Home

ZEER BEKNOPT RELAAS VAN DE VERWOESTING

VAN DE WEST-INDISCHE LANDEN


Brevisima relacion de la destruccíon de las Indias

door

Bartolomé de Las Casas

Portret Barthelomé de Las Casas 1848-1566


oorspronkelijk gepubliceerd in Sevilla in 1552


HET PAPENDOM

Waarachtig getoond in zijn

bloederige Kleuren:

of een waarachtig

RELAAS

van de

Verschrikkelijke en Ongehoorde Bloedbaden, Slachtpartijen en alle mogelijke Wreedheden, die Hel en Kwaadaardigheid konden bedenken, uitgevoerd door Paapse Spaanse Medeplichtigen op de inwoners van West-Indië

SAMEN

Met de Verwoesting door hen van verscheidene Koninkrijken in Amerika, te Vuur en te Zwaard, gedurende Tweeënveertig Jaar, vanaf de tijd van hun eerste Ontdekking.



Oorspronkelijk geschreven in het Spaans door Bartholomé de las Casas, Bisschop aldaar, en Ooggetuige van de meeste van deze Barbaarse Wreedheden; later door hem zelf Vertaald naar het Latijn en daarna door anderen naar het Hoog-Duits, Laag-Duits en bij dezen overgezet naar de Hedendaagse Engelse Spreektaal.


Londen

Gedrukt voor R. Hewson bij de Crown in Cornhil, nabij de Stocks-Market. 1689.




KORTE INHOUD VAN DIT RELAAS

bij wijze van

VOORBERICHT AAN DE LEZER


De Eerwaarde Schrijver van deze Korte Samenvatting was Bartholomaeus de las Casas alias Casaus, een Vroom en Godsdienstig man — zoals in dit Relaas blijkt uit zijn Beijvering voor de verbreiding van het Christelijke Geloof —, bevorderd van Monnik van de Dominicaner Orde tot de Bisschopsstoel, aan wie veelvuldig dringend verzocht was door Goede en Geleerde Mensen, vooral Geschiedkundigen, om deze Samenvatting te publiceren, en hem ertoe overhaalden uit die overvloedige Geschiedenis, die over dit onderwerp kon en moest geschreven worden, de inhoud van deze Verhandeling samen te stellen, met het oogmerk, de Wereld de Wreedheden etc. te tonen van de Spanjaarden tijdens hun verblijf aldaar, tot hun eeuwige schande; en omdat de schrijver merkte dat geen enkele Aanmaning en Terechtwijzing, hoe mild dan ook, kon inwerken op of doordringen tot het versteende hart van de Tirannen in die Westelijke streken, nam hij, bijna vijftig jaar oud — zoals hij zelf verklaart —, het ferme besluit om de Gevaren en Ongemakken van de Zee en het risico van een langdurige reis naar Spanje te trotseren, om daar de Hoogst Doorluchtige Koning Filips, Zoon en Erfgenaam van zijn Keizerlijke Majesteit Karel de Vijfde, Zaliger Gedachtenis, op de hoogte te stellen en getuigenis af te leggen van de Vreselijke misdaden, enz. in die landen gepleegd waren, die hij deels zelf had gezien en deels over had gehoord van lieden die hoog opgaven van hun Slechtheid. Daarop riep zijne Keizerlijke Hoogheid, bewogen door een teder en Christelijk mededogen jegens deze Bewoners van de Landen van Amerika, die smachtten naar verbetering van hun lot, in het Jaar des Heren 1542 in Valladolid een Vergadering bijeen, bestaande uit Geleerde en Kundige Mannen, ter hervorming van de West-Indische regering, waarvan het gevolg was dat vanaf die tijd hun Tirannie en wreedheid jegens die Barbaren enigszins onderdrukt werden en die Naties in zekere mate verlost werden van die ondraaglijke en nog zwaardere slavernij dan de Egyptische, dan wel dat het misbruik en de slechte behandeling door de Spanjaarden van de Amerikanen ten minste gematigd en verzacht werd. Dit Boek, grotendeels Historisch, deels Typografisch, werd door Schrijver voor het eerst in het Spaans Gepubliceerd in Sevilla, daarna door hem zelf Vertaald in het Latijn, en in de loop der tijd in het Hoog-Duits, Laag-Duits en Frans en nu in het Engels, de Zesde Taal waarin het zijn stem laat horen, zodat iedereen van welke Natie dan ook in dit Relaas, als in een spiegel, de ellendige en verderfelijke vruchten kan aanschouwen en overwegen, die het gevolg zijn van en verbonden zijn met onbegrensde en gierige Hebzucht, en daarnaast leren te verafschuwen en te verachten, Cane pejus & angue (erger dan een hond of slang), wat de overheersende en belangrijkste drijfveer is voor het bedrijven van dergelijke onuitsprekelijke Wreedheden, zoals die hier gebrekkig en onvolledig weergegeven worden. Hoe de Heidense Indianen zich zelf vol Haat, Verachting en Afschuw vergrepen aan de Spanjaarden: want wanneer zij een aantal van hen gevangen hadden genomen — wat zelden voorkwam — bonden zij hen aan handen en voeten, legden hen op de grond en goten dan gesmolten Goud in hun keel, terwijl zij schreeuwden en hen spottend toeriepen, toe dan, geef uw Goud dan over, O Christen! Braak en spuug het Metaal uit dat zowel uw Lichaam als Ziel bezoedeld en vergiftigd heeft, dat uw geest heeft bevlekt en besmet met begeerten en listen, en uw handen heeft aangezet tot het bedrijven van dergelijke ongehoorde Wreedheden. Ik zal dit alles, dat slechts een Uittreksel is van wat in het Inleidende deel van het Oorspronkelijke Relaas staat, nu afsluiten. Ik verzoek en hoop dat alle Mensen ervan overtuigd zijn dat deze samenvatting niet geschreven werd met enige eigen Bedoeling, duistere oogmerken of huichelarij, ten voordele of ten nadele van enige bepaalde Natie, maar in het Belang en ten Bate van alle ware Christenen en deugdzame Mensen overal ter Wereld.

Vaarwel

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landen

Indianen gieten gesmolten goud in de mond van een Spanjaard

DE WREEDHEDEN DOOR SPANJAARDEN BEGAAN IN AMERIKA

Amerika werd ontdekt in 1942 en het jaar daarop bevolkt door de Spanjaarden. In de volgende negenenveertig jaar reisden grote aantallen van hen vanuit Spanje daar naartoe. Het eerst vestigden zij zich op La Isla Española, Hispaniola, dat een zeer vruchtbare bodem heeft en tegenwoordig zeer in trek is vanwege de uitgestrektheid en lengte, en een omtrek heeft van zeshonderd mijl. Het wordt aan alle zijden omgeven door een vrijwel ontelbare hoeveelheid eilanden. Wij ontdekten dat die zo dicht bevolkt zijn met inheemse bewoners en vreemdelingen dat er nauwelijks ergens ter wereld nauwelijks een streek is die dusdanig rijk aan inwoners is. Het vasteland of continent dat meer dan tweehonderdenvijftig mijl van dit eiland af ligt, strekt zich langs de zeekust uit over een afstand van meer dan tienduizend mijl. Sommige landstreken daarvan zijn al ontdekt en in de loop der tijd zullen er nog meer volgen. Deze streken worden door zoveel mensen bewoond, dat het lijkt alsof de Almachtige God het grootste gedeelte van de mensheid in dit deel van de wereld heeft verzameld en bijeengeroepen.

Dit oneindig aantal mensen schiep God argeloos en eenvoudig, geheel verstoken en afkerig van doortraptheid, listigheid en kwaadaardigheid en zeer gehoorzaam en trouw aan hun inheemse meesters. Zij gedragen zich zeer lijdzaam, gedwee en kalm ten opzichte van de Spanjaarden, aan wie zij dienstbaar en onderdanig zijn. Zodoende leven zij uiteindelijk zonder enige dorst naar wraak en onthouden zich van ruzie, onrust en haat.

Dit is een zeer gevoelig en verweekt volk en zo onverstandig en onevenwichtig van aard, dat zij volledig ongeschikt zijn voor zware arbeid en daaraan binnen een paar jaar door een of andere ziekte bezwijken. De kinderen van onze edelen en vorsten, die bij ons in grote weelde en verfijnde overdaad leven, zijn niet verweekter en gevoeliger dan de kinderen van hun boeren en arbeiders. Deze mensen zijn zeer arm en behoeftig, hebben amper bezittingen en zijn niet hooghartig of ambitieus. Zij zijn even sober met voedsel als de heilige Woestijnvaders, die bekend stonden als Heremieten. Afgezien van een bedekking van de schaamstreek lopen zij naakt rond. Hun warmste kleding voor de winter bestaat uit een harige deken of losse mantel van ongeveer een el lang, of een grof geweven kleed dat bijna twee el meet. Ze slapen op een ruwe mat en de meer welgestelden, die meer land of bezittingen hebben, maken in plaats van een bed gebruik van een aan de vier hoekpunten vastgeknoopt touwwerk, dat door de bewoners van het eiland Hispaniola hammack wordt genoemd. De mensen zijn vindingrijk en leergierig, gewillig en ontvankelijk voor zedelijkheid en goedheid en zeer bereidwillig tot het aannemen van de leer van de katholieke godsdienst. Zij zijn ook niet afkerig van beschaving en goede manieren, omdat zij niet evenzeer gehinderd worden door allerlei belemmeringen, als de rest van de mensheid. Zodra zij de eerste beginselen van het christelijke geloof hebben opgezogen — als ik dat zo mag zeggen —, zijn zij zo bezield met ijver en hartstocht voor het ontvangen van de kerkelijke sacramenten en bijwonen van godsdienstoefeningen, dat de geestelijken de grootste moeite hebben en van hen buitengewoon veel geduld gevraagd wordt om die uitzonderlijke gedrevenheid te hanteren. Tot slot heb ik de Spanjaarden — die de goedhartigheid van de Indianen niet durfden te loochenen — zelf horen vertellen, dat zij alleen nog maar God hoefden te leren kennen en begrijpen om de eeuwige gelukzaligheid te kunnen verwerven.

Als hongerige tijgers, wolven en leeuwen stortten de Spanjaarden zich meteen op de onschuldige schapen, die door de Almachtige begiftigd waren met voornoemde deugden, en waren vanaf hun eerste ontscheping gedurende veertig jaar alleen maar bezig met het meedogenloos uitmoorden van deze beklagenswaardige mensen, die zij zo onmenselijk en barbaars afslachtten en pijnigden met allerlei ongekende en ongehoorde kwellingen, — waarvan in het volgende verhaal verslag zal worden gedaan — dat er van de driemiljoen mensen, die voordien Hispaniola bevolkten, tegenwoordig nog nauwelijks driehonderd over zijn. Het eiland Cuba, dat bijna even lang is als de afstand van Valladolid tot Rome, ligt nu braak als een woestijn en begraven onder zijn eigen puinhopen. Ook de grote en vruchtbare eilanden San Juan en Jamaica zijn nu ontvolkt en verwoest, evenals het zestigtal of daaromtrent Lucayische eilanden (de Bahama’s, vert.) die ten Noorden grenzen aan Hispaniola en Cuba, samen met de eilanden die gewoonlijke bekend staan als de Reuzeneilanden en andere, waarvan zelfs het onvruchtbaarste, in vruchtbaarheid uitmuntte boven de Koninklijke Tuinen van Sevilla, en een zeer gezond en aangenaam klimaat hebben, liggen nu braak en zijn ontvolkt, terwijl daar, toen de Spanjaarden daar voor het eerst aan land kwamen, ongeveer vijfhonderdduizend mensen woonden. Zij zijn nu verdwenen, sommigen zijn vermoord en anderen met geweld weggevoerd om tewerk gesteld te worden in de mijnen van Hispaniola, dat zelf vrijwel geen inheemse bewoners meer had. Aan het einde van de mensenoogst zeilde er een schip naar dat eiland — want een goede christen, bewogen door vroomheid en medelijden, ondernam die gevaarlijke reis om zielen te winnen voor het christendom — om de overgebleven stoppels te vergaren, maar er werden nog maar elf mensen aangetroffen, die ik met eigen ogen gezien heb. Meer dan dertig eilanden, in de omgeving van het eiland San Juan, zijn geheel ontvolkt. Allemaal samen hebben ze een lengte van meer dan tweeduizend mijl en tellen geen enkele inheemse bewoner of mensen van elders meer.

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenWat betreft het vasteland, weten wij zeker dat de Spanjaarden met hun barbaarse en verfoeilijke acties tien koninkrijken volledig ontvolkt hebben, een gebied groter dan heel Spanje, samen met de koninkrijken Arragon en Portugal, dat wil zeggen, meer dan duizend mijl, dat nu een braakliggende en geheel tot puin vervallen woestenij is, terwijl voordien geen enkel land zo dichtbevolkt was. Wij durven dus vrijmoedig te beweren dat gedurende die periode van veertig jaar, waarin zij hun bloeddorstige en beschamende tirannie uitoefende in die streken, meer dan twaalf miljoen mensen — mannen, vrouwen en kinderen meegerekend — onverdiend zijn omgekomen en ik denk ook niet dat ik van de waarheid afwijk als ik zeg dat alles bij elkaar meer dan vijftien miljoen mensen hun laatste schuld terugbetaalden aan de natuur.

Degenen die op deze eilanden aan land gingen vanuit de uithoeken van Spanje en zich trots met de naam christen sierden, hadden twee manieren om deze volkeren uit te roeien en van de aardbodem te vagen. Ten eerste door het voeren van onrechtvaardige, bloedige en wrede oorlogen en ten tweede door iedereen om het leven te brengen die naar vrijheid dorstte of — wat de krachtigste, energiekste en grootmoedigste mensen probeerden —, zijn oorspronkelijke vrijheid probeerde te heroveren en de ketenen af te schudden van een dusdanig smadelijke gevangenschap; want alle mannen werden door oorlogen uit het leven weggerukt, zodat alleen de vrouwen en kinderen in leven bleven, op wie zij daarna een zodanig zwaar juk legden dat wilde dieren gelukkiger zijn dan zij. Aan deze twee vormen van tirannie, waren de ontelbare andere manieren waarop zij dit volk probeerden uit roeien en ongelukkig te maken, ondergeschikt.

Goud was voor de Spanjaarden de enige en ware drijfveer om dit volk uit te roeien en te vernietigen. Zij wilden daarmee in korte tijd rijk worden en in een klap een status en waardigheid verwerven, die op geen enkele manier bij hen paste.

Het waren dus kortom hun eerzucht en hebzucht, zoals die zo nog nooit eerder in een mensenhart gekoesterd waren, de grote rijkdom van deze streken en de onderdanigheid en het geduld van de inwoners — die hun vestiging in deze landen vergemakkelijkten —, die het geheel begunstigden. De Indianen werden door de Spanjaarden zo afschuwelijk veracht, dat ze niet eens als beesten — ik spreek de waarheid, want ik ben daar zelf ooggetuige van geweest — werden behandeld, maar als het weerzinwekkendste slijk der aarde. Zij bekommerden zich zo weinig om hun leven en ziel, dat het hierboven vermelde aantal mensen gestorven is zonder het ware geloof en de sacramenten. En even waarheidsgetrouw als het voorgaande verhaal — wat de tirannen en wrede moordenaars niet kunnen ontkennen, zonder de smet van een leugen op zich te laden — is, dat de Spanjaarden nooit een haar zijn gekrenkt door de Indianen, maar dat zij hen juist eerbiedigden als uit de hemel neergedaalde personen, totdat zij gedwongen werden hun wapens op te nemen, daartoe uitgedaagd door herhaalde mishandelingen, hevige martelingen en onrechtvaardige bloedbaden.


OVER HET EILAND HISPANIOLA.

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenOp dit eiland waar, zoals we al hebben verteld, de Spanjaarden voor het eerst voet aan wal zetten, begonnen de bloedige slachtpartijen en uitroeiing van deze mensen. Met geweld voerden zij vrouwen en kinderen weg, brachten hen onder het slavenjuk, mishandelden hen en aten hun voedsel op, dat door hen met veel zweet en gezwoeg bijeengegaard was. Toch waren zij nog steeds niet tevreden met wat hen door iedereen naar kracht en vermogen — en dat was niet veel, omdat de Indianen niet meer voedsel hadden, dan strikt noodzakelijk was om zonder overdaad in hun levensonderhoud te voorzien — vrijwillig geleverd werd. Een enkele Spanjaard verbruikte op één dag meer voedsel dan nodig was om drie gezinnen, elk bestaande uit tien personen, een hele maand te onderhouden. Omdat zij daarnaast ook te lijden hadden van een slechte behandeling, blootgesteld werden aan hevige kwellingen en gewelddadigheden, begonnen ze te begrijpen dat dergelijke mensen niet gezonden waren door de hemel. Daarom verborgen sommigen hun voedsel en anderen hun vrouwen en kinderen in verscholen holen, maar anderen, die het onverbeterlijke en gruwelijke optreden van de Spanjaarden wilden ontlopen, zochten hun toevlucht in de onherbergzame bergen. Niet alleen werden zij door de Spanjaarden in het gezicht geslagen en met knuppels afgeranseld, maar die vergrepen zich ook gewelddadig aan de bestuurders van hun steden. Hun onbezonnenheid en schaamteloosheid stegen tot zulke hoogten dat een kapitein zelfs zo vrijpostig was om de vrouw van de machtigste koning van het hele eiland te verkrachten. Vanaf dat moment begonnen de Indianen naar manieren en middelen te zoeken om de Spanjaarden uit hun land te verdrijven en grepen naar hun wapens. Maar goeie God, moet je je voorstellen wat voor wapens! Zowel hun verdedigings- als aanvalswapens hadden meer weg van stokken waarmee jongens met elkaar spelen, dan van wapens waar echte mannen mee vechten, wat door de Spanjaarden niet eerder opgemerkt was. Zij begonnen dus, zwaarbewapend met lans en zwaard, met het uitvoeren van hun bloedige slachtpartijen en krijgslisten, vielen te paard hun steden en dorpen binnen en spaarden jong noch oud, man noch vrouw, zelfs zwangere vrouwen niet, bij wie zij de buik opensneden en hun ongeboren kinderen levend in stukken hakten. Ze sloten onderling weddenschappen, wie met één zwaardslag iemand in tweeën kon hakken, wie het behendigst iemand kon onthoofden of zelfs wie met zijn zwaard iemand het snelst de ingewanden uit het lijf kon rukken.

Jonge baby’s rukten zij van de borst van hun moeder en slingerden ze tegen de rotsen zodat hun hersentjes in het rond spatten. Anderen gooiden zij lachend en spottend in de rivier en, als teken van hoe wreed ze in werkelijkheid waren, riepen hen terwijl ze vielen lachend toe weer bij hun moeder terug te komen. Andere kinderen regen zij genadeloos aan hun zwaard, samen met hun moeders die hen het leven hadden geschonken.

Zij richtten voor hen ook een soort galgen op, maar die waren zo laag dat hun voeten bijna de grond raakten en elk daarvan was zo breed dat er dertien Indianen tegelijk aan konden hangen, ter ere en verheerlijking — zoals ze godslasterlijk zeiden — van onze Verlosser en zijn twaalf Apostelen. Daaronder stookten zij een vuur om ze te verbranden terwijl ze nog hingen. Maar mensen die zij in leven lieten, stuurden zij, met half afgehakte handen die alleen nog aan de huid vastzaten, met officiële brieven naar de mensen die voor hen gevlucht waren en zich verborgen hielden in de bergen, als een verwijt voor hun vlucht.

Hooggeplaatsten en edelen werden doorgaans als volgt ter dood gebracht: ze lieten op gevorkte stukken hout metalen roosters neerleggen en maakten daaronder een klein vuurtje, zodat die deerniswekkende ongelukkigen heel langzaam, onder luid geschreeuw en vreselijke pijnen, ten slotte de geest gaven.

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenIk zag ooit dat zij vijf van hun belangrijkste leiders op deze roosters legden en hen daarop roosterden. Niet ver daar vandaan stonden nog twee roosters waar ook mensenvlees op lag. Omdat de kapitein zich echter ergerde aan het vreselijke gekrijs, omdat het zijn rust verstoorde, liet hij hen wurgen met een touw. De beul — wiens naam en ouders in Sevilla mij niet onbekend zijn — verhinderde dat en stopte proppen in hun mond om hen het schreeuwen te beletten — hij had zelf het vuur aangestoken — tot zij stierven, nadat zij naar zijn zin lang genoeg geroosterd waren. Ik heb dat en ontelbare andere wreedheden met eigen ogen gezien. En omdat alle mensen die daartoe in de gelegenheid waren, hun toevlucht hadden gezocht in schuilplaatsen in de bergen, om op die steile rotsen te ontkomen aan die liederlijke en wrede mensen, aan wie elke goedheid vreemd was, richtten die uitroeiers en vijanden van hun volk hun kwaadaardige jachthonden zo af dat ze Indianen meteen in een ogenblik als een varken verslonden. Dat waren de slachtpartijen en wreedheden die door deze honden werden aangericht en omdat het een keer voorgevallen was — wat zelden gebeurde — dat de Indianen, getergd door dat soort gebeurtenissen, een Spanjaard om het leven brachten, vaardigden zij een wet uit dat voor elke Spanjaard die door de Indianen gedood werd, honderd Indianen vermoord zouden worden.


OVER DE KONINKRIJKEN OP HISPANIOLA

Het eiland Hispaniola was onderverdeeld in zes grote koninkrijken met evenveel machtige koningen, aan wie een ontelbaar aantal heersers trouw hadden gezworen. Een van die koninkrijken werd Magua genoemd, wat vlakte of het platte land betekent. Als er één plek in het universum de moeite waard is, en gedenkwaardig vanwege haar aangename ligging, is het deze wel. Het land strekt zich van Noord naar Zuid uit over een lengte van tachtig mijl, de breedte bedraagt vijf tot acht, op sommige plaatsen tien mijl en het wordt aan alle zijden ingesloten door zeer hoge bergen. Meer dan dertigduizend rivieren en stroompjes voorzien haar kuststreken van water. Twaalf van dat buitengewoon grote aantal doen in grootte niet onder voor de beroemde rivieren Ebro, Douro en Guadalquivir. En alle rivieren die hun bron of oorsprong hebben in de westelijk gelegen bergen, — een aantal van twintigduizend — voeren grote hoeveelheden goud met zich mee. In die bergen ligt het gebied met rijke goudmijnen, waarvan het kostbare vierentwintigkaraats goud afkomstig is. De koning en heerser van dit koninkrijk heette Guarionex. In zijn rijk heerste hij over vele vazallen en machtige edellieden, die allemaal zestienduizend soldaten op de been konden brengen ten dienste van Guarionex, hun opperheerser en vorst, als hij hen daarom verzocht. Enkele van hen kende ik persoonlijk. Koning Guarionex was zeer volgzaam, dapper en deugdzaam, van nature vredelievend en een zeer toegewijde dienaar van de koningen van Castilië. Hij had het bevel uitgevaardigd dat alle vazallen, die onder zijn heerschappij vielen hem jaarlijks een beker goud moesten leveren. Toen zij dat later niet meer op konden brengen, werd hen bevolen de beker in tweeën te slaan en de helft daarvan met goud te vullen; want de bewoners van dit eiland waren zeer onervaren en onbedreven in het werken in mijnen en daarin naar goud te delven. Deze cazique (Indiaanse heerser, Spaans: Cacique, vert.) bood zelf zijn diensten aan aan de koning van Castilië, en zei dat hij ervoor zou zorgen dat de landstreek ontgonnen en bemest zou worden, waar de Spanjaarden tijdens de regering van Isabella, koningin van Castilië, voet aan wal zetten en zich vestigden, en die zich in de lengte uitstrekt tot aan Santo Domingo, een afstand van vijftig mijl. Onder één voorwaarde, zei hij, want — en dat was geen leugen maar de echte waarheid — zijn onderdanen hadden geen kennis en ervaring met het delven van goud in mijnen. Ik weet zeker dat hij zich graag en uit eigen beweging aan die belofte gehouden had, waardoor de koning dan een jaarlijks inkomen zou hebben gekregen van drie miljoen en meer Spaanse realen. Er zouden op dat eiland in die tijd vijftig steden zijn geweest, groter en uitgestrekter dan Sevilla in Spanje.

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenMaar wat gaven zij als beloning en blijk van waardering aan deze welwillende en goedaardige koning, wat dacht je? Zij brachten hem de grootst denkbare vernedering toe, doordat zijn gemalin werd verkracht door een Spaanse kapitein, die de benaming christen volstrekt onwaardig was. De cazique had misschien een geschikt moment en een passende gelegenheid kunnen afwachten om deze vernedering die hem was aangedaan te wreken, door zijn strijdkrachten bijeen te roepen voor een aanval, maar in plaats daarvan besloot hij in het geheim te vertrekken naar de provincie De los Ciqayos, die bestuurd werd door een van zijn machtige vazallen, deed afstand van zijn waardigheid en koninkrijk om daar in ballingschap zijn leven verder door te brengen. Maar zodra de Spanjaarden op de hoogte waren gebracht van het feit dat hij er vandoor was gegaan, legden zij zich er niet bij neer dat hij zich verborgen had, maar verklaarde hem, die hen met zoveel menselijkheid en vriendelijkheid ontvangen had, de oorlog en nadat ze eerst de hele streek verwoest en verlaten achtergelaten hadden, vonden zij hem ten slotte. Zij namen hem gevangen en brachten hem geketend aan boord van een schip om hem als krijgsgevangene naar Castilië te brengen. Maar dit schip verging onderweg, waarbij niet alleen veel Spanjaarden omkwamen, maar ook een groot gewicht aan goud, waaronder een kostbaar goud-ijkstuk, zo groot als een brood en met een gewicht van 3600 Castilianen goud (ongev. 400 kg, vert.). Zo behaagde het God hun verschrikkelijk zonden te vergelden.

Het tweede koninkrijk werd Marien genoemd. Er bevindt zich nog steeds een haven aan de uiterste grens van de vlakte of het open land naar het Noorden, vruchtbaarder en groter dan het koninkrijk Portugal en telt dus met reden altijd veel inwoners. Het heeft vele bergen en is rijk aan goud- en orichalcummijnen (van όρος, berg en χαλκός, koper, vert.) een soort van met goud vermengd koper; De naam van de koning van dat land was Guacanagari, die veel machtige edellieden — van wie sommige mij niet onbekend waren — onder zich had. De eerste die in dit koninkrijk aan land ging, na de ontdekking van Amerika, was een admiraal, zeer verzwakt door ouderdom, die zeer gastvrij en vriendelijk ontvangen werd door voornoemde Gracanagari, evenals alle Spanjaarden die hem op die reis vergezelden. Uit zijn eigen mond heb ik gehoord dat zij hem alle mogelijke hulp en bijstand verleenden en dat hij door zijn eigen ouders in zijn eigen geboorteland niet met meer zorgen en plichtplegingen omringd had kunnen worden. Maar deze koning werd gedwongen te vluchten om aan de Spaanse slachtpartijen en wreedheden te ontkomen en stierf, beroofd van alles wat hij bezeten had, in de bergen. En alle andere vorsten en edellieden, onderdanen van hem, lieten het leven in onderworpenheid en slavernij, zoals later in het verhaal verteld zal worden.

Het derde koninkrijk heette Maquana, ook een heerlijke, gezonde en vruchtbare streek, waar tegenwoordig de beste suiker van het eiland wordt vervaardigd. Destijds werd het geregeerd door Caonabo, die boven alle anderen uitmuntte in macht en luister en zijn ceremoniële regeringsbijeenkomsten. Deze koning werd door de grote slinksheid en ijver van de Spanjaarden volkomen onverwacht verrast in zijn eigen paleis en aan boord gebracht van een schip om naar Castilië overgebracht te worden. In de haven lagen op dat moment zes schepen, klaar om uit te zeilen, toen er opeens een hevige storm opstak, waarbij alle schepen vergingen, samen met de passagiers, scheepsbemanning en de met ijzeren ketens geboeide koning Canabao. Met dat oordeel toonde de Almachtige dat dit een even onrechtvaardige en godslasterlijke daad was als alle voorgaande. Deze koning had destijds drie of vier broers, krachtige en moedige mannen, die razend waren over de pijnlijke en vernederende gevangenneming van hun koning en broer en ook op de hoogte waren van de verwoestingen en slachtpartijen die de Spanjaarden aangericht hadden in andere streken. Niet lang nadat ze gehoord hadden over de dood van hun broer, grepen ze naar de wapens om zich op hun vijanden te wreken. De Spanjaarden raakten met hen slaags en een groep ruiters te paard — die zeer agressief zijn ten opzichte van Indianen — richtten zo’n verwoestend bloedbad onder hen aan, dat de helft van de bevolking van het koninkrijk uitgeroeid en vernietigd werd.

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenXaraqua is het vierde koninkrijk en als het ware het middelpunt van het hele eiland. Het is ongeëvenaard vanwege zijn vloeiende taal en de elegantie van het idioom, vergeleken met die van alle inwoners van de andere koninkrijken en ook wat beschaving en zeden betreft. Er was een overvloed aan hooggeplaatsten en edellieden, en het volk muntte uit in gestalte en schoonheid van het lichaam. De naam van hun koning was Behechio en hij had een zuster die Anacaona heette. Beiden hadden de Spanjaarden overladen met gunsten en buitengewoon hoffelijke daden, en door hen te redden toen zij duidelijk in doodsgevaar verkeerden, hadden zij de koningen van Castilië een buitengewone dienst bewezen. Na de dood van Behechio viel de heerschappij toe aan Anacaona. Op een dag maakte de gouverneur van het eiland zijn opwachting bij haar, vergezeld van zestig man te paard en driehonderd man voetvolk — de cavalerie was op zich al voldoende om niet alleen het eiland, maar het hele vasteland te verwoesten. Hij liet driehonderd dynasta’s of edellieden voor zich verschijnen, en beval dat de machtigsten van hen, nadat ze eerst samengedreven waren in een strooien hut of schuur, aan het meedogenloze vuur overgeleverd en de rest door zijn manschappen met lansen doorstoken en aan puntige zwaarden geregen moesten worden. Anacaona die — zoals eerder gezegd — de koninklijke scepter zwaaide, viel een grotere eer ten deel en werd opgehangen. En toen bleek dat iemand, uit medelijden of hebzucht, zich over een paar Indiaanse kinderen ontfermde en hen op zijn paard meenam, om te voorkomen dat ze vermoord zouden worden, werd een andere Spanjaard aangewezen om hen te achtervolgen. Die snelde achter hen aan en toen de kinderen aan de dood probeerde te ontsnappen door zich van het paard af te laten vallen, hakte hij hen meteen de beentjes af. Toen enkele van die Indianen, die deze slachtpartijen overleefden, naar een eiland acht mijl verderop wilden trekken, om te ontkomen aan hun wreedheden, werden zij tot levenslange slavernij veroordeeld.

Het vijfde koninkrijk was Hiquey, dat geregeerde werd door koningin Hiquanama, die door de Spanjaarden gekruisigd werd. Het aantal van haar onderdanen, die ik levend verbrand en in stukken gehakt zag worden en op allerlei manieren gemarteld werden en anderen, de arme overlevenden van die ongeëvenaarde schurkenstreken, die het slavenjuk opgelegd werden, is oneindig. Maar omdat er over het vermoorden en vernietigen van deze mensen heel veel gezegd kan worden, dat veel problemen zou kunnen opleveren als het in druk zou verschijnen — bovendien besef ik dat hier amper eenduizendste van alles wat er gebeurd is volledig getoond kan worden —, zal ik in plaats van een conclusie alleen nog één opmerking toevoegen over de eerdergenoemde oorlogen. Naar eer en geweten kan ik verzekeren dat de Indianen zich daar, ondanks alle bovengenoemde onrecht, liederlijke wreedheden en ander misdaden, die ik nu achterwege laat — maar mij genoegzaam bekend zijn— zelf niet schuldig aan maakten en daar ook geen aanleiding toe gaven, evenmin als de vrome geestelijken die keurig volgens regels van hun orde leven al die heiligschennende boosdoeners de Indianen hebben laten beroven van leven en goed, of eraan meegewerkt hebben dat degenen, die door te vluchten de dood probeerden te ontlopen, levenslang in gevangenschap of slavernij moesten blijven, zonder daar nog ooit uit bevrijd te kunnen worden. Ik voeg daaraan toe dat ik echt geloof, — en bepaalde onloochenbare vermoedens steunen mij daarin —, dat in het tijdsgewricht waarin op dit eiland al die wreedheden werden bedreven, de Indianen zich niet schuldig hebben gemaakt aan het bedrijven van enige doodzonde tegen de Spanjaarden, die door de mens gestraft dient te worden of om genoegdoening vraagt. Verder ben ik van mening dat wat betreft de zonden, waarvan de bestraffing alleen aan God voorbehouden is, zoals een buitensporig verlangen naar wraak, haat en nijd of innerlijke wrok, waartoe zij gedreven hadden kunnen worden tegen hun doodsvijanden, — wat de Spanjaarden in wezen waren —, dat maar weinigen daarvan terecht beticht konden worden. Ik spreek uit ervaring als ik zeg dat hun onstuimigheid en felheid geringer was dan die van kinderen van tien of twaalf jaar. Ook weet ik zeker dat de Indianen altijd een gerechtvaardigde reden hadden om oorlog te voeren tegen de Spanjaarden en de Spanjaarden van hun kant nooit een rechtvaardige oorlog tegen hen voerden, maar dat die oorlogen schandelijker en ongegronder waren dan ooit zijn gevoerd door de ergste tirannen. Dat kan ik ook bevestigen van al hun andere verrichting en daden in Amerika.

Toen de oorlogshandelingen afgelopen waren en de inwoners allemaal uitgeroeid waren, verdeelden zij onder elkaar de voor dat doel willekeurig in leven gelaten jongemannen, vrouwen en kinderen. De een kreeg er dertig, een ander veertig en aan weer een ander werden er honderd ter beschikking gesteld, en een vierde kreeg er tweehonderd. Hoe meer iemand op goede voet stond met de heersende tiran — die zij gouverneur noemden — hoe meer Indianen hem toegewezen werden, onder voorwendsel en voorwaarde dat zij erop zouden toezien dat zij onderricht werden in het katholieke geloof. En dat terwijl zij, die hen moesten onderrichten en voor hun zielenheil zorgen, zelf voor het merendeel dwazen waren, wreed en hebzuchtig en behept met allerlei ondeugden. En wat waren dan al die zorgen die zij aan hen besteedden? Ze stuurden de mannen naar de mijnen om goud te delven, wat een ondraaglijk zware arbeid is. De vrouwen gebruikten zij om de grond te bebouwen en te bemesten, dat zeer vermoeiend is, zelfs voor de sterkste en stoerste mannen. Zij gaven hen geen ander voedsel dan kruiden en dergelijke onvolwaardige kost, zodat de melk van de zogende vrouwen opdroogde en de kinderen die zij kort voordien hadden gebaard allemaal doodgingen. En omdat de mannen gescheiden waren van de vrouwen, konden zij geen omgang met elkaar hebben en zich niet voortplanten en kinderen verwekken. De mannen stierven in de mijnen, uitgehongerd en uitgeput door het zware werk. De vrouwen stierven op het veld, afgemat en gebroken door dezelfde ellende en rampzaligheden. Zo werd door die omstandigheden een ontelbaar aantal bewoners van dat ooit zo dichtbevolkte eiland vernietigd en weggevaagd. Ze werden gedwongen lasten te dragen van tachtig of honderd pond en die over een afstand van honderd tot tweehonderd mijl te vervoeren. De Spanjaarden lieten zich door de Indianen verplaatsen in schommelende draagstoelen die zij op hun schouders droegen, of op een soort bedden, in de vorm van netten. Zij maakten dus van hen gebruik als pakdieren — op dezelfde manier als zij dat deden met oude paarden, die gewend zijn aan zware bepakkingen — om de lasten en zware bagage te dragen die zij op hun reizen meevoerden, waardoor het vaak voorkwam dat de schouders en ruggen van de Indianen diep gegroefd waren met wonden en littekens. Het zou heel wat tijd vergen en vele vellen papier om alle slagen met zwepen en knuppels te beschrijven, de stompen en afranselingen en de vloeken en scheldpartijen, samen met duizenden andere kwellingen die zij ondergingen tijdens die afmattende reizen. Bij de lezer zou dat alleen maar afschuw en ontzetting teweegbrengen.

Hierbij dient nog opgemerkt te worden dat de verwoesting van deze eilanden een aanvang nam na de dood van de zeer doorluchtige koningin Isabella, in het jaar 1504. Tot dan toe waren er nog maar weinig provincies op dat eiland onderdrukt of verwoest door onrechtvaardige oorlogen, of in hun geheel vernietigd zoals nadien. De meeste van deze zaken, zo niet allemaal, werden voor de koningin — ik hoop dat God haar gekroond heeft met de eeuwige glorie — verborgen gehouden of toegedekt. Want zij werd gedreven door een voorbeeldige, vurige en bewonderenswaardige ijver, ja zelfs bijna goddelijk verlangen, voor het zielenheil en behoud van deze mensen, wat niet zomaar vergeten kan worden. Met eigen ogen hebben wij dat gezien en met eigen handen gevoeld. Neem dus als algemene regel aan dat de Spanjaarden, waar zij ook voet aan land zetten op de kusten van Amerika, dezelfde wreedheden, bloedbaden en gewelddaden en een weerzinwekkende onderdrukking uitoefenden tegen de volmaakt onschuldige indiaanse volkeren en dat zij, doordat zij behagen schiepen in allerlei nieuwe martelingen, mettertijd steeds bruter en wreder werden. Want God liet toe dat zij met de dag dieper zonken en liet hen in hun verstoktheid en hun slechtheid aan hun lot over.


OVER DE EILANDEN SAN JUAN EN JAMAïCA.

In het jaar 1509 zeilden de Spanjaarden naar de eilanden San Juan en Jamaïca — als het ware tuinen en bijenkorven — met dezelfde opzet en bedoelingen als waarmee zij naar het eiland Hispaniola waren gegaan. Evenals voorheen bedreven zij daar misdaden en schurkenstreken, waaraan zij ongehoorde wreedheden toevoegden door mensen te vermoorden, te verbranden, te roosteren en door hun honden te laten verscheuren. Door hen op een ongehoorde wijze te belasten met uitbuitingen en kwellingen in de mijnen, vernietigden en ontvolkten ze uiteindelijk het land van deze onschuldige mensen. Deze twee eilanden werden ooit bewoond door ten minste zeshonderdduizend mensen, maar vandaag de dag zijn er op elk ervan nog maar nauwelijks tweehonderd te vinden. Alle anderen kwamen om, verstoken van het christelijke geloof en de sacramenten.


OVER HET EILAND CUBA.

In het jaar des Heren 1511 staken de Spanjaarden over naar Cuba, dat zich in de lengte even ver uitstrekt als de afstand van Valladolid naar Rome en grote en uitgestrekte provincies telt, die dichtbevolkt zijn. Daar gingen zij niet menselijker of genadiger te werk maar, om de waarheid te spreken, nog veel woester en wreder. Op dat eiland speelden zich verschillende gedenkwaardige gebeurtenissen af, die de aandacht verdienen. Een cazique, een machtige edelman die Hatney heette, was niet lang daarvoor vanuit Hispaniola naar Cuba gevlucht, om aan de dood of levenslange gevangenschap te ontkomen. Toen hij van een aantal Indianen had gehoord dat de Spanjaarden van plan waren koers te zetten naar dit eiland, sprak hij zijn onderdanen, die zich allemaal verzameld hadden als volgt toe:

"Jullie zijn ervan op de hoogte dat hier overal het gerucht gaat dat de Spanjaarden in aantocht zijn. Jullie weten ook uit ervaring hoe daar en daar — hij noemde namen — en Haïti — zo noemen zij Hispaniola in hun eigen taal — en hun bewoners door hen zijn behandeld en dat zij van plan zijn ons met dezelfde bedoelingen te bezoeken en hier dezelfde daden zullen begaan waaraan zich tot nu toe schuldig hebben gemaakt. Maar kennen jullie ook de reden en bedoeling van hun komst?" "Daar weten wij niets van," antwoordden zij, "maar wij weten wel heel goed dat ze wreed en slecht zijn." "Ik zal het jullie vertellen, zei hij, ze aanbidden een hebzuchtig God, van wie de verlangens niet bevredigd kunnen worden door een paar bescheiden offers, maar om hem te kunnen aanbidden en eer te bewijzen, zullen zij van ons onredelijke dingen eisen en alles in het werk stellen om ons te onderwerpen en daarna te vermoorden." Daarna pakte hij een mandje of bakje dat hij bij zich had, vol edelstenen en goud, en vervolgde: "dit is de God van de Spanjaarden. Als jullie het goed vinden, laten we dan nu onze arcytos — een bepaald soort dansen en springen die bij hen gebruikelijk zijn— uitvoeren en als wij daarmee die God tevreden kunnen stellen, zal hij de Spanjaarden bevelen ons in de toekomst niet lastig te vallen." En als uit één mond en eenstemmig riepen ze als antwoord het volgende: "goed gesproken, goed gesproken" en gingen door met rondspringen en dansen voor dit mandje, zonder enkele onderbreking, tot ze moe en uitgeput waren. Toen hervatte de edele Hatney zijn toespraak en zei: "al aanbidden wij deze God, toch zullen zij hem ons afnemen en ons doden. Na rijp beraad acht ik het verstandig dat wij hem in de rivier gooien." Die goede raad werd door iedereen, zonder tegenspraak, aangenomen en het mandje werd in de dichtstbijzijnde rivier gegooid.

Toen de Spanjaarden voor het eerst voet aan land zetten op dit eiland, werden ze door deze cazique, die hen door en door kende, zoveel mogelijk uit de weg gegaan. Telkens wanneer hij hen toch tegenkwam verdedigde hij zich gewapenderhand, maar op het laatst werd hij gevangen genomen. Omdat hij gevlucht was voor mensen die zo wreed en onrechtvaardig waren en het had gewaagd zijn leven te verdedigen tegen hen, die zo dorstten naar zijn bloed en dat van zijn eigen volk, werd hij levend verbrand. Nadat hij voor zijn terechtstelling aan een paal vastgebonden was, sprak een eerwaarde monnik van de Franciscaner orde met hem over God en de artikelen van ons geloof, waarover de cazique nooit iets gehoord had, maar wat nuttig en gunstig voor hem zou kunnen zijn, gezien de korte tijd die hem door de beul nog toegestaan werd. Hij beloofde hem eeuwige glorie en rust, als hij dat allemaal geloofde en anders eeuwigdurende kwellingen. Nadat Hatney daar een poosje zwijgend over nagedacht had, vroeg hij de monnik of de Spanjaarden ook toegelaten werden in de hemel en toen hij antwoordde dat de hemelpoort openstond voor alle goede en vrome mensen, antwoordde de cazique, zonder verder nadenken, dat hij dan liever naar de hel ging dan naar de hemel, omdat hij bang was dat hij dan in één huis zou moeten samenwonen met mensen die zo bloeddorstig en wreed waren. Dat is dus de manier waarop God en het heilige katholieke geloof, door toedoen van de Spanjaarden, in Indië aangeprezen en geëerbiedigd worden!

Op zekere dag gebeurde het dat de burgers van een beroemde stad, die op een afstand van tien mijl lag van de plek waar wij ons toen ophielden, ons met een schitterend gevolg kwamen bezoeken. Om luister bij te zetten aan hun bezoek brachten ze heerlijke levensmiddelen en lekkernijen met zich mee, naast een zo grote hoeveelheid vis als ze maar hadden kunnen bemachtigen, en deelden dat onder ons uit. Maar ziedaar, opeens voer een kwaadaardige duivel in het hoofd van de Spanjaarden en wond hen zo op dat zij, in mijn bijzijn en zonder de geringste aanleiding of reden, in koelen bloede willekeurig meer dan drieduizend mannen, vrouwen en kinderen in de pan hakten. Onder mijn ogen werden dus dergelijke onmenselijkheden en wreedheden bedreven, die in geen enkele tijd geëvenaard zijn.

Enige tijd later stuurde ik boodschappers naar alle vorsten in de provincie Havana om hen te laten weten dat ze op geen enkele manier bang hoefden te zijn, of hun toevlucht te zoeken in de vlucht, maar dat ze ons op moesten zoeken en dat ik beloofde — want ze wisten hoeveel gezag ik had — dat hen niets aangedaan zou worden, want het hele land was al hevig geteisterd door wreedheden en wandaden. Ik deed dat met instemming van de kapitein van de Spanjaarden. Zodra wij de provincie naderden, kwamen tweeëntwintig van hun edellieden ons tegemoet. In weerwil van zijn belofte wilde de kapitein hen verbranden, onder het voorwendsel dat het verstandig was hen ter dood te brengen omdat zij in staat waren te allen tijde een list tegen ons te gebruiken. Het kostte mij veel moeite en ophef om hen van de brandstapel te redden.

Nadat ze tot dezelfde slavernij en ellende waren gebracht als de bewoners van Hispaniola, en zagen dat ze zonder enig zicht op verbetering ten onder zouden gaan en het leven zouden laten, vluchtten deze bewoners van het eiland Cuba naar de bergen om zich daar te verschuilen, maar anderen hingen zich uit wanhoop zelf op, mannen met hun vrouwen en kinderen, om een einde aan deze ellende te maken.

Door de wreedheid van een enkele Spaanse tiran — mij welbekend — hingen meer dan tweehonderd Indianen zichzelf uit eigen beweging op. Een groot aantal mensen vond op die manier de dood.

Op datzelfde eiland was een Spanjaard die een soort koninklijk bewind uitoefende. Hem waren driehonderd Indianen toebedeeld, waarvan binnen drie maanden, door buitensporig zware arbeid, honderdzestig doodgegaan waren en er binnen die zo korte tijd nog maar eentiende in leven was, namelijk dertig (?). En toen het aantal weer werd aangevuld, stierven ze met dezelfde snelheid; alle mensen die hij kreeg verloren hun leven, tot hij uiteindelijk zelf zijn laatste tol moest betalen aan de natuur en de duivel.

In de drie of vier maanden dat ik daar was, gingen er zesduizend kinderen dood, omdat zij hun ouders hadden verloren die in de mijnen moesten werken. Ik was ook getuige van veel andere vreselijke misdaden.

Later besloten de Spanjaarden jacht te gaan maken op de Indianen die zich in de bergen verscholen hadden en richtten een vreselijk bloedbad onder hen aan. Zodoende werd het hele eiland dus verwoest en uitgemoord. Niet lang daarna bezocht ik het eiland opnieuw en het is zonder twijfel afschuwelijk en betreurenswaardig om te zien hoe het ontvolkt is en tot een woestenij is vervallen, als een woestijn.


OVER HET VASTELAND VAN AMERIKA.

In het jaar 1514 zette op het vasteland een beruchte gouverneur voet aan wal, een zeer bloeddorstige tiran, verstoken van elle mededogen en barmhartigheid, instrument van de wrake Gods, vastbesloten om deze streken met Spanjaarden te bevolken. Vóór hem waren er al een aantal andere wreedaards geweest die de Indianen, door hen op verschillende manieren af te slachten, meedogenloos naar de andere wereld gejaagd hadden. Zij waren echter niet verder gekomen dan de zeekust, waar zij buitensporige plunderingen en berovingen bedreven. Maar deze man was erger dan al degenen, die zich ooit op andere eilanden hadden opgehouden en zelf ook verfoeilijke en losbandige schurken waren. Hij verwoeste en ontvolkte niet alleen de hele kuststreek, maar begroef hele landstreken en de omvangrijkste koninkrijken onder hun eigen puinhopen en zond met zijn slachtpartijen duizenden Indianen naar de hel. Hij hield strooptochten die mijlenver het binnenland in voerden, dat wil zeggen, tot in de streken die onder het gebied van Darien en de provincies van Nicaragua vallen, waar zich over een afstand van bijna vijfhonderd mijl het vruchtbaarste land ter wereld uitstrekte en zich de rijkste goudvindplaatsen bevonden van alle tot nu toe ontdekte landen. En hoewel Spanje al voorzien was van grote hoeveelheden van het zuiverste goud, moest in voornoemde landen door de Indianen toch nog meer aan de ingewanden van de aarde ontrukt worden, waarbij zij — zoals we al verteld hebben — omkwamen.

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenDeze gouverneur en zijn trawanten bedachten nieuwe manieren om het goud uit de Indianen te martelen en te kwellen, het hen af te dwingen en af te persen en aan hen over te dragen. Tijdens een van die tochten, die op bevel van zijn gouverneur ondernomen werd om te plunderen, vermoorde een van zijn kapiteins veertigduizend Indianen. Hij joeg ze over de kling, verbrandde ze levend, en wierp ze voor de honden, naast allerlei andere martelingen. Bij dat alles was een geestelijke van de orde van St. Franciscus aanwezig en zag het onder zijn ogen gebeuren.

Wat de bekering en zaligmaking van deze mensen betreft, waren de bewindhebbers over de Indianen geslagen door een grote en gevaarlijke blindheid, want in werkelijkheid lieten zij na wat zij in hun vurige betogen voorgaven en beleden met hun mond het tegenovergestelde van wat hun hart hen ingaf. Zij eisten van de Indianen dat zij zich, op straffe van een bloedige oorlog, dood en eeuwige slavernij, tot het christelijke geloof moesten bekeren en gehoorzaam moesten zijn aan de koning van Castilië. Alsof Gods Zoon, die stierf voor de verlossing van de hele mensheid, toen hij een gebod uitvaardigde met het uitspreken van de woorden, ‘gaat en onderwijst alle volkeren,’ voorgeschreven had dat de heidenen, die vreedzaam en rustig in hun vanouds eigen landen leefden, opgelegd moest worden dat zij op straffe van inbeslagneming van hun vee, landerijen, vrouwen, kinderen en zelfs dood, zonder enige voorgaand onderricht de ware God moesten belijden en erkennen en zich moesten onderwerpen aan een koning, die ze nooit eerder gezien en waarover ze nooit iets gehoord hadden en die gezanten had die zich zo onmenselijk en wreed tegenover hen gedroegen, zoals zij tot dan toe hadden gedaan. Dat is zonder twijfel de dwaaste en absurdste manier van optreden en verdient slechts minachting, spot en zelfs de hel.

Zodra deze beruchte en schaamteloze gouverneur gemachtigd was om deze bevelen te laten uitvoeren, die op zichzelf strijdig waren met zowel recht als billijkheid, gaf hij opdracht — er waren ook Spanjaarden die moesten toezien op de uitvoering, die dat eigenmachtig deden — dat als zij vermoedden of dachten dat er ergens veel goud aanwezig was, de Indianen in hun steden en huizen daarvan te gaan beroven, maar zonder enige verdenking op zich te laden dat ze iets kwaads van zins waren. Deze goddeloze Spanjaarden naderden dan in de nacht zo’n stad of dorp onopvallend als dieven, tot op een halve mijl en kondigden zich dan aan op de volgende manier:

"Caziquen en Indianen van dit land, inwoners van de plaats….," die zij dan noemden. "Hierbij verklaren wij, zodat gij het allen zult weten, dat er maar één God is, één paus en één koning van Castilië, die heer is over dit land. Komt allen onverwijld om, als zijn slaven, trouw te zweren aan de Spaanse koning."

Tegen het vierde of derde uur in de morgen, terwijl deze arme onschuldigen nog door de slaap overmand waren, vielen de Spanjaarden met geweld dat dorp binnen, staken de hutten in brand, die allemaal strooien daken hadden, waardoor mannen, vrouwen en kinderen levend verbrandden en sloegen anderen ter plekke dood. Maar de mensen die ze in leven lieten namen zij gevangen en dwongen hen, als zij in hun huizen weinig of geen goud vonden, onder martelingen te vertellen waar zij het verborgen hadden. De overlevenden werden eerst gebrandmerkt en daarna tot slaaf gemaakt en nadat het vuur gedoofd was gingen ze haastig op zoek naar goud. Zo trad deze goddeloze man, toegewijd aan alle helse furiën, van 1514 tot 1521 of 1522 op, bijgestaan door liederlijke christenen, die hij in dienst had genomen. In hetzelfde voetspoor volgden zijn huisbedienden en aanhangers, van wie hij even grote hoeveelheden goud, parels en juwelen kreeg, naast wat hij al van zijn slaven had geroofd, als de opperste bevelhebber zou hebben buitgemaakt, en alle anderen die een of ander koninklijk ambt bekleedden. Iedereen stuurde zoveel dienaren als hij kon missen, om in de buit te delen. De bisschop was zelfs de allereerste die daaraan meedeed. Ik schat dat de Spanjaarden in die periode dit koninkrijk beroofden van meer dan tienhonderdduizend Castilianen goud. Wij treffen echter deze buitgemaakte schatten nauwelijks aan in het verslag dat vermeldt dat er maar driehonderdduizend Castilianen goud in de schatkist van de Spaanse koning vloeiden en toch werden daarvoor meer dan achthonderdduizend mensen afgeslacht. De andere wreedaards die dit koninkrijk nadien tot het jaar 1533 bestuurden, lieten van de resterende inwoners niemand in leven.

Onder de schanddaden, die door deze gouverneur begaan werden toen hij het bewind over dit koninkrijk voerde, of die bedreven werden met zijn toestemming en goedvinden, moet in ieder geval de volgende niet vergeten worden: een zekere cazique had hem vrijwillig, of — wat waarschijnlijker is — uit angst, negenduizend Castilianen goud geschonken, maar de Spanjaarden waren niet tevreden met dat bedrag, grepen hem en bonden hem vast aan een paal. En terwijl zij zijn voeten vlakbij een vuur brachten, eisten ze een groter bedrag. Gezwicht door de martelingen stuurde hij iemand naar zijn huis om nog drieduizend Castilianen goud te halen en die aan hen te overhandigen. Maar de Spanjaarden gingen uit woede en razernij door met martelen, toen zij merkten dat hij hen niet meer gaf, omdat hij dat niet kon of niet wilde. Zij gingen zolang door met die marteling dat door de toenemende hitte het merg uit zijn voetzolen droop en hij stierf. Dat was de manier waarop zij de hooggeplaatsten en edellieden met dat soort martelingen de dood injoegen om hen goud af te persen.

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenOp zekere dag gebeurde het dat een groep van honderd Spanjaarden er op uit trok en bij een berg aankwam waar een groot aantal Indianen zich verscholen had, om zo een gruwelijke en verderfelijke vijand uit de weg te gaan. Meteen stormden zij op hen af en regen iedereen die ze tegenkwamen aan het zwaard en namen daarna zeventig of tachtig getrouwde vrouwen en meisjes gevangen. Daarna trokken een groot aantal Indianen, die het vurige verlangen koesterden om hun vrouwen en meisjes terug te krijgen, gewapend op tegen de Spanjaarden en toen zij de vijanden naderden, doorstaken zij, omdat zij hun buit niet af wilden geven, de vrouwen en meisjes met hun zwaarden. De Indianen die zich van verdriet en ellende op hun borst sloegen, riepen hen het volgende toe: "O verdorven mensengeslacht! O wrede Spanjaarden! Waarom vermoorden jullie las iras?" — in hun taal noemen zij vrouwen zo. Alsof ze wilden zeggen: vrouwen vermoorden is iets voor bloeddorstige mensen, erger dan wilde beesten.

Tien of vijftien mijl van Panama stond het huis van een machtige heerser, die Paris heette en veel goud bezat. De Spanjaarden brachten hem een bezoek en werden hoffelijk en met een broederlijke vriendelijkheid ontvangen. Uit eigen beweging gaf hij de kapitein een geschenk van vijftienduizend Castilianen goud. Hij en de andere Spanjaarden dachten toen, dat iemand die een dergelijke grote hoeveelheid geld voor niets geeft, vast een grote schat moest bezitten. Zij deden dus alsof ze weer vertrokken, maar keerden rond vier uur ’s ochtends terug, vielen de stad, waarvan zij dachten dat die goed beveiligd was, in het geheim en bij verrassing binnen, gaven die samen met de inwoners prijs aan de vlammen en maakten vijftig- of zestigduizend Castilianen goud buit. De vorst bracht het er levend vanaf, bracht in korte tijd zoveel mogelijk mannen op de been en joeg, nadat drie tot vier dagen waren verstreken, achter de Spanjaarden aan, die hem met geweld honderddertig tot –veertigduizend Castilianen goud afhandig hadden gemaakt. Zij stortten zich op hen, heroverden al zijn goud en vermoordden vijftig Spanjaarden. De rest, die in het treffen vele verwondingen hadden opgelopen, bracht zichzelf door de vlucht in veiligheid. Maar een paar dagen later keerden de Spanjaarden terug, overvielen de goedbewapende cazique en versloegen hem en al zijn strijdkrachten. De Indianen, die zo ongelukkig waren het gevecht te overleven werden, wat al herhaaldelijk is vermeld, zoals gewoonlijk tot slaaf gemaakt.


OVER DE PROVINCIE NICARAGUA

In het jaar 1522 ging voornoemde tiran door met de rampzalige onderwerping van deze provincie. In feite kan niemand een toereikende beschrijving geven van de vruchtbaarheid, het aangename klimaat of hoeveelheid inwoners van Nicaragua, die haast eindeloos en bewonderenswaardig was. Deze streek telde een aantal steden die zich over vier mijl uitstrekten en de overvloed aan vruchten der aarde — wat de reden was van de grote opeenhoping van mensen — was zeer opmerkelijk. Omdat het land vlak en uitgestrekt was, er geen bergen waren, en het er zo heerlijk en aangenaam was, konden zij het niet ontvluchten zonder veel verdriet en ongenoegen. Daarom waren de kwellingen en vervolgingen voor hen des te erger en waren ze gedwongen de Spaanse tirannie en slavernij te verdragen, met alle geduld dat ze konden opbrengen. Daarbij komt dat ze vreedzaam en zachtmoedig van aard waren. Met zijn kompanen — van wier adviezen hij gebruik maakte om andere koninkrijken te vernietigen — in de wreedheid viel deze tiran het land binnen richtte daar zoveel ellende, schade, bloedbaden, knechtschap en wreedheden aan dat zelfs een ijzeren tong die niet allemaal zou kunnen uitspreken. Hij stuurde, bij de onbeduidendste en geringste aanleiding, vijftig ruiters de provincie — die groter is dan het gewest Roussillon [destijds deel van het koninkrijk Aragon, vert.]) in, die de hele bevolking aan het zwaard regen, bijvoorbeeld als ze niet zo snel mogelijk naar hem toekwamen, wanneer hij ze ontbood of niet de opgelegde hoeveelheid mahid — wat in hun taal koren of graan betekent — leverden of een aantal Indianen als bediende, of liever slaaf, voor zichzelf of zijn trawanten wilde hebben. En omdat het land helemaal vlak was kon niemand ontkomen aan de helse razernij van zijn ruiters.

Hij beval de Spanjaarden er op uit te trekken, dat wil zeggen, andere provincies te plunderen en gaf deze rovende bandieten toestemming om met geweld zoveel mogelijk van die vreedzame mensen gevangen te nemen. Zij werden dan aan elkaar geketend — zodat zij niet zouden bezwijken onder lasten van zestig of tachtig pond — en het kwam herhaaldelijk voor dat van de duizend Indianen er maar zes weer huiswaarts keerden en rest onderweg stierf. Maar als een van hen uitgeput raakte, afgemat door een te zware last, door hevige honger en dorst overvallen werd of door een ziekte of te zwak en te moe raakte, sloegen zij hem — om geen tijd te hoeven verliezen om hem uit zijn ketenen los te maken — zijn hoofd af, zodat het hoofd de ene en het lichaam de andere kant op viel. Als de Indianen in de gaten kregen dat de Spanjaarden voorbereidingen troffen voor dergelijke strooptochten, riepen ze, omdat ze heel goed wisten dat maar een enkeling of helemaal niemand van hen weer levend terug zou keren, onder gejammer en tranen: "vaak hebben wij in dienst van de christenen dergelijke tochten gemaakt en na verloop van tijd keerden wij altijd terug naar onze huizen, vrouwen en kinderen, maar nu koesteren wij geen enkele hoop meer dat wij nog ooit zullen terugkeren en hen nog ooit zullen zien en spreken."

Op zekere dag wilde deze gouverneur ten eigen bate de Indianen opnieuw verdelen, eigenlijk om hen met geweld af te nemen van mensen die hem lastig vielen of tegenwerkten en hen aan anderen te geven. Het gevolg daarvan was dat er een heel jaar niet gezaaid of aangeplant werd. En toen zij brood wilden hebben, pakten de Spanjaarden met geweld de Indianen hun hele voorraad mais af, die zij hadden opgeslagen voor het levensonderhoud van hun eigen gezin en daardoor stierven meer dan dertigduizend mensen van de honger. Het kwam zelfs voor dat een vrouw die ondraaglijke honger leed, haar eigen zoontje het leven benam, om het hare te redden.

In deze provincie kwamen veel mensen voortijdig aan hun eind, omdat de Spanjaarden zware balken en planken op hun schouders laadden, die ze over een afstand van veertig mijl naar een haven moesten sjouwen, om hun schepen te bouwen. Ze stuurden hen ook de bergen in om honing en was te verzamelen, waar ze door tijgers verscheurd werden. Zelfs vrouwen moesten van hen lasten dragen die doorgaans door lastdieren vervoerd werden.

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenMaar de grootste plaag waardoor deze provincie ontvolkt werd, was dat door deze gouverneur toestemming werd gegeven aan de Spanjaarden om van de caziquen en heersers van deze streek slaven op te eisen. Om de vier of vijf maanden, of zo vaak als zij toestemming kregen van de gouverneur, werden hen vijftig slaven geleverd. De Spanjaarden joegen hen angst aan met het dreigement dat ze hen, als zij niet aan hun onredelijke eisen zouden voldoen, levend zouden verbranden of door de honden zouden laten verslinden. Indianen hebben maar weinig bedienden en het is al veel als een cazique drie of vier bedienden heeft. Daarom moesten de Spanjaarden hun toevlucht nemen tot het oppakken van mensen uit het volk. En nadat ze dat eerst met de wezen hadden gedaan, eisten ze de van ieder gezin dat maar twee kinderen had, er een op en twee van wie er drie had. Zo voldeed de cazique van de stad aan de eisen van de tiran, niet zonder gejammer en tranen van de inwoners, die duidelijk zeer zorgzaam voor hun kinderen waren. En omdat dit in de periode van 1523 tot 1533 zeer vaak plaatsvond, verloor het koninkrijk al zijn inwoners. Want zes of zeven jaar achtereen werden doorlopend vijf of zes schepen ingezet die volgestouwd werden met slaven die verkocht werden in de gewesten Panama en Peru, waar ze allemaal stierven, want de dagelijkse ervaring heeft bewezen dat bevestigd dat Indianen, als zij vanuit hun vaderland overgebracht werden naar een ander land, zeer snel doodgaan. Dat kwam omdat ze minder te eten kregen, terwijl het werk dat zij moesten verrichten op geen enkele manier verlicht werd, omdat ze alleen aangeschaft waren om te werken. Op die wijze werden er uit deze provincie meer dan vijfhonderdduizend Indianen gehaald, die voordien vrije mensen waren, en tot slaaf gemaakt. In de oorlogen die tegen hen gevoerd werden en door de afschuwelijke slavernij kwamen nog eens vijftig- tot zestigduizend mensen om het leven en tot op de dag van vandaag sterven er nog steeds velen. Al die slachtingen vonden plaats in een periode van veertien jaar en in deze provincie zijn misschien nog maar vier- of vijfduizend mensen over, die tegenwoordig bezwijken aan gewone en persoonlijke onderdrukking. En dat terwijl deze streken —zoals al eerder is gezegd — alle andere landen overtroffen in het aantal inwoners.


OVER NIEUW-SPANJE

Nieuw-Spanje werd ontdekt in het jaar des Heren 1517 en naar het zich laat aanzien was er geen sprake van een of twee aanvallen, maar had iedereen te lijden onder de slachtingen. In het jaar daarop kwamen de Spanjaarden — die zichzelf christen noemen — om te plunderen en te moorden, hoewel zij voorgaven dat zij die reis hadden ondernomen om zich in het land te vestigen. Vanaf dat jaar tot op heden, dat wil zeggen 1542, stegen de onrechtvaardigheid, het geweld en de tirannie van de Spanjaarden tot een hoogtepunt. Zij hadden alle vrees voor God en koning van zich afgeschud en vaarwel gezegd en beseften niet dat zij zich zodoende in een zo betreurenswaardige en rampzalige toestand hadden gewerkt. De verwoestingen, wreedheden, slachtingen, vernietiging en het met de grond gelijk maken van steden, plunderingen enz., die zij aanrichtten in zovele en uitgestrekte koninkrijken, zijn van dien aard, zo groot en vervullen het mensenverstand met zoveel afgrijzen, dat alles wat wij tot nu toe hebben verteld in het niet valt vergeleken met wat zich heeft afgespeeld tussen 1518 en 1542. Zelfs nu nog, in de septembermaand waarin wij nu leven, worden er zodanig ernstige, afschuwelijke en weerzinwekkende daden bedreven, dat de gang van zaken die wij eerder als stelregel hebben aangegeven zonder twijfel bevestigd wordt, dat wil zeggen, dat zij vanaf het begin van kwaad tot erger kwamen en in hun duivelse praktijken en slechtheid alleen zichzelf overtroffen.

Vanaf de eerste dag dat de Spanjaarden Nieuw-Spanje binnentrokken, wat plaatsvond op 18 april van het jaar 1518, tot 1530, een periode van meer dan tien jaar, ging op het vasteland het verwoesten en afslachten tot op het laatst onafgebroken door, bedreven door de meedogenloze handen van de bloeddorstige en wrede Spanjaarden, tot in een omtrek van vierhonderdvijftig mijl rondom de stad Mexico en in de aangrenzende streken, waarin vier of vijf uitgestrekte koninkrijken liggen, die in grootte en vruchtbaarheid niet onderdoen voor Spanje. Deze hele streek was dichter bevolkt dan Toledo, Sevilla, Valladolid, Saragossa, en Faventia (tegenw. Faenza, vert.). En tot op de dag van vandaag hebben die allemaal niet zoveel inwoners — zelfs niet in de tijd dat zij hun hoogste bloei en luister meemaakten, waren die aantallen niet zo groot — als deze streek, die een omtrek had van vierhonderdtachtig mijl. In deze tijdspanne van twaalf jaar hebben de Spanjaarden voornoemde streek vernietigd. Met lans en te vuur en te zwaard, hebben ze, alles bij elkaar gerekend, meer dan viermiljoen mannen, vrouwen, jonge mensen en kinderen uitgeroeid tijdens hun bezettingen en veroveringen — want met die woorden verdoezelen zij hun wreedheden — die strijdig zijn aan en veroordeeld worden door zowel goddelijke als menselijke wetten en veel erger waren dan wat de Turken aanrichtten met de bedoeling de Katholieke Kerk te vernietigen. Daar zijn dan nog niet eens alle mensen meegerekend die bezweken aan hun slavernij, die erger was dan die van de Egyptenaren, en de gebruikelijke onderdrukking.

Met geen menselijke tong of verstand en op geen enkele manier kunnen de gruwelijke wandaden onder woorden gebracht worden, waaraan deze aartsvijanden van de regering en de hele mensheid zich schuldig hebben gemaakt in verschillende perioden en landen. Evenmin kunnen op geen enkele manier de verzwarende omstandigheden van sommige van hun verderfelijke daden beschreven of weergegeven worden, hoeveel tijd, ijver en papier men daar ook aan zou besteden. Maar toch zal ik iets over elke afzonderlijke zaak vertellen, met de plechtige verklaring en onder ede, dat ik besef dat ik nog geen duizendste deel daarvan kan weergeven.


OVER NIEUW-SPANJE IN HET BIJZONDER.

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenOnder de andere bloedbaden die zij aanrichtten vond er ook een plaats in de zeer uitgestrekte stad Cholula, die uit dertigduizend gezinnen bestond. Voorafgegaan door hun priesters en hogepriesters gingen de hooggeplaatsten van die streek en de naburige gebieden de Spanjaarden met pracht en praal tegemoet en om hen met nog meer respect en eerbetoon te bejegenen, nodigden hen uit om aanwezig te zijn bij hun plechtigheden en brachten hen daartoe onder in de huizen van de machtigste en belangrijkste edellieden in de stad. Meteen hielden de Spanjaarden een beraad en besloten tot het aanrichten van een slachting of kastijding — zoals zij dat noemen —, zodat ze met hun wreedheden en wandaden de streek tot in alle uithoeken met angst en beven zouden vervullen. Want in alle landen die zij binnenvielen was de gang van zaken dat zij meteen na aankomst een aantal gruwelijke slachtingen aanrichtten, om die onschuldige schapen angst aan te jagen. Daartoe ontboden zij nu de bestuurders en edellieden uit de steden en het hele gebied dat onder hun bewind stond, samen met hun opperheer en zodra zij hun opwachting maakten, in de verwachting dat het zou gaan om een verdrag of onderhoud met de Spaanse commandant, werden ze meteen opgepakt en gevangen genomen, voordat iemand hen had kunnen waarschuwen of op de hoogte had kunnen brengen dat hen dit te wachten stond. Ze eisten van hen zesduizend Indianen die voor hen als lastdragers moesten dienen en zodra ze gebracht waren, werden ze door de Spanjaarden naar de omheinde tuinen vervoerd die bij hun huizen behoorden en daar allemaal opgesloten. Het was deerniswekkend en vreselijk om te zien hoe deze ongelukkige mensen zich voorbereidden op de lasten waarmee de Spanjaarden hen zouden gaan opzadelen. Zij kwamen naar hen toe, geheel naakt en alleen hun schaamdelen bedekt en hun schouders beladen met door een net bedekte levensmiddelen. Ze gingen als armzalige hoopjes rustig, in elkaar gedoken, op de grond zitten, overgeleverd aan de zwaarden van de Spanjaarden. Nadat ze allemaal in de tuinen bijeengedreven waren posteerden een aantal gewapende Spanjaarden zich bij de poorten om hen terug te drijven als zij daar in de buurt zouden komen en begonnen de anderen deze onschuldige mensen met lans en zwaard af te slachten en lieten niemand ontsnappen. Maar twee of drie dagen later doken een aantal van hen, die zich schuil gehouden hadden onder de lijken, weer op en verschenen onder het geronnen bloed voor de Spanjaarden. Met tranen in hun ogen en met een onvoorstelbare nederigheid smeekten ze hen om genade en hen in leven te laten, maar de Spanjaarden, geenszins bewogen door medelijden of barmhartigheid, hakten hen in stukken. De kapitein beval alle hooggeplaatsten, meer dan honderd in getal, die vastgehouden werden, aan palen te binden en levend te verbranden. Maar de koning van het land ontsnapte en trok met een groep van dertig of veertig mannen naar een tempel —die in hun taal quu genoemd werd — die voor hem dienst deed als burcht of vesting en waar hij zich een groot deel van de dag verdedigde. Maar de Spanjaarden die niemand en vooral geen soldaten uit hun klauwen lieten ontsnappen, staken de tempel in brand, en allen die in daar ingesloten waren verbrandden levend en riepen stervend uit:" O wreedaards, wat hebben wij jullie aangedaan dat jullie ons doden? Ga, ga naar Mexico, waar onze opperkoning Montezuma onze dood op jullie zal wreken." Er wordt verteld dat, terwijl de Spanjaarden deze tragedie ten uitvoer brachten, hun commandant met grote schik het volgende lied zong:


Mira Nero de Tarpeia,
Roma como se ardia,
Gritos de Niños y Vieyot,
Y el de nadase dolia.

Vanaf de rots van Tarpeia zag
Nero Rome geheel in brand staan
Met een meedogenloze blik
Hoorde hij jong en oud krijsen.

Ze richtten ook een zeer groot bloedbad aan in de stad Tepeara, die nog groter en dichter bebouwd was dan bovengenoemde. Daar slachtten zij een onvoorstelbaar groot aantal mensen af met het zwaard.

In Cholula gingen ze onder zeil en zetten koers naar Mexico. Met een overvloed aan geschenken stuurde de koning hen zijn edellieden en hooggeplaatsten tegemoet en liet met allerlei festiviteiten zien hoe dankbaar hij met hun komst was en hoezeer hij dat op prijs stelde. Toen zij aankwamen bij een steile heuvel ging zijn broeder vooruit om hen te ontmoeten, vergezeld van vele edellieden die een grote hoeveelheid geschenken in de vorm van goud, zilver en met goud geborduurde mantels met zich meedroegen. Bij de ingang van de stad wachtte de koning hen op, gezeten in een gouden draagstoel, en samen met zijn hele hofhouding begeleidde hij hen naar het paleis, dat gereed gemaakt was voor hun ontvangst. En nog diezelfde dag — zoals ik vernam van een aantal mensen die destijds aanwezig waren bij dat grote verraad — namen ze de grote koning Montezuma, die dat zelfs in zijn dromen niet had kunnen vermoeden, gevangen, lieten hem bewaken door tachtig soldaten en legden hem aan de ketting. Maar nu dit alles, waar nog veel meer over gezegd zou kunnen worden, slechts oppervlakkig aangestipt is, wil ik alsnog de aandacht vestigen op wat zij daarna misdreven. Op zekere dag trok de commandant op naar de haven om slag te leveren met een Spaanse officier, die tegen hem in opstand was gekomen. Een andere officier liet hij achter met honderd soldaten om koning Montezuma te bewaken. Zij vatten het plan op om iets gedenkwaardigs te doen, zodat de Indianen door hun wreedheid steeds banger en beduchter zouden worden.

Intussen dachten de edellieden en de gewone burgers van de stad nergens anders aan dan hoe ze hun gevangengenomen koning konden opbeuren en troosten tijdens zijn opsluiting en daartoe richtten ze ‘s avonds feesten aan in alle delen van de stad, waarbij ze dansen uitvoerden die in hun taal mirotes noemen en bij de eilandbewoners aryetos heten. Bij deze festiviteiten dragen zij doorgaans al hun sieraden, kostbare gewaden en mantels en allerlei opzichtige en luisterrijke dingen. Ze zijn helemaal verslaafd aan dit soort vermaak en kennen geen bezigheid waar ze meer plezier aan beleven dan aan deze manier van uitgelatenheid en feestvieren. Ook de edellieden en de vorsten van koninklijke bloede namen, iedereen op zijn eigen manier, deel aan deze feesten en dansen, vaak in de buurt van het huis waar hun heer en meester gevangen werd gehouden. Het geval wilde dat er zich niet ver van het paleis ongeveer tweeduizend jonge edellieden bevonden, zonen van de belangrijkste heersers van het koninkrijk en de bloem van de hele adel van koning Montezuma. De Spaanse bevelhebber ging naar hen toe met een aantal soldaten en stuurde andere troepen naar de verschillende wijken van de stad waar die feesten plaatsvonden, onder het voorwendsel dat zij alleen maar toeschouwers waren. De kapitein had echter het bevel gegeven dat zij zich op een afgesproken tijdstip op de feestvierders moesten storten. En terwijl de Indianen helemaal opgingen in hun dans riep hij opeens: San Jago — dat is Sint Jacobus, en kennelijk het afgesproken signaal, dat niet eerder gebruikt was —, erop los! En met ontbloot zwaard begonnen ze meteen in te hakken op de weerloze en naakte lichamen van de Indianen en vergoten hun krachtige en edele bloed, totdat ter plekke geen van hen meer in leven was. De andere soldaten volgden zijn voorbeeld in de overige wijken van de stad, wat in heel deze provincies een onbeschrijflijke verbijstering en verdriet teweegbracht. Tot het einde der tijden zullen de inwoners deze feesten blijven vieren en met jammerklachten en allerlei gezang bij hun arcytos, de treurige klanken van deze rampspoed en de vernietiging van deze kweekvijver van de oude adel van het hele koninkrijk, die altijd hun trots en faam was geweest.

Toen de Indianen zagen dat zoveel onschuldige mensen zodanige ongehoorde wreedheden en onrecht werden aangedaan, terwijl ze met een ongelofelijk geduld de onrechtvaardige gevangenneming van hun koning verdroegen, die hen strikt verboden had de wapens op te nemen tegen de Spanjaarden, grepen de inwoners van de hele stad toch opeens naar de wapens, vielen de Spanjaarden aan en brachten veel van hen verwondingen toe, terwijl de overige nauwelijks konden ontsnappen. Die zetten echter de punt van een zwaard op de borst van de koning en dreigden hem te doden als hij zijn onderdanen niet vanuit het raam zou bevelen het vechten te staken. Maar op dat moment gaven de Indianen geen gehoor aan het bevel van de koning, maar gingen over tot het kiezen van een bevelhebber of aanvoerder over al hun strijdkrachten. En omdat de commandant die naar de haven was getrokken pas na een paar dagen als overwinnaar terugkeerde en een veel groter aantal Spanjaarden bij zich had dan toen hij vertrok, was er gedurende drie of vier dagen een wapenstilstand, waarna hij de stad introk. De Indianen die een groot leger op de been gebracht hadden boden zo lang en hevig weerstand, dat de Spanjaarden voor hun leven vreesden en een krijgsberaad hielden, waarbij besloten werd om zich om middernacht terug te trekken en hun strijdkrachten de stad te laten verlaten. Toen de Indianen dat ter ore kwam doodden zij een groot aantal van de zich terugtrekkende soldaten op de bruggen die zij over hun moerassen aangelegd hadden, in deze rechtvaardige en heilige oorlog, die zij vanwege bovengenoemde redenen voerden en door elk rechtschapen mens zonder twijfel goedgekeurd zou worden. Maar later verzamelden de Spanjaarden zich opnieuw en namen het besluit de stad in te nemen, waarin uiteindelijk ook slaagden. Eenmaal binnen richtten zij een weerzinwekkend bloedbad aan en staken de huizen in brand, waarbij een zeer groot aantal mensen werd afgeslacht en hun regeerders in de vlammen omkwamen.

Al die gruwelijke moorden werden begaan in de stad Mexico en andere steden tot tien, vijftien en twintig mijl in de omtrek. Deze zelfde tirannie en, bij wijze van spreken, pest, breidde zich uit en besmetten en verwoestten Panuco, een streek met een haast wonderbaarlijke overvloed aan inwoners. De slachtingen die daar werden aangericht waren niet minder verbijsterend en onvoorstelbaar. Op dezelfde manier werden de provincies Cucutepeca, Ipileingonië en Colima, die elk even groot waren als de koninkrijken Leon en Castilië, volledig met de grond gelijk gemaakt. Het zou zeer veel moeite kosten, of vrijwel onmogelijk zijn — en uiterst misselijkmakend en weerzinwekkend voor de lezer, — om alle wreedheden en verwoestingen op te sommen die daar aangericht werden.

Het is duidelijk dat zij deze zo dichtbevolkte streken alleen maar binnenvielen om de bevolking te onderwerpen en de gebieden van de Indianen verwoestten, terwijl alle echte christenen zich om die grote aantallen mensen om een andere reden verheugd zouden hebben. Want vanaf het moment dat de Spanjaarden daar voet aan wal zetten dwongen zij de Indianen een eed van trouw en gehoorzaamheid te zweren aan de koning van Spanje en als zij dat weigerden, bedreigden zij hen met dood en slavernij. En degenen die niet terstond kwamen opdraven om te voldoen aan hun onbillijke bevelen en zich niet onderwierpen aan de wil en eisen van die onrechtvaardige en wrede mensen, werden door hen rebellen genoemd, die verzet boden tegen onderwerping aan onze koning. De verblinding en onwetendheid van de Spanjaarden, die als bestuurders van de Indianen waren aangesteld, was zo groot dat ze niet begrepen en beseften dat de wet een onaanvechtbare stelregel kent, namelijk dat niemand een rebel genoemd kan worden, als niet eerst is aangetoond dat hij onderdaan is. Ik vermeld dan niet eens alle schade die zij de koning zelf berokkenen door zijn koninkrijken te vernietigen en te verwoesten, en zoveel mogelijk afbreuk doen aan zijn rechten en aanspraken op de Indianen en die zelfs ontkrachten en van nul en generlei waarde maken. Dat is dus de dienst die deze christenen onze koning bewijzen, onder de voornoemde onrechtvaardige en schoonschijnende voorwendselen.

Onder hetzelfde voorwendsel stuurde deze tiran twee kapiteins, die hem zo mogelijk overtroffen in goddeloosheid en wreedheid, naar de zeer bloeiende en vruchtbare — in vruchten en mensen — in het Zuiden gelegen koninkrijken van Guatemala. Daarnaast hadden ze ook het bevel gekregen verder te trekken naar de koninkrijken Naco, Honduras en Guaymura, die meer naar het Noorden liggen en samen over een afstand van driehonderd mijl aan Mexico grenzen. De een stuurde hij over land en de ander over zee, beiden vergezeld van ruiters en voetvolk.

Ik spreek de waarheid als ik zeg dat de misdaden die door deze twee bedreven werden, vooral door degene die naar Guatemala ging — want de ander stierf niet lang daarna een gewelddadige dood — voldoende stof biedt om een heel boek vol te schrijven en als dat voltooid zou zijn, zou het zo vol staan met gruwelijke en afschuwelijke bloedbaden, slachtpartijen, misdaden en onmenselijke verwoestingen, dat daardoor het huidige en toekomstige mensengeslacht met ontzetting vervuld zou worden.

De ander die vanaf de zee binnenviel, teisterde met zijn wrede strooptochten de hele zeekust. De inwoners van het koninkrijk Yucatan, — dat in de richting van de koninkrijken Naco en Naymura ligt — waarheen hij optrok, kwamen hem tegemoet met hele ladingen geschenken. Hij was hen amper genaderd of hij stuurde daar zijn hoofdmannen met een groep soldaten op af, om hun land te verwoesten, waarbij zij zich schuldig maakte aan wrede moordpartijen en grote plunderingen. In het bijzonder betrof het een opstandige en muitende officier die met driehonderd soldaten de aan Guatemala grenzende streek binnenviel en daar de steden onder vuur nam, alle inwoners uitmoordde en met geweld hun bezittingen roofde, tot twintig mijl in de omtrek. Zijn opzet was dat, als hij door de Spaanse troepen achtervolgd zou worden, zij het land verwoest zouden aantreffen en dan door de Indianen gedood zouden worden uit wraak voor de schade die zij door hem en zijn troepen hadden geleden en aldus geschiedde. Daarbij werd de opperbevelhebber, aan wiens bevel voornoemde officier geen gehoor had gegeven en zodoende in opstand was gekomen, gedood. Maar na hem kwamen nog veel andere bloeddorstige tirannen, die vanaf het jaar 1524 tot aan 1535 de provincies Naco en Honduras uitmoordden en verwoestten — naast andere streken —, die destijds als het paradijs beschouwd werden en dichter bevolkt waren dan andere streken. In deze periode van elf jaar kwamen zodoende in die landen meer dan tweemiljoen mensen om, zodat er tegenwoordig nog amper tweeduizend inwoners over zijn, waarvan er dag in dag uit nog steeds velen sterven onder het zware slavenjuk.

Maar ik wil nog wat zeggen over de tiran die naar Guatemala trok en eerdergenoemde officier in wreedheid overtrof — zoals hierboven is aangestipt — en even erg was als de mannen die tegenwoordig het gebied tiranniseren. Vanuit de provincies die aan Mexico grenzen, marcheerde hij verder — zoals hij zelf schrijft en met eigen hand bevestigt in brieven naar zijn meerdere — over een afstand van vierhonderd mijl naar Guatemala. Tijdens die strooptocht maakte hij zijn volhardende en dagelijkse werk van het verwoesten en plunderen van de streken waar hij doorheen trok, met bloedbaden en brandstichtingen, waarbij hij alle Indianen dwong zich te onderwerpen aan de Spaanse koning, van wie zij wel moesten denken dat hij nog onrechtvaardiger en wreder was dan zijn bloeddorstige dienaren.


OVER HET KONINKRIJK EN DE PROVINCIE GUATEMALA

Na zijn aankomst in dit land liet deze tiran onmiddellijk enorme slachtingen aanrichten. Desalniettemin kwam de belangrijkste Indiaanse bewindhebber in zijn gesloten draagstoel, vergezeld van een groot aantal edellieden uit de stad Ultlatana, — het handelscentrum van het koninkrijk — hem tegemoet, onder trompetgeschal, tromgeroffel en groot gejubel. Zij brachten allerlei voedsel met zich mee, in grote overvloed, en alles waar hij verder behoefte aan had. Die nacht brachten de Spanjaarden buiten de stadswal door, omdat zij zich niet veilig achtten in een zo versterkte stad. De dag daarop ontbood de tiran bovengenoemde bewindhebber met een groot aantal van zijn edellieden en eiste van hen hooghartig een grote hoeveelheid goud. Nederig gaven de Indianen hem daarop het antwoord, dat zij niet aan zijn eisen konden voldoen, omdat er in die streek geen goudmijnen waren. Daarop werden zij op zijn bevel, zonder dat hen enige andere misdaad ten laste werd gelegd en zonder enig proces, allemaal levend verbrand. Toen de overige uit andere provincies afkomstige edellieden ontdekten dat hun belangrijkste heersers, die het opperbewind over hen voerden, overgeleverd waren aan het meedogenloze vuur en door een nog meedogenlozere vijand levend verbrand waren, vluchtten zij uitsluitend en alleen omdat zij hen niet konden geven wat ze eisten, namelijk goud, de bergen in — hun gebruikelijke toevluchtsoord — om zich te verschuilen. Hun onderdanen gaven zij het bevel de Spanjaarden te gehoorzamen, alsof het hun heren waren, maar verboden hen daarnaast strikt de Spanjaarden op de hoogte te brengen van hun vlucht en de plaatsen waar zij zich verscholen hadden. Veel van de Indianen gingen naar de Spanjaarden toe en vroegen hen met klem hen als onderdaan te aanvaarden en zeiden dat ze geheel bereid waren hen te dienen. De kapitein antwoordde dat hij niet aan dat verzoek wilde voldoen, maar dat hij in plaats daarvan iedereen ter dood zou brengen, als zij de schuilplaats van hun voortvluchtige leiders niet zouden verraden. De Indianen zeiden dat ze daar niets vanaf wisten en dat zij zelf en hun vrouwen en kinderen hen wilden dienen en dat die in hun huizen waren en hen dan maar moesten komen doden of met hen doen wat ze wilden. De Spanjaarden vielen daarop hun steden en dorpen binnen en doorstaken met hun lans deze arme mannen en hun vrouwen en kinderen, die met hun werk bezig waren en zich veilig en buiten gevaar waanden. In nog geen twee uur verwoestten zij een andere grote plaats, waarbij ze oud en jong, man en vrouw meedogenloos aan het zwaard regen.

Toen de Indianen merkten dat deze wrede en hardvochtige mensen niet vermurwd konden worden door nederigheid, grote geschenken of een ongelofelijk geduld, maar dat zij zonder enige reden door hen afgeslacht werden, namen zij na rijp beraad het besluit een strijdmacht op de been te brengen en te vechten voor hun leven en vrijheid. Want ze bedachten dat het veel beter was, — omdat de dood voor hen een noodzakelijk kwaad was — als ze gedood zouden worden met het zwaard in de hand bij het wraak nemen op de vijand, dan door hen zomaar om het leven gebracht te worden. Maar toen ze inzagen dat ze wapens nodig hadden, onervaren en naakt waren, op geen enkele manier tegen ruiters opgewassen waren en een zo woeste tegenstander nooit zouden kunnen overwinnen, bedachten ze zich. Ze kwamen op het idee kuilen in de weg te graven, waar de paarden dan in moesten vallen als ze langsreden, en daarin plaatsten ze opzettelijk palen, waar ze een scherpe punt aan gebrand hadden zodat de paarden daaraan gespietst zouden worden en bedekten ze met losse aarde, zodat ze niet door de ruiters opgemerkt zouden worden. Twee of drie keer viel er een paard in een dergelijk gat, maar daarna namen de Spanjaarden maatregelen om dat in het vervolg te voorkomen en bepaalden dat de volgende keer alle Indianen ongeachte leeftijd en geslacht opgepakt en in de kuilen die ze zelf gegraven hadden, geworpen zouden worden. Vrouwen met hun kinderen en zoveel oude mensen als ze te pakken konden krijgen, werden erin gesmeten, tot de kuilen helemaal vol lichamen lagen. Het was een deerniswekkend gezicht om te zien hoe die vrouwen en kinderen gespiesd werden door die palen. Anderen werden afgemaakt met lansen en zwaarden en de overgeblevenen werden voor de hongerige honden geworpen, die zij voor dat doel voer hadden onthouden, om door hen in stukken gescheurd en opgevreten te worden. Een machtige edelman werd door hen op een grote brandstapel verbrand, waarbij ze zeiden dat ze hem met dit soort dood een grote eer bewezen. Al die moordpartijen vonden plaats in de periode van 1524 tot 1531. De lezer moet zelf maar uitmaken hoeveel Indianen in die periode afgeslacht zijn.

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenOnder de ontelbare misdaden die door deze tiran en zijn handlangers — want die waren even wreed als hijzelf — zijn bedreven in dit koninkrijk, is er een die een kanttekening behoeft. In de provincie Cuztatan, waarin de stad San Salvador ligt en die zich uitstrekt langs de zeekust over een afstand van veertig of vijftig mijl, en in de stad Cuzcatlan, de hoofdstad van de provincie, werd hij met groot gejuich onthaald. Ongeveer twintig- tot dertigduizend Indianen, die hem stonden op te wachten, hadden grote hoeveelheden kippen en andere levensmiddelen bij zich. Hij nam hun geschenken in ontvangst en gaf iedere Spanjaard de opdracht zoveel Indianen uit te kiezen als hij tijdens zijn verblijf daar nodig dacht te hebben. Zij zouden hen kunnen gebruiken als bedienden en hen dwingen de meest slaafse werkzaamheden te verrichten die zij hen zouden opdragen. Iedereen koos er vijftig tot honderd uit, naar gelang hij nodig achtte voor zijn eigen gerief en deze arme Indianen dienden de Spanjaarden naar beste kunnen, en het ontbrak er nog maar aan dat zij hen aanbaden. Ondertussen eiste deze kapitein een grote hoeveelheid goud van hun caziquen — want dat was de magneet die hen daar naartoe had getrokken — die hem antwoordden dat zij bereid waren hem al het goud te geven dat ze bezaten. Daarop verzamelden de Indianen een groot aantal speren, die bedekt waren met orichalcum — dat er uitzag als goud en feitelijk ook wat goud bevatte — en boden hem dat aan. De kapitein liet het onderzoeken en toen hij ontdekte dat het orichalcum was, dus koper, zei hij tegen zijn Spanjaarden: Een land zonder goud kan naar de hel lopen! Iedereen die bedienden heeft uitgezocht, moet ze aan de ketenen leggen en als slaaf brandmerken. Dat gebeurde dan ook en allemaal werden ze gebrandmerkt en niemand ontkwam aan het koninklijke merkteken. Ik zag zelf hoe de zoon van de belangrijkste bestuurder van de stad een merkteken kreeg. De Indianen die konden ontkomen grepen de wapens en vielen de Spanjaarden aan, maar dat liep uit op een nederlaag, waarbij velen om het leven kwamen. Daarna keerden de Spanjaarden terug naar Guatemala, waar ze een stad bouwden. Maar het oordeel Gods kwam over hen met drie strafgerichten, het eerste door een overstroming, het tweede door een aardbeving en het derde door rotsblokken, zo groot als vijf tot tien ossen, die allemaal tegelijkertijd plaatsvonden en de stad in de as legden. Alle mannen die de wapens tegen hen op konden nemen waren toen gedood en de overige tot slaaf gemaakt, terwijl ze per man en vrouw toch zoveel losgeld hadden betaald. De Spanjaarden hadden geen bedienden meer nodig en daarom werden de Indianen naar Peru gestuurd om daar verkocht te worden. Daardoor en door de bloedbaden die ze hadden aangericht onder de inwoners, vernietigden en ontvolkten ze dit koninkrijk, dat honderd mijl in het vierkant was. Met zijn handlangers en broeders in de misdaad werden in vijftien of zestien jaar, dat wil zeggen van 1524 tot 1540, minstens viermiljoen Indianen vermoord en dag in dag uit gaat het moorden onder de weinig overgeblevenen nog steeds wreed en bruut door.

Als hij een stad of provincie aanviel, nam hij doorgaans zoveel mogelijk Indianen, die hij onderworpen had, met zich mee, die dan moesten vechten tegen hun eigen landgenoten. En omdat hij in zijn leger twintig-, soms dertigduizend Indianen had en hen niet te eten kon geven, gaf hij toestemming zich te voeden met het vlees van andere Indianen, die krijgsgevangen waren genomen. In zijn legerplaats was zelfs een slachterij, waar onder zijn ogen kinderen geslacht en geroosterd werden. Volwassen mensen werden alleen voor hun handen en voeten geslacht, omdat die lichaamsdelen als een lekkernij, als overheerlijk voedsel, werden beschouwd.

Hij heeft ook de dood van veel Indianen op zijn geweten omdat hij hen loodzware schepen over land liet vervoeren. Zij moesten die schepen met hun enorme ankers overbrengen van de noordelijke naar de zuidelijke zee, over een afstand van honderddertig mijl. Ook moesten ze grote hoeveelheden zwaar geschut op hun naakte schouders torsen, zodat ze onderweg onder die enorme last bezweken — ik vertel niets anders dan wat ik zelf gezien heb. Hij rukte gezinnen uiteen, haalde met geweld vrouwen bij hun mannen weg en meisjes bij hun ouders, die hij dan overleverde aan zijn soldaten en scheepslieden die op hen hun vurige lusten botvierden. Al zijn schepen liet hij volstouwen met Indianen, waar honger en dorst hen verlosten van hun slavernij en zijn wreedheden door een welkome dood. Hij beschikte over twee compagnieën soldaten die hen in stukken hakten en scheurden, zo gezwind als een bliksemschicht. O, hoeveel ouders heeft hij beroofd van hun kinderen, hoeveel vrouwen van hun echtgenoten, hoeveel kinderen van hun ouders? Hoeveel ontucht, verkrachtingen en wellustigheden heeft hij op zijn geweten? Hoeveel mensen heeft hij tot slavernij gebracht en onderdrukt? Hoeveel angsten en onvoorstelbare rampen hebben zij moeten ondergaan? Hoeveel tranen, geweeklaag en gejammer heeft hij veroorzaakt? Voor hoeveel mensen is hij de aanstichter geweest van hun ellende, tijdens hun doorreis in deze en verdoemenis in de volgende wereld? En dat niet alleen voor ontelbare Indianen, maar ook voor de Spanjaarden zelf, met wiens hulp hij die weerzinwekkende slachtingen en schandelijke misdaden bedreef. Ik smeek de Almachtige God zijn ziel genadig te zijn en geen andere genoegdoening van hem te eisen dan de gewelddadige dood, die hem uit deze wereld rukte.


MEER OVER NIEUW-SPANJE EN EEN VERSLAG OVER PANUCO EN XALISCO

Nadat alle voornoemde wreedheden zich afgespeeld hadden in Nieuw Spanje en andere streken, kwam een nieuwe woeste en wrede tiran naar Panuco, die net als de andere zijn rol speelde in de bloedige tragedie. Hij stuurde talrijke schepen naar Cuba en Hispaniola, volgestouwd met deze inlanders, die daar als slaaf verkocht werden en maakte zodoende van deze provincie vrijwel een woestenij. Het was zo erg dat achthonderd Indianen, die toch redelijke wezens zijn, in ruil gegeven werden voor een lastdier, een muilezel of kameel. Daarna werd hij gouverneur van de stad Mexico en heel Nieuw Spanje en veel andere bestuurders voerden met hem overleg over de Indianen. Zij waren al zover gevorderd met het verwoesten van deze streek dat, als de Franciscanen niet zo heftig tegen hen in het verweer waren gekomen en door het Koninklijke Raadscollege, de beste en belangrijkste bevorderaar van deugdzaamheid, niet voorkomen was dat Nieuw Spanje hetzelfde lot had ondergaan, wat binnen twee jaar gebeurd was met Hispaniola, dat ontvolkt, onderworpen en begraven was onder zijn eigen puinhopen. Een metgezel van deze gouverneur liet door achtduizend Indianen zijn tuin met een muur omheinen, maar allen stierven omdat zij van hem geen voedsel kregen of loon waarmee zij zelf in hun levensbehoeften konden voorzien. Om hun dood bekommerde hij zich niet in het minst.

Nadat de eerste voornoemde bevelhebber Panuco volledig verwoest en in puin gelegd had, bezweken nog vijftienduizend van haar inwoners onderweg onder het sjouwen van de lasten van de Spanjaarden. Ten slotte kwamen ze aan in de provincie Machuacan, veertig mijl gaans van Mexico en even vruchtbaar en dichtbevolkt als Panuco. Als eerbetoon trok de koning van de provincie hem met een grote menigte tegemoet en overlaadde hem met talrijke geschenken en beleefdheidsbetuigingen, maar als dank werd hij gevangengenomen, want het gerucht ging dat hij zeer rijk was en grote hoeveelheden goud en zilver bezat. Om hem zijn goud afhandig te maken werd hij als volgt gemarteld: hij werd op de grond uitgestrekt met zijn handen vastgebonden aan een paal en zijn voeten in een houten blok Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenterwijl zij doorlopend gloeiende kolen vlak bij zijn voetzolen hielden. Er stond een jongen bij die hem steeds met olie besprenkelde zodat zijn vlees beter zou roosteren. Vóór hem stond een kwaadaardig manspersoon met een boog die een dodelijke pijl op zijn borst gericht hield en achter hem, voor het geval hij zich los zou maken, iemand anders met honden aan de ketting en die hij dreigde los te laten. Als hij dat gedaan had, zouden zij hem meteen in stukken gescheurd hebben. Met deze martelingen probeerden zij hem op te laten biechten waar zijn schatten verborgen lagen totdat er tenslotte een Franciscaner monnik bij kwam, die hem uit hun handen bevrijdde, maar niet van de dood, want niet lang daarna verliet hij dit ellendige leven. En dit was ook het droeve lot van veel andere caziquen en Indiaanse regeerders, die bezweken aan dezelfde martelingen, waaraan zij onderworpen werden door de Spanjaarden, die hen daarmee hun goud en zilver afhandig probeerden te maken en zichzelf toe te eigenen.

In die tijd was daar ook een Spanjaard die zich meer om hun goud dan zielenheil bekommerde en — hij dacht namelijk dat de Indianen hun afgodsbeelden verborgen hadden omdat de Spanjaarden hen onvoldoende onderricht hadden over de ware God —, de edellieden als slaaf gevangen hield, totdat zij hem alle afgodsbeelden zouden geven. Hij dacht dat ze van goud en zilver waren, maar toen hij merkte dat hij zich vergist had, liet hij hen niet minder wreed dan onrechtvaardig afranselen en om zijn hoop niet helemaal in rook op te laten gaan, dwong hij hen hun afgodsbeelden terug te kopen, zodat zij die weer, zoals ze gewend waren, konden aanbidden. Dat is dus het resultaat van de manier waarop de Spanjaarden de Indianen met list en bedrog bejegenden en de eerbied en het ontzag voor God bevorderden.

Vanuit Mechuacam trok deze tiran naar Xalisco, een zeer dichtbevolkte en vruchtbare streek, die tot meerdere glorie van de Indianen een aantal steden telde die zich over een afstand van wel zeven mijl uitstrekten. En onder de door hen begane bruutheden die overeenkomen met al eerder genoemde, is nog vermeldenswaard dat hoogzwangere vrouwen door die verdorven christenen met kind en al levend verbrand werden en als het hen door zware arbeid en honger niet vergund werd hun zwangerschap uit te dragen waren ze genoodzaakt hun onderweg kind te baren, waardoor veel kinderen de dood vonden.

Op gegeven moment probeerde een verdorven christen een meisje te verkrachten, maar de moeder die erbij was, verzette zich tegen hem en probeerde de dreigende verkrachting van haar dochter te voorkomen. Daarop hakte de woedende Spanjaard met een kort zwaard haar hand af en bracht het meisje, dat zich hevig verzette en zijn oneerbare verlangen niet wilde inwilligen, meerder messteken toe, waaraan zij bezweek.

In dit koninkrijk, Xalisco, legden zij — volgens het verslag — achthonderd steden in de as. Als gevolg daarvan werden de Indianen, die dag in dag uit zagen hoe de Spanjaarden met een ongeëvenaarde wreedheid verwoestingen aanrichtten, steeds wanhopiger, kwamen in opstand tegen de Spanjaarden, doodden een aantal van hen terecht en verdiend, en zochten daarna hun toevlucht in de onherbergzame rotsgebergten — die voor hen toch milder en vriendelijker waren dan hun vijand met een hart van steen. Daar werden ze op een gruwelijke manier afgeslacht door de tirannen die hen gevolgd waren, zodat daar tegenwoordig geen enkele Indiaan meer aangetroffen wordt. Zo verblind waren de Spanjaarden door het blinkende goud van de Indianen, zo van god verlaten, zo overgeleverd aan hun verdorven gemoed, dat zij niet begrepen dat de Indianen geheel in hun recht stonden, zowel volgens de wetten der natuur, als de goddelijke en menselijke wetten. Gewapenderhand werden zij door hen vernietigd, afgeslacht en verdreven uit hun gebieden en streken, en zonder dat de Spanjaarden bedachten hoe onrechtvaardig die gewelddaden en wreedheden zijn en wat zij die arme mensen aandoen, zinnen zij nog steeds op nieuwe oorlogen tegen hen. Zij denken zelfs en getuigen daarvan in woord en geschrift, dat de overwinningen die zij behaald hebben op die onschuldige mensen — tot hun verderf —, hen door God zelf vergund zijn, alsof hun onrechtvaardige oorlogen geleid en gesteund worden door wat zij een rechtvaardige zaak noemen. En met misplaatste trots en vreugde zeggen zij God dank voor hun tirannie, in navolging van de tirannen en rovers, over wie de profeet Zacharia (11:4-5) zegt: Weid de slachtschapen; hun kopers slachten ze zonder dat zij zich schuldig voelen en hun verkopers zeggen: geprezen zij de Here, omdat ik rijk word.


OVER HET KONINKRIJK YUCATAN

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenIn het jaar onzes Heren 1526 werd een goddeloze schurk benoemd tot gouverneur van het koninkrijk Yucatan, op grond van onware berichten en verhalen aan de koning van Spanje. Tot op de dag van vandaag hebben andere tirannen altijd diezelfde slinkse manieren gebruikt om een benoeming te krijgen en zich met sluwheid en gevlei in publieke functies weten binnen te dringen, zodat zij met deze dekmantel en macht nog beter in de gelegenheid waren om te roven en te plunderen. Dit koninkrijk was zeer dichtbevolkt en overtreft wat betreft klimaat en de overvloed aan voedsel en vruchten — waarvan het nog grotere opbrengsten levert dan Mexico —, maar vooral aan honing en was, alle tot nu toe ontdekte Indiaanse streken. Het meet driehonderd mijl in omtrek. De inwoners van dit land munten uit boven alle andere Indianen, zowel in verstand en beschaving, als in hun geordende leven en zedelijkheid, zodat zij met recht verdienen onderricht te worden in de kennis van de ware God. Hier hadden de Spanjaarden vele prachtige steden kunnen bouwen en als het ware in de Tuin de Lusten kunnen leven, als zij zich door hun hebzucht, domheid en de last van vreselijke misdaden niet onwaardig hadden gemaakt voor een zo grote gunst. Deze tiran begon oorlog te voeren tegen deze onschuldige mensen, die vreedzaam in hun huizen woonden en niemand kwaad deden, waardoor velen van hen om het leven kwamen. Omdat dit land geen goud bevatte — en als dat wel zo was geweest zouden zich dood hebben moeten werken in de mijnen — legde hij de mensen wier leven hij gespaard had het slavenjuk op, zodat hij hen zelf in goud kon veranderen, hun lichaam en ziel, waarvoor Christus was gekruisigd. En de schepen die daar lucht van kregen en binnenzeilden, liet hij volstouwen met Indianen, die hij ruilde voor wijn, olie, azijn, gezouten varkensvlees, kleren, pakpaarden en ander benodigdheden, waaraan hij het meest behoefte had en die het meest geschikt voor hem waren. Ze mochten uit vijftig meisjes een keuze maken en wie zij het best of mooist vonden, ruilde hij dan voor een vaatje wijn, olie of azijn, of voor een aanzienlijke hoeveelheid gezouten varkensvlees. Datzelfde deed hij met twee- of driehonderd goedgebouwde jongens. Een van hen die het voorkomen had van een koningszoon, werd weggegeven voor een kaas en honderd andere voor een paard. Met die verderfelijke bezigheden ging hij door van 1526 tot en met 1533, totdat het nieuws hem bereikte van de rijkdom en overvloed van het land Peru, waarheen de Spanjaarden vervolgens opmarcheerden en zodoende in Yucatan even een eind kwam aan de tirannie. Maar een paar dagen later keerden zij terug en begingen vreselijke wandaden en plunderingen, namen de Indianen gevangen en bedreven nog grotere misdrijven tegen God en Hemel. Dat gaat nog steeds door, zodat deze driehonderd mijlen land, die ooit zo dichtbevolkt waren — zoals ik al eerder heb vermeld — er nu braak en vrijwel verlaten bij liggen.

Iemand die gelooft in verlossing door het geloof alleen, kan zich niet voorstellen dat die verhalen over hun bruutheden en wreedheden die zij in die landen begingen, allemaal waar zijn. Ik zal nog twee of drie gebeurtenissen vertellen die nog vers in mijn geheugen liggen. Meestal volgden de Spanjaarden de voetsporen van de Indianen, van zowel mannen als vrouwen, met behulp van afschuwelijke bastaardhonden, felle beesten; een zieke Indiaanse vrouw die zij onderweg in het oog hadden gekregen en die begreep dat zij niet kon voorkomen dat zij door die honden in stukken werd gescheurd, nam een touw dat ze bij zich had, bond haar kind — dat zij helaas bij zich had — aan haar voeten en hing zichzelf op aan een balk. Nauwelijks had zij dat gedaan of de honden waren al bij haar en verscheurden het kind. Een priester die voorbij kwam doopte het nog voor het helemaal dood was.

Toen de Spanjaarden dit koninkrijk verlieten, nodigde een van hen de zoon van een Indiaanse bestuurder van een stad of provincie uit met hem mee te gaan, maar de jongen vertelde hem dat hij niet uit zijn vaderland weg wilde, waarop de Spanjaard hem dreigde hem zijn oren af te snijden, als hij weigerde hem te volgen. Maar toen de jongen vastberaden aanhield dat hij in zijn vaderland wilde blijven, trok hij zijn dolk en sneed beide oren af, en toen hij desondanks bleef volharden in zijn mening, sneed hij hem grijnzend ook nog zijn neus en lippen af, alsof hij hem eerst alleen maar wat pijn gedaan had.

Alsof hij de grootste goedkeuring en de Hemel had verdiend vertelde deze wellustige bruut pochend tegen een priester, dat zijn belangrijkste bezigheid was het bezwangeren van indiaanse vrouwen, zodat hij daar, als ze later verkocht werden, meer geld voor kon krijgen.

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenIk weet voor zeker dat in dit koninkrijk, in een bepaalde provincie van Nieuw-Spanje, ooit een Spanjaard op jacht was en op zeker moment merkte dat zijn honden honger hadden. Om hun honger te stillen greep hij een baby’tje van de borst van zijn moeder, sneed de armpjes en beentjes af en wierp elke hond een stuk toe en nadat zij dat opgeschrokt hadden gaf hij hen ook nog het lijfje. Het is dus duidelijk hoe weinig achting zij hebben voor deze arme mensen, die geschapen zijn naar Gods gelijkenis, als zij hen zelfs voor hun vraatzuchtige honden werpen. Maar het volgende is een — zo mogelijk — nog een ergere zonde.

Ik ga voorbij aan hun andere ongekende goddeloosheden en zal tot slot nog alleen het volgende verhaal vertellen. Deze onverbeterlijke hooghartige en verfoeilijke tirannen verlieten dit land en gingen op jacht naar schatten in Peru en samen met broeder Jacobus trokken ook vier monniken van de orde van St. Franciscus daar naartoe om de vrede in het land te bewaren, en wat er nog overgebleven was van de inwoners, die zeven jaar lang de tirannie hadden overleefd, met hun prediking voor zich te winnen of voorzichtig te overtuigen, zodat zij de leer van Christus zouden aanvaarden. Ik denk dat dit dezelfde monniken waren naar wie de Indianen in het jaar 1534, toen ze door Mexico rondtrokken, verschillende afgezanten stuurden met het verzoek naar hun land te komen en hen te onderrichten in de kennis van de ene God, de ware God en Heer van de hele aarde. Zij belegden vergaderingen en hielden bijeenkomsten om te onderzoeken en te weten te komen wat voor mensen het waren die zich pater en broeder noemden, wat hun bedoeling was en wat het verschil was tussen hen en de Spanjaarden, door wie zij zo lastig gevallen en gekweld waren. Ten slotte lieten zij hen toe op voorwaarde dat ze alleen zouden komen, zonder Spanjaarden. Dat beloofden de paters, want zij hadden niet alleen toestemming maar zelfs een speciale volmacht van de gouverneur van Nieuw-Spanje dat ze hen mochten toezeggen dat de Spanjaarden hen op geen enkele manier kwaad zouden berokkenen. Daarna begonnen zij hen het evangelie van Jezus Christus te verkondigen en de vrome bedoelingen te verhelderen van de koning van Castilië, want door wat de Spanjaarden de voorgaande zeven jaar hadden aangericht hadden zij het idee gekregen dat zij of geen koning hadden, of anders iemand die hen vreselijk tiranniek liet onderdrukken. De priesters bleven daar maar veertig dagen, maar de Indianen brachten al hun afgodsbeelden en gaven ze aan de vlammen prijs. Daarna brachten ze hun kinderen, die zij koesterden als hun oogappels, om ze te laten onderrichten. Ze richtten gebedshuizen voor de Indianen op, bouwden huizen en werden ook uitgenodigd door andere provincies om daar het Evangelie te verkondigen en hen in te wijden in de kennis van God en de grote — zoals zij hem noemden — koning van Castilië. En de overtuigingskracht van de priesters was zo groot dat de Indianen overgingen tot iets dat in Indië nooit eerder was voorgekomen — want overal waar de tirannen die deze uitgestrekte koninkrijken en provincies verwoestten en leegplunderden, hadden ze een verkeerde en bedrieglijke voorstelling van zaken gegeven, alleen maar om de Indianen gehaat te maken en een slechte naam te bezorgen. Want twaalf of vijftien vorsten van uitgestrekte en dichtbevolkte streken riepen hun onderdanen bijeen, ieder afzonderlijk en zonder overleg met de anderen, en onderwierpen zich, na rijp beraad eenstemmig en uit vrije wil aan het bewind van de Castiliaanse koning, erkenden hem als hun vorst en beschermer en verplichtten zich als onderdanen tot gehoorzaamheid en dienstbaarheid aan hun wettige leenheer.

Als bewijs daarvan beschik ik over een door de priesters ondertekende en gewaarmerkte schriftelijke verklaring.

Zo werden deze priesters tot hun grote vreugde en hoop, ontvangen door de inwoners van dit koninkrijk, die de gruwel en razernij van de wreedheden van de Spanjaarden overleefd hadden, en brachten hen tot de kennis van Jezus Christus. Maar langs een andere weg drongen toch achttien ruiters en twaalf man voetvolk bij hen binnen, die een groot aantal zeer zware afgodsbeelden bij zich hadden, die ze met geweld uit andere streken geroofd hadden. De bevelhebber van deze Spanjaarden liet een van de vorsten of bestuurders van de provincie die zij binnengevallen waren, bij zich komen en beval hem deze afgodsbeelden mee te nemen, over het hele land te verspreiden en hem voor elk afgodsbeeld een Indiaanse man of vrouw te leveren, want dat hij anders oorlog tegen hen zou gaan voeren. Bovengenoemde vorst handelde, uit angst, dienovereenkomstig, gaf zijn onderdanen de opdracht die afgoden te eerbiedigen en te aanbidden en stuurde de bevelhebber mannen en vrouwen die hem moesten dienen. De doodsbange Indianen stonden zelfs hun kinderen af en daarmee werd deze onterende ruilhandel afgesloten en kwam de cazique tegemoet aan de hebzuchtige wensen van de Spanjaarden — ik durf niet christenen te zeggen. Een van die goddeloze rovers heette Juan Garcia, die ernstig ziek was en op sterven lag en verschillende afgodsbeelden onder zijn bed bewaarde. Hij liet zijn Indiaanse verzorgster bij zich komen en gaf haar de opdracht die afgodsbeelden niet voor een gering bedrag te verkopen, omdat ze van het betere soort waren, en ze niet van de hand te doen tenzij zij in ruil voor elk beeld een Indiaan zou krijgen. Na deze heimelijke en mondelinge laatste wil en testament, voorgekomen uit zijn knagende zorgen, gaf hij de geest. En wie zal niet vrezen dat hij nu gekweld wordt in de duisterste en laagste regionen van de hel?

Laten we kijken in hoeverre de Spanjaarden de godsdienst hebben verbreid en wat voor voorbeelden zij na hun aankomst in Amerika gegeven hebben van het christen zijn; hoe vroom ze God geëerd hebben en met hoeveel zweet en tranen zij onder de heidenen de verering en aanbidding van God hebben bevorderd. Laten we ook zorgvuldig overwegen welke zonde groter is, die van Jeroboam, die twee gouden kalveren liet vervaardigen en heel Israël tot zonde verleidde, of die van de Spanjaarden die als Judas in afgodsbeelden handelden, wat tot zoveel aanstoot heeft geleid? Dat zijn dus de goede werken van de Spanjaarden, die om hun hebzucht te voeden en goud te vergaren, vaak, ja heel vaak Jezus Christus, onze Verlosser, verkocht en verloochend hebben en nog steeds verkopen en verloochenen.

Toen de Indianen merkten dat de belofte van de geestelijken, dat de Spanjaarden dit land niet zouden binnenvallen, van nul en generlei waarde was; dat de Spanjaarden zelfs afgodsbeelden van elders hadden meegebracht om ze bij hen te verkopen, terwijl zij hun eigen afgodsbeelden ingeleverd hadden bij de priesters om ze te verbranden, zodat zij alleen de ware God zouden aanbidden, ontstaken ze in woede tegen deze paters en richtten zich tot hen met de volgende woorden: "waarom hebben jullie ons belogen en valselijk plechtig verklaard dat er geen Spanjaarden hier naartoe mochten komen? Waarom hebben jullie onze goden verbrand, terwijl door de Spanjaarden andere goden meegebracht zijn uit andere streken? Zijn de goden uit andere provincies soms heiliger dan de onze?" De paters probeerden hen zo goed ze konden — want ze wisten niet goed wat ze daarop moesten antwoorden — met geruststellende woorden tot bedaren te brengen. Maar daarna gingen ze naar die dertig Spanjaarden toe, vertelden hen wat voor onheil zij hadden aangericht en verzochten hen nederig te vertrekken. Daar wilden zij onder geen beding gehoor aan geven en — wat nog schandelijker en kwaadaardiger was —, maakten de Indianen wijs dat die priesters hen zelf hadden laten komen. Toen ze dat hoorden besloten de Indianen deze monniken te vermoorden, die echter door een paar Indianen op de hoogte werden gebracht, ’s nachts weg konden sluipen en op de vlucht gingen. Maar toen na hun vertrek de waarheid en de doortraptheid van de Spanjaarden aan het licht kwamen, stuurden zij boodschappers achter hen aan, die hen over een afstand van vijftig mijl volgden en hen uit naam van de Indianen smeekten terug te komen en hen die vergissing te vergeven.

De priesters geloofden hen op hun woord, keerden terug en werden zo hartelijk ontvangen, alsof ze engelen uit de hemel waren. Zij bleven nog vier of vijf maanden bij hen — waarvoor ze ontelbare vriendelijkheidsbetuigingen kregen — maar toen de Spanjaarden volhardden in hun besluit het land niet te verlaten, hoewel de onderkoning alle pogingen en redelijke middelen in het werk stelde om hen terug te roepen, werden ze door hem uitgemaakt voor landverraders en beschuldigd van hoogverraad. En omdat zij een tirannie bleven uitoefenen en nog steeds afschuwelijke misdaden bedreven, vreesden de priesters dat ze op wraak zinden — hoewel het een hele tijd kon duren voordat zij daartoe zouden overgaan —, en dat zij daar het slachtoffer van zouden worden. En omdat zij hun taak als zielzorger, vanwege de strooptochten en aanvallen van de Spanjaarden, niet goed en ongestoord konden uitoefenen, beraadden zij zich over hun vertrek en verlieten bijgevolg het koninkrijk. Dat bleef achter, helemaal verstoken van de christelijke leer en tot op de dag van vandaag leven deze arme zielen nog steeds in hun oude ellende en onwetendheid en door deze vervloekte Spanjaarden zijn ze beroofd van elke hoop op verbetering en, zoals jonge verwelkende plantjes water nodig hebben, het bevloeien met kennis van God. Want net in de tijd dat de geestelijken vertrokken, omarmden zij onze geloofsleer met de grootst denkbare vurigheid en gretigheid.


OVER DE PROVINCIE SANTA MARTHA

De provincie Santa Martha was rijk aan goudmijnen, had een vruchtbare bodem en de Indianen waren zeer kundige en ijverige mijnwerkers. Omdat dat zeer verleidelijk was zeilden van 1540 tot 1542 vele tirannen daar naartoe, die met hun plundertochten het hele land verwoestten, de inwoners in bijzonder grote aantallen afslachtten en hen van al hun goud beroofden. Zij trokken zich elke dag weer terug op hun schepen en gingen dan hier en daar aan land. Terwijl die provincies dus verwoest werden, werden de grootste wandaden gepleegd langs de zeekust, tot het jaar 1523, waarna de Spanjaarden zich daar vestigden en huizen bouwden. En omdat het een vruchtbaar en rijk land was, werd het onderworpen door verschillende heersers, die als aartsvijanden met elkaar om de macht vochten en daarbij het zwaard nog roder kleurden met onschuldig bloed dan hun voorgangers, zodat zij vanaf het jaar 1529 tot heden een streek verwoest, vernietigd en ontvolkt hebben die zich uitstrekte over een afstand van vijfhonderd mijl.

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenAls ik alle misdaden zou moeten opsommen, alle slachtpartijen, verwoestingen, onrechtvaardigheden, gewelddaden, vernielingen en andere vergrijpen en vreselijke wreedheden, die in deze provincie door de Spanjaarden bedreven zijn, tegen God, de koning en deze onschuldige natie, zou ik een zeer lijvig boek moeten schrijven, en dat zal ook gebeuren, als God mij vergunt mijn zandloper langer te laten lopen in Zijn tijd. Op dit moment moge het volstaan een aantal passages te citeren, geschreven in een brief aan onze koning en heer, door een eerwaarde bisschop van deze provincies, gedateerd op 20 mei, van het jaar des Heren 1541, waarin hij onder andere het volgende vertelt.

"Ik ben van oordeel, Uwe Verheven Majesteit, dat de enige manier om dit wankele land te redden en te steunen is het te bevrijden uit de macht van een schoonvader en het te laten huwen met een echtgenoot die het naar behoren en met liefde zal behandelen. Dat zal zo snel mogelijk moeten gebeuren, want ik weet zeker dat het anders binnen korte tijd uiteen zal vallen en ten onder zal gaan, door het hebzuchtige en inhalige gedrag van zijn gouverneurs, enz." En even later schrijft hij het volgende: "bij dezen zal het Uwe Majesteit duidelijk worden dat deze bestuurders en gouverneurs het verdienen uit hun ambt ontheven te worden, zodat deze landen van deze last bevrijd worden. Als dat niet gebeurt zal, naar mijn mening, het bestuursorgaan nooit van zijn ziekte genezen. Ik wil Uwe Majesteit duidelijk maken dat het geen christenen, maar duivels zijn; geen dienaren van God en de koning, maar verraders van de koning en de wetten, die in deze streken gelden. In feite bestaat er geen grotere belemmering voor deze mensen die een rustig en vreedzaam leven leiden, dan de onmenselijke en wrede behandeling die zij maar al te vaak ondergaan. Die is in hun ogen zo gruwelijk en weerzinwekkend, dat voor hen niets ter wereld zo verfoeilijk en walgelijk is als het woord christen. Zij noemen christenen in hun eigen taal yares, dat wil zeggen, duivels en in feite niet zonder redenen. Want wat de Spanjaarden, die in zich in die streken ophouden, teweegbrengen is van dien aard dat er niet van christenen of met rede begiftigde mensen gesproken kan worden, maar van pure duivels. Vandaar dat de Indianen, die zien wat er aangericht wordt zowel door hooggeplaatste als gewone Spanjaarden, die verstoken zijn elk mededogen en menselijkheid, van mening zijn dat de christelijke wetten van dezelfde aard zijn en dat hun God en koning de bedenkers van dergelijke wreedheden zijn. Hen van het tegendeel proberen te overtuigen is zinloos, want dat zou hen alleen nog maar meer gelegenheid en vrijheid geven om de spot te drijven met Jezus Christus en zijn geboden. De Indianen die zich met wapens beschermen en verdedigen, achtten het verkieslijker éénmaal, dan onder het geweld van de Spanjaarden, herhaaldelijk en vele doden te sterven. Dit weet ik uit eigen ervaring, Onoverwinnelijk Keizer, enz. Even verder voegt hij daaraan toe: Uwe Majesteit heeft veel meer macht over de onderdanen en dienaren, die deze koninkrijken bezoeken, dan U denkt. Onder al die soldaten is er niet één, die er niet openlijk voor uitkomt dat hij, als hij Zijne Majesteits onderdanen berooft, plundert, vernietigt, vermoordt en verbrandt, dat voor het goud doet. Hij zal niet zeggen dat hij daarmee Uwe Majesteit een grote dienst bewijst, want ze bevestigen dat zij dat doen uit eigenbelang en ten eigen bate. Daarom, Onoverwinnelijke Keizer, zou het zeer verstandig zijn als Uwe Majesteit zou laten zien door een aantal van die misdadigers duidelijk terecht te wijzen en streng te straffen, dat Uw onderdanen U geen dienst bewijzen met misdaden, die blijk geven van ongehoorzaamheid en oneerbiedigheid jegens de Almachtige."

Wat u hierboven gelezen hebt is een samenvatting en uittreksel van het verhaal van genoemde bisschop van Santa Martha, waaruit duidelijk blijkt hoe bruut zij deze vreedzame en vriendelijke mensen behandelen. Indianen die naar de bergen vluchten om te ontkomen aan de wreedheden van de Spanjaarden, noemen zij oorlogszuchtig en mensen die met behulp van moordpartijen gedwongen zijn tot een tirannieke en gruwelijke slavernij, waaronder zij ten langen leste bezwijken en vernietigd worden, Indiaanse landgenoten, wat duidelijk wordt uit de brief van voornoemde bisschop, die slechts een summier verslag geeft van hun kwellingen en lijden. Wanneer zij als zwaarbepakte lastdieren opgedreven werden over moeilijk begaanbare wegen door de bergen, als zij van uitputting neervielen omdat zij die zware arbeid niet aankonden — als zij uitgeput onder de zware lasten neergevallen waren sloegen de Spanjaarden hen, om hen weer overeind te krijgen, met hun zwaardknoppen de tanden uit, en dwongen hen zonder op adem te laten komen, verder te lopen en dat alles onder het schreeuwen van de woorden, "O, wat ben je toch een verdomde schurk!" —, barstten ze uit in de volgende kreten: "Ik kan niet meer, maak me maar af, ik wil dood, ik kan dit leven, deze last en deze tocht niet meer aan!" En dat deden ze zonder hartverscheurend gejammer, omdat ze nauwelijks meer iets uit konden brengen, wat onmiskenbaar het gevolg is van een gepijnigd en angstig gemoed.

Moge het onze Genadige God behagen te verordonneren dat de ontdekking van deze misdaden geopenbaard wordt aan de personen die in staat zijn en de plicht hebben aan deze nood een einde te maken.


OVER DE PROVINCIE CARTHAGENA

Deze provincie ligt op een afstand van vijftig mijl ten Westen van het eiland Santa Martha, aan de grenzen van de provincie Cenusia, vanwaar het zich honderd mijl ver uitstrekt tot de golf van Uraba met een zeer lange uitloper zuidwaarts. Deze provincies werden vanaf het jaar 1498 tot aan de huidige dag precies zo behandeld, in paniek gebracht, verwoest en ontvolkt als Santa Marta; want de Spanjaarden bedreven er de grootste wreedheden, moorddadigheden en roof. Om des te sneller met mijn relaas klaar te zijn, wil ik er liever stilzwijgend aan voorbijgaan, en in plaats daarvan over de misdrijven vertellen, welke nog tot op de dag van vandaag in andere provincies begaan worden.


OVER DE PARELKUST EN HET EILAND TRINIDAD

Vooral op de kusten van Paria tot de golf van Mexico, over een afstand van ongeveer tweehonderd mijl, richtten de Spanjaarden grote verwoestingen en vernielingen aan. Het valt nauwelijks onder woorden te brengen of met een pen te beschrijven onder hoeveel mishandelingen en onrechtvaardigheden de bewoners van deze zeekust geleden hebben, vanaf het jaar 1510 tot op heden. Ik zal alleen verslag doen van de twee of drie allergrootste van die gruwelijkheden en misdaden, wat meteen duidelijkheid schept over alle andere wreedheden, die de zwaarst denkbare straffen verdienen, zodat iedereen daar een oordeel over kan vellen.

In het jaar 1510 landde een piraat, vergezeld van een bende van zestig of zeventig man, op het eiland Trinidad, dat zowel in grootte als vruchtbaarheid Sicilië overtreft en aan de kant van Paria een uitloper naar het vasteland heeft en waarvan de inwoners deugdzamer en goedmoediger zijn dan de andere Indianen. De Spanjaarden lieten alle inwoners meteen weten dat zij zich daar zouden vestigen. De Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenIndiaanse heersers en onderdanen gaven hen een hoffelijke en broederlijke ontvangst, bejegenden hen met een bewonderenswaardige welwillendheid en voorzagen hen dagelijks van zoveel voedsel dat het zelfs voor een veel grotere groep toereikend was geweest. Want het is de gewoonte van de Indianen van de Nieuwe Wereld dat zij de Spanjaarden overvloedig van allerlei benodigdheden voorzien. Enige tijd later trokken de Spanjaarden een groot gebouw op, waarvan de Indianen dachten dat het een woning was, maar dat bedoeld was om een vooropgezet plan uit te voeren, wat als volgt in zijn werk ging. Toen het gebouw een tweemaal manshoogte had bereikt en ze op het punt stonden het met riet te bedekken, sloten ze daar een aantal Indianen in op, onder het voorwendsel dat zij het aan binnenkant af moesten werken, maar in werkelijkheid om hen te verhinderen te zien wat er buiten gebeurde. Een deel van de Spanjaarden omsingelden het gebouw met het zwaard in de hand, zodat niemand naar buiten kon en een ander deel ging naar binnen, bond de Indianen vast en bedreigden hen met de dood als ze een voet zouden verzetten. Toen ze probeerden te ontsnappen werd een Indiaan meteen in stukken gehakt, maar een aantal van hen slaagden erin, al dan niet gewond, er vandoor te gaan. Samen met anderen, die het huis niet binnengegaan waren, ongeveer honderd of tweehonderd man, vluchtten ze gewapend met pijl en boog een ander huis binnen en toen ze allemaal binnen waren, sloten de Spanjaarden de deuren, staken het huis in brand en verbrandden ze allemaal levend. Van daaruit gingen ze onder zeil naar het eiland San Juan, met ongeveer honderdtachtig slaven, die ze geketend hadden, waar ze helft van hen verkochten en daarna koers zetten naar Hispaniola, waar ze rest van de hand deden. Toen ik op het eiland San Juan die kapitein ter verantwoording riep over zijn misdadigheid en verraad, wees hij me af met het antwoord: "Heer, bemoeit u zich er niet mee! Degenen die mij hierheen gestuurd hebben, gaven me de opdracht de Indianen die ik niet met openlijk geweld gevangen kon nemen, te verrassen met het misleidende voorwendsel dat ik vrede wilde." Overigens verzekerde hij mij, dat de Indianen zo goed voor hem geweest waren, dat hij in waarheid zeggen kon, dat hij in zijn hele leven nooit liefderijker was behandeld dan hier op het eiland Trinidad, waar hij voor het eerst een vader en een moeder had gevonden. Door die woorden werden zijn schande en misdaden alleen maar erger.

Paters van onze orde van St. Dominicus, besloten op gegeven moment iemand van hun broederschap naar dit eiland te sturen om de Indianen met hun prediking te onderrichten in het christelijke geloof en over de manier om verlost te worden, iets waar ze volmaakt onwetend over waren. Daartoe stuurden zij daar een pater met een licenciaatsgraad in de theologie, — of doctor in de Godgeleerdheid, zoals wij dat noemen — naartoe, iemand die uitblonk in deugdzaamheid en heiligheid, samen met een lekenbroeder, om overleg te voeren met de inwoners en de meest geschikte plaatsen te zoeken waar kloosters gebouwd konden worden. Meteen na aankomst werden ze, zoals gebruikelijk, onthaald als hemelse afgezanten, met grote vriendelijkheid, vreugde en achting. Zij probeerden zich zo goed mogelijk verstaanbaar te maken, maar omdat zij hun taal niet kenden, maakten ze gebruik van gebaren. Het gebeurde echter dat na het vertrek van het schip dat deze paters had afgezet, een ander schip de haven aandeed, waarvan de bemanning, die niets wist van de aanwezigheid van de paters, volgens hun duivelse gewoonte, onder valse voorwendselen de heerser van die provincie die Alfonso heette — want de Indianen hebben graag een christelijke naam en willen graag meteen gedoopt worden zonder verdere informatie — gevankelijk wegvoerden. Voornoemde heer Alfonso werd, zoals ik al zei, onder valse voorwendsels overgehaald om aan boord van het schip te komen, samen met zijn vrouw en zeventien andere Indianen, onder het mom dat zij hem een maaltijd wilden aanbieden. Hoewel hij niet zoveel vertrouwen had in de Spanjaarden, gaven de heerser en zijn gevolg daar toch gehoor aan, omdat hij erop vertrouwde dat de paters niet zouden toelaten dat hem iets aangedaan werd. Maar zo gauw ze aan boord waren zeilden de verraderlijke bruten naar Hispaniola, waar ze allemaal als slaaf verkocht werden. Toen zijn onderdanen hoorden dat hun vorst en vorstin met geweld ontvoerd waren, raakten ze allemaal in rep en roer en gingen verhaal halen bij de paters, die vreselijk bang waren dat ze hun leven zouden verliezen. Ze waren zeer aangeslagen toen ze hoorden over deze onrechtmatige daad en waarschijnlijk zouden ze liever zelf hun leven gegeven hebben, dan de Indianen zo schandelijk te laten behandelen, wat voor hen een belemmering zou kunnen betekenen voor het ontvangen en geloven van Gods Woord. Zij beloofden hen dat ze brieven zouden meesturen met het eerste schip dat koers zou zetten naar Hispaniola, waarin ze zouden schrijven dat hun heer en zijn gevolg in vrijheid gesteld moesten worden en moesten terugkeren. De Indianen kalmeerden door de belofte van de paters. Het behaagde God vanuit Hispaniola een schip te sturen, wat beschouwd werd als een bevestiging temeer van het schandelijke gedrag van gouverneurs. In de brieven die zij meestuurden tekende zij herhaaldelijk protest aan tegen dergelijke acties, maar de ontvangers van de brieven weigerden recht te doen, omdat zij zelf deelden in de buit, die bestond uit die zo onrechtvaardig en goddeloos gevangengenomen Indianen. Maar toen de geestelijken, die de Indianen hadden verteld dat hun heer Alfonso binnen vier maanden terug zou zijn, merkten dat hij na vier maanden en ook na acht maanden niet teruggekeerd was, bereidden zij zich voor op de dood en dat ze hun leven terug gingen geven aan Christus, aan wie zij het opgedragen hadden bij hun vertrek uit Spanje. Zij namen dus wraak voor de onschuldige Indianen op de onschuldige priesters, omdat ze dachten dat de geestelijken een hand hadden gehad in de samenzwering, van de ene kant omdat ze gemerkt hadden dat hun belofte dat hun heer binnen vier maanden terug zou zijn, loos was, en van de andere kant omdat de inwoners geen verschil maakten tussen een pater en een Spaanse bruut. Deze heilige monniken moesten daar onterecht voor lijden, en bijgevolg zal wel niemand eraan twijfelen, dat zij vanwege hun onschuldige dood, volgens de beginselen van ons geloof, als ware martelaars moeten worden beschouwd en dat zij thans leven en in gelukzaligheid zetelen naast God in de hemel. Hoe dan ook, zoveel is zeker, dat zij uit louter gehoorzaamheid dit land bezochten; dat zij de intentie hadden, daar het evangelie te prediken en te verbreiden, al deze zielen gelukkig te maken, alle lasten geduldig te dragen en zelfs, omwille van de gekruisigde Jezus Christus, voor de dood niet terug te schrikken. Iets dergelijks heeft nog een keer plaatsgevonden waarbij, door de buitensporige tirannie en wreedheden van kwaadaardige christenen, de Indianen twee dominicaner broeders om het leven brachten. Ik was daarvan ooggetuige en kon zelf alleen door een groot wonder aan de dood ontsnappen. Ik heb besloten over die gebeurtenis het zwijgen te bewaren, om de lezer geen schrik aan te jagen met de gruwelen van die daad.

In deze provincie lag een stad aan de golf van Codera, waarvan de bestuurder Higueroto werd genoemd, een eigennaam of een titel die aan de bestuurders van die stad gegeven werd. Deze cazique was zo welwillend en zijn onderdanen waren zo opmerkelijk deugdzaam, dat de Spanjaarden die daar aankwamen buitengewoon hartelijk onthaald en voorzien werden van voedsel, rust en steun bij hen vonden en niets tekort kwamen. Hij redde velen van hen van de dood, die, na in andere provincies zich aan onderdrukkingen en geweldpleging te hebben schuldig gemaakt, half uitgehongerd bij hem hun toevlucht zochten; die hielp hij dan en liet hen op het Pareleiland, waar de christenen een kolonie hadden, in veiligheid brengen. Hij had hen kunnen doden, zonder dat iemand het zou hebben gemerkt, — hij deed het niet. Ten slotte was het zelfs zo, dat alle christenen de stad, waar Higuerote woonde, alleen nog maar aanduidden als: hun onderdak. Maar toen landde daar een doortrapte schurk, die een groot aantal Indianen inscheepte en aan de eilandbewoners van San Juan verkocht. In diezelfde tijd kwam ik aan op dat eiland, waar ik een glimp opving van deze tiran en het verhaal aanhoorde over wat hij had aangericht. Dat land werd door zijn hand volledig verwoest, wat hem zeer werd kwalijk genomen door andere Spanjaarden, die herhaaldelijk als piraat die kusten plunderden en zijn gruweldaden veroordeelden omdat zij een plek waren kwijtgeraakt waar zij doorgaans met grote gastvrijheid en openheid werden bejegend. Alles bij elkaar vervoerden zij van daar meer dan tweemiljoen Indianen naar de eilanden Hispaniola en San Juan, waardoor ze die kusten in een woestenij veranderden.

Het staat vast dat zij nooit met een met Indianen volgestouwd schip die reis aflegden, zonder dat zij een derde van hen als tol aan de zee betaalden, naast alle mensen die ze afslachtten, als zij hen in hun huizen aantroffen. De reden van dat alles ligt in het doel dat ze zich gesteld hadden. Zij moesten namelijk wel een groot aantal Indianen meenemen, wilden ze een grote opbrengst behalen bij de verkoop. De schepen hadden echter een voor zoveel mensen ontoereikende hoeveelheid proviand en water aan boord, omdat het anders de tirannen, die reders of scheepeigenaren genoemd worden, te veel zou kosten om de schepen te bevoorraden. Er was zelfs nauwelijks voldoende voedsel aan boord voor de Spanjaarden die de schepen bemanden, zodat vele Indianen van honger en dorst bezweken en overboord gegooid moesten worden. Een van hen heeft mij zelfs voor waar verteld dat er onderweg zoveel mensen stierven dat een schip vanaf de Lucaïsche eilanden naar Hispaniola — een afstand van meer dan zestig zeemijlen — die reis aflegde zonder kaart of kompas, uitsluitend door de koers te bepalen op de drijvende lijken.

Als zij dan aangekomen en aan land gebracht zijn op het eiland waar ze verkocht zullen worden, moet iedereen die over enig gevoel van mededogen beschikt, hevig geroerd en aangedaan worden bij de aanblik van oude mannen en vrouwen, in gezelschap van halfuitgehongerde naakte kinderen. Daarna worden de kinderen gescheiden van hun ouders, vrouwen van hun echtgenoten, in groepen ingedeeld van tien of twintig personen, en wordt het lot over hen geworpen, zodat de afschuwelijke scheepseigenaren ieder hun deel krijgen. Dat zijn mensen die twee of drie schepen in gereedheid brengen, uitrusten als een piratenvloot, aan land gaan, met geweld mensen uit hun huizen halen en daarna meevoeren. Maar als bijvoorbeeld het lot van een van hen op een groep valt, waaronder zich een oude of zieke man bevindt, barst de tiran, aan wie hij toegewezen wordt, doorgaans als volgt uit. "Naar de hel met die ouwe kerel, waarom wordt ik daarmee opgescheept? Moet ik soms voor zijn begrafenis zorgen? En die zieke armoedzaaier, hoe komt die bij mijn toegewezen deel? Moet ik hem soms beter laten maken? Dat verdom ik!" Daaruit blijkt eens temeer hoeveel waarde Spanjaarden toekennen aan Indianen en is de vraag of zij wel het goddelijke en hemelse gebod van naastenliefde in praktijk brengen.

Niets is wreder en weerzinwekkender dan de tirannieke manier waarop de Spanjaarden gebruik maken van de Indianen bij het parelvissen. De kwellingen die ondergaan worden bij het met wanhopige handen onnatuurlijke legen van de rijke ingewanden van ons aller gemeenschappelijke Moeder, kan niet eens vergeleken worden met de bekende folterende kwellingen van de ergste hemeltergende desperado, hoewel gouddelven bijna het zwaarste ondergrondse slavenwerk is. Ze laten hen vier of vijf el onder water zakken, waar ze rondzwemmen zonder te ademen en oesters waarin parels zijn gegroeid losrukken en naar boven brengen. Af en toe stijgen ze met netten vol oesters omhoog naar het wateroppervlak om adem te halen. Maar als deze deerniswekkende mannen dan ook maar even langer boven blijven dan ze eigenlijk uit mogen rusten, komt meteen een beulsknecht in een bootje of kano naar hen toe, die erop slaat en hen aan de haren weer onder water trekt, waar ze verder moeten zwoegen met het opduiken van parels. Hun voedsel bestaat uit vis, de schaaldieren waar de parels in zitten en cassabus, dat van wortelen wordt bereid, met een paar mahids, het inheemse brood. Het eerste is niet erg voedzaam en de bereiding van het laatste heel moeizaam, want voor al die inspanningen zijn zij niet goed toegerust door de natuur. Ze slapen op de grond, met hun voeten in het blok geslagen, uit angst dat ze er anders vandoor gaan. Vaak verdrinken ze tijdens deze moeizame manier van vissen en worden nooit meer gezien, omdat onder water tuberoms en maroxi — een soort zeemonsters, die een volwassen man in zijn geheel kunnen opslokken — op hen jagen. Verder moet men bedenken dat het zelfs voor de sterkste man onmogelijk is om zonder adem te halen lang onder water te blijven. Doorgaans sterven ze door de vreselijke kou en bloedspuwingen die veroorzaakt worden door een te grote druk op de borst, doordat ze onder water zo lang hun adem in moeten houden en teveel kou, waardoor het bloed naar buiten stroomt. Hun haar, dat van nature zwart is, is verbrand en kleur lijkt dan op die van de zeewolven. Hun schouders en rug zijn bedekt met een zoutachtige laag, waardoor ze er meer uitzien als een monster in mensengedaante dan als een mens.

Door deze ondraaglijke of liever duivelse arbeid hebben de Spanjaarden alle bewoners van de Lucaïsche eilanden uitgemoord. Zij deden dat alleen uit eigenbelang en ten bate van zichzelf, want elke Indiaan leverde een winst op van vijftig tot honderd Castilianen goud. En hoewel het verboden was, verkochten zij hen in het openbaar, want de Lucayers waren uitstekende zwemmers. Ook velen die uit andere provincies kwamen stierven op dit eiland.


OVER DE RIVIER YUYA PARI (ORINOCO)

Deze rivier stroomt door de provincie Paria en ontspringt meer dan tweehonderd mijl verderop in een andere provincie. Langs deze rivier drong een godverlaten tiran de provincie binnen, verwoestte het land over een afstand van vele mijlen en moordde een groot aantal inwoners te vuur en te zwaard uit. Ten slotte stierf hij zelf een gewelddadige dood en viel zijn strijdmacht uiteen. Maar vele anderen zetten zijn tirannie en wreedheid voort, zodat daar tot op de dag van vandaag nog steeds Indianen afgeslacht worden, zielen die verlost zijn door het bloed van Gods Zoon, maar die nu naar de hel gaan.


OVER HET KONINKRIJK VENEZUELA

In het jaar 1526 werd onze heer en koning door een valse voorstelling van zaken overreed — want de Spanjaarden plachten de voor Zijne Majesteit de schade te verhullen, die God zelf en ziel en lichaam van de Indianen werd toegebracht — om het koninkrijk Venezuela dat langer en breder was dan alle Spaanse gebieden tezamen, met zijn hele regering en rechtsbevoegdheid toe te vertrouwen aan een aantal Duitse kooplieden, die bovendien bevoegd waren om verdragen en overeenkomsten te sluiten. Met driehonderd man kwamen ze dit land binnen en troffen daar een goedaardig, welwillend en vreedzaam volk aan, zoals dat overal het geval was in de Indische landen, totdat hen door de Spanjaarden onrecht werd aangedaan. Maar deze mannen waren onvergelijkbaar veel wreder dan alle andere en gedroegen zich onmenselijker dan roofzuchtige tijgers, wolven of leeuwen. Uit gierigheid en hebzucht handelden zij nog veel doller en verblinder dan al hun voorgangers, verzonnen nog veel afschuwelijkere middelen en wegen om hen hun goud en zilver af te persen, verloren alle vrees voor God en koning en alle schaamte tegenover de mensen; en omdat zij dusdanig grote vrijheden genoten en de rechtsbevoegdheid over het hele land in handen hadden, vergaten ze zelfs dat ze geboren waren als met rede begiftigde mensen.

Deze vleesgeworden duivels verwoestten en roofden een streek leeg van meer dan vierhonderd mijl met zeer vruchtbare grond, die uitgestrekte en prachtige provincies bevatte, zeer wijde en grote dalen, van wel veertig mijl lang en vele steden, die zeer rijk aan goud en zilver waren. Zij roeiden de bevolking van dat gebied zo grondig uit, dat er geen enkele getuige meer overgebleven is die het verhaal kan vertellen, behalve misschien een paar die zich schuilhouden in holen en het binnenste van de aarde, om te ontkomen aan hun onmenselijke zwaarden, gedrenkt in het bloed van onschuldige Indianen. Zij moordden naar mijn schatting door middel van zelfbedachte en ongebruikelijke martelingen vier- tot vijfmiljoen mensen uit en stuurden hen allen naar de hel. Ik zal nog een staaltje geven van twee of drie van hun gruweldaden, zodat u daarmee zelf een oordeel kunt vellen over alle andere.

Zij namen de opperheerser van deze provincie gevangen en om hem zijn goud afhandig te maken, werd hij door hen gemarteld, zodat hij hen zou vertellen waar het was. Maar hij ontsnapte en vluchtte de bergen in — hun gebruikelijk toevluchtsoord —, waar hij zijn onderdanen die zich verstopt hadden in het struikgewas, opriep om in opstand te komen. Ze werden door de Spanjaarden achtervolgd die velen van hen doodden en de Indianen die ze levend in handen kregen werden allemaal in het openbaar op de marktplaats als slaaf verkocht.

In alle provincies waar ze kwamen werden ze door de Indianen verwelkomd met liederen, dansen en kostbare geschenken, maar beantwoordden dat als dank met bloedbaden en slachtpartijen. De Duitse kapitein liet een aantal van hen opsluiten in een met riet bedekt huis, waar ze in stukken werden gehakt. Om aan hun bloeddorstige en genadeloze zwaarden te ontsnappen, klommen sommigen op de balken en dakspanten van het huis, maar toen de kapitein dat hoorde —O, wrede bruut— gaf hij het bevel het huis in brand te steken, waarbij alle Indianen levend verbrandden. Hij liet de streek verwoest en ontvolkt achter.

Ze trokken ook een andere grote provincie binnen, die grenst aan Santa Martha. De inwoners verleenden hen grote en opmerkelijke diensten en overlaadden hen met enorme hoeveelheden goud, naast vele andere geschenken. Maar toen ze op het punt van vertrek stonden, beval de Duitse tiran, als dank voor hun hoffelijke behandeling, alle Indianen, zo mogelijk met vrouw en kinderen, gevangen te nemen. Hij liet hen opsluiten in een grote omheinde ruimte, waar hen duidelijk gemaakt werd dat er een bepaalde prijs was gezet op het hoofd van elke Indiaan, zijn vrouw en elk kind en dat iedereen die in vrijheid gesteld wilde worden zichzelf ten bate van de onrechtvaardige gouverneur moest vrijkopen. Om de zaak te bespoedigen werd hen alle voedsel onthouden, totdat het goud voor de vrijkoping tot de laatste korrel was afbetaald. Sommigen van hen lieten bij hen thuis het als losprijs vereiste goud ophalen en werden in vrijheid gesteld, zodat zij hun dagelijkse bezigheden weer op konden nemen. Maar kort daarna stuurde hij andere schurken en rovers naar hen toe om de mensen die zich vrijgekocht hadden weer op te pakken.

Met hetzelfde oogmerk werden ze dus een tweede keer bijeengebracht en door honger en dorst gedwongen snel hun losgeld te betalen. Veel van hen werden door de Duitsers of Spanjaarden twee of drie keer opgepakt, gevangengezet en tegen een losgeld weer vrijgelaten, maar degenen die niet in staat waren de vereiste hoeveelheid goud te leveren, kwamen daar om. De wreedheid van de laatsten is minder verbazingwekkend omdat zij uit gewoonte nooit de mis bijwoonden en er over hen verteld werd dat ze ketterse Lutheranen waren. Het land werd vrijwel geheel ontvolkt, terwijl er destijds dorpen werden aangetroffen met meer dan duizend gezinnen. Dat was dus de manier waarop zij zorg droegen voor de bedoeling van de koning om het christendom te verbreiden onder de Indianen.

Deze tiran dacht alleen maar aan het vergroten van zijn rijkdom en omdat hij gehoord had dat in Peru oneindig meer goud te vinden was dan in het koninkrijk Venezuela, besloot hij daar naartoe te trekken dwars door de landstreek die deze twee landen van elkaar scheidt. Hij legde grote voedselvoorraden aan en maakte gebruik van een grote menigte Indianen om die te vervoeren. Deze ongelukkige mannen waren geheel naakt, aan elkaar geketend met kettingen die vastzaten aan een ijzeren halsband, wat hen verhinderde ’s nachts te ontsnappen. Ze sjouwden een last van drie tot vier arroba’s en door honger, dorst en uitputting en de slagen die hen werden toegediend, waren ze binnen korte tijd niet meer in staat hun weg te vervolgen. Om geen tijd te verliezen met het losmaken van de halsbanden en het ontketenen van deze arme slaven, sloegen de slavendrijvers dan bij de Indianen die neervielen het hoofd af en verdeelden hun last onder de anderen. Daardoor werd het voor de Indianen onmogelijk te volvoeren wat zij van hen moesten doen. Zij stierven allemaal binnen zeer korte tijd en werden vervangen door mannen die de tiran onderweg als lastdieren ronselde. Als ik alle wreedheden en bloedbaden op zou moeten sommen die door hem teweeggebracht zijn, zou mijn verslag voor de lezer ongeloofwaardig worden en hem alleen maar verbijsteren en ontstellen, hoewel het geenszins strijdig met de waarheid zou zijn.

Deze tocht werd ook door andere tirannen ondernomen, die met hetzelfde oogmerk van wal staken in Venezuela en Santa Martha, namelijk de zoektocht in Peru naar het geheel uit goud opgetrokken heilige huis, (het legendarische el dorado, vert.) waar ze geruchten over hadden gehoord. Zij troffen die ooit vruchtbare streek zo te vuur en te zwaard verwoest, ontvolkt en verlaten aan, dat deze wrede tirannen zelf onthutst en verbijsterd waren bij de aanblik van de puinhopen die deze enorme verwoestingen hadden achtergelaten.

Dit alles en nog veel meer kwam aan het licht door het zorgvuldige onderzoek van de procureur van de Hoge Raad van Indië, en de ooggetuigenverslagen werden doorgegeven aan het Hof, hoewel deze verfoeilijke tirannen veel bewijsmateriaal verbrandden, zodat nauwelijks of niet bewezen kon worden, dat zij de oorzaak waren van die grote verwoestingen en misdrijven. De rechters die tot nu toe in Indië verblijven zijn er, door hun verfoeilijke verblinding, nooit erg op gebrand geweest de misdaden en moordpartijen te bestraffen, die door deze tirannen bedreven zijn en nog steeds worden bedreven. Het enige wat ze zeggen is dat, omdat die en die de Indianen slecht en bruut behandeld heeft, de jaarlijkse inkomsten van Zijne Majesteit zus en zoveel zijn afgenomen en dat de vaagheid en onduidelijkheid van het bewijsmateriaal voldoende is — dat denken ze echt — om die vreselijke misdaden goed te praten en door de vingers te zien. Hoewel het echter maar weinig bewijzen zijn, zijn ze niet onderzocht zoals dat gemoeten had en daarnaast worden zij door hen ook niet zo zwaar aangerekend als dat gemoeten had. Want als zij hun plicht jegens God en de koning gedaan hadden, zouden ze tot de bevinding zijn gekomen dat deze Duitse tirannen de koning voor meer dan duizend Castilianen goud hadden opgelicht. Zo begonnen deze vijanden van God en koning deze gebieden te ontvolken en verwoesten, en tweemiljoen Castilianen aan goud van Zijne Majesteit te stelen. Het valt niet te verwachten dat het nadeel dat de koning berokkend werd ooit weer goedgemaakt kan worden, zolang als zon en maan blijven bestaan, tenzij God door een wonder evenveel duizenden Indianen uit de dood zou laten opstaan, als er vermoord zijn. En dat zijn nog maar de wereldlijke zaken die de koning werden aangedaan. Het zou ook de moeite waard zijn te onderzoeken hoeveel vervloekte godslasteringen en oneer God zijn aangedaan en hoezeer Zijn naam te schande is gemaakt. En hoe kan het verlies worden goedgemaakt van zoveel zielen, die nog steeds gefolterd worden in het hellevuur, door de wreedheid en hebzucht van deze beestachtige Duitse tirannen? Ik zal tot besluit van al hun goddeloosheid en wreedheid nog een enkel voorbeeld aanhalen. Vanaf het moment dat zij dit land binnentrokken tot op de dag van vandaag, dat wil zeggen, zeventien jaar lang, hebben zij vele schepen volgestouwd met Indianen naar de eilanden Santa Martha, Hispaniola, Jamaica en San Juan gestuurd, die daar als slaaf verkocht werden. Ik overdrijf niet als ik zeg dat zij daar minstens eenmiljoen Indianen verkocht hebben en hen in het jaar des Heren 1542 nog steeds te koop aanbieden. Het raadscollege van de koning op dit eiland ziet en weet dat, maar hoewel het overduidelijk en onmiskenbaar voor hen is, laten zij het niet alleen oogluikend toe, maar stemmen ermee in en steunen het. De gruwelijke misdaden en talloze verwoestingen die bedreven worden op de kusten van het vasteland, die zich over een lengte van vierhonderd mijl uitstrekken, zien ze nog steeds door de vingers, ook in Venezuela en Santa Martha, die ook onder hun rechtsbevoegdheid vallen, terwijl zij die eenvoudig tijdig zouden kunnen verhinderen en stoppen.

Al deze Indianen werden zonder de minste aanleiding en louter uit de boosaardige hebzucht van deze tirannen als slaven verkocht, die hiermede hun onverzadigbare zucht naar geld poogden te bevredigen. Zo hebben alle andere tirannen in heel Indië gedaan: ze sleurde deze onschuldige lammeren en schapen met hun hele familie uit hun huizen, brandmerkten hen met het merkteken van de koning en verhandelden hen als slaaf.


OVER DE PROVINCIES VAN FLORIDA

Vanaf het jaar 1510 of 1511 zijn op verschillende tijdstippen drie tirannen deze provincies binnengetrokken, waar ze dezelfde misdaden begingen als hun voorgangers. Voor twee van hen was in andere streken het afslachten en vernietigen van deze mensen de enige dagtaak, waarmee zij in rang bevorderd wilden worden en een groter aanzien wilden bereiken dan ze verdienden. Maar uiteindelijk stierven ze zelf allemaal een gewelddadige dood en de huizen die zij eerder met mensenbloed als cement hadden gebouwd — ik kan dat van deze drie genoegzaam bewijzen — gingen samen met hen te gronde. De herinnering aan hen is geleidelijk vervaagd en nu zo volmaakt van de aardbodem gewist, alsof ze nooit hebben bestaan. Deze mannen verwoestten de streek, en lieten die achter in grote onrust en verwarring, door de bloedbaden die ze daar aanrichtten, en hoewel die in aantal geringer waren dan gebruikelijk, werd er niet minder schande over hen gesproken. De rechtvaardige God nam hen weg, voordat ze nog meer ellende konden aanrichten en behield de bestraffing en vergelding van die misdaden aan Zichzelf. Ik ben daarvan op de hoogte omdat ik daar op dat moment ooggetuige van was. Over de vierde tiran, die onlangs, dat wil zeggen in het jaar 1538, ruim voorzien van manschappen en wapens hier aankwam, hebben we de afgelopen drie jaar niets meer gehoord. Wij weten vrijwel zeker dat hij na zijn aankomst tekeer ging als een bloeddorstige tiran, tot het uitzinnige en krankzinnige toe. Als hij en zijn manschappen nog in leven zijn en inderdaad een enorm aantal Indianen hebben vermoord en vernietigd — want over hem werd verteld dat hij in zijn schandelijke wreedheid ver uitstak boven alle anderen die in deze koninkrijken en provincies met hun manschappen de allergrootste misdaden en wreedheden begingen — denk ik dat God hem bestraft heeft met eenzelfde gewelddadige dood als de andere tirannen. Maar omdat mijn pen vermoeid is van het opschrijven van al die afschuwelijke bloeddorstige daden — niet door mensen maar door wilde beesten verricht —, zal ik mijzelf niet langer vermoeien met de ellendige en rampzalige gevolgen daarvan.

Hoewel de Spanjaarden de Indianen wijs, ingetogen en zeer verstandig vonden, joegen zij hen grote angst aan door hun slachtpartijen en wreedheden en de manier waarop zij hen als lastdieren opzadelden met zware lasten. Op zekere dag kwamen zij in een dorp aan, waar ze verwelkomd werden met grote vreugde en gejuich, hen voedsel werd gebracht, totdat ze allemaal verzadigd waren en hen meer dan zeshonderd Indianen werden geleverd om hun uitrusting en bagage te dragen en die als stalknechten voor hun paarden moesten zorgen. Toen de Spanjaarden daar vertrokken maakte een kapitein, die familie was van de oppertiran, rechtsomkeert om de inwoners — die helemaal niet op hun hoede of wantrouwend waren — te beroven. Hij doorstak de koning met zijn lans, die daaraan ter plekke bezweek, en pleegde daarnaast nog meer misdaden. In een naburige stad, waarvan zij dachten dat de inwoners waakzamer en meer op hun hoede waren, omdat zij het nieuws van hun gruwelijke daden hadden gehoord, vermoordden zij hen allemaal op een brute manier met hun lansen en zwaarden en roeiden iedereen uit, jong en oud, groot en klein, heren en onderdanen, zonder uitzondering.

De oppertiran liet een groot aantal Indianen — naar verluidt meer dan tweehonderd — vanuit een andere stad bij zich komen, terwijl anderen vrijwillig naar hem toekwamen om hem eer te bewijzen, en liet hen neus en lippen tot aan hun baard afsnijden, waarna hij hen in die deerniswekkende en ellendige toestand, terwijl het bloed uit hun wonden gutste, terugstuurde om een onmiskenbare getuigenis af te leggen van de daden en wonderen die verricht werden door deze gedoopte verkondigers van het christelijke geloof.

Iedereen moet zelf maar beoordelen hoeveel genegenheid en liefde die mensen koesteren voor het christendom; op wat voor gronden en met welke bedoeling zij geloven dat er een God is, van wie zij verkondigen en trots vertellen dat Hij goed en rechtvaardig is en dat Zijn wet die zij belijden —inderdaad alleen belijden — zuiver en onbezoedeld is. De wandaden die bedreven werden door deze verfoeilijke schurken en zonen van het verderf, waren van het ergste soort. Ten slotte stierf deze aan het verderf verknochte kapitein zonder berouw en wij twijfelen er op geen enkele manier aan dat hij bedolven en begraven is in de krochten van de hel, tenzij God het God behaagd heeft, in zijn oneindige genade en grenzeloze barmhartigheid hem, niet vanwege zijn verdiensten, — hij was immers bezoedeld en vergiftigd door afschuwelijke daden — zich over hem te ontfermen en hem genadig te zijn.


OVER DE RIO PLATA, DE ZILVERRIVIER

Vanaf het jaar 1502 of 1503 ondernamen een aantal kapiteins vier of vijf reizen naar de Rio Plata, die met zijn zijarmen grote koninkrijken en provincies omsluit, die bevolkt worden door verstandige en goedaardige Indianen. Wij weten dat zij over het algemeen zeer wreed en bloeddorstig tegen hen optraden, maar omdat de Indianen, waar wij herhaaldelijk over spreken, hier ver vandaan wonen, kunnen wij geen betrouwbaar verslag geven van wat zij daar aanrichtten. Maar het staat volstrekt buiten kijf dat dat zij daar op dezelfde manier te werk gingen en nog steeds gaan, als anderen in verschillende streken op dit moment nog steeds doen en hebben gedaan. Want de Spanjaarden die daar naartoe trokken zijn dezelfden, die ook de verderfelijke plegers van andere moorden waren. Allemaal hadden ze maar één doel voor ogen, namelijk rijk en vermogend worden, wat ze nooit kunnen bereiken, tenzij ze op dezelfde manier te werk gaan als de anderen en hetzelfde pad bewandelen van vermoorden, plunderen en uitroeien van arme Indianen.

Nadat ik het bovenstaande al opgeschreven had, hoorde ik uit zeer betrouwbare bron dat ze in die streken grote koninkrijken en provincies verwoest hadden en bij deze onschuldige mensen op een vreselijke manier wreed en bloeddorstig tekeer waren gegaan. Omdat zij zich zover ver van Spanje af bevonden, waren ze nog meer in de gelegenheid om nog veel schandelijker en hardvochtiger tegen hen op te treden. Zij leidden een ongeregeld en losbandig leven en hadden elke vorm van rechtvaardigheid overboord gezet, die overigens in alle Amerikaanse gebieden ver te zoeken was, zoals blijkt uit wat ik al verteld heb. Onder de talrijke andere misdaden, die daarop volgden is er een die te vinden is in het archief van de Raad van Indië. Een van de gouverneurs gaf zijn soldaten het bevel naar een bepaald dorp te gaan en als zij hen daar niet wilden bevoorraden, alle inwoners aan het zwaard te rijgen en met deze volmacht gingen zij op weg. De Indianen weigerden echter wat zij van hen eisten en zeiden dat ze maar één meester hadden, aan wie zij verplicht waren te gehoorzamen, dat de Spanjaarden niet hun vrienden waren en ze niets voor hen konden doen, waarna zij meer dan vijfduizend mensen met het zwaard afslachtten. Er was ook een aantal mensen, die in vrede en rust leefden en hem hun diensten aanboden. Op zeker moment werden zij echter bij de gouverneur geroepen, maar het duurde langer dan gewoonlijk voordat ze verschenen, omdat zij dachten dat ze een grote omweg moesten maken om hun Indiaanse vijanden te ontlopen, of om een andere reden. De gouverneur gaf het bevel de hele bevolking van het land angst aan te jagen door alle Indianen die zich niet gehoorzaam betoond hadden aan hun Indiaanse aartsvijanden uit te leveren. Ze barstten uit in luid gejammer en tranen en riepen dat zij liever de hand aan zichzelf wilden slaan dan als prooi uitgeleverd te worden aan hun vijanden. En omdat zij vastberaden waren in het huis te blijven waar ze zich bevonden, hakten de Spanjaarden hen in stukken, terwijl ze riepen: "Wij kwamen om jullie vreedzaam te dienen en nu vermoorden jullie ons. Ons bloed waarmee deze muren doordrenkt en bespat worden zal daar blijven als een eeuwige getuigenis van jullie onrechtvaardige moorden en brute wreedheid." Deze gruwelijke misdaad dient nooit meer vergeten te worden, of nog duidelijker, verdient het mededogen van alle mensen.


OVER DE GROTE KONINKRIJKEN EN UITGESTREKTE PROVINCIES VAN PERU

In het jaar 1531 trok een beruchte tiran met zijn trawanten de koninkrijken van Peru binnen, met dezelfde bedoelingen en onder dezelfde voorwendselen en even gruwelijk als alle anderen. Hij was een van de mensen, die vanaf het jaar 1510 het vasteland teisterden en vreselijk tekeer gingen met slachtpartijen en wreedheden. Hij breidde het aantal wreedheden, moorden plunderingen uit, verwoestte — omdat hij een verraderlijke en trouweloos sujet was — en vernietigde steden en dorpen en moordde de inwoners uit en veroorzaakte alle ellende waar die streken nadien onder te lijden hadden. Om daar verslag van te doen en een verhaal over te schrijven, dat voor de lezers een levendig en getrouw beeld schetst, is onbegonnen werk en zal zodoende verborgen en onbekend blijven, totdat ze bij het Laatste Oordeel openlijk en duidelijk aan het licht komen en voor iedereen zichtbaar worden. Als ik, van mijn kant, bedenk dat ik ook maar enigszins de wanstaltigheid, ernst en omstandigheden van de wreedheden zou moeten ontrafelen, zou ik die zware taak hoe dan ook niet kunnen vervullen en niet kunnen voltooien zoals zou dat zou moeten.

Om zijn aankomst in deze streken te benadrukken, legde deze tiran meteen een aantal steden in puin, en beroofden de inwoners van een grote hoeveelheid goud. Dat was dus het begin van zijn tirannieke optreden. Toen hij op Pugna voet aan wal zette, een naburig eiland met die naam, werd hij als een engel ontvangen, maar ongeveer zes maanden later, toen de Spanjaarden al hun voedsel hadden opgegeten, ontdekten en braken ze de graanschuren open, waar de Indianen voor zichzelf, hun vrouwen en kinderen hun voedselvoorraden bewaarden voor tijden van hongersnood en voedselschaarste. Onder tranen en jammerklachten droegen zij dat aan hen over, maar als beloning daarvoor werden ze zoals gewoonlijk afgeslacht, onder het slavenjuk gebracht en uitgeroeid.

Van daar trokken ze naar de provincie Tumbala, die op het vasteland ligt, waar ze iedereen die ze tegenkwamen over de kling joegen. En omdat de inwoners uit angst voor hun vreselijke misdaden en wreedheid op de vlucht gingen, werden ze ervan beschuldigd dat ze in opstand kwamen tegen de Spaanse koning. Deze tiran maakte gebruik van de volgende list: hij gaf het bevel, als zij dat al niet vrijwillig hadden gedaan, dat zij hem goud, zilver en andere kostbare geschenken moesten brengen, en daarna steeds meer totdat hij merkte dat hun schatten uitgeput waren en ze helemaal niets meer hadden en hem dus ook niets meer konden leveren. Daarna vleide hij hen door te zeggen dat ze voortaan onderdaan van de koning van Spanje waren, liet tweemaal op een trompet blazen en verkondigde dat zij in het vervolg niet meer gevangengenomen of mishandeld zouden worden. Hij achtte dus dat het gerechtigd was hen van alles te beroven en schrik aan te jagen met die boodschappen die hij naar hen had laten uitgaan, voordat hij hen onder de bescherming van de koning van Spanje plaatste. Alsof hij hen niet langer van plan was, hen te onderdrukken, te plunderen, uit te moorden en te laten vernietigen, en alsof hij al niet genoeg mensen had uitgeroeid!

Niet lang daarna kwam Atabilba, de opperheerser van al die koninkrijken naar hen toe, met een gevolg van een grote menigte naakte mensen, terwijl hij zelf voorop liep. Ze waren gewapend met lachwekkende wapens en helemaal onbekend met de doeltreffendheid van de Spaanse zwaarden, de dodelijke lansen en de kracht van hun paarden, waarvan het gebruik en nut hen ook onbekend was en waar ze eerder nooit iets over gehoord hadden. Ze wisten ook niet dat de Spanjaarden voldoende bewapend waren om zelfs duivels zelfs van hun goud te beroven, als zij dat al hadden. Atabilba kwam dus op de plek waar de Spanjaarden zich bevonden en zei toen: "Waar zijn die Spanjaarden dan? Laat ze tevoorschijn komen; ik zal vanaf nu geen voet meer verroeren totdat zij mij genoegdoening hebben gegeven voor al mijn onderdanen die ze vermoord hebben, voor mijn steden die ze in as hebben gelegd en voor mijn rijkdommen die zij mij ontstolen hebben." De Spanjaarden stormden op hen toe, richtten een enorm bloedbad aan onder zijn mensen en namen de koning, die in een draagstoel op de schouders gedragen werd, gevangen. Over zijn vrijkoping werd afgesproken dat de koning viermiljoen Castilianen goud moest betalen, om zijn vrijheid te herkrijgen, maar het werden er op de kop af vijftienmiljoen. Ze beloofden hem in vrijheid te stellen, maar volgens hun gewoonte en tegen elke afspraak — want zij schonden altijd de beloften die ze Indianen deden — beschuldigden zij hem er valselijk van dat zijn onderdanen zich op zijn bevel vijandig tegenover hen gedroegen, ondanks de afspraak die zij met hem gemaakt hadden. Maar de koning antwoordde dat weliswaar zonder zijn bevel in zijn hele land zelfs geen blad aan een boom zou durven bewegen, maar dat zij, als zijn onderdanen zich vijandig gedroegen, echt moesten geloven dat hij daar niet de opdracht voor had gegeven, omdat hij nu gevangen zat en het in hun macht lag hem van zijn leven te beroven, als hij iets dergelijks had bevolen. Desondanks besloten zij hem na beraad levend te verbranden en kort daarna werd er overeenstemming bereikt over het vonnis. Maar op dringend verzoek van een aantal Spanjaarden gaf de kapitein het bevel hem eerst te wurgen en daarna pas in het vuur te gooien. De koning die begreep dat de doodstraf over hem was uitgesproken, zei: "Waarom gaan jullie mij verbranden? Wat heb ik gedaan dat ik de dood verdien? Hebben jullie dan niet beloofd mij vrij te laten in ruil voor goud? En heb ik jullie niet veel meer gegeven dan ik beloofd had? En als jullie dat dan zo graag willen, stuur me dan naar de koning van Spanje." En hoewel hij vele woorden gebruikten die allemaal op hetzelfde doelden, namelijk ter beschaming van de Spanjaarden en tot schande van hun onrechtvaardig optreden, bleef het hart van de Spaanse kapitein gesloten voor medelijden en werd hij toch levend verbrand. Laten wij dus ernstig overwegen met welk recht zij deze vijandigheden bedreven, deze vorst gevangen namen, veroordeelden en ter dood brachten en met wat voor geweten deze tirannen zich grote rijkdommen hebben toegeëigend, die zij onder valse voorwendsels deze koning en nog veel meer regeerders van deze koninkrijken afhandig hebben gemaakt. Maar wat betreft het grote aantal misdaden, die gepleegd zijn door mensen die zichzelf christen noemen, met de bedoeling dit volk uit te roeien, zal ik nog een paar herhalen, waar een Franciscaan die aanwezig was bij de eerste tochten ooggetuige van was en die bevestigd zijn door zijn eigen brieven, eigenhandig ondertekend en gezegeld en waarvan sommige afschriften verzonden zijn naar de provincies van Peru en andere naar het koninkrijk Castilië. Zelf heb ik ook een afschrift in mijn bezit, ondertekend met zijn eigen hand, zoals ik al zei. De brief luidt als volgt.


"Ik, Marco de Nisa, van de orde van Sint Franciscus, inspecteur van de gehele broederschap die in de provincies van Peru verblijf houdt en een van de eerste geestelijken die samen met de Spanjaarden in deze streken voet aan land zette, verklaar het volgende, om een ware getuigenis af te leggen van wat ik met mijn eigen ogen heb gezien, vooral wat betreft de behandeling van de inwoners van dit gebied en de veroveringen die op hen gemaakt zijn.
Op de eerste plaats was ik daarvan ooggetuige en ben er zeker van dat de inwoners van Peru mensen zijn, die boven alle andere Indianen uitmunten in zachtmoedigheid, goedaardigheid en liefde voor de christenen. Ik heb gezien hoe de Indianen de Spanjaarden vrijwillig overlaadden met goud, zilver en kostbare stenen en alles wat van hen gevraagd werd en in hun vermogen lag en hen op veel andere manieren zeer ten dienste stonden. Zij, de Indianen, hebben zich nooit vijandig gedragen, als ze daar maar niet toe gedwongen werden door een slechte behandeling en wreedheden. Zij hebben de Spanjaarden juist altijd zeer vriendelijk en welwillend ontvangen in al hun steden en dorpen en hen voorzien van levensmiddelen en net zoveel mannelijke en vrouwelijke bedienden als zij nodig hadden.
Verder getuig ik en verklaar hierbij dat de Spanjaarden, nadat ze Peru waren binnengetrokken, zonder enige aanleiding hun machtigste cazique Atabilba, koning van het hele land, levend verbrandden, nadat ze hem meer dan tweemiljoen Castilianen aan goud afhandig hadden gemaakt en zich daarna zonder de minste tegenstand meester maakten van zijn provincie. Cochilimaca. Zijn opperbevelhebber, die ongewapend en vreedzaam met andere bestuurders naar hen toe kwamen, onderging hetzelfde lot. Een paar dagen later werd ook Chamba, een van de belangrijkste mensen uit de provincie Quitonia, zonder enige reden en zonder dat hem enige misdrijf ten laste was gelegd, levend verbrand. Eveneens brachten zij Chapera, vorst van Canario, op dezelfde manier ter dood. Ze folterden en verbrandden de voeten van Alvidis, de belangrijkste van alle heren van Quito, om hem te laten vertellen waar Atabilba zijn schatten verborgen had, waar hij, zoals later bleek, niets over wist. Zo behandelden ze ook Cozopanga, gouverneur van alle provincies van dat land, omdat hij niet kon voldoen aan de eisen die hem opgelegd werden door Sebastian Bernalcarus, een van de kapiteins van de commandant, en hem niet zoveel goud kun leveren als hij wilde. Hij werd levend verbrand samen met veel andere caziquen en belangrijke inwoners. Naar ik begrepen heb deden zij dat omdat ze geen enkele cazique in het hele land in leven wilden laten.
Ik bevestig ook dat ik met eigen ogen heb gezien dat de Spanjaarden met als enige reden, dat zij hun bloeddorst wilden lessen, handen, neus en oren afsneden bij zowel mannelijke als vrouwelijke Indianen en dat op zoveel plaatsen en zo vaak, dat het te langdradig en saai zou worden dat allemaal te vertellen. De Spanjaarden pakten op zekere dag een grote menigte Indianen op, vulden daar drie grote huizen mee en staken die meteen in brand, waarbij al die ongelukkige mensen omkwamen zonder dat ze wisten waaraan ze die gruwelijke kwelling verdiend hadden. Bij die gelegenheid had de Spaanse priester, Ocana, een jonge Indiaan uit de vlammen gered, maar een van de andere Spanjaarden greep hem vast en duwde hem terug in de vlammen, waar hij samen met de anderen verbrandde. Toen dat monster diezelfde dag naar het kamp terugliep, viel hij opeens dood neer op de weg, en naar ik weet is hem een begrafenis onthouden.
Ik heb gezien dat de Spanjaarden hun honden op de Indianen afstuurden en hen ophitsten zodat zij hen in stukken scheurden en zoveel dorpen door hen in brand zien steken, dat ik ze niet eens allemaal op kan noemen. Ook is het waar dat zij baby’s van de borst van hun moeder rukten, bij de armpjes grepen en ze zover mogelijk wegslingerden.
Ze bedreven nog veel andere wreedheden, die me deden huiveren en te veel tijd zou vergen als ik ze allemaal zou vertellen.
Daarnaast heb ik gezien dat zij verschillende caziquen en belangrijke Indianen bij zich ontboden, met de belofte dat zij een vrijgeleide kregen zodat ze ongehinderd en veilig naar hen toe konden komen. Maar zou gauw ze hen in handen waren gevallen werden ze levend verbrand. Twee van hen werden onder mijn ogen verbrand, een in Andon en de andere in Tumbala en al mijn smeekbeden om hen van de vlammen te redden waren tevergeefs.
En ik verklaar voor God en mijn eigen geweten dat, voor zover ik weet, de inwoners van Peru, hoewel het voor iedereen duidelijk is dat ze gruwelijke behandelingen en wreedheid moesten ondergaan, daarin nooit een reden gezocht hebben om in opstand te komen. En terwijl de Spanjaarden steeds hun woord van eed en hun beloften braken, tiranniek tegen alle wetten en rechtvaardigheid in de waarheid schonden, de Indianen en het hele land vernietigden, waren zij bereid liever te sterven, dan nog langer een dergelijke grote en onherstelbare ellende te moeten verduren.
Ik verklaar dat ik van de Indianen zelf vernomen heb dat er tot de dag van vandaag meer goud verborgen ligt dan ooit ontdekt en aan het licht gebracht is, maar dat zij, vanwege al het onrecht en de wreedheden die hen door de Spanjaarden zijn aangedaan, dat nooit zullen onthullen zolang zij zo bruut behandeld worden, maar dat zij nog liever met zijn allen de dood verkiezen. Alles wat er voorgevallen is, is een grote belediging van God en daarmee is ook de koning een slechte dienst bewezen en wordt hem een land afhandig gemaakt, dat voldoende zou kunnen opleveren om heel Castilië van voedsel te voorzien. Het valt te verwachten dat het land kan alleen nog maar teruggewonnen kan worden met veel moeite en tegen grote kosten."


Aldus de verklaring van broeder Marco de Nisa, provinciaal inspecteur van de Franciscaner monniken in Amerika, bekrachtigd en ondertekend door de bisschop van Mexico, die daarbij verklaart dat hij de woorden van voornoemde broeder Marco bevestigt en het bovenvermelde de waarheid is.

Opgemerkt dient te worden dat broeder Marco daar ooggetuige van is geweest, omdat hij in dat land in de loop van negen tot tien jaar maar in een gebied van vijftig tot honderd mijl rondgereisd heeft, toen er nog maar weinig Spanjaarden rondliepen. Maar zodra zich het gerucht verspreidde dat dit land zeer rijk was aan kostbare metalen, kwamen daar vier- tot vijfduizend Spanjaarden naartoe, die zich over een afstand van vijf- tot zeshonderd mijl over die koninkrijken en provincies verspreidden, en die geheel verwoestten en waarin ze dezelfde of nog grotere wreedheden bedreven als bovengenoemde. Want in werkelijkheid vermoordden ze vanaf die tijd tot op heden honderdduizenden arme zielen meer, dan waar broeder Marco verslag van doet en hebben ze zonder enige vrees voor God en koning het merendeel van de bevolking van die koninkrijken uitgeroeid, waarbij meer dan viermiljoen mensen een gewelddadige dood gestorven zijn.

Niet veel later schoten ze een machtige koningin dood met van riet vervaardigde pijlen. Zij was de vrouw van de machtige Elingia, die toen nog de keizerlijke scepter over dat koninkrijk zwaaide, en wie de Spanjaarden ook van plan waren op te pakken, wat hem aanzette tot een opstand en op dit moment is hij nog steeds een opstandeling. De enige reden waarom zij de koningin gevangen namen en tegen alle recht en billijkheid vermoordden, zoals eerder vermeld is, terwijl ze ook nog hoogzwanger was, was om haar echtgenoot te kwetsen en te grieven.


OVER HET NIEUWE KONINKRIJK GRANADA

In het jaar des Heren 1539 waren er veel tirannen die zich vanuit Venezuela, Santa Martha en Carthagena naar Peru haastten om dat land te veroveren. Vanuit die streek trokken ze met nog meer manschappen verder en probeerden door te dringen naar het midden van dat land. Driehonderd mijl van Carthagena en Santa Martha troffen ze vele heerlijke en zeer vruchtbare provincies aan, bevolkt door bedachtzame en goedmoedige mensen, net als in de andere streken van Indië. Dat gebied strekte zich uit over een afstand van driehonderd mijl tussen de provincies Carthagena, Santa Martha en Venezuela aan de ene kant en Peru aan de andere. Het was ook zeer rijk aan goud en een soort kostbare stenen die bekend staan als smaragden. De naam die de Spanjaarden aan die streek gaven was Granada, omdat de tiran die het eerst in dat gebied aankwam, geboren was in het koninkrijk Granada, dat in Spanje ligt. Omdat het allemaal kwaadaardige, wrede en schandelijke moordenaars waren, die genoten van bloedvergieten en in andere streken onder de Indianen hun verderfelijke en gruwelijke wreedheden al eerder in de praktijk uitgeprobeerd hadden, verwoestten zij deze provincies met hun plundertochten. Hier gingen zij op een zo duivelse wijze te werk, dat alles wat zij en anderen in de overige landen hadden bedreven, niets betekende in vergelijking hiermee. Van de ontelbare gruweldaden, die daar 3 jaar lang ononderbroken begaan werden en tegenwoordig nog steeds worden begaan, wil ik er slechts een paar, heel kort, aanstippen.

Zij zijn opgetekend in een verslag dat aangeboden is aan de koninklijke Raad van Indië, door toedoen van een Spanjaard die tot gouverneur van Santa Martha benoemd was en desondanks niet zijn ambt kon bekleden omdat het koninklijke gezag niet op kon tegen de macht van een monster dat het bewind voerde over het land. De gouverneur diende tegen hem een aanklacht in, waarin alle plunderingen, moorden en onderdrukkingen stonden opgetekend, waaraan hij zich schuldig had gemaakt. Dit verslag werd voorgelezen in de Raad van Indië en wordt daar nog steeds bewaard.

In deze aanklacht vertellen de getuigen dat de Indianen in deze koninkrijken in rust en vrede leefden en de Spanjaarden dienden. Zij voorzagen in hun levensonderhoud door dag in dag uit de grond te bewerken, leverden hen veel goud en edelstenen, vooral smaragden en gaven hen van alles wat zij bezaten en weg konden geven, waar zij behoefte aan hadden. De Spanjaarden verdeelden echter de steden en gewesten onder elkaar, een maatregel die zij nemen om hun belangrijkste doel te bereiken, goud en rijkdommen vergaren.

Toen alle Indianen onder het gebruikelijke juk zuchtten, pakte een tirannieke opperbevelhebber de koning van dat hele land op, hield hem zes of zeven maanden gevangen en eiste van hem, zonder enige reden, een grote hoeveelheid goud en smaragden. Genoemde koning, die Bogota heette probeerde zijn kwelgeest te vermurwen en verklaarde dat hij hem niets meer kon geven en niet wist hoe hij aan nog meer goud kon komen. De tiran herinnerde hem eraan dat hij ooit had gezegd dat hij hem een geheel gouden huis zou schenken, als hij maar niet gevangen genomen werd en verweet hem dat hij zich niet aan zijn woord hield. Bogota stuurde toen een aantal Indianen op pad, die steeds weer met grote hoeveelheden goud en edelstenen terugkwamen. Maar omdat de koning hem niet, volgens zijn belofte, een van zuiver goud gemaakt huis leverde, ging de Spanjaard door met het martelen van de koning en maakte de kwellingen elke dag erger. Hij beval zelfs een van de onderdanen van de koning dat hij hem ervan moest beschuldigen dat hij in opstand was gekomen tegen de koning van Castilië. De tiran gaf het bevel hem te halen, zodat hij hem zelf kon verhoren en zo werd de grootste koning van het hele gebied aangeklaagd. Het vonnis van de tiran was, dat als hij zich niet zou houden aan zijn belofte zou hem het gouden huis te leveren, hij aan nog ergere martelingen blootgesteld zou worden. Ze legden hem op de pijnbank, goten kokend water over zijn buik, ketenden zijn voeten aan het blok en bonden hem met zijn nek aan een paal. En terwijl twee mannen zijn handen vasthielden, werden zijn voeten blootgesteld een de verzengende hitte van het vuur. De tiran kwam af en toe naar hem kijken en zei dan dat ze hem dood zouden maken als hij hem niet het beloofde goud zou leveren. En onder deze gruwelijke martelingen vond koning Bogota de dood. Terwijl de Spanjaarden daarmee doende waren wilde God hen duidelijk maken hoe onwelgevallig deze wreedheden voor Zijne Goddelijke Majesteit waren en liet de hele stad, waarin dit allemaal plaatsvond, in vlammen opgaan. Andere Spanjaarden volgden het voorbeeld van hun commandant en onderwierpen de caziquen en andere belangrijke inwoners van de dorpen waar zij het bewind over voerden, aan dezelfde martelingen en moordden zodoende alle heren van het land uit, nadat ze eerst enorme hoeveelheden goud en edelstenen van de Indianen hadden gekregen, die in ruil daarvoor slechts vroegen om in leven gelaten te worden. Dat is de manier waarop de Spanjaarden dat hele land verwoestten.

Uit angst voor de onmenselijke wreedheden, die met name bepaalde tirannen in Indië begingen, vluchtte de cazique die Daytama heette, samen met alle inwoners van zijn stad, de bergen in, hun gewoonlijke toevluchtsoord. Maar de Spanjaarden plegen dit opstand en rebellie te noemen. Toen de tirannieke opperbevelhebber hiervan hoorde, stuurde hij de wreedaard voor wiens onmenselijke optreden de vreedzame Indianen op de vlucht waren gegaan, versterking aan manschappen. Omdat het de Indianen niet hielp of zij zich, al was het zelfs in de diepste diepten der aarde, verborgen, spoorden de Spanjaarden velen van hen weer op en brachten meer dan 500 mensen, zowel mannen als vrouwen en kinderen, om met het zwaard; want zij ontzagen niemand, ook niet in leeftijd of geslacht. Ook zeggen de getuigen, dat Daytama, de cazique, in eigen persoon naar deze wreedaard toegekomen was en hem of duizend Castilianen had gebracht; niettemin liet hij hem ombrengen, en richtte het bovenbeschreven bloedbad aan.

Op zekere dag bood een grote groep Indianen in alle nederigheid en eenvoud, zoals zij doorgaans doen, de Spanjaarden hun diensten aan en dachten daarmee veilig te zijn. Maar de kapitein viel hun stad binnen en gaf het bevel hen, terwijl zij na het eten aan het slapen waren of uit lagen te rusten van hun vermoeienissen van de dag, met het zwaard uit te moordden. En de enige reden waarom hij dat deed, was om alle andere inwoners van het gebied angst aan te jagen. Diezelfde kapitein maakte eens gebruik van de list om alle Spanjaarden onder ede te laten verklaren hoeveel caziquen en Indianen ieder in zijn huis had, wat werd gevolgd door het vermoorden van al die Indianen en zelfs diegenen die hen toebehoorden werden naar een plein gebracht, waar ze allemaal onthoofd werden, alles bij elkaar ongeveer vijfhonderd man.

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenIn de getuigenverklaringen van het proces, die bewaard worden in het archief van de Raad van Indië, staat dat deze kapitein zich, op bevel van zijn commandant, in wreedheid onderscheidde van de anderen en talloze Indianen heeft vermoord en bij anderen de neus afsneed en de handen afhakte.

Een andere keer werd hij door zijn commandant naar de hoofdstad van het nieuwe koninkrijk Granada gestuurd om inlichtingen te verzamelen over de nieuwe cazique die door de Indianen gekozen was na de tragische dood van de ongelukkige Bogota. Hij reisde vele mijlen door het land en nam alle Indianen die hij tegenkwam gevangen en als zij hem niet wilden vertellen wie de opvolger was van hun vermoorde koning, liet hij sommigen de handen afhakken en stuurde op anderen uitgehongerde honden af, die hen verscheurden waardoor allen een ellendige dood stierven.

Eens overviel hij om vier uur ’s ochtends een aantal caziquen, edellieden en andere Indianen die, omdat zich veilig waanden — want de Spanjaarden hadden hen op hun erewoord beloofd dat niemand van hen enig kwaad aangedaan zou worden en daar vertrouwden zij op —zonder enige angst naar hun steden teruggekeerd waren vanuit hun schuilplaats in de bergen. Hij nam hen allemaal gevangen, beval hen een hand op de grond te leggen en die zelf met een zwaard in hun andere hand af te hakken, waarbij hij zei dat hij ze op die manier strafte, omdat zij hem niet wilde vertellen door welke cazique koning Bogota was opgevolgd.

Toen de inwoners van een van deze provincies zagen dat vier of vijf van hun caziquen door ze levend te verbranden naar de andere wereld gezonden werden, sloeg de schrik hen om het hart en vluchtten ze naar de bergen. Betrouwbare getuigen vertellen dat het wel vier- tot vijfduizend man waren. Voornoemde commandant stuurde een tiran die nog wreder was dan alle anderen achter hen aan. De Spanjaarden slaagden er slechts met grote moeite in de berg te bestijgen en riepen de naakte en lichtbewapende Indianen toe dat ze vrede met hen wilden sluiten als beloofden zich over te geven. Zij legden daarop meteen hun pijlen en bogen neer om te laten zien dat ze vreedzame bedoelingen hadden, waarop ze meteen gevangen genomen werden door de verraderlijke Spanjaarden. Als wolven en leeuwen stortten zij zich op de mensen. Het bloedbad wat zij toen onder de Indianen aanrichtten was zo enorm, dat de soldaten daar dusdanig moe van werden dat ze af en toe uit moesten rusten. Een van de manieren waarop ze de Indianen nog sneller en zonder zelf moe te worden doodden, was hen van de rotsen naar beneden te gooien. Getuigen vertellen dat zij op die manier meer dan zevenhonderd Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenmensen als een wolk van de bergtop naar beneden hebben zien gooien, die allemaal te pletter vielen. Van al die vier- tot vijfduizend man werd niemand gespaard.

Deze tiran kwam op een dag aan in het dorp Cota, waar hij een grote menigte Indianen bij verrassing gevangen nam, samen met vijftien tot twintig hooggeplaatste caziquen, die hij voor de honden gooiden en in stukken gescheurd werden. Hij liet ook bij mannen en vrouwen de handen afhakken, die aan een staak geregen en tentoongesteld werden, als afschrikwekkend voorbeeld voor de andere Indianen. Zo hingen daar dan zeventig handen. Niet vergeten mag worden dat hij zonder enig mededogen bij veel vrouwen en kinderen de neus liet afsnijden.

Tijdens het proces verklaarden de getuigen verder, dat de moordpartijen die in het voornoemde koninkrijk Nieuw-Granada werden aangericht door deze kapitein en andere tirannen, deze vijanden van de mensheid, die hen vergezelden en daar nog steeds mee doorgaan, zo gruwelijk zijn, dat als Zijne Majesteit daaraan op dit moment geen halt toeroept, zodat dergelijke misdaden voortaan niet meer voor zullen komen — want de Indianen worden nog dagelijks vermoord omdat de Spanjaarden zich willen verrijken met hun goud, waarvan de Indianen inmiddels al zo beroofd zijn, dat ze helemaal niets meer hebben, omdat ze alles al aan de Spanjaarden gegeven hebben — dit koninkrijk binnen een paar jaar één grote woestenij en het Indiaanse volk uitgeroeid zal zijn. Ik heb dat koninkrijk zelf gezien en leren kennen en aarzel niet mij achter de mening van de getuigen te scharen, omdat het gedrag van de mensen die belast waren met het bestuur van het land geen andere conclusie toelaat omdat de bevolking veel groter is geweest dan in andere delen van de Nieuwe Wereld.

Er grenzen nog andere provincies aan het koninkrijk Nieuw-Granada, zoals Popayan en Cali, samen met nog drie of vier, die zich uitstrekken over een afstand van meer dan vijfhonderd mijl en zeer dichtbevolkt waren en zeer vruchtbare bodem hadden. Die werden door hen op dezelfde manier verwoest, als ze al eerder met andere streken hadden gedaan en door voornoemde bloedbaden ontvolkt. Iedereen die in die streken geweest is vertelde ons dat niets naargeestiger en deerniswekkender is dan de aanblik van al die totaal in de as gelegde grote steden, die begraven lagen onder hun eigen puinhopen en dat in een stad waar ooit duizend tot tweeduizend huizen stonden er nauwelijks vijftig over zijn, omdat alle andere volledig verwoest waren en tot de grond toe waren afgebrand. Sommige streken — met grote steden — troffen ze over een afstand van honderd mijl totaal verwoest en door vuur verteerd, aan.

Een van de oorzaken, die een belangrijke bijdrage geleverd heeft aan de verwoesting van die provincies was het grote aantal commandanten die op zoek waren naar nieuwe gebieden. Een groep trok vanuit Peru, via Quito naar Nieuw-Granada en een andere vanuit Popayan en Cali, via Carthagena en Uraba en zetten vandaar koers naar Calisium. Verschillende andere tirannen, die een grote strijdmacht hadden verzameld, verwoestten en ontvolkten die streek volkomen, over een afstand van meer dan zeshonderd mijl, waarbij een enorm aantal arme zielen hun leven verloren en de weinigen die er overgebleven zijn van dat onschuldige volk worden tot op de dag van vandaag niet menselijker behandeld dan toen.

Daarom zou ik graag willen dat de mensen die deze stukken al hebben gelezen of nog zullen lezen, zich ernstig afvragen of een zodanig beestachtig, wreed en onmenselijk optreden niet veel erger is dan alle goddeloosheid en hardvochtigheid, die in de gedachten of verbeelding van de mens kunnen opkomen en of die Spanjaarden niet de naam duivel verdienen. Welk van de twee dingen erger is, overgeleverd worden aan de duivel of gemarteld worden door de Spanjaarden? Dat is de vraag.

Ik kan niet nalaten nog een staaltje van schurkachtigheid te vermelden — ik laat in het midden of dat erger of minder erg is dan de wreedheid van wilde beesten. De Spanjaarden die te midden van de Indianen wonen, fokken bloeddorstige honden, die zo afgericht worden dat ze zich, zo gauw ze Indianen zien, daar meteen op storten en ze in stukken scheuren en verslinden. Iedereen, christen of niet, moet maar bij zichzelf nagaan of hem ooit zo iets gruwelijks te ore is gekomen.

Illustratie Zeer beknopt relaas van de verwoesting van de west-indische landenDie honden, die ze altijd bij zich hebben, waarheen ze ook gaan, hebben ze afgericht om mensenvlees te eten en die vermoorden grote aantallen geketende Indianen en vreten ze op, zoals varkens hun voedsel en nemen zodoende deel aan de slachtpartijen. Vaak zeggen ze tegen elkaar, leen mij een paar van je slaven om aan mijn honden te voeren; ik zal je wel terugbetalen als ik er zelf een slacht, alsof hij alleen maar een paar varkens of schapen geleend had. Anderen gaan ’s ochtend vroeg op jacht en als je hen vraagt als ze weer terug zijn wat ze die buitgemaakt hebben, antwoordden ze, zat, zat, want mijn honden zijn vijftien of twintig Indianen slaven naar de keel gevlogen en hebben ze doodgebeten. Ze hebben nu voor een paar dagen genoeg gegeten. Deze zaken zijn duidelijk aangetoond tijdens de gerechtelijke onderzoeken, waarbij de ene tegen de andere tiran getuigde. Ik vraag u dringend, is er iets gruwelijkers en beestachtigers mogelijk?

Hiermee zal ik dit relaas thans besluiten, tenzij er berichten binnenkomen van nog grotere en afschuwelijkere misdaden — als dat mogelijk is — of dat wij daar weer zelf gaan kijken, zoals we dat in een periode van tweeënveertig jaar met onze eigen ogen hebben gedaan. Ik koester weinig hoop dat er berichten zullen komen, die aankondigen dat de Spanjaarden hun gedrag gematigd hebben, omdat ik dat zelf in al die jaren heb meegemaakt en niets gezien heb dat hoop geeft op een verandering ten goede. Ik zweer tegelijk bij God en mijn geweten, dat ik — en ik geloof dit naar mijn vaste overtuiging —, hoe uitvoerig ik er ook over schreef, nog niet het tienduizendste deel van alle verwoestingen, alle schade toegebracht aan het land, alle moorden, gewelddaden en andere gruwelen en wreedheden aangehaald en beschreven heb, die in al deze landen bedreven werden en op de dag van vandaag in heel Indië nog steeds bedreven worden.

Opdat nu elk christen des te meer mededogen met deze schuldeloze volken moge voelen, hun verderf en hun ondergang des te meer moge betreuren, de hoogmoed, hebzucht en wreedheid van de Spanjaarden daarentegen des te meer en uit de grond van zijn hart moge verafschuwen, moet wat door mij als de waarheid bevestigd wordt ook eens en voor altijd voor waar aangenomen worden, dat namelijk nooit één Indiaan, vanaf de ontdekking van Indië tot aan de dag van vandaag, ook maar één enkel christen, op welke manier dan ook, ooit ook maar het minste in de weg gelegd heeft, voor zover hij niet eerst door het verraad, de razernij en roofzucht van de christenen daartoe werd uitgedaagd. Zij beschouwden de Spanjaarden juist als onsterfelijken, die uit de hemel waren gekomen, en behandelden hen ook als zodanig, totdat hun daden duidelijk maakten wie en wat zij wél waren en wat zij in werkelijkheid wilden.

Ik zal alleen nog een kleine toevoeging maken bij wat ik al heb gezegd, namelijk dat de Spanjaarden vanaf hun aankomst in Amerika, tot op de dag van vandaag, zich evenmin hebben bekommerd om het bevorderen van de verkondiging van het Evangelie van Jezus Christus, als wanneer ze honden of wilde dieren waren geweest, maar het allerergste is dat zij met opzet het bekeringswerk van de paters belemmerd hebben door de druk die zij op de Indianen legden, die door hen dag in dag gekweld en lastig gevallen werden, zodat ze minder tijd tot hun beschikking hadden om de preken en kerkdiensten bij te wonen. Zij zagen dat als een belemmering voor het vergaren van goud en om door hun hebzucht, waardoor zij zo mateloos werden gedreven, rijk te kunnen worden. De Indianen begrijpen niet meer van God, dan toen hij van hout, koper of klei gemaakt was, zoals zij dat meer dan honderd jaar geleden al deden, met uitzondering van Nieuw-Spanje, dat maar een klein gedeelte van Amerika uitmaakt en waar een groot aantal paters toegestaan werd bekeringswerk te verrichten. Zodoende sterven zij net als voorheen nog steeds zonder het ware geloof, of de kennis en het profijt van onze heilige sacramenten.


Ik, Fray Barthelomeo de Las Casas, van de orde van de heilige Dominicus, die door de genade Gods het Spaanse Hof heb mogen toespreken, wens uit de grond van mijn hart dat deze duivelse daden uit Indië verdreven worden, omdat ik vrees dat de zielen die verlost zijn door het kostbare bloed van Jezus Christus, anders voor eeuwig verloren gaan. En ik wens hartstochtelijk dat zij hun Schepper leren kennen en gered zullen worden. Ik werd daartoe ook bewogen door de liefde en het mededogen die ik altijd heb gevoeld voor mijn vaderland Castilië, omdat ik vrees dat God het anders zal vernietigen, vanwege de vele zonden die door zijn inwoners, zijn kinderen, begaan werden tegen Zijn geloof, eer en hun eigen naasten. Na grote aarzeling heb ik op dringend verzoek van enige zeer hoogstaande leden van dit Hof, vurige ijveraars voor de eer van God en bewogen door mededogen met de ellende en rampzalige toestand van hun naasten, eindelijk dit relaas en deze samenvatting voltooid — ik had zelf dit voornemen al lang geleden gemaakt en het besluit genomen het te voltooien, maar was daartoe niet in staat omdat ik doorlopend afgeleid werd door zeer drukke werkzaamheden en daardoor geen tijd had om het op schrift te stellen — in Valencia, op 8 december van het jaar des Heren 1542, op het moment dat de gewelddadigheden, onderdrukking, tirannie, verwoestingen, martelingen en beproevingen hun hoogtepunt bereikten in voornoemde gebieden en overal waar Spanjaarden zich ophouden, hoewel ze op sommige plaatsen wreder zijn dan elders. Mexico en omliggende gebieden worden enigszins goedgunstiger bejegend dan de andere provincies. Want daar, en nergens anders in heel Indië, heerst enige gerechtigheid, al is ook die nog gering; want ook daar worden de inwoners door de helse schattingen die zij betalen moeten, geheel uitgezogen.

Maar ik geloof en ben er volkomen van overtuigd dat onze Vorst, Karel V, Keizer en Koning van Spanje, onze Heer en Majesteit, ontvankelijk begint te worden voor de misdrijven en trouweloze daden, die zijn begaan en nog steeds begaan worden tegen zijn deerniswekkende onderdanen en noodlijdende gebieden, in strijd met de wil en het behagen van God en Zijne Majesteit, en dat hij nu — want tot nu toe is de waarheid altijd even listig, als bedrieglijk en kwaadaardig, voor hem verborgen gehouden en onbekend geweest — al die misdaden en vergrijpen volledig zal uitroeien en verdelgen, de geschikte medicijnen zal toedienen die deze ziekteverwekkende en kwade sappen in het lichaam van deze Nieuwe Wereld zullen uitdrijven en zich als minnaar van vrede en rust haar aan zijn zorg en bestuur zal toevertrouwen. Moge God hem bewaren en hem zegenen met een glorievol en gelukkig leven in zijn keizerlijke waardigheid en hem bijstaan bij al zijn inspanningen om de kwalen van de kerk van Christus te genezen en hem tot slot kronen met de eeuwige gelukzaligheid, Amen.


Toevoeging, geschreven in het jaar 1546

Nadat ik deze verhandeling had neergeschreven, werden verschillende wetten en verordeningen, die door Zijne Majesteit in december van het jaar des Heren 1521 in Barcelona waren opgesteld, in het daarop volgende jaar in de stad Madrid uitgevaardigd en openbaar gemaakt. Daarin is bepaald dat er een eind gemaakt zal worden aan de wreedheden en misdaden, die begaan worden tegen God en onze naasten en dreigen uit te lopen op de ondergang van deze Nieuwe Wereld. Deze wetten zijn opgesteld op voorstel van een vergadering die bijeengeroepen was in Valladolid en bestond uit door hun godsdienst, wijsheid en liefde voor gerechtigheid uitmuntende personen, nadat er over deze belangrijke zaken veel debatten waren gehouden. Ten slotte werd er met algemene instemming van iedereen, die zijn mening schriftelijk had ingebracht, besloten die verordeningen openbaar te maken. Daarin volgden zij de geboden van Christus en het christendom zeer getrouw, als waarachtige christenen, die zich niet bezondigd hadden en onschuldig waren aan de smet en schande van het van de Indianen door diefstal en plundering ontvreemden van hun schatten, welke rijkdommen de handen, maar nog meer de zielen besmet en besmeurd hebben van al die mensen die zuchtten onder het juk van die rijkdommen en hun eigen hebzucht. Deze hardnekkige en verhitte jacht naar rijkdom was de oorsprong van al die misdaden, die begaan werden zonder enige wroeging en volmaakt gewetenloos.

Toen deze wetten afgekondigd waren, zorgden de mensen die aan het Hof verbonden waren en de tirannen steunden, ervoor dat daarvan een groot aantal afschriften werd gemaakt — want ze waren zeer ontdaan toen ze zagen dat er geen hoop en ook geen manier meer was om de plunderingen en berovingen van voornoemde tirannen verder te steunen — die ze naar verschillende Indische provincies stuurden. Degenen die er zorg voor droegen dat de Indianen door middel van allerlei wreedheden onderdrukt en uitgeroeid werden, gedroegen zich zeer wanordelijk en ongeregeld, omdat zij er nooit een bepaalde methode of regels op na gehouden hadden. Omdat zij deze lastbrieven of decreten al konden lezen voordat de pas benoemde rechters, die aangewezen waren om ze ten uitvoer te brengen, in Indië aangekomen waren, begonnen ze, bijgestaan door de mensen — een geloofwaardig gerucht dat niet onverenigbaar is met de waarheid — die tot dan toe hun misdadige en gewelddadige optreden steunden, opstandig te worden en te muiten, omdat ze heel goed wisten dat deze wetten en decreten onherroepelijk hun uitwerking zouden hebben. Na aankomst van de rechters, die deze mandaten moesten uitvoeren, waren ze dan ook zo overmoedig dat ze niet alleen alle liefde en vrees voor God opzij zetten, maar ook alle eerbied en gehoorzaamheid aan hun koning lieten varen. Zo werden zij verraders, die zich gedroegen als bloeddorstige tirannen, verstoken van elke menselijkheid.

Dat gebeurde vooral in de koninkrijken van Peru, waar zij in het jaar des Heren 1542, zulke gruwelijke en enorme wreedheden bedrijven, als nooit eerder in Amerika of de hele wereld bekend of gehoord zijn. Zij doen dat niet alleen tegen de Indianen, die toch al grotendeels uitgeroeid waren, maar ook tegen elkaar. In zijn rechtvaardige oordeel staat God hen toe hun eigen beulen te zijn en hun zwaarden in elkaars buik te steken. Aangezet door het voorbeeld van deze opstandelingen, weigerden op dezelfde manier ook de Spanjaarden in andere provincies deze wetten te gehoorzamen. Alle anderen die voorwendden dat ze een petitie zouden sturen naar Zijne Majesteit, kwamen ook in opstand, omdat zij natuurlijk geen afstand wilden doen van de landerijen, bezittingen en goederen die zij zich al wederrechtelijk hadden toegeëigend. Bovendien waren ze niet bereid de Indianen vrij te laten, die gedoemd waren levenslang hun slaaf te zijn. Maar als zij hen dan niet met het moordende zwaard mochten ombrengen, dan deden zij dat wel geleidelijk door hen te laten slaven en onrechtvaardige en ondraaglijke lasten op te leggen. Zelfs Zijne Majesteit heeft dat tot nu toe niet kunnen voorkomen of verhinderen, omdat zij allemaal en overal, sommigen in het openbaar en openlijk, anderen slinks en in het geheim, van nature zeer verslaafd zijn aan plunderen, roven en stelen. En onder het voorwendsel de koning te dienen, onteren zij God en bedriegen Zijne Keizerlijke Majesteit.



Vertaling van: www.gutenberg.org/cache/epub/20321/pg20321.html

Geraadpleegde vertalingen:

KORT RELAAS VAN DE VERWOESTING VAN DE WEST-INDISCHE LANDEN
Vertaald door Michel van Nieuwstadt, Uitgeverij De Arbeiderspers 1969

Oeuvres de Don Barthélemi de Las Casas, Evèque de Chiapa, Paris 1822, Google Books



Naar boven