Home

VOORSTELLEN voor de SNELLE UITROEIING

van alle

KWAAD EN LEED.

Portret van James Thomson

door

James Thomson, 1834-1882

In 1871 als feuilleton, in 8 afleveringen, verschenen in de National Reformer.[1]


VOORSTELLEN VOOR DE SNELLE UITROEIING
VAN ALLE KWAAD EN LEED

Gevolgd door:

IN HET WOUD VAN ONS VERLEDEN

en

HET ENIGE WAT GEDAAN HOEFT TE WORDEN

Inleiding bij deze vertaling:

Thomson schrijft in deze satire, die dus een kern van waarheid bevat, ‘In feite is mijn plan niets anders dan een verbeterd christendom’ en ‘echte christenen zullen zien dat dit nieuwe essay in wezen hun eigen Evangelie is.’ Zijn opzet is niet een betere mens of wereld, — want alle comparatieven, zoals meer, minder, beter en slechter behoren bij een dualistische wereld — maar een volmaakte mens in een volmaakte wereld, een nieuwe aarde en een nieuwe hemel. In feite is ook het Evangelie een eenvoudige handleiding om een volmaakt (Matth. 5) en niet om een beter mens te worden. Thomson roept iedereen op om bij zichzelf de onvolmaakte menselijke natuur te vernietigen en een volmaakte goddelijke natuur te bewerkstelligen, met andere woorden, het ik te vernietigen zodat het zelf alle ruimte krijgt, en de mens echt zichzelf is. Vervolmaak de wereld, maar begin bij jezelf, of ‘Ken jezelf en zie hoe onvolmaakt je bent. Dus vervolmaak jezelf. Uiteindelijk ken je dan jezelf en zie je hoe volmaakt je bent en dan zal die bewuste volmaaktheid je gelukzaligheid zijn.’ Over het slagen van zijn plan is hij nogal pessimistisch, want hij schat dat ‘zich onder de lezers van zijn essay misschien drie deugdzame en intelligente individuen bevinden die mijn voorstellen weten te waarderen en meteen aanstalten zullen maken om ze te verwezenlijken.’ Eigenlijk is het allemaal nog veel eenvoudiger dan James Thomson denkt. Want de natuur is volmaakt, zolang de mens er met zijn verderfelijke handen maar van afblijft en dat geldt ook voor de kleine kinderen.

Een uitgebreide Nederlandse biografie van James Thomson BV, James Thomson, de dichter van ‘The city of dreadful night’, van de hand van de ook onterecht in vergetelheid geraakte Jan de Gruyter, is hier te vinden op de website van de DBNL

De vertaler


VOORSTELLEN VOOR DE SNELLE UITROEIING VAN ALLE KWAAD EN LEED

De volgende Voorstellen werden ons toegestuurd door onze geachte medewerker, met een brief, waaruit wij onze verantwoording halen voor het feit dat wij ze in deze kolommen weergeven: —

“Het merendeel van uw lezers zal zonder twijfel dit schitterend essay niet begrijpen, maar het als niets anders zien dan krankzinnig geraaskal en het merendeel van de enkelingen die het wel kunnen begrijpen, zal zich gekwetst voelen en tot razernij gebracht worden, omdat de hervormingsplannen die het bevat zo oneindig veel verder gaan dan hun eigen plannen, want zij zijn slechts nationale hervormers, terwijl mijn hervormingen voor de hele mensheid en wereldomvattend zijn. Ik raad u dus aan, in uw eigen belang, om het stuk helemaal niet af te drukken, maar het manuscript terug te sturen met de aantekening ‘Retour, met dank.’

“Maar als u toch besluit het te drukken, is mijn advies aan u het voor uw lezers in te leiden met een kanttekening met de volgende strekking:

“Omdat we in dit tijdschrift alle partijen toestaan uiting te geven aan hun meningen, en B.V. bovendien een ervaren medewerker is, plaatsen we het volgende artikel, maar we moeten wel opmerken dat het, naar onze mening, veel gepaster zou zijn geweest om het naar het Colney-Hatch Journal of de Bedlam Times [2] te sturen dan naar ons.

“Of, wij plaatsen het volgende als een afschuwelijk voorbeeld van de uitersten waartoe de menselijke verdwazing kan gaan, met het vertrouwen dat het mogelijk een doeltreffende waarschuwing is voor dat deel van onze lezers dat van het pad van het gezond verstand is afgeraakt.

“Of, we moeten onze lezers nadrukkelijk verzoeken te begrijpen dat we het nergens met het volgende essay eens zijn, voor zover we er al iets zinnigs van kunnen maken. Als de zaak niet zo volslagen oninteressant was, zou het wellicht wel interessant zijn om te weten of de schrijver zelf enig idee heeft van wat hij bedoelt, altijd in de veronderstelling dat hij iets bedoelt.

“Of, voor zover dit armzalige essay de draak steekt met verstandige nationale hervormers, wordt die schaamteloosheid alleen maar geëvenaard door zijn onvermogen. Voor zover het serieus is, is het net zo krankzinnig als watervrees.

“Een welwillende afwijzing van uw kant, zoals een van de bovenstaande, zou mijn gevoelens geenszins kwetsen, of mijn gemoedsrust verstoren, maar u wel kunnen steunen in de beoordeling van uw lezers.”

I.

“Uw beloofde Hervorming is zo onmisbaar, maar komt er toch niet: wie gaat ermee beginnen — met zichzelf?” — CARLYLE [3] : French Revolution, deel I. boek 2, hfdst. 8.

“Maar de knappe koppen van mijn tijd ontdekten een nieuwe, en als het ware goddelijke raadgeving: omdat ze niemand gelukkig konden maken op aarde, ontkenden ze het individu, en wijdden zichzelf aan het zoeken naar de universele gelukzaligheid; en nadat ze dat gemakkelijk gevonden hadden, maakten ze van een menigte afzonderlijke verdrietige en ellendige mensen, een blij en gelukkig volk.” — LEOPARDI [4]: Palinodìa.

“Of de mensheid voortschrijdt is een vreemde niet te beantwoorden filosofische vraag. Waarom wordt er niet gevraagd ‘Verandert de mensheid?’ Die vraag is diepgaander. Alleen uit een verandering kunnen we enige gevolgtrekking maken over verbetering of het tegenovergestelde.” — Novalis [5]: deel.ii. pag. 268.

Lang geleden, in mijn jonge jaren, toen ik me nog kon verbazen over dingen die menselijk zijn, heb ik me af en toe afgevraagd hoe het kwam dat er, terwijl er zoveel geleerde en fijnzinnige verhandelingen zijn geschreven om de kwestie van de oorsprong van het kwaad op te lossen — zonder twijfel zeer waardevolle verhandelingen als de kwestie zich er maar voor zou lenen om oplosbaar te zijn — toch zo weinig essays waren over het uitroeien van voornoemd kwaad. Ik had het idee dat de artsen de zieke man onder hun ogen lieten doodgaan, terwijl ze uitvoerig discussieerden over de verre oorsprong van zijn ziekte, in plaats over de toestand op dat moment en de meteen vereiste behandeling. Het leek me dat zelfs degenen die zich bekommerden om de toestand van de patiënt, doorgaans de liefdadigheidsorganisaties en de filantropen, niet optraden als artsen die hoopten te genezen, maar meer als een soort verpleegsters, die probeerden de zieke gerust te stellen en de kwellende pijn te verzachten van zijn zekere dood. Ze bevochtigden zijn droge lippen en veegden zijn natte voorhoofd af, schudden zijn kussen op, maakten zijn kamer schoon, gaven hem verdovende en pijnstillende middelen, waren toegeeflijk voor zijn morbide kuren, spraken opbeurende woorden, en gaven glimlachend valse hoop, maar met de vreselijke, verslindende en dodelijke kanker probeerden ze zich niet eens te meten. Intussen heb ik gehoord dat in de afgelopen tijd, laten we zeggen in de afgelopen honderd jaar, de plannen voor een wereldwijde hervorming en het gelukkig maken van de mensheid steeds talrijker zijn geworden, maar omdat geen enkel daarvan (naar mijn beste weten) helemaal verwezenlijk is, volgt daaruit dat zelfs als één daarvan theoretisch volmaakt is, ze in de praktijk onvolmaakt blijven en dat dus het ruime gebied nog steeds te huur is om daarop systemen te bouwen. En ik kan daar bescheiden aan toevoegen dat genoemde plannen, voor zover ik iets van ze afweet, afkomstig blijken te zijn van wat ik alleen maar kan zien als een verkeerd principe, zodat ik naar mijn eigen schamele mening (die voor mij natuurlijk de allerbeste is) de voorkeur moet geven aan mijn eigen voorstellen, die afkomstig zijn van wat in mijn ogen dus het ware principe is.

Maar nu bedenk ik dat iemand de behoefte aan of het gebruik van een dergelijk plan wel eens zou kunnen afwijzen, door te beweren (want is er eigelijk wel iets dat sommige mensen niet beweren?) dat de mensheid en de toestand van de mensheid op dit moment haast zo volmaakt mogelijk is, en dat voor het uitroeien van wat wij het kwaad en leed noemen, de mensheid en de wereld waarin zij verblijft, vernietigd moeten worden. Zo iemand kan ik alleen maar antwoorden, voordat ik rustig overga tot het uiteenzetten van mijn voorstellen, dat hij ver achter ligt bij onze meest vooruitstrevende denkers, en maar een mager aandeel heeft in de huidige schitterende idealen van de Mensheid; dat hij, als hij geen aandacht besteed aan zichzelf, het gevaar loopt een cynicus te worden, een verfoeilijk, jankend en bijtgraag dier, dat in een ton leeft, en zelfs zijn huis in stukken trekt om de duigen naar fatsoenlijk mensen te slingeren en met de hoepels voorbijgangers te laten struikelen; dat als hij geen noodzaak voelt, of geen hoop heeft dat hij zelf veel beter kan worden, het merendeel van ons dat voor onszelf wel wil en goede hoop heeft dat het vervuld zal worden, zo niet wijzelf, dan wel ons meer of minder ver nageslacht, een hoop waarin wij een grote en redelijke troost vinden; en tot slot, dat het volstrekt duidelijk is dat ikzelf en de anderen nooit plannen zullen beramen en systemen bouwen om genoemd kwaad en leed te vangen en te kooien, als die in werkelijkheid niet zouden bestaan, en ze dus niet gevangen en gekooid kunnen worden, net zoals er nooit vogelvallen en visnetten zouden zijn als er niet alleen geen vogels en vissen waren, maar ze ook niet gevangen konden worden.

Het lijkt me duidelijk dat er sprake is van twee radicale wereldwijde hervormingen, die van wezenlijk belang zijn voor de werkelijke overwinning van elke andere ooit geprobeerde of voorgestelde hervorming, en dat, als deze twee hervormingen eenmaal uitgevoerd zijn, zal blijken dat alle andere daarin inbegrepen zijn. En daarom acht ik deze de enige die aanspraak kunnen maken op ons onderzoek en onze inspanningen. Want als iemand een boom wil vellen, zou hij die dan blad voor blad en spaan voor spaan naar beneden brengen, als die ook doeltreffend vanaf de grond omgehakt kan worden? en als iemand een rivier wil zuiveren, zou hij die dan emmer voor emmer filteren, als hij ook de vervuilende afvoerbuis stroomopwaarts kan afsluiten? De twee hervormingen, waartoe ik dit uitgebreide probleem heb teruggebracht, zijn gewoon een wereldwijde verandering naar volmaaktheid van de natuur en de menselijke natuur, waarvan wij, denk ik, als mensen, de laatste als eerste zouden moeten doorvoeren. De radicale hervorming van de menselijke natuur bestaat louter hierin, dat ieder mens de zeven hoofdzonden samen met alle gewone zonden, dwaasheden en tekortkomingen laat varen en tegelijkertijd, in plaats daarvan, de zeven hoofddeugden en alle gewone deugden, wijsheden en goedheden in werking zal zetten of, met andere woorden, dat iedereen in zichzelf de onvolmaakte menselijke natuur vernietigt en een volmaakte goddelijke natuur bewerkstelligt. Als ieder mens deze eenvoudige dubbele ingreep uitgevoerd heeft (waarvan het tweede deel even vanzelfsprekend op het eerste volgt als een stap met de rechtervoet op een met de linker), ben ik geneigd te geloven dat het grote werk van het uitroeien van alle kwaad en leed, en het wereldwijd vestigen van het goede en geluk, voor meer dan de helft voltooid is. De radicale hervorming van de natuur bestaat louter hierin, dat het hele universum precies zo gemaakt wordt als de volmaakte mensen nodig zullen hebben. Met deze tweede hervorming, ben ik verder geneigd te denken, zal de pelgrimstocht, van de mens op aarde, naar de hemel op aarde, voltooid zijn en zullen het kwaad en leed, zowel als het lijden en de ondeugd, zodanig uitgeroeid worden dat ze nooit meer kunnen herleven en iedereen overal en voor altijd goed en gelukkig zal zijn.

Sommige mensen, die over dit probleem niet zo lang en ernstig nagedacht hebben als de schrijver, kunnen op het eerste gezicht denken dat de radicale wereldwijde hervorming van de menselijke natuur, hoewel die uitermate eenvoudig is (in feite is het niet meer dan het ene stel kleren uitdoen en het andere aantrekken) niet erg gemakkelijk uit te voeren zal zijn. Maar als ze even eerlijk nadenken zullen ze zien dat het zonder twijfel veel minder ingewikkeld moet zijn dan de slechts gedeeltelijke en oppervlakkige hervormingen waartoe pogingen zijn ondernomen of nog steeds ondernomen worden en die door deze allemaal op een vriendschappelijke manier teniet gedaan worden doordat ze ingesloten worden. Want tot nu toe hebben haast alle hervormingsplannen geprobeerd om overvloedig vruchten te oogsten van een kale boom en schoon water te halen uit een verontreinigde rivier; terwijl deze er eerst voor gaat zorgen dat de boom vruchtdragend is en de bron zuiver. En tot nu toe heeft haast iedere hervormer, sociaal of politiek, moreel of religieus, geprobeerd de gunst te winnen van een groot aantal mannen en vrouwen (om nog maar te zwijgen over kinderen) en heeft doorgaans gehoopt in de loop der tijd ook alle andere mannen en vrouwen (van wie geen twee precies hetzelfde kunnen zijn en niemand precies op de hervormer lijkt, en van wier uiteenlopend karakter en temperament, lichaam, geest en omstandigheden hij weinig of niets kan weten) op precies dezelfde manier te laten denken, geloven en handelen als hijzelf. Maar bij het plan dat ik durf voor te stellen, zal iedereen zich bescheiden beperken tot de hervorming van een enkel persoon, iemand die hij oneindig veel beter kent en liefheeft dan wie dan ook en die precies hetzelfde karakter, temperament, lichaam en geest heeft en zich altijd in precies dezelfde omstandigheden bevindt als hijzelf, de hervormer.

II.

Omdat dit een punt van doorslaggevend belang is, denk ik dat het goed is om tegen alle eerdere en andere hervormers (voor wie mijn gevoelens echter van de meest welwillende aard zijn) twee of drie passages te hulp te roepen van gezaghebbende schrijvers. En als eerste zal ik citeren uit een van de betrouwbaarste en verdienstelijkste passages van een van de belangrijkste werken van misschien een van onze grootste godgeleerden (Jonathan Swift, vert.), uit paragraaf IX van A Tale of a Tub, namelijk “Een verhandeling aangaande de oorsprong, het nut en de genezing van Krankzinnigheid in een Gemenebest.” En ik wil daarbij opmerken dat dit onderwerp vreemd genoeg veronachtzaamd is door andere filosofen, gezien hoeveel elk Gemenebest, wat voor regering dat ook heeft, verschuldigd is geweest en nog steeds is aan deze indrukwekkende geestelijke toestand. “Want wie heeft ooit, in de natuurlijke toestand of manier van denken, bedacht dat hij bij machte was om alle ideeën van de hele mensheid precies terug te brengen tot dezelfde lengte, breedte en hoogte van die van zichzelf? En toch is dat de eerste bescheiden en fatsoenlijke opzet van alle vernieuwers in het domein van de rede…..Maar ik zou graag willen weten hoe het mogelijk is fantasieën zoals van deze bijzondere mensen te verklaren, zonder beroep te doen op mijn beeld van dampen die vanuit de lagere verstandelijke vermogens opstijgen en het brein overschaduwen en daar gedestilleerd worden tot voorstellingen waaraan door de beperktheid van onze moedertaal nog geen enkele andere naam is toegewezen dan die van krankzinnigheid of manie.” Ook Montaigne [6], die gewoonlijk zo gematigd is in zijn woordgebruik, roept in een hartstochtelijke opwelling van minachting en verontwaardiging (boek ii. hfdst. 32, “Verdediging van Seneca en Plutarchus” ) uit:

“Voor iedereen lijkt het dat hijzelf het toonbeeld is van de menselijke natuur en dat alle anderen aangepast zouden moeten worden aan hem: manieren die niet zoals zijn die van hem, zijn voorgewend of verkeerd. Wat een ontstellende domheid! . . . O, wat een gevaarlijke en ondraaglijke ezelachtigheid! Quelle bestiale stupidite! . . . O l’asnerie dangereuse et insupportable!” En de al eerder aangehaalde Italiaanse schrijver, Leopardi, zegt (in “Dialoog tussen Tristan en een Vriend”): “De individuen zijn gezwicht voor de massa, zeggen de hedendaagse denkers stijlvol…. Laat de massa het allemaal maar doen; maar ik wil en hoop dat een aantal van degenen die tegenwoordig hun licht werpen op de wereld en individuen en massa begrijpen, me eens duidelijk maken wat ze moet aanvangen zonder individuen, terwijl die massa bestaat uit individuen.” De oplettende lezer zal opmerken dat het hier doorschemerende sarcasme mij niet raakt, terwijl het vrijwel alle andere hervormers kwetst. Zij willen de massa hervormen, ik het individu en mijn plan is, in het kort, het vigerende hedendaagse plan van de werkverdeling, maar dan tot zijn uiterste volmaaktheid doorgevoerd in de morele wereld.

Om het onderscheid en het onschatbare overwicht van mijn principe over elk ander, zo mogelijk nog duidelijker te maken, zal ik mijn aandacht richten op de zeer merkwaardige en haast ongelooflijke manier waarop de grote praktische problemen uitgewerkt worden door de nog steeds in zwang zijnde hervormingen en hervormers. Als een heel sprekend voorbeeld van de hervormingen zal ik de recente Electoral Reform Bill [7] nemen, waarvan het logisch gevolg algemeen stemrecht is, want in het land kan voor niemand iets belangrijker zijn dan het goede leven. Het probleem is als volgt: stel dat een bepaald aantal spanten, bijna allemaal min of meer verrot, beschikbaar is om een zeewaardig schip te bouwen. Triomfantelijk antwoordt de Reform Bill hierop: laten we de hele partij lukraak gebruiken! Of met andere woorden: Stel er is een verrot en misvormd staatsbestel, vol allerlei kwalen, dat hoognodig zuiver, geschikt en gezond gemaakt moet worden. Daarop antwoordt onze Reform Bill vrolijk: laten we het in nieuwe mooie en grondwettige kleren steken, met spalken, verband, opvulsels, een goede pruik, glazen oog, een paar valse tanden enzovoort, dan zal er zonder twijfel volledige genezing plaatsvinden! Nu vraag ik de oprechte lezer zijn hand op zijn hart te leggen en op zijn erewoord te verklaren of hij die ondernemingen echt heel hoopgevend vindt. Vanwege zijn reusachtige afmetingen kan het schip uitvallen als een heel grote Great Eastern [8], maar zal uiteindelijk evenzeer zeewaardig zijn als de spanten verrot zijn, hoe vaardig ze ook aan elkaar gezet zijn, en hoe meer spanten, hoe minder samenhang. En het zieke gedrocht kan aangekleed worden zodat het er, als een figurant, heel aanvaardbaar uitziet, maar er zal evenmin leven en gezondheid in zitten als voorheen toen het gesmoord werd met verbanden en vol zat met opvulsels. Het idee om dat soort verbazingwekkende wonderen te verrichten, is niet iets voor mij. Mijn voorstel luidt heel bescheiden: Laten we een stel goede spanten nemen, dan zal het niet moeilijk zijn om daarmee een goed schip te bouwen; laten we het zuivere, geschikte en gezonde lichaam nemen, dan zal de kwestie van de kleren niet erg veel problemen opleveren.

Ik denk dat niet veel lezers zullen ontkennen dat als ieder mens volmaakt geworden is, ook de hele mensheid of menselijke samenleving volmaakt zal zijn. Maar zelfs als die volmaaktheid bereikt is, zal er waarschijnlijk onder de mensheid nog steeds veel lijden voorkomen als het universum blijft zoals het is. Want niet alleen de mens, maar ook de wereld waarin de mens leeft (of aanneemt dat hij leeft) is op dit moment heel onvolmaakt. Ik stel geen onderzoek in naar de oorsprong van deze aardse onvolmaaktheid, en evenmin naar de oorsprong van het menselijk kwaad. Ik volsta met het opperen van een bepaalde kuur voor beiden. Hoe gewone theologen er in slagen om naar de wereld te kijken en dan te ontdekken dat die alom bezield is met goddelijkheid en overal duidelijke tekenen vinden van een Schepper, die oneindig goed, wijs en machtig is, zou me zonder meer verbazen, als ik me nu al niet zou verbazen over elke enormiteit van menselijke dwaasheid of waanzin. Want hoewel ze, om de beroerde toestand van de mensen te verklaren, beschikken over de voortreffelijke dwaasheden Vrije Wil en Zondeval, beweren ze niet dat de wereld een vrije wil heeft en dat ze gezondigd heeft en zodoende verdorven is geraakt. Toch is de wereld er zonder twijfel even slecht aan toe en even ver af van volmaaktheid, als de mens. Laat ik een paar van haar ziekten en gebreken opsommen. Deze arme aarde van ons leidt aan vreselijke kolieken, maagzuur, hevig braken, krampen en uitbarstingen; ze heeft een gloeiend vuur in haar buik en hart en sommigen van ons hebben altijd direct of indirect te lijden van de daarmee gepaard gaande heftige pijnen. Verder heeft ze maar één maan, terwijl Jupiter er vier heeft, Uranus zes en Saturnus zeven en haar invloedsfeer is veel kleiner dan die van de meeste andere planeten. Aan de boven- en onderkant is ze fors ingedeukt en die uiteinden zijn onbruikbaar door de kou. Rond haar middel is ze onhandig opgezwollen, en ze staat daar in brand met een felle gloed. Haar schoonheid is daardoor ernstig aangetast en bovendien wordt ze ontsierd door vieze puisten en zweren in de vorm van geisers en vulkanen. Haar as is op een schandelijke manier uit het lood geslagen en haar land en water zijn zo ongelijk en onregelmatig verdeeld dat ze er volslagen onevenwichtig uitziet. Warmte en licht, met alles wat daaruit voortkomt, zijn zeer oneerlijk verdeeld over haar lichaam en daarom ook voor ons die op haar lichaam leven. Want voor het licht en de warmte die ze krijgt, moet ze, op een uiterst onwaardige en vermoeiende manier, rond de zon blijven tollen en snellen. De dieren die ze voortbrengt (om nog maar te zwijgen over de planten en mineralen) zijn in veel gevallen lelijk, onvriendelijk en woest en worden gekweld door een weerzinwekkende vraatzucht, die alleen gestild kan worden door het verscheuren van hun medeschepsels; ze zijn bijna allemaal volslagen egoïstisch en immoreel en de enkele die menslievend zijn (zoals knorrige oude leeuwen, tijgers, wolven, haaien, gieren en ander vriendelijk aasetend gevogelte; allemaal oprechte liefhebbers van de mens) zijn bijna even onaangenaam als onze eigen mensenvrienden. Ze heeft op geen enkele manier een morele hoedanigheid en haar stemmingen zijn uitermate wispelturig en gewelddadig. In haar bejegening van de mens is ze zelden eerlijk en die oneerlijkheid is vrijwel altijd gericht tegen de mens: ze geeft hem dus bijna nooit iets waarvoor hij niet gewerkt heeft. Het onwetende schepsel weet niets af van de verstandige leer van Malthus [9] , maar brengt zoveel mogelijk kinderen voort van allerlei soort, zonder de minste terughoudendheid. Daarom heeft ze er veel meer dan ze eigenlijk kan voeden en grootbrengen, zodat een groot gedeelte op jonge leeftijd bezwijkt (en ons wordt verteld dat geen enkel daarvan, behalve de menselijke zuigelingen, uit de dood zal verrijzen; arme diepbedroefde moederapen en –ezels, bijvoorbeeld, die het helemaal zonder de kostbare troost van de onsterfelijkheid moeten stellen). Een aanzienlijk deel wordt opgegeten door de mensheid en andere hongerige dieren, en de rest kan zelden aan voldoende voedsel komen. En wat betreft de mens in het bijzonder: aangezien de mensheid steeds talrijker wordt, terwijl de middelen van Moeder Aarde niet verhoudingsgewijs toenemen, moet ze eeuw na eeuw steeds meer van ons half of helemaal laten verhongeren, en zodoende zal ze zich binnen een paar duizend jaar, als zij en wij zolang zullen bestaan (en natuurlijk tenzij mijn heilzame voorstellen uitgevoerd worden), voor ons ontpoppen als de gierigste ouwe heks die we ooit hebben gekend. En als we verder kijken dan ons eigen fregat, de aarde, (over het hulpschip, de maan, zou ik nog heel wat kunnen vertellen) en onze kleine vloot van het zonnestelsel gadeslaan, zien we dat er een absurd en levensgevaarlijk gebrek bestaat aan communicatie tussen de verschillende vaartuigen; dat we niet alleen geen signalen door kunnen geven aan een van de andere, maar in feite vrijwel niets van ze weten, en al helemaal niets van hun bemanning, zodat we, in het geval van een dreigende aanval door een kaperkomeet of een vallende ster, geen plan kunnen beramen voor een gemeenschappelijke verdediging of vlucht. Bovendien is het zeer twijfelachtig of de vloot zich in de Ruimtezee in een gunstige positie bevindt en of ons vlaggenschip, de Zon, dat ons leidt bij het kruisen waarheen ze maar wil, een verstandig koers aanhoudt voor een voorspoedige reis, of snelt ze gewoon roekeloos voort en leidt ze ons waarschijnlijk naar een “eeuwigdurende schipbreuk” tussen de brekers van de branding? Want we worden niet alleen nooit geraadpleegd over de koers, maar ons wordt ook nooit iets meegedeeld als er een besluit genomen is, en zo drijven we voor altijd voort op een uitermate oneervolle, geblinddoekte manier. En ik kan nog verder gaan en veel dingen opmerken in het universum buiten ons stelsel, die waarschijnlijk verbetering behoeven of afgeschaft dienen te worden, maar daar heb ik nu echt geen tijd voor. Ik kan alleen een paar korte opmerkingen toevoegen over dingen die verbetering behoeven in de verhouding tussen Natuur en Mens. Ze bejegend onze intelligentie met een diepe minachting en geeft ons nooit ook maar de geringste aanwijzing over haar oorsprong, aard, programma, verrichtingen, doelen en doeloorzaken, als ze al doeloorzaken of een oorzaak heeft. Klaarblijkelijk werkt zij aan haar grote taak (wat die ook moge zijn) zonder enige speciale aandacht voor ons gemak of voordeel, omdat ze gewend is om ons, met al onze plannen en wensen, op de meest stuitende manier te negeren. Ze levert ons af in de wereld zonder ons daarin enige keuze te laten, hoewel alle andere keuzes en vrijheden volslagen onbetekenend zijn vergeleken met die die ons dus ontzegd is, namelijk een doeltreffende en redelijke stem over de vraag: wil ik wel of niet geboren worden? Ze houdt ons alleen maar in leven door middel van een ingewikkeld systeem van de meest schaamteloze waandenkbeelden, die onherroepelijk een verkeerd beeld geven van leven, dood en hiernamaals. Als ze ons eenmaal deelgenoot gemaakt heeft van dit armzalig en raadselachtig spel van het leven, zorgt ze ervoor dat alle regels ongunstig voor ons zijn: het is doorgestoken kaart, de teerling is geworpen en altijd trekken we aan het kortste end. Zo gaan jaren van hard werken en zelfverloochening vaak verloren door een vergissing of toeval, maar worden zelden bewaard door toeval. Onze gezondheid kan vernietigd worden door een speldenprik, maar nooit tweemaal zo goed worden door een toevalligheid. We worden opeens ernstig ziek en het kost ons weken of maanden om te herstellen; verliezen een arm of been door een ongeluk, maar krijgen ze nooit terug door een meevaller. We kunnen niet eens enige mate van wijsheid of kennis bereiken zonder een langdurige en inspannende studie, terwijl dom en dwaas zijn voor ons het allereenvoudigste en natuurlijkste ter wereld is. Onze zorgen zijn echt en blijvend, onze vreugden bedrieglijk en voorbijgaand; onze beloning voor een overwinning, is niet te vergelijken met onze straf voor een nederlaag. En zo zou ik door kunnen gaan met een ontelbaar aantal onderwerpen waarin we oneerlijk behandeld worden, maar deze schaarse aanwijzingen moeten voldoende zijn voor dit moment. Hoewel ze schaars zijn, denk ik dat ze overtuigend laten zien dat de natuur evenzeer verbeterd en vervolmaakt dient te worden als de menselijke natuur en in het bijzonder dient de natuur radicaal hervormd te worden teneinde precies te passen bij onze nieuwe vervolmaakte mensen.

III.

[Aantekening; persoonlijk, en daarom heel interessant. — Met die vreselijke eigenzinnige kwaadwillendheid die, zoals alle toegeeflijke medewerkers weten, doorgaans een kenmerkende eigenschap is van uitgevers, heeft de uitgever van deze National Reformer me een lelijke streek geleverd. Want omdat ik heel goed weet dat hoe meer behoefte het dierbare publiek heeft aan gered te worden, hoe meer afkeer het heeft van iemand die dat probeert te doen en bovendien dat het bestaan van de uitgever als uitgever afhangt van de goedkeuring van dat dierbare publiek (voor hem is het stokken van de omloop van zijn tijdschrift even rampzalig als het stokken van zijn bloedsomloop), voorzag ik hem, met een eindeloze edelmoedigheid en zelfopoffering, uit mezelf en voor niets, van uitgebreide persoonlijke en vertrouwelijke aantekeningen ten behoeve van een openlijke afwijzing van zijn kant van elke medeplichtigheid aan mijn goddelijk plan voor een wereldwijde hervorming, zodat de volledige afkeuring van de voortreffelijke verdiensten ervan op mij alleen zou drukken. Ondanks mijn plechtstatig geschreven protest, drukte en publiceerde hij vervolgens genoemde vertrouwelijke aantekeningen onder mijn naam, waardoor het leek dat ik zelf afbreuk deed aan mijn onbetaalbare essay en twijfel zaaide over mijn eigen diepgevoelde ernst, een karaktereigenschap, die ik, als groot hervormer van de moraal, meer hoogacht dan vrijwel alle andere verheven en schitterende deugden, waardoor ik nog steeds zo ontzettend onbekend ben.

Nu ik mij hiermee verantwoord heb ten koste van de uitgever, haast ik me daaraan toe te voegen dat ik hem zijn hardvochtige schending van vertrouwen vergeef (wat voor schade dat ook moge berokkenen aan mijzelf en aan de goede zaak waaraan ik mij gewijd heb), zodra ik mijzelf goddelijk volmaakt gemaakt heb, maar dat ik intussen zeer in verleiding gebracht wordt om uitgevers, als een slag mensen dat volstrekt onverbeterlijk is, helemaal uit te sluiten van mijn reddingsplan. Zoals de vrome prediker hartstochtelijk uitriep, nadat hij meedogenloos toegetakeld was door de kranten: “Ach, mijn dierbare broeders en bekoorlijke geliefde zusters, is er iemand van jullie die nog steeds hoopt dat een journalist of zelfs een uitgever, gered kan worden? Voorwaar ik zeg jullie, dat als Jezus Christus zelf zou proberen een uitgever de Hemel in te hijsen, er een kans is van meer dan tien tegen een, dat de uitgever Hem naar dat Andere Oord zou slepen en meer dan twintig tegen een, als de uitgever een atheïstisch of religieus tijdschrift heeft uitgegeven.” Amen.]

Nu ik zo duidelijk mogelijk aangegeven heb wat de twee onontbeerlijke radicale hervormingen zijn, zal ik verder gaan met het schetsen van mijn plan voor de snelle doorvoering daarvan. Maar ik moet de lezer wel verzoeken op te merken dat ik in geen geval evenveel nadruk leg op mijn uitzonderlijke werkwijze om dat te bewerkstelligen, als op mijn bewijs van het feit dat deze, en geen enkele andere, de hervormingen zijn die bewerkstelligd moeten worden teneinde alle kwaad en leed uit te roeien. Ik heb een heilig vertrouwen in de diagnose van de ziekte: de twee, misschien wel tweelingsziekten, die we moeten genezen, om een gezonde en evenwichtige wereld te krijgen, zijn onvolmaaktheid in de natuur, en onvolmaaktheid in de menselijke natuur. Maar nu dat eenmaal vastgesteld is, geef ik niet voor te beweren dat het medicijn en beleid die ik voorstel de beste zijn die gekozen kunnen worden, en ik besef in feite heel goed dat de behandeling eindeloos beter wordt zodra het genezingsproces begonnen is. Want het is duidelijk dat zodra de eerste mens zichzelf hervormd heeft tot de goddelijke volmaaktheid, hij oneindig veel beter dan ik en alle aanwezige dwaze wereldse kennis, weet hoe het aangepakt moet worden om elk levend mens zijn gelukkige voorbeeld te laten volgen. Hier houd ik me gewoon bezig met onze huidige onvolmaakte intelligentsia duidelijk te maken dat het plan heel goed uitvoerbaar is, zelfs met de middelen die we nu kunnen zien, en niet alleen uitvoerbaar, maar ook als iets dat heel snel en zonder veel problemen bewerkstelligd kan worden. Ik vertrouw erop dat als ik dat allemaal heb laten zien, een of meer individuen aangemoedigd zullen zijn om zonder dralen de eerste stap te zetten (de aanvang van de wereldwijde onderneming, een hele stap voor hem of hen), en meteen beginnen met het uitvoeren van het onberispelijk plan dat zijn of hun volmaakte wijsheid en goedheid zal dicteren.

Het is duidelijk dat als elk nu levend menselijk wezen terstond mijn bescheiden essay gaat lezen, en overtuigd raakt van de onmiskenbare redelijkheid ervan en zonder tijd te verliezen zichzelf vervolmaakt, er geen andere methode nodig is om de hier voorgestelde wereldwijde hervorming van de menselijke natuur te voltooien. Die snelle voltooiing is zeer wenselijk, maar als ik blijk zou geven van enige hoop daarop, kan ik beschuldigd worden van een te optimistische aard, een aantijging die ik uiterst angstvallig wil vermijden, omdat ik weet hoezeer dat de zege van iedere gedreven hervormer heeft vertraagd. Dat is voor mij de aanleiding geweest om de beste alledaagse middelen in overweging te nemen, zoals die waarmee we allemaal vertrouwd zijn in het dagelijks leven als we snel een beoogd doel willen bereiken.

Stel dat er drie deugdzame en intelligente mensen zijn onder degenen die dit stuk bestuderen. Ik ben mij ervan bewust dat die schatting erg hoog is en helemaal overdreven bij vrijwel elk ander tijdschrift. Een zo groot aantal zou ik bijvoorbeeld niet durven veronderstellen onder de lezers van Londens D. T. [10] (dat zijn de initialen die gewoon gebruikt worden om Delirium Tremens aan te duiden), hoewel die krant ons verzekert dat ze de grootste oplage (Eng. circulation) ter wereld heeft (zij en de ons omringende lucht, neem ik aan, en welk van beiden winderiger is, moet de grote God der Winderigheid maar uitmaken). [11] Maar mij is verzekerd door verschillende, met de National Reformer verbonden, onpartijdige mensen, zoals de hoofdredacteur, de adjunct-hoofdredacteuren, de drukker en meer dan een van de medewerkers, dat abonnees en regelmatige lezers eigenlijk een zeer uitgelezen gezelschap vormen. Daarom zal ik me wagen aan de schatting dat zich onder hen drie deugdzame en intelligente individuen bevinden die mijn voorstellen weten te waarderen en meteen aanstalten zullen maken om ze te verwezenlijken. Dit trio zal de kern vormen van een tijdelijke commissie en het enige vereiste voorbehoud zal aanvankelijk het feit zijn, dat de leden allemaal bij zichzelf de bovengenoemde ingreep nauwgezet hebben verricht. Ieder heeft zichzelf ontdaan van zijn onvolmaakte natuur en die vervangen door een volmaakte goddelijke natuur. Ik noem die commissie tijdelijk, omdat ik ervan uitga dat de leden er niet mee zouden instemmen dat die langdurig bestaat, uit angst dat ze hun zo-even verkregen morele en intellectuele gezondheid verwoesten. Want onze huidige meest wijze mensen (die echter gewoon idioten zijn vergeleken met de herboren mensen over wie ik schrijf) zijn eenstemmig van mening dat lid zijn van welk bestuur of commissie dan ook en de met genoemde commissie of bestuur samenhangende vergaderingen en bezigheden, de intellectuele en morele aard volslagen vernietigen van zelfs de beste en meest wijze mensen: zodat gedacht werd dat zelfs de zeven aartsengelen, als die een commissie hadden gevormd om Gods glorie te behartigen (die vast en zeker een grote behoefte heeft aan behartiging) zij zonder twijfel de Duivel zouden aanstellen als hun directeur of secretaris en zich in al hun gezamenlijke optredens door hem zouden laten leiden.

De werkzaamheden van genoemde tijdelijke commissie zal gewoon bestaan uit het oprichten en opstarten van de Algemene Volmaaktheidsmaatschappij Umlimited, waarvan de naam de doelstelling duidelijk aangeeft. Op geen enkele manier zal geld uitgegeven worden aan reclame en (waarschijnlijk voor het eerst in de geschiedenis van de naamloze vennootschap) zal de totale winst toekomen aan elk van de Aandeelhouders. Deze maatschappij zal meteen beginnen met het wereldkundig maken van mijn twee wezenlijke hervormingen, de hele wereld overreden om ze door te voeren en ieder mens aanmoedigen om zelf de eerste stap te zetten van het vervolmaken van zichzelf. Zij zal dit voortreffelijke essay, of een verbeterde versie daarvan (want deze volmaakte heren en dames zullen zelfs beter schrijven dan ik), in alle talen der aarde laten drukken en zendelingen uitsturen om de blijde boodschap mondeling of schriftelijk te verspreiden. Als de kosten voor reizen, drukwerk, postzegels, kantoorbenodigdheden, enz., enz., zullen toenemen, zal waarschijnlijk tijdelijk zowel een kleine geldelijke bijdrage als de hernieuwde persoonlijke volmaaktheid vereist zijn om recht te hebben op het lidmaatschap. Stel we bepalen de minimale geldelijke bijdrage op tweeëneenhalf pence: de regel zal dan zijn dat iedereen als lid geregistreerd zal worden als hij een door een lid ondertekend certificaat van volmaaktheid opstuurt naar de commissie, met de volledige naam, adres en beroep, als daar al sprake van is, en zo mogelijk een intekening ten bedrage van die tweeëneenhalf pence, of enig geheel veelvoud daarvan, dat het twintigduizendvoud van genoemde eenheid van contributie niet overschrijdt, te weten een maximum van £1000 sterling, een wettig betaalmiddel in Groot Brittannië en Ierland, of een equivalent daarvan in een andere munteenheid. Elke intekenaar moet verklaren dat hij evenveel van zijn bezit inhoudt voor zijn eigen onderhoud, als hij schenkt voor het onderhoud van de onderneming.

Er staat geschreven, ‘Gij zult niet stelen’ en daarom beken ik dankbaar dat ik die tweeëneenhalve pence en de veelvouden daarvan (niet in contanten, maar het waardevollere idee) heb geleend van het Internationale Vredescongres, bijeengeroepen te Genève op 9 september 1867. In het rondschrijven dat het had doen uitgaan, stonden de volgende prachtige woorden, die op een in het oog lopende plaats in gouden letters aangebracht zouden moeten worden in elk beursgebouw van Europa, om dit, de Mammon-aanbiddend, tijdperk in verwarring te brengen: Dat iedereen lid van het Congres kan worden door zijn naam op te geven en een of meer bijdragen te betalen van tweeëneenhalve pence. “Qu’il suffira, pour faire partie du Congres, de s’inscrire et de verser une ou plusieurs cotisations de 25 centimes” [12]

Dit tweeëneenhalve-pence-Congres (ik gebruik dat scheldwoord uit eerbied, niet als een banale wereldse afkeuring) heeft zich, ik ben verrukt om dat te horen, geconsolideerd in een permanente Internationale Bond voor Vrede en Vrijheid, die een jaarlijks congres belegt. Het volgende wordt geopend op de vijfentwintigste dag van deze heuglijke maand september 1871, te Lausanne. Uit alle delen van Europa en alle windstreken van de wereld, zijn medeburgers uitgenodigd om het bij te wonen en zonder twijfel zullen ze dat met miljoenen doen, waarbij iedereen zijn of haar naam opgeeft en een of meer bijdragen levert van tweeëneenhalve pence, tenzij die miljoenen het dus een beter idee vinden om congressen in hun eigen regio te houden en het aldus bespaarde bedrag aan reiskosten aan het fonds van de Bond te schenken. De recente luisterrijke loop der gebeurtenissen op het Continent, het heersen van een ongestoorde vrede, en de zege van een onberispelijke vrijheid, getuigen uitvoerig van de heilzame en krachtige invloed van deze Internationale Bond, zodat ik oprecht kan bekennen dat ik me, als ik niet de enige wereldwijde hervormer zou zijn, geestdriftig zou wijden aan het bijeensparen van tweeëneenhalve pence, teneinde daarvan een voorbeeldig passief lid te kunnen worden. Slechts tweeëneenhalve pence en je naam zijn nodig om de vrede en vrijheid van de wereld te verzekeren! Nooit eerder was een grote hervorming goedkoper. Iemand die niet wil deelnemen aan het goede werk op zulke goedkope en gemakkelijke voorwaarden, moet wel een verachtelijke of misantropische smiecht zijn, zo niet arm als een kerkrat.

In het vervolg van de tekst zal blijken dat ik vooruitloop op de overvloedige hulp van deze luisterrijke Bond ten behoeve het uitvoeren van mijn eigen voorstellen, voor welke hulp ik hier al bij voorbaat mijn nederige dank uitspreek. En hierbij beloof ik plechtig en openlijk dat ik, als een pover teken van mijn grote dank voor eerdere en toekomstige gunsten, de bijdragen van tweeëneenhalve pence tot het aantal van een dozijn, zal terugsturen naar genoemde Bond, na ontvangst van de Centrale Commissie van een aanvraagformulier voor voornoemde bijdragen, samen met een rechtsgeldige verklaring waarin staat dat ze dringend nodig zijn teneinde Europa en de andere vier of vijf werelddelen te pacificeren en te bevrijden, steeds in de veronderstelling dat tegen de tijd dat dat aanvraagformulier en die verklaring mij bereiken, mijn hele werkelijke en persoonlijke bezit, als aan alle geldelijke verplichtingen voldaan is, de vereiste waarde zal hebben van een halve kroon.

De maximale bijdrage is mijn eigen bezit (ik bedoel als idee, helaas niet in contanten), maar de regel is ook dat niemand meer zal bijdragen dan de helft van zijn bezit en ik heb deze voorwaarden vastgelegd om te voorkomen dat welgestelde liberale vrienden anderen uitsluiten van het privilege om in te tekenen ten behoeve van het goede werk, en liberale vrienden die niet rijk zijn hun hele bezit intekenen en zodoende niets overhouden om van te leven in de tussentijd die zal verstrijken totdat de eerste van de hervormingen helemaal doorgevoerd is, wanneer geld door de mensheid (zelfs door het vrouwendom) met een milde verachting afgewezen zal worden, wanneer kopen en verkopen en afpingelen voor altijd zullen verdwijnen, wanneer alles evenzeer aan iedereen zal toebehoren en iedereen minder zal verlangen dan zijn rechtmatig deel. O, de schitterende dag die nu op het punt staat aan te breken!

IV.

Zelfs als ze allemaal volmaakt zijn lijkt een tijdelijke commissie van drie personen misschien een onbeduidend instrument om het tamelijk grote karwei van het vervolmaken van de mensheid en het universum aan te pakken, vooral als we bedenken in wat voor rampzalige en vreselijke rotzooi een soortgelijke commissie van drie volmaakte goddelijke personen ons allemaal achtergelaten heeft, na meer dan achttien eeuwen gewerkt te hebben aan dezelfde klus. Maar we hoeven maar even na te denken en we zien dat het goddelijk trio zo vreselijk tekort schoot in het verbeteren van mens en wereld, juist omdat zijn leden goden waren en geen mensen, afkomstig waren uit de hemel en niet van de aarde. Want de astronomie heeft de hemel al herleid tot een gewone met sterren bezaaide ruimte, onbegrensd, zonder plaatselijk boven of onder en de filosofie heeft de goden herleid tot bedrieglijke dromen en fantasieën. En zelfs als die arme goden, deze vervagende hersenschimmen van hersenschimmen, over enige macht hadden beschikt, hoe zouden ze ons dan hebben kunnen verbeteren? In hun evangelie van de goede boodschap, worden onze wereld en ons lichaam over één kam geschoren met de Duivel, als een hels trio dat zich kant tegen het trio van de goden en als verachtelijk, afschuwelijk en onverbeterlijk slecht, alleen maar goed voor een eeuwigdurende kastijding of vernietiging. De enige manier waarop de Vader, de Zoon en de Heilige Geest ons hadden kunnen verbeteren is door ons uit te roeien. En nogmaals, zelfs als ze allemaal enige macht hadden, moeten ze gezamenlijk als commissie toch uitermate machteloos zijn geweest. Want teneinde ze onder te brengen in een soort pseudo-eenheid, hebben bepaalde uitgekookte theologen zonder enig mededogen in hun bast, deze drie tragische personen met hun nek, oksels, ellebogen, polsen, duimen, vingers, borstkas, lendenen, dijen, knieën, enkels, hielen en tenen aaneen gebonden met behulp van eindeloze ineengedraaide van fijn ijzerdraad gemaakte aan elkaar geknoopte spiralen, die niemand kan waarnemen en ontwarren. Hadden hun lichamen waargenomen kunnen worden, dan moeten ze eruit gezien hebben als een vormloze klomp zwart en openbarstend vlees, opzwellend boven, door dat gespannen netwerk aangebrachte, smalle en diepe sneeën en kerven. Een rode dreigende blik, een gulp stroperig bloed, gaven in de vormloze massa oog, mond en neusgat aan. Gelukkig voor de slachtoffers, is het vrij zeker dat wat ze aan leven hadden toen dat gedoe begon, heel snel uit hen gewrongen moet zijn. Voorbeelden van de duivelse folterwerktuigen, het netwerk waarin die goddelijke personen samengewikkeld waren zodat ze eruit zagen als een wangedrocht, kunnen nog steeds, niet zonder afschuw en medelijden, gezien worden in wat de belijdenis van Athanasius genoemd wordt en in talloze onleesbare boeken die het onverklaarbare mysterie van de Heilige Drie-eenheid verklaren.

Maar mijn drie volmaakte personen zullen een heel ander trio zijn dan deze Heilige Drie-eenheid. Ze zullen vervolmaakte mensen zijn, geen goden. Geboren uit de aarde, zullen ze leven en werken op de aarde, met een tastbaar lichaam en een volledige uitrusting van vleselijke zinnen, en in plaats van onlosmakelijk aaneen gebonden te zijn, zal de commissie waarvan zij lid zijn, gewoon tijdelijk zijn en ieder van hen zal vrij zijn om te handelen zoals hij wil. De enorme mislukking van die commissie van de drie goden, is dus niet iets waardoor ik ontmoedigd word.

Anderzijds is het heel bemoedigend als je bedenkt hoe elk van de vier of vijf grote religieuze stelsels die op dit moment vrijwel de hele mensheid onderling verdelen, zijn oorsprong had in een of twee arme mannen, die zelf allesbehalve volmaakt waren. Zo werd het christendom gesticht door de arme jood Jezus (volstrekt niet dezelfde persoon als onze Heer en Heiland Jezus Christus, met wie hij gewoonlijk en onnozel verward wordt, maar een in wezen immens beter iemand dan genoemde Heer en Heiland), bijgestaan door ongeveer een dozijn armoedzaaiers die allesbehalve volmaakt waren — behalve als schrijver van Grieks en spreker van alle talen de aarde — omdat het zeer onwetend joden waren van de laagste klasse. Deze mannen en hun menselijke volgelingen bouwden daadwerkelijk de enorme christelijke kerk op, hoewel alle verdiensten (en de slechte naam) van die prestatie werd opgeëist door die slome en machteloze commissie van de goden. En als onvolmaakte mensen zoveel kunnen bereiken, een zo grote maar verkeerd geleide klus, een klus die des te moeizamer was omdat die zo slecht begeleid werd, bedenk dan eens wat volmaakte mensen, die altijd in de juiste richting werken, kunnen bereiken. Want nu moet ik de lezer ernstig verzoeken (voor het geval ik er nog een heb, afgezien van die van de drukkerij, maar die telt niet mee) zo grondig mogelijk de voordelen te overwegen die alleen maar het gevolg kunnen zijn van de volmaakte wijsheid en deugdzaamheid van elk lid van de door ons voorgestelde commissie en maatschappij. Tot nu toe zijn de mensen die een leidende rol gespeeld hebben bij het uitwerken van een hervorming, onvolmaakt geweest, net als de rest van de mensheid en al hun bekeerlingen idem dito. En hun persoonlijke gebreken en tekortkomingen, hun egoïsme, trots, lafheid, jaloezie, eerzucht, hun ongeduld, onoprechtheid, dwaasheid, huichelachtigheid, enz., enz., enz., ad infinitum, hebben de vooruitgang belemmerd en de zuiverheid bezoedeld van de zaak die ze bepleitten. De grondlegger en leider is waarschijnlijk een dweper geweest met een sterke wil of een geducht brein, of beiden, en natuurlijk zeer onvolmaakt. Van zijn rechtstreekse en meest oprechte leerlingen, zijn sommige bedwelmd door zijn denken, dat te krachtig was voor hun zwakkere hoofd, en in veel gevallen ook voor dat van zichzelf. Andere zijn gehypnotiseerd en geknecht door zijn sterke wil, waarvan hij in de meeste gevallen ook zelf slaaf geworden was, en weer andere zijn gek geworden door zijn enthousiasme, dat hemzelf altijd ook min of meer gek gemaakt had. Als de leer zich steeds meer verspreidt (want enthousiasme is, hoewel het krankzinnig is, de meest doeltreffende missionaris), worden uit laaghartige en oneerlijke motieven duizenden ertoe aangezet om de leer te belijden, die verdraaid wordt om hun, wat zij zien als eigenbelang te dienen en afgezwakt wordt om een plooibaar gereedschap te kunnen zijn van eerzucht, hebzucht en ijdelheid. En iedere bekeerling, dom of intelligent, verandert de leer evenzeer als die hem verandert. Dus naarmate de leer als werelds systeem tot bloei komt en zegeviert, verdwijnt haar oorspronkelijke geest daar steeds meer uit, zodat het werkelijke leven en onderricht van een rijke en machtige Nationale Kerk weinig of niets gemeen kan hebben met het leven en de bezieling van haar verre stichter. Probeer je bijvoorbeeld die arme Jezus voor te stellen die weer tot leven komt (werkelijk, niet als leerstelling), en te horen krijgt dat hij de stichter, leraar, toonbeeld en zelfs de god is van het christendom. Stel je dan voor dat hij op zoek gaat naar een kenmerk van zijn eigen leven en leidende principes, in het leven en de leidende principes van de miljoenen die zichzelf christen noemen. Stel je hem voor gewikkeld in een gesprek over geestelijke zaken met de Paus, de kardinalen, de bisschoppen (hoewel hun lakeien hem nooit toegang tot een van hen zouden geven) en de meest vooraanstaande geestelijken van de verschillende christelijke sekten. Hij zou zich een verschoppeling voelen in het naar hem genoemde koninkrijk, afgewezen en veracht als een krankzinnige, een idioot, een bedrieger. Het morele en intellectuele leven van de christenheid zou voor hem even vreemd en zelfs verbijsterend zijn als haar stoomboten, spoorwegen en telegrafen. Paulus en de andere vroege apostelen, het oude heidendom van Griekenland en Rome, van Oost en West, oude filosofieën en nog oudere bijgeloven, nationale eigenaardigheden, materiele en andere omstandigheden, de ontwikkeling van de wetenschap, de steeds wisselende levensomstandigheden en manier van denken, kortom, alles wat het karakter van de bekeerlingen beïnvloedde, heeft de religie beïnvloed. Tegen de tijd dat een leer belichaamd wordt door een kerk of andere instelling, is haar oorspronkelijke geest vrijwel verdwenen. Haar ontwikkeling kan heel goed vergeleken worden met de loop van een grote rivier, want rivieren zijn opmerkelijk geschikt voor al dat soort analogieën. Ergens ver weg heeft een bergbeek of een bron in de rotsen de eer om haar oorsprong genoemd te worden en de naam van dat miezerig sijpelen wordt, steeds breder wordend, triomfantelijk duizend mijl voortgedragen naar de zee. Weldra wordt het stroompje verenigd met andere, die er erg op lijken. Terwijl het verder stroomt, steeds lager (want dat is de universele wet), wordt het verenigd met andere stroompjes en riviertjes die steeds minder lijken op het stroompje zelf, want die zijn door een andere bodem en streek gevloeid en meer dan een kan groter zijn dan het stroompje zelf, — zoals de Missouri ook groter is dan de Mississippi —, en zijn eigen water verandert steeds meer door de nieuwe en uiteenlopende streken waar het doorheen stroomt. Terwijl het verder stroomt en steeds dieper en breder wordt, verrijzen dorpen en steden aan zijn oevers en ontvangt het overvloedige bijdragen, niet alleen van natuurlijke waterstromen, maar ook van riolen en het verpestende afval van allerlei fabrieken en scheepswerven. Wanneer het een machtige rivier geworden is, bezaaid met boten en aan weerszijden een rijke en dichtbevolkte hoofdstad, kan het een heuse open cloaca maxima zijn. In ieder geval moet zowel haar waterkwaliteit als hoeveelheid en omgeving, heel anders zijn dan van het klaterende beekje in de afgelegen bergen, dan van het heldere stroompje uit de schaduwen en idyllische vredigheid van de bosrijke streken. In feite is het water van de bron maar een onbeduidende druppel van de enorme, samengestelde hoeveelheid van de troebele bruine en gele vloed die ten slotte door het vruchtbare vlakke laagland heen, in meerdere kronkelende beddingen met grote stukken moeras en lagune, uitstroomt in het immense zuiverende laboratorium van de ongerepte zoute zee. De ver weg gelegen bergbeek is Christus of Mohammed, de machtige rivier de christelijke of mohammedaanse kerk, de zee is in alle gevallen de omringende oceaan van dood en vergetelheid, die het leven mogelijk maakt door de aarde te behoeden voor bederf.

Dat is de gang van zaken geweest bij zelfs de beste leren, waarvan de verkondigers en bekeerlingen onvolmaakte mensen waren. In theorie zijn die leren misschien heel goddelijk geweest, maar de initiatiefnemers begingen de rampzalige fout door niet te voorzien in de uitschakeling van de menselijke natuur, of hebben dat gedaan op een volslagen onuitvoerbare manier. Zoals ik al vaak heb kunnen opmerken, is een religieus, filosofisch of enig ander systeem, niet alleen een wetboek van leerstellingen. Het is het resultaat van deze leerstellingen, door ze op ontelbare manieren te verbinden met actie en reactie met de menselijke natuur en de aardse omstandigheden. De leer kan er op papier volmaakt uitzien, maar als die niet ten goede kan werken, met of ondanks deze nadelige factoren, is ze volslagen nutteloos. Mensen aanmoedigen om te vliegen lijkt een veel verhevener leer dan ze leren hoe ze moeten lopen, maar de mensen hebben benen, en als de leraren hen geen vleugels geven….? Als er goede praktische resultaten behaald moeten worden moet, of de natuur en de menselijke natuur opgetild worden tot de voortreffelijkheid van de leer, of de leer moet tot hun niveau verlaagd worden. Mijn waardige voorganger Solon, die deze waarheid begreep, koos bij de wetgeving voor de Atheners voor de tweede mogelijkheid, door hen wetten te geven die niet de beste waren die hij kon bedenken, maar de beste die zij konden aanvaarden. Ik kies voor het stoutmoediger, maar oneindig meer verkieslijk plan van het tot hetzelfde niveau omhoogbrengen, in plaats van omlaaghalen, door ervoor te zorgen dat de natuur en de menselijke natuur volmaakt gemaakt zullen worden, teneinde ze in overeenstemming te kunnen brengen met mijn leer, en niet mijn leer onvolmaakt te maken om overeen te stemmen met hen. In de Algemene Volmaaktheidsmaatschappij, Umlimited, zal sprake zijn van een voortdurend toenemende kracht en omvang van volmaaktheid, onvervalst en onverdund door de geringste vermenging van ook maar iets minder zuivers en krachtigs. Omdat alle leden even volmaakt zijn, zullen ze altijd eenstemmig zijn, zodat de schande van onenigheden en scheuringen onbekend zullen zijn. De wijsheid en deugdzaamheid van de leden zal de best mogelijke manier zijn om de nog niet bekeerden, die hen zien, te overtuigen. Kortom, als de leergierige lezer alleen maar zorgvuldig, een voor een, alle in de wereldgeschiedenis opgetekende dwalingen en tekortkomingen nagaat, die de dode en stervende religies en filosofieën van de aarde geschaad hebben, zal hij tot zijn verheugende verbazing ontdekken dat de Maatschappij die ik tot mijn genoegen gratis mag aanbevelen, door haar op zichzelf staande aard daarvan volmaakt vrij moet zijn.

V.

Bovendien ben ik hierin buitengewoon gesterkt door de goed onderbouwde verzekering dat, als onze tijdelijke commissie van voldoende bevoegde personen de Algemene Volmaaktheidsmaatschappij, Umlimited heeft opgericht en uitgebreid ruchtbaarheid gegeven heeft aan de prospectus daarvan, zich onmiddellijk een groot aantal rijke en machtige, enthousiaste en gedisciplineerde leden zal aansluiten bij deze Maatschappij. Want zowel groepen en afzonderlijke hervormers, als de meest serieuze en intelligente mensen van alle religies en sekten, zullen wel moeten zien dat genoemde Maatschappij in haar opzet alle hervormingen bevat waarnaar zij op zoek zijn. Ik zal een paar belangrijke voorbeelden geven en vraag daarvoor bijzondere aandacht, omdat ze laten zien dat de eerste van mijn twee grote hervormingen naar alle waarschijnlijkheid op korte termijn verwezenlijkt zal worden.

Alle oprechte christenen en echte christelijke gemeenschappen (aangenomen dat die nog bestaan) moeten ervan overtuigd worden dat de nieuwe volmaakte mens uit zichzelf alle bijgeloof, afgoderij, dwalingen en alle slechtheid van wereld, lichaam en Duivel zal verwerpen en uit zichzelf het enige ware en onfeilbare geloof zal aanvaarden. Bovendien kunnen deze christenen in onze eerste hervorming een belangrijke voorwaarde zien van het christendom. In het laatste evangelie verklaart Jezus (Joh. 3:5): “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan.” En Paulus, in zijn diepzinnigste brief (Efeziërs 4:13, 22-24) “Totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus…. Dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid.” In feite is mijn plan niets anders dan een verbeterd christendom. Ik schaf de goden af en hun tegenhanger, de Duivel, die altijd uitermate ondoeltreffend zijn gebleken, in wie niemand werkelijk nog gelooft en die, afgezien van in gebeden en preken, nooit gemist zullen worden. En zo ontdoe ik me van alle troosteloze absurditeiten van de dogmatische theologie en alle godsgruwelijke strijdpunten van de sekten, terwijl ik tegelijkertijd de verlossing bevrijd van haar rampzalige afhankelijkheid van het onmogelijke geloof dat een twijfelachtige arme jood, die al dan niet ongeveer negentien eeuwen geleden geleefd heeft, en de Heer Christus was en is. Ik zorg ervoor dat iedereen zichzelf vervolmaakt, in plaats van door het stof te kruipen voor de genade van God, waar nog nooit een sterveling iets aan gehad heeft. ‘Help jezelf en de hemel zal jou helpen,’ is het vrome gezegde, dat betekent dat als iemand alle werk gedaan heeft, God bereid is zich de verdienste daarvan toe te eigenen. Ik ruim hemel en hel uit de weg, waarin overigens sinds de zondagschool niemand meer echt in gelooft en zorg voor een grote besparing van materiaal door van deze wereld een hemel te maken, in plaats van die helemaal als waardeloze rommel te vernietigen en over te gaan tot het belachelijk spenderen van geld om een nieuwe hemel en een nieuwe aarde te bouwen, en dan ook nog een nieuw Jeruzalem (alsof een nog niet genoeg was!). Maar dit onbeduidend uitwissen en verbeteren is misschien het vermelden niet waard en zal echte christenen niet verhinderen te zien dat dit nieuwe essay in wezen hun eigen Evangelie is, en daarom reken ik op hun welgemeende medewerking.

De National Secular Society [13] moet, samen met alle atheïsten, theïsten, deïsten, pantheïsten, pot-theïsten, necessitaristen, utilitaristen, positivisten, enz., enz., er zeker van zijn dat de nieuwe volmaakte mens vanzelfsprekend altijd alleen zal geloven wat in overeenstemming is met de meest zuivere en verlichte rede en buitengewoon gedreven zal werken voor het grootste goed voor het grootste aantal mensen, door er voor te zorgen dat de omstandigheden die mensen maken en door hen gemaakt worden, zo gunstig mogelijk (en zoals ik hoop te laten zien, volmaakt gunstig) zijn. [14]

De Internationale Bond voor Vrede en Vrijheid moet, samen met alle andere vrijheidsgenootschappen en vrijzinnige gezelschappen, socialisten, communisten en internationalisten, zeker weten dat de nieuwe volmaakte mens niet zal strijden met zijn broeder, omdat het niet in zijn “aard” zal liggen om dat te doen, hij zal niet proberen zijn broeder te onderdrukken, noch zal hij zichzelf kunnen onderdrukken en ze moet ook zeker weten dat, als de hele mensheid en alle vrouwen volmaakt zijn, alles in elk opzicht absoluut gelijk zal zijn, dat het iedereen een waar genoegen zal zijn om alles met iedereen te delen en dat de verstandig bewerkte aarde veel meer zal voortbrengen dan toereikend is voor de behoeften van haar mensenkinderen. Het is ook onwaarschijnlijk dat deze volmaakte mens genoegen zal nemen met alle mensen vrij en gelijk te maken. Zijn subtiele moreel besef zal waarschijnlijk zien dat andere dieren evenzeer hun onvervreemdbare rechten hebben als het menselijk dier, dat het immoreel is om paarden, honden, kamelen, olifanten, rendieren, enz., tot slaaf te maken voor zijn eigen plezier en nut, dat het misdadig is om de koe te beroven van haar melk en de kip van haar ei, en zodoende het kalf tekort te doen en het kuiken verhinderen te leven en dat het op een schandelijke manier misbruiken van overmacht is, om op enige manier in te grijpen in de manier van leven waartoe de natuur elk dier dwingt.

Alle filosofisch geschoolde heidenen zullen inzien dat mijn plan in overeenstemming is met het grote heidense gebod Ken uzelve. Want dit gebod, evenals de meeste andere die werkelijk van waarde zijn, is niet groot in zijn letterlijke rudimentaire betekenis, maar in zijn legitieme organische ontwikkeling. Zoals onze afstandelijke vriend Goethe terecht opmerkt (Maximen und Reflexionen, paragr. 6), moet het niet in een ascetische betekenis opgevat worden, heeft het niets te maken met het ziekelijk zelfonderzoek van onze hedendaagse hypochonders en gezondheidsmaniakken, maar is het gewoon heel eenvoudig en praktisch. Het is een schrale troost als iemand zichzelf kent zoals hij nu is, zwak, onrein, dwaas, doorgaans onvolmaakt en altijd op gespannen voet levend met de natuur en zijn medemensen. Het orakel bedoelde dat die kennis iemand zou moeten prikkelen om zichzelf te verbeteren en te vervolmaken. En als hij volmaakt geworden is, zal dat zichzelf kennen de grootste zelfvoldaanheid geven. En omdat in ons plan iedereen volmaakt moet worden, zal iedereen die zelfvoldaanheid niet egoïstisch ervaren, maar in de hartelijkste genegenheid voor alle anderen. Ken jezelf en zie hoe onvolmaakt je bent. Dus vervolmaak jezelf. Uiteindelijk ken je dan jezelf en zie je hoe volmaakt je bent en dan zal die bewuste volmaaktheid je gelukzaligheid zijn.

De verschillende Verenigingen tegen Drankmisbruik (die zichzelf vreemd genoeg omgedoopt hebben tot Geheelonthoudingsvereniging die, teneinde ervoor te zorgen dat het misbruik uitgeroeid wordt, dat niet alleen heel behoedzaam vernietigt, maar ook de matiging, die dat mogelijk veroorzaakt, van haar kracht berooft) zullen erop kunnen vertrouwen dat de nieuwe volmaakte mens nooit misbruik zal maken van alcoholische dranken of iets anders ter wereld, en helemaal niets zal gebruiken waarvan hij beter af kan blijven. Want het is echt te gek voor woorden om je iemand voor te stellen die beter geworden is door afstand te doen van zijn menselijke natuur en die te vervangen door een goddelijke natuur en die dan dronken en gewelddadig wordt, zijn kinderen laat verhongeren, zijn vrouw slaat en met de politie vecht en het is eigenlijk ook te gek voor woorden om te veronderstellen dat er ook maar één politieagent nodig is in een gemeenschap met zulke mensen.

De vegetariërs kunnen er helemaal op rekenen dat de nieuwe volmaakte mens geen andere dieren zal doden en verslinden, nee, zelfs geen planten zal doden en verslinden als dat wreed en verkeerd is. Zou hij na ernstige morele overwegingen tot de conclusie komen dat het plantaardig leven even heilig is als het dierlijk leven, dan zal hij zonder twijfel slim genoeg zijn om volop gezond voedsel te onttrekken aan het minerale rijk en zou hij het verkeerd vinden om zelfs dit leeg te plunderen voor een zo banaal doel als het vullen van zijn maag, dan zal hij zich zonder twijfel voeden zonder ook maar iets te verslinden.

Alle oprechte politici, radicalen, republikeinen, conservatieven en royalisten kunnen ervan uitgaan dat de nieuwe volmaakte mens in de Staat alles zal vernietigen wat vernietigd dient te worden en behouden en instellen, wat behouden en ingesteld dient te worden.

De vereerders van Mumbo Jumbo [15], de ultramontanen [16] en spiritualisten [17] hoeven er niet aan te twijfelen dat de nieuwe volmaakte mens alles en overal zal vereren en geloven wat vereerd en geloofd dient te worden. Ten slotte, iedereen die gelooft dat zijn eigen leer waar en zijn eigen levensplan goed is, moet erop vertrouwen dat naarmate de mensen beter en wijzer worden, zij meer in zijn leer geloven en zijn levensplan zullen overnemen.

Het is dus terecht als we aannemen dat de beste mensen van alle gezindtes en groeperingen, de bloem der mensheid, zich zonder twijfel zullen aansluiten bij de Algemene Volmaaktheidsmaatschappij, Umlimited, zodra ze in de gelegenheid zijn om haar oprechte en bescheiden prospectus te bestuderen.

VI.

Versterkt vanaf het prille begin haar geschiedenis door de zo talrijke en invloedrijke aanwinsten, en met een onweerstaanbare macht door de volmaaktheid van al haar leden, in tegenstelling tot de enorme onvolmaaktheid van de niet verbeterde mensen, zal de Algemene Volmaaktheidsmaatschappij, Unlimited in de loop van een paar jaar vast en zeker in alle streken der aarde de overhand hebben, niet alleen onder de stammen die barbaars genoemd worden, maar ook onder de naties die we grappig genoeg beschaafd noemen. Wanneer zij zodoende in haar eentje machtiger wordt dan de rest van de mensheid, zal ze zich waarschijnlijk verplicht voelen om meteen te beslissen over welk van de twee gedragslijnen ze moet kiezen als de beste voor de ware belangen van de wereld en de mensheid, of de Maatschappij de stompzinnige en koppige onvolmaakte mensen voor lief moet nemen, in de hoop hen en hun kinderen geleidelijk te winnen voor zelfvervolmaking, of in het ongunstigste geval hen geleidelijk als een minderwaardig ras laten uitsterven of dat de Maatschappij ze meteen moet uitroeien. Als voor die laatste koers gekozen wordt, mogen we verwachten dat een duidelijke en beminnelijke waarschuwing met de volgende strekking onder de aandacht zal worden gebracht van alle weigeraars:—

“Gezien bepaalde lieden, ondanks het voorbeeld en de raadgevingen van de leden van de Commissie, hardnekkig volharden in hun onvolmaaktheid en gezien het bestaan van zulke schepsels noodzakelijkerwijs een beproeving is voor henzelf en anderen, en degenen van hen die deze beproeving niet voelen de meest ellendigen van allen moeten zijn, afgezakt als ze zijn tot het niveau van hun werkelijke lot, en gezien zulke zieke en immorele lieden alleen maar onze atmosfeer kunnen vergiftigen, onze prille zuiverheid bezoedelen en onze amper herwonnen gezondheid besmetten; en gezien, bovendien, het bestaan van zulke lieden niet alleen, met een pijnlijke kwaal en schande, de ziel aantast van de volmaakten, die hun aanstootgevende verachtelijkheid moeten aanschouwen, en de zich nu voor het eerst verheffende en deels al tot haar gepaste uitmuntendheid verheven mensheid omlaaghalen: Verzoeken wij, leden van deze Commissie, zowel gezamenlijk als afzonderlijk, overvuld van liefde en mededogen voor deze arme waardeloze schepsels, die tot voor kort onze medemensen waren, en met een smartelijk broederlijk verlangen onafgebroken hunkerend naar hun redding, hen hierbij allerbeminnelijkst en buitengewoon ernstig, zich terstond te ontdoen van hun weerzinwekkende zonden en ellende en zich bij ons aan te sluiten in de gelukzalige volmaaktheid. En tevens wordt hierbij kennis gegeven, aan iedereen die het aangaat, van het feit dat deze Maatschappij, bewogen door een diep mededogen voor dit soort schepsels, omdat ze ongeneeslijk zijn, en genoodzaakt door haar ernstige plicht ten opzichte van Universum en Mensheid, heeft besloten en met een onfeilbare nauwgezetheid uitvoering zal geven aan de resolutie (en daarom iedereen voor wie het van toepassing is): Dat al wie van de menselijke soort, voor het verstrijken van (laten we zeggen) een jaar, gerekend vanaf deze datum, bij zichzelf niet, of het eenvoudige vervolmakingproces heeft doorgevoerd, dat zonder weerga de beste harakiri of gelukkige genadeslag is, of anders die andere gelukkige genadeslag, bekend als eervolle zelfmoord, die onvergelijkbaar veel beter is dan het voortzetten van een minderwaardig leven, door deze Maatschappij de gelukkige genadeslag toegediend zal worden, zodat de wereld in het algemeen en hijzelf in het bijzonder meteen en definitief verlost zullen worden van zijn kwaad en leed.”

Je zou toch verwachten dat een pleidooi en waarschuwing die op een zo hartelijke toon onder woorden is gebracht en uitgesproken is in de voortreffelijke welsprekendheid die elk in de naam van de Commissie gesproken of geschreven woord zal kenmerken, zelfs de onverzettelijkste tegenstander van zelfhervorming moet overreden, zoals het zonder twijfel al degenen, die uit pure bescheidenheid terugdeinzen voor vervolmaking, moet overreden om zonder dwang te vertrekken uit een wereld waarin hun leven schadelijk is gebleken. En je kunt gerust vooraf beweren dat het uitroeien van alle stakkers bij wie die oproep niets blijkt uit te halen, in feite een heilzame manier is om van kwalijke troep af te komen. Bovendien is het volstrekt duidelijk dat een uit dergelijke stakkers bestaande minderheid, of zelfs een grote meerderheid, niet meer dan een armzalig verzet kan bieden tegen een meerderheid, of zelfs een zeer kleine minderheid van uitsluitend volmaakte mensen. Opgemerkt moet worden dat ik niet durf te beweren dat het voor de hand ligt dat de Commissie de voorkeur geeft aan het ene boven het andere beleid, aan uitroeien van de onverbeterlijken boven gedogen of gedogen boven uitroeien. Als ze een keuze moet maken, zal zij zonder twijfel kiezen wat werkelijk de voorkeur verdient en des te sneller de wereldwijde volmaaktheid van de mensheid verzekert.

Als ieder mens op aarde dus volmaakt is, zal onder de mensheid het kwaad in de vorm van slechtheid, zonde, misdaad, dwaling, onzuiverheid, ziekte, mismaaktheid en lelijkheid uitgeroeid of bijna uitgeroeid zijn en met het kwaad zal een groot deel van de ellende in de vorm van pijn of lijden zonder twijfel verdwijnen. De onberispelijke goedheid en onfeilbare wijsheid van de nieuwe mensen zal eveneens ongetwijfeld veel van het lijden, waaraan de natuur ons nu onderwerpt en dat we nu zien als onvermijdelijk en ongeneeslijk, verhelpen of vermijden. Maar voor zover we kunnen zien, moet er, zolang de huidige wetten en structuur van de natuur aanhouden, nog een grote hoeveelheid werkelijk onvermijdelijk lijden overblijven voor het mensdom, nog afgezien van het dierendom, vogeldom, vissendom, insectendom, reptielendom en plantendom en het stenendom helemaal buiten beschouwing gelaten. Storm en aardbeving, aardverschuiving en overstroming, bliksem en vulkaanuitbarsting, zullen waarschijnlijk deze volmaakte mensen verwonden of doden, maar niet meer zo vaak als bij ons. Hun uitmuntend gevoel voor gerechtigheid zal hevig geweld aangedaan worden, neem ik aan, door die uiterst onbillijke ongelijkheden in het universum die ik al aangeroerd heb in het tweede hoofdstuk van deze schitterende verhandeling. Een kind baren zal voor moeders pijnlijk blijven en onaangenaam voor vaders en tandjes krijgen kan nog steeds een vervelend gebeuren zijn voor zowel kinderen als ouders. Deze nieuwe mensen, die van nature veel meer van het leven genieten dan wij dat kunnen, zullen of eeuwig blijven leven, of in ieder geval zolang als ze dat willen, want het is oneervol om op een ongewis moment met geweld uit de wereld geduwd te worden, of je nu langer wilt blijven of niet. Ook denk ik dat de aftakeling vanaf de overgangsleeftijd tot de ouderdom, met zijn zwakheid, traagheid, kindsheid en een algemeen Struldbrugisme [18], hen in geen geval aan zal staan en dat ze liever, in de volle kracht van lichaam en geest, hun leven tot de laatste minuut uitzingen (voor zover ze het best vinden om een laatste minuut te hebben). Ze zullen vast geen genoegen nemen met zich te beperken tot dit onbeduidende aardbolletje van ons, maar naar believen door het grenzeloze universum willen zwerven. Ik denk dat de toestand en vooruitzichten van de minderwaardige schepsels verontwaardiging zal wekken in hun edelmoedige ziel. In de ingewikkelde verhoudingen tussen de natuur en de menselijke natuur, spelen ontelbare andere zaken mee, waarvan de volmaakte mensen waarschijnlijk een meer of minder belangrijke verandering zullen eisen, zoals de nadenkende lezer eenvoudig zelf kan bedenken.

Ik zal hier nog een ander punt aanroeren, dat op dit moment nogal van belang is. Als alle sociale, politieke, religieuze, morele, intellectuele en andere verschillen uit de weg geruimd zijn, is het dan aannemelijk dat deze volmaakte mensen de natuur zullen toestaan het fatsoen en de totale gelijkheid geweld aan te doen, door het stuitende onderscheid tussen de seksen te handhaven? Onvolmaakt als we nog steeds zijn, zijn onze meest vooruitstrevende denkers al tot de theorie gekomen van de absolute gelijkheid van man en vrouw, wellicht wat afgezwakt door een onduidelijke superioriteit aan de kant van de vrouw. En onze beschaafde morele gevoeligheid, onze verfijnde spiritualiteit, onze voortreffelijke bescheidenheid en onze etherische kuisheid schamen zich over iets dat zo laag-bij-de-gronds, zinnelijk en aanstootgevend is als dit onderscheid tussen de seksen. In het openbaar durven we er niet op te zinspelen, behalve op de meest afstandelijke en ontwijkende manier. De maatschappij ontkent het rustig en van mannen en vrouwen wordt verondersteld dat ze evenzeer volslagen onbekend zijn met elkaars lichaamsvorm en allesbehalve bereid zijn om over dat onderwerp iets te weten te komen. De wetgeving legt een drievoudig verband over de ogen van rechter (geheel geblinddoekt, zo niet al blind) telkens wanneer het ter sprake komt. De godsdienst vreest en haat het als de belangrijkste werktuigen van de smerige en verfoeilijke vleselijke lusten. Aangezien intussen, onder al dit verhullen en ontkennen in de wereld van het uiterlijk vertoon, genoemde verschillen in de wereld van de feiten even krachtig en invloedrijk zijn als ooit tevoren (met een roekeloze onbescheidenheid blijft de natuur ze tegenwoordig evenzeer voortbrengen als in de oude losbandige tijden, voordat naakte standbeelden fatsoenlijk gemaakt werden met vijgenbladeren en de naakte waarheid toonbaar werd gemaakt met behulp van jargon), kunnen de werkelijke resultaten samengevat worden in die grootse en tragische uitspraak van William Blake [19], die zoveel samenvat van ons tegenwoordige leven: “Gevangenissen worden gebouwd met stenen der wet, bordelen met stenen van de religie.” Teneinde absolute gelijkheid te verzekeren (die misschien niet samen kan bestaan met wezenlijke verschillen) kan de nieuwe mensheid, of vragen dat sekse afgeschaft wordt, of dat ieder mens van beiderlei sekse is. Misschien zal het resultaat van vervolmakingsproces de geslachtloze mens zijn, of de betrokkene androgyn maken, zodat iedereen op dezelfde manier of onzijdig of tweeslachtig herboren zal worden. Maar als zij bij hun wedergeboorte respectievelijk mannelijk en vrouwelijk blijven en daarmee instemmen, zullen ze zonder twijfel deze sekseverschillen openlijk en eervol erkennen zodat, wat nu in het openbaar ontkend wordt en waarover in besloten kring verwerpelijk en onfatsoenlijk wordt gesproken, dan zowel in het openbaar als in besloten kring besproken zal worden met een blijmoedige en bewonderenswaardige openhartigheid. En wat nu grotendeels vergooid wordt aan onwaardige emoties en vernederende vriendschap, zal dan geheiligd worden door de hartstochtelijke ingetogenheid van de vrije en natuurlijke liefde.

VII.

Maar zal die verandering van de wetten en inrichting van de wereld haalbaar zijn? Kunnen volmaakte mensen ook de natuur overhalen of dwingen om zichzelf te verbeteren en te vervolmaken tot een volledige overeenstemming met hun behoeften? Ik ben er niet alleen van overtuigd dat ze dat kunnen, maar ik kan ook laten zien dat de verandering, zelfs naar onze armzalige inzichten, absoluut uitvoerbaar is. En iedereen zal zonder meer toegeven dat wat voor ons uitvoerbaar is gebleken, voor de nieuwe mensen gewoon kinderspel moet zijn. De eerste vraag is: tot wie of wat moet de hervormde Mensheid de oproep richten voor de onmiddellijke hervorming van het universum? tot het Lot, de Wet, het Toeval, de Goden of de Natuur zelf?

Niet tot het Lot, want dat is blind, doofstom en onverbiddelijk en bovendien wordt het ontkend of geringschat door onze hele hedendaagse filosofie, en is het paleisachtige bouwwerk van mijn systeem opgericht op de fundamenten van zijn graftombe.

Niet tot de Wet, want die is machteloos, omdat zij slechts het voortbrengsel is van de dingen die haar lijken te gehoorzamen. Zij kan ook niet veranderen, want een verandering betekent haar einde. Een verandering moet afkomstig zijn van iets dat boven of buiten haar is. En hoewel zij niet kan veranderen, slaagt zij er altijd in om zich te scharen aan de kant die zegevierend is gebleken, door minzaam alles goed te keuren wat gedaan is en door het aaneengesloten universum niet ongedaan gemaakt kan worden. Zij kan met een volmaakt gerust hart genegeerd worden.

Niet tot het Toeval, want dat is niet te vertrouwen. Zijn grillen verstoren elke kansberekening en tarten de wildste vermoedens. Het is alles bij elkaar te frivool voor de serieuze aandacht van wijze mensen die zich bezig houden met ‘oorzaak en gevolg’ of een degelijke onfilosofische opeenvolging en, gelaarsd met ‘omdat en daarom,’ vastberaden dwars door alle logische premissen heen marcheren.

Niet tot de Goden, hoewel je in eerste instantie kan denken dat ze hoop kunnen bieden, want hun aanbidders verzekeren ons dat ze algoed en almachtig zijn en dol op het verhoren van de gebeden van de rechtvaardigen. Maar er zijn er zoveel van, ze zijn zo verschillend en ze haten elkaar zo grondig, dat ze over geen enkel plan voor een wereldwijde hervorming ooit overeenstemming zullen bereiken, en nog veel minder dat ze het uitvoeren. En bovendien is het mogelijk en misschien zelfs waarschijnlijk, dat de nieuwe volmaakte mensen helemaal geen Goden of God zullen hebben.

Het lijkt daarom waarschijnlijk dat de gewichtige oproep rechtstreeks gedaan moet worden tot de Natuur zelf, die bij een paar mensen nog steeds bekend staat als de machtige moeder, maar bij meer als de wrede en vrekkige stiefmoeder, terwijl de grote meerderheid in haar niets anders ziet dan de eenvoudige pleegmoeder of ondergeschikte kinderjuffrouw van ons koninklijke zelf, de luisterrijke kinderen van de mensheid, verwaande en ondankbare krengetjes, die de schoot die ons droeg en de borsten die ons zoogden te schande maken. De nieuwe mensen zullen heel goed weten in welke hoedanigheid ze haar moeten zien. Tot Haar de levende werkelijkheid, en niet tot de goden of andere schimmige oppermachten, moet de oproep gericht worden, want zoals de wijze dichter [20] zingt (Faerie Queene; Mutabilitie, vii. 5): —

“Toen kwam de grote Vrouwe Natuur (de grote godin)
Met een lofwaardig optreden en minzame majesteit
Veel groter en langer van gestalte
Dan al die goden of machten uit de hemel.”

Als ze de volmaakte mensen meteen goedgunstig verleent waar ze om vragen, zal alles meteen goed zijn zowel voor hen als voor zichzelf. Maar als ze besluit te volharden in haar oude gedrag en zich niet laten overreden door hun kinderlijke betogen, kunnen ze hun toevlucht nemen tot beminnelijke dwang, zoals in het geval van hun onverbeterlijke mensenbroeders, dat fijntjes besproken is in hoofdstuk VI. En omdat deze volmaakte mensen ook volmaakt zullen zijn in eenstemmigheid en besluitvaardigheid, kan er geen gerede twijfel bestaan aan hun snelle triomf, zoals ik nu triomfantelijk zal aantonen.

Hoewel de meeste dingen, waarover we vrijelijk aperte uitspraken doen, onzeker zijn, is het volstrekt zeker en zelfs een door alle ontwikkelde mensen vanzelfsprekende en algemeen bekende en aanvaarde waarheid, dat de mens (natuurlijk met inbegrip van vrouwen en kinderen) de bekroning en meester is van de natuur; dat hij dat op dit moment is en al dan niet bestemd om dat voor altijd te blijven. Ik hoef niet stil te blijven staan bij een stelling die zo duidelijk is voor het heldere en onpartijdige menselijk verstand. Misschien beseffen buizerd en ezel dat niet, en zijn zo naïef dat ze zich verbeelden dat ze zelf het beste toonbeeld zijn van het leven, de ware doeloorzaak en doel van het bestaan van de wereld, maar wij mensen weten wel beter. Wij weten dat alle andere nakomelingen van de natuur naar de mens streven en wijzen en alleen in hem volledig tot ontwikkeling zijn gekomen, hoewel het ook zo is dat hij niet kan zwemmen als een kikker of dolfijn, noch vliegen als een mug of een wilde gans. We weten dat al haar andere werken het hemelse stempel dragen van ‘uitsluitend te gebruiken ten behoeve van hem en zijn voorspoedig leven.’ Het belangrijkste doel van zon, maan, sterren, lucht, oceaan en aarde is de mens te dienen en hem te verheerlijken, misschien voor altijd. Zonder hem zou de natuur een stam zijn zonder vruchten, een boog die haar sluitsteen mist, een onbewoond paleis (ratten, muizen en soortgelijke diertjes tellen we niet mee als bewoners), een ontkroonde koningin, een romp zonder hoofd. Dat is ontwikkelde mensen allemaal welbekend, maar de belangrijkste gevolgtrekkingen die daaruit gemaakt moeten worden zijn nauwelijks bekend, want tot nu toe is de mens en blijft dat nog steeds een angstig en inconsequent redenerend dier.

Op de eerste plaats is het duidelijk dat, aangezien de mens het hoofd der natuur is, hem daarvan afsnijden betekent haar onthoofden. Het is mogelijk dat ze een soort hydra is, die verschillende opeenvolgende hoofden gehad heeft en dat, tenzij de mens zichzelf vervolmaakt, zoals ik hem bid en smeek, hij uiteindelijk verdrongen zal worden door een beter, of in ieder geval sterker hoofd. Maar het ene hoofd is nog niet gevallen, of het volgende neemt zijn plaats in. Elke verandering heeft een heel tijdperk beslagen, waarin het ene hoofd langzaam wijkt, terwijl het ander langzaam naar voren komt, zoals bij kinderen in het geval van melk- en blijvend gebit, het vervellen van slangen en het ruien van vogels. Anderzijds kan het ook zijn dat, zoals wij bijna allemaal bescheiden aannemen, de mens het laatste, zo niet enige hoofd van de natuur is, zodat als ze hem verliest dat zou zijn als een volwassene die een tand verliest en merkt dat er geen andere voor in de plaats komt. De volwassene kan natuurlijk een kunsttand krijgen, maar wie heeft ooit iets gehoord over een kunsthoofd dat doeltreffend de functies vervult van een natuurlijk hoofd? En bovendien maakt de wezenlijke aard van de natuur het voor haar onmogelijk ergens kunstmatig in te zijn. Wij kunnen dus terecht tot de slotsom komen dat de mensheid opeens van de natuur afsnijden, haar doden betekent door haar te onthoofden. Want of ze zou helemaal geen hoofd hebben, ook niet in de kiem, of het hoofd dat bedoeld was als vervanging zou al wel bestaan maar dan alleen als embryo en totaal ongeschikt zijn voor zijn taak. We kunnen geen even goed georganiseerd wezen als de natuur bedenken dat in leven blijft zonder hoofd, hetzij voor altijd, hetzij gedurende een tussentijd tussen het vroegtijdig vallen van het ene en de komst van het intussen tot rijpheid gekomen andere. Maar de belangrijkste passie en leidraad van de natuur is zonder twijfel haar liefde voor het leven, zoals het ware gezegde luidt: Zelfbehoud is de eerste wet van de natuur. Het belangrijkst is zij in de philoprogeniteit, dat wil zeggen, niet zozeer in de liefde voor het kroost, als wel voor de voortplanting. Kuit brengt doorlopend en bij miljoenen en miljarden gewetenloos ontelbare onvolmaakte exemplaren voort op één dat volmaakt is, die onverschillig en met zijn allen de volmaakte en onvolmaakte verslinden, om nog sneller en overvloediger voort te kunnen brengen. Alles wat we dood noemen is niets anders dan de snelle methode van de natuur om materiaal te bemachtigen dat omgevormd kan worden tot steeds verse levensvormen. Zo grenzeloos en, vanuit ons standpunt, zorgeloos is de zucht naar voortplanting, dat we het heel goed eerder kunnen zien als een hevige monomanie, dan als een leidend principe. Daarom moet het enige dat ze het meest verafschuwt en voor terugdeinst de absolute dood zijn, de dood van zichzelf, de beëindiging van haar onafgebroken werkzame pseudo-geboorte en pseudo-dood, die haar onafgebroken werkzame leven vormen, haar eeuwige zijn dat eeuwig worden is.

Dus omdat de natuur begrijpt dat de plotselinge vernietiging van de mensheid haar zal doden, en zij haar eigen leven intens en monomaan liefheeft, is de duidelijke conclusie dat ze echt alles zal doen, behalve zelfmoord plegen, om het voortijdig uitsterven van onze soort te voorkomen. En uit deze onaanvechtbare stelling trek ik de beslissende praktische conclusie: Dat de menselijke soort, zolang geen andere bereid is haar plaats in te nemen, de natuur kan dwingen te doen wat haar bevalt, door te besluiten tot een onmiddellijke wereldwijde zelfmoord in geval zij weigert. In alle bescheidenheid en zonder neer te kijken op vroegere en hedendaagse wijzen (die, al is het maar weinig, dan toch in ieder geval ons alles wat ze wisten geleerd hebben en in feite heel wat meer), denk ik dat ik mijzelf gerechtvaardigd heb door te beweren dat dit verreweg de belangrijkste natuurwet is die door de mens ontdekt kan worden en dat die ontdekking, die hem de eenvoudigste en gemakkelijkste formule verschaft om de volmaaktheid van het universum stante pede te bewerkstelligen, altijd iets unieks moet blijven in de eeuwige en oneindige weldadigheid. En ik moet niet vergeten daaraan toe te voegen dat deze formule niet alleen uniek is door de onbeperkte goede resultaten van haar (onfeilbare) succesvolle toepassing, maar ook gekenmerkt wordt door een zodanig verkwistende overvloed aan goedheid, dat zelfs in het geval van mislukking (dat ons soeverein menselijk intelligect onmogelijk acht) haar toepassing de mensheid oneindig veel meer ten goede zou komen, dan dat ooit is gebeurd of waarschijnlijk ooit zal gebeuren door iets anders. Ook als het niet de volmaakte genezing kan bewerkstelligen is het een geneesmiddel dat de patiënt toch meer goed doet dan al het andere uit het geneesmiddelenhandboek. Want stel dat we opeens besluiten tot een massale zelfmoord als de natuur weigert zichzelf te vervolmaken, en (het onmogelijke geval) dat de natuur weigert en we terstond onze besluit moeten uitvoeren: welk nadenkend en gewetensvol mens kan, als hij oprecht onze toestand en die van de wereld in ogenschouw neemt (aangenomen dat volmaaktheid onbereikbaar is) betwijfelen dat de wereldwijde zelfmoord de allerbeste en gelukzaligste daad is die we voor onszelf, ons nageslacht en onze hele wereld kunnen uitvoeren? Voor het geval de geboeide lezer zich haastig en om ongepaste redenen (die er natuurlijk in overvloed zijn) uit de voeten zal maken, zoals Cleombrotus [21] die zich in een schitterende vlaag van waanzin in zee stortte, nadat hij de Phaedo gelezen had, vraag ik speciale aandacht voor het feit dat alleen onze wereldwijde zelfmoord een panacee zal blijken te zijn voor alle kwalen waarvan ons lichaam erfgenaam is. Individuele zelfmoorden kunnen weinig of geen goed doen, behalve voor het individu zelf. Dus ware filosofen mogen zichzelf op rationele en edelmoedige gronden de weelde van zelfmoord ontzeggen, omdat hun dood de doorsnee mens nog beroerder achterlaat dan hij al is en bovendien is de komst van de dood zo zeker en (op zijn verst) zo dichtbij, dat het nauwelijks de moeite waard is om jezelf buiten adem te haasten om hem te ontmoeten.

De mensen zijn toe nu toe intellectueel zo onvolmaakt geweest, dat ze zich niet helemaal bewust zijn geweest van hun enorme voorraad dwingende kracht. Bovendien was hun wil zo onvolmaakt, dat zelfs als zij zich daar helemaal bewust van waren, ze het vereiste besluit niet eenstemmig hadden kunnen nemen en uitvoeren. Toch lijkt er altijd een vaag en raadselachtig besef te zijn geweest van die wonderbaarlijke macht over de natuur, terwijl het (in de gezegende orde van de Voorzienigheid) voorbehouden was aan de schitterende schrijver dezes om, in dit luisterrijke tijdperk, met een allesomvattende precisie de voortreffelijke wet van deze macht te ontdekken en te formuleren. Alle oude tradities van bovennatuurlijke magie en wonderen, de meest verheven mystieke rapsodieën uit alle streken en tijden, de vervoeringen van zieners, de extases van filosofen, de hartstochtelijke invallen en opwellingen van de heiligen, het nirwana van het boeddhisme, het geloof van Jezus dat bergen kon verzetten en waarvoor niets onmogelijk was (geloof is het favoriete abracadabra van Jezus, zoals volmaaktheid dat van mij is), het celibaat, de zelfkwelling, zelfverminking, de geestdrift voor martelaarschap, die brahmanisme, boeddhisme en christendom en waarschijnlijk alle religies gemeen hebben; het strenge stoïcisme van Griekenland en Rome; de zeer verguisde bloeddorstigheid van beroemde veroveraars, die grootmoedig de nuttige en moeilijke taak op zich namen van het uitroeien van talloze van hun minderwaardige medemensen. Allemaal wijzen ze naar een bepaald vaag beeld van de opperste waarheid die ik zo-even aanschouwelijk heb gemaakt, namelijk dat de enige manier om de natuur te onderwerpen is door de mensheid te onderdrukken en te vernietigen. Maar de natuur kan niet en nooit tot zelfverbetering gedwongen worden door sporadische of zelfs endemische of epidemische gevallen van langzame of snelle zelfmoorden en bloedbaden, zolang de voortijdige uitroeiing van de hele menselijke soort niet ernstig bedreigd wordt. Bedreig haar serieus en onmiddellijk zal ze onze meest gehoorzame en nederige dienares worden. Dat is de gewelddadige opzet van “stakingen” van arbeid tegen kapitaal, tot het uiterste doorgedreven bij de mens tegen de natuur. Zoals er al vakbonden zijn, organiseer dan ook een wereldwijde mensenbond, en dreig, als niet meteen aan al je eisen voldaan wordt, met een leven-“staking,” je bestaan als mens “uitzetten,” en onmiddellijk zul je de eeuwige werknemer tot rede brengen.

En als de mens, zelfs in zijn huidige toestand, de bekroning en hoofd van de natuur is, bedenk dan wat voor bekroning en hoofd hij zal zijn als hij volmaakt, als hij goddelijk is! Ik kan me nauwelijks voorstellen dat ze dan nog het hart heeft hem ook maar iets te weigeren. Maar zou blijken dat ze onverzettelijk is tegen de eerste hoffelijke en vriendelijke oproep van de nieuwe mensen, dan kunnen ze haar het vreselijke ultimatum stellen: Onmiddellijk gehoor geven aan alles wat we vragen (dat we evenzeer vragen ten bate van jou, als ten bate van onszelf), of we maken onszelf allemaal meteen af en onthoofden zodoende jou. En op de hoogte van hun onverbiddelijk besluit, moet ze meteen zwichten, zichzelf vervolmaken zoals zij dat eisen en hen, omdat zij haar dus absoluut overheersen, des te meer liefhebben, op een moederlijke en algemeen vrouwelijke manier.

En zo zal in de loop van een paar jaar (laten we ruimdenkend rekening houden met tegenslagen en onvoorziene hindernissen en zeggen: rond het begin van de twintigste eeuw, dat nu nog bijna dertig jaar ver weg is) het kwaad uitgeroeid zijn door de volmaaktheid van de mens en het leed door de volmaaktheid van de natuur. Dan zal iedereen overal en voor altijd volkomen goed en gelukkig zijn. Q.E.D.

VIII.

Dit essay, dat de wezenlijke resultaten bevat van mijn meest oprechte en diepzinnige overpeinzingen gedurende een lange reeks van jaren, kan ik niet besluiten zonder de mensheid mijn verontschuldiging aan te bieden voor het geval het, door de buitengewone beknoptheid, in alle opzichten duister is geworden. Omdat ik gedwongen was een grote hoeveelheid onschatbaar materiaal, dat heel goed twee of drie lijvige boeken had kunnen vullen, te comprimeren tot deze paar bladzijden, heb ik mijn best gedaan om de belangrijkste principes in een zo helder mogelijk licht te plaatsen. Maar ben me er maar al te zeer van bewust dat veel interessante en belangrijke overwegingen, die wellicht het bestuderen en begrijpen van het hele plan zeer vergemakkelijkt zouden hebben, door zijn evenwichtige rationele schoonheid toe te lichten en misleidende bezwaren uit de weg te ruimen, wegens ruimtegebrek geheel zijn weggelaten. Voor een van die overwegingen moet ik hier plaats inruimen.

Coleridge [22] zegt ergens dat, in zijn beleving, het meest veelbetekenende van alle gezegden, de bekende paradoxale uitspraak is, les extrêmes se touchent; en op dit punt bevestigt mijn eigen beleving onmiskenbaar die van Coleridge. Het is dus vanzelfsprekend dat ik aan het eind van mijn verhandeling terugkeer naar het begin, waar ik enigszins luchtig leek te spreken over die diepzinnige filosofen, die omlaag gaan graven en wroeten, naar de bodem van de bodemloze put, op zoek naar de oorsprong van het kwaad. Want uit naam van hen kan heel aannemelijk naar voren gebracht worden dat het onmogelijk is om het kwaad uit te roeien, zolang de oorsprong daarvan niet is ontdekt en vernietigd. Deze grote rivier van de menselijke Tijd (rivieren zijn met opzet geschapen om metaforen, allegorieën en bevaarbare kanalen te voeden) die vanuit het onheuglijk verleden omlaag komt stromen, troebel door vuilnis en bloed, kan zonder twijfel niet helemaal gereinigd worden door enig zuiveringsproces, dat hier op dit moment op haar toegepast wordt. Want de verontreiniging, al voortkomend uit haar bron (aangenomen dat het een bron heeft), of afkomstig van een onvoorstelbaar verre plek in de eeuwigheid, nog veel verder dan haar bron, is in ieder geval ontelbare eeuwigheden geleden daarmee vermengd en is eeuwig als de rivier zelf. Deze reusachtige giftige Levensboom, met haar illusiebladeren, deliriumbloemen en vernietigingsappels kan natuurlijk niet gezond en smakelijk gemaakt worden door iets te doen met de takjes en twijgen waarop wij, arme insecten, rondkruipen, of met de bladeren en de vruchten waarmee wij genoodzaakt zijn ons te voeden. Want het gif wordt met het sap omhooggepompt door de in de peilloze diepten van het verleden gedompelde penwortels. Dit bijna omvallend en zinkend huis waarin wij wonen, kan niet stevig opnieuw opgebouwd worden, zonder dat vanaf het laagste fundament te doen. Kortom, om heden en toekomst grondig te hervormen, moeten we het verleden grondig hervormen. Het is verre van mij om deze wezenlijke waarheid te ontkennen, die ik zolang erkend heb als een van de belangrijkste wetten van de praktische en speculatieve moraalfilosofie. Maar de denkfout in het argument van de onderzoekers naar de oorsprong van het kwaad, bestaat in de aanname dat we, om het kwaad te kunnen uitroeien, noodzakelijkerwijs eerst de wortel moeten zoeken en meer in het algemeen, als we iets willen vernietigen, we moeten weten waar en wat zijn oorsprong is. Toch bestaat er in dat soort gevallen geen absolute noodzaak voor zulke kennis, hoewel het als regel zeer nuttig en wenselijk is. Vernietigen we niet elke dag ontelbare microscopisch kleine diertjes zonder dat we ons daarvan bewust zijn, of iets afweten van de aard en oorsprong van die arme vernietigde schepseltjes? En het is duidelijk dat iemand, zonder dat hij de precieze plaats en aard kent van de wortel van de plant, maar gelooft dat die aan de voet van de stengel zit, en denkt dat er niets te zeggen valt over de continuïteit van boven naar beneden, de plant kan uitrukken door aan de stengel te trekken, en zodoende zal de ontdekking van de wortel het gevolg zijn van het uitrukken en niet het daaraan voorafgaande. En zo moet het ook in dit geval zijn. Want ik kan weloverwogen en onbevreesd beweren Het tweeledige vervolmakingsproces zoals dat hier voorgesteld is, zal, in feite, in zijn onmiddellijke gevolmachtigde, het hele verleden even grondig hervormen en vervolmaken als de hele toekomst. Het huis waarin wij wonen zal opnieuw opgetrokken worden vanaf het laagste fundament. De levensboom zal smakelijk en gezond gemaakt worden vanaf de top tot de uiteinden van de wortels die tot het diepst in de oudheid reiken. De rivier van de menselijke Tijd zal over haar hele lengte en vanaf haar onheuglijke bron door en door gezuiverd worden. Deze uitspraak kan op het eerste oog wat mysterieus en paradoxaal lijken, maar haar waarheid zal begrijpelijk worden als daar consequent over nagedacht is, en schitterend duidelijk worden in het licht van de ondervinding van de volmaakte mensen in de volmaakte wereld. Op die ondervinding, die nu binnen handbereik is, doe ik vol vertrouwen een beroep.

Als metafysicus zou ik natuurlijk dit onderwerp (en de lezer) liever uitputtend willen behandelen met een uitvoerige uiteenzetting, maar als een praktisch hervormer van de moraal, erop uit om de druk van die hele verdorven wereld van mijn hoofd af te halen, durf ik niet te talmen om me te goed te doen aan deze intellectuele weelde. Ik wil alleen opmerken dat de mysteries en paradoxen in overvloed voorkomen in leven en natuur. Tijdens het zogen krijgen wij allerlei onbegrijpelijks binnen en onverenigbare tegenstrijdigheden zijn ons dagelijks voedsel. Ja, ze zijn zelfs in overvloed aanwezig in de exacte wetenschappen, hoewel die allemaal gemaakt zijn in het hoofd van de mens, zoals de kinderen zeggen. In de gewone rekenkunde maakt hij uit dat een bepaalde repeterende breuk gelijk is aan eennegende, terwijl hij weet dat het, hoeveel cijfers er ook achter de komma staan, nog steeds minder moet zijn dan deze alledaagse breuk. In de meetkunde begint hij met de innerlijk tegenstrijdige definitie dat een punt een plaatsbepaling is zonder uitbreiding, en komt alleen tot belangrijke waarheden over evenwijdige lijnen, door als axioma aan te nemen dat bepaalde lijnen zullen convergeren, terwijl de beste meetkundigen zich vergeefs het hoofd hebben gebroken met hun pogingen om dat feit aan te tonen. In de algebra en hogere wiskunde werkt hij met negatieve en irrationele getallen, imaginaire wortels, met oneindige reeksen en infinitesimalen, die op een metafysische manier het menselijk begripsvermogen te boven gaan. In al die gevallen zijn, net als in het alledaagse leven, de nuttige en praktische betrouwbare resultaten de werkelijke en toereikende rechtvaardiging en bevestiging van paradox en mysterie, want antinomie is de verreikendste wet van het universum, voor zover we dat nu kunnen zien. En zoals ik al heb aangeduid, zal mijn bewering die bevestiging krijgen in de ondervinding van degenen die het vervolmakingsproces hebben doorlopen. Wat de filosofen betreft, evenals de christenen en andere godsdienstijveraars: zij die gesmuld hebben van tegenstrijdigheden en zich te buiten zijn gegaan aan mysteries, die feitelijk nooit geverifieerd of nuttig gemaakt zijn of kunnen worden, zullen zonder twijfel verrukt zijn als ze in dit volmaakte systeem van de wereldwijde hervorming, een aangenaam onzekerheidje, een smaakje en geurtje van iets dat kennelijk onmogelijk is, of het voorzichtig opbeurende van een tijdelijk geloof aantreffen te midden van ‘het eenvoudige feestmaal van de rede en het sober vloeien van de ziel’ (Pope, Satiren van Horatius).

IX.

En nu zou elke verbaasde lezer moeten vragen waarom ik, schrijver dezes, bij mijzelf nog niet het zo helder uiteengezette vervolmakingsproces heb uitgevoerd en zodoende zowel praktisch als theoretisch van mijzelf de unieke kiem gemaakt heb van de hier voorgestelde wereldwijde hervormingen. Dan deel ik hem of haar volgaarne mede dat ik van nature buitengewoon rustig en bescheiden ben; dat ik ervoor terugschrik om zowel alle eer en roem voor mijzelf op te eisen, als de belangrijke huidige regel voor de arbeidsverdeling te overtreden, door het plan zowel te ontwerpen als uit te werken; dat ik op dit moment heel zwak en ziekjes ben, omdat ik (wat dus heel aannemelijk is) mijzelf uitgeput heb en bijna onderdoor gegaan ben door het intensieve nadenken tijdens de ontzagwekkende taak van het uitwerken van deze Voorstellen; dat volgens het gebruik en de gedragsregels in de zakenwereld (waarvoor ik een buitengewoon grote achting koester) iemand die de belangen van een bedrijf behartigt zichzelf altijd met een aandoenlijke zelfopoffering op de achtergrond houdt, sommigen de eer laat hun naam gedrukt te zien als directeur en allerlei functionarissen, anderen het geluk gunt om geregistreerd te staan als ingeschreven aandeelhouder en zijn eigen aandelen (uitgegeven als geheel volgestort) en andere vergoedingen op de meest bescheiden en terughoudende manier tot zich neemt, in feite zo bescheiden dat hij er gewoonlijk mee instemt dat zijn eigen naam in de transacties geheel weggelaten wordt en toestaat dat in plaats daarvan de naam van iemand anders mag pronken. En bovendien beken ik dat de kwellingen en vernederingen waaraan deze beroemde mensen in deze tijd onderhevig zijn, zowel levende als dode, mij zozeer met afschuw vervuld hebben, dat ik oneindig veel liever kies voor de meest eervolle onbekendheid dan voor de meest eervolle reputatie. Want tijdens zijn leven kent de beroemde mens vrede noch privacy, maar is hij het gemeenschappelijk bezit van alle ijdele bemoeials en kwaadaardige of dwaze nieuwtjesjagers die zich maar al te graag meester maken van hem, zijn rust verstoren en zijn tijd verknoeien. En als hij dood is wordt het alleen maar erger. De rust van het graf is voor hem geen rust. Sprekers houden lezingen en predikanten preken over hem, biografen dienen hem op met boter en stroop, of in scherpe azijn, ten overstaan van een gulzig en oververzadigd publiek, waarbij ze al zijn zwakheden, dwaasheden, dwalingen en tekortkomingen etaleren. Bij Punch [23] ligt voor hem al een kader te wachten met een groot aantal versregels, als een rij troosteloze doodskisten en als zijn deugden en prestaties door middel van rukken, duwen, wrikken, knopen, verminken, persen, stampen en keihard beuken in genoemde doodskisten gefrommeld en vastgespijkerd kunnen worden, zal de onverbiddelijke Punch dat ook zo doen. De Telegraph giet onverwijld een zo ranzige, zalvende lofrede over hem uit, dat in meerdere gevallen (zoals ons overtuigend verzekerd is) het lichaam van het aldus ingesmeerde slachtoffer zich omgekeerd heeft in zijn graf en zijn hart heeft uitgebraakt. Misschien staat zijn borstbeeld wel keurig verzorgd zinloos opgesteld in een of andere zaal en is zijn standbeeld ergens neergezet in de buitenlucht, een brok lelijkheid die steeds smeriger wordt, in gezelschap van Koning George en koninklijke hertogen. En het allerergste is dat zijn geest de mediums op hun wenken bedient. Sludge [24] (Browning heeft een zo grondige vivisectie toegepast op dit beest, dat het dood zou moeten zijn, maar onze lagere organismen hebben een heel taai leven, en daarom leeft en gedijt het als tevoren) met Budge, Drudge, Grudge, Scrudge, Smudge, daarbij één Judge en hele volksstammen Rudge en Fudge, zonder uitzondering allemaal mannen en vrouwen van die vriendelijke sekte, kunnen hem naar believen bij zich laten komen om onnozele capriolen uit te halen en idiote leugens te vertellen. Ach, liever een sterfelijke baviaan of stinkdier, pad of inktvis, kortom, elk sterfelijk ding hoe minderwaardig en weerzinwekkend dan ook, dan een beroemde sterfelijke ziel op deze voorwaarden! Die arme Shakespeare vreesde dat zijn stoffelijke resten misschien zouden worden opgegraven en vervloekte de man die aan zijn botten zou komen, maar zijn ziel, dacht hij, was veilig voor geweld en die beval hij in de handen van God, om deelgenoot gemaakt te worden van het eeuwig leven, zoals we lezen in de eerste clausule van zijn testament. Maar in plaats van in Gods handen is Niqw [25] , zijn ziel, in handen gevallen van Sludge en moet een groot deel van haar bestaan doorbrengen met zichzelf nog belachelijker te maken dan ze dat ooit gedaan heeft bij Dogberry of Shallow [26], een grotere leugenaar van zichzelf te maken dan zij dat ooit bij Pistol of Parolles [27] gedaan heeft, en dat allemaal ten behoeve van Fudge en het hysterisch wonder van Rudge. En omdat de standpunten zo talrijk zijn en tegenwoordig ingenomen worden in alle breedte- en lengtegraden en zijn naam zo populair is, is die nooit en op geen enkel moment gevrijwaard van opgeroepen te worden voor dit soort gekkigheden en haalt die zonder twijfel vaak tegelijkertijd uit op een tiental verschillende plaatsen. Het was kennelijk de moeite waard om vijftig jaar te leven, de Hamlet, Lear, Othello en Macbeth te schrijven, om deze voortreffelijke postume straf te verdienen! Moge de Heer mij, in zijn oneindige barmhartigheid, ervoor behoeden dat ik een beroemdheid word! De bijkomende verschrikkingen van de dood zijn voor befaamde mensen dermate ontstellend geworden dat weldra alleen brutale schaamteloosheid, onverstoorbare stompzinnigheid en rabiate ijdelheid ze tegemoet durven treden. Werkelijk grote mensen zullen liever hun krachten intomen en onbekend en nutteloos wegkwijnen en heengaan, dan het gevaar lopen op roem. De wereld zal maar weinig actieve mensen hebben, als aan deze gang van zaken niet spoedig een eind gemaakt wordt en daaruit blijkt nog een ander krachtig argument voor de onmiddellijke aanvaarding van deze voorstellen. Maar omdat deze voorstellen (zoals ik heb laten zien) binnen ongeveer dertig jaar zeker uitgevoerd kunnen en waarschijnlijk zullen worden, is het denkbaar dat deze kwellingen en vernederingen van beroemde mensen door mij niet zozeer gevreesd hoeven te worden, want tijdens de wereldwijde uitroeiing van kwaad en leed zullen die zonder twijfel ook verdwijnen. En dat is eigenlijk een verstandige overweging, maar mijn afkeer en afgrijzen zijn tot nu toe te hevig om gekalmeerd te kunnen worden door de rustige stem van de rede en daarom zou ik me, zelfs als ik nu zou beschikken over de vereiste gezondheid, energie een eerzucht, niet persoonlijk voor het voetlicht willen brengen door mijzelf, met volledige naam, adres en beroep, aan te kondigen als het prototype van menselijke volmaaktheid, het eerste lid van de tijdelijke commissie voor de oprichting van de Algemene Volmaaktheidsmaatschappij, Unlimited.

Maar bij dezen beloof ik opgewekt en geef er mijn woord op dat ik me, zodra mij ter ore komt en ik ervan overtuigd ben dat de voornoemde tijdelijke commissie naar behoren ingesteld en aan het werk is, geschikt zal maken voor het lidmaatschap en nadat ik, met naam, adres en beroep, mijn bijdrage (voor het geval ik dan zo gelukkig ben om die laatste twee te hebben), opgestuurd heb, zal ik mijn uiterste best doen om de goede zaak te bevorderen, maar dan wel voor altijd zorgvuldig verbergen dat ik dezelfde ben als de schrijver van deze voorstellen, en alle eer daarvoor laten aan het stel onpersoonlijke en onderling verwisselbare hoofdletters, waarmee ik dit stuk onderteken [“ B. V.”] [28] . En in het vooruitzicht op dit lidmaatschap, reserveer ik nu, als een onaantastbaar onderpand, het bedrag van de vereiste contributie (met de hoop dat ik, als de goede tijden aanbreken, in staat zal zijn om meer bij te dragen) dat wil zeggen, tweeëneenhalve pence, in betrouwbaar en wettig geld van deze wereld zoals ik werkelijk geloof. En de aan dit doel gewijde tweeëneenhalve pence, moet nu en van nu af aan, totdat het doel bereikt is, een eerste pandrecht zijn op mijn onroerend goed, en zelfs voorrang hebben op de hierboven in bepaalde onvoorziene uitgaven vervreemde halve kroon, zoals gespecificeerd in hoofdstuk III. En ik hoop heel vurig dat ik nooit in uiterste nood gedwongen word afstand te doen van voornoemd onaantastbaar onderpand of enig deel daarvan, totdat voornoemde commissie van volmaakte mensen bereid is mij te ontvangen.

En vanuit het diepst van mijn ziel en met die intens gemeende bezorgdheid, die voortkomt uit intense liefde en mededogen voor mijn soort, waarschuw ik de hele Mensheid dat als zij niet tijdig de twee eenvoudige, door mij uiteengezette, hervormingen doorvoert en zodoende zelf de eeuwigdurende voleindiging vormt van het volmaakte kosmisch leven, zij zeker in de loop der tijd zal uitsterven, als zij haar tijdperk heeft vervuld. Want elke soort en elk geslacht van onvolmaakte schepsels heeft evenzeer zijn eigen begrensde periode als ieder onvolmaakt individu, met dat verschil dat alleen de volmaakten eeuwig zijn. En dus zal de Natuur, als zelf onvolmaakt, samen met haar ten onder gaan, of als ze overleeft, zal een ander en superieur ras haar verdringen en door zich te vervolmaken onvernietigbaar worden, of op haar beurt plaats maken voor weer een ander en nog superieurder ras.

Maar ik kan niet zó slecht denken over mijn soort en zo tragisch over haar ondergang, dat ik geloof dat zij hardnekkig haar zaligmaking blijft verwerpen en de voorkeur geeft aan een schandelijke uitroeiing boven de eeuwige opperheerschappij. Daarom is er bij mij weinig of geen twijfel over dat deze voorstellen, voordat deze luisterrijke negentiende eeuw ten einde is, geheel of grotendeels verwerkelijkt zullen worden en de onpersoonlijke initialen die daar door hun onbekende schrijver bijgevoegd zijn, veel meer dan ik zou willen, geëerd worden. Maar ik besef heel goed dat het uitermate waarschijnlijk is dat de huidige wereld van onvolmaakte mensen ze aanvankelijk totaal zal veronachtzamen, of zich hoogstens zal verwaardigen met lasterlijke en schunnige taal er de spot mee te drijven. Want van het heel weinige dat ik gelezen heb over de geschiedenis (doorgaans heb ik mijn leesvoer liever puur, zoals aan de man gebracht in novellen en romans, zonder de bijmenging van verkeerd begrepen feiten en lachwekkende aanspraken op de waarheid), heb ik geleerd dat als iemand iets voorstelt dat buitengewoon nadelig is voor een natie, zoals bijvoorbeeld een onrechtvaardige oorlog tegen een ander volk, een Mississippi Scheme of een South Sea Bubble [29], hij en zijn voorstellen meteen verrukt begroet worden door de natie die daardoor benadeeld wordt en pas een tijd later, als het verlies en de schade die ze hebben teweeggebracht al deels aangericht zijn, vervloekt worden. En anderzijds, als iemand iets voorstelt dat buitengewoon heilzaam is voor een land, zoals een broodnodige hervorming van religie of regering, wordt hij uitermate krenkend en spottend bejegend en misschien zelfs vervolgd en gedood, en wordt pas vele jaren nadien geëerd en verafgood, als hij al kinds of dood is en de boom die hij geplant heeft, misschien onvruchtbaar en de bodem tot last geworden is. En als gewone hervormers aanvankelijk al heel slecht behandeld worden, dan kan een zo bijzondere hervormer als ik dus een afschuwelijk slechte behandeling verwachten. Zo kon onze teerhartige wijze uitroepen, “O geliefde collega-stomkoppen van de Mensheid!” [30]

En wat ik zo-even opgemerkt heb, is misschien een van de belangrijkste waarheden die verscholen liggen in het gezegde, waarover heel wat scherpzinnige koppen het hoofd hebben gebroken: ‘De waarheid ligt op de bodem van een put.’ Een van de belangrijkste betekenissen, als ook een van de duidelijkste, moet, zoals de eenvoudige wijze dacht, zonder twijfel zijn dat als ze al niet verdronken is, ze op het punt staat het loodje te leggen. Maar elk wijs gezegde of symbool bevat talloze juiste betekenissen voor iemand die weet hoe hij ze daar uit moet halen. En als ik me niet schromelijk vergis in mijn uitleg, zou deze uiting geven aan het bemoedigend feit dat iemand die genoemde Waarheid durft op te roepen en probeert bij te staan, er zeker van kan zijn dat hij overgoten wordt met ijskoud water en zich ongewoon gelukkig mag prijzen als hij daar niet in gegooid en verdronken wordt.

Toch zal ik met een onverstoorbare vastberadenheid en diepgeworteld vertrouwen de ochtend afwachten waarop ik in de Times, dan omgedoopt tot De Eeuwigheid (want het kan best dat de Waarheid op de bodem van de inktpot van de journalist ligt, maar dat hij zijn pen daar zelden diep genoeg in doopt om haar op te kunnen vissen) de betrouwbare aankondiging kan lezen dat de tijdelijke commissie van een of meer volmaakte mensen met haar werkzaamheden aangevangen is. Intussen vraag ik me vaak af wie met de hervorming van zichzelf zal beginnen, wie de gelukkige mens zal zijn die zichzelf als eerste goddelijk maakt. Zoals die arme Alfred de Musset uitriep (Rolla, I.) [31], Wie van ons, O wie van ons zal een God te worden?

Qui de nous, qui de nous va devenir un Dieu ?

Maar als niemand dit initiatief neemt (wat ik niet kan geloven) en de mensheid en de wereld tot het eind zullen volharden in hun rampzalige en beroerde onvolmaaktheid, valt mij in ieder geval niets te verwijten. Ik heb nagedacht, uiteengezet, betoogd, gesmeekt en gewaarschuwd, totdat mijn kracht uitgeput was; de verantwoordelijkheid van de verdoemenis van Mens en Natuur zal niet bij mij berusten. Na mijn dappere inspanningen kan ik mijn handen wassen in wijwater en de vredespijp roken op het kussen van een goed geweten. Want zoals onze onversaagde Duitse bloedverwanten zeggen (speciaal als ze, nadat ze de vijand verslagen hebben, een feestelijk diner vorderen en luxe bed krijgen toegewezen): Een goed geweten is een zacht kussen — Ein gutes Gewissen ist ein sanftes Kissen. En terwijl ik zo een prachtige minderheid van één blijf, (wat de meest geduchte Here God van het monotheïsme eeuwig bleef) kan ik mijzelf troosten met de gezegende waarheid die Cacciaguida [32] in het Paradijs aan Dante schonk (aan Dante Durante, de lijdzame Gever), voor de oprechte en onafhankelijke denker, de opperste stoïcijnse waarheid: ‘Een eer zal het voor u zijn, een partij voor uzelf te hebben gevormd:’

Si ch'a te fia bello
Averti fatta parte per te stesso. Canto XVII 68-69

B.V.

Noten:

[1] De National Reformer (1860 - 1893) was de naam van een Britse krant die werd opgericht door Charles Bradlaugh en Joseph Barker, twee leden van de Sheffield Secular Society. Dit uit overtuiging dat religie de vooruitgang in de weg staat en Bradlaugh en Barker een stroming voorstonden die ze atheïstisch secularisme noemden.
[2] Colney-Hatch en Bedlam (Bethlem Royal Hospital) waren krankzinnigeninrichtingen.
[3] Thomas Carlyle, 1795-1881, was een Schots filosoof, satiricus, essayist, historicus en leraar. In 1837 schreef hij The French Revolution: A History, dat Dickens inspireerde tot zijn A Tale of Two Cities.
[4] Giacomo Leopardi, 1798-1837, was een Italiaanse dichter en schrijver. Een grote melancholicus en pessimist, in wie Thomson veel herkende, ook diens ongelukkige liefde.
[5] Novalis, pseudoniem van Georg Friedrich Philipp Freiherr von Hardenberg, 1772-1801, was een Duitse schrijver uit de tijd van de romantiek. Sehnsucht, melancholie en doodsverlangen waren zijn belangrijkste motieven. Twee ongelukkige liefdes hebben zijn korte leven bepaald. Vanolis, de V van de initialen BV waarachter Thomson zich verborg, is een anagram van Novalis.
[6] Michel de Montaigne 1533-1592, was een Franse filosoof, schrijver en politicus uit de periode van de Franse renaissance. In zijn belangrijkste werk, Essais (letterlijk: probeersels of proeven), bestudeert hij de mensheid en met name zichzelf.
[7] De Electoral Reform Bill, of de Second Reform Act, uit 1872, gaf stemrecht aan een deel van de stadse arbeidersbevolking.
[8] De Great Eastern was een voor zijn tijd kolossaal stoomschip dat in 1857 gebouwd werd. Met een lengte van 211 meter was het vier- tot vijfmaal groter dan de grootste schepen uit die tijd.
[9] Thomas Robert Malthus 1766-1834, was een Brits demograaf, econoom en predikant. Hij staat bekend om zijn pessimistische maar zeer invloedrijke meningen. In 1798 publiceerde hij het pamflet An Essay on the Principle of Population, waarin hij stelde dat de bevolkingsgroei de economische groei voor zou blijven; hij voorspelde op basis van een eenvoudig model hongersnood op grote schaal.
[10] D.T. de Daily Telegraph, ochtendkrant, opgericht in 1855. De Telegraph is altijd “traditioneel rechts”, dus conservatief geweest.
[11] Geeft dan de keizer wat des keizers is. Voor het te laat is, herinner ik me dat Heine ergens zoiets als het volgende zingt: —

Der Wind ist immer windig,
Sei's Sturm, sei's Westhauch lind;
Es fragt sich nur, wer wind'ger
Ist, er oder du, mein Kind ?
De wind is altijd winderig,
Of het storm is of westenwind
De vraag is, wie is winderiger,
Is het de wind, of jij, mijn kind?

[12] Het belangrijkste onderwerp tijdens het Vredescongres in Geneve was een eind maken aan de soevereiniteit en de internationale betrekkingen van de Heilige Stoel. Garibaldi had het over “die verderfelijke instelling die het pausdom wordt genoemd” en hij stelde voor om “het monster de genadeslag te geven.”
[13] De National Secular Society is een Britse organisatie die het secularisme uitdraagt en ervoor staat dat niemand voor- of nadeel mag ondervinden van zijn religie of andere, niet-godsdienstige, levensovertuiging. Ze werd in 1866 opgericht door de Britse vrijdenker Charles Bradlaugh.
[14] Het is misschien de moeite waard hier iets op te merken, waarvan ik me niet kan herinneren dat ik het elders opgemerkt heb gezien, namelijk dat necessitaristen, die merendeels volmaakt kunnen redeneren (voor zover onze huidige onvolmaaktheid dat toelaat), dat van nature graag doen aan de hand van de volmaaktste figuur, de cirkel. Hun theoretische leerstelling luidt: ‘De mens is het voortbrengsel van zijn omstandigheden.’ De praktische consequentie daarvan is: als we de omstandigheden veranderen, zal de mens evenredig daarmee verbeterd worden. Dus omstandigheden maken de mens (in theorie) en de mens maakt de omstandigheden (in de praktijk). Anders gezegd, de mens is het voortbrengsel van de omstandigheden en de omstandigheden zijn het voortbrengsel van de mens. Aldus is de volmaakte cirkel rond en kan vrolijk verder tollen over de spoorlijn van de vooruitgang in de richting van de niet erg veraf gelegen halte Hemel-op-Aarde. Ik kan daaraan toevoegen dat deze cirkelvormige leer (die geenszins ongewoon is) het grote voordeel heeft dat ze onweerlegbaar is voor gewone tegenstanders, die door de ene bepaling aan te vallen, de andere bevestigen. Ze kan alleen massaal aangevallen worden vanuit de positie (we vinden het niet van belang om hier te onderzoeken of die al dan niet houdbaar is), waarin omstandigheden en mens helemaal geen invloed op elkaar uitoefenen. Ieder jongmens dat wil discussiëren raad ik sterk aan speciale voorzorgsmaatregelen te nemen en erop te letten dat de ene helft van zijn betoog volledig in tegenspraak is met de andere, zodat als zijn tegenstanders een van beide overbluffen, hij de andere in stelling kan brengen met het triomfantelijke antwoord: Jullie pikken mijn eigen argumenten.
[15] Mumbo Jumbo, staat in het Engels taalgebruik voor elk voorwerp van bijgeloof en religieuze uitspraken en/of handelingen die als bijgelovig gezien worden. Vergelijkbaar met ons Hocus Pocus, dat mogelijk een verbastering is van ‘hoc est corpus meum’ (dit is mijn lichaam).
[16] Het ultramontanisme (letterlijk: over de bergen) is een leer binnen het katholicisme die de autoriteit van de paus in zaken van geloof en discipline benadrukt.
[17] Spiritualisten geloven dat de geest van de doden kunnen communiceren met de levenden.
[18] In Jonathan Swifts Gullivers Reizen, wordt de naam struldbrug gegeven aan de inwoners van Luggnagg, die ogenschijnlijk normaal geboren worden, maar in feite onsterfelijk zijn. Hoewel ze niet doodgaan, verouderen ze wel. Swift beschrijft de ellende van onsterfelijkheid, zonder eeuwige jeugd.
[19] William Blake, 1757-1827, was een Engels schrijver, dichter, tekenaar, schilder en graveur. Zijn belangrijkste prozawerk, met gravures, The Marriage of Heaven and Hell ontstond in 1790. In dit werk uit zich zijn verlangen naar vrijheid.
[20] Edmund Spenser, 1552-1599, was een Engels dichter. Zijn meesterwerk is het epische werk The Faerie Queene, waarvan de titel verwijst naar koningin Elizabeth I. Het is een allegorisch werk, waarin deugden worden gepersonifieerd en de volmaakte ridder Artus de feeënkoningin Gloriana (Elizabeth) zoekt.
[21] Cleombrotus van Ambracia is een jongeman die vermeld wordt in Plato’s Phaedo, als een van de twee jongemannen die afwezig waren toen Socrates de gifbeker dronk. Callimachus (310-240 v.C.) verhaalt dat Cleombrotus zelfmoord pleegde door in zee te springen  nadat hij de Phaedo gelezen had.
[22] Samuel Taylor Coleridge, 1772-1834, was een Engels dichter, denker en literatuurcriticus.
[23] Punch of The London Charivari, was een Brits satirisch en humoristisch weekblad.
[24] Mr. Sludge, The Medium is een gedicht uit de dichtbundel Dramatis Personae van Robert Browning, uit 1864, geschreven naar aanleiding van een bezoek aan een Amerikaans medium, Daniel Home. Het was een felle aanval op het spiritualisme.
[25] Niqw. Het is onbekend wat Thomson hiermee bedoelt.
[26] Dogberry is een politieagent uit Much ado about Nothing. Robert Shallow is een personage uit Shakespeare’s Henry IV en The Merry Wives of Windsor.  Hij is een rijke landeigenaar en vrederechter.
[27] Pistol is een aanhanger van Sir John Falstaff in Henry IV en Parolles is een laffe, opschepperige soldaat in All's Well That Ends Well.
[28] Jarenlang heeft Thomson al zijn bijdragen aan kranten en tijdschriften ondertekent met BV, afkortingen van Bysshe, naar Percy Bysshe Shelley, en Vanolis, een anagram van Novalis.
[29] De Mississippi Scheme en de South Sea Bubble, waren twee aandelenhausses, beiden in 1720.
[30] Carlyle: French Revolution; Deel III. Boek I. Hfdst vii. “O schreeuwende geliefde collega-stomkoppen van de Mensheid, enz. —”
[31] Alfred de Musset 1810-1857, was een Franse dichter en schrijver. Op zijn 23e begon hij een stormachtige verhouding met de Franse schrijfster George Sand. De verhouding was gepassioneerd, maar eindigde abrupt in maart 1834 in Venetië. Deze op de klippen gelopen relatie betekende een klap voor Musset en gaf zijn genie een soort van pijnlijke rijpheid. Het verbreken van de relatie had een blijvend effect op Musset: hij verloor zijn vrolijkheid en toonde gevoelens van wrangheid en desillusie, gevoelens die men in zijn werken terugvindt. Na de breuk had Musset enkele kortstondige verhoudingen en raakte hij verslaafd aan absint.
[32] Cacciaguida  1091-1148, was een Italiaanse kruisvaarder en de over-over-grootvader van Dante Alighieri. In de Goddelijke Komedie ontmoet Dante Cacciaguida in het Paradijs


IN HET WOUD VAN ONS VERLEDEN.

Portret van James Thomson
Januari 1877.

Uit: Essays and Phantasies

Een weldadige, aangename dag na weken van wind en regen, een heldere door de maan verlichte nacht die storm en overstromingen aankondigde, het was de laatste dag van het Oude Jaar en de vooravond van het Nieuwe. Rond tienen begonnen de klokken te luiden voor de oudejaarsavonddienst, waarbij de weinige nog getrouwen en de vele alleen maar nieuwsgierigen plechtig de jaarlijkse dood en geboorte vieren met biecht, litanieën en gezang. En terwijl de lucht weergalmde van de klokken, dacht ik: zoveel oude Jaren heb ik zien sterven en zoveel nieuwe Jaren geboren zien worden, maar wanneer is het nieuwe beter gebleken dan het oude? en waar is het voorteken of de hoop dat het nog ongeboren jaar beter zal worden dan het nu stervende jaar? Voel ik enig verdriet voor het vertrekkende? Heb ik enig vreugdevol welkomsgevoel voor het komende? Laat ik die fractie van een moment van middernacht, waarin het ene plaats maakt voor het andere en zo meteen iemand zal roepen Nu! maar slapend doorbrengen. Ik vleide me dus neer en viel in slaap. Maar hoewel de Heilige Sylvester niet langer de dienst uitmaakt en de rare spookachtige maskerades afgeschaft zijn, blijft de nacht die van hem was, voor ons stervelingen alle mogelijkheden bieden, in onze slaap voor visioenen en als we wakker zijn voor dromen; een nacht die terugkijkt naar het verleden en vooruit naar de toekomst, een nacht zwanger van verbeelding. Hoewel ik sliep verkeerde mijn geest niet in rust, maar vervoerde me in een droefgeestige droom naar een reusachtig donker woud, en wel het woud van het verleden, de dood. En het was vol gekerm en geweeklaag, vaag maar toch duidelijker dan het kreunen van wind of water en naast me liep Iemand met me mee, groot en statig en gehuld in duisternis. En nadat we een hele tijd gelopen hadden, zwijgend, onder een dicht bladerdak en tussen de dikke boomstammen door, werd het gejammer heviger en deerniswekkender en kwamen we op een open plek waar een grote menigte kleuters en kinderen bijeen was, wier naargeestige kreten en smachtende gezichten mij aan het hart gingen. En mijn metgezel en gids fluisterde zachtjes:

Amper opgebloeid in de wereld van het leven, of daar weer uit verdwenen en hebben als te vroeg gestorvenen geen rust: zij beklagen hun gedwarsboomde leven.

We lieten de arme kleintjes achter ons en liepen zwijgend verder en terwijl hun gejammer afnam, werden onze oren getroffen door het geluid van een intriest geweeklaag; en in een groot moerassig gebied ontwaarden we een menigte jongens en meisjes, bleek of koortsend, allemaal rusteloos, maar wegkwijnend door zwakte en uitputting en hun tranen waren als van een bloedend hart en alle hoop op vertroosting werd uitgeademd in hun zuchten. En nadat we lange tijd onze blikken op hen hadden laten rusten, fluisterde mijn metgezel:

Prille Liefde heeft hun de appel van haar Moeder aangeboden, goudgeel en rozerood uit haar warme goddelijke hand, maar op hun lippen veranderde die in stof en as; door de bitterheid van de dood kunnen zij nooit rust vinden: zij beklagen hun gedwarsboomde leven.

Door de duisternis liepen wij van geweeklaag naar geweeklaag en ontwaarden een menigte mannen en vrouwen, kreupel, verminkt, verwrongen, krom, blind, doofstom, verkrampt en melaats; kermend met een hese stem of angstig gebarend; afschuwelijk om te horen en te zien. En mijn gids fluisterde:

De wijn van het bestaan werd hen gebracht in gebroken of lekkende bokalen; in plaats van een heerlijke volle teug, kregen ze maar een mager slokje: zij beklagen hun gedwarsboomde leven.

En toen we verder liepen hoorden we woest gekrijs en hortend gelach; en we kwamen aan bij een rotsachtig ravijn en op de hellingen bevonden zich groepjes in elkaar gedoken zwakzinnigen, veel daarvan met een groot gezwel in de keel en de bodem was gevuld met een rusteloze menigte, hologig en haveloos, snel en onverhoeds in bewegingen en onstuimig in gebaren; vreselijk om te horen en te zien. En mijn metgezel fluisterde toen ik mij huiverend afwendde:

De wijn van het bestaan die hen geschonken werd, was vermengd met bedwelmende middelen of vergif en ze dronken bedwelming of waanzin; de dood biedt geen vergetelheid voor hen wier wijn de liefde als een toverdrank van haar was: zij vervloeken en bespotten hun gedwarsboomde leven.

Daarna staken we een plateau over met heidestruiken en ik zag de sterren fonkelen, koud en majestueus aan de pikzwarte hemel en ik zei tegen hem die naast mij liep: De natuur is heel wreed voor de mens. En hij antwoordde kalm: Maar hoe vriendelijk voor alle andere schepsels! en hoe vriendelijk is de mens voor zijn broeder en voor zichzelf! Weer doken we het dichte woud in, als ware het in een jammerende middernachtelijke zee, en we stuitten op een enorme menigte, waarvan velen huiverden in dunne lompen, velen bijna naakt waren, allemaal uitgemergeld en met wilde blikken, holle ogen en uitgehongerde gezichten; en sommigen kropen bijeen alsof ze warmte zochten, en anderen bewogen zich rusteloos heen en weer en in hun gejammer lag een eeuwige honger. En mijn leidsman zei:

Rijke mensen werden rijker door hun harde werken; koningen, priesters en hoge heren werden vetgemest met het vlees dat van hun botten viel; zij stierven naar lichaam en geest; hun bestaan was een langdurige armlastigheid: zij jammeren over hun gedwarsboomde leven.

Onafgebroken liepen we verder, van geweeklaag naar geweeklaag. En we ontmoetten een menigte mannen en vrouwen waarvan sommigen in lange rijen aan elkaar geketend waren, anderen waren afzonderlijk geketend of geboeid; veel vrijwel naakte mensen waren met de zweep bont en blauw geslagen; anderen lagen hulpeloos of kronkelend op de grond, alsof ze geradbraakt waren of ontwricht op de pijnbank; weer anderen waren gekleed in vlammende gewaden alsof ze klaar waren voor hun eigen verbranding; sommigen keken met woeste verwilderde blikken dwars door ingewikkelde sloten heen alsof ze afgestompt of gek geworden waren door een jarenlang verblijf in de kerker; en hun geweeklaag was deerniswekkend met de bitterheid of naargeestigheid van vertwijfeling. En mijn gids zei:

Voor hun misdaden waren ze gevangengezet, geketend en afgeranseld door de rijken, die hen ongelukkig, onwetend en arm gehouden hadden; ze waren gemarteld en levend verbrand door priesters, omdat ze het waagden om zelf te denken: ze beklagen hun gedwarsboomde leven.

En aldoor liepen we verder van geweeklaag naar geweeklaag. En we bereikten een enorme menigte, het soldatenvolk van alle naties, en velen waren gehavend en verminkt, opengereten en bloedend, aan flarden gescheurd en verbrijzeld; bij anderen leek het of ze lagen te verhongeren, weer anderen alsof ze koorts hadden, en sommigen alsof ze verteerd werden door de vorst; en zij die ongedeerd leken te zijn stapten rechtop rond met een onnoembaar leed in hun starende blik. En mijn begeleider zei:

Ze zijn losgescheurd van hun verwanten, ze waren afgesneden van het aangename leven thuis; in plaats van liefde kregen ze lust, in plaats van de ploegschaar die voortbrengt, het zwaard dat vernietigt; van mannen werden ze gedrild tot machines: voor de trots van koningen en adel, voor de haatgevoelens van priesters, trokken ze erop uit om te doden of gedood te worden door hun gelijken die ze niet kenden en geen reden hadden om ze te haten; om te verwoesten, in brand te steken, en af te slachten; de kreten van de ontheemden, de weduwen en de vaderlozen klinken voor altijd in hun oren: ze beklagen hun meer dan gedwarsboomde leven.

En onafgebroken liepen we verder van geweeklaag naar geweeklaag. En we kwamen aan bij een enorme menigte; in pij geklede monniken en gesluierde nonnen die voor altijd een uitzichtloos Miserere jammerden; lijkachtige asceten, zichzelf uithongerend, geselend en folterend, kruipend over de aarde, geboeid starend naar schedels, snikkend en wenend, smekend met uitzichtloos wanhopige smeekbeden tot het beeld van een armzalige aan het kruis genagelde menselijke figuur. En mijn gids zei:

Voor de godsdienst gaven ze het aangename van hun thuis op, de gezonde broeder- en zusterschap van de mensheid, vrijheid en onafhankelijkheid; ze zien af van al het goede en aangename van de wereld, om de Hemel te winnen, waarin je hen dus hier ziet: zij beklagen hun gedwarsboomde leven.

En onafgebroken liepen we verder van geweeklaag naar geweeklaag. En we kwamen bij een menigte, waarvan sommige tengeren en futlozen op hun rug op de grond lagen en anderen heen en weer liepen, terwijl ze allemaal in een hevige neerslachtigheid verkeerden. En mijn leidsman zei:

Dit zijn de dromers die geen serieuze poging gedaan hebben om hun dromen van goedheid, schoonheid of waarheid te verwezenlijken; en dit zijn de krachtige en onvermoeibare geesten, getart en verslagen door een zwak lichaam of een ongunstig lot: ze beklagen hun gedwarsboomde leven.

En onafgebroken liepen we verder van geweeklaag naar geweeklaag. En we kwamen bij een ontelbare menigte mannen en vrouwen, met doffe ogen, opgezwollen, traag en in de war, die half verdoofd onrustig weeklaagden. En mijn gids zei:

Hun leven was beperkt tot hun huis, zij aanbaden rijkdom, zij gingen door het stof voor status, ze streefden uitsluitend naar gemak en een goede naam, ze waren opgesloten en afgesloten van Natuur, kunst en denken: ze beklagen hun gedwarsboomde leven.

En onafgebroken liepen we verder van geweeklaag naar geweeklaag. En we ontmoetten een menigte; hoge heren in rijkelijk met bont beklede mantels, belangrijke kerkvorsten in paars en karmozijn; en ze waren mismoedig, gebroken en vermorzeld, alsof ze gehuld waren in en loden mantel en kroon en mijter leken als een loden last op hun hersenen. En mijn gids zei:

Ze leidden een schitterend en luxueus leven, als een apart soort mensen en boven hun stand en ze zetten hun voet op de nek van hun medemensen; ze waren vetgemest met hun schaamteloze en onverdiende rijkdom; hun uitgelezen wijnen waren het bloed van de armen, hun uitgelezen vleesgerechten waren het vlees van hen die voor hun ploeterden; zij verachtten en verloochende de broederschap der mensen: ze beklagen hun meer dan gedwarsboomde leven.

En onafgebroken we liepen verder van geweeklaag naar geweeklaag. En in de allerdiepste duisternis van het woud trokken we voorbij gedaanten die allemaal alleen liepen en het waren gekroonde monarchen, en het leek alsof de kronen van vuur waren dat voortdurend hun hersenen in vlam zetten; en in ieders blik las ik het leed en de vertwijfeling van een afschuwelijk isolement, en allemaal drukten zij hun rechterhand tegen hun hart alsof het op barsten stond van doodsangst. En mijn gids zei:

Zij zagen zichzelf als goden, keken neer op hun medemensen, minachtend, gevoelloos en kwaadaardig; naar willekeur verplaatsten zij hen in alle richtingen, offerden duizenden op aan een begeerte of gril en zonden hen in tienduizendtallen uit om te doden of gedood te worden; vóór hen was verschrikking en achter hen dood en verwoesting; voor hun roem en pracht en praal ploeterden miljoenen behoeftigen en noodlijdenden: zij beklagen hun meer dan gedwarsboomde leven.

Toen bleef ik stilstaan en sprak tot mijn begeleider: Mijn hart is ontdaan en vreselijk bedroefd door dit beeld van het verleden van mijn medemensen; is dan het leven van alle mensen gedwarsboomd en geen enkel vervuld? En hij antwoordde: kom maar mee. En we sloegen rechtsaf en liepen door het woud omlaag, terwijl we het gejammer achter ons lieten. En we kwamen bij een uitgestrekte vallei, waar doorheen een kalme stroom in de richting van de maan kabbelde, die nu aan onze linkerhand groot en goudkleurig omhoog rees aan een schemerige smaragdgroene hemel, een door pracht overgoten schemering; en haar licht viel neer, stroomde langs de onderrand van een zachtgeel wolkendek en vulde de hele vallei met een lichtgevende nevel, warm als milde zonneschijn en trilde goudkleurig op de rakken van de rivier in de verte; en elders boven ons trilde de enorme uitgestrektheid van de bleke azuurblauwe hemel met gouden sterren; en een wonderbaarlijke mystieke vredigheid als van een vervoering of betovering overdekte de hele streek. En in de weiden met hoge grassen waar de geur van viooltjes zich mengde met het magische licht van de maan, aan de rivier waarvan het trage slingeren en stromen hen wellicht in slaap susten, troffen we vredige slapers aan, allemaal met een lichtschijnsel op hun gezicht en allemaal met een glimlach op hun lippen. En mijn begeleider zei:

Hun wijn was puur, en de bokaal vol; ze dronken ervan en waren voldaan: hun dag was sereen, [1] elk uur gevuld met werk dat hen vreugde verschafte, of met vreugde zelf; dus als de nacht inviel legden zij zich tevreden te ruste: ze waren krachtig en gezond, ze waren eenvoudig, waarheidlievend en rechtvaardig, ze waren openhartig en vrijgevig, ze waren vrijdenkend en leefden ongebonden, ze waren hartelijk en hadden vele vrienden, ze hadden lief en waren geliefd, ze hadden geen angst voor leven of dood. Daarom stierven ze voldaan als het leven voltooid was: en daarom slapen ze nu in alle rust de slaap die eeuwig duurt; en de glimlach op hun lippen en het licht in de schaduw vanonder hun oogleden, vertellen dat ze voor altijd een kalme gelukkige droom dromen: onbewust genieten ze van het resultaat van hun volmaakte leven.

En terwijl we door de vallei slenterden, langs de oever van de rivier, en de maan van boven de beboste zuidelijke helling als in vervoering neerkeek op dat in verrukking gebrachte Paradijs, drukte de gedachte aan het sombere en onheilspellende woud waar we doorheen gelopen waren, zwaar op mijn hart en ik zei: wat zijn ze met weinig in hun vredige gelukzaligheid, vergeleken met al die ontelbare weeklagende menigten die we gezien hebben onderweg! En mijn metgezel antwoordde: Het zijn er maar heel weinig. En ik verzuchtte: Moet dat altijd zo blijven? En hij antwoordde: Heeft de Natuur al die kindertjes vernietigd? heeft de Natuur al die gebreken en misvormingen voortgebracht? heeft de Natuur al die zwakzinnigheden en krankzinnigheden veroorzaakt? of was soms de belangrijkste vernietiger en voortbrenger de onwetendheid van de Mens die de Natuur geweld aandoet? En de armen, gevangenen, soldaten, asceten, priesters, edellieden en koningen; waren zij het werk van de Natuur, of het gevolg van de verdorvenheid van de Mens? En ik vroeg: Zijn die onwetendheid en verdorvenheid van de Mens dan ook niet afkomstig van de Natuur? En hij antwoordde:

Ja; maar als hij zichzelf als een kind naar school stuurt, kan hij misschien stukje bij beetje van de Natuur zelf leren om het eerste teniet te doen en het andere te beheersen. —

Toen vulde het smartelijke gejammer opnieuw mijn oren, zelfs in de door de maan verlichte vallei der vrede, en ik werd wakker in het maanlicht en hoorde het gejammer van de harde wind, aanwassen tot een storm.

Noot:

[1] "A happy soul, that all the way
To Heaven rides in a summer's day." — Richard Crashaw (1612-1649)


HET ENIGE WAT GEDAAN HOEFT TE WORDEN

Portret van James Thomson
James Thomson
1866.

Uit: Satires and Profanities

Als ik met een vroom plezier de tegenwoordige wereld van de christenheid gadesla, en overal zie dat de ware gelovigen hun naasten liefhebben als zichzelf en vooral dol zijn op hun vijanden; dat niemand van hen zich om de dag van morgen bekommert, over wat hij zal eten of wat hij zal drinken, of waarmee hij zich zal kleden; dat alle zielenherders en hun kudden proberen elkaar de loef af te steken als het gaat om voor zichzelf geen schatten te verzamelen op aarde, waar mot en roest ze aanvreten en waar dieven inbreken en stelen, en iedereen zo hevig verlangt om zijn aardse tabernakel te verlaten en eigenaar te worden van een hemelse woning, als ik merk dat het geloof even alomtegenwoordig is als de lucht en naastenliefde even gewoon als koud water, dan vraag ik me soms af hoe het komt dat er nog steeds ketters en ongelovigen zijn en verbaast het me dat het Nieuwe Jeruzalem nog niet is neergedaald en hoop ik dat de Times van morgenochtend (die dan omgedoopt is in De Eeuwigheid) de inhuldiging aankondigt van het Duizendjarig Rijk.

Waardoor wordt dat einde belemmerd? Kan er inderdaad sprake zijn van een gezamenlijke tegenwerkende zonde of onvolmaaktheid bij de zuivere heiligen, de vreedzame, heilige, onbaatzuchtige, zich verheffende, toegewijde en liefhebbende mannen en vrouwen die de bevolking vormen van elk christelijk land? Kan het een dwaling zijn die het onderwijs heeft geïnfecteerd van de talloze geestelijken en theologen, die het allemaal over elk detail met elkaar eens zijn en allemaal dezelfde leerstellingen halen uit dezelfde teksten van Gods onveranderlijke Woord? Ik zou graag willen geloven dat een dergelijke zonde of dwaling niet bestaat en er geen enkele inktvlek is op het alomtegenwoordige oogverblindend wit. Maar waarom moeten we dan nog steeds betreuren dat er heidenen en ongelovigen bestaan? waarom staat het Nieuwe Jeruzalem zo lang in de steigers? waarom duurt het zo lang voor het Duizendjarig Rijk aanbreekt? waarom hebben we alleen maar een Sadowa [1], in plaats van het Armageddon?

Na lang en moeizaam nadenken, na het meest serieuze en respectvolle onderzoek, denk ik dat ik de rots gevonden heb waarop het schip van de Kerk schipbreuk heeft geleden en ik haast me om daarvan de uiterste breedtegraad en de oneindige lengtegraad door te geven, zodat alle christelijke reizigers die van nu af aan kunnen vermijden en omzeilen.

De dwaling waarop ik doel en de correctie die ik voorstel, zijn al eerder op een wat onduidelijke manier enigszins aangeduid en voorgesteld. Een geestelijke, Malthus [2] genaamd, wordt, niet in zijn hoedanigheid als geestelijke, maar als iemand die zich verwaardigd heeft tot het minder verheven werelds wetenschappelijk onderzoek, gewoonlijk beschouwd als de eerste ontdekker. Maar de wereldse wetenschap is voorwaardelijk, begrensd en vaag en haar voorschriften zijn vol aarzeling, terwijl de hemelse kennis absoluut is, onbegrensd, helder als de middagzon en haar voorschriften zijn onontkoombaar en dwingend.

Ik heb het idee dat de enige rampzalige dwaling die zich schuil gehouden heeft in ons verder voortreffelijke christendom, en onmiddellijk rechtgetrokken dient te worden, is dat het voortbrengen van kinderen verenigbaar is met het verspreiden van het geloof — een dwaling die, omdat zij voortduurt, de dag des oordeels sine die [3] verdaagt en daardoor het Duizendjarig Rijk met Sint Juttemis zal aanbreken.

Ik hoeft niet de talrijke teksten te citeren waarmee het Nieuwe Testament vol staat (Matth. 19:12 moet voldoende zijn) om aan te tonen dat Jezus en zijn brievenschrijvende apostelen het celibaat wezenlijk vonden voor het meest verheven christelijk leven. Voor zover we weten was maar één van de apostelen getrouwd en hij was het die zijn meester verloochende, en de meeste van de diepzinnigere geestelijken vinden dat Petrus daarvoor terecht gestraft werd, toen Christus zijn schoonmoeder genas van de koorts (Matth. 8:14-15), die anders misschien haar dood tot gevolg had gehad.

Maar veel bescheiden mensen zijn misschien best tevreden met een achtenswaardig christelijk leven dat niet van het meest verheven soort is. Zij kunnen denken dat ze als echtgenoot en echtgenote, na een gerieflijk bestaan op aarde, heel fatsoenlijke middenklasse heiligen maken in de hemel, en de grootsere kroon van heiligheid overlaten aan moedigere geesten. Nederigheid is een van de mooiste deugden en we bewonderen die, maar er is een overweging, die uitermate zwaarwegend is voor het hart van de christen, maar door die goede mensen over het hoofd moet zijn gezien — heel vanzelfsprekend, omdat het overduidelijk is.

Jezus vertelt ons dat velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren; dat weinigen door de enge poort gaan en de smalle weg bewandelen, terwijl velen de brede weg nemen die ten verderve voert. Met andere woorden, de grote meerderheid van de mensheid en zelfs de grote meerderheid van degenen aan wie het evangelie verkondigd is, moeten verdoemd zijn. Als in de wereld een menselijke ziel geboren wordt, is de kans op zijn minst tien tegen een dat de Duivel haar krijgt. Kan een vroom lid van de Kerk die daarover nagedacht heeft dan de verantwoordelijkheid nemen om vader of moeder te worden? Ik geloof er niets van. Ik ben er van overtuigd dat we alleen zoveel christelijke ouders hebben, omdat juist dit opvallend aspect van de zaak niet tot hen doorgedrongen is. Als de ouders ook maar enige zekerheid zouden kunnen hebben dat de vroomheid van hun kroost evenredig zou zijn met die van henzelf, zou het feit dat ze huwen in heiligheid gerechtvaardigd zijn. Maar helaas! we weten allemaal dat sommige van de meest religieuze ouders de slechtste kinderen hebben gehad. Innig geliefde broeders en zuster, schei ermee uit en bedenk dat jullie, voor elke kleine heilige die jullie de hemel schenken, op zijn minst negen zondaars verwekken en voortbrengen die uiteindelijk naar de hel gaan.

De voorgestelde remedie is even duidelijk en eenvoudig als een gebod uit het evangelie: christenen moeten gewoon geen kinderen hebben — een regel die, in de grootsheid van haar absoluutheid, van het armzalig angstvallige en aarzelende Malthusianisme eigenlijk iets lachwekkends maakt. Want deze regel is rechtstreeks ontleend aan het Nieuwe Testament en moet dus wel even volmaakt zijn als haar bron.

Laten we nadenken over een paar van de voordelen die het zou opleveren als het in praktijk gebracht wordt. De niet-gelovigen hebben zich er soms laatdunkend over uitgelaten dat Jezus en zijn discipelen klaarblijkelijk dachten dat, als het Duizendjarig Rijk eenmaal ingeluid was, de wereld, binnen enkele jaren na de openbare ambtstermijn van Jezus, ten einde zou lopen. Gelukkig zijn heidenen altijd onwetend of oppervlakkig, of allebei. Want omdat het Nieuwe Jeruzalem komt als de christenen nog leven, en christenen in de ware betekenis van het woord, of christenen zonder kroost binnen één generatie moeten uitsterven, is het duidelijk dat het geloof waarover zo laatdunkend werd gesproken een zeer degelijk fundament had en alleen niet aan de verwachtingen voldaan heeft, omdat de grote meerderheid van de christenen helemaal geen christen in de ware betekenis van het woord zijn geweest, maar zich in hun onwetendheid zijn blijven voortplanten, zoals zoveel heidense proletariërs.

Maar stel het zeer waarschijnlijke geval dat alle nu levende christenen gaan nadenken over de hier uiteengezette waarheid en zien dat het klopt, en daar dan altijd naar zullen handelen, dan volgt daaruit dat met het einde van onze nu nog jonge generatie, de hele christenheid overgebracht zal zijn naar het koninkrijk der hemelen. Of het uitschot van de niet-christenen op aarde zal zich geheel of gedeeltelijk bekeren naar aanleiding van een zo schitterend en aantrekkelijk voorbeeld, en zodoende binnen een paar generaties de hele tweede versie van de christenheid overbrengen, of anders zal de wereld, helemaal zonder christendom, vanzelfsprekend zo vreselijk verachtelijk en slecht zijn dat het beloofde vuur haar onmiddellijk moet vernietigen en zodoende de Nieuwe Hemel en de Nieuwe Aarde zal brengen.

Hoewel bovenvermeld argument voor de protestanten, die in het hiernamaals niets tussen Hemel en Hel hebben, onweerlegbaar is, kunnen Rooms Katholieke christenen natuurlijk antwoorden dat dat voor hen toch niet zo angstaanjagend is, omdat ze geloven dat uiteindelijk bijna iedereen gered zal worden die in hun gemeenschap geboren en opgegroeid is, en alleen hun ergste eigen zondaars aan een tijdelijk vagevuur blootgesteld worden. En ik geef toe dat dit antwoord zeer overtuigend is. Maar vreemd genoeg erkennen en koesteren de katholieken, zelfs nog meer dan de protestanten, de opperste gelukzaligheid van het celibaat. Hun legioenen ongehuwde priesters, monniken, nonnen en heiligen zijn evenveel legioenen van tegemoetkomingen aan de waarheid van mijn belangrijkst argument.

Ik besef dat een van de meest vermaarde hoogwaardigheidsbekleders van onze eigen Nationale Kerk, de zeereerwaarde en eerbiedwaardige Dr. Swift, Deken van de St. Patrick, op verschillende gronden en met een indrukwekkende overtuigingskracht een pleidooi gehouden heeft voor het opeten van baby’s [4]. En ik verwacht dat er wat voorzichtige christenen zijn, die misschien zullen betogen dat het beter is om baby’s te krijgen en ze op te eten dan er helemaal geen te hebben, aangezien de ziel van die schattige onschuldigen vast en zeker naar de hemel gaan, terwijl hun lichaampje op aarde heel voedzaam kan zijn. Maar helaas maakt de leer van de Erfzonde, zoals die uitgelegd en toegelicht is door veel zeer diepzinnige theologen en met name theologen van de meest standvastige protestante soort, het zeer twijfelachtig of de kinderzielen niet ook verdoemd zijn. Voor goede protestanten is het dus zeker beter om helemaal geen kinderen te hebben: Q. E. D.

Noten:

[1] De Slag bij Königgrätz of Slag bij Sadowa werd in juli 1866 nabij de Boheemse plaatsen Sadová (Sadowa) en Hradec Králové (Königgrätz) uitgevochten tussen Oostenrijk en Pruisen. Het was de belangrijkste veldslag uit de Duitse Oorlog. Een half miljoen troepen vochten tegen elkaar, met in totaal 35.000 doden en gewonden. Het was een verpletterende overwinning van Pruisen.
[2] Thomas Robert Malthus 1766-1834, was een Brits demograaf, econoom en predikant. Hij staat bekend om zijn pessimistische maar zeer invloedrijke meningen. In 1798 publiceerde hij het pamflet An Essay on the Principle of Population, waarin hij stelde dat de bevolkingsgroei de economische groei voor zou blijven; op basis van een eenvoudig model voorspelde hij hongersnood op grote schaal.
[3] Sine die: met onbepaalde tijd
[4] Jonathan Swift: Een bescheiden voorstel  om te voorkomen dat de kinderen van de armen in Ierland hun ouders of vaderland tot last zijn, en te zorgen dat zij heilzaam zijn voor het algemeen belang. 1729, (Zie elders op deze website.)

Naar boven