Home

Wakefield

door

Nathaniel Hawthorne

1837

Ik herinner me een voor waar verteld verhaal uit een oud tijdschrift of dagblad, over een man — we zullen hem Wakefield noemen — die een tijd lang bij zijn vrouw wegbleef. Als theoretisch gegeven is het niet ongewoon, en moet ook niet — zomaar of zonder uitleg van omstandigheden — veroordeeld worden als onfatsoenlijk of onzinnig. Hoe het ook zij, dit geval is zonder de minste overdrijving misschien het uitzonderlijkste geval van echtelijk plichtsverzuim en bovendien de opmerkelijkste vreemde gebeurtenis, die ooit in de hele lijst van menselijke eigenaardigheden is aangetroffen. Het gehuwde stel woonde in Londen. De echtgenoot nam, onder het voorwendsel dat hij op reis ging, zijn intrek in een etagewoning in de aan zijn eigen huis belendende straat, zonder dat zijn vrouw en vrienden dat wisten en verbleef daar, zonder ook maar de geringste reden voor een dergelijke zelfverkozen ballingschap, meer dan twintig jaar. Tijdens die periode hield hij elke dag zijn huis in de gaten en zag daar herhaaldelijk de in de steek gelaten mevrouw Wakefield. En na die zo grote hiaat in zijn echtelijke gelukzaligheid — toen hij ongetwijfeld zijn dood onder ogen zag, zijn situatie blijvend leek, en zijn vrouw zich al heel lang daarvoor had neergelegd bij de herfst van haar weduwse staat — kwam hij op een avond de deur weer binnen, rustig, alsof hij een dag weg was geweest en werd weer een liefhebbende echtgenoot tot zijn dood.

Deze schets is het enige wat mij bijgebleven is. Maar het voorval doet, hoewel het getuigt van de zuiverste originaliteit, zonder weerga is en waarschijnlijk nooit herhaald zal worden, volgens mij toch een beroep op de welwillende bijval van de mensheid. Ondanks dat wij weten, ieder voor onszelf, dat niemand van ons zich zou bezondigen aan een dergelijke dwaasheid, hebben wij wel het gevoel dat iemand anders dat wel zou kunnen. In mijn eigen overpeinzingen is dat in ieder geval vaak voorgekomen, altijd met een opwindende verbazing, maar ook met een gevoel dat het verhaal echt gebeurd moet zijn en met een idee over het karakter van de hoofdpersoon. Telkens als een onderwerp een zo krachtige invloed uitoefent op de geest, is het de tijd en moeite waard over zoiets na te denken. Als de lezer daarvoor kiest, moet hij daar zelf maar over nadenken; maar als hij er de voorkeur aan geeft om samen met mij rond te zwerven door de twintig jaar van Wakefields gril, heet ik hem welkom, in het vertrouwen dat er bij Wakefield sprake is van een allesdoordringende moed en deugdzaamheid, zelfs als wij die niet zouden kunnen ontdekken, die samengebald is in de laatste zin van dit verhaal. Het denken heeft altijd iets doelgerichts en elk treffend voorval iets moreels.

Wat voor iemand was Wakefield? Het staat ons vrij daar ons eigen idee over te vormen en zijn naam daaraan te geven. Hij bevond zich op dat moment op het hoogtepunt van zijn leven; zijn echtelijke gevoelens, die nooit fel waren geweest, waren bedaard tot een kalme, alledaagse gemoedstoestand; van alle echtgenoten was hij waarschijnlijk de meest toegewijde, omdat zijn gemoed in de hand zou worden gehouden door een zekere traagheid, wat hij ook tegen zou komen. Hij was een intellectueel, maar niet daadwerkelijk; zijn geest hield zich bezig met lange en trage overpeinzingen, die doelloos eindigden, of niet de kracht hadden om iets te bereiken; zijn gedachten waren zelden doortastend genoeg om grip te krijgen op woorden. Verbeelding, in de eigenlijke betekenis van het woord, maakte geen deel uit van Wakefields talenten. Wie zou er bedacht op zijn geweest dat onze vriend, met een koel maar niet verdorven of dolend hart en een nooit koortsachtig met opstandige gedachten verwijlende geest, noch verbijsterd door oorspronkelijkheid, aanspraak zou maken op de opmerkelijkste plaats onder de plegers van buitenissige daden? Als zijn kennissen was gevraagd van wie zij in Londen het zekerst wisten dat hij vandaag niets zou doen waar morgen niet meer aan gedacht zou worden, zouden ze meteen Wakefield voor ogen hebben gehad. Alleen zijn bloedeigen echtgenote zou geaarzeld hebben. Zonder zijn karakter uitgerafeld te hebben, was zij zich gedeeltelijk bewust van een kalm egoïsme, dat zijn nietsdoende geest had aangetast; van een merkwaardig soort ijdelheid, zijn meest onbehaaglijke eigenschap; van een geslepen aard die zelden iets duidelijkers had teweeggebracht dan het bewaren van nauwelijks vermeldenswaardige geheimpjes; en tot slot van wat zij soms iets vreemds noemde bij de goede man. Die laatste trek is niet nader te omschrijven en bestond misschien niet eens.

Laten we nu een beeld schetsen van Wakefield die afscheid neemt van zijn vrouw. Het is in de schemering van een oktoberavond. Zijn uitrusting bestaat uit een vale overjas, een waterdichte hoed en in zijn ene hand een paraplu en een reiskoffertje in zijn andere. Hij heeft mevrouw Wakefield verteld dat hij de avonddiligence naar platteland neemt. Zij wilde graag de duur van zijn reis weten, het doel en het vermoedelijke tijdstip van zijn terugkomst, maar meegaand in zijn onschuldige liefde voor geheimen, werpt ze hem slechts een vragende blik toe. Hij vertelt haar dat ze hoe dan ook niet moet verwachten dat hij diezelfde avond de diligence terug neemt en dat ze ook niet verontrust moet zijn als hij drie of vier dagen wegblijft, maar in elk geval op hem moet rekenen bij de maaltijd op vrijdagavond. Bedenk dat Wakefield zelf geen vermoeden heeft van wat hem te wachten staat. Hij steekt zijn hand uit, zij geeft de hare en neemt de afscheidszoen in ontvangst op de vanzelfsprekende manier die past bij een al tien jaar durend huwelijk; en dan vertrekt de bijna vijftigjarige meneer Wakefield, haast vastbesloten zijn goede vrouw te verbazen door een hele week weg te blijven. Nadat de deur achter hem is gesloten, ziet ze die weer even opengaan en door de kier een blik van het gezicht van haar echtgenoot, dat naar haar glimlacht en meteen weer verdwijnt. Vooralsnog besteedt ze geen aandacht aan dat voorvalletje, maar lang daarna, toen zij al langer weduwe was dan echtgenote was geweest, keert die glimlach terug en flakkert heen en weer over al haar herinneringen aan Wakefields gezicht. In haar vele mijmeringen omgeeft zij de oorspronkelijke glimlach met vele fantasieën, die daar een vreemd en afschuwelijk beeld van vormen: zoals wanneer zij hem bijvoorbeeld ziet liggen in een doodskist en die afscheidsblik bevroren ligt op zijn bleke gelaat; of als ze over hem droomt dat hij in de hemel is en in zijn gelukzaligheid nog steeds een kalme en sluwe glimlach vertoont. Terwijl alle anderen zich bij zijn dood hebben neergelegd, twijfelt zij er ondanks alles soms aan of ze eigenlijk wel weduwe is.

Maar wij hebben met de echtgenoot te maken. Wij moeten op straat achter hem aanhollen, voordat hij zijn individualiteit verliest en opgaat in het grote geheel van het Londense leven. Hem daar dan nog zoeken zou tevergeefs zijn. Laten wij hem dus op de voet volgen, totdat wij hem na verschillende overbodige keren en wendingen gerieflijk gezeten aantreffen bij de haard van de al eerder genoemde kleine etagewoning. Hij bevindt zich in de eerstvolgende straat vanaf zijn oude huis en op het eindpunt van zijn reis. Hij kan nauwelijks geloven dat hij zo gelukkig is geweest tot nu toe ongezien te zijn gebleven, als hij bedenkt dat hij op gegeven moment precies in het licht van een straatlantaarn door de mensenmenigte werd opgehouden; en dan weer dat er voetstappen achter hem waren die hem leken te volgen, anders dan al die andere stappen rond hem; en nog een keer dat hij in de verte een stem hoorde schreeuwen en zich verbeeldde dat die zijn naam riep. Ongetwijfeld hadden tientallen bemoeials hem in de gaten gehouden en de hele zaak aan zijn vrouw overgebriefd. Arme Wakefield! Wat weet gij weinig van uw eigen onbeduidendheid in deze grote wereld! Geen stervelingenoog heeft u gespeurd, alleen het mijne. Ga gerust naar uw sponde, dwaas; en als gij wijs bent, ga dan morgen naar huis naar uw goede mevrouw Wakefield en vertel haar de waarheid. Onttrek u niet, zelfs niet voor een kleine week, aan uw plaats aan haar kuise boezem. Als zij maar voor een enkel moment gelooft dat gij dood, verdwenen of blijvend van haar gescheiden bent, zult gij u er achteraf jammerlijk bewust van worden dat uw echte vrouw voor altijd veranderd is. Het is een hachelijke zaak om een wig te drijven in menselijke gevoelens; niet omdat die kloof zo lang en wijd zal gapen, maar omdat die zo snel weer sluit!

Haast met berouw over zijn vrolijkheid, of hoe dat ook genoemd mag worden, gaat Wakefield kort daarop naar bed en spreidt, als hij uit zijn eerste dutje ontwaakt, zijn armen uit over de ruime en eenzame leegte van het onbekende bed. "Nee," denkt hij, terwijl hij de dekens rond zich verzamelt, "niet nog een nacht alleen in bed."

’s Ochtends ontwaakt hij vroeger dan gewoonlijk en doet zijn best te bedenken wat hij echt van plan is. Zijn manier van denken is zo onsamenhangend en warrig dat hij deze buitengewone stap wel heeft genomen met een bepaald doel, maar zonder dat voldoende voor zichzelf te hebben kunnen verduidelijken. De vaagheid van het plan en de krampachtige inspanning waarmee hij zich in de uitwerking daarvan heeft gestort, zijn beiden kenmerkend voor een besluiteloos iemand. Wakefield ontleedt niettemin zo zorgvuldig mogelijk zijn gedachten en ontdekt dat hij eigenlijk nieuwsgierig is naar de gang van zaken thuis — hoe zijn voorbeeldige echtgenote het weduwe zijn voor een week doorstaat; en om kort te gaan, hoe de kleine kring van mensen en omstandigheden, waarbinnen hij het middelpunt vormde, door zijn verhuizing is aangetast. Er ligt dus een ziekelijke ijdelheid aan de wortel van het geheel. Maar hoe moet hij zijn doel bereiken? Natuurlijk niet door zich verborgen te houden in deze etagewoning, waar hij, hoewel hij vlak om de hoek sliep en weer wakker werd, in wezen net zo ver weg is als wanneer de diligence hem de hele nacht door met volle vaart had weggevoerd. Maar als hij nu weer op zou duiken zou het hele plan in duigen vallen. Zijn arme brein raakte hopeloos in de war door dit dilemma, dat hij ten slotte deels durfde op te lossen door het begin van de straat over te steken en een haastige blik te werpen op zijn in de steek gelaten huis. Het is de gewoonte — want hij is een gewoontemens — die hem bij de hand neemt en hem volledig onbewust naar zijn eigen deur leidt, waar hij juist op het kritieke moment weer bij zinnen komt door het schrapen van zijn voet op de traptrede. Wakefield! waar ga je naartoe?

Op dat moment hangt zijn lot aan een zijden draad. Even dromend over de ondergang die zijn eerste stap terug teweeg zou kunnen brengen, rent hij ademloos en met een tot dan toe nog niet gevoelde opwinding weg en durft nauwelijks zijn hoofd om te draaien op de hoek van de straat. Zou iemand hem gezien hebben? Zullen niet al zijn huisgenoten — de onberispelijke mevrouw Wakefield, de bijdehante dienstmaagd en het smoezelige huisknechtje — schreeuwend tekeergaan door de Londense straten op jacht naar hun voortvluchtige heer en meester? Een schitterende ontsnapping! Hij verzamelt alle moed bij elkaar om te blijven staan en naar zijn huis te kijken, maar is onthutst door een gevoel dat het vertrouwde huis veranderd is, iets dat ons allemaal overkomt als we maanden of weken weg zijn geweest en dan weer een heuvel of meer, of een kunstwerk zien, waarmee we vanouds bekend zijn geweest. In gewone gevallen wordt deze onbeschrijfelijke indruk gewekt door het vergelijken van en de tegenstelling tussen onze onvolmaakte herinneringen en de werkelijkheid. Bij Wakefield heeft de magie van een enkele nacht een gelijksoortige gedaantewisseling teweeggebracht, omdat zich bij hem in die korte tijdspanne een grote morele verandering heeft voltrokken. Maar dat is voor hem verborgen. Voordat hij de plek verlaat vangt hij even een glimp op van zijn vrouw, die langs het voorraam loopt, met haar blik naar het begin van de straat gekeerd. De sluwe kluns zet het op een lopen, geschrokken door het idee dat haar oog, temidden van duizenden sterfelijke atomen, hem opgemerkt moet hebben. Als hij weer bij de kachel in zijn onderkomen zit is zijn hart weer opgeruimd, hoewel zijn geest nog wat duizelig is,.

Dat over het begin van deze langdurende escapade. Na het aanvankelijke idee en het prikkelen van zijn trage inborst om het ten uitvoer te brengen, ontwikkelde de zaak zichzelf op een vanzelfsprekende manier. Wij zullen nu veronderstellen dat hij na ampele overwegingen een roodharige pruik kocht en bij een joodse voddenboer allerlei kleren, die afwijken van zijn gebruikelijke bruine kledingstijl. Het is klaar. Wakefield is een andere man geworden. Nu het nieuwe systeem is ingevoerd, zou een achterwaartse beweging naar het oude bijna even moeilijk zijn als de stap die hem in deze ongekende positie heeft gebracht. Bovendien is hij halsstarrig geworden door een mistroostigheid, die toevallig eigen is aan zijn karakter en nu aan het licht komt doordat hij onterecht denkt aan het gevoel dat teweeggebracht is in de gemoedstoestand van mevrouw Wakefield. Hij zal niet teruggaan tot zij halfdood van angst is. En zie, twee of drie keer heeft hij haar voorbij zien lopen, telkens met een moeizamere tred, een bleker gezicht en een angstigere gelaatsuitdrukking; en in de derde week van zijn niet op komen dagen neemt hij een voorbode waar van het huis binnendringende kwaad, in de gedaante van een apotheker. De dag daarop wordt de deurklopper gedempt. Tegen de avond arriveert het rijtuig van de dokter en levert zijn ruim gebakkebaarde en ernstige vracht af bij de deur van Wakefields huis, waaruit hij na een bezoek van een kwartier weer tevoorschijn komt. Mogelijk de aankondiger van een begrafenis. Arme vrouw! Gaat ze dood? Tegen die tijd loopt Wakefield op de toppen van zijn gevoel, maar blijft nog steeds weg van het bed van zijn vrouw, waarbij hij zijn geweten sust met de gedachte dat zij zich maar niet van slag moet laten brengen door een dergelijke situatie. Of er nog iets anders is dat hem tegenhoudt, weet hij niet. In de loop van een paar weken herstelt ze geleidelijk; de crisis is voorbij; haar hart is misschien bedroefd, maar rustig; en als hij dan vroeg of laat toch weer terug zal komen, zal het nooit meer koortsachtig voor hem kloppen. Die gedachten flakkeren rond door Wakefields brein en doen hem vaag beseffen dat zijn gehuurde woning door een vrijwel onoverkomelijke kloof wordt gescheiden van zijn voormalige huis. "Het is net om de hoek!" zegt hij soms. Dwaas! het ligt in een andere wereld. Tot dan toe heeft hij zijn terugkeer uitgesteld, van de ene dag tot de andere; vanaf nu laat hij het moment onbestemd. Niet morgen — misschien volgende week — heel gauw. Arme man! De doden hebben evenveel kans om weer naar hun aardse woningen terug te keren als de door zichzelf verbannen Wakefield.

Ik zou willen dat ik een boek moest schrijven in plaats van een artikel van een tiental bladzijden! Dan zou ik duidelijk kunnen maken hoe een invloed die buiten onze macht ligt haar krachtige hand legt op elke handeling die wij verrichten, en de gevolgen daarvan samenweeft tot een ijzeren weefsel van noodzakelijkheid. Wakefield is geketend. Wij moeten hem een tiental jaren rond zijn huis laten spoken, zonder hem de drempel te zien overschrijden en trouw te zijn aan zijn echtgenote, met alle genegenheid waartoe zijn hart in staat is, terwijl hij geleidelijk uit het hare verdwijnt. Opgemerkt dient te worden dat hij lang daarvoor al het idee had verloren dat er iets eigenaardigs school in zijn gedrag.

Nu een tafereel! Middenin de mensenmenigte in een Londense straat ontwaren wij een inmiddels ouder geworden man, met een paar de aandacht van achteloze toeschouwers trekkende kenmerken, die nog steeds door zijn hele uiterlijk de signatuur draagt van een ongewone lotsbestemming, voor degenen die zo kundig zijn die te kunnen lezen. Hij is mager; zijn lage en smalle voorhoofd is diep gegroefd; zijn ogen, klein en dof, dwalen soms zorgelijk rond, maar lijken vaker naar binnen gekeerd. Hij loopt met gebogen hoofd en een niet te duiden afwijkende gang, alsof hij de wereld niet zijn hele voorkant wil laten zien. Bekijk hem lang genoeg om te zien wat wij hebben geschetst en je zult moeten toegeven dat de omstandigheden — die vaak door het gewone handwerk van de natuur opmerkelijke mensen voortbrengen — hem zo hebben gemaakt. Richt je blik, terwijl je hem steels verder laat lopen over het trottoir, vervolgens in de tegenovergestelde richting, waar een gezette dame, in de herfst van haar leven, met een gebedenboek in haar hand ter kerke gaat. Ze heeft de bezadigde gelaatsuitdrukking van een voldongen weduwe. Haar verdriet is of weggestorven of zo wezenlijk geworden voor haar gemoedstoestand, dat het nauwelijks meer plaats kan maken voor plezier. Net op het moment dat vermagerde man en de gezette vrouw elkaar zullen passeren, is er sprake van een kleine opstopping, die beiden rechtstreeks contact met elkaar laat maken. Hun handen raken elkaar; het duwen van de mensenmenigte dwingt haar borst tegen zijn schouder; ze staan tegenover elkaar en staren in elkaars ogen. Zo komt Wakefield, na tien jaar afzondering, zijn vrouw weer tegen!

De menigte dwarrelt uiteen en drijft hen uit elkaar. De bedaarde weduwe herneemt haar eerdere gang en loopt verder naar de kerk, maar aarzelt even bij de hoofdingang en werpt een verbijsterde blik over de straat. Ze gaat echter naar binnen en slaat al lopend haar gebedenboek open. En de man! Die haast zich met een zo verwilderd gezicht dat het drukke en zelfzuchtige Londen blijft staan om hem aan te staren, terug naar zijn onderkomen, doet de deur op slot en werpt zich op het bed. De sluimerende gevoelens van jaren barsten los en zijn zo sterk dat zijn krachteloze geest er kortstondig energie aan ontleent; het hele armzalige zonderlinge van zijn leven wordt hem in één flits duidelijk; en hartstochtelijk roept hij uit, "Wakefield! Wakefield! Je bent gek!"

Misschien was hij dat ook. Het ongewone van zijn situatie moet hem in zijn eigen ogen zo gevormd hebben dat van hem, vergeleken met zijn medemensen en de normale gang van zaken in het leven, niet gezegd zou kunnen worden dat hij goed bij zijn hoofd was. Hij had bedacht, of liever, het was hem overkomen, om zichzelf los te maken van de wereld — om te verdwijnen — af te zien van zijn plaats en privileges onder de levenden, zonder toegelaten te worden tot de doden. Het leven van een kluizenaar is iets heel anders. Als altijd bevond hij zich nog steeds in het gewoel van de stad; maar de mensenmenigte liep hem voorbij en zag hem niet; figuurlijk zouden we kunnen zeggen dat hij weliswaar nooit bij zijn vrouw weg is geweest en nooit zijn hart in de steek heeft gelaten, maar toch nooit de warmte van de een, noch de genegenheid van de andere heeft gevoeld. Het was Wakefields nog nooit vertoonde lot om zijn oorspronkelijke aandeel te behouden in het menselijke medeleven en nog steeds betrokken te zijn bij de mensheid, terwijl hij daar zelf geen invloed meer op had. Het zou een uiterst ongewone onderneming zijn om de invloed te schetsen van dergelijke omstandigheden op zijn gemoed en verstand, afzonderlijk en samen. Hoewel hij veranderd was, drong dat maar zelden tot hem door en dacht hij dat hij nog steeds dezelfde was; vage indrukken van de waarheid daagden inderdaad, maar slechts voor even; en nog steeds bleef hij zeggen, "ik ga gauw weer terug!" — zonder te bedenken dat hij dat al twintig jaar zei.

Ik denk dus dat deze twintig jaar, achteraf gezien, voor hem nauwelijks langer zouden lijken dan de week waartoe Wakefield aanvankelijk zijn afwezigheid had willen beperken. Hij zou op de hele zaak terugkijken als niet meer dan een intermezzo in de hoofdstroom van zijn leven. Als hij, weer wat later, zou vinden dat het tijd geworden was om de huiskamer weer te betreden, zou zijn vrouw van vreugde in haar handen klappen, bij het zien van de nog steeds bijna vijftigjarige Wakefield. Helaas, wat een vergissing! Als de Tijd maar zou wachten tot wij klaar zijn met onze geliefde dwaasheden, dan zouden we allemaal jong blijven, tot de dag des Oordeels.

Op een avond, in het twintigste jaar na zijn verdwijning, maakt Wakefield zijn gebruikelijke wandeling naar het huis dat hij nog steeds het zijne noemt. Het is een stormachtige herfstavond, met vele stortbuien die op het plaveisel neerkletteren en weer voorbij zijn voordat iemand zijn paraplu kan opsteken. Als hij stilhoudt bij zijn huis ontwaart Wakefield, door het zitkamerraam op de eerste etage, de rode gloed, het schijnsel en grillige flakkeren van een behaaglijk haardvuur. Op het plafond beweegt een groteske schaduw van de goede mevrouw Wakefield. Haar hoofdkapje, neus en kin en de ruime taille, vormen een prachtige karikatuur, die ook nog eens danst op de opflakkerende en inzakkende vlammen, bijna te vrolijk voor een oudere weduwe. Op dat moment begint het toevallig te stortregenen en de bui slaat door de ruwe wind recht in het gezicht van Wakefield. Hij wordt helemaal doordrongen van de herfstige koude. Zal hij hier nat en rillend blijven staan, terwijl zijn eigen haard een voortreffelijk vuur biedt om hem te warmen en zijn eigen vrouw zal hollen om de kamerjas en pantoffels te pakken, die zij ongetwijfeld zorgvuldig bewaard heeft in de slaapkamerkast? Nee! zo gek is Wakefield niet. Hij loopt de trap op — moeizaam! — want in die twintig jaar, sinds hij naar beneden liep, zijn zijn benen stijf geworden — maar hij beseft dat niet. Blijf staan, Wakefield! Wil je het enige huis binnengaan dat je rest? Ga dan je ondergang maar tegemoet! De deur gaat open. Als hij de kamer binnengaat kunnen wij een vluchtige blik ten afscheid op zijn gelaat werpen en diezelfde sluwe glimlach herkennen, die voorafging aan het geintje dat hij sindsdien ten koste van zijn vrouw heeft gespeeld. Wat heeft hij de arme vrouw genadeloos begluurd! Welterusten Wakefield!

Deze gelukkige gebeurtenis — gesteld dat het dat is — kon alleen maar plaatsvinden op een onvoorbereid moment. Wij zullen onze vriend niet over de drempel volgen. Hij heeft ons veel stof tot nadenken gegeven, een hoeveelheid die haar wijsheid zal lenen voor een moraal en zich laat vormen tot een gedaante.

"In de ogenschijnlijke wanorde van onze mysterieuze wereld, is iedereen zo nauwkeurig afgestemd op een bepaald systeem — en de systemen op elkaar, en alle systemen op het geheel — dat het individu dat één stap opzij doet, het vreselijke gevaar loopt zijn plaats voor altijd te verliezen. Hij loopt gevaar, als Wakefield, de Paria van het Universum te worden."



Jorge Luis Borges over Wakefield

Uit: De Cultus van het Boek (pag. 72 – 77)

Uitgeverij: De Bezige Bij 1981, ISBN 90 234 1540 x

Vertaling: Barber van de Pol

………Uit bovenstaande overwegingen zou men bij voorbaat kunnen afleiden dat Hawthorne’s verhalen beter zijn dan Hawthorne’s romans. Volgens mij is dat ook zo. De vierentwintig hoofdstukken van The Scarlet Letter bevatten vele gedenkwaardige passages, gesteld in goed en gevoelig proza, maar geen ervan heeft mij zo ontroerd als de zonderlinge geschiedenis van Wakefield, uit de Twice-Told Tales. Hawthorne had in een krant gelezen, of wendde uit literaire motieven voor in een krant te hebben gelezen, over een Engelse heer die zonder enige reden zijn vrouw verliet, zijn intrek nam in een huis om de hoek en zich daar, zonder dat iemand het vermoedde, twintig jaar schuil hield. Gedurende die lange periode bracht hij alle dagen door tegenover zijn huis of hij keek er naar vanaf de hoek, en hij ving menigmaal een glimp op van zijn vrouw. Toen ze hem hadden opgegeven, toen zijn vrouw er allang in had berust weduwe te zijn, opende de man, op een dag, de deur van zijn huis en ging naar binnen. Gewoon, alsof hij een paar uur was weggeweest. (Hij zou tot de dag van zijn dood een voorbeeldige echtgenoot zijn.) Hawthorne las het merkwaardige voorval vol onrust en probeerde het te begrijpen, het zich voor te stellen. Hij kwam niet los van het thema; het verhaal Wakefield is de veronderstelde geschiedenis van die ontheemde. Het aantal interpretaties van het raadsel kan oneindig zijn; laten we naar die van Hawthorne kijken.

Deze stelt Wakefield voor als een bedaagde, op een schuchtere wijze ijdele, egoïstische man, met een hang naar kinderlijke mysteries, naar het bewaren van onbetekenende geheimen; een lauwe man, met een groot gebrek aan verbeeldingskracht en mentale moed, maar in staat tot lange, vruchteloze, onafgeronde, onduidelijke overpeinzingen; een trouwe echtgenoot, krachtens zijn sloomheid. Op een oktoberdag, vroeg in de avond, neemt Wakefield afscheid van zijn vrouw. Hij heeft gezegd — we moeten niet vergeten dat we in het begin van de negentiende eeuw zitten — dat hij de diligence zal nemen en dat hij binnen twee, uiterlijk drie dagen weer terug is. De vrouw, die weet dat hij verzot is op onschuldige mysteries, vraagt niet naar de reden van zijn reis. Wakefield gaat gekleed in laarzen, hoed en overjas; hij heeft een paraplu en een valies bij zich. Wakefield — en dat vind ik zo knap — weet nog niet wat hem, onontkoombaar, wacht. Hij vertrekt, met het min of meer vaste voornemen zijn vrouw ongerust te maken of te verbazen door een hele week weg te blijven. Hij vertrekt, sluit de voordeur achter zich, doet hem op een kier nog eens open en glimlacht, even. Jaren later zal zijn vrouw zich deze laatste glimlach herinneren. Zij zal zich Wakefield voorstellen in een kist, met die glimlach bevroren op zijn gezicht, of in het paradijs, in de heerlijkheid, sluw en kalm glimlachend. Iedereen zal denken dat hij dood is maar zij zal zich die glimlach herinneren en bedenken dat ze, misschien, geen weduwe is.

Wakefield bereikt, na enige omwegen, het onderkomen dat hij tevoren in gereedheid had gebracht. Hij nestelt zich bij de schoorsteen en glimlacht; hij bevindt zich om de hoek van zijn huis maar is beland aan het einde van zijn tocht. Hij aarzelt, feliciteert zichzelf, kan niet geloven dat hij daar inderdaad zit, vreest dat ze hem hebben bespied en zullen verraden. Bijna berouwvol gaat hij naar bed; in het enorme lege ledikant strekt hij zijn armen uit en zegt een paar keer hardop: ‘Ik ga niet nog eens alleen slapen’.
De volgende dag wordt hij vroeger dan gewoonlijk wakker en vraagt zich, met verbijstering, af wat hij moet doen. Hij weet dat hij een of ander plan heeft, maar het kost hem moeite dit te definiëren.
Tenslotte ontdekt hij dat hij er achter wilde komen wat voor indruk één week weduwschap zal maken op de voorbeeldige mevrouw Wakefield. Nieuwsgierigheid drijft hem de straat op. Hij mompelt: ‘Ik ga mijn huis uit de verte bespioneren’. Hij gaat op weg, raakt in gedachten verzonken; plotseling beseft hij dat de macht der gewoonte hem, verraderlijk, tot voor zijn eigen deur heeft gebracht en dat hij op het punt staat om naar binnen te gaan. Verschrikt keert hij op zijn schreden terug. Zouden ze hem hebben gezien; zouden ze hem volgen? Op een hoek draait hij zich om en kijkt naar zijn huis; het komt hem anders voor, omdat hij al anders is, omdat één enkele nacht, ook al weet hij het niet, een verandering in hem heeft teweeggebracht. In zijn ziel heeft zich de morele verandering voltrokken die hem zal veroordelen tot twintig jaar ballingschap. Dat is het werkelijke begin van zijn lange avontuur.
Wakefield bemachtigt een rode pruik. Hij verandert van gewoonten; na enige tijd heeft hij een nieuwe sleur ontwikkeld. Hij wordt gekweld door de argwanende gedachte dat zijn afwezigheid mevrouw Wakefield niet voldoende heeft geraakt. Hij besluit niet terug te gaan voor ze de schrik goed te pakken heeft. Op een dag gaat een apotheker het huis binnen, op een andere dag de dokter. Wakefield is ongerust, maar hij vreest dat zijn onverhoedse terugkomst de ziekte misschien verergert. Als in trance laat hij de tijd verstrijken; eerst dacht hij: ‘Over zoveel dagen ga ik naar huis’, nu: ‘over zoveel weken’. En zo gaan er tien jaren voorbij. Hij weet allang niet meer dat zijn gedrag vreemd is. Met alle lauwe genegenheid waartoe zijn hart in staat is, blijft hij houden van zijn vrouw, terwijl zij hem langzaam vergeet. Op een zondagmorgen kruisen hun wegen elkaar te midden van de Londense drukte. Wakefield is mager geworden; hij loopt schuin, alsof hij zich verschuilt, alsof hij op de vlucht is; zijn lage voorhoofd is als het ware doorploegd met rimpels; zijn gezicht dat voorheen vulgair was, is nu ongewoon, door de ongewone onderneming die hij achter de rug heeft. In zijn kleine oogjes spiedt of dwaalt de blik. De vrouw is dik geworden; zij houdt een kerkboek in haar hand en is het toonbeeld van een vredig en berustend weduwschap. Zij is aan verdriet gewend geraakt en zou het, misschien, niet willen ruilen voor geluk. Met het ene gezicht vlak bij het andere kijken de twee elkaar in de ogen. De menigte scheidt ze, slokt ze op. Wakefield vlucht naar zijn onderkomen, sluit de deur door de sleutel tweemaal in het slot te draaien en stort zich op bed neer, ten prooi aan een huilbui.
Even beseft hij de miezerige eigenaardigheid van zijn bestaan. ‘Wakefield, Wakefield! Je bent gek!’ zegt hij tegen zichzelf. Misschien is hij dat. Midden in Londen heeft hij zich van de wereld losgemaakt. Zonder te zijn gestorven heeft hij afgezien van zijn plaats en zijn privileges onder de levenden. In gedachten woont hij nog altijd thuis, bij zijn vrouw. Hij weet niet, of bijna nooit, dat hij een ander is geworden. Hij herhaalt: ‘Binnenkort ga ik terug’ en bedenkt niet dat hij dat al twintig jaar zegt. In zijn herinnering komen die twintig jaren hem voor als een tussenspel, een intermezzo, meer niet. Op een middag, een middag als alle middagen, als alle duizenden voorgaande middagen, bekijkt Wakefield zijn huis. Door de ramen ziet hij dat op de eerste verdieping het vuur is aangestoken; op het gestucte plafond projecteren de vlammen mevrouw Wakefields schaduw op groteske wijze. Het begint te regenen; Wakefield voelt een koude windvlaag. Het komt hem belachelijk voor zich nat te laten regenen terwijl daar zijn huis, zijn thuis is. Moeizaam loopt hij de trap op en opent de deur. Op zijn gezicht speelt, spookachtig, de sluwe glimlach die we kennen. Wakefield is terug, eindelijk. Hawthorne vertelt ons niet hoe het hem verder vergaat, maar hij geeft te kennen dat hij, in zekere zin, al dood was. Ik citeer de slotwoorden: ‘In de ogenschijnlijke wanorde van onze mysterieuze wereld, is iedereen zo nauwkeurig afgestemd op een bepaald systeem — en de systemen op elkaar, en alle systemen op het geheel — dat de individu die één stap opzij doet, het vreselijke gevaar loopt zijn plaats voor altijd te verliezen. Hij loopt gevaar, als Wakefield, de Paria van het Universum te worden.’

In deze korte, onheilspellende parabel — die dateert van 1835 — zitten we al in de wereld van Melville, in de wereld van Kafka. Een wereld van raadselachtige straffen en duistere schulden. Men zal zeggen dat dat niets bijzonders is, want de wereld van Kafka is het jodendom, en die van Hawthorne de toom en vergelding van het Oude Testament. Die opmerking is juist, maar betreft alleen de ethische kant van de zaak, en het gruwelijke verhaal over Wakefield en vele verhalen van Kafka delen niet alleen een gemeenschappelijke ethiek maar ook een gemeenschappelijke retoriek. Zie, bij voorbeeld, de verregaande onbenulligheid van de protagonist, die contrasteert met de grootsheid van zijn ondergang en die hem, des te hulpelozer, uitlevert aan de Wraakgodinnen. Zie het wazige decor waartegen de nachtmerrie zich afspeelt. Hawthorne roept, in andere vertellingen, een romantisch verleden op; hier bootst hij een burgerlijk Londen na waarvan de mensenmassa’s hem, overigens, goed van pas komen om zijn held te verbergen.

Op dit punt zou ik, zonder ook maar enigszins afbreuk aan Hawthorne te doen, een opmerking willen inlassen. De omstandigheid, de vreemde omstandigheid dat we, in een verhaal van Hawthorne dat in het begin van de negentiende eeuw werd geschreven, dezelfde sfeer proeven als in de verhalen die Kafka in het begin van de twintigste eeuw maakte, mag ons niet doen vergeten dat Kafka’s sfeer is gecreëerd, is bepaald, door Kafka. Wakefield is een voorafschaduwing van Franz Kafka, maar deze wijzigt, en verfijnt, de lectuur van Wakefield. De verplichting is wederzijds, een groot schrijver creëert zijn voorgangers. Hij creëert ze en hij rechtvaardigt ze, op de een of andere manier. Wat zou, bij voorbeeld, Marlowe zijn zonder Shakespeare?

De vertaler en criticus Malcolm Cowley ziet Wakefield als een allegorie van Nathaniel Hawthorne’s curieuze opsluiting. Schopenhauer heeft de beroemde woorden geschreven dat er geen handeling, geen gedachte, geen ziekte bestaat, die niet vrijwillig is; als daarin een kern van waarheid zit, zou de gissing passen dat Nathaniel Hawthorne zich jarenlang van de maatschappij afzijdig hield opdat in het universum, waarvan misschien verscheidenheid het doel is, de unieke geschiedenis van Wakefield niet zou ontbreken. Als Kafka dat verhaal had geschreven, was het Wakefield nooit gelukt om weer thuis te komen; Hawthorne staat hem toe naar huis terug te gaan, maar zijn terugkeer is niet minder jammerlijk of gruwelijk dan zijn langdurige afwezigheid.

Naar boven