Home


WAS JOZEF VAN ARIMATHEA FLAVIUS JOSEPHUS?

Flavius Josephus

(Jozef ben Matthias)

Jeruzalem, 37 n. C. – Rome, ± 100 n. C.

Uit mijn Leven

Engelse vertaling, uit het Grieks, door William Whiston (1667 – 1752)


Daarna werd ik door keizer Titus, samen met Ceralius en duizend ruiters naar een dorp gestuurd, dat Tekoa heette. Ik moest daar gaan bekijken of het een geschikte plek voor een legerkamp was. Toen ik terugreed zag ik een groot aantal krijgsgevangenen, die aan kruisen hingen. Drie daarvan herkende ik als vroegere kennissen. Ik was zeer ontdaan en in tranen ging ik naar Titus toe en vertelde hem wat ik had gezien. Hij gaf meteen opdracht om hen van het kruis te halen en hen zo goed mogelijk te verzorgen, zodat ze weer zouden kunnen herstellen. Twee van hen stierven onder de handen van de arts. De derde overleefde het.

Nadat Titus een eind had gemaakt aan de onlusten in Judea, had hij mij daar een landgoed in de vlakte geschonken. Hij had namelijk bedacht dat ik aan het landgoed dat ik in Jeruzalem bezat niets meer had, omdat daar een garnizoen, dat die streek moest beschermen, zijn kampement zou opslaan. 

INLEIDING:

Flavius Josephus en de Joodse geschiedenis

Zomer 71 liepen de inwoners van Rome massaal uit voor de grote processie waarmee hun toenmalige keizer Vespasianus en zijn zoon Titus luister bijzetten aan de triomf die zij hadden behaald in hun oorlog tegen de Joden van het toen al meer dan vijftig jaar door de Romeinen bezette Judea en Galilea. Die oorlog was begonnen nadat, in de zomer van 66, Joodse religieuze leiders na een periode van oplopende spanningen hadden besloten niet-Joden uit te sluiten van de offerdienst in de Tempel in Jeruzalem. Ook — en juist — offers uit naam en ten behoeve van Romeinen en van de keizer werden geweigerd.
 

Boekomslag - Was Jozef van Arimathea Flavius Josephus?De Joodse opstand had een evident religieus karakter. Het was in hoge mate een messianistische beweging. Dat de opstandelingen met zo’n ongekende en verbijsterende hardnekkigheid hebben gevochten, hangt samen met het feit dat ze er heilig in geloofden dat God aan hun kant stond en dat God, nadat hij zijn volk eerst in zijn trouw aan hem en in zijn bereidheid om voor hem te vechten tot het uiterste op de proef had gesteld, zelf handelend zou ingrijpen en zijn getrouwen naar de overwinning zou voeren. Bij dat ingrijpen van God zouden de Romeinen en iedereen die met de Romeinen collaboreerde weggevaagd worden, de heerschappij van de keizer zou plaatsmaken voor de heerschappij van God, die zich daarbij zou bedienen van een messias, een koning, die namens hem die heerschappij zou uitoefenen en vrede op aarde zou brengen.
Een poging van de Romeinen om het opstandige Jeruzalem weer onder controle te krijgen liep op een mislukking uit. Pro-Romeinse Joden verlieten daarop de stad of lieten zich door de anti-Romeinse Joden ertoe overreden zich bij de opstand aan te sluiten. De totale oorlog was niet meer te vermijden. Bij de verdeling van de leidende posities en militaire taken werd de jonge Jozef ben Matthias — op dat moment 27 of 28 jaar oud — belast met de leiding over de Joodse militaire operaties in Galilea. Dat hij later onder de Romeinse naam Flavius Josephus bekend zou worden, lag in die zomer van 66 niet bepaald in de lijn der verwachting. Als telg uit een vooraanstaande priesterfamilie behoorde hij tot de geboorteadel van Jeruzalem. Militaire ervaring had hij niet, wél schreef hij later over zichzelf dat hij al op jeugdige leeftijd de reputatie genoot over een hoge intelligentie te beschikken.

De Romeinse reactie liet aanvankelijk even op zich wachten. Maar toen de oorlogsmachine eenmaal was gaan draaien, hadden de Joden ondanks hun taaie verzet geen schijn van kans. Jozef ben Matthias werd al in de zomer van 67 door de Romeinen krijgsgevangen gemaakt. Galilea werd platgebrand. Weer een jaar later werd de gemeenschap van Qumrân, waarschijnlijk een van de centra van het religieuze verzet, een kleine 15 km ten zuiden van Jericho, door Vespasianus — op dat moment nog geen keizer — ingenomen en verwoest. Echter, niet alles ging in vlammen op: de kloosterlingen van Qumrân, leden van de sekte van de Essenen, hadden nog net op tijd kans gezien hun bibliotheek in veiligheid te brengen. Elf grotten in de buurt werden de — stellig als tijdelijk bedoelde — bewaarplaats van honderden Hebreeuwse, Aramese en Griekse handschriften. Ze zijn in de jaren 1946- 1956 stukje bij beetje teruggevonden en staan nu bekend als ‘de rollen van de Dode Zee’.

De Romeinse gevechtshandelingen ondervonden onverwacht vertraging doordat in de zomer van 68 keizer Nero, uit Rome verjaagd, een einde maakte aan zijn leven. In de daarop volgende strijd om de vacante troon werd, weer een jaar later, zomer 69, Vespasianus door de verzamelde Romeinse legioenen in het Oosten tot keizer uitgeroepen. Rome telde voor Vespasianus zwaarder dan Jeruzalem, en dus verplaatste hij zijn aandacht naar Rome. Het commando over de Romeinse troepen rond Jeruzalem droeg hij over aan Titus, zijn zoon. Zelf slaagde hij erin de generaal die intussen door andere legergroepen als de nieuwe keizer naar voren was geschoven, uit te schakelen en zijn intocht te houden in Rome, najaar 70. De precieze datum van die intocht is niet bekend, maar het staat wel vast dat op dat moment de val van Jeruzalem al een feit was. In de Joodse kalender wordt de verwoesting van de Tempel traditioneel herdacht op de negende van de maand Av. Dat is in de zomer, juli/augustus. Er is reden om aan te nemen dat de daadwerkelijke verwoesting plaatsvond op 29 of 30 augustus van het jaar 70. Het is een van de belangrijkste data in de Joodse geschiedenis én in de geschiedenis van het christendom.

Het heidense Rome vierde de verwoesting van Jeruzalem en van de Tempel met de al genoemde imperiale triomftocht van Vespasianus en - Titus, juni 71. De krijgsgevangen Jozef ben Matthias bevond zich op die dag in Rome onder het publiek. Hij was al twee jaar geen krijgsgevangene meer en mocht zich zelfs verheugen in de persoonlijke gunst van de keizer en meer nog in die van diens zoon Titus. Hij had zelfs hun familienaam — Flavius — aangenomen: Jozef ben Matthias heette nu Flavius Josephus.
(Uit de inleiding bij: Flavius Josephus. De Oude Geschiedenis van de Joden. Vertaald,  ingeleid en van aantekeningen voorzien door F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes. Ambo | Amsterdam. 1996. ISBN 978 90 263 2100 9)

Uit Josephus’ eigen inleiding bij De Joodse Oorlog:

Het was onze eigen gezagsondermijnende instelling waardoor ons land is verwoest. Het waren onze eigen Joodse dwingelanden waardoor wij het Romeinse geweld over ons heen kregen en die aanleiding gaven voor het in brand steken van onze heilige tempel. De Romeinen hebben ons tegen hun zin aangevallen. Dat wordt bevestigd door Titus Caesar, die verantwoordelijk was voor die verwoesting. Hij is altijd begaan geweest met het volk dat door opstandelingen werd geterroriseerd. Meer dan eens heeft hij de inname van de stad opgeschort en het beleg afgezwakt. Hij wilde daarmee de aanstichters in de gelegenheid te stellen om tot inkeer te komen. Als echter iemand mij onterecht kwalijk neemt, dat ik zo emotioneel ben als ik het heb over die tirannen of terroristen, of als ik het rampzalige lot van mijn stad zo diep betreur, moet hij mij daarin maar laten begaan, hoewel ik weet dat het in strijd is met een onbevooroordeelde geschiedschrijving. Ons Jeruzalem had onder het bewind van de Romeinen een grotere voorspoed en geluk bereikt dan welke andere stad dan ook, maar viel daarna terug in de meeste barre ellende. Ik denk dat alle rampspoed van alle mensen, vanaf het begin van de wereld, in het niet valt vergeleken met de ellende van de Joden. En dan te bedenken dat zij dat allemaal aan zichzelf te wijten hebben. Hoe zou ik dan mijn jammerklachten kunnen bedwingen?


VOORWOORD:

Er zijn bibliotheken volgeschreven met interpretaties van de uitspraken in de Evangeliën. Over de boodschapper, aan wie die uitspraken worden toegeschreven is waarschijnlijk nog veel meer geschreven, ondanks het feit dat het zeer de vraag is of er naast al die andere Jezussen – een jongensnaam die destijds waarschijnlijk evenveel voorkwam als Daan op dit moment – ook iemand heeft bestaan, die ons in de evangeliën wordt voorgeschoteld. Op zich is dat eigenlijk ook volstrekt onbelangrijk, net zo onbelangrijk als de postbode dat is voor de inhoud van de brief die hij bezorgt. In wezen is de vorm van de evangeliën niets anders dan de verpakking, zij het op zijn minst een ongelukkige, van de Gulden Regel. Er zijn veel mensen geweest, eigenlijk al vanaf de opkomst van het christendom, maar geïntensiveerd vanaf Reimarus via Renan, Albert Schweitzer, onze eigen van den Bergh van Eysenga, Lehmann en vele anderen tot de huidige rage van Freke en Gandi, Zeitgeist The Movie, en ook weer vele anderen die óf hebben laten zien dat er eigenlijk geen (of uiterst dubieuze) aanwijzingen bestaan voor een historische Jezus, óf daarnaast hebben geprobeerd om aan te tonen dat de evangeliën syncretistische composities zijn van Hellenistische (dus heidense) en Oudtestamentische bestanddelen. Geen van al die schrijvers heeft zich afgevraagd waarom die evangeliën in zo’n merkwaardige vorm zijn gegoten en wat de reden is van alle inconsequenties, tegenstrijdigheden, onmogelijkheden, historische onjuistheden, overdrijvingen en wishful thinking is die de evangeliën kenmerken.
Toen schreef Pierre Krijbolder in 1976 een uiterst origineel boek met de titel: Jezus de Nazoreeër. Een studie over de historiciteit van Jezus en de oorsprong van het christendom. Hij was geen theoloog, geen historicus maar een heel nieuwsgierige communicatiewetenschapper, die zich dus bezighield met het hoe en waarom van het overbrengen van boodschappen. Hoe breng je een boodschap over, als je denkt dat iets nieuws en belangrijks hebt te vertellen, als je iets aan de man wil brengen? En voor de tijd van de evangelisten, gold daarbij dat deze geletterde mensen iets wilden duidelijk maken aan een veelal ongeletterde bevolking. Dan moet je propaganda maken, een reclameboodschap bedenken die aanslaat, waarin de ontvangers van die boodschap iets in herkennen, dan moet je het eenvoudig en beeldend houden. Tegenwoordig maak je dan een stripverhaal, zoals Donald Duck, waarin elke stripfiguur een personificatie is van een uitvergroot karakter, oom Dagobert de hebzucht, de Zware Jongens voor het kwaad, Kwik Kwek en Kwak de slimheid en reddertjes, enz. Misschien nog duidelijker bij Tom Poes en Ollie B. Bommel, Markies de Cantecleer de zelfingenomenheid, Professor Sickbock de waardevrije wetenschapper, Tom Poes het geweten, die Ollie B. Bommel zelf de zelfverzekerde onwetende altijd weer uit de penarie haalt. Daarnaast zijn volgens Krijbolder de evangeliën sleutelromans, waarin niet zozeer wordt verwezen naar personen, maar naar gebeurtenissen of concreter gezegd, ze beschrijven de lotgevallen van een ideologische, eschatologische, messianistische beweging, met een revolutionaire boodschap, die mislukt is. De personificatie van het geweten, dat al eeuwen gekruisigd was, doodgezwegen, werd opnieuw gekruisigd. Het Koninkrijk is niet aangebroken, een rechtvaardige wereld is niet tot stand gekomen, een nieuwe hemel en nieuwe aarde.
Het fascinerende van de visie van Krijbolder, die na twee drukken in de ramsj terechtkwam en vergeten is, is dat daarin alle puzzelstukjes op zijn plaats vallen. Geen vragen meer bij de kindermoord in Bethlehem, bij de wonderbare broodvermenigvuldiging, bij de opstanding van Lazarus, bij de wonderen, en dus ook niet bij de kruisiging.
Daar gaat het volgende hoofdstuk over. Het wordt gevolgd door Uit Mijn Leven van Jozef bar Mathea, dat een helder beeld schetst van de moord en doodslag, leugen en bedrog, terroristische aanslagen, machtsspelletjes, collaboratie en verraad, hoop en wanhoop, die Judea en Galilea teisterden en een vruchtbare voedingsbodem vormde voor een messianistische beweging, die gepersonifieerd werd door de sprookjesfiguur Jezus 


Uit: Jezus de Nazoreeër. Een studie over de historiciteit van Jezus en de oorsprong van het christendom.

Pierre Krijbolder, Amsterdam 1976, Wetenschappelijke Uitgeverij

Hoofdstuk 6: Flavius Josephus

Rond het jaar 100 stierf in Rome, in het domus privatus van keizer Vespasianus, een beroemd man van joodse afkomst, die aan zijn joodse naam Jozef de geslachtsnaam van Vespa­sianus, Flavius, had toegevoegd ten teken dat hij als slaaf van Vespasianus was vrijgelaten. Zijn werken, drie in getal, werden in de staatsbibliotheek opgenomen. Wie was die man?

We zijn eigenlijk van maar weinig mensen uit de oudheid beter op de hoogte dan van deze Flavius Josephus, omdat hij aan de tweede uitgave van zijn grootste werk, De joodse oud­heden, een soort autobiografie heeft toegevoegd. Een soort autobiografie, want de grote middenmoot van dit geschrift be­handelt slechts één jaar uit zijn leven, toen hij namelijk be­velhebber was van joodse verzetsstrijdkrachten in Galilea, van 66 tot 67. Voor en na dit middendeel vertelt hij meer als een soort inleiding en afsluiting iets over zijn jeugd en over zijn ervaringen tijdens en na de verovering van Jeruzalem in het jaar 70.

Josephus is geboren in Jeruzalem in het jaar 37, het jaar van de dood van keizer Tiberius en de troonsbestijging van keizer Caligula. Het jaar 37: dat was vier jaar na de 'dood' van Jezus van Nazareth, één jaar na de bekering van Paulus. Josephus' vader Mathea was een zeer vooraanstaand Je­ruzalems burger en zijn moeder was wat wij van adel noe­men: zij was van het geslacht der Hasmoneeën, tot welk ge­slacht ook Mariamme, de lievelingsvrouw van Herodes de Grote, behoorde, zodat Josephus in de zijlijn geparenteerd was aan de Herodes-familie.

Reeds op veertienjarige leeftijd is Josephus zo doorkneed in de Schriften, dat erkende rabbi's hem om raad vragen. Wat dat in die tijd betekende kan nauwelijks onderschat wor­den; Josephus moet al op jeugdige leeftijd een beroemdheid zijn geweest, vergelijkbaar met een wonderkind in onze tijd. Ofschoon het in dit stadium van mijn betoog nogal fantas­tisch zal klinken, wil ik hier toch reeds als mijn overtuiging uitspreken dat Lucas, uit wiens evangelie en Handelingen op meerdere plaatsen blijkt dat hij Josephus heel goed moet hebben gekend, door de vroegrijpheid van Josephus moet zijn geïnspireerd tot zijn bekende verhaal over de twaalfjarige Jezus in de tempel (2:40-52). Dit verhaal kon pas na het op­treden van Josephus als geloofwaardig worden gebracht. Te bewijzen valt hier overigens uiteraard niets.

Op zestienjarige leeftijd gaat Josephus op proefondervinde­lijke wijze de godsdienstige stromingen onder zijn volk be­studeren. Hij sluit zich achtereenvolgens aan bij de Farizeeën, de Sadduceeën en de Essenen, '...deze drie, en meer waren er niet, zoals ik al meermalen heb gezegd', aldus Josephus in zijn autobiografie (Vita 10). Men realisere zich dat Josephus hier de toestand beschrijft zoals die was in het jaar 53. Er is totaal geen sprake van aanhangers van Jezus van Nazareth.

Als Josephus de drie scholen heeft doorlopen, gaat hij een aantal jaren wonen bij een soort kluizenaar, Bannus geheten, en keert in zijn negentiende levensjaar terug naar Jeruzalem, waar hij zich aansluit bij de richting der Farizeeën. Van zijn bevindingen bij de drie richtingen zal hij in De joodse oor­log en in De joodse oudheden uitgebreid verslag doen. Uit die verslagen blijkt zijn uitgesproken voorkeur voor de Esse­nen. Niet alleen staat de lengte van het verslag over de Esse­nen in geen verhouding tot dat over de Farizeeën en Saddu­ceeën, aan welke twee stromingen hij nauwelijks een paar re­gels besteedt. Maar ook rechtstreeks uit hij zijn bewondering als hij schrijft over de ideologie van de Essenen: 'Dit is de leer van de Essenen over de menselijke ziel; zij laat een onuitwisbare indruk achter bij hen die met hun wijsheid heb­ben kennisgemaakt.'

Josephus' familie was zeer welgesteld; zij bezat een groot landgoed buiten Jeruzalem. Vader Mathea en ook Josephus waren priester en hadden zitting in het Sanhedrin. Omdat de Essenen eisten dat hun volgelingen afstand deden van pri­vaat bezit, en door de leidende sekte der Farizeeën als niet-­orthodox werden beschouwd, zal het besluit van Josephus om zich bij de Farizeeën aan te sluiten eerder uit opportu­nistische overwegingen zijn ingegeven dan uit innerlijke overtuiging. (Vergl. het verhaal over de rijke jongeling!) Afgaande op zijn uitlatingen was Josephus inner­lijk eerder een crypto-Essener.

Onmiddellijk na zijn zesentwintigste verjaardag wordt Jo­sephus door niet genoemde instanties naar Rome gestuurd om, zoals hij zegt, priesters uit zijn kennissenkring, die in Rome gevangen zitten als gevolg van een actie van landvoogd Felix, vrij te krijgen. Ik geloof niet dat ooit gedacht is aan de mogelijkheid dat het hier gaat om de bevrijding van Paulus, die met onder meer Aristarchus (Kol. 4.10) in dat zelfde jaar in Rome vrijkomt. Paulus was door landvoogd Felix gevan­gengenomen. Diens opvolger Festus liet hem wegens zijn be­roep op de keizer naar Rome verschepen. Men kan dit alles lezen in Handelingen 22 en volgende. Eind 60 vertrok het gezelschap. Als gevolg van schipbreuk en overwintering op het eiland Malta komt het pas in maart of april 61 in Rome aan. Paulus verblijft daar met anderen in een soort huisarrest gedurende twee jaar. 'Hij bleef de volle termijn van twee jaar in zijn eigen gehuurde woning' (Hand. 28-30). Aan het einde van die twee jaar zijn we dus in het jaar 63, als Josephus naar Rome komt 'om priesters uit zijn kennissenkring te bevrij­den'.

Twee zaken dienen hier besproken te worden: wat bedoelt Josephus met 'priesters' en wat is zijn 'kennissenkring'? Om met het laatste te beginnen: als Josephus het in de autobio­grafie, die hij schrijft in de jaren negentig, heeft over zijn ken­nissen, kan dat in het licht van zijn leven, en met name in het licht van zijn houding tijdens de joodse oorlog, die leid­de tot de verwoesting van Jeruzalem en de wegvoering van de intelligentsia (de Farizeeën) van Jeruzalem, zijn vaderstad, niets anders betekenen dan Essenen. Dit gegeven is in ver­band met wat later aan de orde komt zeer fundamenteel. 'Priesters uit mijn kennissenkring' kan dus vertaald worden met: 'Esseense priesters'.

De tweede vraag is: wie noemt Josephus 'priester'? Om dit te achterhalen moet men weten dat priesters bij de joden 'zo­nen van Aäron' zijn. Het woord aäron betekent 'mond'; de betekenis van 'zoon van' hebben we besproken in hoofdstuk 2. Het joodse woord voor priester, zoon van Aäron, moet be­grepen worden als 'woordvoerder', 'predikant'; in een bepaal­de context mag zeker niet uitgesloten worden geacht dat het de betekenis heeft van 'uitgezonden predikant'. Ik vertaal de tekst van Josephus daarom wetenschappelijk volkomen ver­antwoord als 'apostelen [uitgezondenen] van de sekte der Es­senen' .

Vooruitlopend op het tweede deel van dit boek, waarin be­sproken wordt dat de ideologie waarvan Jezus de personificatie is, de ideologie is van de groep die Josephus de Essenen noemt, kom ik tot de conclusie dat Josephus naar Rome ge­stuurd is door de leiding van de Essenen om Paulus en zijn metgezel(len) vrij te krijgen. Men herinnere zich hierbij de familie relatie van Josephus met Herodes. De kleinzoon van Herodes de Grote, Agrippa I, heeft in Rome goede sier ge­maakt met leden van de keizerlijke familie. Zijn zoon Agrip­pa II wordt door Nero bevoorrecht met macht over heel Pa­lestina. Kortom, de Herodes-familie had op zijn minst 'rela­ties' met de keizerlijke clan in Rome. Het is daarom niet vreemd dat de Essenen Josephus, die op zijn beurt relaties had met de Herodes-familie, uitsturen om de bevrijding van de Esseense priester Paulus te bewerkstelligen.

Er is aan de reis van Josephus naar Rome in het jaar 63 nog een tweede aspect. Net als Paulus in 60 maakt Josephus een schipbreuk mee. Het is een wonderlijke zaak dat de twee ons bekende reizen vanuit Palestina allebei eindigden in een schipbreuk. Paulus strand eind 60 op het eiland Malta; Jo­sephus moet op zijn reis naar Rome in 63 zwemmend zijn leven redden. Buitengewoon interessant is in beide gevallen het aantal medeschepelingen. Josephus vermeldt een getal van vijfhonderd, Lucas heeft het in Handelingen over ongeveer driehonderd. Ik kom hier in hoofdstuk 15 op terug.

De missie van Josephus naar Rome wordt met succes be­kroond. Hij weet door te dringen tot het hof van Nero en door bemiddeling van diens tweede vrouw, Poppaea, verkrijgt hij de vrijlating van de bewuste priesters. Hij wordt door Poppaea zelfs met geschenken overladen. Als men dit leest, en ook welk een indruk Josephus later maakt op Vespasianus, moet hij wel een indrukwekkende persoonlijkheid zijn ge­weest, niet alleen geestelijk, maar ook lichamelijk.

Als Josephus uit Rome terugkomt in Jeruzalem, is de or­ganisatie van de opstand tegen de Romeinen al in volle gang. In het jaar 66 wordt Josephus met twee andere priesters naar Galilea afgevaardigd om de leiding van het verzet op zich te nemen. Bij een actie van de Romeinen in Jotapata wordt hij gevangengenomen. Dit betekende voor hem een radicale om­mekeer in zijn leven. Hij weet het vertrouwen te winnen van Vespasianus, aan wie hij diens aanstaande keizerschap voor­spelt - een feit dat ook bij Suetonius vermeld staat. Hij wordt vrijgelaten en treedt van dan af in dienst van de Romeinse bevelhebbers die de opstand van de joden neerslaan en uitein­delijk Jeruzalem en de tempel verwoesten. Tijdens het beleg, dat geleid wordt door Titus, de zoon van de inmiddels keizer geworden Vespasianus, fungeert Josephus als tolk en onder­handelaar, iets wat hem door zijn land- en partijgenoten, de Farizeeën, niet in dank wordt afgenomen. Tot het einde van zijn leven zal hij zich tegen verdachtmakingen van die zijde moeten verzetten.

Na de verovering van Jeruzalem gaat Josephus met Titus mee naar Rome; als deel van de buit neemt hij een schat aan boeken uit de bibliotheek van de tempel en het Sanhedrin mee. In Rome wordt hij geïnstalleerd in het domus privatus van keizer Vespasianus en krijgt hij een staatstoelage voor het leven. In de nu volgende dertig jaar schrijft hij zijn be­roemde werken, die alle tot onze tijd bewaard gebleven zijn. Door de boeken die hij uit Palestina had meegenomen, en door de toegang die hij had tot de keizerlijke archieven en de voor die tijd gigantische bibliotheek van de Griekse gramma­ticus Epaphroditus, moet Josephus een van de best geïnfor­meerde schrijvers van zijn tijd zijn geweest.

7 De werken van Flavius Josephus en zijn bronnen

Het is nog niet zo heel lang geleden dat van een zich christe­lijk noemende familie in Engeland werd verwacht minstens twee boeken in huis te hebben: een bijbel én een Flavius Jo­sephus. Hoe het in ons land gesteld is weet ik niet. In vroege­re eeuwen zijn wel prachtige uitgaven van Flavius Josephus in het Nederlands verschenen en nog onlangs is hiervan een facsimile uitgegeven, dat echter (helaas) slechts bibliofiele waarde heeft. De wetenschap moet het doen met de bekende Engelse uitgave in de serie Loeb Classical Library.

Het belangrijkste en tegelijk eerste werk van Josephus is ongetwijfeld De joodse oorlog, te citeren als BJ (Bellum Judai­cum), dat hij voltooid moet hebben voor de dood van keizer Vespasianus in 79. Er bestaat een theorie volgens welke Jo­sephus als eerste werk een apologie voor zichzelf geschreven heeft, die hij later uitbreidde met wat informatie over zijn jeugd en zijn belevenissen tijdens en na de verovering van Jeruzalem. Dit werk, dat bekend staat als zijn autobiografie, te citeren als V (Vita), heeft hij bij de tweede uitgave van zijn De joodse oudheden daaraan toegevoegd. Zijn meest uitge­breide werk is rond het jaar 93 verschenen. Het heet De jood­se oudheden, te citeren als A (Antiquitates ]udaicae) en be­handelt de geschiedenis van het joodse volk vanaf Adam en Eva; voor wat het laatste deel hiervan betreft, overlapt het Dejoodse oorlog. Ten slotte heeft Josephus na kritiek op zijn Dejoodse oudheden een apologie voor het jodendom geschre­ven, Tegen Apion, te citeren als AP, dat qua opzet en stijl zijn beste werk is. Josephus heeft nog plannen gehad voor twee andere werken: een geschiedenis van het joodse volk na de verwoesting van Jeruzalem en een groots opgezet werk over de joodse theologie, maar heeft die nooit kunnen verwe­zenlijken.

Zowel BJ als A en V zijn historische werken die een perio­de van de joodse geschiedenis bestrijken, waarbinnen ook het christendom ontstond en zich ontwikkelde in Palestina en daarbuiten; het is daarom uitermate belangrijk wat daar­over te vinden is bij Josephus. Als we de evangeliën en Han­delingen als lineaire geschriften interpreteren, wat ze ogen­schijnlijk zijn en wat tot heden als bijna vanzelfsprekend is aangenomen, dan is het antwoord: niets. Weliswaar staan in A twee teksten waarin Jezus wordt genoemd, maar ik sluit mij aan bij het grote merendeel van de Josephus-kenners dat deze teksten als latere toevoegsels beschouwt. Dit geldt ook voor een aantal teksten uit latere vertalingen van BJ in de Slavische taal. In de oorspronkelijke Griekse tekst van BJ is geen spoor te vinden van enige gebeurtenis, in de evangeliën verhaald; niets bij voorbeeld over Johannes de Doper, niets over het scheuren van het tempelvoorhang bij de dood van Jezus, of over de kindermoord in Bethlechem. Dit laatste is te meer bevreemdend omdat Josephus de beschikking had over het werk van de hofchroniqueur van Herodes de Grote, Nicolaas van Damascus genaamd. Diens werk moet zich bij de buit aan boeken bevonden hebben, die Josephus uit Pa­lestina heeft meegenomen naar Rome, want Josephus schrijft bijna het hele werk van Nicolaas over.

Dit absolute zwijgen van Josephus over Jezus van Naza­reth zou men kunnen verklaren uit gebrek aan belangstelling. Maar Josephus was wel degelijk geïnteresseerd in de gods­dienstige stromingen in zijn land. Zelf was hij reeds op zeer jeugdige leeftijd priester en leraar, en in zijn werken besteedt hij vele pagina's aan de beschrijving van de sekten binnen zijn volk. Waarom zwijgt Josephus, die op professionele wij­ze schrijft over de joodse sekten in zijn tijd, over het christendom dat toen in Palestina het gesprek van de dag geweest moet zijn, als het onder de joden van Rome in die dagen al zo geruchtmakend is dat de keizer de twistende joden uit de stad zet? Op deze vraag heeft de wetenschap nog geen antwoord gevonden. Zolang men vasthoudt aan de lineaire interpreta­tie van de evangeliën zal ook nooit een antwoord gegeven kunnen worden.

Laten we veronderstellen dat de 'Jezus-teksten' in A au­thentiek zijn. Dan rijst de vraag, uit welke bron deze infor­matie komt. Josephus is in 37 geboren en nam vanaf zijn ne­gentiende levensjaar deel aan het politieke leven in zijn land. We zijn dan in het jaar 56, tweeëntwintig jaar na de 'kruisi­ging' van Jezus van Nazareth. Josephus was bepaald geen tijdgenoot van Jezus. En hij schrijft in de jaren 75 tot 95 in Rome, ver weg van de plaats der evangelische gebeurtenissen en ook totaal vervreemd van zijn volk (dat hij overigens, wat zijn godsdienstige overtuiging betreft, trouwbleef tot zijn dood). Gegeven dit alles wordt de vraag naar de bronnen wel zeer fundamenteel.

Wanneer we ons beperken tot het tijdvak dat door BJ wordt bestreken en we verdelen de tekst van zowel BJ als A over een tijdschaal, ontdekken we snel dat beide werken zeer onevenwichtig zijn. Vooral van BJ zou men verwachten dat de hoeveelheid tekst per jaar langzaam naar de climax van het uitbreken van de oorlog tegen de Romeinen zou toenemen. Maar niets is minder waar. Ongeveer zeventig percent van de tekst behandelt de eigenlijke oorlog tegen de Romeinen, dat is dus het tijdvak van 65 tot 73; vijfentwintig percent gaat over het tijdvak voor de dood van Herodes de Grote, derhalve tot het jaar 4 voor Christus; aan het tijdvak van 4 voor Christus tot 65 na Christus wordt maar vijf percent van de tekst besteed. En die vijf percent bestaat dan nog voor een deel uit beschrijvingen van zaken die tijdloos zijn, zoals een wijd­lopig verslag van de joodse sekten. Uit de periode van na de verbanning van Archelaus in 6 na Christus tot de benoeming van Agrippa I tot koning, in het jaar 41, worden alleen enkele volksoproeren vermeld tussen de jaren 26 tot 36, de jaren dat Pilatus procurator was. In A staat daar, heel ongelukkig, de beroemde tekst over Jezus tussengewrongen, zodat we, als we de authenticiteit van die tekst willen handhaven, toch moeten toegeven dat Josephus deze pas in een tweede redactie heeft toegevoegd.

Uit de merkwaardige compositie van Josephus' werk blijkt een groot gebrek aan bronnen voor het tijdvak van na Hero­des' dood tot het moment dat hij kan putten uit persoonlijke ervaringen als ooggetuige. Tot aan Herodes' dood had hij de beschikking over het werk van Nicolaus van Damascus, een hellenistisch historicus aan het hof van Herodes, die een bij­na tot op de dag bijgehouden verslag heeft gemaakt van de regering van Herodes. Na het jaar 41 is in Judea weer een lid van de Herodes-familie aan de macht, en mogelijkerwijs door zijn familierelatie heeft Josephus weer wat meer bijzonderhe­den. Het heeft eralle schijn van dat Josephus voor de periode van de Romeinse procuratoren niets anders ter beschikking had dan in Rome aanwezige rapporten of acta. Maar daar volgt ook uit dat Josephus alles wat hij over die periode kon vinden gebruikt moet hebben. Als in een of ander rapport iets gestaan zou hebben over Jezus, had hij dat zeker in BJ opge­nomen en zou de tekst in A op een veel evenwichtiger manier zijn samengesteld. Maar dan blijft er als bron voor de Jezus-­tekst in A niet veel anders over dan mondelinge informatie door christenen in Rome ofeen evangelie. Inbeide gevallen is de Jezus-tekst in A geen onafhankelijke bron over het leven van Jezus.

Men zou zich kunnen voorstellen dat Josephus ter wille van de christenen in Rome, die hem op het gemis in de eerste uitgave van A, gewezen kunnen hebben, in zijn tweede uit­gave de Jezus-tekst heeft toegevoegd. InBJ was deze toevoe­ging niet meer mogelijk, want dit boek was al in een voor die tijd zeer grote oplage verspreid onder een aantal voorname Romeinen, onder wie keizer Vespasianus en Titus, en ook Agrippa II in Palestina. Maar ook al zou dit alles mogelijk zijn, dan blijft nog het probleem van de inhoud van de Jezus-­tekst. In het volgende deel van dit boek zal ik de verschillen­de versies van de bewuste tekst in zijn geheel citeren. Hier volsta ik met op te merken dat Jezus erin wordt beschreven naar het beeld dat men zich vele jaren later, en op grote af­stand, van hem gevormd heeft, een beeld dat nooit afkomstig kan zijn van een eigentijds document. De schrijver van de tekst, wie dat ook geweest is, put uit gegevens die van veel later datum zijn dan de tijd waarin de beschreven gebeurte­nissen hebben plaatsgevonden. En wat is dan de waarde van de tekst voor de lineaire geschiedschrijving! Er zijn biblio­theken volgeschreven sinds de tijd dat Scaliger in de zestien­de eeuw voor het eerst de authenticiteit van wat men het tes­timonium Flavianum noemt aan de orde stelde. De argumen­ten pro en contra mogen in evenwicht zijn, maar werkelijk relevant ten aanzien van de in dit boek te verdedigen stelling is de kwestie van de authenticiteit niet. Wat telt, is de vraag hoe de schrijver van dit bericht aan zijn informatie komt. Het antwoord op deze vraag kan alleen zijn: een mondeling of geschreven evangelie.

De conclusie is: buiten de evangeliën is er geen enkele tekst te vinden die het biologisch bestaan van Jezus overtui­gend bevestigt. De hypothese dat Jezus een personificatie is, wordt door geen enkele buiten-evangelische tekst ontze­nuwd.

8 Jozef van Arimathea

Wie een zogenaamde synopsis van de vier evangeliën bestu­deert, komt spoedig tot de ontdekking dat er maar weinig ge­beurtenissen in Jezus' leven zijn, die door alle vier de evange­listen in ongeveer gelijke bewoordingen worden verteld. Het zijn met name het verhaal over de wonderbare broodverme­nigvuldiging, de intocht van Jezus in Jeruzalem, het verraad van Judas en de verloochening van Petrus, de gevangenne­ming van Jezus in de Hof van Olijven, Jezus voor de rechter­stoel van Pilatus en de confrontatie met Barabbas, en ten slotte de geseling, kruisiging en begrafenis van Jezus.

Behalve voor de laatste gebeurtenissen, de kruisiging en alles daaromheen, hebben we eigenlijk helemaal geen biolo­gische Jezus nodig om tot een geloofwaardige reconstructie te komen van wat er nu eigenlijk in lineaire zin gebeurd is. Maar het kruisigingsverhaal ontbiologiseren of, wat anderen doen, het als een verzinsel verwerpen lijkt niet verantwoord. Dat hier sprake is van een werkelijk gebeurde, biologische kruisiging acht men algemeen boven alle twijfel verheven. Het is de realistische beschrijving van Jezus' dood en begrafe­nis, die de meest radicale criticus van de evangelische bron­nen, Bultmann, uiteindelijk tot de uitspraak bracht: '...twijfe­len of Jezus werkelijk heeft bestaan is ongegrond en geen woord van weerlegging waard. Dat Hij als grondlegger achter de historische beweging staat is volkomen duidelijk,' En Dahl: 'Er is in het leven van Jezus één ding dat onomstotelijk vast­staat: dat is zijn dood...' En Wellhausen: '...zonder zijn dood zou Hij helemaal niet historisch geworden zijn...' En nog­maals Dahl: '...het historisch onderzoek moet beginnen bij de dood van Jezus, wil het niet enkel vragen naar de verkondi­ging, maar ook naar het leven van Jezus...'

Als uitgangspunt voor een nader onderzoek heb ik de tekst van Johannes 19:18 e.v. gekozen, omdat deze de indruk wekt een ooggetuigenverslag te zijn. De evangelist schrijft: 'En daar werd Hij gekruisigd samen met twee anderen, aan weers­zijden een, Jezus in het midden... Toen Jezus van de azijn ge­dronken had, zei Hij: Het is volbracht. Hij boog het hoofd en gaf de geest... Er kwamen soldaten en van de beiden die met Hem gekruisigd waren braken zij de benen, maar toen ze bij Jezus kwamen, ziende dat Hij reeds gestorven was, braken zij de benen niet maar een van de soldaten stak Hem met een lans in de zijde; en onmiddellijk stroomden water en bloed uit de wonde; die het gezien heeft, heeft ervan getuigd, en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet dat hij de waarheid spreekt opdat ook gij gelooft... Daarna vroeg Jozef van Ari­mathea, een discipel van Jezus, maar in het verborgene uit vrees voor de joden, aan Pilatus het lichaam van Jezus te mo­gen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij kwam dan en nam zijn lichaam af. En ook kwam Nicodemus... en bracht een mengsel mee van mirre en aloë, ongeveer honderd pond. Zij namen dan het lichaam van Jezus en wikkelden het in linnen weefsel met de specerijen, zoals bij de joden gebruike­lijk is te begraven. En er was ter plaatse een landgoed en daarop een nieuw graf waarin nog nooit iemand was bijgezet. Daarin legden zij Jezus neer omdat het dichtbij was.' Mt. 27-60 voegt hier nog aan toe dat het landgoed en het nieuwe graf het eigendom waren van Jozef van Arimathea.

Wie was Jozef van Arimathea? Hij woonde kennelijk in of bij Jeruzalem en 'van Arimathea' zou dus kunnen duiden op de plaats waar hij geboren is, zoals Jezus van Nazareth of Maria Magdalena. Bij deze twee voorbeelden zagen we reeds dat de geografische namen niet gebruikt worden om een reële plaats van herkomst aan te duiden maar omdat ze de mogelijkheid bieden tot woordspeling of betekenis-associatie. In het vervolg zullen we nog vele voorbeelden daarvan tegenko­men: Bethlechem, Bethsaida, het meer van Gennesareth, Ka­rioth, Bethanië. Waarom zou Arimathea ook niet gekozen zijn vanwege de mogelijkheid tot woordspeling? In de line­aire geschiedschrijving komt het niet voor dat iemand ge­noemd wordt naar de plaats van geboorte; alleen bij joden die vanuit de diaspora in Palestina zijn, wordt het land van herkomst achter hun naam gezet, zoals bij Silas de Babyloni­er of, in Mattheus' of Marcus' evangelie, Simon van Cyrene. Een naamsaanduiding als Jozef van Arimathea, Jezus van Na­zareth of Maria van Magdala komt in het hele oeuvre van Jo­sephus niet voor. De normale naamsaanduiding is de voor­naam, gevolgd door 'zoon van' (bar) en de naam van de bio­logische vader: Simon bar Gamaliël, of Jozef bar Mathea, zo­als Flavius Josephus oorspronkelijk heette.

Jozef van Arimathea zou een woordspeling kunnen zijn met Jozef bar Mathea. We weten nu dat dergelijke woordspe­lingen meer voorkomen in de evangeliën. Maar bovendien hadden de evangelisten er alle reden toe, de ware identiteit van degene die Jezus van het kruis afhaalde en begroef te ver­bergen. Waar de evangelisten waarschijnlijk niet op gere­kend hebben is, dat Jozef bar Mathea, Flavius Josephus dus, een autobiografie zou gaan schrijven, waarin die schokken­de gebeurtenis van de kruisafhaling en begrafenis vermeld zou staan. Het verhaal van Jozef bar Mathea is te vinden in Vita 420-422 (uitgave Loeb). We zijn in het jaar 70, om pre­cies te zijn in september. Jeruzalem is ingenomen door Titus, en Josephus heeft gedurende de maanden van het beleg ge­fungeerd als tolk en onderhandelaar tussen Titus en de jood­se leiders in de stad. Josephus schrijft: 'Samen met Caeralius en een ruiterij van duizend paarden werd ik door Titus ge­zonden naar Tekoa [een dorp dat iets ten zuiden van Bethle­chem ligt] om te onderzoeken of daar een geschikte plaats te vinden was voor een versterkt legerkamp. Op de terugweg zag ik vele gevangen joden die gekruisigd waren en ik her­kende drie van mijn kennissen onder hen. Ik was tot in het diepst van mijn hart getroffen en ging onmiddellijk naar Titus en vertelde hem met tranen in de ogen wat ik gezien had. Titus gaf mij bevel ze onmiddellijk van de kruisen af te halen en ze de best mogelijke medische verzorging te geven. Twee van hen stierven onder de handen van de medici; de derde overleefde het.'

Deze tekst wordt eigenlijk pas interessant om wat er op volgt. Om dat vervolg op zijn juiste waarde te schatten moet men weten dat de bewuste kruisiging gelokaliseerd moet wor­den langs de weg die Josephus voerde van Tekoa via Bethlechem naar Jeruzalem, en wel op een terrein dat beter bekend was als de vlakte van Rephaïm. Josephus vervolgt: 'Toen Titus de rust in Judea had hersteld, overwegend dat het landgoed dat ik bezat voor mij waardeloos geworden was omdat er een Romeins garnizoen in gelegerd was, gaf hij mij een nieuw landgoed in de vlakte.' Met andere woorden: Josephus bezat vlak bij de plaats van de kruisiging een landgoed dat hij pas kort tevoren verworven had.

Waarom vertelt Josephus die geschiedenis met zijn land­goed, die chronologisch minstens een jaar eerder had plaatsge­vonden, direct na het verhaal van de kruisiging? En waarom sluit de geschiedenis met dat landgoed tekstueel al even slecht aan op wat erna volgt? Men is geneigd, een psychologische re­latie te veronderstellen. Toen Josephus in de jaren negentig, twintig jaar na de gebeurtenissen, zich die kruisiging herin­nerde, werd hij weer geconfronteerd met de banden die hij had met 'zijn' volk. Hij gebruikte zijn vriendschap met de Romein­se bevelvoerders om de 'kennissen' uit dat volk te helpen. Men proeft hier iets van een verdediging van zijn ambivalente hou­ding in die dagen. Maar het feit dat Josephus na het verhaal van die kruisiging onmiddellijk overstapt op zijn nieuwe land­goed kan dan alleen verklaard worden als dat nieuwe land­goed iets te maken heeft gehad met de kruisiging.

Als men de lineaire structuur van de kruisigingsverhalen uit de evangeliën opstelt, krijgt men het volgende:

  1. Jezus wordt gekruisigd met twee anderen.
  2. Jozef van Arimathea nadert en ziet zijn (geheime) vrienden aan het kruis hangen.
  3. Hij gaat naar de Romeinse bevelhebber en doet zijn beklag.
  4. Intussen worden bij twee gekruisigden de benen gebro­ken; de derde lijkt gestorven en men geeft hem, ter meerdere zekerheid, een lanssteek.
  5. De Romeinse bevelhebber geeft aan Jozef van Arimathea opdracht het lichaam weg te halen.
  6. Jozef van Arimathea heeft een pasverworven landgoed in de buurt.
  7. Hij haalt het lichaam van het kruis en brengt het naar zijn landgoed.
  8. Deze Jozef van Arimathea is, voor zover hij in de evange­liën beschreven wordt, volkomen identiek aan Jozef bar Ma­thea, maar bekend als Flavius Josephus. Mattheus beschrijft hem als: een rijk man van Arimathea, genaamd Jozef, die een discipel van Jezus geworden was. (27:57) Marcus schrijft: '...Jo­zef van Arimathea, een aanzienlijk lid van de Raad, die ook zelf het koninkrijk Gods verwachtte...' (15:43) Lucas: 'En zie, een man genaamd Jozef, die raadsheer was, een goed en rechtvaar­dig man - deze had niet ingestemd met hun raad en bedrijf - ­van Arimathea, een stad der joden, die het koninkrijk Gods verwachtte, die ging naar Pilatus...' (23:51) Voor wat Johannes schrijft, zie boven. Kortom: Jozef was een rijk man, lid van de Raad, een geheim aanhanger van 'Jezus'; hij bezat een nieuw landgoed in de vlakte buiten Jeruzalem; vlak bij dat landgoed vond de kruisiging plaats waarbij hij betrokken raakte omdat het zijn vrienden waren, die aan het kruis hin­gen.
  9. Zowel Josephus als de evangelisten vermelden de aanwezigheid van een arts. Bij Johannes heet deze Nicodemus.
  10. In beide gevallen overleeft een van de drie de kruisi­ging.

Nu kan men dit alles toeval noemen. Tegen toevalsdenkers heb ik geen verweer. Met het argument 'toevallig' kan men elke evidentie torpederen. Voor de nuchtere denker is de kans dat Josephus en de vier evangelisten twee verschillende ge­beurtenissen rapporteren even groot als de kans dat er er­gens in het heelal een tweede aarde bestaat met als enig ver­schil dat op die andere aarde de toren van Pisa recht staat. Er zijn in de geschiedenis zeer frappante voorbeelden van toe­val, maar zij bestaan dank zij een veelheid van informatie van alle kanten. Dat een geval van kruisiging in het begin van onze jaartelling, een periode waarover wij naar onze be­grippen gebrekkig geïnformeerd zijn, verslagen wordt door vier evangelisten en een onverdacht historicus, maakt het kanstechnisch onmogelijk te geloven dat hier sprake is van twee verschillende gebeurtenissen. Het staat daarom met een aan wiskundige zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast dat het enige biologische element van het evangelische leven van Jezus van Nazareth, dat men als vast gegeven tot nu toe heeft gemeend te moeten handhaven, ontleend is aan een ge­beurtenis uit het jaar 70 na Christus. De belangrijke vraag, hoe het dan komt dat reeds lang voor het jaar 70 gesproken wordt over een gekruisigde Jezus, wordt behandeld in hoofd­stuk 18.


FLAVIUS JOSEPHUS: UIT MIJN LEVEN

1. Ik kom uit een eerbiedwaardig geslacht, dat in zijn geheel van priesters afstamt. Terwijl adeldom bij iedereen weer op iets anders is gebaseerd, is het bij ons dus de priesterlijke waardigheid, waaruit het aanzien van onze familie blijkt. Bovendien stam ik niet af van zomaar een priestergeslacht, maar van het belangrijkste van de vierentwintig [1] afdelingen. Omdat daarnaast bij ons een aanzienlijk verschil bestaat tussen families van de ene of andere afdeling, behoor ik ook nog tot de voornaamste familie van die eerste richting. Van mijn moeders kant ben ik van koninklijke bloede, want de nakomelingen van Asamoneus, waarvan die familie afstamt, bekleedden niet alleen heel lang het ambt van hogepriester, maar hadden tegelijkertijd een koninklijke waardigheid. Ik zal nu mijn voorvaderen in de juiste volgorde opnoemen. De vader van mijn grootvader heette Simon, bijgenaamd Psellus. Hij leefde in dezelfde tijd als Hyrcanus, de zoon van de hogepriester Simon, de eerste van alle hogepriesters. Deze Simon Psellus had negen zonen, waar Matthias, die Ephlias werd genoemd, er een van was. Hij huwde met de dochter van de hogepriester Jonathan, de oudste zoon van Asamoneus, die ook hogepriester was en broer van de hogepriester Simon. Deze Matthias kreeg in het eerste jaar van de regering van Hyrcanus een zoon die Matthias Curtus werd genoemd. De naam van zijn zoon, die werd geboren in het negende jaar van de regering van Alexandra, was Joseph. Ik ben de zoon van Matthias en ben geboren in het eerste jaar van de regering van Gaius Ceasar. Zelf heb ik drie zonen: Hyrcanus, de oudste, is geboren in het vierde jaar van de regering van Vespasianus, Justus in het zevende en Agrippa in het negende. Ik heb nu dus de stamboom van mijn familie opgeschreven, zoals ik die in de officiële documenten heb aangetroffen [2] en daarmee neem ik afstand van degenen die lasterlijk over mijn zogenaamde lage afkomst spreken.

2. Mijn vader Matthias stond dus niet alleen in aanzien vanwege zijn adellijke afkomst, maar oogstte nog meer eerbetoon op grond van zijn rechtvaardigheid. Hij genoot grote faam in Jeruzalem, de grootste stad die wij hebben. Zelf groeide ik samen op met mijn broer, die Matthias heette, — hij was mijn enige broer, van dezelfde vader en moeder. Ik maakte zeer grote vorderingen in mijn studie en bleek zowel een goed geheugen als verstand te hebben. Daarnaast werd ik toen ik nog jong was, — toen ik ongeveer veertien was — door iedereen geprezen voor mij toewijding aan mijn studie. Daarom kwamen de hogepriesters en meest invloedrijke mannen van de stad vaak bij mij samen, om mijn mening te horen over de juiste uitleg van bepaalde wetsartikelen. En toen ik ongeveer zestien was, nam ik mij voor om een inventarisatie te maken van de verschillende sekten, die in ons land aanwezig waren. Dat zijn er drie. Zoals ik al vaker heb verteld was de eerste, die van de Farizeeën, de tweede waren de Sadduceeën en de derde de Essenen. Ik dacht dat ik de beste keuze zou kunnen maken, als ik maar voldoende van hen afwist. Ik beperkte me eerst tot sober voedsel, ondervond vele problemen, maar doorstond dat allemaal. Ik was echter niet tevreden over deze beproevingen. Dus toen ik hoorde, dat er iemand in de woestijn ene Bannus leefde, die zich uitsluitend kleedde met wat er aan bomen groeide, geen ander voedsel tot zich nam dan wat vanzelf groeide, en zich vaak, om zijn kuisheid te bewaren, overdag en ’s nachts in koud water baadde, werd ik zijn leerling. Ik bleef drie jaar bij hem. [3] Nadat ik dus had gedaan wat ik mij had voorgenomen, keerde ik terug naar de stad. Ik was toen negentien jaar en ging mijn leven inrichten volgens de regels van de sekte van de Farizeeën, die verwant is aan de sekte van de Stoïcijnen, zoals die bij de Grieken heten.

3. Toen ik zesentwintig was, ondernam ik een reis naar Rome, vanwege redenen die ik nu zal beschrijven. In de periode dat Felix procurator van Judea was, waren er een aantal priesters uit mijn kennissenkring – zeer uitmuntende mensen – die hij om een onbeduidende en vage reden gevangen had laten nemen. Hij had hen naar Rome gestuurd om hun zaak zelf voor de keizer te bepleiten. Ik wilde heel graag hun vrijheid bewerkstelligen, vooral omdat mij verteld was dat zij zelfs onder hun beproevingen toch hun trouw aan God beleden, en zich in leven hielden met vijgen en noten. [4] En zo kwam ik in Rome aan, nadat ik op zee vele gevaren had doorstaan. Ons schip verging namelijk, met zeshonderd man aan boord, in de Adriatische zee. De hele nacht moesten wij voor ons leven zwemmen. Bij het aanbreken van de dag kregen wij door Gods voorzienigheid een schip uit Cyrene in zicht. Ik zwom daar met een aantal anderen, tachtig in getal, naartoe en wij werden aan boord van het dat schip genomen. En nadat ik zo gered was, ging ik aan land in Dicearchia, dat de Italianen Puteoli noemen. Daar maakte ik kennis met Aliturius, een toneelspeler, die zeer geliefd was bij Nero, hoewel van geboorte een Jood was. Door zijn bemoeienis maakte ik kennis met Poppea, de vrouw van de keizer, en bij de eerste de beste gelegenheid smeekte ik haar om er bij hem voor te pleiten dat de priesters vrijgelaten zouden worden. Nadat ik, naast die gunst, ook vele geschenken van Poppea had gekregen, keerde ik weer naar huis terug.

4. Toen zag ik dat daar de oproeren al waren begonnen en dat er veel mensen waren, die daar zeer opgetogen over waren omdat ze hoopten op een opstand tegen de Romeinen. Ik probeerde deze opstandelingen een halt toe te roepen en spoorde hen aan om van gedachten te veranderen. Ik hield hen voor ogen tegen wie zij dan zouden moeten vechten en vertelde hen dat zij toch niet tegen de Romeinen opgewassen waren, niet alleen niet in krijgskunde, maar ook niet in voorspoed. Dat ze niet overhaast hun land, hun familie en zichzelf aan het gevaar moesten blootstellen om in de meest gruwelijke ellende verzeild te raken. Dat vertelde ik hen allemaal met grote nadruk, omdat ik voorzag dat de afloop van een dergelijke oorlog voor ons zeer rampzalig zou zijn. Maar ik kon hen niet overtuigen, want tegen waanzin van wanhopige mensen heb ik niets in te brengen.

5. Ik werd toen bang dat ik mij, door deze dingen zovaak op hun hart te drukken, bij hen gehaat zou maken en de verdenking zou wekken, dat ik tot de partij van onze vijanden behoorde en dan het risico zou lopen dat ik door hen gegrepen en vermoord zou worden. Omdat zij zich al meester hadden gemaakt van het fort Antonia, trok ik mij dus terug op de binnenplaats van de tempel. Ik verliet de tempel, waar ik temidden van de hogepriesters en de leider van de Farizeeën verbleef, nadat Manahem en het hoofd van de terroristenbende ter dood waren gebracht. Toen wij vervolgens gewapende manschappen zagen werden wij door grote angst bevangen. We wisten niet wat wij moesten doen en waren niet in staat om de opstandelingen te kalmeren. Omdat wij echter in onmiddellijk gevaar verkeerden, deden wij alsof wij het met hen eens waren, en raadden wij hen alleen maar aan om zich voorlopig rustig te houden en de vijand te laten vertrekken. Wij bleven hopen dat het niet lang meer zou duren voordat Gessius [Florus] met een sterke krijgsmacht zou arriveren, en een eind zou maken aan deze beroeringen.

6. Maar toen hij eenmaal aangekomen was en het gevecht plaats vond, werd hij verslagen en een groot aantal van zijn metgezellen werden gedood. Die schande die Gessius [samen met Cestius] ten deel viel, werd rampzalig voor ons hele volk, want de mensen, die verzot op oorlog waren, raakten door dit succes zo opgewonden, dat ze dachten dat ze uiteindelijk de Romeinen dan ook wel zouden kunnen verslaan. Deze oorlog was namelijk ook de aanleiding tot een andere gebeurtenis: de bewoners van naburige steden van Syrië grepen de Joden die tussen hen in woonden, samen met hun vrouwen en kinderen en vermoorden hen, ondanks het feit dat zij geen enkele reden hadden om zich over hen te beklagen. Die mensen hadden geen enkele poging ondernomen tot een omwenteling of een opstand tegen de Romeinen. Evenmin hadden zij op enige manier laten blijken dat ze haatdragende of verraderlijke plannen tegen de Syriërs koesterden. Het meest misdadig van alles was echter wat door de inwoners van Scythopolis werd aangericht. Toen zij door Joden, vijanden van buiten de stad, werden aangevallen, dwongen ze hun eigen Joodse medeburgers, om wapens op te nemen tegen hun eigen volksgenoten, wat voor ons tegen de wet indruist. Nadat zij mede door hun hulp slag geleverd hadden met hun aanvallers en hen hadden verslagen, vergaten ze na de overwinning de beloften die zij hun medeburgers en bondgenoten hadden gedaan en slachtten hen allemaal af. Dat waren er tienduizenden. De Joden die in Damascus woonden ondergingen hetzelfde lot. Ik heb daarover echter al nauwkeuriger verslag gedaan in mijn boeken over de Joodse oorlog. Ik vermeld ze nu alleen maar, omdat ik mijn lezers wil laten zien, dat de oorlog van de Joden tegen de Romeinen niet vrijwillig was, maar dat zij daar voornamelijk toe gedwongen werden.

7. Dus toen Gessius was verslagen, zoals wij al hebben vermeld, kregen de meest vooraanstaande mensen uit Jeruzalem in de gaten, dat de terroristen en revolutionairen over grote hoeveelheden wapens beschikten. Ze waren bang dat zij, omdat zij geen wapens hadden, aan hun vijanden zouden worden overgeleverd, wat later ook gebeurde. Nadat ze ervan op de hoogte waren gesteld dat niet heel Galilea al in opstand tegen de Romeinen was gekomen, maar dat een deel van het land nog rustig was, zonden ze mij en twee andere priesters, Joazar en Judas, die een uitstekende reputatie genoten, naar die kwaadwillige mannen toe. Wij moesten hen over te halen hun wapens neer te leggen. Het was ook de bedoeling dat wij hen duidelijk maakten dat het beter was ze om die wapens, voor de dapperste mannen van het land, achter de hand te houden, en dat het verstandig was als hun beste mannen hun wapens steeds gereed zouden houden met het oog op wat er zou kunnen gebeuren, maar dat ze wel eerst moesten afwachten wat de Romeinen zouden doen.

8. Nadat ik orders had gekregen om naar Galilea te gaan, trof ik daar de inwoners van Sepphoris aan in grote angst over hun stad. De Galileeërs hadden besloten om die te plunderen, vanwege hun vriendschap met de Romeinen en omdat zij trouw hadden gezworen aan Cestius Gallius, de gouverneur van Syrië en een verbond met hem hadden gesloten. Ik lukte mij echter om de angst voor de Galileeërs bij hen allemaal weg te nemen en overreedde de inwoners om hen vriendelijk te behandelen. Verder stond ik hen toe om zovaak zij wilden hun mensen, die in de Phoenicische stad Dora door Gessius krijgsgevangen werden gehouden, berichten te sturen. Ik kreeg echter in de gaten dat de inwoners van Tiberias klaar stonden om hun wapens op te nemen. Dat kwam door het volgende:

9. In die stad waren drie partijen. De eerste bestond uit verdienstelijke en weldenkende mensen. Julius Capellus was hun leider. Hij en al zijn metgezellen, Herodes de zoon van Miarus, Herodus de zoon van Gamalus en Compsus, de zoon van Compsus (Crispus, de broer van Compsus, die onder de grote koning Agrippa gouverneur van de stad was geweest, bevond zich op zijn landgoed aan de overzijde van de Jordaan), gaven dus allemaal te kennen, dat de stad trouw moest blijven aan de Romeinen en de koning. Pistus echter, die onder invloed stond van zijn zoon Justus, nam geen genoegen met dat besluit. Hij was zelf overigens een goede en deugdzame man. De tweede partij was daarentegen samengesteld uit uiterst verachtelijke lieden, die had besloten om het gevecht aan te gaan. Justus, de zoon van Pistus, die leider van de derde partij was, deed echter alsof hij twijfels had of hij al dan niet ten strijde moest trekken, maar in werkelijkheid hunkerde hij naar een revolutie, omdat hij dacht dat hij de macht zou kunnen grijpen, als de toestand zou veranderen. Daarom mengde hij zich onder de menigte en probeerde hen ervan te overtuigen dat de stad Tiberius altijd bij Galilea had behoord en dat die in de periode van de tetrarch Herodes, die haar had gebouwd, de hoofdstad was geworden en dat hij had verordend dat de stad Sepphoris zich moest schikken naar Tiberias; dat die ondergeschiktheid zelfs onder Agrippa de Oudere in stand was gebleven, totdat Felix procurator van Judea was geworden. Maar, vertelde hij hen, nu waren ze helaas door Nero ten geschenke gegeven aan Agrippa de Jongere en omdat Sepphoris zich aan de Romeinen had overgegeven, was dat de hoofdstad van Galilea geworden en dat zij de koninklijke bibliotheek en de archieven dus waren kwijtgeraakt. Nadat hij dat allemaal en nog veel meer ten nadele van Agrippa had verteld, om het volk tot opstand aan te zetten, voegde hij daaraan toe, dat het nu tijd was om de wapens op te nemen. Ze zouden zich als bondgenoten bij Galileeërs aan moeten sluiten en een grote troepenmacht bijeen moeten roepen om hen te straffen. De Galileeërs zouden hen waarschijnlijk het bevel laten voeren en waren nu zonder twijfel bereid om hen te helpen, uit haat tegen de Sepphorieten, die trouw waren gebleven aan de Romeinen. Met die woorden riep hij de menigte op ten strijde. Hij was namelijk heel goed in het afsteken van tirades voor het volk en wat zijn toespraken betrof konden zijn tegenstanders niet tegen hem op, hoewel wat zij hen aanraadden meer in hun voordeel was. Dat deed hij uiterst geslepen en bedrieglijk. Hij was goed op de hoogte van de Griekse cultuur, en aan de hand van die kennis begon hij met het schrijven van een geschiedenis van deze gebeurtenissen, met de bedoeling om door diezelfde geslepenheid en leugenachtigheid de waarheid te verbloemen. In de loop van mijn verhaal zal ik de lezer verder verslag doen over deze man, hoe slecht zijn karakter en gedrag waren en hoe hij en zijn broer in belangrijke mate aan onze vernietiging hebben bijgedragen. Dus toen Justus de burgers van Tiberias had overtuigd en overgehaald had om de wapens op te nemen, zelfs een groot aantal tegen hun wil, trok hij de stad uit en stak de dorpen in het grensgebied van Tiberias en de streek van Scythopolis, die onder de invloedsfeer van Gadara en Hippos vielen, in brand.

10. Dat was de situatie waarin Tiberias verkeerde. In Gisala stonden de zaken er echter als volgt voor: toen Johannes, de zoon van Levi, zag dat een aantal burgers heel opgetogen was over hun opstand tegen de Romeinen, deed hij zijn best om hen te kalmeren en smeekte hij hen om hen trouw te blijven. Hoewel hij zijn uiterste best deed, lukte het hem niet om zijn doel te bereiken. De mensen uit de omgeving van Gadara, Gabara en Sogana brachten samen met de bewoners van Tyrus een grote troepenmacht op de been, vielen Gisala aan, namen het met geweld in en staken het in brand. Vervolgens maakten ze de stad met de grond gelijk en keerden weer naar huis terug. Johannes was daar zo woedend over dat hij al zijn mannen bewapende en de eerdergenoemde mannen aanviel. Daarna herbouwde hij Gisala, beter dan het was en versterkte de stad met muren, als een zekerheid voor de toekomst.

11. Gamala echter volhardde in haar trouw aan de Romeinen om de volgende reden: Philippus, de zoon van Jacimus, die onder koning Agrippa hun commandant was geweest, had het er, tegen alle verwachtingen in, levend afgebracht toen het koninklijke paleis in Jeruzalem werd belegerd. Na zijn vlucht was hij in een andere gevaarlijke situatie terechtgekomen. Hij liep het gevaar dat hij door Menahem en zijn terroristen vermoord zou worden. Enkele Babyloniërs, die aan hem verwant waren en op dat moment in Jeruzalem verbleven, verhinderden de terroristen echter om hun plan ten uitvoer te brengen. Philippus bleef nog vier dagen in Gamala en op de vijfde dag vluchtte hij. Hij vermomde met een pruik, zodat hij niet herkend werd. Nadat hij in een van de dorpen, die onder zijn bewind vielen, was aangekomen, - een dorp dat in de buurt van de burcht van Gamala lag, - stuurde hij een bericht aan een aantal onderdanen, met de opdracht dat zij zich bij hem moeten vervoegen. Gelukkig voor hem verhinderde God zijn plan. Als dat niet was gebeurd was hij ongetwijfeld omgekomen. Hij kreeg namelijk meteen een koortsaanval en schreef toen een brief aan Agrippa en Berenice, die hij aan een van zijn vrijgemaakte slaven gaf om hem naar Varus te brengen, die op dat moment procurator over het koninkrijk was. De koning en zijn zuster hadden dat aan Varus toevertrouwd, omdat zij zelf naar Berytus waren vertrokken om Gessius te ontmoeten. Toen Varus die brief van Philippus had ontvangen en had begrepen dat hij het er levend van af had gebracht, was hij zeer onaangenaam verrast, omdat hij dacht dat de koning en zijn zuster, nu Philippus was aangekomen, van zijn diensten geen gebruik meer zouden maken. Daarom beschuldigde hij de brenger van de brief ten overstaan van het volk ervan dat hij die had vervalst en dat hij gelogen had toen hij vertelde dat Philippus in Jeruzalem was en samen met de Joden tegen de Romeinen vocht. Hij liet hem ter dood brengen. Toen die vrijgelatene van Philippus niet terugkwam, vroeg hij zich af wat de reden van zijn oponthoud zou kunnen zijn en stuurde daarom een tweede boodschapper met een brief, met de opdracht om hem bij zijn terugkeer op de hoogte te stellen van wat er met de andere koerier, die hij eerder had gestuurd was gebeurd en waarom hij zolang op zich liet wachten. Varus beschuldigde deze boodschapper, na zijn aankomst, er ook van dat hij loog en liet hem eveneens afmaken. Hij was verwaand geworden door de Syriërs die in Cesarea verbleven en koesterde grote verwachtingen. Die Syriërs hadden namelijk gezegd dat Agrippa door de Romeinen gedood zou worden als represaille voor de misdaden die de Joden had begaan, en dat hij dan, als afstammeling van hun koningen, zelf het bestuur zou overnemen. Iedereen beaamde Varus’ koninklijke afkomst om dat hij een afstammeling van Sohemus was, die viervorst was geweest in de streek rond Libanus. Dat was de reden dat hij zo verwaand was en de brieven voor zichzelf hield. Hij zag ook kans om ze de koning niet onder ogen te laten krijgen, door alle toegangen de laten bewaken, zodat niemand kon ontsnappen om de koning op de hoogte te brengen van wat er was gebeurd. Bovendien liet hij, om de Syriërs uit Cesarea een genoegen te doen, een groot aantal Joden ter dood brengen. Hij was ook van plan om zich aan te sluiten bij Trachonieten in Batea, samen met hen de wapens op te nemen en een aanval te ondernemen op de Babylonische Joden – want daar gingen ze voor door - die zich in Ecbatana bevonden. Daarom liet hij de twaalf dapperste Joden uit Cesarea bij zich komen en beval hen naar Ecbatana te gaan en hun landgenoten die daar woonden het volgende te vertellen: "Varus heeft gehoord dat jullie van plan zijn om tegen de koning op te rukken, maar omdat hij dat verhaal niet gelooft, heeft hij ons gestuurd om jullie te overreden om de wapens neer te leggen. Als jullie daartoe bereid zijn zal dat voor hem een teken zijn dat hij er goed aan heeft gedaan om geen geloof te hechten aan de mensen die dat praatje over jullie hebben rondgestrooid." Hij droeg hen ook op om zeventig van hun belangrijkste mensen te sturen om zich te verdedigen tegen aanklacht die over hen was ingediend. Nadat de twaalf boodschappers aangekomen waren bij hun landgenoten in Ecbatana, merkten ze dat die helemaal niet van plan waren om in opstand te komen. Zij haalden hen over om die zeventig mannen te sturen. Zonder enig vermoeden wat hen te wachten stond stuurden zij hen. In gezelschap van twaalf afgezanten daalden die zeventig mannen af naar Cesarea. Daar trok Varus hen tegemoet met de strijdkrachten van de koning en slachtte hen allemaal af, samen met de twaalf afgezanten, waarna hij een krijgstocht tegen de Joden van Ecbatana ondernam. Een van de zeventig was echter ontkomen en haastte zich om de Joden van hun komst te verwittigen. Zij namen hun wapens op en trokken zich met hun vrouwen en kinderen terug in de burcht van Gamala. Hun dorpen lieten zij achter, vol met allerlei goederen en tienduizenden stuks vee. Toen Philippus dat had gehoord trok hij ook naar de burcht van Gamala. Bij zijn aankomst juichte de menigte hem toe en wilde dat hij het bevel weer op zich zou nemen en ten strijde zou trekken tegen Varus en de Syriërs uit Cesarea, omdat er bericht was gekomen dat zij de koning hadden vermoord. Philippus suste echter hun geestdrift en herinnerde hen aan de weldaden die de koning hen had verleend. Hij maakte hen duidelijk hoe machtig de Romeinen waren en dat het niet in hun voordeel zou zijn om oorlog tegen de Romeinen te voeren. Uiteindelijk kon hij hen daarvan overtuigen. Toen de koning echter over de plannen van Varus hoorde, die de tienduizenden Joden uit Cesarea, samen met hun vrouwen en kinderen binnen een dag wilde omsingelen, riep hij Equiculus Modius bij zich, en stuurde hem als vervanger van Varus daarnaar toe. Dat heb ik elders al verteld. Philippus bleef echter de burcht van Gamala en het omringende land bezet houden, dat daardoor trouw bleef aan de Romeinen.

12. Meteen nadat ik in Galilea was aangekomen en, door alles wat mij over hen werd verteld, had begrepen hoe de stand van zaken was, schreef ik over hen een brief naar het Sanhedrin in Jeruzalem, met de vraag wat ik moest doen. Zij raadden mij aan om daar te blijven en dat ik, als mijn medeafgezanten daartoe bereid waren, samen met hen de verantwoordelijkheid voor Galilea op mij moest nemen. Mijn medeafgezanten, die grote rijkdom hadden vergaard uit de tienden, die hen als priesters toekwamen en die zij in ontvant hadden genomen, besloten echter om naar hun eigen land terug te keren. Toch gaven ze gehoor aan mijn verzoek toen ik hen vroeg om zolang te blijven, totdat we orde op zaken hadden gesteld. Daarna vertrok in samen met hen uit Sepphoris en kwam aan in een dorp dat Bethmaus heette, vlakbij Tiberias. Vandaar stuurde ik boodschappers naar de senaat van Tiberias met het verzoek aan de belangrijkste mannen van de stad om naar mij toe te komen. Nadat ze aangekomen waren – Justus zelf was ook bij hen – vertelde ik hen dat ik, samen met deze andere priesters, door de bevolking van Jeruzalem als afgezant naar hen toe was gestuurd, om hen ervan te overtuigen dat ze het paleis moesten slopen dat de viervorst Herodes daar had gebouwd, omdat dat afbeeldingen van levende wezens bevatte, terwijl onze wetten ons verbieden om dergelijke afbeeldingen te maken. Ik wilde dat zij toestemming gaven om daar meteen mee te beginnen. Capellus en de andere belangrijke burgers uit de stad wilden ons echter een hele tijd geen toestemming geven, maar werden door ons helemaal overtuigd en waren het uiteindelijk met ons eens. Jezus, de zoon van Sapphias, een van de mensen die ik al eerder heb genoemd als leider van een oproerige bende van zeelieden en armoedzaaiers, was ons echter voor. Met een aantal Galileeërs stak hij het hele paleis in brand. Zij dachten dat hen dat een grote som geld op zou leveren, omdat ze hadden gezien dat een aantal daken met goud was bedekt. Zonder dat wij daar toestemming voor hadden gegeven, roofden zij ook een groot gedeelte van het meubilair, want nadat wij met Capellus en de notabelen van de stad van gedachten hadden gewisseld, waren we over Bethmaus naar Opper-Galilea vertrokken. Jezus en zijn bende moordden alle Griekse inwoners van Tiberias uit en alle anderen die, voordat de oorlog begon, hun vijanden waren geweest.

13. Toen ik hoorde hoe het gegaan was, werd ik vreselijk boos en vertrok naar Tiberias. Daar nam ik de zorg op me voor de koninklijke schatten en probeerde te redden wat er te redden viel, uit de handen van de plunderaars. Het ging om kandelaars van Corinthisch koper, koninklijke tafels en een grote hoeveelheid ongemunt zilver. Ik nam mij voor om alles wat ik in handen kon krijgen voor de koning te bewaren. Daarom liet ik tien van de belangrijkste raadsleden en Capellus, de zoon van Antyllus, bij mij komen en vertrouwde hen de spullen toe, met de opdracht dat ze die aan niemand anders dan aan mij mochten afgeven. Vandaar vertrok ik samen met mijn medeafgevaardigden naar Gisala, naar Johannes, om te weten te komen wat hij van plan was. Binnen de kortste keren begreep ik dat hij uit was op een revolutie en de macht wilde overnemen. Hij wilde dat ik hem de bevoegdheid gaf om het graan weg te halen, dat aan de keizer toebehoorde en opgeslagen lag in de dorpen in Opper-Galilea. Hij beweerde dat hij de opbrengst daarvan wilde besteden aan de bouw van muren rond zijn eigen stad. Toen ik echter doorkreeg wat hij van plan was en wat hij eigenlijk wilde, zei ik hem dat ik hem daar geen toestemming voor gaf, omdat ik, nu ik door de bevolking van Jeruzalem belast was met de zorg voor het algemeen belang, dat óf voor de Romeinen óf voor mijzelf wilde bewaren. Toen het hem dus niet lukte om mij te overreden, wendde hij zich tot mijn metgezellen, die geen oog voor de toekomst hadden en maar al te graag smeergeld aannamen. Hij kocht hen met geld om, zodat zij de opdracht gaven dat alle graan dat in het district aanwezig was, aan hem overhandigd moest worden. Omdat ik in mijn eentje was en door twee man werd overstemd, hield ik mijn mond. Toen haalde Johannes nog een van zijn schurkenstreken uit. Hij vertelde dat de joden die in Cesarea Philippi woonden en daar op last van de vertegenwoordiger van de koning waren ingesloten, hem hadden verzocht om hen voldoende olie te leveren, omdat zij niet meer over olie beschikten die zuiver genoeg was voor hun gebruik. Anders waren ze gedwongen om olie te gebruiken die de Grieken leverden en daarmee zouden ze hun eigen wetten overtreden. Johannes vertelde dat, niet uit religieuze overwegingen, maar uit een schandalig winstbejag. Hij wist namelijk dat in Cesarea twee sexten (1 sext is ± 0,5 liter) olie werden verkocht voor een drachme, maar in Gisala tachtig sexten voor vier drachmen. Hij gaf dus opdracht om alle aanwezige olie naar Cesarea te brengen, waarbij hij deed alsof hij daarvoor toestemming van mij had gekregen. Die had ik hem echter niet vrijwillig gegeven, maar uit angst voor de massa, die mij zou hebben gestenigd, als ik hem dat had verboden. Toen ik Johannes op die manier daartoestemming voor had gegeven, verdiende hij grof geld met die schurkenstreek.

14. Nadat ik mijn medeafgezanten had laten gaan en had teruggestuurd naar Jeruzalem, wijdde ik me aan de bewapening en versterking van de steden. Ik liet de meest onverschrokken terroristen bij mij komen, maar merkte dat ik niet in staat was om hen te bewegen om hun wapens neer te leggen. Daarom haalde ik het volk over om hen geld te geven. Ik maakte hen duidelijk dat het beter voor hen was om vrijwillig een beetje te geven, dan dat ze moesten toezien hoe zij van hun bezittingen werden beroofd. Ik liet het tuig onder ede verklaren dat zij zich niet in het district zouden ophouden, tenzij hen gevraagd werd om te komen, of als hun soldij niet zou worden betaald. Daarna stuurde ik hen weg, en bedong dat zij geen gevecht met de Romeinen of met hun omringende buren zouden aangaan. Mijn belangrijkste zorg was immers om in Galilea de vrede te bewaren. Daarom nam ik mij voor om de belangrijkste Galileeërs, in totaal zeventig man, maar wel onder het mom van vriendschap, te gijzelen om hun loyaliteit te waarborgen. Tijdens mijn rondreis sloot ik vriendschap met hen, maakte hen tot mijn metgezellen en liet hen oordelen in rechtszaken. Ik sprak mijn vonnissen alleen maar uit als zij het daarmee eens waren, terwijl ik mijn best deed om aan de eisen van het recht te voldoen, en bij die beslissingen mijn handen niet vuil te maken aan enige omkoperij.

15. Ik was nu ongeveer dertig jaar oud, een leeftijd waarop het voor niemand gemakkelijk is om te ontsnappen aan de lasterpraatjes van jaloerse mensen, zelfs als hij zich onthoudt van het toegeven aan ongepaste verlangens, vooral als hij een hoge positie bekleedt. Ik had geen enkele vrouw benadeeld, en de geschenken die mij werden aangeboden had ik geweigerd, omdat ik daar geen behoefte aan had. Ik had ook niet de tienden, waar ik uit hoofde van mijn priesterschap recht op had, in ontvangst genomen van de mensen die mij die aanboden. Ik moet echter toegeven dat ik, nadat wij de Syriërs hadden overwonnen, deelde in de buit die werd behaald op de mensen, die in de omliggende steden woonden en dat ik dat naar mijn verwanten in Jeruzalem had gestuurd. Hoewel ik Sepphoris twee keer met geweld had ingenomen, Tiberias vier keer en Gadara een keer, en Johannes, die herhaaldelijk verraderlijke hinderlagen voor mij had gelegd, onderworpen en gevangen genomen had, had ik hem en die andere mensen niet gestraft, zoals zal blijken uit het vervolg van dit verslag. Ik denk dus dat God, [10] die altijd weet wanneer mensen doen wat ze behoren te doen, mij nog steeds uit handen van mijn vijanden heeft gehouden en mij ook later heeft beschermd, telkens als ik in groot gevaar verkeerde. Daar zal ik het later nog over hebben.

16. Het merendeel van de Galileeërs was zo vriendelijk voor mij en zo trouw, dat toen hun steden met geweld waren ingenomen en hun vrouwen en kinderen tot slavernij waren gebracht, zij niet zozeer jammerden over hun eigen ellende, maar eerder bezorgd waren over mijn veiligheid. Toen Johannes dat zag, werd hij jaloers. Hij schreef mij een brief waarin hij mij verzocht om naar Tiberias te mogen gaan, om daar, voor genezing van zijn ziekte, gebruik te maken van de warme baden. Omdat ik hem niet verdacht van enige kwade opzet, legde ik hem niets in de weg. Ik schreef een brief naar de mensen die ik het bestuur van Tiberias had toevertrouwd, met het verzoek om Johannes en zijn metgezellen onderdak te verschaffen en hem te voorzien van alles wat hij nodig zou hebben. Zelf verbleef ik op dat moment in Cana, een dorp in Galilea.

17. Nadat Johannes in Tiberias was aangekomen, probeerde hij echter de inwoners over te halen om hun trouw aan mij op te zeggen en zich bij hem aan te sluiten. Velen namen zijn uitnodiging met graagte aan, omdat zij altijd verzot waren op relletjes, van nature openstonden voor veranderingen en genoten van opstanden. Het waren echter vooral Justus en zijn vader Pistus, die zich daadwerkelijk van mij wilden afkeren en zich bij Johannes wilden aansluiten. Ik overrompelde hen echter en verijdelde hun opzet. Er was een boodschapper gearriveerd van Silas, die ik had aangesteld tot commandant van Tiberias, zoals ik al eerder heb verteld. Hij bracht mij op de hoogte van de plannen van de bewoners van Tiberias, en raadde mij aan om mij daar met spoed naartoe te begeven, omdat de stad in andere handen zou vallen, als ik zou talmen. Nadat ik die brief van Silas had gekregen, nam ik tweehonderd manschappen met mij mee en marcheerde de hele nacht door. Ik had al een boodschapper naar de inwoners van Tiberias gestuurd om hen te laten weten dat ik er aan kwam. Toen ik vroeg in de ochtend de stad naderde, kwam een grote menigte me tegemoet. Johannes was daarbij en begroette me in grote verwarring, alsof hij bang was dat ik hem ter verantwoording zou roepen voor wat ik dacht dat hij in zijn schild voerde. In grote haast spoedde hij zich dus naar zijn onderkomen. Nadat ik op het stadsplein was aangekomen stuurde ik eerst alle lijfwachten weg die ik bij mij had, behalve een en tien gewapende manschappen die hem vergezelden. Ik ging op een verhoging staan en probeerde de samengestroomde inwoners van Tiberias toe te spreken. Ik verzocht hen dringend geen haast te maken met hun rebellie, omdat een dergelijke ommezwaai in hun houding hen zwaar zou worden aangerekend, en dat zij dan door hun toekomstige bestuurders er meteen van verdacht zouden worden dat zij ook niet loyaal aan hen zouden zijn.

18. Nog voor ik kon zeggen wat ik mij had voorgenomen, hoorde ik hoe een van mijn bedienden mij riep om naar beneden te komen. Hij vond dat dit niet het juiste moment was om moeite te doen om mij van de goedwillendheid van de inwoners van Tiberias te verzekeren, maar dat ik moest zorgen voor mijn eigen veiligheid en proberen om aan mijn vijanden daar te ontkomen. Johannes had namelijk, toen hij gemerkt had dat ik, afgezien van een paar metgezellen, alleen was, uit de duizenden manschappen die hij tot zijn beschikking had, de meest betrouwbare gewapende manschappen uitgekozen. Hij zou een teken geven waarop zij op mij af moesten stormen en mij moesten doden. De mensen die op mij af werden gestuurd, zoals hen bevolen was, zouden hun plan ten uitvoer hebben gebracht, als ik niet van de verhoging, waarop ik stond, was afgesprongen. Met een van mijn lijfwachten, die Jacobus heette, werd ik door ene Herodes uit Tiberias door de menigte heen geleid en verder naar het meer begeleid, waar ik een bootje bemachtigde, aan boord ging en zo tegen verwachting aan mijn vijanden ontkwam en Tarichea bereikte.

19. Zodra de inwoners van die stad hadden begrepen hoe verraderlijk het volk van Tiberias was, ontstaken ze in grote woede. Ze grepen naar hun wapens, en wilden dat ik hen zou aanvoeren als zij naar hen optrokken. Ze zeiden dat zij, wat hun leider was aangedaan, op hen wilden wreken. Zij verspreidden ook onder alle Galileeërs het verhaal over wat mij was aangedaan en probeerden hen met alle macht op te zetten tegen de inwoners van Tiberias. Zij verzochten hen zich in groten getale te verzamelen en naar hen toe te komen, zodat zij gezamenlijk, met hun aanvoerder, wat er besloten was ten uitvoer konden brengen. Overal vandaan kwamen de Galileeërs daarop met hun wapens in groten getale naar mij toe, en verzochten mij dringend om Tiberias aan te vallen, te veroveren en met de grond gelijk te maken. De inwoners moesten dan, samen met vrouwen en kinderen, in slavernij weggevoerd worden. Mijn vrienden, die uit Tiberias waren ontsnapt, deelden die mening en gaven mij hetzelfde advies. Ik was het echter niet met hen eens, omdat ik het vreselijk vond om een burgeroorlog te beginnen. Ik was van mening dat deze ruzie bij woorden moest blijven. Daarom vertelde ik hen dat het niet in hun eigen belang was wat zij van mij wilden, omdat de Romeinen alleen maar verwachtten dat wij elkaar door onze onderlinge twisten zelf te gronde zouden richten. Met deze woorden wist ik een einde te maken aan de woede van de Galileeërs.

20. Omdat hem gebleken was dat zijn verraad geen resultaat had gehad, vreesde Johannes voor zijn leven. Daarom verzamelde hij zijn gewapende manschappen en vertrok van Tiberias naar Gisala. Daar schreef hij mij een brief om zich te verontschuldigen voor wat er allemaal was aangericht. Hij deed alsof het zonder zijn instemming was gebeurd en verzocht mij geen verdenking tegen hem te koesteren, omdat dat zijn goede naam zou kunnen schaden. Hij voegde daar ook vervloekingen en verwensingen aan zijn eigen adres aan toe, omdat hij dacht ik daardoor geloof zou hechten aan de onderwerpen waarover hij mij had geschreven.

21. Nu kwam echter weer een groot aantal Galileeërs met hun wapens bijeen, omdat zij wisten wat voor slechte en erbarmelijk meinedige man hij was. Zij wilden dat ik hen zou aanvoeren in het gevecht tegen hem. Zij beloofden mij dat zij uiteindelijk zowel hem als Gisala zouden vernietigen. Daarop verklaarde ik dat ik hen dankbaar was voor hun bereidwilligheid om mij te helpen, en dat ik hun welwillendheid jegens mij meer dan wilde vergelden. Ik verzocht hen echter nadrukkelijk om zichzelf in te houden en smeekte hen mij toestemming te geven om te doen wat ik van plan was, namelijk zonder bloedvergieten een einde maken aan deze problemen. Toen ik de menigte Galileeërs daartoe had overgehaald, vertrok ik naar Sepphoris.

22. De inwoners van die stad, die besloten hadden om trouw te blijven aan de Romeinen, waren bang voor mijn komst, en probeerden hun angst te bezweren door mijn aandacht van hen af te leiden en op iets anders te richten. Daarom stuurden ze een boodschap naar Jezus, de terroristenleider die zich met zijn handlangers in het grensgebied van Ptolemaeus ophield, en beloofden hem een grote som gelds, als hij met zijn krijgmacht, die uit ongeveer achthonderd man bestond, naar hen toe wilde komen om tegen ons te vechten. Hij ging akkoord met wat zij wilden en met de beloften die zij hem hadden gedaan. Hij wilde ons bij voorkeur aanvallen als wij niet op hem voorbereid waren en van tevoren niets van zijn komst afwisten. Hij stuurde me dus een boodschap en wilde dat ik hem toestemming gaf om naar mij toe te komen en mij te begroeten. Toen ik hem die toestemming had verleend, zonder dat ik maar enig idee had van zijn snode plannen, verzamelde hij zijn bende en haastte zich naar mij toe. Uiteindelijk slaagde zijn list toch niet. Hij was al dicht in de buurt, toen een van zijn bendegenoten deserteerde en naar mij toe kwam om te vertellen wat hij van plan was te gaan doen. Nadat ik dat had gehoord ging ik naar de marktplaats en deed alsof ik niets wist van zijn verraderlijke bedoeling. Ik nam een groot aantal gewapende Galileeërs mee en een paar mannen uit Tiberias. En nadat ik opdracht had gegeven om alle wegen zorgvuldig te bewaken, beval ik de poortwachters om als Jezus arriveerde alleen hemzelf, samen met zijn belangrijkste mannen, binnen te laten en de anderen de toegang te weigeren. En als zij toch met geweld naar binnen wilden dringen, moesten ze hen ook met geweld verdrijven. De mannen die deze opdracht hadden gekregen deden wat ze moesten doen en toen Jezus met een paar anderen de stad binnen was gekomen, beval ik hem om zijn wapens neer te leggen. Ik vertelde hem, dat als hij dat weigerde, het zijn dood zou betekenen. Toen hij overal om hen heen gewapende manschappen zag werd hij bang en gehoorzaamde. Zijn volgelingen die buitengesloten waren, sloegen op de vlucht toen ze hoorden dat hij gevangen was genomen. Daarna riep ik Jezus alleen bij me en vertelde hem dat "ik op de hoogte was van het verraderlijke plan dat hij tegen mij had beraamd, en dat ik ook wist wie hem hadden uitgenodigd, dat ik hem echter wilde vergeven als hij berouw toonde en mij in het vervolg trouw zou zijn." Nadat hij alles wat ik van hem wilde had beloofd, liet ik hem gaan en gaf hem toestemming om weer het commando te voeren over de mannen die hij eerder had. Ik dreigde echter de inwoners van Sepphoris streng te zullen straffen als zij niet zouden ophouden om mij zo ondankbaar te behandelen.

23. In die tijd gebeurde het dat twee belangrijke mannen die onder de jurisdictie van koning Agrippa vielen, uit het district Trachonius naar mij toe kwamen, met hun paarden, wapens en ook geld. Toen de joden hen alleen wilden laten blijven als zij zich lieten besnijden, stond ik hen niet toe dat zij enig geweld tegen hen gebruikten. Ik zei hen dat "iedereen God moest vereren volgens zijn eigen gewoonten en dat niemand gedwongen moest worden; en dat deze mannen, die naar ons toe waren gevlucht om bescherming te zoeken, niet zo behandeld moesten worden, en dat zij daar spijt van zouden krijgen." En toen ik de menigte tot bedaren had gebracht, voorzag ik de mannen die naar ons toegekomen waren met alles wat ze wilden, overeenkomstig hun eigen manier van leven, en dat ook nog op een overvloedige manier.

24. Toen stuurde koning Agrippa een legermacht, onder aanvoering van Equiculus Modius, die zich meester moest maken van de burcht van Gamala. De troepen die waren gestuurd waren echter niet talrijk genoeg om de burcht helemaal te omsingelen, maar legerden zich op de open vlakte voor de stad en begonnen met de belegering. Toen de decurion Ebutius, die was belast met het bestuur over de grote vlakte, hoorde dat ik mij in Simonias bevond, een dorp in het grensgebied van Galilea, dat twaalf kilometer van hem verwijderd was, verzamelde hij een honderdtal ruiters die die nacht bij hem waren en een aantal van ongeveer tweehonderd soldaten en bracht de inwoners van Gibea bijeen. Zij moesten hem als hulptroepen bijstaan. Na nachtelijke mars bereikten ze het dorp waar ik verbleef. Daarop sloeg ik mijn kampement, met een groot aantal manschappen, op tegenover hem. Ebutius probeerde ons echter te verleiden om naar de vlakte af te dalen, omdat hij erg afhankelijk was van zijn ruiters, maar dat wilden wij niet. Ik begreep heel goed dat zijn ruiterij in zijn voordeel zou zijn als wij naar de vlakte zouden afdalen, omdat wij allemaal te voet waren. Daarom besloot ik het gevecht ter plaatse aan te gaan. Ebutius en zijn manschappen boden enige tijd dapper weerstand, maar toen hij doorkreeg dat zijn ruiterij in dit terrein onbruikbaar was, trok hij zich terug in Gibea, na in het gevecht drie mensen verloren te hebben. Met tweeduizend gewapende manschappen volgde ik hem op de voet. Ik bereikte de stad Besara, die in het grensgebied van Ptolemais ligt, ongeveer vier kilometer van Gibea, waar Ebutius zich terug had getrokken, en daar stelde ik mijn gewapende manschappen op langs de buitenmuur van het dorp. Ik gaf hen opdracht om de toegangen zorgvuldig in de gaten te houden, zodat de vijand ons niet zou kunnen verrassen, totdat wij de grote lading graan die daar was opgeslagen weg hadden gevoerd. Dat was het eigendom van koningin Berenice en was vanuit de omliggende dorpen in Besara bijeengebracht. Ik laadde het graan op mijn kamelen en ezels, waarvan ik een groot aantal had meegebracht en voerde het af naar Galilea. Nadat ik daarmee klaar was, daagde ik Ebutius uit tot het gevecht. Toen hij daar niet op in wilde gaan, omdat hij geschrokken was van onze snelheid en moed, sloeg ik een andere weg in en trok op tegen Neopolitanus. Ik had namelijk gehoord dat de streek in de buurt van Tiberias door hem was verwoest. Deze Napolitanus was commandant van een ruitertroep, en door de vijand was hij belast met de verdediging van Scythopolis. Nadat ik ervoor had gezorgd dat hij verder geen kwaad kon aanrichten in Tiberias, besloot ik mij te wijden aan de zaken in Galilea.

25. Toen Johannes, de zoon van Levi, die, zoals ik al heb verteld, in Gisala verbleef, hoorde dat voor mij alles naar wens was verlopen, dat ik bij mijn ondergeschikten in een zeer goed blaadje stond, en bovendien bij de vijand zeer gevreesd was, was hij daar zeer onaangenaam door getroffen, omdat hij dacht dat mijn voorspoed zijn ondergang zou betekenen. Hij raakte dus vervuld met een bittere afgunst en vijandigheid jegens mij. Omdat hij hoopte dat hij, als hij bij mijn onderdanen haat tegen mij kon opwekken, een eind kon maken aan mijn voorspoed, probeerde hij de inwoners van Tiberias en Sepphoris (en hij dacht dat die van Gabara het wel met de anderen eens zouden zijn), de grootste steden van Galilea, tegen mijn gezag in opstand te laten komen en zich bij zijn groep aan te laten sluiten. Hij vertelde dat hij een betere commandant zou zijn dan ik. De Sepphorieten die met geen van ons beiden een band hadden, omdat zij gekozen hadden voor een Romeinse overheersing, waren het met zijn voorstel niet eens. De inwoners van Tiberias gingen niet zover dat zij tegen mij in opstand kwamen, maar stemden wel in met zijn vriendschap, terwijl de inwoners van Gabara naar Johannes overliepen. Zij werden daartoe overgehaald door Simon, die zowel de belangrijkste man in de stad was, als een bijzondere vriend en handlanger van Johannes. Zij kwamen er echter niet openlijk voor uit dat ze in opstand wilden komen, omdat ze heel bang voor de Galileeërs waren, waarvan ze de loyaliteit die zij jegens mij betoonden herhaaldelijk hadden ondervonden. Daarom wachtten ze heimelijk een gunstig moment af om een hinderlaag voor mij te leggen. Hoe ik daardoor in een heel gevaarlijke situatie terechtkwam, blijkt uit het volgende voorbeeld.

26. In het dorp Dabarita waren een aantal overmoedige jonge mannen, die hadden gezien dat de vrouw van Ptolemaeus, de procurator van de koning, met een groot gezelschap en een aantal ruiters die hen escorteerden, de grote vlakte wilden oversteken. Zij kwamen uit een streek waar de koning en de koningin het beheer over voerden en reisden naar een gebied dat onder heerschappij van de Romeinen stond. Zij vielen hen onverhoeds aan en dwongen de vrouw van Ptolemaeus te vluchten, waarna ze alle voertuigen plunderden. Daarna kwamen ook zij naar mij toe, in Tarichea, met vier muilezels beladen met kleren en andere kostbaarheden en bovendien een grote hoeveelheid zilver en vijfhonderd goudstukken. Ik wilde die buit voor Ptolemaeus bewaren, omdat hij mijn landgenoot was en omdat de wet ons zelfs verbiedt om onze vijanden te beroven [12]. Daarom zei ik tegen de mensen die de buit kwamen brengen dat wij die zouden bewaren, en dat wij de opbrengst daarvan zouden gebruiken om de muren van Jeruzalem te herbouwen. De jongemannen waren echter razend toen zij zelf geen deel van de buit kregen, zoals zij hadden verwacht. Daarop trokken ze naar de dorpen in de omgeving van Tiberias en vertelden de bevolking dat ik van plan was om hun land aan de Romeinen uit te leveren en dat ik tegen hen had gelogen, toen ik zei dat wat zij hadden buitgemaakt achtergehouden moest worden om de muren van Jeruzalem te herbouwen, maar dat ik besloten had om de buit weer aan de vroegere eigenaar terug te geven. Zij hadden mijn bedoeling inderdaad goed begrepen. Toen ik van hen af was, ontbood ik twee vooraanstaande mannen, Dassion en Janneus, de zoon van Levi, die tot de belangrijkste vrienden van de koning behoorden, en droeg hen op om de geroofde kostbaarheden mee te nemen en naar hem terug te brengen. Ik dreigde hen voor straf te zullen doden, als zij met iemand ander over mijn bevel zouden praten.

27. Inmiddels ging door heel Galilea het gerucht dat ik van plan was om het land aan de Romeinen te verraden. Iedereen was woedend op me en wilde dat ik gestraft zou worden. Ook de inwoners van Tarichea dachten dat het waar was wat de jongemannen vertelden en probeerden mijn lijfwachten en gewapende manschappen over te halen om mij, tijdens mijn slaap, in de steek te laten. Ze moesten meteen naar het hippodroom komen om over mij te beraadslagen. Toen zij hen hadden overgehaald en zij naar de afgesproken plaats gekomen waren, troffen zij een grote menigte aan die zich daar al had verzameld. Als uit één mond schreeuwden ze dat de man die hen zo lafhartig wilde verraden zijn verdiende straf moest krijgen. Jezus, de zoon van Sapphias, was de man die hen het hardst ophitste. Hij was bestuurder in Tiberias, een verderfelijk iemand, die van nature de neiging had om belangrijke zaken in de war te sturen. Het was ook een opruier en een ongeëvenaarde rebel. Hij nam de wetten van Mozes in zijn handen, liep naar het midden van de menigte en sprak, "O medeburgers! als jullie ter wille van jullie zelf niet bereid zijn om Josephus te haten, doe dat dan ter wille van de deze wetten van jullie land, die jullie opperbevelhebber wil verraden. Doe het om beide redenen en geef deze man, die zich zo schaamteloos heeft gedragen, zijn verdiende loon."

28. Nadat hij dat had gezegd en de menigte hem om zijn woorden luid had toegejuicht, nam hij een aantal gewapende manschappen mee en spoedde zich naar de woning waar ik verbleef, kennelijk om mij meteen te vermoorden. Ik had geen enkel vermoeden van die hele opschudding en was door alle vermoeienissen vast in slaap gevallen. Toen echter Simon, die belast was met mijn persoonlijke veiligheid, en de enige die bij mij was gebleven, zag hoe geelddadig de burgers mij wilden aangevallen, maakte hij mij wakker en vertelde me hoe bedreigend mijn toestand was. Hij wilde dat ik mij door hem zou laten doden, zodat ik, zoals een bevelhebber betaamt, dapper zou sterven, voordat de vijanden zouden komen en mij zouden dwingen om zelf een einde aan mijn leven te maken, of anders door hen gedood zou worden. Dat vertelde hij me, maar ik legde mijn lot in Gods handen en haastte me naar buiten, naar de samengestroomde bevolking. Ik had eerst zwarte kleren aangetrokken, hing mijn zwaard om mijn nek, en begaf mij naar de hippodroom langs een route waar ik geen vijanden dacht tegen te zullen komen. Zo verscheen ik opeens in hun midden, wierp mij op de grond en liet mijn tranen de vrije loop, wat bij allen mededogen opwekte. Toen ik merkte dat de stemming in de menigte omsloeg, probeerde ik bij hen verdeeldheid te zaaien, voordat de gewapende manschappen van mijn huis terug zouden komen. Ik gaf toe dat zij mij heel begrijpelijk slecht vonden, maar ik smeekte hen om hen eerst uit te mogen leggen met welke bedoeling ik het geld, dat van de plundering afkomstig was, had achtergehouden en dat zij mij, als zij dat dan toch wilden, daarna mochten doden. De menigte had mij net toestemming gegeven om te spreken, toen de gewapende manschappen weer verschenen. Toen zij mij zagen, stormden ze op mij toe om mij te doden, maar de menigte verzocht hen zich in te houden. Daar stemden ze in toe, omdat zij dachten dat zij mij zouden mogen doden, zogauw ik zou hebben bekend dat ik het geld voor de koning had achtergehouden, wat als een bekentenis van mijn verraad zou worden beschouwd.

29. Nadat de hele menigte tot zwijgen was gebracht sprak ik de mensen als volgt toe: "Landgenoten! Als het recht dat eist ben ik bereid te sterven, maar voordat ik sterf wil ik jullie echter heel graag de waarheid vertellen. Ik weet dat jullie stad altijd zeer gastvrij is geweest en een overvloed aan mensen heeft opgenomen, die hun eigen land ontvlucht zijn, en daardoor hoe dan ook in jullie voorspoed hebben mogen delen. Het was mijn bedoeling om de stad te ommuren met dit geld, waarover jullie zo boos op mij zijn, terwijl het dus echt bestemd was om jullie eigen muren te bouwen." Nadat ik dat had gezegd riepen de Taricheeërs en de vreemdelingen uit "dat ze me dankbaar waren en hoopten dat ik mijn moed zou bewaren." De Galileeërs en de inwoners van Tiberias bleven echter woedend op me, wat bleek uit het feit dat er opschudding onder hen ontstond, waarbij sommigen mij wilden vermoorden en anderen mij toeriepen geen aandacht aan hen te besteden. Toen ik hen echter beloofd had dat ik ook bereid was om Tiberias en andere steden die dat wilden, te ommuren, geloofden ze wat ik hen had toegezegd en keerde iedereen naar zijn eigen huis terug. Zo ontkwam ik, buiten al mijn verwachtingen, aan het eerdergenoemde gevaar en liep ik, samen met mijn vrienden en twintig gewapende manschappen, weer naar huis.

30. Deze terroristen en andere aanstichters van het oproer, waren echter bang dat ik hen zou straffen voor wat ze hadden aangericht. Ze verzamelden dus zeshonderd gewapende manschappen en begaven zich naar het huis waar ik verbleef. Ze wilden het in brand te steken. Toen ik op de hoogte werd gebracht van dit smadelijke plan, vond ik het ongepast om te vluchten. Ik besloot mijzelf aan het gevaar bloot te stellen en mij dapper te gedragen. Ik gaf dus opdracht om alle deuren te sluiten en begaf mij naar de bovenverdieping. Daarna verzocht ik hen een paar mannen te sturen om het geld van de buit in ontvangst te nemen, en ik vertelde hen dat zij dan geen reden meer hadden om boos op mij te zijn. Nadat zij een van de dapperste mannen van hun groep naar binnen hadden gestuurd, liet ik hem vreselijk geselen en gaf de opdracht om een van zijn handen af te hakken en om zijn nek te hangen. In die toestand stuurde ik hem terug naar zijn opdrachtgevers. Door dit optreden van mij schrokken ze hevig en waren verbijsterd. Ze waren bang dat zij hetzelfde lot zouden ondergaan als ze bleven, want ze dachten dat ik in het huis over meer gewapende manschappen beschikten dan zijzelf. Ze sloegen dus meteen op de vlucht, terwijl ik door deze list voor de tweede keer aan een verraderlijke aanslag tegen mij ontsnapte.

31. Er waren echter nog een aantal mensen die de menigte tegen mij opzetten. Ze vertelden rond dat die belangrijke mensen die tot het hof van de koning behoorden, het niet waard waren om te leven, als zij hun eigen godsdienst niet opgaven voor de godsdienst van de mensen, waarbij zij hun toevlucht hadden gezocht. Zij maakten hen ook allerlei verwijten en zeiden dat het tovenaars waren en dat zij de Romeinen tegen hen te hulp zouden roepen. De menigte liet zich al snel verleiden door die geloofwaardige praatjes, die overeenkwamen met hun eigen vermoedens en lieten zich daardoor overhalen. Toen mij dat ter ore kwam, legde ik de menigte opnieuw uit, dat mensen die hun toevlucht ben hen hadden gezocht, niet vervolgd behoorden te worden. Ik maakte ook de verdachtmaking over tovenarij [13] belachelijk en vertelde hen dat de Romeinen er niet een leger van tienduizenden soldaten op na zou houden als zij hun vijanden met tovenaars zouden kunnen verslaan. Het volk legde zich daarbij neer, maar slechts voor even, want zij kwamen weer terug, omdat zij zich door kwaadwillende personen opnieuw lieten ophitsen. Ze vielen zelfs een keer in Tarichea het huis aan waar ze woonden omdat zij hen wilden vermoorden. Toen ik dat hoorde was ik bang dat als zo’n vreselijke misdaad zou plaats vinden, dat tot gevolg zou hebben dat niemand meer zijn toevlucht in die stad zou zoeken. Daarom begaf ik mij met een aantal anderen naar het huis waar die belangrijke mensen woonden, barricadeerde de deuren en liet een gracht graven, die van het huis naar het meer liep. Vervolgens liet ik een boot komen, ging samen met hen aan boord en zeilde naar het grensgebied van Hippos. Ik vergoedde hen de waarde van hun paarden, omdat ik die bij de vlucht niet met hen mee had kunnen geven. Daarna nam ik afscheid van hen en verzocht hen met klem om de ellende die hen was overkomen manmoedig te dragen. Zelf vond ik het ook vreselijk vervelend dat ik gedwongen was om mensen die hun toevlucht bij mij hadden gezocht, weer naar een vijandig land te sturen. Toch dacht ik dat verkieslijker was dat zij, als het dan toch moest gebeuren, de dood zouden vinden onder de handen van de Romeinen, dan in het land dat onder mijn bewind stond. Uiteindelijk ontkwamen ze echter en koning Agrippa vergaf hen hun vergrijpen. Zo liep het dus toch nog goed met deze mensen af.

32. De inwoners van Tiberias schreven echter een brief naar de koning, waarin zij hem verzochten om hen een troepenmacht te sturen, die hun land zou kunnen beschermen. Als hij dat zou doen zouden ze naar hem overlopen, schreven ze hem. Toen ik bij hen aankwam, wilden ze dat ik hun muren liet bouwen, zoals ik had beloofd, omdat zij hadden gehoord dat de muren van Tarichea al klaar waren. Ik stemde in met hun voorstel en toen ik voorbereidingen voor de hele bouw had getroffen, gaf ik de architecten de opdracht om met het werk te beginnen. Drie dagen nadat ik naar Tarichea was afgereisd, dat zes kilometer van Tiberias af lag, gebeurde het dat er een paar Romeinse ruiters die onderweg waren, werden gesignaleerd, niet ver van de stad. Dat wekt het vermoeden dat de troepen van de koning in aantocht waren. Daarop verhieven de bewoners van Tiberias hun stem en schreeuwden toejuichingen naar de koning en verwensingen aan mijn adres. Een van hen rende naar mij toe en vertelde me wat ze van plan waren en dat ze besloten hadden om mij te laten vallen. Toen ik dat nieuws hoorde, sloeg de schrik mij om het hart, want ik had mijn gewapende manschappen uit Tarichea al naar huis gestuurd, omdat het de dag daarop sabbat zou zijn. Ik wilde namelijk voorkomen dat de burgers van Tarichea op die dag last zouden hebben van een grote groep soldaten. Ik had namelijk, telkens als ik voor korte tijd in die stad verbleef, nooit bijzondere aandacht besteed aan mijn persoonlijke veiligheid, omdat ik zovaak had ervaren hoe loyaal haar inwoners jegens mij waren. Op dat moment beschikte ik over niet meer dan zeven gewapende manschappen, afgezien van een paar vrienden, en wist niet zo goed wat ik moest doen. Ik vond het niet juist om mijn eigen troepen terug te roepen, omdat het al bijna avond was en onze wetten ons dat verboden, zelfs als de situatie nijpend was. Ik begreep dat als ik de bewoners van Tarichea zou toestaan om samen met de vreemdelingen de stad te bewaken, zij daarvoor met te weinig mensen waren, en ik wist dat ik dan gedwongen zou zijn om mij hulp een hele tijd uit te stellen. Ik besefte verder dat de troepen die door de koning waren gestuurd, mij dan zouden tegenhouden en dat ik de stad uit zou worden gejaagd. Daarom bedacht ik een list uit om van die troepenmacht af te komen. Meteen stelde ik mijn vrienden uit Tarichea, die ik het meest vertrouwde, op bij de poorten, om de mensen die daardoor vertrokken zorgvuldig in de gaten te houden. Ik ontbood ook de familieoudsten en verzocht iedereen om een boot [14] te bemachtigen en aan boord te gaan. Ze moesten allemaal een gezagvoeder meenemen en hem naar Tiberias laten varen. Samen met mijn vrienden en de zeven gewapende manschappen, waar ik het al eerder over heb gehad, ging ik ook aan boord van een van die schepen en voer naar Tiberias.

33. Toen de inwoners van Tiberias echter merkten dat er helemaal geen troepen van de koning in aantocht waren, maar dat het hele meer vol schepen lag, maakten zij zich ernstig zorgen over het lot van hun stad. Ze waren doodsbang omdat ze dachten dat de schepen vol soldaten zaten. Daarom bedachten ze zich, gooiden hun wapens neer en kwamen mij met vrouwen en kinderen tegemoet, terwijl zij mij luid toejuichten. Zij dachten namelijk dat ik niet op de hoogte was van hun eerdere plannen tegen mij en daarom smeekten ze mij de stad te sparen. Toen ik echter de stad dicht was genaderd, gaf ik de gezagvoerders van de schepen het bevel om op een redelijke afstand van de wal het anker uit te werpen, zodat de inwoners van Tiberias niet zouden merken dat de schepen geen soldaten aan boord hadden. Zelf voer ik met een van de boten dichterbij en maakten het volk verwijten over hun dwaasheid en over het feit dat zij zo wispelturig waren dat zij bij de eerste de beste gelegenheid hun loyaliteit aan mij lieten varen. Ik verzekerde hen dat ik hen voorlopig alles zou vergeven, als ze mij de tien belangrijkste oproerkraaiers zouden sturen. Ze gingen meteen op dat voorstel in en stuurden de eerder genoemde mensen. Ik liet hen aan boord brengen en liet ze naar Tarichea overbrengen, waar ze in de gevangenis opgesloten moesten worden.

34. Door die list kreeg geleidelijk de hele raad van Tiberias op mijn hand. Ik stuurde hen naar de eerdergenoemde stad, samen met een vrijwel even groot aantal volksleiders. Toen het volk echter doorkreeg wat voor ellende het zichzelf op de hals had gehaald, wilden zij dat ik de aanstichter van die opstand zou straffen. Hij heette Clitus en was een onbezonnen en onbesuisde jongeman. Omdat ik vond dat het onverenigbaar was met vroomheid om iemand van mijn eigen volk ter dood te laten brengen, maar het toch nodig vond dat hij gestraft werd, gaf ik Levi, een van mijn lijfwachten, de opdracht om naar hem toe te gaan en hem een hand af te hakken. Hij durfde echter niet van boord te gaan en zich in zo’n grote menigte te begeven en ik wilde niet dat de inwoners van Tiberias zouden merken dat een van mijn soldaten bang was. Ik liet dus Clitus zelf komen en zei tegen hem: "Omdat je mij ondankbaar bent geweest, zouden eigenlijk je beide handen afgehakt moeten worden. Maar jij mag je eigen beul zijn, en als je dat weigert zul je nog strenger worden gestraft." Toen hij mij daarop smeekte om in ieder geval een van zijn handen te sparen, stond ik dat met enige tegenzin toe. Om dus te voorkomen dat hij beide handen zou kwijtraken, pakte hij het zwaard en hakte zijn linkerhand af. Daarmee kwam er een einde aan het oproer.

35. Nadat ik naar Tarichea was vertrokken, kregen de inwoners van Tiberias pas door wat voor list ik tegen hen had gebruikt. Zij vonden het bewonderenswaardig hoe ik zonder bloedvergieten een einde aan hun dwaze oproer had kunnen maken. Na mijn aankomst in Tarichea liet ik een aantal van de talrijke gevangenen uit Tiberias, uit de gevangenis halen, waaronder Justus en zijn vader Pistus. Ik nodigde ze uit voor het avondmaal, en tijdens de maaltijd vertelde ik hen dat wist dat de kracht van de Romeinen groter was dan die van wie dan ook, maar dat ik dat niet openlijk durfde te zeggen vanwege de terroristen. Ik raadde hen dus aan om hetzelfde te doen en een geschikte gelegenheid af te wachten Verder zei ik hen dat ze het niet vervelend moesten vinden als ik hun leider was, omdat ze niet konden verwachten dat iemand anders even gematigd was als ik. Ik herinnerde Justus er ook aan dat de Galileeërs voordat ik naar Jeruzalem vertrok de handen van zijn broer hadden afgehakt, nadat hij ervan was beschuldigd dat hij een terrorist was en brieven had vervalst. Ook vertelde ik hen dat de inwoners van Gamala, tijdens een opstand tegen de Babyloniërs, na het vertrek van Philippus, Chares, een familielid van Philippus hadden vermoord en dat ze bovendien Jezus, de echtgenoot van de zuster van Justus, hadden omgebracht. Dat vertelde ik hen allemaal tijdens de maaltijd en de ochtend daarop gaf ik het bevel om Justus en alle andere gevangenen vrij te laten en weg te sturen.

36. Maar voordat dit allemaal plaats vond, verliet Philippus, de zoon van Jacimus, de burcht van Gamala om de volgende reden: nadat Philippus had gehoord dat Varus door koning Agrippa uit zijn functie was ontheven, en dat zijn oude vriend en kameraad Equiculus Modius hem had opgevolgd, schreef hij hem een brief, waarin hij de lotgevallen vertelde die hij had meegemaakt. Hij verzocht hem die brieven door te sturen die hij eerder naar de koning en de koningin had verzonden. Toen Modius die brieven las was hij uitermate opgelucht en stuurde de ze door naar de koning en de koningin, die zich toen in de buurt van Berytus ophielden. Koning Agrippa begreep echter dat het verhaal over Philippus gelogen was (ze hadden namelijk het gerucht verspreid dat de Joden de oorlog tegen de Romeinen waren begonnen, en dat Philippus in die oorlog hun bevelhebber was geweest) en zond zijn ruiters erop uit om Philippus naar hem toe te brengen. Na zijn aankomst begroette hij hem zeer hoffelijk en stelde hem voor aan de Romeinse aanvoerders met de woorden: "dat is nu de man waarvan wordt verteld dat hij tegen de Romeinen in opstand is gekomen." Daarna verzocht hij hem om met een aantal ruiters meteen naar de burcht van Gamala te rijden, daar al zijn vrienden uit te halen en de Babyloniërs weer naar Batanea terug te brengen. Hij droeg hem ook op om met alle mogelijke middelen te voorkomen dat zijn onderdanen zich weer schuldig zouden maken aan een opstand. Nadat hij deze richtlijnen van de koning had ontvangen, haastte hij zich om de opdracht uit te voeren.

37. In die tijd was er ene Josephus, de zoon van een vroedvrouw, die een groot aantal jongemannen had overgehaald om zich bij hem aan te sluiten. Hij richtte zich ook met verwijten naar de belangrijkste personen in Gamala, en bewoog hen om hun wapens op te nemen en tegen de koning in opstand te komen. Hij wekte bij hen de hoop dat zij op die manier hun vrijheid konden herwinnen. Sommigen dwongen ze daartoe en anderen die niet met hun besluit instemden, slachtten ze af. Zij brachten ook Charus ter dood, en samen met hem Jezus, een van zijn verwanten en de broer van Justus van Tiberias, zoals ik al heb verteld. De inwoners van Gamala stuurden mij ook een brief, waarin ze mij verzochten om een troepenmacht en werklieden te sturen voor de bouw van hun stadsmuren. Beide verzoeken stond ik toe. Ook de streek van Gaulanitis, tot aan het dorp Solyma, kwam tegen de koning in opstand. Ik liet ook een muur rond Seleucia en Soganni bouwen, dorpen die door hun ligging al vrijwel onneembaar waren. Daarnaast ommuurde ik op dezelfde manier verschillende dorpen in Opper-Galilea, hoewel die zelf al in rotsachtige omgeving liggen. Dat waren Jamnia, Meroth en Achabara. In Neder-Galillea versterkte ik ook de steden Tarichea, Tiberias, Sepphoris, en de dorpen, De Grot van Arbela, Bersoba, Selame, Jotapata, Kapharath, Sigo, Japha, en de berg Tabor. [14]. Ik legde in die plaatsen ook een grote voorraad graan aan en wapens, die later misschien voor hun bescherming zouden kunnen dienen.

38. De haat die Johannes, de zoon van Levi, mij echter toedroeg, werd steeds heviger, omdat hij er niet tegen kon dat het zo goed met mij ging. Hij nam zich dus voor om mij hoe dan ook uit de weg te ruimen. Daartoe ommuurde hij zijn geboorteplaats Gisala. Vervolgens stuurde hij zijn broer Simon en Jonathan, de zoon van Sisenna, samen met ongeveer honderd gewapende manschappen naar Jeruzalem, om Simon, de zoon van Gamaliel [16] ertoe te bewegen om de burgerij van Jeruzalem over te halen mij te ontheffen van het bestuur over de Galileeërs, en ermee in te stemmen dat het gezag aan hem zou worden overgedragen. Deze Simon was geboren in Jeruzalem, stamde uit een zeer achtenswaardige familie en behoorde tot de sekte van de Farizeeën, waarvan wordt gezegd dat zij boven iedereen uitmunten in een precieze kennis van de wetten van het land. Hij was een bijzonder wijze en verstandige man, die in staat was om tactvol een beroerde stand van zaken ten goede te keren. Verder was hij een oude vriend en kameraad van Johannes, maar in die tijd hadden wij ruzie met elkaar. Nadat hij dat verzoek had gekregen, haalde hij de hogepriesters, Ananus en Jezus, de zoon van Gamala en een aantal van dezelfde oproerige partij over om mijn macht in te perken, nu die zo groot was georden. Ze moesten niet uit het oog verliezen, zei hij, dat ik mij naar een glorieuze status aan het opwerken was. Hij voegde daaraan toe dat het alleen maar goed voor de Galileeërs zou zijn als ik daar van mijn functie werd ontheven. Ananus en zijn vrienden vonden dat zij de zaak niet moesten uitstellen, omdat ik anders voortijdig te weten zou komen wat er gaande was. Ze dachten dat ik dan met een grote legermacht zou oprukken en een aanval op de stad zou uitvoeren. Dat was het advies van Simon. De hogepriester Ananus maakte echter duidelijk dat het allemaal niet zo eenvoudig was, omdat veel hogepriesters en leiders van het volk het met elkaar eens waren dat ik mij een uitmuntende bevelhebber had betoond, en dat het een laaghartige daad zou zijn om iemand te beschuldigen, tegen wie zij niets kwaads konden inbrengen.

39. Nadat Simon gehoord had wat Ananus zei, verzocht hij de boodschappers om de zaak geheim te houden en niets uit te laten lekken. Hij beloofde dat hij ervoor zou zorgen dat ik op korte termijn uit Galilea weggestuurd zou worden. Hij liet daarom de broer van Johannes bij zich komen en droeg hem op om geschenken naar Ananus en zijn vrienden te sturen. Hij dacht dat zij daardoor misschien overgehaald konden worden om van mening te veranderen. Uiteindelijk lukte het Simon inderdaad om gedaan te krijgen wat hij gewild had. Ananus en consorten, die zich met geschenken hadden laten omkopen, stemden er namelijk in toe dat ik Galilea uitgestuurd zou worden, zonder dat de bevolking op de hoogte werd gesteld van waar ze mee bezig waren. Zij besloten om mensen te sturen die of goede afkomst waren, of in kennis uitblonken. Twee van hen, Jonathan [17] en Ananias, waren uit het volk afkomstig, en behoorden tot de sekte van de Farizeeën, terwijl de derde, Jozar, uit een priesterfamilie stamde, en daarnaast Farizeeër was. De laatste, Simon, was de jongste van de hogepriesters. Ze hadden de opdracht gekregen om, als zij bij de Galileeërs waren aangekomen, hen te vragen waarom zij zo op mij gesteld waren. En als zij dan zouden zeggen dat dat was omdat ik in Jeruzalem was geboren, moesten zij antwoorden dat zij alle vier ook in dezelfde plaats waren geboren. Als zij dan weer zouden zeggen dat het kwam omdat ik zo goed doorkneed was in hun wetten, moesten ze antwoorden dat zij ook goed op de hoogte waren van de gebruiken van hun land. Als zij zouden zeggen dat zij bovendien op mij gesteld waren omdat ik priester was, moesten ze antwoorden dat twee van hen ook priester waren.

40. Nadat zij Jonathan en zijn metgezellen deze aanwijzingen hadden gegeven, gaven zij hen ook nog veertigduizend drachmen uit de staatskas mee. Toen zij echter hoorden dat er op dat moment een Galileeër, die Jezus heette, tijdelijk in Jeruzalem verbleef, en een groep van zeshonderd gewapende manschappen bij zich had, ontboden zij hem, gaven hem drie maanden soldij en verzochten hem om Jonathan en zijn medeafgezanten te vergezellen en hen te gehoorzamen. Zij gaven ook geld aan driehonderd burgers van Jeruzalem, die hen onderweg allemaal moesten onderhouden. Ook hen gaven zij de opdracht om de afgezanten te begeleiden. Nadat zij het met elkaar eens waren geworden en klaar waren voor de reis, vertrokken Jonathan en zijn metgezellen samen met hen. De broer van Johannes volgde hen met honderd gewapende manschappen. De opdracht die zij hadden gekregen van de mensen die hen stuurden was de volgende: als ik vrijwillig mijn wapens zou neerleggen zouden zij mij levend naar Jeruzalem moeten brengen, maar als ik mij tegen hen zou verzetten, zouden ze me moeten doden, zonder ook maar ergens bang voor te zijn, omdat zij dat dan op hun bevel deden. Zij hadden ook aan Johannes geschreven dat hij zich gereed moest maken om tegen mij te vechten en aan de bewoners van Sepphoris, Gabara en Tiberias hadden ze de opdracht gegeven om Johannes hulptroepen te sturen.

41. Mijn vader had mij daar allemaal schriftelijk verslag van gedaan (want Jezus, de zoon van Gamala, die bij het beraad aanwezig was geweest, was een goede vriend van mij, en had hem dat verteld). Ik was zeer aangeslagen, toen ik daardoor in de gaten kreeg dat mijn medeburgers zo ondankbaar bleken te zijn, dat zij uit jaloezie opdracht hadden gegeven om mij te vermoorden. In die brief verzocht mijn vader mij ook dringend om naar hem toe te komen, omdat hij zijn zoon voor zijn dood nog heel graag een keer wilde zien. Ik vertelde dat allemaal aan mijn vrienden en deelde hen mee dat ik over drie dagen het land zou verlaten en naar huis zou gaan. Toen zij dat hoorden werden ze allemaal heel bedroefd en met tranen in hun ogen verzochten ze mij hen niet in de steek te laten. Zij dachten namelijk dat zij zonder mijn leiding zeker ten onder zouden gaan. Ik ging echter niet in op hun verzoek, omdat ik mij zorgen maakte over mijn eigen veiligheid. Daarom stuurden de Galileeërs, die bang waren dat het gevolg van mijn vertrek zou zijn dat ze in handen zouden vallen van de terroristen, boodschappers over heel Galilea uit om de bevolking op de hoogte te stellen van mijn beslissing om hen te verlaten. Zodra zij dat hadden vernomen, verzamelden zij zich in groten getale uit alle districten, samen met vrouwen en kinderen. Volgens mij deden ze dat niet langer uit genegenheid voor mij, maar uit angst voor hun eigen leven. Zij dachten namelijk dat hen geen kwaad zou kunnen overkomen, als ik maar bij hen bleef. Daarom kwamen ze allemaal naar de grote vlakte, waar ik op dat moment verbleef en die de vlakte van Asochi werd genoemd.

42. Die nacht had ik een prachtige droom. Ik was naar bed gegaan, verdrietig en verward door het nieuws dat ik in de brieven had gelezen. Opeens leek het alsof er iemand naast mij stond, [18] die zei: "Josephus, hou op met het kwellen van je ziel, want wat jou nu verdriet doet, zal je zeer in aanzien doen stijgen en je in alle opzichten gelukkig maken. Je zult niet alleen deze moeilijkheden te boven komen, maar ook vele andere. Laat je niet terneerslaan, maar bedenk dat je tegen de Romeinen zult moeten vechten." Na deze droom stond ik op met de bedoeling om naar de vlakte af te dalen. Toen de enorme menigte Galileeërs, waaronder vrouwen en kinderen, mij zagen, wierpen zij zich op de grond en smeekten mij met tranen in hun ogen hen niet aan hun vijanden prijs te geven, en niet weg te gaan en toe te staan dat hun land door hen werd vernietigd. Toen ik niet op hun smeekbeden inging, probeerden zij me te laten zweren dat ik bij hen zou blijven. Zij lieten ook een overvloed aan verwijten neerdalen op de hoofden van de bevolking van Jeruzalem, die hun land niet in vrede wilde laten leven.

43. Toen ik dat allemaal hoorde en zag hoe verdrietig het volk was, werd ik door mededogen voor hen bewogen en bedacht dat ik ter wille van zoveel mensen de dreigende gevaren wel moest trotseren. Ik liet hen dus weten dat ik bij hen zou blijven. Aan vijfduizend van hen gaf ik de opdracht dat zij zich, gewapend en met een voorraad voor hun levensonderhoud, bij mij moesten vervoegen. De rest stuurde ik naar huis. Nadat die vijfduizend mannen zich bij mij hadden verzameld, trok ik samen met de drieduizend soldaten die al langer bij mij waren en tachtig ruiters, op naar Chabolo, dat in het grensgebied van Ptolemais ligt. Daar trok ik mijn krijgstroepen samen en deed alsof ik voorbereidingen trof voor een gevecht tegen Placidus, die daar met twee cohorten soldaten te voet en een ruitertroep was aangekomen. Hij was daar naartoe gestuurd door Cestius Gallus om de dorpen van Galilea, die in omgeving van Ptolemais liggen, plat te branden. Toen zij zich voor de stad Ptolemais verschansten, sloeg ik ook een kamp op, ongeveer elf kilometer van Chabolo af. Vanaf dat moment trokken wij er met onze troepen herhaaldelijk op uit en deden alsof wij wilden vechten, maar het bleef bij wat schermutselingen op afstand. Placidus kreeg in de gaten dat het mij ernst was om het gevecht te beginnen en dat maakte hem bang en daarom ging hij het uit de weg. Hij ging echter niet weg uit de omgeving van Ptolemais.

44. Rond die tijd arriveerden Jonathan en zijn medeafgezanten. Ze waren, zoals ik al heb verteld, gestuurd door Simon en Ananus, de hogepriester. Jonathan broedde op een listig plan om mij te pakken te kunnen krijgen, want hij durfde mij niet openlijk aan te vallen. Hij stuurde me de volgende brief: "Jonathan en zijn metgezellen, die door het volk van Jeruzalem zijn gezonden, gegroet, Josephus. De notabelen van Jeruzalem, die hebben vernomen dat Johannes van Gisala vele hinderlagen voor u heeft gelegd, hebben ons gezonden om hem te berispen en aan te sporen om zich in het vervolg aan u te onderwerpen. Wij willen ook gaarne met u overleg plegen over onze gemeenschappelijke zaken en wat er moet gebeuren. Daarom verzoeken wij u met spoed naar ons toe te komen. U mag maar een paar mensen met u meenemen, want dit dorp kan geen groot aantal soldaten bergen." Dat schreven ze me. Ze hadden kennelijk bedacht dat er twee dingen konden gebeuren. Of ik zou zonder gewapende manschappen verschijnen, en dan zouden ze mij volledig in hun macht hebben, of ik zou met een groot aantal mannen komen en dan zouden zij me als een openlijke vijand beschouwen. De brief werd bezorgd door een ruiter, een dapper iemand die eerder in het leger van de koning had gediend. Het was het tweede uur van de nacht, dat hij arriveerde en ik zat net met mijn vrienden en de notabelen van Galilea aan de maaltijd. Nadat mijn bediende mij had verteld dat er een ruiter zich namens het Joodse volk had aangediend, werd hij op mijn bevel binnengelaten. Hij groette me niet eens, maar stak mij de brief toe en zei: "Deze brief wordt u gestuurd door de mensen die uit Jeruzalem zijn gekomen. U moet meteen antwoord geven, want ik moet meteen terug." Mijn gasten waren verbijsterd over de brutaliteit van de soldaat. Ik verzocht hem echter te gaan zitten en samen met ons de maaltijd te gebruiken. Toen hij dat weigerde, hield ik de brief gewoon in mijn hand zoals ik die van hem had gekregen en hervatte het gesprek met mijn gasten over andere zaken. Een paar uur later stond ik op, vroeg vier van mijn beste vrienden om te blijven en stuurde de anderen naar bed. Ik verzocht mijn bediende nog wat wijn te halen en opende de brief, zodat niemand hem kon lezen. Ik begreep meteen wat de bedoeling van het schrijven was, verzegelde de brief weer, zodat het leek alsof ik hem niet had gelezen en hield hem gewoon in mijn hand. Ik gaf de opdracht om de soldaat twintig drachmen als reisgeld te geven. Toen hij het geld in ontvangst nam, bedankte hij mij daarvoor. Ik merkte dat hij heel dol op geld was, en dat hij daarmee dus heel gemakkelijk in te palmen was. Ik zei dus tegen hem: "Als je met ons mee wil drinken, krijg je een drachme voor elke beker wijn." Hij nam dat voorstel verheugd aan en zette het op een drinken. Op het laatst was hij zo dronken, dat hij de geheimen die hem waren toevertrouwd niet langer voor zich kon houden. Ongevraagd vertelde hij alles: dat er een verraderlijk plan tegen mij was opgesteld en dat ik door de mensen die hem hadden gestuurd ten dode was opgeschreven. Toen ik dat hoorde schreef ik het volgende antwoord: "Josephus aan Jonathan en allen die met hem zijn, gegroet. Ik ben blij te hebben vernomen dat u in goede gezondheid in Galilea bent aangekomen. Ik ben vooral blij omdat ik nu de zorg voor openbare zaken hier in uw handen kan leggen en naar mijn eigen geboorteland kan terugkeren. Dat heb ik al heel lang gewild. Ik geef toe dat ik niet alleen al veel eerder naar u in Xaloth had moeten komen, maar bovendien zonder uw verzoek. Ik zou echter graag willen dat u mij verontschuldigt, want op dit moment kan ik dat niet doen, omdat ik de troepenbewegingen van Placidus in de gaten moet houden, die van plan is Galilea binnen te vallen. Daar ben ik hier in Chabolo mee bezig. Ik verzoek u dus, als u deze brief hebt ontvangen, naar mij toe te komen. Het ga u goed."

45. Nadat ik dat had opgeschreven en de brief aan de soldaat had overhandigd, stuurde ik dertig van de dapperste Galileeërs met hem mee. Ik gaf hen de opdracht om de gezanten te begroeten, maar verder niets tegen hen te zeggen. Aan evenveel gewapende manschappen, die ik als meest trouwe beschouwde, gaf ik de opdracht om hen te vergezellen. Ieder van hen moest een van de Galileeërs in de gaten houden en erop toezien dat er niet werd gesproken tussen de mensen die ik zelf stuurde en de metgezellen van Jonathan. Zo gingen ze op weg, Toen Jonathan en zijn makkers merkten dat hun eerste poging was mislukt, zonden ze me opnieuw een brief. De inhoud luidde: "Jonathan en de zijnen, aan Josephus, gegroet. Wij verzoeken u binnen drie dagen zonder gewapende manschappen naar ons toe te komen in Gabaroth, zodat wij van u kunnen horen wat u hebt in te brengen tegen de aanklacht van Johannes van Gisala." Nadat zij deze brief hadden geschreven, namen ze afscheid van de Galileeërs die ik had gestuurd, en vertrokken naar Japha, het grootste dorp in Galilea. Dat is omringd door zeer sterke muren en heeft een groot aantal bewoners. Daar liep een grote menigte, met vrouwen en kinderen, hen tegemoet, die hen luid toeschreeuwden. Zij wilden dat ze weer weggingen en dat ze niet jaloers moesten zijn omdat zij zo’n uitstekende aanvoerder hadden. Jonathan en zijn aanhangers waren uitermate getergd door deze uitroepen, maar durfden niet openlijk uiting te geven aan hun woede. Zij reageerden dus niet en trokken verder naar andere dorpen. Ook daar werden zij echter overal door de bevolking op dezelfde manier toegeschreeuwd. Ze riepen: "Niemand hoeft ons te vertellen dat wij een andere aanvoerder dan Josephus moeten hebben." Jonathan en zijn metgezellen vertrokken dus onverrichterzake en begaven zich naar Sepphoris, de grootste stad van heel Galilea. De inwoners van die stad, die in hun standpunten naar de Romeinen neigden, pleegden overleg met hen, maar zeiden geen goed of kwaad woord over mij. Vervolgens trokken ze van Sepphoris naar Asochis. De bevolking van die plaats schreeuwde hen hetzelfde toe, wat die van Japha had gedaan. Toen konden zij zich niet langer beheersen. Ze gaven de gewapende manschappen die met hen meegekomen waren de opdracht om de schreeuwlelijkerds met hun knuppels af te ranselen. Toen ze in Gabara aankwamen, kwam Johannes hen met drieduizend gewapende manschappen tegemoet. Ik had uit hun brief echter begrepen dat zij hadden besloten om het gevecht met mij aan te gaan, en daarom vertrok ik ook met drieduizend soldaten uit Chabolo. Een van mijn beste vrienden liet ik in het kampement achter, en omdat ik bij hen in de buurt wilde blijven, ging ik naar Jotapata, niet meer dan zeven kilometer van hen verwijderd. Vandaar schreef ik hen het volgende: "Jullie willen kennelijk echt dat ik naar jullie toekom. Jullie weten dat er tweehonderdveertig steden en dorpen in Galilea liggen. Ik wil naar elke plaats komen die jullie willen, behalve naar Gabara en Gisala. De ene is de geboorteplaats van Johannes en de andere onderhoudt vriendschapsbanden met hem."

46. Toen Johannes en zijn metgezellen die brief hadden ontvangen, reageerden ze daar niet meer op, maar riepen hun vrienden in een vergadering bijeen. In overleg met Johannes, beraadslaagden ze samen over de manier waarop zij mij zouden kunnen aanvallen. Johannes dacht dat ze aan alle steden en dorpen in Galilea een brief moesten schrijven. In elk plaats moesten toch minstens een of twee mensen zijn die het niet met mij eens waren. Die zouden ze moeten uitnodigen om te laten zien dat zij mij vijandig gezind waren. Hij wilde ook dat dit besluit naar Jeruzalem zou worden gestuurd, zodat de burgers daar, als zij wisten dat ik door de Galileeërs als een vijand werd beschouwd, dit besluit ook zelf konden bekrachtigen. Als dat eenmaal was gebeurd, zei hij, zouden zelfs de Galileeërs die mij gunstig gezind waren, mij uit angst vast in de steek laten. Dat was het advies dat Johannes hen gaf, en de rest was het helemaal eens met wat hij had gezegd. Ik werd hiervan op de hoogte gesteld rond het derde uur van de nacht, door ene Zacchaeus, die deel van hun groep had uitgemaakt, maar van hen naar mij was overgelopen. Hij vertelde me wat er gaande was. Ik begreep dat ik geen tijd mocht verliezen. Ik gaf dus opdracht aan Jacobus, een van mijn gewapende lijfwachten, waarvan ik wist dat hij mij heel trouw was, om tweehonderd mannen te verzamelen en de wegen die van Gabara naar Galilea liepen in de gaten te houden. Ze moesten alle reizigers aanhouden en naar mij toesturen, met name als er brieven in hun bezittingen werden aangetroffen. Ik stuurde ook Jeremias, een van mijn vrienden, met zeshonderd gewapende manschappen naar de grenzen van Galilea, die de wegen in de gaten moesten houden die van dat land naar Jeruzalem liepen. Ik gaf hem de opdracht om alle reizigers die brieven bij zich hadden op te pakken en ter plekke gevangen te houden. De brieven moest hij dan naar mij laten brengen.

47. Nadat ik hen deze instructies had gegeven, gaf ik de Galileeërs de dringende opdracht om hun wapens op te nemen, een rantsoen voor drie dagen mee te brengen en zich de volgende dag bij mij te vervoegen. De troepen die al bij mij waren, verdeelde ik in vier groepen. De meest getrouwen stelde ik aan tot mijn lijfwacht. Ik gaf hen ook aanvoerders en droeg hen op om er zorgvuldig op toe te zien dat niemand, die zij niet kenden, zich bij hen zou kunnen voegen. Vijf dagen later kwam ik aan in Gabaroth, en zag dat de hele vlakte voor het dorp wemelde van de gewapende manschappen, die uit Galilea waren overgekomen om mij bij te staan. In de menigte bevonden zich ook veel mannen uit het dorp, die naar mij toe waren gekomen. Zodra ik mijn plaats had ingenomen en begon te spreken, juichten ze mij allemaal toe, en riepen ‘weldoener’ en ‘redder van het land.’ Nadat ik hen welkom had geheten en hen had bedankt voor hun aanhankelijkheid, gaf ik hen de raad om met niemand te vechten, [19] en de omgeving niet te plunderen. Ze moesten gewoon hun tenten in de vlakte opslaan en zich tevreden stellen met het eten dat ze hadden meegebracht. Ik vertelde hen dat ik van plan was om deze problemen zonder bloedvergieten tot een goed einde te brengen. Op diezelfde dag gebeurde het dat mensen die door Johannes met brieven erop uit waren gestuurd, in handen vielen van de wachtposten die ik had aangewezen om de wegen in de gaten te houden. De mensen zelf werden, zoals ik had opgedragen, ter plaatse gevangen gehouden. De brieven, die ik in handen kreeg, stonden vol lasterpraatjes en leugens. Zonder met ook maar iemand over te praten, nam ik mij voor om deze mensen aan te vallen.

48. Zodra Jonathan en zijn makkers hadden gehoord dat ik in aantocht was, verzamelden zij al hun vrienden en trokken zich, samen met Johannes, terug in het huis van Jezus. Dat was een grote vesting, die heel veel op een burcht leek. Heimelijk brachten ze daar een bende gewapende manschappen naartoe en sloten alle poorten, behalve een. Die lieten zij open, omdat zij verwachtten dat ik op de toegangsweg zou verschijnen om hen te begroeten. Ze gaven dus de gewapende manschappen de opdracht dat als ik zou komen, zij alleen mij en niemand anders moesten binnenlaten. Daarmee dachten ze mij op een heel eenvoudige manier in handen te kunnen krijgen. Ze hadden echter buiten de waard gerekend, want ik had meteen in de gaten dat het een valstrik was. Meteen na mijn aankomst sloeg ik mijn kampement recht tegenover hen op en deed alsof ik ging slapen. Daarop haastten Jonathan en bende, die dachten dat ik echt was gaan rusten, zich naar de vlakte, om de mensen duidelijk te maken dat ik een slechte bevelhebber was. Maar de zaak pakte anders uit. Op het moment dat zij opdoken, begonnen de Galileeërs meteen te schreeuwen, en riepen dat zij mij een goede leider vonden. Zij protesteerden hevig tegen de komst van Jonathan en zijn aanhang, omdat zij hen niets hadden aangedaan en voegden hem toe dat hij er alleen maar uit was om hun goede land te vernietigen. Uit alle macht probeerden zij hem ertoe te bewegen om weer te vertrekken, en riepen dat zij nooit iemand anders als bevelhebber zouden aanvaarden dan mij. Toen ik dat hoorde was ik niet meer bang om mij onder hen te begeven. Ik liep dus meteen naar beneden om te horen wat Jonathan en zijn bende te zeggen hadden. Zodra ik verscheen steeg meteen een luid gejuich op uit de menigte. Ze prezen mij en bedankten mij voor de goede manier waarop ik bevel over hen voerde.

49. Toen Jonathan en zijn metgezellen dat hoorden, vreesden ze voor hun leven. Zij waren bang dat de Galileeërs hen ter wille van mij zouden aanvallen. Ze bedachten dus een manier om te ontsnappen. Zij konden echter niet wegkomen, omdat ik wilde dat ze bleven. Met gebogen hoofd wachtten ze op wat ik ging zeggen. Ik gaf de menigte het bevel om op te houden met het geschreeuw en stelde mijn meest getrouwe gewapende manschappen op langs de toegangswegen. Zij moesten ons bewaken voor het geval dat Johannes ons plotseling zou aanvallen. Ik spoorde de Galileeërs aan om hun wapens op te nemen, zodat zij niet door hun vijanden verrast zouden worden, als die opeens een aanval op hen zouden uitvoeren. Daarna bracht ik Jonathan en zijn handlangers op de eerste plaats de brief in herinnering, vervolgens de manier waarop die was opgesteld. Dat zij daarin hadden verklaard dat zij gestuurd waren met algemene instemming van de bevolking van Jeruzalem, om een einde te maken aan de ruzie tussen mij en Johannes, en dat zij mij hadden verzocht om naar hen toe te komen. Terwijl ik dat vertelde, liet ik de brief die zij hadden geschreven aan iedereen zien, zodat zij op geen enkele manier konden ontkennen wat ze hadden gedaan. De brief zelf was een overtuigend bewijs. Vervolgens zei ik: "Jonathan, en jullie die met hem zijn meegestuurd, als mijn gedrag vergeleken zou worden met dat van Johannes, en ik niet meer dan twee of drie goede en oprechte getuigen [20] had meegebracht, dan zou het duidelijk zijn dat jullie, nadat jullie eerst de getuigen op hun betrouwbaarheid hadden onderzocht, de beschuldigingen die tegen mij zijn geuit nietig hadden moeten verklaren. Om jullie duidelijk te kunnen maken dat de zaken van Galilea goed heb behartigd, denk ik dat drie getuigen inbrengen tegen iemand die gedaan heeft wat hij moest doen, te weinig is. Daarom hebben jullie hier alle getuigen. Vraag hen [21] maar hoe ik geleefd heb, of ik mij bij hen fatsoenlijk en deugdzaam heb gedragen. Jullie, Galileeërs, bezweer ik om niets van de waarheid achter te houden, maar tegen deze mannen te spreken alsof het rechters zijn, en hen te vertellen of ik iets verkeerds heb gedaan."

50. Toen ik zo gesproken had, verhieven alle mensen gezamenlijk hun stem en riepen mij ‘weldoener’ en ‘redder’ in koor toe. Zij bevestigden hoe ik mij in het verleden had gedragen en riepen mij dringend op om zo door te gaan. Zij zwoeren allemaal onder ede dat hun vrouwen nooit waren gekwetst en dat niemand ooit door mij nadeel was berokkend. Daarna las ik de Galileeërs de twee brieven voor die door Jonathan en zijn metgezellen waren gestuurd en door de wachtposten, die ik had aangewezen om de wegen te bewaken, waren onderschept en aan mij waren overhandigd. Die stonden vol laster en leugens, alsof ik mij meer dan een tiran dan als een bevelhebber jegens hen had gedragen. Verder stond er nog van alles in, dat niet anders was dan onbeschaamde onwaarheden. Ik stelde de menigte ook op de hoogte van de manier waarop ik aan die brieven was gekomen, en dat de mensen die ze hadden gebracht ze vrijwillig hadden afgegeven. Ik wilde namelijk niet dat mijn vijanden iets over de wachtposten te weten zouden komen, omdat zij anders bang zouden worden en geen brieven meer zouden sturen.

51. Toen de menigte dat allemaal hoorde, werden zij zo razend op Jonathan en zijn handlangers die bij hem waren, dat zij zich op hen wilden storten en hen wilde afslachten. Zij hadden dat ongetwijfeld gedaan als ik de woede van de Galileeërs niet tot bedaren had gebracht. Ik zei dat "ik Jonathan en zijn mannen vergiffenis wilde schenken voor wat er voorgevallen was, als zij berouw zouden tonen en dat zij dan naar hun eigen land mochten teruggaan en de mensen die hen hadden gestuurd de waarheid moesten vertellen over mijn handelswijze." Nadat ik dat had gezegd, liet ik hen gaan, hoewel ik wist dat zij zich niets van wat ze hadden beloofd zouden houden. De menigte was echter nog steeds razend op hen en verzochten mij om hen toestemming te geven om hen te straffen voor hun onbeschaamdheid. Toch deed ik alle mogelijke moeite om hen ertoe te bewegen om de mannen te sparen, omdat ik wist dat iedere vorm van rebellie rampzalig zou zijn voor het algemene welzijn. De woede van de menigte was echter zo uitzinnig, dat ze niet in toom gehouden konden worden. Ze gingen allemaal rechtstreeks naar het huis waar Jonathan en zijn kameraden verbleven. Toen ik dus zag dat hun woede niet te kalmeren was, besteeg ik mijn paard en beval de menigte mij te volgen naar het dorp Sogane, dat vier kilometer van Gabara af lag. Door deze list, slaagde ik erin om de verdenking van mij af te schudden dat ik hen tot een burgeroorlog wilde aanzetten.

52. Toen ik de omgeving van Sogane had bereikt, liet ik de menigte halt houden. Ik drukte hen op het hart om zich niet zomaar woedend te laten maken, en dat deze manier van straffen later tot represaillemaatregelen kon leiden. Ik gaf ook opdracht aan ongeveer honderd, wat oudere mannen, die de meest vooraanstaande positie bij hen bekleedden, om zich gereed te maken om af te reizen naar Jeruzalem. Daar zouden zich bij het volk hun beklag moeten doen over de mensen die in het land opstanden uitlokten. Ik zei hen dat "als zij geraakt worden door wat jullie vertellen, moeten jullie de gemeenschap vragen of zij willen schrijven dat zij mij de opdracht geven om in Galilea te blijven en dat ze Jonathan en zijn vrienden het bevel geven om het land te verlaten." Nadat ik hen deze opdracht had duidelijk gemaakt, en zij zich zo snel ze konden gereed maakten, stuurde ik hen op de derde dag nadat zij zich hadden verzameld de volgende boodschap: ik stuur ook nog vijfhonderd gewapende manschappen met jullie mee. Daarna schreef ik mijn vrienden in Samaria het verzoek of zij erop wilden toezien dat zij ongedeerd door hun gebied konden trekken. Samaria stond namelijk al onder Romeins bestuur en om ze snel mogelijk naar Jeruzalem te kunnen reizen was het absoluut noodzakelijk om door dat district te reizen. Je kunt vanuit Galilea via die weg in drie dagreizen Jeruzalem bereiken. Ik reed ook zelf mee en begeleidde de mannen tot de grens van Galilea. Ik had wachtposten langs de wegen uitgezet, zodat niemand zomaar kon zien dat de mensen vertrokken. Daarna ging ik naar Japha en bleef daar enige tijd.

53. Jonathan en zijn makkers, die er niet in waren geslaagd om wat zij tegen mij van plan waren uit te voeren, stuurden Johannes terug naar Gisala. Zelf reden ze naar Tiberias, omdat ze verwachtten dat die stad zich aan hen zou overgeven. Dat baseerden zij op een brief, die Jezus, die destijds hun leider was, hen had geschreven. Hij beloofde hen daarin dat de menigte hen, als zij zouden komen, met open armen zou ontvangen en ervoor zou kiezen om door hen bestuurd te worden. Met die verwachting gingen zij op weg. Silas die, zoals ik al heb verteld, door mij als zaakgelastigde was aangesteld in Tiberias, stelde me daarvan op de hoogte en verzocht mij meteen naar hem toe te komen. Ik vreesde echter voor mijn leven, om de volgende redenen: Jonathan en zijn mannen waren in Tiberias en hadden heel veel mensen, die het met mij niet eens waren, overgehaald om mij in de steek te laten. Toen zij echter hoorden dat ik in aantocht was, vreesden ze voor hun leven en kwamen me tegemoet. Nadat zij mij hadden begroet, wensten ze mij geluk met mijn bekwame optreden bij het besturen van Galilea. Zij feliciteerden mij met de eer die mij te beurt was gevallen, en zeiden dat ik mijn grote faam aan hen had te danken, omdat ik veel van hen had geleerd en zij mijn medeburgers waren. Verder zeiden ze dat het alleen maar terecht was, dat zij mijn vriendschap verkozen boven die met Johannes. Zij hadden eigenlijk meteen naar huis willen gaan, maar ze waren gebleven omdat zij Johannes aan mij wilden uitleveren. En terwijl ze dat zeiden spraken zij daar hun eden over uit, de meest huiveringwekkende die zij kennen, zodat ik hen wel moest geloven. Zij verzochten mij echter om ergens anders een verblijfplaats te zoeken, omdat het de volgende dag sabbat was en het niet juist was om Tiberias op die dag in opschudding te brengen.

54. Nietsvermoedend vertrok ik naar Tarichea. Ik had wel een aantal mensen in de stad achtergelaten die moesten onderzoeken wat er eigenlijk aan de hand was en wat er over mij werd verteld. Langs de hele weg van Tarichea naar Tiberias stelde ik veel manschappen op, die het nieuws, dat zij zouden horen van de mensen die in de stad waren achtergebleven, aan elkaar door moesten geven. De volgende dag kwamen ze allemaal bijeen in de gebedsruimte. [22] Dat was een groot gebouw, waar een groot aantal mensen in konden. Jonathan kwam daar ook naartoe, en hoewel hij niet openlijk over een opstand durfde te spreken, zei hij wel dat de stad een betere bestuurder nodig had dan de huidige. Jezus echter, die zelf die bestuurder was, was minder terughoudend en zei openlijk het volgende: "Medeburgers! voor jullie is het beter om onderdanig te zijn aan vier mensen dan aan een, en zeker als ze van hoge komaf zijn en een zekere faam genieten wegens hun wijsheid." Hij wees daarop naar Jonathan en zijn mannen. Nadat hij dat had gezegd, trad Justus binnen en prees hem voor wat hij had gezegd. Een aantal mensen kon hij overtuigen. De rest van de menigte was echter niet tevreden over wat er was gezegd en zou ongetwijfeld stampij hebben gemaakt, als het zesde uur, dat op dat moment aanbrak, geen einde had gemaakt aan de bijeenkomst. Dat is namelijk het tijdstip waarop wij volgens onze wetten op de sabbat onze maaltijd moeten gebruiken. Jonathan en zijn mannen verdaagden dus de vergadering naar de volgende dag en vertrokken onverrichterzake. Nadat ik over deze zaken was ingelicht, besloot ik de volgende ochtend naar Tiberias te gaan. Ik vertrok dus de dag daarop op het eerste uur van de dag uit Tarichea en trof de menigte al bijeen in de gebedsruimte aan. De mensen die zich daar hadden verzameld hadden geen idee waarom zij daar waren. Toen Jonathan en zijn mannen mij daar echter onverwacht in het oog kregen, raakten ze in verwarring. Daarna verspreidden zij het gefingeerde gerucht dat er Romeinse ruiters waren gesignaleerd op een plek die Eenheid wordt genoemd, in het grensgebied van Galilea en op een afstand van vijf kilometer van de stad. Toen zij daar verslag van hadden gedaan oefende Jonathan en zijn makkers heel doortrapt druk op mij uit om die zaak niet te veronachtzamen, en niet het land zomaar door de vijanden te laten plunderen. Dat zeiden ze met de bedoeling om mij de stad uit te krijgen, onder het voorwendsel dat mijn hulp extra nodig was, zodat zij de stad ertoe zouden kunnen bewegen om mij de vijandschap te verklaren.

55. Hoewel ik hun bedoeling doorhad, stemde ik toch in met hun voorstel, omdat de bevolking van Tiberias anders een reden zou hebben om te denken dat ik mij niet om hun veiligheid bekommerde. Ik ging dus op weg en toen ik ter plekke was aangekomen was er niet het minste spoor van een vijand te bekennen. Ik keerde dus zo snel ik kon weer terug en trof de hele vergadering bijeen, samen met de hele bevolking. Jonathan en zijn makkers brachten net felle beschuldigden tegen mij in. Ik zou iemand zijn die geen enkele moeite deed om voor hen de last van een oorlog te verlichten en ook iemand die een luxe leventje leidde. Tijdens de discussie haalden ze vier brieven tevoorschijn, die geschreven zouden zijn door verschillende mensen die tegen de grens van Galilea aan woonden. Zij verzochten daarin dringend om hulp, omdat daar een Romeinse legermacht, met ruiters en voetvolk was gesignaleerd die binnen drie dagen zouden binnenvallen en van plan waren om de streek te plunderen. Zij verzochten dringend om hulp en wilden niet aan hun lot overgelaten worden. Toen de burgers van Tiberias dat hoorden, dachten zij dat ze de waarheid spraken en maakten misbaar tegen mij. Ze zeiden dat ik niet moest blijven wachten, maar dat ik hun landgenoten te hulp moest komen. Daarop zei ik (want ik begreep heel goed waar Jonathan en zijn makkers op uit waren), dat ik bereid was om aan hun voorstel gehoor te geven, en onverwijld naar het oorlogsgebied wilde vertrekken waar zij het over hadden. Tegelijkertijd gaf ik hen echter de raad om hun legermacht in vijf groepen te verdelen, omdat uit de brieven bleek dat de Romeinen op vier verschillende plaatsen zouden binnenvallen. Ze moesten Jonathan en zijn vrienden dan ieder bevelhebber van een van die groepen maken, omdat dappere mannen niet alleen raad behoren te geven, maar ook leiderschap moeten kunnen betonen en hun landgenoten moeten kunnen helpen als dat nodig is. Ikzelf, zei ik, kan maar over een groep tegelijk het bevel voeren. De menigte vond dat een hele goede raad en dus dwongen zij ook hen om ten strijde te trekken. Hun plannen werden daardoor dus vreselijk in de war gestuurd, omdat zij niet konden doen wat ze hadden gewild, en dat allemaal door mijn list, die een heel andere uitwerking had dan zij hadden gedacht.

56. Er was in die tijd iemand die Ananias heette, een kwaadaardige en zeer slechte man. Hij stelde voor om voor de volgende dag voor alle mensen een gezamenlijk een religieus feest te organiseren. Ze moesten dan ongewapend op hetzelfde tijdstip en op dezelfde plaats bij elkaar komen om voor God te getuigen dat ze vonden dat alle wapens nutteloos waren als Hij hen maar hulp zou bieden. Dat zei hij niet uit vroomheid, maar omdat ze mij en mijn vrienden dan ongewapend zouden kunnen inrekenen. Ik voelde mij gedwongen om daarmee in te stemmen, omdat het anders zou kunnen lijken alsof ik een voorstel, dat met vroomheid heeft te maken, niet naar waarde zou schatten. Zodra we waren vertrokken en weer naar huis waren gegaan, schreven Jonathan en zijn mannen aan Johannes met het verzoek om de volgende ochtend met zoveel mogelijk manschappen naar het toe te komen. Ze zouden me dan op eenvoudige manier in handen kunnen krijgen en alles kunnen doen wat ze wilden. Toen Johannes die brief had gekregen, besloot hij daarop in te gaan. Zelf liet ik de dag daarop twee van mijn lijfwachten, - in mijn ogen de meest dappere en trouwe, - dolken onder hun kleren verbergen en droeg hen op mij te vergezellen, zodat wij onszelf konden verdedigen, als onze vijanden ons zouden aanvallen. Ik deed zelf een borstschild aan, gordde mijn zwaard om, op een manier waarop het zoveel mogelijk verborgen was, en ging de gebedsruimte binnen.

57. Jezus, die de leiding had en zelf de ingang bewaakte, liet alleen maar zijn eigen vrienden toe. Hij had opdracht gegeven om alle mensen die met mij mee zouden komen niet naar binnen te laten. En terwijl wij bezig waren met de verplichtingen van die dag en ons aan onze gebeden hadden gewijd, stond Jezus op en vroeg mij wat er was gebeurd met de kostbaarheden en het ongemunte zilver, die uit het koninklijke paleis waren gehaald, toen het in brand stond en wie die nu in zijn bezit had. Hij zei dat omdat hij tijd wilde rekken, totdat Johannes kwam. Ik zei dat die allemaal bij Capellus en de tien meest vooraanstaande mannen van Tiberias waren en ik voegde daaraan toe dat hij hen best mocht vragen of ik dat al dan niet loog. Zij bevestigden dat. Daarna vroeg hij mij wat er was gebeurd met de twintig goudstukken die ik ontvangen had bij de verkoop van een hoeveelheid ongemunt goud. Ik antwoordde dat ik dat als reisgeld aan hun eigen afgevaardigden had gegeven, die toen naar Jeruzalem werden gestuurd. Daarop zeiden Jonathan en zijn mannen dat ik onjuist had gehandeld door de afgezanten te betalen met geld uit de staatskas. Toen werden de aanwezigen woedend op hen, omdat zij doorhadden hoe doortrapt ze waren. Ik begreep dat er een oproer dreigde en omdat ik de mensen graag nog woedender op hen wilde maken, zei ik: "Als ik er niet goed aan heb gedaan door de gezanten uit de staatskas te betalen, wees dan maar niet langer boos op me, want dan zal ik die twintig goudstukken uit mijn eigen zak terugbetalen."

58. Toen ik dat had gezegd, waren Jonathan en zijn mannen sprakeloos. Het volk was echter nog bozer op hen, omdat zij openlijk laten zien dat zij mij onterecht onheus bejegenden. Toen Jezus die stemmingsverandering bij de aanwezigen merkte, beval hij dat ze moesten vertrekken. De raad verzocht hij te blijven. Dat deed hij omdat ze dergelijke zaken niet bij zo’n hevig kabaal konden onderzoeken. Terwijl de mensen schreeuwden dat zij mij niet alleen achter zouden laten, kwam iemand naar binnen, nam Jezus en zijn vrienden apart en vertelde hen dat Johannes en zijn gewapende manschappen in aantocht waren. Jonathan en zijn makkers konden zich toen niet langer inhouden. (misschien kwam het door Gods voorzienigheid, dat ik kon ontsnappen, want anders was ik ongetwijfeld door Johannes gedood). Hij zei: "Volk van Tiberias! hou nou op met dat onderzoek naar die twintig goudstukken. Josephus verdient niet dat hij daarom wordt gedood, maar hij heeft het wel verdiend voor zijn zucht naar tirannie en omdat hij de inwoners van Galilea met zijn praatjes om de tuin heeft geleid. Hij wilde hen in zijn macht krijgen." Nadat hij dat had gezegd grepen ze mij meteen vast en probeerden mij te doden. Zodra de mensen, die bij mij waren, echter zagen wat zij deden, trokken zijn hun dolken en dreigden toe te stoten als zij enig geweld tegen mij zouden gebruiken. Ook het volk raapte stenen op en wilden die naar Jonathan werpen. Zo ontrukten zij mij aan het geweld van mijn vijanden.

59. Ik had nog maar een korte afstand afgelegd, toen ik bijna op Johannes stuitte, die net met zijn gewapende manschappen kwam aanmarcheren. Omdat ik bang voor hem was, ging ik hem uit de weg en ontkwam langs een smal weggetje naar het meer. Daar bemachtigde ik een boot, ging aan boord en zeilde het meer over naar Tarichea. Zo ontsnapte ik, buiten verwachting, aan dit gevaar. Meteen liet ik de meest belangrijke Galileeërs bij mij komen en vertelde hen op welke manier ik, ondanks al hun beloften, op een haar na aan de dood was ontkomen, wat door Jonathan en zijn makkers en de inwoners van Tiberias was beraamd. Daarop ontstak de menigte Galileeërs in grote woede en moedigde me aan om niet langer te wachten, maar hen meteen de oorlog te verklaren. Zelf vroegen ze mij toestemming om tegen Johannes ten strijde te trekken en zowel hem als Jonathan en zijn makkers te mogen vernietigen. Hoewel zij zo razend waren, lukt het mij toch om hen te kalmeren. Ik verzocht hen met klem om nog even af te wachten, totdat wij hadden gehoord wat de bevelen waren, die de afgezanten die naar Jeruzalem waren gestuurd, mee terug zouden brengen. Ik vertelde hen dat het beter voor hen was, als zij hun besluiten zouden uitvoeren. Ze legden zich daarbij neer. Rond die tijd keerde ook Johannes, die had gemerkt dat zijn plannen waren mislukt, terug naar Gisala.

60. Een paar dagen later keerden de afgezanten, die hij had weggestuurd, weer terug en vertelden ons dat de inwoners van Jeruzalem vreselijk boos waren op Ananus, Simon de zoon van Gamaliel en hun vrienden, omdat zij zonder dat daarover een raadsbesluit was genomen, mensen naar Galilea hadden gestuurd en pogingen hadden ondernomen om mij af te zetten. Verder vertelden de afgezanten dat het volk hun huizen in brand wilde steken. Zij brachten ook brieven mee, waarin de bestuurders van Jeruzalem, op uitdrukkelijk verzoek van het volk, mijn bewind over Galilea bekrachtigden. Zij eisten dat Jonathan en zijn mannen onmiddellijk naar huis terug zouden keren. Nadat ik deze brieven had gelezen, vertrok ik naar het dorp Arbela. Daar riep ik de Galileeërs in een vergadering bijeen, en verzocht de afgezanten te vertellen hoe woedend de inwoners van Jeruzalem waren geweest over alles wat Jonathan en zijn bende hadden aangericht, en hoezeer zij hun kwaadaardige acties verafschuwden; ook over de manier waarop zij mijn bewind over hun land hadden bekrachtigd en over het schriftelijke bevel aan Johannes en zijn makkers om het land te verlaten. Ik liet hen meteen de brief brengen en verzocht de koerier om zijn uiterste best te doen om er achter te komen wat zij van plan waren.

61. Toen zij die brief hadden ontvangen raakten zij daardoor vreselijk van slag en lieten Johannes, de raadsleden van Tiberias en de belangrijkste mannen uit Gabara komen. Zij stelden voor om een beraad te houden en wilden dat zij zou zouden bedenken wat ze zouden moeten doen. De raadsleden van Tiberias vonden echter dat zij het bestuur aan zichzelf moesten houden. Ze zeiden dat zij hun stad, die hen het vertrouwen had geschonken, niet in de steek mochten laten, want dat ik die dan meteen binnen zou vallen. Zij beweerden onterecht dat ik daarmee had gedreigd. Johannes was het daar niet alleen mee eens, maar hij raadde hen ook aan om twee van hun mensen naar Jeruzalem te sturen om mij daar ten overstaan van alle inwoners te beschuldigen van het feit dat ik het bewind over Galilea niet uitoefende zoals ik zou moeten doen. Hij zei verder dat zij hen, door hun aanzien en omdat het hele volk zo wispelturig was, daar gemakkelijk van konden overtuigen. Toen dus bleek dat Johannes hen het beste voorstel had gedaan, besloten zij om twee van hen, Jonathan en Ananias, naar Jeruzalem te sturen. De twee anderen, Simon en Joazar zouden in Tiberias achterblijven. Ter bescherming namen zij ook honderd soldaten mee.

62. De bestuurder van Tiberias lieten uit voorzorg de muren versterken en droegen hun burgers op hun wapens op te nemen. Zij verzochten ook Johannes om een groot aantal soldaten te sturen, om hen tegen mij bij te staan, als het nodig mocht zijn. Johannes was op dat moment in Gisala. Jonathan en zijn mannen waren uit Tiberias vertrokken en naar Dabarita gegaan, een dorp dat op de grote vlakte aan de uiterste grens van Galilea ligt. Daar vielen ze rond middernacht in handen van de wachtposten die ik daar had opgesteld. Zij bevalen hen hun wapens neer te leggen en hielden hen ter plekke gevangen, zoals ik hen had opgedragen. Van dit nieuws werd ik op de hoogte gesteld door Levi, die ik als commandant over die post had aangesteld. Twee dagen lang zei ik daar geen woord over. Daarna stuurde ik, alsof ik er helemaal niet van afwist, een boodschap naar de inwoners van Tiberias, waarin ik hen aanraadde om hun wapens neer te leggen en de gezanten vrij te laten, zodat ze weer naar huis konden. Omdat zij echter veronderstelden dat Jonathan en zijn mannen al in Jeruzalem waren aangekomen, stuurden mij een schandelijk antwoord. Ik werd daar helemaal niet door afgeschrikt, maar bedacht opnieuw een list. Het leek mij namelijk niet verenigbaar met een vrome instelling om het oorlogsvuur tegen mijn medeburgers aan te wakkeren. Omdat ik heel graag die mannen Tiberias uit wilde krijgen, koos ik tienduizend van mijn beste gewapende manschappen uit, en verdeelde hen in drie groepen. Vervolgens gaf ik hen de opdracht om in het geheim naar de dorpen te gaan en daar in een hinderlaag te gaan liggen. Duizend man stuurde ik naar een ander dorp, dat net als de andere in de bergen ligt, maar achthonderd meter van Tiberias af. Ik gaf hen de opdracht om meteen naar de vlakte af te dalen, zodra zij een teken van mij kregen. Zelf koos ik met mijn eigen soldaten een positie waarin iedereen mij kon zien. Toen de inwoners van Tiberias mij in het oog kregen, renden ze onophoudelijk de stad in en uit en slingerden mij vreselijke verwensingen naar het hoofd. Hun waanzin ging zover, dat zij een keurige lijkbaar voor mij maakten, waar zij rondomheen gingen staan en spottend en voor de grap begonnen te weeklagen. Bij het zien van die krankzinnige vertoning, kon ik alleen maar bij mijzelf glimlachen.

63. Omdat ik Simon en Joazar in de val wilde lokken, stuurde ik ze een boodschap met de uitnodiging voor een ontmoeting even buiten de stad. Zo mochten zoveel vrienden meenemen als ze wilden. Ik liet hen weten dat ik naar ze toe zou komen, een bondgenootschap met hen wilde sluiten en dan het bestuur over Galilea met hen wilde delen. Simon liet zich verleiden, omdat hij onvoorzichtig en op geld uit was en aarzelde niet om te komen. Joazar vermoedde echter dat het een valstrik was en kwam niet. Simon kwam dus met zijn vrienden, die als zijn lijfwacht dienden. Ik liep hem tegemoet, begroette hem uiterst hoffelijk en vertelde hem dat ik zijn komst zeer op prijs stelde. Even later nam ik hem apart onder het voorwendsel dat ik iets met hem onder vier ogen wilde bespreken. Nadat ik hem zo uit de buurt van zijn vrienden had geleid, greep ik hem rond zijn middel en leverde hem over aan mijn vrienden die ik bij mij had, die hem naar een dorp moesten brengen. Daarna gaf ik mijn gewapende manschappen het bevel om naar de vlakte af te dalen en deed ik met hen een aanval op Tiberias. Het werd een hevig gevecht aan beide kanten. De soldaten die voor Tiberias vochten waren niet ver van een overwinning op mij af, (want mijn gewapende manschappen waren op de vlucht geslagen). Ik overzag mijn situatie en vuurde nogmaals mijn mannen aan. Hoewel de mannen van Tiberias al bijna de overwinning hadden behaald, lukte het mij toch om hen de stad in te laten jagen. Ik stuurde ook een andere groep soldaten, die vanaf de kant van het meer de stad binnen moesten vallen en gaf hen de opdracht om het eerste huis dat ze in handen kregen in brand te steken. Toen ze dat gedaan hadden, dachten de inwoners van Tiberias dat hun stad al ingenomen was. Uit angst gooiden zij hun wapens neer en smeekten mij, samen met hun vrouwen en kinderen, om de stad te sparen. Ik zwichtte voor hun smeekbeden en gaf de soldaten, die onstuimig achter hen aanjoegen, het bevel om zich in te tomen. Toen de avond inviel trok ik mij met mijn soldaten terug om mij wat op te frissen. Ik nodigde Simon uit om samen met mij de maaltijd te gebruiken en stelde hem gerust over het gebeurde en beloofde hem dat hij veilig naar Jeruzalem zou kunnen afreizen en dat ik hem bovendien reisgeld zou meegeven.

64. De volgende dag trok ik met tienduizend gewapende manschappen naar Tiberias. Ik liet de belangrijkste mannen van de bevolking naar het stadsplein komen en verzocht hen te vertellen wie de aanstichters van de opstand waren. Nadat zij mij hun namen hadden gegeven, liet ik hen geboeid naar Jotapata overbrengen. Jonathan en Ananias bevrijdde ik van hun boeien en gaf hen proviand mee voor de reis naar Jeruzalem. Ik stuurde Simon en Joazar, met vijfhonderd gewapende manschappen als lijfwachten met hen mee. De inwoners van Tiberias kwamen nogmaals naar mij toe en verzochten mij vergiffenis voor wat ze hadden gedaan. Ze zeiden dat ze wat ze mij hadden misdaan weer goed wilden maken door mij in het vervolg loyaal te zijn. Verder verzochten ze mij of ik, wat er buit was gemaakt bij de plundering van de stad, wilde teruggeven aan de mensen van wie dat was afgenomen. Ik gaf dus iedereen die iets had buitgemaakt het bevel om het bij mij in te leveren. Daar gaven ze een hele tijd geen gehoor aan. Op gegeven moment zag ik een van mijn soldaten lopen met een ongewoon mooi kleed. Ik vroeg hem waar hij dat vandaan had en toen hij mij antwoordde dat hij dat bij de plundering van de stad had buitgemaakt, liet ik hem met stokslagen straffen. Ik dreigde de anderen met strenge straffen, als zij niet alles wat zij hadden buitgemaakt bij mij zouden inleveren. Er kwamen toen een heleboel spullen tevoorschijn, en ik gaf iedere inwoner van Tiberias de spullen terug waarvan hij beweerde dat het zijn eigendom was.

65. Nu ik bij dit gedeelte van mijn relaas ben aangeland, heb ik de behoefte om enkele woorden tot Justus te richten, die zelf ook een verhaal over deze gebeurtenissen heeft geschreven, en ook aan al die anderen die beweren dat ze geschiedenis schrijven, maar weinig oog voor de waarheid hebben en er niet voor terugdeinzen om, of uit kwaadwillendheid of uit goedwillendheid jegens bepaalde mensen, leugens vertellen. Zij doen precies hetzelfde als mensen die valse akten en contracten opstellen, want omdat zij daarvoor niet worden gestraft, nemen zij een loopje met de waarheid. Justus heeft dus ook, toen hij de taak op zich had genomen om over deze gebeurtenissen en de joodse oorlog te schrijven, gelogen in wat hij over mij schrijft, en ondanks dat het lijkt alsof hij zijn best heeft gedaan, heeft hij niet eens de waarheid over zijn eigen land verteld! Omdat hij dus over mij heeft gelogen, voel ik mij gedwongen om mijzelf te verdedigen en zal ik vertellen wat ik tot nu toe heb verzwegen. Niemand zal zich erover verbazen dat ik deze dingen niet veel eerder openbaar heb gemaakt. Hoewel een geschiedschrijver de waarheid moet vertellen, hoeft zo iemand zich niet per se ongunstig uit te laten over de schanddaden van bepaalde personen, niet uit enig respect voor hen, maar uit eigen bescheidenheid. Hoe is het dan zover gekomen, Justus!, jij, de meeste scherpzinnige van alle schrijvers, (ik zal mij tot hem richten, alsof hij zelf aanwezig is) want daar ga je prat op, dat jij beweert dat ik en de Galileeërs de aanstichters zijn geweest van de opstand tegen de Romeinen en koning Agrippa, waar jouw land in verwikkeld was? Immers, nog voordat ik door de raad van Jeruzalem tot bestuurder over Galilea werd aangesteld, hadden jij en de bevolking van Tiberias niet alleen de wapens opgenomen, maar ook al in Syrië oorlog gevoerd tegen Decapolis. Jij hebt daar zelf dorpen in brand laten steken en je eigen dienaar is daar in het gevecht gesneuveld. Ik ben niet de enige die dat zegt, maar het staat ook in de memoires van keizer Vespasianus. Daarin staat ook hoe de bewoners van Decapolis, hevig misbaar makend, bij Vespasianus in Ptolemais kwamen en eisten dat jij, die immers de aanstichter van die oorlog was, streng gestraft zou worden. Je had ongetwijfeld, in opdracht van Vespasianus, die straf ondergaan, als koning Agrippa, die de bevoegdheid had om jou ter dood te laten brengen, op de dringende smeekbeden van zijn zuster Berenice, die straf niet van de doodstraf had veranderd in een langdurige opsluiting. Ook jouw latere politieke bemoeienissen brengen niet alleen die andere kant van je gedrag duidelijk aan het licht, maar ook dat jij de aanstichter bent geweest van de rebellie van jouw volk tegen de Romeinen. Ik zal daar zo meteen de duidelijke bewijzen voor aandragen. Ik vind dat ik ook een paar woorden over jou moet richten tegen de andere inwoners van Tiberias en hen met dit hele verhaal moet duidelijk maken, dat jij je nooit loyaal hebt gedragen, noch tegenover de Romeinen, noch tegenover de koning. Zonder twijfel, Justus, waren Sepphoris en jouw geboortestad Tiberias, de belangrijkste steden van Galilea. Sepphoris ligt echter midden in Galilea en is omringd door vele dorpen. Als zij dat zouden willen, zouden de bewoners het voor de Romeinen zonder moeite heel lastig kunnen maken. Toch hebben zij besloten om trouw te blijven aan hun machthebbers. Tegelijkertijd lieten de inwoners mij niet in hun stad toe en verboden al hun burgers om zich bij de Joden aan te sluiten en samen oorlog te voeren. Door een list wisten ze toestemming van mij te krijgen om hun stad met muren te versterken. Dat wilden zij nota bene omdat ze dan van mij geen gevaar meer hadden te duchten. Op eigen houtje lieten ze ook nog een Romeins garnizoen binnen, dat hen was gestuurd door Cestius Gallus, die destijds gouverneur over Syrië was. Ze toonden dus geen enkel respect voor mij, hoewel ik toen heel machtig was en ze allemaal heel bang voor me waren. Ook toen in diezelfde tijd onze hoofdstad Jeruzalem werd belegerd en onze tempel, die van ons allemaal is, in handen van de vijand dreigde te vallen, zonden ze geen hulp, omdat zij niet wilden dat iemand zou kunnen denken dat zij de wapens tegen de Romeinen wilden opnemen. Jouw stad echter, Justus, die aan het meer van Gennesareth ligt, op een afstand van vijf kilometer van Hippos, tien kilometer van Gadara en twintig kilometer van Scythopolis, dat onder het bewind van de koning viel, en waar geen enkele joodse stad in de buurt ligt, had zonder moeite loyaal kunnen blijven aan de Romeinen, als zij dat had gewild, want de stad en de inwoners beschikten ook nog over een overvloed aan wapens. En jij durft dus te beweren dat ik toen de aanstichter van de opstand was. Mag ik je dan vragen, Justus, wie die aanstichter daarna was? Je weet best dat ik, voordat Jeruzalem werd belegerd, in handen was van de Romeinen. Dat was ook voordat Jotapata en veel andere vestingen werden veroverd en een groot aantal Galileeërs in de oorlog sneuvelden. Het kwam jullie dus goed uit, toen jullie niet meer bang voor mij hoefden te zijn, om jullie wapens neer te leggen en de koning en de Romeinen ervan te overtuigen dat jullie niet vrijwillig, maar onder dwang een oorlog met hen waren begonnen. Jullie bleven gewoon wachten totdat Vespasianus met zijn hele leger zelf kwam opdagen. Pas toen hij voor jullie muren stond hebben jullie inderdaad uit angst jullie wapens neergelegd. Jullie stad zou vast en zeker met geweld zijn ingenomen, als Vespasianus niet gezwicht was voor het dringende verzoek van de koning, die zich verontschuldigde voor jullie dwaasheid. Ik was het dus niet die dat allemaal heeft aangericht, maar jullie eigen oorlogszuchtigheid. Weet je dan niet meer hoevaak ik jullie in handen heb gehad en toch nooit iemand van jullie heb laten doden? Jullie rolden zelf van de ene opstand in de andere en doodden honderdvijfentachtig van jullie eigen mensen, niet uit loyaliteit jegens de koning of de Romeinen, maar omdat jullie zelf zo dwaas waren. En dat terwijl ik op dat moment in Jotapata door de Romeinen werd belegerd. Waren er soms niet alles bij elkaar tweeduizend inwoners van Tiberias die meededen aan het beleg van Jeruzalem, waarbij een aantal sneuvelden en de overigen gevangen werden genomen? Je zult vast beweren dat jij niet bij die oorlog betrokken was, omdat jij je toevlucht bij de koning had gezocht. Dat heb je inderdaad gedaan, maar ik zeg je dat dat uit angst was voor mij. Jij beweert dus dat ik een schurk ben. Waarom heeft koning Agrippa, die jouw leven heeft gered toen jij door Vespasianus ter dood was veroordeeld en jou overladen heeft met rijkdommen, jou dan later dan twee keer in de boeien laten sluiten? Hoe vaak heeft hij je niet gedwongen om je stad te ontvluchten? Heeft hij je soms niet gratie verleend op een dringend verzoek van Berenice, toen hij je een keer zelf ter dood had veroordeeld? Toen hij jou (na al die boevenstreken) toch nog tot zijn secretaris had benoemd, heeft hij jou erop betrapt dat jij zijn brieven vervalste, en je de laan uitgestuurd. Ik zal echter niet dieper op al die schandalige zaken ingaan. Ik kan me alleen maar verbazen over je schaamteloosheid, als je durft te beweren dat jij beter verslag hebt gedaan van al die gebeurtenissen, dan alle anderen die daarover hebben geschreven. Je weet niet eens wat er aan de hand was in Galilea. Toen was je namelijk bij de koning in Berytus. Je weet dus ook niet hoeveel verliezen de Romeinen hebben geleden bij de belegering van Jotapata of hoeveel ellende zij ons hebben aangedaan. Je hebt dus ook niet zelf nagegaan wat ikzelf tijdens dat beleg heb gedaan, want iedereen die jou die inlichtingen had kunnen verschaffen is tijdens die belegering gesneuveld. Misschien zul je beweren dat jij nauwkeurig verslag hebt gedaan van alles wat de bevolking van Jeruzalem is aangedaan. Hoe zou jij dat kunnen? Op de eerste plaats was jij niet bij die oorlog betrokken en verder heb je de memoires van de keizer niet gelezen. Dat blijkt duidelijk uit het feit dat jij in jouw verhaal in tegenspraak bent met de memoires van de keizer. Als jij zo benadrukt dat jij die gebeurtenissen beter heb beschreven dan alle anderen, waarom heb jij jouw verhaal dan niet gepubliceerd toen de keizers Vespasianus en Titus, die bevelhebber in die oorlog waren, en koning Agrippa en zijn familie, die buitengewoon goed op de hoogte waren van Griekse wetenschappen, nog in leven waren? Je hebt het allemaal twintig jaar geleden opgeschreven, en toen had je hen nog zelf kunnen vragen of het allemaal klopte. Nu die mensen echter niet meer onder ons zijn, en jij denkt dat je niet meer tegengesproken kunt worden, durf je het te publiceren. Ik was helemaal niet op die manier bang voor mijn eigen werk, maar heb mijn boeken zelf aan de keizers aangeboden, toen de feiten hen nog helder voor ogen stonden. Ik wist dat ik de feiten waarheidsgetrouw had weergegeven en verwachtte dat zij dat zouden bevestigen. In die verwachting ben ik niet teleurgesteld. Bovendien heb ik mijn verhaal meteen aan veel andere mensen laten lezen, waarvan een aantal zelf aan de oorlog hadden deelgenomen, zoals koning Agrippa en sommige van familieleden. Keizer Titus wilde zelfs zo graag dat de informatie over deze gebeurtenissen alleen uit deze boeken zou worden gehaald, dat hij ze voorzag van zijn eigen handtekening en opdracht gaf om ze te publiceren. Koning Agrippa schreef mij in het totaal tweeënzestig brieven, en bevestigde dat wat ik had opgeschreven waarheidsgetrouw was. Twee van die brieven voeg ik hierbij, zodat je kunt lezen waar ze over gaan:

"Koning Agrippa aan Josephus, zijn zeer dierbare vriend, gegroet. Met zeer veel genoegen heb ik je boek gelezen. Ik ben van oordeel dat jij veel zorgvuldiger te werk bent gegaan dan alle anderen die over dit onderwerp hebben geschreven. Zend mij ook de overige delen. Vaarwel."

"Koning Agrippa aan zijn zeer dierbare vriend Josephus, gegroet. Uit wat je hebt geschreven blijkt dat je geen adviezen nodig hebt over hoe je ons van begin tot eind over alles kunt inlichten. Wanneer je mij zult ontmoeten, zal ik je op mijn beurt nog vele onbekende details onthullen."

Pas nadat ik deze geschiedschrijving had voltooid schreef Agrippa dat, niet om mij te vleien, want zo is hij niet, en ook niet als een ironisch bedoelde opmerking, wat jij vast zult zeggen, (want een dergelijke kwaadaardige instelling was hem volmaakt vreemd) maar als bevestiging van het feit dat het allemaal waarheidsgetrouw was, wat overigens iedereen die mijn geschiedschrijvingen leest zal doen. Ik voel mij verplicht om deze uitweiding toe te voegen, maar dat is alles wat ik over Justus wil zeggen.

66. Nadat ik inTiberias orde op zaken had gesteld, riep ik mijn vrienden in een vergadering bijeen en overlegden wat wij verder met Johannes aan moesten. Het bleek dat alle Galileeërs vonden dat ik hen allemaal van wapens moest voorzien, dat wij dan tegen Johannes moesten optrekken en hem moesten straffen, omdat hij de aanstichter was geweest van alle wanordelijkheden die er waren voorgevallen. Ik was onaangenaam verrast door hun besluit, omdat ik van plan was om deze problemen zonder bloedvergieten op te lossen. Daarom spoorde ik hen aan om met de grootst mogelijke behoedzaamheid achter de namen te komen van de aanhangers van Johannes. Nadat ze dat hadden gedaan en ik dus wist wie het waren, liet ik een bevelschrift uitgaan, waarin aan alle leden van de groep van Johannes een vrijgeleide aanbood en mijn woord van eer, als zij berouw wilden tonen. Ik gaf hen twintig dagen de tijd om te bedenken welke te volgen lijn voor hen het meest voordelig was. Ik dreigde ook hun huizen in brand te laten steken en hun bezittingen in het openbaar te laten veilen als zij hun wapens niet zouden neerleggen. Toen de mannen dat hoorden raakten ze helemaal van slag en keerden zich van Johannes af. In totaal legden vierduizend mannen hun wapens neer en liepen naar mij over. Johannes bleef dus alleen achter met zijn eigen medeburgers en ongeveer vijftienhonderd vreemdelingen uit Tyrus. Toen Johannes merkte dat hij door mijn list buitenspel was gezet, waagde hij zich niet meer buiten zijn eigen stad. Hij was heel bang voor mij.

67. Rond die tijd werden de inwoners van Sepphoris zo vrijpostig dat ze de wapens opnamen. Ze vertrouwden op de sterkte van hun muren en zagen ook dat ik met andere zaken bezig was. Zij stuurden een boodschap aan Cestius Gallus, die gouverneur was van Syrië, met het verzoek of hij onmiddellijk naar hen toe wilde komen om het beheer over de stad over te nemen, of hen een garnizoen te sturen. Gallus beloofde hen dat hij zou komen, maar zei geen woord over het tijdstip. Toen ik daarvan op de hoogte werd gesteld, ondernam ik met mijn soldaten een aanval op Sepphoris en nam de stad met geweld in. De Galileeërs wilden van deze gelegenheid gebruik maken, omdat zij dachten dat er nu een geschikt moment was aangebroken om te laten zien hoezeer zij hen haatten en omdat ze die stad vijandig gezind waren. Zij troffen dus uitgebreide voorbereidingen, alsof zij alle inwoners en de mensen die daar tijdelijk verbleven, allemaal uit wilden roeien. Ze stormden de stad binnen en staken de huizen die zij zonder bewoners aantroffen, omdat de mensen allemaal in paniek naar de burcht waren gevlucht, in brand. De Galileeërs roofden alles wat los en vast zat en lieten niet na om alles van hun landgenoten te verwoesten. Toen ik dat zag was ik zeer aangedaan. Ik beval hen daarmee op te houden en hield hen voor dat het schandalig was om hun eigen landgenoten zo te behandelen. Toen zij niet wilden luisteren naar mijn vermaningen en evenmin aan mijn bevelen gehoorzaamden (want de haat die zij die mensen toedroegen was zo hevig dat mijn vermaningen daar niet tegenop konden) smeekte ik de vrienden, die mij het meest trouw waren, het gerucht te verspreiden dat de Romeinen bezig waren om met een grote troepenmacht op een andere plek in de stad binnen te vallen. Ik hoopte dat ik, door dat bericht te verspreiden, het geweld van de Galileeërs in zou kunnen tomen en zo Sepphoris zou kunnen sparen. Uiteindelijk slaagde mijn list. Toen de mannen namelijk dat bericht hoorden en beseften dat ze zelf in gevaar verkeerden, hielden ze op met plunderen en gingen op de vlucht, vooral omdat ze mij, hun eigen bevelhebber, datzelfde zagen doen. Ik deed namelijk zelf ook alsof net zoals zij in gevaar verkeerde, om ervoor te zorgen dat zij dat bericht serieus namen. Zo werden de inwoners van Sepphoris onverwacht gered door mijn vindingrijkheid.

68. Ook Tiberias was bijna, op dezelfde manier, door de Galileeërs geplunderd. Er gebeurde namelijk het volgende: de belangrijkste raadsleden hadden een brief naar de koning geschreven met het verzoek of hij naar hen toe wilde komen om het bestuur van de stad over te nemen. Als antwoord op hun brief schreef de koning dat hij bereid was om te komen. Hij gaf die brief aan een van zijn bedienden, die Crispus heette, en een Jood van geboorte was, om die naar Tiberias te brengen. De Galileeërs kregen in de gaten dat die man een brief bij zich had, namen hem gevangen en brachten hem naar mij toe. Zodra de hele menigte daar hoogte van kreeg werden ze razend en wilden hun wapens opnemen. Een groot aantal kwam de volgende dag van alle kanten bijeen en begaven zich naar Asochis, waar ik op dat moment verbleef. Zij maakten een vreselijk kabaal en riepen dat de mensen uit Tiberias verraders waren en hielenlikkers van de koning. Ze vroegen mij toestemming om naar de stad af te dalen en die met de grond gelijk te maken. Zij haatten de inwoners van Tiberias net zo erg als die van Sepphoris.

69. Toen ik dat hoorde wist ik niet zo goed wat ik moest doen en hoe ik Tiberias aan de woede van de Galileeërs kon laten ontkomen. Ik wist dat ik niet kon ontkennen dat de inwoners van Tiberias een brief naar de koning hadden geschreven met de uitnodiging om naar hen toe te komen, want zijn schriftelijk antwoord aan hen, zou dat onherroepelijk aantonen. Nadat ik daar lang over na had gedacht, zei ik tegen hen: "Ik weet best dan de inwoners van Tiberias onjuist hebben gehandeld en ik zal jullie dus niet verbieden om de stad te plunderen. Jullie moeten daarbij wel met een aantal dingen rekening houden. De inwoners van Tiberias zijn niet de enigen die onze vrijheid hebben verraden, maar veel van de zogenaamd meest vaderlandslievende Galileeërs, hebben hetzelfde gedaan. Wacht daarom totdat ik heb achterhaald wie ervoor hebben gezorgd dat wij gevaar hebben gelopen. Jullie kunnen hen dan allemaal tegelijkertijd in handen krijgen, samen met de mensen die jullie zelf aanbrengen." Met die woorden kalmeerde ik de menigte. Ze lieten hun woede varen en gingen ieder huns weegs. Ik gaf het bevel om de koerier die de brieven van de koning had gebracht in de boeien te slaan. Een paar dagen later wendde ik voor dat ik voor een dringende persoonlijke zaak het koninkrijk moest verlaten. Ik liet Crispus in het geheim bij mij komen en droeg hem op om de soldaat die hem bewaakte dronken te voeren, en naar het koninkrijk te vluchten en zei hem dat hij niet zou worden achtervolgd. Crispus volgde mijn raad op en maakte zich uit de voeten. Zo ontkwam Tiberias, toen het in gevaar verkeerde, door mijn kundige leiding en zorg die ik voor haar behoud koesterde, voor de tweede keer aan haar verwoesting.

70. Rond die tijd vluchtte Justus, de zoon van Pistus, buiten mijn medeweten, naar de koning. Hoe dat kwam zal ik nu vertellen. Bij het begin van de oorlog tussen de Joden en Romeinen, hadden de inwoners van Tiberias besloten om trouw aan de koning te blijven en niet tegen de Romeinen in opstand te komen. Justus probeerde hen echter over te halen om de wapens op te nemen, omdat hij wilde dat de toestand veranderde en omdat hij hoopte dat hij dan de heerschappij over zowel Galilea als zijn eigen stad zou kunnen bemachtigen. Toch kreeg hij niet wat hij hoopte, omdat de Galileeërs een hekel hadden aan de inwoners van Tiberias. Dat kwam omdat zij nog steeds boos waren over alle ellende die zij vóór de oorlog door hun toedoen hadden meegemaakt. Daarom zouden zij het niet accepteren als Justus hun leider zou worden. Ook ikzelf, aan wie de raad van Jeruzalem het beheer over Galilea had toevertrouwd, werd herhaaldelijk zo razend op Justus, dat het weinig scheelde of ik had hem gedood, zo moeilijk vond ik het om zijn kwaadaardigheid te dulden. Hij was dus heel bang dat mijn ergernis uiteindelijk tot een uitbarsting zou komen. Daarom zocht hij zijn toevlucht bij de koning, omdat hij dacht dat hij daar een beter en veiliger onderkomen zou vinden.

71. Toen de inwoners van Sepphoris op zo’n verrassende manier aan het eerste gevaar waren ontsnapt, stuurden zij een boodschap naar Cestus Gallius, waarin ze hem verzochten om meteen naar hen toe te komen en het bestuur van de stad over te nemen, of anders voldoende troepen te sturen om hen tegen alle strooptochten van hun vijanden te beschermen. Ten slotte wisten ze Gallus ertoe te bewegen om een aanzienlijke legermacht van ruiters en voetvolk naar het toe te sturen. Ze arriveerden in de nacht en werden door hen de stad binnengelaten. Omdat de omliggende streken voortdurend werden bestookt door het Romeinse leger, vertrok ik met de soldaten die ik tot mijn beschikking had naar Garasme, waar ik mij, op een afstand van vier kilometer van Sepphoris, verschanste. Ik trok in de nacht op naar de stad en deed met mijn strijdkrachten een aanval op de muren. Met behulp van ladders liet ik een groot aantal soldaten langs de muren omhoogklimmen en zo kon ik mij van het grootste gedeelte van de stad meester maken. Kort daarop moesten wij ons terugtrekken, vanwege onze onbekendheid met de situatie. We hadden toen al twaalf Romeinse soldaten, twee ruiters en een paar inwoners van Sepphoris over de kling gejaagd. Zelf hadden wij maar een man verloren. Toen het later op de vlakte tot een treffen kwam met de ruiters, en wij lange tijd dapper de gevaren het hoofd hadden geboden, dolven wij toch het onderspit. Wij werden door de Romeinen omsingeld, mijn soldaten raakten in paniek en sloegen op de vlucht. In die slag sneuvelde een van mijn lijfwachten. Zijn naam was Justus en hij had eerder diezelfde functie bij de koning bekleed. Op datzelfde moment doken ook troepen van de koning op, zowel ruiters als voetvolk. Ze werden aangevoerd door Sylla, die ook leider van zijn lijfwacht was. Deze Sylla sloeg zijn kampement op, op een afstand van negenhonderd meter van Julias, en zette wachtposten uit langs de weg, die naar Cana voerde en langs een andere die naar de burcht van Gamala liep. Hij dacht daarmee te verhinderen dat hun inwoners hulpgoederen uit Galilea zouden krijgen.

72. Toen ik daarover was ingelicht, stuurde ik meteen tweeduizend gewapende manschappen, onder aanvoering van Jeremia. Ze verschansten zich tweehonderd meter van Julias af, vlak bij de Jordaan. Het bleef bij een enkele schermutseling, totdat ik mij zelf met drieduizend soldaten bij hen voegde. De dag daarop legde ik een hinderlaag ergens in het dal, niet ver van de aarden wallen. Daarna daagde ik de troepen van de koning uit tot een gevecht en gaf mijn eigen soldaten het bevel zich in de tegenovergestelde richting te begeven, zodat zij de vijand uit het kampement zouden lokken en ze in het vrije veld uit zouden komen. Dat deden ze. Sylla die dacht dat onze troepen echt op de vlucht sloegen, ging achter hen aan. Toen vielen onze soldaten die in de hinderlaag lagen hen in de rug aan en richtte een vreselijke verwarring onder hen aan. Zelf maakte ik meteen een plotselinge zwenking met mijn eigen troepen, stuitte op de troepen van de koning en joeg hen op de vlucht. Ik zou die dag tot grootse daden zijn gekomen als het lot mij geen parten had gespeeld. Het paard dat ik tijdens het gevecht bereed, struikelde op een modderige plek en gooide me op de grond. Ik kneusde mijn pols en werd naar een dorp dat Cepharnomen of Caparnaum heette. Toen mijn soldaten dat hoorden, waren ze bang dat ik erger gewond was dan het in feite het geval was. Zij staakten hun achtervolging en keerden om, omdat zij zich vreselijk zorgen om mij maakten. Ik liet artsen komen die mij behandelden. Ik bleef die dag koortsig en die nacht werd ik op aanraden van een arts overgebracht naar Tarichea.

73. Toen Sylla en zijn troepen hadden gehoord wat mij was overkomen, vatten ze weer moed. Omdat ze hadden begrepen dat in ons kamp gebrekkig wacht werd gelopen, legden ze ’s nachts een ruitertroep in een hinderlaag aan de overkant van de Jordaan. Bij het aanbreken van de dag daagden zij ons uit tot een gevecht. Wij gingen daar op in en trokken de vlakte op, toen opeens de ruiters uit de hinderlaag opdoken. Zij zaaiden verwarring onder onze troepen en joegen hen op de vlucht. Aan onze kant sneuvelden zes mannen. Uiteindelijk gingen ze toch niet met de overwinning strijken, want toen ze hoorden dat er vanuit Tarichea per boot hulptroepen naar Julias waren overgebracht, werden ze bang en trokken ze zich terug.

74. Korte tijd later kwam Vespasianus in Tyrus aan, samen met koning Agrippa. De Tyriërs begonnen de koning verwijten te maken en noemden hem een vijand van de Romeinen. Ze beweerden dat Philippus, de bevelhebber van zijn leger, het koninklijke garnizoen en de Romeinse legermacht die zich in Jeruzalem bevond, had verraden en dat zij dat in opdracht van hem hadden gedaan. Toen Vespasianus daar verslag van werd gedaan, wees hij de Tyriërs terecht omdat zij iemand beledigden die én een vriend van de koning was én van de Romeinen. Hij raadde de koning wel aan om Philippus naar Rome te sturen, zodat hij Nero zelf zou kunnen vertellen wat hij had gedaan. Philippus werd dus naar Rome gestuurd, maar werd niet bij Nero toegelaten. Die bleek er namelijk vreselijk beroerd aan toe te zijn, door de onlusten die toen plaatvonden en een burgeroorlog. Daarop keerde hij naar de koning terug. Toen echter Vespasianus in Ptolemais aankwam, verkondigden de belangrijkste mensen uit Dekapolis, in Syrië, luidkeels hun ongenoegen over Justus van Tiberias, omdat hij hun dorpen in brand had gestoken. Vespasianus leverde hem aan de koning uit, zodat hij door de onderdanen van de koning ter dood gebracht zou kunnen worden. De koning liet hem echter alleen maar in de boeien slaan, en liet dat Vespasianus niet merken, zoals ik al heb verteld. De inwoners van Sepphoris liepen uit om Vespasianus te begroeten, die hen troepen stuurde, onder aanvoering van Placidus. Hij trok met hen mee en ik volgde hen op de voet, totdat Vespasianus in Galilea arriveerde. Over zijn aankomst daar, hoe het er daar aan toe ging, over zijn eerste gewapende treffen met mijn troepen in de buurt van Tarichea, hoe zij vandaar naar Jotapata optrokken en hoe ik gevangen werd genomen, geboeid werd en later weer in vrijheid werd gesteld, en over alles wat ik zelf heb gedaan tijdens de Joodse oorlog en de belegering van Jeruzalem, dat heb ik allemaal zorgvuldig opgetekend in mijn boeken over De Joodse Oorlog. Toch denk ik dat ik er goed aan doe als in daar nu een verslag aan toevoeg, over alles wat ik toen heb meegemaakt en in dat boek over de Joodse oorlog niet heb vermeld.

75. Na de belegering van Jotapata, was ik in handen van de Romeinen gevallen. Ik werd met alle egards behandeld, omdat Vespasianus mij bijzonder hoogachtte. Op zijn bevel huwde ik een maagd, een van de krijgsgevangen uit die streek [25]. Zij bleef niet lang bij mij, want ik liet haar achter nadat ik was vrijgelaten en naar Alexandrië vertrok. In Alexandrië trouwde ik opnieuw, met een andere vrouw. Vanuit Alexandrië werd ik samen met Titus naar Jeruzalem gestuurd om aan de belegering deel te nemen. Daar verkeerde ik herhaaldelijk in levensgevaar, omdat enerzijds de Joden mij heel graag in handen wilden krijgen om mij te straffen en anderzijds de Romeinen bij elke nederlaag dachten dat die een gevolg waren van mijn verraad. Doorlopend maakten zij stampei bij de keizers, omdat ik in hun ogen een verrader was. Ze wilden dat ik gestraft werd. Keizer Titus was echter goed bekend met de wisselvalligheden van het lot tijdens een oorlog, en reageerde niet op het hevige aandringen van de soldaten. Bovendien drong keizer Titus, na de gewelddadige inname van Jeruzalem er meer dan eens bij mij op aan, dat ik uit de puinhopen van mijn stad moest pakken wat ik pakken kon. Daar gaf hij mij toestemming voor. Maar toen mijn land was verwoest, was er niets van enige waarde meer dat mij nog troost kon bieden in mijn ellende. Ik verzocht aan Titus om mijn familie in vrijheid te laten stellen. Titus stelde ook weer de heilige boeken [26] tot mijn beschikking. Niet lang daarna vroeg ik hem om mijn broer en vijftig vrienden vrij te laten. Hij stond dat toe. Ik ging ook een keer, met toestemming van Titus naar de tempel, waar een groot aantal vrouwen en kinderen gevangen werden gehouden. Ik herkende daar veel vrienden en kennissen onder en wist die allemaal, zonder enig losgeld te betalen, vrij te krijgen. Dat waren allemaal bij elkaar ongeveer honderdnegentig mensen.

Daarna werd ik door keizer Titus, samen met Ceralius en duizend ruiters naar een dorp gestuurd, dat Tekoa heette. Ik moest daar gaan bekijken of het een geschikte plek voor een legerkamp was. Toen ik terugreed zag ik een groot aantal krijgsgevangenen, die aan kruien hingen. Drie daarvan herkende ik als vroegere kennissen. Ik was zeer ontdaan en in tranen ging ik naar Titus en vertelde hem wat ik had gezien. Hij gaf meteen opdracht om hen van het kruis te halen en hen zo goed mogelijk te verzorgen, zodat ze weer zouden kunnen herstellen. Twee van hen stierven onder de handen van de arts. De derde overleefde het.

76. Nadat Titus een eind had gemaakt aan de onlusten in Judea, had hij mij daar een landgoed in de vlakte geschonken. Hij had namelijk bedacht dat ik aan het landgoed dat ik in Jeruzalem bezat niets meer had, omdat een garnizoen, dat die streek moest beschermen, daar zijn kampement zou opslaan. Voordat hij weer naar Rome zou terugkeren, nodigde hij mij uit om met hem mee te varen. Hij behandelde mij uiterst voorkomend. Nadat wij in Rome waren aangekomen, werd ik door Vespasianus met alle mogelijke zorgen omringd. Hij bood mij onderdak in het huis dat hij eerder zelf had bewoond, voordat hij keizer werd. Hij verleende mij ook het privilege van het Romeinse burgerschap en gaf me een jaarlijkse toelage. Tot aan het einde van zijn leven bleef hij voorkomend, en bejegende mij altijd even vriendelijk. Maar juist dat wekte jaloezie op en bracht mij om de volgende reden in groot gevaar. Er was namelijk een Jood, die Jonathan heette, die in Cyrene een oproer had ontketend. Hij had tweeduizend mannen uit die stad overgehaald om zich bij hem aan te sluiten en was daardoor verantwoordelijk voor hun ondergang. Nadat de gouverneur van dat district hem in de boeien had laten slaan en naar de keizer had laten brengen, vertelde hij dat ik hem wapens en geld had gestuurd. Hij kon echter voor Vespasianus niet verhullen dat hij een leugenaar was. Die veroordeelde hem ter dood en dat vonnis werd vervolgens voltrokken. De mensen die jaloers op mij waren, bleven echter beschuldigingen tegen mij inbrengen, maar door Gods voorzienigheid ging ik steeds vrijuit. Van Vespasianus kreeg nog een vrij groot stuk land in Judea ten geschenke. In die tijd scheidde ik ook van mijn vrouw, omdat haar gedrag mij niet beviel. Dat deed ik pas nadat zij mij drie kinderen had geschonken. Twee daarvan zijn gestorven en een, die ik de naam Hyrcanus gaf, is nog in leven. Daarna trouwde ik met een vrouw uit Kreta, die echter wel van Joodse komaf was. Haar ouders waren uitmuntende mensen en stonden in het hele land zeer goed bekend. In haar kwaliteiten stak zij boven de meeste andere vrouwen uit, zoals uit haar verdere leven is gebleken. Bij haar had ik twee zonen. De oudste, die Justus heet en de tweede Simonides, die ook wel Agrippa wordt genoemd. Dat wat betreft mijn familieomstandigheden. De vriendelijke bejegening door de keizer bleef onveranderd, ook nadat Vespasianus was overleden. Titus, die hem opvolgde, bleef mij even voorkomend behandelen als zijn vader. Ook hij hechtte geen geloof aan al die beschuldigingen die tegen mij werden ingediend. Domitianus, die hem weer opvolgde, deed daar een schepje bovenop, want hij bestrafte mijn aanklagers en gaf de opdracht om een van mijn bedienden, een eunuch die mij ergens van had beschuldigd, te straffen. Hij zorgde er ook voor dat ik over mijn landgoed in Judea geen belasting hoefde te betalen, wat voor een eigenaar een zeer groot eerbewijs is. Ook Domitia, de echtgenote van de keizer, gedroeg zich altijd even vriendelijk tegen mij.
Dit is het relaas van wat ik in mijn leven heb uitgevoerd. Als zij daar behoefte aan hebben, moeten anderen maar hun mening over mijn karakter geven. Maar aan jou, voortreffelijke Epaphrodites, [27] aan jou draag ik deze verhandeling over ons verleden op.

Daarmee besluit ik.


VOETNOTEN

[1] Wij mogen daarom de vergissing rechtzetten in het Latijnse exemplaar van het tweede boek van Tegen Apion par. 8, (want het Griekse exemplaar is verloren gegaan). Daar staat dat er maar vier priesterstammen of –afdelingen bestonden, in plaats van vierentwintig. Deze vermelding mag niet over het hoofd worden gezien, want het lijkt alsof Josephus daar iets anders zegt dan wat hij hier beweert. Zelfs het aantal wat daar wordt genoemd, komt beter overeen met vierentwintig dan met vier afdelingen, omdat hij zegt dat elk van die groepen uit 5000 man bestaat, wat vermenigvuldigd met vier, niet meer dan 20.000 priesters oplevert. Het aantal van 120.000 man lijkt het meest waarschijnlijk, omdat dat ongeveer eentiende van de hele bevolking betekent, zelfs na de Babylonische ballingschap. Zie Ezra 2:36-39; Nehemia 7:39-42; 1 Ezra 5:24, 25, Ezra 2;64; Nehemia 7:66; en 1 Ezra 5:41. Dat men doorgaans leest of schtijft dat er maar vier priesterafdelingen hebben betaan, komt ook niet overeen met wat Josephus zelf elders zegt (Antiq. Boek VII. hfdst. 14. par. 7). Daar vermeldt hij dat Davids onderverdeling van de priesters in vierentwintig afdelingen, tot op dat moment was gehandhaafd.

[2] Een uitstekend voorbeeld van de aandacht die de Joden aan hun stamboom besteden, vooral bij de priesters. Zie Tegen Apion, boek 1, par. 7.

[3] Als Josephus hier zegt dat hij van zijn zestiende tot zijn negentiende jaar, dat wil dus zeggen drie jaar, de drie Joodse sekten, Farizeeën, Sadduceeën en Essenen heeft uitgeprobeerd, en meteen daarna in al onze exemplaren zegt, dat hij bovendien die periode tot zijn negentiende bij een kluizenaar in het bijzonder, ene Bannus, heeft doorgebracht, laat hem dat weinig ruimte om die drie andere sekten uit te proberen. Ik denk dus dat de oude lezing bij hem, het mogelijk met hen eens is. Dat is maar een kleine correctie, die voor ons wel het probleem oplost. Toch is het vermoeden van Dr. Hudson, waar Hall op zinspeelt in zijn voorwoord bij de uitgave van Hudson van het werk van Josephus, helemaal niet onwaarschijnlijk, namelijk dat deze Bannus, zoals hij hem beschrijft, zeer wel mogelijke een volgeling van Johannes de Doper is geweest, en dat Josephus mogelijk van hem die inzichten heeft opgedaan, die er later voor hebben gezorgd dat hij zo’n gunstig beeld schetst van Jezus Christus, over wie Johannes de Doper heeft getuigd.

[4] We moeten hier opmerken dat religieuze mensen bij de Joden, of in ieder geval de priesters, soms ook asceet waren, en net als Daniel en zijn vrienden in Babylon (Dan. 1:8-16), geen vlees aten, maar alleen maar vijgen en noten, enz. Dat is net zoiets als het strenge dieet van de christelijke asceten in de passieweek. (Constit. V. 18.)

[5] Men heeft gedacht dat het aantal medepassagiers die met Paulus aan boord waren (Hand. 27:38) dat in onze exemplaren 276 bedraagt, te groot is, terwijl wij hier zien dat het aantal van zijn Josephus en zijn metgezellen, een paar jaar daarna, ongeveer 600 bedroeg.

[6] Zie De Joodse Oorlog, boek II, hfdst. 18. par. 3.

[7] De Joden ontlenen deze onwettigheid van het vechten tegen hun eigen broeders mogelijk aan de wet van Mozes, "Gij zult uw naaste niet naar het leven staan," en 19:17, "Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf," en bovendien aan veel andere passages in de Pentateuch en Profeten. Zie Antiq. Bk. VIII. Hfdst. 8. par. 3.

[8] Dat deze Herodes Agrippa senior, net zoals hier, vroeger de Grote Koning werd genoemd blijkt uit zijn nog overgebleven munten. Havercamp wijst ons daarop.

[9] De befaamde Joodse getallen twaalf en zeventig, zijn hier opmerkelijk.

[10] Onze Josephus laat, hier en overal elders, zien dat hij een zeer religieus iemand was, en dat hij diep doordrongen was van God en zijn voorzienigheid. Hij schreef al zijn wonderbaarlijke ontsnappingen en reddingen, in tijden van gevaar, toe aan het feit dat God hem zegende en voor hem zorgde en dat hij dat deed vanwege zijn vrome, rechtvaardige, menselijke en naastenlievende bejegening van zijn Joodse broeders.

[11] Het is de moeite waard om hier de opvatting van Josephus weer te geven. Hij vindt dat iedereen God moet mogen eren volgens zijn eigen geweten, en in religieuze zaken niet gedwongen moet worden. Je kunt hier zien dat het bij de rest van de Joden omgekeerd was. Zij wilden nog steeds dat iedereen die met een Joodse vrouw trouwde zich liet besnijden en Jood werd, en waren bereid om iedereen te doden die zich daar niet aan wilde onderwerpen. (Zie par. 31, en Lucas 11:54)

[12] Het is zinnig om te onderzoeken hoe Josephus kon zeggen dat de Joodse wetten hen verboden om "zelfs hun vijanden te beroven" terwijl toch kort daarvoor onze Verlosser had opgemerkt dat bij hen destijds de stelregel gold, "Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten" (Matth. 5:43). Ik ga er vanuit dat Josephus, die op dat moment al jaren een Ebionitische christen was en de uitleg van de wet van Mozes had geleerd van Christus, die hij erkende als de ware Melah, zoals blijkt uit de daaropvolgende regels. Hoewel hij die mogelijk niet in het Evangelie van Mattheus heeft gelezen, kan hij in hun eigen Evangelie van de Ebionieten of Nazarenen vrijwel dezelfde uitleg hebben gelezen. Van de verbeteringen die Josephus daarin heeft aangebracht, nadat hij christen was geworden, hebben we in zijn leven al verschillende voorbeelden gezien, (par. 3, 13, 15, 19, 21, 23). In de rest van het verhaal zullen wij er nog veel meer tegenkomen, net als elders in al zijn latere geschriften.

[13] Hier zien we dus de gangbare Joodse opvatting over tovenarij. Josephus is verstandig genoeg om het daar volstrekt mee oneens te zijn.

[14] In deze paragraaf, net als in par. 18 en 33, worden die vaartuigjes die op het meer van Galilea zeilden door Josephus gewoon schepen genoemd. Wij hoeven ons er dus niet over te verbazen dat onze evangelisten het ook steeds over schepen hebben. Wij zouden het dus ook niet als boten moeten vertalen, zoals sommigen doen. In totaal waren het 230 vaartuigen, zoals wij elders van de schrijver vernemen. (Joodse Oorlog, bk. II, hfdst. 21. par. 8)

[15] Een gedeelte van de vestingwerken op de berg Tabor, bestaat nog steeds. Onlangs heeft Maundrel (zie zijn Reizen, pag. 112) ze nog gezien.

[16] Deze Gamaliel is mogelijk dezelfde die door de rabbijnen wordt vermeld in de Mishna, de Juchasin en de Porta Mosis, zoals blijkt uit de Latijnse commentaren. Het kan ook zijn dat hij Gamaliel II is, wiens grootvader Gamaliel I was, die wordt vermeld in Hand. 5:43, en door wie Paulus is opgevoed.

[17] Ook deze Jonathan wordt in de Latijnse commentaren beschreven als dezelfde die door de rabbijnen in de Porta Mosis wordt vermeld.

[18] Dit beschouw ik als de eerste van Josephus’ opmerkelijke of voorspellende dromen, die grote gebeurtenissen, die later plaatsvonden voorspelden. (Zie verder in het commentaar op Antiq. bk. III. hfdst. 8. par. 9. Verder in De Joodse Oorlog, bk. III. hfdst. 8. par. 3, 9).

[19] De richtlijnen die Josephus aan zijn soldaten vertonen een grote overeenkomst met die van Johannes de Doper. (Luc. 3:14), "Plunder niemand en pers niets af en wees tevreden met uw soldij." Vandaar dat Dr. Hudson het vermoeden bevestigd dat Josephus ook toen al, in zeker opzicht, een volgeling van Johannes de Doper was, wat geenzins onwaarschijnlijk is. (Zie noot bij par. 2.)

[20] Wie zien hier dat de Joden, in de tijd van Josephus, de gewoonte hadden om een onderzoek in te stellen naar de aard van hun getuigen, voordat zij werden toegelaten. Het moesten er drie zijn, of minstens twee, precies als in de wet van Mozes en in de leer van de Apostelen. (Zie Horeb Covenant Revived, pag 97, 98.)

[21] Dit verzoek van Josephus aan de gezamenlijke Galileeërs, en de manier waarop zij getuigden van zijn onkreukbaarheid als hun gouverneur, lijkt heel erg op het verzoek en de getuigenis van de profeet Samuel (1 Samuel 12:1-5) en werd mogelijk door Josephus in navolging van hem gedaan.

[22] Het is opmerkelijk dat er zich toen een grote Proseucha, of gebedsruimte, in de stad Tiberias zelf bevond, omdat dergelijke gebedsruimten doorgaans buiten de stad lagen, in tegenstelling tot de synagogen. (Zie daarover Le Moyne over de Brief van Polycarpus, pag. 76). Wij zien ook dat de Joden, in de tijd van Josephus, gewoonlijk om zes uur of tussen de middag hun maaltijd nuttigden, waarmee zij zich hielden aan hun opvatting over de wet van Mozes.

[23] Je zou hier kunnen opmerken dat deze leken-Farizeeër, Ananias, - want dat was hij zoals wij hebben gezien in par. 39 – het waagde om in Tiberias een vastendag af te kondigen en dat daar ook nog gevolg aan werd gegeven, hoewel dat niet uit religieuze overwegingen gebeurde, maar uit laaghartigheid.

[24] De strekking van dit relaas van Justus van Tiberias, de rivaal van onze Josephus, dat verloren is gegaan, wordt ons verschaft door een zeer terzakekundige criticus, Photius, die dat verhaal heeft gelezen. Het staat in het 33e wetboek van zijn Bibliotheca, en luidt als volgt: "Ik heb (zegt Photius) de chronologie van Justus van Tiberias gelezen, met de titel [De Chronologie] van de opeenvolging van Koningen van Judea. Hij begint zijn verhaal met Mozes, en eindigt pas met de dood van Agrippa, de zevende [heerser] van de familie van Herodes en de laatste koning van de Joden, die de heerschappij overnam onder Claudius, die uitbreidde onder Nero en door Vespasianus nog verder werd uitgebreid. Hij stierf in het derde jaar van het bewind van Trajanus, waarmee zijn verhaal dus eindigt. Zijn taalgebruik is zeer beknopt, en de zaken waar hij echt verder op in had moeten gaan, laat hij zorgvuldig achterwege. Om dat hij zelf van geboorte Jood was en dus net zo bevooroordeeld was als de andere Joden, maakt hij geen enkele melding van het optreden van Christus, wat er met hem gebeurde en over de wonderbaarlijke dingen die hij deed. Hij was de zoon van een Jood, ene Pistus. Josephus beschrijft hem als iemand met een uiterst losbandig karakter, zowel verslaafd aan geld als aan genot. Wat betreft staatszaken stond hij lijnrecht tegenover Josephus en er wordt verteld dat hij vele samenzweringen tegen hem beraamd heeft. Ondanks het feit dat Josephus zijn vijand meer dan eens in zijn macht heeft gehad, berispte hij hem alleen met woorden, en liet hem daarna weer zonder verdere straf vrij. Hij zegt ook dat het verhaal dat deze man heeft geschreven voornamelijk verzonnen is, vooral de gedeelten waarin hij de oorlog tussen de Romeinen en Joden en de inname van Jeruzalem beschrijft."

[25] Hier geeft Josephus, een priester, eerlijk toe dat hij dat op bevel van Vespasianus heeft gedaan. Eerder had hij al verteld dat het een priester, volgens de wet van Mozes, niet was toegestaan (Antiq. bk. III. hfdst. 12. par. 2), ik bedoel met een krijgsgevangen vrouw trouwen (zie ook Tegen Apion, bk. I. par. 7. Hij lijkt echter al snel te hebben gevoeld dat zijn zwichten voor de bevelen van een keizer hem niet verontschuldigde, want hij stuurde haar al snel weer weg, zoals Reland (vert.: Adriaan Reland, 1676 – 1718, hoogleraar Oosterse talen in Utrecht) hierover terecht opmerkt.

[26] Over deze zeer opmerkelijke bepaling en de uiterst belangrijke gevolgen daarvan, zie het Essay over het Oude Testament, pag. 193 – 195.

[27] Epaphroditus is de naam van twee Romeinse beschermheren van de litteraire kunst, de een een hoveling en de ander een taalkundige. Beide zijn geboren tussen 20 en 25 n. C. en stierven rond 96. Zij worden vermeld als bevorderaars van de succesvolle loopbaan van Josephus en van de Griekse filosoof Epictetus.



KAART VAN TIBERIAS EN OMGEVING

Kaart van Tiberias en omgeving

Naar boven
KAART VAN JERUZALEM EN OMGEVING

Kaart van Jeruzalem en omgeving