Home

VOOR WIE DIT LEEST

door

Portret Edward Bellamy

Edward Bellamy

1898


Inleiding bij deze vertaling:

In deze parabel wijst Edward Bellamy op het bedrieglijke, leugenachtige en ontoereikende van de taal, maar hij was niet de eerste en de laatste die dat begrepen had.

Zhuang Zi schreef vierentwintig honderd jaar geleden:

"De wereld denkt, dat de beste verklaring van Tau in boeken is te vinden. Maar boeken zijn slechts een verzameling van woorden. Woorden hebben iets kostbaars in zich; dat is de gedachte, die zij dragen. Maar die gedachte is het gevolg van iets anders, en juist dat andere kan niet in woorden worden uitgedrukt. Wanneer de wereld om de waarde, die zij aan woorden hecht, die overbrengt op boeken, kan zij waarderen, wat geen waardering verdient; want wat zij waardeert is niet de werkelijke waarde."

Erasmus was in De Lof der Zotheid nog duidelijker:

"Want dat simpele volk uit de gouden eeuw, met geen wetenschap gewapend, leefde enkel volgens de leiding en ingeving der natuur. Waar diende grammatica immers toe, daar allen dezelfde taal hadden en men van het spreken niets anders eiste dan dat de een de ander begreep? Wat was het nut van dialectiek, daar er immers geen enkele strijd tussen botsende meningen bestond? Waar had men redeneerkunst nodig, daar niemand de ander last bezorgde? Waartoe zou men de wijsheid der wetten verlangen, daar er geen slechte zeden bestonden waaraan ongetwijfeld de goede wetten hun bestaan danken? Voorts waren ze te vroom dan dat ze uit zondige nieuwsgierigheid de geheimen der natuur, de afmetingen, bewegingen en invloeden der hemellichamen, de verborgen oorzaken der dingen naspeurden, daar ze het ongeoorloofd achtten dat een sterfelijk mens méér kennis tracht te vergaren dan hem is toebedeeld. Om te vragen wat er boven de hemel was - die waanzin kwam zelfs niet bij hen op! Maar toen de zuiverheid van het gulden tijdperk geleidelijk verdween, zijn het eerst door kwade geesten, zoals ik al zei, de wetenschappen uitgevonden, weinige nog maar en ook maar door weinigen aanvaard. Later heeft het bijgeloof der Chaldeeën en de lichtzinnigheid der luierende Grieken er ontelbare aan toegevoegd, je reinste levensmartelingen, zozeer dat zelfs de grammatica alleen al meer dan voldoende is om je een leven lang te folteren."

In zijn émile schreef Jean-Jacques Rousseau:

"Onze talen zijn menselijke creaties. Lange tijd heeft men gezocht naar een natuurlijke, alle mensen eigen zijnde taal; en die bestaat ook stellig, het is de taal die de kinderen spreken voordat ze kunnen praten. Het is een taal die niet gearticuleerd is, maar wel geaccentueerd, helder en verstaanbaar. Wanneer we leren spreken, wordt die taal veronachtzaamd en raakt ze praktisch in vergetelheid."

Gustav Flaubert vermeldt in Madame Bovary:

"Taal is een gebarsten ketel waarop wij wijsjes trommelen, waarop beren kunnen dansen, terwijl we sterren hadden willen vertederen."

In De Opstand der Horden schrijft Ortega y Gasset:

"De zuivere waarheid is namelijk dat het de mens onmogelijk is zich met zijn gelijken te verstaan omdat hij gedoemd is tot volstrekte eenzaamheid en hij zich dus uitput in vruchteloze pogingen zijn naaste naderbij te komen ......wanneer de mens begint te spreken doet hij zulks omdat hij meent dat hij zal kunnen zeggen wat hij denkt. Welnu, dat is het bedrieglijke. Zover reikt de taal niet.......duo si idem dicunt non es idem."

En tot slot Abel Herzberg in zijn novelle Drie Rode Rozen:

"Al door het zeggen van het woord, deelt men, scheidt men en schendt het alomvattende, dat men niet kent." Dat alomvattende, die eenheid, noemt hij God "en wij, fragmenten als wij zijn en fragmenten die wij maken, zijn niet in staat hem in beeld of in woord en zelfs niet in gedachten te vatten. En wij verlangen dat; wij hunkeren ernaar. Wij zijn niet tevreden met het fragment, wij moeten de Eenheid beleven."

"Talen zijn menselijke creaties" schrijft Rousseau, en die menselijke creaties dienen om een door de mens gecreëerde maatschappij, waarin ongelijkheid heerst tussen de mensen en intermenselijke verhoudingen op macht gebaseerd zijn, in stand te houden, "waarin mensen volstrekt eenzaam zijn en zich dus uitputten vruchteloze pogingen zijn naaste naderbij te komen" volgens Ortega. De taallozen in deze wereld zijn de dieren en de kleine kinderen, waarvan de eerste het uitstekend kunnen stellen zonder taal en de laatsten aangepast moeten worden aan de grote-mensenwereld en dus even leugenachtig moeten worden als hun opvoeders.

In dit verhaal schaft Bellamy weliswaar de gesproken taal af, maar laat hij gedachten bestaan, maar beiden kunnen niet zonder elkaar en de ontwikkeling van het ene loopt in de pas met die van het andere. Kleine kinderen zijn aanvankelijk alleen aangewezen op de nonverbale communicatie. Ze voelen angst, boosheid, onzekerheid en spanning bij hun opvoeders als ze leren praten is die eigenschap niet meteen verdwenen, maar  signaleren daarnaast ragfijn als er een discrepantie bestaat tussen wat grote mensen zeggen en laten zien. De zogenaamde "helder"zienden of gedachtelezers,  weten niet wat zich in het hoofd van de ander afspeelt, maar ze kijken en luisteren gewoon heel goed en zien diezelfde discrepantie. Er klopt iets niet, er is een verschil tussen binnen en buiten.

Kan de mens dan zonder taal? Natuurlijk kan dat, maar niet in een wereld waarin geen mensen, maar alleen identiteiten rondlopen, die allemaal een verschillend samenraapsel van meningen vertegenwoordigen, die ze zich eigen hebben gemaakt. Mensen zijn het altijd met elkaar eens, alleen identiteiten maken ruzie en voeren oorlogen.

Na zijn terugkeer in de wereld van identiteiten, "dat schokkende Babel van een natie van praters, die bittere schijnvertoning," verzucht de hoofdpersoon dat het zonder twijfel beter is dat hij doodgaat. Hij voelt dezelfde weerzin als Gulliver, na zijn verblijf bij de Houyhnhnms, terugkeert bij de Yahoo’s in Engeland, naar zijn tuintje in Redriff. "Ik zal oprecht naar mijzelf in de spiegel kijken, om mij op die manier zo mogelijk langzamerhand eraan te wennen om de aanblik van een menselijk wezen te verdragen…..Maar als ik een klomp wanstaltigheid en ziekten van lichaam en geest zie, opgezadeld met hoogmoed, dan loopt de maat van mijn geduld meteen over. Ik zal ook nooit kunnen begrijpen hoe zo’n dier en zo’n ondeugd met elkaar kunnen stroken."

De vertaler


Het is nu ongeveer een jaar geleden dat ik in Calcutta aan boord ging van het schip de Adelaide met de bestemming New York. We hadden prachtig weer tot het eiland Nieuw Amsterdam in zicht kwam, waarna we onze koers verlegden. Drie dagen later werden we overvallen door een verschrikkelijke storm en joegen vier dagen lang voor de wind voort, maar niemand wist waarheen, want zon, maan en sterren waren geen enkel moment zichtbaar en dus konden we onze positie niet bepalen. Tegen middernacht van de vierde dag bleek bij het licht van de bliksemschichten dat de Adelaide zich in een hopeloze positie bevond, vlak bij een laagliggende kust waar ze recht naartoe dreef. Overal in het rond en tot ver terug naar de zee was een doolhof van rotsen en ondiepten, zodat het een wonder was dat we zo ver gekomen waren. Op dat moment liep het schip aan de grond en het geweld van de zee was van dien aard dat het vrijwel meteen aan stukken sloeg. Ik beschouwde mezelf als verloren en had eigenlijk al het ergste van de verdrinkingsdood ervaren, toen ik met een verschrikkelijke klap op het strand werd geworpen en weer bij bewustzijn kwam. Ik had net genoeg kracht om me buiten het bereik van de golven te slepen, viel neer en wist niets meer.

Toen ik ontwaakte was de storm voorbij. De zon, die al halverwege aan de hemel stond, had mijn kleren gedroogd en de kracht van mijn gekwetste en pijnlijke ledematen doen herleven. In zee en op de kust zag ik geen spoor van mijn schip of metgezellen, van wie ik de enige overlevende leek te zijn. Maar ik was niet alleen. Een groep mensen, kennelijk de inwoners van het land, stond vlak bij me en sloeg me gade met een vriendelijke blik, wat meteen een eind maakte aan mijn ongerustheid over wat er zou kunnen gebeuren als ik in hun handen viel. Het waren blanke en aantrekkelijke mensen, kennelijk van een hoog beschavingspeil, hoewel ik bij hen niet de trekken herkende van een volk dat mij bekend was.

Toen ik zag dat het kennelijk hun idee van omgangsvormen was om vreemdelingen met het gesprek te laten beginnen, sprak ik ze toe in het Engels, maar behalve een verontschuldigende glimlach, slaagde ik er niet in om enig antwoord uit te lokken. Daarna richtte ik me achtereenvolgens tot hen in het Frans, Duits, Italiaans, Spaans, Nederlands en Portugees, maar zonder beter resultaat. Ik begon me ernstig af te vragen tot welke nationaliteit een blank en duidelijk beschaafd volk zou kunnen behoren, dat geen enkele van de talen van de grote zeevarende naties kon verstaan. Het allervreemdst was het onafgebroken zwijgen waarmee ze mijn pogingen gadesloegen om met hen een gesprek te beginnen. Het was alsof ze afgesproken hadden om mij zelfs niet met gefluister een aanwijzing te geven over hun taal, want terwijl ze elkaar glimlachend aankeken met een blik van verstandhouding, deden ze hun mond niet open. Dat gedrag wekte het vermoeden dat ze zich ten koste van mij vermaakten, maar die veronderstelling werd tenietgedaan door de onmiskenbare vriendelijkheid en het mededogen die hun hele optreden uitdrukte.

Er kwam een uiterst vreemd vermoeden bij me op. Zou het kunnen dat deze eigenaardige mensen doof waren? Een speling der natuur, waarbij een heel volk zo aangetast was, was eigenlijk niet bekend, maar wie weet wat voor wonderen, in de enorme onontdekte streken van de grote Zuidelijk Oceaan, tot nu toe misschien verborgen zijn geweest voor de menselijke kennis? Maar tussen de stukjes nutteloze informatie die in mijn hersenen sluimerden, bevond zich ook wat kennis van het doofstommenalfabet en meteen begon ik met mijn vingers een paar van de zinnen te spellen, die ik al met zo weinig resultaat had geuit. Mijn teruggrijpen naar gebarentaal overwon het laatste restje ernst bij de al uitbundig glimlachende groep. Nu rolden de kleine jongens schaterlachend over de grond, terwijl de ernstige en eerbiedwaardige volwassenen, die zich tot dan toe hadden kunnen inhouden, genoodzaakt waren even hun gezicht af te wenden en ik hun lichaam kon zien schudden van het lachen. De grootste clown ter wereld had nooit een vleiender blijk van waardering gekregen voor zijn vermogen om te vermaken, dan werd opgeroepen door mijn pogingen om me verstaanbaar te maken. Maar ik voelde me natuurlijk niet gevleid, maar in plaats daarvan volledig in verlegenheid gebracht. Ik kon niet echt boos zijn, want door de verontschuldigende manier waarop ze allemaal, behalve natuurlijk de jongens, geen weerstand konden bieden aan hun beeld van iets lachwekkends, en het onbehagen dat ze toonden omdat ze zich niet konden beheersen, leek ik de aanvaller. Het was alsof ze erg met me begaan waren en bereid om mij helemaal ten dienste te zijn, als ik alleen maar zou ophouden met hen, door me zo buitengewoon absurd te gedragen, te verlagen tot een toestand van onbekwaamheid. Dit duidelijk beminnelijke volk had een zeer verrassende manier om vreemdelingen welkom te heten.

Juist op dat moment, toen mijn verbijstering haast uitliep op ergernis, kwam hulp opdagen. De kring opende zich en er stond een kleine oude man, die zich duidelijk gehaast had, tegenover me, boog heel hoffelijk en sprak me toe in het Engels. Zijn stemgeluid was het meest deerniswekkende rudiment van een stem dat ik ooit had gehoord. Het vertoonde niet alleen alle gebreken in articulatie van een kind dat net begint te praten, maar had zelfs niet de kracht van een kinderstem en was eigenlijk niets anders dan een afwisseling van kreten en gefluister, die op vijf meter afstand onhoorbaar was. Maar met enige moeite kon ik hem redelijk volgen.

"Als de officiële tolk," zei hij, "heet ik u van harte welkom op deze eilanden. Zodra u ontdekt was hadden ze me gewaarschuwd, maar ik kon pas nu komen, omdat ik een eind weg was. Dat spijt me, want mijn aanwezigheid zou u deze verlegenheid bespaard hebben. Mijn landgenoten willen dat ik een goed woordje bij u doe en hen verontschuldigen voor de geheel ongewilde en onbeheersbare vrolijkheid die opgeroepen is door uw pogingen om met hen een gesprek aan te gaan. U moet weten dat zij u uitstekend verstonden, maar u niet konden antwoorden."

"Lieve hemel!" riep ik uit, ontsteld doordat ik begreep dat mijn vermoeden juist was, "hoe kan het dat ze allemaal zo getroffen zijn? Hoe kan het dat u de enige van hen bent die zijn spraakvermogen nog heeft?"

Opnieuw leekt het dat ik, geheel onopzettelijk, iets verschrikkelijk grappigs had gezegd, want bij mijn woorden rees een gedempt gelach op uit de groep, dat aanzwol tot een heel koor, dat het klotsen van de golven op het strand aan onze voeten overstemde. Zelfs de tolk glimlachte.

"Denken ze dat doof zijn zo vermakelijk is?" vroeg ik.

"Ze vinden het heel vermakelijk," antwoordde de tolk, "dat hun onvermogen om te praten door iemand gezien wordt als een aandoening, want door hun spraakorgaan opzettelijk niet te gebruiken zijn zij hun spraakvermogen kwijtgeraakt en als gevolg daarvan ook het vermogen om taal te begrijpen."

"Maar," zei ik, enigszins ontdaan door deze uitspraak, "hebt u me net niet verteld dat ze me verstonden, maar niet konden antwoorden en lachen ze dan nu niet om wat ik zo-even gezegd heb?"

"Ze verstonden u, niet uw woorden," antwoordde de tolk. "Ons praten is voor hen nu gebrabbel, op zich even onbegrijpelijk als het grommen van dieren, maar ze weten wat we zeggen, want ze kennen onze gedachten. U moet weten dat dit de eilanden zijn van de gedachtelezers."

Dat waren de omstandigheden van mijn kennismaking met deze buitengewone mensen. Omdat de officiële tolk uit hoofde van zijn functie belast was met het onthaal van gestrande leden van de sprekende naties, werd ik zijn gast en bracht ik een aantal dagen door onder zijn dak, voordat ik me wat verder onder de mensen begaf. Mijn eerste indruk was enigszins benauwend geweest, namelijk dat alleen wezens die superieur waren aan de mens konden beschikken over het vermogen om gedachten te lezen. De eerste taak van mijn tolk was om mij wat dat betreft uit de droom te helpen. Uit zijn verhaal bleek dat de ervaring van de gedachtelezers gewoon een zaak was van een, door speciale oorzaken teweeggebrachte, lichte versnelling van de loop van de wereldwijde menselijke evolutie, die op den duur bestemd was uit te lopen op het in onbruik raken van de taal en de vervanging daarvan door het rechtstreeks gadeslaan van de gedachten bij alle volken. De snelle evolutie van deze eilandbewoners was te danken aan hun bijzondere afstamming en omstandigheden.

Ongeveer drie eeuwen voor Christus begon een van de koningen van Perzië, een Parth van de dynastie van de Arsaciden, met de vervolging van de waarzeggers en magiërs in zijn rijk. Volgens het gangbare vooroordeel werd aan deze mensen bovennatuurlijke vermogens toegeschreven, maar in werkelijkheid waren het alleen maar lieden met bijzondere gaven in de zin van hypnotiseren, gedachtelezen, gedachten overbrengen en dat soort vaardigheden, die ze ten bate van zichzelf uitoefenden.

Omdat hij te veel ontzag had voor de waarzeggers om ze rechtstreeks geweld aan te doen, besloot de koning ze te verbannen en te dien einde zette hij ze, met hun gezinnen, op schepen en stuurde ze naar Ceylon. Maar toen de vloot zich in de nabijheid bevond van dat eiland, werd zij door een hevige storm uiteengeslagen en leed een van de schepen, nadat het vele dagen vóór de storm was voortgejaagd, schipbreuk op een van de onbewoonde eilanden van een archipel ver in het Zuiden, waar de overlevenden zich vestigden. Vanzelfsprekend hadden de nakomelingen van de ouders, die beschikten over zulke bijzondere gaven, buitengewone psychische krachten ontwikkeld.

Omdat ze zich ten doel gesteld hadden te streven naar een nieuwe en hoogontwikkelde mensheid, hadden ze de ontwikkeling van die vermogens gesteund door een strikt systeem van rasveredeling. Het gevolg was dat, na een paar eeuwen, gedachtelezen zo algemeen werd dat de taal, als middel om ideeën over te dragen, in onbruik raakte. Vele generaties lang bleef het spraakvermogen nog vrijwillig, maar geleidelijk was het spraakorgaan geatrofieerd en na een paar honderd jaar was het spraakvermogen geheel verdwenen. Gedurende een paar maanden na de geboorte stoten kinderen nog wel ongearticuleerde kreten uit, maar op een leeftijd waarop bij minder ontwikkelde volken deze kreten gearticuleerd gaan worden, ontwikkelden de kinderen van de gedachtelezers het vermogen tot rechtstreeks gadeslaan van gedachten en staakten ze hun pogingen om gebruik te maken van hun stem.

Het feit dat het bestaan van de gedachtelezers nooit ontdekt was door de rest van de wereld, werd verklaard door twee overwegingen. Op de eerste plaats was de eilandengroep klein en gelegen in een uithoek van de Indische Oceaan, die volledig buiten de gewone scheepsroutes viel. Op de tweede plaats was de toegang tot de eilanden, vanwege geduchte stromingen en het doolhof van rotsen en ondiepten daarbuiten, zo verschrikkelijk gevaarlijk dat het voor een schip haast onmogelijk was de kusten te bereiken, anders dan als wrak. In de tweeduizend jaar nadat de gedachtelezers zelf aangekomen waren, had althans geen enkel schip dat gedaan en de Adelaide had de honderdtweeëndertigste schipbreuk opgeleverd.

Naast menslievende overwegingen, deden de gedachtelezers onvermoeibare pogingen om schipbreukelingen te redden, omdat ze alleen via hen, door bemiddeling van de tolken, informatie over de buitenwereld konden verkrijgen. Maar vaak bleek dat de enige overlevende van een schipbreuk een of andere domme zeeman was die, afgezien van de laatste verzameling godslasteringen uit het vooronder, niets nieuws te melden had. Dankbaar verzekerden mijn gastheren me dat ze me, als iemand met enige ontwikkeling, zagen als een echt godsgeschenk. Mijn taak was niets minder dan hen de geschiedenis van de wereld te vertellen van de voorbije twee eeuwen en vaak wilde ik dat ik die, ten behoeve van hen, beter bestudeerd had.

De functie van tolk bestaat uitsluitend in het communiceren met aangespoelde vreemdelingen van de sprekende naties. Wanneer, wat van tijd tot tijd voorvalt, een kind geboren wordt met enig articulatievermogen, wordt het afgezonderd en leert praten op de tolkenschool. De gedeeltelijke atrofie van het spraakorgaan, waaraan zelfs de beste tolken lijden, maakt veel klanken van de taal onmogelijk voor hen. Niemand kan bijvoorbeeld de v, f, of s uitspreken; en wat de klank betreft die wordt aangegeven door th, is het al vijf generaties geleden dat de laatste toen levende tolk die kon uitspreken. Maar de toevoer van tolken zou waarschijnlijk al lang opgehouden zijn, als er nu en dan niet sprake was geweest van een gemengd huwelijk van schipbreukelingen uit den vreemde met eilandbewoners.

Ik stel me voor dat de zeer onaangename gewaarwordingen die volgden op het besef dat ik me onder mensen bevond die, hoewel ze voor mij ondoorgrondelijk waren, elke gedachte van me kenden, heel erg overeenkomen met wat iedereen zou hebben ervaren in hetzelfde geval. Ze waren heel vergelijkbaar met de paniek die toevallige naaktheid van iemand teweegbrengt, bij volken die gewend zijn hun figuur te verbergen met kleren. Ik wilde wegrennen en me verbergen. Als ik mijn gevoelens aan een nader onderzoek onderwerp, leek dat niet zozeer voort te komen uit het besef van bijzonder afschuwelijke geheimen, maar van een grote hoeveelheid dwaze, onvriendelijke en onbetamelijke hele en halve gedachten over de mensen om me heen en over mezelf, waarvan het ondraaglijk was als iemand die zou kunnen lezen, hoe welwillend hij ook zou zijn. Maar hoewel mijn verdriet en zorg daarover aanvankelijk hevig waren, bleken ze ook van zeer korte duur, want ik ontdekte vrijwel meteen dat juist het feit dat mijn gedachten in het oog gehouden werden door anderen, ervoor zorgde dat ik gedachten die pijnlijk voor hen konden zijn een halt toeriep en dat ook nog met minder wilsinspanning dan een zachtmoedig iemand uitoefent om het uiten van onaangename opmerkingen te voorkomen. Zoals maar een paar lessen in de grondbeginselen van hoffelijkheid een fatsoenlijk mens geneest van onnadenkend spreken, droeg in mijn geval een korte ervaring te midden van de gedachtelezers zeer veel bij aan het stoppen van achteloze gedachten. Nu moet niet gemeend worden dat de hoffelijkheid onder de gedachtelezers hen verhindert scherp en vrijmoedig over elkaar te denken aangaande serieuze zaken, evenmin als de grootste hoffelijkheid bij sprekende volken hen verhindert geheel onomwonden met elkaar te praten als dat wenselijk is. In werkelijkheid kan beleefdheid bij de gedachtelezers nooit zo ver gaan dat het, zoals bij pratende volken, tot oneerlijkheid leidt omdat ze begrijpen dat het altijd de werkelijke en diepste gedachte is die ze lezen. Het is misschien passend dat ik hier vermeld, hoewel ik pas later helemaal begreep waarom dat zo moest zijn, dat iemand veel minder van slag hoeft te zijn als zijn zwakte helemaal aan het licht komt bij een gedachtelezer, dan het geringste blijk geven daarvan bij iemand van een ander volk. Juist omdat de gedachtelezer al je gedachten leest, worden afzonderlijke gedachten beoordeeld met betrekking tot de algemene strekking van je denken. Hij houdt rekening met je kenmerkende en gebruikelijke gemoedsgesteldheid. Niemand hoeft er bang voor te zijn dat hij verkeerd beoordeeld wordt door een gedachtelezer, op grond van gevoelens of emoties die niet kenmerkend zijn voor zijn werkelijke karakter of algemene instelling. Er kan dus gesteld worden dat een noodzakelijk gevolg van gedachtelezen rechtvaardigheid is.

Tegenover de tolk zelf, was het hoffelijkheidsinstinct niet langer nodig om lichtzinnige of beledigende gedachten te stoppen. In mijn hele eerdere leven was ik heel aarzelend geweest in het sluiten van vriendschappen, maar nog voor ik drie dagen had doorgebracht in gezelschap van de vreemdeling van een ander volk, had ik me geestdriftig aan hem overgeleverd. Het kon onmogelijk anders. De bijzondere vreugde van vriendschap is het gevoel te worden begrepen door onze vrienden, zoals dat niet gebeurt bij anderen en ondanks dat begrip toch geliefd te worden. En nu was hier iemand van wie elk woord er blijk van gaf dat hij zozeer op de hoogte was van mijn geheime gedachten en drijfveren, als de oudste en meest naaste van mijn oude vrienden dat nooit zelf maar bij benadering hadden en hadden kunnen hebben. Had die kennis ertoe geleid dat hij mij verachtte, dan zou ik hem dat niet kwalijk genomen hebben of daarover verrast zijn geweest. Oordeel zelf maar of het aannemelijk is dat de hartelijke vriendelijkheid die hij me betoonde mij onverschillig kon laten.

Stel je mijn ongeloof voor toen hij me meedeelde dat onze vriendschap op niets anders gebaseerd was dan een gewone wederzijdse overeenkomst van karakter. Het vermogen van gedachtelezen, legde hij uit, bracht mensen zo innig bijeen en vergrootte de sympathie in die mate, dat de geringste vriendschapsband tussen gedachtelezers een zodanig wederzijds genoegen betekende, zoals vrienden bij andere volken maar zelden genieten. Later, toen ik anderen van zijn volk leerde kennen, verzekerde hij me dat ik, door het veel intensere gevoel van sympathie en genegenheid dat ik voor sommigen van hen zou opvatten, zou merken hoe waar die uitspraak was.

De vraag zou nu kunnen zijn hoe ik, toen ik me openlijk onder de gedachtelezers begon te mengen, erin slaagde met hen te communiceren, als ik zag dat ze, terwijl zij mijn gedachten konden lezen, niet zoals de tolk met het gesproken woord konden antwoorden. Ik moet hier vertellen dat, hoewel deze mensen geen gesproken taal bezigen, een geschreven taal nodig is om te registreren. Ze weten dus allemaal hoe ze moeten schrijven. Schrijven ze dan in het Perzisch? Gelukkig voor mij, niet. Het blijkt dat, nadat het gedachtelezen geheel ontwikkeld was, gedurende lang tijd niet alleen de gesproken taal niet meer gebruikt werd, maar ook het geschreven woord en dat er helemaal geen verslagen waren opgetekend tijdens die periode. Het plezier in het recentelijk ontdekte vermogen om rechtstreeks elkaars gedachten gade te slaan, waarbij beelden van de hele geestelijke toestand overgebracht werden, in plaats van ontoereikende beschrijvingen van afzonderlijke gedachten die woorden hoogstens konden geven, leidde tot een onweerstaanbare afkeer van de moeizame machteloosheid van de taal.

Maar toen de intellectuele verdoving na meerdere generaties wat afgezwakt was, werd onderkend dat verslaglegging van het verleden wenselijk was en dat het verachte medium van woorden nodig was om het bewaren. Intussen was het Perzisch volledig vergeten. Ten einde de omvangrijke taak van het bedenken van een nieuwe taal te vermijden, werd nu de instelling van de tolken opgezet, met het idee om via hen, van de op de eilanden aangespoelde zeelieden, kennis te verkrijgen van sommige talen van de buitenwereld.

Dankzij het feit dat de meeste gestrande schepen Engels waren, werd van die taal een betere kennis verworven dan van enige andere en die werd aanvaard als de geschreven taal van het volk. Als regel schreven mijn kennissen langzaam en moeizaam en toch maakte het feit dat ze precies wisten wat er in mijn hoofd omging, hun antwoorden zo treffend dat in de gesprekken met hun allertraagste speller, de uitwisseling van gedachten even snel en onvergelijkbaar zorgvuldiger en bevredigender was dan de snelste sprekers kunnen bereiken.

Nog maar kort nadat ik begonnen was mijn kennissenkring onder de gedachtelezers uit te breiden, ontdekte ik hoe waar het was dat de tolk me verteld had dat ik anderen zou aantreffen aan wie ik me, op grond van een grotere natuurlijke zielsverwantschap, meer zou hechten dan ik dat aan hem was. Maar dat was op geen enkele manier omdat ik minder van hem hield, maar meer van hen. Graag zou ik in het bijzonder wat willen schrijven over die geliefde vrienden, kameraden van mijn hart, van wie ik voor het eerst iets leerde over de onvoorstelbare mogelijkheden van menselijke vriendschap, en hoe heerlijk de genoegens van genegenheid kunnen zijn. Wie van degenen die dit leest, heeft niet dat gevoel gekend van een zich tussen de ene en andere ziel bevindende kloof, die van liefde een bespotting maakt! Wie heeft niet die eenzaamheid gevoeld, die het hart benauwt dat daar het meest van houdt! Denk niet langer dat die kloof voor eeuwig bepaald of enige noodzakelijkheid is van de menselijke natuur. Voor het volk van onze medemensen die ik beschrijf bestaat die niet en door dat feit kunnen wij er zeker van zijn dat die kloof uiteindelijk ook voor ons overbrugd zal worden. Het onderling geestelijk contact en hun ondervinden van genegenheid is als de aanraking van schouder en schouder of het vastgrijpen van handen.

Ik zei al dat ik graag meer in het bijzonder wat zou willen zeggen over sommige vrienden, maar mijn afnemende krachten laten dat niet toe en nu ik erover nadenk, zou bovendien nog een andere overweging voor een lezer elke vergelijking van hun karakter eerder verwarrend dan leerzaam kunnen maken. Dat is het feit dat zij, net als de andere gedachtelezers, geen naam hadden. Iedereen had wel een willekeurig teken waarmee hij aangeduid werd in de verslagen, maar dat heeft verder niets te betekenen. Van die namen wordt een register bijgehouden, zodat ze op elk tijdstip geverifieerd kunnen worden, maar het is heel gewoon om mensen tegen te komen die benamingen waren vergeten die uitsluitend gebruikt worden voor biografische en officiële doeleinden. Voor de sociale omgang zijn namen natuurlijk overbodig, want deze mensen begroeten elkaar louter door middel van, in gedachten, vragen om aandacht en ze verwijzen naar derden door de beelden van hun gedachten over te dragen — zoiets als doven kunnen doen door middel van foto’s. Ik zeg ‘zoiets,’ want in de beelden van andere persoonlijkheden die de gedachtelezers ontvangen, is het fysieke aspect, zoals te verwachten valt bij mensen die rechtstreeks elkaars geest en hart gadeslaan, een ondergeschikte factor.

Ik heb al verteld hoe mijn eerste gevoelens van een ziekelijke gewetenswroeging, over het feit dat mijn geest een open boek was voor iedereen om me heen, verdwenen toen ik merkte dat dat, juist omdat mijn gedachten en drijfveren geheel onthuld werden, er een waarborg voor was dat ik beoordeeld zou worden met een oprechtheid en sympathie die zelfs een zelfbeoordeling niet kan voorwenden, omdat die te zeer beïnvloed wordt door zo veel subtiele reacties. De zekerheid om door iedereen op die manier beoordeeld te worden, lijkt misschien een onschatbaar voorrecht voor iemand die gewend is aan een wereld waarin zelfs de tederste liefde geen enkel belofte inhoudt voor begrip, maar toch ontdekte ik weldra dat onbevoordeeldheid een nog groter voordeel betekende dan dat. Hoe kan ik de heerlijke vreugde beschrijven van de morele gezondheid en zuiverheid, de opgewekte en verfriste geestelijke toestand, die het gevolg waren van het besef dat ik absoluut niets te verbergen had! Ik mag oprecht zeggen dat ik genoot. Ik denk echt dat niemand mijn wonderbaarlijke ervaring gehad hoeft te hebben, om met dit gedeelte ervan mee te kunnen voelen. Zijn we niet allemaal bereid het erover eens te zijn dat het hebben van een met gordijnen afgesloten kamer waar we naartoe kunnen gaan om, uit het zicht van onze medemensen, rond te kruipen, alleen gekweld door het vage idee dat God daarboven toe kan kijken, niet het meest demoraliserende gebeuren in de menselijke toestand? Is dat bestaan binnen de ziel van een veilig toevluchtsoord voor leugens, niet altijd de wanhoop geweest van de heilige en de vreugde van de schurk? Is het niet de smerige kelder die het hele huis daarboven bezoedelt, al is het nog zo mooi.

Is er nog een sterkere bevestiging mogelijk van het instinctieve besef dat iets verbergen ontwrichtend is en openheid onze enige genezing, in plaats van de oeroude overtuiging dat bekennen voor de ziel deugdzaam is en dat het zo duidelijk mogelijk onthullen van iemands slechtste en smerigste kanten de eerste stap is in de richting van morele gezondheid? Als de slechtste mens zich op een of andere manier wat betreft zijn ziel binnenstebuiten zou kunnen keren, zodat zijn ziekte helemaal zichtbaar is, zou hij zich al klaar voelen voor een nieuw leven. Gezien de buitengewone machteloosheid van woorden om de geestelijke toestand in haar geheel over te brengen, of daarvan alleen maar vervormde beelden te kunnen geven, moeten we toegeven dat bekennen niet meer is dan een bespotting van het verlangen om zichzelf bloot te geven, waarvan dat een blijk is. Maar bedenk eens wat een gezondheid en deugdelijkheid het moet betekenen voor zielen, te midden van mensen die in ieder gezicht een geweten zien dat ze, anders dan dat van hen, niet kunnen verdraaien, die elkaar iets kunnen bekennen met één oogopslag en iets opbiechten met een glimlach! Ach, vrienden, hoewel er nog eeuwen kunnen verstrijken voordat het geleidelijke gebeuren mij gelijk zal geven, zal ik nu al voorspellen dat het wederzijds gadeslaan van gedachten, als dat uiteindelijk vervolmaakt zal worden, op geen enkele manier de gelukzaligheid van de mensheid zozeer zal versterken als door het openscheuren van de sluier van het ik en voor leugens in de geest geen enkele duistere plek meer zal overlaten om zich te verbergen. Dan zal de ziel niet langer een rokend kooltje zijn in de as, maar een ster aan een kristallijnen uitspansel.

Gezien wat ik verteld heb over de genoegens die, bij de gedachtelezers, door vriendschap ontleend worden aan de volmaakte geestelijke verstandhouding, kan bedacht worden hoe bedwelmend de ervaring moet zijn als een van die vrienden een vrouw is en de subtiele seksuele aantrekkingskrachten en overeenstemmingen hartstochtelijk in aanraking komen met verstandelijke instemming. Toen ik me voor het eerst naar buiten waagde was ik, tot hun grote plezier, begonnen links en rechts verliefd te worden op vrouwen. Met de volmaakte openhartigheid die de gang van zaken is bij alle onderlinge omgang bij dat volk, vertelden die aanbiddelijke vrouwen me dat wat ik voelde alleen maar vriendschap was, op zich heel goed, maar heel iets anders dan liefde, zoals ik wel zou merken als ik zelf bemind zou worden. Het was moeilijk te geloven dat de smeltende emoties die ik ondervonden had in hun gezelschap, alleen maar het gevolg waren van de vriendelijke en beminnelijke houding van hun geest ten opzichte van de mijne, maar toen ik merkte dat ik op dezelfde manier getroffen werd door elke welwillende vrouw die ik ontmoette, moest ik bedenken dat ze daarin gelijk hadden en dat ik mijzelf aan zou moeten passen aan een wereld waarin, omdat vriendschap een hartstocht was, liefde noodzakelijkerwijs niet minder dan verrukking moest zijn.

De betekenis van het alledaagse gezegde, "Op elk potje past een deksel," kan, neem ik aan, zodanig opgevat worden dat er voor alle mannen bepaalde vrouwen zijn die zowel door hun psychische en morele, als door hun fysieke gesteldheid duidelijk voor hen geschikt zijn. Het is eerder een pijnlijke dan een opwekkende gedachte, dat dit de waarheid zou kunnen zijn, maar dat geldt over het algemeen ook voor de mogelijkheden die belangrijker zijn dan het vermogen van deze uitverkorenen om elkaar te herkennen ook als zij elkaar tegenkomen, in aanmerking genomen dat taal een zo ontoereikend en misleidend medium is om jezelf kenbaar te maken. Maar onder de gedachtelezers is iemand bij het zoeken naar een ideale partner er redelijkerwijs zeker van dat die zoektocht bekroond zal worden met succes en zolang dat niet het geval is, droomt niemand over trouwen; want dat wel doen, denken zij, betekent het beste levensgeluk weggooien en niet alleen zichzelf en hun niet gevonden partners kwaad berokkenen, maar ook degenen die ze zelf en die de niet ontdekte partners kunnen huwen. Daarom gaan ze als hartstochtelijke pelgrims van eiland naar eiland, totdat ze elkaar vinden en omdat de bevolking van de eilanden maar gering is, duurt de pelgrimstocht niet vaak lang.

Toen ik haar voor het eerst ontmoette waren we in een gezelschap en ik was getroffen door de plotselinge opwinding, de blikken en glimlachende belangstelling waarmee alle aanwezigen zich omdraaiden en ons gadesloegen, de vrouwen met vochtige ogen. Toen ze me zag, hadden ze haar gedachten gelezen, maar dat wist ik toen niet en ook niet wat de gewoonte was bij dit soort zaken. Maar vanaf het moment dat ze voor het eerst haar blik op me richtte en ik voelde dat haar gedachten zich met de mijne bezighielden, wist ik hoe waar het was wat die andere vrouwen me verteld hadden, namelijk dat het gevoel dat zij in mij opegwekt hadden geen liefde was.

Bij mensen die elkaar met een enkele blik leren kennen en binnen een uur oude vrienden worden, vergt iemand het hof maken geen langdurig proces. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat er tussen geliefden bij de gedachtelezers geen sprake is van hofmakerij, maar alleen van herkenning. De dag nadat we elkaar ontmoet hadden, werd ze de mijne.

Misschien kan ik niet beter verduidelijken hoe ondergeschikt de louter lichamelijke factor is, bij de indruk die gedachtelezers van hun vrienden vormen, dan door een voorval te vertellen dat een paar maanden na onze verbintenis plaatsvond. Het was mijn geheel toevallige ontdekking dat mijn geliefde, in wier gezelschap ik vrijwel doorlopend was geweest, niet het geringste idee had van wat de kleur van mijn ogen was en of mijn haar en huidskleur licht of donker waren. Zodra ik haar die vraag stelde, las zij het antwoord natuurlijk in mijn geest, maar ze gaf toe dat ze voordien geen duidelijke indruk had wat dat betreft. Anderzijds zou ze, als ik ’s nachts in het pikkedonker bij haar zou komen, niet hoeven vragen wie de bezoeker was. Door de geest en niet het oog, kennen deze mensen elkaar. In feite hebben ze alleen in hun betrekkingen tot levenloze en onbezielde dingen hun ogen nodig.

Neem nou niet aan dat hun veronachtzamen van de lichamelijke kant van de ander, voortkomt uit een ascetische instelling. Het is niets anders dan een noodzakelijk gevolg van hun vermogen om rechtstreeks de geest te begrijpen en steeds als de geest nauw verbonden is met de materie, wordt die laatste veronachtzaamd op grond van het grotere belang van de eerste, zoals kleinere dingen altijd onderdoen als ze rechtstreeks tegenover grotere geplaatst worden. Bij hen is kunst beperkt tot het onbezielde en de menselijke figuur vormt om die reden geen inspiratiebron meer voor de kunstenaar. Natuurlijk en geheel terecht kan de conclusie getrokken worden dat bij een dergelijk volk lichamelijke schoonheid niet, zoals elders, een belangrijke factor is voor menselijke voorspoed en geluk. De onderlinge volstrekte openheid van geest en hart, maakt hun geluk veel afhankelijker van de morele en psychische eigenschappen van hun metgezellen, dan van hun lichamelijke. Een vriendelijk temperament, een gretig en goddelijk intellect en een dichterlijke ziel, zijn voor hen onvergelijkbaar veel boeiender dan de meest oogverblindende combinatie van louter lichamelijke aantrekkelijkheden.

Een vrouw, vol geest en hart heeft op deze eilanden evenmin schoonheid nodig om liefde te krijgen dan elders. Misschien moet ik hier nog opmerken dat dit volk, dat zo weinig belang hecht aan lichamelijke schoonheid, zelf uitzonderlijk aantrekkelijk is. Dat is zonder twijfel deels te danken aan de volkomen verenigbaarheid van temperament in alle huwelijken en deels aan de invloed van een ideale psychische en morele gezondheid en evenwichtigheid op het lichaam.

Zelf ben ik geen gedachtelezer en het feit dat mijn geliefde, qua figuur en gelaatstrekken, zeldzaam aantrekkelijk was, had zonder twijfel een niet geringe rol gespeeld bij mijn verliefd worden. Dat wist zij natuurlijk, zoals ze op de hoogte was van al mijn gedachten en omdat ze mijn beperkingen kende, duldde en vergaf ze me de zinnelijke kant in mijn hartstocht. Maar terwijl het voor haar zo onbelangrijk moet hebben geleken, vergeleken met de verheven geestelijke omgang met haar volk, werd het voor mij, dankzij haar haast bovenmenselijke verhouding met mij, zonder meer een vervoering die heerlijker was dan welke minnaar van mijn volk ooit heeft geproefd. Hartzeer bij de innigste liefde wordt veroorzaakt door de machteloosheid van de woorden om die liefde voor de betrokkene geheel duidelijk te maken. Maar mijn hartstocht kende die pijn niet, want mijn hart was helemaal open voor haar die ik liefhad. Geliefden kunnen het zich wel voorstellen, maar ik kan geen beschrijving geven van de extatische huivering van verbondenheid, waarin dit besef elke tedere emotie omvormde. Als ik bedacht wat wederzijdse liefde moet zijn in het geval waarin beide partners gedachtelezer zijn, dan realiseerde ik me de intense verbondenheid die mijn lieve metgezellin voor mij had opgeofferd.

Haar geliefde en zijn liefde voor haar kon ze wel begrijpen, maar de grotere voldoening van beseffen dat ze door hem en dat haar liefde begrepen werd, had ze laten varen. Want er was geen sprake van dat ik mij ooit het vermogen om gedachten te lezen eigen zou kunnen maken, want binnen een enkel mensenleven was dat nooit tot ontwikkeling gekomen.

Waarom mijn onvermogen mijn lieve metgezellin tot zulk een innig mededogen bewoog, kon ik niet begrijpen, totdat ik vernam dat gedachtelezen niet zozeer wenselijk werd geacht voor de kennis van anderen die iemand die daarover beschikt kan verschaffen, maar vooral voor zelfkennis die daarvan een spiegeleffect is. Van alles wat ze in de geest van anderen zien, is voor hen de weerspiegeling van zichzelf, de foto’s van hun eigen karakter, het belangrijkst. Het duidelijkste gevolg van de hen aldus aangereikte zelfkennis, is dat ze daardoor niet meer in staat zijn tot zelfbedrog of zelfverachting. Iedereen moet noodzakelijkerwijs over zichzelf denken zoals hij is, omdat hij evenmin in staat is anders te doen, als dat iemand in een spiegelzaal over zijn eigen uiterlijk waanvoorstellingen kan koesteren.

Maar voor de gedachtelezers betekent zelfkennis veel meer dan dat — in feite niets minder dan een verandering van het identiteitsbesef. Als iemand zichzelf in een spiegel ziet, wordt hij gedwongen een onderscheid te maken tussen het lichamelijk zelf dat hij ziet en zijn werkelijke zelf, dat binnen in hem zit en onzichtbaar is. Als de gedachtelezer zijn psychische en morele zelf, als in een spiegel, weerkaatst ziet in de geest van anderen, gebeurt hetzelfde. Hij wordt gedwongen een onderscheid te maken tussen zijn psychische en morele zelf dat voor hem objectief gemaakt wordt en door hem even onpartijdig gadegeslagen kan worden alsof het van iemand anders is, en het innerlijke zelf dat nog steeds subjectief, onzichtbaar en ondefinieerbaar blijft. In dat innerlijke zelf onderkennen de gedachtelezers de werkelijke identiteit en het werkelijke wezen, het noumenale zelf. De kern van de ziel en de echte schuilplaats van haar eeuwige leven, waarvoor zowel geest als lichaam slechts de dagelijkse omhulling is.

Het gevolg van een filosofie als deze — die bij de gedachtelezers in feite eerder een instinctief bewustzijn is dan een filosofie — is dat zij ontegenzeglijk een geweldig gevoel geeft van verheven zijn boven de wisselvalligheden van deze aardse toestand en een buitengewone sereniteit te midden van de voor- en tegenspoed die de persoonlijkheid bedreigen of overkomen. In feite kwamen ze op me over zoals ik nooit gedroomd had dat mensen zover konden komen, als meester van zichzelf.

Omdat ik niet kon hopen dat ik erin zou slagen het kennelijke zelf te verlossen uit de ketenen van het valse ik en het leven, volgens haar volk, dan nauwelijks de moeite waard was, beklaagde ik mijn liefde zozeer.

Maar ik moet snel verder en duizend-en-een dingen onuitgesproken laten, om een relaas te geven van de betreurenswaardige ramp waaraan het te wijten is dat ik, in plaats van nog bewoner te zijn van die gelukzalige eilanden, volop genietend van die innige en prachtige kameraadschap, wat voor altijd de genoegens van elke andere mensengemeenschap zou verduisteren, het stralende beeld terugroep als een herinnering onder een andere hemel.

Te midden van mensen die zich door de gesteldheid van hun geest genoodzaakt voelen om zich in de ander te verplaatsen, maakt mededogen, dat het onvermijdelijk gevolg is van volmaakt begrip, afgunst, haat en harteloosheid onmogelijk. Maar er zijn natuurlijk mensen die minder hartelijk van aard zijn dan andere en die zijn noodzakelijkerwijs onderwerp van een bepaalde afkeer van de kant van hun metgezellen. Maar door de onbelemmerde inwerking van de ene geest op de andere, is het leed van mensen die zo gezien worden, ondanks de fijngevoeligste toegeeflijkheid van degenen om hen heen, zo groot dat ze om de genade van verbanning smeken zodat de anderen, als ze eenmaal ver weg zijn, minder vaak over hen zullen denken. Aan de noordkant van de archipel liggen talloze eilandjes, amper meer dan wat rotsen en daar mogen de ongelukkigen hun leven verder doorbrengen. Op elk eilandje woont maar één persoon, omdat ze elkaar evenmin kunnen verdragen, als de gelukkigeren van aard hen. Van tijd tot tijd worden voedselvoorraden naar hen toe gebracht en als ze het risico willen nemen, mogen ze natuurlijk altijd terugkeren in de gemeenschap.

Maar, zoals ik al heb gezegd, het feit wat er, zelfs meer dan hun afgelegen ligging, voor zorgt dat de eilanden van de gedachtelezers ontoegankelijk zijn, is samen met de ontelbare rotsen en ondiepten, het geweld waarmee de grote Antarctische stroming, die waarschijnlijk veroorzaakt wordt door een bepaalde formatie van de oceaanbodem, door en om de archipel heen stroomt.

Schepen die de eilanden vanuit het Zuiden in zicht krijgen, worden door die stroming gegrepen en tussen de rotsen gesleept, waar ze vrijwel zeker ten onder gaan, terwijl het, door het geweld waarmee de stroming noordwaarts vloeit, volstrekt onmogelijk is ze vanuit die richting te naderen, althans dat is nooit gelukt. De stromingen zijn in feite zo krachtig dat zelfs de boten die de smalle zeestraten tussen de hoofdeilanden en de eilandjes van de ongelukkigen oversteken, om die laatsten van voedselvoorraden te voorzien, niet op roeiriem of zeil vertrouwen, maar die overtocht volbrengen langs kabels.

De broer van mijn geliefde had de leiding over een van de boten, die ingezet werd bij dit vervoer en omdat ik de eilanden graag wilde bezoeken, nam ik een uitnodiging aan om hem te vergezellen op een van zijn tochten. Ik heb geen idee van hoe het ongeluk gebeurde, maar in het meest woeste gedeelte van de stroming raakten we los van de kabel en werden we naar open zee meegesleurd. De kolkende stroming was op geen enkele manier te weerstaan en onze uiterste inspanningen waren net voldoende om te voorkomen dat we op de rotsen in stukken geslagen werden. Van begin af aan was er geen hoop dat we het land nog zouden kunnen bereiken en we dreven zo snel af dat de laaggelegen eilanden tegen de middag — het ongeluk was in de ochtend gebeurd —in het zuidwesten onder horizon gezakt waren.

Voor de gedachtelezers is afstand geen onoverkomelijke hindernis om gedachten over te brengen. Mijn metgezel was in gesprek met onze vrienden en bracht me van tijd tot tijd angstige boodschappen over van mijn dierbare geliefde, want omdat we heel goed op de hoogte waren van de aard van de stromingen en de ontoegankelijkheid van de eilanden, wisten zowel degenen die wij achtergelaten hadden als wijzelf, best dat we elkaar niet meer zouden zien. Vijf dagen lang bleven we naar het noordwesten drijven, dankzij onze vracht aan levensmiddelen zonder het gevaar te lopen dat we verhongerden, maar door het ruwe weer waren we genoodzaakt onafgebroken op wacht te staan en uit te kijken. Op de vijfde dag stierf mijn metgezel door blootstelling aan de kou en uitputting. Hij ging heel rustig dood — eigenlijk met een duidelijk blijk van opluchting. Terwijl zij nog in het lichaam verblijven is het leven van de gedachtelezers voor een zo groot deel geestelijk, dat het idee van een bestaan dat dat helemaal is — wat in onze ogen vaag en kil lijkt — hen doet denken aan een toestand die maar iets verfijnder is dan die ze al op aarde kennen.

Ik neem aan dat ik daarna buiten bewustzijn ben geraakt, en toen ik weer bijkwam bevond ik me op een Amerikaans schip met de bestemming New York, omringd door mensen van wie de enige manier van met elkaar communiceren bestaat uit het gesprek gaande te houden met een onafgebroken kabaal van sissen, schrapende en ploffende geluiden, aangevuld met allerlei trekkingen in het gezicht en bewegingen van het lichaam. Vaak merk ik dat ik degenen die mij aanspreken met open mond sta aan te staren, te zeer geschokt door hun groteske verschijning om een antwoord te kunnen bedenken.

Ik weet dat ik de reis niet zal overleven en het kan me niets schelen. Vanuit mijn ervaring met de mensen op de boot, kan ik bedenken hoe het me zou vergaan op het vasteland, te midden van het schokkende Babel van een natie van praters. En mijn vrienden — God zegene hen! wat zou ik me eenzaam voelen in hun aanwezigheid! Nee, geen voldoening of troost, maar niets anders dan een bittere schijnvertoning, zou ik voortdurend zien in de menselijke sympathie en kameraadschap die voldoende zijn voor anderen en dat ook ooit voor mij waren — ik, die heb gezien en gekend wat ik heb gezien en gekend! Ach ja, het is zonder twijfel beter dat ik doodga, maar ik heb het gevoel dat de kennis van de dingen die ik heb gezien niet samen met mij ten onder moet gaan. In het belang van de hoop zouden de mensen niet die glimp moeten missen van de hogere, zonovergoten stukken van het pad waarlangs zij zich omhoogslepen. Met die gedachten heb ik een verslag opgetekend van mijn prachtige ervaring, hoewel het vanwege mijn zwakte veel beknopter is dan bij de grootsheid van de zaak past. De kapitein lijkt me een oprecht en goedbedoelend man. Aan hem zal ik het relaas toevertrouwen en hem ermee belasten om er, na aan wal te zijn gegaan, voor te zorgen dat het veilig in handen komt van iemand die het wereldkundig zal maken.

Noot. — In hoeverre ik zelf iets te maken heb met het voorgaand document, wordt door de schrijver genoegzaam aangegeven in de laatste paragraaf. — E.B.

Naar boven