Home

WAT HET NIET IS


Inleiding bij de inleidingen bij enige van deze verboden, vergeten,
verketterde, verminkte en doodgezwegen boeken en geschriften




In juni 1849, een paar maanden voor zijn dood, schreef Edgar Allan Poe "Het lijdt geen twijfel dat er individuen zijn geweest die uitgestegen zijn boven het niveau van hun generatie; maar als we in de geschiedenis zoeken naar sporen van hun bestaan, moeten we alle biografieën van de ‘goede en grote mensen’ overslaan en zorgvuldig op zoek gaan naar de spaarzame geschriften van de verschoppelingen die gestorven zijn in de gevangenis, het krankzinnigengesticht of aan de galg." Maar dankzij die vooruitgang predikende ‘goede en grote mensen,’ de optimisten die altijd blind geweest zijn voor de keerzijde van de medaille, en het feit dat tegengeluiden van die verschoppelingen, mensen die begrepen dat die zogenaamde vooruitgang een doodlopende weg was, genegeerd werden, is de hele geschiedenis van de mensheid getekend door machtspelletjes, conflicten, oorlogen, culminerend in de Eerste en Tweede Wereldoorlog (zie deze video) en dat gaat nog steeds door. Maar desondanks schrijft Hans Achterhuis over zijn boek De kunst van het vreedzaam vechten, "nooit eerder zelfs was een beschaving zo effectief in het bewaren van vrede. Hoe lukt dat in onze moderne samenleving, wat is het geheim? Daarnaar gaan wij in dit boek op zoek." En drie jaar eerder had Steven Pinker zijn bestseller The Better Angels of Our Nature: Why Violence Has Declined (Ons betere ik, waarom de mens steeds minder geweld gebruikt) geschreven. Met andere woorden, ga maar rustig slapen, we zijn op de goede weg en alles komt goed. Je kunt ze vergelijken met een brandweerman die uit de statistieken concludeert dat er een afname is van het aantal uitslaande branden, maar die niet in de gaten heeft dat het aantal binnenbranden, smeulende veenbranden en alle andere niet direct waarneembare vuurhaarden navenant toegenomen zijn. Uit de klassieke natuurkunde kennen wij de behoudswet, waarmee wordt uitgedrukt dat een aantal eigenschappen van een systeem constant zijn als er geen externe factoren een rol spelen. In de volksmond kennen wij als variant daarvan de wet van behoud van ellende. In wezen verkeert het maatschappelijk systeem in een evenwicht, dat weliswaar schommelt, maar nooit wezenlijk is veranderd door externe factoren. Oplopende emoties en spanningen die in het verleden op macroniveau een ontlading vonden in oorlogen en soortgelijke gewelddadigheden en op microniveau bijvoorbeeld als fysiek geweld van ouders ten opzichte van kinderen, kunnen tegenwoordig nauwelijks meer een uitweg vinden en uiten zich in hoge bloeddrukken, suikerziekte, auto-immuunziekten, allergieën en natuurlijk ADHD en aanverwante stoornissen, en last but not least kanker, kortom allemaal symptomen die door de geneeskunde samengevoegd en gecatalogiseerd zijn als ziekten. Want wij zijn beschaafd, wij hebben geleerd ons te beheersen, nooit te zeggen wat we denken en de lieve vrede te bewaren. Maar de lieve vrede is geen vrede, maar een gewapende vrede. Mensen leven in onvrede met zichzelf (hun zelf) en dus ook de anderen, maar onvrede is eigenlijk ook alleen maar een eufemisme voor oorlog. Alle relaties zijn gebaseerd op macht en uiteindelijk op angst. In Prediker (8:9) staat: "Dit alles heb ik gezien en ik richtte mijn aandacht op alle daden, die onder de zon geschieden ten tijde dat de ene mens macht heeft over de ander tot diens onheil" en er is in die duizenden jaren sindsdien niets veranderd. Wij rukken geen tongen meer uit, wij voeren geen stammenoorlogen meer, wij hebben de brandstapels afgeschaft, want wij zijn beschaafd, maar niemand weet hoe bloeddorstig, haatdragend en wraakzuchtig ook heel keurige mensen denken. Kinderen worden niet meer geslagen, maar subtiel vernederd, gekwetst, niet serieus genomen, gemanipuleerd, gestraft, liefde onthouden en aan allerlei regels onderworpen terwijl in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, van Unicef, staat: Art. 8.1: "De Staten die partij zijn verbinden zich tot eerbiediging van het recht van het kind zijn of haar identiteit te bewaren." Hoezo opvoeden? Bij de opvoeding wordt immers alles in het werk gesteld om de identiteit van het kind te verstikken, het te veranderen, een andere identiteit op te dringen, want het mag niet blijven zoals het is, maar het moet iets worden. In zijn boek Identiteit schrijft Paul Verhaeghe: "Onze identiteit is geen diep verborgen, onveranderlijke kern; integendeel. Ze is veeleer een verzameling van ideeën die de buitenwereld op ons lijf geschreven heeft. Identiteit is een constructie,…. Identiteit heeft meer met worden te maken dan met zijn." Je zou dus denken, dat hij begrijpt dat hij vraagtekens zou stellen bij een dergelijke kunstmatige constructie, maar nee hoor. Vervolgens schrijft hij 256 bladzijden vol met alle ellende die in zijn ogen de zieke samenleving aanricht en vergeet dat de kiem daarvan gelegd wordt in de gezinnen, waarin volgens hem "de ouders veiligheid, grenzen en autoriteit moeten bieden." Opvoeden in deze zieke samenleving, het kind aan een zieke wereld aanpassen, kan alleen door het kind ziek te maken, net zo ziek en maf als de volwassenen. Alle ellende in de wereld is het gevolg van het feit dat mensen zich een identiteit hebben aangemeten, want mensen maken geen ruzie, voeren geen oorlog, oordelen niet, zijn niet jaloers, haten niet, maar alleen identiteiten doen dat, de maskers in deze wereldwijde maskerade, mensen die denken dat ze dat hun identiteit zijn.


Overal woeden dus binnenbrandjes, die zouden kunnen opvlammen, maar voorlopig onder de schone schijn doorbroeien, onder "de mantel der liefde." Dan komt het niet naar buiten, maar slaat naar binnen en oefent daar zijn destructieve werking uit. Dat wil zeggen dat met de afname van het geweld naar buiten, onherroepelijk het geweld naar binnen toeneemt en dat uit zich dan in wat wij ziekten noemen, in onze hedendaagse epidemieën. Niets symbolischer dan de zogenaamde auto-immuunziekten, waarbij de mens antistoffen tegen zichzelf maakt.


Alle schrijvers van de teksten op deze website hebben een aantal dingen aan de kaak gesteld, spelregels bekritiseerd, maar hebben ook allemaal een aantal blinde vlekken gehad. Maar gezamenlijk heffen ze elkaars vooroordelen grotendeels op en geven ze een beeld van "wat het niet is." Al hun standpunten bij elkaar beschrijven haast alles wat het zien van de Werkelijkheid verhindert. Maar wat bij hen buiten schot gebleven is, zijn de ziekten en de rol van de geneeskunde en het lijden, seks en libido en dus overbevolking.


Over de functie van de taal zijn een aantal mensen duidelijker geweest. Wittgenstein schrijft dat het verstand behekst is door de taal, Fritz Mauthner noemt het "de vloek van de taal" en


"de taal is de zweep, waarmee de mensen elkaar aan het werk geselen. Iedereen is opzichter en iedereen is knecht. Wie de zweep niet wil hanteren en niet wil schreeuwen onder de slagen, heet een stomme hond en wordt opzij geschoven. De taal is de hondsaap, de prostituee, die misbruikt wordt voor de drie grote begeerten van de mens, die zich brullend voor de ploeg spant als een arbeider voor de honger, die zichzelf en zijn gezin verkoopt als koppelaar voor de liefde en die zich in al zijn afstotelijkheid laat beschimpen, een folie der ijdelheid, en die tenslotte nog de begeerte naar luxe dient en als een circusaap zijn sprongen maakt, opdat de aap een appel krijgt en een kushand en hijzelf kunstenaar heet. Taal is de grote leermeesteres van de laster. Taal heeft de mensheid omhooggevoerd tot de galgenberg van Babylon, Parijs, Londen en Berlijn. De taal is de duivelin die de mensheid het hart ontstolen en in ruil daarvoor de vruchten van de boom der kennis beloofd heeft. Het hart heeft de taal verslonden als een kanker, maar in plaats van kennis heeft zij de mens niets anders geschonken dan woorden voor de dingen, etiketten op lege flessen, klinkende oorvijgen als antwoord op de eeuwige jammerklacht, zoals leraren andere kinderen tot zwijgen brengen. Toen zij haar de taal leerden, hebben de spoken uit het paradijs de mensheid kennis beloofd. De taal heeft de mensheid uit het paradijs verdreven."


Nietzsche beschreef haar belangrijkste rol: "Woorden verwateren en stompen af; woorden maken onpersoonlijk; woorden maken het ongewone gewoon," maar geen van hen is tot de conclusie gekomen dat de taal dus afgeschaft diende te worden. Gustav Landauer begreep wel wat de consequentie was, want hij schrijft: "De wereld is zonder taal. Wie haar begrijpt, zal ook taalloos worden," maar ook hij heeft zichzelf en dus de wereld niet begrepen.


Over ziekten:


Wat in deze wereld ziekten genoemd worden, behoort tot de keerzijde van de medaille, die hoe dan ook genegeerd moet worden door alle vooruitgangdenkers. Geen verworvenheden zonder verwordenheden. Een duidelijk voorbeeld daarvan is bijvoorbeeld de keerzijde van de zogenaamde Gouden Eeuw, omschreven als de bloeitijd van de Nederlanden, namelijk de Tachtigjarige Oorlog en de pestepidemieën die de Nederlanden toen teisterden. De geneeskunde heeft van het leven een Russisch roulette gemaakt, gestuurd door toeval, kans, risico en erfelijkheid. In een wereld zonder zin en betekenis, die de eeuwigheid uitgebannen heeft, gaat dat ook op voor de geneeskunde, waarin dus de wet van oorzaak en gevolg allesbepalend is, symptomen verwijzen niet ergens naar maar hebben een oorzaak en moeten bestreden worden. Een zinloze bestrijding van zinloze symptomen.


In Looking Backward, zijn utopische (dus dystopische) roman uit 1888, beschrijft Edward Bellamy die symptoombestrijding in de vorm van een parabel:


"Laat ik de hele zaak in een notendop samenvatten, in de vorm van een parabel en de mensheid uit die oude tijd vergelijken met een in een moeras geplante rozenstruik, die gedrenkt wordt door zwart moeraswater, overdag verpestende dampen inademt en ’s nachts afgekoeld wordt door giftige dauw. Talloze generaties van tuinlieden hadden hun best gedaan om hem tot bloei te brengen, maar afgezien van een sporadische halfgeopende knop met een wormstekig hart, waren hun pogingen vergeefs geweest. Velen beweerden dat de struik geen rozestruik was, maar een schadelijk onkruid, dat gewoon uitgerukt en verbrand diende te worden. Maar het merendeel van de tuinlieden hield vol dat de plant weliswaar tot de rozenfamilie behoorde, maar een onuitroeibaar gebrek bezat, waardoor de knoppen verhinderd werden open te gaan en dat dat de eigenlijke oorzaak was van de kwijnende toestand. Er waren echter maar weinigen die geloofden dat de stam goed genoeg was, maar dat het moeras het probleem vormde en de struik onder gunstiger omstandigheden beter zou groeien. Maar zij waren geen tuinlieden, en omdat ze door die laatsten uitgemaakt werden voor plannenmakers en dagdromers, werden ze door het volk merendeels ook als zodanig beschouwd. Bovendien betoogden enige vooraanstaande moraalfilosofen, dat, zelfs aangenomen dat de struik elders beter zou kunnen gedijen, het voor de knoppen toch een heilzamere straf was om te proberen in een moeras te bloeien. De knoppen die het lukte open te gaan mochten dan wel heel schaars zijn en de bloemen bleek en geurloos, maar zij vertegenwoordigden een grotere morele inspanning, dan als zij spontaan tot bloei waren gekomen in een tuin.


"De officiële tuinlieden en de moraalfilosofen kregen hun zin. De struik bleef geworteld in het moeras en de oude manier van behandelen werd voortgezet. Aan de stam werden onophoudelijk nieuwe soorten krachtmengsels toegediend en ontelbare middelen, elk door zijn verdediger aangekondigd als het beste en enig geschikte recept, werden ingezet om het ongedierte te doden en de meeldauw te bestrijden. Dat ging een heel lange tijd zo door. Af en toe beweerde iemand een lichte verbetering te bespeuren in het uiterlijk van de struik, maar er waren altijd evenveel anderen, die verklaarden dat hij er niet zo goed uitzag als anders. Alles bij elkaar genomen kon niet gezegd worden dat er een duidelijke verbetering waarneembaar was. Gedurende een periode van algemene wanhoop over de vooruitzichten van den struik, werd ten slotte het idee weer ter sprake gebracht om hem te verplanten en dat vond dit keer ingang. ‘Laten wij het proberen,’ riep iedereen. ‘Misschien zal de struik elders beter gedijen, en hier is het zeker twijfelachtig of het de moeite waard is hem nog langer te verzorgen.’ Zo gebeurde het dat de rozestruik der mensheid werd verplant en geplaatst in goede, warme, droge aarde, waar hij baadde in de zon, geliefkoosd werd door de sterren en gestreeld door de zuidenwind. Toen bleek het dat het echt een rozestruik was. Ongedierte en meeldauw verdwenen en de plant tooide zich met de prachtigste rode rozen, waarvan de geuren de lucht vulden.


Eigenlijk komt de strekking van deze website neer op de echte Gulden Regel, "wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook de ander niet," en dus niet die rampzalige omkering uit de evangeliën, "alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hen ook aldus (Matth. 7:12)." Het krankzinnige idee dat doen en niet doen, op hetzelfde neer zou komen! Die regel dient niet gelezen te worden als gebod, maar als leidraad: als echt gelukkig wilt worden, als je de Werkelijkheid wilt aanschouwen, als je weer heel, gezond en onkwetsbaar wilt worden, als je echt een wereld wilt van vrijheid, gelijkheid en broederschap, hoef je je alleen uiterst consequent aan deze leidraad te houden, en als dat niet verenigbaar is met je manier van leven, met deze wereld, ligt dat aan je manier van leven en aan deze wereld, de manier waarop mensen daarin met elkaar omgaan en niet aan de leidraad. Als iedereen dat vandaag zou doen, zouden we morgen een rechtvaardige wereld hebben, hoe onwaarschijnlijk dat ook moge klinken (we zouden dan nog alleen alle troep van eeuwen van dwalingen op hoeven ruimen!) Maar daarin passen niet al die ego’s, die nu overal de dienst uitmaken. Al die deskundigen, die weten hoe andere mensen moeten leven, die onbeschaamd hun vooroordelen, de waan van de dag, etaleren, en dat niet eens anoniem doen, maar "als gekken en dwazen, hun naam schrijven op muren en glazen," en daar ook nog trots op zijn. Verlos ons van de deskundigen!


Over overbevolking, libido en seks:


Alle lijden komt door begeerten, is een uitspraak van de Boeddha. Eenvoudiger gezegd: alle ellende, of dat nou lichamelijk of geestelijk is, komt door het willen. Want iets willen, impliceert dat je niet tevreden bent en dat denkt op te lossen door iets te hebben. Daarom "willen" mensen kinderen en er is geen enkele andere reden voor te bedenken. Als je niet tevreden kunt zijn met jezelf, heb je iets buiten jezelf nodig. Dat ligt aan de basis van de ongebreidelde bevolkingsgroei, maar het is een absoluut taboe. Mensen hebben recht op kinderen! Kinderen soms ook op hun ouders? Voor seks geldt hetzelfde. Alleen ontevreden mensen voelen de behoefte om zichzelf of zichzelf met behulp van een ander te bevredigen, zij het zeer kortstondig, maar het is helaas net zo verslavend als alcohol. Het is duidelijk dat hoe groter de ellende, hoe schrijnender de armoede, hoe moeizamer het leven is, hoe groter de behoefte om daar even aan te ontsnappen door seks, maar dat levert helaas ook meer kinderen op. 


De mensheid leeft in een omgekeerde wereld, in een wereld die op zijn kop staat, waarin wijsheid dwaas is en kennis hoogtij viert, waarin eerlijkheid gestraft en leugens beloond worden, waarin kwetsbaarheid deerniswekkend is en macht de dienst uitmaakt, waarin tevredenheid de economie schaadt en consumeren het hoogste goed is, waarin het dolce far niente een misdaad is en presteren toegejuicht wordt, waarin de natuur het onderspit delft tegen de cultuur, waarin het innerlijk er niet toe doet en het uiterlijk het criterium is, waarin kinderen niets zijn en volwassenen hun voorbeeld, waarin materiële armoe zielig is en geestelijke armoe bewonderd wordt, waarin achteruitgang vooruitgang wordt genoemd. En toen kwam Tom Poes, in de gedaante van de Boeddha, Lao Tse, Zarathoestra, de Oudtestamentische Profeten, en Jezus die hun medemensen duidelijk probeerden te maken dat ze niet met beide benen op de grond stonden, dat ze zich lieten leiden door illusies, dat ze daarom niet gelukkig waren en geteisterd werden door oorlogen, ziekten en ellende en dat ze pas echt gelukkig en volmaakt zouden zijn, als ze zich zouden ontdoen van alle bagage die ze met zich meedroegen. Maar allemaal legden ze het af tegen de bierkaai. Het priesterdom heeft nooit afstand willen doen van zijn geprivilegieerde positie en van hun boodschap, die een leidraad was om te ontsnappen aan dit tranendal, zijn religies gemaakt en zo werd het middel tot doel. De bedoeling van de religies is dat ze de mens terugvoeren naar een leven in het gelukzalige hier en nu en dat is onverenigbaar met tradities, rituelen, verboden en geboden, kortom met alles waarop de huidige religies nog steeds drijven. Verlos ons van de religies!

 
Illustratie Uit: Tom Poes en het Land van Om, 1976

Uit: Tom Poes en het Land van Om, 1976
Uit: Tom Poes en het Land van Om, 1976

Een omgekeerde wereld kan alleen teruggedraaid worden als alle banden die haar in die toestand vasthouden, verbroken worden, één enkel vooroordeel, één enkele gehechtheid, één taboe, één enkele mening of theorie, één enkele oneerlijkheid maakt dat onmogelijk. Het is alles of niets.


Dit is de boodschap van de website, die verder uitgewerkt is in de inleidingen bij de teksten en in de andere bijdragen van de anonieme medewerkers. Het moge duidelijk zijn waarom ze zo gesteld zijn op hun anonimiteit.

Houd altijd voor ogen dat er niets nieuws is onder de zon, dat alles wat hier geschreven is, de hele geschiedenis door gedacht en gefluisterd is,

En die malle stelling dat de technologie ons moet redden, is net zo dwaas als van de bankiers die de mensheid in een crisis gestort hebben verwachten dat ze ook de oplossing bieden. De vertechnologiseerde wereld is het probleem en een probleem kun je niet met een probleem uit de wereld helpen. 



Aldous Huxley DE DEUREN DER WAARNEMING, DE DEUREN IN DE MUUR


Inleiding bij deze vertaling:


Het is alweer bijna vijftig jaar geleden dat Aldous Huxley dit verslag van zijn ervaringen met de Andere Wereld schreef. Hoezeer zijn woorden ook tekort mogen schieten, toch geeft hij een beeld van die Wereld vanuit de onze en, wat nog onthullender is, van de onze vanuit die Wereld. Het fascinerende en geniale is dat hij begrepen heeft dat die Andere Wereld de Wereld van de mystici is, de wereld van de heldere momenten, die wij mystieke ervaringen noemen. Het is het aanschouwen van de onverdeelde Werkelijkheid en het ervaren van de samenhang van alles met alles en het besef daar zelf een onlosmakelijk deel van te zijn. Eigenlijk, en dat heeft Huxley niet begrepen, is het de wereld zoals de onbevangen kleine kinderen die ervaren, de wereld vol wonderen en betovering, waarin zij nog net zo zijn als alles is. De Wereld waarin geen afzonderlijke dingen zijn, niets een naam heeft, de woordeloze Wereld, de Wereld van het Zijn en niet de wereld van het worden en doen, de Wereld zoals die eigenlijk is en waar grote mensen blind en doof voor geworden zijn. Zij leven in hun eigen gecreëerde wereld van hun gedachten, hun wensen en verwachtingen, hun angsten en zorgen en kunnen de uitgang, de deur in de muur, niet meer vinden. Zij zoeken in hun eigen tranendal een kunstmatige vergetelheid in alcohol, drugs en orgasmen. Anderen zijn op zoek naar de uitgang, hoewel ze altijd gehoord hebben dat er geen uitgang is en dat ze er maar beter het beste van kunnen maken.
Elke goede trip, of dat nu met paddo's is of met marihuana, laat ons een kortstondige ego-loze blik in die andere Wereld werpen, ontsluit voor de tijd dat het duurt de Deur in de Muur, waarna wij weer in onze eigen wereld van het "bij het volle verstand zijn" terugvallen en overgaan tot de orde van de dag. De orde van het moeten, het willen, het voldoen aan verwachtingen van onszelf en van anderen, het in stand houden van onze eigen kunstmatige wereld en het aanpassen van die kleine kinderen die niet van deze wereld zijn aan onze eigen creatie.
Is het nu allemaal waar wat Aldous Huxley schrijft? Het antwoord is: nee. Zelfs in zijn extatische bewoordingen waarmee hij die Andere Wereld beschrijft, schiet hij tekort, omdat het ervaren nu eenmaal niet in woorden is uit te drukken. In de absurditeit, de arrogantie en de krankzinnigheid van onze wereld is hij overduidelijk. Maar waar hij helemaal de plank misslaat is in de uitwerking van zijn inzichten. In het boek staan nogal wat tegenstrijdigheden en vooroordelen maar daartussen schitteren parels van helderheid en inzicht.



Anonymus TRAITé DES TROIS IMPOSTEURS, VERTOOG OVER DE DRIE BEDRIEGERS MOZES, JEZUS EN MOHAMMED


Inleiding bij deze vertaling:


In het begin van de 18e eeuw ontstond een geheel nieuw genre van clandestiene boeken en manuscripten. Vooral Frankrijk en Nederland leverden daar een groot aandeel aan. Er was een schaduwwereld van verborgen drukpersen en in het geniep rolden daar grote aantallen opstandige en rebelse geschriften vanaf, met fictieve schrijvers en fictieve uitgeverijen op het titelblad. De meest beruchte was de uitgeverij Pierre Marteau, die een puur verzinsel was, en was bedacht door een aantal Hollandse uitgeverijen die onder die naam werken publiceerden, die de censuur anders niet zouden overleven. In diezelfde fictie vermeldde de uitgeverij Pierre Marteau op het titelblad dat zij in Köln was gevestigd. Amsterdam was het centrum van die clandestiene publicaties en het Frans was de taal van de gevluchte Hugenoten. Waarschijnlijk werd de naam Pierre Marteau gebruikt door de uitgeverij Elsevier, en publiceerde honderden boeken met nogal gewaagde ideeën. Mogelijk is de Nederlandse uitgave van Les Trois Imposteurs dus door Elsevier in Amsterdam gedrukt. Voor een uitgebreid overzichtsartikel in het Engels, zie de publicatie van de Amerikaanse historica, Margaret Jacob, hoogleraar geschiedenis aan de Californische UCLA-Universiteit en doctor honoris causa van de Universiteit van Utrecht. www.pierre-marteau.com/c/jacob/clandestine.html

Zij beschouwt het "Vertoog over de Drie Bedriegers" als de meest radicale tekst van de Verlichting en schreef zelf het boek "The radical Enlightenment."


In zijn verhalenbundel De Aleph schrijft Jorge Luis Borges, in het verhaal Deutsches Requiem: "De wereld was haast gestorven aan het jodendom en aan die ziekte van het jodendom: het geloof van Jezus; wij leren van haar de gewelddadigheden en het geloof van het zwaard. Dat zwaard doodt ons en we zijn te vergelijken met de tovenaar die een labyrint weeft en die zich gedwongen ziet daarin te dwalen tot het einde van zijn dagen." Het is volstrekt terecht om daar de Islam als ziekte van zowel joden- als christendom aan toe te voegen. In wezen hebben zijn zij alle drie in de valkuil getrapt, die de schrijvers van de Evangeliën hun zelf gecreëerde sprookjesfiguur Jezus in de mond hebben gelegd: "Ook doet jonge wijn niet in oude zakken" (Matth. 9:17). In wezen plegen alle godsdienststichters, alle profeten, goeroes, filosofen en andere zogenaamde verlichten, allemaal plagiaat. Terwijl zij allemaal weten dat er echt niets nieuws onder de zon is en dat alles al vele malen is gezegd, dissen ze alleen maar steeds meer van hetzelfde in een andere verpakking op. Momenteel zou een Evangelie dan ook geen enkele kans maken omdat de critici heel terecht zouden kunnen stellen, dat geen enkel idee echt oorspronkelijk zou zijn. In hun boek "De mysterieuze Jezus, was Jezus oorspronkelijk een heidense God?" vertellen Peter Gandy en Timothy Freke in wezen hetzelfde wat in Vertoog staat. Het komt er eigenlijk op neer, dat de joden ook een eigen verhaal wilden hebben en onbeschaamd en banaal hebben geplagieerd, dus nieuwe wijn in oude zakken hebben gegoten. Voltaire schrijft in zijn Filosofische Vertellingen, in het verhaal "Uit de Brieven van Amabed":


Weliswaar was er in de tijd van Alexander in een uithoek van Fenicië een klein volk van wisselaars en woekeraars, dat heel lang in Babylonië in slavernij had geleefd. Gedurende zijn gevangenschap flanste het een eigen geschiedenis in elkaar, en alleen in die geschiedenis is er ooit sprake geweest van Noach. Toen dat volkje later in Alexandrië bepaalde privileges kreeg, vertaalde het zijn annalen in het Grieks. Vervolgens werden ze in het Arabisch vertaald, en pas sinds heel kort zijn onze geleerden er enigszins van op de hoogte. Maar voor die geschiedenis hebben zij (de Brahmanen) evenveel minachting als voor de armzalige horde die haar heeft geschreven. (Je kunt wel zien dat Shastasid hier spreekt als een Brahmaan die de gave van het geloof niet bezit en die de genade moet ontberen.)


Rond het jaar nul was dat uithoekje van Fenicië een streek, die je heel goed zou kunnen vergelijken met het huidige Afghanistan, waar stamhoofden een moordend gevecht met elkaar voerden en waar een bezettingsmacht vruchteloos probeert om orde te scheppen. Destijds wemelde het in het verscheurde landje van de Messiassen, zoals het bij ons wemelt van de goeroes, consultants en andere deskundigen, die de pretentie hebben dat ze weten hoe anderen moeten leven en het volk, dat altijd blindelings in autoriteiten heeft geloofd roept nog steeds om een krachtige leider, want wie zich laat leiden hoeft zelf niet te denken. Nog steeds wordt het volk koest gehouden en laat zich koest houden met brood en spelen, nog steeds geldt het motto "divide et impera," verdeel en heers, nog steeds houden mensen krampachtig hun krakkemikkig wereld- en zelfbeeld in stand, terwijl ze weten dat het niet klopt en nog steeds staan er dagelijks mensen op die denken dat ze het wiel hebben uitgevonden en met iets heel nieuws komen. Maar er is echt niets nieuws onder de zon. Er is alleen nooit geluisterd.



Søren Kierkegaard WAAROM DE MENS VOORAL VAN ‘DE DICHTER’ HOUDT EN WAAROM, GODDELIJK GEZIEN, ‘DE DICHTER’ JUIST DE ALLERGEVAARLIJKSTE IS


Inleiding bij deze vertaling:


Je kunt pas iets zinnigs over de wereld zeggen als je niet meer van de wereld bent, met andere woorden, dat je eerst een alien geworden moet zijn om als toeschouwer te zien hoe de wereld in elkaar zit en dichters kunnen dat dus niet. Zij zitten opgesloten in het huis, waarvan zij denken dat het à huis clos is, en kijken smachtend door het raam naar buiten. Wat zij als vrijgestelden in deze maatschappij aldus produceren is slechts l’art pour l’art, voor hun eigen boterham, uit ijdelheid, uit de pretentie dat ze iets te vertellen hebben, maar in wezen is hun dichten een hoerige bezigheid, het exploiteren van hun eigen en andermans ellende en troosteloosheid. Zij zitten als die man in Kafka’s Proces zielig aan de, nota bene, open poort, hunkerend om naar binnen te gaan, en kristalliseren hun hunkering uit in fraaie woorden.


"Welnu, veel mensen zijn als de oude man uit Kafka’s verhaal. Zij hopen, maar het is hun niet gegeven te handelen naar de ingeving van hun hart, en zolang de bureaucraten hun toestemming niet hebben gegeven blijven ze wachten en wachten. Indien de man echter meer zou hebben gehad dan alleen maar die passieve en afwachtende hoop, zou hij gewoon de poort zijn binnengegaan en zijn moed de bureaucraten te trotseren zou de bevrijdende daad zijn geweest die hem binnen het schitterende paleis zou hebben gevoerd"


schrijft Erich Fromm in "De revolutie van de Hoop".

Woorden zijn onmachtig om de werkelijkheid te beschrijven. Onze grootste filosoof ná Spinoza, de wiskundige en "mysticus" Bertus Brouwer schrijft in zijn radicale en rebelse Leven, Kunst en Mystiek over de taal:


"De taal is ontstaan om de wil over te brengen en niet om ideeën te communiceren. De taal is vergelijkbaar met een wiskundige praktische creatie, omdat het een middel is om de wil over te brengen. Maar de mens is de taal langzamerhand gaan gebruiken om de wereld mee te beschrijven. Omdat dit voor een groot deel lukt, is men vergeten dat woorden middelen van de wil zijn en is men woorden als begrippen en concepten gaan behandelen die onafhankelijk van de mens bestaan……. Mundus vult decipi. De priesters geloven niet, wat ze de menigte voorhouden. De leiders van politieke partijen bedriegen het volk willens en wetens, met woorden die ze zelf niet begrijpen. De meeste dichters, schilders en verdere artiesten, hebben zich ook die rol aangemeten, vanuit een slechte kans op een plaats in de arbeidsmarkt, door zwakheid of luiheid. En het kritiekloze publiek erkende na enige tijd hun plaats in het kunstvak, waar ze alleen maar vervalste waar leveren, omdat ze niet anders kunnen."


Het is een merkwaardig fenomeen, dat mensen kennelijk hun brein moeten ontlasten en daar ook nog exhibitionistisch anderen mee lastig moeten vallen en daarmee zin aan hun leven proberen te geven. Als ze iets te zeggen hebben, waarom zeggen ze dat dan niet gewoon? Wat hebben anderen, behalve wellicht de herkenning dat ze in hetzelfde schuitje zitten, aan hun excreties?


Gelukkige en ontspannen mensen zijn noch creatief, noch productief, hebben geen behoefte aan ontspanning omdat ze dat gewoon zijn en vormen derhalve een bedreiging voor deze productie- en consumptiemaatschappij. Dat is een van de redenen dat de gevestigde orde zo bang is voor tevreden marihuana-rokers. Kunst is kunstmatig en onecht en de kunstenaar gaat van het ijdele standpunt uit dat hij aan de schepping iets kan toevoegen. Hij geeft geen beeld van de werkelijkheid, maar hij heeft een paradigma of gekleurde brillenglazen nodig om zijn "eigen" uitdrukking te geven van de werkelijkheid en daarmee toont hij zijn eigen vervreemding. Literatuur is het debat tussen het ego en het zelf en uit dat debat komt dan poëzie tevoorschijn. De menselijke tweespalt is dus een voorwaarde voor poëzie. Dichters zitten verlangend voor de open deur en beschrijven in mooie woorden hun ellende of hun hunkering naar het paradijs. Al die 600 miljoen hongerenden en nog veel meer armen in de hele wereld die vechten om te overleven hebben geen tijd om dit soort merkwaardigheden te produceren of te consumeren en hun ellende is de ander kant van onze medaille, waar dichters geen enkele boodschap aan hebben.


In Geschiedenis en Utopie schrijft Cioran:


"Als vulgaire, dus efficiënte prikkel van de inspiratie zegeviert de rancune in de kunst, die er niet buiten zou kunnen — evenmin als de filosofie overigens: denken is je op een sluwe manier wreken, je gemeenheden weten te camoufleren en je kwade instincten weten te verhullen. Te oordelen naar wat een systeem uitsluit en afwijst, doet het aan een kundig uitgevoerde afrekening denken. Filosofen zijn meedogenloos, ‘harde jongens’, net als dichters, net als iedereen die iets te zeggen heeft.

Het feit dat de zachtmoedigen en lauwen geen sporen achterlaten is niet te wijten aan een gebrek aan diepte of scherpzinnigheid, maar aan een tekort aan agressiviteit, die evenwel geenszins een onaangetaste vitaliteit impliceert. Wanneer hij worstelt met de wereld, is de denker dikwijls een zwakkeling, een schriele figuur, des te venijniger omdat hij zich bewust is van zijn biologische inferioriteit en eronder lijdt. Hoe meer hij door het leven afgewezen wordt, des te meer zal hij proberen het te beheersen en te onderwerpen, zonder er evenwel in te slagen. Misdeeld genoeg om het geluk na te jagen, maar te trots om het te vinden of erin te berusten, tegelijkertijd reëel en irreëel, vreeswekkend en machteloos, doet hij aan een mengvorm van een wild beest en een fantoom denken, aan een bezetene die overdrachtelijk leeft."

(Uitgeverij De Arbeiderspers 2002 ISBN 90 295 09732)


En tot slot Pessoa in De hoeder van kudden


"Het mysterie der dingen? Weet ik veel wat mysterie is!

Het enige mysterie is dat er zijn die denken over het mysterie.

Wie in de zon staat en de ogen sluit,

Begint met niet te weten wat de zon is

En heel veel dingen te denken vol van warmte.

Maar dan opent hij de ogen en hij ziet de zon

En kan al nergens meer aan denken,

Want het zonlicht is meer waard dan de gedachten

Van alle filosofen en van alle dichters."


En:


"Mystieke dichters zijn zieke filosofen,

En filosofen zijn onwijze mensen.


Want mystieke dichters zeggen dat bloemen voelen

En ze zeggen dat stenen zielen hebben

En rivieren extasen in het maanlicht.


Maar bloemen, als ze zouden voelen, waren geen bloemen,

Ze waren mensen;

En als stenen zielen zouden hebben, waren ze levende dingen, geen stenen;

En als rivieren extasen zouden hebben in het maanlicht,

Waren rivieren zieke mensen.


Men moet niet weten wat bloemen zijn en stenen en rivieren

Om te kunnen spreken over hun gevoelens.

Spreken over de ziel van stenen, van bloemen, van rivieren,

Is spreken over jezelf en je eigen onechte gedachten.

God zij dank dat stenen slechts stenen zijn,

En rivieren niets dan rivieren,

En bloemen alleen maar bloemen."

(Uit: De hoeder van kudden, vertaald door August Willemsen, De Arbeiderspers 2003.)



Anonymus PREDIKER EEN PARAFRASE


Inleiding bij deze vertaling:


Het boek Prediker is een wijsheidsgeschrift uit de Bijbel. Lang geleden heette het nog Qohelet, wat waarschijnlijk "verzamelaar" betekent, maar het was Luther die de titel omdoopte in "Der Prediger". De Engelstaligen gebruiken de naam "Ecclesiastes", het in de kerk gelezen boek.

Het boek is ongeveer 2250 jaar geleden opgeschreven, waarschijnlijk in Jeruzalem, maar de schrijver is, zoals bij zo vele controversiële geschriften, anoniem gebleven. Wel doet hij, om zijn woorden kracht bij te zetten, alsof hij koning was (wat we overigens ook bij Boeddha vinden). In ieder geval heeft hij tot de geletterde elite behoord, de kringen waar hij de holheid en schone schijn van doorprikt.

Prediker is een tijdloos verhaal omdat het de zoektocht beschrijft van de mens die gaat twijfelen aan vanzelfsprekendheden en gevestigde opvattingen en die antwoorden probeert te vinden op de vraag naar het waarom.

Het Gilgamesh-epos, ongeveer 4000 jaar oud, beschrijft dezelfde zoektocht die net als in het Evangelie van Thomas (logion 2) een prachtig eindpunt heeft en begint daarom met de strofen:


"Ik, die alles gezien heb, zal het bekend maken aan de volkeren

Ik zal over hem die dit alles ervaren heeft onderwijzen

gelijk Anu (de vader der goden) hem de kennis van het Al verleende

Hij aanschouwde de Geheimen en ontdekte het Verborgene

Hij heeft bericht van de tijd vóór de zondvloed

Hij heeft een verre tocht ondernomen vol moeite en verdriet

Maar kwam tot rust

Waarna hij al zijn zwoegen op stenen tafelen grifte"


Wij weten niet hoezeer de oorspronkelijke tekst in al die eeuwen veranderd en aangepast is aan de tijd, zeker is dat alle geletterden, vertalers, kopieerders, priesters en schriftgeleerden in alle culturen altijd tot de hogere geprivilegieerde klassen hebben behoord, zoals dat nog steeds het geval is. De klassen van de vrijgestelden, de rijken en machthebbers, die zich hoog verheven voelden boven het gewone volk. Mensen die gebaat waren bij de handhaving van de gevestigde orde, hun bevoorrechte positie en hun eigen belangen. Met name zij voelen zich bedreigd door geschriften die de poten onder hun pluche zetels vandaan zagen. Zij zijn de honden, die op de ossenkrib liggen (Thomasevangelie, logion 102) en die de sleutel der kennis hebben weggenomen (Lucas 11:52). Vanuit hun bevoorrechte positie en vanuit hun daarbij passend denkraam interpreteren zij de schriften en kunnen, ziende blind en horende doof, niet anders concluderen dan dat de schrijver zich vergist en het ongetwijfeld anders bedoeld heeft en zo vervuilen zij de teksten. Maar ook in die kringen slaat bij enkeling wel eens de twijfel toe.

Zo iemand is Prediker geweest.

Hij kijkt om zich heen en ziet alle tegenstrijdigheden en stelt voor zichzelf de zogenaamde maatschappelijke deugden en verworvenheden ter discussie en raakt steeds meer verbijsterd over wat hij rondom zich heen ziet. De jacht naar bezit, status en rijkdom, de kloof tussen arm en rijk, de onechtheid en oneerlijkheid, de waanzin van oorlogen, het eindeloze geleuter over niets, de macht van de een over de ander, de onmogelijkheid van een relatie en de onrechtvaardigheid van de rechtspraak. Als een toeschouwer observeert hij de bezigheden van de mensen, die hij steeds meer als loos onderkent, blijft zichzelf vragen stellen en wordt steeds radicaler. Hij voelt zich in de maatschappij steeds minder thuis en zoekt gedreven naar een uitweg uit wat hij steeds meer als waanzin ziet. Hij is een zwerver tussen twee werelden, tussen hel en hemel. De maatschappij waar hij, zonder zichzelf te bedriegen, niet meer naar terug kan en die andere wereld waar hij een vermoeden van heeft en steeds meer de contouren van ziet. Een rechtvaardige wereld, zonder ellende en verdriet, zonder machthebbers en leiders, zonder beterweters, zonder rijkdom en bezit, zonder klassen en kasten, zonder boeken en geleerdheid, kortom, een wereld voor mensen.

Heeft hij gevonden wat hij zocht? Wij zullen het nooit weten. Het zou nog 250 jaar duren voor een nieuwe revolutionaire beweging zich aandiende en jullie weten allemaal hoe ook die door de schriftgeleerden en machthebbers om zeep is geholpen.

In wezen is Prediker een revolutionair en voor de gevestigde orde nog steeds een uiterst bedreigend geschrift.

Het is nog steeds een heldere beschrijving van de zoektocht naar Het Koninkrijk of het Nirvana, die wij allen kunnen afleggen, als we maar durven en die, zoals we ook bij Prediker kunnen lezen een einde heeft, waarna je echt kunt zeggen: en zij leefden nog lang en gelukkig.


Zoekt en gij zult vinden.


Onderstaande is niet de zoveelste vertaling of interpretatie van Prediker, maar een weergave van de intentie, vertaald naar deze tijd. Als je een handleiding van een huishoudelijk apparaat uit Taiwan hebt, door een Taiwanees met het woordenboek in de hand in het Nederlands vertaald, zijn de afzonderlijke woorden en zinnen onbegrijpelijk en onbelangrijk, maar toch is de strekking duidelijk. Bovendien is die handleiding eigenlijk helemaal niet nodig. Al doende leer je. Dat geldt dus ook voor het leven. Het leven leert jezelf wel wat je moet nalaten om uiteindelijk een leven te bereiken zoals het bedoeld is.

Het gaat dus niet om een nog knappere uitleg van afzonderlijke woorden, maar om wat de schrijver bedoelt.


Er is niets nieuws onder de zon.



J.J. Groen en W.S. de Loos PSYCHOSOMATISCHE ASPECTEN VAN DIABETES MELLITUS


Inleiding bij deze vertaling:


In 1973 verscheen dit nog geen honderd pagina’s tellend boekje, waarvan 63 pagina’s in het Nederlands en de rest, waarvan dit stuk een vertaling is, in het Engels. Aannemelijk is dat dit gebeurd is omdat deze benadering van Diabetes Mellitus zo controversieel en dus taboe is, dat er een manier gevonden moest worden om "het gewone volk" deze visie te onthouden. Het blijkt namelijk dat het maar zeer deels een samenvatting is van het eerste gedeelte van het boek en verder bestaat uit verhalen van patiënten, die in het Nederlandstalige gedeelte niet zijn opgenomen, maar wel het helderste licht werpen op de zaak. Het is treffend om te lezen dat ‘patiënten’ herhaaldelijk te berde brengen dat het optreden of verergeren van de verschijnselen van hun suikerziekte, volgens hen te maken heeft met de levensproblemen waar ze op dat moment mee kampten en hoe dat categorisch door de artsen naar de prullenbak wordt verwezen.

Een andere psychosomaticus, Victor von Weizsäcker verwoordde dat in zijn boek Der Kranke Mensch als volgt: De wetenschap en het gevoel van het eenvoudige volk zijn met elkaar in tegenspraak. Het geloof dat zorg, opwinding en tenslotte ook ergernis en onaangenaamheden een mens ziek kunnen maken, is zeer verbreid. Waarom eigenlijk niet? Alleen in het wetenschappelijk gilde is het zo gelegen, dat de ‘psychogenie’ van een angina, een pneumonie, een attaque of een diabetes als dubieus en onwaarschijnlijk wordt beschouwd, en dat het sensatie verwekt wanneer een wetenschappelijk onderzoeker dit poneert, maar schrijft vervolgens elders in het boek: De mensen begrijpen niet waarom de ziekte hen treft, omdat ze het verborgen Waartoe niet kennen. Komt er dan een dokter die zich verbeeldt het Waartoe te kennen, dan merkt men in de regel dat de zieke het niet begrijpt, er niets van horen wil of verontwaardigd is. Maar als de mensen het niet begrijpen komt dat voornamelijk omdat de materialistische geneeskunde hen altijd heeft voorgehouden dat alle kwaad van buiten komt, dat mensen niets met hun ziekte te maken hebben en alleen maar toevallige dragers zijn van symptomen, die bestreden moeten worden. De L’Homme Machine die mankementen vertoont en wie daar anders over denkt overtreedt een taboe.

In 1947 schreven de hoogleraren Prick, Bastiaans en Groen een publicatie over Multiple Sclerose, waarin ze de betekenis van persoonlijkheid en conflictsituatie voor het ontstaan, het beloop en de behandeling van MS lieten zien. "Die publicatie is echter nooit verschenen, omdat enkele autoriteiten op het gebied van de klinische neurologie hen destijds met klem ontraadden het geschrift het licht te doen zien. Men achtte de inhoud te zeer indruisend tegen de gangbare opvattingen," staat in het in 1967 alsnog verschenen boek dat, sinds de farmaceuten en technici de macht hebben overgenomen, volledig in vergetelheid is geraakt, zoals de hele psychosomatiek. ‘Achterhaald’ noemen ze dat dan, niet meer van deze tijd, terwijl ze zich tegelijkertijd op de Bijbel of Darwin beroepen.

De hele natuur streeft onafgebroken naar evenwicht. Homeostase noemt Cannon dat. Elk dier dat instinctief merkt dat er gevaar dreigt maakt zich klaar voor het gevecht of de vlucht. Er vindt een grote aanmaak plaats van stresshormonen, bloeddruk en suiker stijgen, de hartslag neemt toe, de spieren worden gespannen, de zintuigen scherpen en de pijngevoeligheid daalt. En het dier gaat dan ook daadwerkelijk het gevecht aan of slaat op de vlucht en als het gevaar geweken is treedt de rusttoestand weer in en normaliseren alle lichaamsfuncties. Hoe anders de mens, die vluchteling uit de natuur. Hij wordt niet bedreigd, hij voelt zich bedreigd, zit vol angsten die zijn manier van leven in zijn onbegrepen wereld met zich meebrengen, waarbij alle fysiologische reacties kunnen optreden die bij het dier plaatsvinden. Maar wat doet hij? Gaat hij op de vlucht? Gaat hij het gevecht aan? Nee natuurlijk niet, want hij heeft geleerd dat vluchten toch niet meer kan, dat hij nu eenmaal gevangen zit in zijn huwelijk, gezin, familie, baan, kerkgenootschap, tradities, gewoonten, overtuigingen en alle andere tralies waarmee hij zijn gevangenis heeft geconstrueerd, waarin hij zich heeft opgesloten en op laten sluiten. Hij is "zoet," hij is beschaafd, hij beheerst zich, kropt het op, rationaliseert het gevaar weg, houdt zich voor dat het allemaal wel meevalt en gaat met zijn symptomen naar de dokter, die hem vertelt dat hij een ziekte heeft, die behandeld moet worden, waarmee zijn terugweg geblokkeerd wordt. In Bodily Changes in Pain, Hunger, Fear and Rage, gepubliceerd in 1927 beschrijft Walter Cannon het optreden van verhoogde suikerspiegels in het bloed bij vastgebonden katten die door een keffend hondje bedreigd werden. Door twee Duitse onderzoekers, Bohm en Hofmann, werd dat in 1878! Fesselungsdiabetes genoemd, maar zij vermeldden ook dat de bloedsuiker weer naar een normaal niveau daalde als de kat bevrijd werd en de hond verdween.

In wezen is alle suikerziekte bij de mens dus ook Fesselungsdiabetes, waar de farmaceutische industrie schatten aan verdient. Maar de gevangenen blijven gevangenen. Diabetes wordt niet genezen, het diabetesonderzoek houdt zich vrijwel uitsluitend bezig met de behandeling, nooit met de zin, nooit met de betekenis. Je kunt het vergelijken met een drenkeling, aan wie door horden hulpverleners (ook allemaal drenkelingen) reddingsmateriaal en proviand wordt toegeworpen, maar die nooit meer naar de wal mag terugkeren. Eenmaal drenkeling, altijd drenkeling, een chronische en ongeneeslijk "ziekte."

Dat is ook de zwakte van onderstaand artikel. De "patiënten" beschrijven hun gevangenis, waaruit ze niet konden of durfden te ontsnappen, en terwijl Groen en Loos dat duidelijk signaleren, worden zij de nieuwe cipiers, die de gevangenen vertellen dat ze moeten leren leven met het symptoom, schrijven hen een nieuw regiem voor en controleren hen. Hun patiënten zijn dan wel boos, verdrietig, depressief en wanhopig, maar hebben een ziekte en zij houden hen ziek. En het tragische is dat dat voor elke ziekte geldt. Elk symptoom is een signaal van een verbroken evenwicht. Symptomen worden samengevoegd en heten dan ziekten, die behandeld worden, zodat het evenwicht nooit meer kan terugkeren. Zoals Gurdjieff schreef: "Er zijn maar twee soorten artsen, de ene verhindert je te leven en de andere helpt je te sterven."

De hele geschiedenis door zijn er mensen geweest die beweerden dat de geneeskunde een doodlopende weg was ingeslagen. Ze werden belachelijk gemaakt, voor gek versleten en doodgezwegen. Geneeskunde is een verkapte religie, met een priesterdom en gelovigen. Artsen zijn wetenschappelijke gelovigen, die zich bekennen tot een vakgebied, een wetenschappelijk paradigma, met bijbehorende geloofsartikelen. Meedoen mag uitsluitend als de vigerende dogma’s worden aanvaard, het groepsjargon gebezigd wordt en mede stelling genomen wordt tegen alles wat de groep bedreigt. Dat wil dus zeggen dat per definitie alles wat tegen het groepsbelang ingaat, alle boeken, geschriften of artikelen, door alle groepsleden als onzin, obsoleet en krankzinnig afgedaan moeten worden. Mensen censureren zichzelf, sluiten zich af voor alles wat hun moeizaam geconstrueerde wereld- en zelfbeeld kan verstoren; weren alles wat hun tot een bepaalde groep behoren kan bedreigen, die groep die hen ogenschijnlijk veiligheid, vertrouwdheid en aanspraak biedt. Het maakt niet uit of dat gezin, familie, beroepsgroep, kerkgenootschap, politieke partij of de bridgeclub is. Veranderen van mening of geloof, dus wereld- en zelfbeeld, is levensgevaarlijk, omdat de peergroup dat sanctioneert met uitsluiting. "We kennen je niet meer," zeggen ze dan, "je bent veranderd; je moet maar gauw weer de oude worden." Maar wat misschien nog belangrijker is, is dat veranderen inhoudt dat je tot de conclusie komt dat je je tot dan toe vergist hebt. Natuurlijk zijn er velen die noodgedwongen vervreemden van hun oorspronkelijke groep, maar zich dan wel vervolgens aansluiten bij een nieuwe groep, met andere geloofsartikelen, normen en waarden. Mensen lezen alleen wat hun wereld- en zelfbeeld bevestigt en anders lezen ze alleen de passages die dat doen en ze zijn ontzettend knap en door de wol geverfd om zich af te sluiten van wat ze niet durven te weten. Negatieve dissonantie heet dat tegenwoordig zo fraai en eufemistisch, maar het is natuurlijk gewoon zelfbedrog.



"Dat ze boos op mij zijn, omdat ik anders schrijf dan wat hun schrijvers verkondigen, is het gevolg van hun eigen onwetendheid en niet van de mijne. Want mijn geschriften staan, zoals deze bewijzen, niet buiten, maar integendeel diep geworteld in datgene, wat de basis van de geneeskunde vormt en te zijner tijd zal dit wel blijken. Dat ze morren tegen dergelijke actuele geschriften als de mijne heeft een gegronde oorzaak: Niemand jammert, die niet gekwetst is geworden, niemand wordt gekwetst, of hij moet kwetsbaar zijn en alles is kwetsbaar wat vergankelijk en niet van blijvende aard is. Deze mensen jammeren luidruchtig, omdat hun kunst broos en vergankelijk is en dat is de reden, waarom ze hun geschreeuw tegen mij aanheffen. De geneeskunde zelf doet dat niet, want zij is onvergankelijk en al zodanig gebaseerd op onsterfelijke grondslagen, dat de hemel en de aarde eerder verdwijnen zullen, dan dat de geneeskunde te gronde zal gaan. Wanneer nu de geneeskunde mij met rust laat, waarom zou ik me dan laten verontrusten door het geschreeuw van die geneesheren met hun vergankelijke kunst? Ze schreeuwen alleen maar, omdat ik ze versla en verwond: — dat is een bewijs, dat ze ziek zijn waar het de geneeskunde betreft. En één van de symptomen van hun ziekte is hun strijd tegen mij, omdat ze het niet aangenaam vinden, dat ik ze ontmaskerd en aan de kaak gesteld heb. De hoogst geplaatsten onder hen zijn tegen mij gekant, omdat ik niet uit hun school kom, noch schrijf op de manier, zoals zij het doen. Wanneer ik echter zo schreef, zou ik de blaam op mij laden van bedrog, want de geschriften der antieken zijn gebleken onjuist te zijn. Zouden diegenen die daaruit voortgesproten zijn, dan geen verkeerde inzichten hebben...?"

 

Paracelsus, uit: Opus Paragranum, 1529, postuum verschenen.



Jerome K. Jerome HET NIEUWE UTOPIA


Inleiding bij deze vertaling:


Jerome schreef dit satirisch verhaal naar aanleiding van het boek Mensen als Goden van zijn vriend H.G. Wells. Wells was een kritiekloze aanbidder van de wetenschap, een techno-utopist, die in de wetenschap de grote heilbrenger zag. Jerome extrapoleert diens visie en laat genadeloos zien, dat Wells utopie, zoals alle geconstrueerde utopieën, onherroepelijk uitdraait op een gruwelijke dystopie. De al dan niet imaginaire toekomstfantasieën van mensen als Plato, Bacon, Campanella, Spinoza, Rousseau, Bellamy en soortgelijke, zijn in wezen allemaal dystopieën, zoals Swift, Voltaire, Mandeville, Mercier, Orwell, Zamyatin, Boelgakov, Platonov en vele anderen onmiskenbaar laten zien. Zie Douwe Fokkema’s Perfect Worlds, Utopian Fiction in China and the West, hier te downloaden als pdf. Socialisme, communisme en kapitalisme zijn in wezen verkapte religies en voor allemaal geldt dat het doel, hoe vaag, kortzicht en ondoordacht dan ook, de middelen heiligt.



Edward Bellamy VOOR WIE DIT LEEST


Inleiding bij deze vertaling:


In deze parabel wijst Edward Bellamy op het bedrieglijke, leugenachtige en ontoereikende van de taal, maar hij was niet de eerste en de laatste die dat begrepen had.


Zhuang Zi schreef vierentwintighonderd jaar geleden:

"De wereld denkt, dat de beste verklaring van Tau in boeken is te vinden. Maar boeken zijn slechts een verzameling van woorden. Woorden hebben iets kostbaars in zich; dat is de gedachte, die zij dragen. Maar die gedachte is het gevolg van iets anders, en juist dat andere kan niet in woorden worden uitgedrukt. Wanneer de wereld om de waarde, die zij aan woorden hecht, die overbrengt op boeken, kan zij waarderen, wat geen waardering verdient; want wat zij waardeert is niet de werkelijke waarde."


Erasmus was in De Lof der Zotheid nog duidelijker:

"Want dat simpele volk uit de gouden eeuw, met geen wetenschap gewapend, leefde enkel volgens de leiding en ingeving der natuur. Waar diende grammatica immers toe, daar allen dezelfde taal hadden en men van het spreken niets anders eiste dan dat de een de ander begreep? Wat was het nut van dialectiek, daar er immers geen enkele strijd tussen botsende meningen bestond? Waar had men redeneerkunst nodig, daar niemand de ander last bezorgde? Waartoe zou men de wijsheid der wetten verlangen, daar er geen slechte zeden bestonden waaraan ongetwijfeld de goede wetten hun bestaan danken? Voorts waren ze te vroom dan dat ze uit zondige nieuwsgierigheid de geheimen der natuur, de afmetingen, bewegingen en invloeden der hemellichamen, de verborgen oorzaken der dingen naspeurden, daar ze het ongeoorloofd achtten dat een sterfelijk mens méér kennis tracht te vergaren dan hem is toebedeeld. Om te vragen wat er boven de hemel was - die waanzin kwam zelfs niet bij hen op! Maar toen de zuiverheid van het gulden tijdperk geleidelijk verdween, zijn het eerst door kwade geesten, zoals ik al zei, de wetenschappen uitgevonden, weinige nog maar en ook maar door weinigen aanvaard. Later heeft het bijgeloof der Chaldeeën en de lichtzinnigheid der luierende Grieken er ontelbare aan toegevoegd, je reinste levensmartelingen, zozeer dat zelfs de grammatica alleen al meer dan voldoende is om je een leven lang te folteren."


In zijn émile schreef Jean-Jacques Rousseau:

"Onze talen zijn menselijke creaties. Lange tijd heeft men gezocht naar een natuurlijke, alle mensen eigen zijnde taal; en die bestaat ook stellig, het is de taal die de kinderen spreken voordat ze kunnen praten. Het is een taal die niet gearticuleerd is, maar wel geaccentueerd, helder en verstaanbaar. Wanneer we leren spreken, wordt die taal veronachtzaamd en raakt ze praktisch in vergetelheid."


Gustav Flaubert vermeldt in Madame Bovary:

"Taal is een gebarsten ketel waarop wij wijsjes trommelen, waarop beren kunnen dansen, terwijl we sterren hadden willen vertederen."


In De Opstand der Horden schrijft Ortega y Gasset:

"De zuivere waarheid is namelijk dat het de mens onmogelijk is zich met zijn gelijken te verstaan omdat hij gedoemd is tot volstrekte eenzaamheid en hij zich dus uitput in vruchteloze pogingen zijn naaste naderbij te komen ......wanneer de mens begint te spreken doet hij zulks omdat hij meent dat hij zal kunnen zeggen wat hij denkt. Welnu, dat is het bedrieglijke. Zover reikt de taal niet.......duo si idem dicunt non es idem."


En tot slot Abel Herzberg in zijn novelle Drie Rode Rozen:

"Al door het zeggen van het woord, deelt men, scheidt men en schendt het alomvattende, dat men niet kent." Dat alomvattende, die eenheid, noemt hij God "en wij, fragmenten als wij zijn en fragmenten die wij maken, zijn niet in staat hem in beeld of in woord en zelfs niet in gedachten te vatten. En wij verlangen dat; wij hunkeren ernaar. Wij zijn niet tevreden met het fragment, wij moeten de Eenheid beleven."


"Talen zijn menselijke creaties" schrijft Rousseau, en die menselijke creaties dienen om een door de mens gecreëerde maatschappij, waarin ongelijkheid heerst tussen de mensen en intermenselijke verhoudingen op macht gebaseerd zijn, in stand te houden, "waarin mensen volstrekt eenzaam zijn en zich dus uitputten vruchteloze pogingen zijn naaste naderbij te komen" volgens Ortega. De taallozen in deze wereld zijn de dieren en de kleine kinderen, waarvan de eersten het uitstekend kunnen stellen zonder taal en de laatsten aangepast moeten worden aan de grote-mensenwereld en dus even leugenachtig moeten worden als hun opvoeders.


In dit verhaal schaft Bellamy weliswaar de gesproken taal af, maar laat hij gedachten bestaan, maar beiden kunnen niet zonder elkaar en de ontwikkeling van het ene loopt in de pas met die van het andere. Kleine kinderen zijn aanvankelijk alleen aangewezen op de nonverbale communicatie. Ze voelen angst, boosheid, onzekerheid en spanning bij hun opvoeders als ze leren praten is die eigenschap niet meteen verdwenen, maar ze signaleren daarnaast ragfijn als er een discrepantie bestaat tussen wat grote mensen zeggen en laten zien. De zogenaamde "helder"zienden of gedachtelezers, weten niet wat zich in het hoofd van de ander afspeelt, maar ze kijken en luisteren gewoon heel goed en zien diezelfde discrepantie. Er klopt iets niet, er is een verschil tussen binnen en buiten.


Kan de mens dan zonder taal? Natuurlijk kan dat, maar niet in een wereld waarin geen mensen, maar alleen identiteiten rondlopen, die allemaal een verschillend samenraapsel van meningen vertegenwoordigen, die ze zich eigen hebben gemaakt. Mensen zijn het altijd met elkaar eens, alleen identiteiten maken ruzie en voeren oorlogen.


Na zijn terugkeer in de wereld van identiteiten, "dat schokkende Babel van een natie van praters, die bittere schijnvertoning," verzucht de hoofdpersoon dat het zonder twijfel beter is dat hij doodgaat. Hij voelt dezelfde weerzin als Gulliver, na zijn verblijf bij de Houyhnhnms, terugkeert bij de Yahoo’s in Engeland, naar zijn tuintje in Redriff. "Ik zal oprecht naar mijzelf in de spiegel kijken, om mij op die manier zo mogelijk langzamerhand eraan te wennen om de aanblik van een menselijk wezen te verdragen…..Maar als ik een klomp wanstaltigheid en ziekten van lichaam en geest zie, opgezadeld met hoogmoed, dan loopt de maat van mijn geduld meteen over. Ik zal ook nooit kunnen begrijpen hoe zo’n dier en zo’n ondeugd met elkaar kunnen stroken."



Félicité Robert de Lamennais WOORDEN VAN EEN GELOVIGE


Inleiding bij deze vertaling:


In 1831 protesteerde Lamennais tegen de instemming die Paus Gregorius XVI betoond had voor het neerslaan van de Novemberopstand in Polen in 1830-31. De Paus durfde Lamennais niet rechtstreeks aan te vallen maar deed dat indirect maar overduidelijk in zijn encycliek Mirari Vos. Het gevolg daarvan was het meest apocalyptische en profetische gebed in het Frans, Paroles d’un Croyant, dat Lamennais in 1834 schreef. Het boek sloeg als in bom in onder de intellectuele gemeenschap van Europa. Wat Jesaja voor het Assyrische Rijk geweest was, werd Lamennais voor het Frankrijk van het midden van de negentiende eeuw, maar voor Rome was het de druppel die de emmer deed overlopen. Zo snel mogelijk werd een nieuwe encycliek opgesteld. En op 25 juni 1834 verscheen de zendbrief van de paus: de bul ‘Singulari nos’. Nadat het boekje was aangeduid als gering van omvang, maar overweldigend van boosheid - ‘libellum, mole quidem exiguum, pravitate tamen ingentem’ - werd het, volgens de gewoonte van de katholieke Kerk, veroordeeld, en in alle eeuwigheid verdoemd. Door het Vaticaan werden zes boeken van Lamennais, die in hun ogen eens zo’n trouwe apologeet van de Kerk geweest was, op de Index geplaatst.


Toen Lamennais de Woorden van een Gelovige schreef, had hij nog geen afstand genomen van de Roomse Kerk, noch van een aantal christelijke dogma’s en de terminologie, die heel dit boekje kleuren. Hoewel hij nooit expliciet over zijn mystieke ervaringen heeft geschreven, zijn bijvoorbeeld paragraaf XXVI en vooral de slotparagraaf onmiskenbare en onvervalste getuigenissen van iemand die Plato’s grot verlaten heeft en daar het "licht" aanschouwde, zich één met het Al, met al het zijnde, met God, of hoe je dat ook wilt noemen, gevoeld heeft, maar zoals hij in paragraaf XXVI beseft dat hij dat niet duidelijk kan maken aan mensen die dat niet hebben ervaren en het dus, in een vergeefse poging, onbeholpen in het hem enige bekende jargon, het christelijke, giet. Vergeef het hem, filter het er zelf uit, maak van "de Vader" bijvoorbeeld het Higgsveld, het numineuze, de substantie of immanente kracht, van "de Zoon," dan het Higgsdeeltje, dat vorm geeft aan het die kracht en het Zijnde, de hele schepping teweegbrengt en van "de Geest" de kracht die aan al het levende leven en aan de mens daarenboven zijn bewustzijn geeft. Het is dus duidelijk dat "de Zoon" en "de Geest" uitgaan van "de Vader" en dus in de christelijke terminologie drie Goden zijn die in wezen één God zijn. Daar heb je dus het CERN niet voor nodig, want kennis, schrijft Lamennais is vergeleken met wijsheid maar een kleine zwarte stip. En natuurlijk is er geen Jezus geweest, die voor onze zonden aan het kruis zou zijn gestorven, laat staan dat hij ons daardoor vrijgekocht zou hebben, maar hij is de metafoor voor het geweten. Het evangelie is slechts een geconstrueerd verhaal met Jezus ook als het prototype van de mens, de mens die samenvalt met zichzelf, met zijn geweten, dus zichzelf is en een boodschap en die boodschap is dezelfde als die van Lamennais, vrijheid gelijkheid en broederschap en dan komt dat aards paradijs vanzelf.


De componist Franz Liszt die zich aanvankelijk in Parijs in de kringen van Saint-Simonisten bewoog, sloot een innige vriendschap met Lamennais. Hij had ook enkele malen een mystieke ervaring gehad en voelde zich dus zeer thuis bij zijn zielsgenoot. Hij schreef ooit over Lamennais: "Hij is werkelijk een prachtig, wonderbaarlijk en volstrekt uitzonderlijk mens. Zo geniaal en zo gevoelvol. Edelmoedig, mededogend, met een hartstochtelijke bezieling, scherpzinnig, met en ruimhartig en diepzinnig oordeelsvermogen, de eenvoud van een kind, een verheven gedachtegoed en een krachtige ziel — in hem is alles te vinden wat iemand Gods evenbeeld maakt. Nooit heb ik hem het woord "ik" horen zeggen."



Upton Sinclair ZE NOEMEN ME TIMMERMAN, EEN VERHAAL OVER DE WEDERKOMST VAN CHRISTUS


Inleiding bij deze vertaling:


In het naschrift bij dit boek schrijft Upton Sinclair: "Wij leven in een tijdperk, het eerste in de mensengeschiedenis, waarin de godsdienst volkomen geweerd wordt uit de politiek en de politiek uit de godsdienst. Het is dus mogelijk dat miljoenen mensen dit verhaal zullen lezen en denken dat het gewoon een grap is en niet beseffen dat het een letterlijke vertaling is van het leven van de grootste revolutionaire martelaar aller tijden, de stichter van de eerste proletarische partij ter wereld, naar de huidige tijd."

En zo is dat. Maar in feite is het even onbelangrijk of die Jezus al dan niet bestaan heeft, als het ertoe doet wie de postbode is die een belangrijke brief bezorgt. Dat geldt overigens evenzeer voor bijvoorbeeld Lao Tzu, de Boeddha, Socrates en Sneeuwwitje, die niet meer dan boodschappers en dus zelf verder volstrekt onbelangrijk zijn. Iedereen weet immers dat het nooit om de boodschapper, maar uitsluitend om de boodschap gaat. Maar wat de evangelisten die dus al dan niet fictieve figuur laten verkondigen is wel absoluut revolutionair. Je hebt niet eens zoveel gezond verstand nodig om via gewoon consequent doorredeneren tot die conclusie te komen. De oproep om de andere wang toe te keren, niet te oordelen, overal afstand van te doen— dat wil zeggen, niet alleen van je materiële bezittingen, maar ook je meningen, tradities, aangeleerde normen en waarden, alles wat je gelooft, kortom al je vooroordelen — je vijanden lief te hebben, je niet te bekommeren om de dag van morgen en volmaakt te zijn, staat haaks op alles wat in onze eigen gecreëerde en door ons zelf in stand gehouden wereld van hebzucht, leugens, prestaties, plannen maken, meningen verkondigen, macht, wetenschappen en godsdiensten, normaal wordt gevonden. Logischerwijs kan die boodschap alleen maar leiden tot het terugdraaien van de omgekeerde wereld waarin wij leven. De consequentie is een wereld die nog net wat verder gaat dan wat communisten en socialisten verkondigd hebben, een wereld van waarachtige vrijheid, gelijkheid en broederschap, die alleen mogelijk is als mensen bereid zijn alles op te geven dat hen van elkaar scheidt.

Sinclair was een rebelse schrijver. In 1904 werkte hij als een Günter Wallraf avant la lettre zeven weken in een vleesfabriek in Chicago en schreef daarna zijn onthullende en vernietigende boek The Jungle, wat hem niet in dank werd afgenomen. Sinclair schreef daar zelf over: "Mijn opzet was het hart van het publiek te raken, maar het was per ongeluk een stomp in de maag," maar het boek leidde wel tot drastische hervormingen. President Roosevelt schreef over hem: "Ik heb een enorme minachting voor die man. Hij is hysterisch, onevenwichtig en onwaarachtig. Driekwart van wat hij zegt is absoluut onwaar" en deed het allemaal af als "socialistisch."



E.M. Forster DE MACHINE STOPT


Inleiding bij deze vertaling:


Meer dan honderd jaar geleden schreef Edward Morgan Forster deze sciencefiction-achtige, profetische parabel met een onherroepelijke apocalyptische afloop. Telegrafie en telefonie bestond toen al, er lagen trans-Atlantische kabels, maar het versturen van beelden via een kabel stond nog in de kinderschoenen. In 1909, toen Forster dit verhaal schreef, waren ze nog niet verder gekomen dan 24 pixels die letters konden vormen. Het jaar daarvoor was van Shelford Bidwell, die al in 1881 in Nature een artikel met de titel Tele-Photography had gepubliceerd, in datzelfde tijdschrift het artikel Telegraphic Photography and Electric Vision opgenomen, waarin hij een opsomming gaf van de vrijwel onoplosbare problemen die dat met zich meebracht. Het is niet bekend of Forster dat stuk gelezen heeft, maar met een bewonderenswaardige vooruitziende blik voorspelt hij in dit verhaal het internet, dat hij de Machine noemt, de ICT, de tablet en de domotica waarbij alles in huis aangestuurd wordt via de Machine, maar ook hoe onderlinge contacten veranderen in virtuele en angst voor lichamelijk contact teweegbrengt, de horror silentii, de angst voor stilte, die geweerd wordt door onafgebroken muziek uit muziekmachines en de uiteindelijke totale afhankelijkheid van een door de mens zelf gecreëerde, uiterst kwetsbare infrastructuur, en dat allemaal onder de noemer vooruitgang. De Machine is een equivalent van The Matrix en ontsnappen aan de Machine vergelijkbaar aan ontsnappen aan The Matrix. Neo is de hedendaagse Kuno en allebei zoeken ze een uitweg naar buiten, uit de hel of Plato’s grot, waarmee deze parabel ook veel overeenkomsten vertoont, gedreven door een weten dat er een ander leven mogelijk is, dan dit overleven in een zelfgecreëerd tranendal, deze hel waarin mensen ronddwalen, onder leiding van al die deskundigen die hen verzekeren dat dit het echte leven is. Het vonnis dat door de achtergeblevene in Plato’s grot uitgesproken werd over de vermetele die boven een kijkje was gaan nemen, was de dood; het vonnis van de Machine is Ontheemding en Ontheemd zijn betekent de dood, schrijft Forster, "want de Machine voedt ons, kleedt ons en verschaft ons onderdak; via haar praten we met elkaar, via haar zien we elkaar, in haar bestaan we. De Machine is de vriend van nieuwe ideeën en de vijand van bijgeloof; de Machine is almachtig, eeuwig; gezegend de Machine."



Mark Twain DE TSAAR IN GESPREK MET ZICHZELF


Inleiding bij deze vertaling:


In hetzelfde jaar dat Mark Twain zijn vernietigende satire King Leopold's Soliloquy (Koning Leopold in gesprek met zichzelf) schreef over diens schrikbewind in zijn privé-kolonie Kongo-Vrijstaat, die drie jaar na het verschijnen van verhaal geannexeerd werd door de Belgische staat, publiceerde hij een even vernietigend stuk over de Russische Tsaar, bijgenaamd Bloedige Nikolaas, The Czar’s Soliloquy, waar het volgende een vertaling van is. In 1918 werd de Tsaar, samen met zijn gezin geëxecuteerd.

Maar het gaat niet alleen over de Tsaar, want Twain zegt ook zeer gedenkwaardige dingen over de functie van kleren in het algemeen, die iedereen die in deze wereld gekleed gaat zich zou kunnen of moeten aantrekken.


Wat zou een man zijn — wat zou iedereen zijn — zonder kleren? Zodra iemand daarbij blijft stilstaan en nadenkt over die vraag, realiseert hij zich dat een man zonder zijn kleren helemaal niets zou zijn; dat kleren niet gewoon de man maken, ze zijn de man; dat hij zonder ze een nummer is, een leegte, een niemand, niets


Maar dat geldt niet alleen voor de man, maar evenzeer voor de vrouw. Niet alleen dat mensen een deel van hun identiteit, de rol die ze noodgedwongen spelen in deze wereld, dus wat ze niet zijn, ontlenen aan hun kleren, maar daarnaast dienen ze om alle afwijkingen te camoufleren die het gevolg zijn van het onnatuurlijke leven dat ze leiden. Ooit werden ze geboren als prachtige, gave kindertjes, volmaakt van lijf en leden, maar in het keurslijf van de "beschaving" zijn ze langzaam maar zeker verkreukeld, verlittekend en beschadigd. Pluk honderd mensen van de straat, ontdoe ze van hun kleren, make-up en alle hulpmiddelen, brillen, lenzen, prothesen, om nog maar niet te spreken van hun geverfde haren, alles wat ze onthaard hebben, al het kapperswerk, heup- knie- en borstprothesen, botox en andere plastische correcties, dan ontvouwt zich voor onze ogen een deerniswekkend en wanstaltig tafereel, en is het duidelijk waartoe de hele kledingindustrie in het leven is geroepen. "Een ruime meerderheid van de bevolking, 61%, draagt een bril of contactlenzen. Op oudere leeftijd ontkomt bijna niemand hieraan. Daarnaast heeft bijna een derde van de 75-plus mannen een hoorapparaat en ruim een derde van de 75-plus vrouwen een looprek, rollator of scootmobiel."(Bron CBS)

Dat is de wereld van de grote mensen, met hun schaamtegevoel, waarin schaamteloze kindertjes geboren worden en waaraan ze zich aan moeten passen omdat zij moeten worden zoals zij.

Weemoedig dichtte Annie M.G. Schmidt:


Dit is het land, waar grote mensen wonen.

Je hoeft er nog niet in: het is er boos.

Er zijn geen feeën meer, er zijn hormonen,

en altijd is er weer wat anders loos.


En in dit land zijn alle avonturen

hetzelfde, van een man en van een vrouw.

En achter elke muur zijn and're muren

en nooit een eenhoorn of een bietebauw.


En alle dingen hebben hier twee kanten

en alle teddyberen zijn hier dood.

En boze stukken staan in boze kranten

en dat doen boze mannen voor hun brood.


Een bos is hier alleen maar een boel bomen

en de soldaten zijn niet meer van tin.

Dit is het land waar grote mensen wonen...

Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.


Maar ze moeten er vroeg of laat toch in, met alle consequenties van dien,



Taras Zakydalsky HET MENSBEELD IN DE FILOSOFIE VAN SKOVORODA


Inleiding bij deze vertaling:


In Die Welt als Wille und Vorstellung (Bk. 2, hfdst. 48) schrijft Schopenhauer:


"In de ruimste zin des woords, is mystiek elke aanleiding tot het rechtstreeks gewaarworden van wat niet gezien en begrepen kan worden en buiten het bereik van kennis ligt. Mijn filosofie onderscheidt zich van de mystiek, doordat de laatste van binnenuit begint en ik van buitenaf. Ik bedoel dit: de mysticus gaat uit van zijn innerlijke, individuele ervaring, waarin hij zichzelf ervaart als het middelpunt van de wereld en het eeuwige, enige Wezen. Maar daarover valt niets anders te uiten, dan alleen maar beweringen die men op zijn woord moet geloven. Overtuigen kan hij niet."


Hiermee geeft hij een heldere beschrijving van het onoverbrugbare verschil tussen de filosoof en de mysticus. In Plato’s Allegorie van de Grot is de mysticus iemand die de grot verlaten heeft en weer teruggekeerd is, en de filosoof iemand die in de grot de schaduwen probeert te duiden. De mysticus heeft iets ongelofelijks ervaren wat hij niet in woorden uit kan drukken, de filosoof zit geketend na te denken over het leven in de grot. Maar dan begint het probleem voor de mysticus, hij die het "licht" gezien heeft. Wat hij ervaren heeft, kan hij niet overbrengen. D.T. Suzuki zegt daarover:


"Dat we hier met het gewone denken voor zo’n raadselachtige tegenspraak staan komt door het feit dat we voor het overbrengen van en innerlijke ervaring, die in zijn diepste wezen boven de taal uitstijgt, toch de taal moeten gebruiken."


Maar de hamvraag is natuurlijk, waarom moet iemand die iets meegemaakt heeft dat niet in woorden valt uit te drukken, dat in godsnaam toch proberen? Waarom volstaat hij niet met zijn ervaring in superlatieven te kwalificeren, als fantastisch onvoorstelbaar, ongelofelijk, volmaakt gelukkig, een volmaakt vredig gevoel, alles weten en begrijpen, enzovoort? Waarom moeten ze zonodig kosmogonieën en kosmologieën construeren, nieuwe begrippen introduceren, of oude begrippen en boeken uit de grot hanteren, zoals God, hemel, de Christus, waarheid, geloof, spiritueel, hart, en al die andere die in de grot allemaal al millennia lang op allerlei manieren geïnterpreteerd zijn en tot de grootste misverstanden geleid hebben en dat nog steeds doen? Nou valt dat bij Skovoroda nog mee, maar bijvoorbeeld Johannes van het Kruis, Ruusbroeck en Theresia van Avilla, die voor mystici doorgaan, kunnen er wat van. Die andere invloedrijke tijdgenoot van Skovoroda, de Zweedse mysticus Emanuel Swedenborg maakt het helemaal bont als hij bijvoorbeeld in Vera Christiana Religio schrijft:


"Er zijn twee bovenaardse Londens. Wanneer mensen sterven verliezen ze hun aard niet. De Engelsen behouden het intieme licht van het intellect en hun respect voor gezag; de Nederlanders gaan door met handeldrijven; Duitsers zijn gewoonlijk beladen met boeken, en wanneer iemand ze een vraag stelt, consulteren ze eerst het toepasselijke deel alvorens te antwoorden. Moslims zijn het merkwaardigst van allen. Omdat de begrippen Mohammed en religie onontwarbaar met elkaar zijn vervlochten in hun zielen, zorgt God dat ze een engel ter beschikking hebben die doet alsof hij Mohammed is om hen te onderrichten."


Ervaringen zijn ten enenmale niet te verwoorden en niet over te brengen. Iemand die een onvoorstelbare en onbeschrijfelijk schat gevonden heeft, die van het leven een doorlopende gelukzaligheid maakt, kan alleen zijn medemensen de weg wijzen en hen laten zien, mede door zijn voorbeeld, hoe zij zelf ook die schat kunnen vinden. Al het andere is volstrekt overbodig. Een Maserati wordt evenmin aantrekkelijker door een uitgebreid verslag te geven van de productiewijze of de constructie van de motor of iemand die nog nooit een aardbei geproefd heeft, omstandig uitleggen hoe heerlijk je die vindt. Je kunt volstaan met hem uit te leggen waar hij die kan vinden.


Maar misschien hebben ze dat wel gedaan omdat ze beseften dat de grotbewoners vertellen dat ze in een schijnwereld leven en zich de hele dag met onzin bezig houden en dat ze alle ellende aan zichzelf te danken hebben, nu niet iets dat ze hen in dank zouden afnemen, zoals Plato ook duidelijk verhaalt in zijn Allegorie.


Een andere en misschien wel de belangrijkste vraag is, waarom andere mensen de ware mysticus, de weer mensgeworden mens, zouden moeten navolgen. Mensen weten wat ze hebben en niet wat ze krijgen als ze al hun schijnzekerheden opgeven en de wereld van de schaduwen verlaten. In de Isha Upanishad, volgens Mahatma Gandhi, het summum van menselijke wijsheid, staat:


Wie alle schepsels in zichzelf ziet

En zichzelf in alle schepsels, kent geen vrees

Wie alle schepsels in zichzelf ziet

En zichzelf in alle schepsels, kent geen verdriet

Hoe kan de veelvoudigheid van het leven

Iemand misleiden die ziet dat het één is?


Met andere woorden: ellende, angst, verdriet, ziekten, wanhoop, onzekerheid, pijn en alle andere onaangenaamheden waar de gekooide mens onder lijdt, behoren tot het leven in de grot, het afgescheiden zijn, en daarbuiten heerst alleen maar gelukzaligheid. Het zijn alleen maar symptomen die aangeven dat mensen niet leven zoals ze zouden moeten leven, zich niet laten meedrijven op het leven, maar zich daar hardnekkig tegen verzetten. Maar zoals de ongelovige Thomas zei, laat eerst maar een zien dat gelukkige leven van je, maar helaas is het zo dat wat alleen ervaren kan worden, ‘geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord.’ Al die symptomen verdwijnen als de mens zijn maskers, zijn rollen, schijnzekerheden, meningen, verleden en toekomst opgeeft en zoals in de Chandoqua Upanishad staat:


Zoals de rivieren, stromend van oost naar west

samenvloeien in de zee en er één mee worden,

vergetend dat ze ooit afzonderlijke rivieren waren,

zo verliezen alle schepselen hun afzonderlijkheid

wanneer ze tenslotte samenvloeien in het zuivere Zijn


Of Gustav Meyrink die het mystieke ervaren beschrijft als:


Ook de fijnste filosofische speurzin en het vermogen om een sluitende logische wereldbeschouwing in elkaar te piekeren, lopen op een zandbank, als het magische beleven en het wakker worden in het eeuwige bewustzijn van het Zelf — het opgaan in het Goddelijke, Scheppende — achterwege blijven; een klap met een bijl op het hoofd, een schot in het hart en de vruchten van alle denken zijn tot stof vervallen.


Er kleven wat bezwaren aan dit stuk van Taras Zakydalsky. De bril waardoor hij naar Skovoroda kijkt is onmiskenbaar christelijk getint, waardoor hij hem dingen toeschrijft die onjuist zijn en de manieren waarop hij waarheid en werkelijkheid door elkaar haalt en het begrip geloof hanteert zijn eigenlijk eerder verwarrend dan verhelderend. De werkelijkheid is het Zijnde, alles wat Is, de waarheid is onaangenaam. De waarheid vertelt wat de werkelijkheid niet is, dat mensen niet echt leven, slapen, "dood" zijn, werken voor de dwazen is, mensen zich alle ellende zelf aandoen en het enige dat de mens hoeft te geloven is dat het ware geluk wel bereikbaar is, maar dat hij daarvoor wel alles moet opgeven. "Uw geloof heeft u gered."


Over wat Skovoroda zegt over de werkelijkheid het volgende. Hij ziet de zichtbare wereld als Maya, schijn, de verf op het canvas, Spinoza’s natura naturata, die teweeggebracht wordt door de natura naturans, die de hele buitenkant, de vormen, draagt. Dat beginsel, de impliciete orde, zoals David Bohm dat noemt, brengt de expliciete orde teweeg. Bohm heeft het over het superhologram, waarvan de mens deel uitmaakt, die een eenheid is en alles met elkaar verbindt. "Het onderscheid tussen die twee, materie en geest, is een abstractie. De basis is altijd één." Een individueel bestaan is een hersenspinsel en denken dat je losstaat van die dragende substantie, die de hele schepping draagt en teweegbrengt, is afgescheiden zijn, "van God los." Swedenborg zegt daarover: "Er zijn altijd twee krachten die alles bijeenhouden in zijn samenhang en vorm — een kracht die van buitenaf werkzaam is en een die van binnenuit werkzaam is. Waar die twee elkaar ontmoeten is het ding, dat bijeengehouden wordt (Arcana Cœlestia 3628)." In een ietwat andere bewoording: er bestaat een alomtegenwoordig energieveld, dat door het Higgsveld zodanig gemodificeerd wordt dat er een buitenkant ontstaat, de zichtbare werkelijkheid. Materie opvatten als een samenstel van elementaire deeltjes, is een tragische misvatting, waar wetenschappers zich blind op staren, die ze nooit zelf gezien hebben, maar alleen maar zichtbaar maken in hun detectoren. Ze maken die deeltjes dus zelf en zijn daar vreselijk trots op. Het universum is ondeelbaar en kan niet verdeeld worden in afzonderlijke stukken. Elk ding of deeltje is een manifestatie van de onderliggende eenheid. "Iets dat niet-verbonden is komt nooit voor, want dat zou meteen te gronde gaan" (Swedenborg AC 2556) en Ken Wilber:


De centrale mystieke ervaring kan redelijk goed als volgt omschreven worden: in het mystieke bewustzijn wordt de wereld direct en onmiddellijk ervaren, zonder enige bemiddeling, symbolische uitwerking, conceptualisering of abstractie; subject en object worden een eenheid in een gebeuren buiten tijd en ruimte …. Maar als een fysicus naar de kwantumwereld of de relativistische wereld ‘kijkt’, dan kijkt hij niet naar de dingen zelf, naar een directe en onbemiddelde wereld, maar naar niets anders dat een stel hogelijk abstracte differentiaalvergelijkingen — niet naar de wereld zelf, maar naar een wiskundige representatie ervan …. Wat een absoluut, radicaal, onoplosbaar verschil met mystiek! En deze kritiek is van toepassing op alle soorten natuurkunde — oude, nieuwe, antiek, moderne, relativistische of gequantiseerde.


Alles, wat dood is, trilt. Niet alleen de dichterlijke dingen, de sterren, de maan, het woud, de bloemen, maar zelfs de witte knoop van een broek, die op straat in een modderplas schittert... Alles heeft een verborgen ziel, die vaker zwijgt dan spreekt. (Kandinsky, Selbstbetrachtungen)


Het object breidt zich uit tot over de grenzen van de verschijningsvormen ervan, doordat wij weten, dat het ding meer is dan de uiterlijke vorm ervan ons laat zien.’ (Paul Klee, Wege des Naturstudiums)


Ieder voorwerp bezit twee aspecten: het gewone aspect, dat wij gewoonlijk zien en dat door iedereen gezien wordt, en het spookachtige metafysische aspect, dat slechts enkele mensen in ogenblikken van helderziendheid en metafysische meditatie zien. Een kunstwerk moet iets vertellen wat zich niet in de zichtbare vorm ervan vertoont. (Chirico, Sull’Arte Metafisica).


Skovoroda hamert op zelfkennis als absolute voorwaarde voor het ware geluk, dat voor iedereen bereikbaar is. Het is het afzetten van alle maskers, je ontdoen van alle paradigma’s, van alle meningen, van alle gekleurde brillen waardoor je jezelf en de werkelijkheid niet ziet en kan zien. Er zijn twee soorten kennis, de eigenmachtig gecreëerde kennis verworven door naar de werkelijkheid kijken door een gekleurde bril, en de ware kennis, de zelfkennis, wijsheid, waardoor de mens zichzelf ervaart als de microkosmos van de macrokosmos, als een onafscheidelijk gedeelte van de alomtegenwoordige eenheid, en of je die nu God, het Al, het Zijnde, de Natura Naturans of iets ander noemt, het komt allemaal op hetzelfde neer.



Christian Gotthilf Salzmann HOE KINDEREN LIJDEN DOOR DE FOUTEN VAN HUN OUDERS


Inleiding bij deze vertaling:

Christian Gotthilf Salzmann (1744-1811) behoorde tot de laat-18e-eeuwse Duitse pedagogen, bekend onder de naam Filantropijnen (genoemd naar de modelschool van Basedow: het Philantropinum in Dessau). Het Filantropisme was de pedagogiek van de Verlichting en was dus gebaseerd op het idee dat er een hoger gezag bestond dan de Rede. Rede en Natuur zijn tweelingzusters en Salzmann pedagogiek probeerde dus een natuurlijke opvoedingsbenadering te zijn, met andere woorden met het gebruik van het gewone gezonde verstand. Dus in overeenstemming met en onmiskenbaar beïnvloed door het Terug naar de Natuur van Rousseau. Basedow, hoogleraar filosofie te Altona, ontwikkelde zijn pedagogische denkbeelden onder invloed van John Locke, die ervan uitging dat de mens als een tabula rasa werd geboren. Omdat de Lutherse orthodoxie zijn denkbeelden niet accepteerde, werd hij afgezet als hoogleraar en wijdde zich daarna aan de hervorming van de pedagogie. In 1771 bewoog prins Frederik van Anhalt-Dessau Basedow ertoe om in Dessau een modelschool en kweekschool voor onderwijzers op te richten. Dat werd het Philantropinum, of de School der Mensenliefde. In 1781 werd hij opgevolgd door Salzmann, maar al snel merkte hij dat het ook daar niet allemaal goud was wat er blonk. Er was een onverkwikkelijke strijd gaande tussen de autoritaire Basedow en zijn medewerkers en bij nader inzien vond hij dat het toch niet de ideale school was. Na onderhandelingen met hertog Ernst II van Gotha, kocht hij in 1783 het landgoed Schnepfenthal aan en stichtte daar zijn eigen school waar hij tot zijn dood in 1811 aan verbonden bleef. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Carl die tot 1848 directeur bleef. De school bestaat nog steeds.
In 1780, schreef Salzmann Een handleiding voor een Onverstandige Opvoeding van Kinderen (Anweisung zu einer unvernünftigen Erziehung der Kinder), dat later verscheen onder de titel Het Kreeftenboekje. Dit boekje was bedoeld als een ironische opvoedingshandleiding, waarin allerlei "omgekeerde" adviezen werden gegeven, met veel voorbeelden; het gaf de ouders raadgevingen over de beste manieren om hun kinderen jaloers, lastig, ongelukkig, ongehoorzaam, lui, enzovoorts te maken. In 1790 verscheen de eerste Nederlandse vertaling die in 1792 al aan de derde druk toe was. In 1906 werd het opnieuw ontdekt in Nederland en beleefde drie drukken bij uitgeverij De Wereldbibliotheek, met een uitgebreide inleiding door Prof. Dr. J. H. Gunning Wzn (1859 – 1951), hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit van Utrecht.


In de pedagogiek heeft altijd hetzelfde gevecht gegolden, dat gebaseerd is op de eeuwigdurende discussie over Nurture en Nature, het tabula rasa en erfelijkheid, dus tussen Wachsen lassen en Führen, tussen een autoritaire en vrije opvoeding, en in Duitsland tussen Salzmann en Moritz Schreber, met andere woorden tussen lastige ouders en lastige kinderen. Wat heeft Salzmann ons na tweeëneenhalve eeuw nog te vertellen?

Het grootste taboe is nog steeds dat ouders iets met het gedrag en ziekworden van hun kinderen zouden hebben te maken. Nog steeds is het zo dat iemand die maar zou wagen om ook maar op dat verband te wijzen, kan rekenen op woede en verontwaardiging. Dat het gedrag van al die als ADHD, PDDNOS en al die andere "gedragsafwijkingen", al die "persoonlijkheidstoornissen" ook maar iets te maken zouden kunnen hebben met het gedrag en communicatie van de opvoeders is vloeken in de kerk. Dat mag niet waar zijn, dus is het niet waar. Zelfs de mogelijkheid dat er een verband zou kunnen bestaan wordt, met name door de desbetreffende patiëntenverenigingen, die in wezen alleen maar op hun eigen gelijk uit zijn, verontwaardigd van de hand gewezen. Iedereen is het er mee eens, dat als een potplant gaat kwijnen, dat altijd iets met de verzorging te maken heeft, maar dat als een kind gaat kwijnen, dat iets met de verzorging of bejegening te maken zou kunnen hebben, ervaren mensen als een beschuldiging.

Salzmann hamert daar op en blijft daarop hameren. Kinderen worden tegenwoordig nauwelijks meer geslagen, maar de macht die verbaal en non-verbaal wordt uitgeoefend is minsten even fnuikend. Mishandeling hoeft helemaal niet fysiek te zijn.

Dat is de boodschap van Salzmann,


Als jullie kinderen ondeugden en gebreken hebben, zoek dan de oorzaak daarvan niet bij hen, maar …..bij jezelf. En dus niet bij genen, aanleg, voedsel, allergieën, slechte vriendjes, of andere factoren die buiten jezelf liggen.


Er valt echter ook een heleboel af te dingen op Salzmann. Zijn kostschool was elitair. Hij vond dat kinderen van alles bijgebracht moest worden, beloonde ze, maar strafte ze ook, maar dat doet niets af aan de kern van zijn boodschap.



Walter Terence Stace MYSTIEK EN FILOSOFIE


Inleiding bij deze vertaling:


Schrijven over mystiek, door iemand die nooit een zogenaamde mystieke ervaring heeft gehad, wil zeggen dat de schrijver zoals Stace zelf ook zegt, het moet hebben van horen zeggen, dus uit de tweede hand. Maar dat is niet een onoverkomelijk probleem. Het echte probleem ligt in het feit dat, zoals alle mystici allemaal volmondig hebben toegegeven, hun ervaring onuitsprekelijk was, en daar bizar genoeg vervolgens aan een stuk door over meenden te moeten praten en schrijven.


Als iemand probeert uit te leggen of te beschrijven hoe een aardbei er uitziet aan iemand die nog nooit een aardbei gezien heeft, is dat niet zo moeilijk. Hij kan kleur en vorm beschrijven en daar ook nog aan toevoegen dat die ongeveer zo groot is als een pruim en ongeveer even rood als een aalbes. Tot dusver geen enkel probleem, maar als hij probeert duidelijk te maken hoe hij het eten van een aardbei ervaart, schieten alle woorden te kort. En als vervolgens zijn toehoorder aan anderen die ook nog nooit een aardbei hebben gegeten, gaat vertellen dat hij iemand heeft ontmoet die hem in lyrische bewoordingen heeft verteld over het genot van het eten van die dus onbekende vrucht en dat verhaal een eigen leven gaat leiden en wetenschappelijk bestudeerd gaat worden, moet je zonder twijfel heel merkwaardige geruchten krijgen.


Dat geldt dus ook voor de mystieke ervaring. Er zijn de hele geschiedenis door mensen geweest, die iets hebben ervaren, waar ze het allemaal over eens waren dat dat niet in woorden overgebracht kon worden, maar waar ze allemaal hun mond niet over konden houden en dus met behulp van gelijkenissen, metaforen, personificaties, hyperbolen, paradoxen en beelden, allemaal ontleend aan de cultuur waarin ze ondergedompeld waren, honderduit gesproken en geschreven hebben, dus over iets wat per definitie onzegbaar is. "Waarover je niet kunt spreken," zei Wittgenstein, "daarover moet je zwijgen." Dat wil dus zeggen dat al die verhalen van al die mystici niets anders dan geleuter kan zijn. En schrijvers die schrijven over wat mystici hebben geschreven en gezegd, kunnen dus niets anders dan geleuter in het kwadraat voortbrengen.


Maar dat is nog niet alles. Er bestaan ook nog twee soorten mensen die mystici genoemd worden. Mensen die minstens eenmaal, zoals Stace dat definieert, zelf een zogenaamde mystieke ervaring hebben meegemaakt. Dat zijn mensen die een keer, door een samenloop van omstandigheden, "het licht hebben gezien," een keer over de muur van het labyrint, waarin de mensheid haar leven slijt, hebben gekeken, en let wel! geen andere wereld hebben "gezien" maar hebben "ervaren," en sindsdien wanhopig op zoek zijn gegaan naar de uitgang. Dat zijn "de grote mystici" waaronder Ruusbroec, Tauler, Catharina van Siena, Theresia van Avilla, Johannes van het Kruis en Meester Eckhart. Zij zijn de mensen waarover Plato in zijn Allegorie van de Grot schrijft:


"Zou het u soms verbazen dat iemand die van het goddelijke aanschouwen terugkeert naar de menselijke onvolkomenheden daar een slecht figuur slaat en erg belachelijk schijnt wanneer hij, terwijl zijn ogen nog verblind zijn en hij onvoldoende vertrouwd is met de hem omringende duisternis, gedwongen wordt voor het gerecht of elders te disputeren over de schaduwen van de gerechtigheid of over de beelden die de schaduwen veroorzaken en om te debatteren over hun opvattingen van gerechtigheid terwijl zijzelf geen flauw benul hebben van de absolute gerechtigheid?"


En dan heeft Plato in ieder geval nog begrepen dat die "andere wereld" iets met gerechtigheid heeft te maken, terwijl de "grote mystici" doorgaans uitsluitend met hun eigen heil bezig zijn en dus juist daardoor nooit de uitgang kunnen bereiken. Daar vallen dus ook alle LSD-, psilocybine-, marihuana en andere psychedelicagebruikers onder, die zich allemaal voor korte tijd wederrechtelijk toegang tot die "ander wereld" verschaffen, maar helaas niet begrijpen wat ze ervaren.


Maar er is dus nog een ander soort mysticus, niet iemand die een of meerdere "mystieke ervaringen" heeft gehad, maar die het leven mystiek ervaart. Dat zijn mensen die ongewild en gedwongen door omstandigheden, de moeizame weg naar buiten hebben afgelegd, alles hebben op moeten geven en voor wie het leven uiteindelijk een onafgebroken "mystiek ervaren" werd, van wat de pseudo-mysticus slechts op momenten ervaart. Misschien is Lao Tzu degene die daar het dichtstbij komt, maar zoals alle echte mystici heeft hij gezwegen. Bertold Brecht dichtte over hem:
 

Over Lao Tzu


Toen hij zeventig was en wat gebrekkig

Verlangde de meester eindelijk rust

In het land was het goede weer eens pover

Ook nam het kwaad in kracht weer toe

Hij gespte zijn sandalen aan


Hij pakte in wat hij zoal nodig had

Weinig. Wat van dit en wat van dat

Dus de pijp, die hij ’s avonds altijd rookte

En een het boekje dat hij altijd las

Ook wat brood, zo op het oog genoeg


Genoot nog eenmaal van het dal en vergat het

Sloeg dan de weg in naar de bergen

Zijn os genoot van het verse gras

Kauwde, terwijl hij de oude droeg

Want hem ging het snel genoeg


Maar de vierde dag, tussen de rotsen

Heeft een grenswacht hem de weg versperd

"Kostbaarheden aan te geven?" – "Geen."

De knaap die de os begeleidde, sprak: "Hij heeft geleerd."

En het ook nog allemaal begrepen.


Vroeg de man nog, in een opgewekte bui

"Is hij dan nog wat te weten gekomen?"

Sprak de knaap: "Dat het zachte water in beweging

Op den duur de steen overwint.

Begrijp je, dat het harde het dus begeeft."


Om het laatste daglicht niet te verliezen

Spoorde de knaap de os nu aan

Achter een zwarte pijnboom waren ze al verdwenen

Toen plotseling de man in beweging kwam

En hij riep: "Hé, jullie daar! Blijf staan!"


Wat is er met dat water, oude man?"

Bleef de oude staan: "Wil je het weten?

Sprak de man: "Ik ben maar een grensbewaker

Maar wie wie overwint, dat interesseert ook mij

Als u het weet, vertel het dan!


Schrijf het voor me op! Dicteer het dit kind!

Zoiets neem je toch niet zomaar met je mee.

Wij hebben papier en ook nog inkt

En ook een avondmaal: ik woon daar.

Wat dacht u, klinkt dat niet goed?


Over zijn schouder keek de oude

Naar de man: gelapte jas, geen schoenen

In zijn voorhoofd een enkele rimpel

Het was geen winnaar die hen naderde

En hij mompelde: "Ook jij?"


Zomaar een beleefd verzoek afslaan

Kon de oude niet over zijn hart verkrijgen

Want hij zei hardop: "Mensen die wat vragen

moeten antwoord krijgen." Sprak de knaap:

"het wordt ook al koud

Goed dan, een kort oponthoud."


En van zijn os af steeg de Wijze

Zeven dagen schreven ze tezamen

De grenswacht bracht hen eten (vloekte slechts wat zachtjes

Met de smokkelaars, die hele tijd).

En toen was het eindelijk zover


En aan de grenswacht overhandigde op een ochtend

De knaap die eenentachtig spreuken

En met dank voor een klein geschenkje voor op reis

Verdwenen ze achter diezelfde pijnboom, naar de rotsen

Zeg nou zelf: kan het nog hoffelijker?


Laten wij dus niet slechts de Wijze roemen

Wiens naam dus op het boekje prijkt!

Want eerst moet je de Wijze zijn wijsheid afdwingen

Daarom zij ook de grenswacht bedankt

Want die heeft dat toch maar van hem verlangd.


Inmiddels is het woord mystiek een beetje ouderwets geworden en gretig vervangen door het woord spiritualiteit, dat mensen beoefenen naast hun dagelijkse leven, als een soort uitje, waarna ze weer overgaan tot de orde van de dag, weer het radertje zijn in deze onrechtvaardige wereld, die doordraait omdat zij daarin meedraaien en die dan triomfantelijk zeggen dat het om de weg gaat en niet om het einddoel, want dat je dat toch nooit kunt bereiken. Zeggen wel dat ze zoekers zijn, maar dat ze toch nooit zullen vinden.


Ooit werd er gezegd, "Wanneer gij niet wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der Hemelen voorzeker niet binnengaan." (Matth. 18:3) Kleine kinderen zijn de enige echte mystici in de ware zin des woords. Zij worden niet gehinderd door een vol hoofd, zij denken niet, zij ervaren alleen maar en zij zwijgen er ook nog over. Zij zien geen bomen, geen eik, geen huis, geen duif, laat staan vooruitgang, regering, christenen, zij zien alleen wat IS, de Werkelijkheid, en niet zoals al die grote mensen wat zij van de werkelijkheid denken of vinden. Zij ervaren exact wat de iemand in een "mystieke ervaring" ervaart. Zij willen niets, verlangen niets, hebben geen bezit, geen schaamtegevoel, geen oneigenlijke behoeften, geen meningen, geen verleden en geen toekomst, geen verwachtingen, en geen vuile handen. Zij zijn geen gelegenheidsmystici, hebben geen psychedelica nodig om te ontsnappen aan de schijnwereld, hoeven niet allerlei ingewikkelde oefeningen te doen, waar al die zoekers, die tevergeefs op zoek zijn naar het zogenaamde spirituele, zich mee afmatten, hebben geen goeroes, beterweters of andere deskundigen nodig, maar ook geen muziek, theater, en andere kunsten die alleen maar in het leven zijn geroepen en gekomen om het leven in dit tranendal wat op te leuken en van middel doel op zich zijn geworden.

Kleine kinderen hoeven niets op te geven om de Werkelijkheid te ervaren, of hoe al die mystici dat ook mogen noemen. Maar helaas worden zij uit het paradijs verdreven, opgezadeld met de ballast van die rare grote mensen, zodat ze later weer op zoek moeten naar wat ze echt zijn, weer zoekers moeten worden naar iets wat ze ooit hadden en niet meer terug kunnen vinden. Wat een tragiek!


Kunsten en wetenschappen hebben zich genesteld in de kloof tussen de Werkelijkheid, tussen wat Is en de schijnwerkelijkheid, wat mensen van de werkelijkheid denken en vinden, maar houden daarmee ook de kloof in stand. "Alle Wissenschaft wäre überflüssig wen Wesen und Erscheinung der Dingen unmittelbar zusammenfielen", zei Karl Marx, en geeft daarmee glashelder de rampzalige rol van de wetenschap weer, maar dat geldt evenzeer voor de kunsten. Mensen willen graag gelukkig zijn (wat overigens een tautologie is, want Zijn is gelukkig zijn), maar wel de Mattheuspassion behouden en hun computer, hun geloof, hun meningen, hun verleden en al het andere wat ze "bezitten," terwijl dat alleen maar met de schijnwereld te maken heeft. Het is de stoffering van de hel.


Maar waarom zou iemand het in zijn hoofd halen om op zoek te gaan? Evelyn Underhill schrijft: "De kamer waarin wij ons bevinden is redelijk aangenaam. Trek de gordijnen maar dicht, want de nacht is donker en laten wij ons wijden aan het beschrijven van het meubilair." Dat doet de wetenschap dus, maar ze beschrijven niet alleen de kamer, waarvan zij beweren dat die geen uitgang heeft, maar ze veranderen die kamer ook, zodat wij daar nu met onze PC en al die andere troep in zitten. Maar zij schrijft ook: "Pijn, hoe we er ook naar mogen kijken, duidt op een diepgaande strijdigheid tussen de zintuiglijke wereld en het menselijke Zelf. Die moet overwonnen worden, óf die strijdigheid moet opgelost worden door middel van een doelbewuste en zorgvuldige aanpassing van het Zelf aan de zintuiglijke wereld, óf dat Zelf moet zich afwenden van die wereld naar een andere waarmee het in overeenstemming is." En dat geldt niet alleen voor pijn maar voor elk symptoom of geheel van symptomen dat door de wetenschap een ziekte wordt genoemd. Mensen krijgen symptomen omdat ze niet Zijn, omdat ze niet zijn wat ze zijn, maar wat ze denken dat ze zijn, omdat ze niet in de Werkelijkheid leven, maar tegenover de Werkelijkheid, niet in de Natuur, maar tegenover een bedreigende natuur. Dat is zijn gespletenheid, zijn afgescheidenheid, zijn onwaarachtigheid en elk symptoom is een waarschuwing om aan die gespletenheid een einde te maken. Vandaar dat een zieke mysticus een pseudo-mysticus is.


Stace heeft dus een boek over mystiek geschreven, maar Stace is een kritische wetenschapper, die nooit een mystieke ervaring heeft gehad (had hij gewoon maar een keer een goeie joint gerookt, of een snuifje LSD genomen!, dan had hij geweten waar hij het over had), maar heeft heel goed beseft dat hij het niet echt over de mystieke ervaring kon hebben, maar wel over wat de mystici daarover zeggen, want zoals hij zegt, begeven zij zich met hun uitspraken op het gebied van de filosoof en psycholoog. Dit is slechts een vertaling van de eerste twee hoofdstukken, maar als inleiding geeft het een aardig beeld.



Immanuel Kant BEANTWOORDING VAN DE VRAAG: WAT IS VERLICHTING?


Inleiding bij deze vertaling:


Het citaat sapere aude stamt uit de Epistolae (brieven) van de Latijnse dichter Horatius (Epist. I,2,40): Dimidium facti qui bene coepit habet: sapere aude, incipe.


De vertaling van het eerste gedeelte luidt: "Wie eenmaal begonnen is, heeft de helft al gedaan." Of "Een goed begin is het halve werk." Sapere aude betekent letterlijk "Durf wijs te zijn, durf te weten!," van audere (lat.: 1. "durven", "wagen", ook 2. "begeren", "verlangen", "willen" en sapere (lat.: eigenlijk: 1. "proeven", "ruiken" 2. "smaak, gevoel hebben", maar ook: 3. "verstandig", "intelligent", "wijs", "slim zijn"; "begrijpen", "kennen", "weten" ). Het laatste woord, incipe, betekent: begin!


Friedrich Schiller schrijft in de achtste brief van zijn verhandeling Über die ästhetische Erziehung des Menschen uit 1795: Omdat het niet in de dingen zelf ligt, moet er in de menselijke geest iets aanwezig zijn wat het waarnemen van de waarheid, al straalt die nog zo helder en het aanvaarden daarvan, al is zij nog zo overtuigend, in de weg staat. Een oude wijze heeft het begrepen en het schuilt in de veelbetekenende uitdrukking: sapere aude. Heb de moed wijs te zijn.


Eigenlijk is het verbazingwekkend dat al meer dan tweehonderd jaar een artikel, vol tegenstrijdigheden, inconsequenties en hielenlikkerij, nog steeds geldt als een verheldering van het begrip Verlichting, en door velen aangegrepen wordt om te laten zien hoe verlicht ze zelf wel niet zijn.


Het begint zo mooi en hoopgevend, ‘afleggen van onmondigheid,’ ‘het lef hebben om van je eigen verstand gebruik te maken,’ en dat ‘zonder leiding van anderen,’ en tot slot het motto ‘sapere aude.’


Dan doet zich de merkwaardigheid voor dat sapere aude doorgaans vertaald wordt met "durf te denken" of "durf na te denken." Ieder mens denkt, ieder mens denkt na, maar dat kan Kant nooit bedoeld hebben. Het ligt voor de hand dat Kant het ‘sapere’ tegenover het geloven stelt, want geloven is iets aannemen op gezag van anderen en impliceert ‘niet zeker weten’. De enige juiste vertaling lijkt dus "durf te weten, durf wijs te zijn" en dat is dus fundamenteel anders dan "durf te denken."


Kleine kinderen kunnen niet denken (en hebben daar ook helemaal geen behoefte aan), omdat hun hoofdje nog niet gevuld, geïnfecteerd is met materiaal waarmee gedacht wordt, zonder dat het daar enige invloed op uit kan oefenen, vergelijkbaar met allerlei legosteentjes, waarmee naar "eigen" kunnen een veelheid aan bouwsels gemaakt kan worden. Volgens het "cogito, ergo sum," van Descartes, bestaan kinderen dus helemaal niet en als Rousseau stelt "Ik durf te stellen dat de toestand van nadenken tegen de natuur is en dat iemand die nadenkt een ontaard dier is," bedoelt hij daar dus mee dat een kind dat leert denken ontaardt, zijn aard moet verloochenen en iets moet worden wat het niet is. Vervolgens doet het merkwaardige zich voor dat mensen die zich allerlei ideeën, gedachten en meningen "eigen" gemaakt hebben, daar zoals dat heet hun identiteit aan ontlenen. Ze denken dat ze zijn wat ze denken en als ze vervolgens zeggen dat ze zichzelf zijn, bedoelen ze daarmee dat ze zich identificeren met de rol, de kunstjes, die ze geleerd hebben te spelen. Zoiets als een koe die zou zeggen dat zij melkproducent is.


Om een citaat van de arts-psychoanalyticus Joost Meerloo aan te halen: De mens denkt, omdat hij de gedachte van andere mensen herhaalt, omdat hij leent van de geschiedenis en plagiaat pleegt op de denkbeelden van zijn leraren. De mens denkt, omdat hij is beïnvloed en zich concentreert op de gedachten die in zijn hoofd zijn gegoten door uitwisseling met andere mensen. De mens denkt, omdat hij de gedachte formuleert van anderen in een beetje gewijzigde vorm, en dat noemt hij dan zijn eigen mening.(uit: Het Web van menselijke en sociale relaties).

 

Iamblichus: Heraclitus beschouwde de menselijke opvattingen als bouwsels zoals kinderen die maken om mee te spelen.


Mark Twain: Jij hebt niet het materiaal aangedragen waaruit jouw mening is gevormd. Dat is een ratjetoe van gedachten, indrukken en gevoelens, onbewust verzameld uit duizenden boeken, duizenden gesprekken, een stroom van gedachten en gevoelens die je hart en brein binnen is gevloeid vanuit de voorvaderlijke harten en breinen van eeuwen her. Persoonlijk heb je zelfs niet het microscopisch kleinste brokstuk gecreëerd van het materiaal waaruit jouw mening gevormd is; en persoonlijk kun je op geen enkele manier aanspraak maken op ook maar de geringste verdienste voor het samenvoegen van die geleende grondstoffen. Dat is vanzelf gebeurd—door middel van jouw breinapparaat, strikt volgens de geconstrueerde wetten van dat apparaat. En dat apparaat heb je niet alleen niet zelf gemaakt, maar je hebt daar zelfs geen enkele zeggenschap over. (uit: What is man).


Zo heeft ieder mens zich dus meningen "eigen" gemaakt, van alles wat hij gelooft op gezag van anderen, waarmee hij zijn zelfbeeld en wereldbeeld geconstrueerd heeft. Dat weet hij allemaal niet, maar dat gelooft hij. Dat wordt genoemd de doodlopende weg der meningen, de kloof der meningen, het braambos der meningen, het struikgewas der meningen, het web der meningen. Meningen, o leerlingen, zijn een illusie, de mening is een gezwel, de mening is een zweer. Hij die alle meningen overwonnen heeft, o leerlingen, noemen we iemand die WEET. (de Boeddha, Majjhima-niakaya 2:38)


En wat is het resultaat van de Verlichting geweest? Zoals bij elke revolutie werden alleen de bordjes verhangen. De zogenaamde Verlichters ontdeden zich van de religie, maar liepen vervolgens even hard achter de wetenschap aan. Ze verruilden dogma's voor hypothesen, priesters voor wetenschappers, kerken voor universiteiten en de autoriteiten bleven autoriteiten, deskundigen zouden we tegenwoordig zeggen. Zo geloven mensen in allerlei theorieën, de evolutietheorie, de oerknal, economische theorieën, en nog vele anderen die door wetenschappers volgens door henzelf opgestelde criteria worden bewezen. Kortom de nieuwe waarheid. Het lijkt op het sprookje van de Nieuwe kleren van de Keizer, die ook alleen gezien konden worden als je intelligent was. Mensen geloven dat bacteriën ziekteverwekkers zijn, dat je van roken longkanker krijgt, dat je gezond kunt eten, dat melk moet, dat je van geneesmiddelen beter wordt, dat ziekte en pijn nu eenmaal bij het leven horen en nog veel meer dat misschien nog niet helemaal bewezen is door de wetenschap, maar dat ze eens zullen bewijzen. Een knap gecoördineerd geloof met massasuggestie en massa-illusie. En iedere wetenschapper beroept zich op zijn voorgangers en ieder probleem dat ze oplossen roept meer vragen op en zo is de wetenschap een divergent en uitdijend heelal geworden, met een begin maar zonder einde. De exacte wetenschap zou je als spielerei kunnen beschouwen, puzzelen met bedachte puzzelstukjes door de leisure class, de vrijgestelden. Het denken in oorzaak en gevolg was alleen mogelijk door eeuwigheid en oneindigheid af te schaffen en op dat causaliteitsdenken, het blind zijn voor betekenis en zin, is de hele wetenschap gebaseerd. De hubris van de wetenschap die met zijn reductionisme iets meent te kunnen zeggen over het leven is ongehoord. Paradigma na paradigma verschijnt en altijd is er weer die missing link, die de wetenschap zelf creëert. Wetenschappers zijn gelovigen en met gelovigen is geen fatsoenlijk gesprek te voeren, omdat ze nooit de basis van hun wetenschap ter discussie willen stellen. Er is geen arts die de reductionistische scheiding van de mens in lichaam en psyche ter discussie durft te stellen omdat dat in zou kunnen houden dat zijn bouwwerk op drijfzand is gefundeerd. Du musst dein Leben ändern, schrijft Rilke in zijn gedicht Archaischer Torso Apollos, maar de onherroepelijke en onverbiddelijke consequentie van je leven veranderen, is dat je dan anders naar jezelf en de wereld gaat kijken en dat wil zeggen dat je moet toegeven dat je je tot dan toe vergist hebt. Maar mensen willen helemaal niet veranderen, maar zoeken uitsluitend bevestiging van hun "eigen gelijk," naar wat in hun kraam te pas komt. Horen wat ze willen horen en zien wat ze willen zien en vinden dat de wereld en de anderen moeten veranderen.



Epicurus BRIEF AAN MENOECEUS


Inleiding bij deze vertaling:


Epicurus was niet alleen in zijn eigen tijd een controversiële filosoof, maar dat is hij nog steeds. Zeer ten onrechte werd en wordt hij afgeschilderd als de grote voorvechter van het genot en zijn leer als een voorwendsel voor een bandeloze, decadente levensstijl. Hij zou hedonisme prediken en dat allemaal omdat hij herhaaldelijk het woord ἡδονή gebruikt, dat in het Nederlands gemakshalve als genot wordt vertaald, ondanks de negatieve gevoelswaarde die al eeuwenlang aan dat woord kleeft. Maar dat bedoelt Epicurus niet. Hij bedoelt geen zinnelijk genot, maar zoals hij in deze brief schrijft: Wanneer we dus zeggen dat genieten (ἡδονή) het hoogste levensdoel is, bedoelen wij niet het genot van de wellusteling of zinnelijke genietingen, zoals sommige ons uit onwetendheid, vooroordeel of opzettelijke onjuiste voorstelling willen doen geloven, maar met genieten bedoelen wij de afwezigheid van lichamelijke pijn en geestelijke onrust. En dan is dat levensdoel niet alleen de afwezigheid van lichamelijke pijn, maar dus ook van ziekten, spanningen, en alles waar het lichaam zich door kan laten voelen; én een leeg hoofd, de apatheia, geen gedachten, verlangens en emoties meer. Maar zelf heeft hij dat doel niet bereikt, hij is geen echte wijze geworden, maar een goeroe gebleven, die zijn leerlingen iets probeerde duidelijk te maken wat hij zelf niet helemaal begreep. Op zijn sterfbed schrijft hij: De pijnen in blaas en ingewanden waren onafgebroken en konden in hevigheid niet meer toenemen. Maar eigenlijk is dat niet verwonderlijk, want hij was ook een beetje een zeikerd, net als Jean-Jacques Rousseau, ondanks alle waars wat beiden geschreven hebben. Het is inderdaad alles of niets,



Samuel Butler DARWIN OMGEVEN DOOR MACHINES


Inleiding bij deze vertaling:


Als Samuel Butler dit artikel nu geschreven had, zou hij zonder twijfel Darwin among the Robots genoemd hebben. Hij schreef het vier jaar nadat Darwin zijn On the Origin of Species gepubliceerd had. Aanvankelijk was Butler een toegewijde aanhanger van Darwin en in ingezonden brieven verdedigde hij, tot genoegen van Darwin, de natuurlijke selectie. Maar later ontpopte hij zich tot een felle tegenstander, omdat hij weigerde te accepteren dat de evolutie blind was. Negen jaar later publiceerde hij, anoniem, zijn satirische meesterwerk Erewhon, waarin hij niet alleen de hypocrisie van zijn tijd op de hak neemt, maar in de hoofstukken met de titel The Book of the Machines (zie hieronder) de mogelijk oppert dat machines (robots) via de darwiniaanse selectie wel eens een bewustzijn zouden kunnen ontwikkelen. Zijn conclusie is dat we de machines moeten vernietigen nu dat nog kan. Maar dat is niet gebeurd en het gevolg is dat kunstmatige intelligentie, transhumanisme en het scheppen van kunstmatig leven utopistische, of liever gezegd, absurdistische dystopische onderwerpen zijn die veel vooruitgangsgelovigen trekken.



Thornton Wilder DE BRUG VAN SAN LUIS REY


Inleiding bij deze vertaling:


Met dit kleine boekje won Wilder in 1928 de Pulitzer Prize. Eigenlijk staat de essentie van het verhaal in de, hieronder geciteerde, inleiding en het laatste hoofdstuk en is het vrij langdradige middenstuk verwaarloosbaar. De hoofdpersoon, Broeder Juniper, ziet hoe een hangbrug breekt en vijf reizigers in de afgrond storten, en komt op het geniale idee om te onderzoeken hoe het lot van die "slachtoffers" deel uitmaakt, of een onontkoombare slotconclusie is van hun voorafgaande leven. "Waarom gebeurde dit juist met deze vijf? Indien er ook maar enig systeem in het heelal, indien er ook maar enige lijn in een mensenleven bestond, dan zou deze zeker, geheimzinnig verborgen, ontdekt kunnen worden in deze levens, die zo plotseling afgesneden waren. Of wij leven door een toeval en sterven door een toeval, òf wij leven volgens een plan en sterven volgens een plan." Waarom waren het net die vijf, waarom "besloot" iemand anders, die dag maar thuis te blijven, waarom ging hij iets later van huis, zodat de brug al ingestort was voordat hij die bereikt had? Waarom "besluit" iemand een dag later het vliegtuig te nemen, waardoor hij niet in het neergestorte toestel zat? Toeval zeggen mensen dan, pech, speling van het lot, of dat je daar toch nooit antwoord op krijgt. Wat is het magische plan waarin dader en slachtoffer elkaar onontkoombaar ontmoeten? Waarom wordt het ene gezin getroffen door de ene rampspoed na de andere, terwijl een ander gezin gespaard blijft? Heeft het l’histoire se repète een betekenis, is dat alleen maar toeval, of zit het in de genen, zoals de wetenschap ons laat geloven? Als alles met alles samenhangt, waar zelfs de wetenschap er inmiddels achter is, en daartoe de stringtheorie heeft bedacht op weg naar de Theory of Everything, die alwetendheid zal opleveren, als wij allemaal gevangen zitten in één groot web van afhankelijkheid, binnen gezinnen, families, steden, landen, werelddelen en uiteindelijk de hele wereld, moet elke verstoring in het web zich tot alle uithoeken van het web uitbreiden, is iedereen mens medeverantwoordelijk voor alles wat binnen dat web gebeurt. Als wij allemaal radertjes zijn in een, door de mens zelf gecreëerd, mechaniek, is ieder mens medeverantwoordelijk voor het blijven draaien van het mechaniek, voor elke kindertraan, voor elke zieke, voor elke oorlog, voor elk ongeval. Wie dat durft te beweren, krijgt meteen het verwijt naar het hoofd geslingerd dat hij beschuldigt, dat hij durft te zeggen dat mensen het zichzelf allemaal aandoen, maar verantoordelijkheid is iets heel anders dan schuld. Schuld heeft te maken met "willens en wetens" en waar het om gaat is onwetendheid en geloven in autoriteiten.

De vraag van Broeder Juniper, de vraag naar het waartoe, is hét grote taboe in deze wereld. Dat iemand medeverantwoordelijk is voor zijn eigen leven en wat daar allemaal in gebeurt, dat ieder mens daar medeverantwoordelijk voor is, dat in wezen dus iedereen (behalve de kleine kinderen) vuile handen heeft, is iets waar niemand aan wil, dat mag niet waar zijn, dus het is niet waar.

Broeder Juniper moest het met de dood bekopen, anderen worden doodgezwegen.



H. G. Wells DE APPEL


Inleiding bij deze vertaling:


In deze parabel, die helaas enigszins als een nachtkaars uitgaat, bezondigt Wells zich aan een veel voorkomende, maar cruciale slordigheid. Hij baseert zich op het verhaal van de Zondeval uit het boek Genesis, waarin Adam en Eva eten van de vrucht van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad, waardoor ze uit het Paradijs verdreven worden. Maar Wells vergeet dat Goed en Kwaad en heeft het alleen over de Boom van Kennis en daarmee ontkracht hij het verhaal uit Genesis. Maar hij is lang niet de enige die dat gedaan heeft. Nietzsche schrijft bijvoorbeeld in Der Antichrist (par. 48):


"Is eigenlijk het beroemde verhaal aan het begin van de bijbel wel begrepen – over de helse angst van god voor de wetenschap?.... Pas door de vrouw heeft de mens leren proeven van de boom der kennis. Wat was er gebeurd? De oude god bevloog een helse angst. De mens was zijn grootste misgreep geworden, hij had zich een rivaal geschapen, de wetenschap maakt gode gelijk – als de mens wetenschappelijk wordt is het afgelopen met priesters en goden……’Gij zult niet kennen.’"


Wat betekent de, op zijn minst ongelukkig geformuleerde, parabel uit Genesis dan? Op de eerste plaats heeft een parabel het grote nadeel dat er altijd mensen zijn die, als dat in hun kraam te pas komt, wat figuurlijk bedoeld is letterlijk nemen en daarvan is het Genesisverhaal een tragisch voorbeeld. En zo verandert iets, dat als wijsheid bedoeld is, in kennis, van een morele boodschap in een kosmogonie, van een tijdloze wijsheid in een geschiedverhaal. Maar wat is die boodschap dan en wat betekent ‘eten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad’? Laten we gemakshalve, à la Spinoza, ‘God’ gelijk stellen met de Natuur, de natura naturans, die eeuwig scheppend de natura naturata voorbrengt, een paradijselijke aarde, een volmaakt ecosysteem zouden we tegenwoordig zeggen. En in dat paradijs bevindt zich de oorspronkelijke mens, aan wie ‘al het zaaddragend gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn,’ als voedsel beschikbaar is gesteld. Bedenk dat nergens staat die hij die dieren ook op moet eten! De Natuur (dus ‘God’) wil helemaal niets van mens of dier. De Natuur is niet jaloers, wraakzuchtig, wreed, bang, of wat er ook allemaal aan ‘God’ wordt toegeschreven. De Natuur straft niet, verbiedt niet, staat alles toe, kortom, alles mag. Het enige dat de Natuur doet is waarschuwen als ervan afgeweken wordt. Van nature is elk levend wezen en dus ook de mens begiftigd met een ‘instinct’ of natuur, met dat grote verschil dat alleen de mens zijn natuur kan verloochenen en dat is de strekking van het Zondevalverhaal. In Genesis 1 zegt ‘God’ zes maal: en hij zag dat het goed was en het hoofdstuk eindigt met ‘En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.’ En wat zegt professor Herman van Praag in een interview in de NRC (24-10-2014) : ‘Het idee binnen het judaïsme is dat God een wereld schiep die beschadigd is. Het is de taak van de mens om te proberen die wereld alsnog te vervolmaken (tiekoen olam)……’ En in Trouw, Letter & Geest (14-12-2013): ‘Daarom is het ook zo goed dat Adam en Eva die appel opaten, ook al had God dat verboden. Anders hadden ze voor eeuwig gevegeteerd in het paradijs, waar alles volmaakt is, waar niets meer te wensen valt, waar de mens geen uitdagingen meer zou kennen. Dan was de schepping mislukt.’ Je gelooft je ogen niet als je het leest! Dat boek wel als leidraad voor het leven kiezen, maar heeft die man het ooit echt gelezen? Maar hij verwoordt wel precies wat dat eten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad in wezen betekent, namelijk eigenmachtig bepalen wat goed en kwaad is, de mens die beter dan de Natuur weet wat goed voor hem is, die de schepping gewoon dunnetjes over gaat doen, die in een paradijselijke tuin geplaatst wordt en, bij wijze van spreken, de hele boel gaat omploegen en op zijn ‘eigen’ kortzichtige manier gaat herinrichten. Het is als een leek die een volmaakt werkende computer krijgt en die de software daarvan eventjes gaat ‘verbeteren’ en vervolgens alle vastlopers wijt aan de onvolmaaktheid van de oorspronkelijke software en de rest van zijn leven verdoet met het oplossen van problemen die hij eigenwijs en eigenzinnig zelf aangericht heeft en steeds erger maakt. Gelukkig draait de oorspronkelijke software nog steeds ergens op de achtergrond en is het resetten van computer voldoende om de oneigenlijke software te wissen (dat noemen ze dan verlichting)! Een paard leeft naar zijn instinct, maar neem het hypothetische geval dat een paard ‘bedenkt’ dat het beter is als hij op zijn achterpoten gaat lopen of vlees gaat eten, dus zijn natuur verloochent. Dan straft de Natuur hem niet, dan is de Natuur niet jaloers, maar het paard merkt wel dat die eigenmachtige, nieuwe levenswijze, dat afwijken van zijn natuur, hem niet bevalt, allerlei onaangename symptomen oplevert, ‘het voelt niet goed’ heet dat tegenwoordig. Precies datzelfde geldt voor de mens. Elk symptoom, elke pijn, elke ‘ziekte’ is een signaal, dat hem terug zou moeten voeren naar zijn oorspronkelijke gelukzaligheid. Het is dus geen straf, maar een waarschuwing en dat is iets wezenlijk anders. Maar wij leven in een wereld die vergeven is van deskundigen, betweters die weten wat goed en slecht voor ons is. Deskundigen die ons vertellen wat we allemaal moeten en niet mogen. Voedingswetenschappers die weten wat gezond en ongezond eten is, pedagogen die ouders vertellen wat wel en niet goed is voor kinderen, kerken die weten wat God van ons wil en wat zondig is, artsen die vertellen hoe we ‘gezond’ moeten leven, ethici die weten wat goed en kwaad is, een leven vergeven van normen, regels, voorschriften, wetten, geboden en verboden en dat allemaal vanwege dat eigenmachtig afwijken van onze natuur, van het ons buiten de natuur stellen, buiten ‘God’ dus goddeloos, tegenover een bedreigende natuur en een straffende ‘God.’ En de wetenschappen zijn daar alleen maar het noodlottige gevolg van. Zij buigen zich over alle problemen die de mensen zelf maken, doordat ze niet zijn wat ze zijn. De mens is geen mens meer, maar heeft zich een identiteit aangemeten, het toneelkostuum waarin hij zijn rol speelt en denkt dat hij dan zichzelf is. Dat hij dat toneelkostuum is, een lapjesjas van sub-identiteiten, een veelheid van verwisselbare maskers, jood, socialist, vader, Nederlander, wetenschapper, politicus en vul maar in en hij zegt ook nog dat hij dat is! Hij identificeert zich met het hokje waarin hij zich heeft laten stoppen. Hij is een hubot, geprogrammeerd tot christen, moslim, jood, hindoe, liberaal of wetenschapper en denkt dat hij zijn programma is. Ik ben christen, zegt hij dan. En in schaarse momenten verlangt hij net als Pinokkio om een echt jongetje te worden. En dat allemaal door dat symbolisch eten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad!

Wells schrijft dus abusievelijk:


"Wij hebben hun zonden geërfd ..... niet hun kennis. Die zou alles weer duidelijk en prachtig maken. We zouden binnen in alles kunnen kijken, overal doorheen, de diepste betekenis van alles kunnen kennen" .....


Dag in dag uit bezondigt de mens zich nog steeds aan zijn rampzalige vergissing. De mens is van nature wijs, maar hij heeft zijn wijsheid overdekt en verstikt met zijn kennis, met zijn beterweten. Wijs zijn maakt alles weer duidelijk en prachtig en dan zien we weer de diepste betekenis van alles. Maar dat betekent dat je je identiteit moet opgeven, als je weer mens wilt worden, wil leven naar ‘Gods’ wil, naar je natuur. Twee jaar vóór zijn dood schreef Edgar Allan Poe zijn nog steeds vrijwel onbekende Magnum Opus, Eureka. In een handgeschreven toevoeging in zijn eigen exemplaar schrijft hij: ‘De pijn die we voelen bij de overweging dat we onze individuele identiteit zullen verliezen, houdt direct op als we verder bedenken dat het hierboven beschreven proces, niets meer of minder is dan het absorberen van alle andere intelligenties (dat wil zeggen van het Universum) door iedere individuele intelligentie in die van zichzelf. Opdat God alles kan zijn in allen, moet iedereen God worden (vert.: René van Slooten)’ Dus gewoon even door de zure appel heen bijten en enigszins beschaamd toegeven dat je je vergist hebt. ‘Jezelf kennen, jezelf zien zoals je bent,’ schrijft Wells, maar hijzelf vindt dat niet echt een prettig vooruitzicht.



Giorgio Manganelli DE LITERATUUR ALS LEUGEN


Inleiding bij deze vertaling:


Eigenlijk is het heel eenvoudig: als er geen ellende zou bestaan, zouden er ook geen schrijvers en dichters zijn. Als je wilt dat je kinderen schrijver of dichter worden, beschadig en verniel ze dan, laat ze zien dat ze niet deugen, dat ze niet voldoen aan je eisen, dat het nietsnutten zijn, des te groter is hun behoefte om dat later allemaal van zich af te schrijven. Zorg voor een gewelddadige maatschappij, met horror, ellende, armoe, ziekten en angsten, en je creëert een onuitputtelijke stof voor miljoenen boeken, waar al die beschadigde mensen zichzelf weer in kunnen herkennen. Creëer een vreugdeloze manier van leven en mensen zullen hunkeren naar vermaak en verstrooiing, naar keukenmeidenromans en prinsen op witte paarden. En laat die rebellen en wereldverbeteraars dan maar gewoon hun gang gaan. Laat ze maar roepen in de woestijn, laat ze maar proberen om de zee te overstemmen, want het volk wil toch alleen maar brood en spelen.

Ik kan alleen mijn gevoel beschrijven met de metafoor, dat als iemand een boek (of natuurlijk een website!)over Ethiek zou kunnen schrijven, dat werkelijk een boek over Ethiek zou zijn, dit boek, met één explosie alle andere boeken ter wereld zou vernietigen, schreef Wittgenstein in zijn lezing over ethiek en zolang is het schrijven van literatuur immoreel en daarna niet meer nodig.



Julien Offray de La Mettrie DE MENS EEN MACHINE


Inleiding bij deze vertaling:


Over het stuk:


Aan het eind schrijft La Mettrie: "Dit is mijn Systeem, of als ik me niet te zeer vergis, de Waarheid," maar dat is het in ieder geval niet, daarvoor bezondigt hij zich aan teveel tegenstrijdigheden, zegt van alles te bewezen te hebben, terwijl hij niet meer dan poneert. Daarnaast is veel van wat hij denkt te weten, niet meer dan een mening, overtuiging of hij gelooft dat. Elke mening, overtuiging of geloof is een vooroordeel, is als een gekleurde bril waardoor mensen niet de werkelijkheid, maar een gekleurde werkelijkheid zien. En omdat de werkelijkheid iets anders is dan wat daarover gezegd wordt, is dus alles wat zij daarover zeggen niet waar en alles wat niet waar is, is onzin, hoezeer mensen ook proberen zin aan die onzin aan te geven. Dat is de Waarheid. Wie de schoen past trekke hem aan.


Over de vertaling:


Er is gebruik gemaakt van de eerste druk van L’Homme Machine, uit 1748, die enigszins, maar niet wezenlijk afwijkt van de latere door La Mettrie herziene versie. De typografische accentueringen, met name het hoofdlettergebruik is gehandhaafd. Sommige ellenlange zinnen zijn in stukken gehakt en regelmatig is gebruikgemaakt van gedachtestreepjes. Een enkele keer is iets gecursiveerd om de leesbaarheid te vergroten.



Friedrich Max Müller HET PAARDENHOEDERTJE (DAS PFERDEBÜRLA)


Inleiding bij deze vertaling:


Over Friedrich Max Müller (bekend als Max Müller) 1823-1900:


Müller was een Duitse filoloog en orientalist. In 1823 geboren in Dessau als zoon van de romantische dichter Wilhelm Müller, van wie Franz Schubert Die schöne Müllerin en Winterreise op muziek zette. Studeerde filosofie aan de universiteit van Leipzig en promoveerde als 19-jarige met het proefschrift: Ueber das Dritte Buch Spinozas Ethica, De Affectibus. Leerde daarnaast Latijn, Grieks, Arabisch, Perzisch en Sanskriet en begon in 1844 met de vertaling van de Upanishads en de Hitopadesa, een verzameling Indische fabels. Bekwaamde zich verder in het Sanskriet in Parijs en ging in 1846 naar Engeland om de Sanskrietteksten van de East India Company te bestuderen. Hij werd daar de toonaangevende intellectuele commentator over India, dat toen nog in bezit van Engeland was. In 1854 werd hij aangesteld als hoogleraar moderne Europese talen aan het Taylor-instituut van de universiteit van Oxford. Müller was van mening dat de vroegste teksten van de Vedische cultuur de sleutel boden voor het begrijpen van de Europese heidense religies en geloofssystemen in het algemeen. Hij zag de goden van de Rig-Veda als werkzame natuurkrachten, die slechts gedeeltelijk tot bovennatuurlijke figuren gepersonifieerd waren. Daaruit concludeerde hij dat mythologie een ‘ziekte van de taal is,’ waarmee hij bedoelde dat een mythe begrippen verandert in wezens en verhalen. Volgens hem waren ‘goden’ aanvankelijk woorden bedoeld om abstracte ideeën weer te geven, maar die vervolgens in personen veranderden. Zodoende worden metaforen gepersonifieerd.

Hij stelde dat "als er iets is dat de vergelijkende godsdienstwetenschappen overduidelijk maken is het wel het onvermijdelijke bederf waaraan elke religie ten prooi valt…Telkens als we een religie kunnen terugvoeren tot haar allereerste begin, ontwaren we haar vrij van vele smetten die haar in haar latere stadia bezoedeld hebben." Dat riep ook van christelijke kant felle kritiek op. Bisschop Munro uit Glasgow zei daarover dat Müllers opvatting "niet minder was dan een kruistocht tegen de goddelijke openbaring, tegen Jezus Christus en het christendom." Hij betoogde dat Müllers theorieën "de idee God vernietigden, omdat hij het beeld van een persoonlijk God verwierp….en de goddelijke openbaring eenvoudigweg onmogelijk maakte, omdat zijn theorie God tot louter Natuur terugbracht en afrekende met lichaam en ziel zoals wij die kennen." Eerder had Müller gezegd dat de Brahma, zoals die opgevat wordt in de Upanishads, duidelijk hetzelfde is als Spinoza’s ‘Substantia.’


Over dit hoofdstuk uit Het Paardenhoedertje:


Müller laat hierin zien dat de basis van het christendom, het eerste hoofdstuk van het evangelie van Johannes, op een vergissing berust, namelijk het vertalen van de Logos door het volstrekt onbegrijpelijke het Woord en dat dat eerste hoofdstuk eigenlijk ontleend is aan de kosmogonie van de oude Grieken en dat Jezus, zo hij ooit bestaan heeft, "de genade en waarheid gebracht heeft," met andere woorden, dat hij dat opnieuw verwoord heeft.

Maar er schuilen nog meer en ernstigere vertaalfouten (of onbegrip?) in het Johannesevangelie en dat heeft te maken met het feit dat het scheppingsproces opgevat wordt als een eenmalig gebeuren: het universum is ooit geschapen, en vervolgens kijkt de maker vanuit de verte toe hoe het daar allemaal vergaat, zoals een luchtballon één keer opgeblazen en dichtgeknoopt aan zijn lot wordt overgelaten. Maar het wordt heel anders als je de schepping ziet als een dynamisch gebeuren, iets dat voortdurend plaatsvindt, als een heteluchtballon, die doorlopend in vorm gehouden wordt door een constante toevoer van energie. Dan ziet het eerste hoofdstuk er meteen heel anders uit en wordt het volkomen begrijpelijk:


(Parafrase van de Nieuwe Bijbelvertaling) "Vanaf den beginne is de Logos, de Logos is bij God en de Logos is God. Hij is vanaf den beginne bij God. Alles ontstaat daardoor en zonder dit ontstaat niets van wat bestaat. In de Logos is leven en het leven is het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis krijgt het niet in haar macht. Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes. Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen hem zou geloven. Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht: het ware licht, dat ieder mens verlicht en in de wereld is. De Logos is in de wereld, de wereld ontstaat door hem en toch kent de wereld hem niet. Hij is in wat alles wat hij doet ontstaan, maar de mensen ervaren hem niet. Wie hem wel ervaren en dat begrijpen, geeft hij het voorrecht om te ervaren dat ze kinderen van God zijn. Zij ervaren dan ze niet op natuurlijke wijze geboren zijn, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.

De Logos wordt vlees en woont in ons, vol van goedheid en waarheid, en wij ervaren zijn grootheid, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. Van hem getuigde Johannes toen hij uitriep: ‘Hij is het over wie ik zei: "Die in mij is, is meer dan ik, want hij was er vóór mij!"’ Uit zijn overvloed worden wij allen met goedheid overstelpt. De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid heeft Jezus Christus ons duidelijk gemaakt, namelijk: Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, doet hem kennen."


Dat ervaren dat je deel uitmaakt van het grote geheel, dat opgaan in het grote geheel, als een druppel in de oceaan, is het ware leven in het hier en nu, dat de mens even kan ervaren in de mystieke ervaring, maar blijvend ervaart als hij alles opgeeft, zijn ik opgeeft. Zoals de Oglala-medicijnman Black Elk dat lang geleden zo helder verwoordde: "En terwijl ik daar stond, zag ik meer dan ik kon zeggen en begreep ik meer dan ik zag; want ik zag op een heilige manier alle vormen van de dingen in de Geest (de Logos), en de vorm van alle vormen, zoals zij als één wezen samenleven." Het is dus allemaal veel eenvoudiger dan het lijkt en vasthouden aan het idee dat iets anders bent dan mens, christen bijvoorbeeld, is de zekerste manier om nooit te worden wat je bent, namelijk mens.


Rest natuurlijk de vraag waarom de mens zonodig een kosmogonie moet bedenken, of dat nu een materialistische of een idealistische is. De ware reden is dat de mens niet meer weet wat en wie hij is, ronddwaalt in een door hemzelf gecreëerd labyrint, in zijn eigenmachtig gegraven grot van Plato, zijn eigen onderwereld, zijn tranendal, wat hij in zijn sporadische heldere momenten beseft, maar waarin hij, omdat hij in de illusie verkeert dat er geen uitgang is, zijn leven slijt en er maar het beste van probeert te maken. Daarin bedenkt hij zijn kosmogonie, maar het is zonder twijfel veel zinniger om gewoon het labyrint, de grot, de onderwereld of het tranendal te verlaten, want de deur staat altijd open.



H. G. Wells HET LAND DER BLINDEN


Inleiding bij deze vertaling:


In 1880 werd de moeder van Wells huishoudster op het landgoed Uppark. Dertig jaar daarvoor was zij daar dienstmeisje geweest en ontmoette toen de toenmalige tuinman van het huis Joseph Wells, met wie ze trouwde. In 1866 werd daaruit Herbert geboren. In 1880 waren financiële problemen van het gezin Wells van dien aard dat Mevr. Wells inwonend huishoudster werd op Uppark en Bertie, zoals Herbert meestal genoemd werd, meenam. Het huis werd op dat moment bewoond door drie oude dames, de weduwe van Sir Harry Fetherstonhaugh, haar zuster en de gouvernante die destijds met de laatste meegekomen was. Wijlen de heer des huizes was een notoire vrijdenker en beschikte over een uitgebreide bibliotheek. Daar las de veertienjarige Herbert, zoals hij in zijn biografie schrijft, onder andere Voltaire, de oriëntalistische verhalen Willam Beckfords Vathek en Rassalas van Samuel Johnson, Swifts Gullivers Reizen, dat hij naar eigen zeggen verslond, maar ook Plato’s Republiek, waarover hij schrijft dat hij dat zeer bevrijdend vond. In de Republiek staat de befaamde Allegorie van de Grot en dit verhaal, Het Land der Blinden, vertoont daar veel parallellen mee. In de Grot leven mensen die niet de werkelijkheid aanschouwen, maar een schaduw van de werkelijkheid, die zij voor de werkelijkheid houden. Ze zien niet wat ze zien, maar zien wat ze denken dat ze zien, zoals iedereen in deze wereld. Zoals Goethe dat zei: "Man sieht nur, was man weiß," met andere woorden, het weten, de kennis die hij opgedaan heeft, bepaalt wat iemand ziet. Maar daarmee zegt hij ook dat kleine kinderen en dieren niets zien, wat natuurlijk onzin is. Hij had moeten zeggen: "Man sieht nur, was einem in den Kram passt." Je ziet alleen wat in je kraam past, in je wereldbeeld, in dat moeizaam vergaard conglomeraat van meningen, oftewel vooroordelen en voor al het andere móet je wel blind zijn, want anders klopt je wereldbeeld niet meer en moet je toegeven dat je je vergist hebt. Over de man die de Grot verlaten heeft en terugkomt en de achtergeblevenen vertelt dat het allemaal onzin is waar ze mee bezig zijn, zegt Plato dus: "De achtergeblevenen zouden zeggen dat hij ziende naar buiten is gegaan en blind weer teruggekomen is en dat je dus maar beter helemaal niet de grot uit kunt gaan. En als hij hen dan zou proberen te bevrijden om hen naar boven naar het licht te brengen, zouden zij die misdadiger dan niet grijpen en ter dood brengen?"


In Het Land der Blinden schetst Wells hetzelfde dilemma. De hoofdpersoon, Nunez, komt als een alien onverhoeds in een gemeenschap terecht die in de loop der eeuwen haar eigen rigide normaliteit heeft ontwikkeld, met tradities, normen en waarden, godsdienst en filosofie, net als de wereld waarin wij met zijn allen leven in Plato’s metafoor. In onze wereld zijn de mensen figuurlijk blind, in Wells verhaal letterlijk. In onze wereld worden kinderen ziende geboren, maar worden blind gemaakt, in Het Land der Blinden worden kinderen blind geboren, maar in wezen komt het op hetzelfde neer. Net zoals in onze wereld is in Het Land der Blinden Eenoog Koning. Kun je nagaan wat Tweeoog in deze wereld zou zijn! In de Grot waar wij allemaal in zitten, mag je onbeperkt zoeken, al je meningen verkondigen over de schaduwen die je ziet en er zijn tegenwoordig vreselijk veel mensen op zoek in die Grot, of deze wereld, maar er is één groot taboe: je mag niet naar buiten, want een van de dogma’s in de grot, is dat er toch geen uitweg is en al die onverlaten die in de hele mensengeschiedenis door een samenloop van omstandigheden toch de Grot verlaten hebben en terug zijn gekeerd, is en wordt nog steeds het zwijgen opgelegd.


H. G. Wells had afscheid genomen van het geïnstitutionaliseerde christendom, dat hij in Crux Ansata fileert. Hij noemde zichzelf een gnosticus, een manicheeër, maar hij schrijft wel een voorwoord bij De Bergrede. Hij verfoeit de christelijke kerken, maar schrijft wel: "De leer van het Koninkrijk der Hemelen, de belangrijkste leer van Jezus, is zonder twijfel een van de meest revolutionaire leren die ooit het menselijke denken geprikkeld en veranderd heeft….. Jezus is zonder meer de meeste dominante figuur in de hele geschiedenis."


In De Cultus van het Boek schrijft Jorge Luis Borges: "Evenals Quevedo, evenals Voltaire, evenals Goethe, evenals nog een enkeling, is Wells niet zozeer een literator als wel een literatuur. Hij schreef babbelachtige boeken, waarin op de een of andere manier het gigantische geluk van Charles Dickens weer bovenkomt, hij strooide kwistig met sociologische gelijkenissen, hij zette encyclopedieën op, hij verruimde de mogelijkheden van de roman, hij herschreef voor onze tijd het boek Job, ‘die grootse Hebreeuwse imitatie van de platoonse dialoog’, hij verzorgde een verrukkelijke autobiografie, zonder hoogmoed en zonder bescheidenheid, hij bestreed het communisme, het nazisme en het christendom, hij polemiseerde (beleefd maar dodelijk) met Belloc, hij stelde het verleden te boek, hij stelde de toekomst te boek, hij gaf op schrift vorm aan werkelijke en imaginaire levens. Van de uitgebreide en gevarieerde bibliotheek die hij ons naliet, is niets mij zo dierbaar als zijn vertelling van een paar gruwelijke wonderen: The Time Machine, The Island of Dr. Moreau, The Plattner Story, The First Men in the Moon. Het zijn de eerste boeken die ik las; misschien zullen het de laatste zijn... Ik denk dat ze, evenals de fabels van Theseus en Ahasverus, zullen worden opgenomen en vermenigvuldigd in het collectieve geheugen van de mens en uiteindelijk zelfs de roem van hun schepper en het uitsterven van de taal waarin ze werden geschreven zullen overleven."



Vladimir Sergejevitsj Solovjov KORTE VERTELLING OVER DE ANTICHRIST


Inleiding bij deze vertaling:


Vladimir Sergejevitsj Solovjov (1853-1900) was een Russisch filosoof, schrijver, dichter en mysticus. Door velen wordt hij beschouwd als de grootste Russische filosoof. Hij was een vriend en vertrouweling van Dostojevski en de gebroeders Aljosja en Ivan Karamazov uit de gelijknamige roman zijn grotendeels geboetseerd aan de hand van de gedachtewereld van Solovjov. Anders dan Dostojevski stond Solovjov welwillend ten opzichte van het katholicisme en zijn grote droom was de hereniging van de Russische orthodoxe kerk met de katholieke kerk tot één grote rooms-katholieke kerk, een roomse heilstaat.

Een jaar voor zijn dood schreef hij dit merkwaardige apocalyptische en profetische verhaal. Twee jaar daarvoor, in 1897, had de Zweedse schrijfster Selma Lagerlöf een roman geschreven met de titel De wonderen van de Antichrist waarin de Antichrist symbool staat voor het socialisme, maar uiteindelijk verzoent ze christendom en socialisme met elkaar, wat destijds zeer revolutionair was. Bij Solovjov is daar geen sprake van en daarom is deze vertelling nog steeds zo in zwang bij de katholieke orthodoxie. Paus Benedictus XVI (Ratzinger) spreekt in zijn boek Jezus van Nazareth zeer lovend over Solovjov en zijn rechterhand Kardinaal Biffi beweerde in 2000 "de Antichrist is onder ons en zijn doel is de vernietiging van het christendom en de dood van God." Verder dat de Antichrist op aarde tewerk gaat als een vooraanstaand filantroop, die met zijn bekommernis om mensenrechten, milieu en streven naar oecumene zijn ware bedoeling verhult: het einde van de christelijke waarheid en het ophemelen van de Vader der Leugens. Bovendien dat hij een groot voorstander was van vegetarisme, pacifisme, milieubescherming en dierenrechten en een overtuigd spiritualist. Met andere woorden, een wolf in schaapskleren. Daarnaast waarschuwde hij de katholieken voor vervolging door homoseksuelen en hun trawanten.

Dat heeft hij dus grotendeels ontleend aan dit verhaal. Solovjov zou zich omkeren in zijn graf. Maar dat geldt evenzeer voor degenen die de evangeliën geschreven hebben en zeer in het bijzonder voor de tovenaarsleerling Paulus, die de klok hebben horen luiden maar niet wisten waar de klepel hing. Wat ze opgeschreven hebben was zo polyinterpretabel dat er met gemak een godsdienst van gebrouwen kon worden, die een spoor van ellende in de geschiedenis van de mensheid heeft getrokken. Als je God personifieert, vraag je om een Satan. Als je het geweten personifieert in de gedaante van Jezus, vraag je om een Antichrist.

De Roomse heilstaat die Solovjov voor ogen heeft is even onverdraagzaam als die van het nieuwe kalifaat, of de kapitalistische, socialistische of communistische heilstaten en allemaal geconstrueerd door de elite, deskundigen. Allemaal geleid door mensen die weten wat goed is voor anderen.


"Niemand dwaalt uitsluitend voor eigen rekening, maar hij is tevens de veroorzaker en bewerkstelliger van het dwalen van anderen." Seneca (uit "De Vita Beata"), met andere woorden, als je het niet zeker weet, kun je beter je mond houden.



Alan W. Watts DE HEERLIJKE KOSMOLOGIE AVONTUREN IN DE CHEMIE VAN HET BEWUSTZIJN


Inleiding bij deze vertaling:


Dit prachtige boekje van Alan Watts verdient toch enig commentaar en nuancering. Ogenschijnlijk is het een pleidooi voor een ongebreideld gebruik van psychedelica, maar dat is niet wat Watts voorstaat. Zoals hij schrijft en dat is misschien de meest veelzeggende zin uit het boek: ‘psychedelische drugs zijn namelijk gewoon instrumenten, zoals microscopen, telescopen en telefoons. Als je de boodschap hebt gekregen, moet je de telefoon weer ophangen.’ De vraag is wat die boodschap dan inhoudt en wat psychedelica (waaronder dus ook marihuana) dus eigenlijk doen. Ook daar geeft Watts een zinnig antwoord op: deze drugs schakelen op een of andere manier bepaalde remmende of selecterende processen in het zenuwstelsel uit, om ons zintuiglijk apparaat toegankelijker te maken voor indrukken, dan gewoonlijk het geval is’ en ‘kunnen ons het labyrint uitleiden waarin wij vanaf onze kindertijd in verdwaald zijn.’ En wat de boodschap betreft betekent dat dat je onder invloed van psychedelica de wereld en jezelf weer kunt zien zoals je die als onbevangen klein kind zag en ervoer.

Zoals Supertramp ooit zong:


When I was young, it seemed that life was so wonderful
A miracle, oh it was beautiful, magical
And all the birds in the trees, well they'd be singing so happily
joyfully, playfully, watching me.
 

Maar toen werden wij het paradijs uitgeleid en wat daarmee gebeurde was:


But they send me away, to teach me how be sensible
logical, responsible, practical
And they showed me a world, where I could be so
dependable, clinical, intellectual, cynical


Wat Watts zich niet realiseerde (en met hem alle psychedelicagebruikers) was dat hij niet iets nieuws gevonden had, maar dat hij iets ouds had ontdekt, iets dat elk klein kind hem had kunnen vertellen, de manier waarop hij zelf ook ooit de wereld en zichzelf had ervaren, voordat hij die wereld werd uitgeleid. Het gevoel dat ieder van ons het middelpunt van zijn wereld is, dat wij allemaal almachtig zijn (maar de psychiater noemt het kinderlijk gevoel van almacht grootheidswaan en pathologisch) dat wij zoals Watts zegt allemaal ‘God in vermomming zijn,’ maar hij beseft ook dat ‘geen enkele autoritaire regering, of die nou kerkelijk of werelds is, dat idee kan tolereren.’ Maar dat is niet de belangrijkste reden waarom machthebbers dat vrezen, of dat nou wereldse of kerkelijke, ouders, of andere ‘kennis’-monopolisten zijn. Niets gevaarlijker voor een maatschappij die gebaseerd is op onvrede, ontevredenheid en macht, dan mensen die met zichzelf tevreden zijn, die niets meer hoeven of willen, waarvan niets te maken valt, die geen enkele behoefte voelen om zich aan te passen, die niet meer mee willen doen, die niets nodig hebben om gelukkig te zijn (overigens is gelukkig zijn een tautologie, want zijn, is gelukkig zijn) die hun handen niet langer vuil willen maken, die tevreden zijn met wat ze zijn en beseffen hoe bizar het is om iets te ‘worden,’ die gewoon alleen maar willen leven. Is er soms niet lang geleden gezegd ‘zo ge niet wordt gelijk de kleine kinderen, zult ge het Koninkrijk der Hemelen voorzeker niet ingaan?’

Ach, het is allemaal eigenlijk kinderlijk eenvoudig. Maar Watts verzet zich tegen die eenvoud en wil de kool en de geit sparen. ‘Wij hoeven niet,’ zegt hij, ‘de cultuur af te schaffen en terug te keren naar een of ander prehistorisch stadium.’ En toch is dat onmiskenbaar de boodschap die hij uitdraagt, maar hij onderkent dat niet. Kinderen kunnen van volwassenen helemaal niets leren, hoogstens hoe het niet moet.

Psychedelica gunnen je dus weer een blik op het ideaal, het eindpunt, het leven in het hier en nu. In het labyrint kijk je een moment naar het leven daarbuiten en de enige bedoeling is dat je dan weer beseft dat er wel een andere wereld is en dat je vervolgens alles in het werk stelt om de uitgang te vinden.



Dr. Jean Itard VERSLAG VAN DE EERSTE ONTWIKKELING VAN VICTOR VAN AVEYRON


Inleiding bij deze vertaling:


Het verslag van Jean Itard werd gepubliceerd in 1801. Het ging als een lopend vuur de wereld over. Nog datzelfde jaar verscheen een Duitse vertaling en het jaar daarop een Engelse en werd het boek ook in Nederland uitgebreid besproken in Vaderlandsche Letteroefeningen. Hoewel Itard zelf in zijn verslag ambivalent is, oog heeft voor het traumatische verleden van Victor, vindt hij toch dat Victor goedschiks of kwaadschiks aangepast moet worden aan wat toen de waan van de dag was, zoals dat nog steeds gebeurd met onze kinderen aan de huidige waan. Folliot schrijft: "Vanaf die tijd heeft men begrepen dat de uitdrukking natuurlijke mens geen enkele betekenis heeft: de mens is cultureel of hij bestaat niet." Wat hij daar eigenlijk mee zegt is dat kleine kinderen niet bestaan, "niets" zijn en pas mens worden als ze ongevraagd opgezadeld worden met de hele culturele bagage, waarvan de samenstelling en hoeveelheid afhangt van de toevallige plaats van ter wereld komen, die ze hun verdere leven mee moeten torsen en bij tijd en wijle, op zoek naar zichzelf, hunkeren om daarvan verlost te worden. Hoe betrokken Itard ook is bij Victor, hoe goed hij het ook allemaal bedoeld heeft – de weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen – hij bekijkt Victor als door de ogen van een cultureel antropoloog, door zijn eigen gekleurde bril. Zijn verslag werd destijds gretig ontvangen, omdat eindelijk aangetoond was dat elk kind te conditioneren was, als het maar slim aangepakt wordt. En sindsdien is dat de bril waardoor pedagogen – bijvoorbeeld Maria Montessori die weg was van het verhaal – naar kinderen hebben gekeken.

In een land waar alle wilgen van jongs af aan geknot worden kan geen mens zich een voorstelling maken van een wilg zoals die had kunnen zijn als hij vrijuit had kunnen groeien tot de boom zoals hij bedoeld is. In een wereld waarin alle kinderen van jongs af aan door geknotte en gesnoeide opvoeders, geknot en gesnoeid worden in hun vrijheid, omdat ze nu eenmaal moeten leren leven in deze maatschappij, kan geen geknot mens zich meer een voorstelling maken van de mens zoals die eigenlijk bedoeld is. Het is dus juist dat de mensen geen beeld hebben van een onafhankelijke, vrije mens, maar dat wil niet zeggen dat die niet mogelijk is. Mensen die zelf overdekt zijn met een cultuurschors en dat niet beseffen, of denken dat dat nu eenmaal niet anders kan, weten dus ook niet wat er onder die korst zit.

Victor was een beschadigd kind, waarop gejaagd werd, die gevangen, opgesloten, bewaakt, door horden nieuwsgierigen aangegaapt werd, in een krankzinnigengesticht geplaatst en als een onderzoekobject behandeld werd, en zich maar moeizaam liet conditioneren.

Toen Pavlov bij zijn onderzoek met honden de geconditioneerde reflex ontdekte, was er één hond die niet te conditioneren was. Hij vertoonde volgens Pavlov de vrijheidsreflex. Die werd bij Victor hardhandig de kop ingedrukt, zoals dat tegenwoordig nog steeds overal zij het verhulder gebeurt, maar met dezelfde bedoeling.

Jorge Luis Borges schrijft in een van zijn verhalen dat in Ethiopië verteld wordt dat apen niet praten omdat ze anders zouden moeten werken, maar kinderen moeten leren praten om later een radertje te worden in de maatschappij.

Een wereld waarin volwassenen het voorbeeld voor het kind zijn, is een omgekeerde wereld. Het ware voorbeeld van de natuurlijk mens is het kleine kind, maar dan moet je er wel heel gauw bij zijn want het verkorsten wordt meteen naarstig ter hand genomen. Daarom staat in logion 4 van het Evangelie van Thomas dat een grijsaard niet zal aarzelen een klein kind van zeven dagen naar de plaats des levens te vragen. Vragen kan natuurlijk niet, maar gadeslaan wel: dat nog onbevangen, taalloze kind, zonder verleden en toekomst en zonder aangeleerde overtuigingen in zijn hoofdje, zonder culturele bagage, is het prototype van de natuurlijke mens. Maar zoals de Genestet in 1867 dichtte:


"Wordt als de kindren!" sprak de Heer,

"Derzulken is mijn Rijk…."

Gy maakt, o drijvers van de Leer,

Uw kindren ú gelijk.


En die leer is altijd de waan van de dag geweest, de tijdgeest, de opvattingen van de winnaars. Naar de kinderen en verliezers is nooit geluisterd. Er is niets nieuws onder de zon.



John Passmore DE VERVOLMAAKBAARHEID VAN DE MENS


Inleiding bij deze vertaling:


Passmore citeert in dit boek de historicus Edward Gibbon, die de mensengeschiedenis omschrijft als "een verslag van de misdaden, verdorvenheden en dwaasheden van de mensheid" en Voltaire die dat niet minder bijtend doet als hij daarover zegt "het is weinig anders dan een lange opeenvolging van zinloze wreedheden…een verzameling van misdaden, dwaasheden en rampspoed." En tot slot Hegel, "volken en regeringen hebben nooit iets geleerd van de geschiedenis," wat, omdat volken uit individuen bestaan, overigens inhoudt dat die individuen ook nooit iets geleerd hebben van hun verleden en de weinigen die dat wel hebben gedaan, hebben het tij nooit kunnen keren.

Maar al die misdaden, dwaasheden en rampspoed zijn de hele geschiedenis door theoretisch voorgekookt, onderbouwd en gerechtvaardigd door de elite, door filosofen, geleerden, kerkvaders, religieuze en politieke leiders, die het onderling nooit met elkaar eens waren en al krakelend millenia lang de tijdgeest, de waan van de dag, de cultuur, gevoed, gevormd en veranderd hebben en altijd heeft het gewone volk hun praatjes geloofd en achter hun vaandels aangelopen en alle kinderen moesten en moeten nog steeds mee in de barre tocht naar Nergenshuizen.

Dit boek geeft een indrukwekkend en helder historisch overzicht van al die tegenstrijdige bedenksels, vanaf Plato tot de dag van vandaag. Plato met zijn ideale Staat met volmaakte filosoof-koningen en het klootjesvolk dat ten enenmale niet vervolmaakbaar is. Zijn voorgangers voor wie het hubris was om godgelijk te willen worden en de stoïcijnen voor wie dat het doel was. Aristoteles die ook vond dat het voor de mens onmogelijk was een geheel goddelijk leven te leiden en dat hij maar gewoon op een menselijk niveau moest leven. Philo die ook van mening was dat het verlangen om gelijk aan de goden te zijn de meest heilloze hartstocht was. Augustinus die zichzelf in zijn Belijdenissen portretteert als bange neuroot en in De Stad Gods schrijft dat de mens, uit vrije keuze verdorven en rechtens veroordeeld, een nageslacht voortgebracht heeft dat zowel verdorven als veroordeeld is. En dan de grote Hervormers, Luther en Calvijn, die ook beweerden dat de mens door en door verdorven was en maar veel moest bidden om genade. Leibniz die schrijft dat ons geluk nooit zal bestaan en ook niet behoort te bestaan uit een volledige vreugde, waarin niets meer te verlangen is en wat onze geest sloom maakt, maar uit een onafgebroken voortgang naar nieuwe genoegens en nieuwe volmaaktheden. En tot slot Karl Barth die ervan overtuigd was dat wij zondige schepsels zijn. De ene stroming zegt dat de mens wel en de andere dat hij niet vervolmaakbaar is en die laatste heeft altijd gewonnen. Dat is eigenlijk nog daar aan toe, maar dat ze allemaal tegenstrijdigheden en inconsequenties verkondigen en toch nog steeds hun invloed doen gelden, is onvergeeflijk. En dan hebben ze het over, hemelse taakvolmaaktheid, metafysische, teleologische, theologische, theoretische, praktische, technische, gehoorzamende, godgelijke, morele, esthetische, smetteloze en aards volmaaktheid, ideale maatschappijen en ideale mensen. En dat gaat tot op de dag van vandaag nog steeds door. Midden in de Tweede Wereldoorlog schreef Ernst Cassirer bijvoorbeeld, "alles bij elkaar zou men de cultuur kunnen beschrijven als het proces van de voortschrijdende zelfbevrijding van de mens. Taal, kunst, religie en wetenschap vormen de verschillende fasen in dit proces. In allemaal ontdekt en ziet de mens een nieuwe kracht, de kracht om voor zich een eigen ‘ideale’ wereld te vestigen. (Versuch über den Menschen 1944). Maar Charles Taylor is het daar dan weer niet mee eens, want hij zegt, "de grootste fout die we kunnen begaan is de gedachte koesteren dat we een volmaakte wereld tot stand kunnen brengen en de beperkingen van onze menselijke conditie definitief achter ons kunnen laten." Pessimisten, optimisten, utopisten, dystopisten buitelen nog steeds over elkaar heen.

In wezen is het natuurlijk zo dat ze het op de eerste plaats over zichzelf hebben, dus met wat Luther over de mensen schrijft bedoelt hij zichzelf, door en door verdorven en maar wachten op genade. Wie meningen verkondigt, onthult zijn eigen vooroordelen

Ze praten honderduit over de ziel, zo die al bestaat, over God, die allerlei namen krijgt en, waar ze het allemaal over eens zijn, onkenbaar is en die ze toch op allerlei ingenieuze manieren omschrijven, en dan pretenderen ook nog eens dat zij weten wat dat Onkenbare van zijn schepsels wil en dat ze die Here, hun God, met geheel hun hart en met geheel hun ziel en met geheel hun verstand moeten liefhebben en Joost mag weten wat ze daarmee bedoelen en waarom iemand dat zou moeten doen.

Ze prediken ook ascese, terugtrekken uit de wereld, vasten, celibaat, onthechting en eeuwenlang hebben mensen dat als kluizenaars of kloosterlingen hartstochtelijk gedaan, maar nog nooit heeft dat ook maar één volmaakt mens opgeleverd, want zoals doorgaans gebeurt in deze omgekeerde wereld, waarin wijsheid dwaas en kennis het hoogste goed is, is dat ook een omkering van de gang van zaken. Volmaaktheid, betekent tevreden zijn en dan heb je maar heel weinig nodig. "Extra ecclesiam nulla salus (buiten de kerk geen heil)" schreef de kerkvader Cyprianus, maar het moge inmiddels duidelijk zijn dat dat ook een omkering is en dat het moet zijn "intra ecclesiam nulla salus."

En dat alles zou dan moeten leiden tot het "Aanschouwen van God" of volgens Plato, van "het Goede en Schone." Maar wat bedoelen ze daar nou mee? Eigenlijk is dat vreselijk eenvoudig en iedereen heeft wel eens "God aanschouwd." Gewoon een voorbeeldje. Huub van de Lubbe van De Dijk, zegt ergens in een interview: "Ik weet niet wat ik toen zocht, op mijn eenzame tocht over het strand, maar ik hoopte waarschijnlijk iets in die richting. De momenten van opperste geluk. Het overvalt me ook af en toe op de racefiets. Dat uitzicht dat me opeens de adem beneemt en ik als bij blikseminslag weet: hier fiets ik nu al vijftig jaar voor, om dit te mogen zien. Dan stroomt het uitzicht in me en wordt ik er onderdeel van. Magisch. Die paar seconden, dat ik en de wereld vervloeien. Daar draait het om. De tegenslag, maar ook alle moois, alles wat geweest is en alles wat nog komt, vallen opeens samen, in dat ene perspectief. Het leven wordt plotseling rechtvaardig." Dat is nou dat "God aanschouwen," een leeg hoofd hebben, als een druppel opgaan in de oceaan, eigenlijk vreselijk gewoon. Woordeloos, gedachteloos, geen verleden of toekomst, niets willen, tevreden, kortom de Werkelijkheid aanschouwen zoals het kleine kind dat doet.

Maar wat is er met dat kleine kind gebeurd, dat het "vijftig jaar moet fietsen," om weer een paar seconden weer te zijn wat hij ooit was?

Ook daarover zijn de denkers altijd verdeeld geweest. De ene groep zegt dat het kind als een tabula rasa geboren wordt en de andere dat het onvolmaakt of zondig geboren wordt. Maar dan zeggen de tabula-rasa-aanhangers dat het vervolgens de taak van de opvoeder is om die tabula vol te schrijven en de andere groep zegt dat het kind vervolmaakt moet worden, mens moet worden, maar ze bedoelen burger, socialist, christen, dokter, kortom dat ze moeten worden zoals zij zijn.

Plutarchus schreef al "men moet de jeugd snoeien en dwingen." Maar er waren ook tegengeluiden, zoals Jean-Jacques Rousseau die schreef, "Alles is goed zoals het uit de handen van de Schepper komt, alles raakt verdorven in handen van de mens" en "de mens dwingt de boom vreemde vruchten te dragen, castreert honden en paarden, kortom, misvormt alles. Niets wil de mens zo behouden als de natuur het gemaakt heeft, zelfs niet zijn eigen kinderen. Hij wil ze dresseren als een manegepaard, vervormen als een boom in een tuin (Emile)," maar toch voedt hij vervolgens Emile op, want hij zegt ook, "van alles verstoken worden wij geboren (Rousseau juge Jean-Jacques)." Dat snoeien en dwingen werd later vervangen door belonen en straffen, maar in wezen blijft het manipuleren en van het kind iets maken dat het niet is, het een identiteit opdringen, een masker, het verdrijven uit het paradijs.

En wat volmaaktheid is? Een dressuurpaard is niet wat hij is, zijn instinct is overdekt met kunstjes. Hij dartelt niet meer over de steppen, zoals de bestemming van een paard is. Zoals Chuang Tzu schrijft: "paarden hebben hoeven waarmee ze over ijzel en sneeuw kunnen draven; een vacht, om hen te beschermen tegen wind en kou. Ze eten gras en drinken water en werpen hun benen op over de vlakten. Dat is de ware natuur van paarden. Vorstelijke verblijven zijn niet aan hen besteed." De opgefokte, veredelde kastomaten, zijn niet zoals tomaten bedoeld zijn. Dat paard en die tomaat zijn in wezen wel volmaakt, maar er is mee geknoeid en hun onvolmaaktheid overdekt hun volmaaktheid. Een opgevoede, gedresseerde mens is geen natuurlijke mens meer, zijn natuur is overdekt door zijn "karakter," zijn tweede natuur, zijn identiteit, een onnatuurlijke korst, een masker waarmee hij de hem toebedeelde rol in deze kunstmatige wereld speelt. In wezen is hij nog steeds volmaakt, maar hij heeft kunstjes geleerd waarmee hij in deze maatschappij mee kan doen, het ver kan schoppen, schouderklopjes, een lintje en prijzen kan krijgen. Met een vol hoofd, vol theorieën, gedachten en overtuigingen waaruit hij af en toe een stroompje luchttrillingen laat komen, wat hij communiceren noemt, gekleed omdat hij zich schaamt, slaaf van zijn libido, geketend aan tradities en andere gewoonten, moet hij zien te overleven, maar dat is geen leven.

Kan de ontaarde, ontmenselijkte mens dan toch weer mens worden? Natuurlijk kan dat, evenzeer als een dressuurpaard weer losgelaten kan worden op de steppe en dan weer gewoon paard wordt. Alles wat de mens aangeleerd heeft kan hij ook weer afleren. Niet door te doen alsof hij het niet meer weet, maar door alles wat hem opgedrongen is en hij zich eigen heeft gemaakt te onderkennen als onzin, menselijke bedenksels, hersenspinsels, hoogmoed, ijdelheid. Door te begrijpen dat alles wat de hele mensengeschiedenis bedacht en opgeschreven is, theorieën (ja, ook de evolutietheorie), tradities, rituelen, alle wetenschappen, godsdiensten en alles wat door mensenhanden gemaakt is, alles waar de mens de natuur mee bevuild heeft, alle kunst en muziek, strijdig zijn met het ware leven. Door zich te ontdoen van zijn eigen verleden en het verleden en de geëxtrapoleerde toekomst van de mensheid, van alle bagage die hij zijn hele leven met zich meetorst. Door gewoon met gepaste schaamte toe te geven dat hij zich vergist heeft, doof en blind geweest is.

Wat is er nu zo prettig aan dat waren leven, dat aanschouwen van de Werkelijkheid (of God, zeg maar wat), dat leven buiten de grot van Plato, dat dolce far niente, dat godgelijk en weer gelijk de kinderen zijn, het masker afleggen, je ontdoen van je identiteit, niemand worden?

Volmaaktheid, zijn wat je bent, is onverenigbaar met pijn, verdriet, ziekte, en alle ellende die zich in en mensenleven kan voordoen. Dat zijn alleen maar symptomen van iets anders zijn dan je bent, waarschuwingen die je terug zouden moeten leiden naar jezelf, want wie zichzelf is, is volmaakt, onkwetsbaar, vrij van verdriet en lijden. Met andere woorden, bij iemand die zijn masker aflegt, verdwijnen alle symptomen en hij wordt niet gewoon beter, maar hij wordt volmaakt en heeft het eeuwige leven, "als je onder eeuwigheid niet oneindige tijdsduur, maar ontijdelijkheid verstaat, dan leeft hij eeuwig die in het heden leeft (Wittgenstein, Tractatus Logico-philosophicus 6.4311)." Volmaakt zijn is kinderlijk eenvoudig.


Percy Shelley schreef in zijn Prometheus Unbound (vertaling Alex. Gutteling):


Het walglijk masker viel.

De mensch blijft over,—schepterloos en vrij,

Zonder beperking mensch: allen gelijk,

En niet verdeeld in klassen, stammen, volken,

Vrij van ontzag, vereering, stand, en koning

Over zichzelf, rechtvaardig, zacht en wijs,


Wie volmaakt, autonoom, is kent ook geen schaamte meer, en legt zijn kleren af.


"Het is symptomatisch dat alle gouden tijden, paradijzen en utopieën in de verbeelding der mensen een egalitair karakter vertonen. Misschien is dat uitdrukking van een natuurlijke of categorische idee, die als vanzelfsprekend opdringt, dat wat gemeenschappelijk beschikbaar is gelijkelijk behoort te worden verdeeld. Het is in ieder geval een idee, die minder omstandige argumentatie vereist dan de tegenovergestelde, die bestaande ongelijkheden redenerend moet zien te rechtvaardigen. Het is daardoor ook een simpelere idee, die de sociale werkelijkheid rigoureuzer en compromislozer uitdaagt dan elke andere, de vrijheid misschien inbegrepen. Voor de extreemste voorbeelden daarvan moet men bij de sekten (Adamieten, Anabaptisten, Levelers, Lollarden, Taborieten, Doechoboren, Ranters, enz.) zijn, voor zover die in het naaktlopen een vorm van praktische theologie beoefenden, ter symbolische illustratie van de naakte waarheid van het evangelie tegen de bedekkende leugen van de wereld. De maatschappij trekt de mens kleren aan en de gelovige legt ze ten bewijze van zijn innerlijke wedergeboorte af. Het kostuum is een camouflage en een teken van de relatieve plaats, die wij in de samenleving innemen. Onder dat kostuum zijn wij allemaal dezelfden. Het maatschappelijke aanstootgeven is de onverbloemdste geloofsbelijdenis. Het afleggen der kleren is een zichtbare handeling uit onzichtbare genade, dus blijk van de verwerving van een nieuwe staat." (R.F. Beerling, Het cultuurprotest van Jean-Jacques Rousseau, 1977 van Loghum Slaterus, pag. 122)


Maar bedenk dat mensen de grootste bedreiging vormen voor deze wereld vol maskers, die niets weten, heel veel geloven en denken heel veel te weten.



Jean Meslier UIT: MIJN TESTAMENT


Inleiding bij deze vertaling:


Jean Meslier is boos, Jean Meslier is verontwaardigd, Jean Meslier is een oudtestamentische profeet, die zijn stem niet heeft durven verheffen. Hij fulmineert tegen waanideeën, dwalingen, leugens verzinsels en bedrog, die de mensheid in het duister doet dwalen. Hij was in het voordeel dat hij niet hoefde te vechten tegen de nieuwe gelovigen, de gelovigen in de evolutietheorie, de vooruitgang, de democratie en de wetenschap, die sindsdien de mensheid als virussen besmet hebben. Toch is zijn testament nog steeds even actueel als toen hij het schreef. De franje is veranderd, wezenlijk is alles bij het oude gebleven en het is ontegenzeglijk nog moeilijker doordringbaar als toen. Maar het is mogelijk. De arrogantie van de macht is niet onverslaanbaar.
Jean Meslier is helder, maar vergist zich als hij stelt dat het één groot complot van de machthebbers is, als hij denkt dat de machthebbers gelukkig zijn en als hij zich blindstaart op de schone schijn. Mensen, die zichzelf bedriegen en zich daar niet van bewust zijn, geloven in hun valse wereldbeeld en zijn dus geen bewuste bedriegers. Mensen die zichzelf laten bedriegen, omdat ze het bedrog niet doorzien, valt ook niets kwalijk te nemen. Meslier heeft niet begrepen dat alle mensen, van hoog tot laag, handelen uit angst. Angst om uit de groep gestoten te worden, angst voor straf, angst om te veranderen, angst voor het onbekende.



Maarten Luther OVER DE JODEN EN HUN LEUGENS


Inleiding bij deze vertaling:
 

Misschien is dit boekje van de reformator Maarten Luther wel het meest giftige, met een in vitriool gedoopte pen neergeschreven, antisemitische geschrift dat ooit verschenen is en waarbij zelfs De Protocollen van de Wijzen van Sion verbleken tot een onschuldige verdachtmaking van de joden. Vanaf de Reformatie tot de Holocaust heeft het een grote invloed uitgeoefend op de houding van de Duitsers tegenover de joden en werd de blauwdruk voor de Kristallnacht. Martin Sasse, bisschop van de Evangelisch-Lutherse kerk in Thüringen schreef naar aanleiding daarvan "Op 10 november 1938, op Luthers geboortedag, branden in Duitsland de synagogen. Door het Duitse volk wordt….de macht van de joden op economisch gebied definitief gebroken en daarmee de door God gezegende strijd van de Führer voor de volledige bevrijding van ons volk bekroond. Op dit moment moet de stem gehoord worden van de man, die ooit als de Duitse profeet van de 16e eeuw als jodenvriend begon, die gedreven door zijn geweten, gedreven door de ervaringen en de werkelijkheid, de grootste antisemiet van zijn tijd geworden is en zijn volk waarschuwde voor de joden." Het jaar daarvoor was in Neurenberg een herdruk van het boek aangeboden aan Julius Streicher, uitgever van Der Stürmer, die het zelf tot zijn genoegen kwalificeerde als het meest antisemitische geschrift aller tijden. Op 17 december 1941 lieten zeven Lutheraanse kerken een verklaring uitgaan waarin ze instemden met de maatregel om joden een gele ster te laten dragen, "omdat Luther, na zijn bittere ervaringen erop aangedrongen had maatregelen tegen de joden te treffen en ze Duitsland uit te zetten." In 1942 verscheen deze Nederlandse vertaling op instigatie van de NSB-ideoloog Pieter Keuchenius, die in 1940 al zijn ‘magnus opus’ Bloed en Mythe als Levenswet had gepubliceerd.

Pas na 1980 heeft de Lutherse kerk schoorvoetend afstand genomen van Luthers antisemitisme!

Het blijft natuurlijk uitermate wrang dat joden en christenen, en alle andere gelovigen in welk systeem dan ook, zich nooit hebben laten leiden door hun geweten, maar door hun boek, dat ze nog steeds bestuderen omdat ze het niet begrijpen en letterlijk nemen wat figuurlijk bedoeld is en omgekeerd en in dit geval beide groepen zich uitverkoren achten en de waarheid in pacht beweren te hebben.

Onderstaande is ongeveer een derde van het hele boek, een compilatie van de grootste enormiteiten. Maar het moge duidelijk zijn dat wie zoiets uit zijn pen kan krijgen, verder ook niet serieus dient genomen te worden! Zie verder: www.theologe.de/martin_luther_juden.htm



Henri Borel WU WEI. EEN STUDIE, NAAR AANLEIDING VAN LAO TZU’S FILOSOFIE


Inleiding bij deze hertaling


Over Henri Borel:


Henri Borel werd in 1869 geboren in Den Haag. Volgde een opleiding voor tolk Chinees en studeerde dat vervolgens aan de Universiteit van Leiden. Op zijn drieëntwintigste vertrok hij naar China. In die tijd brak de Chinees-Japanse oorlog uit en Borel schreef toen als correspondent brieven naar de Nieuwe Rotterdamse Courant. Daarna vertrok hij als tolk Chinese zaken naar Nederlands Indië. Hij berichtte in zijn rapporten veelal over wantoestanden, corruptie en onrecht, wat hem het ongenoegen van de resident opleverde. In 1896 werd hij in zijn functie overgeplaatst naar Makassar, waar de toestand zich herhaalde. Borel besloot, in 1898, hierop definitief naar Nederland te repatriëren. Intussen was hij begonnen met zijn literaire werk Wu Wei, een filosofische fantasie, geschreven naar aanleiding van de filosofie van Lao Tzu. Deze studie werd later opgenomen in de bundel Wijsheid en schoonheid in China. Het boek werd vertaald in het Duits (drie drukken), in het Frans en in het Engels (4 drukken). Borel beschouwde het later als zijn beste werk en zei: ‘Het is mijn lievelingswerk in zoo hooge mate, dat het mij niet zou kunnen schelen wanneer al mijn andere publicaties werden verbrand mits Wu Wei bleef behouden.’ (Ontleend aan Wikipedia)

Borel was een goede vriend van Frederik van Eeden en in Wu Wei is een echo te horen van De Kleine Johannes.


Over Wu-Wei:


Wu-Wei en Tao zijn begrippen waaraan door diverse wetenschappers allerlei betekenissen zijn toegekend, al naar gelang hun eigen vooroordelen. Borel benadert ze van binnenuit. Hij is een romanticus met een mystieke inslag en komt dus tot heel andere inzichten, die veel overeenkomsten vertonen met westerse mystieke inzichten. Over het Wu-Wei, het Niet-Doen schrijft hij in Noot [5]: ‘het is juist wel actief bezig zijn, maar geen bezig zijn van verkeerde, onnatuurlijke hartstochten en begeerten’, maar ‘de activiteit van de natuurlijke beweging vanuit Tao.’ De analogie met het christendom is: "niet je eigen wil doen, maar Gods wil." En de Boeddha sprak ooit, "alle lijden komt voort uit het willen." Met andere woorden, wie niets meer wil, kent ook geen lijden meer. En wie niets meer wil, volgt de beweging van Tao, de levenstroom, laat zich meedrijven op het leven en leeft nog lang en gelukkig, maar is voor de ‘normalen’ een gevaarlijke gek, een onpraktische dwaas.



Mark Twain WAT IS DE MENS?


Inleiding bij deze vertaling:


Mark Twain, die eigenlijk uitsluitend bekend is als de schrijver van De Lotgevallen van Huckleberry Finn en De Lotgevallen van Tom Sawyer, was daarnaast een vlijmscherpe satiricus en ontpopte zich in de loop van zijn leven tot een zeer sociaal bewogen antikapitalistische, anti-imperialistische, antimilitaristische, antiracistische, antireligieuze en antikolonialistische voorvechter.

Maar zelfs de onschuldige verhalen over Huckleberry Finn en Tom Sawyer werden tijdens zijn leven verbannen uit de jeugdafdelingen van verschillende bibliotheken in de Verenigde Staten en een aantal van zijn antireligieuze stukken is tijdens zijn leven nooit verschenen en zijn na zijn dood lang door zijn nabestaanden ongeschikt voor publicatie beschouwd.


Eigenlijk is Mark Twain een heel ongemakkelijke schrijver, rebels, kritisch en tornend aan alle vanzelfsprekendheden. Onderstaand stuk is daar een sprekend voorbeeld van.

Met een ijzeren logica laat hij meedogenloos zien dat een eigen mening een illusie is, naastenliefde verkapt egoïsme en de vrije wil een hersenspinsel. En er is geen speld tussen te krijgen.


Al die mensen die prat gaan op wat zij hun eigen mening noemen, beseffen niet dat zij alleen maar plagiëren, dat ze zoals Twain stelt zelfs geen microscopisch gedeelte daarvan oorspronkelijk is, dat iedereen alleen maar iedereen napraat, zijn brein voedt met allerlei gedachten en brokstukken van gedachten van anderen, die die weer van anderen hebben, enz., tot in het grijze verleden, en daar een "eigen" mening van vormt. En dan ook nog zeggen dat wij op de schouders staan van reuzen, die dus uiteindelijk ook maar banale na-apers zijn geweest. Alles komt van buitenaf zegt Twain en er is geen enkel argument dat daar tegen pleit. Alle schrijvers, alle wetenschappers, alle deskundigen op welk terrein dan ook, ventileren uitsluitend een mengsel van gedachten van anderen, en verdienen daar ook nog eens hun brood mee. De Keizer heeft geen kleren aan en iedereen wet het en niemand durft het te zeggen. Gedreven door ijdelheid, de behoefte aan brood op de plank, iets willen betekenen, schouderklopjes en status, wordt deze wereld overspoeld en verdrinkt in meningen, en mensen zijn er zelfs trots op dat ze een "eigen mening" hebben, waar ze ook nog schaamteloos voor uitkomen. De waan van de dag, die ze net zo gemakkelijk weer inruilen voor de waan van morgen. Zin geven aan je waan is letterlijk waanzinnig. Meningen zijn een mengsel van geloofsartikelen, maar heeft absoluut niets met weten te maken. God behoede ons voor deskundigen!


En al die mensen die zich inzetten voor anderen, hulpverleners die ook nog zeggen dat ze "er zoveel voor terugkrijgen" ontmaskert Mark Twain als egoïsten, die onder het mom van naastenliefde op de eerste plaats voor zichzelf bezig zijn, die hulpbehoevenden nodig hebben om hun gevoel van eigenwaarde te strelen. Die zich banaal aan het voor-wat-hoort-wat-principe bezondigen en daarmee de hemel willen verdienen. God behoede ons voor hulpverleners!


Tot slot dat merkwaardige hersenspinsel van de Vrije Wil. In "Gödel, Escher, Bach" schrijft Hofstadter: ‘Pas als een mens zichzelf ontworpen heeft en zijn eigen verlangens kiest (alsmede de keuze om zijn eigen verlangens te kiezen enzovoort), mag men beweren dat hij zelf een wil heeft en keuzes kan maken." Twain zou het daar bijna volkomen mee eens zijn. Hij maakt echter de noodsprong om voor Vrije Wil, Vrije Keuze in te vullen en daarna wordt zijn verhaal warrig.


Er is wel meer aan te merken op zijn verhaal. IJzersterk is hij in het analyseren van het hoe, maar als hij het vervolgens gaat hebben over het waarom, draait hij zich herhaaldelijk in allerlei bochten en uiteindelijk vast. Aan het waartoe is hij niet toegekomen.


Als hij het waarom behandelt moet hij zijn toevlucht nemen tot allerlei hulpconstructies en hypothesen, die hij echter niet als zodanig ervaart, maar als waarheden poneert. Hij heeft het over aangeboren aard en temperament, dispositie, aangeboren neigingen en erfelijke eigenschappen, terwijl hij anderzijds stelt dat kinderen als tabula rasa worden geboren. Daarnaast veronderstelt hij een groot aantal in de mens schuilende entiteiten, geest, ziel, innerlijke meester, geweten, en vage begrippen als psychisch, spiritueel, drijfveer, gevoelens, en dergelijke en dan wordt het een heel ingewikkeld schaakspel, als al die spookachtige bewoners hun onnaspeurlijke gang gaan. 



H. G. Wells DE DEUR IN DE MUUR


Inleiding bij deze vertaling:


De Deur in de Muur is een van weemoed doordrenkte parabel, een verhaal vol verlangen naar het verloren kinderparadijs, waar wij allemaal uit verdreven zijn, wat misschien nooit mooier verwoord is dan door Supertramp in hun Logical Song uit 1979:


When I was young, it seemed that life was so wonderful

A miracle, oh it was beautifull, magical

And all the birds in the trees, well they'd be singing so happily

joyfully, playfully, watching me.

But they send me away, to teach me how be sensible

logical, responsible, practical

And they showed me a world, where I could be so

dependable, clinical, intellectual, cynical


En zo werden wij afhankelijk, zakelijk, intellectueel en cynisch, de deugden van een wereld waarin consumeren en presteren het hoogste goed zijn en vermaak, amusement en verdoven met alcohol en drugs vergetelheid brengen, waardoor wij ons geweten ontvluchten en sussen en zo ver mogelijk van de groene deur verwijderd blijven, terwijl de deur dus open staat. Er zijn tegenwoordig heel veel zoekers, die op zoek zijn naar zichzelf zeggen ze dan, maar eigenlijk allemaal op zoek zijn naar de groene deur, de enge poort, waar je alleen maar doorheen kunt als je alles opgegeven hebt, maar dat beseffen ze niet en omdat ze dus niets vinden, zeggen ze dat het niet om het doel gaat, maar om de weg. Ieder mens komt in zijn leven meer dan eens de groene deur tegen, maar verzint net als Lionel Wallace allerlei uitvluchten om het dit keer maar niet te doen, want de wereld trekt.

In het Evangelie van Lucas 14:16-20, staat een analoog verhaal, helaas ingebed in allerlei verwarrende en onjuiste franje, maar de strekking moge duidelijk zijn.


Jezus zei tegen hem: ‘Iemand gaf eens een groot feestmaal. Hij had veel mensen uitgenodigd. Tegen de tijd dat het feestmaal zou beginnen, stuurde hij zijn dienaar om de genodigden te gaan zeggen: Kom, want alles staat klaar. Maar de een na de ander begon zich plotseling te verontschuldigen. Een zei: Ik heb een stuk land gekocht en ik moet het gaan bekijken, wil me dus verontschuldigen. En een ander: Ik heb vijf paar ossen gekocht en ik ga ze nu keuren, wil me dus verontschuldigen. En een derde zei: Ik ben pas getrouwd en kan dus niet komen. De dienaar kwam bij zijn heer terug en bracht hem verslag uit. ……….


En nog steeds worden al die kindertjes stelselmatig uit de betoverde tuin gehaald, door ouders die daar ook uitgehaald zijn, die door hun ouders …enz. tot in het grijze verleden en komen terecht in een tranendal dat voor de echte wereld gehouden wordt.



Gilbert Ryle DE MYTHE VAN DESCARTES


Inleiding bij deze vertaling:


In The Concept of Mind, laat Gilbert Ryle onmiskenbaar zien, dat de Cartesiaanse scheiding van de mens, in een geest en een lichaam, op een denkfout, of zoals hij dat zegt, op een categoriefout berust. Toch is de hele geneeskunde op die scheiding gebaseerd, dus op een denkfout, en dus een vergissing. Als de basis niet klopt volgt daar onherroepelijk uit dat het hele bouwwerk van de geneeskunde op drijfzand berust. Op dat drijfzand rusten twee pijlers, namelijk de pijler van de somatiek en de veelkleurige pijler waar alle disciplines aan hangen, die zich met de zogenaamde psyche bezighouden. Lang geleden heeft de psychosomatiek geprobeerd om te laten zien dat die twee pijlers elkaar beïnvloeden en heeft vruchteloze pogingen ondernomen om daar een brug tussen te slaan. Maar ook dat streven was, heel begrijpelijk, gedoemd om te mislukken, want ook de psychosomatici hebben zich niet gerealiseerd dat de basis ondeugdelijk zou blijven. De enige conclusie die kan worden getrokken is dat, óf het verhaal van Ryle onzin is, óf de hele geneeskunde niet deugt. Oordeel zelf!


‘Er was een mannetje, dat was niet wijs en bouwde zijn huisje op het ijs.’



Johann (John) Most DE GODSPEST


Inleiding bij deze vertaling:


Over Johann Most (1846 Augsburg- 1906 Cincinnati): In 1869 vanwege een opruiende toespraak in Wenen, als woordvoerder van de sociaaldemocratische arbeiderspartij voor het eerst gearresteerd en tot een maand gevangenisstraf veroordeeld, en kort daarop om eenzelfde reden op grond van hoogverraad tot vijf jaar strenge opsluiting, en is daarna wegens zijn onbedwingbare subversieven activiteiten nog vele malen opgepakt en opgesloten. Vertrok in 1878 naar Londen waar hij enthousiast ontvangen werd door de grote groep Duitse ballingen. Werd daar in 1881 gearresteerd omdat hij in een artikel de gelukte aanslag op tsaar Alexander II bejubeld had en veroordeeld tot 18 maanden dwangarbeid. Na het uitzitten van zijn straf vertrok hij naar Amerika, maar ook daar ging hij, als John Most, door met zijn propaganda-activiteiten voor de anarchistische sociaalrevolutionaire partij en werd meerdere malen veroordeeld tot een gevangenisstraf. De eerste uitgave van zijn bekendste strijdschrift, Die Gottespest, dateert van rond 1883 en werd in de daaropvolgende jaren in vele talen vertaald.


Over De Godspest: Most trekt hierin op een vernietigende manier vooral van leer tegen de joods-christelijke God, de persoonlijke God, de man met de grijze baard en een jurk aan, die aanbeden wil worden, het beeld dat onmiskenbaar oprijst uit de Bijbel, de straffende, wraakzuchtige, meedogenloze, de dualistische met twee gezichten, die door het christendom vervolgens op een onnavolgbare manier in drieën is gespleten. Schuimbekkend fileert hij het christendom, schaterlacht om alle tegenstrijdigheden en ziet maar één oplossing.

Het is de kneuterige God die door Nescio minzamer, maar daardoor misschien des te vernietigend geportretteerd is:


Uit Dichtertje: "Jouw God, de God van je baas en van je schoonvader en van je baas z’n boekhouder en van de gérant van de "Nieuwe Karseboom". De God van je tante, die zei, dat je moest groeten als je langs ’t huis van je baas kwam in Delft of Oldenzaal, waar was ’t ook weer, ook al zag je niemand, je kon nooit weten wie ’t zag. Van je tante, die je zuster altijd liet breien. "Een vrouw mag niet stilzitten." De God van al die mensen, die zullen zeggen: "Dat had ik van jou niet gedacht," als je nog eens probeert te leven en die zullen zeggen: "Dat had ik altijd wel gedacht, dat kon niet goed gaan," als je later in ’t werkhuis moet. De God, die niet hebben kan, dat je ’s Zaterdagsmiddags vrij bent, de God van meneer Volmer, hoogleraar in ’t boekhouden en de bedrijfsleer, die vindt, dat je veel te veel naar de lucht kijkt. De God van allen die geen andere keus hebben dan werken of vervelen. De God van Nederland, van heel Nederland, van Surhuisterveen en Spekholzerheide, donateur van de Bond van hoofden van grote gezinnen en van de Vereniging tot opheffing van gevallen vrouwen.

 

Maar het gaat dus niet over Spinoza’s Deus sive Natura, het Numineuze, het Onuitsprekelijke, het Ondenkbare, het Onvoorstelbare, het Onzegbare, het Onbeschrijfelijke, het Onzienbare en uitsluitend Ervaarbare, het Mysterium Tremendum, het Al, dat Iets dat Niets is, de Eerste Beweger, het Ene, waarvan alleen maar gezegd kan worden wat het niet is, dat in niets lijkt op de judeo-christelijke God.



Gould en Pyle CHRONOLOGISCHE TABEL VAN DE BELANGRIJKSTE EPIDEMIEëN IN DE WESTERSE WERELD EN HET MIDDEN OOSTEN


Inleiding bij deze vertaling:


Op zijn sterfbed verzuchtte Louis Pasteur dat het niet de bacil was, maar de voedingsbodem waar het eigenlijk om ging, maar toen was het al te laat. De wetenschap, gevangen in en bevangen door het causaliteitsdenken had de bacil omarmd als "de oorzaak" van de ziekte, wat even absurd is als bellen in kokend water als oorzaak van het koken te beschouwen en dan buiten beschouwing laten dat je zelf het pannetje op het vuur gezet hebt. In 2002 kregen Barry J. Marshall en J. Robin Warren zelfs de Nobelprijs omdat ze met hun helicobacter pylori de "oorzaak" van maagzweren hadden gevonden, terwijl zelfs de leek weet dat je een maagzweer kunt krijgen als je stront met je baas hebt en Selye schreef vijftig jaar geleden al ‘dat chronische emotionele prikkels precies als chronisch infectieuze, traumatische of toxische prikkels tot reproduceerbare functionele stoornissen en organische laesies, bij voorbeeld hypertensie of een ulcus, kunnen leiden.’ En hij toonde dat ook nog aan door ratten vast te binden en vervolgens te pesten, wat toch heel erg lijkt op de kantoorsituatie met een baas en een onderdaan.


De internist-neuroloog Victor von Weizsacker schreef zestig jaar geleden in zijn ketterse, dus vergeten, boek "De Zieke Mens":


"De wetenschap en het gevoel van het eenvoudige volk zijn met elkaar in tegenspraak. Het geloof dat zorg, opwinding en tenslotte ook ergernis en onaangenaamheden een mens ziek kunnen maken, is zeer verbreid. Waarom eigenlijk niet? Alleen in het wetenschappelijk gilde is het zo gelegen, dat de "psychogenie" van een angina, een pneumonie, een attaque of een diabetes als dubieus en onwaarschijnlijk wordt beschouwd, en dat het sensatie verwekt wanneer een wetenschappelijk onderzoeker dit poneert. Het lijdt echter geen twijfel, dat omgekeerd bij het "eenvoudige volk", bij de niet-geletterden, de door de wetenschap gesteunde bewering dat deze ziekten zuiver lichamelijk, door bacillen, klieren etc. ontstaan, gretig aftrek vindt. In de niet-gestudeerde mens zijn vele tendenties aanwezig of te wekken, om het denkbeeld dat ziekten psychische oorzaken hebben, terstond te laten vallen en zich daarentegen vast te klampen aan de louter-lichamelijke theorie, bij voorkeur precies zo als die door de wetenschappelijke medici wordt ten beste gegeven. Deze verhouding behoeft niet te allen tijde zo te zijn. Maar tegenwoordig is het nog meestal zo. De hedendaagse medische wetenschap, die hoofdzakelijk bepaald wordt door de natuurwetenschappen der 19de eeuw, staat sceptisch tegenover de psychogenie van organische veranderingen. Het is ook mogelijk dat de somatische leer zoveel succes heeft bij de leek juist omdat ze in tegenspraak is met de naïeve mening van het volk: men kan immers alleen maar dichter bij de hogere waarheid komen, als men zijn eerste onontwikkelde mening opgeeft."


Er is niets veranderd. Het causaliteitsdenken lijkt onuitroeibaar en zoals von Weiszacker ook schreef: "wanneer men namelijk de zin niet vindt, vindt men een oorzaak." Dat ziekten een zin zouden kunnen hebben, een waartoe, ergens naar zouden kunnen verwijzen, is een taboe, onwetenschappelijk, mag niet waar zijn, dus is niet waar en betekent vloeken in de kerk van de wetenschap. Wetenschap is per definitie gebonden aan een kokerblik, een paradigma, waardoor verbanden zien onmogelijk wordt. Daarnaast bestaat in een wereld waar het draait om "zoek de verschillen" geen mogelijkheid meer om dingen te vergelijken. Je kun geen appels met peren vergelijken, zeggen ze dan, zich blind starend op de verschillen. Natuurlijk kun je appels met peren vergelijken als je beseft dat het allebei voedsel is, zoals je christendom en islam ook met elkaar kunt vergelijken, omdat zij allebei mensen dom houden, en het Imperium Romanum met het Imperium Americanum, omdat beiden de wereldheerschappij uitoefenen en iedereen weet waar dat uiteindelijk op uitdraait


Epidemieën hebben een geschikte voedingsbodem nodig, ontregelde, angstige, wanhopige, depressieve, boze, uitzichtloze, ontredderde, afhankelijke, mensen bij wie dus, zoals de psycho-neuro-immunologie laat zien, de afweer verminderd is. En dan komen de virologen die, gevangen in het dwangbuis van hun reductionalistische, rationalistische en causaliteitsdenken, door het sleutelgat naar de wereld gluren en met hun paniekverhalen angst zaaien. Die alles over virussen weten, maar niets over mensen, die profeteren, de toekomst voorspellen, en daardoor mensen alleen maar banger maken en daardoor afbreuk doen aan hun afweer en zodoende een self-fullfilling profecy creëren. Het fascinerende van de vaccinatie is natuurlijk dat mensen dan niet meer bang zijn en dus niet ziek worden, maar dat wil dus zeggen dat je ze net zogoed met fysiologisch zout kunt inenten. Hou mensen dom, afhankelijk, maak ze bang, laat ze zelf niet denken, laat ze geloven in autoriteiten en deskundigen, dat ze gelukkig zijn en in de best denkbare wereld leven, geef ze brood en spelen en verdeel en heers.


De epidemieën van weleer zijn verdwenen, uitgeroeid, de kop ingedrukt en nog slechts te vinden in de literatuur. De geneeskunde heeft de "ziekteverwekkers" ontdekt, geïsoleerd, tegengiften bedacht, "geneesmiddelen" en therapieën. De voedingsbodems zijn onveranderd gebleven. En zoals je bij een fietsband, die te hard is opgepompt, uitbochtingen krijgt, die je kunt oplappen en versterken, maar er vergif op kunt innemen dat er op andere plekken andere bulten zullen optreden, zo heeft het uitroeien van de oude epidemieën, geleid tot nieuwe epidemieën. Zoals de oude epidemieën geen oorzaak maar een betekenis hadden, hebben de nieuwe dat evenzeer. Waren de oude uitbundig, extravert, snel en dodelijk, de nieuwe zijn verborgen, introvert, sluipend en even dodelijk. De geneeskunde die zichzelf heeft uitgeroepen en is binnengehaald als de nieuwe heilbrenger, compleet met nieuwe hogepriesters, dogma’s, regels, geboden en verboden, die het laatste antwoord nog niet heeft gevonden, maar doorlopend nieuwe theorieën, doorbraken, oorzaken en beloften ventileert, op weg naar uiteindelijk heil, heeft een rampzalige invloed. Aids wijten aan het HIV-virus, terwijl iedereen weet dat promiscue gedrag de voedingsbodem levert, getuigt van een kokerblik. De "oorzaak" van Aids is het HIV-virus, maar de betekenis is dat promiscue gedrag, niet verenigbaar is met eerlijkheid en rechtvaardigheid. Het verwijst dus naar het belang van een mentaliteitsverandering en daar dragen condooms echt niet toe bij. En dat geldt voor alle "ziekten,"symptomen van ontregelde levens. Gelukkige mensen worden niet ziek.


De hele geschiedenis door zovaak gewaarschuwd, nooit iets geleerd. 


"Almachtige God, verlos ons van de wetenschappen en de verderfelijke kunsten van onze vaderen en geef ons de onwetendheid, onschuld en armoede terug", verzucht Rousseau en "Wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart", zegt Prediker.



Howard Fast DE EERSTE MENSEN


Inleiding bij deze vertaling:


Over Howard Fast


Howard Fast (1914-2003) werd in 1914 te New York geboren als zoon van arme joodse immigranten. Zijn moeder kwam uit Engeland en zijn vader, die Fastovsky heette, maar die naam afkortte tot Fast, uit de Oekraïne. Zijn jeugd was een aaneenschakeling van misère. Toen hij 9 was overleed zijn moeder en raakte zijn vader werkloos. In 1930 verliet hij New York weg en trok liftend en per trein het hele land door om werk te zoeken. Op zijn achttiende schreef hij zijn eerst romans, Two Valleys. Tijdens de oorlog schreef hij voor The Voice of America. In 1943 werd hij lid van de communistische partij en in 1950 werd hij gedaagd voor de commissie van on-amerikaanse activiteiten. Omdat hij weigerde de namen te geven van mensen die bijgedragen hadden (waaronder Eleanor Roosevelt) aan een fonds voor wezen van Amerikaanse veteranen uit de Spaanse Burgeroorlog, ging hij voor drie maanden de gevangenis in. Daar begon hij met het schrijven van zijn beroemdste boek Spartacus. Omdat hij door de grotere uitgeverijen op de zwarte lijst was geplaatst, was Fast gedwongen het zelf uit te geven. Het werd meteen een bestseller en beleefde zeven drukken in de eerste vier maanden. In 1953 kreeg hij nog de Stalin Vredesprijs, maar een paar jaar later brak hij met de partij. Hij was zijn leven lang zeer sociaal bewogen, koos altijd partij voor de underdog, gaf de machtelozen een stem, en schreef met weemoed over alle mislukte revoluties en revolutionairen.


Over dit verhaal


Howard Fast koos dus partij voor de underdog en dat doet hij ook in dit verhaal, waarin hij het opneemt voor wat altijd de grootste groep mensen is geweest naar wie nooit geluisterd is en nog steeds niet wordt geluisterd, de kinderen, in wie hij de ware mens ziet.

Het verhaal gaat dat Diogenes van Sinope (404-323 v.C.) ooit op klaarlichte dag in Athene met een brandende lantaarn op het marktplein liep en toen ze hem vroegen waarom hij dat deed, was zijn antwoord dat hij op zoek was naar een mens. Maar hij zag geen mensen, maar alleen mensen die zich verborgen achter hun identiteit, die ze als een burka om zich heen droegen en waarachter zich verscholen, als robots druk doende met het afwerken van hun programma, dat ze werken, zich vermaken of uitrusten noemen. Hij zag mannen en vrouwen, slaven, handelaars en al die andere toneelspelers, die zich identificeren met de rol die ze spelen en denken dat ze dat zijn, maar hij zag geen enkel mens. Dat heeft Fast ook ervaren, ook hij zag dat volwassenen met hun geblokkeerde brein slechts schaduwen van de werkelijkheid zien, met een kokerblik kijken en van hun eigen leven en de wereld een puinhoop maken, een omgekeerde wereld, waarin ze het gevoel hebben dat ze allemaal eilandjes zijn, met een vage herinnering dat dat eigenlijk niet zo is. En al die eilandjes, die zichzelf niet kennen en de wereld niet begrijpen, communiceren ongelooflijk onbeholpen met elkaar door middel van het laten trillen van de lucht, wat ze taal noemen, dat door de ene black box overgeseind wordt naar de andere black box en alleen maar tot misverstanden leidt. "De wereld is zonder taal. Wie haar begrijpt, zal ook taalloos worden," schreef Gustav Landauer. Het enige wat kinderen van volwassenen kunnen leren is hoe het niet moet.

Fast heeft begrepen dat echte mensen levensgevaarlijk zijn voor een wereld van toneelspelers, die hun morbide spel niet willen laten verstoren. Maar Fast is niet radicaal genoeg, bezondigt zich aan dezelfde fout van alle utopisten die in een boze buitenwereld een ideale enclave willen realiseren. Hij ontkent dat volwassenen zich van alle bagage, van hun aangenomen identiteit kunnen ontdoen, begrijpt niet dat kennis onverenigbaar is met wijsheid, cultuur met natuur en dat het de wetenschappen zijn die juist alleen maar met een kokerblik bedreven kunnen worden. De ware mens is het kleine kind, de homo ludens. Zo ge niet wordt gelijk de kinderen, zult ge niet weer mens worden en dit tranendal niet weer kunnen verlaten ten gevolge van en met uw identiteit, uw masker waar u zich dan uw hele leven achter verscholen en met u meegetorst hebt. Misschien wel heel belangrijk geweest in deze wereld, maar nooit mens geweest. Is dat eigenlijk niet vreselijk tragisch?



Taoistische Leringen HET BOEK VAN LIEH TZU


Inleiding bij deze vertaling:


Van die andere Taoïst, Chuang Tzu is de uitspraak:


De wereld denkt, dat de beste verklaring van Tao in boeken is te vinden. Maar boeken zijn slechts een verzameling van woorden. Woorden hebben iets kostbaars in zich; dat is de gedachte, die zij dragen. Maar die gedachte is het gevolg van iets anders, en juist dat andere kan niet in woorden worden uitgedrukt. Wanneer de wereld om de waarde, die zij aan woorden hecht, die overbrengt op boeken, kan zij waarderen, wat geen waardering verdient; want wat zij waardeert is niet de werkelijke waarde.


Het gaat dus niet om de woorden, het gaat niet om de vertaling, het gaat niet om de vertaling van de vertaling, maar het gaat erom wat de schrijver, de wijze of de mysticus duidelijk wil maken. De tragiek is echter dat mensen boeken en teksten gebruiken om hun ‘eigen gelijk’, hun ‘eigen wereldbeeld’ te bevestigen en dus lezen wat ze willen lezen en zien wat ze willen zien.


William Kingdon Clifford schreef in 1879:


Als iemand, die een mening aanhangt die hem gedurende zijn jeugd is onderwezen of waartoe hij later is overgehaald, elke twijfel die in zijn hoofd opkomt onderdrukt en wegduwt, doelbewust vermijdt boeken te lezen en mensen te spreken die die mening in twijfel trekken of ter discussie stellen, en vragen die niet gesteld kunnen worden zonder die mening te verstoren als ongepast beschouwt, dan is dat leven van die man één grote zonde tegen de mensheid.

 

De Taoïstische geschriften zijn ongemakkelijke geschriften die ons een wereldbeeld en –visie schetsen die haaks staan op het wereldbeeld dat wij in de loop van de eeuwen hebben geconstrueerd en ons eigen hebben moeten maken om het spel mee te kunnen spelen. Giles schrijft dat het gebod van Lao Tzu, in één zin samengebald, luidt: Volg de Natuur, maar wij hebben geleerd dat de mens geen natuur heeft of zoals Kierkegaard dat ooit zei: De mens heeft geen natuur, de mens heeft een verleden, of met andere woorden: de mens heeft geen natuur, de mens heeft een karakter.

In wezen is het voor ons veel moeilijker dan voor de Ouden om ons los te maken van het heersende denken, met name omdat de waan van de evolutietheorie, die een van de hoofdpijlers is van deze maatschappij, zó massaal onze breinen heeft vergiftigd en verduisterd en zozeer een vereiste is om mee te kunnen doen met het bizarre spel, dat het doorzien van die waan, je buiten deze maatschappij plaatst. En toch zal dat moeten als je wijs wil worden.


In zijn inleiding schrijft Lionel Giles dat het werk van Lieh Tzu door de handen van vele redacteuren is gegaan en talrijke toevoegingen heeft gekregen en hij geeft daar meteen de zwakte mee aan, niet alleen van de Lieh Tzu, maar ook van alle geschriften die ons zijn overgeleverd. Dat geldt dus ook voor alle andere zogenaamde ‘Heilige Boeken’ of dat nou Zarathoestra’s Yasna’s, de Veda’s, Boeddha’s Dhammapada, de christelijke geschriften of de Koran is. Wij kunnen tegenwoordig dus niet goed meer uitmaken wat oorspronkelijk is en wat er in de loop van de tijd aan is veranderd of aan is toegevoegd, maar ook uit is weggelaten. Giles geeft daar zelf een navrant voorbeeld van door zijn eigen selectie toe te passen, waarbij in het oog springt dat hij nogal is geporteerd van Confucius en Mo Tzu, die uitgesproken hielenlikkers van de machthebbers waren, zoals het geperverteerde christendom dat bij ons is geweest en nog steeds is. Hij laat niet alleen heel selectief passages uit de Lieh Tzu achterwege, waarin Confucius bijvoorbeeld voor de postbode van de dwaasheid wordt uitgemaakt, maar het bepaalt ook zijn geringschattende opmerkingen over Chuang Tzu, die hij onder andere te scherp vindt. Hij vermeldt expliciet dat in de Lieh Tzu Confucius met veel meer respect wordt bejegend. Zowel Confucius als het christendom hebben de Gulden Regel, wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet consequent omgedraaid en zijn daardoor handhavers en verdedigers van de status quo geworden. Het is namelijk zaak voor hulpverleners, goede doelen, armoedebestrijders, charitas, gezondheidszorg, UNICEF, en al die andere instanties die zich ongetwijfeld met goede bedoelingen op alle slachtoffers van onze manier van leven werpen, dat er afhankelijke, onzelfstandige, arme, hulpvragende medemensen bestaan en blijven bestaan. Ook zij lijden aan de omgekeerde wereld, want zij hebben het maxime verbeter de wereld, begin bij jezelf, omgedraaid en denken dat ze zichzelf kunnen verbeteren door bij de wereld te beginnen. ‘Het is zo’n dankbaar werk,’ zeggen ze dan, ‘het geeft zoveel voldoening’, waarmee ze tegelijkertijd zeggen dat ze het eigenlijk voor zichzelf doen en via hun goede werken denken hun hemel te kunnen verdienen.

Toch staan in de Lieh Tzu nog steeds passages die blijk geven van het in wezen revolutionaire karakter van het Taoïsme. Mensen die zich afhankelijk opstellen en hulp accepteren worden vergeleken met de klasse van honden en zwijnen, terwijl helaas in een andere passage staat wie wijs is stelt zijn vertrouwen in anderen, maar dat zal wel weer een latere toevoeging zijn. Wijzen, of gewoon mensen die wijs zijn en hun gezond verstand gebruiken, worden merkwaardig genoeg voorgesteld als witte raven, die uiterst zelden aan het licht treden, terwijl in wezen alle kleine kinderen daar een prachtig voorbeeld van zijn. Maar er rust in deze wereld, die doodziek van kennis is, een immens taboe op wijsheid, want kennis en wijsheid zijn overenigbaar. Zoals Lao Tzu al zei: Geleerden zijn niet wijs, en wijzen zijn niet geleerd. Want hoe de wereld eruit zou zien als alle mensen wijs zouden zijn dichtte Dirk Rafaelsz. Camphuysen zo mooi:


Ach waren alle menschen wijs

En wilden daerbij wel!

De Aerd'waer haer een Paradijs;

Nu isse meest een Hel.


Voor de lezer is het dus zaak om zelf te proberen uit te maken wat echt en onecht is, en dat is niet eenvoudig.



Leo Tolstoj EEN BRIEF AAN DE CANADESE DOECHOBOREN


Inleiding bij deze vertaling:


De Doechoboren zijn een religieuze groepering van Russische oorsprong. Ze duiken voor het eerst op in de 18e eeuw, maar mogelijk ligt hun oorsprong in de 16e of 17e eeuw. Ze praktiseerden een oerchristendom, met gemeenschap van goederen, afwijzen van de staat, wezen grondbezit af, predikten geweldloosheid, de andere wang toekeren, waren vegetarisch en antimilitaristisch, geloofden dat God in ieder mens aanwezig was, vonden kerk en rituelen volstrekt overbodig en beschouwden Jezus als niet meer dan het beeld van de volmaakte mens, die nagevolgd diende te worden. Ze noemden zichzelf "Gods Volk" en de naam Doukhobortsi werd voor het eerst gebruikt door Ambrosius, aartsbisschop van Jekaterinoslav. Ambrosius beschouwde ze als ketters en het betekent Strijders tegen de Geest, maar zelf beschouwden ze het als een geuzennaam, omdat het ook Strijders vóór de Geest betekent. Door kerk en staat werden ze zoals te begrijpen valt fel vervolgd en telkens weer naar andere streken verbannen. In 1897 gaf de Russische regering hen toestemming het land te verlaten op voorwaarde dat ze 1) nooit meer zouden terugkeren 2) op eigen kosten zouden vertrekken 3) hun in gevangenschap in Siberië zittende leiders eerst hun straf moesten uitzitten, voordat ze mochten vertrekken.

Met bemiddeling van onder andere Leo Tolstoj, diens vriend en vertaler Aylmer Maude en Peter Kropotkin, vertrokken 7300 Doechoboren naar Canada en daar lieten ze geleidelijk hun idealen en sobere levenswijze varen en resten er tegenwoordig nog slechts vage herinneringen aan. Dat was de reden van onderstaande brief. Zie verder A Peculiar People The Doukhobors door Aylmer Maude.



H. G. Wells MENSEN ALS GODEN


Inleiding bij deze vertaling:


H. G Wells, 1866-1946, is vooral bekend als science-fictionschrijver, met name door The War of the Worlds en The Time Machine. Maar daarnaast was hij een profetische romanticus, die hunkerde naar een andere wereld, een Utopia, een wereld van vrijheid, gelijkheid en broederschap. In dit verhaal geeft hij enerzijds een vernietigende beschrijving van de wereld waarin hij leeft, van de rare grote mensenwereld waar hij deel van uit maakt, en anderzijds zijn beeld van het Utopia waar hij naar verlangt en hoe hij zich voorstelt dat het verwezenlijkt kan worden. Maar hij was een kind van zijn tijd, en dacht kritiekloos, zoals velen — en helaas velen nog steeds denken —, dat de grote heilbrenger, de wetenschap, dat uiteindelijk zou verwerkelijken. Paul Feyerabend schrijft in Against Method daar het volgende over: "Zelfs dappere revolutionaire denkers buigen voor het oordeel van de wetenschap. Kropotkin wilde alle bestaande instellingen vernietigen – maar hij raakt de wetenschap niet aan. Ibsen gaat heel ver in het ontmaskeren van de toestand van het hedendaagse mensdom – maar hij blijft vasthouden aan de wetenschap als maat voor de waarheid. Evans-Pritchard, Lévi-Strauss en anderen hebben onderkend dat het ‘Westerse denken,’ dat allesbehalve een eenzame hoogte in de menselijke ontwikkeling is, last heeft van problemen die in andere ideologieën niet worden aangetroffen – maar zij sluiten de wetenschap uit van hun relativering van alle denkvormen. Zelfs voor hen is wetenschap een neutrale structuur, die positieve kennis bevat, die onafhankelijk is van cultuur, ideologie en vooroordeel."

Wells ziet zijn Utopia enerzijds zoals de cultureel antropoloog, door zijn culturele vertekenende bril een primitief volk bekijkt, of die rare volwassenen de wereld van de kleine kinderen en anderzijds als het verloren paradijs. "Kon ik hier maar altijd blijven," laat hij Dhr. Barnstaple zeggen. Met andere woorden, kon ik maar altijd kind blijven.

In een wereld van vrijheid, gelijkheid en broederschap, zijn er nog steeds wat de wetenschap ziektekiemen noemt, maar ze vinden geen voedingsbodem meer. Daar is geen bevolkingspolitiek nodig, omdat tevreden mensen geen bevrediging meer nodig hebben, laat staan kinderen die hen gelukkig moeten maken. Daar is wel sprake van het Natuurevenwicht en is de Natuur niet de kwade feeks, maar Moeder Natuur. Daar lopen mensen inderdaad naakt, omdat ze zich niet schamen, daar is geen onderwijs nodig om dezelfde reden waarom een konijn ook niet naar school hoeft, daar is geen kunst, omdat het woord het al zegt dat het onnatuurlijk is, daar zijn de mensen taalloos omdat ze geen macht over elkaar uitoefenen en geen mening hebben, dus geen onenigheden. Daar hoeft de Natuur niet overwonnen en beheerst worden, omdat de mensen daar niet tegenover, maar in de natuur leven. Dus de weg er naartoe, hoeft geen generaties te duren, maar het enige vereiste is een bewustzijnsverandering, een leeg hoofd, een onbevangen blik. "Want zie het Koninkrijk is bij u."

Nog een aardig detail: Voor Dhr. Rupert Catskill heeft Winston Churchill model gestaan. Hij was een van de mensen die in 1915 de Slag bij Gallipoli beraamd heeft, waarbij aan de geallieerde kant 220.000 soldaten sneuvelden, van de in totaal meer dan een half miljoen slachtoffers.



Michael Hollingshead DE MAN DIE DE WERELD IN GANG ZETTE


Inleiding bij deze vertaling:


Met Michael Hollingshead begon de opmars van LSD en in dit boek beschrijft hij hoe dat allemaal in zijn werk ging. Het begint als een enthousiast verhaal over mensen die het gevoel hadden dat ze de Steen der Wijzen hadden ontdekt, die geloofden dat ze de wereld zouden veranderen, dat het allemaal anders zou worden, dat een Nieuwe Tijd was aangebroken en dat de uilen van Minerva zouden uitvliegen. Hollingshead is de kritische toeschouwer en ziet hoe de theoretici, vooral Timothy Leary en Alan Watts, van de boodschap een esoterisch, uiterst ingewikkeld verhaal maken. En dan zie je hoe het enthousiasme wegebt, de psychedelische ervaring een doel op zich wordt, de voorlopers in elke valkuil stappen die je maar kunt bedenken, knullig, kortzichtig en onbeholpen en hoe ze langzaam maar zeker hun geesteskind om zeep helpen. Het is een onthullend, maar eigenlijk ook tragisch voorbeeld van de tovenaarsleerling die de toverspreuk heeft ontdekt, maar niet weet wat hij daarmee moet.



Max Stirner DE ENIGE EN ZIJN EIGENDOM


Inleiding bij deze vertaling:


In 1844 publiceerde Johann Caspar Schmidt, door zijn vrienden vanwege zijn hoge voorhoofd "Stirner" genoemd, Der Einzige und sein Eigentum, wat uiteindelijk het meest radicale boek van de 19e eeuw bleek, met alle consequenties van dien. Stirner bewoog zich in de kringen van de Links- of Jong-Hegelianen, waaronder Karl Marx, Bruno Bauer, Arnold Ruge, David Strauss en Ludwig Feuerbach. Karl Marx beschrijft het verschil van standpunt tussen de Rechts- en Links-Hegelianen als volgt: "De oud-hegelianen hadden alles begrepen, zodra het tot een hegeliaanse logische categorie was herleid. De jong-hegelianen kritiseerden allen door aan alles godsdienstige voorstellingen toe te dichten of het als theologisch te bestempelen. Wat de jong-hegelianen met de oud-hegelianen gemeen hebben, is hun geloof aan de heerschappij van de godsdienst, de begrippen, het algemene in de bestaande wereld. Alleen bestrijden de eersten deze heerschappij als usurpatie, terwijl de anderen haar juist verheerlijken als legitiem." (in "Die Deutsche Ideologie")


Stirner hoorde dat theoretische geouwehoer van die elitaire systeemdenkers en theoretische revolutionairen aan en schreef daarop zijn boek, waarin hij laat zien dat alle revolutionaire pogingen tot wereldverbetering, alle revoluties, onherroepelijk gedoemd zijn te mislukken en de Links-Hegelianen beschouwden dat terecht als een frontale aanval op hun systeem. De aangevallen Feuerbach — in een brief noemde hij Stirner de "meest vrije en geniale schrijver die ik heb leren kennen" — schreef een verdedigingsgeschrift. Stirners soevereine repliek bracht de jonge aanhanger van Feuerbach, Karl Marx, in een situatie die men met recht als zijn "initiële crisis" kan aanduiden. Hij maakte zich van Feuerbach los, sloot zich echter niet bij Stirner aan, maar schreef koortsachtig — door de Enige zin voor zin af te werken — een furieuze "anti-Stirner". In dit proces concipieerde hij zijn originele idee van het "historisch materialisme", het kader dat hij zijn leven lang met economische studies probeerde in te vullen. Maar Marx was wel bang, dat het hem met zijn "anti-Stirner" net zou kunnen vergaan als Feuerbach en liet het manuscript ongedrukt. Het hele systeem van Marx is dus gewoon gebaseerd op een zich afzetten van Stirner en in Die Deutsche Ideologie ruimt hij 65 pagina’s in, De Anti-Stirner, om Stirner belachelijk te maken. Hij noemt hem daarin consequent denigrerend Sankt Max, gaat nauwelijks inhoudelijk in op het boek en doet verwoede pogingen om Stirner op woorden te pakken. Het is de tot nu toe onverzoenlijke strijd geweest tussen de "Yogi en de Commissaris" zoals Arthur Koestler dat beschrijft. De Yogi die zegt dat de wereld verandert als de mens verandert en de commissaris die beweert dat als de wereld verandert de mens verandert. En tot nu toe hebben de Commissarissen, de systeemdenkers, de wereldverbeteraars, degenen die over lijken gaan om een betere wereld te creëren, het nog altijd gewonnen.


Het werk van Friedrich Nietzsche is pas te begrijpen in het licht van Der Einzige, omdat dan blijkt dat Nietzsche niet meer dan een banale plagiator van Stirner is, die al zijn ideeën aan Der Einzige heeft ontleend en dat vervolgens slechts met zijn hysterische coloriet heeft overgoten. Nietzsche die in zijn werken honderden andere schrijvers noemt en citeert, zwijgt zorgvuldig over het feit dat hij Der Einzige heeft gelezen. Alleen de vrouw van Franz Overbeck, een vriend van Nietzsche, Ida herinnerde zich in 1899, dat zij rond twintig jaar daarvoor een gesprek met Nietzsche had gehad, in het verloop waarvan hem de woorden waren ontglipt, dat hij zich geestelijk verwant voelde aan Stirner. "Daarbij ging een plechtige trek over zijn gezicht. Terwijl ik met spanning naar zijn trekken keek, veranderden deze weer, hij maakte iets van een wegwuivende, afwerende beweging met zijn hand en zei fluisterend: "Nu heb ik het u toch gezegd en ik wilde er niet over praten. Vergeet u het weer. Men zal van plagiaat spreken, maar u zult dat niet doen, dat weet ik."


Nietzsche heeft van "Der Mensch" van Stirner, "Der Übermensch" gemaakt en het is duidelijk hoe die aberratie van de tovenaarsleerling Nietzsche, via Heidegger geleid heeft tot Hitlers Herrenvolk. Verder moge duidelijk zijn hoe noodlottig het afzetten van Karl Marx tegen Stirner is geweest.


Hoewel hij kritiek op Stirner heeft, is Albert Camus een van de weinigen geweest, die in zijn "L’Homme Révolté" heeft begrepen wat Stirner eigenlijk bedoelde, hoewel noch hij, noch Stirner zelf, duidelijk begrepen wat de uiteindelijke consequenties van het weer-mens-worden zouden zijn, als dat massaal zou gebeuren. Maar voor beiden was het ontegenzeggelijk duidelijk dat welke revolutie dan ook, helemaal niets zou oplossen omdat bij revoluties alleen maar de bordjes verhangen en knechten meesters en meesters knecht worden.


Der Einzige, L’Homme Révolté, de voorbijganger uit het Thomasevangelie, Marsmans jongeling die groots en meeslepend wil leven, Lao Tzu’s wijze, verwijzen allemaal naar de weg om weer de oorspronkelijke mens te worden, de unieke, der Einzige, die zich losbreekt uit de ketens waarin hij zich vastgehouden voelt:


Ik leef gekerkerd: ik aanvaard het niet,

sleep rinkelend de ketens langs de muren

om nog als tranen door mijn dromen schuren

Orpheus te zijn in een meeslepend lied. (Quevedo)


In opstand komen, zoals Stirner dat bedoelt, is niet meer meedoen, je niet meer laten beïnvloeden, niet meer achter leiders aanlopen, niet meer geloven in de holle praatjes van wetenschappers en deskundigen, je ontdoen van alles waardoor je tot een kritiekloze consument bent geworden, je losmaken uit de ketenen van afhankelijkheid, je bevrijden van alle denkbeelden die je je zogenaamd "eigen" hebt gemaakt, van alle loze tradities, van alle gehechtheden aan bezit. Zoals Emil Cioran dat zo prachtig verwoordt:


"Laten wij, na de belachelijke kanten van utopieën aan de kaak gesteld te hebben, op hun verdiensten overstappen en laten wij, gezien het feit dat de mensen zich zo makkelijk in de maatschappelijke toestand schikken en het immanente kwaad ervan nauwelijks zien, hun voorbeeld volgen en in hun onbedachtzaamheid delen. De utopieën kunnen nooit genoeg geprezen worden voor het aan de kaak stellen van de kwalijke gevolgen van bezit, van de gruwel die het inhoudt en de rampen waarvan het de oorzaak is. De bezitter, klein of groot, is in essentie bezoedeld en corrupt: zijn verdorvenheid straalt af op ieder voorwerp dat hij aanraakt of zich toe-eigent. Wanneer zijn ‘fortuin’ bedreigd wordt of men hem ervan berooft, wordt hij gedwongen tot een bewustwordingsproces waartoe hij normaal gesproken nauwelijks in staat is. Om weer een menselijk voorkomen te krijgen, om zijn ‘ziel’ te herwinnen, moet hij geruïneerd raken en met het verlies van zijn vermogen instemmen. De revolutie zal hem daarbij helpen. Door hem zijn oorspronkelijke naaktheid terug te geven, vernietigt zij hem op de korte termijn, maar redt hem in absolute zin, want zij bevrijdt, innerlijk wel te verstaan, juist diegenen die als eerste door haar getroffen worden: de bezitters; zij reclasseert hen, geeft hun hun vroegere dimensie terug en voert hen terug naar de waarden die ze verraden hebben. Maar zelfs voordat zij in staat is of de kans krijgt hen te treffen, houdt zij een heilzame angst bij hen in stand: zij verstoort hun slaap en geeft voedsel aan hun nachtmerries, en nachtmerries zijn het begin van metafysisch ontwaken. De revolutie blijkt dus als destructieve kracht nuttig te zijn; ook al zou zij rampzalig zijn, dan zou één ding haar altijd rehabiliteren: alleen zij weet wat voor terreur je moet gebruiken om die wereld van bezitters, de afgrijselijkste van alle mogelijke werelden, door elkaar te schudden. Iedere vorm van bezit, laten we niet bang zijn dat te benadrukken, onteert en verlaagt, en vleit het monster dat in ieder van ons sluimert. Over al is het maar zo iets als een bezem beschikken, wat dan ook als jouw bezit beschouwen, betekent deel hebben aan de algemene onwaardigheid. Met wat een trots ontdek je dat niets je toebehoort, wat een openbaring Je beschouwde jezelf als de minste van alle mensen, en plotseling, verrast en als het ware verlicht door je armoede, lijd je er niet meer onder; integendeel, je bent er trots op. En het enige wat je nog wenst, is even berooid te zijn als een heilige of een krankzinnige."( uit: Geschiedenis en Utopie, Arbeiderspers 2002, ISBN 90 295 0973 2)


Laten we eindigen met een Litanie van die Einzigen, de eenlingen, de voorbijgangers en met name van de kinderen:


LITANIE voor alle grote mensen


die denken dat ze iets anders moeten en kunnen worden dan mens, heb mededogen met hen

die zo hun best doen om aardig gevonden te worden, heb mededogen met hen

die denken dat ze zijn wat ze denken, heb mededogen met hen

die denken dat zichzelf zijn betekent je identificeren met de rol die je speelt

die geloven dat de kleren de mens maken, heb mededogen met hen

die met drank en drugs hun geweten sussen, heb mededogen met hen

die geloven dat andere mensen, die geloven dat andere mensen etc., weten hoe ze moeten leven, heb mededogen met hen

die een kunstje hebben geleerd waar ze hun brood mee moeten verdienen, heb mededogen met hen

die kritiekloos geloven in de theorieën en andere hersenspinsels van de wetenschappen, heb mededogen met hen

die zich willoos overgeven aan de "hulp"verleners, heb mededogen met hen

die hebben afgeleerd om zelf te kijken en te luisteren, heb mededogen met hen

die geloven dat als hun lichaam maar gezond is, hun geest dat ook zal worden, heb mededogen met hen

die zich moeten ontspannen omdat ze zo gespannen zijn, heb mededogen met hen

die de tijd doden en daarmee de eeuwigheid verkrachten, heb mededogen met hen

die vinden dat ze zich op moeten sieren, omdat ze niet van zichzelf houden, heb mededogen met hen

die pillen slikken om een beter mens te worden, heb mededogen met hen

die leuke dingen moeten doen omdat ze hun manier van leven niet leuk vinden, heb mededogen met hen

die anderen en omstandigheden de schuld geven van hun ongeluk, heb mededogen met hen

die niet weten waarom ze leven en waarom ze dood gaan, heb mededogen met hen

die zich als makke schapen overgeven aan hun dokters, heb mededogen met hen

die hun heden door hun verleden laten bepalen, heb mededogen met hen

die trots zijn als ze het gemaakt hebben in deze maatschappij, heb mededogen met hen

die in de illusie verkeren dat ze uit boeken kunnen leren, hoe ze gelukkig kunnen worden, heb mededogen met hen

die gedwee achter deskundigen, geleerden en leiders aanlopen, heb mededogen met hen

die niet zijn wat ze eigenlijk zijn, heb mededogen met hen

die zichzelf, de wereld en dus de anderen ook niet begrijpen, heb mededogen met hen

die denken dat ze nu eenmaal zo zijn en dus niet kunnen veranderen, heb mededogen met hen

die denken dat ze in de toekomst kunnen kijken, heb mededogen met hen

die zo kortzichtig zijn dat ze in toeval geloven, heb mededogen met hen

die alles willen horen, behalve dat ze zelf medeverantwoordelijk zijn voor hun ongeluk, heb mededogen met hen

die ziende blind en horende doof zijn, heb mededogen met hen

die voor wat hoort wat liefde noemen, heb mededogen met hen

die tot hun god bidden om hen uit hun zelfgecreëerde en in stand gehouden tranendal te verlossen, heb mededogen met hen

die oorlog vrede noemen, slavernij vrijheid en onwetendheid kracht, heb mededogen met hen

die zich koest laten houden met brood en spelen, heb mededogen met hen

die denken dat ze over de ruggen van anderen hun geluk kunnen grijpen, heb mededogen met hen

die schaamteloos hun ijdelheid etaleren, heb mededogen met hen

die niet tevreden zijn met zichzelf, dus nooit tevreden met de anderen, heb mededogen met hen

die zich verschuilen achter hun maskers en dat niet eens meer beseffen, heb mededogen met hen

die zich hedonistisch overgeven aan genot en schijt hebben aan de wereld, heb mededogen met hen

die met hun eigen onvolmaaktheden een oordeel over anderen vellen, heb mededogen met hen

die zichzelf voor de gek houden en zich voor de gek laten houden, heb mededogen met hen

die allemaal vuile handen hebben en ze in onschuld wassen, heb mededogen met hen

die zich afsluiten voor de ellende van hun medemensen, omdat dat in hun kraam niet te pas komt, heb mededogen met hen

die bevrediging in hun werk vinden, heb mededogen met hen

die vinden dat de mensheid vooruitgaat en niet zien dat ze de wereld naar de kloten helpen, heb mededogen met hen

die wijzen met hun vingertje en vergeten naar zichzelf te kijken, heb mededogen met hen

die zich niet realiseren dat voor hun luxe anderen zich afgesloofd hebben, heb mededogen met hen

die hun kinderen aan deze gedrochtelijke maatschappij offeren, heb mededogen met hen

die zeggen dat het nou eenmaal altijd zo geweest is en dus zo zal blijven, heb mededogen met hen

die hun onzekerheid achter hun zekere masker verbergen, heb mededogen met hen

die zich over de ruggen van anderen naar boven werken, heb mededogen met hen

die slaaf zijn van hun hartstochten, verslavingen en willen, heb mededogen met hen

die niet weten waarom ze doen wat ze doen, heb mededogen met hen

die denken dat ze iets anders kunnen zijn dan mens, heb mededogen met hen

die van alles en iedereen afhankelijk zijn en dat vrijheid noemen, heb mededogen met hen

die zich door hun gevulde hoofden en niet door hun geweten laten leiden, heb mededogen met hen

die allemaal hun "eigen" waarheid hebben, heb mededogen met hen

die publiekelijk schaamteloos over hun afwijkingen praten, heb mededogen met hen

die zelf niet horen wat ze zeggen, laat staan wat anderen zeggen, heb mededogen met hen

die de pot verwijten dat de kachel zwart ziet, heb mededogen met hen

die allemaal weten wat normaal is, heb mededogen met hen

die denken dat ze de natuur kunnen verbeteren, heb mededogen met hen

die denken dat hun eigen mening hun eigen mening is, heb mededogen met hen

die eigenmachtig bepalen wat goed en fout is, heb mededogen met hen

die denken dat ze van hun kinderen iets moeten maken, heb mededogen met hen

die zoveel hebben en dus niet kunnen zijn, heb mededogen met hen

die hun recht zoeken in een onrechtvaardige wereld, heb mededogen met hen

die trots zijn op hun verworvenheden, heb mededogen met hen

die blind zijn en zich door blinden laten leiden, heb mededogen met hen


Vergeef het hen want ze weten niet wat ze doen.


Het hoopvolle is dat zo gauw iemand wel beseft wat hij nou eigenlijk doet en daarmee ophoudt, hij een Einzige zal zijn, een unieke, een autonoom en waarachtig mens.



De enige Nederlandse vertaling tot nu was de vertaling van Jaak Lansen, uit 1906, die als fotoreproductie nog steeds verkrijgbaar is bij de uitgeverij Cagliostro. Maar het is een ongelofelijk beroerde vertaling, niet vanwege het taalgebruik, want Stirner is door zijn vele woordspelingen en neologismen niet eenvoudig te vertalen, maar door het feit dat Lansen buitengewoon slordig met de oorspronkelijke tekst is omgegaan. Hij laat zinnen weg, voegt eigenhandig van alles toe, schrijft "wel" als er "niet" staat, en de vraag is of hij er een woordenboek bij geraadpleegd heeft. Deze nieuwe vertaling van de oorspronkelijke Duitse tekst, is in ieder geval betrouwbaar, wellicht geen parel van een vertaling, maar volgt wel Stirners tekst op de voet. Rest mij nog wat te verduidelijken over "Het egoïsme" van Stirner, waarmee hij iets totaal anders bedoelt dan wat er nu voor doorgaat. Zijn egoïsme is wellicht een wat ongelukkig gekozen woord, maar hij bedoelt daar eigenlijk de onafhankelijkheid mee, het je losmaken van de bemoeizucht van anderen, anderen niet lastig vallen, autonoom zijn, iedereen laten zijn zoals die is en dat geldt met name voor de kinderen.


En tot slot, waar het bij Stirner eigenlijk allemaal om draait is dat hij laat zien dat je geen twee dingen tegelijk kunt zijn, niet én jood én mens, niet én christen én mens en je kunt daar verder alles voor invullen, bakker, wetenschapper, marxist, kunstenaar, vader, student, homofiel, moslim, patiënt, Nederlander, of welk ander masker dan ook. Autonoom zijn betekent je ontdaan hebben van de identiteit die je aan anderen ontleend hebt en als bagage met je meetorst, van je tweede natuur, of geaardheid zoals dat tegenwoordig heet.



Georg Büchner DE HESSISCHE LANDBODE


Inleiding bij deze vertaling:


En daar zitten ze dan, de "rijken" en "voornamen" in hun schouwburgen, theaters en muziektempels, royaal gesubsidieerd met belastingpenningen van het volk, en genieten van Büchners toneelstukken en Alban Bergs opera Wozzeck, maar hebben niet in de gaten dat juist zij daarin worden aangeklaagd. In wezen een nogal masochistische bezigheid, ware het niet dat zij zich echt van geen kwaad bewust zijn. Het gaat in hun ogen over heel iets anders en de belangrijkste reden van die verblinding is, dat ze niet kunnen vergelijken, dat ze geen patronen kunnen herkennen, dat ze denken dat het altijd over anderen gaat. Maar zij zijn het die nog steeds een maatschappij in stand houden, die aan de lopende band Wozzecks uitbraakt, zij zijn de Eloi die een onderwereld van Morlocks hebben gecreëerd, zij zijn de

Houyhnhnms die over de ruggen van Yahoos hun eigen elitaire wereldje bevolken, blind voor het onrecht in deze maatschappij. Büchner klaagt hen nog steeds aan.



Plutarchus OVER DE LETTER "E" IN DELPHI


Inleiding bij deze vertaling:


Het is algemeen bekend dat op de tempel in Delphi de inscriptie stond Γνωθι σεαυτον, Ken uzelve, maar vrijwel onbekend is dat daar ooit nog een ander, op zijn minst even belangrijk opschrift te lezen viel, namelijk de letter E, waar eigenlijk alleen Plutarchus een verhandeling over heeft geschreven.

Plutarchus schreef dit boeiende stuk met de titel ‘De E in Delphi,’ in de vorm van een dialoog, waarin hij zichzelf en een aantal andere sprekers opvoert. Het is vermeldenswaard dat Plutarchus een goede persoonlijke vriend was van Clea, de Delphische priesteres in zijn tijd, en dat hij goed op de hoogte en altijd bezig was om meer te weten te komen over de aard en geschiedenis van de orakels, niet alleen in Delphi, maar ook elders. Zijn grootste belangstelling lag echter bij Delphi, omdat hijzelf daar een van de twee priesters van Apollo was. Het belangrijkste onderwerp van de discussie is de letter E, een opvallende inscriptie op het heiligdom in Delphi. 

In zijn inleiding bij de dialoog vermeldt F. C. Babbitt, het volgende: in de verhandeling over de E in Delphi verhaalt Plutarchus ons dat naast de welbekende inscripties in Delphi er ook een afbeelding bestond van de letter E, de vijfde letter van het Griekse alfabet. De Griekse naam voor die letter was EI, en deze tweeklank is, naast het feit dat die in de tijd van Plutarchus werd gebruikt als naam voor de letter E, ook het Griekse woord voor ‘als,’ en bovendien het woord voor de tweede persoon enkelvoud van het werkwoord ‘zijn’ (Gij zijt, jij bent).

De opzet van de verhandeling doet denken aan het boek Job, waarin Job’s drie vrienden met ingenieuze maar rammelende verklaringen komen over de in hun ogen verdiende ellende van Job en uiteindelijke de onbekende jongeling Elihu in een vlammend betoog duidelijk laat zien dat Job zich zijn ellende inderdaad zelf op de hals had gehaald, niet alleen hoe maar ook waarom.

Zo hebben de gespreksgenoten van Plutarchus ongelofelijk gezochte en ongeloofwaardige leuterverhalen – overigens niet veel anders dan die van onze huidige theologen en filosofen - over de betekenis van de letter E en stelt Plutarchus hen in zijn slotverklaring allemaal in de schaduw.

Prof. Jan Hendrik van de Berg geeft in ‘Devoot Humanisme’ (zie onderaan) nog een volstrekt originele verklaring van de inscripties in Delphi, maar betrekt daar niet de letter E in.

Maar de meest voor de hand liggende verklaring is tevens de meest eenvoudige:


Γνωθι σεαυτον > ken jezelf

en E > je bent


Met andere woorden: wie beseft dat hij alleen maar mens is en niets anders kan zijn, die begrijpt dat verleden en toekomst slechts hersenspinsels zijn, die IS. Dan heb je Γνοσις, Gnosis, de ware kennis. In verschillende gnostische geschriften uit de Nag Hammadi-bibliotheek wordt God aangesproken met ‘Degene-die-is’ en ‘Gij die bent.’ En in de Openbaring van Jacobus, zegt Christus tot Jacobus dat hij de band met het vlees dat hem omgeeft moet losmaken en dan zegt hij:


‘Dan zul je Degene-die-is bereiken, en zul je niet langer Jacobus zijn, maar dan ben je Degene-die-is.’ [1]


Zo staat dus in Exodus:


‘Toen sprak God tot Mozes: ‘Ik ben die is.’


Met andere woorden:


Wie is, is als God.


Daarom staat in Psalm 82:6


Gij zijt goden, ja, allen zonen des Allerhoogsten


Paracelsus schreef:


"In staat te zijn datgene te begrijpen wat het lot veroorzaakt, is God begrijpen; en God begrijpen is God zijn, want alleen het gelijke kan het gelijke begrijpen" (m.a.w. Wie zichzelf kent, kent God!)


Maar hoe gevaarlijk dat is laat Meister Eckehart zien:


"Het woord door Augustinus gesproken: "Wat de mens liefheeft dat is de mens", moet op deze wijze worden verstaan: Heeft hij een steen lief, dan is hij een steen; heeft hij een mens lief dan is hij een mens; heeft hij God lief..... en nu durf ik niet verder te spreken, want als ik zeg dat hij dan God is, dan zoudt gij mij kunnen stenigen"


Maar als je een christen-gelovige bent en er dus van overtuigd bent dat je een zondig, onvolmaakt wezen bent, dat slechts geneigd is tot alle kwaad, of een evolutieleer-gelovige, die zichzelf slechts kan zien als een gemankeerde aap, zul je nooit kunnen Zijn. Wat een zelfverloochening, wat een godverloochening, wat een zelfvernedering, wat een tragiek!



Edwin A. Abbott PLATLAND, EEN ROMANCE IN VEEL DIMENSIES


Inleiding bij deze vertaling:


In 1884 schreef een rector van een Londense school, onder pseudoniem, dit kleine beeldschone werkje. Het lijkt een vlijmscherpe, wrange, onthullende maatschappijkritische satire, zeer kunstig verpakt in een zorgvuldig uitgewerkte metafoor, vergelijkbaar met Candide van Voltaire, Gargantua en Pantagruel van Rabelais en Gullivers Reizen van Swift.
Maar het is meer!
Beschrijft een gewone satire wantoestanden in de maatschappij, klassentegenstellingen, machtswellust, leugen en bedrog, uitbuiting, de kloof tussen arm en rijk, ijdelheid en kortzichtigheid, de schrijvers verzanden allemaal in cynisme omdat ze geen uitweg uit het tranendal zien, geen eschatologie hebben.
Hoe anders is en hoe hoopvol is dit Evangelie van de Drie Dimensies!
Ogenschijnlijk lijkt Platland een beschrijving van Abbott's eigen Victoriaanse tijdsgewricht. Een maatschappij waarin de mensen, vastgeketend in hun klassen, hun vooroordelen, en verblind door hun kortzichtigheid, in de illusie verkeren dat ze in de enig denkbare wereld leven, vergelijkbaar met het leven, wat Plato in de Allegorie van de Grot beschrijft. In Platland leven de bewoners het door hun afkomst gepredestineerde leven, zoals dat overal en in iedere cultuur het geval is. Zij leven niet maar hun leven wordt geleid, bepaald en beperkt door "eigen"gemaakte regels, tradities, normen en waarden, vooroordelen en overtuigingen, die ieder op de plek houden die hem is toebedeeld. In 1964 schreef Herbert Marcuse "De een-dimensionale mens". Er was een rimpeling in de vijver van zelfgenoegzaamheid. Ze dronken een glas en deden een plas en iedereen bleef net zo eendimensionaal als hij was, levend en stervend in zijn eigen Platland. Alleen iemand die zichzelf losgemaakt heeft, buiten de structuur en het systeem, dus buiten de maatschappij geplaatst heeft, kan de krankzinnigheid van het leven in de maatschappij overzien. Alleen de Platlander die de durf heeft de Bol te volgen, kan worden als de Bol en alles begrijpen. "Ieder mens is op ieder moment in staat om zich alles wat er ooit met hem gebeurd is te herinneren en om alles dat overal in het universum gebeurt waar te nemen." schrijft Aldous Huxley in "The Doors of Perception" en in het Evangelie van Thomas staat (logion 2): "Jezus sprak: laat hem die zoekt, zonder ophouden zoeken, totdat hij vindt. En als hij vindt, zal hij in verwarring raken, en als hij in verwarring geraakt is, zal hij zich verwonderen, en hij zal heersen over het Al". Jezus was gewoon een Bol en wees de weg uit Platland, de weg naar de vrijheid!
Dat is de boodschap en de profetische strekking van Platland.
Zoals Edwin Abbott aan het einde van het verhaal verzucht:


"Toch leef ik met de hoop dat deze memoires op een of andere manier, ik weet niet hoe, hun weg mogen vinden naar de harten van de mensheid in enige Dimensie, en een ras van rebellen zal doen opstaan dat zal weigeren zich te beperken tot een bekrompen Dimensionaliteit."


En wat is er tot nu met Platland gebeurd?
Wiskundigen hebben zich op de verpakking van de boodschap gestort, zoals de theologen dat met de evangeliën gedaan hebben. In hun eigen Platland, aan hun eigen Wentbridge-Universiteiten redetwisten ze eindeloos en met vele scherpzinnige argumenten over het Onvoorstelbare, de Vierde Dimensie en over God, wat op hetzelfde neerkomt en nog steeds delen alle Kubussen het lot van dat ongelukkige Vierkant, doodgezwegen, verketterd en opgesloten in psychiatrische inrichtingen. En nog steeds ondergaan al die kleine gave prachtige Bolletjes, die altijd en overal in de hele mensen geschiedenis in Platland geboren worden hetzelfde tragische lot. Platgeperst en misvormd tot Twee-dimensionalen die gedoemd zijn om het bizarre spel in Platland mee te spelen.



James Hilton HET VERLOREN PARADIJS


Inleiding bij deze vertaling:


Ooit schreef Nikolaj Berdjajev: ‘Utopieën zijn uitvoerbaar, de vraag is alleen hoe we kunnen voorkomen dat ze worden uitgevoerd.’ En Cioran verduidelijkte dat in zijn Geschiedenis en Utopie als volgt: ‘Een echte utopie bedenken, met overtuiging het tafereel van een ideale maatschappij schilderen, daarvoor is een bepaalde dosis argeloosheid en zelfs onnozelheid nodig, die, indien te opvallend, de lezer uiteindelijk mateloos gaat irriteren. De enige leesbare utopieën zijn die welke voor de grap, als tijdverdrijf of uit misantropie geschreven zijn, en die een aankondiging zijn van of doen denken aan Gullivers reizen, die Bijbel van de ontgoochelde mens, de kwintessens van niet-hersenschimmige visioenen, een utopie zonder hoop. Met zijn sarcasmen heeft Swift een genre zozeer van zijn onnozelheid ontdaan dat hij het vernietigd heeft.’ En dat geldt dus ook voor dit boek van James Hilton dat, hoeveel hunkering het ook bevat naar een volmaakt leven, een duidelijk overzicht geeft van alle ingrediënten die van elke als utopie bedoelde onderneming, sinds Plato’s Politeia en More’s Utopia, uiteindelijk een dystopie maken. Altijd is er een elite, geen wijze maar geleerde mannen, of een goeroe die bepalen hoe het klootjesvolk dient te leven. Er zijn dus altijd klassen. Kinderen komen in de beschrijvingen van de utopisten niet voor of worden door de staat of gemeenschap opgevoed, natuurlijk volgens de richtlijnen van diezelfde elite. Er is sprake van escapisme, want utopische gemeenschappen worden gesticht op afgelegen eilanden, in ontoegankelijke valleien en andere afgelegen gebieden die met geweld verdedigd moeten worden tegen de boze buitenwereld. Alle onderlinge verhoudingen zijn op macht gebaseerd, al is het maar de macht van ‘kennis.’. Op een of andere manier vindt er een vorm van eugenetica plaats en geen enkele utopische gemeenschap weet raad met seksualiteit. Een verdere misvatting is dat er altijd dokters zijn, terwijl het toch voor de hand ligt dat er in een ideale wereld geen zieken zijn. En wat het meest fnuikend is dat al die utopiebedenkers in hun beschrijving van hun ideale wereld allemaal hun eigen vooroordelen inbrengen, hun bagage, frustraties, heimelijke verlangens en er dus in principe van uitgaan dat mensen niet gelijk zijn en daarom zijn alle utopieën ten dode gedoemd. Het enige waarin alle mensen gelijk zijn is dat ze mens zijn en de ware eutopie is dus een gemeenschap van mensen die zich van al hun bagage ontdaan hebben, autonome mensen die in vrijheid, gelijkheid en broederschap over een gemeenschappelijke, grenzenloze aarde zwerven. Er is maar één Verloren Paradijs, en dat is het kinderparadijs, waaruit iedereen door zijn opvoeders verdreven is en vervolgens met zoveel bagage beladen is, dat hij niet meer door de enge poort weer naar binnen kan gaan. En daarom staat er geschreven, ‘zo ge niet wordt als de kinderen, zult gij het Verloren Paradijs niet weer ingaan.’ Een fraai overzicht van de belangrijkste utopiën (die dus stuk voor stuk dystopiën blijken te zijn) en als zodanig bedoelde dystopische boeken is te vinden in Douwe Fokkema’s Perfect Worlds, Utopian Fiction in China and the West, hier te downloaden als pdf.



Ibn Tufail HAYY IBN YAQZAN of DE VERBETERING VAN HET MENSELIJK VERSTAND


Inleiding bij deze vertaling:


In 1653 bezocht de Engelse oriëntalist Edward Pococke senior de soeks in Aleppo en keerde naar

Engeland terug met een koffer vol souvenirs. Hij plantte een Syrische ceder in zijn pastorietuin in Berkshire, een Syrische vijgenboom in Christchurch in Dorset en overhandigde zijn zoon Edward junior, eveneens Arabist, een fraai gekalligrafeerd door de tijd aangetast manuscript. Dat was Hayy ibn Yaqzan. Het manuscript dat zich nu in de Bodleian Library in Oxford bevindt, werd in 1303 in Alexandrië gekopieerd door een onbekende schrijver, waarschijnlijk een Jood, omdat het aantekeningen in het Hebreeuws bevat. In 1671 verscheen de Latijnse vertaling van de hand van Edward Pococke junior en sloeg in als een bom. De Verlichting was in volle gang en het boek met de ondertitel Philosophus Autodidactus behandelde het begrip tabula rasa, voor het eerst gebruikt door Aristoteles en later overgenomen door John Locke. Locke was een leerling van Pococke senior en later privéleraar van Edward junior. Hij vermeldt een bijeenkomst in Londen die belegd was om dit "nieuwtje" te bespreken en volgens Russell was Locke niet alleen bekend met maar ook sterk beïnvloed door Hayy ibn Yaqzan. Zijn Essay Concerning Human Understanding uit 1690 is dan ook zonder twijfel geïnspireerd door Hayy. Ook Leibniz dweepte met het boek. In hetzelfde jaar van de uitgave van Pococke, dus in 1671, verschenen, twee verschillende Nederlandse vertalingen, in 1672 gevolgd door een vertaling op initiatief van het kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum door Johannes Bouwmeester, een vriend van Spinoza en mogelijk op diens verzoek. Uiteindelijk was Spinoza al sinds 1660 bezig met zijn Verhandeling over de verbetering van het verstand, waar hij zijn verdere leven aan gewerkt heeft, maar dat onvoltooid is gebleven.

Het boek is doordrenkt van Aristoteles, de grote systeembouwer, die als een magazijnbediende het hele leven catalogiseerde en allerlei nieuwe begrippen introduceert om zijn bouwwerk te verfraaien en zo een ondoorgrondelijk labyrint creëert, wat door alle sofisten tot op heden nog steeds vreselijk knap gevonden wordt. Het duurde nog eeuwen voordat Wittgenstein in zijn Tractatus schreef: "Wat gezegd kan worden, kan duidelijk worden gezegd; en waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen."

Ondanks de goede bedoelingen gaat ook Hayy ibn Yaqzan daar vreselijk mank aan. "Opgaan in het Ene, in God" de mystieke ervaring en het einddoel het mystieke ervaren, je onafgebroken één voelen met alles wat is, met het zijnde, kan nooit al denkend of redenerend bereikt worden, of zoals Kahlil Gibran dat ooit zei: "De karavaan van het denken bereikt nooit het hart." Hayy komt ter wereld op een onbewoond eiland en leeft in en met de natuur. Dat is het einddoel waar alle mystici naar streven en de rest is alleen maar ballast.



H. G. Wells DE TIJDMACHINE


Inleiding bij deze vertaling:


Als een twintigste-eeuwse Prediker schrijft H. G. Wells een parabel, die tot dezelfde conclusie leidt: Er is niets nieuws onder de zon en het is allemaal ijdelheid waarmee de mens zich vermoeit. Ach, zullen mensen zeggen, ondergrondse Morlocks, tijdreizen, allemaal flauwekul, maar dat zijn dezelfde mensen die uiterlijk een keurige, beschaafde Dr. Jekyll zijn en een Mr. Hyde herbergen, of een Eloi met zijn innerlijke Morlock, het beest dat bedwongen moet worden en waarmee in het weekend voetbalstadions en feestzalen zich vullen en die dat niet beseffen. Dat zijn de mensen die letterlijk nemen wat figuurlijk bedoeld is en omgekeerd. Dat zijn mensen die geleerd hebben in woorden en begrippen te denken en voor wie verbeelding een anachronisme is geworden, iets voor kinderen. Die niet meer begrijpen dat sprookjes ooit onze mythen waren. Dat zijn de mensen die zeggen: ik ben nu eenmaal zo en zich afsluiten voor alles wat dat nu-eenmaal-zo-zijn bedreigt en altijd denken dat het over de ander gaat. Dat zijn de mensen zonder dromen en idealen, die ingewikkeld leven en dus ingewikkeld dood gaan.

De Time Machine was Wells’ eerste boek, met een vernietigende analyse van de Engelse upper-class, maar ook van de arbeidersklasse, die zich als gedwee vee liet onderdrukken. Maar de upper-class vond het een fantasierijk verhaal, met leuke speculaties over ruimte en tijd, maar begreep helemaal niet dat het over haar ging. En nog steeds is er niets veranderd, op wereldschaal zijn de Eloi het rijke Westen en de Morlocks de onderklasse en de derde Wereld die daar onherroepelijk mee gepaard gaat. Maar het geldt ook voor elke natie afzonderlijk, die elk zijn eigen onderklasse creëert en voor elk individu afzonderlijk. Geen medaille zonder onderkant, geen borduurwerk zonder warboel aan de ander kant en als je die warboel uithaalt, verdwijnt ook de afbeelding. Geen rijkdom zonder armoe, geen God zonder Duivel, geen hemel zonder hel, geen verworvenheden zonder verwordenheden. En de mens creëert dat allemaal zelf en probeert dat met steeds meer inspanningen in stand te houden, deze toren, zoals Wells schrijft, die ooit op de bouwers zal neerstorten. Waarschijnlijker is het verstandiger hem af te breken, voordat het zover komt.

In de Time Machine ziet Wells af en toe nog het betrekkelijke van de wetenschap in, maar in zijn volgende boeken gaat hij de wetenschap steeds meer als de grote heilbrenger zien en de utopieën die hij dan ontwerpt, zijn even gruwelijk als Plato’s Republiek, Moore’s Utopia, Campanella’s Zonnestad, Fouriers Phalanstère, en al die duizenden ander Utopieën die in de loop der eeuwen bedacht en uitgeprobeerd zijn en die allemaal als basis hadden dat een elite uitmaakte hoe andere mensen moesten leven. De utopie van de democratie, van het kapitalisme is niet minder gruwelijk en de tol die de mensheid daar, in haar onwetendheid, voor betaald onvoorstelbaar misdadig.



ELIE LUZAC, junior. DE MENS MEER DAN EEN MACHINE


Inleiding bij deze vertaling:


Elie Luzac, (1721-1796), studeerde rechten in Leiden, werd ter plaatse boekdrukker en boekverkoper en was daarnaast publicist. Hij had ook een filiaal in Göttingen. In december 1747 gaf hij L’Homme Machine uit. De auteursnaam van de Franse arts Julien Offray de la Mettrie werd niet vermeld, wel die van Luzac zelf. De publicatie baarde een enorme ophef, onmiddellijk werd het werk in beslag genomen en een gerechtelijke procedure tegen hem in gang gezet. Luzac moest zich verantwoorden voor de Kerkeraad van de Waalse Kerk in Leiden en schreef naar aanleiding daarvan zelf het verdedigingsgeschrift L’Homme plus que Machine. Het verbod van L’Homme Machine was vanzelfsprekend een uitstekende reclame en het beleefde dus meerdere illegale herdrukken. Hoewel Luzac zich zeer inzette voor de vrijheid van drukpers en controversiële geschriften uitgaf, is het toch zeer de vraag of hij dat niet voornamelijk deed uit opportunistische overwegingen. Johann Formey, secretaris van de Pruisische Academie voor Wetenschappen, die de publicatie van L’Homme Machine betreurde, beklaagde zich daarover bij Luzac en kreeg ten antwoord: "Over wat u mij vertelt aangaande boekverkopers die boeken drukken die strijdig zijn met de godsdienst, heb ik de eer u mede te delen dat ik dienaangaande uw mening niet deel. Net zoals een wijnhandelaar niet verplicht is een dronkaard wijn te weigeren, zolang hij die elders kan krijgen, is een drukker niet verplicht een manuscript te weigeren, dat ondanks zijn weigering toch wel zal verschijnen."


Over het werk zelf (waarvan overigens sommige onderzoekers aannemen dat La Mettrie dat zelf geschreven heeft): L’Homme Machine is een warrig geschrift. La Mettrie is het prototype van de pure Materialist, voor wie de materie uit geordend bewegende atomen bestaat, maar die er geen flauw benul van heeft, waarom die atomen geordend bewegen, laat staan waartoe. Luzac, niet minder warrig, is de man van het compromis, materie en nog iets anders en komt uiteindelijk bij een God uit, een en al goedheid, welwillendheid en volmaaktheid, die alleen aanbidding verdient. Praten over een goede God, zonder sluitende theodicee, zal altijd onaanvaardbaar blijven en bibliotheken vol nodig hebben om tevergeefs het gat te pogen te dichten. Diametraal tegenover de Materialist, staat de Idealist, die geen materie kent, geen atomen of deeltjes, als fundamentele bouwstenen van de materie, maar de materie ziet als, om de huidige terminologie te gebruiken, de rimpelingen in het eeuwige en oneindige Higgsveld en deeltjes als artefacten. "Gods wil doen" betekent daarin je laten meedrijven in het Higgsveld, de Tao, geen weerstand bieden, niets zelf willen (immers alle lijden komt van het willen, zei de Boeddha al), maar als een druppel opgaan in de eeuwige zee, je plooien naar de impliciete orde en zijn wie je bent. Dat ervaren levert de enige ware en sluitende Theodicee op.

De afgelopen tweehonderdvijftig jaar is er niets veranderd. Discussies over de ziel, materie, lichaam en geest, zijn onophoudelijk doorgegaan en hebben nog steeds niets opgeleverd, behalve een Higgsboson, waarvan niemand weet wat hij daarmee moet en dat desalniettemin met groot gejuich wordt binnengehaald. Ja, zegt de wetenschapper dan: we weten nog niet wat we daarmee kunnen, maar het fundamentele onderzoek is heel belangrijk voor de geneeskunde en heeft wel de CT-scan opgeleverd, waarbij hij gemakshalve over het hoofd ziet, dat deze zieke vertechnologiseerde wereld, zelf de producent is van al die ziekten. En weer worden boeken volgeschreven over de ziel, de vrije wil, en alle schrijvers kijken door hun gekleurde evolutieleerbril en denken dat wat ze zien de werkelijkheid is. Zoals de christenen als ze er niet meer uitkomen, als een duveltje uit het doosje met hun Here Jezus aankomen, doen de wetenschappers dat met de evolutietheorie, niet beseffend dat je daar wel in moet geloven. De zwartrok is verdwenen en zijn rol is naadloos overgenomen door witte jassen en toga’s, die zichzelf en hun medemensen zien als gemankeerde apen. Er is niets nieuws onder de zon.



Carl Ignaz Geiger REIS VAN EEN AARDBEWONER NAAR MARS


Inleiding bij deze vertaling:


In 1790 verscheen in Frankfurt am Main, vanzelfsprekend anoniem, het boekje Reise eines Erdbewohners in den Mars, geschreven door de, niet ouder dan vijfendertig jaar geworden, kandidaat in de rechten en rondtrekkend schrijver Carl Ignaz Geiger, die onderweg, tegen betaling, voordroeg uit zijn eigen werk. Van de oorspronkelijk editie van dit boekje bestaat nog maar één exemplaar, dat zich bevindt in de bibliotheek van de Universiteit van Michigan in Ann Arbor, maar inmiddels bestaat er een Duitstalige driedelige uitgave van zijn verzameld werk.


Geiger was een satiricus met een vlijmscherpe pen, die in de huid van de hoofdpersonen uit zijn boeken kruipt om ongestraft alle wantoestanden die hij om zich heen ziet aan de kaak te stellen. Vanaf de zijlijn beziet hij als een buitenstaander alle krankzinnigheden die voor zijn ogen opdoemen. In 1789 publiceert hij in Amsterdam zijn Reis van een Engelsman door een deel van Zwaben en de onbekendste streken van Zwitserland en in de fictieve mededeling van de uitgever vooraf, heeft hij het over een "zeldzame stoutmoedigheid en vrijmoedigheid" die uit het boek blijken. In 1783 had hij al een tirade geschreven tegen keizer Jozef II, die geldt als een van de verlichte despoten, naast Catharina II van Rusland en Frederik II van Pruisen, onder de titel, Aan Zijne Excellentie de Rooms-keizerlijke-koninklijke-apostolische Majesteit, Josef II, tiran der Duitsers, met wiens zogenaamde verlichting hij daarin genadeloos afrekent, waarna hij gearresteerd werd.


In navolging van Jean-Jacques Rousseau pleit Geiger in zijn werken en dus ook in onderstaand verhaal voor een terugkeer naar de eenvoud en leven volgens de natuur. Na de rampzalige bezoeken aan het door priesters, die "hun God opvreten en hun vorsten vermoorden," gedomineerde Papaguan, en het door en door militaristische Plumplatsko, belandt hij in het arcadische Momoly, waar de mensen naakt rondlopen, "geen priesters, artsen, soldaten of koningen zijn" en peis en vree heersen.


Het is aandoenlijk om te zien hoe hij worstelt met de seksualiteit daar ter plekke en een heel ingewikkelde constructie moet bedenken om het geheel in redelijke banen te leiden. Zoals vanaf Plato alle utopisten geen raad hebben geweten met een steeds groeiende bevolking en uiteindelijk allemaal op een of andere manier hun toevlucht gezocht hebben in een positieve of negatieve eugenetica, omdat ze het libido als een natuurlijk instinct beschouwden, schrijft ook Geiger hier dat de voortplantingsdrift "de heiligste drift is die God in de mens gelegd heeft." Meteen al op pag. 4 van zijn An Essay on the Principle of Population, enz. uit 1798 schrijft Thomas Robert Malthus: "de tweede veronderstelling luidt dat de passie tussen de seksen nodig is en zal blijven bestaan in nagenoeg de huidige vorm" en dat is niet gewoon een veronderstelling, maar een vooroordeel, waar hij de rest van zijn boek op baseert. Want als dat zo is, betekent dat onherroepelijk dat de ongebreidelde bevolkingsgroei een autonoom proces en overbevolking een vanzelfsprekend gevolg daarvan is, terwijl je alleen maar je gezond verstand (dus heel iets anders dan Darwin) hoeft te raadplegen (en naar jezelf en de kleine kinderen hoeft te kijken!) om te begrijpen dat dat zogenaamde instinct een cultuurartefact is. Ook Plato had daar al een vermoeden van als hij in het Symposion, in de rede van Aristophanes, de valkuil van Eros beschrijft, of het libido, zoals we dat tegenwoordig noemen. "Ooit was de menselijke natuur anders, want toen was de mens heel (zoals het kleine kind nog steeds heel is) en het was van een mannelijk/vrouwelijk geslacht" en dan beschrijft hij een schepsel met vier armen en benen en twee ruggen (maar eigenlijk had hij het kleine "hele" kind moeten beschrijven). En zij vielen de Goden aan en om een eind te maken aan hun opstand besloten de Goden hen in twee helften te snijden. En Zeus sneed de schepsels in tweeën "zoals men morellen doorsnijdt of eieren met een haar." "Maar nu," verhaalt Plato, "zijn wij verdeeld in twee helften vanwege onze onrechtvaardigheid." Zo werden we mannelijk en vrouwelijk, twee polen en iedere helft zoekt zijn wederhelft en samen zijn zij weer een. De Goden plantten Eros of het Libido, de hereniger, in de mensen en daardoor gedreven proberen de mensen van twee weer een te maken."


Twee halve, in een mannelijk en vrouwelijk rolpatroon gepolariseerde, mensen trekken elkaar onweerstaanbaar aan en zijn dus slaaf van hun libido. Twee hele mensen zijn autonoom, onafhankelijk en tevreden (hoeven zich dan ook niet te bevredigen) en kunnen belangeloos van elkaar houden, omdat ze elkaar niet nodig hebben.



Félicité Robert de Lamennais HET BOEK VAN HET VOLK


Inleiding bij deze vertaling:


Félicité de Lamennais, door zijn vrienden Féli genoemd, werd in 1782 geboren in Saint Malo in een familie van groothandelaren en scheepseigenaars. Zijn vader was door Lodewijk XVI in de adelstand verheven, maar desondanks slaagde hij erin de Franse Revolutie te overleven. Toen Félicité vijf jaar was stierf zijn moeder en werd hij in huis genomen door zijn oom, een zeer ontwikkeld man met een grote bibliotheek. De jongeman bracht zijn jeugd door met lezen, leerde zichzelf talen en werd, zoals veel autodidacten zeer erudiet en veelzijdig. In zijn tienerjaren keerde hij samen met zijn oudere broer terug naar de Kerk, die onder de Revolutie zeer te lijden had gehad en meer dan ooit een verlengde van staat en macht geworden was. Beide broers keerden zich fel tegen wat in hun ogen een ontaarding van de oorspronkelijke Kerk was en publiceerden enkel boeken om de wantoestanden aan de kaak te stellen. Hun eerste boek werd door Napoleons politie in beslag genomen, omdat daarin ook de betrekkingen tussen Kerk en Staat, en Paus en Kerk ter discussie werden gesteld, terwijl het hoofdzakelijk ging over de priesteropleiding, christelijke opvoeding en het betrachten van een christelijke levenswijze voor alle belijdende christenen. Terwijl Napoleon naar het voorbeeld van Constantijn de Grote een staatskerk wilde, het Gallicanisme, waren de gebroeders Lamennais fervente Ultramontijnen, die het autoritaire gezag van de Paus wilden herstellen. Intussen vertaalde hij De Navolging van Christus in het Frans, werd in 1809 priester gewijd en bracht de daaropvolgende jaren voornamelijk door op het familielandgoed La Chesnaie, waar hij geleidelijk een kloosterachtige gemeenschap om zich heen verzamelde. Tijdens de Honderd Dagen (1815) vluchtte hij naar Engeland, omdat hij bang was vervolgd te worden naar aanleiding van een door hem geschreven pamflet met kritische passages tegen Napoleon. Intussen was Lamennais een van de beroemdste mannen in Europa geworden en de lieveling van Paus Leo XII. Na de Junirevolutie in 1830 richtte hij samen met Montalembert en Lacordaire de krant L’Avenir op die als voornaamste onderwerpen de vrijheid van geweten, pers, godsdienst en onderwijs had, naast de scheiding van Kerk en Staat. Binnen twee jaar was de L’Avenir het invloedrijkste periodiek in zijn soort ter wereld geworden. In naam van de Paus en ter verdediging van het volk viel het de wereldlijke macht aan, maar Paus Leo was in 1829 gestorven en zijn opvolger Gregorius was doodsbang voor het revolutionaire Ultramontisme van de L’Avenir. In 1831 protesteerde Lamennais tegen de instemming die Paus Gregorius XVI betoond had voor het neerslaan van de Novemberopstand in Polen in 1830-31. De Paus durfde Lamennais niet rechtstreeks aan te vallen maar deed dat indirect maar overduidelijk in zijn encycliek Mirari Vos. Het gevolg daarvan was het meest apocalyptische en profetische gebed in het Frans, Paroles d’un Croyant, dat Lamennais in 1834 schreef. Het boek sloeg als in bom in onder de intellectuele gemeenschap van Europa. Wat Jesaja voor het Assyrische Rijk geweest was, werd Lamennais voor het Frankrijk van het midden van de negentiende eeuw, maar voor Rome was het de druppel die de emmer deed overlopen. Lamennais en zijn vrienden besloten naar Rome te reizen om de toekomst van L’Avenir en henzelf in handen van de Paus te leggen. De Paus reageerde met een ongeëvenaarde veroordeling. Motalembert en Lacordaire bonden in en gaven zich over, maar het meest schokkende was dat ze braken met Lamennais, hun geestelijk vader. Lamennais, die door zijn radicalisering al veel vroegere vrienden verloren had, brak met de Kerk en koos voor de Revolutie. Zijn ideeën werden steeds socialistischer, communistischer in de zin van gemeenschap van goederen, vrijheid gelijkheid en broederschap, die in zijn ogen de logische consequentie waren van de oorspronkelijke boodschap van het evangelie. In 1935 ontmoette hij in Parijs George Sand, die ooit tegen hem zei: "Wij rekenen u tot onze heiligen…u bent de vader van de nieuwe Kerk."

Op zijn reis naar Rome was Lamennais in Duitsland op bezoek geweest bij Döllinger, Möhler, Schelling en Von Baader en bleef tot een heel tijd nadien corresponderen met Schelling. Von Baader schreef veel stukken voor de L’Avenir en voerde een intensieve correspondentie met Lamennais. In de moeilijke periode die voor Lamennais aanbrak na zijn veroordeling door Rome, schreef Von Baader een pamflet waarin hij hem hartstochtelijk verdedigde. Hij was de enige vriend die geen afscheid nam van de Kerk en toch loyaal bleef aan Lamennais.

Lamennais gaf zijn geliefde La Chaisne op en leefde voortaan in een armzalige behuizing in een arbeiderswijk in Parijs, maar hij had altijd al onthecht en uiterst bescheiden geleefd en gaf niets om geld. Zodra hij door het Vaticaan veroordeeld was, werd hij als gelijke opgenomen in de gelederen van de leiders van het Franse intellectuele links. Zijn invloedrijkste geschriften dateren uit die tijd. In Het Boek van het Volk en De Huidige Slavernij schetst hij apocalyptische en eschatologische visioenen, als de ziener van Patmos, de striemende profeet.

De meeste schrijvers over Lamennais, die vrijwel allemaal een kerkelijke achtergrond hebben, verzwijgen in wat zij over Lamennais geschreven hebben die laatste periode volledig en bleven hem louter zien als een apologeet van de Roomse Kerk. Waarschijnlijk hebben de mensen voor wie hij schreef en tot wie hij zich richtte hem nauwelijks begrepen, maar zij hielden van hem en begroetten hem altijd geestdriftig.

Tussen 1841 en 1846 schreef hij aan wat zijn uiteindelijke apologie zou moeten worden, Esquise d’une Philosophie (Schets van een filosofie), waarin hij zijn ideeën over een christendom zonder Kerk uiteenzet.

Tijden de Februarirevolutie van 1848 hield hij felle pleidooien vóór het volk en verdedigde het geweld waaraan het zich schuldig had gemaakt ter verdediging van zichzelf. Door de machthebbers werd hij veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf, wat voor zijn schrijverschap wellicht de vruchtbaarste periode was. In de gevangenis schreef hij veel van zijn beste werken, waaronder nog een apocalyptisch boek dat waarschijnlijk de rechtstreekse inspiratiebron was voor Nietzsche’s Also Sprach Zarathustra, zij het met een andere strekking. In Amschapands et Darvands ontleent hij de beeldspraak aan de Zend Avesta, de profetische geschriften van de Perzische profeet Zarathustra. Tijdens de Februarirevolutie kreeg Lamennais meer stemmen dan wie dan ook, zelfs meer dan Victor Hugo en werd gekozen als voorzitter van het comité belast met het opstellen van een nieuwe Grondwet, maar zelfs de groep van radicale politici was niet rijp voor het stichten van een nieuw Jeruzalem in Frankrijk. Toen Louis Bonaparte in 1851 de macht greep, trok hij zich terug en besteedde de laatste drie jaar van zijn leven aan een vertaling van de Dante’s Divina Commedia, hetzelfde boek dat William Blake in zijn laatste jaren illustreerde.

Kort daarna stierf Lamennais, na een kort ziekbed. Hij weigerde een geestelijke aan zijn sterfbed en ook maar enige verzoening met Rome. Hij zei, "Ik wil verbrand worden te midden van de armen en zoals de armen, niets dat mijn graf opsiert, zelfs niet de eenvoudigste steen. Breng mijn lichaam rechtstreeks naar het kerkhof en geen enkel kerkgebouw in."


Zijn vrienden spraken de dag voor zijn begrafenis af. De regering die bang was voor demonstraties, eiste dat de begrafenis vóór zonsopgang zou plaatsvinden, verbood het volgen van de doodskist door een demonstratieve stoet en stond slechts een handvol van zijn vrienden toe het kerkhof te betreden. Op 1 maart ging de uiterst bescheiden stoet, voor zonsopgang en in een dikke mist, op weg naar het kerkhof. Toen het groepje van trouwe aanhangers de straten van de armste arbeiderswijken van Parijs passeerde ontmoette het op de Place de la Bastille een menigte gemaskerde mensen die door de mistige straten terugkeerden van de Mardi-Gras-feesten. Hun geschreeuw trok de aandacht van de eerste arbeiders die op weg waren naar hun werk.


Als een lopend vuur verspreidde het nieuws zich door de straten van de armen, door Saint Antoine en Belleville, van de Marais tot Clignancourt — "Ze gaan Lamennais begraven!" Weldra was de begrafenisstoet, die zo armzalig en geëscorteerd door de politie begonnen was, uitgegroeid tot een enorme menigte, die met moeite het graf kon bereiken. Hij werd begraven zonder toespraak en iemand zei, "Dat was het, ga maar naar huis." Er bleef een hoop verse aarde achter met daarin een gespleten stok met een stuk papier — "Félicité Robert de la Mennais."


Wij moeten niet vergeten dat Marx, Engels en Bakoenin alles van Lamennais dat ze maar in handen konden krijgen geestdriftig lazen, hoe oneens ze het ook met hem waren en tijdens de Februarirevolutie was hij onvergelijkelijk veel invloedrijker dan die drie bij elkaar. Vooral Marx en Engels hebben hem wel gelezen, maar als tovenaarsleerlingen niet begrepen wat hij echt bedoeld heeft en hebben overal waar in zijn geschriften Liefde stond, dat woord vervangen door het woord Macht, met alle consequenties van dien.


Over Le Livre du Peuple:


Tegenwoordig, nu wat ooit God of het Al werd genoemd, door de nieuwe Kerk van de Wetenschap omgedoopt is tot het Higgsveld, de immanente energie die, door iets waar ze nog niet achter zijn, maar wat ooit de Zoon, het Woord of de Werkmeester genoemd werd, gerimpeld wordt en daardoor al het bestaande, wat ooit de Schepping heette, teweegbrengt, nu rechtvaardigheid, vrijheid, gelijkheid en broederschap, loze kreten zijn geworden, lijkt Het Boek van het Volk een anachronisme, maar er is niets nieuws onder de zon. De bourgeoisie, die tegenwoordig de middenklasse heet, heeft altijd uit eigenbelang welke verandering dan ook tegengehouden en zich altijd gekeerd tegen een rechtvaardige wereld. De elite, de intellectuelen, zitten nog steeds in hun ivoren torens. De kerken prediken nog steeds hetzelfde geperverteerde christendom als ten tijde van Lamennais, een godsdienst die geloven in of aan Jezus predikt, maar van het navolgen van Christus nog nooit gehoord heeft en dat uitermate onpraktisch vindt. De andere wang toekeren, niet oordelen, geen schatten verzamelen op aarde, je niet bekommeren om de dag van morgen of waarmee je je kleedt, de minste zijn, overal afstand van doen, volmaakt zijn, worden als de kinderen, het staat er allemaal letterlijk. Lamennais heeft dat grotendeels begrepen, heeft geprobeerd daar zelf naar te leven, heeft een nieuwe wereld en een nieuwe aarde gezien, heeft ervaren hoe fnuikend het geïnstitutionaliseerde christendom daar voor was en nog steeds is, heeft gedreven gezwoegd om duidelijk te maken dat het wel kon, maar is verketterd door de lafaards, die bang voor hun spulletjes waren en toe te geven dat ze zich vergist hadden.

Het Boek van het Volk is niet van alle smetten vrij. Niet zozeer in de beschrijving van alle wantoestanden, maar wel over hoe het uiteindelijk zou moeten worden.

Gevangen in relaties, banen, families, landen en gehecht aan bezittingen, zeggen mensen dat er geen slavernij meer bestaat en dat ze het zo goed hebben, maar materiele rijkdom is altijd recht evenredig met geestelijke armoede en nog steeds worden de rijken rijker en de armen armer. Vrijheid gelijkheid en broederschap lijkt verder weg dan ooit, maar het is mogelijk. Wie alles opgeeft zal zijn leven behouden.



Rainer Maria Rilke DE VERLOREN ZOON


Inleiding bij deze vertaling:


Een van de bekendste parabels uit het Nieuwe Testament is die van de Verloren Zoon, opgetekend door de evangelist Lucas (15: 11-32, zie hieronder), en die zoals elke parabel vanuit vele standpunten, dus op vele manieren uitgelegd is. De strekking van het verhaal is dat een vader twee zonen heeft, van wie de jongste zijn erfdeel opeist, het gerieflijke vaderlijk huis verlaat en de wijde wereld intrekt. Daar zwicht hij voor alle verlokkingen, draait zijn erfdeel erdoor en raakt aan lager wal. Dan realiseert hij zich hoe goed hij het thuis heeft gehad en met zijn staart tussen de benen keert hij huiswaarts, waar hij tot zijn verrassing door zijn vader niet berispt maar met open armen ontvangen wordt, tot ongenoegen van zijn broer, die zich al die tijd keurig en gehoorzaam gedragen heeft.


Maar het is een bijzonder belangrijke parabel omdat het "vaderhuis verlaten" synoniem is met het "verdreven worden uit de Hof van Eden" uit Genesis. De ‘God’ uit Genesis is een meedogenloze, straffende god, die in de mond gelegd wordt:


‘Omdat gij van de boom gegeten hebt, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft. En doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten. In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren…..En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard.’


Dus één vergissing en levenslang vervloekt en uitgestoten. Hoe anders en hoopvol is dan het wel weer terug kunnen keren van de verloren zoon naar het vaderhuis, naar de paradijselijke gelukzaligheid! Je kunt er dus uit, maar ook weer in. Je kunt je buiten de Natuur plaatsen, buiten de Tao, buiten ‘God’ maar je kunt daar ook weer in opgaan, op één voorwaarde: zonder bagage, zonder die zogenaamde wereldse ‘kennis,’ zonder gehechtheden aan bezit, zonder meningen of overtuigingen! Je moet er weer in terug, zoals je was voordat je eruit ging, kortom je moet weer worden ‘gelijk de kinderen.’ Niemand zal je dwingen de hel te verlaten, maar het is daar gewoon niet zo prettig, al probeer je het beste ervan te maken. Christenen geloven in God, zijn tot geloof komen, waarmee ze willen zeggen dat ze geloven dat er een thuiskomst is, maar vervolgens blijven ze gewoon in de hel zitten, want dat afstand doen van hun bagage bewaren ze tot hun sterfbed, waarop ze noodgedwongen overal afstand van moeten doen. Zij zijn de goddelozen uit Psalmen en Spreuken. Of je bent in ‘God’ of je bent goddeloos, het is alles of niets. En die tragische vergissing van het vertalen van de Logos, tot het Woord en dat vervolgens personifiëren en vlees laten worden en dat dan Jezus noemen, die de tot geloof gekomenen of ‘wedergeborenen’ in hun hartje vinden en hen in het labyrint de weg zou moeten wijzen, heeft dat alleen maar ingewikkelder gemaakt en de uitgang definitief dichtgemetseld. Het Woord volgen, betekent niets anders dan ‘je geweten volgen.’


Maar dan is er in het verhaal ook nog de broer, die nooit van huis gegaan is, met andere woorden, nooit het paradijs verlaten heeft en jaloers is op de vreugde waarmee de verloren zoon verwelkomd wordt. Dat kan niet kloppen. Op de eerste plaats wordt ieder kind door zijn opvoeders uit het paradijs verdreven. En als iemand weer teruggekeerd is, zichzelf geworden is, in het eeuwige heden leeft, de apatheia bereikt heeft, kent hij geen jaloezie meer. Daarop wordt ook gezinspeeld in de parabel van de wijngaard, van de werkers van het elfde uur (Matth. 20:1-16, zie hieronder). Of iemand nou zijn hele leven gezocht heeft, of pas ‘rond het elfde uur’ is gaan zoeken, de beloning van de gelukzaligheid, als hij vindt, is voor iedereen hetzelfde. Maar het zijn degenen die iets gevonden hebben (en dus slecht gezocht hebben, zoals Rutger Kopland ooit schreef), die Jezus of hun identiteit gevonden hebben, of bijvoorbeeld goeroe, coach of filosoof geworden zijn, die niet verder zoeken en daarom staat geschreven, dat de eersten de laatsten zullen zijn. Een heiden bekeren is een christelijk werk, een christen bekeren een heidens werk, of, het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat dan dat een christen het Koninkrijk Gods binnengaat. Je mag er toch niet aan denken dat je in een wereld van vrijheid, gelijkheid en broederschap elke zondag naar de kerk moet.


Vanzelfsprekend heeft het christendom in het vaderhuis uit de parabel de kerk gezien en beschouwen ouders een kind dat afstand van hen heeft genomen als een ‘verloren zoon of dochter’ die gewoon weer thuis moet komen. Maar de evangelisten zijn daar heel duidelijk over. Lucas 14:26: ‘Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn.’ Matth 10:37: ‘Want Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn. Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig.’ En in het Evangelie van Thomas, logion 55: ‘Wie zijn vader niet haat en zijn moeder, kan bij mij geen leerling zijn. En wie zijn broeders niet zal haten en zijn zusters en zijn kruis niet zal dragen op mijn wijze, zal mij niet waardig zijn.’ Nou klinkt dat ‘haten’ nogal fors, maar het wil alleen maar zeggen dat je, als je de Logos, je geweten wilt volgen, als je Plato’s grot wilt verlaten, op zoek wilt gaan naar de uitgang, je moet ontdoen van alles waarmee je door je opvoeders bent opgezadeld, dat je (figuurlijk) afstand van hen moet nemen, zoals Hendrik Marsman schrijft in De grijsaard en de jongeling:


Groots en meeslepend wil ik leven!

hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!


'ga dan niet ver van huis,

en weer vooral ook het gespuis van vrouwen

buiten uw hart, weer het al uit uw kamer;

laat alles wat tot u komt

onder grote en oorlogszuchtige namen

buiten uw raam in den regen staan:

het is slecht te vertrouwen en niets gedaan.


alleen het geruis

van uw bloed en van uw hart het gehamer

vervulle uw lichaam, verstaat ge, uw leven, uw kluis.

zwicht nooit voor lippen:

samenzijn is een leugen en alle kussen verraad;

alleen een hart dat tegen eigen ribben slaat

is een zuiver hart op een zuivere maat.


zie naar mijzelf.

Ik heb in mijn jeugd

mijn leven verslingerd aan duizend dingen

van felle en vurige namen, oproeren, liefdes

en wat is het alles tezamen nu nog geweest?

over hoeveel zal ik mij niet blijven schamen

en hoeveel is er dat misschien nooit geneest ?'


de jongen kijkt door de geopende ramen

waarlangs de wereld slaat; zonder zich te beraden

stapt hij de deur uit, helder en zonder vrees.


Daar gaan onderstaande verhalen van Rainer Maria Rilke en André Gide over.


Een uitgebreid overzicht over de parabel, is De verloren zoon als letterkundig motief, door J.F.M. Kat, hier als pdf te downloaden van de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren



Bob Black HET AFSCHAFFEN VAN HET WERKEN of WERKEN IS VOOR DE DOMMEN


Inleiding bij deze vertaling:


Van de mysticus en SF-schrijver Philip K. Dick, die in zijn parabels de geëxtrapoleerde gruwelen van deze wereld beschreef en dus het etiket "schizofreen" kreeg, is de uitspraak:


Het basisgereedschap voor de manipulatie van de werkelijkheid is de manipulatie van woorden. Als je de betekenis van woorden kunt beheersen, kun je de mensen beheersen, die de woorden moeten gebruiken.

 

En zo gebruiken wij dus schaamteloos enerzijds de woorden werknemer, ondergeschikte, medewerker, werkkracht, functionaris en anderzijds de eufemismen directeur, bestuurder, manager, chef, meerdere, hoofd en deskundige, terwijl het allemaal in wezen gewoon slaven en meesters zijn en werken dus slavernij. De Dikke van Dale definiëert het woord slaaf als volgt:


1) Mens die aan een ander in eigendom toebehoort. Synoniem: lijfeigene

2) Iemand die geheel afhankelijk of het willoze werktuig van een ander is.

3) (Oneigenlijk) machine die (in korte tijd) ingewikkelde, vervelende of moeilijke dingen verricht

4) Iemand wiens burgerlijke vrijheden sterk beknot zijn of die aan een vreemde heerser onderworpen is

5) Iemand die zware arbeid moet verrichten, m.n. in een ondergeschikte positie (ook gezegd van bepaalde werkdieren (bv. in mierenkolonies))

6) (Studententaal) Student die onbetaald praktisch werk op een laboratorium verricht

7) Iemand die zich van zekere neigingen, gewoonten of verplichtingen niet kan losmaken. > een slaaf van zijn driften, gewoonten, hartstochten, van zijn plicht, van zijn beroep zijn

8) (In het masochisme) Iemand die zich volledig onderwerpt en daardoor erotisch opgewonden wordt


En zo praten mensen over mijn werknemers, mijn medewerkers, maar ook mijn vrouw/man, mijn kinderen, dus geheel afhankelijke of willoze werktuigen van een ander. Gehoorzaamheid is dus gewoon onderdanigheid en met name de kinderen voldoen aan alle criteria van de slavernij.

Bij de vertaling is het woord arbeid zoveel mogelijk vermeden, omdat veel slaven denken dat het dan niet over hen gaat, maar over al die anderen die in hun ogen minderwaardige slavenarbeid verrichten. Maar ook alle meesters zijn slaaf van zekere neigingen, gewoonten of verplichtingen waarvan zij zich niet kunnen losmaken. Slaaf van hun ambitie, van hun partner, van hun libido, van hun moeten, van hun werkdrift, van hun gewoonten, tradities en zogenaamde normen en waarden, van hun peergroep, van hun valse behoeften en van hun bezit.


Tot slot de veelzeggende woorden uit 1984 van George Orwell, maar dan wel zoals hij het eigenlijk had moeten zeggen:


Oorlog noemen wij vrede

 

Slavernij noemen wij vrijheid

 

Onwetendheid geeft macht



Oscar Wilde DE ZIEL VAN DE MENS ONDER HET SOCIALISME


Inleiding bij deze vertaling:


In februari 1890, een jaar voordat hij dit stuk publiceerde, had Oscar Wilde een zeer lovende en vlijmscherpe recensie geschreven over de toen net verschenen Engelse vertaling van de Chuang Tzu, van de hand van Herbert Giles. Deze verhandeling is doordrenkt van het gedachtegoed van deze grote taoïst, maar dat niet alleen. Wilde ziet ontegenzeglijk heel terecht grote parallellen tussen de boodschap van Chuang Tzu en die van het evangelie, niet zoals dat door de kerken verkondigd wordt, maar in haar radicale, revolutionaire, strekking. Maar als hij het over de rampzalige invloed van medelijden heeft, klinkt ook Nietzsche’s Zarathoestra daarin door, waarin medelijden de laatste zonde van de mens genoemd wordt. Zowel Chuang Tzu als Wilde pleiten voor de autonome mens, die zich niet bemoeit met anderen en zich door anderen niet laat beïnvloeden, voor een radicaal individualisme, voor het "egoïsme" van Max Stirner, voor de unieke mens. Over de echte persoonlijkheid van de mens, van de mens die zichzelf is, schrijft hij een zeer verhelderende passage. Als je daarin persoonlijkheid door mens verandert, dan schetst hij de volmaakte mens van Chuang Tzu en de evangeliën en dat luidt dan als volgt:


Hij zal iets prachtigs zijn als wij hem zien. Hij zal natuurlijk en eenvoudig opgroeien, als een bloem of zoals een boom groeit. Hij zal met niets onenigheid hebben. Hij zal nooit betogen of discussiëren. Hij zal niets bewijzen. Hij zal alles weten. Toch zal hij zich niet druk maken om kennis. Hij zal wijsheid hebben. Zijn waarde zal niet afgemeten worden aan stoffelijke dingen. Hij zal niets bezitten. En toch zal hij alles hebben, en wat hem ook ontnomen wordt, hij zal nog steeds hebben, want zo rijk zal hij zijn. Hij zal zich niet voortdurend bemoeien met anderen, of die anderen vragen zo te zijn als hij. Hij zal hen liefhebben omdat ze anders zijn. En al zal hij zich niet met de anderen bemoeien, toch zal hij iedereen helpen, zoals iets moois ons helpt door te zijn wat het is. De mens zal prachtig zijn. Hij zal even prachtig zijn als een kind.


Maar Wilde is niet consequent, hij heeft zichzelf, als kunstenaar, niet weggerelativeerd en schrijft dus hier, als een corpus alienum, een uitgebreide apologie ten behoeve van de kunsten. Geen enkel tevreden, gelukkig mens, geen enkel klein kind heeft de behoefte of drang om iets kunstmatigs te creëren. Kunst is per definitie onecht, gemaakt, gekunsteld en geeft hoogstens de kloof weer tussen de kunstenaar als kunstenaar en de kunstenaar als mens, een beeld van zijn vervreemding.



Ted Kaczynski DE WAARHEID OVER HET PRIMITIEVE LEVEN: EEN KRITISCHE BESCHOUWING OVER HET ANARCHOPRIMITIVISME


Inleiding bij deze vertaling:


Ted Kaczynski, de Unabomber, werd in 1996 gearresteerd en in 1998 tot levenslang veroordeeld. En in zijn gevangenschap schrijft hij en correspondeert met honderden mensen buiten de gevangenis. Zijn bomaanslagen, waarbij verschillende slachtoffers vielen zijn op geen enkele manier goed te praten, hoewel John F. Kennedy ooit zei: "Those who make peaceful revolution impossible make violent ones inevitable." Dit artikel is een van zijn laatste publicaties. Hij keert zich daarin, grondig beargumenteerd, tegen de idealisering van de primitieve mens, de mythe van het anarchoprimitivisme, waarvan John Zerzan een van de protagonisten is, maar ook tegen alle utopistische stromingen, die een terug naar de natuur bepleiten, terug naar de een geïdealiseerde Gouden Tijd, naar Luilekkerland, het Land van Melk en Honing, waar niemand meer hoeft te werken, alle ellende voorbij is, nooit meer iemand ziek wordt, meesters noch knechten zijn, kortom het aardse paradijs.

Zijn artikel is zeer verhelderend, niet alleen in zijn terechtwijzing van de anarchoprimitivisten, maar ook omdat hij daarin zijn eigen vooroordelen ventileert. Het lijkt zinnig om eerst een aantal door hem gebruikte termen en begrippen nader te definiëren.

Anarchie: afkomstig van het Griekse αν = geen en αρχή = a) oorsprong. b) principe. c) gezag, macht. Doorgaans gebruikt in de betekenis c) en meer in het bijzonder gezag in de vorm van Staatsgezag. In ruimere zin betekent het alle vormen van gezag of macht van de ene mens over de andere, dus ook ouders over kinderen, mannen over vrouwen en omgekeerd, meesters over knechten, directeuren over werknemers, leiders over volgelingen, docenten over leerlingen, deskundigen over leken, clerus over gelovigen, kortom overal waar de een bepaalt hoe de ander moet leven, maar het geldt ook voor de macht die de mens over de natuur denkt uit te moeten oefenen. Anarchie in de ware zin des woords wil aan al die machtsverhoudingen een einde maken, de mens (dus ook het kind) zijn ware autonomie teruggeven. Alle andere vormen van zogenaamde anarchie zijn daar slechts een zwakke afspiegeling van. Een anarchist die geweld gebruikt is zoiets als een vleesetende vegetariër of een christelijke machthebber.

Cultuur: alles wat niet natuur is, altijd gebaseerd op macht van de ene mens over de andere. Alles wat door de mens geproduceerd wordt, alle artefacten, zijn cultuurproducten. Een primitieve cultuur is dus ook een cultuur, een afwijking van het oorspronkelijke. En alle ziekten zijn beschavingsziekten, symptomen van de discrepantie tussen wat de mens is en zoals hij zich geleerd heeft te gedragen en te denken, tussen de onbeschaafde, de mens waar niet aan is geschaafd, de oorspronkelijke mens en de beschaafde mens. Tussen wat de mens is en wat hij denkt dat hij is, dus symptomen van zijn gespletenheid.

Primitief/primitivisme: ook primitief kent verschillende betekenissen, namelijk oorspronkelijk en een vroeg stadium van ontwikkeling. Zo gezien is de jager-verzamelaar niet de oorspronkelijke mens, maar de mens die zijn oorspronkelijkheid verlaten heeft, leeft met verleden en toekomst, in hierarchische systemen leeft en zijn autonomie heeft opgegeven.

Waar Kaczynski en de anarchoprimitivisten dezelfde fout maken is dat ze beiden uitgaan van het na te streven ideaal van de jager-verzamelaar. Jagen houdt in dat vleeseten natuurlijk zou zijn en verzamelen dat mensen niet meer in het nu leven maar in de tijd, plannen maken, in de toekomst kijken, zich bekommeren om de dag van morgen en beide bezigheden zijn aangeleerd gedrag, dat de oorspronkelijke mens niet kent. Hoewel de bijbel een krankzinnig boek is, vol tegenstrijdigheden en geweld, staan er toch hier en daar zinnige dingen in, zoals Voltaire zei: j’ai passé ma vie à marcher sur des calloux, pour chercher parmi eux des pierres précieuses (ik heb mijn leven lang over kiezelstenen gelopen, om daartussen kostbare stenen te zoeken). In Genesis staat (1:29): "en God zei Ik geef u al het zaaddragende gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen." En zo zwierf de oorspronkelijke mens over deze aarde, in gelukzaligheid genietend van wat de aarde hem in al haar overvloed bood, naakt, taalloos, schaamteloos, zorgeloos, van niemand afhankelijk, zonder ziekten en pijn, met andere woorden, onbeschaafd en cultuurloos en liet geen sporen achter. Dat dieren opgegeten konden worden, was hem volmaakt vreemd. Dat je voedsel moest verzamelen eveneens. Hij leefde zoals dat tegenwoordig zo modieus heet in het nu, in de natuur en er niet tegenover. Maar toen "at hij van de boom van kennis van goed en kwaad" (overigens fascinerend hoeveel mensen dat ‘van goed en kwaad’ vergeten!) zoals dat in de fabel heet en ging zelf bepalen wat goed en kwaad, gezond en ongezond, was en werd jager-verzamelaar, verdreef zichzelf uit zijn oorspronkelijke toestand en creëerde eigenmachtig een cultuur, kwam van kwaad tot erger en werd veeteler en landbouwer, en toen was het hek van de dam, want toen kwamen de deskundigen die wisten hoe anderen moesten leven. De mens schaafde en snoeide steeds meer aan zichzelf en anderen en werd beschaafd, ging zich schamen en moest die schaamte bedekken. Vond de taal uit om bevelen te geven. Verwierf bezit en zei: "Dat is van mij." Zoals Jean-Jacques Rousseau in zijn Vertoog over de Ongelijkheid zei: "De eerste die een stuk grond omheinde en durfde te zeggen ‘dat is van mij’, en mensen aantrof die onnozel genoeg waren om hem te geloven, was de ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij. Wat een misdaden, oorlogen, moorden, wat een ellende en verschrikkingen was de mensheid niet gespaard gebleven als iemand toen de palen had uitgerukt of de gracht had gedempt en tot zijn medemensen had geroepen: ‘Hoed je om naar die bedrieger te luisteren; jullie zijn verloren als jullie vergeten dat de vruchten iedereen toebehoren en dat de aarde van niemand is’!"

En was niet gelukkig meer, bang en onzeker, en werd steeds afhankelijker van anderen. En een van die cultuurartefacten was het libido en copuleren en orgasme een manier om even te ontsnappen aan zijn zelf gecreëerde en in stand gehouden ellende. En er kwamen kinderen die hen gelukkig moesten maken, als verzekering voor hun oude dag, waar ze van konden maken wat hen zelf niet gelukt was, die hogerop moesten komen in de hiërarchische systemen die ze zelf in het leven hadden geroepen, wat goedgepraat werd met neologismen als moederinstinct, en tegenwoordig door evolutiebiologen en –psychologen, die kennelijk zelf door hun libido worden geplaagd, geduid wordt als het instinct om "genetisch materiaal" door te geven en de soort in stand te houden en het volk gelooft dat ook nog, alsof zevenmiljard mensen hun genetisch materiaal door moeten geven en de soort in stand moeten houden! Gelukkige mensen copuleren niet en hebben ook geen kinderen nodig om hen gelukkig te maken. En zo zitten we nu met zijn allen met de ellende.

Een ander punt waarin Kaczynski zich vergist is zijn aanval op het vroege christendom, als hij schrijft "Het jagende-en-verzamelende Utopia van de anarchoprimitivisten komt overeen met de Hof van Eden, waarin Adam en Eva een behaaglijk en zondeloos leven leidden." In de Hof van Eden werd echt niet gejaagd, noch verzameld. Misschien komt dat voort uit zijn aversie tegen christenen, maar de zogenaamde christenen hebben, behalve hun mooie woorden, helemaal niets met het Evangelie te maken, want "gesteld dat een Marsbewoner onze wereld kon bezoeken, dan zou hij zich in stomme verbazing afvragen hoe het mogelijk is dat men b.v. de Rooms-Katholieke kerk in verband weet te brengen met het Nieuwe Testament" (W.F. Hermans, in Mandarijnen op Zwavelzuur, p. 133).

Voor wie dit allemaal onzinnig in de oren klinkt, utopisch en onbereikbaar, die is zijn kindertijd vergeten, heeft zijn verleden geidealiseerd, het kind in zich vermoord en gelooft bizarre hersenspinsels, die door anderen bedacht zijn. In de kleine kinderen om ons heen zien wij de oorspronkelijke mens, de taalloze, cultuurloze, schaamteloze en onbevangen mens. En wie zegt dat de mens zulke prachtige dingen gewrocht heeft, moet ook niet zeuren als hij bijvoorbeeld kanker krijgt, want dat is gewoon de andere kant van die zelf gecreëerde medaille. Is er dan een weg terug? Natuurlijk wel! Zoals Heraclitus zei: ὁδὸς ἂνω κάτω μία καὶ ὡυτή, de weg op en neer is één en dezelfde. En de primitieven? Die zijn slechts een baken op onze weg terug naar huis. Is dan alles tevergeefs geweest? Ja, helaas wel, want tot nu toe heeft de mens er nooit iets van geleerd.



Paul Lafargue PAUS PIUS IX IN HET PARADIJS


Inleiding bij deze vertaling:


Paul Lafargue (Santiago de Cuba, 15 januari 1842 – Draveil, 26 november 1911) was een Franse socialistische journalist, literatuurcriticus, essayist, publicist en politicus. Hij is vooral bekend om zijn in 1848 verschenen Le droit à la paresse, réfutation du droit au travail de 1848 (Het recht op luiheid, een 'weerlegging' van het in de revolutie van 1848 opgeëiste recht op werk), waarin hij de burgerlijke arbeidsmoraal hekelde, naast de toenmalige filosofische en ideologische opvattingen over arbeid en de gevolgen van overproductie. Hij was getrouwd met Laura Marx, een van de dochters van Karl Marx. Aanvankelijk stond Lafargue echter onder invloed van de anarchistische Franse denker Pierre-Joseph Proudhon, die hij vóór Marx al had leren kennen toen hij geneeskunde studeerde in Parijs. Na de val van de Parijse Commune in 1871 verbleef het gezin tot aan de amnestie van 1882 als politieke vluchtelingen in Spanje en Engeland. Alle drie de kinderen van het paar overleden in deze periode. In 1911 pleegde het echtpaar na een bezoek aan een opera gezamenlijk zelfmoord. 15.000 Mensen begeleidden de rouwstoet naar de begraafplaats Père Lachaise, waar Lenin namens de Russische sociaaldemocraten een grafrede hield. (Wikipedia).


Onderstaande tekst verscheen in 1872, tijdens zijn ballingschap in Spanje, voor het eerst in een Spaanse vertaling, onder de titel Pio IX en el paradiso, in het tijdschrift La Emancipación,. De Franse versie werd onder de titel Pie IX au paradis in 1882 gepubliceerd in de Egalité. Aanleiding voor dit satirische stuk was de afkondiging van het onfeilbare leergezag tijdens het eerste Vaticaanse concilie in 1870 en de bezetting van de Kerkstaat door de Italiaanse troepen in datzelfde jaar, waarna Pius IX verklaarde dat hij een gevangene was. Hij stierf in 1878, nadat hij alle daders en deelnemers aan de bezetting geëxcommuniceerd had en vergeefs Duitsland opgeroepen had om een "kruistocht over de Alpen" te ondernemen.



Lao Tzu DE TAO TE CHING


Inleiding bij deze vertaling:


Men neemt aan dat de Tao Te Ching dateert uit de 6e eeuw vóór Christus en dat de schrijver onbekend is. Lao Tzu betekent namelijk "de Oude Wijze" en het ligt dus voor de hand dat het een verzameling is van eeuwenlang mondeling doorgegeven wijsheden, die ergens in de geschiedenis opgeschreven zijn en daar zit meteen het verraderlijke van het geschreven woord. Het was namelijk alleen de elite, de geschoolden, de geleerden, de clerus en de machthebbers (en die door Lao Tzu als dwazen bestempeld werden), die het schrift machtig waren. Zij hebben zich meester gemaakt van de Tao Te Ching en hebben de inhoud en strekking bewust, maar wellicht ook onbewust, aangepast aan hun doelstellingen. Zij hebben daardoor een parel van eenvoud vermaakt tot een ingewikkeld en vaak onbegrijpelijk verhaal om hun eigen belangen, status en positie te rechtvaardigen. Het bizarre is dat het nog steeds de geleerden zijn, waarover Lao Tzu zegt dat ze niet wijs zijn, die hun interpretaties van de Tao Te Ching geven, gekleurd door hun eigen dwaasheden en daar dus van alles uit halen, wat er niet in zit.
Traduttore traditore, is het Italiaanse gezegde, waarmee bedoeld wordt, dat je een tekst alleen juist kunt vertalen als je de bedoeling van de schrijver begrijpt en wel verraad moet plegen aan die bedoeling als je die niet begrijpt. Dat wil dus zeggen, dat iedereen, die een tekst vertaalt, dat vanuit zijn optiek doet en dus aan de vertaling zal meegeven wat hij denkt dat de schrijver bedoeld heeft. En omdat ieders optiek gekleurd wordt door zijn eigen belangen, vooroordelen en overtuigingen zijn er dus net zoveel vertalingen en interpretaties mogelijk als er mensen zijn en geen een ervan zal kunnen weergeven wat Lao Tzu nou echt bedoeld heeft. Geen geleerde zal erin durven lezen dat hij zelf een dwaas is, geen leider, dat hij een omhoog geklommen onwetende is en geen filosoof dat hij slechts onzin vertelt.

Wat bedoelde Lao Tzu met de Tao Te Ching?


In wezen is Lao Tzu een klokkenluider. Iemand die zich eerst zelf heeft afgevraagd waar hij nu eigenlijk mee bezig was, zich afgewend heeft van de wereld en vervolgens als buitenstaander ziet dat zijn medemensen slechts met gebakken lucht bezig zijn, zich verstrikt hebben in hun eigen hersenspinsels, achter leiders aanlopen, die het ook niet weten, vastzitten aan onzinnige tradities en gewoonten, praten over niets, geregeerd worden door angst, niet weten wie ze zijn, zich druk maken over van alles en nog wat, elkaar afmaken, gehecht zijn aan hun bezittingen, opgesloten zitten in hun huizen, dorpen, steden en staten en in werk en sleur en hoe ze zich daarbij hebben neergelegd. Hij roept hen op zich te bevrijden van die kluisters, op te houden met de onzin waar ze mee bezig zijn, niet meer op praatjes van anderen te vertrouwen, niet meer achter leiders aan te lopen, en gewoon te genieten van het leven. Mens durf te leven!


Wat is het zwakke punt in de Tao Te Ching


Toch is de Tao Te Ching een ongelukkige mengeling van wijsheidsuitspraken en ontoereikende beschrijvingen van het ervaren van de werkelijkheid en de manier waarop al het geschapene tot uiting komt, met andere woorden over het scheppingsproces. En dat laatste is nou precies wat niet in woorden uit te drukken valt en elke poging daartoe verzandt in mystiekerig abracadabra. Wittgenstein schrijft daarover in zijn Tractatus Logico-philosophicus: "Waarover je niet kunt spreken, daarover moet je zwijgen"


Wat is het verschil tussen deze versie en alle andere versies?


Lao Tzu begrijpen wil zeggen; leven als Lao Tzu. Leven als Lao Tzu wil zeggen: ontsnapt zijn uit deze wereld, geen mening of overtuiging meer hebben, geen belangen meer hebben, nergens aan gebonden zijn, niets meer geloven, beseffen dat je niets kunt weten, geen standpunt meer hebben, niets meer te verliezen hebben en dus ook niets meer te verdedigen. De consequentie daarvan is, dat je bezittingen als volstrekt overbodig ervaart en niets en niemand meer nodig hebt. Dat je het leven niet meer naar je hand probeert te zetten, maar je op het leven mee laten drijven. Alleen dat maakt belangeloze liefde tot je medemensen mogelijk.
Van daaruit is deze versie van de Tao Te Ching tot stand gekomen. Alle tegenstrijdigheden, alle compromissen en alle inconsequenties die in de loop van vijfentwintighonderd jaar dit eenvoudige, anarchistische en revolutionaire wijsheidsgeschrift hebben bezoedeld, hebben wij er weer zorgvuldig uit verwijderd, zoals je een diamant van het stof van eeuwen ontdoet, zodat het weer in zijn oorspronkelijke stralende eenvoud kan schitteren.


Wat schiet je er nou mee op om alles overboord te gooien en wijs te worden?


Tot nu toe is je geluk afhankelijk van het gedrag van anderen, van schouderklopjes en waardering, van prestaties, van bezittingen, van kinderen, van seks, van alkohol en drugs, van het weer, van wensen en verwachtingen, en dat levert slechts momenten van geluk en tevredenheid. Het bezit van de zaak is het eind van het vermaak, en dat doet je verlangen naar meer en weer en nog een keer en het einde is zoek. Steeds zul je meer moeten doen.
De Tao Te Ching beschrijft de weg terug, terug naar de eenvoud, terug naar tevredenheid, terug naar jezelf, terug naar wat je ooit als klein kind geweest bent. Steeds hoef je minder te doen, tot je uiteindelijk niets meer hoeft, niets meer wil, niets meer te verliezen hebt. Dan ben je nooit meer bang, kent geen pijn en verdriet meer, kun je nooit meer ziek worden, nooit gespannen, nooit onrustig, geen verwachtingen dus ook geen teleurstellingen meer. Dan ben je wijs en onkwetsbaar.



Girolamo Fracastoro SYFILIS


Inleiding bij deze vertaling:


Kwik, guajac, (wat bij ons pokhout heet, naar de Spanse pokken, nog een andere naam voor syfilis), salversan, allemaal lapmiddelen en uiteindelijk penicilline, dat syfilis vrijwel de doodklap heeft gegegeven, totdat resistentie ook daar zijn tol zal eisen. Maar het is allemaal symptoombestrijding. Fracastoro noemt het verband met promiscuiteit niet, maar het moge duidelijk zijn en dat weet eigenlijk iedereen dat zonder dat geen syfilis. De medische wetenschap heeft de oorzaak gevonden, de spirochaet, de veroorzaker, maar heeft geen moreel oordeel over de drager, behandelt de ziekte, doet niets met de zieke en daar blijft het dan bij. Fracostoro laat nog doorschemeren dat de ziekte een gevolg is van een overtreding tegen de natuur, tegen de ordening van de goden, maar ziet het geheel in lijn van het joods-christelijke gedachtengoed als een straf. Iedereen weet dat als je met een hamer op je duim slaat de pijn geen straf is, maar een waarschuwing, dat je je hoofd erbij moet houden, of even rust moet nemen bijvoorbeeld. Syfilis is dus evenmin een straf, net als alle andere ziekten en pijn, maar alleen een waarschuwing om de mens te behoeden voor erger, hem op zijn schreden te laten keren, zoiets nooit meer te doen, maar onze geneeskunde kent alleen maar oorzaken, geen betekenis, heeft er geen flauw benul van dat symptomen ergens naar verwijzen, beschouwt de zieke als een toevallige drager van symptomen, waar hij zelf niets mee te maken heeft en heeft de zieke geleerd dat ook te doen. Aanleg, toeval, erfelijk, verminderde weerstand, weersomstandigheden, fijnstof, asbest, roken, ongezond eten, te weinig lichaamsbeweging, teveel zout, allemaal oorzaken, de wanen van een geneeskunde die gevangen zit in het causaliteitsdenken. Als alles met alles samenhangt, als wij allemaal rimpelingen zijn van het Higgsveld, is het onzinnig om over oorzaken te spreken. Als elke ook maar geringste beweging in het alomvattende netwerk, zich over het hele netwerk uitspreidt, als de vleugelslag van een vlinder in Nieuw Zeeland een tornado in het Caribisch Gebied kan teweegbrengen, kan alleen een kokerblik oorzaken vinden. Alle symptomen, of ze nou, om die zonderlinge tweedeling maar te gebruiken, lichamelijk of psychisch zijn, zijn wegwijzers die maar één boodschap hebben, terug, terug, terug!

Maar dat is allemaal achterhaald zeggen mensen dan, de geneeskunde heeft enorme vorderingen gemaakt, we kunnen mensen in leven houden, die vroeger allang doodgegaan zouden zijn, maar overleven is iets heel anders dan leven. En durven te beweren dat de teleologische betekenis van symptomen achterhaald is, thuishoren bij magisch of primtief denken, terwijl deze wereld doordrenkt is en drijft op millenia-oude godsdienstige leerstellingen, het atomistische denken van Democritus, Plato’s ideeënleer, Aristoteles’ methodologie, en duizenden bedenksels van andere "grote mannen" die allemaal bijgedragen hebben aan de wanen van vandaag, lijkt op zijn minst zeer inconsequent.

In zogenaamde primitieve culturen zien ze dat nog steeds anders, maar ook daar heeft het Peril Blanc huisgehouden en gaat daar onverdroten mee door.



Baron d’Holbach HET CHRISTENDOM ONTSLUIERD


Inleiding bij deze vertaling:


Paul-Henri Thiry, Baron d’Holbach (1723-1789) was een Frans-Duitse schrijver. Hij werd geboren als Paul Heinrich Dietrich in Edesheim in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts. Hij werd opgevoed in Parijs door zijn oom Franz Adam Holbach, die met speculeren op de Parijse beurs miljonair geworden was. Met zijn financiële steun studeerde Paul-Henri van 1744 tot 1748 rechten aan de Leidse universiteit. In 1753 stierven zowel zijn vader als zijn oom en lieten de toen 30-jarige d’Holbach achter met een enorme erfenis, waardoor hij de rest van zijn leven in grote weelde kon leven. Hij kon daardoor ook in zijn huis in Parijs een literaire salon organiseren, die ongeveer dertig jaar lang, tweemaal per week gehouden werd. Die salon werd uitsluitend bezocht door mannelijke bezoekers, waaronder Diderot, Grimm, Condillac, Condorcet, d’Alembert, Raynal, Helvétius en enige tijd ook Jean-Jacques Rousseau. Ook prominente Engelse bezoekers kwamen daar, waaronder Adam Smith, David Hume, Horace Walpole en Edward Gibbon. Er heerste een zeer intellectualistische en elitaire sfeer. Het gezelschap, ook wel de kliek van d’Holbach genoemd, ontpopte zich later als de grootste vijand van Jean-Jacques Rousseau, die niets naliet om hem zwart te maken.


In dat milieu ontstonden de schrijfsels van d’Holbach, waaronder Le Christianisme Dévoilé, die hij allemaal anoniem publiceerde en tijdens zijn leven aan allerlei andere anderen werden toegeschreven. Op 31 december 1768 schrijft Voltaire aan d’Alembert: "Ik weet wie Le Christianisme Dévoilé geschreven heeft, maar ik heb dat nooit rondverteld." Hij had bij de inhoud nogal wat bedenkingen, want in december 1766 schrijft hij aan mevrouw de Saint-Julien: "Ik heb de gewoonte in de kantlijn van mijn boeken te schrijven wat ik ervan vind. Als u de moeite neemt naar Ferney te komen, zult u zien dat de kantlijnen van Le Christianisme Dévoilé vol staan met kanttekeningen waaruit blijkt dat de schrijver zich in de belangrijkste feiten vergist heeft."


Le Christianisme Dévoilé is een vileine en vernietigende analyse van het geïnstitutionaliseerde christendom, uit de koker van een Machiavellistische, intellectualistische en elitaire flapdrol, die het kind met het badwater weggooit, als de oorspronkelijke boodschap van het Evangelie gezien wordt als het kind en het geïnstitutionaliseerde christendom als het badwater. De Bergrede, de heldere compilatie van die boodschap, was en zal altijd een bedreiging vormen voor de elite. Terecht schrijft d’Holbach dus dat zelfs het geïnstitutionaliseerde christendom gevaarlijk is voor de maatschappij, maar het ware christendom, is dat vele malen erger, want zoals in het Thomasevangelie staat, moet geen steen meer op de ander blijven. Het is het gevecht tussen ratio en gevoel, waarbij de Encyclopedisten de geloofsartikelen van het geïnstitutionaliseerde en dus ontaarde christendom, naadloos vervingen door de geloofsartikelen van de wetenschap. Maar het maakt ook duidelijk waarom de kliek van d’Holbach het zo gemunt had op Jean-Jacques Rousseau, die durfde te schrijven: "Almachtige God, verlos ons van de wetenschappen en de verderfelijke kunsten van onze vaderen en geef ons de onwetendheid, onschuld en armoede terug."


Toch was Le Christianisme Dévoilé in zijn tijd een zeer gewaagd geschrift. Gie van den Berghe schrijft daarover: "Augustus 1765, Abbeville, twee adellijke jongelui lopen een processie voorbij zonder de hoed af te nemen. Verklikkers beweren dat ze goddeloze liederen zongen en in de buurt werd een kruis beschadigd. Eén van de beschuldigden ontkomt naar het buitenland, maar Jean-François Le Fèvre, chevalier de La Barre, wordt opgepakt. Bij een huiszoeking treft men een beduimeld exemplaar aan van Voltaire’s pas verschenen Dictionnaire philosophique. De negentienjarige La Barre wordt op 4 juni 1766 tot de tortuur veroordeeld - tong uitgetrokken, hoofd afgehakt, lichaam verbrand. Dat is het fanatieke klimaat waarin het eerste werk van baron d'Holbach verscheen, Le Christianisme Dévoilé (1761), een felle aanklacht tegen religieus fanatisme en intolerantie. Het boek, dat nu gedateerd aandoet, sloeg in als een ‘bom op het huis van de Heer’ (Denis Diderot). Wie werd betrapt met een van de brandstapel gered exemplaar, riskeerde negen jaar dwangarbeid."



INTERVIEW MET JOHN ZERZAN


Inleiding bij deze vertaling:


Je kunt de geschriften van Zerzan het beste lezen als reportages uit de hel, als vlijmscherpe en radicale analyses van de heilloze wereld waarin wij leven en sterven. Waarin wij voor onszelf en voor onze kinderen het leven tot niet meer dan een overleven in een labyrint hebben gemaakt. Maar hij is niet radicaal genoeg. Hij is een Don Quichotte als hij tegen de technologie vecht. De technologie is slechts een voortbrengsel van de mens die het spoor bijster is en de weg terug niet meer kan vinden. Het is een logisch uitvloeisel van het bewustzijn van de huidige beschaafde mens en door het afschaffen van de technologie verander je het bewustzijn niet. Van de mens die zijn valse behoeften cultiveert en zich steeds verder vastdraait in zijn eigen gesponnen web. De technologie afschaffen is te vergelijken met het afstand doen van je bezittingen in de hoop dat je daardoor onthecht raakt.
De tijd zal aanbreken waarin mensen met mededogen zullen kijken naar de beschaafden, die nadenken, die bezittingen hebben, die zich kleden, die hun uiterlijk verfraaien, die iets presteren, die werken en die niet leven. En zij zullen zeggen: "Laat de doden hun doden begraven".



Leo Tolstoj HET KONINKRIJK GODS ZIT IN JEZELF


Inleiding bij deze vertaling:


Dit boek van Tolstoj is nooit in het Nederlands vertaald, want het is een ongemakkelijk boek, vooral voor zogenaamde christenen, die pretenderen dat hun Jezus hun grote voorbeeld is, maar wat hij vertelde met een grote korrel zout nemen en zich vervolgens afvragen waarom ze niet gelukkig zijn. Gij zult niet doden, heb uw vijanden lief, keer uw andere wang toe, bekommer u niet om de dag van morgen, wees volmaakt, verzamel geen schatten op aarde, verkoop alle wat gij bezit, wie zijn leven verliest zal het behouden, wat zijt gij bezorgd over kleding, ze lezen het allemaal, ze weten het allemaal, en gaan vervolgens gewoon over tot de orde van de dag.

Tolstoj geloofde in een historische Jezus, die geboden zou hebben gegeven, maar in wezen is die Jezus een sprookjesfiguur, aan wie de evangelieschrijvers hun verhaal hebben opgehangen. Het meest duidelijk is al je hem gewoon als een personificatie van het geweten, de Rede of de Logos beschouwt en als je dat in deze tekst ook doet, wordt het een sluitend verhaal. Je geweten of de Rede legt geen geboden of verboden op, maar stelt onaangename vragen: zou je dat wel doen, weet je het wel zeker, bedenk wat de consequenties zijn, is dat niet egoïstisch, ben je nu wel eerlijk, omdat anderen dat doen hoef jij het toch nog niet te doen, hoe zou je het vinden als iemand dat bij jou deed, waarom vind je dat belangrijk, wat wil je daarmee bereiken, is dat nou wel leuk, waarom wil je dat eigenlijk, hoe kom je daarbij, heb je dat echt zelf bedacht, waarom doe je dat, en nog heel veel andere. En dat geweten stelt die vragen niet om lastig te zijn, maar om mensen te waarschuwen en te behoeden. Het is dus geen leer van Christus, zoals Tolstoj dat beschrijft, maar gewoon de stem van je geweten of je gezonde verstand en komt uiteindelijk neer op de Gulden Regel: Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook de ander niet.

Onderstaande vertaling omvat slechts het eerste hoofdstuk van het boek, waarin Tolstoj het vooral over het niet doden en geen kwaad met kwaad vergelden heeft.

Het is daarnaast fascinerend om elders te lezen hoe de Kerkvader Augustinus en de Kerkleraar Thomas van Aquino zich in de meest ingewikkelde en genante bochten hebben gewrongen om de rechtvaardige oorlog te verdedigen en het gevolg daarvan is dat de kerk nog steeds de wapens zegent en aalmoezeniers en legerpredikanten recht proberen te praten wat krom is.



H. G. Wells HET WONDERBAARLIJKE BEZOEK


Inleiding bij deze vertaling:


In Also sprach Zarathustra zegt Nietzsche dat aan de maatschappij aangepast mensen kamelen zijn die met de kudde meelopen. Er zijn mensen die altijd kuddedieren geweest en nog steeds zijn, maar zich uit de kudde losmaken, of daar uitgestoten worden, het juk afwerpen en dan leeuwen worden, die verontwaardigd over alles wat ze in de kudde zien gebeuren briesend tekeer gaan tegen de kudde en de kuddegeest en allerlei voorstellen doen om de kudde van richting te laten veranderen en revolutie prediken. Dat zijn de kuddehervormers, de kuddeverbeteraars, die blauwdrukken leveren voor een betere kudde, op weg naar de ideale kudde. Maar Nietzsche schrijft ook dat de laatste stap is dat we weer kind worden en dat noemt hij dan de Uebermensch, wat in wezen gewoon de oorspronkelijke mens is, de mens ontdaan van alles wat hij aangeleerd heeft, de mens die alle rollen van zich afgelegd heeft, de mens die eindelijk ontdekt heeft wat hij echt is. Dan is dus het einde weer als het begin geworden. Dan is hij in deze wereld weer het onbevangen kind wat hij ooit was, een alien, of de Engel uit dit verhaal. Die Engel is te vergelijken met iemand die door "toevallige omstandigheden" terechtkomt in Plato’s Grot waar de hele mensheid in zit, (jij ook, waarde lezer), of het Narrenschip dat doelloos en richtingloos ronddobbert met talloze ruziënde stuurlieden aan het roer en volstrekt verbijsterd is bij het aanschouwen van de krankzinnige manier waarop mensen met elkaar, met hun Grot of Narrenschip omgaan.

Het is hetzelfde procedé dat bijvoorbeeld Antoine de Saint Exupérie in zijn Le Petit Prince gevolgde heeft, Jonathan Swift in Gulliver’s Travels, Lewis Carroll in Alice in Wonderland, Erich Scheurmann in Die Papalagi, Frederik van Eeden in De Kleine Johannes, Samuel Butler in Erewhon, Godfried Bomans in Erik of het Klein Insectenboek. En heel veel mensen vinden dat allemaal prachtig, omdat het altijd over de anderen gaat, maar die heel misschien vreselijk verontwaardigd zouden zijn als iemand net als Nathan tegen David, zou zeggen "Gij zijt die man." Maar waarschijnlijk zou hij er niets van begrijpen.

De Engel aanschouwt deze krankzinnige wereld, dit absurdistan, dat gebaseerd is op macht en leugens, deze wereld waarvan Shakespeare zei "All the world's a stage, and all the men and women merely players," en komt tot de conclusie: "Het is waar, dit is geen wereld voor een Engel! Het is een Wereld van Oorlog, een Wereld van Pijn, een Wereld van Dood. Het is een Wereld waarin iemand in woede uitbarst…..Ik die geen pijn en boosheid kende, sta hier met bloedvlekken op mijn handen. Ik ben gevallen. In deze wereld komen, betekent vallen. Hier moet je hongeren en dorsten en gekweld worden door duizend-en-een verlangens. Hier moet je vechten om een voet aan de grond te krijgen, boos worden en slaan…."

In deze wereld passen geen Engelen, maar ook geen kinderen die dus goedschiks of kwaadschiks aangepast moeten worden. Maar een Engel, een echt mens, een eerlijk mens, "heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen."



Gilbert Ryle DE WIL


Inleiding bij deze vertaling:


In "Gödel, Escher, Bach" schrijft Hofstadter: ‘Pas als een mens zichzelf ontworpen heeft en zijn eigen verlangens kiest (alsmede de keuze om zijn eigen verlangens te kiezen enzovoort), mag men beweren dat hij zelf een wil heeft en keuzes kan maken.’ Mensen verkeren inderdaad in de merkwaardige en tragische illusie dat ze over een vrije wil beschikken. Dat is even bizar als de bewegende deeltjes, die een Brownse beweging vertonen, een eigen wil toe te schrijven. Je kunt de mensheid beschouwen als een gigantische ballenbak, waarin de individuele mens, alleen die richting op kan die hem door de omliggende ballen wordt toegestaan. In die ballenbak wordt iedereen geboren, op een tijdstip en plek die hij zelf niet heeft uitgekozen, tussen omliggende ballen, waar hij niet om heeft gevraagd. Al die ballen duwen en trekken aan elkaar, houden elkaar op hun plaats, vinden dat iedereen zich aan moet passen aan de andere ballen, dat hij die merkwaardige bewegingen van andere ballen moet respecteren, en het aantal sanctiemaatregelen om elke bal op de hem toegewezen plaats te houden is legio. Dat noemen mensen dan vrijheid en daarin zouden ze dan een vrije wil hebben en "eigen" keuzen kunnen maken! Dan beseffen ze dus duidelijk niet dat zij eerst hun hoofd vol hebben gestopt met allerlei theorieën over goed en kwaad, lekker en vies, mooi en lelijk, gepast en ongepast, gevaarlijk en ongevaarlijk, wat die keuzen voor hen maakt. Dat wil ik zelf, zeggen ze dan, terwijl ze geen flauw idee hebben wie ze zelf zijn. Gedreven door angst, libido, vewachtingen, en wat dies meer zij, geloven ze echt dat ze een vrije wil hebben.



Erich Scheurmann DE PAPALAGI REDEVOERINGEN VAN TUIAVII VAN TIAVEA 'N ZUIDZEE OPPERHOOFD


Inleiding bij deze vertaling:


In 1968 werd door Olaf Stoop en Martin Beumer in Amsterdam de Real Free Press opgericht. Naast de vele comic strips produceerden zij in 1975 een Nederlandse vertaling van De Papalagi, rijkelijk geïllustreerd door Joost Swarte en vertaald door Martin. In 1980 is Real Free Press, die aanvankelijk voornamelijk op hasj en marihuana dreef, onder invloed van cocaïne ter ziele gegaan. Dit is een helaas, in verband met de vele MB's, van illustraties ontdane kopie.

Het verhaal is gebaseerd op eigen ervaringen van de schrijver, Erich Scheurmann, op Samoa, destijds nog een Duitse kolonie. Hij voert een gefingeerd Zuidzee opperhoofd ten tonele, om hem zijn uiterst maatschappijkritische visie uit te laten dragen. Het geeft een ontluisterende kijk op de waanzinnige westerse maatschappij, gezien door de ogen van wat zij een primitieve en onontwikkelde inboorling noemde. Eigenlijk is het het sprookje van "de Nieuwe Kleren van de Keizer" waarin het onbevangen kind de illusie en de waanzin ontmaskert. Sindsdien is de wereld alleen maar ingewikkelder, ondoorzichtiger en krankzinniger geworden en houdt het verhaal van Erich Scheurmann de westerse mens en allen die hij in zijn verwoestende kielzog heeft meegesleept, alleen een nog pijnlijkere spiegel voor.

Maar het verhaal heeft ook zwakheden. Scheurmann schetst een geïdealiseerd beeld van de Tiaveanen. Zij leefden weliswaar dicht bij de natuur en dus dicht bij zichzelf, maar ook zij leefden niet in de natuur en waren dus ook niet wat ze zouden moeten zijn. Zij hadden ook hun regels, tradities, gewoonten, rituelen, kleding, versieringen, bezittingen en dus ook een opperhoofd. Ook zij waren, zoals elke cultuur, afgeweken van het rechte eenvoudige pad en zijn uiteindelijk ook gezwicht voor de doodlopende weg van de blanken. Maar ongetwijfeld moet het Evangelie voor hen begrijpelijker zijn geweest dan voor degenen die het brachten. Zij pretendeerden het Licht te brengen en brachten slechts duisternis.

Een officiële uitgave, van de uitgeverij Heureka, is nog steeds in de boekhandel verkrijgbaar



Herman Melville BARTLEBY, DE AKTENAFSCHRIJVER. EEN VERHAAL OVER WALL STREET


Inleiding bij deze vertaling:


In 1851 Herman Melville schreef zijn Moby Dick, dat hij opdroeg aan zijn grote vriend Nathaniel Hawthorne. Het was geen financieel succes. De eerste druk van 3000 exemplaren raakte tijdens Melville’s leven niet eens uitverkocht. Het jaar daarop publiceerde hij zijn roman Pierre or, The Ambiguities. Hoewel hij zijn uitgever verzocht had het onder pseudoniem te publiceren, verscheen het toch onder zijn eigen naam. Het werd de grond in geboord op grond van moraal en stijl. De New York Day Book schreef: "Herman Melville Crazy." Vervolgens verscheen in het november- en decembernummer van Putnam's Monthly Magazine of American Literature, Science and Art jaargang 1, 1853 dit korte verhaal Bartleby, the Scrivener: A story of Wall Street. Ook dat was geen succes, hoewel het meer verspreiding kreeg toen het in 1856 opgenomen werd in de verhalenbundel The Piazza Tales en de afgelopen dertig jaar is het een van de meest besproken Amerikaanse korte verhalen geweest. Meestal wordt aan het verhaal een metafysische of theologische interpretatie gegeven. Een grote invloed daarbij heeft de radicale Italiaanse filosoof Giorgio Agamben gehad, die in 1993 zijn essay Bartleby, la formula della creazione publiceerde, in zijn bekende hermetische jargon in de trant van ‘Dit is de filosofische constellatie waarin Bartleby de afschrijver thuishoort: als schrijver die stopt met schrijven is hij de extreme gestalte van het niets waaruit de gehele schepping ontstaat, en tegelijkertijd is hij degene die dit niets in zijn reine en absolute potentie onverbiddelijk opeist. De schrijver is een schrijftafel geworden en voortaan niets anders dan zijn eigen blanco vel.’ Hij ziet Bartleby als ‘iemand die teruggekeerd is tot een tabula rasa en de potentia absoluta vertegenwoordigt, de kerygmatische gestalte, belichaming van het volmaakte zijn zonder predicaat.’ Kun je het nog volgen? Gilles Deleuze schrijft: ‘Bartleby is geen metafoor van de schrijver noch een symbool van wat dan ook. Het is een extreem komische tekst en het komische is altijd letterlijk.’ Hij heeft het over ‘een negativisme dat verder gaat dan alle negatie’ en ‘Bartleby is de man zonder referenties, zonder bezittingen, zonder eigenschappen, zonder bijzonderheden: hij is te glad om een bijzonderheid aan vast te maken. Zonder verleden noch toekomst.’ Slavoj Žižek, de filosoof van Occupy haalt Bartleby aan in verband met Occupy Wall Street. Hij noemt dat de ‘Bartleby lesson.’ ‘De boodschap van Occupy is: ik speel het bestaande spel liever niet mee.’ Volgens alle drie is Bartleby in ieder geval iemand die het spel niet meer meespeelt, zich afgekeerd heeft van de spektakelmaatschappij, de Mann ohne Eigenschaften, iemand die uit zijn rol is gestapt, zijn identiteit heeft afgelegd en dus eigenlijk de naakte, ware mens vertegenwoordigt. En zo gaat de discussie over wat de parabel nu eigenlijk betekent nog steeds eindeloos verder.

Maar misschien is er nog een uitleg mogelijk, een soort synthese of kleinst gemene deler van de interpretatie van deze drie als filosoof vermomde mensen, die door de gekleurde bril van hun identiteit de identiteitloze Bartleby bekijken. Bartleby heeft het bizarre grotemensenspel doorzien en weigert het verder mee te spelen en blijft te midden van al die drukdoende mensen om hem heen, de onverstoorbare toeschouwer, een levende aanklacht tegen de toneelspelers die alleen maar druk doende zijn elkaar bezig te houden en zichzelf heel belangrijk vinden en zich heel ongemakkelijk voelen onder de blikken van iemand waarvan ze voelen dat hij hen door heeft. Je zou kunnen zeggen dat hij het gepersonifieerde geweten is, dat mensen met zichzelf en dus hun rol confronteert en dat is het laatste wat ze willen. Hij is dus gek, het meest doeltreffend etiket om iemand die hen hun onwaarachtigheid laat zien onschadelijk te maken en wordt als landloper opgesloten. Er is een duidelijke parallel met het schilderij van Jheronimus Bosch, De Landloper, of ook De Marskramer of De Verloren Zoon genoemd. Dat zouden dus benamingen kunnen zijn die niet de lading dekken. Het personage van Bosch neemt net als Bartleby beschadigd afstand van de krankzinnige wereld, past daar niet meer in of wil daar niet meer in passen. Het verschil met Bartleby is hij denkt dat hij kan vluchten en Bartleby beseft dat vluchten niet kan. Bosch’ landloper vertrekt, Bartleby beseft dat de enige mogelijkheid die hij heeft zijn liever niet is. Beiden kunnen dus opgevat worden als het gepersonifieerde geweten, dat onschadelijk gemaakt en het zwijgen opgelegd moet worden, het kleine kind uit De Nieuwe Kleren van de Keizer, waarvan mensen tegenwoordig zouden zeggen dat het zo leuk uit de hoek kan komen en horende doof en ziende blind overgaan tot de orde van de dag.



David L. Rosenhan OVER GEZOND ZIJN OP ONGEZONDE PLAATSEN
 

Inleiding bij deze vertaling:


Krankzinnig, geestelijk gestoord, waanzinnig, abnormaal, geestesziek, gek, maf, enz. zijn allemaal etiketten die in in de loop der tijd altijd door de "normalen" opgeplakt zijn op mensen die, in hun ogen, afwijkend gedrag vertoonden. In zijn boek Conserve (1947) schrijft Willem Frederik Hermans: "Krankzinnigheid is iets wat alleen door zijn zeldzaamheid wordt bepaald. Als van honderd mensen er vijf en negentig krankzinnig zijn, dan zijn niet zij krankzinnig, maar de vijf, die het niet zijn. Als er op de heele wereld maar een mensch leefde dan zou niemand kunnen uitmaken of die krankzinnig was of niet!!" In de vertaling zijn alle eufemismen van "gek" door elkaar gebruikt.



Sergej Netchajev DE REVOLUTIONAIRE CATECHISMUS


Inleiding bij deze vertaling:


De Revolutionaire Catechismus naast het Thomasevangelie, Etienne de la Boetié en Mark Twain vereist op z’n minst enige toelichting. Onvrede met de bestaande machtstructuren en het onrecht in de wereld doet mensen naar een andere wereld verlangen en zo ontstaat de revolutionair, die altijd als een idealist begint, maar zich uiteindelijk ontpopt tot commissaris of yogi, afhankelijk van het feit of hij tot de conclusie komt dat het doel de middelen heiligt


Arthur Koestler publiceerde in 1945 een bundel artikelen waarvan het eerste en het laatste als titel had: 'De yogi en de commissaris’. ……. De beide stukken hebben niet de bekendheid gekregen, die zij om hun volmaakte vorm en oorspronkelijke inhoud verdienen. Ik begin met een citaat waarin hij de Indische teruggetrokken levende yogi en de actieve commissaris als twee typen tegenover elkaar plaatst. 'De commissaris gelooft in Verandering van Buitenaf. Hij gelooft dat alle kwalen die de mensheid teisteren, inclusief constipatie en het Oidipous-complex, kunnen en zullen worden genezen door Revolutie, d.w.z. door een radicale reorganisatie van het systeem van goederen produktie en -distributie; dat dit doel het gebruik van alle middelen heiligt, inclusief geweld, list, verraad en vergif; dat logisch redeneren een onfeilbaar kompas is en de wereld een soort groot uurwerk, waarin een heel groot aantal elektronen eenmaal in beweging gezet voor altijd in hun voorspelbare banen zullen draaien; en dat iedereen die in iets anders gelooft een escapist is . . .. …De yogi heeft er geen bezwaar tegen om de wereld een uurwerk te noemen, maar hij is van mening dat ze met dezelfde graad van waarheid een muziekdoos of een visvijver zou kunnen worden genoemd. Hij gelooft dat het Doel waar de wereld naar toegaat onvoorspelbaar is en dat alleen de middelen van belang zijn. Hij verwerpt geweld onder alle omstandigheden. Hij gelooft dat logisch redeneren zijn kompaswaarde geleidelijk aan verliest naarmate de geest meer nadert tot de magnetische pool van de Waarheid of het Absolute, die alleen van belang is. Hij gelooft dat niets kan worden verbeterd door uitwendige organisatie en alles door de individuele poging van binnen uit; en dat al wie in iets anders gelooft een escapist is. Hij gelooft dat de schuld die de woekeraars als een slavernij op de Indiase boeren hebben gelegd niet ongedaan moet worden gemaakt door een financiële wetgeving maar door geestelijke middelen. Hij gelooft dat ieder individu eenzaam is, maar aan het Al-ene is gebonden door een onzichtbare navelstreng; dat zijn scheppende krachten, zijn goedheid, waarachtigheid en nuttigheid alleen kunnen worden gevoed door het levenssap dat hem door deze navelstreng toestroomt en dat zijn enige taak in dit aardse leven is iedere handeling, gevoel of gedachte te vermijden die zou kunnen leiden tot breken van die streng. Deze vermijding moet worden gehandhaafd door een moeilijke en ingewikkelde techniek, het enige soort techniek dat hij aanvaardt.'


…….. In het artikel waaruit ik zojuist citeerde gaat het hem er juist om aan te tonen dat beiden, zowel de yogi als de commissaris, in hun eenzijdigheid vastlopen. De commissaris is zelf een verwrongen man. Hij heeft alle contact met zijn diepere onbewuste lagen en de navelstreng die hem verbond met het Absolute doorgesneden. Als het in zijn eigen leven tot een crisis komt, heeft hij geen houvast. En zijn pogingen om de wereld te veranderen, vanaf Spartacus die in 73 voor Chr. de slaven van het Romeinse rijk tot opstand bracht, tot aan de revolutie der Sovjets, zijn tot nu toe mislukt, als men tenminste van de revolutie een ontplooide menselijkheid verwacht. Hoe komt dat? De commissaris zelf zal zeggen: omdat het establishment te machtig is. Koestler antwoordt: omdat een revolutie van buiten af de mensen niet innerlijk verandert en omdat bovendien de revolutionair te weinig scrupuleus is in de keuze van zijn middelen en dus tegenkrachten oproept.

Maar ook de yogi heeft geen succes gehad, zo gaat Koestler verder. Zijn pogingen om de wereld van binnen uit te veranderen, door nl. zich zelf en anderen tot heiligheid te brengen, zijn evenmin geslaagd. De contemplatieve heilige is in zijn benadering van de sociale problematiek vaak een naïeve dilettant. Om sociale structuren te veranderen is deskundigheid, inzicht en berekening nodig.


De conclusie is: noch de heilige, noch de revolutionair kan ons redden, maar alleen een synthese van beiden.


Maar wat is nu precies de tegenstelling waarvan Koestler uitgaat? Hij plaatst tegenover verandering-van-binnen-uit de verandering-van-buiten-af. Wie in dit laatste gelooft, zegt dus: verander de structuren, desnoods met geweld. Want de structuren maken de mensen. Wie dus de structuur verandert, maakt ook nieuwe mensen……..Maar wat bedoelt dan degene die verandering van binnen uit voorstaat? De yogi onthoudt zich van rechtstreekse sociale actie, of hij werkt op de mentaliteit van de mensen en roept op tot bekering, zoals Gandhi, vertrouwend dat bekeerde mensen een nieuwe wereld zullen vormen. De commissaris begint bij de structuren en hoopt te eindigen bij de individuele mensen, de yogi begint bij de individuele mensen en hoopt te eindigen bij de structuren.


De werkwijze van de yogi is de oudste en de meest traditionele, ook in het Westen. Het jonge christendom mikte op nieuwe individuele mensen, niet rechtstreeks op structuurverandering. De heilige beminde God en de mensen en hij was wel vaak sociaal actief, maar hij had weinig inzicht in structuren - hoe zou hij dat kunnen hebben, hij was immers geen wetenschapper - hij dacht nog minder aan het omverwerpen van instituties, maar hij geloofde in de wedergeboorte en de revolutie die door de Geest Gods wordt teweeggebracht in de harten. De contemplatieve monnik vertrouwt dat zijn heilig leven zal uitstralen en zo de wereld zal bevruchten. Beziet men het van de ooghoek der controleerbare sociale efficiency, dan stelt het teleur. En die ervaring is dan ook de oorzaak van de crisis, waarin het contemplatieve leven verkeert.


Maar werkt de commissaris alleen van buiten af? Iedere revolutionaire beweging streeft ernaar niet alleen de structuren, maar ook de mentaliteit te veranderen. In zoverre is Koestlers karakteristiek onvolledig. De nieuwe onbaatzuchtige mens is een steeds terugkerend thema van revolutionaire toespraken. Mao roept niet minder tot bekering op dan Jezus en Paulus deden. Nergens wordt meer gemoraliseerd dan in de communistische landen. Heeft de moderne revolutionair dan al de synthese van de commissaris en de yogi, waarvan KoestIer sprak? Hij wil wel anderen bekeren, maar de gedachte dat hij zelf géén bekering nodig heeft, ligt voor de hand. Immers, hij ziet wat anderen verkeerd doen, waar de structuren falen en hij wil aan het werk. Hij wil wel nadenken over de vraag of zijn middelen effectief zijn, maar niet in hoever hij zelf onbaatzuchtig is. En dat is voor iedereen een pijnlijke vraag. Het actiecomité vergadert geregeld, maar het zal zelden gebeuren dat de activist zich terugtrekt voor gebed of contemplatie. Waarom lukt dat zo slecht? Hij heeft er geen tijd voor, het schept een kritische distantie tegenover de activiteit die hem tot twijfelen zou kunnen brengen èn hij vreest de eenzaamheid met zichzelf. En bovendien kan hij zijn activiteitsdrift rationaliseren door te zeggen dat de kerken in tweeduizend jaar propaganda voor het bidden geen noemenswaardige successen hebben geboekt op maatschappelijk terrein. De nieuwe mens is uitgebleven. ……Koestler zal wel gelijk hebben: als de wereld werkelijk veranderd kan worden, moet dat komen van een synthese: de yogi en de commissaris in één persoon, de activiteit en de contemplatie samen: het wetenschappelijk inzicht in structuurproblemen, cultuurbeïnvloeding, de doelbewuste revolutionaire actie èn de ontwapenende persoonskwaliteiten die uitstralen en waaraan de mensen zich spontaan gewonnen geven. (Uit: Oosterse Renaissance, Han Fortmann, Ambo 1970)


Daarom gelden in ieder geval de eerste 4 artikelen van de Catechismus van Netchajew voor alle revolutionairen, voor Lao Tzu, de Boeddha, Tswang Tze, de schrijvers van de Evangeliën, voor Ghandi, Krishnamurti, Mao, Che Guevara, Volkert van der G., de Unabomber, de Baader Meinhof-groep, de Weatherman Underground, het Lichtend Pad, de Farc, de Anti-globalisten, en alle andere ketters, revolutionairen en ketterse en revolutionaire bewegingen uit verleden en heden. Op het moment dat haat hun drijfveer wordt, heiligt in hun ogen het doel de middelen en komen ze in een heilloze spiraal terecht. En daar geeft de rest van de Catechismus een uitermate verhelderend beeld van. Er is niets nieuws onder de zon!


Het is het dilemma tussen verbeter de wereld en begin bij jezelf of verbeter jezelf en begin bij de wereld.



Michael Bakoenin BRIEF AAN SERGEJ NETCHAJEV


Inleiding bij deze vertaling:


Een van de wortels van het Europese terrorisme ligt in het Rusland van de 19e eeuw en zijn oppositiebeweging van de studenten, waaruit het type van de beroepsrevolutionair voortkwam. Sergej Netchajev (1874 – 1882) was een van hun wegbereiders. Hij voerde de partijdiscipline in, deed bereidheid om geweld te gebruiken en terreur ingang vinden en bevorderde zodoende de militarisering van het protest. Fjodor Dostojevski, die in 1871het opzienbarende proces tegen de aanhangers van Netchajev bijwoonde, wijdde aan het ontstaan van deze mentaliteit zijn derde grote roman, Demonen (Boze Geesten/Duivels). Bakoenin en Dostojevski hebben allebei enige tijd, de eerste vier jaar, de laatste acht maanden, in dezelfde gevangenis – de Peter-en-Paul-gevangenis in Sint Petersburg – doorgebracht, als waarin Netchajev, na zijn veroordeling tot levenslang, is opgesloten en uiteindelijk is gestorven.

De anarchist Bakoenin, was de zoon van een landedelman, met lijfeigenen, Netchajev was de zoon van een lijfeigene en dat is ongetwijfeld de belangrijkste factor die hun beider doen en laten heeft bepaald. Bakoenin was dus een afvallige van de elite, die diezelfde elite als veroorzaker van alle ellende van het volk zag, omdat hij van bovenaf had gezien hoe het volk daardoor werd onderdrukt; Netchajev had dat zelf aan den lijve ondervonden en keek vanuit zijn onderdrukte positie naar de onderdrukkers. Je zou dus kunnen stellen dat Bakoenin zich medeverantwoordelijk voelde en vanuit schuldgevoel en plaatsvervangende schaamte zijn rol als revolutionaire anarchist op zich heeft genomen. Hij wordt gedreven door mededogen. Netchajevs drijfveer is onontkoombaar en onmiskenbaar alleen maar haat, wraak en vergelding. Bakoenin schuwt geweld, Netchajev is ervan overtuigd dat het doel de middelen heiligt. Beiden hebben hetzelfde doel voor ogen, namelijk het omverwerpen van alle machtsstructuren. Hun beider manco is dat zij in abstracties denken, het volk, de klassen, de regering, de elite, de Staat, de vijand, en dat hun beider einddoel volstrekt onduidelijk is. Beiden wijzen ze geen schuldige of verantwoordelijke individuen aan, maar abstracte begrippen, structuren, en systemen. Daarin verschillen zij in niets van welke revolutionair dan ook. In wezen vechten zij allebei als een Don Quichot tegen virtuele windmolens, en beiden hebben geen Sancho Panza die hen tot de orde roept.

Twee goedbedoelende maar tragische figuren. Het is dus niet goed met hen gegaan.


In onderstaande brief van Bakoenin aan Netchajev is duidelijk hoe zij elkaar voor hun eigen karretje proberen te spannen, Bakoenin zwicht voor het fanatisme en de gedrevenheid van Netchajev, terwijl Netchajev liegend en bedriegend gebruik probeert te maken van het intellect van Bakoenin.

Een gedeelte van de brief gaat over het verdwenen geld uit het door Alexander Herzen beheerde Bahmetev-fonds, dat aan Netchajev ter hand was gesteld. In september 1872 werd in Den Haag het vijfde congres van de Internationale Arbeidersbeweging gehouden, waar ook Karl Marx aanwezig was. Daar werden, onder druk van de marxisten, Bakoenin en twee leden van de Jurafederatie uit Genève als leden van de Alliantie geroyeerd. Het tegen hem aangevoerde verwijt was dat hij de Alliantie had opgericht, waarvan de statuten volgens het congres ‘geheel tegengesteld waren aan die van de Internationale’. Na uitgebreide protesten van een aantal leden werd een geheime vergadering belegd, waar Marx onder geheimhouding een brief had getoond, waaruit chantage van Bakoenin zou blijken. Het was een door Netchajev geschreven dreigbrief, waarvan Marx aan de commissie suggereerde dat die op instigatie van Bakoenin was geschreven, terwijl hij wist dat het niet zo was. Dat is de achterbakse manier waarop Marx omging met mensen die hem van repliek dienden. Zelfs Marxisten hebben deze manipulatie als de zwartste bladzijde in het leven van Karl Marx bestempeld. Maar al eerder had hij Bakoenin ervan beschuldigd dat hij een tsaristische agent was. In 1870 had Marx in vertrouwelijke documenten, verzonden aan de Duitse partij, en ook naar België, lasterlijke beweringen over Bakoenin geuit, die ook hun weg naar de pers vonden.

Dat is nou Karl Marx, die kennelijk heel wat had opgestoken van het jezuïtisme van Netchajev.



E.M. Forster DE ANDERE KANT VAN DE HEG


Inleiding bij deze vertaling:


E.M. Forster is vooral bekend door zijn verfilmde boeken, A Passage to India en A Room with a View. Daarnaast schreef hij korte verhalen en naast The Machine Stops, destijds een science fictionverhaal waarin mensen vrijwel uitsluitend via tabletachtige apparaten met elkaar communiceren en tegenwoordig dus bewaarheid geworden, is onderstaand verhaal zonder twijfel het meest besproken. Het vertoont nogal wat paralellen met Plato’s Allegorie van de Grot. Aan de ene kant van de heg de ‘mensen van de weg’ die altijd onderweg zijn, altijd ergens naartoe gaan, hoewel ze in feite geen echt doel hebben, en dat vooruitgang noemen, ‘wetenschap en wedijver — dat zijn de krachten die van ons hebben gemaakt wat we zijn,’ en aan de andere kant mensen die leven in een dolce far niente en mededogen hebben met de zinloos ploeterende ‘mensen van de weg.’ Veelbetekenend is de uitspraak van iemand die ‘de weg’ verlaten heeft, aan de andere kant terecht is gekomen en wanhopig wordt van de het paradijslijk leven daar: ‘geef mij maar het leven, met zijn strijd en overwinningen, met zijn mislukkingen en haatgevoelens, met zijn diepzinnige morele betekenis en onbekende doel!’ De kerkvader Tertullianus wordt de uitspraak toegeschreven: ‘ik ben van mening dat het Koninkrijk Gods er moet komen, maar dan wel ná mijn tijd.’ Voor al die mensen die hun identiteit ontlenen aan hun werk, status, bezit, kennis of macht, kortom aan wat ze denken en doen, moet een rechtvaardige wereld, een wereld van vrijheid, gelijkheid en broederschap, een aards paradijs, een gruwel zijn. De ideale wereld van de dominee zit vol gelovigen, van de machthebber: vol onderdanige burgers, van de ouder: alleen maar gehoorzame kinderen, van de fabrikant: vol kritiekloze consumenten, van de sadist: vol masochisten, van de onzekere: vol mensen die hem schouderklopjes geven, enzovoort. Niemand is gelukkig, niemand is tevreden, niemand kent zichzelf, dus wees niemand!



Voltaire BRIEF AAN DOCTER JEAN-JACQUES PANSOPHE


Inleiding bij deze vertaling:


De brief aan doctor Pansof ("Alwijs") is ontegenzeglijk door Voltaire geschreven, maar hij heeft dat zelf altijd ontkend. Ook de geadresseerde, Jean-Jacques Rousseau, heeft daar nooit aan getwijfeld. In een brief aan David Hume, schrijft hij: "Ongeveer in dezelfde tijd …. zegt hij, verscheen een brief van M. de Voltaire aan mij gericht (aan doctor Pansof) met een Engelse vertaling, die verder gaat dan het origineel. Het edele onderwerp van dat geestige werk is om bij degenen, bij wie ik mijn toevlucht heb gezocht, verachting en haat voor mij op te wekken." Voltaire zelf heeft geprobeerd het auteurschap van de brief aan anderen toe te schrijven, eerst aan de eerwaarde Croyer en later aan Borde, die beiden verontwaardigd protesteerden.

Hoewel Voltaire regelmatig geestig is, blijft het toch een uitermate kinderachtige aanval op de ideeën van Rousseau. Natuurlijk heeft Rousseau een aantal tekortkomingen, natuurlijk is hij af en toe tegenstrijdig, natuurlijk is hij voor zijn ijdelheid gezwicht, maar dat doet niets af aan de strekking van zijn boodschap en daar heeft Voltaire het niet over.

Het is de tragiek van alle mystici, alle verlichten en van alle utopisten, dat ze de werkelijkheid hebben aanschouwd, maar allemaal gestruikeld zijn in de uitwerking van hun inzicht. Dat wil dus zeggen dat als ze ook maar één fout maken, één komma verkeerd zetten, ze op een genadeloze afrekening door hun tegenstanders mogen rekenen. Voltaire doet dat in deze brief. En zo werd Jean-Jacques Rousseau een haveloze verliezer en sleet Voltaire zijn laatste jaren op zijn eigen kasteel met tweehonderdveertig knechten.



Nathaniel Hawthorne DE SPOORWEG NAAR DE HEMEL


Inleiding bij deze vertaling:


John Bunyan (1628 – 1688) was een Engelse puriteinse prediker. Hij was van eenvoudige afkomst. Hij werd op latere leeftijd prediker in baptistische gemeenten. Zijn prediking was eenvoudig, direct en bijbels. Hij heeft verschillende boeken geschreven. Zijn bekendheid is vooral gebaseerd op zijn boek The Pilgrim's Progress (1678) in het Nederlands vetaald, onder de titel "Een christenreis naar de eeuwigheid." Het boek is een allegorisch verhaal over het leven van een christen, zoals dat op aarde zou moeten zijn. In wezen gaat zijn verhaal niet over christenen, maar over zoekers, pelgrims, die zich afwenden van de wereld en zich op hun louteringsweg ontdoen van alles wat hen aan die wereld heeft gebonden. Afrekenen met hun verleden, met hun begeerten, met hun ondeugden, en op reis gaan naar de apatheia, de Hemelse Stad, het Nirvana, met andere woorden, die zichzelf zoeken.

Maar de werkelijkheid is helaas anders. Gezwicht voor de wereldse geneugten, gaan de mensen die zich christen noemen, naar hun kerken in de stad IJdelheid, gaan zich te buiten aan alles waar hun eigen boek voor waarschuwt, zijn trots op hun ijdelheid en hun bezittingen, en beschouwen echte pelgrims als dwaze onbenullen, die in een psychiatrische inrichting thuishoren.

Daar gaat deze vlijmscherpe satire van Nathaniel Hawthorne over.



Tao Yuanming HET LAND VAN DE BLOEIENDE PERZIKBOMEN


Inleiding bij deze vertaling:


Dit verhaaltje is een van de weinige Chinese vertellingen over een utopia, hoewel ook hierin elementen in voorkomen die niet thuishoren in een ideale wereld. In een ideale wereld schamen mensen zich niet en dragen dus geen kleren, zijn tevreden en hebben dus geen enkele behoefte aan alcohol, denken niet aan de dag van morgen en bebouwen dus niet het land, hebben eerbied voor het leven en zijn dus vegetariërs en leiden een zwervend bestaan. Zoals David Thoreau dat verwoordde in Walden: ‘Maar helaas. De mensen zijn werktuigen geworden van hun werktuigen. De man die vrij en blij vruchten plukte als hij honger had, is nu een landbouwer geworden; en hij die ooit onder een boom schuilde is nu een thuiszitter. Wij slaan niet meer een kamp op voor een nacht, maar wij hebben ons vastgeklit op de grond en de hemel vergeten.’ In de Tao Teh Ching, ontdaan van de aankoeksels van eeuwen, is daarvan nog een echo te horen. En in de Don Quichot schreef Cervantes: ‘Welzalig tijden en eeuwen, die de Ouden de naam De Gouden gaven, en niet omdat het goud, dat in onze eeuw van ijzer zo hoog op prijs wordt gesteld in die gelukkige jaren zonder moeite verkregen werd, maar omdat zij die toen leefden de twee woorden mijn en dijn niet kenden. In die gezegende tijd van deugd en rechtvaardigheid waren alle dingen gemeenschappelijk bezit: niemand behoefde zich om in zijn dagelijks onderhoud te voorzien andere moeite te getroosten dan de hand uit te strekken en het van de krachtige bomen te plukken die met hun zoete en rijpe vruchten gastvrij tot eten noodden. Heldere bronnen en snelstromende rivieren boden in weelderige overvloed een even smakelijk als kristalhelder water. In de rotskloven en holle bomen verzamelden de nijvere en schrandere bijen hun volkeren en schonken een ieder zonder aanzien des persoons de rijke oogst van haar zoete arbeid. De stoere kurkeik leverde als ware hij tot niets anders geschapen vol hoffelijkheid zijn brede en lichte schors, waarmee men de daken van de behuizingen dekte, die door grove palen gestut, enkel dienden ter bescherming tegen weer en wind. Alle was toen vrede, vriendschap en eendracht. Het logge kouter van de kromme ploeg had de milde buik van ons aller moeder aarde nog niet geopend en doorwroet; want die vruchtbare en rijke schoot schonk zonder dwang al wat de mensen die destijds haar zonen waren, aan voedsel, verzadiging en vermaak behoefden. Men zag de ongekunstelde en schone herderinnen over berg en dal dwalen met ongedekt hoofd, en met niet meer kleren aan het lichaam dan nodig waren eerbaar te bedekken wat de eerbaarheid vordert en altijd gevorderd heeft dat bedekt wordt. En haar tooi was niet die welke tegenwoordig gebruikelijk is en waaraan het Tyrisch purper en de op zo menige wijze geplooide zijde glans en luister moeten bijzetten; nee, hij bestond slechts uit enkele samengevlochten groene blaren van kleefkruid en klimop, waarmede zij allicht even trots en sierlijk rondliepen als tegenwoordig onze dames aan het hof met de vreemde en zonderlinge bedenksels welke de zucht tot buitenissigheden haar geleerd heeft. Toen werd de taal der liefde eenvoudig en ongekunsteld gesproken, volkomen zoals de ziel ze ingaf en zonder dat men naar gemaakte en onnatuurlijke omhaal van woorden zocht om verliefde gedachten schromelijk te overdrijven. Leugen, bedrog en kwaadwilligheid hadden waarheid en oprechtheid nog niet vertroebeld. De gerechtigheid bewoog zich vrij op haar eigen gebied, waarvan de grenzen niet geschonden en overschreden werden door begunstiging en eigenbelang, zoals die haar thans aantasten, verzwakken en achtervolgen. Willekeur was het brein van de rechter nog onbekend; aangezien er niets te oordelen viel en niemand geoordeeld werd (Uit: De geestrijke ridder Don Quichot van de Mancha, vert. Werumeus Buning en C.F. A van Dam, uitg. Querido, 1992).



Jim Henson en Jerry Juhl THE CUBE


Inleiding bij deze vertaling:


In 1969 werd bij de NBC-television het bijna één uur durende televisiespel The Cube eenmalig vertoond en verdween vervolgens ergens op de planken in de vergetelheid. Het was geschreven door de destijds 33-jarige Jim Henson (1936 – 1990), de bedenker van Sesamstraat. Inmiddels is het stuk wereldwijd herontdekt, en op het internet is niet alleen de oude zwart-wit versie te zien, maar ook een kleurenversie. Er bestaan diverse discussiegroepen die zich terecht en begrijpelijk buigen over de tijdloze boodschap van The Cube.


The Cube is een prachtige metafoor van het leven zoals dat door de mensen in deze wereld wordt geleefd, maar merkwaardig genoeg door slechts weinigen zo wordt ervaren. Mensen hebben het over vrijheid, die verdedigd moet worden, die ze dan ook nog een vrijheid in gebondenheid noemen, kennen zichzelf een vrije wil toe en geloven dat echt, terwijl ze gebonden zijn aan tradities en meningen en beheerst worden door hun willen en moeten, verlangens, angsten, libido, prestatiedrang, en hebzucht en daarbij alles wat andere mensen van hen willen en verwachten, wat Sartre tot de uitspraak bracht: "l’enfer, c’est les autres." Dat is hun Cube en in die Cube moeten ze er maar het beste van maken, want ontsnappen kan toch niet. Dat hebben ze hun hele leven gehoord en dat geloven ze dus en waarom zou je dan proberen om te ontsnappen. Ze weten niet beter, en vinden hun manier van leven zo vanzelfsprekend, dat ze echt niet in de gaten hebben hoe begrensd, beperkt en bekrompen hun leven eigenlijk is. Ooit hebben ze wel eens een moment gehad, waarin ze een helder moment hadden en het gevoel hebben gehad, dat het leven misschien toch meer was, maar die gedachte was te bedreigend en dus hebben ze zich neergelegd bij hun idee dat ontsnappen toch niet mogelijk was.

En wat doen ze dan allemaal in hun Kubus? Nou, daar zijn ze vreselijk druk in bezig, die verfraaien ze, daar doen ze zogenaamde leuke dingen in, daarin spelen ze een rol, daar feesten ze in, worden ziek en gaan uiteindelijk dood, zonder dat ze ooit de echte wereld hebben gezien. Zoals D.H. Lawrence dichtte:


The Optimist

The optimist builds himself safe inside a cell

and paints the inside walls sky-blue

and blocks up the door

and says he's in heaven.


De optimist metselt zichzelf veilig in, in zijn cel
en verft de wanden hemelsblauw
en barricadeert de deur
en beweert dat hij in de hemel is.


maar dat wil hij niet weten, want dat is zijn enige houvast en hij wordt razend als je aan zijn schijnzekerheden morrelt, want dat zou inhouden dat hij zich heeft vergist en dat is het laatste wat hij durft toe te geven.


Binnen de Kubus bevinden zich ook een schare van deskundigen, die pretenderen niet alleen heel veel over het leven in de Kubus te weten, maar er zijn zelfs ook mensen die vertellen hoe de Kubussen zijn ontstaan, wie de Maker is geweest, wat Hij daarmee heeft bedoeld en wat de Kubusbewoners te wachten staat na hun leven. Ze vertellen dat je heel goed je best moet doen in je Kubus, dat je veel moet bidden tot de Maker en dat Hij je dan misschien zal helpen en dat je, als je dat allemaal zult doen, na je dood – overlijden noemen ze dat, omdat je lijden dan voorbij is - eindelijk vrij zult zijn. Ze hebben dat allemaal uit hun zogenaamde Heilige Boeken en merkwaardig genoeg staan daar ook verhalen in van mensen die hen verteld hebben dat ontsnappen wél mogelijk is en zelfs hoe dat je dat moet doen, namelijk dat je alles op moet geven, totdat je zo klein bent dat je ‘m door een heel klein poortje kunt smeren. Dat vinden ze een prachtig verhaal en ook heel knap van de ontsnappers, en daar hebben ze dus vreselijk veel bewondering voor en die aanbidden en vereren ze, omdat ze het hebben gedurfd. Maar zelf hebben ze zoveel in hun hoofden en zoveel bezittingen waar ze aan gehecht zijn, dat ze er met hun gevulde hoofden en al hun bagage echt niet doorheen kunnen en op alle mogelijke manieren proberen ze andere mensen die een poging doen om te ontsnappen, te ontmoedigen en tegen te houden.


Dat is ook de taak van de wetenschappers en hulpverleners. De wetenschap is in de Kubussen tot een ongeëvenaarde hoogte gestegen. Dank zij de inspanningen van de wetenschappers zijn de Kubussen geheel van samenstelling veranderd, volgepropt met producten die het gekerkerde leven wat veraangenamen, - verworvenheden noemen ze dat, en vooruitgang – allerlei communicatiemiddelen, die het contact tussen de Kubussen vergemakkelijken, GSM-s, internet bijvoorbeeld, waarmee de Kubusbewoners informatie uitwisselen, over hun ervaringen in hun eigen Kubus en dat noemen ze het uitwisselen van meningen en dat is een groot goed. Maar in die wereldwijde Kubus zijn ook allemaal groeperingen, volkeren, geloofsgenoten, politieke en andere partijen, die allemaal andere ideeën hebben over hoe het leven in de Kubus geleefd moet worden en daarom bevechten die elkaar en de wetenschappers voorzien hen van uitgebreide wapenarsenalen, waarmee ze hun zogenaamde eigen gelijk en spulletjes kunnen verdedigen tegen het eigen gelijk van anderen. Er zijn ook revolutionairen die een heel ander systeem in de Kubus willen en bereid zijn hun leven daarvoor te offeren.

Er zijn ook menswetenschappers, die vertellen hoe hun medegevangenen het beste kunnen overleven in hun Kubus, en daar schrijven ze dikke boeken over en omdat ze zo knap worden gevonden geloven mensen hun verhalen.

Het leven in de Kubus is vanzelfsprekend niet erg gezond en mensen worden massaal ziek. De wetenschappers zeggen dat dat komt omdat mensen ongezond leven, dat er in de Kubus veel bacteriën en virussen voorkomen, die het op de bewoners hebben gemunt, omdat mensen te weinig bewegen in hun Kubus en ongezond eten, teveel roken en drinken en dat ze, als ze zich maar aan hun voorschriften houden, weer allemaal beter zullen worden.

Maar ontsnappen is onmogelijk:


Hank Williams (1923 – † 1953, in zijn eigen Kubus)


I’ll never get out of this world alive


Now you’re lookin’ at a man that’s gettin’ kind-a mad
I had lot’s of luck but it’s all been bad
No matter how I struggle and strive
I’ll never get out of this world a- live.

My fishin’ pole’s broke the creek is full of sand
My woman run away with another man
No matter how I struggle and strive
I’ll never get out of this world alive.

A distant uncle passed away and left me quite a batch
And I was living high until that fatal day
A lawyer proved I wasn’t born
I was only hatched.---

Ev’rything’s agin’ me and it’s got me down
If I jumped in the river I would prob’ly drown
No matter how I struggle and strive
I’ll never get out of this world alive.

These shabby shoes I’m wearin’ all the time
Are full of holes and nails
And brother if I stepped on a worn out dime
I bet a nickel I could tell you if it was heads or tails.

I’m not gonna worry wrinkles in my brow
’cause nothin’s ever gonna be alright no how
No matter how I struggle and strive
I’ll never get out of this world alive.

I could buy a sunday suit and it would leave me broke
If it had two pair of pants I would burn the coat
No matter how I struggle and strive
I’ll never get out of this world alive.

If it was rainin’ gold I wouldn’t stand a chance
I wouldn’t have a pocket in my patched up pants
No matter how I struggle and strive
I’ll never get out of this world alive.




Hans Christiaan Andersen DE NIEUWE KLEREN VAN DE KEIZER


Inleiding:


In dit sprookje van Andersen arriveren op een dag twee kleermakers bij de keizer. Zij vertellen hem dat zij een prachtige mantel voor hem kunnen maken van een heel bijzondere stof. Het bijzondere van die stof is dat hij alleen gezien wordt door mensen die heel intelligent zijn. De kleermakers laten hem de stof zien en de keizer, die dus geen stof ziet, vindt hem prachtig.


De kleermakers gaan aan de gang en fabriceren van niets een onzichtbare mantel. En als hij klaar is laat de keizer aankondigen dat hij aan het volk zijn nieuwe mantel zal tonen en laat daarbij vertellen dat de mantel alleen gezien kan worden door intelligente mensen. En dan schrijdt de keizer in zijn blootje langs het volk dat vol bewondering naar de blote keizer kijkt en niemand durft toe te geven dat hij geen mantel ziet, want dan zou hij toegeven dat hij dom is. En dan opeens roept een klein kind: "de keizer heeft geen kleren aan" en doorbreekt daarmee het zelfbedrog.


Dit is de manier waarop het overal in de maatschappij ook gebeurt. Mensen kijken vol ontzag op naar geleerden die allerlei ingewikkelde verhalen vertellen, naar deskundigen, die hun eigen "licht" over de zaken laten schijnen en naar plannenmakers, die in de toekomst kunnen kijken. Allemaal mensen die zien wat zij niet zien. Ze hebben het over vooruitgang, welvaart, BNP en nog veel meer moeilijke begrippen en niemand heeft die ooit gezien, maar omdat al die mensen zo knap zijn, moet je wel heel dom zijn als je dat niet ziet. Dat weet toch iedereen, dat is toch normaal, dat is toch mooi of leuk, maar als je het niet weet, niet normaal, niet mooi of leuk vindt, ga je toch erg aan jezelf twijfelen. Zelf denken, kijken en luisteren en vragen waarom is gevaarlijk, omdat je dan uiteindelijk zult ontdekken dat deze maatschappij één grote mystificatie, één grote luchtballon is, maar voor die tijd loop je een grote kans in een psychiatrische inrichting te belanden. Daar zitten de mensen die zien wat wij niet mogen zien. Het is de omgekeerde wereld.



S. Fowler Wright ROBOTS


Inleiding bij deze vertaling:


In 1920 schreef de Tsjechische schrijver Karel Čapek zijn toneelstuk R. U. R. (Rossums Universele Robots) waarin hij het, door zijn broer bedachte, woord robot introduceert. Drie jaar later was het al in drieëntwintig talen vertaald en de eerste opvoering van het stuk in Engeland vond plaats in 1923. Het begint in een fabriek waar uit organisch materiaal kunstmatige mensen, roboti (het Tsjechische robota betekent dwangarbeid), vervaardigd worden. Het zijn dus niet de robots zoals wij die kennen, maar ze lijken meer op androïden of cyborgs. Ze kunnen zelf denken en werken aanvankelijk voor de mens. Maar onder hen breekt een opstand tegen de mensen uit, die uiteindelijk tot het uitsterven van de mens leidt. De titel van het verhaal van Fowler Wright is Automata, maar voor de duidelijkheid is dat hier vertaald met Robots. Het ligt voor de hand dat hij op de hoogte is geweest van R. U. R.


De opstand tegen de machines en vertechnologisering van de maatschappij was niets nieuws. Al in het begin van de negentiende eeuw verzetten in Engeland de Luddieten zich tegen de industriële en technologische "vooruitgang." De beweging had vooral aanhang onder ambachtslieden en kleine boeren: zij zagen hun traditionele manier van werken bedreigd door de nieuwe fabrieken die met de Industriële Revolutie waren opgekomen. Hun activiteiten omvatten onder meer het saboteren en vernielen van machines in fabrieken en hun strijdkreet was "Dood aan de Machines." In 1813 werd het vernielen van machines tot halsmisdaad verklaard en met hulp van het Engelse leger werd de beweging neergeslagen. Talrijke luddieten werden terechtgesteld of naar Australië gedeporteerd. Hun gedachtegoed leeft voort in de huidige aanhangers van het anarchoprimitivisme, met als boegbeeld John Zerzan, die de "vooruitgang" een halt willen toeroepen.


Sindsdien hebben de machines en robots een gestage heilloze opmars gemaakt, met alle consequenties van dien. Alleen al in de VS dreigt daardoor binnen afzienbare tijd 47 procent van de banen weggevaagd te worden. Een van de meest vooraanstaande profeten van de "vooruitgang," de geflipte robot en fantast Ray Kurzweill, technisch directeur bij Google en een futurist met een glazen bol, die het boek Het Tijdperk van de Spirituele Machines schreef, die miljoenen gelovigen meesleept in zijn wanen en alom hooglijk geprezen wordt voor zijn "vooruitziende blik" waarmee hij het tijdperk van het Eeuwig Leven aan ziet breken, houdt zich tegenwoordig bezig met het dupliceren van het brein, wat volgens hem dan leidt tot een kunstmatige superintelligentie en die moet dan weer zorgen voor The Theory of Everything. Kurzweill wordt aanbeden. Wie in deze tijd nog over "vooruitgang" spreekt moet wel stekeblind zijn, want het enige lichtpuntje in deze barre tijden is nog de beurs, en die heeft inmiddels niets meer te maken met wat er werkelijk in de wereld gebeurt, maar ook dat is niets nieuws, zie Heinrich Heine’s De Beurs Lacht.



E.M. Forster DE HEMELSE PAARDENTRAM


Inleiding bij deze vertaling:


Eigenlijk is dit hele verhaal een parafrase van het gedicht To Homer, van de romanticus John Keats (1795-1821). Het is één grote aanklacht tegen de wereld van die rare volwassenen, die geen dromen meer hebben en vergeten zijn dat ze zelf ook ooit kind waren. Die de magische, beeldende wereld van het kind dat ze ooit waren, ingeruild hebben door hun talige, rationele labyrint waarin ze stuurloos ronddwalen en van daaruit vol onbegrip neerkijken op de kinderen die eerst net zo beperkt moeten worden als zij. Meneer Bons moet dat met de dood bekopen, de jongen hoeft en kan niet meer terug naar de omgekeerde wereld, — waar niet de verbeelding maar de ratio aan de macht is — want hij heeft zijn retourkaartje aan meneer Bons moeten geven.



Margaret Prescott Montague TWINTIG MINUTEN WERKELIJKHEID


Inleiding bij deze vertaling:


"De werkelijkheid aanschouwen," "God zien," een "mystieke ervaring hebben," "het licht zien," "schellen die van de ogen vallen," "extase, vervoering," "verlichting," allemaal uitdrukkingen waarmee mensen in verleden en heden duiden op een ervaring, waarvan ze allemaal zeggen dat woorden tekort schieten als ze die willen beschrijven. Dagelijks overkomt dat, overal ter wereld, ontelbare mensen, die daarover doorgaans behoedzaam het stilzwijgen bewaren omdat ze bang zijn voor gek te worden versleten. Iedereen die dit meemaakt, zoals ook de schrijfster van dit artikel, en toch probeert daarover iets te zeggen, uit zich in superlatieven: uitzinnige schoonheid, verrukkelijk, extatisch en waanzinnig mooi, onstuimige vreugde, vredigheid enzovoort. "Ik heb het leven gezien zoals het echt is," schrijft de auteur. Zo indrukwekkend is het dat ze allemaal nog precies weten wanneer en onder welke omstandigheden, het hen overkomen is, zelfs datum en uur.


Zo zag Fernando Pessoa op 8 maart 1914 volkomen onverwacht, in een flits, hoe de wereld in elkaar zit. Hij noemde dat later "de triomfdag van mijn leven," de dag van zijn bevrijding. Hij kwam zogezegd zich zelf tegen en noemde die Alberto Caeiro. Op die dag schreef hij het merendeel van De hoeder van kudden, waarin hij laat zien hoe voor iemand die uit de wereld gevallen is, de buitenstaander, de anderen en de mensenwereld eruit zien. In zijn ogen is vervolgens alles wat die geëerde dichters en schrijvers produceren, zoals hij dat uitdrukt, "slechts geleuter." "Op die 8e maart in 1914 overkwam Pessoa dus wat dagelijks overal ter wereld vele mensen overkomt en waar maar zeer weinigen consequenties uit trekken," schrijft zijn vertaler August Willemsen, en "nooit meer heeft hij de staat en luciditeit van die extatische 10 dagen in maart hervonden, waarin hij niets was en dus alles. Uiterst consequent heeft hij daarom Caeiro laten overlijden, net zoals Cees Noteboom, na zijn lucide Philip en de anderen in het daarop volgende boek de schrijver laat overlijden."


Pascal maakt die ervaring door op 23 november 1654, van half elf tot half één ’s nachts, en verwoordt die als: ‘VUUR, God van Abraham, God van Isaac, God van Jacob, niet de God van filosofen en geleerden. Zekerheid. Zekerheid. Gevoel, Vreugde, Vrede.’


In Centuries of Meditations, schrijft Thomas Traherne: Het koren was een goudglanzend en onsterfelijk gewas, dat nooit zou behoeven te worden gemaaid of gezaaid. Het dacht dat het er van eeuwigheid tot eeuwigheid gestaan had. Het stof en de stenen in de straat waren kostbaar als goud. De poorten leken aanvankelijk het eind van de wereld te zijn. Toen ik de groene bomen voor het eerst door een van de poorten aanschouwde, verrukten ze me en brachten me in vervoering; hun lieflijkheid en ongewone schoonheid deden mijn hart opspringen en brachten een haast waanzinnige extase bij me teweeg, zo vreemd en wonderbaarlijk waren ze. De Mensen! O, wat leken de ouderen achtenswaardige en eerbiedwaardige wezens! Onsterfelijke cherubijnen! En jongens als flonkerende en schitterende engelen, en meisjes als vreemde serafijnse wezens van leven en schoonheid! Jongens en meisjes, in de straten rondspringend en spelend, waren als bewegende juwelen. Ik wist niet of zij ooit waren geboren of zouden sterven. Maar alle dingen bleven eeuwig als ze waren op hun zelfde plaats. In het Licht van de Dag was de eeuwigheid geopenbaard, en achter alles verscheen iets oneindigs, dat verwachtingen en verlangen in me wekte. De stad scheen in de hof van Eden te staan of in de Hemel te zijn gebouwd. Van mij waren de straten, van mij de tempel, van mij de mensen, hun kleren en goud en zilver waren van mij, evenals hun schitterende ogen, hun blanke huid en blozende gezichten. Van mij was het uitspansel en evenzo de zon, de maan en de sterren en heel de Wereld behoorde mij; en ik was de enige toeschouwer en genieter….


Edith Stein beschrijft die toestand in haar christelijk jargon: "Er bestaat een toestand van rusten in God, de volledige ontspanning van alle geestelijke activiteit, waarin men helemaal geen plannen meer maakt, geen besluiten meer neemt en zeker niet handelt, maar al het komende aan Gods wil onderwerpt, zich helemaal aan ‘het lot’ overlaat. Deze toestand heb ik beleefd, na een gebeurtenis die mijn krachten te boven ging, toen mijn geestelijke levenskracht volledig opgebruikt was en ik van alle activiteit beroofd werd."


William James citeert een mystieke ervaring in zijn The Varieties of Religious Experience: "Dadelijk daarop werd ik overvallen door een gevoel van verrukking, van onmetelijke vreugde, begeleid of onmiddellijk gevolgd door een intellectuele verlichting, die ik onmogelijk kan beschrijven. Onder andere kwam ik er niet alleen toe te geloven, maar ik zag dat het heelal niet is samengesteld uit dode stof, maar integendeel een levende Tegenwoordigheid is; ik werd me bewust van een eeuwig leven in mijzelf. Het was niet een overtuiging dat eens eeuwig leven mijn deel zou zijn, maar een besef dat het toen reeds mijn deel was; ik zag dat alle mensen onsterfelijk zijn; dat de kosmische orde zodanig is, dat zonder enige twijfel alle dingen samenwerken voor het welzijn van ieder en allen; dat het fundamentele beginsel van de wereld, van alle werelden, is wat wij liefde noemen en dat het geluk van ieder en allen op den duur volstrekt is verzekerd."


Hoe angst diezelfde ervaring kan veranderen in iets onbehaaglijks vertelt Ronald Laing in The Divided Self, over de ervaring van een meisje: "Ik was ongeveer twaalf en moest door een groot park naar mijn vaders winkel, wat een lange, sombere wandeling was. Ik denk dat ik ook nogal bang was. Ik vond het niet zo plezierig, vooral niet wanneer het donker werd. Om de tijd voorbij te laten gaan begon ik een spelletje te spelen. U weet hoe je als kind de stenen telt of op bepaalde tegels op het trottoir stapt – welnu, ik had dit bedacht om de tijd voorbij te laten gaan. Het viel me op dat als ik maar lang genoeg naar mijn omgeving staarde, dat ik er dan mee samensmolt en verdween, net alsof alles leeg was en ik was verdwenen. Het is net alsof je op die manier het idee krijgt dat je niet weet wie je bent of waar je bent. Je gaat zo te zeggen op in de natuur. Dán word je bang, omdat het zó maar begint te komen. Het gebeurde dat ik daar zo liep en dat ik het gevoel had dat ik in het landschap was opgegaan. Dan schrok ik altijd en zei ik steeds maar mijn naam. Om weer tot leven te komen, zeg maar."


Al die mensen hebben niet iets bijzonders gezien, zelfs niet als iemand schrijft: "ik ontwaarde niets nieuws, maar zag alle gewone dingen in een wonderbaarlijk nieuw licht," geen stemmen gehoord, kortom niet iets zintuiglijks meegemaakt, (zoals bijvoorbeeld een orgasme zich ook aan de zintuigen onttrekt), maar ze hebben iets bijzonders ervaren, "het leven zoals het echt is."


Zo indrukwekkend is deze ervaring dat het vaak het leven van de betrokkene ingrijpend overhoophaalt, maar helaas is nooit iemand erin geslaagd om diezelfde gelukzaligheid nogmaals te ervaren, hoezeer hij daarvoor verder ook levenslang zijn best heeft gedaan. Ze hebben door een samenloop van omstandigheden kortstondig Plato’s Grot verlaten en hebben de Werkelijkheid aanschouwd. Weten dus dat het leven dat ze geleid hebben, maar een surrogaatleven is en vallen daarin tot hun spijt weer terug, met niet meer dan de herinnering aan het ultieme geluk. Waarom lukt het ze dan niet meer? Emerson zegt, "we zijn ondergedompeld in schoonheid, maar onze ogen kunnen niet helder zien." Waarom kunnen, durven of willen mensen niet helder zien? Waarom blijven ze blind, koesteren ze de schellen op hun ogen, geven ze de voorkeur aan een leven met lijden, ziekten, pijn, verdriet en ellende, boven een probleemloos en pijnloos leven in eenvoud, gelijkheid, vrijheid en broederschap?


Alle godsdienststichters hebben ooit de grot verlaten, hebben de werkelijkheid aanschouwd, en zijn louter als boodschapper teruggekomen om de achtergeblevenen de uitweg te wijzen, hebben de route en hindernissen geschetst naar de bovenwereld. Maar wat hebben de grotbewoners gedaan? Hebben ze in hun tranendal een zucht van verlichting geslaakt bij de boodschap dat er wél een uitweg was uit hun ellende? Hebben ze de boodschappers met gejuich verwelkomd en meteen een eind gemaakt aan het bizarre spel dat ze speelden in de grot? Hebben ze durven toegeven dat ze zich vergist hadden? Nee hoor! Ze hebben de boodschappers afgemaakt of vergoddelijkt en van hun routebeschrijving naar buiten een nieuwe religie gemaakt, meestal genoemd naar de boodschapper, compleet met erediensten en rituelen, en wee degene die het waagt de grot te verlaten! De hele mensengeschiedenis wemelt van de getuigenissen van mensen die de Werkelijkheid aanschouwd hebben, maar allemaal hebben ze zich te pletter gelopen op de geïnstitutionaliseerde godsdiensten, op de machthebbers, op de elite. De grot dat is de wereld van de aangepasten, van de meneren en mevrouwen, die zichzelf en elkaar voor de gek houden, mensen die zich een identiteit hebben aangemeten, waar ze zelf diep in hun hart niet in geloven, maar waarmee en waarachter ze hun leven slijten in de onderwereld en denken dat ze echt leven.


Waar gaat het dan in het leven echt om? Macht, aanzien, bezit en kennis? Of geluk, vrede, vrijheid, geen problemen, geen ziekten pijn en ellende? Leven in de Grot, of het er toch maar op wagen? Bedenk dat elk symptoom, elke pijn, elke ziekte, een dringende aansporing is om de grot te verlaten, en dat helen, genezen, gezond worden, daar het gevolg van is.


Een seculiere routebeschrijving, of evangelie, is de Tractatus Logico-Philosophicus van Wittgenstein. In par. 4.114-4.115 schrijft hij: "De filosofie moet het denkbare afbakenen en zodoende het ondenkbare. Zij moet het ondenkbare van binnen door het denkbare begrenzen. Zij zal wat niet gezegd kan worden aanduiden, door wat wel gezegd kan worden duidelijk uit te drukken." Met andere woorden: de taak van de filosofie is aan te duiden wat niet tot de werkelijkheid behoort, waardoor uiteindelijk de Werkelijkheid overblijft. Dat is dan het onuitsprekelijke en in par. 6.522: "Dat toont zich, het is het mystieke." Met alle stellingen bakent Wittgenstein dus het denkbare af, zoals een beeldhouwer alles weghakt wat zijn uiteindelijke kunstwerk verhult, en over het ondenkbare het mystieke, de Werkelijkheid doet hij de, te kust en te keur misbruikte uitspraak: "van dat waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen." En: "Mijn stellingen zijn verhelderend omdat hij die me begrijpt, ten slotte erkent dat ze onzinnig zijn (zoals de weggehakte brokstukken van de beeldhouwer volstrekt overbodig zijn), als hij door middel van mijn stellingen - er op - boven ze uit geklommen is (Hij moet zo te zeggen de ladder omvergooien na erop geklommen te zijn)." Met andere woorden: wie de Werkelijkheid aanschouwt, heeft de Tractatus niet meer nodig, evenmin als welk zogenaamd ‘heilig boek’ dan ook. Als je de bestemming bereikt hebt kun je de routebeschrijving weggooien. De grot verlaten is de dood van de religie.


Maar het echte probleem is natuurlijk iemand die slaapt en droomt dat hij wakker is, een blinde die denkt dat hij kan zien, of een dode die in de illusie verkeert dat hij levend is, duidelijk te maken dat hij zich vergist. Wie oren heeft om te horen, die hore.


Let wel! De schrijvers van de hier weergegeven brieven, die geschreven werden naar aanleiding van de publicatie van het artikel van Margaret Prescott Montague in The Atlantic hebben niet allemaal begrepen wat zij bedoelde. Opmerkelijk is dat hoe ontwikkelder de schrijver, hoe minder hij of zij ervan begrepen heeft, maar dat is eigenlijk heel voor de hand liggend, omdat kennis strijdig is met wijsheid, dus hoe meer kennis, hoe moeilijker het is om een leeg hoofd te krijgen en de Werkelijkheid te aanschouwen. Daarom staat er geschreven:  "Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der Hemelen."


Naar boven