, die waardeloos zou worden, zodra hij zich helemaal vrij tot in de sfeer van het absolute zou kunnen verheffen.


Elders heb ik al een keer uiteengezet, hoe het komt dat de genitaliën bij de tegenwoordige schrijvers zozeer in het middelpunt geplaatst wordt. De reden -een reden die zo eenvoudig is, dat die nauwelijks of helemaal niet onderkend wordt - luidt gewoon dat de geletterde mens te weinig met het leven te maken heeft en er te weinig van af weet, zodat het meest menselijke en vanzelfsprekende voor hem meteen een probleem zou worden. Het is juist het gebrek aan problemen en bezigheden in de buitenwereld, waardoor het seksuele voor de schrijver een probleem wordt. In het seksuele vindt hij het materiaal, dat niet louter abstract en toch zonder de speciale ervaring in leven en beroep, waaraan het hem ontbreekt, te behandelen is en daarbij kan rekenen op een algemene belangstelling.


XVI De zichzelf temmende weerspannigen.

Iemand die over ontvankelijke zintuigen en een gezonde zinnelijkheid beschikt zal zich niet door Strindberg, Weininger en gezellen af laten houden van liefde en huwelijk, hun vreugden en gevolgen. Strindbergs theorie over de strijd der geslachten en die van Weiningers over seksuele onthouding als vervulling en de uiteindelijke verheffing van de mensheid, zijn niet alleen onhoudbaar, maar ook voor de simpele werkelijkheid volstrekt onbelangrijk.


Maar Weininger is ook een voorvechter van vrouwenrechten. Hij gelooft er weliswaar niet in dat de vrouw daadwerkelijk ooit iets tot stand kan brengen, maar alleen al het feit dat de vrouw, die geestelijke arbeid poogt te verrichten, afgeleid wordt van het seksuele, lijkt hem belangrijk. De vrouw heeft slechts in zoverre enige waarde, naar mate zij haar vrouwelijkheid aflegt en de man nabij komt.


En dat is nu precies de theorie, waarvan de vrouwenbeweging uitging en zich ondanks alle pogingen daarvan zelfs tegenwoordig nog steeds niet heeft los kunnen maken; de emanciperende vrouw streeft nog steeds naar gelijkberechtiging met de man. Tegenwoordig misschien niet meer, omdat zij zich sigaren en een pagekopje aanmeet, maar omdat ze afdelingschef bij een of andere sociale dienst wordt. De middelen zijn veranderd, het doel hetzelfde gebleven.


Daarmee is echter de hele bewijsvoering van Weininger opgehelderd; het onderscheid ligt slechts in de mate en manier van uitdrukken. Als Weininger zegt: er zijn geen vrouwelijke genieën, dan geeft de vrouwenrechtenvoorvechtster hem helemaal gelijk als ze zegt: er zijn inderdaad nog geen vrouwelijke genieën, maar daar zijn we mee bezig. Niet zozeer door het tot het stompzinnigste toe verblinde verliefde vrouwtje, wordt man en mannenrechten betoverd en overweldigd, maar door de geëmancipeerde vrouw, oude stijl. Pas met het begin van de vrouwenbeweging heeft de man de vrouw geheel veroverd. De weerspannige, die nooit helemaal getemd kon worden, temt opeens zichzelf.


Ook de vrouwenbeweging streeft naar een achterwereld, maar dan wel een achterwereld met een ongewoon bescheiden doel. Want achter de coulissen staat hier gewoon - de man; dezelfde man, die weliswaar toegeeft dat de niet geëmancipeerde vrouw in een aantal dingen superieur is, maar haar in andere dingen vanwege haar hulpeloosheid en zwakheid beklaagt en moederlijk beschermt. Dat laatste gevoel heeft de geëmancipeerde vrouw krachtdadig weggeschrapt; zij is de eerste die erin geslaagd is in de man niet een God te zien, maar gewoon een afgod.


Pas door zich schuldig te voelen over de gezonde minachting en het liefhebbend medelijden ten opzichte van haar afgod, slaagt de geëmancipeerde vrouw erin te spreken over zaken als seksuele afhankelijkheid en crisis. Ze ziet daarbij niet alleen over het hoofd dat beide uitdrukkingen, voor zover ze trouwens een betekenis zouden kunnen hebben, wederkerig zijn, zowel man als vrouw aangaan. Ze ziet in haar aanbidding van de man ook dat andere over het hoofd, namelijk dat elke seksuele afhankelijkheid en elke seksuele crisis, slechts onderling uitgevochten kunnen worden. Zelfs als daar drie mensen bij betrokken zouden zijn, kunnen seksuele crisissen en afhankelijkheden steeds slechts met z'n tweeën uitgevochten worden; in het ergste geval moet zij het met een van de twee of met zichzelf uitvechten; nooit hebben ze als onderlinge verhouding der geslachten een maatschappelijke of politieke betekenis. De zwakte van de mannenaanbidster, die zich inzet voor gelijke rechten van de vrouw, is het feit dat ze dit persoonlijke gevecht niet zelf kan uitvechten en abusievelijk aanneemt dat anderen, haar medezusters, de staat of de wetten dat voor haar zullen doen. Ze is op zoek naar echte vrouwelijke hulp, terwijl de niet-geëmancipeerde vrouw erop vertrouwt, dat ze het met haar seksuele en maatschappelijke afhankelijkheid wel alleen kan bolwerken en de man dat kan laten zien.


De vrouwenbeweging gaat door voor progressief en democratisch. Ze zou, net als de gehele democratie, de vernederden en gekwetsten, in dit geval de vrouwen, kunnen helpen. Het is alleen merkwaardig dat haar voorstelling van zaken en eisen juist gelden voor de welgestelden, nee, voor de schatrijken. Bij hen, en alleen bij hen, kan uit de echtverbintenis de tafel en alles wat daar omheen staat, verwijderd worden - zodat alleen het bed overblijft en dan het bed, niet eens als plek om uit te rusten, om ziek te zijn, als een elke ochtend te overwinnen weerstand tegen het opstaan, niet langer in zijn algemene, maar in zijn opmerkelijkste betekenis. Zij, en alleen zij, eisen de vervanging van het levenslange huwelijk door vrije liefde. Bij meerdere vrouwen of mannen naast en na elkaar hebben, behoort nietsdoen, lichamelijke verzorging en een dikke bankrekening. De gewone arbeider of handwerker, die moe thuiskomt, heeft weinig zin om nog naar andere vrouwen om te zien; hij is al tevreden als die van hem het eten niet aan heeft laten branden. De arme heeft amper tijd over voor zijn eigen echtgenote; alleen de welgestelden en onafhankelijken vervelen zich genoeg om nog zin te hebben in een harem of bordeel. De armen zien het huwelijk niet als een beperking van de wijde wereld. Die is voor hen juist de voorziening die hen in staat stelt zich uit te leven, nee, zelfs uit te razen.


De vergissing wordt nog duidelijker als men kijkt naar de door de vrouwenbeweging beweerde economische afhankelijkheid van de echtgenote van haar man, die door de vooruitgang opgeheven zou kunnen worden. Als een rijke jongeman een onbemiddeld meisje huwt, zal de nieuwe arme rijke echter bij het eerste grote conflict in het huwelijk haar afhankelijkheid als iets zeer kwalijks ervaren; de rijke kan alles krijgen; hij vindt zelfs, als de economisch afhankelijke een liefdesstaking uitroept, een schat aan andere werkwilligen. Alleen de arme vrouw van de arme man is, zolang de wereld bestaat, nooit een speeltje en nooit afhankelijk geweest. Zij was altijd niet alleen de belangrijkste medewerkster van de man, maar ook de op elkaar afgestemde directrice van de andere afdeling en vaak zelfs de baas van het huwelijkse bedrijf. De vrouw is in het huishouden niet afhankelijker van de werkende man dan een winkeleigenaar van zijn klanten.


Men zou eerder kunnen zeggen dat de man afhankelijk is van de vrouw. Want in het ergste geval staat de man aan de voordeur van het huis, waardoor het geld binnenkomt, terwijl de vrouw over de honderd achterdeuren waakt, waardoor het geld weer naar buiten gaat en wee het huis of de man, als deze post niet goed bezet is.


In die laatste zin wordt letterlijk Chesterton geciteerd, die in zijn What's wrong in the world de vrouwenbeweging aan een gedetailleerd onderzoek onderwerpt. Hij plaatst tegenover de gespecialiseerde, zelfs monomane en bezeten man, de vrouw als almachtige alleenheerseres in een klein rijk, de alomvattende dilettante. De man geeft in het uiterste en ergste geval het beste van zichzelf; de vrouw geeft haar alles. Hij vergelijkt haar met vuur, dat ook niet een of twee doeleinden dient, verwarmen of licht geven, maar honderd doeleinden en honderd bestemmingen heeft.


"Net als van vuur, verwachten wij ook van de vrouw dat ze kan koken; niet dat ze uitblinkt in het koken (zoals een gespecialiseerde mannelijke kok), maar dat ze kookt; beter kookt dan haar man, die de verwarming verdient met voordrachten over plantkunde of met steenhouwen. Net als van vuur, verwachten wij van de vrouw dat ze kinderen verhalen vertelt, geen oorspronkelijke en kunstzinnige verhalen, maar verhalen - in ieder geval beter, dan een eersteklas kok waarschijnlijk zou doen. Net als van vuur, verwachten we van de vrouw dat ze licht geeft en verkwikt, niet door verbazingwekkende onthullingen of de meest woeste en stormachtige gedachten, maar beter dan een man dat kan, nadat hij stenen gehouwen of lezingen gegeven heeft. Maar wij mogen niet verwachten dat zij zoiets als deze alomvattende taak kan volhouden, als ze tegelijkertijd de rechtstreekse meedogenloosheid van concurrentie en bureaucratisch werk moet verduren. De vrouw moet kok zijn, maar geen kok onder mededinging; lerares, maar geen lerares onder mededinging; opsierster, maar geen opsierster onder mededinging; naaister, maar geen naaister onder mededinging. Dat is wat in werkelijkheid vanaf het begin, door buitensluiten of zelfs onderdrukken van de vrouwen, tegengewerkt wordt. Vrouwen worden niet thuis gehouden om ze in te perken; integendeel, ze worden juist thuis gehouden om ze de ruimte te geven."


Chesterton zegt dan verder dat hij graag medelijden zou tonen met mevrouw Schmidt, omdat ze enorme en bijna onvervulbare taken heeft, maar nooit omdat ze een kleine, beperkte, onbeduidende en miskende taak heeft.


Vooralsnog verhindert het radicalisme, de restanten van een verkapte religie, die nog steeds in hen werkzaam is, de vrouwen echte radicale eisen te stellen.


Maar nu staan de praktische man en vrouw op en roepen: "maar hoe moet dat dan met ongehuwde meisjes? Hoe moeten zij zich redden in deze wereld, anders dan achter de schrijfmachine, in de openbare ziekenverzorging, in het modeatelier? Wij geven grif toe dat de vrouw in wezen geen beroepsmens, geen specialist en geen monomane is en moet zijn; maar tegenwoordig móet ze dat wel; louter levensbelang dwingt haar daartoe."


Helemaal gelijk. Maar moet daarom dan een onnatuurlijke en onverkwikkelijke toestand op een leugenachtige manier voorgesteld worden als vooruitgang, nee, zelfs als achterwereldschap, alsof met die "ik-ook-verslaving" van de vrouwen een nieuwe wereld zou aanbreken? Beroepsarbeid kan een goede vrouw niet veel kwaad doen, zij kan daardoor juist vooruitgeholpen worden - maar dan slechts zo lang wij en zij zelf maar het gevoel blijven houden, dat haar grote taak niet in het gespecialiseerde werk ligt. Als de beroepsarbeid van de vrouw heilzaam is, dan zonder twijfel slechts in zoverre, als het ons allemaal goed doet, niet altijd zo te moeten leven en werk te kunnen doen, dat we aangenaam vinden en als we af toe afstand van ons zelf kunnen nemen. Op het moment waarop de vrouw trots wordt op haar beroepsarbeid, zoals een of andere domme mannelijke specialist, ja, door haar ijverige overgave zelfs nog trotser wordt, gaat dat voordeel van de vrouwelijke beroepsarbeid geheel verloren. Het bedrieglijk voorstellen van het onaangename als vooruitgang, vernietigt zelfs de bescheiden voordelen, die de zaak op zich zonder twijfel kan hebben.


Maar de werkelijkheid is nog veel erger, praktischer en wreder. Want in werkelijkheid betekent vrouwelijke beroepsarbeid in 99 van de 100 gevallen niet alleen maar beroepsarbeid; het betekent beroepsarbeid plus huishouding. Dat in het beroep de vrouwenziel schade oploopt, zoals de oprechte verdedigers van huishouden en vrouwelijkheid (bestaande uit de vier k's: keuken, kerk, kinderen en ziekenzorg [Krankenpflege]) geloven, is misschien niet eens zo'n groot gevaar. Dat echter haar lichaam schade ondervindt, als ze behalve met de beroepsarbeid ook nog opgezadeld wordt met huishoudelijk werk, staat vast.


Moet alles dan maar blijven zoals het is?


"De vrouw", schrijft Friedrich Theodor Vischer in Auch Einer, "de vrouw heeft de tijd om te vechten met het kwajongensachtige object, leeft in dat gevecht, is in haar element; een man mag en moet daar geen tijd voor hebben, hij besteedt zijn geduld aan wat geduld waard is." In deze eenvoudige zin zit meer verachting voor de vrouw dan in die hele Weininger en Strindberg. Hiertegen, tegen de openlijke en gangbare mening, dat de vrouw net goed genoeg is om het onbelangrijke werk te verrichten, waarvoor de man zich te goed voelt, zouden de gezamenlijke vrouwenverenigingen als razenden tekeer moeten gaan - en dat zouden ze ook doen, als ze maar overtuigd waren van de eigenwaarde van de vrouw, als ze zich maar niet hadden overgegeven aan de genade en ongenade van hun mannelijke afgod. Ze zouden dan eisen dat de vrouw, in het gevecht tegen geslepenheid van het object, juist vanwege de hoeveelheid en alomvattendheid van haar werk elke denkbare verlichting ten deel zou moeten vallen. Ze zouden dan eisen - en zullen dat op zekere dag, als de vrouwenbeweging zich van de laatste restanten van de verkapte religie ontdaan zal hebben, ook doen - ze zullen dan dus eisen, dat hun eigen domein zo comfortabel en gemakkelijk mogelijk ingericht moet worden. In plaats van gelijke rechten te eisen, zouden ze dan heel rigoureus kolenliften eisen in de grote huurhuizen, slimme verwarmingsinstallaties en stomerijen, kortom de grootst mogelijke ontlasting van allerlei zaken, die volgens Vischer het geduld niet waard zijn. En zij zullen dat doen, niet omdat hun taak te klein, maar omdat die te groot, te veelomvattend is. En dan zal er wellicht echt zoiets als een strijd der geslachten ontbranden; nee, niet zal, want die ontbrandt al dagelijks in elk huishouden, als de vrouw haar man uitlegt, dat de oude kachel het niet meer doet, de salonmeubels vreselijke stofhaarden zijn, zolang ze niet opnieuw bekleed zijn en de vloer van de woonkamer beslist opnieuw met linoleum belegd moet worden, zodat niet elke ochtend weer een nieuwe schrobdag aanbreekt. Hier, in kolenlift en vuilstortkoker, in stofzuiger en warmwaterleiding, in de doelmatig ingerichte keuken en in het linoleum, kortom in elke mogelijke verlichting van de enorme taak van de vrouw, ligt een, zover ik kan zien, ten gunste van gelijke rechten geheel verwaarloosd gedeelte van een echt radicale vrouwenbeweging, die zonder twijfel voor onze mannelijke nalatigheid zeer onbehaaglijk zal worden, in ieder geval veel onbehaaglijker dan de oude - omdat die zo vrouwelijk is.


Vooralsnog is het echter nog niet zover. Vooralsnog hebben onze vrouwen juist in de belangrijkste praktische en meteen oplosbare kwesties, die hen en vooral hen in het bijzonder aangaan, volkomen gefaald. Wij hebben in Duitsland vrouwenstemrecht en vrouwelijke afgevaardigden. Ik ben enigszins op de hoogte van wat die laatsten tot stand hebben gebracht. Ik zal ook niet zeggen dat het daarbij alleen om resultaten gaat, die net zo goed van mannelijke afgevaardigden zouden kunnen hebben uitgaan, hoewel ook dat deels opgaat. Veelzeggender is dat alle nieuwe wetten, die hun ontstaan te danken hebben aan vrouwelijke volksvertegenwoordigers, op precies dezelfde manier het "tegen" op het voorhoofd dragen als die van hun mannelijke collega's, zelfs bijna nog uitsluitender. De vrouwelijke wetten richten zich tegen de uitbuiting van thuiswerksters, tegen prostitutie, tegen geslachtsziekten en veel soortgelijks; zonder twijfel allemaal prijzenswaardige zaken. Maar voor hun ruimste en beperktste speciale gebied, opvoeding en scholing van het nageslacht, hebben ook onze vrouwelijke afgevaardigden slechts via omwegen iets gedaan.


En toch ligt juist hier het terrein, waarop niet langer de afzonderlijke vrouw, maar op de eerste plaats de vrouwenbeweging daadwerkelijk haar aanspraken zou moeten uitspreken. Dat is immers eigenlijk het enige terrein, dat het bestaan rechtvaardigt van een vrouwenbeweging, van het aaneensluiten van vrouwen. Want op alle andere terreinen, het seksuele, huishoudelijke en het vergemakkelijken van het leven, bereikt de vrouw als individu veel meer. Alleen voor het onderwijs en openbare aangelegenheden is het nodig en zinnig dat vrouwen zich aaneensluiten. En zelfs dat heeft pas alleen echt zin, als alle meisjes vandaag nog vrouw en moeder zouden worden.


Juist dan is namelijk de vroegere toestand, waarin het bezit van publieke rechten en cetris paribus ook een uitgebreidere kennis uitsluitend aan de man is voorbehouden, volstrekt onhoudbaar. Er zijn maar weinig andere dingen waar een uitgebreidere vorming van hart en hoofd behoort, dan bij het opvoeden van kinderen en de belangrijkste vraagstukken die in parlementsgebouwen behandeld worden, grijpen diep in in het gezinsleven. Dus de goeie oude conservatief, die de vrouw in universiteit en parlement met hoongelach bejegent (waarbij het twijfelachtig blijft of hij niet, net als de simpelste kantoorklerk, gewoon concurrentieangst heeft), de reactionair, maakt zich even belachelijk als de strijdsters voor vrouwenrechten zelf, als zij zichzelf als gelijkberechtigd zien. Niet als mannenaanbidster, maar als moeder van kinderen kan ze veel radicalere eisen stellen, dan de vrouwenbeweging tot nu toe durft. Ze heeft nog niet dezelfde rechten, maar is wel voor de dingen die haar van nature aangaan, de enige verantwoordelijke voor zowel huishouding als huishoudboekje. Op hetzelfde moment, waarop zij zich losmaakt van de verkapte religie van de gelijkberechtiging en de achterwereld van de "vrije vrouw," zal ze eigen vrouwenuniversiteiten eisen, waar de stof vanuit heel andere gezichtspunten gekozen en gelezen wordt, dan dat op de door mannen gestichte en op mannen ingestelde universiteiten het geval is.


In plaats daarvan doet de huidige vrouwenbeweging precies het omgekeerde. Ze loopt warm voor onderwijshervorming in allerlei vormen. Met andere woorden, ze deserteert; ze staat de schoolmeester toe haar en haar seksegenoten te verdringen.


Ze laat zich de opvoeding, een van haar voorrechten tot nu toe, gewoon uit handen nemen. De tegenstanders van onderwijshervorming zien immers slechts zelden waar het bezwaar tegen de beweging en de bron van hun eigen onlustgevoelens eigenlijk liggen. Ze zeggen bijvoorbeeld over de eenheidsschool, dat die van alle begaafde kinderen geleerden en bureaucraten maakt en zodoende aan alle andere beroepen de enigermate begaafde krachten onttrekt. Verder verwijten ze de eenheidsschool de ze schematiseert door een mechanische methode bij het testen van de aanleg te hanteren. Maar de aanhangers van de eenheidsschool kunnen er eenvoudig op wijzen dat juist een betere school het middel moet zijn om elke begaafdheid, op geestelijk, kunstzinnig of handvaardig gebied, met evenveel plezier te kunnen ontwikkelen. En in feite ligt het werkelijke gevaar van zowel eenheidsschool als hele onderwijshervorming dan ook aan iets anders: namelijk het feit dat daardoor de school eigenlijk almachtig wordt.


Dat blijkt nu eenmaal uit het feit dat ze examen en titel nog belangrijker maakt dan voorheen. Nee, niet alleen examen en titel, maar zelfs de manier waarop dit examen afgelegd en deze titel verworven worden. Al decennia zijn we bezig met de onderwijshervorming en arbeid is na de revolutie bijzonder belangrijk geworden. Het eenvoudige doel, bekwame mensen vrije baan te bieden, zijn we, voor zover ik kan zien, geen stap dichterbij gekomen, eerder verder weg. En toch zou dit op een eenvoudige manier bereikt kunnen worden, als men maar zou besluiten daar serieus werk van te maken. Men zou dan namelijk alleen maar hoeven af te zien van te moeten bewijzen hoe een bepaalde te examineren kennis verworven is. Er zouden alleen maar vrije examens ingevoerd hoeven te worden, waaraan iedereen mee kan doen, die de wens heeft een bepaalde bevoegdheid of titel te verwerven. Men zou alleen hoeven besluiten iemand, en dat wellicht zeer grondig, naar zijn kennis te vragen, zonder waarborgsom op een gezegeld formulier te verlangen, hoe hij aan die kennis is gekomen en zonder het instrument van de intelligentietest. Vooralsnog lijkt het echter of de onderwijshervormers meer uit zijn op uitbreiding van hun eigen macht en positie, dan op het verder helpen van bekwame mensen.


Zelf zeggen ze echter dat zij op iets anders uit zijn: niet op het overdragen van bepaalde kennis op de leerling, maar op zijn vorming als mens.


Het is niet moeilijk aan te tonen dat deze nobele poging wel vruchteloos moet blijven. Want hoeveel er op het gebied van het onderwijs ook geëxperimenteerd, georganiseerd en gepland wordt, toch schijnt geen enkele van al die hervormers eigenlijk te zien wat de belangrijkste vraag is, laat staan dat hij die kan beantwoorden; als iemand dat bij uitzondering probeert, wordt zijn antwoord vast en zeker door driekwart van zijn collega's met hoongelach afgewezen. Die belangrijkste vraag is: wat voor mensen, wat voor soort mens willen wij eigenlijk opvoeden? De Engelsen weten dat wel. Ze willen gentlemen kweken en dat doen ze dan ook met groot succes. Wij Duitsers zijn niet zo bescheiden - en juist daarom zijn al onze voorstellen voor onderwijshervorming veel bescheidener. De een eist meer lessen Duits, de andere een verzwaring van de natuurwetenschappen, de derde zou in ieder geval Grieks niet willen laten vallen en de vierde houdt een pleidooi voor kostscholen op het platteland - allemaal met goede redenen omkleed. Al die voorstellen betekenen echter alleen het omzeilen van de ene grote vraag, welk soort mens het belangrijkste doel moet zijn van deze opvoedingsinspanningen, Goethe of Haeckel, Luther of de heilige Franciscus, Wilhelm von Humboldt of de veeltalige portier van Hotel Fürstenhof. Streeft men er echter naar dat al die idealen hun eigen schoolvorm moeten hebben, dan kunnen wij het met een heel gerust hart bij het oude houden, en ons al dat nutteloze werk en de uitgaven voor een grote hervorming besparen.


En dat is dus de plek waar de vrouw en haar beweging zich zouden moeten inzetten, als het namelijk een vrouwenbeweging en geen mannenbeweging zou zijn. De vrouwen zouden als de meest deskundige, meneer de almachtige schoolmeester duidelijk moeten maken dat zijn instituut een instelling voor het overdragen van benodigde kennis is en geen moraliserende instelling. Dat zij het morele, voor zover zij dat niet uit zichzelf begrijpen, hun kinderen wel op hun eigen manier zullen bijbrengen. Hier wordt de vrouwenbeweging echter opeens terughoudend; haar ijverigste aanhangsters worden zeer gemakzuchtig en treden hier op als Rousseau, die een opvoedingsroman schreef en tegelijkertijd zijn vijf kinderen naar het weeshuis stuurde. De beste kostschool op het platteland is echter niets anders dan een weeshuis; een zeer voortreffelijke en menselijke instelling - voor arme wezen, aan wie dat vanzelfsprekend niet ten goede komt.


De jeugd heeft dan ook al uit deze angsthazerij van de vrouwenbeweging zelf haar conclusie getrokken en haar eigen jeugdbeweging opgericht. En dat is misschien nog wel het treurigste aan het geheel. Het treurigste resultaat dat Strindberg, Weininger en consorten samen met andere stromingen teweeggebracht hebben. Onder de oneindig vele bewegingen in onze tijd is de "jeugdbeweging" de ouwelijkste, een volledig verkapte religie en achterwereldschap. Haar leden, voor zover ze gelovige aanhangers zijn en niet alleen heel praktisch de bond gebruiken als gelegenheid om vriendschappen aan te knopen, vernietigen zelf op de meest doeltreffend manier hun eigen jeugd. Want de jeugd is immers de periode van het natuurlijke achterwereldschap, het enige dat monomaan en wereldomvattend en toch tegelijkertijd krachtig en moedig is. De jeugd kent alleen zichzelf, en achter elke straathoek, achter die heuvel en dat bos, ligt het leven, het echte, actieve, machtige leven, waarmee men tot dan toe nog niet zo goed vertrouwd geraakt is, maar dat morgen, binnen een maand, over een jaar, heel zeker echt begint en dan de man, al wordt daar door hemelse en helse heerscharen verzet tegen geboden, zijn deel en een zo groot mogelijk deel zal geven. Wie dat gevoel van de onbestemdste en toch bekendste verwachting, dat alleen een dichter kan uitdrukken, maar misschien ieder van ons ook in mijn armzalige woorden kan navoelen, nooit gehad heeft, is niet jong meer en vast nooit jong geweest. Met het uitroeien van dat gevoel gaan niet alleen gevoelswaarden verloren. Wie dat op zijn 18e of 20e niet gehad heeft, zal op zijn 35e waarschijnlijk niet meer dan iets middelmatigs presteren.


Die uitroeiing brengt de jeugdbeweging op zijn grondigst tot stand. Zij begrenst dat onbestemdste en verandert tegelijkertijd de rotsvaste dwaze zekerheid van twintig jaar in kwellende twijfel en verlammende uitleg. Wie dat innerlijk is toegedaan gelooft niet meer dat hij morgen of op zijn laatst overmorgen een grote, nooit eerder bestaande man zal zijn. Hij is veel bescheidener geworden, onjeugdig bescheiden. Hij gelooft niet meer in zichzelf; hij wentelt verantwoordelijkheid en hoop af. Hij gelooft in zijn generatie. Hij gelooft dat met zijn generatie de wereld pas echt begint, zoals de grijsaard gelooft dat met zijn generatie de wereld eindigt.


Dit verschijnsel is vrij algemeen en reikt tot ver buiten de beperkte kring van de jeugdbeweging. Als er tegenwoordig een nieuwe dichter opstaat, beroept hij zich bijvoorbeeld niet heel jeugdig en dwaas, maar toch heel hoopvol op zijn dichterlijke betekenis en geniale begaafdheid. Nee, hij begint met een verontschuldiging: hij is de stem van zijn generatie. Dit optreden komt voort uit angst. Een dichter kan men afwijzen. Wie wil echter de stem van een generatie afwijzen?


Maar de aanhanger van de jeugdbeweging overtreft zelfs dit optreden. Hij overtreft zelfs de bejaarde in zijn fatalisme. Hij gelooft al op zijn twintigste in de jeugd op zich; hij weet dat zijn jeugd niet lang meer zal duren, dat er anderen aanrukken; hij verplaatst de bittere ervaring van de bouwkundige Solneß (personage van Ibsen, vert.) naar de eerste jaren na zijn twintigste; om het even of hij met Spengler of Hans Blüher filosofeert, of zijn achterwereld Eros en geheime genootschappen betekent, of cultuurverval en ondergang van het Avondland.


De schuld van de oorlog? Nee. Want die leidt er hoogstens toe dat de jeugd vroeger en uitsluitender verslaafd raakt aan een beroep om den brode. De jeugdbeweging koestert echter de grootste afkeer tegen elk beroep; zij zouden allemaal alleen van hun roeping willen leven. En dat is een van de redenen, waarom zij vooralsnog volkomen en bijna zonder enige hoop faalt in beroep en roeping, maar vooral in het jong-zijn.


Bekijkt men de verkapte religies, die door middel van socialisme, geheelonthouding, pacifisme, techniek, het oplossen van de "seksuele crisis", vrouwenbeweging, onderwijshervorming, jeugdbeweging en dergelijke, een nieuwe wereld zouden willen scheppen, dan blijkt dat die nieuwe wereld kleiner is dan de oude. Meestal lijkt de vlucht in de toekomst politiek en theoretisch radicaal. Maar dat is niet zo. Het socialisme onthult heel terecht, dat het zelfstandig en absoluut geworden kapitaal de mens ontmenselijkt, en begint vervolgens, in plaats van mensen, fabrieksarbeiders te helpen. Voor de geheelonthouding komt het er geheel onweerlegbaar op neer, dat de grote steden ongezonde leefgewoonten teweegbrengen en trekt daaruit de conclusie, dat dus niet de grote steden, maar die leefgewoonten afgeschaft moeten worden. Ze komt ervoor uit, hoe radicaal ze zich ook gedraagt, dat ze niet in staat is af te rekenen met de armoede. Het is voor haar voldoende als die armoede maar onopvallend en schoon is. De pacifist bedenkt heel terecht dat oorlogen tegenwoordig niet anders dan zinloze smeerlapperij zijn, en moedigt ons dan aan, niet uit alle macht de oorlog af te schaffen, maar in godsnaam maar makke lammeren te worden. De techniek gaat prat op de weldaden die zij bewijst, en voert echter vooralsnog, door zichzelf bezeten, de mensheid nog diep onder het slavenjuk van de centrales. De aanbidders van Carreau bedenken heel juist, dat lichamelijke liefde een schone zaak is en de seksuele moraal vaak tot seksuele huichelarij leidt……en stichten op hetzelfde ogenblik een verkapte religie van de coïtus op, die zowel seksuele lust als tragiek vernietigt. De vrouwenbeweging geeft heel terecht toe, dat de vrouw een arm, overbelast en uitgebuit wezen is….en verarmt en buit haar vervolgens nog meer uit, doordat ze leugenachtig een moeizaam beroep in vooruitgang verandert. Onderwijshervorming ziet heel goed wat voor misstand het is dat verwerven van kennis en vooruitkomen afhankelijk zijn van geld….en is ook niet dapper genoeg zich van het gezegeld formulier en minstens twaalf school- en drie universiteitsjaren los te maken. De jeugdbeweging onderzoekt tot slot de schoonheid en belangrijkheid van het jong-zijn zo grondig, dat ze daarvoor naar Eugen Steinach gaat.


Moeten we daarom, zoals de heroïsche achterwereldbewoners bij ons aandringen, alles bij het oude laten? Nee. Al mag onze wil dan ook duizend maal gebonden zijn: als wij onszelf niet meer in staat achten van de aarde iets te maken, wat ons goed lijkt, wordt ons leven een zinloze kwelling. Als wij dan toch streven naar een nieuwe wereld en nieuwe mensen, zo stoutmoedig en fantastisch als wij dat altijd al willen, moeten wij daarbij op één ding letten, namelijk dat het een hele wereld met hele mensen wordt. Dat gaat alleen door te werken. Dan moeten we afstand doen van de luxe van de verkapte religies, de simpele bevrediging van het alleenzaligmakende recept, van de drang om uit monomanie elefantiasis te ontwikkelen, en misschien brengt die poging een mooie wereld dichterbij, dan door alleen maar afzien van alcohol, strijd en persoonlijke bewegingsvrijheid.


DERDE DEEL VOORSPELLERS EN VRIJBUITERS

XVII Het Onbewuste

Als we de benadering van Freuds psychoanalyse bovenaan de verkapte religies in engere zin plaatsen, volgen wij daarmee alleen de gewoonte, die in het merendeel van de meer recente boeken over het occultisme ingeburgerd is. Psychoanalyse is hier de toegangspoort.


Tegelijkertijd biedt zij ons echter de gelegenheid tot een terugblik op het merendeel van de tot nu toe behandelde verkapte religies. Met opzet zijn geen aparte voorbeelden gegeven bij rassenmystagogie, getallenmystiek, antisemitisme, de kwestie Bacon en veel soortgelijke zaken. Want daar veranderden alle beweringen en bewijsvoeringen voortdurend; door deze inconsistentie is het niet lonend de inhoud afzonderlijk te bekijken. Hier, bij de psychoanalyse, heerst in ieder geval binnen zekere grenzen een standvastigheid van bewering en bewijsvoering. Daarnaast is de theorie in grote mate wetenschappelijk erkend; mensen die verbijsterd op de vlucht slaan voor rassenmystagogie en alles wat daarmee samenhangt, zijn wel zeer gesteld op de psychoanalyse; mensen, die Weiningers monomaan zijn doorzien, zijn toch erg ingenomen met die grote ontdekker.


De meest bekende bewering van de psychoanalyse houdt in dat onze ziel in twee grote gebieden uiteenvalt: het bewuste en onbewuste (of zoals menig aanhanger van Freud met een, in wezen, vagere uitdrukking zegt: het onderbewuste). Het verband tussen die twee gebieden is dat onaangename en pijnlijke gebeurtenissen, indrukken, gedachten, gevoelens en driften vanuit het bewuste naar het onbewuste weggeduwd, "verdrongen" worden. Als die verdringing te sterk wordt, wordt het van levensbelang en wordt de mens geestelijk en psychisch ziek. Hij kan genezen worden, doordat men door middel van een bijzondere methode, namelijk de psychoanalyse, het verdrongene weer tot bewustzijn brengt, het heel helder en verstandelijk begrijpelijk maakt. Het "complex" van de zieke valt dan uiteen; hij wordt weer gezond.


Zelfs medische tegenstanders twijfelen, voor zover ik weet, niet aan de resultaten van deze therapie. En toch valt hier al een voorlopig bezwaar in te brengen, tegen de vermenging van uitingen van normale met die van zieke mensen, wat in alle populaire psychoanalytische boeken te vinden is. Het is bijna een standaarduitspraak: om dit of dat probleem op te kunnen helderen, moeten wij ons richten op de neuroseleer of de ervaringen met hysterie. In de psychoanalytische artikelen staan uitingen van gezonde mensen overal onverbiddelijk en meteen naast die van zieke mensen. Dit is niet slechts een wetenschappelijke kunstfout. Hieruit blijkt veeleer het hoofdkenmerk van de psychoanalyse, namelijk dat een therapie over zieken verruimd wordt tot een wereldbeschouwing. Met de psychoanalyse als medische wetenschap zou dit boek niets te maken kunnen hebben. Maar het is echter niet alleen een medische wetenschap, ze wil immers niet alleen ziekten genezen, maar het wezen van de mens opnieuw definiëren. Ze is, toegegeven of niet, een wereldbeschouwing, niet alleen een empirisch-wetenschappelijke bevinding en niet alleen een medische hypothese.


In zijn omvangrijke "Traumdeutung" beschrijft Freud aan de hand van een bijzonder, beperkt onderwerp, namelijk de droom, de hele methode en de resultaten daarvan. Hij rekent af met de oude opvatting: dromen zijn bedrog. "De droom is een volwaardig psychisch gebeuren; haar drijfkracht is zonder twijfel een te vervullen wens; het niet kunnen onderkennen als wens en haar vele merkwaardigheden en ongerijmdheden komen voort uit de invloed van de psychische censuur, die de dromer tijdens zijn opvoeding ervaren heeft…"


De manier waarop dromen geduid worden, beschrijft Freud als volgt: men laat de droom vertellen, legt het verhaal van de droom schriftelijk vast, vraagt vervolgens de dromer, bij elk afzonderlijk gedeelte van de droom, wat hem daarbij invalt: men geeft ruim baan aan het "vrije spel volgens een willekeurige associatiereeks" en stuit daarbij vroeg of laat op datgene wat de droom eigenlijk wilde zeggen. Dat loopt, zoals Freud zelf toegeeft, uit op een van-de-hak-op-de-tak-verhaal. Maar dat maakt niet uit, omdat de invallen van degene die de droom navertelt evenzeer "gedetermineerd" zijn als zijn droom zelf. Daarom moet men vroeg of laat op de "droomgedachte" stuiten, die de droom wilde uitdrukken.



Freud spreekt in dit verband over "ongewilde voorstellingen." Maar de vraag is of het werkelijk om ongewilde voorstellingen gaat. Ook bij een levendig over en weer gesprek in een groot gezelschap springt men van de hak op de tak en daar zijn de voorstellingen echt "ongewild." Voor de psychoanalyticus is dat amper op dezelfde manier het geval. In het psychoanalytische interview speelt in werkelijkheid geremdheid en verdringing een belangrijke rol. Wij zullen later nog aan een bepaald geval zien, hoe belangrijk dat onderscheid is.


Heel kort en kernachtig verkondigt Freud meteen in de titel van zijn derde hoofdstuk de wezenlijke uitspraak: "De droom is een wensvervulling" en staaft deze zin met eenvoudige voorbeelden, waarin wens en vervulling in de droom onverhuld tot uiting komen. Op de voortdurende twijfel van de lezers, hoe het dan komt dat zoveel andere dromen een pijnlijk en kwellend karakter hebben, geeft hij het op zijn minst vage antwoord, dat de droom de "(verhulde) vervulling van een (onderdrukte, verdrongen) wens" is. Zo komt hij tot een onderscheid tussen de "manifeste droominhoud" en de "droomgedachten," tussen de werkelijke verschijning van de droom en wat de droom ons in feite wil vertellen. Volgens Freud schuift tussen die twee een censuurinstantie in, afkomstig uit ons normale bewustzijn: die censuurinstantie staat niet toe, dat wensen en vervullingen, die wij in ons wakend bewustzijn verbieden als "immoreel" of "pijnlijk," onverhuld in de droom terechtkomen. De censuur dwingt de droom of wensvervulling te vervormen, een onsamenhangende, onduidelijke en bizarre gedaante aan te nemen.


Door deze eenvoudige tussenkomst alleen al, die nog geheel duidelijk en overzichtelijk is, verliest de eerste bewering van Freud dat "de droom een wensvervulling is" zeer aan betekenis. Dat wordt nog veel erger omdat Freud de echte elementen, waarmee hij tewerk zou willen gaan, nooit uit elkaar houdt; namelijk ten eerste: wat echt gedroomd wordt; ten tweede: wat daarvan herinnerd wordt; ten derde: wat de dromer met een gevoel van uiterste ontoereikendheid en het niet overeenstemmen met zijn werkelijke droomervaring in zijn bewustzijn brengt; ten vierde: wat onder de begrijpelijke dwang van het wakend bewustzijn tot een schriftelijke vastlegging komt; en tot slot ten vijfde: wat de duider zelf in de droom legt, wat hij duidt. Wat we echt gedroomd hebben, weten we bij het ontwaken zelden heel duidelijk; bij de poging ons dat weer te herinneren blijft er altijd een onopgeloste rest over, die bij de poging de droom te vertellen nog groter wordt en van de werkelijke, hele droomervaring steeds sterker afwijkend blijkt te worden. Proberen wij het daarnaast ook nog schriftelijk vast te leggen, al is het maar een enigszins samenhangende weergave, dan kunnen wij ons in de meeste gevallen niet onttrekken aan het gevoel, dat wat daar dan staat, iets heel anders is, dan wat wij in de droom meegemaakt hebben, dat het door een wereld van gevoel gescheiden is van de droomervaring. Daarbij komt dan, als iets geheel van buitenaf, de duiding. Freud gooit al die vijf stadia van ervaring, gevoel en denken willekeurig door elkaar en vraagt de lezer alleen een precies onderscheid te maken tussen de onmiskenbare droominhoud en droomgedachten, en tussen dromer en duider; iets wat hij zelf echter bij de verdere ontwikkeling van zijn denkbeelden niet steeds helder doet. Weliswaar geeft hij toe "dat wij de droom vervormen bij de poging die weer te geven." Maar dat geeft niets, want het verwoorden volgt daarbij niet willekeurig, maar volgens zeer bepaalde regels: het psychische is tot in de kleinste details bepaald; men kan niet eens een willekeurig getal bedenken, zonder dat dat door een onbewuste ervaring of ervaringen bepaald wordt. Maar het feit dat Freud niet de droom zelf duidt, maar wat wij achteraf daarover vertellen, dat hij met zijn werkzaamheden niet in het eerste, maar pas in het vierde stadium begint, bij iets heel anders, dan de eigenlijke droom, helpt hij met geen enkele indeling de wereld uit, en het is dus niet meer dan logisch, dat hij in een andere passage in zijn boek enigszins moedeloos verklaart, dat het eigenlijk helemaal niet van de droom afhangt.


Maar pas als we de wegen bekijken, die Freud bij het duiden inslaat, wordt helemaal duidelijk hoe het hele probleem ongemerkt verschoven is.


Alles bij elkaar geeft hij vijf manieren van duiding aan.


Ten eerste en ten tweede kan elk droomelement in een positieve of negatieve betekenis opgevat worden. Elk droomelement kan zichzelf of het tegenovergestelde beduiden. Een bijeenkomst, een feestelijk gezelschap kan een bijeenkomst en een feestelijk gezelschap betekenen; maar evengoed ook zijn eigen tegenovergestelde: de wens van uiterste geheimhouding.


Ten derde kan elk droomelement overeenkomen met een herinnering.


Ten vierde kan het een symbool zijn.


Ten vijfde kan het een woordspeling zijn.


Daarbij komen nog twee andere manieren, die Freud niet vermeldt maar wel gebruikt.


Ten zesde bestaan er namelijk dromen, die heel duidelijk een afgewezen wens weergeven en waarbij de methode om met behulp van de afzonderlijke droomelementen de droominhoud vast te stellen, een betekenis uit te halen, eenvoudigweg mislukt. Freud legt een patiënte op zekere dag uit, dat haar droom een wensvervulling is; de dag daarop komt ze met een droom, waarin ze met haar schoonmoeder een uitstapje naar het platteland maakt; terwijl ze zich in werkelijkheid met succes verzet had tegen die gezamenlijke onderneming. De droom maakt deze gewenste oplossing ongedaan en staat dus in schril contrast met Freuds leer van de wensvervulling. Hoe valt dat te verklaren? De eenvoudige conclusie die Freud daaruit trekt is dat de patiënte niet wil dat Freuds droomleer het bij het rechte eind heeft; dus droomt ze een droom, die het tegenovergestelde van een wensvervulling is, waarmee haar wens vervuld wordt, dat Freud zich vergist. Ten zesde kan dus ook een droom, die een wens afwijst (als verruiming van het tegenovergestelde verband) in zijn geheel, en dus niet volgens haar afzonderlijke droomelementen, als de vervulling van een andere wens geduid worden.


En tot slot, ten zevende, kan (in aansluiting aan de woordspeling) zelfs verzwijgen van droomervaringen, bij het verwoorden van de droom geduid worden. "Kanttekeningen bij de droom, ogenschijnlijk onschuldige opmerkingen, dienen er vaak toe om op een zeer geraffineerde manier een gedeelte van het gedroomde te verhullen, terwijl ze dat eigenlijk toch zelf verraden. Dus als een dromer bijvoorbeeld zegt: hier is de droom vervaagd, terwijl de analyse een infantiele herinnering oplevert aan het begluren van iemand, die zich na het ontlasten schoonmaakt. Of nog een ander geval, dat een uitvoerige vermelding verdient. "Een jongeman heeft een zeer duidelijke droom, die hem herinnert aan een bewust gebleven fantasie uit zijn kinderjaren. Op een avond bevindt hij zich in zomerhotel, vergist zich in het kamernummer en komt terecht in een ruimte, waarin een oudere vrouw en haar twee dochters zich net uitkleden, om naar bed te gaan. Hij vervolgt: dan zijn er een paar gaten in de droom, er ontbreekt iets, en op het laatst was er een man in de kamer, die me eruit wilde gooien, waar ik mee moest vechten. Hij doet vergeefse moeite om zich inhoud en bedoeling van die jeugdelijke fantasie te herinneren, waarop die droom duidelijk een toespeling op maakt. Eindelijk krijgt men in de gaten dat de gezochte inhoud al gegeven is door de uitspraak over de vage passage in de droom. De ‘gaten' zijn de geslachtsopeningen van de naar bed gaande vrouwen; ‘er ontbreekt iets' beschrijft het belangrijkste kenmerk van het vrouwelijk geslachtsorgaan. Hij brandt in die jonge jaren van nieuwsgierigheid naar het zien van een vrouwelijk geslachtsorgaan en was nog geneigd vast te houden aan de infantiele seksuele theorie, die de vrouw een mannelijk lid toedicht."


Hier bezwijkt voor de duiding dus ook iets dat gewoon niet bestaat, zonder dat het bij Freud opkomt, dat hij doorlopend bezig is met heel verschillende stadia van droomervaring en bewust navertellen van de droom; dat er van de droom geen sprake meer is.


Wij hebben dus vijf - nee, de associatiereeks meegerekend zelfs zes - stadia vanaf droomervaring tot droomduiding en zeven verschillende manieren van duiden. Elk van die stadia afzonderlijk bestrijkt op zich al een buitengewoon ruim gebied; al die manieren afzonderlijk zouden niet alleen een droom, maar zelfs een wereld kunnen duiden. Daarbij ondergaan die afzonderlijke manieren ook nog de ene na de andere uitbreiding. Bij het op zich al vrijwel onbegrensde gebied van de woordspelingen en woordassociaties, neemt Freud er niet eens genoegen mee, om het bij één taal te houden; willekeurig haalt hij er twee of zelfs drie talen bij. Zo komen constructies tot stand als: "Op de trap spugen (spucken); dat leidt dan, omdat ‘spoken (spuken)' een bezigheid van geesten is, bij een vrije vertaling, tot ‘esprit d'escalier.' Een mislukte grap (Treppenwitz) wil zoveel zeggen als een gebrek aan gevatheid. Dan heb ik mijzelf echt wat te verwijten. Of zou het kindermeisje te weinig ‘gevat' zijn geweest?


Ondanks alle willekeur, ondanks het erbij slepen van twee talen, ondanks het gelijkstellen van spugen met spoken, lukt het hem niet de associatie "dicht" te timmeren. Uiteindelijk moet gewoon een paardenmiddel van stal gehaald worden, om het gezochte verband te leggen met een jeugdherinnering, met het kindermeisje. Een mislukt grap is een gebrek aan gevatheid. Ook hier zijn de manieren van duiding voor Freud nog niet toereikend. Hij behoudt zich echter recht voor elk verband te leggen, dat hem goed dunkt. Dat doet denken aan het proefwerk op school, waarbij meerdere zinnen met het woord….gevormd moeten worden, waarbij alles goed is, als het desbetreffende woord er maar in voorkomt.


Maar zelfs met die verruiming is Freud nog steeds niet tevreden. Daarnaast spreekt hij zich ook uit voor de meerduidigheid van de droom. Een droom kan, afhankelijk van de duiding van haar droomelementen, een heel andere inhoud onthullen. Ook dat schuift Freud op de droom zelf. De droom gaat te werk als de man die een ketel beschadigd aan zijn eigenaar teruggegeven heeft en vervolgens beweert: ten eerste heb ik de ketel onbeschadigd teruggegeven en ten tweede zat er al een gat ik de ketel toen ik die kreeg; ten derde heb ik helemaal geen ketel gekregen - zonder zich maar enigszins te bekommeren om de onderlinge tegenstrijdigheid van de drie beweringen. Zo gaat ook de droom te werk en is daarom meerduidig. We zouden in het midden kunnen laten of de droom op die manier te werk gaat. In ieder geval verruimt de meerduidigheid die toch al zo ruime manieren van duiden.


Met zes droomstadia en zeven manieren van duiden, die allemaal op zich al vrijwel oneindig ruim zijn, en meerduidigheid, wordt men zuiver theoretisch al tot beperking gedwongen. Freud heeft zelf al zijn zeer stellige uitspraak "de droom is een wensvervulling" ingeperkt tot de veel onzekerdere, dat de droom de verhulde vervulling is van een onderdrukte, verdrongen wens, waarbij hij echter behoedzaam de onzekerheden tussen haakjes zette. Na bestudering van de stadia en nog meer van de manieren van duiden, kan men met recht die eerste uitspraak tot de kern terugvoeren. Dan luidt die niet meer: de droom is een wensvervulling; ook niet de verhulde vervulling van een onderdrukte en verdrongen wens. Die luidt dan gewoon: élke droom kan (met zes droomstadia en zeven manieren van duiding) geduid worden als de vervulling van een wens.


Daarmee is de eerste uitspraak van Freud niet verruimd en gewijzigd, maar gewoon nietig verklaard, teniet gedaan. Want nu herinneren wij ons opeens, dat precies dezelfde manieren en methoden van duiden, en precies diezelfde meerduidigheid (die daar echter om bovengenoemde redenen niet afzonderlijk vermeld zijn) in zwang waren in de rassenmystagogie, in de getallenmystiek, in het antisemitisme, bij Bacon en bij Weininger. En met precies hetzelfde resultaat. Op dezelfde manier waarop Freud, naar hij zelf toegeeft over zijn droomduiding, uiteindelijk de droom uit het oog verliest, zagen we al eerder dat de rassenmystagogen de rassen, getallenmystici de getallen, antisemieten de joden, Baconaanhangers de toneelstukken en Weininger de echte vrouw geheel uit het oog verliezen. De methode van de verkapte religies wordt door de ruime willekeur van hun pogingen tot duiden, belangrijker dan wat ze voorgeven na te streven. De achterwereld slokt de wereld op, de droomduiding de droom.


Dat wordt pas overrompelend duidelijk in de casuïstiek. Als we Freud echt willen volgen, moeten we hier alle dromen van Freud persoonlijk en van al dat soort mensen, die op de hoogte zijn met de psychoanalyse en daar waardering voor opbrengen, op voorhand uitschakelen. Want als alleen al de wens, dat de droomduiding van Freud ongelijk moet hebben, dromen kan oproepen, die deze wens vervullen, kan ook de omgekeerde wens, dat die waar moet zijn, kennelijk pas echt de geschikte te duiden droomconstructies teweegbrengen. Het zal daarom goed zijn ons te beperken tot het hoofdstuk over de typische, op grote schaal gedroomde of bekende dromen, hoewel die zelfs niet eens de gehele willekeur verklaren, die tweeggebracht wordt door vermenging van de stadia met de verschillende manieren van duiden.


De eerste en eenvoudigste daarvan is de examendroom, waarin men de hele angst van een examen nog een keer doormaakt. Die lijkt in schril contrast te staan met een wensvervulling. Freud duidt die als volgt: we dromen nooit over een niet-geslaagd examen, altijd over wel geslaagde examens. En juist dan, als wij de volgende dag een verantwoordelijke opdracht en de mogelijkheid van een afgang verwachten. De droom betekent dan: maak je toch geen zorgen voor de dag van morgen; bedenk maar hoeveel angst je destijds gehad hebt voor het examen en dat je toch niets is gebeurd; je bent gewoon geslaagd. Die duiding is buitengewoon verhelderend.


Als Freud dan echter, zij het onder voorbehoud, een andere psychoanalyticus aanhaalt, die geheel in de lijn van Freud ziet dat de examendroom inderdaad vaak optreedt en vervolgens opmerkt, "als er voor de volgende dag een seksuele test gepland is, waarbij de gevreesde afgang dus uit het optreden van een verminderde potentie zou kunnen bestaan," en voor deze theorie attendeert op de dubbelzinnigheid van het woord "matura" (rijpheid. In Oostenrijk heet het eindexamen ‘matura'), dan moeten wij hem niet alleen met Freud erop wijzen, dat de in het Duitse Rijk gebruikelijke naam Abitur "die dubbelzinnigheid niet biedt." Wij moeten hem vooral wijzen op het elementaire feit, dat hij in zijn mystagogische duidingsdrift volledig over het hoofd ziet: dat examendromen namelijk ook bij vrouwen voorkomen en verder niet elke mannelijke examendromer elke seksuele test met angst voor een afgang tegemoetziet.


Nog duidelijker wordt dit over het hoofd zien van het leven, bij de droom waarin tanden uitvallen of uitgerukt worden, die zo algemeen voorkomt dat elk droomboek die duidt als symbool van ultieme rampspoed. Voor Freud duidt die op onanie. Hij koesterde daar een dusdanig grote weerstand tegen dat hem de betekenis van die droom lange tijd ontgaan is. "Ten slotte nam het overgrote bewijsmateriaal alle twijfel weg over het feit dat niets anders dan de lusten van onanie tijdens de puberteit de drijfveer vormen voor deze dromen….Hoe het ‘uitrukken van tanden' tot die duiding kan leiden, kan echter raadselachtig lijken. Ik vestig hier de aandacht op het van beneden naar boven schuiven, dat in dienst staat van de seksuele verdringing…..het taalgebruik levert daaraan een bijdrage, doordat het ‘billen (Hinterbacken)' als homoloog van wangen ziet, het naast ‘schaamlippen' over lippen heeft, die de mondspleet omlijsten. De neus wordt in talrijke toespelingen gelijkgesteld met de penis; de beharing, zowel hier als daar, voltooit de overeenkomst. Slechts één vormsel onttrekt zich aan elke mogelijkheid tot vergelijking, de tanden, en juist dit samenvallen van overeenkomst en afwijking (??) maakt de tanden, onder druk van de seksuele verdringing, geschikt voor een bepaalde voorstelling."


Maar ook de klinkklare onmogelijkheid voor een associatie moet toch nóg een, de achtste, manier van duiden aanreiken. Niet omdat tanden iets met de onderkant te maken hebben, betekenen ze de onderkant, maar juist omdat zelfs de meest bedreven associatiedeskundige ze ondanks alle inspanningen niet in verband kan brengen met de onderkant.


Kan die dat niet? Wie dat gelooft, onderschat Freud. Want die wordt nog steeds geplaagd door de onmogelijkheid van een associatie en bedenkt meteen een woordspeling: "In onze streken bestaat een onkiese benaming voor de masturbatiedaad: rukken of aftrekken." Helaas voor Freud, maar die tandendromen worden ook in andere landen gedroomd, waar men vast geen flauw benul heeft van dit diepzinnig folkloristisch-filologisch onderzoek. Freud zou vast zeggen: ja maar daar betekenen ze zonder twijfel iets anders; hij heeft er in het begin al op gewezen dat zijn boek onvertaalbaar is. Maar dit argument redt het niet, omdat het gegeven tandendroom overal hetzelfde is. Ook hier verliest het duiden volledig het object uit het oog, wordt een monomaan doel op zichzelf, een verkapte religie.


Bijna iedereen die tegenwoordig zijn mening geeft over de psychoanalyse, beticht haar van "seksuele monomanie." Deels om "morele redenen", die hier niet inhoudelijk zijn. Freud maakt met hen korte metten, door zich op zijn wetenschappelijkheid te beroepen. Het beslissende bezwaar tegen de seksuele monomanie van de psychoanalyse gaat dan ook precies de omgekeerde, zo men wil, niet morele kant op. We zagen al bij Wedekind hoe de geslachtsdrift als wereldbeschouwing, die geslachtsdrift uiteindelijk te gronde richt en vernietigt. Freud gaat daarin nog een stap verder.


Hij duidt bijvoorbeeld de bekende vliegdromen als erectiedromen met de reden dat "het merkwaardige en de menselijke fantasie onophoudelijk bezighoudende verschijnsel van de erectie zonder twijfel de indruk moet maken van het opheffen van de zwaartekracht." Als ik de heer Freud dringend verzoek mij te geloven als ik zeg dat het verschijnsel erectie mijn fantasie eigenlijk helemaal niet onophoudelijk bezighoudt, dat ik daarnaast op deze aarde nog wel wat anders te doen heb, zal hij me vast en zeker antwoorden: ja, dat gelooft u nu wel, maar uw onbewuste weet wel beter. Maar helaas voor hem doet hij ook een beroep op mijn wakende bewustzijn, dat wil zeggen met het duiden van mijn onbewuste, met de bewering dat de erectie als opheffing van de zwaartekracht mij ook bezighoudt. Maar ook daarover kan ik hem in ieder geval verzekeren, dat, hoe sterk ik ook geïnteresseerd kan zijn in mijn erectie, die mij toch nooit en onder geen enkele voorwaarde fysiek als opheffing van de zwaartekracht interesseert. Het interessante daarvan voor mij, voor een gezond en normaal mens, bestaat er juist in, dat die geheel een eind maakt aan alle andere interesses. Ja, juist in het feit, dat die geheel een eind maakt aan alle andere interesses. Bij Wedekind eindigt het seksuele door de vernietiging van de begeerte, bij Freud - en daarin onderscheidt en versterkt zich zijn monomanie - in volstrekte stompzinnigheid en zowel innerlijke als uiterlijke onbeduidendheid. Men zou kunnen denken dat in zijn seksuele duidingen alle sterke geslachtsdriften aan het licht zouden komen, waar wij niet aan toegeven: de hele Markies de Sade tot aan lustmoordenaars toe en de hele Sacher-Masoch, die zonder twijfel in iedereen schuilen en zich niet mogen uitleven. In plaats daarvan komen er onbeduidende, nietszeggende en aanwijsbaar onjuiste zaken aan het licht, zoals dat een dromer zich bezighoudt met de erectie als opgeheven zwaartekracht en een droomster met de gedroomde zee als vruchtwater: zaken die niet groter, maar gezamenlijk veel kleiner zijn dan de bewuste, zij het ook niet graag toegegeven, werkelijkheid, dat in ons allemaal een stuk lustmoordenaar of slachtoffer verscholen zit.


Op diezelfde manier komt Freud, hoewel hij daarvoor heel wat weerstand van zichzelf moet overwinnen, daadwerkelijk tot een seksuele droomcode. Keizer en keizerin, koning en koningin evenzeer als de ouders van de dromer. - Alle langwerpige voorwerpen, stokken, boomstammen, paraplu's (vanwege het met de erectie vergelijkbare opzetten!) alle langwerpige en scherpe wapens, messen, dolken en lansen, lijken op het mannelijke lid. - Dozen, kistjes, kasten, kachels op het vrouwenlichaam; kamers op vrouwen, bevestigd door het schetsen van hun verschillende in- en uitgangen, door er op te wijzen dat dat de kamer "open" of "gesloten" kan zijn; door de zeer doorzichtige sleutelsymboliek. - Dwalen door een reeks kamers als een bordeel of harem. - Trappenlopen als geslachtsdaad, vanwege de ritmische beweging, toonladders idem. - Tafels, gedekte tafels, planken, als vrouwen, vanwege de tegenstelling, die de lichaamswelvingen opheft; tafel en bed als huwelijk, het netelige bed vervangen door de onschuldige tafel. - De vrouwenhoed als mannelijk lid; net als de stropdas, omdat die omlaag hangt. - Een landschap met brug als coïtus. - Kinderen als geslachtorganen. - Een luchtschip als penis.


Helemaal verkeerd om tegen Freud bijvoorbeeld in te brengen dat dergelijke duidingen onzinnig en er met de haren bijgesleept zijn. Verkeerd om hem bijvoorbeeld de schertsvraag te stellen wat dan de duiding van een vlinderdas of het niet-starre luchtschip is. Freud heeft helemaal gelijk als hij vrijwel elk voorwerp herleidt tot iets dat de te vermijden seksuele uiting vervangt. Wie dat wil toetsen, moet maar eens in een café-chantant luisteren naar een dozijn coupletten. Het onderscheid en de onschuld van zelfs het schuinste café-chantant vergeleken met Freud, ligt maar aan een enkele factor. Als ik op zondagavond de zangeres hoor zingen over de prachtige kleine hamer, klopgeest of het opwinden van de klok, weet ik wat die dingen betekenen. Waarom? Omdat ik het, gezien plaats en persoon, niet anders kan verwachten: de bekoring van die plek en die persoon (het ligt eraan wie) berust niet op het seksuele op zich, maar op het feit dat ik dat eruit haal, het duid. Dat verhindert mij niet op maandagochtend van duider weer normaal mens te worden en klok en hamer weer te zien zoals ze zijn. Freud heeft geen maandagochtend. Hij is ervan bezeten dat hij, voor zover hij psychoanalyticus is, achter elk ding steeds iets anders moet zien.


Als men zich nu herinnert dat alles wat hier aangehaald is slechts een deel van de code vormt, dat dit deel slechts tot één - de symbolische - van de zeven manieren van duiden behoort, dan zal men het in ieder geval onvoorwaardelijk met Freud eens moeten zijn, dat "geen enkel aanknopingspunt…..te onzeker, geen grap te verwerpelijk" is, zelfs als men het fraaie voorbeeld van woordassociatie niet kent, dat in een droom over een reis naar Italië eenvoudigweg "Italië voor genitaliën" staat; zij het dat aanknopingspunt en grap van de duider zelf afkomstig zijn; zij het dat hij opnieuw droomelementen, herinnering, een stamelend navertellen, het bewust schriftelijk vastleggen, associaties en duiding niet uit elkaar houdt.


Wat is eigenlijk volgens Freud het resultaat van de droomduiding? "Het is echt niet eenvoudig een voorstelling te maken van de rijkdom aan onbewuste, naar uiting worstelende gedachtengangen in ons denken en te geloven in vindingrijkheid van dromen, door met meerduidige manieren van uitdrukken steeds als het ware zeven vliegen in één klap te slaan, zoals de kleermakersknecht in het sprookje. De lezer zal steeds geneigd zijn de schrijver ervan te betichten dat hij zijn verstand overbodig verdoet; iemand die zelf ervaring heeft opgedaan, zal zichzelf wel uit de droom helpen."


Dat is in een ingehouden vorm en op een verwant gebied, precies dezelfde opvatting, die wij de handlezeres, mevrouw Naval, hoorden uitspreken op het eind van haar boek: namelijk dat de "regels" instinctief (Bleuler, Freuds medestrijder, gebruikt de uitdrukking "met flair"), door ervaring aangevuld en tot een geheel gemaakt moeten worden. Met dat verschil dat Freud, veel onduidelijker dan zijn collega, de droom toedicht, wat hij eerst bij het duiden zelf teweegbrengt: zeven vliegen in één klap slaan.


Wij zijn, op de keper beschouwd, met deze bekentenis van Freud, precies even ver als we in het begin waren. Mensen hebben altijd al vermoed, dat het met dat "dromen zijn bedrog" niet helemaal klopte, dat de droom op een of andere manier dieper in ons bestaan verankerd moest liggen. Freud zelf voert daarvoor vele voorbeelden aan uit de literatuur; hij voert zelfs een rechtstreekse voorganger aan, het verhaal "Fantasie van een realist" van Popper-Lynkeus. Net als Freud beweert ook Lynkeus, dat de droom altijd een zin heeft, dat die met enige oplettendheid van de dromer zelf ook steeds geduid kan worden; dat de droom een zinvol gebeuren is, omdat het immers steeds dezelfde persoon is, wakend of dromend. Waarom het duiden dan desondanks meestal niet lukt? "Er schijnt bij jullie," antwoordt Popper-Lynkeus net als Freud, "iets verborgens in de droom te liggen, iets onkuis,' van een eigen en verhevener soort, een zekere geheimzinnigheid in jullie wezen, die niet eenvoudig te bedenken is…"


Wij geloven Popper-Lynkeus zonder meer. Hoe komt het dat wij slechts in details geloof hechten aan Freud? Dat komt omdat Popper-Lynkeus het vermoeden, dat hier verantwoordelijk voor is, in haar rechten laat, terwijl Freud dat verkracht en alleen tot verdedigbare gevolgtrekkingen komt, waarbij hij zijn eigen theorie, al zijn toespelingen en zijn hele scherpzinnigheid verliest, zoals in de algemene en rake verklaring van de examendroom, die hij echter meteen daarna door een rationele, te ver gaande duiding, zelf weer teniet doet.


Hem rest natuurlijk een hoe dan ook slechts verhoudingsgewijs beschroomd aangeduide uitweg. Als de droomduiding zichzelf door haar rationalisme vernietigt, hoe komt het dan dat haar toepassing bij het genezen van bepaalde aandoeningen zonder twijfel resultaat heeft? Wij zullen ons aan het eind van dit hoofdstuk nog bezighouden met het toevlucht zoeken bij de therapie, voor zover dat voor een niet-medicus mogelijk is; op dit moment willen wij ons richten op een kant van de psychoanalyse, die met ziekten en halfduistere toestanden niets te maken heeft en die bijvoorbeeld in Freuds "Psychopathologie van het dagelijkse leven" geformuleerd is.


Alles wat aan Freud geniaal is, heeft aan dit boek meegeschreven. Zijn opzet is te bewijzen dat de onbeduidende, ogenschijnlijk toevallige handelingen van het wakend bewustzijn, zoals vergeten, verspreken, verkeerd lezen, verschrijven en misgrijpen, in werkelijkheid helemaal niet zo toevallig zijn, maar dieper verbonden zijn met ons wezen, dan wij vermoedden. Freud is bijna te bescheiden, als hij het "banale" van zijn werk goedpraat.


De bedoeling van het boek is alleen maar "het alledaagse te verzamelen en wetenschappelijk te benutten." "Ik zie niet in," schrijft Freud met een aangename bescheidenheid, die hem helaas verder vreemd blijft, "waarom wijsheid, die de neerslag vormt van de gewone levenservaring, niet opgenomen zou moeten worden in de verworvenheden van de wetenschap."


Iedereen die slechts middelmatig begaafd is, kan een interessant en prikkelend boek schrijven met enige juiste en zelfs diepzinnige inzichten, als hij daarvoor gebruik maakt van de hele wereldgeschiedenis; maar als iemand uit de meest alledaagse en bekende, meest veronachtzaamde gebeurtenissen van een werkdag, inzichten en interessante zaken weet te halen, zullen wij hem nauwelijks waardering en zelfs genegenheid kunnen onthouden.


Met dat verschil dat Freud, die in dit boek hier en daar buitengewoon boeiend is, ook hier gevangen blijft in zijn verkapte religie. Hij wil tegelijkertijd te veel en te weinig. Te weinig om dat hij heel terecht zegt dat de kleine alledaagse dingen zonder twijfel ergens verankerd liggen in onze natuur, dat ze niet toevallig zijn. Maar hij vergeet dat ze nooit een reden, nee, dat ze duizend redenen hebben. En dat de duiding, die hij geeft, weer achteraf is. Het is helemaal juist dat als een soldaat zijn uniformknopen glimmend "vergeet" te poetsen, hij daarmee onder andere zonder twijfel uiting geeft aan zijn "verachting voor het vreselijke drillen;" dat vergeten is niet "toevallig." Maar Freud vergeet, en dit keer serieus, dat daarin nog duizend en een andere dingen tot uitdrukking zouden kunnen komen, zoals een afspraakje of een te lang uitgelopen avond in de kroeg. Minder juist wordt het al, als hij gevallen waarin iets gebroken wordt, zoals bijvoorbeeld een of ander kostbaar en schijnbaar zeer belangrijk voorwerp, terugvoert op een of andere slechts halfbewuste neiging, zodat met het kapotmaken van het voorwerp de afkeer of wens tot uiting komt, om dat door een nieuw voorwerp te vervangen. Hier kan het verband zijn, dat men achteraf bij wijze van troost tegen zichzelf zegt: welnu, het was per slot van rekening niet erg voor dat oude ding; het is maar goed dat er nu iets beters en geschikters komt. Hier valt nooit met zekerheid te beslissen, welke van de duizend redenen de doorslaggevende was. Ook de soldaat, die uitsluitend ter wille van zijn afspraakje of avond in de kroeg zijn knopen vergeet te poetsen, vervloekt zonder twijfel het "vreselijke drillen" - achteraf, als hij in de bak zit, bij wijze van troost.


Aan de andere kant wil Freud teveel. Hij wil de zaak - hoe zegt men dat? - volkomen ophelderen. "Een jonge vrouw breekt bij een ongeval de botten van de ene voet, zodat ze wekenlang bedlegerig is, maar valt daarbij op door het gebrek aan pijnklachten en de kalmte, waarmee ze haar ongemak draagt….De jonge vrouw bevond zich samen met haar zeer eerzuchtige echtgenoot op het landgoed van haar getrouwde zuster, in gezelschap van haar talrijke andere broers en zusters en hun mannen en vrouwen. Op zekere dag gaf ze in deze intieme kring een opvoering van een van haar kunsten: ze danste volgens de regels der kunst de cancan, onder grote bijval van haar familieleden, maar tot geringe voldoening van haar man, die haar achteraf toesiste: je hebt je weer gedragen als een snol. Dat kwam hard aan; we zullen in het midden laten of dat alleen maar door haar dansopvoering kwam. Ze sliep die nacht onrustig; de volgende morgen wilde ze een rijtoer maken. Maar ze koos zelf de paarden uit, weigerde het ene stel en wilde een ander. De jongste zuster wilde haar zuigeling met het kindermeisje met haar mee laten rijden; daar verzette zij zich hevig tegen. Onderweg bleek ze zenuwachtig, waarschuwde de koetsier dat de paarden schichtig werden en toen de onrustige dieren daadwerkelijk een ogenblik problemen veroorzaakten, sprong ze uit angst uit de wagen en brak haar voet, terwijl de andere inzittenden er ongedeerd vanaf kwamen." Freud beschouwt dit "toeval" en "ongeval" als een zelfbestraffing, zelfbeschadiging, een manifestatie. Zelfs als we de vraag openlaten of niet het gevoel, terecht gestraft te zijn, er niet pas achteraf door de vrouw ingelegd werd en tot een zenuwziekte leidde, moeten we Freud toch bedanken voor het feit dat hij ons opmerkzaam heeft gemaakt voor een kant van de zaak, die wij anders meestal over het hoofd zien.


Als hij dan echter "niet na wil laten, de bekwaamheid te bewonderen, waardoor het toeval genoodzaakt werd de straf zo passend bij de schuld uit te kiezen; want nu was voor haar het dansen van de cancan langdurig onmogelijk gemaakt," dan zien we opeens in plaats van een psycholoog en mensendoorgronder de triomfantelijke duider, die alles nivelleert, voor wie zelfs het laatste puntje op de i even duidelijk is als gesteriliseerd water. Het bezwaar tegen de duiding is niet, zoals de meeste tegenstanders van Freud lijken te geloven, dat het onzin en waanzin is. Integendeel: net als alle verkapte religies en achterwereldbewoners is Freud te intelligent; een te scherpzinnig, geheel ongeremd brein, dat lichaam en wereld restloos wegwerkt en dat men verder alleen aantreft bij bepaalde vormen van monomane krankzinnigheid.


Maar Freud levert ook voorbeelden, waarin het triomfantelijke, losgegooide rationalisme niet zo eenvoudig te doorzien is. Tenminste één, het meest verbluffendste van allemaal, zal hier meteen als staaltje van de hele methode weeggegeven worden. Freud vertelt: "Afgelopen zomer maakte ik opnieuw…..kennis met een jongeman met een academische opleiding, die, zoals ik spoedig merkte, op de hoogte was van een van mijn psychologische publicaties. Wij waren in het gesprek…..aanbeland bij de maatschappelijke toestand van de volksstam, waar wij beiden deel van uitmaken en hij…..weidde uit over zijn spijt dat zijn generatie….haar talenten niet kon ontwikkelen. Hij besloot zijn hartstochtelijke pleidooi met het bekende vers van Vergilius, waarin de ongelukkige Dido haar wraakneming op Aeneas overdraagt op het nageslacht: Exoriare ... hij wilde daar eigenlijk het gesprek mee besluiten; maar het lukt hem niet het citaat uit te spreken en probeerde blijkbaar een hiaat in zijn geheugen te maskeren door de zin aan te passen: Exoriar(e) ex nostris ossibus ultor! (laat er een wreker uit onze beenderen voortkomen). Tenslotte zei hij geërgerd: "Alstublieft, u moet niet zo'n spottend gezicht trekken, het lijkt wel alsof u zich aan mijn verlegenheid wilt verlustigen, help me liever. Er ontbreekt iets aan het vers. Hoe luidt het eigenlijk helemaal?"


Graag, antwoordde ik en citeerde hoe het echt luidt:"Exoriar(e) aliquis nostris ex ossibus ultor!"


"Wat dom een dergelijk woord te vergeten. Overigens valt bij u te beluisteren dat men niets zonder reden vergeet. Ik ben eigenlijk heel nieuwsgierig naar, van u te horen hoe ik aan dat vergeten van dat onbepaalde voornaamwoord aliquis kom."


Ik nam die uitdaging uiterst bereidwillig aan, omdat ik hoopt op een bijdrage aan mijn verzameling. Ik zei dus: Dat kunnen we wel meteen doen. Ik moet u alleen vragen mij alles oprecht en onbevangen te vertellen, wat u invalt, als u zonder bepaalde bedoelingen uw aandacht op het vergeten woord richt.


"Goed, dan valt mij dus de belachelijke gedachte in, het woord op als volgt te splitsen: a en liquis."


Wat betekent dat? - "Weet ik niet." - Wat komt daarbij verder in u op? - Dat gaat dan als volgt verder: relikwieën, liquidatie - vloeistof - fluïdum. Weet u nu al wat?"


Nee, nog lang niet. Maar gaat u verder.


"Ik denk", vervolgde hij met een smalende lach, "aan Simon van Trente, van wie ik twee jaar geleden in een kerk in Trente de relikwieën heb gezien. Ik denk aan de bloedbeschuldiging, die om het moment weer tegen de joden ingebracht wordt en aan het artikel van Kleinpaul die in al die offers incarnaties, bij wijze van spreken, heruitgaven van de Verlosser ziet."


Die inval staat niet geheel los van het onderwerp, waarover wij ons gesprek hadden, voordat u het Latijnse woord ontviel.


"Juist. Verder denk ik aan een krantenartikel in een Italiaanse krant, dat ik onlangs gelezen heb. Ik geloof dat er boven stond wat Augustinus over vrouwen zegt. Kunt u daar wat mee?


Ik wacht.


"Dan komt er nu iets, dat heel zeker geen verband houdt met ons onderwerp."


Onthoudt u zich alstublieft van elke kritiek en –


"Ik weet het al weer. Ik herinner me een prachtige oude heer, die ik vorige week op reis tegenkwam. Een echte zonderling. Hij ziet eruit als een grote roofvogel. Als het wil weten, hij heette Benedikt."


Toch op zijn minst een aaneenrijgen van heiligen en kerkvaders….


"Nu valt mij de heilige Januarius in en zijn bloedwonder - ik heb het idee dat het automatisch zo verdergaat."


Wilt u dat niet doen; de heilige Januarius en Augustinus hebben allebei te maken met de kalender. Wilt u mij niet herinneren aan het bloedwonder?"


"Dat zult u vast wel weten. In een kerk in Napels wordt in een flesje het bloed van de heilige Januarius bewaard, dat op een bepaalde feestdag door een wonder weer vloeibaar wordt. Het volk is zeer gesteld op dit wonder en wordt heel opgewonden als het niet doorgaat, zoals dat een keer gebeurd is tijdens een bezetting door de Fransen. Toen nam de bevelvoerende generaal - of vergis ik me? Was het Garibaldi? - de geestelijken apart en beduidde hen, met een onmiskenbaar gebaar naar de buiten opgestelde soldaten, dat hij hoopte dat het wonder zich binnen zeer korte tijd zou voltrekken, anders…."


Goed, en verder? Waarom gaat u niet verder?


"Maar nu is me iets ingevallen….Dat is echter te vertrouwelijk om te vertellen….Ik zie overigens geen verband en geen noodzaak om het te vertellen."


Voor het verband zal ik wel zorgen. Ik kan u niet dwingen iets te vertellen, dat onaangenaam voor u is; dan moet u ook niet van mij verlangen van mij te horen, op welke manier u dat woord "aliquis" vergeten hebt.


"Werkelijk? Gelooft u dat? Ik dacht opeens aan een dame, van wie ik wel eens een bericht zou kunnen krijgen, dat voor ons beiden heel onaangenaam zou kunnen zijn."


Dat de maandstonde uitgebleven is? vraagt Freud, en de reisgenoot bevestigt verbaasd de juistheid van het vermoeden. Freud geeft de associatieketen weer, kalenderheilige, bloed dat op zekere dag vloeibaar wordt, oproer als dat niet optreedt, de dreiging dat het wonder plaats moet vinden, omdat anders…." En tot slot nog de als kind geofferde heilige Simon.


Dat leest als een boek van Sherlock Holmes. Uit een reeks van aanvankelijk ogenschijnlijk geheel zinloze en onsamenhangend aanwijzingen, komt opeens een conclusie naar voren, waarvan de "misdadiger" moet toegeven dat het juist is en hij ervan overtuigd is. Is dat niet het best denkbare bewijs en net zo exact als een Sherlock-Holmes-bewijs voor het ontrafelen van de zinloze associaties, met dien verstande dat dit verhaal aan het echte leven ontspringt?


Maar hoe is de situatie eigenlijk? Freud komt op reis een jonge, hem onbekende man tegen, die wat van zijn geschriften afweet. Hij werkt mee met een onderzoek met Freud. Op hetzelfde ogenblik ontstaat er echter ook een "complex" in hem, waaraan hij in zijn onbevangenheid misschien helemaal niet gedacht heeft: of Freud er misschien wel uit zou kunnen krijgen, dat ik mij op dit moment ergens zorgen over maak, dat heel dicht bij zijn seksuele theorie komt? Het is helemaal juist dat geen enkele van zijn associaties toevallig is; ze zijn allemaal bepaald door het half heimelijk en half open willen zijn tegenover de psychoanalyticus. Twijfelachtig blijft alleen of het vergeten van het woord aliquis daardoor al vaststond en of aan dat vergeten dezelfde associatie verbonden was, als de ondervrager niet de bekende seksuoloog Freud was geweest, maar zomaar een of andere meneer Schmidt, bijvoorbeeld tijdens een op associaties toegespitst gezelschapsspel.


Dat zijn tot nu toe allemaal afzonderlijke bezwaren, die weliswaar aantonen, hoe dicht de methode van de psychoanalyse bij andere verkapte religies ligt, maar nog niet het recht geven dat zelf een verkapte religie te noemen. Tot nu toe hebben wij echter alleen of overwegend de monomanie van de psychoanalyse gezien - een monomanie, die vooralsnog niet te onderscheiden valt van elke nieuwe wetenschappelijke theorie en pas geleidelijk tot een specialisme kan afzwakken.


Maar de psychoanalyse is echter meer. Ze is tegelijkertijd elefantiasis. Ze neemt ons voor zich in door dat ze zich, in tegenstelling tot de "exacte natuurwetenschap," opnieuw richt op alle diepzinnige uitingen van de ziel, vooral de kunst, religie, sage, sprookje en mythe en belooft dat zij tegenover de krachten van het bewustzijn de intuïtie weer in ere wil herstellen. Zij ontkracht in één adem al die zaken weer, doordat zij ze niet alleen probeert te rationaliseren maar ook te monomaniseren. Als tot nu toe ook maar één werk van een grote dichter, één sage of één mythe ontsnapt is aan de psychoanalytische duiding, dan ligt dat alleen maar aan de korte tijdspanne en zal dat alsnog achterhaald worden.


Het zou buitengewoon boeiend zijn om een van de psychoanalytische onderzoeken die ondernomen zijn, bijvoorbeeld over het sprookje, het incestmotief in dichtkunst en sage, de mythe van de geboorte van de held, Lenau's liefdesleven, een jeugdherinnering van Leonardi da Vinci, de vroomheid van Zinsendorf, de vliegende Hollander, Segantini, de vadermoord, de Lohengrinsage, het middeleeuwse bijgeloof, de psychologie van de mystiek, Hebbel, Flaubert, de grap, oerwoorden, Egmont en tientallen andere onderwerpen, afzonderlijk te analyseren. (Echt te analyseren, uiteen te rafelen, in zijn organische bestanddelen te ontleden; want wat Freud en zijn school "analyse" noemen is immers slechts een heel willekeurig in-stukken-scheuren, waaraan geen innerlijke wetten grondslag liggen. Bij Freud is niet de analyse van belang, maar juist het tegenovergestelde daarvan, het grenzeloze associëren.) Wij moeten echter die verleiding weerstaan, omdat met de zeer veel ruimte vragende analyse een dergelijk boek helemaal niet geschreven zou zijn, omdat enerzijds de psychoanalytische elefantiasis steeds weer nieuwe boeken oplevert, terwijl anderzijds een deel, zelfs veel van dit huiswerk, door de meester zelf niet gedekt wordt. Wij moeten ons daarom hier beperken tot de korte aanwijzingen die Freud zelf aanreikt, in "Traumdeutung" en "Alltagsleben," over Oedipus, Hamlet en Shaws Cesar en Cleopatra". Freud duidt het Oedipusdrama als de wens naar incest met de moeder, die hier vervuld wordt en tragisch eindigt.


Maar dat niet alleen. Hij voert de tragische afloop juist terug op de omstandigheid dat deze wens algemeen menselijk moet zijn en door elke zoon bij elke moeder gekoesterd wordt (zij het onbewust). Andere noodlotsdrama's zoals dat van de oermoeder, zouden ons volledig koud laten. Oedipus is voor de huidige mens nog steeds even aangrijpend als voor de toenmalige Grieken; het effect berust hier niet op de tegenstelling tussen het lot en de wil van de mens, maar op de bijzonderheid van het onderwerp. Het orakel heeft over ons allemaal vóór onze geboorte dezelfde vloek uitgesproken, als bij Oedipus; en het is ons wellicht allemaal beschoren geweest, het eerste seksuele gevoel op moeder te richten en de eerste haatgevoelens en gewelddadige wens op de vader. Koning Oedipus, die zijn vader Laios gedood en zijn moeder Jocaste gehuwd heeft, is slechts de wensvervulling van onze kindertijd. Op deze bewering van Freud kan ik alleen maar zeggen, dat het drama mij noch bij het lezen, noch bij de opvoering bijzonder aangegrepen heeft. Juist het motief, dat Freud als algemeen menselijk bestempeld wil zien, bleef mij vreemd en vond ik storend; ik kon mij niet verplaatsen in Oedipus en vond zijn onverdiende lot weliswaar treurig, maar niet tragisch, terwijl ik wel gegrepen werd door iets anders, bijkomstigs, dat dichterlijk groots was. Natuurlijk is het voor Freud eenvoudig daartegen in te brengen dat bij mij het moedercomplex en de verdringing daarvan kennelijk bijzonder sterk zijn, of dat ik niet de waarheid spreek.


Het werkt meteen heel anders, als Freud vanuit datzelfde complex de Hamlet duidt.


De Hamlet grijpt mij ook aan. Waardoor? Juist datgene waarop Freud het effect terugvoert, de verhouding tot de moeder, zie ik helemaal niet, en als ik dat wel zou kunnen, zou het me waarschijnlijk koud laten. Wat maakt het mij uit, iemand uit de eerste helft van de 20e eeuw, het feit uit dat een koning omgebracht is, de moordenaar zijn vrouw getrouwd heeft en de zoon geen wraak kan nemen? De ware toedracht van het geen wraak kunnen nemen, laat me volledig koud, zegt me niets. Maar zonder twijfel wel deze mens, die weifelend, vol diepzinnige gewetensbezwaren en toch vervuld van een tere en woeste schoonheid, voor zijn daad staat. Zijn bestaan, niet zijn drijfveren, spreken me aan. Dat ik de Hamlet kan duiden bepaalt niet de uitwerking; waar ik dat kan duiden, is dat voor mij bij Hecuba; maar wat ik niet kan duiden, wat er gewoonweg is, laat mij niet los. Of sterker gezegd: mijn Hamlet is groter en wijdser dan Freuds Hamlet, die alleen maar een moedercomplex verdrongen heeft. Mijn Hamlet, Shakespeare's Hamlet, behelst ook de man, die de geest van zijn vader toespreekt met "goed zo, ouwe mol" en "voortreffelijke mineerkever", die zijn vrienden laat zweren, grappen maakt met Polonius en hovelingen voor de gek houdt, de toneelspelers onderricht geeft, merkwaardig met Ophelia minnekoost en Polonius doodsteekt en graven en gebeenten verstoort. Ik ben ervan overtuigd dat Freud ook dat uit het moedercomplex zou kunnen verklaren (deels doet hij dat ook). Maar dan wordt hij toch nog steeds tegengehouden door het feit dat Polonius en Ophelia, Laërtes en Rosenkrantz, Fortinbras en Güldenstern in het stuk niet alleen maar als spiegel, tegenspreker en instrument voor Hamlet optreden; dat ze in het dichtwerk van Shakespeare echt leven. Voorzichtigheidshalve merkt Freud echter zelf op, dat elk echt dichterlijk voortbrengsel voorgekomen is uit een motief en prikkel. Wat heel juist is. Als hij dan verder zegt: "en meer dan één duiding toelaten," dan moeten wij hem antwoorden, wat we al ter gelegenheid van de Faust-exegese zeiden: namelijk dat kunst geen duiding behoeft, maar dat elke duiding daaraan eerder afbraak doet - en wel om de eenvoudige reden, dat ze zelf al duiding is. Als iemand het stuk mensen en wereld, dat Shakespeare in de Hamlet verpakt, beter had kunnen "duiden," dan Hamlet dat doet, zou Shakespeare vast de volgende geweest zijn. Kunst - dat ziet Freud over het hoofd, zoals alle Faust-exegeten dat ook doen - "duidt" niet ergens op, het ís iets. Haar superioriteit ten op zichte van andere uitingen van de menselijke geest, berust juist op het feit dat er niets áchter, maar ín zit. Tot nu toe hebben we in het midden gelaten of het duiden van de psychoanalyse al dan niet juist is, en ons beperkt tot bewijzen dat ze de kunst onrecht aandoet. Maar bij nader inzien blijkt meteen dat ze ook feitelijk onjuist is en zich overal afschermt voor het wezenlijke. Hier slechts een detail. Als Freud in "Alltagsleben" erop wil wijzen, dat iets vergeten niet toevallig is, maar op geringschatting voor het vergeten object berust, haalt hij uit de literatuur ook Shaws "Cesar en Cleopatra" aan. In het laatste bedrijf van het stuk "pijnigt de uit Egypte vertrekkende Cesar zich enige tijd met het idee, dat hij nog iets van plan was geweest, wat hij nu vergeten is. Eindelijk blijkt wat Cesar vergeten is: afscheid nemen van Cleopatra! Door deze kleine aanduiding moet aanschouwelijk gemaakt worden - overigens geheel in tegenstelling tot de historische waarheid -, hoe weinig Cesar om de kleine Egyptische prinses gegeven heeft." (Freud geeft dat volgens Ernest Jones wel aan, maar zonder enige kanttekening.)


Hier kan men duidelijk aantonen dat deze duiding van Freud niet alleen te beperkt, maar ook nog bijzonder onjuist is. Want de werkelijke situatie van het stuk is de volgende: de ouder wordende Cesar ontmoet de jonge, bekoorlijke Cleopatra en in de wereldveroveraar ontwaken dan verlate driften. Als zij hem met "oude heer" aanspreekt en het over zijn kale hoofd heeft, voelt hij zich gekwetst. De oudere man probeert te ontkomen aan het halfslachtige gevoel, dat hem naar Cleopatra toe trekt en hem tegelijkertijd van haar afhoudt. Dat lukt niet helemaal. In een prachtige scene, een van de diepzinnigste die Shaw ooit geschreven heeft, spreekt hij met haar over het afstand doen van de wereldheerschappij, over een reis naar het onbekende land bij de bronnen van de Nijl…..ten slotte komt hij daar toch overheen; zijn opdracht, nee, zijn demon sleurt hem daarvan weg. En op die plaats staat nu als afsluiting de door Freud "geduide" en daardoor volstrekt onjuist opgevatte scene. Cesar is Cleopatra niet vergeten; hij zou haar ook wel gewoon willen vergeten, nee, hij zou zichzelf willen bewijzen, dat hij daar overheen is. Niet "hoe weinig Cesar om de kleine Egyptische prinses gegeven heeft, moet door deze kleien aanduiding veraanschouwelijkt worden," maar het tegenovergestelde: hoezeer hij eigenlijk zou willen dat hij weinig om haar gegeven heeft. Voor een literatuurcriticus zou het missen van het delicate van de scene niet al teveel hoeven te betekenen; een psychoanalyticus, die de diepste beweegredenen van de ziel zou moeten onthullen, valt het enigszins aan te rekenen, dat hij op die manier de diepste drijfveren in de ziel van de ouder wordende wereldheerser over het hoofd ziet. Moraal: het is al erg genoeg, als iemand met een rigide wetboek de kunst benadert. Wie echter met een rigide psychologisch wetboek de dichtkunst benadert, zal daaruit nog veel minder halen.


Cleopatra af, Cesar op. Toegegeven dat de psychoanalyse kunstwerken of onterecht verengt, of zelfs voor vals en oppervlakkig uitmaakt; dat de hele theorie vol onmogelijkheden en tegenstrijdigheden zit. Hoe komt het dan dat daarmee, wat zelfs de felste medische tegenstanders niet durven aan te vechten, zieken gezond gemaakt kunnen worden? Ik ben geen arts en weet dat ik me bij het bespreken van de therapie op glad ijs begeef. Maar als artsen (helemaal niet alleen psychoanalytici) tegenwoordig uit gewoonte beginnen met het uitoefenen van kunstkritiek, mag het ten slotte ook een dichtkunstcricitus vergund zijn, ook een keer het medische domein te betreden. De arts zou daartegen kunnen inbrengen dat kunst een algemeen menselijk terrein is en dat iedereen daar mee zou moeten kunnen praten, die daar een indruk van gekregen heeft. Wij betwisten echter dat de psychoanalyticus daarvan een indruk heeft gekregen en verwijten hem bovendien dat hij zijn geneeskunde niet binnen de grenzen van zijn vakgebied heeft gehouden. Maar hoe het ook zij: groter dan de afgang van de artsen in de literatuurkritiek kan de afgang van een literatuurcriticus in de geneeskunde ook niet worden. Want de literatuurcriticus is altijd nog ook psycholoog, terwijl de psychoanalyticus slechts psycholoog, nee (als hij zich tot zijn eigen terrein beperkt) slechts psychopatholoog is. Sommige tegenstanders voeren de heilzame werking van de psychoanalyse terug op suggestie. Dat is alleen maar juist als men het begrip suggestie geheel ongepast verruimt. Dat wil zeggen: het is te beperkt.


Ten eerste beschikt de psychoanalyse over een, niet ondanks, maar juist dankzij de onsamenhangendheid van haar associaties, voortreffelijke methode om het innerlijk van de patiënt te ontsluiten. In plaats van de kwellende ondervraging van de "praktische" arts, waarbij de patiënt uit een overdreven angstigheid en bepaalde autosuggestie wellicht onjuiste informatie verstrekt, omdat hij probeert dat veel te nauwkeurige te doen, zien we bij de psychoanalytische arts het ogenschijnlijke ongedwongen gesprek, waarvan de strekking echter door de persoon van de psychoanalyticus bepaald wordt en, omdat het helemaal niet anders kan, naast veel onbelangrijks ook belangrijks aan het licht brengt, ja, zelfs datgene aan het licht brengt wat een doelgericht uitvragen van een arts wellicht moeizaam of helemaal niet opgeleverd zou hebben. Aan deze nauwkeurige kennis van de mens, moet de psychoanalyticus bij zijn behandeling tegemoetkomen. Over hoe belangrijk deze kennis van de hele mens is, van al zijn, ook meest vertrouwde levensomstandigheden, zou de verdwijnende generatie van de oude huis- en gezinsartsen ons nog heel wat kunnen leren. Jongere artsen kunnen dan wel in medische kennis en vastberadenheid ver voorlopen op de oude huisarts, maar hij zal in menig geval toch gemakkelijker een goed resultaat behalen, omdat hij de patiënt niet alleen als arts, maar ook als mens kent. Deze door tijd, ervaring en vertrouwdheid verworven eigenschap van de oude huisarts heeft de psychoanalyse een methode opgeleverd, die misschien aanvankelijk blindelings, maar wel veel dieper graaft.


Maar de zaak heeft nog een andere kant. Wat ons, leken, het eerst en meest opvalt aan zenuwziekten, neurosen, zoals Freud dat noemt, is hun voor onze begrippen, onzinnige karakter. Wij zouden bijvoorbeeld een neuroticus, die in de angst leeft, dat hij, als hij de straat opgaat de eerste de beste voorbijganger zal vermoorden, of een neurotica, die bang is dat ze op het volgende plein aangerand wordt; wij, leken, zouden dergelijke mensen ernstig toespreken en hen vertellen dat dat domme gedachten zijn, die zij zich met enige wilsinspanning best uit het hoofd zouden kunnen zetten. Wij zouden tegen hen zeggen: beheers je, durf de straat op, het is niet zo erg, het is slechts "inbeelding." Wij hebben daarmee helemaal gelijk. Maar het gevolg van onze therapie is, dat het met de zieke steeds slechter gaat. Hoe meer hij zich probeert te beheersen, hoe erger zijn angst wordt.


De psychoanalyse neemt precies de omgekeerde weg. Het eerste wat ze doet is dat ze de ziekte beaamt. In plaats van onhandige pogingen te doen om de patiënt gerust te stellen, zegt ze hem: u bent ziek. In plaats van geringschattend of meewarig over "inbeelding" te spreken, zegt ze hem: uw inbeelding is heel terecht. Ze stelt de zieke daadwerkelijk gerust, doordat ze met hem instemt. (Ik ga niet in op de omstandigheid dat heel wat particuliere patiënten slechts aan de typische schrijversziekte lijden: het overwoekerende bezig zijn met het eigen ik, aan het "complex" van niet werken en daarom steeds opnieuw aan het aangeboorde Ik lijden; dat het welgestelde, nietsdoende mensen, meestal vrouwen zijn, die zich bij gebrek aan andere remmingen en weerstanden die dat zelf in hun eigen Ik teweegbrengen, omdat het voor hen zelf en anderen prikkels geeft. Heel wat van Freuds analyses leveren intussen heel duidelijk dit beeld van de patiënt, of nog vaker, patiënte.


Bevestigt de psychoanalyse de ziekte dan alleen maar? Nee, ze doet meer. Ze bepaalt die. Ze zegt tegen de zieke: uw ziekte heeft een zeer bepaalde, heel zeker vast te stellen reden. Ze neemt voor hem alle onzekerheid weg. Hier kunnen wij iets met onze ervaring van alledag. Wie van ons heeft nooit meegemaakt dat hij zich, al lang voor het uitbreken van een ziekte, onzeker en neerslachtig voelde en geen zin had om te werken? Misschien was de diagnose van de arts, difterie, tyfus of longontsteking erger dan waar wij op zijn ergst voor gevreesd hadden. Desondanks was dat het begin van onze genezing, omdat wij eindelijk, in plaats van een algemeen en bestreden onlustgevoel, het "recht' kregen ziek te zijn en de hoop dat deze ene ziekte, hoe ernstig ook, wel weer over zou gaan. Misschien was zelfs de aanvankelijke diagnose onjuist, misschien moest die later wel veranderd worden. Desondanks hadden alleen al de pure bevestiging van de ziekte, haar bepaalde lokalisatie en het gevoel terecht ziek te zijn, een heilzame werking.


De psychoanalyticus verschaft de zieke dus een gevoel van rechtvaardiging en zekerheid, juist bij ziekten, waarvan het moeilijkste aspect is, dat hun aard zo onbestemd en gevoelsmatig is.


Voor het altijd nog mogelijke geval, dat medische vaklieden ook een pagina tekst kunnen begrijpen, waarop niet in elke regel drie vreemde woorden staan, vraag ik toestemming om nog een derde, nog specialistischere toe te voegen: de neurotici, die behandeld worden door de psychoanalytische arts, lijden immers aan wat in dit boek de "achterwereld" wordt genoemd. De neuroticus ziet vijandige gedaanten en krachten, ook waar die niet zijn, op dezelfde manier waarop de antisemiet of antivrijmetselaar vijandige gedaanten en krachten zag, waar die niet zijn. De neurotisch zieke achterwereldbewoner wordt hier tegemoetgetreden door de psychoanalytische achterwereldbewoner, toegerust met zowel het gehele gezag als de vakopleiding van de gediplomeerde arts. Hij probeert de neurose niet langer weg te redeneren (zoals de leek) of weg te genezen (zoals misschien de "praktische" arts), hij is dapper genoeg om een methode te hanteren, die hier ten minste resultaat belooft: namelijk de ziekte wegtoveren. Hij boekt dat resultaat niet, zoals zijn wetenschappelijke tegenstanders denken, ondanks, maar dankzij het feit dat hij sjamaan, tovenaar is. En als hij vandaag zou bedenken, dat hij bepaalde verschijningsvormen van de neurose het best kan behandelen, als hij de patiënt tegemoet treedt in een met sterren bezaaide zwarte mantel en een prachtige puntmuts, in het schemerige licht van een offervuur, zou ik in ieder geval geen lagere dunk hebben van de waarde van de psychoanalyse als therapie. Want de psychoanalyticus behandelt zieken die bezeten zijn. Psychisch is het gewoon een geval van similia similibus curentur.


Het echte diagnostische - therapeutische gevaar, dat de psychoanalyticus een organische aandoening abusievelijk aanziet voor een zenuwaandoening en als zodanig behandelt - wat Freud bij zijn zelfanalyses herhaaldelijk ter sprake brengt - is vast nauwelijks groter dan het gevaar van elk medisch-specialistisch handelen. Hier kan de methode van de psychoanalyse misschien nog verder uitgewerkt worden. Zodra de psychoanalyticus namelijk zijn monomanie, zijn regels en duidkunsten vergeet, nee, zodra hij niet-vooringenomen, onbevangen, zo men wil, als bedrieger (die wel gelooft in de praktische werking van de therapie, maar niet in de wereldbeschouwelijke grondslagen) de zieke tegemoet zou treden, zou hij door zijn grondig onderzoek van de patiëntenziel waarschijnlijk ook wel de lichamelijke ziekte ontdekken. Freud heeft ooit zijn gedachten laten gaan over de mogelijkheden van de psychoanalyse. Welnu, hier een toekomstige mogelijkheid: ze zal waarschijnlijk in handen van ‘ongelovige' artsen, die daarboven staan, een middel worden om ziekten te ontdekken en te genezen, die voor andere medische wapens moeilijker of helemaal niet toegankelijk zijn. Een voorwaarde daarvoor is dat de arts niet langer gelooft in de psychoanalyse als regel, monomanie, duidingskunst en wereldbeschouwing, maar dat hij bewust het achterwereldschap geneest met behulp van het achterwereldschap of eigenlijk wegtovert. Hierbij kan dit boek over achterwereldschap zelfs medisch nuttig worden, omdat het de vormen van het achterwereldschap leert doorgronden.


Tegenwoordig is het nog precies omgekeerd. Terwijl de psychoanalytische artsen en neurotici nog maar een kleine sekte vormen, maken aan de andere kant mensen, die niet geloven in de regels en duidkunsten, de seksuele monomanie en veel andere zaken in de psychoanalyse, en die tot in detail lachwekkend vinden, toch weer van de grondslagen van de psychoanalyse een wereldbeschouwing of een deel daarvan. Ze geloven dat in de "verdringing" naar het onbewuste en het aan het daglicht brengen daarvan, de echte mens of een deel daarvan tevoorschijn komt.


Hier moet men zelfs op een punt Freud in bescherming nemen tegen zijn kritisch-kritiekloze vrienden-vijanden, tegen zijn filosofische verspreiders. Heel terecht bestempelt Freud bijvoorbeeld de droom als "bewaker van onze geestelijke gezondheid." Zijn filosofische verspreiders schijnen deze en soortgelijke passages voorzichtigheidshalve niet gelezen te hebben; ze gaan vrolijk door, veel voortvarender dan Freud zelf, met het vermengen van gezondheid en ziekte.


Zo is het bijvoorbeeld een bijzonder onhandzame onjuistheid, wanneer steeds weer pogingen ondernomen worden om de heilige en verdringing met elkaar in verband te brengen, terwijl dat slechts een bijzonder geval van verdringing in engere zin is. Daarbij wordt over het hoofd gezien, dat er drie vormen van bestaan. Het eerste is die van de onbeduidende heilige. Hij wandelt op het aangename en platgetreden pad van de ascese, een gerieflijk martelaarschap, om daarlangs de hemel te bereiken. Dit soort wordt gevormd door de kinderen van de wereld, nee, de speculanten onder de heiligen. Ze zijn geheel gezond en bewust. Ze verdringen niets. Ze ontzeggen zich alleen iets, om iets groters te verkrijgen. Het is een rekensom, precies dezelfde rekensom, op grond waarvan ik vanavond afzie van theaterbezoek, zodat ik dit hoofdstuk nog af kan maken. Het kan best spiritueel en in die zin ziekelijk zijn, liever een boek te voltooien dan iets plezierigs te doen. Maar daarbij wordt niets verdrongen; men ziet alleen van iets af, maar blijft verder geheel helder en bewust.


In het tweede geval kan van iets afzien zo sterk worden, dat het daadwerkelijk tot verdringing komt, dat de wens naar het onbewuste weggeduwd wordt en daar pijnlijk aanwezig blijft. Maar dan verschijnt, ook op den lange duur, het ondubbelzinnige kenmerk: de mens wordt ziek, wordt bezeten, wat in ieder geval ook in middeleeuwse kloosters geen heel alledaags geval was, zoals al blijkt uit de waarde die daaraan wordt toegekend door de berichten daarover. Als het een alledaags verschijnsel was geweest, zouden ons niet zoveel berichten overgeleverd zijn.


Rest tot slot de grote heiligen. Ze ontzeggen zich niets meer en verdringen niets. Aanvankelijk ligt de verzoeking van Christus en (misschien verdringing) op zijn weg. Later bezoekt hij onbevangen een bruiloft, spreekt menselijk woorden tot een hoer; en verdringt aan het kruis het allereigenste, zijn gevoel, zo weinig dat hij uitroept: mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten! Als hij veel van wat ons, kinderen van de wereld, waardevol lijkt, niet meemaakt, het zij zo.


Maar het kan zijn dat de lat van de heilige te hoog ligt. Mogelijk zijn wij, gewone stervelingen, te klein om ons daarmee bezig te houden en het voorbeeld te volgen. Ik zal het over mij zelf hebben. Het staat vast dat ik in een bepaalde periode vreselijk graag indianenverhalen las. Heb ik dat nu verdrongen, omdat een jeugdliteratuurcommissie mij erop gewezen heeft, dat dat snertboeken zijn? Ontzeg ik mij die boeken, omdat ik zelf tot dat inzicht ben gekomen? Noch het een, noch het ander. De werkelijke reden is, dat ik er geen belangstelling meer voor heb. Het is niet dat ik ze mij zelf ontzeg, door iets anders vervangen of verdrongen heb, maar ze hebben voor mij geen waarde meer.


Ja, zegt Freud dan, dat gaat wel op voor indianenverhalen; maar - rustig aan. Het staat ook vast dat ik ooit wellustig was. Het staat eveneens vast dat ik dat tegenwoordig niet meer ben. Heb ik dat onder druk van de censuur verdrongen, omdat wellustigheid immoreel is? Nee. Als dit wellustige verlangen (dat volgens een zo nauwkeurig en grondig mogelijk onderzoek eigenlijk van elders afkomstig was) niet meer bij mij voorkomt, komt dat omdat ik tegenwoordig in dezelfde positie veel mooiere, aantrekkelijkere en doeltreffendere dingen kan doen. Van indianen, noch onderzoek heb ik, vanwege een donderend bevel of op mij inpraten van de censuur, afgezien en heb dat ook niet onderdrukt of verdrongen; maar het is door het ervaren van iets groters en mooiers, zinloos geworden.


Wat ik met die indianenverhalen en wellust heb gedaan, hebben Christus en de grote heiligen met veel andere dingen gedaan. Voor hen werd veel waardeloos en zinloos, wat voor ons, niet-heiligen, nog steeds wezenlijk en waardevol lijkt, niet doordat zij het verbodene verdrongen, maar omdat ze iets waardevols ontdekten, dat hen tot in het diepst van hun hart vervulde. Christus vond waarschijnlijk het seksuele even onbelangrijk als iemand van ons indianenverhalen: niet uit ascese, niet uit minachting, maar gewoon omdat het hem niets mee zei.


Ja, vraagt Freud hier het woord, dat zegt jullie wakend bewustzijn! Jullie bewustzijn weet het beter; daarin, in de droom, in veel handelingen, in hypnose en neurose, kunnen indianenverhaal en wellust, waarvan jullie denken dat die zo onbelangrijk zijn, weer tevoorschijn komen. In ieder geval zodra wij erkennen dat het leven van gezonde mensen niet bestaat uit onderdrukking van begeerten, maar uit het ontdekken van nieuwe, nog meer begeerten - geen verdringing, maar toename - valt niet langer het door Freud geconstrueerde functionele mechanisme te handhaven tussen bewustzijn en onbewuste, waarin zijn verkondigers iets wezenlijks van de mens zien. Alleen de zieke verdringt. De gezonde onderzoekt, overwint en vindt.


Ja maar, roept Freud, wij zijn toch allemaal deels ziek! Nadat de artsen hun eigen terrein verlaten hebben en voortdurend bezig zijn op dat van kunst en filosofie, verbaast het ten slotte ook de volslagen leek niet meer, als hij hoort dat vanuit een zuiver medisch standpunt de volmaakt gezonde mens, de "normale mens," een erger monster zou zijn dan de merkwaardigste zieke. Zodra wij alleen maar het ene feit erkennen, dat de zieke verdringt en de gezonde onderzoekt, overwint en vindt, blijkt in ieder geval meteen de positieve beoordeling van de ziekte: het geklets over de ziekelijke schemertoestand van het genie, over het verdringen door het genie, blijkt kortom de grote onzin van de opgewarmde formuleringen over de verhouding tussen genie en waanzin, waaraan de psychoanalyse een nieuwe inhoud geeft. Het wordt die onzin dan onmogelijk gemaakt grote intellectuele voortbrengselen af te leiden uit de kracht van de verdringing bij hun schepper. Het genie, dat zich aan de ene kant veel veroorloofd heeft, heeft zich aan de andere kant ook veel ontzegd; dat is juist. Maar hij heeft amper iets verdrongen. Zijn genialiteit, zijn superioriteit ten opzichte van ons, bestaat juist uit het feit dat hij alles in zijn bewustzijn en geheugen hield; dat hij vocht, onderzocht, overwon en vond.


Tot nu toe is mijn kritiek op Freud zeer behoedzaam geweest. Zij probeerde hem vanuit afzonderlijke punten te weerleggen. Scherper valt die kritiek uit, wanneer men een ogenblik alles wat hij zegt, voor juist en waar aanneemt. Men ziet dan opeen in…… maar ik zal een voorbeeld geven. Als het juist is dat mijn droom van afgelopen nacht niet als incest te duiden valt (wat Freud ongetwijfeld wel kan), maar een incestueuze droom was, een echte incestueuze, wat betekent dat dan voor mijn wakende leven? Dat mijn geestelijke gezondheid ergens voor behoed is? Welnu, in die van hem lag die meneer te slapen. Goed. Maar dat was tijdens het slapen. Daardoor ben ik echter wel gewoon door de droom klaargekomen. Wat betekent dat dan voor mijn wakende leven? De waarschuwing dat we allemaal dieren zijn, dat het dierlijke in ons slechts door een dunne deken verhinderd wordt om uit te breken? Ja, mijn beste professor Freud, dat wisten we al vóór de psychoanalyse min of meer. Bovendien is incest ( in de droom) helemaal niet zo bestiaal. Mijn wakende leven werpt mij ergere bestialiteiten toe, omdat ze onopvallender en toch meer met schuld beladen zijn. Wat blijft er dan nog over? Niets. Maar de regels, duiding, achterwereld en verkapte religie blijven bestaan. En dan tot slot die waarschuwing niet bang te zijn, dapper en zonder angst ook het onbewuste omhoog te halen naar het bewustzijn? Ja, dat is in ieder geval een van onze oogmerken op deze planeet. Van eerbied (Ehrfurcht), die meer angst dan eer is, willen we terecht niets weten. Gewoon altijd dapper het onbewuste omhooghalen naar het wakende bewustzijn! Alleen de gerieflijke weg van duiden en regels, het platgetreden pad van de verkapte religie, leidt niet naar het bewustzijn. Ze leiden naar mystagogie, monomanie en achterwereld. Het onbewuste in mens en wereld valt niet te duiden, alleen maar vorm te geven. Met behulp van de grootse en moeizame arbeid van een heel leven en de hele persoonlijkheid; maar als dat werk voltooid is, resteert de eerbied, die ons past, die voor de onopgeloste, eeuwig onoplosbare rest. Aan het slot van elke beschouwing staat altijd eerbied (zelfs eerbied voor professor Freud; niet voor zijn filosofische verkondigers).


XVIII Het Occulte

Juist op het moment dat destijds de oude orde het stabielst en geest en ziel van de mensen, tijdens de oorlog, onder de allerstrakste discipline stonden, begon het allemaal weer. De soldaten, en ook hun familieleden, begonnen amuletten te dragen; het geloof in voorgevoelens - "vandaag overkomt me niets, vandaag krijg ik vast een ongeluk" - breidde zich uit. Te midden van de algemene angst en vrees over de afloop en vrede, ondervonden zelfs de grote dagbladen, anders voorvechters van de "Verlichting," geen nadelige gevolgen door met historische data, voorspellingen te brengen over het einde van de oorlog en de komende vrede, de nasleep van de oorlog en op- en aftelspelletjes. Maar ook de kunst draaide bij. De "non-figuratieve schilder- en grafische kunst" kwam op, die zich door zich steeds meer los te maken van vorm en duidelijkheid, alleen nog maar de idee, de geest wilde vastleggen. Het toneel ontdekte de laatste Strindberg, de Strindberg van de "Spooksonate", die mensen in schimmen, en de wereld in een vaalgeel occult laboratorium veranderde; ontdekte hem met zoveel vurigheid en succes, dat bijvoorbeeld in München - een stad met vier serieuze schouwburgen - soms op één avond drie podia schimmenstukken van Strindberg opvoerden. Van Meyrincks Golem gingen in korte tijd meer dan 100.000 exemplaren, in een goedkope velduitgave, over de toonbank, zowel in Duitsland als op het slagveld. Het boek en zijn schrijver, die allebei lang op succes hadden moeten wachten, beleefden dat toen des te stormachtiger.


Al die zaken en veel soortgelijke hadden de schijn van ernst, een enkele leek zelfs echt waardevol. Er was rugdekking: wie meedeed, zette zichzelf niet voor schut, hij gold dan juist als vooruitstrevend.


Vandaag de dag is al weer ouderwets en wie niet alleen maar scepticus was en met de mode mee wilde gaan, moest voor een hele tijd een flinke dosis mystiek en mystagogie op voorraad leggen. Een boek als "Fakir maakt Slagzij" van Graf Luckner (de zeeduivel Luckner, die in Australië bij Indische goochelaars in de leer is geweest) spreekt tegenwoordig de ontwikkelde midden-Europeaan maatschappelijk zeer aan. En weldra zal de tijd aanbreken waarin de nieuwe rijken, van huis zonder meer materialistisch, bij de aanschaf van een kasteel, niet alleen een galerij met familieportretten, maar ook de spokende stammoeder wil hebben.


Misschien is die tijd al aangebroken. In ieder geval is het mooiste verhaal van Oscar Wilde, over het spook van Canterville, dat door een volstrekt ongelovig Amerikaans gezin energiek en hilarisch verdreven wordt uit zijn oude verblijfplaats, tegenwoordig evenmin up to date als de honderd jaar oudere schets van Dickens, waarin - het stuk staat in De Nagelaten Papieren van de Pickwick-club - de nieuwe huiseigenaar in de Grays Inn zijn huisspook duidelijk maakt, hoe vreselijk weinig comfortabel de oude kamer met zijn romantische meubilair is en bovendien niet wantsenvrij; dat het spook toch heel eenvoudig een andere, mooiere woning zou kunnen krijgen en daarmee aan de onaangenaamheden van het Londense klimaat zou kunnen ontkomen. Waarop het spook - maar dat moet letterlijk geciteerd worden - "U hebt helemaal gelijk, Sir", antwoordde het spook uiterst hoffelijk, "en brengt mij op een voor mij hele nieuwe gedachte. Ik zal die verandering van omgeving meteen een keer uitproberen." Terwijl hij deze woorden sprak begon hij daadwerkelijk te verdwijnen; zijn benen waren bij de laatste lettergreep al onzichtbaar geworden. "En als u misschien zo goed zou willen zijn, Sir," riep de huurder hem na, "de andere lady's en gentlemen die zich bezighouden met in oude leegstaande huizen rond te dwalen en te spoken, ook duidelijk te maken, dat ze het elders veel comfortabeler kunnen hebben, zou u de mensenmaatschappij een zeer grote dienst bewijzen." Na deze woorden verdween hij helemaal, en wat nog opmerkelijker is, voegde de oude man daaraan toe, met een sluwe glimlach rondspiedend; hij kwam nooit weerom."


Zowel de ruimschoots burgerlijke humorist als de fijngevoelige estheet zijn tegenwoordig, wat hun spookverhalen betreft, al lang achterhaald. Juist zijn vaderland is, een tiental jaren na Dickens dood, begonnen met de poging de bovenzinnelijke wereld wetenschappelijk te onderzoeken; en gezien de Proceedings of the Society for Psychical Research en haar Noord-Amerikaanse zusterinstelling, heeft het onderzoek naar het zogenaamde occulte steeds verder om zich heen gegrepen. Wij beschouwen tegenwoordig de geestenwereld niet meer met de huiver van de middeleeuwen, ook niet meer met de humor van Dickens of Wilde, maar bevestigen of ontkennen die met de nieuwsgierigheid van de wetenschapper.


Het gaat daarbij om meer dan alleen een eigentijdse mode. Niet alleen dat de eerste Duitse opperbevelhebber in de afgelopen oorlog, von Moltke, zoals algemeen erkend werd, theosoof was, een factor waaraan vaak zijn falen tijdens de eerste slag aan de Marne toegeschreven wordt. Dat mag als een op zichzelf staand geval beschouwd worden.


Er bestaat een veel breder, eenvoudiger criterium voor de verspreiding van denkbeelden: een zuiver op het oog verricht onderzoek van de boeken die op dit gebied verschijnen, en waar ze gepubliceerd worden. Slechts heel terloops en voorlopig dient vermeld te worden, dat een altijd zo zeer gerenommeerd Berlijns dagblad als de avondeditie van de Nationalzeitung, haar kolommen niet te kostbaar vindt om over het lot van de Europese leiders, Lloyd George, Poincaré, Mussolini en Ebert, een hele pagina horoscopen van Berlijnse astrologen te publiceren, door wie overigens ondanks zeer slimme politieke toekomstberekeningen geen enkele juiste voorspelling werd gedaan. Mogelijk was de redactie op jacht naar iets bijzonder opwindends of geruststellends.


Niet alleen krantenredacties, die ervan worden verdacht dat ze sensatiebelust zijn, houden zich bezig met dit gebied; nee, ook de manier van boeken uitgeven heeft daar een merkwaardig voordeel uit getrokken. Dat Otto Reichl, een van de kleinere, maar exclusiefste uitgevers, opeens twee boeken over psychoanalyse en yoga en over geestelijke oefeningen uitbrengt, kan best door zijn contact met Kayserling bepaald zijn; opvallend blijft het. Want nog niet lang geleden verrieden occulte boeken van gespecialiseerde uitgeverijen op dit gebied, bijvoorbeeld van Altman in Leipzig, alleen al op het oog de houding van hun schrijvers ten opzichte van sekten en paria's. Dat is in de afgelopen jaren grondig veranderd. Een andere gelijksoortige uitgeverij, J. Baum in Pfullingen, heeft dat oude, ietwat verwaarloosde uiterlijk, dat lange tijd onafscheidelijk leek van allerlei geheimzinnigdoenerij, weliswaar nog behouden, maar desondanks is haar schrijverslijst des te schitterender. Niet alleen de bekend Duitse specialisten als Dessoir, Schrenck-Notzing en de bekende Duitse grafoloog Klages worden vertegenwoordigd in haar boeken en onregelmatig verschijnende tijdschrift "Die weiße Fahne," maar ook anders georiënteerde geestelijke werkers, zoals Martin Buber, Alexander von Gleichen-Rußwurm, August Horneffer, de hoogleraar filosofie Hans Driesch uit Leipzig en vele anderen, van wie het belangrijkste werk op heel andere terreinen ligt, en die daarom niet onderhevig zijn aan de monomanie. Een andere, geheel nieuwe gespecialiseerde uitgeverij, die razendsnel opgekomen is, is de uitgeverij Anthropos. Het betekent toch wel wat, als de toonaangevende boekhandels zonder rekening te houden met de zeer uiteenlopende waarde, juist met de boeken van deze uitgeverij in alle delen van het land en in het buitenland aparte etalages inrichtten, wat ze zonder twijfel niet zouden hebben gedaan, als de boeken nog steeds die sektarische muffigheid gehad hadden en niet de mogelijkheid geboden zouden hebben bijna iedere voorbijganger tot het kopen van een boek te verleiden. Tekenend voor deze geestelijke verruiming en het belang van de zaak is verder, dat de bekende verzamelbundels, die zich van meet af aan op nog bredere kringen richten, bijna allemaal al hun eigen overzicht over het occultisme hebben uitgebracht.


Is deze toegenomen belangstelling voor het buitenzinnelijke beperkt tot Duitsland? Nee. Herhaaldelijk kan men in serieuze occulte geschriften de gedachte aantreffen, dat het voor Duitsland een wetenschappelijke plicht is (en dat door toegenomen internationale betrekkingen nuttig is voor het land), als het meer deel zou nemen aan het internationale onderzoek naar de grote geheimen. Het is de vraag of dat waar is. Het staat in ieder geval vast dat in een tijd, waarin van de Duitse boeken vrijwel steeds hetzelfde repertoire uit de periode van keizer Wilhelm vertaald wordt, een boek zoals dat van de filosoof Österreich "Het Occultisme in het huidige Wereldbeeld" (Uitgeverij Sybillen) tegelijkertijd ook in het Engels en Frans verschijnt bij zeer gerenommeerde uitgeverijen als Methuen en Payot. Ook Eugen Diederichs heeft onlangs, na eerder menig boek uitgebracht te hebben uit de invloedsfeer van de verkapte religies, twee boeken van Hans Künckel gepubliceerd over astrologie; terwijl Wilhelm Langewiesche-Brandt in twee overdadige delen "Het Grote Geheim," een zeer leerrijke en onderhoudende casuïstiekverzameling, samen heeft laten stellen.


In al die bijkomstigheden komt duidelijker dan in een veelheid aan vreemde woorden over het einde van het materialisme enz., een wezenlijke verandering tot uiting: alles aan gene zijde van het verstand is niet langer eigendom van een sekte, maar gaat ons, gelukkig makend of bedreigend, allemaal aan. En de vraag is alleen maar of dat aan gene zijde van het verstand ligt, omdat wij ons verstand verloren hebben of omdat wij nieuwe wereldschokkende vermogens ontdekt hebben en erkennen moeten.


De verspreiding van ideeën is natuurlijk wel een graadmeter voor de toestand van de cultuur, maar geen bewijs van de waarheid. Dat geldt vooral voor geschriften, waarin de wens duidelijk de vader van de gedachte is. Op de verschillende gebieden van de spookverschijning komen ze meer voor, dan in geschriften die alleen op onderzoek afgaan. Natuurlijk zal ieder redelijk mens van huis wantrouwen koesteren tegen "Magie der Liefde" of "Liefdesbekoring". Maar ook als datgene wat vroeger beeldend "Het Nachtleven van de Ziel" heette, tegenwoordig van die geleerde woorden als parapsychologie, metapsychologie, magiofysiologie, magiofysica of magiopsychologie vereisen, die geen enkele wens meer lijken te verraden, is deze verandering echter vaak genoeg alleen maar uiterlijk. De wens een wetenschappelijke pionier te zijn, kan ook op dwaalwegen uitlopen, zoals de wens geesten te bezweren en een levensverzekering willen afsluiten voor het hiernamaals. Daarbij komt dat de literatuur over deze gebieden, ook als men streng selecteert en alleen maar leest wat enigszins serieus te nemen valt, bijna altijd een verkeerde indruk achterlaat. De hoogleraar Österreich van de universiteit van Tubingen wijst er in zijn zojuist vermelde boek "Het Occultisme" terecht op, dat mensen die veel occulte literatuur gelezen hebben, na het lezen helemaal overtuigd zijn, maar na enige tijd weer tot ongeloof vervallen. Maar Österreich heeft ongelijk, als hij dit verschijnsel, bij wijze van spreken, op de onbetrouwbaarheid van de hele menselijke natuur schuift. Er is echter in de occulte literatuur en ook op haar nabuur- en grensgebieden veeleer niet altijd sprake van verzinsels, maar wel altijd van de wet van de verdichting. Dat wil zeggen dat de steeds herhaalde feitenrelazen, die allemaal naar hetzelfde punt convergeren, de lezer, zolang hij aan het lezen is, er nauwelijks bewust laten worden komen, hoe zeldzaam en ver uiteenliggend al die gevallen eigenlijk ook zijn, die hij zo snel en gemakkelijk doorvliegt. In "Katte" zegt Hermann Burte heel treffend over voorspellingen: "Duizendmaal komt het niet uit; dan wordt de zaak vergeten. Valt een enkele maal het aangekondigde toch voor, dan wordt het duizendvoudig verteld en doorgegeven."


Dat heeft er allemaal tot geleid, dat menigeen zichzelf door zijn twijfel belachelijk heeft gemaakt. Niet iedereen is er echter zo slecht van afgekomen als die Berlijnse meesterslager, die in het circus Busch de uitvoering bijwoonde van een op het spijkerbed liggende Indische tovenaar, niet wilde geloven dat de spijkers echt waren, zich dapper de piste in begaf en met zijn gebalde vuist op de spijkers sloeg - en een bloederige vleesklomp terugtrok.


Achter twijfel tegen elke prijs, huist vrijwel altijd de angst van oudsher vertrouwde opvattingen op te moeten geven. Daarbij hebben waarschijnlijk maar weinig voorvallen, waarover de geschiedschrijving met absolute zekerheid spreekt, onder even strenge controlevoorwaarden plaatsgevonden, als de experimenten, waarop het zogenaamde wetenschappelijke occultisme zich baseert. Als we al het zonderlinge ongeloofwaardig willen vinden, kunnen we ook eenvoudig verklaren dat Goethe of Bismarck onwerkelijk zijn, omdat wij tegenwoordig noch een grote dichter, noch een grote staatsman hebben. Het komt er nu op aan, dat bijvoorbeeld de Duitse universiteitsprofessoren de privaatdocenten van hun faculteit vriendelijk maar nadrukkelijk zullen aanraden dat ze zich beter kunnen houden aan de gebruikelijke zielkunde. Anders zouden ze geen professor kunnen worden. Deze angst is helemaal niet groter dan die van de spiritisten, die bang zijn dat iemand hun geestenrijk zou kunnen ontzenuwen.


Zonder twijfel kan een goochelaar iemand meer wijsmaken dan een professor in zeven colleges kan ophelderen. Dat rechtvaardigt echter nog niet de kritiek, die alles als zwendel diagnosticeert, zoals bijvoorbeeld in het reeds vermelde boek van Lehmann "Bijgeloof en Tovenarij" gebeurt. Lehmanns kritische methode is daarbij op zijn minst merkwaardig. Nadat hij het gebied van het occultisme in engere zin betreden heeft, voert hij eerst met een duidelijk merkbaar wantrouwen een groot aantal "gevallen" aan, maar geeft daar niet afzonderlijk kritiek op. Daarna onderzoekt hij de onbetrouwbaarheid van de getuigenverklaringen en dergelijke, om daarmee aan te tonen, hoe weinig geloofwaardigheid die informatie over het algemeen verdient. In plaats van de onnauwkeurigheden van de Zöllners en Crookes bloot te leggen, doet hij dat met de onnauwkeurigheden bij Plinius de Oudere. Bij een dergelijke methode kan het voorkomen, dat de ontmaskeraar zich, om het gezonde verstand te redden, zozeer aan het gezonde mensenverstand vergrijpt, dat hij het medium zeer wonderbaarlijke acrobatische vermogens toedicht. Nee, scepsis tegen elke prijs wordt soms zo paradoxaal, dat ze zelfs in een soort wonderen gaat geloven, maar dan via een omweg. Zo heeft men bijvoorbeeld, om het medium Slade te ontmaskeren, naar de theorie gegrepen, dat Slade zijn controleurs alle drie tegelijkertijd hypnotiseert, zijn goochelkunsten uitvoert en hen vervolgens met het bevel de hypnose te vergeten, weer wakker gemaakt heeft. Best; afgezien van het feit dat tegelijkertijd drie mensen tegen hun wil hypnotiseren voor een "bedrieger" hoe dan ook een achtenswaardige prestatie is, die niet naar het vasteland van het "gezonde mensenverstand" leidt, maar hoogstens van de regen in de drup. De scepticus tegen elke prijs is niet wijzer dan de idioot in Hebels kostelijke anekdote over zinsbegoocheling: het ineenstortende podium van de goochelaar begraaft onder zich alle toeschouwers, behalve de idioot, die met een gerust hart en in vast vertrouwen op het bedrog van de tovenaar de jammerende mensen toeroept: "Gewoon rustig en verstandig blijven! Merken jullie dan niet dat het gewoon zinsbegoocheling is?"


Intussen wordt ook de fotografie op het occulte gebied, in handen van serieus te nemen onderzoekers, toegepast. Bedrog en zelfbedrog zijn daarbij natuurlijk ook niet helemaal uitgesloten. Misschien volgt op de fotografie ooit nog de film met slow motion, die beiden, voor zover instrumenten daartoe in staat zijn, controle bieden en bedrog onmogelijk maken. Maar wat als film en slow motion van hun kant de echtheid van menig nauwelijks te geloven verschijnsel bevestigen? Zullen de vastberaden sceptici zich dan bijvoorbeeld gaan verschuilen achter de mening, dat nu niet alleen de aanwezige getuigen, maar ook de filmcamera is gehypnotiseerd?


Kritiekloze twijfel en kritiekloos geloof verhinderen op dezelfde manier het toetsen van wat er eigenlijk gebeurd is en wat het betekent.


Wat brengen die zogenaamde bovenzinnelijke krachten dan teweeg? Laten we eens een seanceverslag nemen van de in ieder geval nog steeds nuchterste van alle Duitse beoordeelaars, professor Österreich, over de beroemde "materialisatieverschijnselen." Volgens de nauwgezette beschrijving van zijn controle op bedrog, luidt het: "Eerst traden er bewegingen op van de linnen overtrek van de lamp met betrekking tot de daar overheen gelegde zakdoek, naar boven, links en rechts en ook trillende bewegingen van de lamp. Door andere deelnemers werden in de buurt van de tafel al nevelachtige vormsels opgemerkt….Vanaf de nieuwe zitplaats heb ik toen met absolute zekerheid drie overduidelijke verschijnselen kunnen waarnemen. Eerst verscheen er een handje vanachter de kleine tafel en verhief zich boven het tafelblad. Het verschijnsel was slechts korte tijd aanwezig, amper langer dan een seconde, maar was duidelijk zichtbaar. Het optredende verrassingseffect - het was de eerste gematerialiseerde hand die ik zag - was nadelig voor het rustig nauwgezet waarnemen van de details. Kort daarop verscheen er ongeveer op dezelfde plek een tweede materialisatie, die mij een menselijke linkervoet leek, gezien vanaf de onderkant. Maar het geheel was maar zo korte tijd aanwezig en de aanblik nog zo ongewoon, dat ik er niet heel zeker over ben dat het een voet was. Het aanwezig zijn van de materialisatie en haar vage gedaante, is echter aan geen enkele twijfel onderhevig. Ik ben daar niet minder zeker van dan van welke andere alledaagse waarneming dan ook. Voor een snelle herkenning is kennelijk gewenning nodig aan deze merkwaardige verschijnselen en oefening in snel beoordelen." Dit verslag is typerend voor duizenden andere over soortgelijke verschijnselen. De Franse arts Dr. Gely heeft bij het medium Eva C. (met wie ook Schrenck-Notzing gewerkt heeft) diezelfde vormsels vastgesteld en fotografisch vastgelegd: er komt een witte, raadselachtige substantie tevoorschijn uit mond en neus of handen van het medium, gaat over in gezichten, vingers, armen en benen en omhangt zich met sluiers en wat dies meer zij. Tegelijkertijd treden er klopgeluiden op, er suist een bel door de ruimte, de tafel komt omhoog en als de stemming van het medium heel gunstig is, kunnen de deelnemers zelfs wensen uitspreken, over wat er verder nog moet gebeuren.


Ongelofelijk. Ja, maar de foto zegt toch wel iets en het zomaar optreden van het verschijnsel nog meer. Maar hoe het ook zij, we zullen even de scepsis laten vallen en ook het ongelofelijke als iets werkelijks en waars aannemen.


En juist op dat moment maken we iets nog onthutsender mee, dan die hele spookverschijning. We ontdekken namelijk hoe - nietszeggend het is. Het geestenrijk of de para- of metapsychologie stellen ons op de allervreselijkste manier teleur. Wij waren eraan begonnen met beelden uit sprookjes, sagen en bijgeloof; wij hadden verwacht krachten te ontdekken van een heel ander en grootser soort dan wij zelf hebben en nu kunnen die krachten niet eens zoveel als een zeer middelmatige goochelaar, ja, ze doen duidelijk zeer onder voor deze laatste.


U of ik kunnen vast niet een vreselijk kitscherig kopje van een Italiaanse van een papier-maché-achtige substantie uit onze rechterschouder tevoorschijn laten komen, zoals het medium Eva C. Wij kunnen niet een klok geheimzinnig laten zwaaien, geen tafel laten dansen, geen speeldoos laten klinken zonder fysiek in te grijpen en geen hand laten verschijnen zoals de heer Franek-Kluski, mevrouw Goligher of Stanislawa Tomczyk dat kunnen. Maar de vraag is of u of ik dat kunnen heel belangrijk vinden. De verschijningen zijn bovenzinnelijk, maar tegelijkertijd ook volstrekt zinloos.


Deze opvatting is antropocentrisch, maar neemt die ook voor het bovenzinnelijke domein de mens als maat? Ja, maar minimaal. Wij mogen van welke bovenzinnelijke kracht dan ook, die voor ons een nieuwe wereld moet ontsluiten, minstens dezelfde hoeveelheid intelligentie, samenhang en zin verlangen als van ons zelf.


Het zou natuurlijk mogelijk kunnen zijn, dat de uitingen van bovenzinnelijke krachten voor ons volmaakt onbegrijpelijk en aan ons aardse mensen in het geheel niet besteed zijn. Maar zo zit het niet helemaal. De hoofden, die verschijnen, zijn hoofden; de handen zijn handen en als zodanig duidelijk herkenbaar. Alleen is hun verschijnen zinloos; het "supranormale" heeft nu eenmaal niet dezelfde zin als het normale, en de trancetoestand van de dames en heren, die dergelijke verschijnselen kunnen voortbrengen, schijnt bepaald infranormale interesses en vermogens tot gevolg te hebben.


Portret Leonora PiperMaar misschien denkt menigeen dat er nog te weinig meldingen zijn van materialisatieverschijningen. Dan heeft hij misschien wat aan mevrouw Piper, het wereldberoemde Noord-Amerikaanse medium, waarover het Engelse vaktijdschrift tot nu toe niet minder dan 3200 pagina's gepubliceerd heeft en Österreich zegt: de in een trancetoestand verkerende Mrs. Piper deed vaak mededelingen over zowel naam, karakter en verleden van aanwezigen, als van andere hen bekende personen, niet alleen nog levende, maar ook overledenen. Het waren altijd heel gewone dingen, bijvoorbeeld van het soort hoe een wandelstok van iemand er uitgezien had, wat voor manchetknopen hij droeg, wie ze hem gegeven had enz. En een paar bladzijden verder bevestigt Österreich nogmaals nadrukkelijk, dat de seanceverslagen in de regel "inhoudelijk echt banaal" waren. En dat is dan nog heel mild uitgedrukt. In werkelijkheid is de inhoud niet alleen banaal, maar vaak gewoonweg onnozel en met eenzelfde onsamenhangend taalgebruik en wispelturigheid van gedachten, zoals die voor sommige vormen van geestelijke gestoordheid kenmerkend zijn. Daarnaast staat vast dat die mevrouw dingen weet, die zij op een gewone manier nooit ervaren kan hebben, zij het dat die dingen doorgaans onbeduidend, zo niet onnozel zijn.

Leonora Piper

Vanuit alle gebieden van het occultisme kunnen deze feiten bijeengegaard worden, die weliswaar gewone menselijke krachten te boven gaan, maar tegelijkertijd inhoudelijk zoveel minder dan menselijk zijn, dat de belangstelling daarvoor pas een bewijs vormt voor de allerdomste menselijke nieuwsgierigheid, afgezien van het idee van bedrog. Beschouwt men goedgedocumenteerde verslagen, zonder de eigen kracht door slinkse streken te verliezen, als even waar als elke wellicht minder goedgeddocumenteerde historische gebeurtenis, dan springt iemand het waarachtig nogal gruwelijke feit tegemoet, dat het domein van het bovenzinnelijk in de allermeeste gevallen ook het domein van het uiterst zinloze is. Daarvoor hoeft men zelfs niet eens terug te grijpen naar de eigenlijke spookverschijningen, klopgeesten enz., van de waarheid waarvan tegenwoordig zeer serieus te nemen onderzoekers vast overtuigd zijn.


Maar misschien zal iemand daar tegenin brengen, dat materialisatie en helderziendheid toch niet het hele domein van het occultisme vormen. Helemaal op goed geluk sla ik het boekje van Karl Hermann Schmidt op, dat misschien het helderste voorbeeld schetst van het occultisme: het geval van het bekende medium Helene Smith. Zij heeft Cagliostro, Marie Antoinette en een Indische prinses uitgebeeld, met een zo levensechte uitdrukking, dat zelfs de gelaatstrekken overeenkwamen. Zij had niet de beschikking over een nauwgezette historische kennis van die personen. Haar wetenschappelijke onderzoeker, professor Flournoy, schrijft daarover: "Haar oogleden zakken, de gezichtsuitdrukking verandert en haar hals zwelt op tot een dubbele kin, wat een soort familiegelijkenis geeft met de bekende afbeelding van Cagliostro (dat portret hangt in de kamer van mevrouw Smith!). Opeens staat ze op - richt zich fier op, buigt iets achterover…..Dan begint Cagliostro te spreken, de stem verheft zich, is ernstig, langzaam en krachtig, een krachtige, diepe mannenstem, met een vreemde uitspraak en een sterk accent, die zonder twijfel het Italiaans het meest nabij komt. Zijn optreden is pompeus, grootsprakig en zalvend, af en toe is hij streng en angstaanjagend, soms ook gevoelig….In het hele gedrag van Simandi (de Indische prinses), haar lichaamsuitdrukking, bewegingen en de klank van haar stem een lome bevalligheid, hulpeloosheid, een melancholieke lieflijkheid, iets ontkrachtends en betoverends, iets oriëntaals, wat voortreffelijk overeenkomt met de manier waarop de toeschouwers, die net als ik daar nooit zelf zijn geweest, denken dat het is….De godvruchtige en plechtige ernst waarmee ze zich neerwerpt, waarna ze enige tijd een wierookvat heen en weer gezwaaid heeft, de manier waarop ze haar uitgespreide armen over de borst kruist, neerknielt en driemaal naar de grond buigt, tot haar voorhoofd de vloer raakt - de lieflijke melancholie van haar liederen in mineur, hoe ze slepend en klagend overgaan in klanken van een fluit, de grote souplesse van haar…..bewegingen, wanneer ze in haar verbeelding met een aapje speelt, de manier waarop ze het liefkoost, omarmt, plaagt en lachend een standje geeft en het haar bewegingen na laat doen…. Die hele uiteenlopende mimiek, de exotische manier van spreken: dat draagt allemaal zo'n stempel van oorspronkelijkheid, lichtvoetigheid en natuurlijkheid, dat men zich verbijsterd afvraagt hoe deze dochter van het Meer van Genève zo'n vervolmaking van het spel kan bereiken."


Is dat zinloos? Is een overtuigende uitbeelding van historische personages zinloos? Nee. Met dien verstande dat elke toneelspeler dat beter doet dan het medium. Het belang verschuift hier weer van zijn uitgangspunt, het wat, naar het hoe. Wat er in feite gebeurd is, is niet bovenzinnelijk, maar ligt zelfs onder het normale van een gemiddelde toneelspeler.


Hetzelfde boek, ander geval: "Bij een bezoek op 14 oktober 1918, waarbij drie theologen en een arts aanwezig waren, werd mevrouw H. een door mij drie jaar eerder geschreven brief overhandigd, waarop ze een zeer boze gelaatsuitdrukking aannam en mij strak aankeek. Ze zei o.a.: ‘Ik zou dat papier in kleine stukjes willen scheuren; ik zou boos willen worden, mij vreselijk ergeren, ik zou ruzie willen maken (verscheurt de brief tot snippers); dan opgelucht! ‘Ik zou de heer Dr. Böhm en de heer Dr. W. (de arts) willen slaan; er is iets kwaads; de briefschrijver is ons niet vriendelijk gezind.' Zoals ik pas in de zomer van 1919 merkte, koesterde de briefschrijver ten tijde van de analyse tegen mij en de arts om bepaalde redenen een grote woede. In dit geval voldeed mevrouw H. dus aan de toenmalige vijandige gemoedsstemming van de in een andere stad wonende briefschrijver."


Is dat niet prachtig genoeg? Dwars door de gesloten envelop van een oude brief de huidige gedachten van de schrijver lezen? Er kan geen sprake zijn van het overdragen van gedachten van een van de aanwezigen; Dr. Böhm merkt immers nadrukkelijk op, dat hij pas later op de hoogte werd gesteld van het vijandige gevoel van de briefschrijver. Uit de brief zelf kan het medium die mededeling ook niet hebben; in de brief stond immers niets vijandigs. Zodat zich werkelijk het wonder voltrekt, dat uit een neutrale mededeling, bij een neutrale en onwetende houding van de aanwezigen het vijandige gevoel van een derde, die in een vreemde stad woont, gehaald kan worden. Dat lijkt vooralsnog buitengewoon veel te vergen van ons verstand. Maar in plaats van daarvoor opzij te gaan en de zaak gewoon voor zwendel te houden, doen wij er beter aan, die mededeling eens nader te bekijken. Wat zegt het medium eigenlijk? Ze kon het papier in kleine stukjes scheuren, boos worden, zich ergeren, ruzie maken, erop slaan; er is iets kwaads, de briefschrijver is ons niet gunstig gezind. En opnieuw verschuift, net als bij mevrouw Piper, onze aandacht naar de vraag: hoe kan zij daar iets van geweten hebben? Het feit zelf, dat zij mededeelt, is immers heel natuurlijk en niet wonderbaarlijk, vertelt ons niets nieuws.


Ander boek, ander geval. Uit Oostenrijk, occultisme: "Wij kennen voorbeelden van automatisch geschreven geheimschrift, anagrammen van een zo kunstig soort, dat men deze mogelijkheid (namelijk de hoogontwikkelde intelligentie in het onbewuste zielenleven van het medium) niet mag afwijzen. Zo kreeg bijvoorbeeld een zekere Mr. A., toen hij probeerde of hij automatisch kon schrijven, bij het derde verzoek op zijn aan zijn vermeende geest gerichte vraag: ‘Wat is de mens?' meteen het automatisch geschreven antwoord: Tefi Hasl Esble Lies. De oplossing luidt: ‘Life is the less able.'"
De dappere lafaard, die alles voor zwendel uitmaakt, zou hier roepen: kan niet! Of: hij heeft helemaal niet automatisch geschreven; hij heeft dat kunstige anagram thuis zelf van tevoren bedacht! Wij, die het voorval zonder enige hypothese bekijken, komen tot een veel vernietigender oordeel. Wij zeggen dat de vervaardigde zin een waarheid als een koe is, een platitude, nee, in de betekenis waarin die bedoeld is, zelfs een grove onwaarheid weergeeft. Want als vergeleken met de bovenzinnelijke wereld ons leven het minder waardevolle is, dan zouden we op zijn minst verwachten, dat het bovenzinnelijke ons wijsheden kan verschaffen, die dieper gaan dan de hier geproduceerde.


De tot nu toe vermelde drie gevallen heb ik gewoon gevonden door het willekeurig opslaan van beide boeken, in feite als "steekproeven" uit een gebied, waarvan de casuïstiek oneindig is. Ik kon niets anders doen. Onderwerpt men bewust uitgekozen gevallen aan kritiek, dan zal men steeds op de vele duizenden andere wijzen, die onvermeld zijn gebleven. Het is hier precies als bij het antisemitisme. De regressio ad infinitum is kinderlijk eenvoudig; het gevecht komt nooit ten einde. Maar ik wil ten minste nog één geval aanhalen, waarin de verteller er zelf op wijst, dat hier de spiritistische openbaring niet zinloos is geweest, dat hier de kritiek op zin en zinloosheid schipbreuk leidt.


Dominee Karl Röhrig uit Potsdam vertelt het als "een mystiek, maar waargebeurd verhaal":


Het was vóór de oorlog, toen ik in Berlijn een spiritistische seance bijwoonde. Er was al veel over veel mensen gezegd, maar niet over mij. Ik beklaagde me daarover. Toen schoof het gezelschap nog een keer aan tafel en vervulde mijn wens met de zin: "Pas op voor Wolmirstedt!" Wat is Wolmirstedt? Ik kende de plaats niet. Niemand wist dat die in de buurt van Maagdenburg ligt. Goed dan, ik zou dus oppassen voor Wolmirstedt en daar nooit naartoe gaan.


Een paar jaar later werd ik bezocht door twee dames, die mij de begrafenis van hun oom kwamen aanzeggen. Ik vroeg waar ze vandaan kwamen. Uit Wolmirstedt, luidde het antwoord. Ik gaf kennelijk blijk van belangstelling, wat voor de dames een aanleiding was om mij uit te nodigen, daar een keer hun aan het huis gekluisterde vader te bezoeken en hem over zijn gestorven broer te vertellen. Ik keek hen onderzoekend aan, ontdekte geen gevaar in hen, maar moest toch hun vriendelijke uitnodiging afslaan. Pas op voor Wolmirstedt! Weer gingen een paar jaar voorbij. Ik beleefde prachtige vakantiedagen in het Sprookjesslot in de buurt van Stendal in de Altmark. Op zekere dag zei de slotheer: "Wilt u mij morgen vergezellen bij een rijtoer naar Köthen? Verjaardagsfeest. Heerlijk feestmaal. Fantastisch gezelschap!" Natuurlijk met de auto. Ik sloeg het af, maar werd gedwongen mee te rijden. Ik zat naast de chauffeur, die nog niet erg bekend was met de streek en moest hem helpen bij het zoeken van de weg. Met de kaart in de hand, lees ik opeens: Wolmirstedt. "Rijden we door Wolmirstedt?" vraag ik ontsteld. "Ja, daar in de verte, de spitse kerktoren, dat is Wolmirstedt," luidt het antwoord. Amper is het woord gevallen, een knal, een schok - pech! "Waarom scheuren we ook zo krankzinnig," roep ik. De chauffeur zegt rustig: "Wees blij, dat we niet in de greppel liggen." Bij ons tempo was die mogelijkheid inderdaad niet uitgesloten. Onlangs sloeg nog een auto op reis van Hamburg naar Leipzig, over de kop en de inzittenden waren dood of ernstig gewond.


Het bandenplakken verliep voorspoedig, was klaar. We stapten weer in. Wolmirstedt snelde dichterbij. We scheurden om de vertraging in te halen. Toen opeens weer een dreun, een knal, harder dan de eerste keer. De chauffeur vloekte. De slotheer was onthutst. Zijn begeleidster vertelde dat ze gisteren de hele dag het onbehaaglijke gevoel had gehad, dat er iets mis zou gaan. Ik zelf beaamde dat en vertelde over de spiritistische waarschuwing: "pas op voor Wolmirstedt!"


Wat te doen? "Ondanks alle geweld standhouden, nooit buigen, je sterk tonen!" (Allen Gewalten zum Trotz sich erhalten, nimmer sich beugen, kräftig sich zeigen [Goethe]). De chauffeur gaf ons de raad te voet naar Wolmirstedt te gaan en daar op hem te wachten. Ik stemde met hem in, omdat ik die manier veiliger vond. Bovendien raadde hij ons aan in Maagdenburg nieuwe banden te kopen. "Welja, die kosten 5000 mark per stuk," dacht de slotheer. Zodoende kwam hij op de onzalige gedachte de auto van zijn vriend uit Köthen te laten komen, die ons dan tegemoet moest rijden. Waanzin! Maar ik kon niet voorkomen, dat hij in Wolmirstedt dit telefoongesprek met Köthen had, in plaats van in Maagdenburg nieuwe banden klaar te laten leggen.


We konden nauwelijks Maagdenburg bereiken. Zonder nieuwe banden ging het niet verder. De winkel was verhuisd en niet te vinden. Overbodig oponthoud. Eindelijk ging het met andere banden weer verder. Ernstig verlaat kwamen we aan in Köthen. Het gezelschap was al bijeen. "Waar is de auto, die jullie tegemoet is gereden?" vroeg de heer des huizes. Wij waren er geen tegengekomen. Dat was des te erger, omdat die van een andere gast was. Het feestmaal nam zijn beloop. Plotseling werd de heer des huizes aan de telefoon geroepen. Bleek kwam hij terug. Wat is er gebeurd?


Telefoon uit Wolmirstedt: de vervangende auto heeft een ernstig ongeluk gehad en ligt helemaal uit elkaar in Wolmirstedt.


Het feest liep ten einde. De ochtend gloorde. Wij maakten ons klaar voor de terugreis. Er bleef ons niets anders over dan de eigenaar en inzittenden van de vervangende auto mee te nemen, die in de buurt van Maagdenburg woonden. Onze wagen was tot de rand toe bepakt. Nog in Köthen hadden we al een malheur. We reden een doodlopende straat in. Een politieagent die met zijn vriendin van een dansfeest naar huis liep, stelde vast, dat er maar twee personen in de auto van de zaak mochten zitten en geen zeven. Hij wilde ons arresteren. Hij moest volgens de nieuwe strenge voorschriften handelen. Het hielp niets dat wij hem naar het hoofd gooiden dat hij helemaal geen dienst had. Alsof hij een premie verdiende, nam hij grijnzend met een meer dan Pruisische grondigheid onze persoonsgegevens op. Eindelijk konden we verder rijden. We zetten onze gasten, aan wie wij het voorval dankten, af in hun woonplaats en reden verder naar Maagdenburg. Ik zat, net als op de heenreis, weer naast de chauffeur en viel zorgeloos in een diepe slaap. Plotseling schoot ik omhoog, als door een tarantel gestoken. Ik voelde een klap, alsof alle veren gebroken waren. "Weer pech?" vroeg ik de chauffeur. "Nee," zei hij, "ik rij nu heel rustig." Ik wreef de slaap uit mijn ogen en zag dat wij door een plaats reden. "Waar zijn we dan?" vroeg ik. "In Wolmirstedt," luidde het verbazingwekkende antwoord. Maar we waren al door de plaats heen gereden. Nog een paar onschuldige huizen en we hadden vrij baan. Met een eigenaardige mengeling van angst en opluchting, keek ik om, naar buiten. "Pas op voor Wolmirstedt!" Met die gedachte viel ik weer in slaap. Het gevaar was geweken. Maar wie weet, hoe het gegaan was, als die gedachte mij niet als een beschermengel geleid en sterk gemaakt had: "Pas op voor Wolmirstedt!"


Men zegt wel dat spiritistische openbaringen waardeloos zijn. Hier was er een keer een wel waardevol. Ik zal de zin nooit vergeten, zolang ik leef: "Pas op voor Wolmirstedt!" Of het verhaal ooit nog een vervolg krijgt? –


Wat is hier gebeurd? Een voorspelling, twee keer autopech, een bijna-arrestatie en een inwendige elektrische schok. Heeft het bovenzinnelijk zich hiermee bemoeid? Dat lijkt een wanverhouding. Wij hadden verwacht dat Napoleon dan vast voorspeld was: ga naar Auerstadt en pas op voor Leipzig! Maar daar is niets over opgeschreven.


Echt niet? Pardon? er zijn echt historische voorspellingen.


Zo voorspelt een zekere kapitein von Gillhausen in een in de nacht van 3 augustus 1914 opgeschreven visioen, dat uit volgende onderdelen - ik kan het niet in zijn geheel citeren - bestaat: langdurige oorlog, veel vijanden, België brengt ons in een mateloze wreedheid vreselijke verliezen toe. Daarnaast Frankrijk, waarvan hij ziet dat het door Engeland aangevallen, vertrapt en overweldigd wordt, juist dat Engeland, onze vijand. In Afrika hevige gevechten tegen blanken. Tussen beide werelddelen een vage gedaante, die ons veel last bezorgt. (Spanje?) Italië tegen ons. Servië en Roemenië tegen ons. Hij verzet zich tegen Roemenië, maar dat houdt stand. Rusland bezorgt ons veel last, wordt echter neergeslagen, ondanks de hulp van Japan. De oorlog duurt vele jaren. Bijna alle volkeren worden erin betrokken. Van Noord-Amerika tot Australië, van Servië tot Kaap Hoorn. Engeland overal. Al haar bondgenoten buigen voor haar. 1918 Wordt voor Duitsland het allerergst. Pas in 1920 is de oorlog afgelopen, of alleen maar een wapenstilstand? Of de keizer het jaar 1921 nog meemaakt? Hij ziet hem in zijn hermelijnen mantel en de kroon op het hoofd de poten van zijn eigen platgelegde troon afzagen, de kroon schrompelt steeds verder ineen, de keizer verdwijnt in het niets. Engeland krijgt in India of Egypte de doodsteek. Duitsland heeft ongeveer 30 jaar nodig om er weer bovenop te komen. Rusland ontwaakt en vecht met Amerika om het bezit van de toekomst. (de hele brief, zie aanhangsel)


Is dat een voorspelling? Het is gewoon het prototype van politieke angsten en verwachtingen, die zich verbergen in de vorm van een voorspelling. Al die details stonden al vóór de oorlog openlijk of waren aangestipt in onze anglofiele kranten en boeken. Dat er wat niet uitgekomen of onjuist voorspeld is, is zo erg niet. Maar dat het geheel een in een profetische vorm verhulde pronunciamento (oproep tot opstand tegen de regering, vert.) is van de, vóór de oorlog, in bepaalde Duitse partijen, verbreide anglofobe politiek is, lijkt in ieder geval enigszins afbreuk te doen aan zijn belang als voorspelling.


Maar is dat altijd het geval? O, nee. Wij hebben immers zeer duidelijke, onloochenbare voorspellingen. We hebben immers de oude heer Nostradamus weer opgegraven. Een van de vierregelige strofen, waarop tegenwoordig zijn geloof in hem steunt, luidt:


"Le Lys dauffois portera dans Nanci
Jusques en Flandres électeur de l'Empire:
Neusve obturée au grand Montmorency
Hors lieux prouvès delivré á clere peyne."


In het Nederlands: "De Lelie van de dauphin zal naar Nancy komen en tot in Vlaanderen een keurvorst steunen. - Nieuwe gevangenis voor de grote Montmorency. - Buiten de daartoe bestemde plaats wordt hij overgeleverd aan de clere peyne (vert: een beruchte straf)." - In 1633 drongen de troepen van Lodewijk XIII Nancy binnen en de koning volgde de dag daarop. Nancy was de hoofdstad van het hertogdom Lotharingen en behoorde niet tot Frankrijk, maar voerde daar oorlog tegen. De koning rukte in 1635 op naar Vlaanderen, om de zaak van de keurvorst van Trier te behartigen, die door de Spanjaarden gevangengenomen en naar Brussel gebracht was. - In 1632 werd Hendrik II van Montmorency wegens rebellie tegen de koning opgesloten in de pasgebouwde gevangenis in het raadhuis van Toulouse. De familie kreeg voor elkaar dat hij uit barmhartigheid, noch op het openbare terechtstellingsplein, noch door de beul terechtgesteld zou worden. Zodoende werd hij op het besloten binnenplein van het Raadhuis onthoofd door een soldaat die Clerepeyne heette. - Lodewijk XIII. was sinds de dood van Nostradamus de eerste koning van Frankrijk, die vóór zijn troonbestijging de titel dauphin gevoerd had. - Twee tijdgenoten hebben onafhankelijk van elke verklaard dat de naam van de soldaat die Montmorency terechtstelde Clerepeyne was."


De verbazing die men over dat wonderbaarlijke uitkomen van deze, en niet alleen deze, voorspelling voelt, neemt echter wel wat af, als men bedenkt dat Nostradamus meer dan 2000 van dergelijke vierregelige strofen schreef, zodat er best hier en daar een kan uitkomen; dat hij zijn voorspellingen opzettelijk in vage bewoordingen schreef; dat de betekenis, zelfs door zeer ervaren filologen, niet met zekerheid vastgesteld kan worden; dat hij heel vaak sleutelwoorden gebruikte: kortom, dat al die voorspellingen bij elkaar, een duister doolhof vormen; en dat tenslotte, tot overmaat van ramp, nog tijdens de oorlog een aantal Duitse Nostradamus-kenners zichzelf vreselijk voor schut hebben gezet, toen ze uit het raadselachtige boek natuurlijk voor ons een schitterende overwinning haalden.


Dat alles maakt echter het toch uitkomen van deze vierregelige strofen en enige andere, niet minder wonderbaarlijk. Het volgende is een citaat uit "De Occulte Verschijnselen" van Schmidt: "dat het bij de aangehaalde vierregelige strofen uitgesloten is dat de uitkomst toevallig is en men er ook achteraf (post eventum) niets zelf ingelegd heeft, blijkt alleen al uit het vermelden van de vele namen. Als de voorspelling geluid had: ‘Als de koning naar het Noorden op zal rukken, zal op een ongebruikelijke plaats een graaf onthoofd worden,' had men het recht te spreken over een voor velerlei uitleg vatbare voorspelling en een toevallig uitkomen. Hij heeft het echter in de strofe over Nancy, Dauphin, Vlaanderen, Montmorency en Clerepeyne; het gaat dus om een individuele, eenmalige verbondenheid tussen voorspelling en gebeurtenis." Het kan dan wel zijn dat het belang van de eigennamen wat overschat is, omdat die, behalve Clerepeyne, allemaal grote steden en belangrijke edellieden aanduiden. Maar zelfs als men dat erkent, geeft dat nog niet het recht geringschattend over "toeval" te spreken.


En nu, op hetzelfde ogenblik, waarop wij toegeven dat de oude heer Nostradamus daadwerkelijk een voorspeller is geweest, voelen wij weer dezelfde teleurstelling, waaraan wij ons bij de mediums al aan gewend hadden. Wij realiseren ons namelijk, dat het volstrekt onmogelijk was, achter de betekenis van de strofen te komen, voordat de profetie vervuld was. Zolang die niet vervuld was, was de strofe van Nostradamus geheel zinloos gekrabbel, zoals verreweg de meeste van zijn voorspellingen tegenwoordig nog steeds zijn. Pas wanneer de gebeurtenis al in gang was, kregen ook de regels betekenis. Wij, gewone mensen, zullen woorden, die zinloos blijven, tot het te laat is, voorspellingen die wij pas lang na de aanvang van de gebeurtenissen moeizaam kunnen duiden, niet meteen als schoolvoorbeelden van voorspellingen kunnen zien en zullen misschien, als we eerlijk zijn, gewoon teleurgesteld zijn. De kunst van het voorspellen zakt weg tot onder het niveau van een geduldspelletje, op het moment waarop wij daar zonder meer in geloven, zoals het rijk van de mediums eveneens tot onder het illusiepodium wegzakte, op het moment dat wij ons verzet opgaven.


Men zou paradoxaal kunnen zeggen dat pas de schroom en afkeer om daarin te geloven, het domein van het bovenzinnelijke zo veelzeggend maakt. Als, tot nu toe, zijn werkelijke onbeduidendheid niet echt opgemerkt is, ligt dat aan het feit dat de weinige serieuze onderzoekers hun krachten versnipperd hebben, met behoud van gecontroleerde omstandigheden, uit schroom voor het moeten erkennen van het bovenzinnelijke. Als dan tegen de verwachting in, ook onder angstvallig nauwgezette testomstandigheden, toch iets niet normaals optrad, waren ze zo verrast, dat ze helemaal niet meer toekwamen aan het toetsen van de betekenis en het belang van het gebeurde. Als "geesten" en "spoken" bestaan - en het komt op hetzelfde neer, ook als we in plaats van deze woorden, neutraal en geleerd klinkende uitdrukkingen zetten - als er echt zoiets als geesten bestaat, dan moeten dat inderdaad, om met Dickens te spreken, "grote druppels" zijn.


Misschien is het begrip "zinloos," waarmee we hier te werk gaan, nog niet voldoende duidelijk geworden. Daarom zal ik een laatste voorbeeld uit mijn persoonlijke ervaring aanhalen. Een vriend, die in de essentie van het occulte gelooft, vertelde mij onlangs, dat Gustav Meyrinck bijvoorbeeld een occulte training heeft doorstaan, zoals geen enkele andere Europeaan. Ik ken de occulte training alleen uit boeken, heb de uitwerking daarvan niet aan mijn eigen lichaam ervaren. Maar mijn vriend was toch wat pijnlijk getroffen, toen ik hem zei, dat ik me erover verbaasde dat Meyrinck voor die bovenmenselijke inspanning, "die verder geen enkele Europeaan doorstaan heeft," slechts met een paar boeken beloond was, die het niet halen bij bijvoorbeeld de kunstzinnige grootsheid van Poe - om maar helemaal te zwijgen over de mensen die nog groter zijn dan Poe. Er bestaat duidelijk een wanverhouding tussen gebruikmaken van bovenzinnelijke krachten en het resultaat daarvan. Zinnelijke krachten bereiken meer. Het bovennormale blijft ondernormaal.


Diezelfde vriend vertelde mij ook, dat de huidige wetenschappelijke occultisten als kinderen met krachten spelen, terwijl ze geen flauw benul hebben van de ware aard daarvan; dat wanneer de muur van het onbewuste eenmaal doorbroken is, het einde van de wereld op handen is. Kan best. Zeker is dat het occultisme, als wij veronderstellen dat zijn resultaten waar zijn, niet de doorbraak naar een grotere wereld, maar hoogstens een inbraak in een ietwat lachwekkende gruwelkamer betekent. Bangmaken helpt niet. Als wij het onbewuste als de belangrijkste kracht van ons leven vereren, moeten wij het ook de kracht toevertrouwen om wat daaraan het meest eigen is, de kern, tegen een lompe aanval te beschermen.


Maar is het bovenzinnelijke dan echt altijd zinloos? Daar stuiten wij op de enorme beperktheid van het wetenschappelijke occultisme: het is alleen zinloos in het experiment, onder gecontroleerde omstandigheden. Het is niet zinloos als voorval in het leven.


Als Christus water in wijn verandert, omdat bruid en bruidegom geen sterke drank meer hebben; als hij in het bijzijn van de wenende, smekende vader een dode opwekt, wie kan dan over zinloosheid spreken? Maar het zijn juist gevallen, die het wetenschappelijke occultisme bij gebrek aan gecontroleerde omstandigheden niet wil geloven, die het ten slotte even fel bestrijdt als welke agnosticus dan ook. Dat ze hun waarde en geloofwaardigheid ontlenen aan de hele samenhang der dingen; dat die waarde en geloofwaardigheid alleen maar toeneemt, omdat Christus het wonder als bewijs van zijn persoonlijke waarde herhaaldelijk bruusk afwijst: dat gaat er bij hen niet in. Ze willen gecontroleerde omstandigheden en stuiten daarbij op de complete zinloosheid van de heksenkeuken zonder haar poëtische betovering.


Maar ze beroepen zich, precies als de ongelovigen, ook nog op iets heel anders: dat deze gebeurtenissen niet voor de hand liggen, misschien gelogen zijn en daarom in ieder geval niet geschikt zijn om te toetsen. Komen ze tegenwoordig dan niet meer voor? Ik lees bijvoorbeeld de mededeling van een soldaat, die op het slagveld opeens de stem van zijn overleden moeder hoort. Hij loopt die angstig achterna; op het volgende moment wordt het huis, waar hij uitliep, door een granaat vernietigd. Leugen? We weten het niet. De stijl van de verteller maakt dat onwaarschijnlijk. Toeval? Dan was het een heel wonderbaarlijk toeval. Is een natuurlijke verklaring door zelfhallucinatie mogelijk? Dat kan. Maar dat helpt het wonderbaarlijke resultaat, (niet de redding van een mensenleven, maar) de redding van een zoon door zijn gestorven moeder, niet de wereld uit. Om het even of het toeval of zelfbedrog is: het zinvolle contact tussen moeder en zoon blijft bestaan. Werpt iemand tegen dat dat voor hem te weinig is, dat hij van bovenzinnelijke krachten meer verlangt, dan alleen maar de voortzetting van het hier-en-nu-zijn, onder andere fysische omstandigheden, dan heeft hij mijn instemming. Maar wat hier bewezen zou moeten worden is alleen, dat dit "oncontroleerbare" geval even zinvol is als ons leven, terwijl gecontroleerde gevallen zinlozer dan ons leven zijn. Het geval, leugen, toeval of zelfbedrog, toont duidelijk het minste aan, wat we van het bovenzinnelijk kunnen verwachten. Het wetenschappelijke occultisme blijft overal onder dit minimum.


Wat is dan het resultaat van het huidige wetenschappelijke occultisme? Wij hebben het al kort aangestipt: het gaat daarbij minder om het onderzoek van occulte feiten, aan de kwaliteit waarvan het geen aandacht besteedt. Het gaat meer om het aan het wankelen brengen van de tot nu toe gangbare natuurwetten. Het valt namelijk niet te betwisten dat, als ook maar één keer tijdens een spiritistische seance een voorwerp vrij boven de tafel heeft gezweefd, de "zwaartekrachtwet" als onaantastbaar dogma opgeheven is. De op zich zinloze feiten, die het wetenschappelijke occultisme aan het licht brengt, lijken echter ons hele tot nu bestaande wereldbeeld, de wetten van de natuurwetenschap, in te laten storten.


Lijken? Nee, ze doen het. Ons tot nu toe bestaande wereldbeeld is bankroet.


Maar - was dit echt ons wereldbeeld? Het was het wereldbeeld van een bekrompen sekte van wetenschappers. En dat niet eens. Geen enkele, nog zo orthodoxe, gelovige in de natuurwetten heeft echt ook maar één minuut vanuit het gevoel geleefd, dat hij zich op een bol bevindt, die van haar kant weer om andere bollen heen draait, die van hun kant…..tot in het oneindige. Ptolemaeus, Copernicus en Einstein zijn de enige sprookjesvertellers, die ondanks al hun bewijzen, nooit geloofd zijn. Ze construeerden de eeuwig geldende natuurwetten en vergaten daarbij, dat ze wereld hoogstens opgemeten, maar niet als een driehoek geconstrueerd hadden. (Daarbij komt, terloops opgemerkt, dat de natuurwetenschappers in de geschiedenis van het occultisme een zeer grote rol gespeeld hebben. Als ze er eenmaal achter zouden komen, dat hun zogenaamde wetten geen wetten, maar alleen maar geconstructueerde gedachten zijn, zouden ze heel gemakkelijk geneigd zijn in het occultisme te vluchten.) Wij anderen hebben de vallende appel altijd als een wonder, iets onverklaarbaars beschouwd, dat maar één nadeel heeft, namelijk dat het te vaak voorkomt.


En toch zou hierin, in het kleinkrijgen van de arrogante wetenschappers, een verdienste van het wetenschappelijke occultisme kunnen liggen en menigeen, vooral de wetenschappelijke occultisten zelf, is naïef genoeg, dat ook zo te zien. Freiherr von Schrenck-Notzing kan dan wel de heer Newton triomfantelijk tegenwerpen dat zijn wet van de zwaartekracht kennelijk niet zo onaantastbaar is, dat het allesbehalve een wet is; want op 28 juli 1922 is, in zijn woning aan de Arcisstraße in München, een zware tafel, zonder dat daar fysieke kracht aan te pas kwam, van de vloer omhooggekomen. Dat zou dan een wetenschappelijke constatering zijn, waaraan niet te morrelen valt en die niet zo geconstrueerd zou zijn als de valwetten van de heer Newton. Alleen jammer dat Schenck-Notzing juist het tegenovergestelde doet. Hij (en de andere wetenschappelijke occultisten) construeert, om de dingen plausibel te maken, in een oogwenk opnieuw een fysieke kracht. Ze komen ten slotte tot de conclusie, dat de zaken eigenlijk helemaal niet zo wonderbaarlijk zijn. Ze smeken de heer Newton met aandrang hen alsnog in zijn sekte op te nemen. Rationalisme en materialisme vergroten hun actieradius.


Is dat alles? Maar ze construeren echter theorieën, hypothesen, die nog veel ontoereikender zijn dan die van hun wetenschappelijke tegenstanders.


"Het vergelijken van materialisatie-processen," zegt Österreich, "met de schepping Gods, ligt voor de hand. Ze doen zich voor als een zwakke afstraling van de goddelijke scheppingskracht, die van haar kant in staat is vormsels van een veel grotere consistentie en duurzaamheid te scheppen."


Het enige bezwaar daartegen is dat de scheppingskracht van God nog heel wat beter af te lezen valt aan de zeer bekende en zintuiglijke dingen, van embryo tot een gedicht van Goethe, dan aan het bovenzinnelijke - onzinnige anatomische wassenbeeldenkabinet van de mediums.


In ieder geval moet Gods scheppingskracht het zich laten welgevallen, als ze in verband wordt gebracht met materialisatieverschijnselen. De zaak wordt nog erger, als datzelfde met de mystiek gebeurt, als vooralsnog wordt beweerd dat tussen de inspiratie van een genie en die van een magiër een volmaakte analogie bestaat; terwijl hier noch daar de gezegende zich door ethische kwaliteiten hoeft te onderscheiden (wat duidelijk onzin is, want genieën zijn werkers, werkers, werkers, werkers; mediums en magiërs zijn de eeuwig werkelozen); en daar aansluitend wordt ook nog benadrukt, dat tussen Meester Eckhardt en de occultist slechts een gradueel, niet wezenlijk onderscheid bestaat.


Wat er wel is, is niet alleen een onderscheid, maar een in wezen vlijmscherpe tegenstelling.


Maar dan om de dooie dood niet in die zin, dat mystiek aanbidden van de intuïtie, stilzwijgende verering van het onverklaarbare zou zijn, en het verklaren van occulte verschijnselen rationalisme. Mystiek is immers niet gewoon het bekennen van een niet-weten, maar het hele domein van het rationele doorkruist hebben, en ten slotte een niet-meer-weten, een weer-bewust-worden. Het wetenschappelijke occultisme is precies het omgekeerde: de poging om experimenteel met een grote sprong het wonderbaarlijke (dat de mysticus hoogstens onderweg als pleisterplaats aantreft) te bereiken en het vervolgens rationeel te verklaren. Mystiek komt ná ratio, tijdelijk en causaal. Voor het occultisme komt de ratio ná het "wonder." Dat komt nog duidelijker aan het licht in de manier waarop. De mysticus smeekt de lezer bijna, na elke bewering, om verontschuldiging: het is allemaal niet zo bedoeld: eigenlijk valt er helemaal niets te zeggen; woorden zijn volstrekt ontoereikend en bijna zondige voorstellingen. De occultist gelooft, heel natuurwetenschappelijk, alles te kunnen verklaren. Hij is niet door de ratio heen gegaan. Hij is daar nog niet eens echt mee begonnen. Anders waren hem de zinloze resultaten van zijn pogingen wel vanzelf opgevallen.


XIX De Winkel van Sinkel

Wat is Antroposofie?


Dat is de Winkel van Sinkel van alle, maar ook alle verkapte, religies, voor alle rangen en beroepen, alle geslachten, alle leeftijden.


Bent u arts? Wij beschikken over vier lichamen en een paar tussenvormen.


Bent u filosoof? Ho, ho, een onbegrensd en overvloedig magazijn, 253 wereldbeschouwingen.


Wij zien dat u de bekende danseres bent, freule? Alstublieft, meteen rechtsaf: benedenetage, afdeling euritmie.


Bent u historicus? Moge ik u verzoeken u op de tweede etage te vervoegen? verleden en toekomst.


Wat? Hebben wij de eer kennis te maken met een in gewetensnood verkerende theoloog? Ik verzoek u, lift rechts…Zeker, onze afdeling beschikt over 7 Christussen en 14 apocalypsen….Vanzelfsprekend, u kunt daar ook andere dan christelijke religies krijgen.


U bent optimist? Maakt u dan alstublieft een afspraak op de Afdeling Wedergeboorte, bij de mevrouw in het wit.


Een pessimist? Niet zo erg. Ik verzoek u een afspraak te maken in het souterrain, bij onze Afdeling Wedergeboorte, zonder concurrentie, bij de mevrouw in het zwart.


Wil geen enkele variétédirecteur u meer aannemen als boeienkoning? O, dan helpt onze Afdeling Yoga u wel.


Een behoeftige schrijver? Ja, ja, die ellende met de pers! Nou, wij beschikken in ieder geval over ettelijke tijdschriften en een uitgeverij; misschien valt daar wat te regelen.


Maar natuurlijk, mevrouw. Wij beschikken over een zorgvuldig geleide afdeling voor levenslustige ontroostbare weduwen.


U bent timmerman?.....Een eerzaam beroep….de vader van Christus….we zullen zien of we iets voor u kunnen doen. Als u zich goed gedraagt: het Goetheanum wordt herbouwd.


Ah, waarde heer Geheimraad, u bent politicus en zakenman? Een moment alstublieft. Neemt u een clubfauteuil en een Waldorfsalade…..U weet toch, de directeur en de Engelse minister voor onderwijs….Daar komt de rayonchef voor de driedeling van de maatschappelijke organisatie….Mag ik….


Dat zijn kwalijke grappen, maar kritiek?


Maar de poging tot een rationele kritiek levert eigenlijk precies hetzelfde op. Als ik opmerk dat de heer Steiner in zijn boeken eerder Couthsmalerij bedrijft dan esoterisch wetenschap, dan antwoordt hij, dat dat een hele andere betekenis heeft, dan ik denk.


Wijs ik hem op de logische tegenstrijdigheden, dan zegt hij dat die vanzelf verdwijnen, als ik maar wat dieper in de zaak doorgedrongen ben.


Volg ik de esoterische opleiding zonder resultaat, dan verwijt hij mij haarscherp dat daar uitsluitend mijn ontbrekende toewijding, mijn wijsneuzige verstand debet aan is. (Volg ik de esoterische opleiding met succes, dan moet ik afzien van mijn gezond verstand.)


En roep ik hem ten slotte toe, dat zovelen, geknakt voor het leven, met een verward brein, grijze haren en vermoeide ogen, afscheid hebben genomen van de antroposofie, dan zegt hij beklagenswaardig koudbloedig, dat die het dan niet waard, ongeschikt geweest zijn om het schitterende en verzengende licht van zijn geest en zijn bovenzinnelijke openbaringen te verdragen.


Hier staat elke kritiek machteloos. Wij hadden dat al een keer gezien: bij Cagliostro; aan Heinrich Conrad danken we de publicatie van een dagboek, dat Elisa von der Recke, eerst zijn leerlinge, daarna zijn critica, over hem heeft bijgehouden. Tegen Cagliostro's laatste redmiddel valt niet in te redeneren. Als de zaak penibel wordt, gaat hij van trots op zijn kennis over naar uiterste nederigheid en ogenschijnlijke gewetensnood; ook om zijn grote geest vechten, net als om die van zijn leerlingen, goede en kwade geesten. Een hoogmoedige bedrieger is ook nog bij een grote onderdanigheid van zijn leerlingen te doorzien, al zet hij een grote mond op, verspreekt hij zich voortdurend en draagt hij nieuwe oplossingen aan. Maar wie kan een af ten toe, als het netelig wordt, nederige en kennelijk in gewetensnood verkerende heilige te lijf gaan? Hij zelf niet eens. Eén keer is de onbehouwen Siciliaan zo onfortuinlijk om in aanwezigheid van een Baltische baronesse een obscene grap te vertellen. En zij, die door geen enkele goede raad van haar geloof af te brengen was, voelt zich nu tot in het diepst van haar hart ernstig gekwetst. Toen "verloor Cagliostro mijn hele vertrouwen." Nu gelooft ze - wat? Dat de zogenaamde graaf een boerenpummel is? Dat de man die zogenaamd in de leer geweest is bij alle grote meester uit Oriënt en Oosten in werkelijkheid een onnozele kermiskoopman is? Zij komt tot een bijna tegenovergestelde conclusie, namelijk dat Cagliostro nu helemaal "ten prooi gevallen is aan boze geesten." Op hetzelfde ogenblik dat hij haar vertrouwen beschaamt, haar tot in het diepst van haar hart krenkt, krijgt ze - nog veel gevaarlijker! - medelijden met hem.


Ook na zijn val geloven zijn discipelen nog steeds vast in hem. Zelfs na zijn veroordeling en het openbaarmaken van de processtukken, beweerde Lavater nog, hoe dan ook niet de eerste de beste, dat de veroordeelde weliswaar zonder twijfel een grote bedrieger was geweest, maar - dat men niet de echte Cagliostro veroordeeld had. In de kerker van de Inquisitie in Rome ligt een sujet, dat zich deze eerbiedwaardige naam heeft aangemeten.


Zoals gezegd, kritiek staat hier machteloos. Ik heb er ook nog geen gelezen, die ook maar een poging tot analyse heeft gewaagd. De critici beperken zich veeleer tot het op de voorgrond plaatsen van afzonderlijke, bijzonder aanstootgevende en lachwekkende gevallen en vervolgens als het ware schouderophalend te zeggen, ja, als jullie het nu nog niet inzien, zijn jullie ook niet te helpen. Er valt ook niets te helpen. Als Steiner beweert, dat op grond van de bijbelpassage: "Het Woord is vlees geworden" het strottenhoofd op zekere dag een geslachtsorgaan zal zijn, dan roepen wij de onthuller allemaal toe: sapienti sat (één woord is voor een wijs man genoeg). Maar het valt niet te ontkennen, dat dit optreden, hoe verstandig en gefundeerd ook, het tegenovergestelde van kritiek is.


Voor zover ik kan beoordelen, zijn alle tegenstanders van Steiner van mening, dat hij beweringen doet zonder bewijs; en aan dat feit hechten ze veel waarde. Maar wij beweren allemaal wel eens wat zonder het te bewijzen en tegen een bewering zonder bewijs kan altijd nog een tegenbewijs aangevoerd worden. Als Freud bijvoorbeeld zonder bewijs beweert, dat de droom een wensvervulling is, kan ik door logisch te werk te gaan deze bewering tot haar feitelijkheid terugbrengen: elke droom kan geduid worden als wensvervulling.


Bij Steiner ligt de zaak omgekeerd. Hij doet geen beweringen en laat daardoor ook geen tegenbewijs toe. In principe beaamt hij alles, sluit niets uit; alle empirische feiten, alle 253 wereldbeschouwingen, alle religies worden onderschreven. Hij aanvaardt bovenzinnelijkheid en zinnelijkheid; hij aanvaardt intuïtie en wetenschap. Hij laat iedereen op zijn eigen manier zalig worden. Juist op het feit dat hij belooft dat religie en wereld, geest en vlees, God en natuur niet met elkaar te verzoenen zijn; nee, zelfs belooft dat het vlees goddelijk, de driften religieus, het lichaam, nee, van de lichamen het vaatwerk van de openbaring gemaakt kunnen worden, berust zijn succes, ook bij serieuzere mensen.


(Het enige dat hij vooralsnog niet aanvaardt, zijn de tegenstanders van de antroposofie. Maar dat komt binnenkort nog wel. Ook dat ander duistere punt, de Courthsmalerij, zal hij wegmoffelen, als hij daar maar vaak genoeg op gewezen wordt. Steiner is een ambitieuze man. Hij kan ook anders.)


Dus wat valt er tegen hem te ondernemen? Honderd jaar geleden hebben de beste mensen daarover al hun hoofd gebroken. Conrad vertelt daar wat over. Schiller schreef zijn "Geestenziener," Goethe "Groß-Kophta" en vreselijk ironische aantekeningen: Kant vergeleek die misstanden met de griep, wat sindsdien vaak herhaald is, en vervolgt: "Tegen deze onzin is dus verder niets anders te doen, dan de animale magnetiseur gewoon te laten magnetiseren, zolang het hem en andere lichtgelovigen maar bevalt. Zoiets uitgebreid weerleggen druist in tegen de waardigheid van het verstand en richt ook volstrekt niets uit…. Zoals ook soortgelijke gebeurtenissen in de morele wereld, steeds maar een korte tijd duren, om weer voor andere dwaasheden plaats te maken." Maar u bent allemaal één middel tegen die onzin, zonder twijfel het enige doeltreffende, vergeten. De grote Catharina was, met haar gezonde mensenverstand, wijzer en minder gelaten dan de grote Immanuel: ze bestreedt Cagliostro met - drie blijspelen. (Om niet onheus te zijn: hoe zeer was Cagliostro niet superieur aan de heer Steiner! Door welke waas van het echte leven werden zijn voorvaderen omhult? Hij was een grootse avonturier; Steiner is maar een degelijke eigenaar van een Winkel van Sinkel. Ook de mystagogie raakt in verval en wordt bureaucratisch. We leven in een decadente tijd.)


Hoe zou een blijspel over verkapte religies er tegenwoordig uitzien?


Eerste bedrijf: De grote tevredensteller; zie het begin van dit hoofdstuk.


Tweede bedrijf: De nog veel grotere tevredensteller; de grote Steiner komt op als een onbeduidende voorloper. Maar het echte moet natuurlijk pas beginnen bij de heel grote tevredensteller. Steiner is nog steeds een kleine buitenstaander. Een verschrikkelijk gevecht om de zielen van de aanhang, om mannetjes en vrouwtjes, sigarettenfabrieken en uitgeverijen, om naar verlossing zoekende theologen en danseresjes. De grote tevredensteller behaalt de zege. ( Bijvoorbeeld door de lievelingsleerlinge van de tevredensteller, die met dat vele geld.) Het nieuwe tijdperk breekt aan, de grote tevredensteller bereikt alles, wat Steiner niet bereikt heeft.


Derde bedrijf: De bedrieger. Hij leidt door bedrog, door gebruik te maken van beide anderen, de wereld weer terug tot het gezonde verstand - en de grap is dat dat de enige manier blijft, waarop de wereld het gezonde verstand weer terug kan krijgen.


Dat hoeft geen dwaas en onbeschaamd blijspel te zijn; ook geen didactisch toneelstuk. Als de dichter door het onderwerp gegrepen wordt, kan hij daarin de benarde toestand van al het geschapene vrolijk laten jammeren; de, en beslist niet verachtelijke, onvoldaanheid, het geworstel, nee, geen geworstel, maar het zuchten en steunen, de hoop en vrees, die tegenwoordig ook waardevolle mensen tot de antroposofie brengt. Ja, hij zou nog meer kunnen, als hij dichter zou zijn: ons allemaal het stuk verkapte religie tonen, dat ergens binnen in ons schuilt, de nieuwsgierigheid, die "daar achter wil komen."


Maar als hij daarmee tot het einde toe doorgaat, wordt het stuk onder zijn handen voor hem een tragedie. Want was is antroposofie eigenlijk? Het tegenwoordige antisemitisme is de schuld en schande van iedereen, die in Duitsland in de politiek zit. De antroposofie, de Winkel van Sinkel van de verkapte religies, is de schuld van iedereen, die doet alsof hij zielzorger is, om het even of hij dat door middel van religie of kunst doet, filosofie of politiek. Om het even of hij in het bezit is van een kansel, gehoorzaal, uitgeverij, krant of en schrijfbureau. Wij wilden zielzorger zijn; en de heer Steiner, de eigenaar van een Winkel van Sinkel, onderhoudt ons daar zeer streng over en zegt dat wij dat niet zijn.


XX Arbeid en Genade

Mensen voortijdig troosten, hen een toevlucht bieden, terwijl de strijd nog niet gestreden is, nog niet eens begonnen is, hen deserteur uit hun eigen zaak maken: dat is de gevaarlijkste kant van de verkapte religies.


Niemand van ons is daar vrij van, zelfs de religie niet. Wij zijn immers geneigd gedachten en speculaties over religie en haar noodzakelijkheid, te verwisselen met het ontwaken van de religie. Wij zien al te gemakkelijk de religieuze hunkering van onze tijd aan voor een voorstadium van religieuze vervulling, voor toevlucht en geborgenheid.


Wij nemen allemaal liever de gemakkelijke manier van het voortijdig ophouden, de vlucht in een of ander idee.


We vluchten in plaats van te vechten: de een in zijn religieuze hunkering, de ander in verkapte religies. Niet zelden sluiten beiden een verbond en in het ergste geval wordt religie een verkapte religie.


Wat moeten we doen?


Wij hebben geen geloof, dat ons allemaal omspant en weten niet of een dergelijk geloof ooit zal komen. Maar één ding moeten we weten, dat het niet afgedwongen, door werk verdiend of door allerlei gedachten slinks verworven kan worden.


Het werk, dat we doen en waar we op kunnen rekenen, is het ene van het andere scheiden; scherp, indringend, onderzoekend en toch op het laatst onbezorgd in ons werk. Laten we afscheid nemen van hopen op de toekomst, de aangename en lichtzinnige troost van de verkapte religies; laten we eerst eens onder ogen zien, iedereen met een weldoordacht helder beeld daarvan, wat hij van wereld en mensen wil maken: dan mag zich aan ons het wonder voltrekken: Hebt uw vijanden lief. Laten wij alleen maar, zonder opwekkende middelen en opiaten, zonder roes, lichtzinnigheid en voorbarige troost, de moed hebben elkaars vijand te zijn, dan zouden wij elkaar toch nog als vijanden lief kunnen hebben, omdat alle mensen dan met elkaar bijdragen aan een grotere duidelijkheid en meer kracht.


Dát hebben wij in onze macht. Dát kan ons werk verrijken.


Daar bovenuit ligt - Genade.



Aanhangsel


DE BRIEF VAN KAPITEIN GUIDO VON GILLHAUSEN


3.8.1914:


IIe Bataljon/3e Garderegiment te voet: Kapitein Guido von Gillhausen, compagniescommandant van de 6e compagnie/3e Garderegiment te voet: "Het voorgevoel." In de nacht van 3 augustus 1914, op de tweede dag van de mobilisatie, heeft kapitein Guido von Gillhausen van het 3e Garde-Regiment te voet, een schokkend visioen. Nog datzelfde uur legt hij het beeld dat hij zag, schriftelijk vast en overhandigt het aan prins Friedrich Wilhelm van Pruisen. Daarna trek"t hij aan het hoofd van zijn 6e compagnie mee te velde. Een jaar later maakt de prins de brief open en geeft hem terug aan de inmiddels tot majoor bevorderde kapitein. Majoor von Gillhausen raakt op 24 april 1918 zwaargewond in de omgeving van Villiers-Bretonnaux en sterft acht dagen later. De executeur-testamentair vindt in nalatenschap de opnieuw verzegelde brief, waarin de gesneuvelde officier zijn visioen tijdens het uitbreken van de oorlog beschrijft. De brief luidt als volgt:


"Wat ik op 3 augustus 1914 vroeg in de ochtend zag. Hoe zal de oorlog verlopen? Niet in een korte spanne tijds. Ik zie vele vijanden aan mij voorbijtrekken en herken België duidelijk als de vijand, die ons in zijn mateloze wreedheid vreselijke verliezen toebrengt. In het Westen duikt, naast Frankrijk, waarvan ik zie dat het aangevallen, vertrapt en overweldigd wordt door Engeland, juist dat Engeland op als onze belangrijkste vijand. (De oorlogsverklaring van Engeland volgde pas veertig seconden na dit visioen. ) Ook in Afrika wachten ons zware gevechten, maar daar schijnen ook blanken te zijn, die ons willen vernietigen. Tussen beide werelddelen ontwaar ik een vage gestalte, die het ons ook lastig maakt, zonder dat ik wist, wie dat kon zijn. (Heeft de officier hier al het bolsjewisme voorzien?) Italië haast zich samen met Engeland, Frankrijk en Rusland gemene zaak tegen ons te maken. Op de Balkan: Servië en Roemenië. Ik bied weerstand tegen Roemenië, maar dat houdt stand. Ik begrijp het niet, maar het houdt stand. Rusland bezorgt ons veel last, maar zal het onderspit delven, ondanks de hulp van Japan, zoals Amerika ook Engeland helpt. Ik zie Roosevelt de koning van Engeland brood en wijn aanreiken en hem op de schouder kloppen, geld geven, een kruithoorn, een dolk en loden kogels, maar Roosevelt leek toch onze vriend!!? - De oorlog wordt gruwelijk en zal jaren duren. Er komen steeds nieuwe vijanden. Ik zie ze vanuit alle landen ter wereld naar Engeland snellen, dat tegen ons is, en zich daarbij aansluiten. Enorme afstanden zullen zich voordoen, en daar moeten wij vechten. Bijna alle volkeren worden erbij betrokken. Ik zie oorlog van Noord-Amerika tot Australië, van Servië en Japan tot Kaap Hoorn. En overal duikt Engeland op. Het zit ook in alle ministeries van onze vijanden en regeert meedogenloos en egoïstisch en ze buigen allemaal, allemaal! Ik zie geen uitzondering. Is dat mogelijk? Duitsland raakt in een vreselijke positie en in 1981 wordt het op zijn ergst, in 1920 schijnt de oorlog afgelopen te zijn, of alleen maar wapenstilstand?, het ziet ernaar uit. (Het vredesverdrag van Versailles werd op 10 januari 1920 daadwerkelijk van kracht!) – Of de keizer 1921 nog meemaakt? Ik zag de keizer, met een hermelijnen mantel om en een kroon op het hoofd, de poten van zijn eigen platgelegde troon afzagen. Terwijl hij daarmee bezig was, werd de hermelijnen mantel steeds grauwer en stoffiger, zakte steeds verder af, terwijl de kroon steeds meer ineenschrompelde en de keizer in het niets verdween. Voor mij is het alsof Engeland in Egypte of India de doodsteek krijgt. Duitsland komt vreselijke verzwakt uit de oorlog en heeft 30 jaar nodig om er weer bovenop te komen. Rusland ontwaakt en vecht met Amerika om het bezit van de toekomst. – God zij met ons!"


Naar boven